Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
22 JUNI 2007. - Decreet betreffende het onderwijs XVII. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 21-08-2007 en tekstbijwerking tot 13-02-2017)
Titre
22 JUIN 2007. - Décret relatif à l'enseignement XVII (TRADUCTION). (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 21-08-2007 et mise à jour au 13-02-2017)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepaling.
HOOFDSTUK II. - Basisonderwijs.
Afdeling I. - Decreet Basisonderwijs.
Afdeling II. - Inwerkingtreding.
HOOFDSTUK III. - Secundair onderwijs.
Afdeling I. - Decreet betreffende het onderwijs...
Afdeling II. - Decreet houdende diverse bepalin...
Afdeling III. - Opheffen van bepalingen.
Afdeling IV. - Buitengewoon secundair onderwijs.
Onderafdeling I. - Koninklijk besluit tot vasts...
Onderafdeling II. - Koninklijk besluit tot vast...
Afdeling V. - Inwerkingtreding.
HOOFDSTUK IV. - Levenslang Leren.
Afdeling I. - Deeltijds kunstonderwijs.
Afdeling II. - Decreet tot regeling van een aan...
HOOFDSTUK V. - Hoger Onderwijs.
Afdeling I. - Decreet betreffende de universite...
Afdeling II. - Decreet betreffende de hogeschol...
Afdeling III. - Decreet betreffende de herstruc...
Afdeling IV. - Decreet betreffende de flexibili...
Afdeling V. - Statuut beheerders van publiekrec...
Afdeling VI. - Inwerkingtreding.
HOOFDSTUK VI. - Centra voor leerlingenbegeleiding.
HOOFDSTUK VII. - Inspectie en Begeleidingsdiens...
Afdeling I. - Decreet betreffende de inspectie,...
Afdeling II. - Decreet betreffende de inspectie...
Afdeling III. - Inwerkingtreding.
HOOFDSTUK VIII. - Rechtspositie onderwijsperson...
Afdeling I. - Decreet betreffende de rechtsposi...
Afdeling II. - Decreet betreffende de rechtspos...
HOOFDSTUK IX. - Andere bepalingen.
Afdeling I. - Wet tot wijziging sommige bepalin...
Afdeling II. - Wet betreffende de leerplicht.
Afdeling III. - Koninklijk besluit houdende rat...
Afdeling IV. - Decreet betreffende het mentorsc...
Afdeling V. - Decreet betreffende de subsidiëri...
Afdeling VI. - Decreet betreffende het onderwij...
Afdeling VII. - Decreet betreffende het onderwi...
Afdeling VIII. - Decreet betreffende gelijke on...
Afdeling IX. - Decreet betreffende participatie...
Afdeling X. - Decreet betreffende het onderwijs...
Afdeling XI. - Decreet betreffende het onderwij...
Afdeling XII. - Decreet betreffende de organisa...
Afdeling XIII. - Decreet betreffende het onderw...
Afdeling XIV. - Decreet betreffende de regional...
Afdeling XV. - Inwerkingtreding.
HOOFDSTUK X. - Autonome bepalingen.
Afdeling I. - Volwassenenonderwijs.
Afdeling II. - Time-outprojecten.
Afdeling III. - Deeltijds kunstonderwijs.
Afdeling IV. - Brussels ondersteuningscentrum s...
Afdeling V. - Inwerkingtreding.
Inhoud
CHAPITRE Ier. - Disposition introductive.
CHAPITRE II. - Enseignement fondamental.
Section 1ère. - Décret relatif à l'enseignement...
Section II. - Entrée en vigueur.
CHAPITRE III. - Enseignement secondaire.
Section Ire. - Décret relatif à l'enseignement II.
Section II. - Décret contenant diverses mesures...
Section III. - Abrogation de dispositions.
Section IV. - Enseignement secondaire spécial.
Sous-section 1re. - Arrêté royal fixant les fon...
Sous-section II. - Arrêté royal fixant les autr...
Section V. - Entrée en vigueur.
CHAPITRE IV. - Apprentissage tout au long de la...
Section Ire. - Enseignement artistique à temps ...
Section II. - Décret réglant certaines matières...
CHAPITRE V. - Enseignement supérieur.
Section Ire. - Décret relatif aux universités d...
Section II. - Décret relatif aux instituts supé...
Section III. - Décret relatif à la restructurat...
Section IV. - Décret relatif à la flexibilisati...
Section V. - Statuts des administrateurs des un...
Section VI. - Entrée en vigueur.
CHAPITRE VI. - Centres d'encadrement des élèves.
CHAPITRE VII. - Inspection et Services d'encadr...
Section Ire. - Décret relatif à l'inspection, a...
Section II. - Décret relatif à l'inspection et ...
Section III. - Entrée en vigueur.
CHAPITRE VIII. - Statut du personnel enseignant.
Section Ire. - Décret relatif au statut de cert...
Section II. - Décret relatif au statut de certa...
CHAPITRE IX. - Autres dispositions.
Section Ire. - Loi modifiant certaines disposit...
Section II. - Loi concernant l'obligation scola...
Section III. - Arrêté royal portant rationalisa...
Section IV. - Décret relatif au tutorat et à la...
Section V. - Décret relatif au subventionnement...
Section VI. - Décret relatif à l'enseignement VII.
Section VII. - Décret relatif à l'enseignement ...
Section VIII. - Décret relatif à l'égalité des ...
Section IX. - Décret relatif à la participation...
Section X. - Décret relatif à l'enseignement XIV.
Section XI. - Décret relatif à l'enseignement X...
Section XII. - Décret relatif a l'organisation ...
Section XIII. - Décret relatif à l'enseignement...
Section XIV. - Décret relatif aux centres techn...
Section XV. - Entrée en vigueur.
CHAPITRE X. - Dispositions autonomes.
Section Ire. - Education des adultes.
Section II. - Projets " time-out ".
Section III. - Enseignement artistique à temps ...
Section IV. - Brussels ondersteuningscentrum se...
Section V. - Entrée en vigueur.
Tekst (277)
Texte (277)
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepaling.
CHAPITRE Ier. - Disposition introductive.
Artikel 1.1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
Article 1.1. Le présent décret règle une matière communautaire.
HOOFDSTUK II. - Basisonderwijs.
CHAPITRE II. - Enseignement fondamental.
Afdeling I. - Decreet Basisonderwijs.
Section 1ère. - Décret relatif à l'enseignement fondamental.
Art. 2.1. Artikel 2 van het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997, gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2006, wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 2
§ 1. De bepalingen van dit decreet zijn van toepassing op het gewoon en het buitengewoon, erkend, gefinancierd en gesubsidieerd basisonderwijs, tenzij het uitdrukkelijk anders vermeld wordt. Het decreet is niet van toepassing op de internaten, semi-internaten, opvangcentra en observatiecentra die verbonden zijn aan basisscholen.
§ 2. In afwijking van § 1 is artikel 27, § 4, van toepassing op internaten. ".
" Artikel 2
§ 1. De bepalingen van dit decreet zijn van toepassing op het gewoon en het buitengewoon, erkend, gefinancierd en gesubsidieerd basisonderwijs, tenzij het uitdrukkelijk anders vermeld wordt. Het decreet is niet van toepassing op de internaten, semi-internaten, opvangcentra en observatiecentra die verbonden zijn aan basisscholen.
§ 2. In afwijking van § 1 is artikel 27, § 4, van toepassing op internaten. ".
Art. 2.1. L'article 2 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, modifié par le décret du 7 juillet 2006, est remplacé par la disposition suivante :
" Article 2
§ 1er. Sauf disposition contraire expresse, les dispositions du présent décret s'appliquent à l'enseignement fondamental ordinaire et spécial, agréé, financé et subventionné. Le décret ne s'applique pas aux internats, semi-internats, centres d'accueil et centres d'observation rattachés aux écoles fondamentales.
§ 2. Par dérogation au § 1er, l'article 27, § 4, s'applique aux internats. ".
" Article 2
§ 1er. Sauf disposition contraire expresse, les dispositions du présent décret s'appliquent à l'enseignement fondamental ordinaire et spécial, agréé, financé et subventionné. Le décret ne s'applique pas aux internats, semi-internats, centres d'accueil et centres d'observation rattachés aux écoles fondamentales.
§ 2. Par dérogation au § 1er, l'article 27, § 4, s'applique aux internats. ".
Art. 2.2. In artikel 3 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 14 juli 1998, 22 december 2000, 13 juli 2001, 28 juni 2002, 14 februari 2003, 10 juli 2003, 15 juli 2005 en 7 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° er worden een punt 4°bis en 4°ter ingevoegd, die luiden als volgt :
" 4°bis Agion : Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs;
4°ter Agodi : Agentschap voor Onderwijsdiensten; ";
2° er worden een punt 8°bis en 8°ter ingevoegd, die luiden als volgt :
" 8°bis bijkomende lestijden : lestijden die niet behoren tot het lestijdenpakket en geen extra lestijden zijn;
8°ter bijkomende uren : uren die niet behoren tot het urenpakket en geen extra uren zijn; ";
3° er wordt voor punt 9°bis, dat punt 9°ter wordt, een nieuw punt 9°bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" 9°bis CKG-school : school die verbonden is aan een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning; ";
4° punt 12° wordt geschrapt;
5° er wordt een punt 14°bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" 14°bis extra uren : uren die toegekend zijn in het kader van een tijdelijk project; ";
6° er wordt een punt 25°bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" 25°bis kleuterparticipatie : de inschrijving in en deelname aan het kleuteronderwijs van niet-leerplichtige leerlingen met het oog op het realiseren van de ontwikkelingsdoelen; ";
7° punt 45°bis wordt vervangen door wat volgt :
" 45°bis puntenenveloppe : het aantal punten waarover een school en/of scholengemeenschap op basis van het aantal regelmatige leerlingen op een welbepaalde teldag of op basis van het gemiddeld aantal leerlingen tijdens de telperiode beschikt en dat het aantal organiseerbare betrekkingen van beleids- en ondersteunend personeel en/of bestuurs- en onderwijzend personeel bepaalt; ";
8° punt 46° wordt vervangen door wat volgt :
" 46° rationalisatienorm : het aantal regelmatige leerlingen dat op een welbepaalde teldag of tijdens een welbepaalde telperiode in een school, een vestigingsplaats, een onderwijsniveau of een type moet ingeschreven zijn om na de programmatieperiode nog gefinancierd of gesubsidieerd te blijven; ".
1° er worden een punt 4°bis en 4°ter ingevoegd, die luiden als volgt :
" 4°bis Agion : Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs;
4°ter Agodi : Agentschap voor Onderwijsdiensten; ";
2° er worden een punt 8°bis en 8°ter ingevoegd, die luiden als volgt :
" 8°bis bijkomende lestijden : lestijden die niet behoren tot het lestijdenpakket en geen extra lestijden zijn;
8°ter bijkomende uren : uren die niet behoren tot het urenpakket en geen extra uren zijn; ";
3° er wordt voor punt 9°bis, dat punt 9°ter wordt, een nieuw punt 9°bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" 9°bis CKG-school : school die verbonden is aan een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning; ";
4° punt 12° wordt geschrapt;
5° er wordt een punt 14°bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" 14°bis extra uren : uren die toegekend zijn in het kader van een tijdelijk project; ";
6° er wordt een punt 25°bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" 25°bis kleuterparticipatie : de inschrijving in en deelname aan het kleuteronderwijs van niet-leerplichtige leerlingen met het oog op het realiseren van de ontwikkelingsdoelen; ";
7° punt 45°bis wordt vervangen door wat volgt :
" 45°bis puntenenveloppe : het aantal punten waarover een school en/of scholengemeenschap op basis van het aantal regelmatige leerlingen op een welbepaalde teldag of op basis van het gemiddeld aantal leerlingen tijdens de telperiode beschikt en dat het aantal organiseerbare betrekkingen van beleids- en ondersteunend personeel en/of bestuurs- en onderwijzend personeel bepaalt; ";
8° punt 46° wordt vervangen door wat volgt :
" 46° rationalisatienorm : het aantal regelmatige leerlingen dat op een welbepaalde teldag of tijdens een welbepaalde telperiode in een school, een vestigingsplaats, een onderwijsniveau of een type moet ingeschreven zijn om na de programmatieperiode nog gefinancierd of gesubsidieerd te blijven; ".
Art. 2.2. A l'article 3 du même décret, modifié par les décrets des 14 juillet 1998, 22 décembre 2000, 13 juillet 2001, 28 juin 2002, 14 février 2003, 10 juillet 2003, 15 juillet 2005 et 7 juillet 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° il est inséré un point 4°bis et 4°ter, rédigés comme suit :
" 4°bis Agion : Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs;
4°ter Agodi : Agentschap voor Onderwijsdiensten; ";
2° il est inséré un point 8°bis et 8°ter, rédigés comme suit :
" 8°bis périodes additionnelles : périodes qui ne font pas partie du capital-périodes et qui ne constituent pas de périodes supplémentaires;
8°ter heures additionnelles : heures qui ne font pas partie du capital-heures et qui ne constituent pas d'heures supplémentaires; ";
3° il est inséré, avant le point 9°bis, qui devient le point 9°ter, un nouveau point 9°bis, rédigé comme suit :
" 9°bis école CKG : école rattachée à un centre d'aide aux enfants et d'assistance des familles; ";
4° le point 12° est supprimé;
5° il est inséré un point 14°bis, rédigé comme suit :
" 14°bis heures additionnelles : heures accordées dans le cadre d'un projet temporaire; ";
6° il est inséré un point 25°bis, rédigé comme suit :
" 25°bis participation des jeunes enfants : l'inscription et la participation à l'enseignement maternel des élèves non scolarisables en vue de la réalisation des objectifs de développement; ";
7° le point 45°bis est remplacé par la disposition suivante :
" 45°bis enveloppe de points : le nombre de points dont dispose une école et/ou un centre d'enseignement, calculé sur la base du nombre d'élèves réguliers à un jour de comptage déterminé ou sur la base du nombre moyen d'élèves pendant la période de comptage et fixant le nombre d'emplois de personnels de gestion et d'appui et/ou de personnels directeurs et enseignants pouvant être organisés.
8° le point 46° est remplacé par la disposition suivante :
" 46° norme de rationalisation : le nombre d'élèves réguliers qui doit être inscrit à un jour de comptage déterminé ou pendant une période de comptage déterminée dans une école, une implantation, un niveau d'enseignement ou un type pour rester financée ou subventionnée après la période de programmation; ".
1° il est inséré un point 4°bis et 4°ter, rédigés comme suit :
" 4°bis Agion : Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs;
4°ter Agodi : Agentschap voor Onderwijsdiensten; ";
2° il est inséré un point 8°bis et 8°ter, rédigés comme suit :
" 8°bis périodes additionnelles : périodes qui ne font pas partie du capital-périodes et qui ne constituent pas de périodes supplémentaires;
8°ter heures additionnelles : heures qui ne font pas partie du capital-heures et qui ne constituent pas d'heures supplémentaires; ";
3° il est inséré, avant le point 9°bis, qui devient le point 9°ter, un nouveau point 9°bis, rédigé comme suit :
" 9°bis école CKG : école rattachée à un centre d'aide aux enfants et d'assistance des familles; ";
4° le point 12° est supprimé;
5° il est inséré un point 14°bis, rédigé comme suit :
" 14°bis heures additionnelles : heures accordées dans le cadre d'un projet temporaire; ";
6° il est inséré un point 25°bis, rédigé comme suit :
" 25°bis participation des jeunes enfants : l'inscription et la participation à l'enseignement maternel des élèves non scolarisables en vue de la réalisation des objectifs de développement; ";
7° le point 45°bis est remplacé par la disposition suivante :
" 45°bis enveloppe de points : le nombre de points dont dispose une école et/ou un centre d'enseignement, calculé sur la base du nombre d'élèves réguliers à un jour de comptage déterminé ou sur la base du nombre moyen d'élèves pendant la période de comptage et fixant le nombre d'emplois de personnels de gestion et d'appui et/ou de personnels directeurs et enseignants pouvant être organisés.
8° le point 46° est remplacé par la disposition suivante :
" 46° norme de rationalisation : le nombre d'élèves réguliers qui doit être inscrit à un jour de comptage déterminé ou pendant une période de comptage déterminée dans une école, une implantation, un niveau d'enseignement ou un type pour rester financée ou subventionnée après la période de programmation; ".
Art. 2.3. In artikel 25 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 14 februari 2003, wordt een § 1bis ingevoegd, die luidt als volgt :
" § 1bis. De tussenkomst in de kosten van het vervoer bedoeld in § 1, 1° en 2°, bedraagt voor het gesubsidieerd onderwijs per schooljaar 75 % van de kostprijs van een treinkaart van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen. De Vlaamse Regering stelt de nadere uitvoeringsregels met betrekking tot de toekenning en de uitbetaling van deze tussenkomst vast.
Het Gemeenschapsonderwijs neemt de tussenkomst in de kosten van het vervoer bedoeld in § 1, 1°, ten laste van haar werkingsmiddelen. ".
" § 1bis. De tussenkomst in de kosten van het vervoer bedoeld in § 1, 1° en 2°, bedraagt voor het gesubsidieerd onderwijs per schooljaar 75 % van de kostprijs van een treinkaart van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen. De Vlaamse Regering stelt de nadere uitvoeringsregels met betrekking tot de toekenning en de uitbetaling van deze tussenkomst vast.
Het Gemeenschapsonderwijs neemt de tussenkomst in de kosten van het vervoer bedoeld in § 1, 1°, ten laste van haar werkingsmiddelen. ".
Art. 2.3. Dans l'article 25 du même décret, modifié par le décret du 14 février 2003, il est inséré un § 1bis, rédigé comme suit :
" § 1bis. L'intervention dans les frais de transport, visée au § 1er, 1° et 2°, s'élève pour l'enseignement subventionné par année scolaire à 75 % du coût d'une carte train de la Société nationale des Chemins de fer belges. Le Gouvernement flamand arrête les modalités d'exécution relatives à l'octroi et au paiement de cette intervention.
L'enseignement communautaire supporte l'intervention dans les frais de transport, visée au § 1er, 1°, à charge de ses moyens de fonctionnement. ".
" § 1bis. L'intervention dans les frais de transport, visée au § 1er, 1° et 2°, s'élève pour l'enseignement subventionné par année scolaire à 75 % du coût d'une carte train de la Société nationale des Chemins de fer belges. Le Gouvernement flamand arrête les modalités d'exécution relatives à l'octroi et au paiement de cette intervention.
L'enseignement communautaire supporte l'intervention dans les frais de transport, visée au § 1er, 1°, à charge de ses moyens de fonctionnement. ".
Art. 2.4. Aan artikel 26ter, § 3, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 februari 2003, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Het hervatten van huisonderwijs om aan de leerplicht voor de betrokken leerling te voldoen, kan uitsluitend mits de onderwijsinspectie voorafgaandelijk toestemming verleent. Die toestemming wordt verleend als de onderwijsinspectie oordeelt, op basis van elementen aangereikt door de ouders, dat de tekortkomingen die bij de controle destijds aanleiding hebben gegeven tot beëindiging van het huisonderwijs, zijn of worden weggewerkt. De regering legt de aanvraagprocedure voor de ouders vast. ".
" Het hervatten van huisonderwijs om aan de leerplicht voor de betrokken leerling te voldoen, kan uitsluitend mits de onderwijsinspectie voorafgaandelijk toestemming verleent. Die toestemming wordt verleend als de onderwijsinspectie oordeelt, op basis van elementen aangereikt door de ouders, dat de tekortkomingen die bij de controle destijds aanleiding hebben gegeven tot beëindiging van het huisonderwijs, zijn of worden weggewerkt. De regering legt de aanvraagprocedure voor de ouders vast. ".
Art. 2.4. A l'article 26ter, § 3, du même décret, inséré par le décret du 14 février 2003, il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit :
" La reprise de l'enseignement à domicile afin de répondre à la scolarité obligatoire pour l'élève concerné, ne peut avoir lieu que moyennant l'autorisation préalable de l'inspection de l'enseignement. Cette autorisation est donnée si l'inspection de l'enseignement estime, sur la base des éléments fournis par les parents, que les manquements qui ont résulté à l'époque lors du contrôle à la fin de l'enseignement à domicile, ont été ou sont éliminés. Le Gouvernement arrête la procédure de demande pour les parents. ".
" La reprise de l'enseignement à domicile afin de répondre à la scolarité obligatoire pour l'élève concerné, ne peut avoir lieu que moyennant l'autorisation préalable de l'inspection de l'enseignement. Cette autorisation est donnée si l'inspection de l'enseignement estime, sur la base des éléments fournis par les parents, que les manquements qui ont résulté à l'époque lors du contrôle à la fin de l'enseignement à domicile, ont été ou sont éliminés. Le Gouvernement arrête la procédure de demande pour les parents. ".
Art. 2.5. Aan artikel 40 van hetzelfde decreet wordt het volgende leergebiedoverschrijdende thema toegevoegd, dat luidt als volgt :
" informatie en communicatietechnologie. ".
" informatie en communicatietechnologie. ".
Art. 2.5. A l'article 40 du même décret, il est ajouté le thème transdisciplinaire suivant, rédigé comme suit :
" la technologie d'information et de communication. ".
" la technologie d'information et de communication. ".
Art. 2.6. Artikel 44bis van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 15 juli 1997, 14 februari 2003 en 7 juli 2006, wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 44bis
§ 1. Een schoolbestuur kan oordelen dat de conform artikel 44 vastgelegde ontwikkelingsdoelen en/of eindtermen onvoldoende ruimte laten voor zijn eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen en/ of ermee onverzoenbaar zijn. In dat geval dient het schoolbestuur bij de regering een afwijkingsaanvraag in. Deze aanvraag is slechts ontvankelijk indien precies wordt aangegeven waarom de ontwikkelingsdoelen en/of eindtermen voor zijn eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen onvoldoende ruimte laten en/of waarom ze ermee onverzoenbaar zijn. Het schoolbestuur stelt in dezelfde aanvraag vervangende ontwikkelingsdoelen en/of eindtermen voor.
§ 2. De regering beoordeelt of de aanvraag ontvankelijk is en beslist in voorkomend geval of de vervangende ontwikkelingsdoelen en/of eindtermen in hun geheel gelijkwaardig zijn met die welke conform artikel 44 werden vastgelegd en toelaten gelijkwaardige studiebewijzen en diploma's af te leveren.
De gelijkwaardigheid wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria :
1° het respect voor de fundamentele rechten en vrijheden;
2° de vereiste inhoud :
a) het onderwijsaanbod in de ontwikkelingsdoelen voor het kleuteronderwijs omvat minstens inhouden voor lichamelijke opvoeding, muzische vorming, Nederlands, wereldoriëntatie, wiskundige initiatie;
b) het onderwijsaanbod in de eindtermen voor het lager onderwijs omvat minstens inhouden voor lichamelijke opvoeding, muzische vorming, Nederlands, wereldoriëntatie, wiskunde, leren leren, informatie en communicatietechnologie en sociale ontwikkeling of sociale vaardigheden, het onderwijsaanbod omvat ook inhouden voor het leergebied Frans indien dit in toepassing van artikel 10 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs en artikel 7 van de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken verplicht is gesteld;
c) het onderwijsaanbod in de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs, met uitzondering van het type 2 zoals bepaald in artikel 10 omvat minstens inhouden voor lichamelijke opvoeding, muzische vorming, Nederlands, wereldoriëntatie, wiskunde, leren leren, informatie en communicatietechnologie en sociale ontwikkeling of sociale vaardigheden.
Deze inhouden moeten enkel in hun geheel evenwaardig zijn met de inhouden waarvoor conform artikel 44 ontwikkelingsdoelen en eindtermen werden vastgelegd;
3° de vervangende ontwikkelingsdoelen en eindtermen slaan op kennis, inzichten, vaardigheden en attitudes;
4° de vervangende ontwikkelingsdoelen en eindtermen zijn geformuleerd in termen wat van leerlingen verwacht kan worden;
5° de vervangende ontwikkelingsdoelen en eindtermen zijn zo geformuleerd dat, afhankelijk van het statuut van de eindtermen, nagegaan kan worden in welke mate de leerlingen deze verwerven of de scholen deze nastreven bij de leerlingen;
6° aangegeven wordt welke eindtermen leergebiedgebonden, leergebiedoverschrijdend of attitudinaal zijn.
Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid en van de gelijkwaardigheid, wint de regering het gemotiveerd advies in van de onderwijsinspectie en van een commissie ad hoc.
Voor de samenstelling van deze laatste commissie stelt de regering een lijst op van onafhankelijke deskundigen, na overleg met een gemengde commissie met vertegenwoordigers van de Vlaamse Interuniversitaire Raad en de Vlaamse Hogescholenraad. Deze lijst geldt voor een periode van vier jaar.
Uit voornoemde lijst kiezen de aanvrager en de regering elk één deskundige. Beide deskundigen wijzen binnen acht dagen in gemeen overleg een derde deskundige aan, die tevens voorzitter van de commissie is. Als er geen consensus bereikt wordt, wijst de regering uit de voornoemde lijst de derde deskundige aan.
De regering bepaalt de verdere regels van deze procedure, met dien verstande dat de aanvrager gehoord wordt.
§ 3. Het schoolbestuur dient uiterlijk op 1 september van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de vervangende ontwikkelingsdoelen/eindtermen zullen gelden, een afwijkingsaanvraag in. De regering beslist uiterlijk op 31 december van het voorafgaande schooljaar over de aanvraag.
De regering legt dit besluit binnen de zes maand ter bekrachtiging voor aan het Vlaams Parlement. Indien het Vlaams Parlement dit besluit niet bekrachtigt, houdt het op rechtskracht te hebben.
§ 4. In afwijking van wat bepaald is in § 3, kan het schoolbestuur een afwijkingsaanvraag indienen binnen een termijn van één maand na de publicatie van een bekrachtigingsdecreet, indien deze publicatie gebeurt na 1 september van het schooljaar voorafgaand aan de inwerkingtreding.
In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, is het schoolbestuur gebonden door de eindtermen en ontwikkelingsdoelen vanaf 1 september volgend op de bekrachtiging van de goedkeuring van de afwijkingsaanvraag. ".
" Artikel 44bis
§ 1. Een schoolbestuur kan oordelen dat de conform artikel 44 vastgelegde ontwikkelingsdoelen en/of eindtermen onvoldoende ruimte laten voor zijn eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen en/ of ermee onverzoenbaar zijn. In dat geval dient het schoolbestuur bij de regering een afwijkingsaanvraag in. Deze aanvraag is slechts ontvankelijk indien precies wordt aangegeven waarom de ontwikkelingsdoelen en/of eindtermen voor zijn eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen onvoldoende ruimte laten en/of waarom ze ermee onverzoenbaar zijn. Het schoolbestuur stelt in dezelfde aanvraag vervangende ontwikkelingsdoelen en/of eindtermen voor.
§ 2. De regering beoordeelt of de aanvraag ontvankelijk is en beslist in voorkomend geval of de vervangende ontwikkelingsdoelen en/of eindtermen in hun geheel gelijkwaardig zijn met die welke conform artikel 44 werden vastgelegd en toelaten gelijkwaardige studiebewijzen en diploma's af te leveren.
De gelijkwaardigheid wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria :
1° het respect voor de fundamentele rechten en vrijheden;
2° de vereiste inhoud :
a) het onderwijsaanbod in de ontwikkelingsdoelen voor het kleuteronderwijs omvat minstens inhouden voor lichamelijke opvoeding, muzische vorming, Nederlands, wereldoriëntatie, wiskundige initiatie;
b) het onderwijsaanbod in de eindtermen voor het lager onderwijs omvat minstens inhouden voor lichamelijke opvoeding, muzische vorming, Nederlands, wereldoriëntatie, wiskunde, leren leren, informatie en communicatietechnologie en sociale ontwikkeling of sociale vaardigheden, het onderwijsaanbod omvat ook inhouden voor het leergebied Frans indien dit in toepassing van artikel 10 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs en artikel 7 van de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken verplicht is gesteld;
c) het onderwijsaanbod in de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs, met uitzondering van het type 2 zoals bepaald in artikel 10 omvat minstens inhouden voor lichamelijke opvoeding, muzische vorming, Nederlands, wereldoriëntatie, wiskunde, leren leren, informatie en communicatietechnologie en sociale ontwikkeling of sociale vaardigheden.
Deze inhouden moeten enkel in hun geheel evenwaardig zijn met de inhouden waarvoor conform artikel 44 ontwikkelingsdoelen en eindtermen werden vastgelegd;
3° de vervangende ontwikkelingsdoelen en eindtermen slaan op kennis, inzichten, vaardigheden en attitudes;
4° de vervangende ontwikkelingsdoelen en eindtermen zijn geformuleerd in termen wat van leerlingen verwacht kan worden;
5° de vervangende ontwikkelingsdoelen en eindtermen zijn zo geformuleerd dat, afhankelijk van het statuut van de eindtermen, nagegaan kan worden in welke mate de leerlingen deze verwerven of de scholen deze nastreven bij de leerlingen;
6° aangegeven wordt welke eindtermen leergebiedgebonden, leergebiedoverschrijdend of attitudinaal zijn.
Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid en van de gelijkwaardigheid, wint de regering het gemotiveerd advies in van de onderwijsinspectie en van een commissie ad hoc.
Voor de samenstelling van deze laatste commissie stelt de regering een lijst op van onafhankelijke deskundigen, na overleg met een gemengde commissie met vertegenwoordigers van de Vlaamse Interuniversitaire Raad en de Vlaamse Hogescholenraad. Deze lijst geldt voor een periode van vier jaar.
Uit voornoemde lijst kiezen de aanvrager en de regering elk één deskundige. Beide deskundigen wijzen binnen acht dagen in gemeen overleg een derde deskundige aan, die tevens voorzitter van de commissie is. Als er geen consensus bereikt wordt, wijst de regering uit de voornoemde lijst de derde deskundige aan.
De regering bepaalt de verdere regels van deze procedure, met dien verstande dat de aanvrager gehoord wordt.
§ 3. Het schoolbestuur dient uiterlijk op 1 september van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de vervangende ontwikkelingsdoelen/eindtermen zullen gelden, een afwijkingsaanvraag in. De regering beslist uiterlijk op 31 december van het voorafgaande schooljaar over de aanvraag.
De regering legt dit besluit binnen de zes maand ter bekrachtiging voor aan het Vlaams Parlement. Indien het Vlaams Parlement dit besluit niet bekrachtigt, houdt het op rechtskracht te hebben.
§ 4. In afwijking van wat bepaald is in § 3, kan het schoolbestuur een afwijkingsaanvraag indienen binnen een termijn van één maand na de publicatie van een bekrachtigingsdecreet, indien deze publicatie gebeurt na 1 september van het schooljaar voorafgaand aan de inwerkingtreding.
In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, is het schoolbestuur gebonden door de eindtermen en ontwikkelingsdoelen vanaf 1 september volgend op de bekrachtiging van de goedkeuring van de afwijkingsaanvraag. ".
Art. 2.6. L'article 44bis du même décret, modifié par les décrets des 15 juillet 1997, 14 février 2003 et 7 juillet 2006, est remplacé par la disposition suivante :
" Article 44bis
§ 1er. Une autorité scolaire peut estimer que les objectifs de développement et/ou objectifs finaux fixés conformément à l'article 44, ne permettent pas de réaliser ses propres conceptions pédagogiques et didactiques et/ou que ces dernières y sont opposées. Dans ce cas, l'autorité scolaire introduit une demande de dérogation auprès du Gouvernement. Cette demande n'est recevable que s'il est indiqué précisément pourquoi les objectifs de développement et/ou les objectifs finaux ne permettent pas de réaliser ses propres conceptions pédagogiques ou didactiques et/ou pourquoi ces dernières y sont opposées. L'autorité scolaire propose dans la même demande des objectifs de développement et/ou objectifs finaux de remplacement.
§ 2. Le Gouvernement flamand juge si la demande est recevable et décide, le cas échéant, si les objectifs de développement et/ou objectifs finaux de remplacement sont équivalents dans leur ensemble aux objectifs qui ont été fixés conformément à l'article 44 et s'ils permettent de délivrer des titres et diplômes équivalents.
L'équivalence est jugée sur la base des critères suivants :
1° le respect des droits et libertés fondamentaux;
2° le contenu requis :
a) l'offre d'enseignement en matière d'objectifs de développement pour l'enseignement maternel se compose au moins des contenus pour l'éducation physique, la formation artistique, le néerlandais, l'ouverture sur le monde et l'initiation aux mathématiques;
b) l'offre d'enseignement en matière d'objectifs finaux pour l'enseignement primaire se compose au moins des contenus pour l'éducation physique, la formation artistique, le néerlandais, l'ouverture sur le monde, les mathématiques, apprendre à étudier, la technologie d'information et de communication et le développement social ou les aptitudes sociales; l'offre d'enseignement se compose également des contenus pour la discipline français' si ceci est obligatoire en application de l'article 10 de la loi du 30 juillet 1963 relative au régime linguistique dans l'enseignement et l'article 7 de la loi du 2 août 1963 sur l'emploi des langues en matière administrative;
c) l'offre d'enseignement en matière d'objectifs de développement pour l'enseignement fondamental spécial, à l'exception du type 2 tel que fixé à l'article 10, se compose au moins des contenus pour l'éducation physique, la formation artistique, le néerlandais, l'ouverture sur le monde, les mathématiques, apprendre à étudier, la technologie d'information et de communication et le développement social ou les aptitudes sociales.
Ces contenus ne doivent être équivalents que dans leur ensemble aux contenus pour lesquels des objectifs de développement et objectifs finaux ont été fixés conformément à l'article 44;
3° les objectifs de développement et objectifs finaux de remplacement portent sur les connaissances, notions, aptitudes et attitudes;
4° les objectifs de développement et objectifs finaux de remplacement sont formulés en termes de ce qu'il peut être attendu des élèves;
5° les objectifs de développement et objectifs finaux de remplacement sont formulés d'une telle façon que, en fonction du statut des objectifs finaux, il peut être vérifié dans quelle mesure les élèves les ont acquis ou dans quelle mesure les écoles cherchent à les atteindre chez leurs élèves;
6° il faut indiquer si les objectifs finaux sont liés à une seule discipline, sont interdisciplinaires ou sont comportementaux.
Afin de juger de la recevabilité et de l'équivalence, le Gouvernement flamand recueille l'avis motivé de l'inspection de l'enseignement et d'une commission ad hoc.
Pour la composition de la commission susvisée, le Gouvernement dresse une liste d'experts indépendants, après concertation avec une commission mixte comportant des représentants du 'Vlaamse Interuniversitaire Raad' (Conseil interuniversitaire flamand) et du 'Vlaamse Hogescholenraad' (Conseil des Instituts supérieurs flamands). Cette liste est valable pour une période de quatre ans.
De la liste susvisée, le demandeur et le Gouvernement choisissent chacun un expert. Dans les huit jours les deux experts désignent de commun accord un troisième expert qui est également président de la commission. A défaut de consensus, le Gouvernement désigne le troisième expert de la liste susvisée.
Le Gouvernement fixe les autres règles de cette procédure, à condition que le demandeur soit entendu.
§ 3. L'autorité scolaire introduit une demande de dérogation, au plus tard le 1er septembre de l'année scolaire précédant l'année scolaire pendant laquelle les objectifs de développement/objectifs finaux de remplacement entrent en vigueur. Le Gouvernement décide de la demande au plus tard le 31 décembre de l'année scolaire précédente.
Le Gouvernement soumet cet arrêté à la ratification du Parlement flamand dans les six mois. Si le Parlement flamand ne sanctionne pas cet arrêté, celui-ci cesse d'avoir force de droit.
§ 4. Par dérogation aux dispositions du § 3, l'autorité scolaire peut introduire une demande de dérogation, endéans un mois de la publication d'un décret de ratification, si cette publication a lieu après le 1er septembre de l'année scolaire précédent l'entrée en vigueur.
Dans les cas visés au premier alinéa, l'autorité scolaire est liée par les objectifs finaux et objectifs de développement à partir du 1er septembre suivant la ratification de l'approbation de la demande de dérogation. ".
" Article 44bis
§ 1er. Une autorité scolaire peut estimer que les objectifs de développement et/ou objectifs finaux fixés conformément à l'article 44, ne permettent pas de réaliser ses propres conceptions pédagogiques et didactiques et/ou que ces dernières y sont opposées. Dans ce cas, l'autorité scolaire introduit une demande de dérogation auprès du Gouvernement. Cette demande n'est recevable que s'il est indiqué précisément pourquoi les objectifs de développement et/ou les objectifs finaux ne permettent pas de réaliser ses propres conceptions pédagogiques ou didactiques et/ou pourquoi ces dernières y sont opposées. L'autorité scolaire propose dans la même demande des objectifs de développement et/ou objectifs finaux de remplacement.
§ 2. Le Gouvernement flamand juge si la demande est recevable et décide, le cas échéant, si les objectifs de développement et/ou objectifs finaux de remplacement sont équivalents dans leur ensemble aux objectifs qui ont été fixés conformément à l'article 44 et s'ils permettent de délivrer des titres et diplômes équivalents.
L'équivalence est jugée sur la base des critères suivants :
1° le respect des droits et libertés fondamentaux;
2° le contenu requis :
a) l'offre d'enseignement en matière d'objectifs de développement pour l'enseignement maternel se compose au moins des contenus pour l'éducation physique, la formation artistique, le néerlandais, l'ouverture sur le monde et l'initiation aux mathématiques;
b) l'offre d'enseignement en matière d'objectifs finaux pour l'enseignement primaire se compose au moins des contenus pour l'éducation physique, la formation artistique, le néerlandais, l'ouverture sur le monde, les mathématiques, apprendre à étudier, la technologie d'information et de communication et le développement social ou les aptitudes sociales; l'offre d'enseignement se compose également des contenus pour la discipline français' si ceci est obligatoire en application de l'article 10 de la loi du 30 juillet 1963 relative au régime linguistique dans l'enseignement et l'article 7 de la loi du 2 août 1963 sur l'emploi des langues en matière administrative;
c) l'offre d'enseignement en matière d'objectifs de développement pour l'enseignement fondamental spécial, à l'exception du type 2 tel que fixé à l'article 10, se compose au moins des contenus pour l'éducation physique, la formation artistique, le néerlandais, l'ouverture sur le monde, les mathématiques, apprendre à étudier, la technologie d'information et de communication et le développement social ou les aptitudes sociales.
Ces contenus ne doivent être équivalents que dans leur ensemble aux contenus pour lesquels des objectifs de développement et objectifs finaux ont été fixés conformément à l'article 44;
3° les objectifs de développement et objectifs finaux de remplacement portent sur les connaissances, notions, aptitudes et attitudes;
4° les objectifs de développement et objectifs finaux de remplacement sont formulés en termes de ce qu'il peut être attendu des élèves;
5° les objectifs de développement et objectifs finaux de remplacement sont formulés d'une telle façon que, en fonction du statut des objectifs finaux, il peut être vérifié dans quelle mesure les élèves les ont acquis ou dans quelle mesure les écoles cherchent à les atteindre chez leurs élèves;
6° il faut indiquer si les objectifs finaux sont liés à une seule discipline, sont interdisciplinaires ou sont comportementaux.
Afin de juger de la recevabilité et de l'équivalence, le Gouvernement flamand recueille l'avis motivé de l'inspection de l'enseignement et d'une commission ad hoc.
Pour la composition de la commission susvisée, le Gouvernement dresse une liste d'experts indépendants, après concertation avec une commission mixte comportant des représentants du 'Vlaamse Interuniversitaire Raad' (Conseil interuniversitaire flamand) et du 'Vlaamse Hogescholenraad' (Conseil des Instituts supérieurs flamands). Cette liste est valable pour une période de quatre ans.
De la liste susvisée, le demandeur et le Gouvernement choisissent chacun un expert. Dans les huit jours les deux experts désignent de commun accord un troisième expert qui est également président de la commission. A défaut de consensus, le Gouvernement désigne le troisième expert de la liste susvisée.
Le Gouvernement fixe les autres règles de cette procédure, à condition que le demandeur soit entendu.
§ 3. L'autorité scolaire introduit une demande de dérogation, au plus tard le 1er septembre de l'année scolaire précédant l'année scolaire pendant laquelle les objectifs de développement/objectifs finaux de remplacement entrent en vigueur. Le Gouvernement décide de la demande au plus tard le 31 décembre de l'année scolaire précédente.
Le Gouvernement soumet cet arrêté à la ratification du Parlement flamand dans les six mois. Si le Parlement flamand ne sanctionne pas cet arrêté, celui-ci cesse d'avoir force de droit.
§ 4. Par dérogation aux dispositions du § 3, l'autorité scolaire peut introduire une demande de dérogation, endéans un mois de la publication d'un décret de ratification, si cette publication a lieu après le 1er septembre de l'année scolaire précédent l'entrée en vigueur.
Dans les cas visés au premier alinéa, l'autorité scolaire est liée par les objectifs finaux et objectifs de développement à partir du 1er septembre suivant la ratification de l'approbation de la demande de dérogation. ".
Art. 2.7. In artikelen 78 en 125quinquies van hetzelfde decreet worden de woorden " het departement " telkens vervangen door het woord " Agodi ".
Art. 2.7. Aux articles 78 et 125quinquies du même décret, les mots " le département " sont chaque fois remplacés par les mots " Agodi ".
Art. 2.8. Artikel 86 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 15 juli 2005, wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 86
§ 1. Het werkingsbudget wordt ieder schooljaar per school berekend op basis van het aantal regelmatige leerlingen ingeschreven op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar.
§ 2. In afwijking van § 1 is de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor scholen in programmatie de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar.
Die teldag geldt in het gewoon basisonderwijs voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en voor de vijf daaropvolgende schooljaren.
Die teldag geldt in het buitengewoon basisonderwijs voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en voor de twee daaropvolgende schooljaren.
§ 3. In afwijking van § 1 is de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor scholen die betrokken zijn bij een herstructurering de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en op scholen voor type 5 worden de woorden " de eerste schooldag van oktober " telkens gelezen als de woorden " de maand september " en wordt het woord " teldag " telkens gelezen als het woord " telperiode ".
Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en scholen voor type 5 worden de woorden " op basis van het aantal regelmatige leerlingen, ingeschreven op de eerste schooldag van februari " gelezen als de woorden " op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen, ingeschreven tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari ".
§ 5. Het werkingsbudget van een school voor type 5 kan alleen volledig worden aangewend als een door de regering vastgelegd gemiddelde van onderwijsdagen per kind gedurende de telperiode wordt bereikt.
Als dat gemiddelde niet wordt bereikt, dan wordt het werkingsbudget evenredig verminderd. ".
" Artikel 86
§ 1. Het werkingsbudget wordt ieder schooljaar per school berekend op basis van het aantal regelmatige leerlingen ingeschreven op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar.
§ 2. In afwijking van § 1 is de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor scholen in programmatie de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar.
Die teldag geldt in het gewoon basisonderwijs voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en voor de vijf daaropvolgende schooljaren.
Die teldag geldt in het buitengewoon basisonderwijs voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en voor de twee daaropvolgende schooljaren.
§ 3. In afwijking van § 1 is de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor scholen die betrokken zijn bij een herstructurering de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en op scholen voor type 5 worden de woorden " de eerste schooldag van oktober " telkens gelezen als de woorden " de maand september " en wordt het woord " teldag " telkens gelezen als het woord " telperiode ".
Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en scholen voor type 5 worden de woorden " op basis van het aantal regelmatige leerlingen, ingeschreven op de eerste schooldag van februari " gelezen als de woorden " op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen, ingeschreven tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari ".
§ 5. Het werkingsbudget van een school voor type 5 kan alleen volledig worden aangewend als een door de regering vastgelegd gemiddelde van onderwijsdagen per kind gedurende de telperiode wordt bereikt.
Als dat gemiddelde niet wordt bereikt, dan wordt het werkingsbudget evenredig verminderd. ".
Art. 2.8. L'article 86 du même décret, remplacé par le décret du 15 juillet 2005, est remplacé par la disposition suivante :
" Article 86
§ 1er. Le budget de fonctionnement est calculé chaque année scolaire par école, sur base du nombre d'élèves régulièrement inscrits le premier jour de classe du mois de février de l'année scolaire précédente.
§ 2. Par dérogation au § 1er, la date de comptage pour le calcul du budget de fonctionnement des écoles en programmation est le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année scolaire en cours.
Cette date de comptage vaut dans l'enseignement fondamental ordinaire pour toute l'école pour l'année scolaire de création et les cinq années scolaires suivantes.
Cette date de comptage vaut dans l'enseignement fondamental spécial pour toute l'école pour l'année scolaire de création et les deux années scolaires suivantes.
§ 3. Par dérogation au § 1er, la date de comptage pour le calcul du budget de fonctionnement des écoles faisant l'objet d'une restructuration est le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année scolaire en cours.
§ 4. Pour l'application du présent article aux écoles CKG et aux écoles de type 5, les mots " le premier jour de classe du mois d'octobre " sont chaque fois lus comme les mots " le mois de septembre " et les mots " date de comptage " sont chaque fois lus comme les mots " période de comptage ".
Pour l'application du présent article aux écoles CKG et aux écoles de type 5, les mots " sur base du nombre d'élèves régulièrement inscrits le premier jour de classe du mois de février " sont lus comme les mots " sur base du nombre moyen d'élèves réguliers inscrits pendant la période de douze mois précédant le premier jour de classe de février ".
§ 5. Le budget de fonctionnement d'une école de type 5 ne peut être affecté entièrement que si une moyenne de jours d'enseignement par enfant, fixée par le Gouvernement, est atteinte pendant la période de comptage.
Si la moyenne n'est pas atteinte, le budget de fonctionnement est réduit proportionnellement. ".
" Article 86
§ 1er. Le budget de fonctionnement est calculé chaque année scolaire par école, sur base du nombre d'élèves régulièrement inscrits le premier jour de classe du mois de février de l'année scolaire précédente.
§ 2. Par dérogation au § 1er, la date de comptage pour le calcul du budget de fonctionnement des écoles en programmation est le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année scolaire en cours.
Cette date de comptage vaut dans l'enseignement fondamental ordinaire pour toute l'école pour l'année scolaire de création et les cinq années scolaires suivantes.
Cette date de comptage vaut dans l'enseignement fondamental spécial pour toute l'école pour l'année scolaire de création et les deux années scolaires suivantes.
§ 3. Par dérogation au § 1er, la date de comptage pour le calcul du budget de fonctionnement des écoles faisant l'objet d'une restructuration est le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année scolaire en cours.
§ 4. Pour l'application du présent article aux écoles CKG et aux écoles de type 5, les mots " le premier jour de classe du mois d'octobre " sont chaque fois lus comme les mots " le mois de septembre " et les mots " date de comptage " sont chaque fois lus comme les mots " période de comptage ".
Pour l'application du présent article aux écoles CKG et aux écoles de type 5, les mots " sur base du nombre d'élèves régulièrement inscrits le premier jour de classe du mois de février " sont lus comme les mots " sur base du nombre moyen d'élèves réguliers inscrits pendant la période de douze mois précédant le premier jour de classe de février ".
§ 5. Le budget de fonctionnement d'une école de type 5 ne peut être affecté entièrement que si une moyenne de jours d'enseignement par enfant, fixée par le Gouvernement, est atteinte pendant la période de comptage.
Si la moyenne n'est pas atteinte, le budget de fonctionnement est réduit proportionnellement. ".
Art. 2.9. In artikelen 88 en 105 van hetzelfde decreet wordt het woord " DIGO " vervangen door het woord " Agion ".
Art. 2.9. Dans les articles 88 et 105 du même décret, le mot " DIGO " est remplacé par le mot " Agion ".
Art. 2.10. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 december 2006, wordt in hoofdstuk VIII - Programmatie en rationalisatie van scholen, in afdeling 2 - Programmatie, het opschrift van " Onderafdeling A - Oprichten van scholen " vervangen door " Onderafdeling A - Programmatie van scholen ".
Art. 2.10. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 15 décembre 2006, dans le chapitre VIII - Programmation et rationalisation d'écoles, dans la section 2 - Programmation, l'intitulé de la " Sous-section A - Création d'écoles " est remplacé par " Sous-section A - Programmation d'écoles ".
Art. 2.11. In artikel 102 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 10 juli 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2 worden de woorden " en vierde " vervangen door de woorden ", vierde, vijfde en zesde ";
2° er wordt een § 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 3. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen worden de woorden " op de eerste schooldag van oktober " telkens gelezen als de woorden " tijdens de maand september ". ".
1° in § 2 worden de woorden " en vierde " vervangen door de woorden ", vierde, vijfde en zesde ";
2° er wordt een § 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 3. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen worden de woorden " op de eerste schooldag van oktober " telkens gelezen als de woorden " tijdens de maand september ". ".
Art. 2.11. A l'article 102 du même décret, remplacé par le décret du 10 juillet 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le § 2, les mots " et quatrième " sont remplacés par les mots ", quatrième, cinquième et sixième ";
2° il est ajouté un § 3, rédigé comme suit :
" § 3. Pour l'application du présent article aux écoles CKG, les mots " le premier jour de classe du mois d'octobre " sont chaque fois lus comme " pendant le mois de septembre ". ".
1° dans le § 2, les mots " et quatrième " sont remplacés par les mots ", quatrième, cinquième et sixième ";
2° il est ajouté un § 3, rédigé comme suit :
" § 3. Pour l'application du présent article aux écoles CKG, les mots " le premier jour de classe du mois d'octobre " sont chaque fois lus comme " pendant le mois de septembre ". ".
Art. 2.12. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 december 2006, wordt een artikel 105bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Artikel 105bis
Bij het vastleggen van de verschillende programmatienormen neemt de regering de volgende principes in acht :
1° de programmatienormen zijn verschillend naargelang de bevolkingsdichtheid van de gemeenten;
2° a) voor het gewoon basisonderwijs worden programmatienormen vastgelegd voor de eerste zes bestaansjaren;
b) voor het buitengewoon basisonderwijs worden programmatienormen vastgelegd voor de eerste drie bestaansjaren;
3° a) de programmatienormen voor het gewoon basisonderwijs liggen tussen 25 en 165 leerlingen;
b) de programmatienormen voor het buitengewoon basisonderwijs liggen tussen 5 en 180 leerlingen. ".
" Artikel 105bis
Bij het vastleggen van de verschillende programmatienormen neemt de regering de volgende principes in acht :
1° de programmatienormen zijn verschillend naargelang de bevolkingsdichtheid van de gemeenten;
2° a) voor het gewoon basisonderwijs worden programmatienormen vastgelegd voor de eerste zes bestaansjaren;
b) voor het buitengewoon basisonderwijs worden programmatienormen vastgelegd voor de eerste drie bestaansjaren;
3° a) de programmatienormen voor het gewoon basisonderwijs liggen tussen 25 en 165 leerlingen;
b) de programmatienormen voor het buitengewoon basisonderwijs liggen tussen 5 en 180 leerlingen. ".
Art. 2.12. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 15 décembre 2006, il est inséré un article 105bis, rédigé comme suit :
" Article 105bis
En établissant les différentes normes de programmation, le Gouvernement observe les principes suivants :
1° les normes de programmation diffèrent selon la densité de la population des communes;
2° a) pour l'enseignement fondamental ordinaire, les normes de programmation sont établies pour les six premières années d'existence;
b) pour l'enseignement fondamental spécial, les normes de programmation sont établies pour les trois premières années d'existence;
3° a) les normes de programmation pour l'enseignement fondamental ordinaire se situent entre les 25 et 165 élèves;
b) les normes de programmation pour l'enseignement fondamental spécial se situent entre les 5 et 180 élèves. ".
" Article 105bis
En établissant les différentes normes de programmation, le Gouvernement observe les principes suivants :
1° les normes de programmation diffèrent selon la densité de la population des communes;
2° a) pour l'enseignement fondamental ordinaire, les normes de programmation sont établies pour les six premières années d'existence;
b) pour l'enseignement fondamental spécial, les normes de programmation sont établies pour les trois premières années d'existence;
3° a) les normes de programmation pour l'enseignement fondamental ordinaire se situent entre les 25 et 165 élèves;
b) les normes de programmation pour l'enseignement fondamental spécial se situent entre les 5 et 180 élèves. ".
Art. 2.13. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 december 2006, wordt in hoofdstuk VIII - Programmatie en rationalisatie van scholen, in afdeling 2 - Programmatie, het opschrift van " Onderafdeling C - Oprichten van vestigingsplaatsen " vervangen door " Afdeling 2bis - Oprichten van vestigingsplaatsen, niveaus of types. Onderafdeling A - Oprichten van vestigingsplaatsen ".
Art. 2.13. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 15 décembre 2006, dans le chapitre VIII - Programmation et rationalisation d'écoles, dans la section 2 - Programmation, l'intitulé de la " Sous-section C - Création de lieux d'implantation " est remplacé par " Section 2bis - Création de lieux d'implantation, de niveaux ou de types ". Sous-section A - Création de lieux d'implantation ".
Art. 2.14. Artikel 108bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 10 juli 2003 en gewijzigd bij decreet van 7 juli 2006, wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 108bis § 1. Elke school voor gewoon kleuter-, lager-, of basisonderwijs die op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar voldoet aan de door de regering vastgelegde rationalisatienormen, mag één of meer vestigingsplaatsen oprichten. Daartoe moeten de school en al haar reeds bestaande vestigingsplaatsen en niveaus op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar van de nieuwe vestigingsplaatsen de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken en moeten de nieuwe vestigingsplaatsen de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken.
§ 2. In afwijking van § 1 kan een school voor gewoon basisonderwijs in programmatie, vanaf het tweede jaar dat ze opgenomen is in de financierings- of subsidieregeling, één of meer vestigingsplaats(en) oprichten. In voorkomend geval gelden de programmatienormen.
§ 3. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen worden de woorden " op de eerste schooldag van oktober " telkens gelezen als de woorden " tijdens de maand september " en worden de woorden " op de eerste schooldag van februari " gelezen als de woorden " tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari. ". "
" Artikel 108bis § 1. Elke school voor gewoon kleuter-, lager-, of basisonderwijs die op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar voldoet aan de door de regering vastgelegde rationalisatienormen, mag één of meer vestigingsplaatsen oprichten. Daartoe moeten de school en al haar reeds bestaande vestigingsplaatsen en niveaus op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar van de nieuwe vestigingsplaatsen de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken en moeten de nieuwe vestigingsplaatsen de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken.
§ 2. In afwijking van § 1 kan een school voor gewoon basisonderwijs in programmatie, vanaf het tweede jaar dat ze opgenomen is in de financierings- of subsidieregeling, één of meer vestigingsplaats(en) oprichten. In voorkomend geval gelden de programmatienormen.
§ 3. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen worden de woorden " op de eerste schooldag van oktober " telkens gelezen als de woorden " tijdens de maand september " en worden de woorden " op de eerste schooldag van februari " gelezen als de woorden " tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari. ". "
Art. 2.14. L'article 108bis du même décret, inséré par le décret du 10 juillet 2003 et modifié par le décret du 7 juillet 2006, est remplacé par la disposition suivante :
" Article 108bis § 1er. Toute école de l'enseignement maternel, primaire ou fondamental ordinaire qui se conformait le premier jour de classe du mois de février de l'année scolaire précédente aux normes de rationalisation fixées par le Gouvernement, peut créer un ou plusieurs lieux d'implantation. A cet effet, l'école et tous ses lieux d'implantation et niveaux déjà existants doivent atteindre, le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année de création des nouveaux lieux d'implantation, les normes de rationalisation fixées par le Gouvernement, et les nouveaux lieux d'implantation doivent atteindre les normes de rationalisation fixées par le Gouvernement.
§ 2. Par dérogation au § 1er, une école de l'enseignement fondamental ordinaire en programmation peut, à partir de sa deuxième année d'intégration dans le régime de financement ou de subventionnement, créer un ou plusieurs lieu(x) d'implantation. Le cas échéant, les normes de programmation s'appliquent.
§ 3. Pour l'application du présent article aux écoles CKG, les mots " le premier jour de classe du mois d'octobre " sont chaque fois lus comme les mots " pendant le mois de septembre ", et les mots " le premier jour de classe du mois de février " sont lus comme les mots " pendant la période de douze mois précédant le premier jour de classe de février. ".
" Article 108bis § 1er. Toute école de l'enseignement maternel, primaire ou fondamental ordinaire qui se conformait le premier jour de classe du mois de février de l'année scolaire précédente aux normes de rationalisation fixées par le Gouvernement, peut créer un ou plusieurs lieux d'implantation. A cet effet, l'école et tous ses lieux d'implantation et niveaux déjà existants doivent atteindre, le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année de création des nouveaux lieux d'implantation, les normes de rationalisation fixées par le Gouvernement, et les nouveaux lieux d'implantation doivent atteindre les normes de rationalisation fixées par le Gouvernement.
§ 2. Par dérogation au § 1er, une école de l'enseignement fondamental ordinaire en programmation peut, à partir de sa deuxième année d'intégration dans le régime de financement ou de subventionnement, créer un ou plusieurs lieu(x) d'implantation. Le cas échéant, les normes de programmation s'appliquent.
§ 3. Pour l'application du présent article aux écoles CKG, les mots " le premier jour de classe du mois d'octobre " sont chaque fois lus comme les mots " pendant le mois de septembre ", et les mots " le premier jour de classe du mois de février " sont lus comme les mots " pendant la période de douze mois précédant le premier jour de classe de février. ".
Art. 2.15. Artikel 109 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 13 juli 2001, wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 109 § 1. Elke school voor buitengewoon basisonderwijs die op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar voldoet aan de door de regering vastgelegde rationalisatienormen, mag binnen een afstand van minder dan twee kilometer van de administratieve vestigingsplaats één of meer vestigingsplaats(en) oprichten.
§ 2. Elke school voor buitengewoon basisonderwijs die op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar voldoet aan de door de regering vastgelegde rationalisatienormen, mag op een afstand van twee kilometer en meer van de administratieve vestigingsplaats één of meer vestigingsplaats(en) oprichten. Daartoe moeten de school al haar reeds bestaande types in scholen en al haar reeds bestaande types in vestigingsplaatsen op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar van de nieuwe vestigingsplaatsen de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken en moeten de types in de nieuwe vestigingsplaatsen de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken.
§ 3. In afwijking van § 1 en § 2 kan een school voor buitengewoon basisonderwijs in programmatie vanaf het tweede jaar, dat ze opgenomen is in de financierings- of subsidieregeling één of meer vestigingsplaats(en) oprichten. In voorkomend geval gelden de programmatienormen.
§ 4. Onverminderd de bepalingen in § 1, § 2 en § 3 kan een school voor type 5 pas een nieuwe vestigingsplaats oprichten na goedkeuring door de regering.
§ 5. Voor de toepassing van dit artikel op een school voor type 5 worden de woorden " op de eerste schooldag van oktober " telkens gelezen als de woorden " tijdens de maand september " en worden de woorden " op de eerste schooldag van februari " gelezen als de woorden " tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari. ".
" Artikel 109 § 1. Elke school voor buitengewoon basisonderwijs die op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar voldoet aan de door de regering vastgelegde rationalisatienormen, mag binnen een afstand van minder dan twee kilometer van de administratieve vestigingsplaats één of meer vestigingsplaats(en) oprichten.
§ 2. Elke school voor buitengewoon basisonderwijs die op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar voldoet aan de door de regering vastgelegde rationalisatienormen, mag op een afstand van twee kilometer en meer van de administratieve vestigingsplaats één of meer vestigingsplaats(en) oprichten. Daartoe moeten de school al haar reeds bestaande types in scholen en al haar reeds bestaande types in vestigingsplaatsen op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar van de nieuwe vestigingsplaatsen de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken en moeten de types in de nieuwe vestigingsplaatsen de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken.
§ 3. In afwijking van § 1 en § 2 kan een school voor buitengewoon basisonderwijs in programmatie vanaf het tweede jaar, dat ze opgenomen is in de financierings- of subsidieregeling één of meer vestigingsplaats(en) oprichten. In voorkomend geval gelden de programmatienormen.
§ 4. Onverminderd de bepalingen in § 1, § 2 en § 3 kan een school voor type 5 pas een nieuwe vestigingsplaats oprichten na goedkeuring door de regering.
§ 5. Voor de toepassing van dit artikel op een school voor type 5 worden de woorden " op de eerste schooldag van oktober " telkens gelezen als de woorden " tijdens de maand september " en worden de woorden " op de eerste schooldag van februari " gelezen als de woorden " tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari. ".
Art. 2.15. L'article 109 du même décret, modifié par le décret du 13 juillet 2001, est remplacé par la disposition suivante :
" Article 109 § 1er. Toute école de l'enseignement fondamental spécial qui se conformait le premier jour de classe du mois de février de l'année scolaire précédente aux normes de rationalisation fixées par le Gouvernement, peut créer un ou plusieurs lieu(x) d'implantation à une distance de moins de deux kilomètres de l'implantation administrative.
§ 2. Toute école de l'enseignement fondamental spécial qui se conformait le premier jour de classe du mois de février de l'année scolaire précédente aux normes de rationalisation fixées par le Gouvernement, peut créer un ou plusieurs lieu(x) d'implantation à une distance de deux kilomètres ou plus de l'implantation administrative. A cet effet, l'école et tous ses types déjà existants dans des écoles et dans des lieux d'implantation doivent atteindre, le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année de création des nouveaux lieux d'implantation, les normes de rationalisation fixées par le Gouvernement, et les nouveaux lieux d'implantation doivent atteindre les normes de rationalisation fixées par le Gouvernement.
§ 3. Par dérogation aux § 1er et § 2, une école de l'enseignement fondamental spécial en programmation peut, à partir de sa deuxième année d'intégration dans le régime de financement ou de subventionnement, créer un ou plusieurs lieu(x) d'implantation. Le cas échéant, les normes de programmation s'appliquent.
§ 4. Sans préjudice des dispositions des § 1er, § 2 et § 3, une école de type 5 ne peut créer un nouveau lieu d'implantation que moyennant l'approbation du Gouvernement.
§ 5. Pour l'application du présent article à une école de type 5, les mots " le premier jour de classe du mois d'octobre " sont chaque fois lus comme les mots " pendant le mois de septembre ", et les mots " le premier jour de classe du mois de février " sont lus comme les mots " pendant la période de douze mois précédant le premier jour de classe de février. ".
" Article 109 § 1er. Toute école de l'enseignement fondamental spécial qui se conformait le premier jour de classe du mois de février de l'année scolaire précédente aux normes de rationalisation fixées par le Gouvernement, peut créer un ou plusieurs lieu(x) d'implantation à une distance de moins de deux kilomètres de l'implantation administrative.
§ 2. Toute école de l'enseignement fondamental spécial qui se conformait le premier jour de classe du mois de février de l'année scolaire précédente aux normes de rationalisation fixées par le Gouvernement, peut créer un ou plusieurs lieu(x) d'implantation à une distance de deux kilomètres ou plus de l'implantation administrative. A cet effet, l'école et tous ses types déjà existants dans des écoles et dans des lieux d'implantation doivent atteindre, le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année de création des nouveaux lieux d'implantation, les normes de rationalisation fixées par le Gouvernement, et les nouveaux lieux d'implantation doivent atteindre les normes de rationalisation fixées par le Gouvernement.
§ 3. Par dérogation aux § 1er et § 2, une école de l'enseignement fondamental spécial en programmation peut, à partir de sa deuxième année d'intégration dans le régime de financement ou de subventionnement, créer un ou plusieurs lieu(x) d'implantation. Le cas échéant, les normes de programmation s'appliquent.
§ 4. Sans préjudice des dispositions des § 1er, § 2 et § 3, une école de type 5 ne peut créer un nouveau lieu d'implantation que moyennant l'approbation du Gouvernement.
§ 5. Pour l'application du présent article à une école de type 5, les mots " le premier jour de classe du mois d'octobre " sont chaque fois lus comme les mots " pendant le mois de septembre ", et les mots " le premier jour de classe du mois de février " sont lus comme les mots " pendant la période de douze mois précédant le premier jour de classe de février. ".
Art. 2.16. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 december 2006, wordt in hoofdstuk VIII - Programmatie en rationalisatie van scholen, in afdeling 2 - Programmatie, het opschrift van " Onderafdeling D - Oprichten van een niveau " vervangen door " Onderafdeling B - Oprichten van een niveau ".
Art. 2.16. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 15 décembre 2006, dans le chapitre VIII - Programmation et rationalisation d'écoles, dans la section 2 - Programmation, l'intitulé de la " Sous-section D - Création d'un niveau " est remplacé par " Sous-section B - Création d'un niveau ".
Art. 2.17. Artikel 110 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 20 oktober 2000, wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 110 § 1. Elke gefinancierde of gesubsidieerde school of vestigingsplaats die alleen gewoon lager onderwijs of alleen gewoon kleuteronderwijs organiseert, kan gefinancierde of gesubsidieerde basisschool of vestigingsplaats basisonderwijs worden. Daartoe moeten de school en elke vestigingsplaats of niveau van de school op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar van het nieuwe niveau de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken en moet het nieuw opgerichte niveau de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken.
§ 2. Elke gefinancierde of gesubsidieerde school die alleen buitengewoon lager onderwijs organiseert of alleen buitengewoon kleuteronderwijs organiseert, kan voor de door haar georganiseerde types basisschool worden. Daartoe moeten de school en elk type in de school en elk type in de vestigingsplaatsen van de school op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar van het nieuwe niveau de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken.
§ 3. In afwijking van § 2 kan een school voor buitengewoon basisonderwijs in programmatie vanaf het tweede jaar, dat ze opgenomen is in de financierings- of subsidieregeling een niveau oprichten. In voorkomend geval gelden de programmatienormen.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en op scholen voor type 5 worden de woorden " op de eerste schooldag van oktober " telkens gelezen als de woorden " tijdens de maand september. ". "
" Artikel 110 § 1. Elke gefinancierde of gesubsidieerde school of vestigingsplaats die alleen gewoon lager onderwijs of alleen gewoon kleuteronderwijs organiseert, kan gefinancierde of gesubsidieerde basisschool of vestigingsplaats basisonderwijs worden. Daartoe moeten de school en elke vestigingsplaats of niveau van de school op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar van het nieuwe niveau de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken en moet het nieuw opgerichte niveau de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken.
§ 2. Elke gefinancierde of gesubsidieerde school die alleen buitengewoon lager onderwijs organiseert of alleen buitengewoon kleuteronderwijs organiseert, kan voor de door haar georganiseerde types basisschool worden. Daartoe moeten de school en elk type in de school en elk type in de vestigingsplaatsen van de school op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar van het nieuwe niveau de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken.
§ 3. In afwijking van § 2 kan een school voor buitengewoon basisonderwijs in programmatie vanaf het tweede jaar, dat ze opgenomen is in de financierings- of subsidieregeling een niveau oprichten. In voorkomend geval gelden de programmatienormen.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en op scholen voor type 5 worden de woorden " op de eerste schooldag van oktober " telkens gelezen als de woorden " tijdens de maand september. ". "
Art. 2.17. L'article 110 du même décret, modifié par le décret du 20 octobre 2000, est remplacé par la disposition suivante :
" Article 110. § 1er. Toute école ou implantation financée ou subventionnée qui n'organise que de l'enseignement primaire ordinaire ou de l'enseignement maternel ordinaire, peut devenir une école fondamentale financée ou subventionnée ou une implantation d'enseignement fondamental. A cet effet, l'école et chaque implantation ou niveau de l'école doivent atteindre, le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année de création du nouveau niveau, les normes de rationalisation fixées par le Gouvernement, et le nouveau niveau créé doit atteindre les normes de rationalisation fixées par le Gouvernement.
§ 2. Toute école financée ou subventionnée qui n'organise que de l'enseignement primaire spécial ou de l'enseignement maternel spécial, peut devenir une école fondamentale pour les types organisés par elle. A cet effet, l'école et chaque type dans l'école et dans les implantations de l'école doivent atteindre, le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année de création du nouveau niveau, les normes de rationalisation fixées par le Gouvernement.
§ 3. Par dérogation au § 2, une école de l'enseignement fondamental spécial en programmation peut, à partir de sa deuxième année d'intégration dans le régime de financement ou de subventionnement, créer un niveau. Le cas échéant, les normes de programmation s'appliquent.
§ 4. Pour l'application du présent article aux écoles CKG et aux écoles de type 5, les mots " le premier jour de classe du mois d'octobre " sont chaque fois lus comme " pendant le mois de septembre ". ".
" Article 110. § 1er. Toute école ou implantation financée ou subventionnée qui n'organise que de l'enseignement primaire ordinaire ou de l'enseignement maternel ordinaire, peut devenir une école fondamentale financée ou subventionnée ou une implantation d'enseignement fondamental. A cet effet, l'école et chaque implantation ou niveau de l'école doivent atteindre, le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année de création du nouveau niveau, les normes de rationalisation fixées par le Gouvernement, et le nouveau niveau créé doit atteindre les normes de rationalisation fixées par le Gouvernement.
§ 2. Toute école financée ou subventionnée qui n'organise que de l'enseignement primaire spécial ou de l'enseignement maternel spécial, peut devenir une école fondamentale pour les types organisés par elle. A cet effet, l'école et chaque type dans l'école et dans les implantations de l'école doivent atteindre, le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année de création du nouveau niveau, les normes de rationalisation fixées par le Gouvernement.
§ 3. Par dérogation au § 2, une école de l'enseignement fondamental spécial en programmation peut, à partir de sa deuxième année d'intégration dans le régime de financement ou de subventionnement, créer un niveau. Le cas échéant, les normes de programmation s'appliquent.
§ 4. Pour l'application du présent article aux écoles CKG et aux écoles de type 5, les mots " le premier jour de classe du mois d'octobre " sont chaque fois lus comme " pendant le mois de septembre ". ".
Art. 2.18. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 december 2006, wordt in hoofdstuk VIII - Programmatie en rationalisatie van scholen, in afdeling 2 - Programmatie, het opschrift van " Onderafdeling E - Oprichten van een type " vervangen door " Onderafdeling C - Oprichten van een type ".
Art. 2.18. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 15 décembre 2006, dans le chapitre VIII - Programmation et rationalisation d'écoles, dans la section 2 - Programmation, l'intitulé de la " Sous-section E - Création d'un type " est remplacé par " Sous-section C - Création d'un type ".
Art. 2.19. Artikel 111 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 20 oktober 2000, wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 111 § 1. Met uitzondering van de scholen voor type 5, kan een school voor buitengewoon onderwijs die voldoet aan de rationalisatienorm, per 1 september een nieuw type oprichten, met uitzondering van type 5, op voorwaarde dat :
1° de school als geheel op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar voldoet aan de door de regering vastgelegde rationalisatienormen;
2° het opgerichte type op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar voldoet aan de door de regering vastgelegde rationalisatienorm.
§ 2. In afwijking van § 1 kan een school voor buitengewoon basisonderwijs, met uitzondering van de scholen voor type 5, in programmatie vanaf het tweede jaar, dat ze opgenomen is in de financierings- of subsidieregeling één of meer types, met uitzondering van type 5, oprichten op voorwaarde dat de school het voorgaande schooljaar voldeed aan de door de regering vastgelegde programmatienormen. In dat geval zijn de programmatienormen van toepassing. ".
" Artikel 111 § 1. Met uitzondering van de scholen voor type 5, kan een school voor buitengewoon onderwijs die voldoet aan de rationalisatienorm, per 1 september een nieuw type oprichten, met uitzondering van type 5, op voorwaarde dat :
1° de school als geheel op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar voldoet aan de door de regering vastgelegde rationalisatienormen;
2° het opgerichte type op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar voldoet aan de door de regering vastgelegde rationalisatienorm.
§ 2. In afwijking van § 1 kan een school voor buitengewoon basisonderwijs, met uitzondering van de scholen voor type 5, in programmatie vanaf het tweede jaar, dat ze opgenomen is in de financierings- of subsidieregeling één of meer types, met uitzondering van type 5, oprichten op voorwaarde dat de school het voorgaande schooljaar voldeed aan de door de regering vastgelegde programmatienormen. In dat geval zijn de programmatienormen van toepassing. ".
Art. 2.19. L'article 111 du même décret, modifié par le décret du 20 octobre 2000, est remplacé par la disposition suivante :
" Article 111. § 1er. A l'exception des écoles de type 5, une école d'enseignement spécial qui remplit la norme de rationalisation peut créer le 1er septembre un nouveau type, à l'exception du type 5, à condition que :
1° l'école dans son ensemble remplit, le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année scolaire en cours, les normes de rationalisation fixées par le Gouvernement;
2° le type créé remplit, le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année de création, la norme de rationalisation fixée par le Gouvernement.
§ 2. Par dérogation au § 1er, une école de l'enseignement fondamental spécial, à l'exception des écoles de type 5, en programmation peut, à partir de sa deuxième année d'intégration dans le régime de financement ou de subventionnement, créer un ou plusieurs type(s), à l'exception du type 5, à condition que l'année scolaire précédente, l'école se conformait aux normes de programmation fixées par le Gouvernement. Dans ce cas, les normes de programmation s'appliquent. ".
" Article 111. § 1er. A l'exception des écoles de type 5, une école d'enseignement spécial qui remplit la norme de rationalisation peut créer le 1er septembre un nouveau type, à l'exception du type 5, à condition que :
1° l'école dans son ensemble remplit, le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année scolaire en cours, les normes de rationalisation fixées par le Gouvernement;
2° le type créé remplit, le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année de création, la norme de rationalisation fixée par le Gouvernement.
§ 2. Par dérogation au § 1er, une école de l'enseignement fondamental spécial, à l'exception des écoles de type 5, en programmation peut, à partir de sa deuxième année d'intégration dans le régime de financement ou de subventionnement, créer un ou plusieurs type(s), à l'exception du type 5, à condition que l'année scolaire précédente, l'école se conformait aux normes de programmation fixées par le Gouvernement. Dans ce cas, les normes de programmation s'appliquent. ".
Art. 2.20. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 december 2006, wordt in hoofdstuk VIII - Programmatie en rationalisatie van scholen, in afdeling 2 - Programmatie, het opschrift van " Onderafdeling F - Omvorming van een type " vervangen door " Onderafdeling D - Oprichten van een type door omvorming ".
Art. 2.20. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 15 décembre 2006, dans le chapitre VIII - Programmation et rationalisation d'écoles, dans la section 2 - Programmation, l'intitulé de la " Sous-section F - Conversion d'un type " est remplacé par " Sous-section D - Création d'un type par conversion ".
Art. 2.21. In artikel 112 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 20 oktober 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 wordt het woord " programmatienorm " vervangen door het woord " rationalisatienorm ";
2° er wordt een § 6 toegevoegd die luidt als volgt :
" § 6. In een school kunnen, gedurende de programmatieperiode geen types omgevormd worden. ".
1° in § 1 wordt het woord " programmatienorm " vervangen door het woord " rationalisatienorm ";
2° er wordt een § 6 toegevoegd die luidt als volgt :
" § 6. In een school kunnen, gedurende de programmatieperiode geen types omgevormd worden. ".
Art. 2.21. A l'article 112 du même décret, modifié par le décret du 20 octobre 2000, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le § 1er, les mots " norme de programmation " sont remplacés par les mots " norme de rationalisation ";
2° il est ajouté un § 6, rédigé comme suit :
" § 6. Pendant la période de programmation, aucun type ne peut être converti dans une école. ".
1° dans le § 1er, les mots " norme de programmation " sont remplacés par les mots " norme de rationalisation ";
2° il est ajouté un § 6, rédigé comme suit :
" § 6. Pendant la période de programmation, aucun type ne peut être converti dans une école. ".
Art. 2.22. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 december 2006, wordt in hoofdstuk VIII - Programmatie en rationalisatie van scholen, in afdeling 2 - Programmatie, onderafdeling G - programmatienormen, bestaande uit artikel 113 opgeheven.
Art. 2.22. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 15 décembre 2006, dans le chapitre VIII - Programmation et rationalisation d'écoles, dans la section 2 - Programmation, la sous-section G - Normes de programmation, comprenant l'article 113, est abrogée.
Art. 2.23. Artikel 114 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 114 § 1. De teldag voor de rationalisatie is de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar.
§ 2. In afwijking van § 1 is de teldag voor het behalen van de rationalisatienormen voor scholen die betrokken zijn bij een herstructurering of voor scholen die door een beslissing van de regering moeten afbouwen, de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar. In het geval van een herstructurering geldt deze teldag voor het schooljaar van de herstructurering, in het geval van afbouw geldt deze teldag voor de duur van de afbouw.
§ 3. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en op scholen voor type 5 wordt het woord " teldag " telkens gelezen als het woord " telperiode " en worden de woorden " eerste schooldag van februari " telkens gelezen als de woorden " periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari ".
Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en op scholen voor type 5 worden de woorden " de eerste schooldag van oktober " telkens gelezen als de woorden " de maand september ". ".
" Artikel 114 § 1. De teldag voor de rationalisatie is de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar.
§ 2. In afwijking van § 1 is de teldag voor het behalen van de rationalisatienormen voor scholen die betrokken zijn bij een herstructurering of voor scholen die door een beslissing van de regering moeten afbouwen, de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar. In het geval van een herstructurering geldt deze teldag voor het schooljaar van de herstructurering, in het geval van afbouw geldt deze teldag voor de duur van de afbouw.
§ 3. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en op scholen voor type 5 wordt het woord " teldag " telkens gelezen als het woord " telperiode " en worden de woorden " eerste schooldag van februari " telkens gelezen als de woorden " periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari ".
Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en op scholen voor type 5 worden de woorden " de eerste schooldag van oktober " telkens gelezen als de woorden " de maand september ". ".
Art. 2.23. L'article 114 du même décret est remplacé par les dispositions suivantes :
" Article 114. § 1er. Le jour de comptage pour la rationalisation est le premier jour de classe du mois de février de l'année scolaire précédente.
§ 2. Par dérogation au § 1er, le jour de comptage pour atteindre les normes de rationalisation pour les écoles faisant l'objet d'une restructuration ou pour les écoles qui doivent supprimer progressivement par décision du Gouvernement, est le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année scolaire en cours. En cas d'une restructuration, ce jour de comptage vaut pour l'année scolaire de la restructuration; en cas de suppression progressive, ce jour de comptage vaut pour la durée de la suppression.
§ 3. Pour l'application du présent article aux écoles CKG et aux écoles de type 5, les mots " jour de comptage " sont chaque fois lus comme les mots " période de comptage ", et les mots " premier jour de classe du mois de février " sont chaque fois lus comme les mots " période de douze mois précédant le premier jour de classe du mois de février ".
Pour l'application du présent article aux écoles CKG et aux écoles de type 5, les mots " le premier jour de classe du mois d'octobre " sont chaque fois lus comme " le mois de septembre ". ".
" Article 114. § 1er. Le jour de comptage pour la rationalisation est le premier jour de classe du mois de février de l'année scolaire précédente.
§ 2. Par dérogation au § 1er, le jour de comptage pour atteindre les normes de rationalisation pour les écoles faisant l'objet d'une restructuration ou pour les écoles qui doivent supprimer progressivement par décision du Gouvernement, est le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année scolaire en cours. En cas d'une restructuration, ce jour de comptage vaut pour l'année scolaire de la restructuration; en cas de suppression progressive, ce jour de comptage vaut pour la durée de la suppression.
§ 3. Pour l'application du présent article aux écoles CKG et aux écoles de type 5, les mots " jour de comptage " sont chaque fois lus comme les mots " période de comptage ", et les mots " premier jour de classe du mois de février " sont chaque fois lus comme les mots " période de douze mois précédant le premier jour de classe du mois de février ".
Pour l'application du présent article aux écoles CKG et aux écoles de type 5, les mots " le premier jour de classe du mois d'octobre " sont chaque fois lus comme " le mois de septembre ". ".
Art. 2.24. Artikel 115 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 115 Scholen, vestigingsplaatsen, niveaus of types die op de teldag, zoals bepaald in artikel 114, niet aan de voor hen geldende rationalisatienormen of behoudsnormen voldoen blijven gesubsidieerd of gefinancierd als op de vorige teldag de volgende voorwaarden vervuld waren :
1° de school in haar geheel voldeed aan de rationalisatienormen of behoudsnormen;
2° elke vestigingsplaats, elk niveau, elk type van de school en elk type van de vestigingsplaatsen voldeden aan de voor hen geldende rationalisatienormen of behoudsnormen. ".
" Artikel 115 Scholen, vestigingsplaatsen, niveaus of types die op de teldag, zoals bepaald in artikel 114, niet aan de voor hen geldende rationalisatienormen of behoudsnormen voldoen blijven gesubsidieerd of gefinancierd als op de vorige teldag de volgende voorwaarden vervuld waren :
1° de school in haar geheel voldeed aan de rationalisatienormen of behoudsnormen;
2° elke vestigingsplaats, elk niveau, elk type van de school en elk type van de vestigingsplaatsen voldeden aan de voor hen geldende rationalisatienormen of behoudsnormen. ".
Art. 2.24. L'article 115 du même décret est remplacé par les dispositions suivantes :
" Article 115. Les écoles, implantations, niveaux ou types qui, au jour de comptage tel que fixé à l'article 114, ne se conforment pas aux normes de rationalisation ou aux normes de maintien applicables à eux, restent subventionnés ou financés si les conditions suivantes étaient remplies au jour de comptage précédent :
1° l'école dans son ensemble se conformait aux normes de rationalisation ou aux normes de maintien;
2° chaque implantation, chaque niveau, chaque type d'école et chaque type d'implantation se conformaient aux normes de rationalisation ou aux normes de maintien applicables à eux. ".
" Article 115. Les écoles, implantations, niveaux ou types qui, au jour de comptage tel que fixé à l'article 114, ne se conforment pas aux normes de rationalisation ou aux normes de maintien applicables à eux, restent subventionnés ou financés si les conditions suivantes étaient remplies au jour de comptage précédent :
1° l'école dans son ensemble se conformait aux normes de rationalisation ou aux normes de maintien;
2° chaque implantation, chaque niveau, chaque type d'école et chaque type d'implantation se conformaient aux normes de rationalisation ou aux normes de maintien applicables à eux. ".
Art. 2.25. Artikel 116 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 116 In afwijking van de rationalisatienormen kan een gefinancierde of gesubsidieerde school voor buitengewoon onderwijs die twee of meer types organiseert, deze types behouden, wanneer de school als geheel op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar de door de regering vastgestelde rationalisatienormen bereikt en elk type afzonderlijk op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar de door de regering vastgelegde behoudsnorm bereikt.
Types die door de regering vastgelegde behoudsnormen niet bereiken, worden met ingang van 1 september van het daaropvolgende schooljaar niet langer gefinancierd of gesubsidieerd. ".
" Artikel 116 In afwijking van de rationalisatienormen kan een gefinancierde of gesubsidieerde school voor buitengewoon onderwijs die twee of meer types organiseert, deze types behouden, wanneer de school als geheel op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar de door de regering vastgestelde rationalisatienormen bereikt en elk type afzonderlijk op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar de door de regering vastgelegde behoudsnorm bereikt.
Types die door de regering vastgelegde behoudsnormen niet bereiken, worden met ingang van 1 september van het daaropvolgende schooljaar niet langer gefinancierd of gesubsidieerd. ".
Art. 2.25. L'article 116 du même décret est remplacé par les dispositions suivantes :
" Article 116. Par dérogation aux normes de rationalisation, une école d'enseignement spécial financée ou subventionnée qui organise deux types ou plus, peut maintenir ces types lorsque l'école dans son ensemble atteint, le premier jour de classe du mois de février de l'année scolaire précédente, les normes de rationalisation fixées par le Gouvernement, et chaque type séparé atteint, le premier jour de classe du mois de février de l'année scolaire précédente, la norme de maintien fixée par le Gouvernement.
Les types qui n'atteignent pas les normes de maintien fixées par le Gouvernement, ne sont plus financés ou subventionnés à partir du 1er septembre de l'année scolaire suivante. ".
" Article 116. Par dérogation aux normes de rationalisation, une école d'enseignement spécial financée ou subventionnée qui organise deux types ou plus, peut maintenir ces types lorsque l'école dans son ensemble atteint, le premier jour de classe du mois de février de l'année scolaire précédente, les normes de rationalisation fixées par le Gouvernement, et chaque type séparé atteint, le premier jour de classe du mois de février de l'année scolaire précédente, la norme de maintien fixée par le Gouvernement.
Les types qui n'atteignent pas les normes de maintien fixées par le Gouvernement, ne sont plus financés ou subventionnés à partir du 1er septembre de l'année scolaire suivante. ".
Art. 2.26. In artikel 117 van hetzelfde decreet wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 2.26. Dans l'article 117 du même décret, l'alinéa deux est abrogé.
Art. 2.27. In artikel 118, § 1, van hetzelfde decreet wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 2.27. Dans l'article 118, § 1er, du même décret, l'alinéa deux est abrogé.
Art. 2.28. In artikel 120, § 2, eerste lid, en § 3, eerste lid, van hetzelfde decreet worden tussen de woorden " van dezelfde groep " en de woorden " waar onderwijs van hetzelfde niveau gegeven wordt " de woorden " en van hetzelfde taalstelsel " ingevoegd.
Art. 2.28. Dans l'article 120, § 2, alinéa premier, et § 3, alinéa premier, du même décret, les mots " et du même régime linguistique " sont insérés entre les mots " du même groupe " et ", qui dispense un enseignement du même niveau ".
Art. 2.29. Artikel 122 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 20 oktober 2000, wordt opgeheven.
Art. 2.29. L'article 122 du même décret, modifié par le décret du 20 octobre 2000, est abrogé.
Art. 2.30. Artikel 123 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 20 oktober 2000, wordt opgeheven.
Art. 2.30. L'article 123 du même décret, modifié par le décret du 20 octobre 2000, est abrogé.
Art. 2.31. In artikel 124, 5°, van hetzelfde decreet worden tussen de woorden " van type 5 " en de woorden " het gemiddelde " de woorden " en voor een CKG-school " ingevoegd.
Art. 2.31. Dans l'article 124, 5°, du même décret, les mots " pour les écoles de type 5 " sont complétés par les mots " et pour les écoles CKG ".
Art. 2.32. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 december 2006, wordt in hoofdstuk VIII - Programmatie en rationalisatie van scholen, afdeling 5 - Afwijkingen, bestaande uit artikel 125 opgeheven.
Art. 2.32. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 15 décembre 2006, dans le chapitre VIII - Programmation et rationalisation d'écoles, la section 5 - Dérogations, comprenant l'article 125, est abrogée.
Art. 2.33. In artikel 125novies, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 10 juli 2003, wordt er een punt 3°bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" 3°bis maakt afspraken over de aanwending van de puntenenveloppe zorg+ ter bevordering van de kleuterparticipatie toegekend aan de scholengemeenschap zoals bepaald in artikel 125duodecies 1; ".
" 3°bis maakt afspraken over de aanwending van de puntenenveloppe zorg+ ter bevordering van de kleuterparticipatie toegekend aan de scholengemeenschap zoals bepaald in artikel 125duodecies 1; ".
Art. 2.33. Dans l'article 125novies, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 10 juillet 2003, il est inséré un point 3°bis, rédigé comme suit :
" 3°bis conclut des arrangements quant à l'utilisation de l'enveloppe de points encadrement renforcé+ visant à promouvoir la participation des jeunes enfants, accordée au centre d'enseignement, telle que visée à l'article 125duodecies 1; ".
" 3°bis conclut des arrangements quant à l'utilisation de l'enveloppe de points encadrement renforcé+ visant à promouvoir la participation des jeunes enfants, accordée au centre d'enseignement, telle que visée à l'article 125duodecies 1; ".
Art. 2.34. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 december 2006, wordt een artikel 125duodecies 1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Artikel 125duodecies1 § 1. De scholengemeenschap ontvangt jaarlijks een door de regering vastgelegde puntenenveloppe zorg+ ter bevordering van de kleuterparticipatie.
§ 2. Bij het tellen van de leerlingen voor de puntenenveloppe zorg+ ter bevordering van de kleuterparticipatie gelden de volgende regels :
1° alleen de regelmatige leerlingen kleuteronderwijs op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar worden geteld;
2° in afwijking van punt 1°, worden in de CKG-scholen en in de scholen voor type 5 de leerlingen geteld op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari;
3° elke leerling telt voor één teleenheid.
§ 3. De scholengemeenschap kan de puntenenveloppe zorg+ ter bevordering van de kleuterparticipatie alleen voor dat doel gebruiken. ".
" Artikel 125duodecies1 § 1. De scholengemeenschap ontvangt jaarlijks een door de regering vastgelegde puntenenveloppe zorg+ ter bevordering van de kleuterparticipatie.
§ 2. Bij het tellen van de leerlingen voor de puntenenveloppe zorg+ ter bevordering van de kleuterparticipatie gelden de volgende regels :
1° alleen de regelmatige leerlingen kleuteronderwijs op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar worden geteld;
2° in afwijking van punt 1°, worden in de CKG-scholen en in de scholen voor type 5 de leerlingen geteld op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari;
3° elke leerling telt voor één teleenheid.
§ 3. De scholengemeenschap kan de puntenenveloppe zorg+ ter bevordering van de kleuterparticipatie alleen voor dat doel gebruiken. ".
Art. 2.34. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 15 décembre 2006, il est inséré un article 125duodecies 1, rédigé comme suit :
" Article 125duodecies1. § 1er. Le centre d'enseignement reçoit annuellement une enveloppe de points encadrement renforcé+ visant à promouvoir la participation des jeunes enfants, fixée par le Gouvernement.
§ 2. Le comptage des élèves pour la fixation de l'enveloppe de points encadrement renforcé+ visant à promouvoir la participation des jeunes enfants se fait dans le respect des règles suivantes :
1° seul les élèves réguliers de l'enseignement maternel au premier jour de classe du mois de février de l'année scolaire précédente sont comptés;
2° par dérogation au point 1°, pour ce qui concerne les écoles CKG et les écoles de type 5, les élèves sont comptés sur la base du nombre moyen d'élèves réguliers pendant la période de douze mois précédant le premier jour de classe de février;
3° chaque élève compte pour une (1) unité de comptage.
§ 3. Le centre d'enseignement ne peut utiliser l'enveloppe de points encadrement renforcé+ visant à promouvoir la participation des jeunes enfants, qu'à cette fin. ".
" Article 125duodecies1. § 1er. Le centre d'enseignement reçoit annuellement une enveloppe de points encadrement renforcé+ visant à promouvoir la participation des jeunes enfants, fixée par le Gouvernement.
§ 2. Le comptage des élèves pour la fixation de l'enveloppe de points encadrement renforcé+ visant à promouvoir la participation des jeunes enfants se fait dans le respect des règles suivantes :
1° seul les élèves réguliers de l'enseignement maternel au premier jour de classe du mois de février de l'année scolaire précédente sont comptés;
2° par dérogation au point 1°, pour ce qui concerne les écoles CKG et les écoles de type 5, les élèves sont comptés sur la base du nombre moyen d'élèves réguliers pendant la période de douze mois précédant le premier jour de classe de février;
3° chaque élève compte pour une (1) unité de comptage.
§ 3. Le centre d'enseignement ne peut utiliser l'enveloppe de points encadrement renforcé+ visant à promouvoir la participation des jeunes enfants, qu'à cette fin. ".
Art. 2.35. Artikel 126bis van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 2.35. L'article 126bis du même décret est abrogé.
Art. 2.36. In artikel 129 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 14 juli 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 worden tussen de woorden " fusie " en " kan " de woorden " met uitzondering van scholen voor type 5 " ingevoegd;
2° in § 1, 1°, worden tussen de woorden " de rationalisatienorm " en het woord " ligt " de woorden " voor scholen " ingevoegd.
1° in § 1 worden tussen de woorden " fusie " en " kan " de woorden " met uitzondering van scholen voor type 5 " ingevoegd;
2° in § 1, 1°, worden tussen de woorden " de rationalisatienorm " en het woord " ligt " de woorden " voor scholen " ingevoegd.
Art. 2.36. A l'article 129 du même décret, remplacé par le décret du 14 juillet 1998, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le § 1er, les mots ", à l'exception des écoles de type 5, " sont insérés entre les mots " volontaire " et " l'un des ";
2° dans le § 1er, 1°, les mots " les normes de rationalisation " sont complétés par les mots " pour les écoles ".
1° dans le § 1er, les mots ", à l'exception des écoles de type 5, " sont insérés entre les mots " volontaire " et " l'un des ";
2° dans le § 1er, 1°, les mots " les normes de rationalisation " sont complétés par les mots " pour les écoles ".
Art. 2.37. Artikel 131 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 2.37. L'article 131 du même décret est abrogé.
Art. 2.38. Artikel 132 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 20 oktober 2000, 13 juli 2001 en 10 juli 2003, wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 132 § 1. De lestijden volgens de schalen worden ieder schooljaar per school berekend op basis van het aantal regelmatige leerlingen ingeschreven op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar en aan de hand van de lestijdenschalen die door de regering worden vastgelegd.
§ 2. In afwijking van § 1 is de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor scholen in het gewoon onderwijs in programmatie de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar. Die teldag geldt voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en voor de vijf daaropvolgende schooljaren.
§ 3. In afwijking van § 1 is de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor scholen in het buitengewoon onderwijs in programmatie de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar. Die teldag geldt voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en voor de twee daaropvolgende schooljaren.
§ 4. In afwijking van § 1 is de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor scholen die betrokken zijn bij een herstructurering de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar.
§ 5. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en op scholen voor type 5 worden de woorden " de eerste schooldag van oktober " telkens gelezen als de woorden " de maand september " en wordt het woord " teldag " telkens gelezen als het woord " telperiode ".
Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en op scholen voor type 5 worden de woorden " op basis van het aantal regelmatige leerlingen ingeschreven op de eerste schooldag van februari " gelezen als de woorden " op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen, ingeschreven tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari ".
§ 6. De lestijden volgens de schalen van een school voor type 5 kunnen slechts volledig worden aangewend als een door de regering vastgelegd gemiddelde van onderwijsdagen per kind gedurende de telperiode wordt bereikt.
Als dat gemiddelde niet wordt bereikt, dan worden de lestijden volgens de schalen evenredig verminderd.
§ 7. In afwijking van § 1 is het aantal lestijden volgens de schalen voor scholen voor type 5 die betrokken zijn bij of die ontstaan zijn door een fusie gelijk aan de som van de lestijdenpakketten van de betrokken scholen. ".
" Artikel 132 § 1. De lestijden volgens de schalen worden ieder schooljaar per school berekend op basis van het aantal regelmatige leerlingen ingeschreven op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar en aan de hand van de lestijdenschalen die door de regering worden vastgelegd.
§ 2. In afwijking van § 1 is de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor scholen in het gewoon onderwijs in programmatie de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar. Die teldag geldt voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en voor de vijf daaropvolgende schooljaren.
§ 3. In afwijking van § 1 is de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor scholen in het buitengewoon onderwijs in programmatie de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar. Die teldag geldt voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en voor de twee daaropvolgende schooljaren.
§ 4. In afwijking van § 1 is de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor scholen die betrokken zijn bij een herstructurering de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar.
§ 5. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en op scholen voor type 5 worden de woorden " de eerste schooldag van oktober " telkens gelezen als de woorden " de maand september " en wordt het woord " teldag " telkens gelezen als het woord " telperiode ".
Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en op scholen voor type 5 worden de woorden " op basis van het aantal regelmatige leerlingen ingeschreven op de eerste schooldag van februari " gelezen als de woorden " op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen, ingeschreven tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari ".
§ 6. De lestijden volgens de schalen van een school voor type 5 kunnen slechts volledig worden aangewend als een door de regering vastgelegd gemiddelde van onderwijsdagen per kind gedurende de telperiode wordt bereikt.
Als dat gemiddelde niet wordt bereikt, dan worden de lestijden volgens de schalen evenredig verminderd.
§ 7. In afwijking van § 1 is het aantal lestijden volgens de schalen voor scholen voor type 5 die betrokken zijn bij of die ontstaan zijn door een fusie gelijk aan de som van de lestijdenpakketten van de betrokken scholen. ".
Art. 2.38. L'article 132 du même décret, modifié par les décrets des 20 octobre 2000, 13 juillet 2001 et 10 juillet 2003, est remplacé par les dispositions suivantes :
" Article 132. § 1er. Les périodes selon les échelles sont calculées chaque année scolaire sur la base du nombre d'élèves réguliers inscrits le premier jour de classe du mois de février de l'année scolaire précédente, et à l'aide des échelles de périodes fixées par le Gouvernement.
§ 2. Par dérogation au § 1er, le jour de comptage pour le calcul des périodes selon les échelles pour les écoles de l'enseignement ordinaire en programmation est le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année scolaire en cours. Ce jour de comptage s'applique à toute l'école pour l'année scolaire de création et pendant les cinq années scolaires suivantes.
§ 3. Par dérogation au § 1er, le jour de comptage pour le calcul des périodes selon les échelles pour les écoles de l'enseignement spécial en programmation est le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année scolaire en cours. Ce jour de comptage s'applique à toute l'école pour l'année scolaire de création et pendant les deux années scolaires suivantes.
§ 4. Par dérogation au § 1er, le jour de comptage pour le calcul des périodes selon les échelles pour les écoles faisant l'objet d'une restructuration est le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année scolaire en cours.
§ 5. Pour l'application du présent article aux écoles CKG et aux écoles de type 5, les mots " le premier jour de classe du mois d'octobre " sont chaque fois lus comme les mots " le mois de septembre " et les mots " date de comptage " sont chaque fois lus comme les mots " période de comptage ".
Pour l'application du présent article aux écoles CKG et aux écoles de type 5, les mots " sur base du nombre d'élèves régulièrement inscrits le premier jour de classe du mois de février " sont lus comme les mots " sur base du nombre moyen d'élèves réguliers inscrits pendant la période de douze mois précédant le premier jour de classe de février ".
§ 6. Les périodes selon les échelles d'une école de type 5 ne peuvent être affectées entièrement que si une moyenne de jours d'enseignement par enfant, fixée par le Gouvernement, est atteinte pendant la période de comptage.
Si la moyenne n'est pas atteinte, les périodes selon les échelles sont réduites proportionnellement.
§ 7. Par dérogation au § 1er, le nombre de périodes selon les échelles est égal, pour les écoles de type 5 faisant l'objet d'une fusion ou étant créées par une fusion, à la somme des capitaux-périodes des écoles concernées. ".
" Article 132. § 1er. Les périodes selon les échelles sont calculées chaque année scolaire sur la base du nombre d'élèves réguliers inscrits le premier jour de classe du mois de février de l'année scolaire précédente, et à l'aide des échelles de périodes fixées par le Gouvernement.
§ 2. Par dérogation au § 1er, le jour de comptage pour le calcul des périodes selon les échelles pour les écoles de l'enseignement ordinaire en programmation est le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année scolaire en cours. Ce jour de comptage s'applique à toute l'école pour l'année scolaire de création et pendant les cinq années scolaires suivantes.
§ 3. Par dérogation au § 1er, le jour de comptage pour le calcul des périodes selon les échelles pour les écoles de l'enseignement spécial en programmation est le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année scolaire en cours. Ce jour de comptage s'applique à toute l'école pour l'année scolaire de création et pendant les deux années scolaires suivantes.
§ 4. Par dérogation au § 1er, le jour de comptage pour le calcul des périodes selon les échelles pour les écoles faisant l'objet d'une restructuration est le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année scolaire en cours.
§ 5. Pour l'application du présent article aux écoles CKG et aux écoles de type 5, les mots " le premier jour de classe du mois d'octobre " sont chaque fois lus comme les mots " le mois de septembre " et les mots " date de comptage " sont chaque fois lus comme les mots " période de comptage ".
Pour l'application du présent article aux écoles CKG et aux écoles de type 5, les mots " sur base du nombre d'élèves régulièrement inscrits le premier jour de classe du mois de février " sont lus comme les mots " sur base du nombre moyen d'élèves réguliers inscrits pendant la période de douze mois précédant le premier jour de classe de février ".
§ 6. Les périodes selon les échelles d'une école de type 5 ne peuvent être affectées entièrement que si une moyenne de jours d'enseignement par enfant, fixée par le Gouvernement, est atteinte pendant la période de comptage.
Si la moyenne n'est pas atteinte, les périodes selon les échelles sont réduites proportionnellement.
§ 7. Par dérogation au § 1er, le nombre de périodes selon les échelles est égal, pour les écoles de type 5 faisant l'objet d'une fusion ou étant créées par une fusion, à la somme des capitaux-périodes des écoles concernées. ".
Art. 2.39. Artikel 133 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 20 oktober 2000, wordt opgeheven.
Art. 2.39. L'article 133 du même décret, modifié par le décret du 20 octobre 2000, est abrogé.
Art. 2.40. Artikel 134 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2006, wordt opgeheven.
Art. 2.40. L'article 134 du même décret, modifié par le décret du 7 juillet 2006, est abrogé.
Art. 2.41. Aan artikel 138 van hetzelfde decreet wordt in § 1 een punt 8° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 8° lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het kader van de kleuterparticipatie, verder " GOK+lestijden " genoemd. ".
" 8° lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het kader van de kleuterparticipatie, verder " GOK+lestijden " genoemd. ".
Art. 2.41. A l'article 138, § 1er, du même décret, il est ajouté un point 8°, rédigé comme suit :
" 8° des périodes destinées à la conduite d'une politique d'égalité des chances dans le cadre de la participation des jeunes enfants, ci-après dénommées " périodes GOK+ ". ".
" 8° des périodes destinées à la conduite d'une politique d'égalité des chances dans le cadre de la participation des jeunes enfants, ci-après dénommées " périodes GOK+ ". ".
Art. 2.42. In hetzelfde decreet wordt artikel 139novies vervangen door de volgende bepaling :
" Artikel 139novies § 1. Een school voor gewoon basisonderwijs of gewoon kleuteronderwijs ontvangt voor het schooljaar 2007-2008 GOK+lestijden op voorwaarde dat ze op de eerste schooldag van februari 2005 ten minste 40 % leerlingen telde, die beantwoorden aan de in artikel 139bis, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijke kansenindicatoren.
§ 2. Bij het tellen van de leerlingen voor deze aanvullende lestijden gelden de volgende regels :
1° alleen de regelmatige leerlingen, die op de eerste schooldag van februari van 2005 beantwoorden aan de in artikel 139bis, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijke kansenindicatoren, worden geteld;
2° elk van deze leerlingen telt voor één teleenheid.
§ 3. Deze GOK+lestijden kunnen binnen de scholen enkel in het gewoon kleuteronderwijs aangewend worden.
§ 4. De regering bepaalt binnen de beschikbare begrotingskredieten het aantal GOK+lestijden alsook de wijze van berekening. ".
" Artikel 139novies § 1. Een school voor gewoon basisonderwijs of gewoon kleuteronderwijs ontvangt voor het schooljaar 2007-2008 GOK+lestijden op voorwaarde dat ze op de eerste schooldag van februari 2005 ten minste 40 % leerlingen telde, die beantwoorden aan de in artikel 139bis, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijke kansenindicatoren.
§ 2. Bij het tellen van de leerlingen voor deze aanvullende lestijden gelden de volgende regels :
1° alleen de regelmatige leerlingen, die op de eerste schooldag van februari van 2005 beantwoorden aan de in artikel 139bis, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijke kansenindicatoren, worden geteld;
2° elk van deze leerlingen telt voor één teleenheid.
§ 3. Deze GOK+lestijden kunnen binnen de scholen enkel in het gewoon kleuteronderwijs aangewend worden.
§ 4. De regering bepaalt binnen de beschikbare begrotingskredieten het aantal GOK+lestijden alsook de wijze van berekening. ".
Art. 2.42. Dans le même décret, l'article 139novies est remplacé par les dispositions suivantes :
" Article 139novies. § 1er. Une école de l'enseignement fondamental ordinaire ou de l'enseignement maternel ordinaire reçoit des périodes GOK+ pour l'année scolaire 2007-2008, à condition qu'elle comptait, le premier jour de classe du mois de février 2005, au moins 40 % d'élèves qui répondent aux indicateurs d'égalité des chances, visés à l'article 139bis, § 1er, 1°, 2°, 3° et 4°.
§ 2. Le comptage des élèves pour ces périodes complémentaires se fait dans le respect des règles suivantes :
1° seuls les élèves réguliers qui répondaient, le premier jour de classe du mois de février 2005, aux indicateurs d'égalité des chances, visés à l'article 139bis, § 1er, 1°, 2°, 3° et 4°, sont comptés;
2° chacun de ces élèves compte pour une (1) unité de comptage.
§ 3. Ces périodes GOK+ ne peuvent être affectées dans les écoles que dans l'enseignement maternel ordinaire.
§ 4. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement détermine le nombre des périodes GOK+ ainsi que le mode du calcul. ".
" Article 139novies. § 1er. Une école de l'enseignement fondamental ordinaire ou de l'enseignement maternel ordinaire reçoit des périodes GOK+ pour l'année scolaire 2007-2008, à condition qu'elle comptait, le premier jour de classe du mois de février 2005, au moins 40 % d'élèves qui répondent aux indicateurs d'égalité des chances, visés à l'article 139bis, § 1er, 1°, 2°, 3° et 4°.
§ 2. Le comptage des élèves pour ces périodes complémentaires se fait dans le respect des règles suivantes :
1° seuls les élèves réguliers qui répondaient, le premier jour de classe du mois de février 2005, aux indicateurs d'égalité des chances, visés à l'article 139bis, § 1er, 1°, 2°, 3° et 4°, sont comptés;
2° chacun de ces élèves compte pour une (1) unité de comptage.
§ 3. Ces périodes GOK+ ne peuvent être affectées dans les écoles que dans l'enseignement maternel ordinaire.
§ 4. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement détermine le nombre des périodes GOK+ ainsi que le mode du calcul. ".
Art. 2.43. Artikel 142, § 2, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 14 februari 2003, wordt vervangen door wat volgt :
" § 2. De overdracht van lestijden moet vóór 15 oktober van het lopende schooljaar gebeuren. De regering kan de soorten lestijden bepalen waarbij van deze datum afgeweken wordt. ".
" § 2. De overdracht van lestijden moet vóór 15 oktober van het lopende schooljaar gebeuren. De regering kan de soorten lestijden bepalen waarbij van deze datum afgeweken wordt. ".
Art. 2.43. L'article 142, § 2, du même décret, remplacé par le décret du 14 février 2003, est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Le transfert de périodes doit se faire avant le 15 octobre de l'année scolaire en cours. Le Gouvernement peut déterminer les types de périodes pour lesquels il peut être dérogé à cette date. ".
" § 2. Le transfert de périodes doit se faire avant le 15 octobre de l'année scolaire en cours. Le Gouvernement peut déterminer les types de périodes pour lesquels il peut être dérogé à cette date. ".
Art. 2.44. In artikel 146, § 1, van hetzelfde decreet worden tussen het woord " school " en de woorden " een aantal " de woorden ", met uitzondering van scholen voor type 5, " en tussen de woorden " vereiste rationalisatienorm " en het woord " ligt " de woorden " voor scholen " toegevoegd.
Art. 2.44. Dans l'article 146, § 1er, du même décret, les mots ", à l'exception des écoles de type 5 " sont insérés entre les mots " l'école fusionnée " et " obtient un nombre ", et les mots " la norme de rationalisation requise " sont complétés par les mots " pour les écoles ".
Art. 2.45. In artikel 148 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 14 juli 1998, worden de woorden " de artikelen 131, 132 en 133 " vervangen door de woorden " het artikel 132 ".
Art. 2.45. Dans l'article 148 du même décret, modifié par le décret du 14 juillet 1998, les mots " aux articles 131, 132 et 133, " sont remplacés par les mots " à l'article 132 ".
Art. 2.46. In artikel l53sexies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 10 juli 2003 en gewijzigd bij de decreten van 15 juli 2005 en 7 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 4 wordt vervangen door wat volgt :
" § 4. De punten uit de puntenenveloppes voor het voeren van een zorgbeleid, ICT en administratieve ondersteuning kunnen in het schooljaar 2007-2008 samengelegd worden op het niveau van de scholengemeenschap. In afwijking van § 3 kunnen de punten voor ICT en administratieve ondersteuning die op het niveau van de scholengemeenschap samengelegd worden, vrij aangewend worden. Scholengemeenschappen, waar scholen van het gemeenschapsonderwijs deel van uitmaken, kunnen deze vrij aan te wenden punten aanwenden om het personeelslid dat belast is met het mandaat van algemeen directeur in de scholengroep, waar één of meerdere scholen van de scholengemeenschap deel van uit maken, school- of klasvrij te maken.
Dit samenleggen mag niet tot gevolg hebben dat personeelsleden bijkomend ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking. De niet-naleving van deze bepaling heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid. Het schoolbestuur moet met het oog op de controle een verklaring op erewoord bezorgen aan het departement waarin het verklaart deze bepaling in acht te nemen. ";
2° § 5 wordt vervangen door wat volgt :
" § 5. De punten voor ICT kunnen samengelegd worden op het niveau van een samenwerkingsplatform, zoals bedoeld in artikel X.53 van het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV. De punten voor ICT kunnen op het niveau van het samenwerkingsplatform enkel voor ICT-coördinatie gebruikt worden.
Dit samenleggen mag niet tot gevolg hebben dat personeelsleden bijkomend ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking. De niet-naleving van deze bepaling heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid. Het schoolbestuur moet met het oog op de controle een verklaring op erewoord bezorgen aan het departement waarin het verklaart deze bepaling in acht te nemen. ".
1° § 4 wordt vervangen door wat volgt :
" § 4. De punten uit de puntenenveloppes voor het voeren van een zorgbeleid, ICT en administratieve ondersteuning kunnen in het schooljaar 2007-2008 samengelegd worden op het niveau van de scholengemeenschap. In afwijking van § 3 kunnen de punten voor ICT en administratieve ondersteuning die op het niveau van de scholengemeenschap samengelegd worden, vrij aangewend worden. Scholengemeenschappen, waar scholen van het gemeenschapsonderwijs deel van uitmaken, kunnen deze vrij aan te wenden punten aanwenden om het personeelslid dat belast is met het mandaat van algemeen directeur in de scholengroep, waar één of meerdere scholen van de scholengemeenschap deel van uit maken, school- of klasvrij te maken.
Dit samenleggen mag niet tot gevolg hebben dat personeelsleden bijkomend ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking. De niet-naleving van deze bepaling heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid. Het schoolbestuur moet met het oog op de controle een verklaring op erewoord bezorgen aan het departement waarin het verklaart deze bepaling in acht te nemen. ";
2° § 5 wordt vervangen door wat volgt :
" § 5. De punten voor ICT kunnen samengelegd worden op het niveau van een samenwerkingsplatform, zoals bedoeld in artikel X.53 van het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV. De punten voor ICT kunnen op het niveau van het samenwerkingsplatform enkel voor ICT-coördinatie gebruikt worden.
Dit samenleggen mag niet tot gevolg hebben dat personeelsleden bijkomend ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking. De niet-naleving van deze bepaling heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid. Het schoolbestuur moet met het oog op de controle een verklaring op erewoord bezorgen aan het departement waarin het verklaart deze bepaling in acht te nemen. ".
Art. 2.46. A l'article 153sexies du même décret, inséré par le décret du 10 juillet 2003 et modifié par les décrets des 15 juillet 2005 et 7 juillet 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 4 est remplacé par la disposition suivante :
" § 4. Les points des enveloppes de points destinées à la gestion de l'encadrement renforcé, les TIC et l'encadrement administratif peuvent être réunis, pendant l'année scolaire 2007-2008, au niveau du centre d'enseignement. Par dérogation au § 3, les points destinés aux TIC et à l'encadrement administratif qui sont réunis au niveau du centre d'enseignement, peuvent être librement utilisés. Les centres d'enseignement dont relèvent des écoles de l'enseignement communautaire peuvent destiner ces points à utiliser librement pour exonérer le membre du personnel chargé du mandat de directeur général du groupe d'écoles, dont une ou plusieurs écoles du centre d'enseignement font partie, de sa charge d'enseignement.
Ce rassemblement de points ne peut entraîner la mise en disponibilité d'un nombre supplémentaire de membres du personnel par défaut d'emploi. Le non-respect de la présente disposition aura pour conséquence que la mise en disponibilité par défaut d'emploi est sans effet vis-à-vis de l'autorité. L'autorité scolaire est tenue de présenter au Département, à des fins de contrôle, une déclaration sur l'honneur affirmant qu'elle observera la présente disposition. "
2° le § 5 est remplacé par la disposition suivante :
" § 5. Les points destinés aux TIC peuvent être réunis au niveau d'une plate-forme de coopération, telle que visée à l'article X.53 du décret du 14 février 2003 relatif à l'enseignement XIV. Au niveau de la plate-forme de coopération, les points destinés aux TIC peuvent uniquement être utilisés pour la coordination TIC.
Ce rassemblement de points ne peut entraîner la mise en disponibilité d'un nombre supplémentaire de membres du personnel par défaut d'emploi. Le non-respect de la présente disposition aura pour conséquence que la mise en disponibilité par défaut d'emploi est sans effet vis-à-vis de l'autorité. L'autorité scolaire est tenue de présenter au Département, à des fins de contrôle, une déclaration sur l'honneur affirmant qu'elle observera la présente disposition. ".
1° le § 4 est remplacé par la disposition suivante :
" § 4. Les points des enveloppes de points destinées à la gestion de l'encadrement renforcé, les TIC et l'encadrement administratif peuvent être réunis, pendant l'année scolaire 2007-2008, au niveau du centre d'enseignement. Par dérogation au § 3, les points destinés aux TIC et à l'encadrement administratif qui sont réunis au niveau du centre d'enseignement, peuvent être librement utilisés. Les centres d'enseignement dont relèvent des écoles de l'enseignement communautaire peuvent destiner ces points à utiliser librement pour exonérer le membre du personnel chargé du mandat de directeur général du groupe d'écoles, dont une ou plusieurs écoles du centre d'enseignement font partie, de sa charge d'enseignement.
Ce rassemblement de points ne peut entraîner la mise en disponibilité d'un nombre supplémentaire de membres du personnel par défaut d'emploi. Le non-respect de la présente disposition aura pour conséquence que la mise en disponibilité par défaut d'emploi est sans effet vis-à-vis de l'autorité. L'autorité scolaire est tenue de présenter au Département, à des fins de contrôle, une déclaration sur l'honneur affirmant qu'elle observera la présente disposition. "
2° le § 5 est remplacé par la disposition suivante :
" § 5. Les points destinés aux TIC peuvent être réunis au niveau d'une plate-forme de coopération, telle que visée à l'article X.53 du décret du 14 février 2003 relatif à l'enseignement XIV. Au niveau de la plate-forme de coopération, les points destinés aux TIC peuvent uniquement être utilisés pour la coordination TIC.
Ce rassemblement de points ne peut entraîner la mise en disponibilité d'un nombre supplémentaire de membres du personnel par défaut d'emploi. Le non-respect de la présente disposition aura pour conséquence que la mise en disponibilité par défaut d'emploi est sans effet vis-à-vis de l'autorité. L'autorité scolaire est tenue de présenter au Département, à des fins de contrôle, une déclaration sur l'honneur affirmant qu'elle observera la présente disposition. ".
Art. 2.47. In hetzelfde decreet wordt een artikel 164bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Artikel 164bis Personeelsleden kunnen niet belast worden met lestijden of uren buiten het lestijden- en urenpakket, behoudens indien deze in de plage gelegen zijn.
Als een schoolbestuur dit verbod overtreedt, valt de bezoldiging ten laste van het schoolbestuur. ".
" Artikel 164bis Personeelsleden kunnen niet belast worden met lestijden of uren buiten het lestijden- en urenpakket, behoudens indien deze in de plage gelegen zijn.
Als een schoolbestuur dit verbod overtreedt, valt de bezoldiging ten laste van het schoolbestuur. ".
Art. 2.47. Dans le même décret, il est inséré un article 164bis, rédigé comme suit :
" Article 164bis. Des membres du personnel ne peuvent être chargés de périodes ou d'heures en dehors du capital-périodes et du capital-heures, sauf si elles se situent dans la plage.
Lorsqu'une autorité scolaire contrevient à cette interdiction, la rémunération est à charge de l'autorité scolaire. ".
" Article 164bis. Des membres du personnel ne peuvent être chargés de périodes ou d'heures en dehors du capital-périodes et du capital-heures, sauf si elles se situent dans la plage.
Lorsqu'une autorité scolaire contrevient à cette interdiction, la rémunération est à charge de l'autorité scolaire. ".
Art. 2.48. In artikel 177 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 13 juli 2001, 10 juli 2003 en 7 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 10° wordt vervangen door wat volgt :
" 10° de misbruiken bij het berekenen en aanwenden van lestijden, uren en punten. ";
2° punt 11° wordt opgeheven.
1° punt 10° wordt vervangen door wat volgt :
" 10° de misbruiken bij het berekenen en aanwenden van lestijden, uren en punten. ";
2° punt 11° wordt opgeheven.
Art. 2.48. A l'article 177 du même décret, modifié par les décrets des 13 juillet 2001, 10 juillet 2003 et 7 juillet 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° le point 10° est remplacé par la disposition suivante :
" 10° abus lors du calcul et de l'affectation des périodes, des heures et des points. ";
2° le point 11° est abrogé.
1° le point 10° est remplacé par la disposition suivante :
" 10° abus lors du calcul et de l'affectation des périodes, des heures et des points. ";
2° le point 11° est abrogé.
Art. 2.49. Artikel 188 van hetzelfde decreet, opgeheven door het decreet van 14 februari 2003, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
" Artikel 188 Scholen die een herstructurering hebben doorgevoerd op 1 september 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 of 2007 hebben de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar als teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen tijdens het schooljaar van de herstructurering.
In geval van oprichting van een vestigingsplaats voor kleuteronderwijs of van een niveau kleuteronderwijs in een school of vestigingsplaats voor gewoon basisonderwijs geldt die teldag voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en de twee daaropvolgende schooljaren.
In geval van oprichting van een vestigingsplaats voor basisonderwijs of lager onderwijs of van een onderwijsniveau lager onderwijs in een school of vestigingsplaats voor gewoon basisonderwijs geldt die teldag voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en de vijf daaropvolgende schooljaren.
In het geval van oprichting van een type in een school voor buitengewoon basisonderwijs geldt die teldag voor het schooljaar van oprichting en de twee daaropvolgende schooljaren. ".
" Artikel 188 Scholen die een herstructurering hebben doorgevoerd op 1 september 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 of 2007 hebben de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar als teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen tijdens het schooljaar van de herstructurering.
In geval van oprichting van een vestigingsplaats voor kleuteronderwijs of van een niveau kleuteronderwijs in een school of vestigingsplaats voor gewoon basisonderwijs geldt die teldag voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en de twee daaropvolgende schooljaren.
In geval van oprichting van een vestigingsplaats voor basisonderwijs of lager onderwijs of van een onderwijsniveau lager onderwijs in een school of vestigingsplaats voor gewoon basisonderwijs geldt die teldag voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en de vijf daaropvolgende schooljaren.
In het geval van oprichting van een type in een school voor buitengewoon basisonderwijs geldt die teldag voor het schooljaar van oprichting en de twee daaropvolgende schooljaren. ".
Art. 2.49. L'article 188 du même décret, abrogé par le décret du 14 février 2003, est rétabli dans la rédaction suivante :
" Article 188. Pour les écoles qui ont effectué une restructuration le 1er septembre 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 ou 2007, le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année scolaire en cours est le jour de comptage pour le calcul des périodes selon les échelles pendant l'année scolaire de la restructuration.
En cas de création d'une implantation d'enseignement maternel ou d'un niveau d'enseignement maternel dans une école ou implantation de l'enseignement ordinaire, ce jour de comptage vaut pour toute l'école pour l'année scolaire de création et les deux années scolaires suivantes.
En cas de création d'une implantation d'enseignement fondamental ou d'enseignement primaire ou d'un niveau d'enseignement primaire dans une école ou implantation, ce jour de comptage vaut pour toute l'école pour l'année scolaire de création et les cinq années scolaires suivantes.
(Alinéa 4 non traduit)
" Article 188. Pour les écoles qui ont effectué une restructuration le 1er septembre 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 ou 2007, le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année scolaire en cours est le jour de comptage pour le calcul des périodes selon les échelles pendant l'année scolaire de la restructuration.
En cas de création d'une implantation d'enseignement maternel ou d'un niveau d'enseignement maternel dans une école ou implantation de l'enseignement ordinaire, ce jour de comptage vaut pour toute l'école pour l'année scolaire de création et les deux années scolaires suivantes.
En cas de création d'une implantation d'enseignement fondamental ou d'enseignement primaire ou d'un niveau d'enseignement primaire dans une école ou implantation, ce jour de comptage vaut pour toute l'école pour l'année scolaire de création et les cinq années scolaires suivantes.
(Alinéa 4 non traduit)
Art. 2.50. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 december 2006, wordt een artikel 188bis ingevoegd dat luidt als volgt :
" Artikel 188bis Scholen die opgericht werden op 1 september 2004, 2005, 2006 of 2007 hebben een programmatieperiode van vier schooljaren. ".
" Artikel 188bis Scholen die opgericht werden op 1 september 2004, 2005, 2006 of 2007 hebben een programmatieperiode van vier schooljaren. ".
Art. 2.50. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 15 décembre 2006, il est inséré un article 188bis, rédigé comme suit :
" Article 188bis. créées le 1er septembre 2004, 2005, 2006 ou 2007 ont une période de programmation de quatre années scolaires. ".
" Article 188bis. créées le 1er septembre 2004, 2005, 2006 ou 2007 ont une période de programmation de quatre années scolaires. ".
Art. 2.51. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 december 2006, wordt een artikel 188ter ingevoegd dat luidt als volgt :
" Artikel 188ter De teldag voor de berekening van het werkingsbudget is voor scholen die op 1 september 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 of 2007 betrokken waren bij een herstructurering, voor het schooljaar van de herstructurering, de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar.
In geval van oprichting van een vestigingsplaats voor kleuteronderwijs of van een niveau kleuteronderwijs in een school of vestigingsplaats voor gewoon basisonderwijs geldt die teldag voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en de twee daaropvolgende schooljaren.
In geval van oprichting van een vestigingsplaats voor basisonderwijs of lager onderwijs of van een onderwijsniveau lager onderwijs in een school of vestigingsplaats voor gewoon basisonderwijs geldt die teldag voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en de vijf daaropvolgende schooljaren.
In het geval van oprichting van een type in een school voor buitengewoon basisonderwijs geldt die teldag voor het schooljaar van oprichting en de twee daaropvolgende schooljaren. ".
" Artikel 188ter De teldag voor de berekening van het werkingsbudget is voor scholen die op 1 september 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 of 2007 betrokken waren bij een herstructurering, voor het schooljaar van de herstructurering, de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar.
In geval van oprichting van een vestigingsplaats voor kleuteronderwijs of van een niveau kleuteronderwijs in een school of vestigingsplaats voor gewoon basisonderwijs geldt die teldag voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en de twee daaropvolgende schooljaren.
In geval van oprichting van een vestigingsplaats voor basisonderwijs of lager onderwijs of van een onderwijsniveau lager onderwijs in een school of vestigingsplaats voor gewoon basisonderwijs geldt die teldag voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en de vijf daaropvolgende schooljaren.
In het geval van oprichting van een type in een school voor buitengewoon basisonderwijs geldt die teldag voor het schooljaar van oprichting en de twee daaropvolgende schooljaren. ".
Art. 2.51. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 15 décembre 2006, il est inséré un article 188ter, rédigé comme suit :
" Article 188ter. Pour les écoles faisant l'objet d'une restructuration le 1er septembre 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 ou 2007, le jour de comptage pour le calcul du budget de fonctionnement, pour l'année scolaire de la restructuration, est le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année scolaire en cours.
En cas de création d'une implantation d'enseignement maternel ou d'un niveau d'enseignement maternel dans une école ou implantation de l'enseignement ordinaire, ce jour de comptage vaut pour toute l'école pour l'année scolaire de création et les deux années scolaires suivantes.
En cas de création d'une implantation d'enseignement fondamental ou d'enseignement primaire ou d'un niveau d'enseignement primaire dans une école ou implantation, ce jour de comptage vaut pour toute l'école pour l'année scolaire de création et les cinq années scolaires suivantes.
En cas de création d'un type dans une école de l'enseignement spécial, ce jour de comptage vaut pour l'année scolaire de création et les deux années scolaires suivantes. ".
" Article 188ter. Pour les écoles faisant l'objet d'une restructuration le 1er septembre 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 ou 2007, le jour de comptage pour le calcul du budget de fonctionnement, pour l'année scolaire de la restructuration, est le premier jour de classe du mois d'octobre de l'année scolaire en cours.
En cas de création d'une implantation d'enseignement maternel ou d'un niveau d'enseignement maternel dans une école ou implantation de l'enseignement ordinaire, ce jour de comptage vaut pour toute l'école pour l'année scolaire de création et les deux années scolaires suivantes.
En cas de création d'une implantation d'enseignement fondamental ou d'enseignement primaire ou d'un niveau d'enseignement primaire dans une école ou implantation, ce jour de comptage vaut pour toute l'école pour l'année scolaire de création et les cinq années scolaires suivantes.
En cas de création d'un type dans une école de l'enseignement spécial, ce jour de comptage vaut pour l'année scolaire de création et les deux années scolaires suivantes. ".
Art. 2.52. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 december 2006, wordt een artikel 188quater ingevoegd dat luidt als volgt :
" Artikel 188quater Scholen die voor het schooljaar 2007-2008 van de regering een afwijking gekregen hebben op de rationalisatienormen, komen in aanmerking om een beroep te doen op de bepalingen van artikel 115 voor het schooljaar 2008-2009. ".
" Artikel 188quater Scholen die voor het schooljaar 2007-2008 van de regering een afwijking gekregen hebben op de rationalisatienormen, komen in aanmerking om een beroep te doen op de bepalingen van artikel 115 voor het schooljaar 2008-2009. ".
Art. 2.52. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 15 décembre 2006, il est inséré un article 188quater, rédigé comme suit :
" Article 188quater. Les écoles qui ont obtenu une dérogation aux normes de rationalisation du Gouvernement pour l'année scolaire 2007-2008, entrent en ligne de compte pour invoquer les dispositions de l'article 115 pour l'année scolaire 2008-2009. ".
" Article 188quater. Les écoles qui ont obtenu une dérogation aux normes de rationalisation du Gouvernement pour l'année scolaire 2007-2008, entrent en ligne de compte pour invoquer les dispositions de l'article 115 pour l'année scolaire 2008-2009. ".
Afdeling II. - Inwerkingtreding.
Section II. - Entrée en vigueur.
Art. 2.53. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 september 2007, met uitzondering van :
1° artikel II.28 dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 1997;
2° de artikelen II.1 en II.3 die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2006;
3° de artikelen II.2, 3°, 8°, II.8, II.10 tot en met II.23, II.25 tot en met II.27, II.29 tot en met II.31, II.36 tot en met II.40, II.44 tot en met II.45, II.49 tot en met II.51 die in werking treden op 1 september 2008.
4° de artikelen II.24, II.32 en II.52 die in werking treden op 1 februari 2008.
1° artikel II.28 dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 1997;
2° de artikelen II.1 en II.3 die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2006;
3° de artikelen II.2, 3°, 8°, II.8, II.10 tot en met II.23, II.25 tot en met II.27, II.29 tot en met II.31, II.36 tot en met II.40, II.44 tot en met II.45, II.49 tot en met II.51 die in werking treden op 1 september 2008.
4° de artikelen II.24, II.32 en II.52 die in werking treden op 1 februari 2008.
Art. 2.53. Les dispositions du présent chapitre entrent en vigueur le 1er septembre 2007, à l'exception :
1° de l'article II.28, qui produit ses effets le 1er septembre 1997;
2° des articles II.1 et II.3, qui produisent leurs effets le 1er septembre 2006;
3° des articles II.2, 3°, 8°, II.8, II.10 à II.23 inclus, II.25 à II.27 inclus, II.29 à II.31 inclus, II.36 à II.40 inclus, II.44 à II.45 inclus, II.49 à II.51 inclus qui produisent leurs effets le 1er septembre 2008.
4° les articles II.24, II.32 et II.52, qui entrent en vigueur le 1er février 2008.
1° de l'article II.28, qui produit ses effets le 1er septembre 1997;
2° des articles II.1 et II.3, qui produisent leurs effets le 1er septembre 2006;
3° des articles II.2, 3°, 8°, II.8, II.10 à II.23 inclus, II.25 à II.27 inclus, II.29 à II.31 inclus, II.36 à II.40 inclus, II.44 à II.45 inclus, II.49 à II.51 inclus qui produisent leurs effets le 1er septembre 2008.
4° les articles II.24, II.32 et II.52, qui entrent en vigueur le 1er février 2008.
HOOFDSTUK III. - Secundair onderwijs.
CHAPITRE III. - Enseignement secondaire.
Afdeling I. - Decreet betreffende het onderwijs II.
Section Ire. - Décret relatif à l'enseignement II.
Art. 3.1. In artikel 47 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II, gewijzigd bij de decreten van 14 februari 2003 en 15 juli 2005, wordt punt 3° vervangen door wat volgt :
" 3° is de onderafdeling 5 op geen enkele opleidingsvorm van toepassing, met uitzondering van artikel 57bis, § 2, en artikel 59quinquies, die van toepassing zijn op alle opleidingsvormen; ".
" 3° is de onderafdeling 5 op geen enkele opleidingsvorm van toepassing, met uitzondering van artikel 57bis, § 2, en artikel 59quinquies, die van toepassing zijn op alle opleidingsvormen; ".
Art. 3.1. Dans l'article 47 du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II, modifié par les décrets des 14 février 2003 et 15 juillet 2005, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° la sous-section 5 ne s'applique à aucune formation, à l'exception de l'article 57bis, § 2, et l'article 59quinquies, qui s'appliquent à toutes les formations; ".
" 3° la sous-section 5 ne s'applique à aucune formation, à l'exception de l'article 57bis, § 2, et l'article 59quinquies, qui s'appliquent à toutes les formations; ".
Art. 3.2. Aan artikel 57, § 3, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 13 juli 2001 en 14 februari 2003, worden een derde en vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt :
" Bedoelde aanwending vindt plaats onder vorm van hetzij lesuren hetzij uren die geen lesuren zijn.
Onder uren die geen lesuren zijn, wordt verstaan :
1° enerzijds opdrachten van het onderwijzend personeel die geen betrekking hebben op de realisatie van de wekelijkse lessenroosters, meer bepaald " interne pedagogische begeleiding ", " bijzondere pedagogische taken ", " nascholing ", " inhaallessen ", " klassenraad " en " klassendirectie ". Het organiseren van interne pedagogische begeleiding kan uitsluitend in een onderwijsinstelling met beroepssecundair onderwijs;
2° anderzijds opdrachten van het onderwijzend personeel die, zoals lesuren, wel betrekking hebben op de realisatie van de wekelijkse lessenroosters doch die niet binnen de context van vakken kunnen worden gevat, meer bepaald " seminaries ". Seminaries kunnen uitsluitend worden georganiseerd buiten de basisvorming, het beroepenveld, de basisoptie en het fundamenteel gedeelte van de optie, zoals bedoeld respectievelijk in artikel 48, 4° tot en met 7°. Een opdracht seminaries moet steeds als een afzonderlijke betrekking worden aangeboden en vergt altijd het akkoord van het personeelslid dat er wordt mee belast. ".
" Bedoelde aanwending vindt plaats onder vorm van hetzij lesuren hetzij uren die geen lesuren zijn.
Onder uren die geen lesuren zijn, wordt verstaan :
1° enerzijds opdrachten van het onderwijzend personeel die geen betrekking hebben op de realisatie van de wekelijkse lessenroosters, meer bepaald " interne pedagogische begeleiding ", " bijzondere pedagogische taken ", " nascholing ", " inhaallessen ", " klassenraad " en " klassendirectie ". Het organiseren van interne pedagogische begeleiding kan uitsluitend in een onderwijsinstelling met beroepssecundair onderwijs;
2° anderzijds opdrachten van het onderwijzend personeel die, zoals lesuren, wel betrekking hebben op de realisatie van de wekelijkse lessenroosters doch die niet binnen de context van vakken kunnen worden gevat, meer bepaald " seminaries ". Seminaries kunnen uitsluitend worden georganiseerd buiten de basisvorming, het beroepenveld, de basisoptie en het fundamenteel gedeelte van de optie, zoals bedoeld respectievelijk in artikel 48, 4° tot en met 7°. Een opdracht seminaries moet steeds als een afzonderlijke betrekking worden aangeboden en vergt altijd het akkoord van het personeelslid dat er wordt mee belast. ".
Art. 3.2. A l'article 57, § 3, du même décret, modifié par les décrets des 13 juillet 2001 et 14 février 2003, il est ajouté un troisième et un quatrième alinéas rédigés comme suit :
" L'utilisation visée s'opère sous forme soit d'heures de cours soit d'heures qui ne sont pas des heures de cours. "
" Par 'heures qui ne sont pas des heures de cours', il faut entendre :
1° d'une part des charges du personnel enseignant qui ne se rapportent pas à la réalisation des tableaux horaires hebdomadaires, notamment " l'encadrement pédagogique interne ", " les tâches pédagogiques spéciales ", " le recyclage ", " les cours de rattrapage ", " le conseil de classe " et " la direction de classe ". L'encadrement pédagogique interne ne peut être organisé que dans un établissement d'enseignement de l'enseignement secondaire professionnel;
2° d'autre part des charges du personnel enseignant qui, comme des heures de cours, se rapportent à la réalisation des tableaux horaires hebdomadaires mais qui ne relèvent pas des branches, notamment les " séminaires ". Les séminaires ne peuvent être organisés qu'à l'extérieur de la formation de base, du champ de professions, de l'option de base et de la partie fondamentale de l'option, tels que visés à l'article 48, 4° à 7° inclus. Une charge séminaires' doit toujours être offerte comme fonction séparée et requiert l'accord du membre du personnel qui en est chargée. ".
" L'utilisation visée s'opère sous forme soit d'heures de cours soit d'heures qui ne sont pas des heures de cours. "
" Par 'heures qui ne sont pas des heures de cours', il faut entendre :
1° d'une part des charges du personnel enseignant qui ne se rapportent pas à la réalisation des tableaux horaires hebdomadaires, notamment " l'encadrement pédagogique interne ", " les tâches pédagogiques spéciales ", " le recyclage ", " les cours de rattrapage ", " le conseil de classe " et " la direction de classe ". L'encadrement pédagogique interne ne peut être organisé que dans un établissement d'enseignement de l'enseignement secondaire professionnel;
2° d'autre part des charges du personnel enseignant qui, comme des heures de cours, se rapportent à la réalisation des tableaux horaires hebdomadaires mais qui ne relèvent pas des branches, notamment les " séminaires ". Les séminaires ne peuvent être organisés qu'à l'extérieur de la formation de base, du champ de professions, de l'option de base et de la partie fondamentale de l'option, tels que visés à l'article 48, 4° à 7° inclus. Une charge séminaires' doit toujours être offerte comme fonction séparée et requiert l'accord du membre du personnel qui en est chargée. ".
Art. 3.3. In artikel 58, § 3, van hetzelfde decreet worden de woorden " het departement " vervangen door de woorden " het Agentschap voor Onderwijsdiensten ".
Art. 3.3. A l'article 58, § 3, du même décret, les mots " le département " sont remplacés par les mots " l'agence de Services d'Enseignement ".
Art. 3.4. In artikel 58bis, § 1, 3°, van hetzelfde decreet worden de woorden " het departement " vervangen door de woorden " het Agentschap voor Onderwijsdiensten ".
Art. 3.4. A l'article 58bis, § 1, 3° du même décret, les mots " au département " sont remplacés par les mots " à l'agence de Services d'Enseignement ".
Art. 3.5. In artikel 59ter, § 4, van hetzelfde decreet worden de woorden " het departement " vervangen door de woorden " het Agentschap voor Onderwijsdiensten ".
Art. 3.5. A l'article 59ter, § 4, du même décret, les mots " le département " sont remplacés par les mots " l'agence de Services d'Enseignement ".
Art. 3.6. In hetzelfde decreet wordt een artikel 59quinquies ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Artikel 59quinquies De uren-leraar die worden berekend voor een erkende godsdienst, voor niet-confessionele zedenleer, voor cultuurbeschouwing respectievelijk voor eigen cultuur en religie, dienen voor de desbetreffende cursus te worden aangewend, hetzij als lesuren hetzij als uren die geen lesuren zijn doch ermee gelijkgesteld worden. Het principe van de aanwending voor de desbetreffende cursus geldt ook indien de uren-leraar het voorwerp uitmaken van herverdeling of overdracht. Uitsluitend indien de voor de betrokken cursus bevoegde inspectie zich akkoord verklaart, kunnen de uren-leraar voor aanwending naar een andere levensbeschouwelijke cursus worden overgeheveld. ".
" Artikel 59quinquies De uren-leraar die worden berekend voor een erkende godsdienst, voor niet-confessionele zedenleer, voor cultuurbeschouwing respectievelijk voor eigen cultuur en religie, dienen voor de desbetreffende cursus te worden aangewend, hetzij als lesuren hetzij als uren die geen lesuren zijn doch ermee gelijkgesteld worden. Het principe van de aanwending voor de desbetreffende cursus geldt ook indien de uren-leraar het voorwerp uitmaken van herverdeling of overdracht. Uitsluitend indien de voor de betrokken cursus bevoegde inspectie zich akkoord verklaart, kunnen de uren-leraar voor aanwending naar een andere levensbeschouwelijke cursus worden overgeheveld. ".
Art. 3.6. Dans le même décret, il est inséré un article 59quinquies, rédigé comme suit :
" Article 59quinquies. Les périodes-professeur qui sont calculées pour l'enseignement d'une religion reconnue, de morale non confessionnelle, de formation culturelle respectivement de la propre culture et religion, doivent être utilisées pour le cours en question, soit sous forme d'heures de cours soit sous forme d'heures qui ne sont pas des heures de cours mais qui y sont assimilées. Le principe de l'utilisation pour le cours en question est également applicable si les périodes-professeur font l'objet d'une réallocation ou d'un transfert. Les périodes-professeur ne peuvent être transférées à un autre cours philosophique que si l'inspection compétente pour le cours en question donne son accord. ".
" Article 59quinquies. Les périodes-professeur qui sont calculées pour l'enseignement d'une religion reconnue, de morale non confessionnelle, de formation culturelle respectivement de la propre culture et religion, doivent être utilisées pour le cours en question, soit sous forme d'heures de cours soit sous forme d'heures qui ne sont pas des heures de cours mais qui y sont assimilées. Le principe de l'utilisation pour le cours en question est également applicable si les périodes-professeur font l'objet d'une réallocation ou d'un transfert. Les périodes-professeur ne peuvent être transférées à un autre cours philosophique que si l'inspection compétente pour le cours en question donne son accord. ".
Art. 3.7. In artikel 66 van hetzelfde decreet wordt § 1 vervangen door wat volgt :
" § 1. Het deeltijds beroepssecundair onderwijs kan door de Vlaamse Gemeenschap worden erkend, gefinancierd of gesubsidieerd in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat :
1° hetzij is verbonden aan een instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs waar technisch of beroepssecundair onderwijs wordt georganiseerd;
2° hetzij autonoom is.
Onverminderd de in artikel 70 gestelde normen, beslist de inrichtende macht of een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs al dan niet autonoom is.
Voor de toepassing van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs wordt een autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs beschouwd als een school. ".
" § 1. Het deeltijds beroepssecundair onderwijs kan door de Vlaamse Gemeenschap worden erkend, gefinancierd of gesubsidieerd in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat :
1° hetzij is verbonden aan een instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs waar technisch of beroepssecundair onderwijs wordt georganiseerd;
2° hetzij autonoom is.
Onverminderd de in artikel 70 gestelde normen, beslist de inrichtende macht of een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs al dan niet autonoom is.
Voor de toepassing van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs wordt een autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs beschouwd als een school. ".
Art. 3.7. A l'article 66 du même décret, le § 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. L'enseignement secondaire professionnel à temps partiel peut être agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande dans un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel qui :
1° est soit lié à un établissement d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein où l'enseignement secondaire technique ou professionnel est dispensé;
2° soit autonome.
Sans préjudice des normes fixées à l'article 70, le pouvoir organisateur décide si un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est autonome ou non.
Pour l'application du décret spécial du 14 juillet 1998 relatif à l'enseignement communautaire, un centre autonome d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est considéré comme une école. ".
" § 1er. L'enseignement secondaire professionnel à temps partiel peut être agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande dans un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel qui :
1° est soit lié à un établissement d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein où l'enseignement secondaire technique ou professionnel est dispensé;
2° soit autonome.
Sans préjudice des normes fixées à l'article 70, le pouvoir organisateur décide si un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est autonome ou non.
Pour l'application du décret spécial du 14 juillet 1998 relatif à l'enseignement communautaire, un centre autonome d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est considéré comme une école. ".
Art. 3.8. Artikel 70 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 70 § 1. Voor financiering of subsidiëring van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs geldt als :
1° programmatienorm : 40 regelmatige leerlingen indien het centrum is verbonden aan een instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs;
2° rationalisatienorm : 40 regelmatige leerlingen indien het centrum is verbonden aan een instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs;
3° programmatienorm : 260 regelmatige leerlingen indien het centrum autonoom is;
4° rationalisatienorm : 240 regelmatige leerlingen indien het centrum autonoom is.
Voor de toepassing van deze bepaling worden onder regelmatige leerlingen de leerlingen verstaan bedoeld in artikel 64bis.
De desbetreffende norm dient bereikt :
1° hetzij op 1 februari van het voorafgaande schooljaar of op de eerstvolgende lesdag indien voornoemde datum op een vrije dag valt : voor wat betreft de programmatienorm in het geval een centrum overgaat van niet-autonoom naar autonoom evenals voor wat betreft de rationalisatienorm;
2° hetzij op 1 oktober van het betrokken schooljaar of op de eerstvolgende lesdag indien voornoemde datum op een vrije dag valt : voor wat betreft de programmatienorm in andere gevallen dan in 1° vermeld.
§ 2. Een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat de rationalisatienorm niet meer bereikt, dient per 1 september daaropvolgend, onverminderd het in artikel 66, § 2, gestelde :
1° hetzij over te gaan tot geleidelijke afbouw;
2° hetzij te fusioneren met een ander al dan niet autonoom centrum;
3° hetzij over te gaan van autonoom naar niet-autonoom centrum, verbonden aan een instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs waaraan nog geen centrum is verbonden, mits de alsdan geldende rationalisatienorm wordt bereikt. ".
" Artikel 70 § 1. Voor financiering of subsidiëring van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs geldt als :
1° programmatienorm : 40 regelmatige leerlingen indien het centrum is verbonden aan een instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs;
2° rationalisatienorm : 40 regelmatige leerlingen indien het centrum is verbonden aan een instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs;
3° programmatienorm : 260 regelmatige leerlingen indien het centrum autonoom is;
4° rationalisatienorm : 240 regelmatige leerlingen indien het centrum autonoom is.
Voor de toepassing van deze bepaling worden onder regelmatige leerlingen de leerlingen verstaan bedoeld in artikel 64bis.
De desbetreffende norm dient bereikt :
1° hetzij op 1 februari van het voorafgaande schooljaar of op de eerstvolgende lesdag indien voornoemde datum op een vrije dag valt : voor wat betreft de programmatienorm in het geval een centrum overgaat van niet-autonoom naar autonoom evenals voor wat betreft de rationalisatienorm;
2° hetzij op 1 oktober van het betrokken schooljaar of op de eerstvolgende lesdag indien voornoemde datum op een vrije dag valt : voor wat betreft de programmatienorm in andere gevallen dan in 1° vermeld.
§ 2. Een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat de rationalisatienorm niet meer bereikt, dient per 1 september daaropvolgend, onverminderd het in artikel 66, § 2, gestelde :
1° hetzij over te gaan tot geleidelijke afbouw;
2° hetzij te fusioneren met een ander al dan niet autonoom centrum;
3° hetzij over te gaan van autonoom naar niet-autonoom centrum, verbonden aan een instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs waaraan nog geen centrum is verbonden, mits de alsdan geldende rationalisatienorm wordt bereikt. ".
Art. 3.8. L'article 70 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Article 70. § 1er. Pour le financement ou le subventionnement d'un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, les normes suivantes sont applicables :
1° norme de programmation : 40 élèves réguliers si le centre est rattaché à un établissement d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein;
2° norme de rationalisation : 40 élèves réguliers si le centre est rattaché à un établissement d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein;
3° norme de programmation : 260 élèves réguliers si le centre est autonome;
4° norme de rationalisation : 240 élèves réguliers si le centre est autonome.
Pour l'application de la présente disposition, il faut entendre par élèves réguliers les élèves visés à l'article 64bis.
La norme en question doit être atteinte :
1° soit au 1er février de l'année scolaire précédente soit au premier jour de classe suivant, si la date précitée tombe sur une journée libre : pour ce qui est de la norme de programmation dans le cas où le centre non autonome devient un centre autonome ainsi que pour ce qui est de la norme de rationalisation;
2° soit au 1er février de l'année scolaire concernée soit au premier jour de classe suivant, si la date précitée tombe sur une journée libre : pour ce qui est de la norme de programmation dans les cas autres que ceux cités au 1°.
§ 2. Un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel qui n'atteint plus la norme de rationalisation, doit le 1er septembre suivant, sans préjudice de la disposition de l'article 66, § 2 :
1° soit procéder à la suppression progressive;
2° soit fusionner avec un autre centre autonome ou non autonome;
3° soit passer d'une centre autonome à un centre non autonome, rattaché à établissement d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein auquel n'est pas encore rattaché un centre, à moins que la norme de rationalisation applicable à ce moment ne soit atteinte. ".
" Article 70. § 1er. Pour le financement ou le subventionnement d'un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, les normes suivantes sont applicables :
1° norme de programmation : 40 élèves réguliers si le centre est rattaché à un établissement d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein;
2° norme de rationalisation : 40 élèves réguliers si le centre est rattaché à un établissement d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein;
3° norme de programmation : 260 élèves réguliers si le centre est autonome;
4° norme de rationalisation : 240 élèves réguliers si le centre est autonome.
Pour l'application de la présente disposition, il faut entendre par élèves réguliers les élèves visés à l'article 64bis.
La norme en question doit être atteinte :
1° soit au 1er février de l'année scolaire précédente soit au premier jour de classe suivant, si la date précitée tombe sur une journée libre : pour ce qui est de la norme de programmation dans le cas où le centre non autonome devient un centre autonome ainsi que pour ce qui est de la norme de rationalisation;
2° soit au 1er février de l'année scolaire concernée soit au premier jour de classe suivant, si la date précitée tombe sur une journée libre : pour ce qui est de la norme de programmation dans les cas autres que ceux cités au 1°.
§ 2. Un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel qui n'atteint plus la norme de rationalisation, doit le 1er septembre suivant, sans préjudice de la disposition de l'article 66, § 2 :
1° soit procéder à la suppression progressive;
2° soit fusionner avec un autre centre autonome ou non autonome;
3° soit passer d'une centre autonome à un centre non autonome, rattaché à établissement d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein auquel n'est pas encore rattaché un centre, à moins que la norme de rationalisation applicable à ce moment ne soit atteinte. ".
Art. 3.9. Artikel 71 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 71 § 1. De omkadering die aan elk door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt toegekend is als volgt :
1° voor wat betreft het bestuurspersoneel :
a) één betrekking in het ambt van coördinator indien het centrum is verbonden aan een instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs;
b) de voor het voltijds gewoon secundair onderwijs vigerende bepalingen zijn van toepassing indien het centrum autonoom is;
2° voor wat betreft het onderwijzend personeel : het aantal betrekkingen wordt bepaald op basis van volgend aantal wekelijkse uren-leraar per leerling :
a) voor de schijf 1 tot en met 49 leerlingen : 3,4 uren-leraar;
b) vanaf de 50e leerling : 2,45 uren-leraar;
c) indien de leerling in het centrum enkel de technische of praktische vakken volgt, zoals bedoeld in artikel 67, § 2 : 1,6 uren-leraar.
De hierboven vermelde coëfficiënten worden door de Vlaamse Regering verhoogd, rekening houdend met de beschikbare begrotingskredieten, voor enerzijds de deeltijds leerplichtige regelmatige leerlingen en anderzijds, uiterlijk tot en met het schooljaar dat eindigt in het kalenderjaar waarin de leerlingen de leeftijd van 20 jaar bereiken, de regelmatige leerlingen die het deeltijds beroepssecundair onderwijs ononderbroken volgen vanaf een datum waarop ze nog deeltijds leerplichtig waren. De uren-leraar die het resultaat zijn van deze verhoging kunnen evenwel enkel worden aangewend voor leerlingenbegeleiding onder vorm van trajectbegeleiding, georiënteerd naar werkplekervaring.
Van het totaal aantal wekelijkse uren-leraar per centrum kan maximum 20 % omgezet worden in een krediet, voorbehouden voor de aanwerving van voordrachtgevers. De modaliteiten ter zake met inbegrip van de vergoeding van deze voordrachtgevers worden door de Vlaamse Regering bepaald;
3° voor wat betreft het ondersteunend personeel : één of meer betrekkingen in het ambt van opvoeder of administratief medewerker kunnen worden ingericht. In voorkomend geval dienen voor een volledige betrekking 24 wekelijkse uren-leraar en voor een halve betrekking 12 wekelijkse uren-leraar in mindering te worden genomen van het totaal aantal wekelijkse uren-leraar per centrum.
§ 2. Als een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs ontstaat hetzij door fusie van bestaande centra hetzij door afsplitsing van één of meer vestigingsplaatsen van een bestaand centrum, dan wordt voor de berekening van de omkadering, de fusie respectievelijk de afsplitsing, geacht te hebben plaatsgevonden op 1 februari van het voorafgaande schooljaar of op de eerstvolgende lesdag indien voornoemde datum op een vrije dag valt.
§ 3. Onverminderd het in § 1, 2°, tweede en derde lid, en 3°, gestelde, mogen de wekelijkse uren-leraar vrij worden aangewend. Vooraleer over de aanwendingscriteria door het centrum in samenspraak met de centrumraad wordt beslist, dienen onderhandelingen plaats te vinden in het lokale comité. ".
" Artikel 71 § 1. De omkadering die aan elk door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt toegekend is als volgt :
1° voor wat betreft het bestuurspersoneel :
a) één betrekking in het ambt van coördinator indien het centrum is verbonden aan een instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs;
b) de voor het voltijds gewoon secundair onderwijs vigerende bepalingen zijn van toepassing indien het centrum autonoom is;
2° voor wat betreft het onderwijzend personeel : het aantal betrekkingen wordt bepaald op basis van volgend aantal wekelijkse uren-leraar per leerling :
a) voor de schijf 1 tot en met 49 leerlingen : 3,4 uren-leraar;
b) vanaf de 50e leerling : 2,45 uren-leraar;
c) indien de leerling in het centrum enkel de technische of praktische vakken volgt, zoals bedoeld in artikel 67, § 2 : 1,6 uren-leraar.
De hierboven vermelde coëfficiënten worden door de Vlaamse Regering verhoogd, rekening houdend met de beschikbare begrotingskredieten, voor enerzijds de deeltijds leerplichtige regelmatige leerlingen en anderzijds, uiterlijk tot en met het schooljaar dat eindigt in het kalenderjaar waarin de leerlingen de leeftijd van 20 jaar bereiken, de regelmatige leerlingen die het deeltijds beroepssecundair onderwijs ononderbroken volgen vanaf een datum waarop ze nog deeltijds leerplichtig waren. De uren-leraar die het resultaat zijn van deze verhoging kunnen evenwel enkel worden aangewend voor leerlingenbegeleiding onder vorm van trajectbegeleiding, georiënteerd naar werkplekervaring.
Van het totaal aantal wekelijkse uren-leraar per centrum kan maximum 20 % omgezet worden in een krediet, voorbehouden voor de aanwerving van voordrachtgevers. De modaliteiten ter zake met inbegrip van de vergoeding van deze voordrachtgevers worden door de Vlaamse Regering bepaald;
3° voor wat betreft het ondersteunend personeel : één of meer betrekkingen in het ambt van opvoeder of administratief medewerker kunnen worden ingericht. In voorkomend geval dienen voor een volledige betrekking 24 wekelijkse uren-leraar en voor een halve betrekking 12 wekelijkse uren-leraar in mindering te worden genomen van het totaal aantal wekelijkse uren-leraar per centrum.
§ 2. Als een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs ontstaat hetzij door fusie van bestaande centra hetzij door afsplitsing van één of meer vestigingsplaatsen van een bestaand centrum, dan wordt voor de berekening van de omkadering, de fusie respectievelijk de afsplitsing, geacht te hebben plaatsgevonden op 1 februari van het voorafgaande schooljaar of op de eerstvolgende lesdag indien voornoemde datum op een vrije dag valt.
§ 3. Onverminderd het in § 1, 2°, tweede en derde lid, en 3°, gestelde, mogen de wekelijkse uren-leraar vrij worden aangewend. Vooraleer over de aanwendingscriteria door het centrum in samenspraak met de centrumraad wordt beslist, dienen onderhandelingen plaats te vinden in het lokale comité. ".
Art. 3.9. L'article 71 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Article 71. § 1er. L'encadrement attribué à un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel financé ou subventionne par la Communauté flamande, est fixé comme suit :
1° pour ce qui est du personnel dirigeant :
a) un emploi dans la fonction de coordinateur si le centre est rattaché à un établissement d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein;
b) les dispositions applicables à l'enseignement secondaire ordinaire a temps plein sont d'application si le centre est autonome;
2° pour ce qui est du personnel enseignant : le nombre d'emplois est fixé sur la base du nombre suivant de périodes-professeur hebdomadaires par élève :
a) pour la tranche de 1 à 49 élèves inclus : 3,4 périodes-professeur;
b) à partir du 50e élève : 2,45 périodes-professeur;
c) si l'élève ne suit que des cours techniques ou pratiques dans le centre, comme prévus à l'article 67, § 2 : 1,6 périodes-professeur.
Les coefficients ci-dessus sont majorés par le Gouvernement flamand, en tenant compte des crédits budgétaires disponibles, d'une part, pour les élèves réguliers soumis à l'obligation scolaire à temps partiel et, d'autre part, au plus tard jusqu'à l'année scolaire qui se termine dans l'année calendrier pendant laquelle les élèves atteignent l'age de 20 ans, les élèves réguliers qui poursuivent sans interruption l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel à partir de la date où ils étaient encore soumis à l'obligation scolaire à temps partiel. Les périodes-professeur qui sont le résultat de cette majoration ne peuvent être utilisées que pour l'encadrement des élèves sous forme de parcours d'insertion, orienté vers une expérience sur le lieu de travail.
Du nombre total hebdomadaire de " périodes-professeur " par centre, 20 % au maximum peuvent être convertis en un crédit réservé au recrutement de conférenciers. Il incombe au Gouvernement flamand de fixer les modalités en la matière y compris le remboursement de ces conférenciers;
3° pour ce qui est du personnel d'appui : un ou plusieurs emplois dans la fonction d'éducateur ou de collaborateur administratif peuvent être organisés. Le cas échéant, 24 périodes-professeur hebdomadaires pour un emploi à temps plein et 12 périodes-professeur hebdomadaires pour un emploi à mi-temps doivent être déduites du nombre total de périodes-professeur hebdomadaires par centre.
§ 2. Si un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est créé soit par le biais d'une fusion de centres existants soit par la scission d'une ou plusieurs implantations d'un centre existant, la fusion respectivement la scission est censée, pour le calcul de l'encadrement, avoir eu lieu le 1er février de l'année scolaire précédente ou le jour de classe suivant si la date précitée tombe sur une journée libre.
§ 3. Sans préjudice des dispositions du § 1er, 2°, deuxième et troisième alinéas, et 3°, les périodes-professeur hebdomadaires peuvent être librement utilisés. Avant que le centre, de concert avec le conseil de centre, prenne une décision sur les critères d'utilisation, des négociations doivent avoir lieu dans le comité local. ".
" Article 71. § 1er. L'encadrement attribué à un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel financé ou subventionne par la Communauté flamande, est fixé comme suit :
1° pour ce qui est du personnel dirigeant :
a) un emploi dans la fonction de coordinateur si le centre est rattaché à un établissement d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein;
b) les dispositions applicables à l'enseignement secondaire ordinaire a temps plein sont d'application si le centre est autonome;
2° pour ce qui est du personnel enseignant : le nombre d'emplois est fixé sur la base du nombre suivant de périodes-professeur hebdomadaires par élève :
a) pour la tranche de 1 à 49 élèves inclus : 3,4 périodes-professeur;
b) à partir du 50e élève : 2,45 périodes-professeur;
c) si l'élève ne suit que des cours techniques ou pratiques dans le centre, comme prévus à l'article 67, § 2 : 1,6 périodes-professeur.
Les coefficients ci-dessus sont majorés par le Gouvernement flamand, en tenant compte des crédits budgétaires disponibles, d'une part, pour les élèves réguliers soumis à l'obligation scolaire à temps partiel et, d'autre part, au plus tard jusqu'à l'année scolaire qui se termine dans l'année calendrier pendant laquelle les élèves atteignent l'age de 20 ans, les élèves réguliers qui poursuivent sans interruption l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel à partir de la date où ils étaient encore soumis à l'obligation scolaire à temps partiel. Les périodes-professeur qui sont le résultat de cette majoration ne peuvent être utilisées que pour l'encadrement des élèves sous forme de parcours d'insertion, orienté vers une expérience sur le lieu de travail.
Du nombre total hebdomadaire de " périodes-professeur " par centre, 20 % au maximum peuvent être convertis en un crédit réservé au recrutement de conférenciers. Il incombe au Gouvernement flamand de fixer les modalités en la matière y compris le remboursement de ces conférenciers;
3° pour ce qui est du personnel d'appui : un ou plusieurs emplois dans la fonction d'éducateur ou de collaborateur administratif peuvent être organisés. Le cas échéant, 24 périodes-professeur hebdomadaires pour un emploi à temps plein et 12 périodes-professeur hebdomadaires pour un emploi à mi-temps doivent être déduites du nombre total de périodes-professeur hebdomadaires par centre.
§ 2. Si un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est créé soit par le biais d'une fusion de centres existants soit par la scission d'une ou plusieurs implantations d'un centre existant, la fusion respectivement la scission est censée, pour le calcul de l'encadrement, avoir eu lieu le 1er février de l'année scolaire précédente ou le jour de classe suivant si la date précitée tombe sur une journée libre.
§ 3. Sans préjudice des dispositions du § 1er, 2°, deuxième et troisième alinéas, et 3°, les périodes-professeur hebdomadaires peuvent être librement utilisés. Avant que le centre, de concert avec le conseil de centre, prenne une décision sur les critères d'utilisation, des négociations doivent avoir lieu dans le comité local. ".
Art. 3.10. Artikel 72 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 72 Indien een centrum een beroep doet op een meewerkend centrum, een meewerkende instelling voor voltijds secundair onderwijs of een meewerkende instelling voor volwassenenonderwijs, dan kan het centrum uren overdragen naar de meewerkende entiteit(en), op voorwaarde evenwel dat vooraf een akkoord tussen de betrokken partijen wordt gesloten. ".
" Artikel 72 Indien een centrum een beroep doet op een meewerkend centrum, een meewerkende instelling voor voltijds secundair onderwijs of een meewerkende instelling voor volwassenenonderwijs, dan kan het centrum uren overdragen naar de meewerkende entiteit(en), op voorwaarde evenwel dat vooraf een akkoord tussen de betrokken partijen wordt gesloten. ".
Art. 3.10. L'article 72 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Article 72. Si un centre fait appel à un centre coopérant, un établissement coopérant d'enseignement secondaire à temps plein ou un établissement coopérant d'éducation des adultes, le centre peut transférer des périodes à l'(aux) entité(s) coopératrice(s), à condition toutefois qu'un accord soit signé entre les parties intéressées. ".
" Article 72. Si un centre fait appel à un centre coopérant, un établissement coopérant d'enseignement secondaire à temps plein ou un établissement coopérant d'éducation des adultes, le centre peut transférer des périodes à l'(aux) entité(s) coopératrice(s), à condition toutefois qu'un accord soit signé entre les parties intéressées. ".
Art. 3.11. In hetzelfde decreet wordt een artikel 74quinquies 2 ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Artikel 74quinquies 2 Het miskennen van het recht op tijdelijk of permanent onderwijs aan huis is een overtreding die, na aanmaning, aanleiding kan geven tot sancties door de Vlaamse Regering.
De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de vaststelling van de overtredingen en voor de toepassing van de sancties. Ze waarborgt de rechten van verdediging. ".
" Artikel 74quinquies 2 Het miskennen van het recht op tijdelijk of permanent onderwijs aan huis is een overtreding die, na aanmaning, aanleiding kan geven tot sancties door de Vlaamse Regering.
De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de vaststelling van de overtredingen en voor de toepassing van de sancties. Ze waarborgt de rechten van verdediging. ".
Art. 3.11. Dans le même décret, il est inséré un article 74quinquies 2, rédigé comme suit :
" Article 74quinquies 2. La méconnaissance du droit à l'enseignement temporaire ou permanent en milieu familial est une infraction qui, après sommation, peut donner lieu à des sanctions imposées par le Gouvernement flamand.
Le Gouvernement flamand fixe les règles de la fixation des infractions et de l'application des sanctions. Il garantit les droits de défense. ".
" Article 74quinquies 2. La méconnaissance du droit à l'enseignement temporaire ou permanent en milieu familial est une infraction qui, après sommation, peut donner lieu à des sanctions imposées par le Gouvernement flamand.
Le Gouvernement flamand fixe les règles de la fixation des infractions et de l'application des sanctions. Il garantit les droits de défense. ".
Art. 3.12. In artikel 74novies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1 wordt vervangen door wat volgt :
" § 1. Het studiereglement bevat de grote krachtlijnen van de organisatie van de studies, waaronder alleszins :
1° het studieaanbod van de school of het centrum;
2° de lesspreiding tezamen met de vakantie- en verlofregeling;
3° het evaluatiestelsel met inbegrip van de remediëringsmaatregelen;
4° in voorkomend geval :
a) de bijdrageregeling en de afwijkingen hierop;
b) de verhaalmogelijkheden tegen beslissingen van delibererende klassenraden;
c) de stageregeling;
d) het onderwijs aan huis voor zieke jongeren. ";
5° aan § 3 wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
" In voorkomend geval moet bij de beslissing tot definitieve uitsluiting worden bepaald of deze uitsluiting door de school ook betrekking heeft op het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of op het centrum voor deeltijds secundair zeevisserijonderwijs dat aan deze school is verbonden. Bij uitsluiting door een centrum geldt dezelfde redenering met betrekking tot de school waaraan dit centrum is verbonden. ".
1° § 1 wordt vervangen door wat volgt :
" § 1. Het studiereglement bevat de grote krachtlijnen van de organisatie van de studies, waaronder alleszins :
1° het studieaanbod van de school of het centrum;
2° de lesspreiding tezamen met de vakantie- en verlofregeling;
3° het evaluatiestelsel met inbegrip van de remediëringsmaatregelen;
4° in voorkomend geval :
a) de bijdrageregeling en de afwijkingen hierop;
b) de verhaalmogelijkheden tegen beslissingen van delibererende klassenraden;
c) de stageregeling;
d) het onderwijs aan huis voor zieke jongeren. ";
5° aan § 3 wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
" In voorkomend geval moet bij de beslissing tot definitieve uitsluiting worden bepaald of deze uitsluiting door de school ook betrekking heeft op het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of op het centrum voor deeltijds secundair zeevisserijonderwijs dat aan deze school is verbonden. Bij uitsluiting door een centrum geldt dezelfde redenering met betrekking tot de school waaraan dit centrum is verbonden. ".
Art. 3.12. A l'article 74novies du même décret, inséré par le décret du 7 juillet 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Le règlement d'études comprend les grandes lignes directrices de l'organisation des études, dont en tout cas :
1° l'offre d'études de l'école ou du centre;
2° l'étalement des cours ainsi que le régime des vacances et congés;
3° le régime d'évaluation, y compris les mesures remédiatrices;
4° le cas échéant :
a) le régime de contribution et les dérogations à celui-ci;
b) les modalités de recours contre les décisions des conseils de classe délibérants;
c) le régime des stages;
d) l'enseignement en milieu familial destiné aux jeunes malades. ";
5° au § 3, il est ajouté une phrase rédigée comme suit :
" Le cas échéant, il faut définir lors de la décision d'exclusion définitive si cette exclusion prononcée par l'école porte également sur le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou sur le centre d'enseignement secondaire de la pêche maritime à temps partiel rattaché à l'école en question. Lors d'une exclusion prononcée par un centre, le même raisonnement s'applique à l'école à laquelle ce centre est rattaché. ".
1° le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Le règlement d'études comprend les grandes lignes directrices de l'organisation des études, dont en tout cas :
1° l'offre d'études de l'école ou du centre;
2° l'étalement des cours ainsi que le régime des vacances et congés;
3° le régime d'évaluation, y compris les mesures remédiatrices;
4° le cas échéant :
a) le régime de contribution et les dérogations à celui-ci;
b) les modalités de recours contre les décisions des conseils de classe délibérants;
c) le régime des stages;
d) l'enseignement en milieu familial destiné aux jeunes malades. ";
5° au § 3, il est ajouté une phrase rédigée comme suit :
" Le cas échéant, il faut définir lors de la décision d'exclusion définitive si cette exclusion prononcée par l'école porte également sur le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou sur le centre d'enseignement secondaire de la pêche maritime à temps partiel rattaché à l'école en question. Lors d'une exclusion prononcée par un centre, le même raisonnement s'applique à l'école à laquelle ce centre est rattaché. ".
Afdeling II. - Decreet houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs.
Section II. - Décret contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire.
Art. 3.13. In artikel 2 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, wordt het punt 12° vervangen door wat volgt :
" 12° inrichtende macht : de inrichtende macht zoals bedoeld in artikel 24, § 4, van de Grondwet, zijnde een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die voor een of meer instellingen verantwoordelijk is; ".
" 12° inrichtende macht : de inrichtende macht zoals bedoeld in artikel 24, § 4, van de Grondwet, zijnde een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die voor een of meer instellingen verantwoordelijk is; ".
Art. 3.13. Dans l'article 2 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, le point 12° est remplacé par ce qui suit :
" 12° pouvoir organisateur : le pouvoir organisateur tel que visé à l'article 24, § 4, de la Constitution, étant une personne physique ou morale responsable pour une ou plusieurs établissements; ".
" 12° pouvoir organisateur : le pouvoir organisateur tel que visé à l'article 24, § 4, de la Constitution, étant une personne physique ou morale responsable pour une ou plusieurs établissements; ".
Art. 3.14. In artikel 28 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 7 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan § 1 wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
" De inrichtende macht stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten. De Vlaamse Regering kan voor uitzonderlijke gevallen een datumoverschrijding toestaan. ";
2° § 2 wordt vervangen door wat volgt :
" § 2. De Vlaamse Regering neemt die beslissing na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds het Agentschap voor Onderwijsdiensten en de Inspectie Secundair Onderwijs. ".
1° aan § 1 wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
" De inrichtende macht stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten. De Vlaamse Regering kan voor uitzonderlijke gevallen een datumoverschrijding toestaan. ";
2° § 2 wordt vervangen door wat volgt :
" § 2. De Vlaamse Regering neemt die beslissing na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds het Agentschap voor Onderwijsdiensten en de Inspectie Secundair Onderwijs. ".
Art. 3.14. A l'article 28 du même décret, remplacé par le décret du 7 juillet 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 1, il est ajouté une phrase rédigée comme suit :
" A cet effet, le pouvoir organisateur transmet une demande motivée à l'Agence de Services d'Enseignement au plus tard le 30 novembre de l'année scolaire précédente. Le Gouvernement peut décider de reporter la date limite dans des cas exceptionnels. ";
2° le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Le Gouvernement flamand prend cette décision sur avis du Conseil flamand de l'enseignement d'une part et de l'Agence de Services d'Enseignement et de l'inspection de l'enseignement secondaire d'autre part.
1° au § 1, il est ajouté une phrase rédigée comme suit :
" A cet effet, le pouvoir organisateur transmet une demande motivée à l'Agence de Services d'Enseignement au plus tard le 30 novembre de l'année scolaire précédente. Le Gouvernement peut décider de reporter la date limite dans des cas exceptionnels. ";
2° le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Le Gouvernement flamand prend cette décision sur avis du Conseil flamand de l'enseignement d'une part et de l'Agence de Services d'Enseignement et de l'inspection de l'enseignement secondaire d'autre part.
Art. 3.15. In artikel 38, § 1, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 7 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan § 1 wordt de volgende zin toegevoegd :
" De inrichtende macht stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten. De Vlaamse Regering kan voor uitzonderlijke gevallen een datumoverschrijding toestaan. ";
2° § 2 wordt vervangen door wat volgt :
" § 2. De Vlaamse Regering neemt die beslissing na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds het Agentschap voor Onderwijsdiensten en de Inspectie Secundair Onderwijs. ".
1° aan § 1 wordt de volgende zin toegevoegd :
" De inrichtende macht stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten. De Vlaamse Regering kan voor uitzonderlijke gevallen een datumoverschrijding toestaan. ";
2° § 2 wordt vervangen door wat volgt :
" § 2. De Vlaamse Regering neemt die beslissing na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds het Agentschap voor Onderwijsdiensten en de Inspectie Secundair Onderwijs. ".
Art. 3.15. A l'article 38, § 1er du même décret, modifié par le décret du 7 juillet 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 1er est complété par la phrase suivante :
" Au plus tard le 30 novembre de l'année scolaire précédente, le pouvoir organisateur adresse une demande motivée à cet effet à " l'Agentschap voor Onderwijsdiensten " (Agence de Services d'Enseignements). Pour des cas exceptionnels, le Gouvernement flamand peut autoriser un dépassement de la date limite. ";
2° le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Le Gouvernement flamand prend cette décision après avoir recueilli l'avis du " Vlaamse Onderwijsraad " (Conseil flamand de l'Enseignement) d'une part et de " l'Agentschap voor Onderwijsdiensten " (Agence de Services d'Enseignement) et de l'Inspection de l'Enseignement secondaire d'autre part. ".
1° le § 1er est complété par la phrase suivante :
" Au plus tard le 30 novembre de l'année scolaire précédente, le pouvoir organisateur adresse une demande motivée à cet effet à " l'Agentschap voor Onderwijsdiensten " (Agence de Services d'Enseignements). Pour des cas exceptionnels, le Gouvernement flamand peut autoriser un dépassement de la date limite. ";
2° le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Le Gouvernement flamand prend cette décision après avoir recueilli l'avis du " Vlaamse Onderwijsraad " (Conseil flamand de l'Enseignement) d'une part et de " l'Agentschap voor Onderwijsdiensten " (Agence de Services d'Enseignement) et de l'Inspection de l'Enseignement secondaire d'autre part. ".
Art. 3.16. In artikel 47 van hetzelfde decreet worden in het tweede lid tussen de woorden " de leerlingen " en de woorden " van het derde " de woorden " van het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers en " ingevoegd.
Art. 3.16. Dans l'article 47, alinéa deux, du même décret, les mots " de l'année d'accueil pour primo-arrivants allophones et " sont insérés entre les mots " les élèves " et les mots " de la troisième année ".
Art. 3.17. Aan artikel 56bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 20 oktober 2000, wordt de volgende zin toegevoegd :
" De inrichtende macht stuurt daartoe uiterlijk op 1 maart van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten. ".
" De inrichtende macht stuurt daartoe uiterlijk op 1 maart van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten. ".
Art. 3.17. L'article 56bis du même décret, inseré par le décret du 20 octobre 2000, est complété par la phrase suivante :
" Au plus tard le 1er mars de l'année scolaire précédente, le pouvoir organisateur adresse une demande motivée à cet effet à " l'Agentschap voor Onderwijsdiensten " (Agence de Services d'Enseignements). ".
" Au plus tard le 1er mars de l'année scolaire précédente, le pouvoir organisateur adresse une demande motivée à cet effet à " l'Agentschap voor Onderwijsdiensten " (Agence de Services d'Enseignements). ".
Art. 3.18. In artikel 62 van hetzelfde decreet worden in het tweede lid tussen de woorden " is gehecht " en de woorden " of een instelling " de woorden " een autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs " ingevoegd.
Art. 3.18. Dans l'article 62, alinéa deux, du même décret, les mots " un centre autonome d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel " sont insérés entres les mots " rattaché à l'établissement en question, " et les mots " ou un établissement ".
Art. 3.19. In artikel 64 van hetzelfde decreet worden de woorden " het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap " vervangen door de woorden " het Agentschap voor Onderwijsdiensten ".
Art. 3.19. Dans l'article 64 du même décret, les mots " au Département de l'Enseignement du Ministère de la Communauté flamande " sont remplacés par les mots " à l'Agentschap voor Onderwijsdiensten " (Agence de Services d'Enseignement) ".
Art. 3.20. In artikel 71 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 14 februari 2003 en 15 juli 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan punt 2° wordt de volgende zin toegevoegd :
" Aan de scholengemeenschap Steinerscholen Secundair Onderwijs, die is opgericht op basis van een afwijking op de multisectoraliteitsverplichting verleend bij besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006, wordt toelating gegeven om uiterlijk tot 31 augustus 2009 samen te werken met meer dan één centrum voor leerlingenbegeleiding. ";
2° in punt 6° worden de woorden " de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs of de Dienst voor Infrastructuurwerken van het Gesubsidieerd Onderwijs " vervangen door de woorden " het Gemeenschapsonderwijs of het Agentschap voor Infrastructuur ";
3° er wordt een punt 12° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 12° maakt afspraken/beslist over de verdeling over haar instellingen van de extra punten om een beleid betreffende taak- en functiedifferentiatie gestalte te geven. De verdelingscriteria worden onderhandeld in het bevoegde lokaal onderhandelingscomité van de scholengemeenschap. Bij ontstentenis van een akkoord binnen de scholengemeenschap over de verdelingscriteria, worden de extra punten recht evenredig verdeeld volgens het aandeel dat het aantal punten van elke afzonderlijke instelling uitmaakt binnen de totaliteit van de aantallen punten van de diverse instellingen die tot de scholengemeenschap behoren. ".
1° aan punt 2° wordt de volgende zin toegevoegd :
" Aan de scholengemeenschap Steinerscholen Secundair Onderwijs, die is opgericht op basis van een afwijking op de multisectoraliteitsverplichting verleend bij besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006, wordt toelating gegeven om uiterlijk tot 31 augustus 2009 samen te werken met meer dan één centrum voor leerlingenbegeleiding. ";
2° in punt 6° worden de woorden " de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs of de Dienst voor Infrastructuurwerken van het Gesubsidieerd Onderwijs " vervangen door de woorden " het Gemeenschapsonderwijs of het Agentschap voor Infrastructuur ";
3° er wordt een punt 12° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 12° maakt afspraken/beslist over de verdeling over haar instellingen van de extra punten om een beleid betreffende taak- en functiedifferentiatie gestalte te geven. De verdelingscriteria worden onderhandeld in het bevoegde lokaal onderhandelingscomité van de scholengemeenschap. Bij ontstentenis van een akkoord binnen de scholengemeenschap over de verdelingscriteria, worden de extra punten recht evenredig verdeeld volgens het aandeel dat het aantal punten van elke afzonderlijke instelling uitmaakt binnen de totaliteit van de aantallen punten van de diverse instellingen die tot de scholengemeenschap behoren. ".
Art. 3.20. A l'article 71 du même décret, modifié par les décrets des 14 février 2003 et 15 juillet 2005, sont apportées les modifications suivantes :
1° le point 2° est complété par la phrase suivante :
" Le centre d'enseignement 'Steinerscholen Secundair Onderwijs', qui est crée sur la base d'une dérogation à l'obligation de la multisectorialité accordée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 2006, est autorisé à collaborer avec plus d'un centre d'encadrement des élèves jusqu'à 31 août 2009 au plus tard. ";
2° dans le point 6°, les mots " l'ARGO (Conseil autonome de l'enseignement communautaire) ou du DIGO (service des travaux d'infrastructure de l'enseignement subventionné) " sont remplacés par les mots " l'Enseignement communautaire ou de l'Agentschap voor Infrastructuur ";
3° il est ajouté un point 12°, rédigé comme suit :
" 12° conclut des arrangements/décide sur la répartition parmi ses établissements des points supplémentaires afin de donner corps à une politique relative à la différenciation des tâches et des fonctions. Les critères de répartition sont négociés dans le comité de négociation local compétent du centre d'enseignement. A défaut d'accord au sein du centre d'enseignement concernant les critères de répartition, les points supplémentaires sont répartis proportionnellement à la part du nombre de points de chaque établissement séparé dans la totalité des nombres de points des divers établissements qui font partie du centre d'enseignement. ".
1° le point 2° est complété par la phrase suivante :
" Le centre d'enseignement 'Steinerscholen Secundair Onderwijs', qui est crée sur la base d'une dérogation à l'obligation de la multisectorialité accordée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 2006, est autorisé à collaborer avec plus d'un centre d'encadrement des élèves jusqu'à 31 août 2009 au plus tard. ";
2° dans le point 6°, les mots " l'ARGO (Conseil autonome de l'enseignement communautaire) ou du DIGO (service des travaux d'infrastructure de l'enseignement subventionné) " sont remplacés par les mots " l'Enseignement communautaire ou de l'Agentschap voor Infrastructuur ";
3° il est ajouté un point 12°, rédigé comme suit :
" 12° conclut des arrangements/décide sur la répartition parmi ses établissements des points supplémentaires afin de donner corps à une politique relative à la différenciation des tâches et des fonctions. Les critères de répartition sont négociés dans le comité de négociation local compétent du centre d'enseignement. A défaut d'accord au sein du centre d'enseignement concernant les critères de répartition, les points supplémentaires sont répartis proportionnellement à la part du nombre de points de chaque établissement séparé dans la totalité des nombres de points des divers établissements qui font partie du centre d'enseignement. ".
Art. 3.21. In artikel 81 van hetzelfde decreet worden de woorden " de Dienst voor Infrastructuurwerken van het Gesubsidieerd Onderwijs " en het woord " DIGO " respectievelijk vervangen door de woorden " het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs " en het woord " Agion ".
Art. 3.21. Dans l'article 81 du même décret, les mots " Service des travaux d'infrastructure de l'enseignement subventionné " et les mots " du DIGO " et " le DIGO " sont remplacés respectivement par les mots " l'Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs " et les mots " de l'Agion " et " l'Agion ".
Art. 3.22. In artikel 83, § 3, van hetzelfde decreet worden de woorden " een halve onderwijsopdracht " vervangen door de woorden " een onderwijsopdracht die gelijk is aan een halve onderwijsopdracht, verminderd met vier uren-leraar ".
Art. 3.22. Dans l'article 83, § 3, du même décret, les mots " une demi-charge d'enseignement " sont remplacés par les mots " une charge d'enseignement égale à une demi-charge d'enseignement, diminuée de quatre périodes-professeur ".
Art. 3.23. In artikel 96 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 14 februari 2003, 15 juli 2005 en 7 juli 2006, wordt § 5 opgeheven.
Art. 3.23. A l'article 96 du même décret, modifié par les décrets des 14 février 2003, 15 juillet 2005 et 7 juillet 2006, le § 5 est abrogé.
Art. 3.24. In artikel 98 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 14 februari 2003, 15 juli 2005 en 7 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 3 wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. In afwijking van § 1 kent de scholengemeenschap tijdens de schooljaren 2007-2008 tot en met 2010-2011, rekening houdend met artikel 71, 9°, en artikel 97, aan elke instelling voor buitengewoon secundair onderwijs het aantal punten toe dat zij voor deze instelling ontvangt volgens artikel 96, § 2bis.
De instelling voor buitengewoon onderwijs wendt deze punten aan :
1° voor de instandhouding van betrekkingen van vastbenoemde personeelsleden in ambten van het ondersteunend personeel; en/of
2° voor de oprichting van betrekkingen in ambten van het ondersteunend personeel.
Heeft de instelling hierna nog punten over dan kan zij de resterende punten ter beschikking stellen van de scholengemeenschap. ";
3° in § 5 worden het derde en vierde lid vervangen door wat volgt :
" Vaste benoeming in een vacante betrekking is alleen mogelijk als binnen de instellingen van dezelfde scholengemeenschap de som van het aantal vacante betrekkingen in een ambt van het ondersteunend personeel groter is dan de som van het aantal personeelsleden die ter beschikking zijn gesteld wegens ontstentenis van betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel. Vaste benoeming kan enkel in het positieve verschil dat voormelde bewerking oplevert.
In afwijking van het voorgaande lid kan een personeelslid van een instelling die behoort tot een scholengemeenschap toch worden vast benoemd in een vacante betrekking, als het gaat om :
1° een personeelslid dat ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking en in een instelling van de scholengemeenschap gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is in een vacante betrekking van het ondersteunend personeel;
2° een personeelslid dat voldoet aan artikel 40ter, § 2, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikel 35bis, § 2, van het decreet personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. ".
1° § 3 wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. In afwijking van § 1 kent de scholengemeenschap tijdens de schooljaren 2007-2008 tot en met 2010-2011, rekening houdend met artikel 71, 9°, en artikel 97, aan elke instelling voor buitengewoon secundair onderwijs het aantal punten toe dat zij voor deze instelling ontvangt volgens artikel 96, § 2bis.
De instelling voor buitengewoon onderwijs wendt deze punten aan :
1° voor de instandhouding van betrekkingen van vastbenoemde personeelsleden in ambten van het ondersteunend personeel; en/of
2° voor de oprichting van betrekkingen in ambten van het ondersteunend personeel.
Heeft de instelling hierna nog punten over dan kan zij de resterende punten ter beschikking stellen van de scholengemeenschap. ";
3° in § 5 worden het derde en vierde lid vervangen door wat volgt :
" Vaste benoeming in een vacante betrekking is alleen mogelijk als binnen de instellingen van dezelfde scholengemeenschap de som van het aantal vacante betrekkingen in een ambt van het ondersteunend personeel groter is dan de som van het aantal personeelsleden die ter beschikking zijn gesteld wegens ontstentenis van betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel. Vaste benoeming kan enkel in het positieve verschil dat voormelde bewerking oplevert.
In afwijking van het voorgaande lid kan een personeelslid van een instelling die behoort tot een scholengemeenschap toch worden vast benoemd in een vacante betrekking, als het gaat om :
1° een personeelslid dat ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking en in een instelling van de scholengemeenschap gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is in een vacante betrekking van het ondersteunend personeel;
2° een personeelslid dat voldoet aan artikel 40ter, § 2, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikel 35bis, § 2, van het decreet personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. ".
Art. 3.24. A l'article 98 du même décret, modifié par les décrets des 14 février 2003, 15 juillet 2005 et 7 juillet 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. Par dérogation au § 1er, le centre d'enseignement attribue, pendant les années scolaires 2007-2008 à 2010-2011 incluses, et compte tenu des articles 71, 9°, et 97, à chaque établissement d'enseignement secondaire spécial le nombre de points qu'il reçoit pour cet établissement en vertu de l'article 96, § 2bis.
L'établissement d'enseignement spécial utilise ces points :
1° pour le maintien d'emplois de membres du personnel nommés à titre définitif dans des fonctions du personnel d'appui; et/ou
2° pour la création d'emplois dans les fonctions du personnel d'appui.
S'il lui reste encore des points, il peut mettre les points restants à disposition du centre d'enseignement. ";
3° au § 5, les alinéas trois et quatre sont remplacés par les dispositions suivantes :
" La nomination à titre définitif dans un emploi vacant n'est possible que si, au sein des établissements du même centre d'enseignement, la somme du nombre d'emplois vacants dans une fonction du personnel d'appui dépasse la somme du nombre de membres du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi dans une fonction du personnel d'appui. Une nomination à titre définitif n'est possible que dans la différence positive résultant de l'opération précitée.
Par dérogation à l'alinéa précédent, un membre du personnel d'un établissement appartenant à un centre d'enseignement peut néanmoins être nommé à titre définitif dans un emploi vacant s'il s'agit :
1° d'un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi et réaffecté ou remis au travail dans un emploi vacant du personnel d'appui auprès d'un établissement du centre d'enseignement;
2° d'un membre du personnel qui répond à l'article 40ter, § 2, du décret relatif au statut des personnels de l'enseignement communautaire ou à l'article 35bis, § 2, du décret relatif au statut des personnels de l'enseignement subventionné. ".
1° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. Par dérogation au § 1er, le centre d'enseignement attribue, pendant les années scolaires 2007-2008 à 2010-2011 incluses, et compte tenu des articles 71, 9°, et 97, à chaque établissement d'enseignement secondaire spécial le nombre de points qu'il reçoit pour cet établissement en vertu de l'article 96, § 2bis.
L'établissement d'enseignement spécial utilise ces points :
1° pour le maintien d'emplois de membres du personnel nommés à titre définitif dans des fonctions du personnel d'appui; et/ou
2° pour la création d'emplois dans les fonctions du personnel d'appui.
S'il lui reste encore des points, il peut mettre les points restants à disposition du centre d'enseignement. ";
3° au § 5, les alinéas trois et quatre sont remplacés par les dispositions suivantes :
" La nomination à titre définitif dans un emploi vacant n'est possible que si, au sein des établissements du même centre d'enseignement, la somme du nombre d'emplois vacants dans une fonction du personnel d'appui dépasse la somme du nombre de membres du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi dans une fonction du personnel d'appui. Une nomination à titre définitif n'est possible que dans la différence positive résultant de l'opération précitée.
Par dérogation à l'alinéa précédent, un membre du personnel d'un établissement appartenant à un centre d'enseignement peut néanmoins être nommé à titre définitif dans un emploi vacant s'il s'agit :
1° d'un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi et réaffecté ou remis au travail dans un emploi vacant du personnel d'appui auprès d'un établissement du centre d'enseignement;
2° d'un membre du personnel qui répond à l'article 40ter, § 2, du décret relatif au statut des personnels de l'enseignement communautaire ou à l'article 35bis, § 2, du décret relatif au statut des personnels de l'enseignement subventionné. ".
Art. 3.25. In artikel 98bis, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 februari 2003 en gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 3 wordt opgeheven;
2° in § 4 worden het derde en vierde lid vervangen door wat volgt :
" Vaste benoeming in een vacante betrekking is alleen mogelijk als binnen de instellingen van dezelfde inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren, de som van het aantal vacante betrekkingen in een ambt van het ondersteunend personeel groter is dan de som van het aantal personeelsleden die ter beschikking zijn gesteld wegens ontstentenis van betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel. Vaste benoeming kan enkel in het positieve verschil dat voormelde bewerking oplevert.
In afwijking van het voorgaande lid kan een personeelslid van een instelling van een inrichtende macht die niet behoort tot een scholengemeenschap toch worden vast benoemd in een vacante betrekking, als het gaat om :
1° een personeelslid dat ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking en in een instelling van de inrichtende macht die niet behoort tot een scholengemeenschap gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is in een vacante betrekking van het ondersteunend personeel;
2° een personeelslid dat voldoet aan artikel 40ter, § 2, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikel 35bis, § 2, van het decreet personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. ".
1° § 3 wordt opgeheven;
2° in § 4 worden het derde en vierde lid vervangen door wat volgt :
" Vaste benoeming in een vacante betrekking is alleen mogelijk als binnen de instellingen van dezelfde inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren, de som van het aantal vacante betrekkingen in een ambt van het ondersteunend personeel groter is dan de som van het aantal personeelsleden die ter beschikking zijn gesteld wegens ontstentenis van betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel. Vaste benoeming kan enkel in het positieve verschil dat voormelde bewerking oplevert.
In afwijking van het voorgaande lid kan een personeelslid van een instelling van een inrichtende macht die niet behoort tot een scholengemeenschap toch worden vast benoemd in een vacante betrekking, als het gaat om :
1° een personeelslid dat ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking en in een instelling van de inrichtende macht die niet behoort tot een scholengemeenschap gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is in een vacante betrekking van het ondersteunend personeel;
2° een personeelslid dat voldoet aan artikel 40ter, § 2, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikel 35bis, § 2, van het decreet personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. ".
Art. 3.25. A l'article 98bis du même décret, inséré par le décret du 14 février 2003 et modifié par le décret du 7 juillet 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 3 est abrogé;
2° au § 4, les alinéas trois et quatre sont remplacés par les dispositions suivantes :
" La nomination à titre définitif dans un emploi vacant n'est possible que si, au sein des établissements du même pouvoir organisateur qui n'appartiennent pas à un centre d'enseignement, la somme du nombre d'emplois vacants dans une fonction du personnel d'appui dépasse la somme du nombre de membres du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi dans une fonction du personnel d'appui. Une nomination à titre définitif n'est possible que dans la différence positive résultant de l'opération précitée.
Par dérogation à l'alinéa précédent, un membre du personnel d'un établissement d'un pouvoir organisateur qui n'appartient pas à un centre d'enseignement peut néanmoins être nommé à titre définitif dans un emploi vacant s'il s'agit :
1° d'un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi et réaffecté ou remis au travail dans un emploi vacant du personnel d'appui auprès d'un établissement du pouvoir organisateur qui n'appartient pas à un centre d'enseignement;
2° d'un membre du personnel qui répond à l'article 40ter, § 2, du décret relatif au statut des personnels de l'enseignement communautaire ou à l'article 35bis, § 2, du décret relatif au statut des personnels de l'enseignement subventionné. ".
1° le § 3 est abrogé;
2° au § 4, les alinéas trois et quatre sont remplacés par les dispositions suivantes :
" La nomination à titre définitif dans un emploi vacant n'est possible que si, au sein des établissements du même pouvoir organisateur qui n'appartiennent pas à un centre d'enseignement, la somme du nombre d'emplois vacants dans une fonction du personnel d'appui dépasse la somme du nombre de membres du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi dans une fonction du personnel d'appui. Une nomination à titre définitif n'est possible que dans la différence positive résultant de l'opération précitée.
Par dérogation à l'alinéa précédent, un membre du personnel d'un établissement d'un pouvoir organisateur qui n'appartient pas à un centre d'enseignement peut néanmoins être nommé à titre définitif dans un emploi vacant s'il s'agit :
1° d'un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi et réaffecté ou remis au travail dans un emploi vacant du personnel d'appui auprès d'un établissement du pouvoir organisateur qui n'appartient pas à un centre d'enseignement;
2° d'un membre du personnel qui répond à l'article 40ter, § 2, du décret relatif au statut des personnels de l'enseignement communautaire ou à l'article 35bis, § 2, du décret relatif au statut des personnels de l'enseignement subventionné. ".
Art. 3.26. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2006, wordt een hoofdstuk XIbis, bestaande uit artikel 99ter tot en met artikel 99quinquies, ingevoegd, dat luidt als volgt :
" HOOFDSTUK XIbis Taak- en functiedifferentiatie
Afdeling I. - Algemene bepalingen
Artikel 99ter. Deze titel is van toepassing op het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs.
Afdeling II. - Instellingen die behoren tot een scholengemeenschap
Artikel 99quater. § 1. Aan de instellingen die behoren tot een scholengemeenschap worden vanaf het schooljaar 2007-2008 extra middelen onder vorm van een puntenenveloppe toegekend. De puntenenveloppe wordt toegekend aan de scholengemeenschap.
Deze extra middelen worden aangewend om een beleid betreffende taak- en functiedifferentiatie gestalte te geven.
§ 2. De puntenenveloppe wordt als volgt samengesteld :
1° de som van het aantal regelmatige leerlingen op 1 februari van het voorafgaande schooljaar van alle instellingen voor voltijds gewoon secundair onderwijs die tot de scholengemeenschap behoren, vermenigvuldigd met een bepaalde coëfficiënt. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar boven indien het resultaat na de komma 50 of meer bedraagt, zoniet vindt een afronding naar onder plaats;
2° de som van het aantal wekelijkse uren-leraar van het betreffende schooljaar van alle instellingen voor voltijds gewoon secundair onderwijs die tot de scholengemeenschap behoren, vermenigvuldigd met een bepaalde coëfficiënt. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar boven indien het resultaat na de komma 50 of meer bedraagt, zoniet vindt een afronding naar onder plaats. Onder uren-leraar worden de uren-leraar verstaan, berekend in uitvoering van artikel 57 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II.
De som van de resultaten van 1° en 2° vormt het aantal punten dat de scholengemeenschap voor het betrokken schooljaar ontvangt.
De Vlaamse Regering bepaalt de coëfficiënten voor de vaststelling van de puntenenveloppe.
§ 3. Als een scholengemeenschap naast instellingen voor gewoon secundair onderwijs eveneens een of meerdere instellingen voor buitengewoon secundair onderwijs bevat, ontvangt zij elk schooljaar naast de punten bedoeld in § 2 ook een aantal punten voor deze instellingen.
Dit aantal punten is samengesteld uit de som van het aantal regelmatige leerlingen op 1 februari van het voorafgaande schooljaar van alle instellingen voor buitengewoon secundair onderwijs die tot de scholengemeenschap behoren, vermenigvuldigd met een bepaalde coëfficiënt. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar boven indien het resultaat na de komma 50 of meer bedraagt, zoniet vindt een afronding naar onder plaats.
De Vlaamse Regering bepaalt de coëfficiënt voor de vaststelling van deze puntenenveloppe.
§ 4. De scholengemeenschap verdeelt de puntenenveloppe op de wijze zoals bepaald in artikel 71, 12°.
Voordat de scholengemeenschap overgaat tot de verdeling van de punten, kan ze een aantal punten voorafnemen om haar beleid betreffende functie- en taakdifferentiatie op niveau van de scholengemeenschap gestalte te geven. Deze voorafname bedraagt maximum 10 % van de puntenenveloppe. Een overschrijding van dit maximum is echter mogelijk als zowel over de besteding van de punten als over de gevolgen hiervan op de personeelsleden, binnen het bevoegde lokaal onderhandelingscomité van de scholengemeenschap een akkoord wordt bereikt.
De scholengemeenschap verschaft ten aanzien van het lokaal onderhandelingscomité van de scholengemeenschap en ten aanzien van het personeel van de instellingen die tot de scholengemeenschap behoren, volledige klaarheid over de betrekkingen die ze op basis van voorafname van de puntenenveloppe creëert op het niveau van de scholengemeenschap. Tevens toont de scholengemeenschap aan dat de aldus ingerichte betrekkingen het beleid betreffende functie- en taakdifferentiatie op het niveau van de scholengemeenschap daadwerkelijk gestalte geven.
De verdeling van de puntenenveloppe mag niet tot gevolg hebben dat bijkomende personeelsleden wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking moeten worden gesteld, tenzij ze onmiddellijk kunnen gereaffecteerd of wedertewerkgesteld worden in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in de scholengemeenschap en dit voor de duur van het volledige schooljaar.
De betrekkingen die op basis van de voorafname worden ingericht, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en vaste benoeming. De personeelsleden werken voor de totaliteit van de scholengemeenschap.
§ 5. Met de puntenenveloppe kunnen personeelsleden aangesteld worden in wervingsambten. De Vlaamse Regering bepaalt welke wervingsambten hiervoor in aanmerking komen en legt voor elk desbetreffend ambt de puntenwaarde vast op basis van een bekwaamheidsbewijs of een salarisschaal. ".
Afdeling III. - Instellingen die niet behoren tot een scholengemeenschap
Artikel 99quinquies. § 1. Aan een instelling die niet tot een scholengemeenschap behoort, worden vanaf het schooljaar 2007-2008 extra middelen onder vorm van een puntenenveloppe toegekend. Deze extra middelen worden aangewend om een beleid betreffende taak- en functiedifferentiatie gestalte te geven.
§ 2. De puntenenveloppe voor een instelling van het voltijds gewoon secundair onderwijs wordt als volgt samengesteld :
1° de som van het aantal regelmatige leerlingen op 1 februari van het voorafgaande schooljaar vermenigvuldigd met een bepaalde coëfficiënt. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar boven indien het resultaat na de komma 50 of meer bedraagt, zoniet vindt een afronding naar onder plaats;
2° de som van het aantal wekelijkse uren-leraar van het betreffende schooljaar vermenigvuldigd met een bepaalde coëfficiënt. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar boven indien het resultaat na de komma 50 of meer bedraagt, zoniet vindt een afronding naar onder plaats. Onder uren-leraar worden de uren-leraar verstaan, berekend in uitvoering van artikel 57 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II.
De som van de resultaten van 1° en 2° vormt het aantal punten dat de onderwijsinstelling voor het betrokken schooljaar ontvangt.
De Vlaamse Regering bepaalt de coëfficiënten voor de vaststelling van de puntenenveloppe.
§ 3. De puntenenveloppe voor een instelling van het buitengewoon secundair onderwijs wordt samengesteld door de som van het aantal regelmatige leerlingen op 1 februari van het voorafgaande schooljaar te vermenigvuldigen met een bepaalde coëfficiënt. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar boven indien het resultaat na de komma 50 of meer bedraagt, zoniet vindt een afronding naar onder plaats.
De Vlaamse Regering bepaalt de coëfficiënt voor de vaststelling van de puntenenveloppe.
§ 4. Met de puntenenveloppe kunnen personeelsleden aangesteld worden in wervingsambten. De Vlaamse Regering bepaalt welke wervingsambten hiervoor in aanmerking komen en legt voor elk desbetreffend ambt de puntenwaarde vast op basis van een bekwaamheidsbewijs of een salarisschaal.
§ 5. De aanwending van de puntenenveloppe wordt onderhandeld in het bevoegde lokaal onderhandelingscomité. ".
" HOOFDSTUK XIbis Taak- en functiedifferentiatie
Afdeling I. - Algemene bepalingen
Artikel 99ter. Deze titel is van toepassing op het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs.
Afdeling II. - Instellingen die behoren tot een scholengemeenschap
Artikel 99quater. § 1. Aan de instellingen die behoren tot een scholengemeenschap worden vanaf het schooljaar 2007-2008 extra middelen onder vorm van een puntenenveloppe toegekend. De puntenenveloppe wordt toegekend aan de scholengemeenschap.
Deze extra middelen worden aangewend om een beleid betreffende taak- en functiedifferentiatie gestalte te geven.
§ 2. De puntenenveloppe wordt als volgt samengesteld :
1° de som van het aantal regelmatige leerlingen op 1 februari van het voorafgaande schooljaar van alle instellingen voor voltijds gewoon secundair onderwijs die tot de scholengemeenschap behoren, vermenigvuldigd met een bepaalde coëfficiënt. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar boven indien het resultaat na de komma 50 of meer bedraagt, zoniet vindt een afronding naar onder plaats;
2° de som van het aantal wekelijkse uren-leraar van het betreffende schooljaar van alle instellingen voor voltijds gewoon secundair onderwijs die tot de scholengemeenschap behoren, vermenigvuldigd met een bepaalde coëfficiënt. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar boven indien het resultaat na de komma 50 of meer bedraagt, zoniet vindt een afronding naar onder plaats. Onder uren-leraar worden de uren-leraar verstaan, berekend in uitvoering van artikel 57 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II.
De som van de resultaten van 1° en 2° vormt het aantal punten dat de scholengemeenschap voor het betrokken schooljaar ontvangt.
De Vlaamse Regering bepaalt de coëfficiënten voor de vaststelling van de puntenenveloppe.
§ 3. Als een scholengemeenschap naast instellingen voor gewoon secundair onderwijs eveneens een of meerdere instellingen voor buitengewoon secundair onderwijs bevat, ontvangt zij elk schooljaar naast de punten bedoeld in § 2 ook een aantal punten voor deze instellingen.
Dit aantal punten is samengesteld uit de som van het aantal regelmatige leerlingen op 1 februari van het voorafgaande schooljaar van alle instellingen voor buitengewoon secundair onderwijs die tot de scholengemeenschap behoren, vermenigvuldigd met een bepaalde coëfficiënt. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar boven indien het resultaat na de komma 50 of meer bedraagt, zoniet vindt een afronding naar onder plaats.
De Vlaamse Regering bepaalt de coëfficiënt voor de vaststelling van deze puntenenveloppe.
§ 4. De scholengemeenschap verdeelt de puntenenveloppe op de wijze zoals bepaald in artikel 71, 12°.
Voordat de scholengemeenschap overgaat tot de verdeling van de punten, kan ze een aantal punten voorafnemen om haar beleid betreffende functie- en taakdifferentiatie op niveau van de scholengemeenschap gestalte te geven. Deze voorafname bedraagt maximum 10 % van de puntenenveloppe. Een overschrijding van dit maximum is echter mogelijk als zowel over de besteding van de punten als over de gevolgen hiervan op de personeelsleden, binnen het bevoegde lokaal onderhandelingscomité van de scholengemeenschap een akkoord wordt bereikt.
De scholengemeenschap verschaft ten aanzien van het lokaal onderhandelingscomité van de scholengemeenschap en ten aanzien van het personeel van de instellingen die tot de scholengemeenschap behoren, volledige klaarheid over de betrekkingen die ze op basis van voorafname van de puntenenveloppe creëert op het niveau van de scholengemeenschap. Tevens toont de scholengemeenschap aan dat de aldus ingerichte betrekkingen het beleid betreffende functie- en taakdifferentiatie op het niveau van de scholengemeenschap daadwerkelijk gestalte geven.
De verdeling van de puntenenveloppe mag niet tot gevolg hebben dat bijkomende personeelsleden wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking moeten worden gesteld, tenzij ze onmiddellijk kunnen gereaffecteerd of wedertewerkgesteld worden in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in de scholengemeenschap en dit voor de duur van het volledige schooljaar.
De betrekkingen die op basis van de voorafname worden ingericht, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en vaste benoeming. De personeelsleden werken voor de totaliteit van de scholengemeenschap.
§ 5. Met de puntenenveloppe kunnen personeelsleden aangesteld worden in wervingsambten. De Vlaamse Regering bepaalt welke wervingsambten hiervoor in aanmerking komen en legt voor elk desbetreffend ambt de puntenwaarde vast op basis van een bekwaamheidsbewijs of een salarisschaal. ".
Afdeling III. - Instellingen die niet behoren tot een scholengemeenschap
Artikel 99quinquies. § 1. Aan een instelling die niet tot een scholengemeenschap behoort, worden vanaf het schooljaar 2007-2008 extra middelen onder vorm van een puntenenveloppe toegekend. Deze extra middelen worden aangewend om een beleid betreffende taak- en functiedifferentiatie gestalte te geven.
§ 2. De puntenenveloppe voor een instelling van het voltijds gewoon secundair onderwijs wordt als volgt samengesteld :
1° de som van het aantal regelmatige leerlingen op 1 februari van het voorafgaande schooljaar vermenigvuldigd met een bepaalde coëfficiënt. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar boven indien het resultaat na de komma 50 of meer bedraagt, zoniet vindt een afronding naar onder plaats;
2° de som van het aantal wekelijkse uren-leraar van het betreffende schooljaar vermenigvuldigd met een bepaalde coëfficiënt. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar boven indien het resultaat na de komma 50 of meer bedraagt, zoniet vindt een afronding naar onder plaats. Onder uren-leraar worden de uren-leraar verstaan, berekend in uitvoering van artikel 57 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II.
De som van de resultaten van 1° en 2° vormt het aantal punten dat de onderwijsinstelling voor het betrokken schooljaar ontvangt.
De Vlaamse Regering bepaalt de coëfficiënten voor de vaststelling van de puntenenveloppe.
§ 3. De puntenenveloppe voor een instelling van het buitengewoon secundair onderwijs wordt samengesteld door de som van het aantal regelmatige leerlingen op 1 februari van het voorafgaande schooljaar te vermenigvuldigen met een bepaalde coëfficiënt. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar boven indien het resultaat na de komma 50 of meer bedraagt, zoniet vindt een afronding naar onder plaats.
De Vlaamse Regering bepaalt de coëfficiënt voor de vaststelling van de puntenenveloppe.
§ 4. Met de puntenenveloppe kunnen personeelsleden aangesteld worden in wervingsambten. De Vlaamse Regering bepaalt welke wervingsambten hiervoor in aanmerking komen en legt voor elk desbetreffend ambt de puntenwaarde vast op basis van een bekwaamheidsbewijs of een salarisschaal.
§ 5. De aanwending van de puntenenveloppe wordt onderhandeld in het bevoegde lokaal onderhandelingscomité. ".
Art. 3.26. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 7 juillet 2006, il est inséré un chapitre XIbis, comprenant les articles 99ter à 99quinquies inclus, rédigé comme suit :
" CHAPITRE XIbis. - Différenciation des tâches et des fonctions
Section Ire. - Dispositions générales
Article 99ter. Le présent titre s'applique à l'enseignement secondaire ordinaire et spécial.
Section II. - Etablissements appartenant à un centre d'enseignement
Article 99quater. § 1er. A partir de l'année scolaire 2007-2008, des moyens supplémentaires sont attribués aux établissements appartenant à un centre d'enseignement, sous forme d'une enveloppe de points. L'enveloppe de points est attribuée au centre d'enseignement.
Ces moyens supplémentaires sont utilisés pour donner corps à une politique relative à la différenciation des tâches et des fonctions.
§ 2. L'enveloppe de points se compose comme suit :
1° la somme du nombre d'élèves réguliers au 1er février de l'année scolaire précédente de tous les établissements d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein appartenant au centre d'enseignement, multipliée par un coefficient déterminé. Le résultat de cette multiplication est arrondi à l'unité supérieure si le résultat après la virgule est de 50 ou plus, sinon le résultat est arrondi à l'unité inférieure;
2° la somme du nombre de périodes-professeur hebdomadaires de l'année scolaire concernée de tous les établissements d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein appartenant au centre d'enseignement, multipliée par un coefficient déterminé. Le résultat de cette multiplication est arrondi à l'unité supérieure si le résultat après la virgule est de 50 ou plus, sinon le résultat est arrondi à l'unité inférieure. Par périodes-professeur, on entend les périodes-professeur calculées en exécution de l'article 57 du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement II.
La somme des résultats des points 1° et 2° constitue le nombre de points que le centre d'enseignement reçoit pour l'année scolaire concernée.
Le gouvernement flamand détermine les coefficients pour la fixation de l'enveloppe de points.
§ 3. Si un centre scolaire comprend, outre des établissements d'enseignement secondaire ordinaire, également un ou plusieurs établissements d'enseignement secondaire spécial, il reçoit chaque année scolaire, en plus des points visés au § 2, un nombre de points pour ces établissements.
Ce nombre de points est compose de la somme du nombre d'élèves réguliers au 1er février de l'année scolaire précédente de tous les établissements d'enseignement secondaire spécial appartenant au centre d'enseignement, multipliée par un coefficient variable. Le résultat de cette multiplication est arrondi à l'unité supérieure si le résultat après la virgule est de 50 ou plus, sinon le résultat est arrondi à l'unité inférieure.
Le gouvernement flamand détermine le coefficient pour la fixation de cette enveloppe de points.
§ 4. Le centre d'enseignement répartit l'enveloppe de points de la façon fixée à l'article 71, 12°.
Avant de procéder à la répartition des points, le centre d'enseignement peut prélever un nombre de points afin de donner corps à une politique relative à la différenciation des tâches et des fonctions au niveau du centre d'enseignement. Ce prélèvement ne peut dépasser les 10 % de l'enveloppe de points. Un dépassement de ce maximum est toutefois possible si tant l'affectation des points que les répercussions sur les membres du personnel font l'objet d'un accord au sein du comité local de concertation compétent du centre d'enseignement.
Le centre d'enseignement fait, à l'égard du comité local de concertation du centre d'enseignement et à l'égard du personnel des établissements appartenant au centre d'enseignement, la clarté totale sur les emplois qu'il crée sur la base du prélèvement de l'enveloppe de points, au niveau du centre d'enseignement. Le centre d'enseignement démontre également que les emplois ainsi créés réalisent effectivement la politique relative à la différenciation des tâches et des fonctions au niveau du centre d'enseignement.
La répartition de l'enveloppe de points ne peut avoir pour conséquence que des membres du personnel supplémentaires doivent être mis en disponibilité par défaut d'emploi, à moins qu'ils ne puissent être immédiatement réaffectés ou remis au travail dans un emploi organique vacant ou non vacant dans le centre d'enseignement, pour la durée de l'année scolaire entière.
Les emplois créés sur la base du prélèvement, n'entrent pas en ligne de compte pour être déclarés vacants et pour une nomination définitive. Les membres du personnel travaillent pour la totalité du centre d'enseignement.
§ 5. L'enveloppe de points permet de désigner des membres du personnel dans des fonctions de recrutement. Le Gouvernement flamand détermine les fonctions de recrutement éligibles, et détermine pour chaque fonction concernée le nombre de points sur la base d'un titre ou d'une échelle de traitement. ".
Section III. - Etablissements qui n'appartiennent pas à un centre d'enseignement
Article 99quinquies. § 1er. A partir de l'année scolaire 2007-2008, des moyens supplémentaires sont attribués à un établissement qui n'appartient pas à un centre d'enseignement, sous forme d'une enveloppe de points. Ces moyens supplémentaires sont utilisés pour donner corps à une politique relative à la différenciation des tâches et des fonctions.
§ 2. L'enveloppe de points pour un établissement de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein se compose comme suit :
1° la somme du nombre d'élèves réguliers au 1er février de l'année scolaire précédente, multipliée par un coefficient déterminé. Le résultat de cette multiplication est arrondi à l'unité supérieure si le résultat après la virgule est de 50 ou plus, sinon le résultat est arrondi à l'unité inférieure;
2° la somme du nombre de périodes-professeur de l'année scolaire concernée, multipliée par un coefficient déterminé. Le résultat de cette multiplication est arrondi à l'unité supérieure si le résultat après la virgule est de 50 ou plus, sinon le résultat est arrondi à l'unité inférieure. Par périodes-professeur, on entend les périodes-professeur calculées en exécution de l'article 57 du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement II.
La somme des résultats des points 1° et 2° constitue le nombre de points que l'établissement reçoit pour l'année scolaire concernée.
Le gouvernement flamand détermine les coefficients pour la fixation de l'enveloppe de points.
§ 3. L'enveloppe de points pour un établissement de l'enseignement secondaire spécial se compose de la somme du nombre d'élèves réguliers au 1er février de l'année scolaire précédente, multipliée par un coefficient déterminé. Le résultat de cette multiplication est arrondi à l'unité supérieure si le résultat après la virgule est de 50 ou plus, sinon le résultat est arrondi à l'unité inférieure.
Le gouvernement flamand détermine le coefficient pour la fixation de l'enveloppe de points.
§ 4. L'enveloppe de points permet de désigner des membres du personnel dans des fonctions de recrutement. Le Gouvernement flamand détermine les fonctions de recrutement éligibles, et détermine pour chaque fonction concernée le nombre de points sur la base d'un titre ou d'une échelle de traitement.
§ 5. L'utilisation de l'enveloppe de points est négociée au sein du comité de négociation local compétent. ".
" CHAPITRE XIbis. - Différenciation des tâches et des fonctions
Section Ire. - Dispositions générales
Article 99ter. Le présent titre s'applique à l'enseignement secondaire ordinaire et spécial.
Section II. - Etablissements appartenant à un centre d'enseignement
Article 99quater. § 1er. A partir de l'année scolaire 2007-2008, des moyens supplémentaires sont attribués aux établissements appartenant à un centre d'enseignement, sous forme d'une enveloppe de points. L'enveloppe de points est attribuée au centre d'enseignement.
Ces moyens supplémentaires sont utilisés pour donner corps à une politique relative à la différenciation des tâches et des fonctions.
§ 2. L'enveloppe de points se compose comme suit :
1° la somme du nombre d'élèves réguliers au 1er février de l'année scolaire précédente de tous les établissements d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein appartenant au centre d'enseignement, multipliée par un coefficient déterminé. Le résultat de cette multiplication est arrondi à l'unité supérieure si le résultat après la virgule est de 50 ou plus, sinon le résultat est arrondi à l'unité inférieure;
2° la somme du nombre de périodes-professeur hebdomadaires de l'année scolaire concernée de tous les établissements d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein appartenant au centre d'enseignement, multipliée par un coefficient déterminé. Le résultat de cette multiplication est arrondi à l'unité supérieure si le résultat après la virgule est de 50 ou plus, sinon le résultat est arrondi à l'unité inférieure. Par périodes-professeur, on entend les périodes-professeur calculées en exécution de l'article 57 du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement II.
La somme des résultats des points 1° et 2° constitue le nombre de points que le centre d'enseignement reçoit pour l'année scolaire concernée.
Le gouvernement flamand détermine les coefficients pour la fixation de l'enveloppe de points.
§ 3. Si un centre scolaire comprend, outre des établissements d'enseignement secondaire ordinaire, également un ou plusieurs établissements d'enseignement secondaire spécial, il reçoit chaque année scolaire, en plus des points visés au § 2, un nombre de points pour ces établissements.
Ce nombre de points est compose de la somme du nombre d'élèves réguliers au 1er février de l'année scolaire précédente de tous les établissements d'enseignement secondaire spécial appartenant au centre d'enseignement, multipliée par un coefficient variable. Le résultat de cette multiplication est arrondi à l'unité supérieure si le résultat après la virgule est de 50 ou plus, sinon le résultat est arrondi à l'unité inférieure.
Le gouvernement flamand détermine le coefficient pour la fixation de cette enveloppe de points.
§ 4. Le centre d'enseignement répartit l'enveloppe de points de la façon fixée à l'article 71, 12°.
Avant de procéder à la répartition des points, le centre d'enseignement peut prélever un nombre de points afin de donner corps à une politique relative à la différenciation des tâches et des fonctions au niveau du centre d'enseignement. Ce prélèvement ne peut dépasser les 10 % de l'enveloppe de points. Un dépassement de ce maximum est toutefois possible si tant l'affectation des points que les répercussions sur les membres du personnel font l'objet d'un accord au sein du comité local de concertation compétent du centre d'enseignement.
Le centre d'enseignement fait, à l'égard du comité local de concertation du centre d'enseignement et à l'égard du personnel des établissements appartenant au centre d'enseignement, la clarté totale sur les emplois qu'il crée sur la base du prélèvement de l'enveloppe de points, au niveau du centre d'enseignement. Le centre d'enseignement démontre également que les emplois ainsi créés réalisent effectivement la politique relative à la différenciation des tâches et des fonctions au niveau du centre d'enseignement.
La répartition de l'enveloppe de points ne peut avoir pour conséquence que des membres du personnel supplémentaires doivent être mis en disponibilité par défaut d'emploi, à moins qu'ils ne puissent être immédiatement réaffectés ou remis au travail dans un emploi organique vacant ou non vacant dans le centre d'enseignement, pour la durée de l'année scolaire entière.
Les emplois créés sur la base du prélèvement, n'entrent pas en ligne de compte pour être déclarés vacants et pour une nomination définitive. Les membres du personnel travaillent pour la totalité du centre d'enseignement.
§ 5. L'enveloppe de points permet de désigner des membres du personnel dans des fonctions de recrutement. Le Gouvernement flamand détermine les fonctions de recrutement éligibles, et détermine pour chaque fonction concernée le nombre de points sur la base d'un titre ou d'une échelle de traitement. ".
Section III. - Etablissements qui n'appartiennent pas à un centre d'enseignement
Article 99quinquies. § 1er. A partir de l'année scolaire 2007-2008, des moyens supplémentaires sont attribués à un établissement qui n'appartient pas à un centre d'enseignement, sous forme d'une enveloppe de points. Ces moyens supplémentaires sont utilisés pour donner corps à une politique relative à la différenciation des tâches et des fonctions.
§ 2. L'enveloppe de points pour un établissement de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein se compose comme suit :
1° la somme du nombre d'élèves réguliers au 1er février de l'année scolaire précédente, multipliée par un coefficient déterminé. Le résultat de cette multiplication est arrondi à l'unité supérieure si le résultat après la virgule est de 50 ou plus, sinon le résultat est arrondi à l'unité inférieure;
2° la somme du nombre de périodes-professeur de l'année scolaire concernée, multipliée par un coefficient déterminé. Le résultat de cette multiplication est arrondi à l'unité supérieure si le résultat après la virgule est de 50 ou plus, sinon le résultat est arrondi à l'unité inférieure. Par périodes-professeur, on entend les périodes-professeur calculées en exécution de l'article 57 du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement II.
La somme des résultats des points 1° et 2° constitue le nombre de points que l'établissement reçoit pour l'année scolaire concernée.
Le gouvernement flamand détermine les coefficients pour la fixation de l'enveloppe de points.
§ 3. L'enveloppe de points pour un établissement de l'enseignement secondaire spécial se compose de la somme du nombre d'élèves réguliers au 1er février de l'année scolaire précédente, multipliée par un coefficient déterminé. Le résultat de cette multiplication est arrondi à l'unité supérieure si le résultat après la virgule est de 50 ou plus, sinon le résultat est arrondi à l'unité inférieure.
Le gouvernement flamand détermine le coefficient pour la fixation de l'enveloppe de points.
§ 4. L'enveloppe de points permet de désigner des membres du personnel dans des fonctions de recrutement. Le Gouvernement flamand détermine les fonctions de recrutement éligibles, et détermine pour chaque fonction concernée le nombre de points sur la base d'un titre ou d'une échelle de traitement.
§ 5. L'utilisation de l'enveloppe de points est négociée au sein du comité de négociation local compétent. ".
Art. 3.27. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2006, wordt een hoofdstuk XIter, bestaande uit artikel 99sexies tot en met artikel 99novies, ingevoegd, dat luidt als volgt :
" HOOFDSTUK XIter. - Ondersteuning van instellingen die binnen het studiegebied Maritieme opleidingen de optie Rijn- en Binnenvaart organiseren
Afdeling I. - Algemene bepalingen
Artikel 99sexies. Deze titel is van toepassing op een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde instelling die binnen het studiegebied Maritieme opleidingen de optie Rijn- en Binnenvaart organiseert.
Afdeling II. - Het varend personeel
Artikel 99septies. Een instelling, als vermeld in artikel 99sexies, heeft jaarlijks recht op een forfaitaire puntenenveloppe van 605 punten.
De Vlaamse Regering kan deze puntenenveloppe aanpassen in functie van de beschikbare begrotingskredieten. Zij houdt daarbij rekening met het aantal leerlingen dat is ingeschreven in de studierichting Rijn- en Binnenvaart.
Artikel 99octies. De instelling wendt de puntenenveloppe, vermeld in artikel 99septies, aan om betrekkingen op te richten in de personeelscategorie van het varend personeel en om 1 betrekking op te richten in een ambt van het ondersteunend personeel.
De oprichting van betrekkingen in de personeelscategorie van het varend personeel is gebaseerd op een puntensysteem, waarbij aan elk ambt een aantal punten wordt gekoppeld. Dit aantal punten wordt bepaald op basis van de salarisschaal van het personeelslid dat de betrekking uitoefent.
De Vlaamse Regering bepaalt de ambten en legt voor elk ambt de puntenwaarde vast volgens de salarisschaal.
Artikel 99novies. Het personeelslid dat in een betrekking in een ambt van het varend personeel wordt aangesteld, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid. De bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, zijn van toepassing, met uitzondering van volgende bepalingen :
1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. De inrichtende macht kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Die aanstelling wordt beschouwd als een reaffectatie of een wedertewerkstelling. Deze reaffectatie of wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het terbeschikkinggestelde personeelslid;
2° de bepalingen van artikelen 21 en 21bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikelen 23 en 23bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs zijn niet van toepassing;
3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. De inrichtende macht kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regeling voor de administratieve en geldelijke rechtspositie van de personeelsleden die worden aangesteld in een betrekking in een ambt van het varend personeel. ".
" HOOFDSTUK XIter. - Ondersteuning van instellingen die binnen het studiegebied Maritieme opleidingen de optie Rijn- en Binnenvaart organiseren
Afdeling I. - Algemene bepalingen
Artikel 99sexies. Deze titel is van toepassing op een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde instelling die binnen het studiegebied Maritieme opleidingen de optie Rijn- en Binnenvaart organiseert.
Afdeling II. - Het varend personeel
Artikel 99septies. Een instelling, als vermeld in artikel 99sexies, heeft jaarlijks recht op een forfaitaire puntenenveloppe van 605 punten.
De Vlaamse Regering kan deze puntenenveloppe aanpassen in functie van de beschikbare begrotingskredieten. Zij houdt daarbij rekening met het aantal leerlingen dat is ingeschreven in de studierichting Rijn- en Binnenvaart.
Artikel 99octies. De instelling wendt de puntenenveloppe, vermeld in artikel 99septies, aan om betrekkingen op te richten in de personeelscategorie van het varend personeel en om 1 betrekking op te richten in een ambt van het ondersteunend personeel.
De oprichting van betrekkingen in de personeelscategorie van het varend personeel is gebaseerd op een puntensysteem, waarbij aan elk ambt een aantal punten wordt gekoppeld. Dit aantal punten wordt bepaald op basis van de salarisschaal van het personeelslid dat de betrekking uitoefent.
De Vlaamse Regering bepaalt de ambten en legt voor elk ambt de puntenwaarde vast volgens de salarisschaal.
Artikel 99novies. Het personeelslid dat in een betrekking in een ambt van het varend personeel wordt aangesteld, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid. De bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, zijn van toepassing, met uitzondering van volgende bepalingen :
1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. De inrichtende macht kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Die aanstelling wordt beschouwd als een reaffectatie of een wedertewerkstelling. Deze reaffectatie of wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het terbeschikkinggestelde personeelslid;
2° de bepalingen van artikelen 21 en 21bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikelen 23 en 23bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs zijn niet van toepassing;
3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. De inrichtende macht kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regeling voor de administratieve en geldelijke rechtspositie van de personeelsleden die worden aangesteld in een betrekking in een ambt van het varend personeel. ".
Art. 3.27. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 7 juillet 2006, il est inséré un chapitre XIter, comprenant les articles 99sexies à 99novies inclus, rédigé comme suit :
" CHAPITRE XIter. - Appui d'établissements qui organisent, au sein de la discipline 'Formations maritimes', l'option 'Navigation rhénane et intérieure'.
Section Ire. - Dispositions générales
Article 99sexies. Le présent titre s'applique à un établissement, financé ou subventionné par la Communauté flamande, qui organise au sein de la discipline 'Formations maritimes' l'option Navigation rhénane et intérieure'.
Section II. - Le personnel navigant
Article 99septies. Un établissement tel que visé à l'article 99sexies, a annuellement droit à une enveloppe de points forfaitaire de 605 points.
Le Gouvernement flamand peut adapter cette enveloppe de points en fonction des crédits budgétaires disponibles, en tenant compte du nombre d'élèves inscrits pour l'orientation 'Navigation rhénane et intérieure'.
Article 99octies. L'établissement utilise l'enveloppe de points, visée à l'article 99septies, afin de créer des emplois dans la catégorie du personnel navigant et afin de créer 1 emploi dans une fonction du personnel d'appui.
La création d'emplois dans la catégorie du personnel navigant est basée sur un système de points, rattachant un certain nombre de points à chacune des fonctions. Ce nombre de points est fixé sur la base de l'échelle de traitement du membre du personnel exerçant l'emploi.
Le Gouvernement flamand détermine les fonctions et détermine pour chaque fonction le nombre de points selon l'échelle de traitement.
Article 99novies. Le membre du personnel qui est désigné à une fonction du personnel navigant, l'est toujours en qualité de membre du personnel temporaire. Les dispositions du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ou du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné s'appliquent, a l'exception des dispositions suivantes :
1° l'emploi n'est pas régi par la réglementation relative à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation et à la remise au travail. Le pouvoir organisateur peut toutefois désigner, sur une base volontaire, un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi. Cette désignation est considérée comme une réaffectation ou une remise au travail. Cette réaffectation ou remise au travail s'opère toujours avec le consentement du membre du personnel mis en disponibilité;
2° les dispositions des articles 21 et 21bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ou des articles 23 et 23bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ne s'appliquent pas;
3° l'emploi ne peut être déclaré vacant. Aucun membre du personnel ne peut être nommé à titre définitif, affecté ou muté dans cet emploi par le pouvoir organisateur.
Le Gouvernement flamand détermine les modalités de la position administrative et du statut pécuniaire des membres du personnel qui sont désignés dans un emploi d'une fonction du personnel navigant. ".
" CHAPITRE XIter. - Appui d'établissements qui organisent, au sein de la discipline 'Formations maritimes', l'option 'Navigation rhénane et intérieure'.
Section Ire. - Dispositions générales
Article 99sexies. Le présent titre s'applique à un établissement, financé ou subventionné par la Communauté flamande, qui organise au sein de la discipline 'Formations maritimes' l'option Navigation rhénane et intérieure'.
Section II. - Le personnel navigant
Article 99septies. Un établissement tel que visé à l'article 99sexies, a annuellement droit à une enveloppe de points forfaitaire de 605 points.
Le Gouvernement flamand peut adapter cette enveloppe de points en fonction des crédits budgétaires disponibles, en tenant compte du nombre d'élèves inscrits pour l'orientation 'Navigation rhénane et intérieure'.
Article 99octies. L'établissement utilise l'enveloppe de points, visée à l'article 99septies, afin de créer des emplois dans la catégorie du personnel navigant et afin de créer 1 emploi dans une fonction du personnel d'appui.
La création d'emplois dans la catégorie du personnel navigant est basée sur un système de points, rattachant un certain nombre de points à chacune des fonctions. Ce nombre de points est fixé sur la base de l'échelle de traitement du membre du personnel exerçant l'emploi.
Le Gouvernement flamand détermine les fonctions et détermine pour chaque fonction le nombre de points selon l'échelle de traitement.
Article 99novies. Le membre du personnel qui est désigné à une fonction du personnel navigant, l'est toujours en qualité de membre du personnel temporaire. Les dispositions du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ou du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné s'appliquent, a l'exception des dispositions suivantes :
1° l'emploi n'est pas régi par la réglementation relative à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation et à la remise au travail. Le pouvoir organisateur peut toutefois désigner, sur une base volontaire, un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi. Cette désignation est considérée comme une réaffectation ou une remise au travail. Cette réaffectation ou remise au travail s'opère toujours avec le consentement du membre du personnel mis en disponibilité;
2° les dispositions des articles 21 et 21bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ou des articles 23 et 23bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ne s'appliquent pas;
3° l'emploi ne peut être déclaré vacant. Aucun membre du personnel ne peut être nommé à titre définitif, affecté ou muté dans cet emploi par le pouvoir organisateur.
Le Gouvernement flamand détermine les modalités de la position administrative et du statut pécuniaire des membres du personnel qui sont désignés dans un emploi d'une fonction du personnel navigant. ".
Art. 3.28. In hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk XIquater, bestaande uit artikel 99decies, ingevoegd, dat luidt als volgt :
" HOOFDSTUK XIquater. - Ondersteuning van topsportscholen
Artikel 99decies. § 1. Aan elke topsportschool met tweede en derde graad voltijds secundair onderwijs die onder toepassing valt van het tussen de Vlaamse Regering, de sportinstanties en de onderwijsverstrekkers gesloten topsportconvenant, wordt een betrekking van topsportschoolcoördinator toegekend.
Deze bijkomende betrekking is niet opdeelbaar; ze kan slechts door één personeelslid, dat exclusief en voltijds met topsportschoolcoördinatie is belast, worden uitgeoefend. De betrekking wordt ingericht in één van de volgende ambten, naar keuze van de betrokken inrichtende macht : adjunct-directeur, technisch adviseur-coördinator, technisch adviseur, leraar.
§ 2. In geval de betrekking wordt ingericht in het ambt van leraar, dan wordt de opdracht uitgeoefend onder vorm van uren die geen lesuren zijn, meer bepaald als bijzondere pedagogische taken.
In voorkomend geval worden de desbetreffende uren niet verrekend bij toepassing van de bepaling dat maximum 3 % van het aantal uren-leraar van een onderwijsinstelling gebruikt kan worden voor bijzondere pedagogische taken, zoals vermeld in artikel 57, § 3bis, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II. ".
" HOOFDSTUK XIquater. - Ondersteuning van topsportscholen
Artikel 99decies. § 1. Aan elke topsportschool met tweede en derde graad voltijds secundair onderwijs die onder toepassing valt van het tussen de Vlaamse Regering, de sportinstanties en de onderwijsverstrekkers gesloten topsportconvenant, wordt een betrekking van topsportschoolcoördinator toegekend.
Deze bijkomende betrekking is niet opdeelbaar; ze kan slechts door één personeelslid, dat exclusief en voltijds met topsportschoolcoördinatie is belast, worden uitgeoefend. De betrekking wordt ingericht in één van de volgende ambten, naar keuze van de betrokken inrichtende macht : adjunct-directeur, technisch adviseur-coördinator, technisch adviseur, leraar.
§ 2. In geval de betrekking wordt ingericht in het ambt van leraar, dan wordt de opdracht uitgeoefend onder vorm van uren die geen lesuren zijn, meer bepaald als bijzondere pedagogische taken.
In voorkomend geval worden de desbetreffende uren niet verrekend bij toepassing van de bepaling dat maximum 3 % van het aantal uren-leraar van een onderwijsinstelling gebruikt kan worden voor bijzondere pedagogische taken, zoals vermeld in artikel 57, § 3bis, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II. ".
Art. 3.28. Dans le même décret, il est inséré un chapitre XIquater, comprenant l'article 99decies, rédigé comme suit :
" CHAPITRE XIquater. - Appui aux écoles de sport de haut niveau
Article 99decies. § 1er. Il est attribué à chaque école de sport de haut niveau disposant du deuxième et troisième degré d'enseignement secondaire à temps plein, et relevant de la convention en matière de sport de haut niveau conclue entre le Gouvernement flamand, les instances sportives et les dispensateurs d'enseignement, un emploi de coordinateur d'école de sport de haut niveau.
Cet emploi supplémentaire est indivisible et ne peut être exercé que par un seul membre du personnel chargé exclusivement et à temps plein de la coordination de l'école de sport de haut niveau. L'emploi est créé dans une des fonctions suivantes, au choix du pouvoir organisateur concerne : directeur adjoint, conseiller technique-coordinateur, conseiller technique, professeur.
§ 2. Si l'emploi est créé dans la fonction de professeur, la tache est accomplie sous forme d'heures qui ne sont pas des heures de cours, notamment sous forme de tâches pédagogiques particulières.
Le cas échéant, les heures concernées ne sont pas réglées en application de la disposition qu'un maximum de 3 % du nombre des périodes-professeur d'un établissement d'enseignement peut être utilisé pour des tâches pédagogiques particulières, telles que visées à l'article 57, § 3bis, du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement II. ".
" CHAPITRE XIquater. - Appui aux écoles de sport de haut niveau
Article 99decies. § 1er. Il est attribué à chaque école de sport de haut niveau disposant du deuxième et troisième degré d'enseignement secondaire à temps plein, et relevant de la convention en matière de sport de haut niveau conclue entre le Gouvernement flamand, les instances sportives et les dispensateurs d'enseignement, un emploi de coordinateur d'école de sport de haut niveau.
Cet emploi supplémentaire est indivisible et ne peut être exercé que par un seul membre du personnel chargé exclusivement et à temps plein de la coordination de l'école de sport de haut niveau. L'emploi est créé dans une des fonctions suivantes, au choix du pouvoir organisateur concerne : directeur adjoint, conseiller technique-coordinateur, conseiller technique, professeur.
§ 2. Si l'emploi est créé dans la fonction de professeur, la tache est accomplie sous forme d'heures qui ne sont pas des heures de cours, notamment sous forme de tâches pédagogiques particulières.
Le cas échéant, les heures concernées ne sont pas réglées en application de la disposition qu'un maximum de 3 % du nombre des périodes-professeur d'un établissement d'enseignement peut être utilisé pour des tâches pédagogiques particulières, telles que visées à l'article 57, § 3bis, du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement II. ".
Afdeling III. - Opheffen van bepalingen.
Section III. - Abrogation de dispositions.
Art. 3.29. In het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende inrichting van het deeltijds beroepssecundair onderwijs worden de artikelen 11, 11bis, 12, 13, 15 en 17 opgeheven.
Art. 3.29. Dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, les articles 11, 11bis, 12, 13, 15 et 17 sont abrogés.
Art. 3.30. In het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 tot vaststelling van het pakket " uren-leraar " in het voltijds secundair onderwijs wordt artikel 15ter opgeheven.
Art. 3.30. Dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 fixant le capital " périodes-professeur " dans l'enseignement secondaire à temps plein, l'article 15ter est abrogé.
Afdeling IV. - Buitengewoon secundair onderwijs.
Section IV. - Enseignement secondaire spécial.
Onderafdeling I. - Koninklijk besluit tot vaststelling van de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het buitengewoon onderwijs.
Sous-section 1re. - Arrêté royal fixant les fonctions du personnel directeur et enseignant dans l'enseignement spécial.
Art. 3.31. In het koninklijk besluit nr. 65 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in artikel 2, § 5, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002, wordt de datum " 15 september " vervangen door de datum " 1 november ";
2° in artikel 2, § 6, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002, wordt de datum " 15 november " vervangen door de datum " 1 november ".
1° in artikel 2, § 5, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002, wordt de datum " 15 september " vervangen door de datum " 1 november ";
2° in artikel 2, § 6, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002, wordt de datum " 15 november " vervangen door de datum " 1 november ".
Art. 3.31. A l'arrêté royal n° 65 du 20 juillet 1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel directeur et enseignant dans les établissements d'enseignement spécial, sont apportées les modifications suivantes :
1° à l'article 2, § 5, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 décembre 2002, la date " 15 septembre " est remplacée par la date " 1er novembre ";
2° à l'article 2, § 6, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 décembre 2002, la date " 15 novembre " est remplacée par la date " 1er novembre ".
1° à l'article 2, § 5, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 décembre 2002, la date " 15 septembre " est remplacée par la date " 1er novembre ";
2° à l'article 2, § 6, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 décembre 2002, la date " 15 novembre " est remplacée par la date " 1er novembre ".
Art. 3.32. Aan artikel 25 van hetzelfde koninklijk besluit nr. 65, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 1994 en bij het decreet van 7 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 1994, wordt het getal " 90 " vervangen door het getal " 72 ";
2° in § 3 wordt het getal " 90 " vervangen door het getal " 72 ".
1° in § 2, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 1994, wordt het getal " 90 " vervangen door het getal " 72 ";
2° in § 3 wordt het getal " 90 " vervangen door het getal " 72 ".
Art. 3.32. A l'article 25 du même arrêté royal n° 65, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 1994 et par le décret du 7 juillet 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le § 2, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 1994, le nombre " 90 " est remplacé par le nombre " 72 ";
2° dans le § 3 le nombre " 90 " est remplacé par le nombre " 72 ".
1° dans le § 2, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 1994, le nombre " 90 " est remplacé par le nombre " 72 ";
2° dans le § 3 le nombre " 90 " est remplacé par le nombre " 72 ".
Onderafdeling II. - Koninklijk besluit tot vaststelling van de andere ambten in het buitengewoon onderwijs.
Sous-section II. - Arrêté royal fixant les autres fonctions dans l'enseignement spécial.
Art. 3.33. In het koninklijk besluit nr. 67 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel worden bepaald in het buitengewoon secundair onderwijs, worden in artikel 3 de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 4, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002, wordt de datum " 15 september " vervangen door de datum " 1 november ";
2° in § 6, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002, wordt de datum " 15 november " vervangen door de datum " 1 november ".
1° in § 4, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002, wordt de datum " 15 september " vervangen door de datum " 1 november ";
2° in § 6, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002, wordt de datum " 15 november " vervangen door de datum " 1 november ".
Art. 3.33. A l'article 3 de l'arrêté royal n°67 du 20 juillet 1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique dans l'enseignement secondaire spécial, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le § 4, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 décembre 2002, la date " 15 septembre " est remplacée par la date " 1er novembre ";
2° dans le § 6, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 décembre 2002, la date " 15 novembre " est remplacée par la date " 1er novembre ".
1° dans le § 4, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 décembre 2002, la date " 15 septembre " est remplacée par la date " 1er novembre ";
2° dans le § 6, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 décembre 2002, la date " 15 novembre " est remplacée par la date " 1er novembre ".
Afdeling V. - Inwerkingtreding.
Section V. - Entrée en vigueur.
Art. 3.34. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 september 2007, met uitzondering van :
1° artikel III.20, 1°, dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 2006;
2° artikel III.27 dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2007.
1° artikel III.20, 1°, dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 2006;
2° artikel III.27 dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2007.
Art. 3.34. Les dispositions du présent chapitre entrent en vigueur le 1er septembre 2007, à l'exception :
1° de l'article III.20, 1°, qui produit ses effets le 1 septembre 2006;
2° de l'article III.27, qui produit ses effets le 1er janvier 2007.
1° de l'article III.20, 1°, qui produit ses effets le 1 septembre 2006;
2° de l'article III.27, qui produit ses effets le 1er janvier 2007.
HOOFDSTUK IV. - Levenslang Leren.
CHAPITRE IV. - Apprentissage tout au long de la vie.
Afdeling I. - Deeltijds kunstonderwijs.
Section Ire. - Enseignement artistique à temps partiel.
Art. 4.1. Artikel 98 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 98 § 1. In instellingen voor deeltijds kunstonderwijs worden uren-opsteller gefinancierd of gesubsidieerd.
§ 2. De oprichting van betrekkingen in het ambt van opsteller is gebaseerd op het aantal financierbare leerlingen ingeschreven op de voor de financierbaarheid relevante teldag.
§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden tot het verkrijgen van de uren alsook het aantal en de wijze van berekening ervan. ".
" Artikel 98 § 1. In instellingen voor deeltijds kunstonderwijs worden uren-opsteller gefinancierd of gesubsidieerd.
§ 2. De oprichting van betrekkingen in het ambt van opsteller is gebaseerd op het aantal financierbare leerlingen ingeschreven op de voor de financierbaarheid relevante teldag.
§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden tot het verkrijgen van de uren alsook het aantal en de wijze van berekening ervan. ".
Art. 4.1. L'article 98 du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement II est remplacé par les dispositions suivantes :
" Article 98. § 1er. Dans les établissements de l'enseignement artistique à temps partiel, des heures-rédacteur sont financées ou subventionnées.
§ 2. La création d'emplois dans la fonction de rédacteur est basée sur le nombre d'élèves éligibles au financement qui sont inscrits au jour de comptage pertinent pour l'éligibilité au financement.
§ 3. Le Gouvernement flamand détermine les conditions pour l'obtention des heures ainsi que leur nombre et le mode de leur calcul. ".
" Article 98. § 1er. Dans les établissements de l'enseignement artistique à temps partiel, des heures-rédacteur sont financées ou subventionnées.
§ 2. La création d'emplois dans la fonction de rédacteur est basée sur le nombre d'élèves éligibles au financement qui sont inscrits au jour de comptage pertinent pour l'éligibilité au financement.
§ 3. Le Gouvernement flamand détermine les conditions pour l'obtention des heures ainsi que leur nombre et le mode de leur calcul. ".
Art. 4.2. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2006, wordt een artikel 98bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Artikel 98bis § 1. In de instellingen voor deeltijds kunstonderwijs die op 30 juni 2007 beschikken over een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking in het ambt van studiemeester-opvoeder, waar een vastbenoemd personeelslid of een tijdelijk personeelslid in een vacante betrekking titularis van is, of waar op 30 juni 2007 een vast benoemd studiemeester-opvoeder ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking, wordt dat ambt gefinancierd of gesubsidieerd, zolang datzelfde personeelslid er titularis is.
Het recht vermeld in het eerste lid is beperkt tot de omvang van de betrekking waarvan dat personeelslid titularis was op 30 juni 2007.
§ 2. De omkadering voor de betrekkingen vermeld in § 1, wordt in mindering gebracht van de omkadering voor uren-opsteller zoals bedoeld in artikel 98, § 1.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze vermindering gebeurt. ".
" Artikel 98bis § 1. In de instellingen voor deeltijds kunstonderwijs die op 30 juni 2007 beschikken over een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking in het ambt van studiemeester-opvoeder, waar een vastbenoemd personeelslid of een tijdelijk personeelslid in een vacante betrekking titularis van is, of waar op 30 juni 2007 een vast benoemd studiemeester-opvoeder ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking, wordt dat ambt gefinancierd of gesubsidieerd, zolang datzelfde personeelslid er titularis is.
Het recht vermeld in het eerste lid is beperkt tot de omvang van de betrekking waarvan dat personeelslid titularis was op 30 juni 2007.
§ 2. De omkadering voor de betrekkingen vermeld in § 1, wordt in mindering gebracht van de omkadering voor uren-opsteller zoals bedoeld in artikel 98, § 1.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze vermindering gebeurt. ".
Art. 4.2. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 7 juillet 2006, il est inséré un article 98bis, rédigé comme suit :
" Article 98bis. § 1er. Dans les établissements d'enseignement artistique à temps partiel disposant le 30 juin 2007 d'un emploi financé ou subventionné dans la fonction de surveillant-éducateur, dont un membre du personnel nommé à titre définitif ou un membre du personnel temporaire dans un emploi vacant est titulaire, ou un surveillant-éducateur nommé à titre définitif est mis en disponibilité le 30 juin 2007 par défaut d'emploi, cette fonction est financée ou subventionnée tant que le même membre du personnel en est titulaire.
Le droit visé à l'alinéa premier se limite au volume de l'emploi dont ce membre du personnel était titulaire le 30 juin 2007.
§ 2. L'encadrement pour les emplois visés au § 1er, est déduit de l'encadrement pour les heures-rédacteur, tel que visé a l'article 98, § 1er.
Le Gouvernement flamand détermine la façon dont cette diminution est appliquée. ".
" Article 98bis. § 1er. Dans les établissements d'enseignement artistique à temps partiel disposant le 30 juin 2007 d'un emploi financé ou subventionné dans la fonction de surveillant-éducateur, dont un membre du personnel nommé à titre définitif ou un membre du personnel temporaire dans un emploi vacant est titulaire, ou un surveillant-éducateur nommé à titre définitif est mis en disponibilité le 30 juin 2007 par défaut d'emploi, cette fonction est financée ou subventionnée tant que le même membre du personnel en est titulaire.
Le droit visé à l'alinéa premier se limite au volume de l'emploi dont ce membre du personnel était titulaire le 30 juin 2007.
§ 2. L'encadrement pour les emplois visés au § 1er, est déduit de l'encadrement pour les heures-rédacteur, tel que visé a l'article 98, § 1er.
Le Gouvernement flamand détermine la façon dont cette diminution est appliquée. ".
Afdeling II. - Decreet tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs.
Section II. - Décret réglant certaines matières de l'éducation des adultes.
Art. 4.3. In artikel 41 van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 4, 2°, worden de volgende woorden toegevoegd : " of voor zover deze combinatie door de Vlaamse Regering bekrachtigd wordt ";
2° in § 4, 3°, worden de woorden " dat nieuw verworven diploma in het voltijds secundair onderwijs kan worden uitgereikt " vervangen door de woorden " de opleiding conform 2° leidt tot een diploma secundair onderwijs ";
3° er wordt een § 6 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 6. Ter uitvoering van § 4, 2°, bepaalt de Vlaamse Regering de opleidingen TSO of BSO van de derde graad van andere studiegebieden die in combinatie met een opleiding algemene vorming TSO of BSO van de derde graad van het studiegebied algemene vorming leiden tot een diploma secundair onderwijs. Hiertoe moeten die opleidingen voldoen aan volgende voorwaarden :
1° de minimale duur van de opleiding omvat 480 lestijden;
2° de opleiding beoogt een brede maatschappelijke participatie;
3° de opleiding, in combinatie met een opleiding algemene vorming TSO of BSO van de derde graad van het studiegebied algemene vorming, verleent toegang tot het hoger onderwijs;
4° de opleiding, in combinatie met een opleiding algemene vorming TSO of BSO van de derde graad van het studiegebied algemene vorming, verleent in voldoende mate toegang tot de arbeidsmarkt. ".
1° in § 4, 2°, worden de volgende woorden toegevoegd : " of voor zover deze combinatie door de Vlaamse Regering bekrachtigd wordt ";
2° in § 4, 3°, worden de woorden " dat nieuw verworven diploma in het voltijds secundair onderwijs kan worden uitgereikt " vervangen door de woorden " de opleiding conform 2° leidt tot een diploma secundair onderwijs ";
3° er wordt een § 6 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 6. Ter uitvoering van § 4, 2°, bepaalt de Vlaamse Regering de opleidingen TSO of BSO van de derde graad van andere studiegebieden die in combinatie met een opleiding algemene vorming TSO of BSO van de derde graad van het studiegebied algemene vorming leiden tot een diploma secundair onderwijs. Hiertoe moeten die opleidingen voldoen aan volgende voorwaarden :
1° de minimale duur van de opleiding omvat 480 lestijden;
2° de opleiding beoogt een brede maatschappelijke participatie;
3° de opleiding, in combinatie met een opleiding algemene vorming TSO of BSO van de derde graad van het studiegebied algemene vorming, verleent toegang tot het hoger onderwijs;
4° de opleiding, in combinatie met een opleiding algemene vorming TSO of BSO van de derde graad van het studiegebied algemene vorming, verleent in voldoende mate toegang tot de arbeidsmarkt. ".
Art. 4.3. A l'article 41 du décret du 2 mars 1999 réglant certaines matières relatives à l'éducation des adultes, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 4, 2°, les mots suivants sont ajoutés : " ou pour autant que cette combinaison soit ratifiée par le Gouvernement flamand ";
2° au § 4, 3°, les mots " ce diplôme nouvellement obtenu puisse être délivré dans l'enseignement secondaire à temps plein " sont remplacés par les mots " la formation conformément au 2° conduise en un diplôme de l'enseignement secondaire ";
3° il est ajouté un § 6, rédigé comme suit :
" § 6. En exécution du § 4, 2°, le Gouvernement flamand arrête les formations EST ou ESP du troisième degré d'autres disciplines qui, en combinaison avec une formation formation générale' EST ou ESP du troisième degré de la discipline formation générale, conduisent à un diplôme de l'enseignement secondaire. A cette fin, ces formations doivent remplir les conditions suivantes :
1° la durée minimum de la formation est de 480 périodes;
2° la formation vise une large participation sociale;
3° la formation, en combinaison avec une formation formation générale' EST ou ESP du troisième degré de la discipline 'formation générale', donne accès à l'enseignement supérieur;
4° la formation, en combinaison avec une formation formation générale' EST ou ESP du troisième degré de la discipline 'formation générale', donne en mesure suffisante accès au marché de l'emploi. ".
1° au § 4, 2°, les mots suivants sont ajoutés : " ou pour autant que cette combinaison soit ratifiée par le Gouvernement flamand ";
2° au § 4, 3°, les mots " ce diplôme nouvellement obtenu puisse être délivré dans l'enseignement secondaire à temps plein " sont remplacés par les mots " la formation conformément au 2° conduise en un diplôme de l'enseignement secondaire ";
3° il est ajouté un § 6, rédigé comme suit :
" § 6. En exécution du § 4, 2°, le Gouvernement flamand arrête les formations EST ou ESP du troisième degré d'autres disciplines qui, en combinaison avec une formation formation générale' EST ou ESP du troisième degré de la discipline formation générale, conduisent à un diplôme de l'enseignement secondaire. A cette fin, ces formations doivent remplir les conditions suivantes :
1° la durée minimum de la formation est de 480 périodes;
2° la formation vise une large participation sociale;
3° la formation, en combinaison avec une formation formation générale' EST ou ESP du troisième degré de la discipline 'formation générale', donne accès à l'enseignement supérieur;
4° la formation, en combinaison avec une formation formation générale' EST ou ESP du troisième degré de la discipline 'formation générale', donne en mesure suffisante accès au marché de l'emploi. ".
Art. 4.4. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 september 2007, met uitzondering van artikel IV.3 dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 2004.
Art. 4.4. Les dispositions du présent chapitre entrent en vigueur le 1er septembre 2007, à l'exception de l'article IV.3 qui produit ses effets le 1er septembre 2004.
HOOFDSTUK V. - Hoger Onderwijs.
CHAPITRE V. - Enseignement supérieur.
Afdeling I. - Decreet betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap.
Section Ire. - Décret relatif aux universités dans la Communauté flamande.
Art. 5.1. Aan artikel 96 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid wordt na de eerste zin een nieuwe zin ingevoegd die luidt als volgt :
" De hogere salarisschaal kan zowel worden toegekend bij een aanstelling of benoeming als bij de bevordering van een personeelslid dat reeds in dienst is. ";
2° het derde lid wordt vervangen door wat volgt :
" Het universiteitsbestuur houdt bij de toekenning van de hogere salarisschaal rekening met de verworven ervaring, de doorlopen beroepscarrière en de verworven kwalificaties. ".
1° in het tweede lid wordt na de eerste zin een nieuwe zin ingevoegd die luidt als volgt :
" De hogere salarisschaal kan zowel worden toegekend bij een aanstelling of benoeming als bij de bevordering van een personeelslid dat reeds in dienst is. ";
2° het derde lid wordt vervangen door wat volgt :
" Het universiteitsbestuur houdt bij de toekenning van de hogere salarisschaal rekening met de verworven ervaring, de doorlopen beroepscarrière en de verworven kwalificaties. ".
Art. 5.1. A l'article 96 du décret du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa deux, il est inséré après la première phrase, une nouvelle phrase rédigée comme suit :
" L'échelle de traitement supérieure peut être attribuée tant lors d'une désignation ou nomination que lors de la promotion d'un membre du personnel déjà en service. ";
2° l'alinéa trois est remplacé par la disposition suivante :
" Lors de l'attribution de l'échelle de traitement supérieure, les autorités universitaires tiennent compte des expériences acquises, de la carrière professionnelle parcourue et des qualifications acquises. ".
1° dans l'alinéa deux, il est inséré après la première phrase, une nouvelle phrase rédigée comme suit :
" L'échelle de traitement supérieure peut être attribuée tant lors d'une désignation ou nomination que lors de la promotion d'un membre du personnel déjà en service. ";
2° l'alinéa trois est remplacé par la disposition suivante :
" Lors de l'attribution de l'échelle de traitement supérieure, les autorités universitaires tiennent compte des expériences acquises, de la carrière professionnelle parcourue et des qualifications acquises. ".
Art. 5.2. Aan artikel 112 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid wordt er tussen de eerste en de tweede zin een zin toegevoegd die luidt als volgt :
" Een vacature wordt via ten minste twee openbare informatiekanalen bekendgemaakt. ";
2° in het derde lid worden de woorden " ten hoogste twee opeenvolgende graden van hetzelfde niveau " vervangen door de woorden " ten hoogste drie opeenvolgende graden ".
1° in het eerste lid wordt er tussen de eerste en de tweede zin een zin toegevoegd die luidt als volgt :
" Een vacature wordt via ten minste twee openbare informatiekanalen bekendgemaakt. ";
2° in het derde lid worden de woorden " ten hoogste twee opeenvolgende graden van hetzelfde niveau " vervangen door de woorden " ten hoogste drie opeenvolgende graden ".
Art. 5.2. A l'article 112 du même décret sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa premier, entre la première et la deuxième phrase, il est inséré une phrase rédigée comme suit :
" Une vacance d'emploi est publiée par le biais d'au moins deux canaux d'information publics. ";
2° dans l'alinéa trois, les mots " au maximum deux grades successifs du même niveau " sont remplacés par les mots " au maximum trois grades successifs ".
1° dans l'alinéa premier, entre la première et la deuxième phrase, il est inséré une phrase rédigée comme suit :
" Une vacance d'emploi est publiée par le biais d'au moins deux canaux d'information publics. ";
2° dans l'alinéa trois, les mots " au maximum deux grades successifs du même niveau " sont remplacés par les mots " au maximum trois grades successifs ".
Art. 5.3. Artikel 113 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 5.3. L'article 113 du même décret est abrogé.
Art. 5.4. In artikel 117, eerste lid, 1°, van hetzelfde decreet worden de woorden " en 113 " opgeheven.
Art. 5.4. Dans l'article 117, alinéa premier, 1°, du même décret, les mots " et 113 " sont abrogés.
Afdeling II. - Decreet betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.
Section II. - Décret relatif aux instituts supérieurs en Communautés flamande.
Art. 5.5. In artikel 89, 7°, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap worden de tweede en derde zin opgeheven.
Art. 5.5. Dans l'article 89, 7°, du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande, la deuxième phrase et la troisième phrase sont abrogées.
Art. 5.6. Artikel 92, § 1, 3°, van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 5.6. L'article 92, § 1, 3°, du même décret est abrogé.
Art. 5.7. Artikel 95 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 95 In de gevallen vermeld in artikel 92, § 1, 8, artikel 92, § 2, en artikel 93, § 2 en § 3, motiveert het hogeschoolbestuur de beslissing die leidt tot de beëindiging van de aanstelling of de definitieve ambtsneerlegging. ".
" Artikel 95 In de gevallen vermeld in artikel 92, § 1, 8, artikel 92, § 2, en artikel 93, § 2 en § 3, motiveert het hogeschoolbestuur de beslissing die leidt tot de beëindiging van de aanstelling of de definitieve ambtsneerlegging. ".
Art. 5.7. L'article 95 du même décret est remplacé par les dispositions suivantes :
" Article 95. Dans les cas visés à l'article 92, § 1er, 8, à l'article 92, § 2, et à l'article 93, §§ 2 et 3, la direction de l'institut supérieur motive la décision conduisant à la fin de la désignation ou à la cessation définitive des fonctions. ".
" Article 95. Dans les cas visés à l'article 92, § 1er, 8, à l'article 92, § 2, et à l'article 93, §§ 2 et 3, la direction de l'institut supérieur motive la décision conduisant à la fin de la désignation ou à la cessation définitive des fonctions. ".
Art. 5.8. In artikel 101 van hetzelfde decreet wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
" De ambten van het onderwijzend personeel van de hogescholen worden in de volgende drie groepen ingedeeld :
1° groep 1 : de praktijklector, de hoofdpraktijklector, de lector en de hoofdlector;
2° groep 2 : het assisterend personeel : de assistent, de doctor-assistent en de werkleider;
3° groep 3 : de docent, de hoofddocent, de hoogleraar en de gewoon hoogleraar.
De ambten van groep 1 kunnen uitsluitend worden verleend in de professionele bacheloropleidingen. De lectoren en hoofdlectoren kunnen ook belast worden met praktijkgericht onderwijs in de academische bacheloropleidingen.
De ambten van groep 2 kunnen uitsluitend worden verleend in de academische opleidingen. De praktijkassistenten, de benoemde assistenten en de werkleiders kunnen ook belast worden met een opdracht in de professionele bacheloropleidingen.
De ambten van groep 3 kunnen zowel in de professionele als in de academische opleidingen worden verleend. ".
" De ambten van het onderwijzend personeel van de hogescholen worden in de volgende drie groepen ingedeeld :
1° groep 1 : de praktijklector, de hoofdpraktijklector, de lector en de hoofdlector;
2° groep 2 : het assisterend personeel : de assistent, de doctor-assistent en de werkleider;
3° groep 3 : de docent, de hoofddocent, de hoogleraar en de gewoon hoogleraar.
De ambten van groep 1 kunnen uitsluitend worden verleend in de professionele bacheloropleidingen. De lectoren en hoofdlectoren kunnen ook belast worden met praktijkgericht onderwijs in de academische bacheloropleidingen.
De ambten van groep 2 kunnen uitsluitend worden verleend in de academische opleidingen. De praktijkassistenten, de benoemde assistenten en de werkleiders kunnen ook belast worden met een opdracht in de professionele bacheloropleidingen.
De ambten van groep 3 kunnen zowel in de professionele als in de academische opleidingen worden verleend. ".
Art. 5.8. Dans l'article 101 du même décret, l'alinéa deux est remplacé par la disposition suivante :
" Les fonctions du personnel enseignant des instituts supérieurs sont réparties en trois groupes :
1° groupe 1 : le maître de conférences de formation pratique, le maître de conférences principal de formation pratique, le maître de conférences et le maître de conférences principal;
2° groupe 2 : le personnel assistant : l'assistant, le docteur-assistant et le chef de travaux;
3° groupe 3 : le chargé de cours, le chargé de cours principal, le professeur et le professeur ordinaire.
Les fonctions du premier groupe ne peuvent être conférées que dans les formations professionnelles de bachelor. Les maîtres de conférences et les maîtres des conférences principaux peuvent également être chargés de l'enseignement axé sur la pratique dans les formations académiques de bachelor.
Les fonctions du deuxième groupe ne peuvent être conférées que dans les formations académiques. Les assistants de pratique, les assistants nommés et les chefs de travaux peuvent également être chargés d'une mission dans les formations professionnelles de bachelor.
Les fonctions du troisième groupe peuvent être conférées tant dans les formations professionnelles que dans les formations académiques. ".
" Les fonctions du personnel enseignant des instituts supérieurs sont réparties en trois groupes :
1° groupe 1 : le maître de conférences de formation pratique, le maître de conférences principal de formation pratique, le maître de conférences et le maître de conférences principal;
2° groupe 2 : le personnel assistant : l'assistant, le docteur-assistant et le chef de travaux;
3° groupe 3 : le chargé de cours, le chargé de cours principal, le professeur et le professeur ordinaire.
Les fonctions du premier groupe ne peuvent être conférées que dans les formations professionnelles de bachelor. Les maîtres de conférences et les maîtres des conférences principaux peuvent également être chargés de l'enseignement axé sur la pratique dans les formations académiques de bachelor.
Les fonctions du deuxième groupe ne peuvent être conférées que dans les formations académiques. Les assistants de pratique, les assistants nommés et les chefs de travaux peuvent également être chargés d'une mission dans les formations professionnelles de bachelor.
Les fonctions du troisième groupe peuvent être conférées tant dans les formations professionnelles que dans les formations académiques. ".
Art. 5.9. Artikel 119 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 119 § 1. Het hogeschoolbestuur bepaalt bij reglement de voorwaarden voor aanstelling of benoeming. Een vacature wordt via ten minste twee openbare informatiekanalen bekendgemaakt.
§ 2. Elke werving in een vacante betrekking, met uitzondering van de aanstelling van minder dan één academiejaar, kan slechts gebeuren na een openbare vacature. ".
" Artikel 119 § 1. Het hogeschoolbestuur bepaalt bij reglement de voorwaarden voor aanstelling of benoeming. Een vacature wordt via ten minste twee openbare informatiekanalen bekendgemaakt.
§ 2. Elke werving in een vacante betrekking, met uitzondering van de aanstelling van minder dan één academiejaar, kan slechts gebeuren na een openbare vacature. ".
Art. 5.9. L'article 119 du même décret est remplacé par les dispositions suivantes :
" Article 119. § 1er. La direction de l'institut supérieur établit par règlement les conditions de désignation ou de nomination. Une vacance d'emploi est publiée par le biais d'au moins deux canaux d'information publics.
§ 2. Chaque recrutement dans un poste vacant, à l'exception de la désignation de moins d'une année académique, ne peut s'opérer qu'après une vacance publique. ".
" Article 119. § 1er. La direction de l'institut supérieur établit par règlement les conditions de désignation ou de nomination. Une vacance d'emploi est publiée par le biais d'au moins deux canaux d'information publics.
§ 2. Chaque recrutement dans un poste vacant, à l'exception de la désignation de moins d'une année académique, ne peut s'opérer qu'après une vacance publique. ".
Art. 5.10. Aan artikel 122 van hetzelfde decreet wordt een § 2bis toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 2bis. In afwijking van de bepalingen in § 2, kan het hogeschoolbestuur een lid van het onderwijzend personeel dat de leeftijd van 55 jaar bereikt heeft en de voorwaarden voor vaste benoeming vervult, en dat sinds 1 januari 1996 ononderbroken in dienst is van de hogeschool als assistent, benoemen in het ambt van assistent. Indien het personeelslid reeds een benoeming heeft in een ander onderwijsniveau, kan het slechts ten belope van maximaal één voltijdse benoeming vastbenoemd zijn. ".
" § 2bis. In afwijking van de bepalingen in § 2, kan het hogeschoolbestuur een lid van het onderwijzend personeel dat de leeftijd van 55 jaar bereikt heeft en de voorwaarden voor vaste benoeming vervult, en dat sinds 1 januari 1996 ononderbroken in dienst is van de hogeschool als assistent, benoemen in het ambt van assistent. Indien het personeelslid reeds een benoeming heeft in een ander onderwijsniveau, kan het slechts ten belope van maximaal één voltijdse benoeming vastbenoemd zijn. ".
Art. 5.10. L'article 122 du même décret est complété par un § 2bis, rédigé comme suit :
" § 2bis. Par dérogation aux dispositions du § 2, la direction de l'institut supérieur peut nommer dans la fonction d'assistant, un membre du personnel enseignant qui a atteint l'âge de 55 ans et remplit les conditions pour une nomination à titre définitif, et qui a été en service, sans interruption et depuis le 1er janvier 1996, en tant qu'assistant auprès de l'institut supérieur. Si le membre du personnel a déjà une nomination dans un autre niveau d'enseignement, il ne peut être nommé définitivement qu'à concurrence d'une nomination à temps plein au maximum. ".
" § 2bis. Par dérogation aux dispositions du § 2, la direction de l'institut supérieur peut nommer dans la fonction d'assistant, un membre du personnel enseignant qui a atteint l'âge de 55 ans et remplit les conditions pour une nomination à titre définitif, et qui a été en service, sans interruption et depuis le 1er janvier 1996, en tant qu'assistant auprès de l'institut supérieur. Si le membre du personnel a déjà une nomination dans un autre niveau d'enseignement, il ne peut être nommé définitivement qu'à concurrence d'une nomination à temps plein au maximum. ".
Art. 5.11. Artikel 166 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 166 § 1. Het hogeschoolbestuur bepaalt bij reglement de voorwaarden voor aanstelling en/of benoeming. Een vacature wordt via ten minste twee openbare informatiekanalen bekendgemaakt.
§ 2. Elke werving in een vacante betrekking kan slechts gebeuren na een openbare vacature. ".
" Artikel 166 § 1. Het hogeschoolbestuur bepaalt bij reglement de voorwaarden voor aanstelling en/of benoeming. Een vacature wordt via ten minste twee openbare informatiekanalen bekendgemaakt.
§ 2. Elke werving in een vacante betrekking kan slechts gebeuren na een openbare vacature. ".
Art. 5.11. L'article 166 du même décret est remplacé par les dispositions suivantes :
" Article 166. § 1er. La direction de l'institut supérieur établit par règlement les conditions de désignation et/ou de nomination. Une vacance d'emploi est publiée par le biais d'au moins deux canaux d'information publics.
§ 2. Chaque recrutement dans un emploi vacant ne peut s'opérer qu'après une vacance publique. ".
" Article 166. § 1er. La direction de l'institut supérieur établit par règlement les conditions de désignation et/ou de nomination. Une vacance d'emploi est publiée par le biais d'au moins deux canaux d'information publics.
§ 2. Chaque recrutement dans un emploi vacant ne peut s'opérer qu'après une vacance publique. ".
Art. 5.12. Artikel 168 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 5.12. L'article 168 du même décret est abrogé.
Art. 5.13. Artikel 197 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 197 Deze investeringsmiddelen dragen uitsluitend bij tot de dekking van de uitgaven voor de aankoop van gebouwen, voor de gehele of gedeeltelijke nieuwbouw of verbouwing, voor de voorafgaande afbraakwerken, voor de omgevingswerken, voor de eerste uitrusting, voor de aankoop van gronden, voor de aankoop van didactische en wetenschappelijke apparatuur, voor de onroerende investeringen met betrekking tot de sociale voorzieningen, tot dekking van de kapitaal- en intrestlasten voortspruitend uit leningen ten behoeve van de investeringsuitgaven, tot dekking van de investeringsuitgaven bij publieke private samenwerkingsovereenkomsten en tot dekking van de investeringsuitgaven bij promotieovereenkomsten voor aanneming van werken. ".
" Artikel 197 Deze investeringsmiddelen dragen uitsluitend bij tot de dekking van de uitgaven voor de aankoop van gebouwen, voor de gehele of gedeeltelijke nieuwbouw of verbouwing, voor de voorafgaande afbraakwerken, voor de omgevingswerken, voor de eerste uitrusting, voor de aankoop van gronden, voor de aankoop van didactische en wetenschappelijke apparatuur, voor de onroerende investeringen met betrekking tot de sociale voorzieningen, tot dekking van de kapitaal- en intrestlasten voortspruitend uit leningen ten behoeve van de investeringsuitgaven, tot dekking van de investeringsuitgaven bij publieke private samenwerkingsovereenkomsten en tot dekking van de investeringsuitgaven bij promotieovereenkomsten voor aanneming van werken. ".
Art. 5.13. L'article 197 du même décret est remplace par les dispositions suivantes :
" Article 197. Ces moyens d'investissement servent uniquement à couvrir les dépenses faites pour l'acquisition de bâtiments, pour la construction ou transformation complète ou partielle, pour les travaux de démolition préalables, pour les travaux environnants, pour le premier équipement, pour l'acquisition de terrains, pour l'achat d'appareillage didactique et scientifique, pour les investissements immeubles en ce qui concerne les structures sociales, pour la couverture des charges de capital et d'intérêt résultant d'emprunts pour dépenses d'investissement, pour la couverture des dépenses d'investissement lors d'accords de coopération publics-privés et pour la couverture des dépenses d'investissement lors de marchés de promotion de travaux. ".
" Article 197. Ces moyens d'investissement servent uniquement à couvrir les dépenses faites pour l'acquisition de bâtiments, pour la construction ou transformation complète ou partielle, pour les travaux de démolition préalables, pour les travaux environnants, pour le premier équipement, pour l'acquisition de terrains, pour l'achat d'appareillage didactique et scientifique, pour les investissements immeubles en ce qui concerne les structures sociales, pour la couverture des charges de capital et d'intérêt résultant d'emprunts pour dépenses d'investissement, pour la couverture des dépenses d'investissement lors d'accords de coopération publics-privés et pour la couverture des dépenses d'investissement lors de marchés de promotion de travaux. ".
Art. 5.14. In hetzelfde decreet wordt het artikel 199 geschrapt.
Art. 5.14. Dans le même décret, l'article 199 est supprimé.
Art. 5.15. Aan het eerste lid van artikel 231 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° bij het tweede streepje wordt het getal " 36 " vervangen door het getal " 30 ";
2° het derde streepje wordt opgeheven.
1° bij het tweede streepje wordt het getal " 36 " vervangen door het getal " 30 ";
2° het derde streepje wordt opgeheven.
Art. 5.15. A l'article 231, alinéa premier, du même décret sont apportées les modifications suivantes :
1° au deuxième tiret, le nombre " 36 " est remplacé par le nombre " 30 ";
2° le troisième tiret est abrogé.
1° au deuxième tiret, le nombre " 36 " est remplacé par le nombre " 30 ";
2° le troisième tiret est abrogé.
Art. 5.16. In hetzelfde decreet wordt een artikel 232bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Artikel 232bis De afwijking tussen de begrote en de gerealiseerde personeelsformatie, uitgedrukt in geld, bedraagt ten hoogste 2,5 %.
Als de in het eerste lid vermelde afwijking groter is dan 2,5 % voegt het hogeschoolbestuur hiervoor een verantwoording toe bij de jaarrekening. De verantwoording wordt door de regeringscommissaris beoordeeld bij de analyse van de jaarrekening.
Als de regeringscommissaris oordeelt dat er geen redelijke verantwoording is voor de overschrijding van de in het eerste lid vermelde afwijking, dient de commissaris hiertegen een met redenen omkleed bezwaar in bij de Vlaamse Regering.
Indien de Vlaamse Regering dit bezwaar bijtreedt, kan zij als sanctie een deel van de toekomstige werkingsuitkering van de hogeschool inhouden.
Als de Vlaamse Regering van plan is een deel van de werkingsuitkeringen in te houden, deelt zij dit mee aan het hogeschoolbestuur. Het hogeschoolbestuur heeft dertig dagen om zijn bezwaren tegen dit voornemen aan de Vlaamse Regering mee te delen. De Vlaamse Regering neemt na het verstrijken van de termijn van dertig dagen binnen dertig dagen een beslissing en deelt deze binnen zeven dagen aan het hogeschoolbestuur mee.
Het maximale bedrag dat de Vlaamse Regering kan inhouden, wordt berekend door het bedrag van de werkingsuitkeringen, zoals vastgesteld in de jaarrekening, te vermenigvuldigen met het verschil tussen het vastgestelde afwijkingspercentage en het getolereerde afwijkingspercentage, zoals bedoeld in het eerste lid.
De inhouding van de werkingsuitkering kan er niet toe leiden dat het aandeel in de enveloppe voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou getroffen zijn. ".
" Artikel 232bis De afwijking tussen de begrote en de gerealiseerde personeelsformatie, uitgedrukt in geld, bedraagt ten hoogste 2,5 %.
Als de in het eerste lid vermelde afwijking groter is dan 2,5 % voegt het hogeschoolbestuur hiervoor een verantwoording toe bij de jaarrekening. De verantwoording wordt door de regeringscommissaris beoordeeld bij de analyse van de jaarrekening.
Als de regeringscommissaris oordeelt dat er geen redelijke verantwoording is voor de overschrijding van de in het eerste lid vermelde afwijking, dient de commissaris hiertegen een met redenen omkleed bezwaar in bij de Vlaamse Regering.
Indien de Vlaamse Regering dit bezwaar bijtreedt, kan zij als sanctie een deel van de toekomstige werkingsuitkering van de hogeschool inhouden.
Als de Vlaamse Regering van plan is een deel van de werkingsuitkeringen in te houden, deelt zij dit mee aan het hogeschoolbestuur. Het hogeschoolbestuur heeft dertig dagen om zijn bezwaren tegen dit voornemen aan de Vlaamse Regering mee te delen. De Vlaamse Regering neemt na het verstrijken van de termijn van dertig dagen binnen dertig dagen een beslissing en deelt deze binnen zeven dagen aan het hogeschoolbestuur mee.
Het maximale bedrag dat de Vlaamse Regering kan inhouden, wordt berekend door het bedrag van de werkingsuitkeringen, zoals vastgesteld in de jaarrekening, te vermenigvuldigen met het verschil tussen het vastgestelde afwijkingspercentage en het getolereerde afwijkingspercentage, zoals bedoeld in het eerste lid.
De inhouding van de werkingsuitkering kan er niet toe leiden dat het aandeel in de enveloppe voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou getroffen zijn. ".
Art. 5.16. Dans le même décret, il est inséré un article 232bis, rédigé comme suit :
" Article 232bis. L'écart entre le cadre du personnel budgétisé et le cadre du personnel réalisé, exprimé en espèces, s'élève au maximum à 2,5 %.
Si l'écart visé à l'alinéa premier est supérieur à 2,5 %, la direction de l'institut supérieur joint une justification à cet effet aux comptes annuels. La justification est évaluée par le commissaire du gouvernement lors de l'analyse des comptes annuels.
Si le commissaire du gouvernement estime qu'il n'y a pas de justification raisonnable pour le dépassement de l'écart visé à l'alinéa premier, le commissaire adresse une réclamation motivée au Gouvernement flamand.
Si le Gouvernement flamand rejoint cette réclamation, il peut retenir une partie de l'allocation de fonctionnement future de l'institut supérieur comme sanction.
Si le Gouvernement flamand compte retenir une partie des allocations de fonctionnement, il le communique à la direction de l'institut supérieur. La direction de l'institut supérieur peut communiquer ses objections contre cette intention au Gouvernement flamand dans les trente jours. A l'expiration du délai de trente jours, le Gouvernement flamand prend une décision dans les trente jours, et la communique à la direction de l'institut supérieur dans les sept jours.
Le montant maximal qui peut être retenu par le Gouvernement flamand, est calculé en multipliant le montant des allocations de fonctionnement, tel que fixé dans les comptes annuels, par la différence entre le pourcentage d'écart constaté et le pourcentage d'écart toléré, tel que visé à l'alinéa premier.
La retenue de l'allocation de fonctionnement ne peut pas avoir pour conséquence que la part dans l'enveloppe pour les affaires relatives aux personnels ne devienne, en chiffres absolus, inférieure au montant de la part si la mesure n'avait pas été prise. ".
" Article 232bis. L'écart entre le cadre du personnel budgétisé et le cadre du personnel réalisé, exprimé en espèces, s'élève au maximum à 2,5 %.
Si l'écart visé à l'alinéa premier est supérieur à 2,5 %, la direction de l'institut supérieur joint une justification à cet effet aux comptes annuels. La justification est évaluée par le commissaire du gouvernement lors de l'analyse des comptes annuels.
Si le commissaire du gouvernement estime qu'il n'y a pas de justification raisonnable pour le dépassement de l'écart visé à l'alinéa premier, le commissaire adresse une réclamation motivée au Gouvernement flamand.
Si le Gouvernement flamand rejoint cette réclamation, il peut retenir une partie de l'allocation de fonctionnement future de l'institut supérieur comme sanction.
Si le Gouvernement flamand compte retenir une partie des allocations de fonctionnement, il le communique à la direction de l'institut supérieur. La direction de l'institut supérieur peut communiquer ses objections contre cette intention au Gouvernement flamand dans les trente jours. A l'expiration du délai de trente jours, le Gouvernement flamand prend une décision dans les trente jours, et la communique à la direction de l'institut supérieur dans les sept jours.
Le montant maximal qui peut être retenu par le Gouvernement flamand, est calculé en multipliant le montant des allocations de fonctionnement, tel que fixé dans les comptes annuels, par la différence entre le pourcentage d'écart constaté et le pourcentage d'écart toléré, tel que visé à l'alinéa premier.
La retenue de l'allocation de fonctionnement ne peut pas avoir pour conséquence que la part dans l'enveloppe pour les affaires relatives aux personnels ne devienne, en chiffres absolus, inférieure au montant de la part si la mesure n'avait pas été prise. ".
Art. 5.17. De laatste zin van artikel 322 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Met uitzondering van diegenen die in toepassing van artikel 17 van de wet van 7 juli 1970 zoals gewijzigd door artikel 12 van de wet van 18 februari 1977 een afwijking, onbeperkt in de tijd, van het vereiste bekwaamheidsbewijs verkregen hebben, kunnen de tijdelijke personeelsleden in dit nieuwe ambt niet benoemd worden. ".
" Met uitzondering van diegenen die in toepassing van artikel 17 van de wet van 7 juli 1970 zoals gewijzigd door artikel 12 van de wet van 18 februari 1977 een afwijking, onbeperkt in de tijd, van het vereiste bekwaamheidsbewijs verkregen hebben, kunnen de tijdelijke personeelsleden in dit nieuwe ambt niet benoemd worden. ".
Art. 5.17. La dernière phrase de l'article 322 du même décret est remplacée par la disposition suivante :
" A l'exception de ceux qui, en application de l'article 17 de la loi du 7 juillet 1970 tel que modifié par l'article 12 de la loi du 18 février 1977, ont obtenu une dérogation, illimitée dans le temps, du titre requis, les membres du personnel temporaires ne peuvent pas être nommés dans cette nouvelle fonction. ".
" A l'exception de ceux qui, en application de l'article 17 de la loi du 7 juillet 1970 tel que modifié par l'article 12 de la loi du 18 février 1977, ont obtenu une dérogation, illimitée dans le temps, du titre requis, les membres du personnel temporaires ne peuvent pas être nommés dans cette nouvelle fonction. ".
Afdeling III. - Decreet betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen.
Section III. - Décret relatif à la restructuration de l'enseignement supérieur en Flandre.
Art. 5.18. De eerste zin in artikel 11 van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen wordt aangevuld met de woorden " en opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die leiden tot een diploma van gegradueerde ".
Art. 5.18. La première phrase de l'article 11 du décret du 4 avril 2003 relatif à la restructuration de l'enseignement supérieur en Flandre est complétée par les mots " et des formations de l'enseignement supérieur professionnel qui conduisent à un diplôme de gradué ".
Art. 5.19. In artikel 69, § 3, van hetzelfde decreet worden in de eerste zin na het woord " graden " de woorden " en op voorwaarde dat aan de authenticiteitcontrole van de betreffende diploma's of certificaten is voldaan, voorzover door de Vlaamse overheid maatregelen zijn uitgevaardigd " toegevoegd.
Art. 5.19. Dans la première phrase de l'article 69, § 3, du même décret, les mots " aux grades visés dans ces articles " sont complétés par les mots " et à condition qu'il soit satisfait au contrôle d'authenticité des diplômes ou certificats concernés, dans la mesure où l'autorité flamande a promulgué des mesures ".
Art. 5.20. Aan artikel 95bis, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 30 april 2004, wordt een zesde punt toegevoegd dat luidt als volgt :
" 6° de rechtspersonen met als maatschappelijk doel het verwerven of beheren van gebouwen en infrastructuur bestemd voor onderwijs, onderzoek, wetenschappelijke of maatschappelijke dienstverlening, verblijven van studenten, onderzoekers en gastprofessoren of voor de valorisatie van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek. ".
" 6° de rechtspersonen met als maatschappelijk doel het verwerven of beheren van gebouwen en infrastructuur bestemd voor onderwijs, onderzoek, wetenschappelijke of maatschappelijke dienstverlening, verblijven van studenten, onderzoekers en gastprofessoren of voor de valorisatie van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek. ".
Art. 5.20. L'article 95bis, § 1, alinéa premier, du même décret, inséré par le décret du 30 avril 2004, est complété par un sixième point, rédigé comme suit :
" 6° les personnes morales dont l'objet social est l'acquisition ou la gestion de bâtiments ou d'infrastructures destinés à l'enseignement, à la recherche, aux services scientifiques ou sociaux, aux séjours d'étudiants, de chercheurs et de professeurs invités, ou à la valorisation des résultats de la recherche scientifique. ".
" 6° les personnes morales dont l'objet social est l'acquisition ou la gestion de bâtiments ou d'infrastructures destinés à l'enseignement, à la recherche, aux services scientifiques ou sociaux, aux séjours d'étudiants, de chercheurs et de professeurs invités, ou à la valorisation des résultats de la recherche scientifique. ".
Art. 5.21. Aan artikel 124 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 19 maart 2004, wordt een § 11 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 11. De master- na masteropleidingen die het Europa College Brugge met ingang van het academiejaar 2007-2008 in het arrondissement Brugge organiseert overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, worden niet als nieuwe opleidingen beschouwd in de zin van artikel 60septies. Zij worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het academiejaar 2009-2010. ".
" § 11. De master- na masteropleidingen die het Europa College Brugge met ingang van het academiejaar 2007-2008 in het arrondissement Brugge organiseert overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, worden niet als nieuwe opleidingen beschouwd in de zin van artikel 60septies. Zij worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het academiejaar 2009-2010. ".
Art. 5.21. L'article 124 du même décret, modifié par le décret du 19 mars 2004, est complété par un § 11, rédigé comme suit :
" § 11. Les formations de master après master organisées conformément aux dispositions du présent décret a partir de l'année académique 2007-2008 par le Collège d'Europe Bruges dans l'arrondissement de Bruges, ne sont pas considérées comme des nouvelles formations dans le sens de l'article 60septies. Elles sont censées être accréditées jusqu'à la fin de l'année académique 2009-2010. ".
" § 11. Les formations de master après master organisées conformément aux dispositions du présent décret a partir de l'année académique 2007-2008 par le Collège d'Europe Bruges dans l'arrondissement de Bruges, ne sont pas considérées comme des nouvelles formations dans le sens de l'article 60septies. Elles sont censées être accréditées jusqu'à la fin de l'année académique 2009-2010. ".
Art. 5.22. In artikel 130, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden " 31 oktober 2007 " vervangen door de woorden " 31 oktober 2008 ".
Art. 5.22. Dans l'article 130, alinéa premier, du même décret, les mots " le 31 octobre 2007 " sont remplacés par les mots " le 31 octobre 2008 ".
Afdeling IV. - Decreet betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen.
Section IV. - Décret relatif à la flexibilisation de l'enseignement supérieur en Flandre et portant des mesures urgentes en matière d'enseignement supérieur.
Art. 5.23. Artikel 9 van het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen wordt gewijzigd als volgt :
1° in punt 4° wordt de tweede zin geschrapt;
2° er wordt een tweede lid toegevoegd dat luidt als volgt :
" Het instellingsbestuur kan personen toelaten die in een land buiten de Europese Unie een diploma of certificaat hebben behaald dat niet als gelijkwaardig is erkend zoals bepaald in punt 4° van lid 1. Dit kan enkel op voorwaarde dat dit document toegang verleent tot een bacheloropleiding in het land waar het is uitgereikt die vergelijkbaar is met een Vlaamse bacheloropleiding én op voorwaarde dat aan de authenticiteitcontrole van de betreffende diploma's of certificaten is voldaan, voor zover door de Vlaamse overheid maatregelen zijn uitgevaardigd. ".
1° in punt 4° wordt de tweede zin geschrapt;
2° er wordt een tweede lid toegevoegd dat luidt als volgt :
" Het instellingsbestuur kan personen toelaten die in een land buiten de Europese Unie een diploma of certificaat hebben behaald dat niet als gelijkwaardig is erkend zoals bepaald in punt 4° van lid 1. Dit kan enkel op voorwaarde dat dit document toegang verleent tot een bacheloropleiding in het land waar het is uitgereikt die vergelijkbaar is met een Vlaamse bacheloropleiding én op voorwaarde dat aan de authenticiteitcontrole van de betreffende diploma's of certificaten is voldaan, voor zover door de Vlaamse overheid maatregelen zijn uitgevaardigd. ".
Art. 5.23. A l'article 9 du décret du 30 avril 2004 relatif à la flexibilisation de l'enseignement supérieur en Flandre et portant des mesures urgentes en matière d'enseignement supérieur, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le point 4°, la deuxième phrase est supprimée;
2° il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit :
" La direction de l'institution peut autoriser des personnes ayant obtenu, dans un pays hors de l'Union européenne, un diplôme ou certificat qui n'est pas reconnu équivalent tel que fixé dans le point 4° de l'alinéa premier. Ceci est uniquement possible à condition que ce document donne accès à une formation de bachelor au pays de délivrance comparable à une formation de bachelor flamande, et à condition qu'il soit satisfait aux contrôle d'authenticité des diplômes ou certificats, dans la mesure où l'autorité flamande a promulgué des mesures. ".
1° dans le point 4°, la deuxième phrase est supprimée;
2° il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit :
" La direction de l'institution peut autoriser des personnes ayant obtenu, dans un pays hors de l'Union européenne, un diplôme ou certificat qui n'est pas reconnu équivalent tel que fixé dans le point 4° de l'alinéa premier. Ceci est uniquement possible à condition que ce document donne accès à une formation de bachelor au pays de délivrance comparable à une formation de bachelor flamande, et à condition qu'il soit satisfait aux contrôle d'authenticité des diplômes ou certificats, dans la mesure où l'autorité flamande a promulgué des mesures. ".
Afdeling V. - Statuut beheerders van publiekrechtelijke universiteiten.
Section V. - Statuts des administrateurs des universités de droit public.
Art. 5.24. Aan artikel 13 van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen, gewijzigd bij het decreet van 4 april 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden na de woorden " te wijzigen " de woorden " in het algemeen belang " ingevoegd;
2° er wordt een tweede lid toegevoegd dat luidt als volgt :
" Behoudens het bepaalde in het eerste lid, krijgen personeelsleden van een universiteit of hogeschool die bezoldigd worden op de werkingsuitkeringen of ambtenaren van een ministerie of instelling van de Vlaamse overheid die het mandaat van beheerder of algemeen beheerder opnemen, voor de duur van het mandaat een verlof voor de uitoefening van een mandaat waarvan het algemeen belang wordt erkend. Het verlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit. Het wordt niet bezoldigd. ".
1° in het eerste lid worden na de woorden " te wijzigen " de woorden " in het algemeen belang " ingevoegd;
2° er wordt een tweede lid toegevoegd dat luidt als volgt :
" Behoudens het bepaalde in het eerste lid, krijgen personeelsleden van een universiteit of hogeschool die bezoldigd worden op de werkingsuitkeringen of ambtenaren van een ministerie of instelling van de Vlaamse overheid die het mandaat van beheerder of algemeen beheerder opnemen, voor de duur van het mandaat een verlof voor de uitoefening van een mandaat waarvan het algemeen belang wordt erkend. Het verlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit. Het wordt niet bezoldigd. ".
Art. 5.24. A l'article 13 du décret du 22 décembre 1995 portant modification de divers décrets relatifs à l' "Universiteit Antwerpen ", modifié par le décret du 4 avril 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° à l'alinéa premier, les mots " dans l'intérêt général " sont insérés après les mots " de modifier ";
2° il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit :
" Sous réserve des dispositions de l'alinéa premier, les personnels d'une université ou d'un institut supérieur qui sont rémunérés à charge des allocations de fonctionnement ou les fonctionnaires d'un ministère ou d'une institution de la Communauté flamande qui assument le mandat d'administrateur ou d'administrateur général, obtiennent pour la durée du mandat un congé pour l'exercice d'un mandat dont l'intérêt général est reconnu. Le congé est assimilé à une période d'activité de service. Il n'est pas rémunéré. ".
1° à l'alinéa premier, les mots " dans l'intérêt général " sont insérés après les mots " de modifier ";
2° il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit :
" Sous réserve des dispositions de l'alinéa premier, les personnels d'une université ou d'un institut supérieur qui sont rémunérés à charge des allocations de fonctionnement ou les fonctionnaires d'un ministère ou d'une institution de la Communauté flamande qui assument le mandat d'administrateur ou d'administrateur général, obtiennent pour la durée du mandat un congé pour l'exercice d'un mandat dont l'intérêt général est reconnu. Le congé est assimilé à une période d'activité de service. Il n'est pas rémunéré. ".
Afdeling VI. - Inwerkingtreding.
Section VI. - Entrée en vigueur.
Art. 5.25. De bepalingen van dit hoofdstuk hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2007 met uitzondering van :
1° artikel V.17 dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1996;
2° artikel V.1, 1°, dat uitwerking heeft met ingang van 1 oktober 1999;
3° artikel V.24 dat uitwerking heeft met ingang van 1 oktober 2003;
4° de artikelen V.5. en V.6 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2004;
5° de artikelen V.19, V.22 en V.23 die uitwerking hebben met ingang van het academiejaar 2006-2007;
6° artikel V.18 dat inwerking treedt op 1 september 2007.
1° artikel V.17 dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1996;
2° artikel V.1, 1°, dat uitwerking heeft met ingang van 1 oktober 1999;
3° artikel V.24 dat uitwerking heeft met ingang van 1 oktober 2003;
4° de artikelen V.5. en V.6 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2004;
5° de artikelen V.19, V.22 en V.23 die uitwerking hebben met ingang van het academiejaar 2006-2007;
6° artikel V.18 dat inwerking treedt op 1 september 2007.
Art. 5.25. Les dispositions du présent chapitre produisent leurs effets le 1er janvier 2007, a l'exception :
1° de l'article V.17, qui produit ses effets le 1er janvier 1996;
2° de l'article V.1, 1°, qui produit ses effets le 1er octobre 1999;
3° de l'article V.24, qui produit ses effets le 1er octobre 2003;
4° des articles V.5 et V.6, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2004;
5° des articles V.19, V.22 et V.23, qui produisent leurs effets à partir de l'année académique 2006-2007;
6° l'article V.18, qui produit ses effets le 1er septembre 2007.
1° de l'article V.17, qui produit ses effets le 1er janvier 1996;
2° de l'article V.1, 1°, qui produit ses effets le 1er octobre 1999;
3° de l'article V.24, qui produit ses effets le 1er octobre 2003;
4° des articles V.5 et V.6, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2004;
5° des articles V.19, V.22 et V.23, qui produisent leurs effets à partir de l'année académique 2006-2007;
6° l'article V.18, qui produit ses effets le 1er septembre 2007.
HOOFDSTUK VI. - Centra voor leerlingenbegeleiding.
CHAPITRE VI. - Centres d'encadrement des élèves.
Art. 6.1. Aan artikel 63 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding wordt volgende zin toegevoegd :
" Deze centra moeten echter nog steeds elk de afzonderlijke rationalisatienorm, zoals bedoeld in artikel 66, bereiken. ".
" Deze centra moeten echter nog steeds elk de afzonderlijke rationalisatienorm, zoals bedoeld in artikel 66, bereiken. ".
Art. 6.1. L''article 63 du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves est complété par la phrase suivante :
" Chacun de ces centres doit toutefois toujours atteindre la norme de rationalisation séparée, telle que visée à l'article 66. ".
" Chacun de ces centres doit toutefois toujours atteindre la norme de rationalisation séparée, telle que visée à l'article 66. ".
Art. 6.2. Aan artikel 64 van hetzelfde decreet wordt volgende zin toegevoegd :
" Deze centra moeten echter nog steeds elk de afzonderlijke rationalisatienorm, zoals bedoeld in artikel 66, bereiken. ".
" Deze centra moeten echter nog steeds elk de afzonderlijke rationalisatienorm, zoals bedoeld in artikel 66, bereiken. ".
Art. 6.2. L'article 64 du même décret est complété par la phrase suivante :
" Chacun de ces centres doit toutefois toujours atteindre la norme de rationalisation séparée, telle que visée à l'article 66. ".
" Chacun de ces centres doit toutefois toujours atteindre la norme de rationalisation séparée, telle que visée à l'article 66. ".
Art. 6.3. Aan artikel 73 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2006, wordt een § 4 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 4. Een personeelslid dat op 1 september 2006 op basis van de voorrang bepaald in § 3 wordt aangesteld in een betrekking van intercultureel bemiddelaar en reeds in het ambt van medewerker vast benoemd is, wordt onmiddellijk beschouwd als vast benoemd in het ambt van intercultureel bemiddelaar. Het personeelslid behoudt hierbij alle rechten die hij heeft verworven in het ambt van medewerker. ".
" § 4. Een personeelslid dat op 1 september 2006 op basis van de voorrang bepaald in § 3 wordt aangesteld in een betrekking van intercultureel bemiddelaar en reeds in het ambt van medewerker vast benoemd is, wordt onmiddellijk beschouwd als vast benoemd in het ambt van intercultureel bemiddelaar. Het personeelslid behoudt hierbij alle rechten die hij heeft verworven in het ambt van medewerker. ".
Art. 6.3. L'article 73 du même décret, modifié par le décret du 7 juillet 2006, est complété par un § 4, rédigé comme suit :
" § 4. Un membre du personnel qui est désigné le 1er septembre 2006, sur la base de la priorité définie au § 3, dans une fonction de médiateur interculturel et qui est déjà nommé a titre définitif dans la fonction de collaborateur, est immédiatement considéré comme étant nommé à titre définitif dans la fonction de médiateur interculturel. Le membre du personnel conserve tous les droits qu'il a acquis dans la fonction de collaborateur. ".
" § 4. Un membre du personnel qui est désigné le 1er septembre 2006, sur la base de la priorité définie au § 3, dans une fonction de médiateur interculturel et qui est déjà nommé a titre définitif dans la fonction de collaborateur, est immédiatement considéré comme étant nommé à titre définitif dans la fonction de médiateur interculturel. Le membre du personnel conserve tous les droits qu'il a acquis dans la fonction de collaborateur. ".
Art. 6.4. In artikel 192 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 14 februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het woord " tien " wordt vervangen door het woord " vijftien ";
2° er wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" De Vlaamse Regering is ertoe gemachtigd dit artikel geheel of gedeeltelijk op te heffen. ".
1° het woord " tien " wordt vervangen door het woord " vijftien ";
2° er wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" De Vlaamse Regering is ertoe gemachtigd dit artikel geheel of gedeeltelijk op te heffen. ".
Art. 6.4. A l'article 192 du même décret, modifié par le décret du 14 février 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° le mot " dix " est remplacé par le mot " quinze ";
2° il est ajouté un quatrième alinéa, rédigé comme suit :
" Le Gouvernement flamand est autorisé à abroger en tout ou en partie le présent article. ".
1° le mot " dix " est remplacé par le mot " quinze ";
2° il est ajouté un quatrième alinéa, rédigé comme suit :
" Le Gouvernement flamand est autorisé à abroger en tout ou en partie le présent article. ".
Art. 6.5. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 september 2007 met uitzondering van artikelen VI.1, VI.2, VI.3 die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2006.
Art. 6.5. Les dispositions du présent chapitre entrent en vigueur le 1er septembre 2007, à l'exception des articles VI.1, VI.2, VI.3 qui produisent leurs effets le 1er septembre 2006.
HOOFDSTUK VII. - Inspectie en Begeleidingsdiensten.
CHAPITRE VII. - Inspection et Services d'encadrement.
Afdeling I. - Decreet betreffende de inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten.
Section Ire. - Décret relatif à l'inspection, au 'Dienst voor Onderwijsontwikkeling' (Service d'Etudes) et aux services d'encadrement pédagogique.
Art. 7.1. Aan artikel 5 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, eerste lid, worden de woorden " onderwijs voor sociale promotie " vervangen door de woorden " volwassenenonderwijs ";
2° er wordt een § 5 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 5. De onderwijsinspectie is ten aanzien van de erkende vormingen in het kader van de invulling van de leerplicht, bevoegd voor de controle met betrekking tot het totale aantal effectief georganiseerde uren, de afwerking van het programma, de kwaliteit van de vorming en de toepassing van de taalwetten, met uitsluiting van de pedagogische methodes. ".
1° in § 1, eerste lid, worden de woorden " onderwijs voor sociale promotie " vervangen door de woorden " volwassenenonderwijs ";
2° er wordt een § 5 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 5. De onderwijsinspectie is ten aanzien van de erkende vormingen in het kader van de invulling van de leerplicht, bevoegd voor de controle met betrekking tot het totale aantal effectief georganiseerde uren, de afwerking van het programma, de kwaliteit van de vorming en de toepassing van de taalwetten, met uitsluiting van de pedagogische methodes. ".
Art. 7.1. A l'article 5 du décret du 17 juillet 1991 relatif à l'inspection, au 'Dienst voor Onderwijsontwikkeling' (Service d'Etudes) et aux services d'encadrement pédagogique, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le § 1er, alinéa premier, les mots " enseignement de promotion sociale " sont remplacés par les mots " éducation des adultes ";
2° il est ajouté un § 5, rédigé comme suit :
" § 5. En ce qui concerne les formations agréées dans le cadre du respect de l'obligation scolaire, l'inspection de l'enseignement est compétente pour le contrôle relatif au nombre total d'heures effectivement organisées, à l'achèvement du programme, à la qualité de la formation et à l'application des lois linguistiques, à l'exclusion des méthodes pédagogiques. ".
1° dans le § 1er, alinéa premier, les mots " enseignement de promotion sociale " sont remplacés par les mots " éducation des adultes ";
2° il est ajouté un § 5, rédigé comme suit :
" § 5. En ce qui concerne les formations agréées dans le cadre du respect de l'obligation scolaire, l'inspection de l'enseignement est compétente pour le contrôle relatif au nombre total d'heures effectivement organisées, à l'achèvement du programme, à la qualité de la formation et à l'application des lois linguistiques, à l'exclusion des méthodes pédagogiques. ".
Art. 7.2. In artikel 9, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden " departement Onderwijs " worden vervangen door de woorden " departement Onderwijs en Vorming ";
2° het punt 4° wordt opgeheven.
1° de woorden " departement Onderwijs " worden vervangen door de woorden " departement Onderwijs en Vorming ";
2° het punt 4° wordt opgeheven.
Art. 7.2. A l'article 9, § 1er, alinéa 1er, du même décret sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " Département de l'Enseignement " sont remplacés par les mots " Département de l'Enseignement et de la Formation ";
2° le point 4° est abrogé.
1° les mots " Département de l'Enseignement " sont remplacés par les mots " Département de l'Enseignement et de la Formation ";
2° le point 4° est abrogé.
Art. 7.3. In artikel 20bis, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, tweede lid, worden de woorden " de directeur van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling " vervangen door de woorden " de coördinerende inspecteurs ";
2° in § 2, 4°, worden de woorden " met het departement " vervangen door de woorden " met het beleidsdomein Onderwijs en Vorming " en worden de woorden " naargelang het geval aan de bevoegde administratie, aan de directieraad van het departement, aan de Vlaamse Regering " vervangen door de woorden " naargelang van het geval aan het departement Onderwijs en Vorming, aan het bevoegde agentschap of aan de beleidsraad binnen het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, of aan de Vlaamse Regering ".
1° in § 1, tweede lid, worden de woorden " de directeur van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling " vervangen door de woorden " de coördinerende inspecteurs ";
2° in § 2, 4°, worden de woorden " met het departement " vervangen door de woorden " met het beleidsdomein Onderwijs en Vorming " en worden de woorden " naargelang het geval aan de bevoegde administratie, aan de directieraad van het departement, aan de Vlaamse Regering " vervangen door de woorden " naargelang van het geval aan het departement Onderwijs en Vorming, aan het bevoegde agentschap of aan de beleidsraad binnen het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, of aan de Vlaamse Regering ".
Art. 7.3. A l'article 20bis du même décret sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le § 1er, alinéa deux, les mots " le directeur du Service d'Etudes " sont remplacés par les mots " les inspecteurs-coordinateurs ";
2° dans le § 2, 4°, les mots " avec le département " sont remplacés par les mots " avec le domaine politique de l'Enseignement et de la Formation ", et les mots " selon le cas à l'administration compétente, au conseil de direction du département, au Gouvernement flamand " sont remplacés par les mots " selon le cas au Département de l'Enseignement et de la Formation, à l'agence compétente ou au conseil de gestion au sein du domaine politique de l'Enseignement et de la formation, ou au Gouvernement flamand ".
1° dans le § 1er, alinéa deux, les mots " le directeur du Service d'Etudes " sont remplacés par les mots " les inspecteurs-coordinateurs ";
2° dans le § 2, 4°, les mots " avec le département " sont remplacés par les mots " avec le domaine politique de l'Enseignement et de la Formation ", et les mots " selon le cas à l'administration compétente, au conseil de direction du département, au Gouvernement flamand " sont remplacés par les mots " selon le cas au Département de l'Enseignement et de la Formation, à l'agence compétente ou au conseil de gestion au sein du domaine politique de l'Enseignement et de la formation, ou au Gouvernement flamand ".
Art. 7.4. In artikel 35, § 1, tweede lid, en § 2, eerste lid, 3°, en derde lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 13 april 1999, worden de woorden " nuttige ervaring " telkens vervangen door de woorden " relevante ervaring ".
Art. 7.4. Dans l'article 35, § 1er, alinéa deux, et § 2, alinéa premier, 3°, et alinéa trois, du même décret, modifié par le décret du 13 avril 1999, les mots " expérience utile " sont chaque fois remplacés par les mots " expérience pertinente ".
Art. 7.5. In artikel 45 van hetzelfde decreet worden de woorden " Departement Onderwijs " vervangen door de woorden " het beleidsdomein Onderwijs en Vorming ".
Art. 7.5. Dans l'article 45 du même décret, les mots " Departement de l'Enseignement " sont remplacés par les mots " domaine politique de l'Enseignement et de la Formation ".
Art. 7.6. In artikel 48bis van hetzelfde decreet worden tussen het woord " elk " en het woord " personeelslid " de woorden " vast benoemd of tijdelijk " ingevoegd.
Art. 7.6. A l'article 48bis du même décret, les mots " tout membre du personnel " sont complétés par les mots " nommé à titre définitif ou temporaire ".
Art. 7.7. In artikel 48undevicies, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden " de secretaris-generaal van het departement Onderwijs " vervangen door de woorden " de secretaris-generaal van het departement Onderwijs en Vorming ".
Art. 7.7. Dans l'article 48undevicies, alinéa premier, du même décret, les mots " le secrétaire général du Département de l'Enseignement " sont remplacés par les mots " le secrétaire général du Département de l'Enseignement et de la Formation ".
Art. 7.8. In artikel 48vicies, 5°, eerste en tweede lid, van hetzelfde decreet worden de woorden " de secretaris-generaal van het departement Onderwijs " telkens vervangen door de woorden " de secretaris-generaal van het departement Onderwijs en Vorming ".
Art. 7.8. Dans l'article 48vicies, 5°, alinéas premier et deux, du même décret, les mots " le secrétaire général du Département de l'Enseignement " sont chaque fois remplacés par les mots " le secrétaire général du Département de l'Enseignement et de la Formation ".
Art. 7.9. In artikel 48viciester, van hetzelfde decreet gewijzigd bij het decreet van 14 juli 1998 en het decreet van 13 april 1999, worden de woorden " coördinerend inspecteur-generaal van het departement Onderwijs " vervangen door de woorden " secretaris-generaal van het departement Onderwijs en Vorming ".
Art. 7.9. Dans l'article 48viciester du même décret, modifié par les décrets des 14 juillet 1998 et 13 avril 1999, les mots " l'inspecteur général coordinateur du Département de l'Enseignement " sont remplacés par les mots " le secrétaire général du Département de l'Enseignement et de la Formation ".
Art. 7.10. In artikel 51, § 2, van hetzelfde decreet, worden de woorden " de secretaris-generaal van het departement Onderwijs " vervangen door de woorden " de secretaris-generaal van het departement Onderwijs en Vorming ".
Art. 7.10. Dans l'article 51, § 2, du même décret, les mots " le secrétaire général du Département de l'Enseignement " sont remplacés par les mots " le secrétaire général du Département de l'Enseignement et de la Formation ".
Art. 7.11. In artikel 59 van hetzelfde decreet worden de woorden " departement Onderwijs " vervangen door de woorden " departement Onderwijs en Vorming ".
Art. 7.11. Dans l'article 59 du même décret, les mots " Département de l'Enseignement " sont remplacés par les mots " Département de l'Enseignement et de la Formation ".
Art. 7.12. In artikel 62, § 2, van hetzelfde decreet gewijzigd bij het decreet van 13 april 1999, worden de woorden " departement Onderwijs " vervangen door de woorden " departement Onderwijs en Vorming ".
Art. 7.12. Dans l'article 62, § 2, du même décret, modifié par le décret du 13 avril 1999, les mots " Département de l'Enseignement " sont remplacés par les mots " Département de l'Enseignement et de la Formation ".
Art. 7.13. In artikel 89 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, vierde lid worden de woorden " per 425 " vervangen door de woorden " per 350 ";
2° § 3 wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. Indien een pedagogische begeleidingsdienst recht heeft op 10 voltijdse of 20 halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur kunnen één voltijdse of twee halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur worden omgezet in één voltijdse betrekking of twee halftijdse betrekkingen van adviseur-coördinator. Per bijkomende schijf van 35 voltijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur waarop een begeleidingsdienst recht heeft, kan een betrekking van pedagogisch adviseur worden omgezet in een bijkomende voltijdse of twee halftijdse betrekkingen van adviseurcoördinator. ".
1° in § 1, vierde lid worden de woorden " per 425 " vervangen door de woorden " per 350 ";
2° § 3 wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. Indien een pedagogische begeleidingsdienst recht heeft op 10 voltijdse of 20 halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur kunnen één voltijdse of twee halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur worden omgezet in één voltijdse betrekking of twee halftijdse betrekkingen van adviseur-coördinator. Per bijkomende schijf van 35 voltijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur waarop een begeleidingsdienst recht heeft, kan een betrekking van pedagogisch adviseur worden omgezet in een bijkomende voltijdse of twee halftijdse betrekkingen van adviseurcoördinator. ".
Art. 7.13. A l'article 89 du même décret sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le § 1er, alinéa quatre, les mots " par 425 " sont remplacés par les mots " par 350 ".
2° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. Si un service d'encadrement pédagogique a droit à 10 emplois à temps plein ou 20 emplois à mi-temps de conseiller pédagogique, un emploi à temps plein ou deux emplois à mi-temps de conseiller pédagogique peuvent être transformés en un emploi à temps plein ou deux emplois à mi-temps de conseiller-coordinateur. Par tranche supplémentaire de 35 emplois à temps plein de conseiller pédagogique auxquels un service d'encadrement a droit, un emploi de conseiller pédagogique peut être transformé en un emploi à temps plein ou deux emplois à mi-temps supplémentaires de conseiller-coordinateur. ".
1° dans le § 1er, alinéa quatre, les mots " par 425 " sont remplacés par les mots " par 350 ".
2° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. Si un service d'encadrement pédagogique a droit à 10 emplois à temps plein ou 20 emplois à mi-temps de conseiller pédagogique, un emploi à temps plein ou deux emplois à mi-temps de conseiller pédagogique peuvent être transformés en un emploi à temps plein ou deux emplois à mi-temps de conseiller-coordinateur. Par tranche supplémentaire de 35 emplois à temps plein de conseiller pédagogique auxquels un service d'encadrement a droit, un emploi de conseiller pédagogique peut être transformé en un emploi à temps plein ou deux emplois à mi-temps supplémentaires de conseiller-coordinateur. ".
Art. 7.14. In artikel 92 van hetzelfde decreet worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 1° van § 1, worden de woorden " van 120.000 frank per betrekking " vervangen door de woorden " van 1.487,00 euro per halftijdse betrekking ";
2° in punt 2° van § 1, worden de woorden " van 53 miljoen frank " vervangen door de woorden " van 1.313.836,00 euro ";
3° in § 2 worden de woorden " van 4.500 frank " vervangen door de woorden " van 111,50 euro ".
1° in punt 1° van § 1, worden de woorden " van 120.000 frank per betrekking " vervangen door de woorden " van 1.487,00 euro per halftijdse betrekking ";
2° in punt 2° van § 1, worden de woorden " van 53 miljoen frank " vervangen door de woorden " van 1.313.836,00 euro ";
3° in § 2 worden de woorden " van 4.500 frank " vervangen door de woorden " van 111,50 euro ".
Art. 7.14. A l'article 92 du même décret sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le point 1° du § 1er, les mots " de 120.000 francs par emploi " sont remplacés par les mots " de 1.487,00 euros par emploi à mi-temps ";
2° dans le point 2° du § 1er, les mots " de 53 millions de francs " sont remplacés par les mots " de 1.313.836,00 euros ";
3° dans le § 2, les mots " de 4.500 francs " sont remplacés par les mots " de 111,50 euros ".
1° dans le point 1° du § 1er, les mots " de 120.000 francs par emploi " sont remplacés par les mots " de 1.487,00 euros par emploi à mi-temps ";
2° dans le point 2° du § 1er, les mots " de 53 millions de francs " sont remplacés par les mots " de 1.313.836,00 euros ";
3° dans le § 2, les mots " de 4.500 francs " sont remplacés par les mots " de 111,50 euros ".
Afdeling II. - Decreet betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.
Section II. - Décret relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques.
Art. 7.15. In artikel 6, § 4, van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken wordt het derde lid vervangen door wat volgt :
" De erkende instanties en verenigingen staan in voor de terugbetaling van de reis-, verblijfs- en werkingskosten van deze personen. ".
" De erkende instanties en verenigingen staan in voor de terugbetaling van de reis-, verblijfs- en werkingskosten van deze personen. ".
Art. 7.15. Dans l'article 6, § 4, du décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques, l'alinéa trois est remplacé par la disposition suivante :
" Les instances et associations agréées assurent le remboursement des frais de parcours, de séjour et de fonctionnement de ces personnes. ".
" Les instances et associations agréées assurent le remboursement des frais de parcours, de séjour et de fonctionnement de ces personnes. ".
Art. 7.16. Artikel 13 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 13 Niemand kan in vast verband worden benoemd in één van de ambten bedoeld in artikel 10, § 1, dan wanneer hij ten tijde van de benoeming voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie is, behoudens door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling;
2° van onberispelijk gedrag zijn, zoals dat blijkt door een uittreksel van het strafregister dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgegeven;
3° de burgerlijke en politieke rechten genieten, behoudens een door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in 1°;
4° voldoen aan de bepalingen van de taalwetten terzake;
5° - hetzij houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs, organiek of bij overgangsmaatregel, voor het onderwijzen van de betreffende godsdienst in het basisonderwijs of secundair onderwijs, zoals bepaald in het besluit van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars;
- hetzij houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs, organiek of bij overgangsmaatregel, voor het onderwijzen van de niet-confessionele zedenleer in het basisonderwijs, zoals bepaald in het besluit van 27 juni 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling in het gewoon kleuter-, lager en basisonderwijs, of in het secundair onderwijs, zoals bepaald in het besluit van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs;
- hetzij houder zijn van een minimaal vereist bekwaamheidsbewijs voor het onderwijzen van het opleidingsonderdeel godsdienst of niet-confessionele zedenleer in de hogescholen, zoals bedoeld in artikel 128 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. ".
" Artikel 13 Niemand kan in vast verband worden benoemd in één van de ambten bedoeld in artikel 10, § 1, dan wanneer hij ten tijde van de benoeming voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie is, behoudens door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling;
2° van onberispelijk gedrag zijn, zoals dat blijkt door een uittreksel van het strafregister dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgegeven;
3° de burgerlijke en politieke rechten genieten, behoudens een door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in 1°;
4° voldoen aan de bepalingen van de taalwetten terzake;
5° - hetzij houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs, organiek of bij overgangsmaatregel, voor het onderwijzen van de betreffende godsdienst in het basisonderwijs of secundair onderwijs, zoals bepaald in het besluit van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars;
- hetzij houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs, organiek of bij overgangsmaatregel, voor het onderwijzen van de niet-confessionele zedenleer in het basisonderwijs, zoals bepaald in het besluit van 27 juni 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling in het gewoon kleuter-, lager en basisonderwijs, of in het secundair onderwijs, zoals bepaald in het besluit van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs;
- hetzij houder zijn van een minimaal vereist bekwaamheidsbewijs voor het onderwijzen van het opleidingsonderdeel godsdienst of niet-confessionele zedenleer in de hogescholen, zoals bedoeld in artikel 128 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. ".
Art. 7.16. L'article 13 du même décret est remplacé par les dispositions suivantes :
" Article 13. Nul ne peut être nommé à titre définitif dans une des fonctions visées à l'article 10, § 1er, que s'il répond, au moment de sa nomination, aux conditions suivantes :
1° être ressortissant d'un état membre de l'Union européenne ou de l'Association européenne de Libre-Echange, sauf dispense à accorder par le Gouvernement flamand;
2° être de conduite irréprochable, attestée par un extrait du casier juridique délivré depuis un an au maximum;
3° jouir des droits civils et politiques, sauf dispense à accorder par le Gouvernement flamand et allant de pair avec la dispense visée au 1°;
4° répondre aux dispositions des lois linguistiques en la matière;
5° - soit être porteur d'un titre requis, par disposition organique ou par mesure transitoire, pour enseigner la religion concernée dans l'enseignement fondamental ou secondaire, tel que fixé à l'arrêté du 26 septembre 1990 relatif aux titres, aux échelles de traitement et au statut pécuniaire des maîtres de religion et des professeurs de religion;
- soit être porteur d'un titre requis, par disposition organique ou par mesure transitoire, pour enseigner la morale non confessionnelle dans l'enseignement fondamental, tel que fixé à l'arrêté du 27 juin 1990 relatif aux titres, aux échelles de traitement et au statut pécuniaire dans l'enseignement maternel, primaire et fondamental ordinaire, ou dans l'enseignement secondaire, tel que fixé à l'arrêté du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire dans l'enseignement secondaire;
- soit être porteur d'un titre minimal requis pour enseigner la subdivision de formation de religion ou de morale non confessionnelle dans les instituts supérieurs, tel que fixé à l'article 128 du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande. ".
" Article 13. Nul ne peut être nommé à titre définitif dans une des fonctions visées à l'article 10, § 1er, que s'il répond, au moment de sa nomination, aux conditions suivantes :
1° être ressortissant d'un état membre de l'Union européenne ou de l'Association européenne de Libre-Echange, sauf dispense à accorder par le Gouvernement flamand;
2° être de conduite irréprochable, attestée par un extrait du casier juridique délivré depuis un an au maximum;
3° jouir des droits civils et politiques, sauf dispense à accorder par le Gouvernement flamand et allant de pair avec la dispense visée au 1°;
4° répondre aux dispositions des lois linguistiques en la matière;
5° - soit être porteur d'un titre requis, par disposition organique ou par mesure transitoire, pour enseigner la religion concernée dans l'enseignement fondamental ou secondaire, tel que fixé à l'arrêté du 26 septembre 1990 relatif aux titres, aux échelles de traitement et au statut pécuniaire des maîtres de religion et des professeurs de religion;
- soit être porteur d'un titre requis, par disposition organique ou par mesure transitoire, pour enseigner la morale non confessionnelle dans l'enseignement fondamental, tel que fixé à l'arrêté du 27 juin 1990 relatif aux titres, aux échelles de traitement et au statut pécuniaire dans l'enseignement maternel, primaire et fondamental ordinaire, ou dans l'enseignement secondaire, tel que fixé à l'arrêté du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire dans l'enseignement secondaire;
- soit être porteur d'un titre minimal requis pour enseigner la subdivision de formation de religion ou de morale non confessionnelle dans les instituts supérieurs, tel que fixé à l'article 128 du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande. ".
Art. 7.17. In § 2 van het artikel 20 van hetzelfde decreet worden de woorden " departement Onderwijs " vervangen door de woorden " het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming ".
Art. 7.17. Dans l'article 20, § 2, du même décret, les mots " Département de l'Enseignement " sont remplacés par les mots " domaine politique de l'Enseignement et de la Formation ".
Art. 7.18. In artikel 27, § 1, van hetzelfde decreet worden de woorden " met een forfaitair bedrag, bepaald door de Vlaamse Regering. " vervangen door de woorden " met 3.970,51 euro per aangeduide persoon bedoeld in artikel 4. Vanaf 2008 wordt dit bedrag jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. ".
Art. 7.18. Dans l'article 27, § 1er, du même décret, les mots " par un montant forfaitaire fixé par le Gouvernement flamand " sont remplacés par les mots " par 3.970,51 euros par personne désignée visée à l'article 4. A partir de 2008, ce montant sera adapté chaque année à l'évolution de l'indice de santé. ".
Afdeling III. - Inwerkingtreding.
Section III. - Entrée en vigueur.
Art. 7.19. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 september 2007, met uitzondering van :
1° artikel VII, 18, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2007;
2° artikel VII, 13, 1°, dat in werking treedt op 1 september 2008.
1° artikel VII, 18, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2007;
2° artikel VII, 13, 1°, dat in werking treedt op 1 september 2008.
Art. 7.19. Les dispositions du présent chapitre entrent en vigueur le 1er septembre 2007, à l'exception :
1° de l'article VII.18, qui produit ses effets le 1er janvier 2007;
2° de l'article VII.13, 1°, qui entre en vigueur le 1er septembre 2008.
1° de l'article VII.18, qui produit ses effets le 1er janvier 2007;
2° de l'article VII.13, 1°, qui entre en vigueur le 1er septembre 2008.
HOOFDSTUK VIII. - Rechtspositie onderwijspersoneel.
CHAPITRE VIII. - Statut du personnel enseignant.
Afdeling I. - Decreet betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs.
Section Ire. - Décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire.
Art. 8.1. Aan artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs, gewijzigd bij de decreten van 21 december 1994, 1 december 1998, 18 mei 1999, 13 juli 2001, 10 juli 2003 en 7 juli 2006, wordt een § 4 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van opsteller. ".
" § 4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van opsteller. ".
Art. 8.1. L'article 4 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, modifié par les décrets des 21 décembre 1994, 1er décembre 1998, 18 mai 1999, 13 juillet 2001, 10 juillet 2003 et 7 juillet 2006, est complété par un § 4, rédigé comme suit :
" § 4. Pour l'application du chapitre III dans l'enseignement artistique à temps partiel, les services rendus dans la fonction de surveillant-éducateur, sont également considérés comme étant rendus dans la fonction de rédacteur. ".
" § 4. Pour l'application du chapitre III dans l'enseignement artistique à temps partiel, les services rendus dans la fonction de surveillant-éducateur, sont également considérés comme étant rendus dans la fonction de rédacteur. ".
Art. 8.2. In artikel 17, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 mei 1999, 13 juli 2001, 14 februari 2003 en 7 juli 2006, worden in punt 5° de woorden " door een attest van goed zedelijk gedrag " vervangen door de woorden " uit een uittreksel uit het strafregister ".
Art. 8.2. Dans l'article 17, § 1er, du même décret, modifié par les décrets des 18 mai 1999, 13 juillet 2001, 14 février 2003 et 7 juillet 2006, dans le point 5° les mots " une attestation de bonne vie et moeurs " sont remplacés par les mots " un extrait du casier judiciaire ".
Art. 8.3. In artikel 40septies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 10 juli 2003 en gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 3 wordt opgeheven;
2° § 4 wordt vervangen door wat volgt :
" § 4. In de volgende betrekkingen van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel zijn geen vaste benoeming, mutatie of affectatie mogelijk :
1° de betrekkingen die worden opgericht op basis van de puntenenveloppe voor de scholengemeenschap, vermeld in artikel 125duodecies van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;
2° de betrekkingen die worden opgericht op basis van de punten die worden overgedragen, als vermeld in artikel 153sexies, § 4, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;
de betrekkingen die worden opgericht op basis van de puntenenveloppe zorg+ ter bevordering van de kleuterparticipatie, vermeld in artikel 125duodecies 1, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. ".
1° § 3 wordt opgeheven;
2° § 4 wordt vervangen door wat volgt :
" § 4. In de volgende betrekkingen van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel zijn geen vaste benoeming, mutatie of affectatie mogelijk :
1° de betrekkingen die worden opgericht op basis van de puntenenveloppe voor de scholengemeenschap, vermeld in artikel 125duodecies van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;
2° de betrekkingen die worden opgericht op basis van de punten die worden overgedragen, als vermeld in artikel 153sexies, § 4, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;
de betrekkingen die worden opgericht op basis van de puntenenveloppe zorg+ ter bevordering van de kleuterparticipatie, vermeld in artikel 125duodecies 1, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. ".
Art. 8.3. A l'article 40septies du même décret, inséré par le décret du 10 juillet 2003 et modifié par le décret du 7 juillet 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 3 est abrogé;
2° le § 4 est remplacé par la disposition suivante :
" § 4. Une nomination à titre définitif, mutation ou affectation n'est pas possible dans les emplois suivants des fonctions du personnel de gestion et d'appui :
1° les emplois qui sont créés sur la base de l'enveloppe de points accordée au centre d'enseignement, visée à l'article 125duocedies du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental;
2° les emplois qui sont créés sur la base des points transférés tels que visés à l'article 153sexies, § 4, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental;
3° les emplois qui sont créés sur la base de l'enveloppe de points encadrement renforcé+ visant à promouvoir la participation des jeunes enfants, visée à l'article 125duocedies 1 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. ".
1° le § 3 est abrogé;
2° le § 4 est remplacé par la disposition suivante :
" § 4. Une nomination à titre définitif, mutation ou affectation n'est pas possible dans les emplois suivants des fonctions du personnel de gestion et d'appui :
1° les emplois qui sont créés sur la base de l'enveloppe de points accordée au centre d'enseignement, visée à l'article 125duocedies du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental;
2° les emplois qui sont créés sur la base des points transférés tels que visés à l'article 153sexies, § 4, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental;
3° les emplois qui sont créés sur la base de l'enveloppe de points encadrement renforcé+ visant à promouvoir la participation des jeunes enfants, visée à l'article 125duocedies 1 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. ".
Art. 8.4. In artikel 40octies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en vervangen bij het decreet van 10 juli 2003, wordt in punt 2° het woord " beleidsmedewerker " vervangen door de woorden " ICT-coördinator en de zorgcoördinator ".
Art. 8.4. Dans l'article 40octies du même décret, inséré par le décret du 14 juillet 1998 et remplacé par le décret du 10 juillet 2003, dans le point 2° les mots " collaborateur de gestion " sont remplacés par les mots " coordinateur TIC et le coordinateur de l'encadrement renforcé ".
Art. 8.5. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2006, wordt een artikel 48quater ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Artikel 48quater Bij de omvorming van een centrum voor deeltijds beroepssecundair, onderwijs verbonden aan een instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs waar technisch of beroepssecundair onderwijs wordt georganiseerd, tot een autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, heeft de coördinator van het centrum in kwestie voorrang voor een vaste benoeming in het ambt van directeur van het autonome centrum.
In afwijking op de bepalingen van dit hoofdstuk moet het personeelslid geen proeftijd doorlopen in het ambt van directeur. De raad van bestuur kan dit personeelslid vast benoemen in het ambt van directeur van het autonome centrum, mits hij voldoet aan de bepalingen van artikel 46, 1° tot en met 3° en 5°. ".
" Artikel 48quater Bij de omvorming van een centrum voor deeltijds beroepssecundair, onderwijs verbonden aan een instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs waar technisch of beroepssecundair onderwijs wordt georganiseerd, tot een autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, heeft de coördinator van het centrum in kwestie voorrang voor een vaste benoeming in het ambt van directeur van het autonome centrum.
In afwijking op de bepalingen van dit hoofdstuk moet het personeelslid geen proeftijd doorlopen in het ambt van directeur. De raad van bestuur kan dit personeelslid vast benoemen in het ambt van directeur van het autonome centrum, mits hij voldoet aan de bepalingen van artikel 46, 1° tot en met 3° en 5°. ".
Art. 8.5. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 7 juillet 2006, il est inséré un article 48quater, rédigé comme suit :
" Article 48quater. Lors de la transformation d'un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel rattaché à un établissement d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein organisant de l'enseignement secondaire technique ou professionnel, en un centre autonome d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, le coordinateur du centre en question a la priorité pour être nommé à titre définitif dans la fonction de directeur du centre autonome.
Par dérogation aux dispositions du présent chapitre, le membre du personnel ne doit pas accomplir un stage dans la fonction de directeur. Le conseil d'administration peut nommer ce membre du personnel à titre définitif dans la fonction de directeur du centre autonome s'il répond aux dispositions de l'article 46, 1° à 3° inclus, et 5°. ".
" Article 48quater. Lors de la transformation d'un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel rattaché à un établissement d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein organisant de l'enseignement secondaire technique ou professionnel, en un centre autonome d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, le coordinateur du centre en question a la priorité pour être nommé à titre définitif dans la fonction de directeur du centre autonome.
Par dérogation aux dispositions du présent chapitre, le membre du personnel ne doit pas accomplir un stage dans la fonction de directeur. Le conseil d'administration peut nommer ce membre du personnel à titre définitif dans la fonction de directeur du centre autonome s'il répond aux dispositions de l'article 46, 1° à 3° inclus, et 5°. ".
Art. 8.6. Artikel 55 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 mei 1999, 14 februari 2003, 10 juli 2003 en 7 juli 2006, wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 55 § 1. In afwijking van dit hoofdstuk en zonder dat het zich kandidaat moet stellen, kan de raad van bestuur een lid van het ondersteunend personeel in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs dat vast benoemd is in deze categorie, de hogere salarisschaal 106 toekennen.
Als de instelling minder dan 400 leerlingen telt, kan de raad van bestuur die hogere salarisschaal toekennen aan één voltijdse betrekking van het ondersteunend personeel in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs.
Als de instelling 400 tot 900 leerlingen telt, kan de raad van bestuur die hogere salarisschaal toekennen aan twee voltijdse betrekkingen van het ondersteunend personeel in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs.
Als de instelling meer dan 900 leerlingen telt, kan de raad van bestuur die hogere salarisschaal toekennen aan drie voltijdse betrekkingen van het ondersteunend personeel in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs.
§ 2. In afwijking op dit hoofdstuk en in afwijking van § 1, kan de raad van bestuur een personeelslid dat in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs vast benoemd is in een ambt van het ondersteunend personeel en dat met toepassing van dit decreet werd geconcordeerd, vast benoemen in hetzelfde ambt met een hogere salarisschaal.
Bij die vaste benoeming moet steeds rekening worden gehouden met het diplomaniveau van het personeelslid.
Het personeelslid hoeft zich geen kandidaat te stellen voor die vaste benoeming.
De vaste benoeming in hetzelfde ambt met een hogere salarisschaal, heeft tot gevolg dat de betrekking de puntenwaarde krijgt die verbonden is aan die hogere salarisschaal, vermeld in artikel 97 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs.
De vaste benoeming in hetzelfde ambt met een hogere salarisschaal kan alleen plaatsvinden als de verplichtingen inzake reaffectatie en wedertewerkstelling zijn nageleefd.
§ 3. Een personeelslid komt alleen in aanmerking voor de bevordering vermeld in § 1 en § 2, als hij voor zijn opdracht in een ambt van de personeelscategorieën bedoeld in § 1 of § 2 als laatste evaluatie geen evaluatie met eindconclusie " onvoldoende " heeft gekregen.
Als het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt die voorwaarde geacht voldaan te zijn. ".
" Artikel 55 § 1. In afwijking van dit hoofdstuk en zonder dat het zich kandidaat moet stellen, kan de raad van bestuur een lid van het ondersteunend personeel in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs dat vast benoemd is in deze categorie, de hogere salarisschaal 106 toekennen.
Als de instelling minder dan 400 leerlingen telt, kan de raad van bestuur die hogere salarisschaal toekennen aan één voltijdse betrekking van het ondersteunend personeel in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs.
Als de instelling 400 tot 900 leerlingen telt, kan de raad van bestuur die hogere salarisschaal toekennen aan twee voltijdse betrekkingen van het ondersteunend personeel in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs.
Als de instelling meer dan 900 leerlingen telt, kan de raad van bestuur die hogere salarisschaal toekennen aan drie voltijdse betrekkingen van het ondersteunend personeel in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs.
§ 2. In afwijking op dit hoofdstuk en in afwijking van § 1, kan de raad van bestuur een personeelslid dat in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs vast benoemd is in een ambt van het ondersteunend personeel en dat met toepassing van dit decreet werd geconcordeerd, vast benoemen in hetzelfde ambt met een hogere salarisschaal.
Bij die vaste benoeming moet steeds rekening worden gehouden met het diplomaniveau van het personeelslid.
Het personeelslid hoeft zich geen kandidaat te stellen voor die vaste benoeming.
De vaste benoeming in hetzelfde ambt met een hogere salarisschaal, heeft tot gevolg dat de betrekking de puntenwaarde krijgt die verbonden is aan die hogere salarisschaal, vermeld in artikel 97 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs.
De vaste benoeming in hetzelfde ambt met een hogere salarisschaal kan alleen plaatsvinden als de verplichtingen inzake reaffectatie en wedertewerkstelling zijn nageleefd.
§ 3. Een personeelslid komt alleen in aanmerking voor de bevordering vermeld in § 1 en § 2, als hij voor zijn opdracht in een ambt van de personeelscategorieën bedoeld in § 1 of § 2 als laatste evaluatie geen evaluatie met eindconclusie " onvoldoende " heeft gekregen.
Als het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt die voorwaarde geacht voldaan te zijn. ".
Art. 8.6. L'article 55 du même décret, modifié par les décrets des 18 mai 1999, 14 février 2003, 10 juillet 2003 et 7 juillet 2006, est remplacé par les dispositions suivantes :
" Article 55. § 1er. Par dérogation au présent chapitre et sans qu'il doive faire acte de candidature, le conseil d'administration peut attribuer l'échelle de traitement 106 supérieure à un membre du personnel d'appui dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou dans l'enseignement secondaire spécial, ou du personnel auxiliaire d'éducation dans l'enseignement artistique a temps partiel qui est nommé à titre définitif dans cette catégorie.
Si l'établissement compte moins de 400 élèves, le conseil d'administration peut attribuer cette échelle de traitement supérieure à un emploi à temps plein du personnel d'appui dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou l'enseignement secondaire spécial, ou du personnel auxiliaire d'éducation dans l'enseignement artistique a temps partiel.
Si l'établissement compte de 400 à 900 élèves, le conseil d'administration peut attribuer cette échelle de traitement supérieure à deux emplois à temps plein du personnel d'appui dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou l'enseignement secondaire spécial, ou du personnel auxiliaire d'éducation dans l'enseignement artistique à temps partiel.
Si l'établissement compte plus de 900 élèves, le conseil d'administration peut attribuer cette échelle de traitement supérieure à trois emplois à temps plein du personnel d'appui dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou l'enseignement secondaire spécial, ou du personnel auxiliaire d'éducation dans l'enseignement artistique à temps partiel.
§ 2. Par dérogation aux dispositions du présent chapitre et par dérogation au § 1er, il est loisible au conseil d'administration de nommer à titre définitif dans la même fonction avec une échelle de traitement supérieure un membre du personnel qui est nommé à titre définitif dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou dans l'enseignement secondaire spécial dans une fonction du personnel d'appui et qui est concordée en application du présent décret.
Lors de cette nomination définitive il faut toujours tenir compte du niveau du diplôme du membre du personnel.
Le membre du personnel ne doit pas faire acte de candidature pour cette nomination définitive.
Il résulte de la nomination définitive dans la même fonction avec une échelle de traitement supérieure que l'emploi est doté d'un nombre de points rattaché à cette échelle de traitement supérieure, tel que fixé a l'article 97 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental.
La nomination à titre définitif dans la même fonction avec une échelle de traitement supérieure ne peut s'opérer que si les obligations en matière de réaffectation et de remise au travail sont respectées.
§ 3. Un membre du personnel n'est éligible à la promotion visée aux § 1er et 2 que s'il n'a pas obtenu, pour sa mission dans une fonction des catégories du personnel visées aux § 1er ou 2 ou comme dernière évaluation, une évaluation portant la conclusion finale " insuffisant ".
Lorsque le membre du personnel n'a pas été évalué, cette condition est censée être remplie. ".
" Article 55. § 1er. Par dérogation au présent chapitre et sans qu'il doive faire acte de candidature, le conseil d'administration peut attribuer l'échelle de traitement 106 supérieure à un membre du personnel d'appui dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou dans l'enseignement secondaire spécial, ou du personnel auxiliaire d'éducation dans l'enseignement artistique a temps partiel qui est nommé à titre définitif dans cette catégorie.
Si l'établissement compte moins de 400 élèves, le conseil d'administration peut attribuer cette échelle de traitement supérieure à un emploi à temps plein du personnel d'appui dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou l'enseignement secondaire spécial, ou du personnel auxiliaire d'éducation dans l'enseignement artistique a temps partiel.
Si l'établissement compte de 400 à 900 élèves, le conseil d'administration peut attribuer cette échelle de traitement supérieure à deux emplois à temps plein du personnel d'appui dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou l'enseignement secondaire spécial, ou du personnel auxiliaire d'éducation dans l'enseignement artistique à temps partiel.
Si l'établissement compte plus de 900 élèves, le conseil d'administration peut attribuer cette échelle de traitement supérieure à trois emplois à temps plein du personnel d'appui dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou l'enseignement secondaire spécial, ou du personnel auxiliaire d'éducation dans l'enseignement artistique à temps partiel.
§ 2. Par dérogation aux dispositions du présent chapitre et par dérogation au § 1er, il est loisible au conseil d'administration de nommer à titre définitif dans la même fonction avec une échelle de traitement supérieure un membre du personnel qui est nommé à titre définitif dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou dans l'enseignement secondaire spécial dans une fonction du personnel d'appui et qui est concordée en application du présent décret.
Lors de cette nomination définitive il faut toujours tenir compte du niveau du diplôme du membre du personnel.
Le membre du personnel ne doit pas faire acte de candidature pour cette nomination définitive.
Il résulte de la nomination définitive dans la même fonction avec une échelle de traitement supérieure que l'emploi est doté d'un nombre de points rattaché à cette échelle de traitement supérieure, tel que fixé a l'article 97 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental.
La nomination à titre définitif dans la même fonction avec une échelle de traitement supérieure ne peut s'opérer que si les obligations en matière de réaffectation et de remise au travail sont respectées.
§ 3. Un membre du personnel n'est éligible à la promotion visée aux § 1er et 2 que s'il n'a pas obtenu, pour sa mission dans une fonction des catégories du personnel visées aux § 1er ou 2 ou comme dernière évaluation, une évaluation portant la conclusion finale " insuffisant ".
Lorsque le membre du personnel n'a pas été évalué, cette condition est censée être remplie. ".
Art. 8.7. In artikel 55quinquiesdecies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 1999 en gewijzigd bij de decreten van 20 oktober 2000 en 13 juli 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan § 4 wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Het personeelslid mag als laatste evaluatie geen evaluatie met eindconlusie " onvoldoende " hebben verkregen. ";
2° een § 5 wordt toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 5. Bij afwezigheid van het personeelslid dat met toepassing van § 1 initieel belast is met het mandaat van algemeen directeur, kan de raad van bestuur een ander personeelslid voor de duur van die afwezigheid belasten met het mandaat. Voor een periode van maximaal 60 dagen mag de raad van bestuur een lid van het college van directeurs aanduiden om het mandaat van algemeen directeur waar te nemen. Bij toepassing van deze bepaling en in afwijking van artikel 55undecies, § 2, eindigt de aanstelling uiterlijk na het verstrijken van voormelde termijn van maximaal 60 dagen. ".
1° aan § 4 wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Het personeelslid mag als laatste evaluatie geen evaluatie met eindconlusie " onvoldoende " hebben verkregen. ";
2° een § 5 wordt toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 5. Bij afwezigheid van het personeelslid dat met toepassing van § 1 initieel belast is met het mandaat van algemeen directeur, kan de raad van bestuur een ander personeelslid voor de duur van die afwezigheid belasten met het mandaat. Voor een periode van maximaal 60 dagen mag de raad van bestuur een lid van het college van directeurs aanduiden om het mandaat van algemeen directeur waar te nemen. Bij toepassing van deze bepaling en in afwijking van artikel 55undecies, § 2, eindigt de aanstelling uiterlijk na het verstrijken van voormelde termijn van maximaal 60 dagen. ".
Art. 8.7. A l'article 55quinquiesdecies du même décret, inséré par le décret du 18 mai 1999 et modifié par les décrets des 20 octobre 2000 et 13 juillet 2001, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 4 est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
" Le membre du personnel ne peut pas avoir obtenu comme dernière évaluation une évaluation portant la conclusion finale " insuffisant ". ";
2° il est ajoute un § 5, rédigé comme suit :
" § 5. En cas d'absence du membre du personnel qui, en application du § 1er, est chargé initialement du mandat de directeur général, le conseil d'administration peut charger un autre membre du personnel du mandat pour la durée de cette absence. Pour une durée de 60 jours au maximum, le conseil d'administration peut charger un membre du collège de directeurs pour assurer le mandat de directeur général. En application de la présente disposition et par dérogation à l'article 55undecies, § 2, la désignation prend fin au plus tard à l'expiration du délai précité de 60 jours au maximum. ".
1° le § 4 est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
" Le membre du personnel ne peut pas avoir obtenu comme dernière évaluation une évaluation portant la conclusion finale " insuffisant ". ";
2° il est ajoute un § 5, rédigé comme suit :
" § 5. En cas d'absence du membre du personnel qui, en application du § 1er, est chargé initialement du mandat de directeur général, le conseil d'administration peut charger un autre membre du personnel du mandat pour la durée de cette absence. Pour une durée de 60 jours au maximum, le conseil d'administration peut charger un membre du collège de directeurs pour assurer le mandat de directeur général. En application de la présente disposition et par dérogation à l'article 55undecies, § 2, la désignation prend fin au plus tard à l'expiration du délai précité de 60 jours au maximum. ".
Art. 8.8. In artikel 55octiesdecies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 1999 en gewijzigd bij het decreet van 13 juli 2001, worden de woorden " op een bijwedde " en de woorden " de grootte van de bijwedde " respectievelijk vervangen door de woorden " op een niet-verworven salarisschaal " en de woorden " de niet-verworven salarisschaal ".
Art. 8.8. Dans l'article 55octiesdecies du même décret, inséré par le décret du 18 mai 1999 et modifié par le décret du 13 juillet 2001, les mots " à un supplément de traitement " et les mots " le volume du supplément de traitement " sont remplacés respectivement par les mots " à une échelle de traitement non acquise " et les mots " l'échelle de traitement non acquise ".
Art. 8.9. In artikel 55vicies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 1999 en gewijzigd bij de decreten van 10 juli 2001 en 15 juli 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan het tweede lid van § 1 wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
" Het personeelslid mag als laatste evaluatie geen evaluatie met eindconclusie " onvoldoende " hebben verkregen. ";
2° aan § 1 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Bij afwezigheid van het personeelslid dat met toepassing van het eerste lid initieel belast is met het mandaat van coördinerend directeur, kan de scholengroep op voordracht van de scholengemeenschap een ander personeelslid voor de duur van die afwezigheid belasten met het mandaat. Dat personeelslid oefent tot de dag waarop het afwezige personeelslid opnieuw effectief zijn mandaat opneemt, de bevoegdheden van coördinerend directeur uit. ";
3° in § 2 worden de woorden " op een bijwedde " en de woorden " de grootte van de bijwedde " respectievelijk vervangen door de woorden " op een niet-verworven salarisschaal " en de woorden " de niet-verworven salarisschaal ".
1° aan het tweede lid van § 1 wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
" Het personeelslid mag als laatste evaluatie geen evaluatie met eindconclusie " onvoldoende " hebben verkregen. ";
2° aan § 1 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Bij afwezigheid van het personeelslid dat met toepassing van het eerste lid initieel belast is met het mandaat van coördinerend directeur, kan de scholengroep op voordracht van de scholengemeenschap een ander personeelslid voor de duur van die afwezigheid belasten met het mandaat. Dat personeelslid oefent tot de dag waarop het afwezige personeelslid opnieuw effectief zijn mandaat opneemt, de bevoegdheden van coördinerend directeur uit. ";
3° in § 2 worden de woorden " op een bijwedde " en de woorden " de grootte van de bijwedde " respectievelijk vervangen door de woorden " op een niet-verworven salarisschaal " en de woorden " de niet-verworven salarisschaal ".
Art. 8.9. A l'article 55vicies du même décret, inséré par le décret du 18 mai 1999 et modifié par les décrets des 10 juillet 2001 et 15 juillet 2005, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa deux du § 1er est complété par une phrase, rédigée comme suit :
" Le membre du personnel ne peut pas avoir obtenu comme dernière évaluation une évaluation portant la conclusion finale " insuffisant ". ";
2° le § 1er est complété par un alinéa trois, rédigé comme suit :
En cas d'absence du membre du personnel qui, en application de l'alinéa premier, est chargé initialement du mandat de directeur coordinateur, le groupe d'écoles peut, sur la présentation du centre d'enseignement, charger un autre membre du personnel du mandat pour la durée de cette absence. Ce membre du personnel exerce les compétences de directeur coordinateur jusqu'au jour auquel le membre du personnel absent reprend effectivement son mandat. ";
3° dans le § 2, les mots " à un supplément de traitement " et les mots " le volume du supplément de traitement " sont remplacés respectivement par les mots " à une échelle de traitement non acquise " et les mots " l'échelle de traitement non acquise ".
1° l'alinéa deux du § 1er est complété par une phrase, rédigée comme suit :
" Le membre du personnel ne peut pas avoir obtenu comme dernière évaluation une évaluation portant la conclusion finale " insuffisant ". ";
2° le § 1er est complété par un alinéa trois, rédigé comme suit :
En cas d'absence du membre du personnel qui, en application de l'alinéa premier, est chargé initialement du mandat de directeur coordinateur, le groupe d'écoles peut, sur la présentation du centre d'enseignement, charger un autre membre du personnel du mandat pour la durée de cette absence. Ce membre du personnel exerce les compétences de directeur coordinateur jusqu'au jour auquel le membre du personnel absent reprend effectivement son mandat. ";
3° dans le § 2, les mots " à un supplément de traitement " et les mots " le volume du supplément de traitement " sont remplacés respectivement par les mots " à une échelle de traitement non acquise " et les mots " l'échelle de traitement non acquise ".
Art. 8.10. In artikel 56ter, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 15 juli 2005 en gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het woord " weddenschalen " wordt vervangen door het woord " salarisschalen ";
2° er wordt aan de opsomming een liggend streepje toegevoegd, dat luidt als volgt :
" - de nuttige ervaring ".
1° het woord " weddenschalen " wordt vervangen door het woord " salarisschalen ";
2° er wordt aan de opsomming een liggend streepje toegevoegd, dat luidt als volgt :
" - de nuttige ervaring ".
Art. 8.10. A l'article 56ter, § 2, du même décret, inséré par le décret du 15 juillet 2005 et modifié par le décret du 7 juillet 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le texte néerlandais, le mot " weddenschalen " est remplacé par le mot " salarisschalen ";
2° l'énumération est complétée par un tiret, rédigé comme suit :
" - l'expérience utile ".
1° dans le texte néerlandais, le mot " weddenschalen " est remplacé par le mot " salarisschalen ";
2° l'énumération est complétée par un tiret, rédigé comme suit :
" - l'expérience utile ".
Art. 8.11. In hoofdstuk VIter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 15 juli 2005 en gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2006, wordt een artikel 56quater ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Artikel 56quater § 1. De Vlaamse Regering kan bij het wijzigen of invoeren van een personeelscategorie, een ambt, een opleiding, een module, een vak, een specialiteit of de classificatie van een vak of specialiteit, voorwaarden voor individuele concordanties bepalen.
Een individuele concordantie houdt de omzetting in van de bestaande benaming van een personeelscategorie, een ambt, een opleiding, een module, een vak, een specialiteit of een classificatie van een vak of specialiteit naar een nieuwe benaming voor een welbepaald personeelslid.
De individuele concordantie is persoonsgebonden en eenmalig.
§ 2. Over een individuele concordantie wordt steeds overlegd tussen de raad van bestuur of zijn afgevaardigde en het personeelslid.
Als beide partijen tot een overeenkomst komen, wordt een individueel concordantieformulier opgesteld dat door beide partijen wordt ondertekend.
De Vlaamse Regering bepaalt hoe de individuele concordantie wordt meegedeeld opdat ze uitwerking zou hebben ten aanzien van de overheid.
§ 3. Als de raad van bestuur of zijn afgevaardigde en het personeelslid geen overeenkomst bereiken als vermeld in § 2, dan deelt de raad van bestuur of zijn afgevaardigde de reden hiervan schriftelijk mee aan het betrokken personeelslid.
Het personeelslid kan vervolgens bij de Commissie Bezwaarschriften, hierna commissie te noemen, een gemotiveerd bezwaarschrift neerleggen.
Het personeelslid kan zich ook met een bezwaarschrift tot de commissie wenden als de raad van bestuur nalaat om een beslissing te nemen.
Dat bezwaarschrift houdt in dat het personeelslid een eigen voorstel indient tot concordantie of dat het personeelslid een voorstel indient om geen concordantie te verkrijgen.
De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de indiening van een bezwaarschrift.
De commissie hoort de betrokken partijen. Ze houdt bij haar uitspraak rekening met de bepalingen van § 1.
Als de commissie het bezwaarschrift van het betrokken personeelslid niet aanvaardt, is de door de raad van bestuur gemaakte keuze voor het personeelslid bindend en definitief vanaf de vastgelegde ingangsdatum van de concordantie.
Als de commissie het bezwaarschrift van het betrokken personeelslid aanvaardt, is die beslissing ten aanzien van de raad van bestuur bindend en definitief vanaf de vastgelegde ingangsdatum van de concordantie.
De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling van de commissie.
§ 4. De Vlaamse Regering kan inzake een individuele concordantie nadere administratieve en geldelijke bepalingen vastleggen voor de personeelsleden voor wie krachtens § 1 een individuele concordantie nodig is. Het betreft bepalingen over :
1° de prestaties geleverd als tijdelijk personeelslid;
2° de rechten met betrekking tot de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur;
3° de kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling, een toelating tot de proeftijd, een vaste benoeming of een mutatie;
4° de vacantverklaring van betrekkingen met het oog op een toelating tot de proeftijd, een vaste benoeming of een mutatie;
5° de draagwijdte van de vaste benoeming;
6° de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling;
7° de bekwaamheidsbewijzen;
8° de salarisschalen;
9° de nuttige ervaring. ".
" Artikel 56quater § 1. De Vlaamse Regering kan bij het wijzigen of invoeren van een personeelscategorie, een ambt, een opleiding, een module, een vak, een specialiteit of de classificatie van een vak of specialiteit, voorwaarden voor individuele concordanties bepalen.
Een individuele concordantie houdt de omzetting in van de bestaande benaming van een personeelscategorie, een ambt, een opleiding, een module, een vak, een specialiteit of een classificatie van een vak of specialiteit naar een nieuwe benaming voor een welbepaald personeelslid.
De individuele concordantie is persoonsgebonden en eenmalig.
§ 2. Over een individuele concordantie wordt steeds overlegd tussen de raad van bestuur of zijn afgevaardigde en het personeelslid.
Als beide partijen tot een overeenkomst komen, wordt een individueel concordantieformulier opgesteld dat door beide partijen wordt ondertekend.
De Vlaamse Regering bepaalt hoe de individuele concordantie wordt meegedeeld opdat ze uitwerking zou hebben ten aanzien van de overheid.
§ 3. Als de raad van bestuur of zijn afgevaardigde en het personeelslid geen overeenkomst bereiken als vermeld in § 2, dan deelt de raad van bestuur of zijn afgevaardigde de reden hiervan schriftelijk mee aan het betrokken personeelslid.
Het personeelslid kan vervolgens bij de Commissie Bezwaarschriften, hierna commissie te noemen, een gemotiveerd bezwaarschrift neerleggen.
Het personeelslid kan zich ook met een bezwaarschrift tot de commissie wenden als de raad van bestuur nalaat om een beslissing te nemen.
Dat bezwaarschrift houdt in dat het personeelslid een eigen voorstel indient tot concordantie of dat het personeelslid een voorstel indient om geen concordantie te verkrijgen.
De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de indiening van een bezwaarschrift.
De commissie hoort de betrokken partijen. Ze houdt bij haar uitspraak rekening met de bepalingen van § 1.
Als de commissie het bezwaarschrift van het betrokken personeelslid niet aanvaardt, is de door de raad van bestuur gemaakte keuze voor het personeelslid bindend en definitief vanaf de vastgelegde ingangsdatum van de concordantie.
Als de commissie het bezwaarschrift van het betrokken personeelslid aanvaardt, is die beslissing ten aanzien van de raad van bestuur bindend en definitief vanaf de vastgelegde ingangsdatum van de concordantie.
De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling van de commissie.
§ 4. De Vlaamse Regering kan inzake een individuele concordantie nadere administratieve en geldelijke bepalingen vastleggen voor de personeelsleden voor wie krachtens § 1 een individuele concordantie nodig is. Het betreft bepalingen over :
1° de prestaties geleverd als tijdelijk personeelslid;
2° de rechten met betrekking tot de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur;
3° de kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling, een toelating tot de proeftijd, een vaste benoeming of een mutatie;
4° de vacantverklaring van betrekkingen met het oog op een toelating tot de proeftijd, een vaste benoeming of een mutatie;
5° de draagwijdte van de vaste benoeming;
6° de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling;
7° de bekwaamheidsbewijzen;
8° de salarisschalen;
9° de nuttige ervaring. ".
Art. 8.11. Dans le chapitre VIter du même décret, inséré par le décret du 15 juillet 2005 et modifie par le décret du 7 juillet 2006, il est inséré un article 56quater, rédigé comme suit :
" Article 56quater. § 1er. Le Gouvernement flamand peut, lors d'une modification ou d'une introduction d'une catégorie de personnel, d'une fonction, d'une formation, d'un module, d'un cours, d'une spécialité ou d'une classification d'un cours ou d'une spécialité, établir des concordances individuelles.
Une concordance individuelle implique la conversion de la dénomination existante d'une catégorie de personnel, d'une fonction, d'une formation, d'un module, d'un cours, d'une spécialité ou d'une classification d'un cours ou d'une spécialité en une autre dénomination pour un membre du personnel déterminé.
La concordance individuelle est personnelle et unique.
§ 2. Une concordance individuelle fait toujours l'objet d'une concertation entre le conseil d'administration ou son délégué et le membre du personnel.
Si les deux parties parviennent à un accord, un formulaire de concordance individuelle est établi qui est signé par les deux parties.
Le Gouvernement flamand détermine les modalités de la communication de la concordance individuelle afin que celle-ci puisse produire ses effets vis-à-vis de l'autorité.
§ 3. Si le conseil d'administration ou son délégué et le membre du personnel ne parviennent pas à un accord tel que visé au § 2, le conseil d'administration ou son délégué en communiquent le motif par écrit au membre du personnel concerné.
Le membre du personnel peut ensuite présenter une réclamation motivée auprès de la Commission des Réclamations, dénommée ci-après commission.
Le membre du personnel peut également adresser une réclamation à la commission si le conseil d'administration omet de prendre une décision.
Cette réclamation implique que le membre du personnel introduit une propre proposition de concordance ou qu'il introduit une proposition pour empêcher une concordance.
Le Gouvernement flamand détermine la procédure de l'introduction d'une réclamation.
La commission entend les parties concernées. Lors de sa décision, elle tient compte des dispositions du § 1er.
Si la commission n'accepte pas la réclamation du membre du personnel concerné, le choix fait par le conseil d'administration dans le chef du membre du personnel est impératif et définitif à compter de la date d'effet fixée de la concordance.
Si la commission accepte la réclamation du membre du personnel concerné, cette décision à l'égard du conseil d'administration est impérative et définitive à compter de la date d'effet fixée de la concordance.
Le Gouvernement flamand fixe la composition de la commission.
§ 4. En ce qui concerne une concordance individuelle, le Gouvernement flamand peut fixer des modalités administratives et pécuniaires pour les membres du personnel pour lesquels une concordance individuelle s'impose en vertu du § 1er. Il s'agit de modalités relatives :
1° aux prestations fournies en qualité de membre du personnel temporaire;
2° aux droits relatifs à la désignation temporaire à durée ininterrompue;
3° au dépôt de candidature pour une désignation temporaire, à une admission au stage, à une nomination définitive ou une mutation;
4° à la déclaration de vacance d'emplois en vue d'une admission au stage, d'une nomination définitive ou d'une mutation;
5° au volume de la nomination définitive;
6° à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation et la remise au travail;
7° aux titres de capacité;
8° aux échelles de traitement;
9° à l'expérience utile. ".
" Article 56quater. § 1er. Le Gouvernement flamand peut, lors d'une modification ou d'une introduction d'une catégorie de personnel, d'une fonction, d'une formation, d'un module, d'un cours, d'une spécialité ou d'une classification d'un cours ou d'une spécialité, établir des concordances individuelles.
Une concordance individuelle implique la conversion de la dénomination existante d'une catégorie de personnel, d'une fonction, d'une formation, d'un module, d'un cours, d'une spécialité ou d'une classification d'un cours ou d'une spécialité en une autre dénomination pour un membre du personnel déterminé.
La concordance individuelle est personnelle et unique.
§ 2. Une concordance individuelle fait toujours l'objet d'une concertation entre le conseil d'administration ou son délégué et le membre du personnel.
Si les deux parties parviennent à un accord, un formulaire de concordance individuelle est établi qui est signé par les deux parties.
Le Gouvernement flamand détermine les modalités de la communication de la concordance individuelle afin que celle-ci puisse produire ses effets vis-à-vis de l'autorité.
§ 3. Si le conseil d'administration ou son délégué et le membre du personnel ne parviennent pas à un accord tel que visé au § 2, le conseil d'administration ou son délégué en communiquent le motif par écrit au membre du personnel concerné.
Le membre du personnel peut ensuite présenter une réclamation motivée auprès de la Commission des Réclamations, dénommée ci-après commission.
Le membre du personnel peut également adresser une réclamation à la commission si le conseil d'administration omet de prendre une décision.
Cette réclamation implique que le membre du personnel introduit une propre proposition de concordance ou qu'il introduit une proposition pour empêcher une concordance.
Le Gouvernement flamand détermine la procédure de l'introduction d'une réclamation.
La commission entend les parties concernées. Lors de sa décision, elle tient compte des dispositions du § 1er.
Si la commission n'accepte pas la réclamation du membre du personnel concerné, le choix fait par le conseil d'administration dans le chef du membre du personnel est impératif et définitif à compter de la date d'effet fixée de la concordance.
Si la commission accepte la réclamation du membre du personnel concerné, cette décision à l'égard du conseil d'administration est impérative et définitive à compter de la date d'effet fixée de la concordance.
Le Gouvernement flamand fixe la composition de la commission.
§ 4. En ce qui concerne une concordance individuelle, le Gouvernement flamand peut fixer des modalités administratives et pécuniaires pour les membres du personnel pour lesquels une concordance individuelle s'impose en vertu du § 1er. Il s'agit de modalités relatives :
1° aux prestations fournies en qualité de membre du personnel temporaire;
2° aux droits relatifs à la désignation temporaire à durée ininterrompue;
3° au dépôt de candidature pour une désignation temporaire, à une admission au stage, à une nomination définitive ou une mutation;
4° à la déclaration de vacance d'emplois en vue d'une admission au stage, d'une nomination définitive ou d'une mutation;
5° au volume de la nomination définitive;
6° à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation et la remise au travail;
7° aux titres de capacité;
8° aux échelles de traitement;
9° à l'expérience utile. ".
Art. 8.12. In artikel 67, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 mei 1999, 14 februari 2003 en 7 juli 2006, wordt het woord " weddeschaal " vervangen door het woord " salarisschaal ".
Art. 8.12. Dans le texte néerlandais de l'article 67, § 2, du même décret, modifié par les décrets des 18 mai 1999, 14 février 2003 et 7 juillet 2006, le mot " weddeschaal " est remplacé par le mot " salarisschaal ".
Art. 8.13. Aan artikel 77 van hetzelfde decreet wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Als in de voormelde wettelijke of reglementaire bepalingen of in de door de Vlaamse Regering uitgevaardigde verlofstelsels wordt vermeld dat als gevolg van een tijdens het schooljaar of dienstjaar genoten verlof het salaris tijdens het jaarlijkse vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd, heeft dat tot gevolg dat in de zomervakantie van dat schooljaar of dienstjaar, enkel voor de bezoldiging, een aantal kalenderdagen eveneens als dergelijk verlof wordt beschouwd. De aldus met een periode van verlof gelijkgestelde dagen worden niet meegerekend om de duur te bepalen van de periode van verlof waarop het personeelslid nog recht heeft. Om dat aantal kalenderdagen te berekenen :
1° worden het aantal kalenderdagen genoten verlof opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar of dienstjaar;
2° wordt het resultaat met 0,2 vermenigvuldigd;
3° wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond. ".
" Als in de voormelde wettelijke of reglementaire bepalingen of in de door de Vlaamse Regering uitgevaardigde verlofstelsels wordt vermeld dat als gevolg van een tijdens het schooljaar of dienstjaar genoten verlof het salaris tijdens het jaarlijkse vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd, heeft dat tot gevolg dat in de zomervakantie van dat schooljaar of dienstjaar, enkel voor de bezoldiging, een aantal kalenderdagen eveneens als dergelijk verlof wordt beschouwd. De aldus met een periode van verlof gelijkgestelde dagen worden niet meegerekend om de duur te bepalen van de periode van verlof waarop het personeelslid nog recht heeft. Om dat aantal kalenderdagen te berekenen :
1° worden het aantal kalenderdagen genoten verlof opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar of dienstjaar;
2° wordt het resultaat met 0,2 vermenigvuldigd;
3° wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond. ".
Art. 8.13. L'article 77 du même décret est complété par un alinéa trois, rédigé comme suit :
" Si les dispositions légales ou réglementaires précitées ou les régimes de congé promulgués par le Gouvernement flamand stipulent que, suite à un congé pris au cours de l'année scolaire ou de l'exercice, le traitement est réduit proportionnellement pendant le congé annuel de vacances, cela a pour conséquence qu'un nombre de jours calendaires sera également considéré comme un tel congé pendant les vacances d'été de cette année scolaire ou cet exercice, uniquement aux fins de rémunération. Les jours ainsi assimilés à une période de congé ne sont pas pris en compte pour déterminer la durée de la période de congé à laquelle le membre du personnel a encore droit. Pour calculer ce nombre de jours calendaires :
1° le nombre de jours calendaires de congé pris sont additionnés, avec un maximum de trois cent jours par année scolaire ou exercice;
2° le résultat est multiplié par 0,2;
3° le résultat est arrondi à l'unité inférieure. ".
" Si les dispositions légales ou réglementaires précitées ou les régimes de congé promulgués par le Gouvernement flamand stipulent que, suite à un congé pris au cours de l'année scolaire ou de l'exercice, le traitement est réduit proportionnellement pendant le congé annuel de vacances, cela a pour conséquence qu'un nombre de jours calendaires sera également considéré comme un tel congé pendant les vacances d'été de cette année scolaire ou cet exercice, uniquement aux fins de rémunération. Les jours ainsi assimilés à une période de congé ne sont pas pris en compte pour déterminer la durée de la période de congé à laquelle le membre du personnel a encore droit. Pour calculer ce nombre de jours calendaires :
1° le nombre de jours calendaires de congé pris sont additionnés, avec un maximum de trois cent jours par année scolaire ou exercice;
2° le résultat est multiplié par 0,2;
3° le résultat est arrondi à l'unité inférieure. ".
Art. 8.14. In artikel 77quater van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2, wordt het derde lid vervangen door wat volgt :
" De Vlaamse Regering stelt voor de verloven wegens bijzondere opdracht de nadere bepalingen op, onder meer voor wat betreft de beslissende en/of adviserende instantie en de bepaling van het totaal aantal. ";
2° in § 3, tweede lid, wordt in punt 1° het tweede gedachtestreepje opgeheven.
1° in § 2, wordt het derde lid vervangen door wat volgt :
" De Vlaamse Regering stelt voor de verloven wegens bijzondere opdracht de nadere bepalingen op, onder meer voor wat betreft de beslissende en/of adviserende instantie en de bepaling van het totaal aantal. ";
2° in § 3, tweede lid, wordt in punt 1° het tweede gedachtestreepje opgeheven.
Art. 8.14. A l'article 77quater du même décret, inséré par le décret du 14 février 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 2, l'alinéa trois est remplacé par la disposition suivante :
Le Gouvernement flamand établit les modalités relatives aux congés pour mission spéciale, notamment pour ce qui est de l'instance décisionnelle et/ou consultative, et de la fixation du nombre total. ";
2° dans le § 3, alinéa deux, point 1°, le deuxième tiret est abrogé.
1° au § 2, l'alinéa trois est remplacé par la disposition suivante :
Le Gouvernement flamand établit les modalités relatives aux congés pour mission spéciale, notamment pour ce qui est de l'instance décisionnelle et/ou consultative, et de la fixation du nombre total. ";
2° dans le § 3, alinéa deux, point 1°, le deuxième tiret est abrogé.
Art. 8.15. Aan artikel 82 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 15 juli 1997 en 14 februari 2003, worden een vierde, vijfde, zesde en zevende lid toegevoegd die luiden als volgt :
" De wettelijke feestdagen, de weekends en de herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie die, geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk aansluiten bij een voorafgaande periode van terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden, en die een nieuwe periode van terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden onmiddellijk voorafgaan, worden eveneens als een periode van terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden beschouwd.
Onverminderd de berekeningswijze van de tijdens de zomervakantie toe te kennen uitgestelde bezoldiging en als in de voormelde wettelijke of reglementaire bepalingen of in de door de Vlaamse Regering vastgelegde voorwaarden wordt vermeld dat als gevolg van een tijdens het schooljaar of dienstjaar genoten terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden het salaris tijdens het jaarlijkse vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd, heeft dat tot gevolg dat in de zomervakantie van dat schooljaar of dienstjaar een aantal kalenderdagen niet worden bezoldigd. Om dat aantal kalenderdagen te berekenen :
1° worden alle kalenderdagen genoten terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar of dienstjaar;
2° wordt het resultaat met 0,2 vermenigvuldigd;
3° wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond.
Als ten gevolge van die berekening het maandsalaris niet volledig verschuldigd is, wordt het in dertigsten verdeeld in overeenstemming met de regeling die in dit geval voor de vastbenoemde personeelsleden wordt toegepast.
Onverminderd de berekeningswijze van de geldelijke anciënniteit voor tijdelijke personeelsleden met het recht op uitgestelde bezoldiging, komen de voormelde dagen wel in aanmerking voor de berekening van de geldelijke anciënniteit en worden niet meegerekend om de duur te bepalen van de periode van terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden waarop het personeelslid nog recht heeft.
In afwijking van de bepalingen van het vijfde lid eindigt de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden, toegekend voor een volledig schooljaar of dienstjaar steeds bij het einde van dat schooljaar of dienstjaar, de zomervakantie inbegrepen. ".
" De wettelijke feestdagen, de weekends en de herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie die, geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk aansluiten bij een voorafgaande periode van terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden, en die een nieuwe periode van terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden onmiddellijk voorafgaan, worden eveneens als een periode van terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden beschouwd.
Onverminderd de berekeningswijze van de tijdens de zomervakantie toe te kennen uitgestelde bezoldiging en als in de voormelde wettelijke of reglementaire bepalingen of in de door de Vlaamse Regering vastgelegde voorwaarden wordt vermeld dat als gevolg van een tijdens het schooljaar of dienstjaar genoten terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden het salaris tijdens het jaarlijkse vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd, heeft dat tot gevolg dat in de zomervakantie van dat schooljaar of dienstjaar een aantal kalenderdagen niet worden bezoldigd. Om dat aantal kalenderdagen te berekenen :
1° worden alle kalenderdagen genoten terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar of dienstjaar;
2° wordt het resultaat met 0,2 vermenigvuldigd;
3° wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond.
Als ten gevolge van die berekening het maandsalaris niet volledig verschuldigd is, wordt het in dertigsten verdeeld in overeenstemming met de regeling die in dit geval voor de vastbenoemde personeelsleden wordt toegepast.
Onverminderd de berekeningswijze van de geldelijke anciënniteit voor tijdelijke personeelsleden met het recht op uitgestelde bezoldiging, komen de voormelde dagen wel in aanmerking voor de berekening van de geldelijke anciënniteit en worden niet meegerekend om de duur te bepalen van de periode van terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden waarop het personeelslid nog recht heeft.
In afwijking van de bepalingen van het vijfde lid eindigt de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden, toegekend voor een volledig schooljaar of dienstjaar steeds bij het einde van dat schooljaar of dienstjaar, de zomervakantie inbegrepen. ".
Art. 8.15. A l'article 82 du même décret, modifié par les décrets des 15 juillet 1997 et 14 février 2003, il est ajouté un alinéa quatre, cinq, six et sept, rédigés comme suit :
" Les jours fériés légaux, les week-ends et les vacances d'automne, de Noël, de Carnaval et de Pâques qui, en tout ou en partie, suivent immédiatement une période précédente de mise en disponibilité pour convenances personnelles, et qui précèdent immédiatement une nouvelle période de mise en disponibilité pour convenances personnelles, sont également considérés comme une période de mise en disponibilité pour convenances personnelles.
Sans préjudice du mode de calcul de la rémunération différée à accorder pendant les vacances d'été et si les dispositions légales ou réglementaires précitées ou les conditions fixées par le Gouvernement flamand stipulent que, suite à une mise en disponibilité pour convenances personnelles bénéficiée au cours de l'année scolaire ou de l'exercice, le traitement est réduit proportionnellement pendant le congé annuel de vacances, cela a pour conséquence qu'un nombre de jours calendaires ne sera pas rémunéré pendant les vacances d'été de cette année scolaire ou de cet exercice. Pour calculer ce nombre de jours calendaires :
1° tous les jours calendaires de mise en disponibilité pour convenances personnelles bénéficiés sont additionnés, avec un maximum de trois cent jours par année scolaire ou exercice;
2° le résultat est multiplié par 0,2;
3° le résultat est arrondi à l'unité inférieure.
Si, suite à ce calcul, le traitement mensuel n'est pas entièrement dû, il est divisé en trentièmes conformément au règlement qui est applicable dans ce cas aux membres du personnel nommés à titre définitif.
Sans préjudice du mode de calcul de l'ancienneté pécuniaire pour les membres du personnel temporaire ayant droit à la rémunération différée, les jours précités entrent en ligne de compte pour le calcul de l'ancienneté pécuniaire et ne sont pas comptés pour déterminer la durée de la période de mise en disponibilité pour convenances personnelles à laquelle le membre du personnel a encore droit.
Par dérogation aux dispositions de l'alinéa cinq, la mise en disponibilité pour convenances personnelles, accordée pour une année scolaire entière ou un exercice entier, prend toujours fin à la fin de cette année scolaire ou cet exercice, y compris les vacances d'été. ".
" Les jours fériés légaux, les week-ends et les vacances d'automne, de Noël, de Carnaval et de Pâques qui, en tout ou en partie, suivent immédiatement une période précédente de mise en disponibilité pour convenances personnelles, et qui précèdent immédiatement une nouvelle période de mise en disponibilité pour convenances personnelles, sont également considérés comme une période de mise en disponibilité pour convenances personnelles.
Sans préjudice du mode de calcul de la rémunération différée à accorder pendant les vacances d'été et si les dispositions légales ou réglementaires précitées ou les conditions fixées par le Gouvernement flamand stipulent que, suite à une mise en disponibilité pour convenances personnelles bénéficiée au cours de l'année scolaire ou de l'exercice, le traitement est réduit proportionnellement pendant le congé annuel de vacances, cela a pour conséquence qu'un nombre de jours calendaires ne sera pas rémunéré pendant les vacances d'été de cette année scolaire ou de cet exercice. Pour calculer ce nombre de jours calendaires :
1° tous les jours calendaires de mise en disponibilité pour convenances personnelles bénéficiés sont additionnés, avec un maximum de trois cent jours par année scolaire ou exercice;
2° le résultat est multiplié par 0,2;
3° le résultat est arrondi à l'unité inférieure.
Si, suite à ce calcul, le traitement mensuel n'est pas entièrement dû, il est divisé en trentièmes conformément au règlement qui est applicable dans ce cas aux membres du personnel nommés à titre définitif.
Sans préjudice du mode de calcul de l'ancienneté pécuniaire pour les membres du personnel temporaire ayant droit à la rémunération différée, les jours précités entrent en ligne de compte pour le calcul de l'ancienneté pécuniaire et ne sont pas comptés pour déterminer la durée de la période de mise en disponibilité pour convenances personnelles à laquelle le membre du personnel a encore droit.
Par dérogation aux dispositions de l'alinéa cinq, la mise en disponibilité pour convenances personnelles, accordée pour une année scolaire entière ou un exercice entier, prend toujours fin à la fin de cette année scolaire ou cet exercice, y compris les vacances d'été. ".
Art. 8.16. Aan artikel 83, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 14 februari 2003, wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 6° die ter beschikking gesteld zijn of worden wegens persoonlijke aangelegenheid. ".
" 6° die ter beschikking gesteld zijn of worden wegens persoonlijke aangelegenheid. ".
Art. 8.16. L'article 83, § 2, du même décret, modifié par le décret du 14 février 2003, est complété par un point 6°, rédigé comme suit :
" 6° mis en disponibilité pour convenances personnelles. ".
" 6° mis en disponibilité pour convenances personnelles. ".
Art. 8.17. In artikel 100undecies, § 3, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 10 juli 2003, wordt het woord " weddenschaal " vervangen door het woord " salarisschaal ".
Art. 8.17. Dans le texte néerlandais de l'article 100undecies, § 3, du même décret, inséré par le décret du 10 juillet 2003, le mot " weddenschaal " est remplacé par le mot " salarisschaal ".
Afdeling II. - Decreet betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding.
Section II. - Décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres d'encadrement des élèves subventionnés.
Art. 8.18. Aan artikel 6 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, gewijzigd bij de decreten van 28 april 1993, 21 december 1994, 1 december 1998, 13 juli 2001 en 7 juli 2006, wordt een § 4 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van opsteller. ".
" § 4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van opsteller. ".
Art. 8.18. L'article 6 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves, modifié par les décrets des 28 avril 1993, 21 décembre 1994, 1er décembre 1998, 13 juillet 2001 et 7 juillet 2006, est complété par un § 4, rédigé comme suit :
" § 4. Pour l'application du chapitre III dans l'enseignement artistique à temps partiel, les services rendus dans la fonction de surveillant-éducateur, sont également considérés comme étant rendus dans la fonction de rédacteur. ".
" § 4. Pour l'application du chapitre III dans l'enseignement artistique à temps partiel, les services rendus dans la fonction de surveillant-éducateur, sont également considérés comme étant rendus dans la fonction de rédacteur. ".
Art. 8.19. In artikel 19, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 14 februari 2003 en 7 juli 2006, worden in punt 3° de woorden " door een attest van goed zedelijk gedrag " vervangen door de woorden " uit een uittreksel uit het strafregister ".
Art. 8.19. Dans l'article 19, § 1er, du même décret, modifié par les décrets des 14 février 2003 et 7 juillet 2006, dans le point 3° les mots " une attestation de bonne vie et moeurs " sont remplacés par les mots " un extrait du casier judiciaire ".
Art. 8.20. In artikel 36quinquies van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, ingevoegd bij het decreet van 10 juli 2003 en vervangen bij het decreet van 7 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 3 wordt opgeheven;
2° § 4 wordt vervangen door wat volgt :
" § 4. In volgende betrekkingen van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel zijn geen vaste benoeming, mutatie of affectatie mogelijk :
1° de betrekkingen die worden opgericht op basis van de puntenenveloppe voor de scholengemeenschap, vermeld in artikel 125duodecies van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;
2° de betrekkingen die worden opgericht op basis van de punten die worden overgedragen, als vermeld in artikel 153sexies, § 4, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;
3° de betrekkingen die worden opgericht op basis van de puntenenveloppe zorg+ ter bevordering van de kleuterparticipatie, vermeld in artikel 125duodecies 1, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. ".
1° § 3 wordt opgeheven;
2° § 4 wordt vervangen door wat volgt :
" § 4. In volgende betrekkingen van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel zijn geen vaste benoeming, mutatie of affectatie mogelijk :
1° de betrekkingen die worden opgericht op basis van de puntenenveloppe voor de scholengemeenschap, vermeld in artikel 125duodecies van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;
2° de betrekkingen die worden opgericht op basis van de punten die worden overgedragen, als vermeld in artikel 153sexies, § 4, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;
3° de betrekkingen die worden opgericht op basis van de puntenenveloppe zorg+ ter bevordering van de kleuterparticipatie, vermeld in artikel 125duodecies 1, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. ".
Art. 8.20. A l'article 36quinquies du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves, inséré par le décret du 10 juillet 2003 et remplacé par le décret du 7 juillet 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 3 est abrogé;
2° le § 4 est remplacé par la disposition suivante :
" § 4. Une nomination a titre définitif, mutation ou affectation n'est pas possible dans les emplois suivants des fonctions du personnel de gestion et d'appui :
1° les emplois qui sont créés sur la base de l'enveloppe de points accordée au centre d'enseignement, visée à l'article 125duocedies du décret du 25 février 1997 relatif a l'enseignement fondamental;
2° les emplois qui sont créés sur la base des points transférés tels que visés à l'article 153sexies, § 4, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental;
3° les emplois qui sont créés sur la base de l'enveloppe de points encadrement renforcé+ visant à promouvoir la participation des jeunes enfants, visée à l'article 125duocedies1 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. ".
1° le § 3 est abrogé;
2° le § 4 est remplacé par la disposition suivante :
" § 4. Une nomination a titre définitif, mutation ou affectation n'est pas possible dans les emplois suivants des fonctions du personnel de gestion et d'appui :
1° les emplois qui sont créés sur la base de l'enveloppe de points accordée au centre d'enseignement, visée à l'article 125duocedies du décret du 25 février 1997 relatif a l'enseignement fondamental;
2° les emplois qui sont créés sur la base des points transférés tels que visés à l'article 153sexies, § 4, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental;
3° les emplois qui sont créés sur la base de l'enveloppe de points encadrement renforcé+ visant à promouvoir la participation des jeunes enfants, visée à l'article 125duocedies1 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. ".
Art. 8.21. In artikel 36sexies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en vervangen bij het decreet van 10 juli 2003, wordt in punt 2° het woord " beleidsmedewerker " vervangen door de woorden " ICT-coördinator en de zorgcoördinator ".
Art. 8.21. Dans l'article 36sexies du même décret, inséré par le décret du 14 juillet 1998 et remplacé par le décret du 10 juillet 2003, dans le point 2° les mots " collaborateur de gestion " sont remplacés par les mots " coordinateur TIC et le coordinateur de l'encadrement renforcé ".
Art. 8.22. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2006, wordt een artikel 43quater ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Artikel 43quater Bij de omvorming van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, verbonden aan een instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs waar technisch of beroepssecundair onderwijs wordt georganiseerd, tot een autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, heeft de coördinator van het centrum in kwestie voorrang voor een vaste benoeming in het ambt van directeur van het autonome centrum.
De inrichtende macht kan dat personeelslid vast benoemen in het ambt van directeur van het autonome centrum, mits hij voldoet aan de bepalingen van artikel 40. ".
" Artikel 43quater Bij de omvorming van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, verbonden aan een instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs waar technisch of beroepssecundair onderwijs wordt georganiseerd, tot een autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, heeft de coördinator van het centrum in kwestie voorrang voor een vaste benoeming in het ambt van directeur van het autonome centrum.
De inrichtende macht kan dat personeelslid vast benoemen in het ambt van directeur van het autonome centrum, mits hij voldoet aan de bepalingen van artikel 40. ".
Art. 8.22. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 7 juillet 2006, il est inséré un article 43quater, rédigé comme suit :
" Article 43quater. Lors de la transformation d'un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel rattaché à un établissement d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein organisant de l'enseignement secondaire technique ou professionnel, en un centre autonome d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, le coordinateur du centre en question a la priorité pour être nommé à titre définitif dans la fonction de directeur du centre autonome.
Le pouvoir organisateur peut nommer ce membre du personnel à titre définitif dans la fonction de directeur du centre autonome s'il répond aux dispositions de l'article 40. ".
" Article 43quater. Lors de la transformation d'un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel rattaché à un établissement d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein organisant de l'enseignement secondaire technique ou professionnel, en un centre autonome d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, le coordinateur du centre en question a la priorité pour être nommé à titre définitif dans la fonction de directeur du centre autonome.
Le pouvoir organisateur peut nommer ce membre du personnel à titre définitif dans la fonction de directeur du centre autonome s'il répond aux dispositions de l'article 40. ".
Art. 8.23. Artikel 44 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 mei 1999, 14 februari 2003, 10 juli 2003 en 7 juli 2006, wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 44. § 1. In afwijking van dit hoofdstuk en zonder dat het zich kandidaat moet stellen, kan de inrichtende macht een lid van het ondersteunend personeel in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs dat vast benoemd is in deze categorie, de hogere salarisschaal 106 toekennen.
Als de instelling minder dan 400 leerlingen telt, kan de inrichtende macht die hogere salarisschaal toekennen aan één voltijdse betrekking van het ondersteunend personeel in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs.
Als de instelling 400 tot 900 leerlingen telt, kan de inrichtende macht die hogere salarisschaal toekennen aan twee voltijdse betrekkingen van het ondersteunend personeel in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs.
Als de instelling meer dan 900 leerlingen telt, kan de inrichtende macht die hogere salarisschaal toekennen aan drie voltijdse betrekkingen van het ondersteunend personeel in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs.
§ 2. In afwijking van de bepalingen van dit hoofdstuk en in afwijking van § 1, kan de inrichtende macht een personeelslid dat in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs vast benoemd is in een ambt van het ondersteunend personeel en dat met toepassing van dit decreet werd geconcordeerd, vast benoemen in hetzelfde ambt met een hogere salarisschaal.
Bij die vaste benoeming moet steeds rekening worden gehouden met het diplomaniveau van het personeelslid.
Het personeelslid hoeft zich geen kandidaat te stellen voor deze vaste benoeming.
De vaste benoeming in hetzelfde ambt met een hogere salarisschaal, heeft tot gevolg dat de betrekking de puntenwaarde krijgt die verbonden is aan die hogere salarisschaal, vermeld in artikel 97 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs.
De vaste benoeming in hetzelfde ambt met een hogere salarisschaal kan alleen plaatsvinden als de verplichtingen inzake reaffectatie en wedertewerkstelling zijn nageleefd.
§ 3. Een personeelslid komt alleen in aanmerking voor de bevordering bepaald in § 1 en § 2, als hij voor zijn opdracht in een ambt van de personeelscategorieën bedoeld in § 1 of § 2 als laatste evaluatie geen evaluatie met eindconclusie " onvoldoende " heeft gekregen.
Als het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt die voorwaarde geacht voldaan te zijn. ".
" Artikel 44. § 1. In afwijking van dit hoofdstuk en zonder dat het zich kandidaat moet stellen, kan de inrichtende macht een lid van het ondersteunend personeel in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs dat vast benoemd is in deze categorie, de hogere salarisschaal 106 toekennen.
Als de instelling minder dan 400 leerlingen telt, kan de inrichtende macht die hogere salarisschaal toekennen aan één voltijdse betrekking van het ondersteunend personeel in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs.
Als de instelling 400 tot 900 leerlingen telt, kan de inrichtende macht die hogere salarisschaal toekennen aan twee voltijdse betrekkingen van het ondersteunend personeel in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs.
Als de instelling meer dan 900 leerlingen telt, kan de inrichtende macht die hogere salarisschaal toekennen aan drie voltijdse betrekkingen van het ondersteunend personeel in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs.
§ 2. In afwijking van de bepalingen van dit hoofdstuk en in afwijking van § 1, kan de inrichtende macht een personeelslid dat in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs vast benoemd is in een ambt van het ondersteunend personeel en dat met toepassing van dit decreet werd geconcordeerd, vast benoemen in hetzelfde ambt met een hogere salarisschaal.
Bij die vaste benoeming moet steeds rekening worden gehouden met het diplomaniveau van het personeelslid.
Het personeelslid hoeft zich geen kandidaat te stellen voor deze vaste benoeming.
De vaste benoeming in hetzelfde ambt met een hogere salarisschaal, heeft tot gevolg dat de betrekking de puntenwaarde krijgt die verbonden is aan die hogere salarisschaal, vermeld in artikel 97 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs.
De vaste benoeming in hetzelfde ambt met een hogere salarisschaal kan alleen plaatsvinden als de verplichtingen inzake reaffectatie en wedertewerkstelling zijn nageleefd.
§ 3. Een personeelslid komt alleen in aanmerking voor de bevordering bepaald in § 1 en § 2, als hij voor zijn opdracht in een ambt van de personeelscategorieën bedoeld in § 1 of § 2 als laatste evaluatie geen evaluatie met eindconclusie " onvoldoende " heeft gekregen.
Als het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt die voorwaarde geacht voldaan te zijn. ".
Art. 8.23. L'article 44 du même décret, modifié par les décrets des 18 mai 1999, 14 février 2003, 10 juillet 2003 et 7 juillet 2006, est remplacé par les dispositions suivantes :
" Article 44. § 1er. Par dérogation au présent chapitre et sans qu'il doive faire acte de candidature, le pouvoir organisateur peut attribuer l'échelle de traitement 106 supérieure à un membre du personnel d'appui dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou dans l'enseignement secondaire spécial, ou du personnel auxiliaire d'éducation dans l'enseignement artistique à temps partiel qui est nommé à titre définitif dans cette catégorie.
Si l'établissement compte moins de 400 élèves, le pouvoir organisateur peut attribuer cette échelle de traitement supérieure a un emploi à temps plein du personnel d'appui dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou l'enseignement secondaire spécial, ou du personnel auxiliaire d'éducation dans l'enseignement artistique à temps partiel.
Si l'établissement compte de 400 à 900 élèves, le pouvoir organisateur peut attribuer cette échelle de traitement supérieure à deux emplois à temps plein du personnel d'appui dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou l'enseignement secondaire spécial, ou du personnel auxiliaire d'éducation dans l'enseignement artistique à temps partiel.
Si l'établissement compte plus de 900 élèves, le pouvoir organisateur peut attribuer cette échelle de traitement supérieure à trois emplois à temps plein du personnel d'appui dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou l'enseignement secondaire spécial, ou du personnel auxiliaire d'éducation dans l'enseignement artistique à temps partiel.
§ 2. Par dérogation aux dispositions du présent chapitre et par dérogation au § 1er, il est loisible au pouvoir organisateur de nommer à titre définitif dans la même fonction avec une échelle de traitement supérieure un membre du personnel qui est nommé à titre définitif dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou dans l'enseignement secondaire spécial dans une fonction du personnel d'appui et qui est concordée en application du présent décret.
Lors de cette nomination définitive il faut toujours tenir compte du niveau du diplôme du membre du personnel.
Le membre du personnel ne doit pas faire acte de candidature pour cette nomination définitive.
Il résulte de la nomination définitive dans la même fonction avec une échelle de traitement supérieure que l'emploi est doté d'un nombre de points rattaché à cette échelle de traitement supérieure, tel que fixé à l'article 97 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental.
La nomination à titre définitif dans la même fonction avec une échelle de traitement supérieure ne peut s'opérer que si les obligations en matière de réaffectation et de remise au travail sont respectées.
§ 3. Un membre du personnel n'est éligible à la promotion visée aux § 1er et 2 que s'il n'a pas obtenu, pour sa mission dans une fonction des catégories du personnel visées aux § 1er ou 2 ou comme dernière évaluation, une évaluation portant la conclusion finale " insuffisant ".
Lorsque le membre du personnel n'a pas été évalué, cette condition est censée être remplie. ".
" Article 44. § 1er. Par dérogation au présent chapitre et sans qu'il doive faire acte de candidature, le pouvoir organisateur peut attribuer l'échelle de traitement 106 supérieure à un membre du personnel d'appui dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou dans l'enseignement secondaire spécial, ou du personnel auxiliaire d'éducation dans l'enseignement artistique à temps partiel qui est nommé à titre définitif dans cette catégorie.
Si l'établissement compte moins de 400 élèves, le pouvoir organisateur peut attribuer cette échelle de traitement supérieure a un emploi à temps plein du personnel d'appui dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou l'enseignement secondaire spécial, ou du personnel auxiliaire d'éducation dans l'enseignement artistique à temps partiel.
Si l'établissement compte de 400 à 900 élèves, le pouvoir organisateur peut attribuer cette échelle de traitement supérieure à deux emplois à temps plein du personnel d'appui dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou l'enseignement secondaire spécial, ou du personnel auxiliaire d'éducation dans l'enseignement artistique à temps partiel.
Si l'établissement compte plus de 900 élèves, le pouvoir organisateur peut attribuer cette échelle de traitement supérieure à trois emplois à temps plein du personnel d'appui dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou l'enseignement secondaire spécial, ou du personnel auxiliaire d'éducation dans l'enseignement artistique à temps partiel.
§ 2. Par dérogation aux dispositions du présent chapitre et par dérogation au § 1er, il est loisible au pouvoir organisateur de nommer à titre définitif dans la même fonction avec une échelle de traitement supérieure un membre du personnel qui est nommé à titre définitif dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou dans l'enseignement secondaire spécial dans une fonction du personnel d'appui et qui est concordée en application du présent décret.
Lors de cette nomination définitive il faut toujours tenir compte du niveau du diplôme du membre du personnel.
Le membre du personnel ne doit pas faire acte de candidature pour cette nomination définitive.
Il résulte de la nomination définitive dans la même fonction avec une échelle de traitement supérieure que l'emploi est doté d'un nombre de points rattaché à cette échelle de traitement supérieure, tel que fixé à l'article 97 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental.
La nomination à titre définitif dans la même fonction avec une échelle de traitement supérieure ne peut s'opérer que si les obligations en matière de réaffectation et de remise au travail sont respectées.
§ 3. Un membre du personnel n'est éligible à la promotion visée aux § 1er et 2 que s'il n'a pas obtenu, pour sa mission dans une fonction des catégories du personnel visées aux § 1er ou 2 ou comme dernière évaluation, une évaluation portant la conclusion finale " insuffisant ".
Lorsque le membre du personnel n'a pas été évalué, cette condition est censée être remplie. ".
Art. 8.24. In artikel 44quaterdecies van hetzelfde decreet, ingevoegd door het decreet van 18 mei 1999 en vervangen bij het decreet van 13 juli 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan § 1 worden een tweede en derde lid toegevoegd, die luiden als volgt :
" Het personeelslid mag als laatste evaluatie geen evaluatie met eindconclusie " onvoldoende " hebben verkregen.
Bij afwezigheid van het personeelslid dat met toepassing van het eerste lid initieel belast is met het mandaat van algemeen directeur, kan de inrichtende macht een ander personeelslid voor de duur van die afwezigheid belasten met het mandaat. Dat personeelslid oefent tot de dag waarop het afwezige personeelslid opnieuw effectief zijn mandaat opneemt, de bevoegdheden van algemeen directeur uit. ";
2° in § 2 worden de woorden " op een bijwedde " en de woorden " de grootte van de toelage " respectievelijk vervangen door de woorden " op een niet-verworven salarisschaal " en de woorden " de niet-verworven salarisschaal ".
1° aan § 1 worden een tweede en derde lid toegevoegd, die luiden als volgt :
" Het personeelslid mag als laatste evaluatie geen evaluatie met eindconclusie " onvoldoende " hebben verkregen.
Bij afwezigheid van het personeelslid dat met toepassing van het eerste lid initieel belast is met het mandaat van algemeen directeur, kan de inrichtende macht een ander personeelslid voor de duur van die afwezigheid belasten met het mandaat. Dat personeelslid oefent tot de dag waarop het afwezige personeelslid opnieuw effectief zijn mandaat opneemt, de bevoegdheden van algemeen directeur uit. ";
2° in § 2 worden de woorden " op een bijwedde " en de woorden " de grootte van de toelage " respectievelijk vervangen door de woorden " op een niet-verworven salarisschaal " en de woorden " de niet-verworven salarisschaal ".
Art. 8.24. A l'article 44quaterdecies du même décret, inséré par le décret du 18 mai 1999 et remplacé par le décret du 13 juillet 2001, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 1er est complété par un alinéa deux et trois, rédigé comme suit :
" Le membre du personnel ne peut pas avoir obtenu comme dernière évaluation une évaluation portant la conclusion finale " insuffisant ".
En cas d'absence du membre du personnel qui, en application de l'alinéa premier, est chargé initialement du mandat de directeur général, le pouvoir organisateur peut charger un autre membre du personnel du mandat pour la durée de cette absence. Ce membre du personnel exerce les compétences de directeur général jusqu'au jour auquel le membre du personnel absent reprend effectivement son mandat. ";
2° dans le § 2, les mots " à un supplément de traitement " et les mots " le volume de l'allocation " sont remplaces respectivement par les mots " à une échelle de traitement non acquise " et les mots " l'échelle de traitement non acquise ".
1° le § 1er est complété par un alinéa deux et trois, rédigé comme suit :
" Le membre du personnel ne peut pas avoir obtenu comme dernière évaluation une évaluation portant la conclusion finale " insuffisant ".
En cas d'absence du membre du personnel qui, en application de l'alinéa premier, est chargé initialement du mandat de directeur général, le pouvoir organisateur peut charger un autre membre du personnel du mandat pour la durée de cette absence. Ce membre du personnel exerce les compétences de directeur général jusqu'au jour auquel le membre du personnel absent reprend effectivement son mandat. ";
2° dans le § 2, les mots " à un supplément de traitement " et les mots " le volume de l'allocation " sont remplaces respectivement par les mots " à une échelle de traitement non acquise " et les mots " l'échelle de traitement non acquise ".
Art. 8.25. In artikel 44quinquiesdecies van hetzelfde decreet, ingevoegd door het decreet van 18 mei 1999 en vervangen bij de decreten van 13 juli 2001 en 15 juli 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan het tweede lid van § 1 wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
" Het personeelslid mag als laatste evaluatie geen evaluatie met eindconclusie " onvoldoende " hebben verkregen. ";
2° aan § 1 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Bij afwezigheid van het personeelslid dat met toepassing van het eerste lid initieel belast is met het mandaat van coördinerend directeur, kan de inrichtende macht een ander personeelslid voor de duur van die afwezigheid belasten met het mandaat. Dat personeelslid oefent tot de dag waarop het afwezige personeelslid opnieuw effectief zijn mandaat opneemt, de bevoegdheden van coördinerend directeur uit. ";
3° in § 2 worden de woorden " op een bijwedde " en de woorden " de grootte van de toelage " respectievelijk vervangen door de woorden " op een niet-verworven salarisschaal " en de woorden " de niet-verworven salarisschaal ".
1° aan het tweede lid van § 1 wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
" Het personeelslid mag als laatste evaluatie geen evaluatie met eindconclusie " onvoldoende " hebben verkregen. ";
2° aan § 1 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Bij afwezigheid van het personeelslid dat met toepassing van het eerste lid initieel belast is met het mandaat van coördinerend directeur, kan de inrichtende macht een ander personeelslid voor de duur van die afwezigheid belasten met het mandaat. Dat personeelslid oefent tot de dag waarop het afwezige personeelslid opnieuw effectief zijn mandaat opneemt, de bevoegdheden van coördinerend directeur uit. ";
3° in § 2 worden de woorden " op een bijwedde " en de woorden " de grootte van de toelage " respectievelijk vervangen door de woorden " op een niet-verworven salarisschaal " en de woorden " de niet-verworven salarisschaal ".
Art. 8.25. A l'article 44quinquiesdecies du même décret, inséré par le décret du 18 mai 1999 et remplacé par les décrets des 13 juillet 2001 et 15 juillet 2005, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa deux du § 1er est complété par une phrase, rédigée comme suit :
" Le membre du personnel ne peut pas avoir obtenu comme dernière évaluation une évaluation portant la conclusion finale " insuffisant ". ";
2° le § 1er est complété par un alinéa trois, rédigé comme suit :
" En cas d'absence du membre du personnel qui, en application de l'alinéa premier, est chargé initialement du mandat de directeur coordinateur, le pouvoir organisateur peut charger un autre membre du personnel du mandat pour la durée de cette absence. Ce membre du personnel exerce les compétences de directeur coordinateur jusqu'au jour auquel le membre du personnel absent reprend effectivement son mandat. ";
3° dans le § 2, les mots " à un supplément de traitement " et les mots " le volume de l'allocation " sont remplacés respectivement par les mots " à une échelle de traitement non acquise " et les mots " l'échelle de traitement non acquise ".
1° l'alinéa deux du § 1er est complété par une phrase, rédigée comme suit :
" Le membre du personnel ne peut pas avoir obtenu comme dernière évaluation une évaluation portant la conclusion finale " insuffisant ". ";
2° le § 1er est complété par un alinéa trois, rédigé comme suit :
" En cas d'absence du membre du personnel qui, en application de l'alinéa premier, est chargé initialement du mandat de directeur coordinateur, le pouvoir organisateur peut charger un autre membre du personnel du mandat pour la durée de cette absence. Ce membre du personnel exerce les compétences de directeur coordinateur jusqu'au jour auquel le membre du personnel absent reprend effectivement son mandat. ";
3° dans le § 2, les mots " à un supplément de traitement " et les mots " le volume de l'allocation " sont remplacés respectivement par les mots " à une échelle de traitement non acquise " et les mots " l'échelle de traitement non acquise ".
Art. 8.26. Aan artikel 51 van hetzelfde decreet, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Als in de voormelde wettelijke of reglementaire bepalingen of in de door de Vlaamse Regering uitgevaardigde verlofstelsels wordt vermeld dat als gevolg van een tijdens het schooljaar of dienstjaar genoten verlof het salaris tijdens het jaarlijkse vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd, heeft dat tot gevolg dat in de zomervakantie van dat schooljaar of dienstjaar, enkel voor de bezoldiging, een aantal kalenderdagen eveneens als dergelijk verlof wordt beschouwd. De aldus met een periode van verlof gelijkgestelde dagen worden niet meegerekend om de duur te bepalen van de periode van verlof waarop het personeelslid nog recht heeft. Voor het berekenen van dit aantal kalenderdagen :
1° worden het aantal kalenderdagen genoten verlof opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar of dienstjaar;
2° wordt het resultaat met 0,2 vermenigvuldigd;
3° wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond. ".
" Als in de voormelde wettelijke of reglementaire bepalingen of in de door de Vlaamse Regering uitgevaardigde verlofstelsels wordt vermeld dat als gevolg van een tijdens het schooljaar of dienstjaar genoten verlof het salaris tijdens het jaarlijkse vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd, heeft dat tot gevolg dat in de zomervakantie van dat schooljaar of dienstjaar, enkel voor de bezoldiging, een aantal kalenderdagen eveneens als dergelijk verlof wordt beschouwd. De aldus met een periode van verlof gelijkgestelde dagen worden niet meegerekend om de duur te bepalen van de periode van verlof waarop het personeelslid nog recht heeft. Voor het berekenen van dit aantal kalenderdagen :
1° worden het aantal kalenderdagen genoten verlof opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar of dienstjaar;
2° wordt het resultaat met 0,2 vermenigvuldigd;
3° wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond. ".
Art. 8.26. L'article 51 du même décret est complété par un alinéa trois, rédigé comme suit :
" Si les dispositions légales ou réglementaires précitées ou les régimes de congé promulgués par le Gouvernement flamand stipulent que, suite à un congé pris au cours de l'année scolaire ou de l'exercice, le traitement est réduit proportionnellement pendant le congé annuel de vacances, cela a pour conséquence qu'un nombre de jours calendaires sera également considéré comme un tel congé pendant les vacances d'été de cette année scolaire ou cet exercice, uniquement aux fins de rémunération. Les jours ainsi assimilés à une période de congé ne sont pas pris en compte pour déterminer la durée de la période de congé à laquelle le membre du personnel a encore droit. Pour calculer ce nombre de jours calendaires :
1° le nombre de jours calendaires de congé pris sont additionnés, avec un maximum de trois cent jours par année scolaire ou exercice;
2° le résultat est multiplié par 0,2;
3° le résultat est arrondi à l'unité inférieure. ".
" Si les dispositions légales ou réglementaires précitées ou les régimes de congé promulgués par le Gouvernement flamand stipulent que, suite à un congé pris au cours de l'année scolaire ou de l'exercice, le traitement est réduit proportionnellement pendant le congé annuel de vacances, cela a pour conséquence qu'un nombre de jours calendaires sera également considéré comme un tel congé pendant les vacances d'été de cette année scolaire ou cet exercice, uniquement aux fins de rémunération. Les jours ainsi assimilés à une période de congé ne sont pas pris en compte pour déterminer la durée de la période de congé à laquelle le membre du personnel a encore droit. Pour calculer ce nombre de jours calendaires :
1° le nombre de jours calendaires de congé pris sont additionnés, avec un maximum de trois cent jours par année scolaire ou exercice;
2° le résultat est multiplié par 0,2;
3° le résultat est arrondi à l'unité inférieure. ".
Art. 8.27. In artikel 51quater van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2, wordt het derde lid vervangen door wat volgt :
" De Vlaamse Regering stelt voor de verloven wegens bijzondere opdracht de nadere bepalingen op, onder meer voor wat betreft de beslissende en/of adviserende instantie en de bepaling van het totaal aantal. ";
2° in § 3, tweede lid, wordt in punt 1° het tweede gedachtestreepje opgeheven.
1° in § 2, wordt het derde lid vervangen door wat volgt :
" De Vlaamse Regering stelt voor de verloven wegens bijzondere opdracht de nadere bepalingen op, onder meer voor wat betreft de beslissende en/of adviserende instantie en de bepaling van het totaal aantal. ";
2° in § 3, tweede lid, wordt in punt 1° het tweede gedachtestreepje opgeheven.
Art. 8.27. A l'article 51quater du même décret, inséré par le décret du 14 février 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 2, l'alinéa trois est remplacé par la disposition suivante :
" Le Gouvernement flamand établit les modalités relatives aux congés pour mission spéciale, notamment pour ce qui est de l'instance décisionnelle et/ou consultative, et de la fixation du nombre total. ";
2° dans le § 3, alinéa deux, point 1°, le deuxième tiret est abrogé.
1° au § 2, l'alinéa trois est remplacé par la disposition suivante :
" Le Gouvernement flamand établit les modalités relatives aux congés pour mission spéciale, notamment pour ce qui est de l'instance décisionnelle et/ou consultative, et de la fixation du nombre total. ";
2° dans le § 3, alinéa deux, point 1°, le deuxième tiret est abrogé.
Art. 8.28. Aan artikel 56 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 15 juli 1997 en 14 februari 2003, worden een vierde, vijfde, zesde en zevende lid toegevoegd, die luiden als volgt :
" De wettelijke feestdagen, de weekends en de herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie die, geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk aansluiten aan een voorafgaande periode van terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden, en die een nieuwe periode van terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden onmiddellijk voorafgaan, worden eveneens als een periode van terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden beschouwd.
Onverminderd de berekeningswijze van de tijdens de zomervakantie toe te kennen uitgestelde bezoldiging en als in de voormelde wettelijke of reglementaire bepalingen of in de door de Vlaamse Regering vastgelegde voorwaarden wordt vermeld dat als gevolg van een tijdens het schooljaar of dienstjaar genoten terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden het salaris tijdens het jaarlijkse vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd, heeft dat tot gevolg dat in de zomervakantie van dat schooljaar of dienstjaar een aantal kalenderdagen niet worden bezoldigd. Om dit aantal kalenderdagen te berekenen :
1° worden alle kalenderdagen genoten terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar of dienstjaar;
2° wordt het resultaat met 0,2 vermenigvuldigd;
3° wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond.
Als ten gevolge van die berekening het maandsalaris niet volledig verschuldigd is, wordt het in dertigsten verdeeld in overeenstemming met de regeling die in dat geval voor de vastbenoemde personeelsleden wordt toegepast.
Onverminderd de berekeningswijze van de geldelijke anciënniteit voor tijdelijke personeelsleden met het recht op uitgestelde bezoldiging, komen de voormelde dagen wel in aanmerking voor de berekening van de geldelijke anciënniteit en worden niet meegerekend om de duur te bepalen van de periode van terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden waarop het personeelslid nog recht heeft.
In afwijking van de bepalingen van het vijfde lid eindigt de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden toegekend voor een volledig schooljaar of dienstjaar steeds bij het einde van dat schooljaar of dienstjaar, de zomervakantie inbegrepen. ".
" De wettelijke feestdagen, de weekends en de herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie die, geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk aansluiten aan een voorafgaande periode van terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden, en die een nieuwe periode van terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden onmiddellijk voorafgaan, worden eveneens als een periode van terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden beschouwd.
Onverminderd de berekeningswijze van de tijdens de zomervakantie toe te kennen uitgestelde bezoldiging en als in de voormelde wettelijke of reglementaire bepalingen of in de door de Vlaamse Regering vastgelegde voorwaarden wordt vermeld dat als gevolg van een tijdens het schooljaar of dienstjaar genoten terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden het salaris tijdens het jaarlijkse vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd, heeft dat tot gevolg dat in de zomervakantie van dat schooljaar of dienstjaar een aantal kalenderdagen niet worden bezoldigd. Om dit aantal kalenderdagen te berekenen :
1° worden alle kalenderdagen genoten terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar of dienstjaar;
2° wordt het resultaat met 0,2 vermenigvuldigd;
3° wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond.
Als ten gevolge van die berekening het maandsalaris niet volledig verschuldigd is, wordt het in dertigsten verdeeld in overeenstemming met de regeling die in dat geval voor de vastbenoemde personeelsleden wordt toegepast.
Onverminderd de berekeningswijze van de geldelijke anciënniteit voor tijdelijke personeelsleden met het recht op uitgestelde bezoldiging, komen de voormelde dagen wel in aanmerking voor de berekening van de geldelijke anciënniteit en worden niet meegerekend om de duur te bepalen van de periode van terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden waarop het personeelslid nog recht heeft.
In afwijking van de bepalingen van het vijfde lid eindigt de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden toegekend voor een volledig schooljaar of dienstjaar steeds bij het einde van dat schooljaar of dienstjaar, de zomervakantie inbegrepen. ".
Art. 8.28. L'article 56 du même décret, modifié par les décrets des 15 juillet 1997 et 14 février 2003, est complété par un alinéa quatre, cinq, six et sept, rédigés comme suit :
" Les jours fériés légaux, les week-ends et les vacances d'automne, de Noël, de Carnaval et de Pâques qui, en tout ou en partie, suivent immédiatement une période précédente de mise en disponibilité pour convenances personnelles, et qui précèdent immédiatement une nouvelle période de mise en disponibilité pour convenances personnelles, sont également considérés comme une période de mise en disponibilité pour convenances personnelles.
Sans préjudice du mode de calcul de la rémunération différée à accorder pendant les vacances d'été et si les dispositions légales ou réglementaires précitées ou les conditions fixées par le Gouvernement flamand stipulent que, suite à une mise en disponibilité pour convenances personnelles bénéficiée au cours de l'année scolaire ou de l'exercice, le traitement est réduit proportionnellement pendant le congé annuel de vacances, cela a pour conséquence qu'un nombre de jours calendaires ne sera pas rémunéré pendant les vacances d'été de cette année scolaire ou de cet exercice. Pour calculer ce nombre de jours calendaires :
1° tous les jours calendaires de mise en disponibilité pour convenances personnelles bénéficiés sont additionnés, avec un maximum de trois cent jours par année scolaire ou exercice;
2° le résultat est multiplié par 0,2;
3° le résultat est arrondi à l'unité inférieure.
Si, suite a ce calcul, le traitement mensuel n'est pas entièrement dû, il est divisé en trentièmes conformément au règlement qui est applicable dans ce cas aux membres du personnel nommés à titre définitif.
Sans préjudice du mode de calcul de l'ancienneté pécuniaire pour les membres du personnel temporaire ayant droit à la rémunération différée, les jours précités entrent en ligne de compte pour le calcul de l'ancienneté pécuniaire et ne sont pas comptes pour déterminer la durée de la période de mise en disponibilité pour convenances personnelles à laquelle le membre du personnel a encore droit.
Par dérogation aux dispositions de l'alinéa cinq, la mise en disponibilité pour convenances personnelles, accordée pour une année scolaire entière ou un exercice entier, prend toujours fin à la fin de cette année scolaire ou cet exercice, y compris les vacances d'été. ".
" Les jours fériés légaux, les week-ends et les vacances d'automne, de Noël, de Carnaval et de Pâques qui, en tout ou en partie, suivent immédiatement une période précédente de mise en disponibilité pour convenances personnelles, et qui précèdent immédiatement une nouvelle période de mise en disponibilité pour convenances personnelles, sont également considérés comme une période de mise en disponibilité pour convenances personnelles.
Sans préjudice du mode de calcul de la rémunération différée à accorder pendant les vacances d'été et si les dispositions légales ou réglementaires précitées ou les conditions fixées par le Gouvernement flamand stipulent que, suite à une mise en disponibilité pour convenances personnelles bénéficiée au cours de l'année scolaire ou de l'exercice, le traitement est réduit proportionnellement pendant le congé annuel de vacances, cela a pour conséquence qu'un nombre de jours calendaires ne sera pas rémunéré pendant les vacances d'été de cette année scolaire ou de cet exercice. Pour calculer ce nombre de jours calendaires :
1° tous les jours calendaires de mise en disponibilité pour convenances personnelles bénéficiés sont additionnés, avec un maximum de trois cent jours par année scolaire ou exercice;
2° le résultat est multiplié par 0,2;
3° le résultat est arrondi à l'unité inférieure.
Si, suite a ce calcul, le traitement mensuel n'est pas entièrement dû, il est divisé en trentièmes conformément au règlement qui est applicable dans ce cas aux membres du personnel nommés à titre définitif.
Sans préjudice du mode de calcul de l'ancienneté pécuniaire pour les membres du personnel temporaire ayant droit à la rémunération différée, les jours précités entrent en ligne de compte pour le calcul de l'ancienneté pécuniaire et ne sont pas comptes pour déterminer la durée de la période de mise en disponibilité pour convenances personnelles à laquelle le membre du personnel a encore droit.
Par dérogation aux dispositions de l'alinéa cinq, la mise en disponibilité pour convenances personnelles, accordée pour une année scolaire entière ou un exercice entier, prend toujours fin à la fin de cette année scolaire ou cet exercice, y compris les vacances d'été. ".
Art. 8.29. Aan artikel 57, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 14 februari 2003, wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 6° die ter beschikking gesteld zijn of worden wegens persoonlijke aangelegenheid. ".
" 6° die ter beschikking gesteld zijn of worden wegens persoonlijke aangelegenheid. ".
Art. 8.29. L'article 57, § 2, du même décret, modifié par le décret du 14 février 2003, est complété par un point 6°, rédigé comme suit :
" 6° mis en disponibilité pour convenances personnelles. ".
" 6° mis en disponibilité pour convenances personnelles. ".
Art. 8.30. In artikel 65, § 6, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 13 juli 2001, wordt het woord " weddenschaal " vervangen door het woord " salarisschaal ".
Art. 8.30. Dans le texte néerlandais de l'article 65, § 6, du même décret, remplacé par le décret du 13 juillet 2001, le mot " weddenschaal " est remplacé par le mot " salarisschaal ".
Art. 8.31. In artikel 74quater, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 15 juli 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het woord " weddenschalen " wordt vervangen door het woord " salarisschalen ";
2° er wordt aan de opsomming een liggend streepje toegevoegd, dat luidt als volgt :
" - de nuttige ervaring ".
1° het woord " weddenschalen " wordt vervangen door het woord " salarisschalen ";
2° er wordt aan de opsomming een liggend streepje toegevoegd, dat luidt als volgt :
" - de nuttige ervaring ".
Art. 8.31. A l'article 74quater, § 2, du même décret, inséré par le décret du 15 juillet 2005, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le texte néerlandais, le mot " weddenschalen " est remplacé par le mot " salarisschalen ";
2° l'énumération est complétée par un tiret, rédigé comme suit :
" - l'expérience utile ".
1° dans le texte néerlandais, le mot " weddenschalen " est remplacé par le mot " salarisschalen ";
2° l'énumération est complétée par un tiret, rédigé comme suit :
" - l'expérience utile ".
Art. 8.32. In hoofdstuk Xter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 15 juli 2005 en gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2006, wordt een artikel 74quinquies ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Artikel 74quinquies. § 1. De Vlaamse Regering kan bij het wijzigen of invoeren van een personeelscategorie, een ambt, een opleiding, een module, een vak, een specialiteit of de classificatie van een vak of specialiteit voorwaarden voor individuele concordanties bepalen.
Een individuele concordantie houdt de omzetting in van de bestaande benaming van een personeelscategorie, een ambt, een opleiding, een module, een vak, een specialiteit of een classificatie van een vak of specialiteit naar een nieuwe benaming voor een welbepaald personeelslid.
De individuele concordantie is persoonsgebonden en eenmalig.
§ 2. Over een individuele concordantie wordt steeds overlegd tussen de inrichtende macht of haar afgevaardigde en het personeelslid.
Als beide partijen tot een overeenkomst komen, wordt een individueel concordantieformulier opgesteld dat door beide partijen wordt ondertekend.
De Vlaamse Regering bepaalt hoe de individuele concordantie wordt meegedeeld opdat ze uitwerking zou hebben ten aanzien van de overheid.
§ 3. Als de inrichtende macht of haar afgevaardigde en het personeelslid geen overeenkomst bereiken als vermeld in § 2, dan deelt de inrichtende macht of haar afgevaardigde de reden hiervan schriftelijk mee aan het betrokken personeelslid.
Het personeelslid kan vervolgens bij de Commissie Bezwaarschriften, hierna commissie te noemen, een gemotiveerd bezwaarschrift neerleggen.
Het personeelslid kan zich ook met een bezwaarschrift tot de commissie wenden als de inrichtende macht nalaat om een beslissing te nemen.
Dat bezwaarschrift houdt in dat het personeelslid een eigen voorstel indient tot concordantie of dat het personeelslid een voorstel indient om geen concordantie te verkrijgen.
De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de indiening van een bezwaarschrift.
De commissie hoort de betrokken partijen. Ze houdt bij haar uitspraak rekening met de bepalingen van § 1.
Als de commissie het bezwaarschrift van het betrokken personeelslid niet aanvaardt, is de door de inrichtende macht gemaakte keuze in hoofde van het personeelslid bindend en definitief vanaf de vastgelegde ingangsdatum van de concordantie.
Als de commissie het bezwaarschrift van het betrokken personeelslid aanvaardt, is die beslissing ten aanzien van de inrichtende macht bindend en definitief vanaf de vastgelegde ingangsdatum van de concordantie.
De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling van de commissie.
§ 4. De Vlaamse Regering kan inzake een individuele concordantie nadere administratieve en geldelijke bepalingen vastleggen voor de personeelsleden voor wie krachtens § 1 een individuele concordantie nodig is.
Het betreft bepalingen over :
1° de prestaties geleverd als tijdelijk personeelslid;
2° de rechten met betrekking tot de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur;
3° de kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling, een toelating tot de proeftijd, een vaste benoeming of een mutatie;
4° de vacantverklaring van betrekkingen met het oog op een toelating tot de proeftijd, een vaste benoeming of een mutatie;
5° de draagwijdte van de vaste benoeming;
6° de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling;
7° de bekwaamheidsbewijzen;
8° de salarisschalen;
9° de nuttige ervaring. ".
" Artikel 74quinquies. § 1. De Vlaamse Regering kan bij het wijzigen of invoeren van een personeelscategorie, een ambt, een opleiding, een module, een vak, een specialiteit of de classificatie van een vak of specialiteit voorwaarden voor individuele concordanties bepalen.
Een individuele concordantie houdt de omzetting in van de bestaande benaming van een personeelscategorie, een ambt, een opleiding, een module, een vak, een specialiteit of een classificatie van een vak of specialiteit naar een nieuwe benaming voor een welbepaald personeelslid.
De individuele concordantie is persoonsgebonden en eenmalig.
§ 2. Over een individuele concordantie wordt steeds overlegd tussen de inrichtende macht of haar afgevaardigde en het personeelslid.
Als beide partijen tot een overeenkomst komen, wordt een individueel concordantieformulier opgesteld dat door beide partijen wordt ondertekend.
De Vlaamse Regering bepaalt hoe de individuele concordantie wordt meegedeeld opdat ze uitwerking zou hebben ten aanzien van de overheid.
§ 3. Als de inrichtende macht of haar afgevaardigde en het personeelslid geen overeenkomst bereiken als vermeld in § 2, dan deelt de inrichtende macht of haar afgevaardigde de reden hiervan schriftelijk mee aan het betrokken personeelslid.
Het personeelslid kan vervolgens bij de Commissie Bezwaarschriften, hierna commissie te noemen, een gemotiveerd bezwaarschrift neerleggen.
Het personeelslid kan zich ook met een bezwaarschrift tot de commissie wenden als de inrichtende macht nalaat om een beslissing te nemen.
Dat bezwaarschrift houdt in dat het personeelslid een eigen voorstel indient tot concordantie of dat het personeelslid een voorstel indient om geen concordantie te verkrijgen.
De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de indiening van een bezwaarschrift.
De commissie hoort de betrokken partijen. Ze houdt bij haar uitspraak rekening met de bepalingen van § 1.
Als de commissie het bezwaarschrift van het betrokken personeelslid niet aanvaardt, is de door de inrichtende macht gemaakte keuze in hoofde van het personeelslid bindend en definitief vanaf de vastgelegde ingangsdatum van de concordantie.
Als de commissie het bezwaarschrift van het betrokken personeelslid aanvaardt, is die beslissing ten aanzien van de inrichtende macht bindend en definitief vanaf de vastgelegde ingangsdatum van de concordantie.
De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling van de commissie.
§ 4. De Vlaamse Regering kan inzake een individuele concordantie nadere administratieve en geldelijke bepalingen vastleggen voor de personeelsleden voor wie krachtens § 1 een individuele concordantie nodig is.
Het betreft bepalingen over :
1° de prestaties geleverd als tijdelijk personeelslid;
2° de rechten met betrekking tot de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur;
3° de kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling, een toelating tot de proeftijd, een vaste benoeming of een mutatie;
4° de vacantverklaring van betrekkingen met het oog op een toelating tot de proeftijd, een vaste benoeming of een mutatie;
5° de draagwijdte van de vaste benoeming;
6° de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling;
7° de bekwaamheidsbewijzen;
8° de salarisschalen;
9° de nuttige ervaring. ".
Art. 8.32. Dans le chapitre Xter du même décret, inséré par le décret du 15 juillet 2005 et modifié par le décret du 7 juillet 2006, il est inséré un article 74quinquies, rédigé comme suit :
" Article 74quinquies. § 1er. Le Gouvernement flamand peut, lors d'une modification ou d'une introduction d'une catégorie de personnel, d'une fonction, d'une formation, d'un module, d'un cours, d'une spécialité ou d'une classification d'un cours ou d'une spécialité, établir des concordances individuelles.
Une concordance individuelle implique la conversion de la dénomination existante d'une catégorie de personnel, d'une fonction, d'une formation, d'un module, d'un cours, d'une spécialité ou d'une classification d'un cours ou d'une spécialité en une autre dénomination pour un membre du personnel déterminé.
La concordance individuelle est personnelle et unique.
§ 2. Une concordance individuelle fait toujours l'objet d'une concertation entre le pouvoir organisateur ou son délégué et le membre du personnel.
Si les deux parties parviennent à un accord, un formulaire de concordance individuelle est établi qui est signe par les deux parties.
Le Gouvernement flamand détermine les modalités de la communication de la concordance individuelle afin que celle-ci puisse produire ses effets vis-à-vis de l'autorité.
§ 3. Si le pouvoir organisateur ou son délégué et le membre du personnel ne se mettent pas d'accord tel que visé au § 2, le pouvoir organisateur ou son délégué en communiquent le motif par écrit au membre du personnel concerné.
Le membre du personnel peut ensuite présenter une réclamation motivée auprès de la Commission des Réclamations, dénommée ci-après commission.
Le membre du personnel peut également adresser une réclamation à la commission si le pouvoir organisateur omet de prendre une décision.
Cette réclamation implique que le membre du personnel introduit une propre proposition de concordance ou qu'il introduit une proposition pour empêcher une concordance.
Le Gouvernement flamand détermine la procédure de l'introduction d'une réclamation.
La commission entend les parties concernées. Lors de sa décision, elle tient compte des dispositions du § 1er.
Si la commission n'accepte pas la réclamation du membre du personnel concerné, le choix fait par le pouvoir organisateur dans le chef du membre du personnel est impératif et définitif à compter de la date d'effet fixée de la concordance.
Si la commission accepte la réclamation du membre du personnel concerné, cette décision à l'égard du pouvoir organisateur est impérative et définitive à compter de la date d'effet fixée de la concordance.
Le Gouvernement flamand fixe la composition de la commission.
§ 4. En ce qui concerne une concordance individuelle, le Gouvernement flamand peut fixer des modalités administratives et pécuniaires pour les membres du personnel pour lesquels une concordance individuelle s'impose en vertu du § 1er.
Il s'agit de modalités relatives :
1° aux prestations fournies en qualité de membre du personnel temporaire;
2° aux droits relatifs à la désignation temporaire à durée ininterrompue;
3° au dépôt de candidature pour une désignation temporaire, à une admission au stage, à une nomination définitive ou une mutation;
4° à la déclaration de vacance d'emplois en vue d'une admission au stage, d'une nomination définitive ou d'une mutation;
5° au volume de la nomination définitive;
6° a la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation et la remise au travail;
7° aux titres de capacité;
8° aux échelles de traitement;
9° à l'expérience utile. ".
" Article 74quinquies. § 1er. Le Gouvernement flamand peut, lors d'une modification ou d'une introduction d'une catégorie de personnel, d'une fonction, d'une formation, d'un module, d'un cours, d'une spécialité ou d'une classification d'un cours ou d'une spécialité, établir des concordances individuelles.
Une concordance individuelle implique la conversion de la dénomination existante d'une catégorie de personnel, d'une fonction, d'une formation, d'un module, d'un cours, d'une spécialité ou d'une classification d'un cours ou d'une spécialité en une autre dénomination pour un membre du personnel déterminé.
La concordance individuelle est personnelle et unique.
§ 2. Une concordance individuelle fait toujours l'objet d'une concertation entre le pouvoir organisateur ou son délégué et le membre du personnel.
Si les deux parties parviennent à un accord, un formulaire de concordance individuelle est établi qui est signe par les deux parties.
Le Gouvernement flamand détermine les modalités de la communication de la concordance individuelle afin que celle-ci puisse produire ses effets vis-à-vis de l'autorité.
§ 3. Si le pouvoir organisateur ou son délégué et le membre du personnel ne se mettent pas d'accord tel que visé au § 2, le pouvoir organisateur ou son délégué en communiquent le motif par écrit au membre du personnel concerné.
Le membre du personnel peut ensuite présenter une réclamation motivée auprès de la Commission des Réclamations, dénommée ci-après commission.
Le membre du personnel peut également adresser une réclamation à la commission si le pouvoir organisateur omet de prendre une décision.
Cette réclamation implique que le membre du personnel introduit une propre proposition de concordance ou qu'il introduit une proposition pour empêcher une concordance.
Le Gouvernement flamand détermine la procédure de l'introduction d'une réclamation.
La commission entend les parties concernées. Lors de sa décision, elle tient compte des dispositions du § 1er.
Si la commission n'accepte pas la réclamation du membre du personnel concerné, le choix fait par le pouvoir organisateur dans le chef du membre du personnel est impératif et définitif à compter de la date d'effet fixée de la concordance.
Si la commission accepte la réclamation du membre du personnel concerné, cette décision à l'égard du pouvoir organisateur est impérative et définitive à compter de la date d'effet fixée de la concordance.
Le Gouvernement flamand fixe la composition de la commission.
§ 4. En ce qui concerne une concordance individuelle, le Gouvernement flamand peut fixer des modalités administratives et pécuniaires pour les membres du personnel pour lesquels une concordance individuelle s'impose en vertu du § 1er.
Il s'agit de modalités relatives :
1° aux prestations fournies en qualité de membre du personnel temporaire;
2° aux droits relatifs à la désignation temporaire à durée ininterrompue;
3° au dépôt de candidature pour une désignation temporaire, à une admission au stage, à une nomination définitive ou une mutation;
4° à la déclaration de vacance d'emplois en vue d'une admission au stage, d'une nomination définitive ou d'une mutation;
5° au volume de la nomination définitive;
6° a la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation et la remise au travail;
7° aux titres de capacité;
8° aux échelles de traitement;
9° à l'expérience utile. ".
Art. 8.33. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 september 2007, met uitzondering van :
1° artikelen VIII.4, VIII.8, VIII.9, 3°, VIII.21, VIII.24, 2°, en VIII.25, 3°, die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2005;
2° artikelen VIII.6, VIII.11, VIII.16, VIII.23, VIII.29 en VIII.32 die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2006.
1° artikelen VIII.4, VIII.8, VIII.9, 3°, VIII.21, VIII.24, 2°, en VIII.25, 3°, die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2005;
2° artikelen VIII.6, VIII.11, VIII.16, VIII.23, VIII.29 en VIII.32 die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2006.
Art. 8.33. Les dispositions du présent chapitre entrent en vigueur le 1er septembre 2007, à l'exception :
1° des articles VIII.4, VIII.8, VIII.9, 3°, VIII.21, VIII.24, 2°, et VIII.25, 3°, qui produisent leurs effets le 1er septembre 2005;
2° des articles VIII.6, VIII.11, VIII.16, VIII.23, VIII.29 et VIII.32, qui produisent leurs effets le 1er septembre 2006.
1° des articles VIII.4, VIII.8, VIII.9, 3°, VIII.21, VIII.24, 2°, et VIII.25, 3°, qui produisent leurs effets le 1er septembre 2005;
2° des articles VIII.6, VIII.11, VIII.16, VIII.23, VIII.29 et VIII.32, qui produisent leurs effets le 1er septembre 2006.
HOOFDSTUK IX. - Andere bepalingen.
CHAPITRE IX. - Autres dispositions.
Afdeling I. - Wet tot wijziging sommige bepalingen van de onderwijswetgeving.
Section Ire. - Loi modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement.
Art. 9.1. In de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving worden in artikel 2, vervangen bij het decreet van 14 februari 2003, in het derde lid de woorden ", zijnde het Gemeenschapsonderwijs, een gemeentebestuur of een provinciebestuur " geschrapt.
Art. 9.1. Dans la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, dans l'article 2, remplace par le décret du 14 février 2003, dans l'alinéa trois, les mots " notamment l'Enseignement communautaire, une administration municipale ou une administration provinciale " sont supprimés.
Art. 9.2. In artikel 3, § 5, en in artikel 6, van dezelfde wet worden de woorden " het departement " vervangen door de woorden " het Agentschap voor Onderwijsdiensten ".
Art. 9.2. Dans l'article 3, § 5, et dans l'article 6 de la même loi, les mots " le département " sont remplacés par les mots " l'Agentschap voor Onderwijsdiensten (Agence de Services d'Enseignement) ".
Art. 9.3. In artikel 24, § 2, van dezelfde wet wordt punt 4° vervangen door wat volgt :
" 4° georganiseerd zijn onder de verantwoordelijkheid van een inrichtende macht, zoals bedoeld in artikel 24, § 4, van de Grondwet, zijnde een natuurlijke persoon of een rechtspersoon; ".
" 4° georganiseerd zijn onder de verantwoordelijkheid van een inrichtende macht, zoals bedoeld in artikel 24, § 4, van de Grondwet, zijnde een natuurlijke persoon of een rechtspersoon; ".
Art. 9.3. Dans l'article 24, § 2, de la même loi, le point 4° est remplacé par la disposition suivante :
" 4° être organisée sous la responsabilité d'un pouvoir organisateur, tel que visé à l'article 24, § 4, de la Constitution, soit une personne physique ou une personne morale; ".
" 4° être organisée sous la responsabilité d'un pouvoir organisateur, tel que visé à l'article 24, § 4, de la Constitution, soit une personne physique ou une personne morale; ".
Art. 9.4. In artikel 24bis, van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 7 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, wordt punt 1° vervangen door wat volgt :
" 1° georganiseerd zijn onder de verantwoordelijkheid van een inrichtende macht, zoals bedoeld in artikel 24, § 4, van de Grondwet, zijnde een natuurlijke persoon of een rechtspersoon; ";
2° in § 2, tweede lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) de woorden " uiterlijk op 15 juni " worden vervangen door de woorden " uiterlijk op 15 januari ";
b) de volgende zin wordt toegevoegd :
" Tot financiering of subsidiëring van het structuuronderdeel in kwestie, steeds met terugwerkende kracht vanaf 1 september van het betrokken schooljaar, kan slechts worden overgegaan indien de resultaten van de inspectie gunstig zijn of geacht worden gunstig te zijn. ";
3° in § 3, worden de woorden " de bevoegde onderwijsadministratie " vervangen door de woorden " het Agentschap voor Onderwijsdiensten ".
1° in § 1, wordt punt 1° vervangen door wat volgt :
" 1° georganiseerd zijn onder de verantwoordelijkheid van een inrichtende macht, zoals bedoeld in artikel 24, § 4, van de Grondwet, zijnde een natuurlijke persoon of een rechtspersoon; ";
2° in § 2, tweede lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) de woorden " uiterlijk op 15 juni " worden vervangen door de woorden " uiterlijk op 15 januari ";
b) de volgende zin wordt toegevoegd :
" Tot financiering of subsidiëring van het structuuronderdeel in kwestie, steeds met terugwerkende kracht vanaf 1 september van het betrokken schooljaar, kan slechts worden overgegaan indien de resultaten van de inspectie gunstig zijn of geacht worden gunstig te zijn. ";
3° in § 3, worden de woorden " de bevoegde onderwijsadministratie " vervangen door de woorden " het Agentschap voor Onderwijsdiensten ".
Art. 9.4. A l'article 24bis de la même loi, inséré par le décret du 7 juillet 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 1er, le point 1° est remplacé par la disposition suivante :
" 1° être organisée sous la responsabilité d'un pouvoir organisateur, tel que visé à l'article 24, § 4, de la Constitution, soit une personne physique ou une personne morale; ";
2° au § 2, alinéa deux, sont apportées les modifications suivantes :
les mots " au plus tard le 15 juin " sont remplacés par les mots " au plus tard le 15 janvier ";
la phrase suivante est ajoutée :
" Il ne peut être procédé au financement ou subventionnement de la subdivision structurelle en question, toujours avec effet rétroactif à partir du 1er septembre de l'année scolaire concernée, que si les résultats de l'inspection sont favorables ou sont censés être favorables. ";
3° dans le § 3, les mots " l'administration de l'enseignement compétente " sont remplacés par les mots " l'Agentschap voor Onderwijsdiensten (Agence de Services d'Enseignement) ".
1° au § 1er, le point 1° est remplacé par la disposition suivante :
" 1° être organisée sous la responsabilité d'un pouvoir organisateur, tel que visé à l'article 24, § 4, de la Constitution, soit une personne physique ou une personne morale; ";
2° au § 2, alinéa deux, sont apportées les modifications suivantes :
les mots " au plus tard le 15 juin " sont remplacés par les mots " au plus tard le 15 janvier ";
la phrase suivante est ajoutée :
" Il ne peut être procédé au financement ou subventionnement de la subdivision structurelle en question, toujours avec effet rétroactif à partir du 1er septembre de l'année scolaire concernée, que si les résultats de l'inspection sont favorables ou sont censés être favorables. ";
3° dans le § 3, les mots " l'administration de l'enseignement compétente " sont remplacés par les mots " l'Agentschap voor Onderwijsdiensten (Agence de Services d'Enseignement) ".
Art. 9.5. In artikel 24ter van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 7 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2, tweede lid, worden de woorden " uiterlijk op 15 juni " vervangen door de woorden " uiterlijk op 15 januari ";
2° aan § 2, wordt de volgende zin wordt toegevoegd :
" Tot erkenning van het structuuronderdeel in kwestie, steeds met terugwerkende kracht vanaf 1 september van het betrokken schooljaar, kan slechts worden overgegaan indien de resultaten van de inspectie gunstig zijn of geacht worden gunstig te zijn. ";
3° in § 3, worden de woorden " de bevoegde onderwijsadministratie " vervangen door de woorden " het Agentschap voor Onderwijsdiensten ".
1° in § 2, tweede lid, worden de woorden " uiterlijk op 15 juni " vervangen door de woorden " uiterlijk op 15 januari ";
2° aan § 2, wordt de volgende zin wordt toegevoegd :
" Tot erkenning van het structuuronderdeel in kwestie, steeds met terugwerkende kracht vanaf 1 september van het betrokken schooljaar, kan slechts worden overgegaan indien de resultaten van de inspectie gunstig zijn of geacht worden gunstig te zijn. ";
3° in § 3, worden de woorden " de bevoegde onderwijsadministratie " vervangen door de woorden " het Agentschap voor Onderwijsdiensten ".
Art. 9.5. A l'article 24ter de la même loi, inséré par le décret du 7 juillet 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 2, alinéa deux, les mots " au plus tard le 15 juin " sont remplacés par les mots " au plus tard le 15 janvier ";
2° le § 2 est complété par la phrase suivante :
" Il ne peut être procédé à l'agrément de la subdivision structurelle en question, toujours avec effet rétroactif à partir du 1er septembre de l'année scolaire concernée, que si les résultats de l'inspection sont favorables ou sont censés être favorables. ";
3° dans le § 3, les mots " l'administration de l'enseignement compétente " sont remplacés par les mots " l'Agentschap voor Onderwijsdiensten (Agence de Services d'Enseignement) ".
1° au § 2, alinéa deux, les mots " au plus tard le 15 juin " sont remplacés par les mots " au plus tard le 15 janvier ";
2° le § 2 est complété par la phrase suivante :
" Il ne peut être procédé à l'agrément de la subdivision structurelle en question, toujours avec effet rétroactif à partir du 1er septembre de l'année scolaire concernée, que si les résultats de l'inspection sont favorables ou sont censés être favorables. ";
3° dans le § 3, les mots " l'administration de l'enseignement compétente " sont remplacés par les mots " l'Agentschap voor Onderwijsdiensten (Agence de Services d'Enseignement) ".
Art. 9.6. In artikel 27, § 1, van dezelfde wet, vervangen bij het decreet van 13 juli 2001, wordt het derde lid vervangen door wat volgt :
" In de gesubsidieerde internaten worden er salaristoelagen verleend voor volgende personeelsleden :
1° één betrekking in het ambt van beheerder;
2° twee of meer betrekkingen in het ambt van studiemeester-opvoeder internaat indien het internaat een tehuis is voor kinderen van wie de ouders geen vaste verblijfplaats hebben; het aantal betrekkingen wordt bepaald overeenkomstig de normen die voor de Gemeenschapsinternaten gelden;
3° betrekkingen in het ambt van studiemeester-opvoeder internaat indien het internaat niet onder toepassing van 2° valt, op basis van volgende normen :
a) twee betrekkingen indien in het internaat uitsluitend internen uit het secundair onderwijs verblijven;
b) twee en een halve betrekkingen indien in het internaat ook internen uit het basisonderwijs verblijven. ".
" In de gesubsidieerde internaten worden er salaristoelagen verleend voor volgende personeelsleden :
1° één betrekking in het ambt van beheerder;
2° twee of meer betrekkingen in het ambt van studiemeester-opvoeder internaat indien het internaat een tehuis is voor kinderen van wie de ouders geen vaste verblijfplaats hebben; het aantal betrekkingen wordt bepaald overeenkomstig de normen die voor de Gemeenschapsinternaten gelden;
3° betrekkingen in het ambt van studiemeester-opvoeder internaat indien het internaat niet onder toepassing van 2° valt, op basis van volgende normen :
a) twee betrekkingen indien in het internaat uitsluitend internen uit het secundair onderwijs verblijven;
b) twee en een halve betrekkingen indien in het internaat ook internen uit het basisonderwijs verblijven. ".
Art. 9.6. Dans l'article 27, § 1er du même décret, remplacé par le décret du 13 juillet 2001, l'alinéa trois est remplacé par la disposition suivante :
" Dans les internats subventionnés, des subventions-traitements sont accordées pour les membres du personnel suivants :
1° un emploi dans la fonction d'administrateur;
2° deux ou plus d'emplois dans la fonction de surveillant-éducateur d'internat si l'internat est un home d'enfants dont les parents n'ont pas de résidence fixe; le nombre d'emplois est fixé conformément aux normes applicables aux internats communautaires;
3° des emplois dans la fonction de surveillant-éducateur d'internat si l'internat ne relève pas de l'application du point 2°, sur la base des normes suivantes :
a) deux emplois si seulement des internes de l'enseignement secondaire résident dans l'internat;
b) deux emplois et demi si des internes de l'enseignement fondamental résident également dans l'internat. ".
" Dans les internats subventionnés, des subventions-traitements sont accordées pour les membres du personnel suivants :
1° un emploi dans la fonction d'administrateur;
2° deux ou plus d'emplois dans la fonction de surveillant-éducateur d'internat si l'internat est un home d'enfants dont les parents n'ont pas de résidence fixe; le nombre d'emplois est fixé conformément aux normes applicables aux internats communautaires;
3° des emplois dans la fonction de surveillant-éducateur d'internat si l'internat ne relève pas de l'application du point 2°, sur la base des normes suivantes :
a) deux emplois si seulement des internes de l'enseignement secondaire résident dans l'internat;
b) deux emplois et demi si des internes de l'enseignement fondamental résident également dans l'internat. ".
Art. 9.7. In artikel 28, van dezelfde wet, gewijzigd bij het decreet van 5 juli 1989, wordt § 2 vervangen door wat volgt :
" § 2. Wanneer het arbeidsgerecht, bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, een beslissing van een inrichtende macht van het gesubsidieerd vrij onderwijs houdende beëindiging of vermindering van de opdracht van een door haar vastbenoemd personeelslid, strijdig acht met het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, bekomt dit personeelslid de salaristoelage voor het geheel of voor een deel van de opdracht die hem ontnomen werd, alsof hij in dienstactiviteit was gebleven, en verliest de inrichtende macht de salaristoelage voor het geheel of voor een deel van de betrekking, zolang zij de betrekking aan een ander niet-rechthebbend personeelslid toewijst.
Deze bepaling heeft ook uitwerking wanneer de kamer van beroep, zoals bedoeld in artikel 69 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, het ontslag van een vastbenoemd personeelslid door de inrichtende macht als gevolg van een tuchtmaatregel vernietigt.
Het verlies van de salaristoelage voor een betrekking neemt een einde voor de inrichtende macht :
1° ofwel op het ogenblik dat de onregelmatige handeling door de inrichtende macht is hersteld;
2° ofwel indien dezelfde of een andere inrichtende macht het benadeelde personeelslid, met zijn akkoord, overneemt;
3° ofwel op het ogenblik dat het benadeelde personeelslid zonder geldige reden weigert een door dezelfde inrichtende macht of een andere inrichtende macht aangeboden betrekking in hetzelfde ambt met dezelfde statutaire toestand te aanvaarden;
4° ofwel op het ogenblik dat het benadeelde personeelslid zich, om redenen vreemd aan het geschil, in de voorwaarden voor definitieve ambtsneerlegging bevindt.
De salaristoelage, die gedurende de periode tussen het onrechtmatig ontslag en de betekening aan de diensten van de Vlaamse Regering bevoegd voor het onderwijs van het vonnis of arrest, of van de uitspraak van de hierboven vermelde kamers van beroep of het hierboven vermelde college van beroep, aan de inrichtende macht werd toegekend, wordt van deze inrichtende macht teruggevorderd en wordt vervolgens toegekend aan het ten onrechte ontslagen personeelslid.
Vanaf de hogervermelde betekening betalen de diensten van de Vlaamse Regering bevoegd voor onderwijs de salaristoelage rechtstreeks aan het ten onrechte ontslagen personeelslid tot op het ogenblik dat voldaan wordt aan één van de vier voorwaarden, hierboven vermeld. ".
" § 2. Wanneer het arbeidsgerecht, bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, een beslissing van een inrichtende macht van het gesubsidieerd vrij onderwijs houdende beëindiging of vermindering van de opdracht van een door haar vastbenoemd personeelslid, strijdig acht met het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, bekomt dit personeelslid de salaristoelage voor het geheel of voor een deel van de opdracht die hem ontnomen werd, alsof hij in dienstactiviteit was gebleven, en verliest de inrichtende macht de salaristoelage voor het geheel of voor een deel van de betrekking, zolang zij de betrekking aan een ander niet-rechthebbend personeelslid toewijst.
Deze bepaling heeft ook uitwerking wanneer de kamer van beroep, zoals bedoeld in artikel 69 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, het ontslag van een vastbenoemd personeelslid door de inrichtende macht als gevolg van een tuchtmaatregel vernietigt.
Het verlies van de salaristoelage voor een betrekking neemt een einde voor de inrichtende macht :
1° ofwel op het ogenblik dat de onregelmatige handeling door de inrichtende macht is hersteld;
2° ofwel indien dezelfde of een andere inrichtende macht het benadeelde personeelslid, met zijn akkoord, overneemt;
3° ofwel op het ogenblik dat het benadeelde personeelslid zonder geldige reden weigert een door dezelfde inrichtende macht of een andere inrichtende macht aangeboden betrekking in hetzelfde ambt met dezelfde statutaire toestand te aanvaarden;
4° ofwel op het ogenblik dat het benadeelde personeelslid zich, om redenen vreemd aan het geschil, in de voorwaarden voor definitieve ambtsneerlegging bevindt.
De salaristoelage, die gedurende de periode tussen het onrechtmatig ontslag en de betekening aan de diensten van de Vlaamse Regering bevoegd voor het onderwijs van het vonnis of arrest, of van de uitspraak van de hierboven vermelde kamers van beroep of het hierboven vermelde college van beroep, aan de inrichtende macht werd toegekend, wordt van deze inrichtende macht teruggevorderd en wordt vervolgens toegekend aan het ten onrechte ontslagen personeelslid.
Vanaf de hogervermelde betekening betalen de diensten van de Vlaamse Regering bevoegd voor onderwijs de salaristoelage rechtstreeks aan het ten onrechte ontslagen personeelslid tot op het ogenblik dat voldaan wordt aan één van de vier voorwaarden, hierboven vermeld. ".
Art. 9.7. Dans l'article 28, de la même loi, modifié par le décret du 5 juillet 1989, le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Si le tribunal du travail, lors d'un jugement ou arrêt passé en force de chose jugée, juge qu'une décision prise par un pouvoir organisateur de l'enseignement libre subventionné et tendant à supprimer ou à réduire la charge d'un membre du personnel qu'il a nommé à titre définitif, est contraire au décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, ce membre du personnel reçoit la subvention-traitement pour tout ou partie de la charge dont il a été privé, comme s'il était resté en activité de service, tandis que le pouvoir organisateur perd la subvention-traitement pour tout ou partie de l'emploi, tant qu'il affecte à cet emploi un membre du personnel autre que le titulaire.
La présente disposition sortit également ses effets lorsque la chambre de recours, telle que visée à l'article 69 du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, annule le licenciement d'un membre du personnel définitif prononcé par le pouvoir organisateur par mesure disciplinaire.
La perte de la subvention-traitement octroyée pour un emploi prend fin pour le pouvoir organisateur :
1° soit au moment où l'acte irrégulier est rectifié par le pouvoir organisateur;
2° soit si le même ou un autre pouvoir organisateur reprend le membre du personnel lésé, avec l'accord de ce dernier;
3° soit au moment où le membre du personnel lésé refuse sans motif valable d'accepter un emploi offert, dans la même fonction et les mêmes conditions statutaires, par le même pouvoir organisateur ou par un autre pouvoir organisateur;
4° soit au moment où le membre du personnel lésé se trouve pour des raisons étrangères au litige dans les conditions requises pour la cessation définitive de ses fonctions.
La subvention-traitement octroyée au cours de la période entre le licenciement illégitime et la notification aux services du Gouvernement flamand compétents en matière d'enseignement, du jugement ou de l'arrêt, ou de la décision des chambres de recours précitées ou du collège de recours précité au pouvoir organisateur, est réclamée à ce pouvoir organisateur et est ensuite attribuée au membre du personnel indûment licencié.
Des la notification précitée, les services du Gouvernement flamand compétents en matière d'enseignement paient la subvention-traitement directement au membre du personnel indûment licencié jusqu'au moment où il est satisfait à une des quatre conditions précitées. ".
" § 2. Si le tribunal du travail, lors d'un jugement ou arrêt passé en force de chose jugée, juge qu'une décision prise par un pouvoir organisateur de l'enseignement libre subventionné et tendant à supprimer ou à réduire la charge d'un membre du personnel qu'il a nommé à titre définitif, est contraire au décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, ce membre du personnel reçoit la subvention-traitement pour tout ou partie de la charge dont il a été privé, comme s'il était resté en activité de service, tandis que le pouvoir organisateur perd la subvention-traitement pour tout ou partie de l'emploi, tant qu'il affecte à cet emploi un membre du personnel autre que le titulaire.
La présente disposition sortit également ses effets lorsque la chambre de recours, telle que visée à l'article 69 du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, annule le licenciement d'un membre du personnel définitif prononcé par le pouvoir organisateur par mesure disciplinaire.
La perte de la subvention-traitement octroyée pour un emploi prend fin pour le pouvoir organisateur :
1° soit au moment où l'acte irrégulier est rectifié par le pouvoir organisateur;
2° soit si le même ou un autre pouvoir organisateur reprend le membre du personnel lésé, avec l'accord de ce dernier;
3° soit au moment où le membre du personnel lésé refuse sans motif valable d'accepter un emploi offert, dans la même fonction et les mêmes conditions statutaires, par le même pouvoir organisateur ou par un autre pouvoir organisateur;
4° soit au moment où le membre du personnel lésé se trouve pour des raisons étrangères au litige dans les conditions requises pour la cessation définitive de ses fonctions.
La subvention-traitement octroyée au cours de la période entre le licenciement illégitime et la notification aux services du Gouvernement flamand compétents en matière d'enseignement, du jugement ou de l'arrêt, ou de la décision des chambres de recours précitées ou du collège de recours précité au pouvoir organisateur, est réclamée à ce pouvoir organisateur et est ensuite attribuée au membre du personnel indûment licencié.
Des la notification précitée, les services du Gouvernement flamand compétents en matière d'enseignement paient la subvention-traitement directement au membre du personnel indûment licencié jusqu'au moment où il est satisfait à une des quatre conditions précitées. ".
Afdeling II. - Wet betreffende de leerplicht.
Section II. - Loi concernant l'obligation scolaire.
Art. 9.8. In artikel 1 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° er wordt een § 2bis ingevoegd, die luidt als volgt :
" § 2bis. Onderwijs met beperkt leerplan of een voor de vervulling van de leerplicht erkende vorming kan slechts worden gevolgd in combinatie met reëel werkplekleren. Deze combinatie omvat minimum 28 uren per week. Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder werkplekleren verstaan elke vorm van activiteit, naast de leercomponent, die samen met die leercomponent het voltijds engagement uitmaakt. De Vlaamse Regering bepaalt die vormen van activiteit. ";
2° in § 6, ingevoegd bij het decreet van 14 februari 2003, wordt in het zesde lid de volgende zin toegevoegd :
" Het hervatten van huisonderwijs om aan de leerplicht voor de betrokken leerling te voldoen, kan uitsluitend mits voorafgaande toestemming van de onderwijsinspectie. Die toestemming wordt verleend, indien de onderwijsinspectie oordeelt, op basis van elementen aangereikt door de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerling onder hun bewaring hebben, dat de tekortkomingen die bij de controle destijds aanleiding hebben gegeven tot beëindiging van het huisonderwijs, zijn of worden weggewerkt.
De Vlaamse Regering legt de aanvraagprocedure vast. ";
3° in § 7, worden tussen de woorden " het vreemdelingen- " en de woorden " of in het bevolkingsregister " de woorden ", het wacht- " ingevoegd.
1° er wordt een § 2bis ingevoegd, die luidt als volgt :
" § 2bis. Onderwijs met beperkt leerplan of een voor de vervulling van de leerplicht erkende vorming kan slechts worden gevolgd in combinatie met reëel werkplekleren. Deze combinatie omvat minimum 28 uren per week. Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder werkplekleren verstaan elke vorm van activiteit, naast de leercomponent, die samen met die leercomponent het voltijds engagement uitmaakt. De Vlaamse Regering bepaalt die vormen van activiteit. ";
2° in § 6, ingevoegd bij het decreet van 14 februari 2003, wordt in het zesde lid de volgende zin toegevoegd :
" Het hervatten van huisonderwijs om aan de leerplicht voor de betrokken leerling te voldoen, kan uitsluitend mits voorafgaande toestemming van de onderwijsinspectie. Die toestemming wordt verleend, indien de onderwijsinspectie oordeelt, op basis van elementen aangereikt door de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerling onder hun bewaring hebben, dat de tekortkomingen die bij de controle destijds aanleiding hebben gegeven tot beëindiging van het huisonderwijs, zijn of worden weggewerkt.
De Vlaamse Regering legt de aanvraagprocedure vast. ";
3° in § 7, worden tussen de woorden " het vreemdelingen- " en de woorden " of in het bevolkingsregister " de woorden ", het wacht- " ingevoegd.
Art. 9.8. A l'article 1er de la loi du 29 juin 1983 concernant l'obligation scolaire sont apportées les modifications suivantes :
1° il est inséré un § 2bis, rédigé comme suit :
" § 2bis. L'enseignement à horaire réduit ou une formation agréée pour l'accomplissement de la scolarité obligatoire ne peuvent être suivis qu'en combinaison avec l'apprentissage réel sur le lieu du travail. Cette combinaison comporte au moins 28 heures par semaine. Pour l'application de la présente disposition, on entend par apprentissage sur le lieu du travail, toute forme d'activité outre la composante d'apprentissage, constituant avec cette composante d'apprentissage l'engagement à temps plein. Le Gouvernement flamand détermine ces formes d'activité. ";
2° au § 6, inséré par le décret du 14 février 2003, l'alinéa six est complété par la phrase suivante :
" La reprise de l'enseignement à domicile afin de répondre à la scolarité obligatoire pour l'élève concerné, ne peut avoir lieu que moyennant l'autorisation préalable de l'inspection de l'enseignement. Cette autorisation est donnée si l'inspection de l'enseignement estime, sur la base des éléments fournis par les personnes exerçant l'autorité parentale ou assumant de droit ou de fait la garde de l'élève mineur, que les manquements qui ont résulté à l'époque lors du contrôle à la fin de l'enseignement à domicile, ont été ou sont éliminés.
Le Gouvernement flamand arrête la procédure de demande. ";
3° dans le § 7, les mots ", au registre d'attente " sont insérés entre les mots " au registre des étrangers " et les mots " ou au registre de la population ".
1° il est inséré un § 2bis, rédigé comme suit :
" § 2bis. L'enseignement à horaire réduit ou une formation agréée pour l'accomplissement de la scolarité obligatoire ne peuvent être suivis qu'en combinaison avec l'apprentissage réel sur le lieu du travail. Cette combinaison comporte au moins 28 heures par semaine. Pour l'application de la présente disposition, on entend par apprentissage sur le lieu du travail, toute forme d'activité outre la composante d'apprentissage, constituant avec cette composante d'apprentissage l'engagement à temps plein. Le Gouvernement flamand détermine ces formes d'activité. ";
2° au § 6, inséré par le décret du 14 février 2003, l'alinéa six est complété par la phrase suivante :
" La reprise de l'enseignement à domicile afin de répondre à la scolarité obligatoire pour l'élève concerné, ne peut avoir lieu que moyennant l'autorisation préalable de l'inspection de l'enseignement. Cette autorisation est donnée si l'inspection de l'enseignement estime, sur la base des éléments fournis par les personnes exerçant l'autorité parentale ou assumant de droit ou de fait la garde de l'élève mineur, que les manquements qui ont résulté à l'époque lors du contrôle à la fin de l'enseignement à domicile, ont été ou sont éliminés.
Le Gouvernement flamand arrête la procédure de demande. ";
3° dans le § 7, les mots ", au registre d'attente " sont insérés entre les mots " au registre des étrangers " et les mots " ou au registre de la population ".
Art. 9.9. In artikel 3 van dezelfde wet wordt een § 5 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 5. De personen die de ouderlijke macht uitoefenen of de leerplichtige in rechte of in feite onder hun bewaring hebben, zijn in voorkomend geval verplicht ervoor te zorgen dat de leerling aan de in artikel 1, § 2bis, vermelde voorwaarde van werkplekleren voldoet. De Vlaamse Regering regelt de controle op de naleving hiervan.
De schooldirecties en directies van vormingsinstellingen zijn verplicht onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden hun medewerking te verlenen aan de controle op de regelmatige deelname van de deeltijds leerplichtige aan het werkplekleren. ".
" § 5. De personen die de ouderlijke macht uitoefenen of de leerplichtige in rechte of in feite onder hun bewaring hebben, zijn in voorkomend geval verplicht ervoor te zorgen dat de leerling aan de in artikel 1, § 2bis, vermelde voorwaarde van werkplekleren voldoet. De Vlaamse Regering regelt de controle op de naleving hiervan.
De schooldirecties en directies van vormingsinstellingen zijn verplicht onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden hun medewerking te verlenen aan de controle op de regelmatige deelname van de deeltijds leerplichtige aan het werkplekleren. ".
Art. 9.9. L'article 3 de la même loi est complété par un § 5, rédigé comme suit :
" § 5. Le cas échéant, les personnes exerçant l'autorité parentale ou assumant de droit ou de fait la garde de l'élève mineur, sont tenues d'assurer que l'élève remplit la condition visée à l'article 1er, § 2bis, en matière d'apprentissage sur le lieu du travail. Le Gouvernement flamand règle le contrôle de l'observation de cette obligation.
Les directions d'école et directions d'institutions de formation sont tenues d'apporter, aux conditions fixées par le Gouvernement flamand, leur collaboration au contrôle de la participation régulière de l'élève en obligation scolaire à temps partiel à l'apprentissage sur le lieu du travail. ".
" § 5. Le cas échéant, les personnes exerçant l'autorité parentale ou assumant de droit ou de fait la garde de l'élève mineur, sont tenues d'assurer que l'élève remplit la condition visée à l'article 1er, § 2bis, en matière d'apprentissage sur le lieu du travail. Le Gouvernement flamand règle le contrôle de l'observation de cette obligation.
Les directions d'école et directions d'institutions de formation sont tenues d'apporter, aux conditions fixées par le Gouvernement flamand, leur collaboration au contrôle de la participation régulière de l'élève en obligation scolaire à temps partiel à l'apprentissage sur le lieu du travail. ".
Afdeling III. - Koninklijk besluit houdende rationalisatie en programmatie van internaten.
Section III. - Arrêté royal portant rationalisation et programmation des internats.
Art. 9.10. In artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 456 van 10 september 1986 houdende rationalisatie en programmatie van de internaten van het door de Staat georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs, vervangen bij het decreet van 7 juli 2006, wordt in § 1, het punt 1° vervangen door wat volgt :
" 1° ofwel als autonoom internaat georganiseerd zijn onder de verantwoordelijkheid van een inrichtende macht, zoals bedoeld in artikel 24, § 4, van de Grondwet, zijnde een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, ofwel verbonden zijn aan een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde instelling voor gewoon basis- of secundair onderwijs; ".
" 1° ofwel als autonoom internaat georganiseerd zijn onder de verantwoordelijkheid van een inrichtende macht, zoals bedoeld in artikel 24, § 4, van de Grondwet, zijnde een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, ofwel verbonden zijn aan een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde instelling voor gewoon basis- of secundair onderwijs; ".
Art. 9.10. Dans l'article 3 de l'arrêté royal n° 456 du 10 septembre 1986 portant rationalisation et programmation des internats de l'enseignement organisé ou subventionné par l'Etat, remplacé par le décret du 7 juillet 2006, dans le § 1er, le point 1° est remplacé par la disposition suivante :
" 1° ou bien être organisé comme internat autonome relevant de la responsabilité d'un pouvoir organisateur, tel que visé à l'article 24, § 4, de la Constitution, soit d'une personne physique ou d'une personne morale, soit être annexé à un établissement d'enseignement fondamental ou secondaire ordinaire financé ou subventionné par la Communauté flamande; ".
" 1° ou bien être organisé comme internat autonome relevant de la responsabilité d'un pouvoir organisateur, tel que visé à l'article 24, § 4, de la Constitution, soit d'une personne physique ou d'une personne morale, soit être annexé à un établissement d'enseignement fondamental ou secondaire ordinaire financé ou subventionné par la Communauté flamande; ".
Afdeling IV. - Decreet betreffende het mentorschap en de nascholing in Vlaanderen.
Section IV. - Décret relatif au tutorat et à la formation continuée en Flandre.
Art. 9.11. In artikel 2 van het decreet van 16 april 1996 betreffende het mentorschap en de nascholing in Vlaanderen, laatst gewijzigd bij het decreet van 15 december 2006, worden in § 1, 2°, de volgende woorden toegevoegd :
" vanaf het schooljaar 2008-2009 ".
" vanaf het schooljaar 2008-2009 ".
Art. 9.11. A l'article 2 du décret du 16 avril 1996 relatif au tutorat et à la formation continuée en Flandre, modifié en dernier lieu par le décret du 15 décembre 2006, le § 1er, 2° est complété par les mots suivants :
" à partir de l'année scolaire 2008-2009 ".
" à partir de l'année scolaire 2008-2009 ".
Art. 9.12. Artikel 3 van hetzelfde decreet, laatst gewijzigd bij het decreet van 15 december 2006, wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 3. Voor het mentorschap worden de volgende budgetten voorzien :
1° voor de ondersteuning van de student/cursist tijdens de stage :
a) voor het schooljaar 2007-2008 : 5.231.066,31 euro;
b) vanaf het schooljaar 2008-2009 : 3.510.527,59 euro;
2° voor de ondersteuning van de leraar in opleiding vanaf het schooljaar 2008-2009 : 5.027.288,72 euro;
3° voor de aanvangsbegeleiding gedurende het eerste jaar van de beroepsuitoefening als leraar :
a) voor het schooljaar 2007-2008 : 2.678.597,57 euro;
b) vanaf het schooljaar 2008-2009 : 4.371.847,57 euro.
De beschikbare budgetten volgen de evolutie van het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994.
De Vlaamse Regering bepaalt per budget de verdeelsleutel over het basisonderwijs, het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs. ".
" Artikel 3. Voor het mentorschap worden de volgende budgetten voorzien :
1° voor de ondersteuning van de student/cursist tijdens de stage :
a) voor het schooljaar 2007-2008 : 5.231.066,31 euro;
b) vanaf het schooljaar 2008-2009 : 3.510.527,59 euro;
2° voor de ondersteuning van de leraar in opleiding vanaf het schooljaar 2008-2009 : 5.027.288,72 euro;
3° voor de aanvangsbegeleiding gedurende het eerste jaar van de beroepsuitoefening als leraar :
a) voor het schooljaar 2007-2008 : 2.678.597,57 euro;
b) vanaf het schooljaar 2008-2009 : 4.371.847,57 euro.
De beschikbare budgetten volgen de evolutie van het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994.
De Vlaamse Regering bepaalt per budget de verdeelsleutel over het basisonderwijs, het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs. ".
Art. 9.12. L'article 3 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 15 décembre 2006, est remplacé par la disposition suivante :
" Article 3. Les budgets suivants sont prévus pour le tutorat :
1° pour le soutien à l'étudiant/apprenant pendant le stage :
a) pour l'année scolaire 2007-2008 : 5.231.066,31 euros;
b) à partir de l'année scolaire 2008-2009 : 3.510.527,59 euros;
2° pour le soutien de l'enseignant en formation à partir de l'année scolaire 2008-2009 : 5.027.288,72 euros;
3° pour l'encadrement initial pendant la première année de l'exercice professionnel comme enseignant :
a) pour l'année scolaire 2007-2008 : 2.678.597,57 euros;
b) à partir de l'année scolaire 2008-2009 : 4.371.847,57 euros.
Les budgets disponibles suivent l'évolution de l'indice des prix calculé et dénommé pour l'application de l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, confirmé par la loi du 30 mars 1994.
Par budget, le Gouvernement flamand détermine la clé de répartition sur l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire, l'éducation des adultes et l'enseignement artistique à temps partiel. ".
" Article 3. Les budgets suivants sont prévus pour le tutorat :
1° pour le soutien à l'étudiant/apprenant pendant le stage :
a) pour l'année scolaire 2007-2008 : 5.231.066,31 euros;
b) à partir de l'année scolaire 2008-2009 : 3.510.527,59 euros;
2° pour le soutien de l'enseignant en formation à partir de l'année scolaire 2008-2009 : 5.027.288,72 euros;
3° pour l'encadrement initial pendant la première année de l'exercice professionnel comme enseignant :
a) pour l'année scolaire 2007-2008 : 2.678.597,57 euros;
b) à partir de l'année scolaire 2008-2009 : 4.371.847,57 euros.
Les budgets disponibles suivent l'évolution de l'indice des prix calculé et dénommé pour l'application de l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, confirmé par la loi du 30 mars 1994.
Par budget, le Gouvernement flamand détermine la clé de répartition sur l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire, l'éducation des adultes et l'enseignement artistique à temps partiel. ".
Art. 9.13. In artikel 4, § 2, van hetzelfde decreet, laatst gewijzigd bij het decreet van 15 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid wordt het woord " volwassenenonderwijs " vervangen door de woorden " secundair volwassenenonderwijs ";
2° in het tweede lid wordt het eerste gedachtestreepje geschrapt. ".
1° in het eerste lid wordt het woord " volwassenenonderwijs " vervangen door de woorden " secundair volwassenenonderwijs ";
2° in het tweede lid wordt het eerste gedachtestreepje geschrapt. ".
Art. 9.13. A l'article 4, § 2, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 15 décembre 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa premier, les mots " éducation des adultes " sont remplacés par les mots " éducation secondaire des adultes ";
2° à l'alinéa deux, le premier tiret est supprimé. ".
1° dans l'alinéa premier, les mots " éducation des adultes " sont remplacés par les mots " éducation secondaire des adultes ";
2° à l'alinéa deux, le premier tiret est supprimé. ".
Art. 9.14. In artikel 6 van hetzelfde decreet, laatst gewijzigd bij het decreet van 15 december 2006, wordt in het tweede lid, derde gedachtestreepje, het woord " volwassenenonderwijs " vervangen door de woorden " secundair volwassenenonderwijs ".
Art. 9.14. Dans l'article 6 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 15 décembre 2006, dans l'alinéa deux, troisième tiret, les mots " éducation des adultes " sont remplacés par les mots " éducation secondaire des adultes ".
Art. 9.15. In artikel 43 van hetzelfde decreet wordt punt 4° vervangen door wat volgt :
" 4° nascholing voor directeurs; ".
" 4° nascholing voor directeurs; ".
Art. 9.15. Dans l'article 43 du même décret, le point 4° est remplacé par la disposition suivante :
" 4° à la formation continuée pour directeurs; ".
" 4° à la formation continuée pour directeurs; ".
Art. 9.16. In artikel 44 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1 wordt vervangen door wat volgt :
" § 1. De Vlaamse Regering stelt volgens de hiernavolgende tabel vanaf 2006 elk jaar middelen in duizenden euro ter beschikking voor de nascholing :
1° § 1 wordt vervangen door wat volgt :
" § 1. De Vlaamse Regering stelt volgens de hiernavolgende tabel vanaf 2006 elk jaar middelen in duizenden euro ter beschikking voor de nascholing :
Art. 9.16. A l'article 44 du même décret sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. A partir de 2006, le Gouvernement flamand met annuellement les moyens suivants, en milliers d'euros, à la disposition de la formation continuée :
1° le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. A partir de 2006, le Gouvernement flamand met annuellement les moyens suivants, en milliers d'euros, à la disposition de la formation continuée :
| 2006 | 2007 | 2008 | |
| - | - | - | |
| Scholen basisonderwijs | 4384 | 4384 | 4384 |
| Aanvulling directeurs scholen basisonderwijs | 190 | ||
| Scholen secundair onderwijs | 6190 | 6190 | 6190 |
| Aanvulling directeurs scholen secundair onderwijs | 79 | ||
| Centra voor volwassenenonderwijs | 489 | ||
| Aanvulling directeurs centra voor volwassenenonderwijs | 13 | ||
| Scholen voor deeltijds kunstonderwijs | 295 | ||
| Aanvulling directeurs scholen voor deeltijds kunstonderwijs | 12 | ||
| Centra voor leerlingenbegeleiding | 211 | ||
| Aanvulling directeurs centra voor leerlingenbegeleiding | 6 | ||
| Gemeenschapsonderwijs en representatieve verenigingen van inrichtende machten | 1547 | 1547 | 1547 |
| Overheid | 1500 | 1500 | |
| Directeurs | 490 |
| 2006 | 2007 | 2008 | |
| - | - | - | |
| Ecoles de l`enseignement fondamental | 4384 | 4384 | 4384 |
| Complément directeurs des écoles de l`enseignement fondamental | 190 | ||
| Ecoles de l`enseignement secondaire | 6190 | 6190 | 6190 |
| Complément directeurs des écoles de l`enseignement secondaire | 79 | ||
| Centres d`éducation des adultes | 489 | ||
| Complément directeurs des centres éducation des adultes | 13 | ||
| Ecoles de l`enseignement artistique à temps partiel | 295 | ||
| Complément directeurs des écoles de l`enseignement artistique à temps partiel | 12 | ||
| Centres d`encadrement des élèves | 211 | ||
| Complément directeurs des centres d`encadrement des élèves | 6 | ||
| Enseignement communautaire et associations représentatives des pouvoirs organisateurs | 1547 | 1547 | 1547 |
| Autorité | 1500 | 1500 | |
| Directeurs | 490 |
in § 2, worden de woorden " Vanaf 1997 worden de bedragen vermeld in deze titel geïndexeerd als volgt " vervangen door de woorden " Vanaf 2007 worden de bedragen voor " Gemeenschapsonderwijs en representatieve verenigingen van inrichtende machten ", " Scholen basisonderwijs " en " Scholen secundair onderwijs " en vanaf 2008 worden alle bedragen in deze titel geïndexeerd als volgt : ".
dans le § 2, les mots " A partir de 1997, les montants mentionnés dans ce titre sont indexés par application de la formule suivante : " sont remplacés par les mots " A partir de 2007, les montants pour " Enseignement communautaire et associations représentatives des pouvoirs organisateurs ", " Ecoles de l'enseignement fondamental " et " Ecoles de l'enseignement secondaire " et à partir de 2008 tous les montants de ce titre sont indexés par application de la formule suivante : ".
Art. 9.17. Artikel 44bis van hetzelfde decreet wordt geschrapt.
Art. 9.17. L'article 44bis du même décret est supprimé.
Art. 9.18. In hetzelfde decreet wordt het opschrift van hoofdstuk V vervangen door wat volgt :
" HOOFDSTUK V. - Nascholing voor directeurs ".
" HOOFDSTUK V. - Nascholing voor directeurs ".
Art. 9.18. Dans le même décret, l'intitulé du chapitre V est remplacé par l'intitulé suivant :
" CHAPITRE V. - Formation continuée pour directeurs ".
" CHAPITRE V. - Formation continuée pour directeurs ".
Art. 9.19. Artikel 56 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 56. De Vlaamse Gemeenschap stelt volgens de tabel in artikel 44, § 1, vanaf 2008 middelen ter beschikking van het gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van inrichtende machten voor de vorming van directeurs. Elke directeur kan gedurende zijn loopbaan ten bedrage van 1.500 euro beroep doen op deze middelen om kosten verbonden aan het volgen van de opleiding te dekken. Er wordt een regeling uitgewerkt waarbij er eenmaal per jaar een aanvraag kan worden ingediend en nieuw aangestelde directeurs voorrang krijgen.
De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten met betrekking tot de toekenningen en uitbetaling van de middelen, de wijze waarop de voorrangsregeling voor nieuw aangestelde directeurs wordt toegepast en de wijze waarop de representatieve vakorganisaties worden betrokken. ".
" Artikel 56. De Vlaamse Gemeenschap stelt volgens de tabel in artikel 44, § 1, vanaf 2008 middelen ter beschikking van het gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van inrichtende machten voor de vorming van directeurs. Elke directeur kan gedurende zijn loopbaan ten bedrage van 1.500 euro beroep doen op deze middelen om kosten verbonden aan het volgen van de opleiding te dekken. Er wordt een regeling uitgewerkt waarbij er eenmaal per jaar een aanvraag kan worden ingediend en nieuw aangestelde directeurs voorrang krijgen.
De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten met betrekking tot de toekenningen en uitbetaling van de middelen, de wijze waarop de voorrangsregeling voor nieuw aangestelde directeurs wordt toegepast en de wijze waarop de representatieve vakorganisaties worden betrokken. ".
Art. 9.19. L'article 56 du même décret est remplacé par les dispositions suivantes :
" Article 56. Selon le tableau de l'article 44, § 1er, la Communauté flamande met, à partir de 2008, des moyens à la disposition de l'enseignement communautaire et des associations représentatives des pouvoirs organisateurs pour la formation de directeurs. Pendant sa carrière, chaque directeur peut faire appel à ces moyens à concurrence de 1.500 euros afin de couvrir des frais lies à la formation suivie. Il est élaboré un règlement permettant d'introduire une demande une fois par an, et accordant la priorité aux directeurs nouvellement désignés.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives aux attributions et au paiement des moyens, le mode d'application du règlement de priorité pour les directeurs nouvellement désignés, ainsi que le mode d'association des organisations syndicales représentatives. ".
" Article 56. Selon le tableau de l'article 44, § 1er, la Communauté flamande met, à partir de 2008, des moyens à la disposition de l'enseignement communautaire et des associations représentatives des pouvoirs organisateurs pour la formation de directeurs. Pendant sa carrière, chaque directeur peut faire appel à ces moyens à concurrence de 1.500 euros afin de couvrir des frais lies à la formation suivie. Il est élaboré un règlement permettant d'introduire une demande une fois par an, et accordant la priorité aux directeurs nouvellement désignés.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives aux attributions et au paiement des moyens, le mode d'application du règlement de priorité pour les directeurs nouvellement désignés, ainsi que le mode d'association des organisations syndicales représentatives. ".
Art. 9.20. Artikel 59 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 9.20. L'article 59 du même décret est abroge.
Afdeling V. - Decreet betreffende de subsidiëring van ouderkoepelverenigingen.
Section V. - Décret relatif au subventionnement d'associations coordinatrices de parents.
Art. 9.21. In artikel 5 van het decreet betreffende de subsidiëring van ouderkoepelverenigingen van 20 juni 1996 worden de woorden " legt het bedrag van de subsidie-enveloppes vast op basis van " vervangen door de woorden " houdt bij het vastleggen van het bedrag van de subsidie-enveloppes ten dele rekening met ".
Art. 9.21. Dans l'article 5 du décret du 20 juin 1996 relatif au subventionnement d'associations coordinatrices de parents, les mots " fixe le montant des enveloppes subventionnelles sur la base du " sont remplacés par les mots " tient partiellement compte, en fixant le montant des enveloppes subventionnelles, du ".
Afdeling VI. - Decreet betreffende het onderwijs VII.
Section VI. - Décret relatif à l'enseignement VII.
Art. 9.22. In artikel 67 van het decreet van 8 juli 1996 betreffende het onderwijs VII worden tussen het woord " leerling " en de woorden " of studenten " het woord " cursisten, " ingevoegd en wordt tussen het woord " secundair " en het woord " hoger " het woord " volwassenenonderwijs, " ingevoegd.
Art. 9.22. A l'article 67 du décret du 8 juillet 1996 relatif à l'enseignement VII, les mots ", apprenants " sont insérés entre les mots " des élèves " et " et étudiants ", et les mots " des adultes " sont insérés entre les mots " enseignement secondaire " et " ordinaire ".
Afdeling VII. - Decreet betreffende het onderwijs XIII-Mozaïek.
Section VII. - Décret relatif à l'enseignement XIII-Mosaïque.
Art. 9.23. In artikel V13 van het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs XIII-Mozaïek wordt in het tweede lid de laatste zin vervangen door wat volgt :
" Deze regeling wordt door middel van het school- of centrumreglement aan de ouders of aan de personen die de minderjarige leerling in rechte of in feite onder hun bewaring hebben, dan wel aan de meerderjarige leerling meegedeeld. ".
" Deze regeling wordt door middel van het school- of centrumreglement aan de ouders of aan de personen die de minderjarige leerling in rechte of in feite onder hun bewaring hebben, dan wel aan de meerderjarige leerling meegedeeld. ".
Art. 9.23. A l'article V13 du décret du 13 juillet 2001 relatif à l'enseignement XIII-Mosaïque, à l'alinéa deux, la dernière phrase est remplacée par la phrase suivante :
" Ce régime est communiqué au moyen du règlement d'école ou de centre aux parents ou aux personnes assumant de droit ou de fait la garde de l'élève mineur, soit à l'élève majeur. ".
" Ce régime est communiqué au moyen du règlement d'école ou de centre aux parents ou aux personnes assumant de droit ou de fait la garde de l'élève mineur, soit à l'élève majeur. ".
Art. 9.24. In artikel V.22 van hetzelfde decreet wordt de woorden " magistraat of eremagistraat " vervangen door de woorden " onafhankelijke persoon die aangesteld wordt door de Vlaamse Regering ".
Art. 9.24. Dans l'article V.22 du même décret, les mots " un (1) magistrat ou magistrat honoraire, assisté " sont remplacés par les mots " une (1) personne indépendante, désignée par le Gouvernement flamand, assistée ".
Art. 9.25. In artikel V.23 van hetzelfde decreet wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Leden van het kabinet van een minister van de federale regering, van de Vlaamse Regering of van de Brusselse Gewestregering, afgevaardigden van het Gemeenschapsonderwijs of personeel van de administratieve diensten van het gemeenschapsonderwijs of leden van de representatieve verenigingen van inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs, van een inrichtende macht of schoolbestuur, van een centrum voor leerlingenbegeleiding, het hoger onderwijs uitgezonderd, kunnen geen deel uitmaken van de Commissie. ".
" Leden van het kabinet van een minister van de federale regering, van de Vlaamse Regering of van de Brusselse Gewestregering, afgevaardigden van het Gemeenschapsonderwijs of personeel van de administratieve diensten van het gemeenschapsonderwijs of leden van de representatieve verenigingen van inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs, van een inrichtende macht of schoolbestuur, van een centrum voor leerlingenbegeleiding, het hoger onderwijs uitgezonderd, kunnen geen deel uitmaken van de Commissie. ".
Art. 9.25. L'article V.23 du même décret est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
" Les membres du cabinet d'un ministre du Gouvernement fédéral, du Gouvernement flamand ou du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, les délégués de l'enseignement communautaire ou les membres des services administratifs de l'enseignement communautaire ou les membres des associations représentatives des pouvoirs organisateurs de l'enseignement subventionné, d'un pouvoir organisateur ou d'une autorité scolaire, d'un centre d'encadrement des élèves, à l'exception de l'enseignement supérieur, ne peuvent pas faire partie de la Commission. ".
" Les membres du cabinet d'un ministre du Gouvernement fédéral, du Gouvernement flamand ou du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, les délégués de l'enseignement communautaire ou les membres des services administratifs de l'enseignement communautaire ou les membres des associations représentatives des pouvoirs organisateurs de l'enseignement subventionné, d'un pouvoir organisateur ou d'une autorité scolaire, d'un centre d'encadrement des élèves, à l'exception de l'enseignement supérieur, ne peuvent pas faire partie de la Commission. ".
Afdeling VIII. - Decreet betreffende gelijke onderwijskansen-I.
Section VIII. - Décret relatif à l'égalité des changes en éducation-I.
Art. 9.26. In artikel III.2 van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I worden in de eerste zin de volgende woorden toegevoegd :
" of de scholen die de inschrijvingen van de ene naar de andere school laten doorlopen op basis van artikel III. 1, § 6. ".
" of de scholen die de inschrijvingen van de ene naar de andere school laten doorlopen op basis van artikel III. 1, § 6. ".
Art. 9.26. Dans l'article III.2 du décret du 28 juin 2002 relatif à égalité des chances en education-I, la première phrase est complétée par les mots suivants :
" ou les écoles qui se servent d'une inscription continuelle d'une école à une autre sur la base de l'article III.1, § 6. ".
" ou les écoles qui se servent d'une inscription continuelle d'une école à une autre sur la base de l'article III.1, § 6. ".
Art. 9.27. In artikel III.9, § 1, van hetzelfde decreet wordt de volgende zin toegevoegd :
" Dergelijke weigering van inschrijving kan eveneens in een school waar de inschrijving van de ene naar de andere school normaliter doorloopt op basis van artikel III.1, § 6. ".
" Dergelijke weigering van inschrijving kan eveneens in een school waar de inschrijving van de ene naar de andere school normaliter doorloopt op basis van artikel III.1, § 6. ".
Art. 9.27. L'article III.9, § 1er, du même décret, est complété par la phrase suivante :
" Un tel refus d'inscription est également possible dans une école qui se sert de l'inscription continuelle d'une école à une autre sur la base de l'article III.1, § 6. ".
" Un tel refus d'inscription est également possible dans une école qui se sert de l'inscription continuelle d'une école à une autre sur la base de l'article III.1, § 6. ".
Art. 9.28. In artikel III. 10, § 2, van hetzelfde decreet worden de woorden " onder de opschortende voorwaarde " vervangen door de woorden " onder de ontbindende voorwaarde ".
Art. 9.28. Dans l'article III.10, § 2, du même décret, les mots " sous la condition suspensive " sont remplacés par les mots " sous la condition résolutoire ".
Art. 9.29. In artikel IV. 3 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 wordt in punt 7° het woord " vier " vervangen door het woord " tien ";
2° er wordt een § 5 toegevoegd die luidt als volgt :
" § 5. De inrichtende machten zoals bedoeld in artikel IV.3, § 1, 1°, 2° en 3°, kunnen zich respectievelijk laten vertegenwoordigen door een directie van de school van de eigen inrichtende macht of door een directie van een centrum voor leerlingenbegeleiding van de eigen inrichtende macht. ".
1° in § 1 wordt in punt 7° het woord " vier " vervangen door het woord " tien ";
2° er wordt een § 5 toegevoegd die luidt als volgt :
" § 5. De inrichtende machten zoals bedoeld in artikel IV.3, § 1, 1°, 2° en 3°, kunnen zich respectievelijk laten vertegenwoordigen door een directie van de school van de eigen inrichtende macht of door een directie van een centrum voor leerlingenbegeleiding van de eigen inrichtende macht. ".
Art. 9.29. A l'article IV.3 du même décret sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le § 1er, point 7°, le mot " quatre " est remplacé par le mot " dix ";
2° il est ajouté un § 5, rédigé comme suit :
" § 5. Les pouvoirs organisateurs tels que visés à l'article IV.3, § 1er, 1°, 2° et 3°, peuvent se faire représenter respectivement par une direction de l'école du propre pouvoir organisateur ou par une direction d'un centre d'encadrement des élèves du propre pouvoir organisateur. ".
1° dans le § 1er, point 7°, le mot " quatre " est remplacé par le mot " dix ";
2° il est ajouté un § 5, rédigé comme suit :
" § 5. Les pouvoirs organisateurs tels que visés à l'article IV.3, § 1er, 1°, 2° et 3°, peuvent se faire représenter respectivement par une direction de l'école du propre pouvoir organisateur ou par une direction d'un centre d'encadrement des élèves du propre pouvoir organisateur. ".
Art. 9.30. In artikel IV.4 van hetzelfde decreet wordende volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 3° wordt na de woorden " anderstalige nieuwkomers " het volgende zinsdeel toegevoegd :
" en de opvolging van gewezen anderstalige nieuwkomers in het gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs ";
2° er wordt een punt 11° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 11° maakt afspraken over het verhogen van de kleuterparticipatie. ".
1° in punt 3° wordt na de woorden " anderstalige nieuwkomers " het volgende zinsdeel toegevoegd :
" en de opvolging van gewezen anderstalige nieuwkomers in het gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs ";
2° er wordt een punt 11° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 11° maakt afspraken over het verhogen van de kleuterparticipatie. ".
Art. 9.30. A l'article IV.4 du même décret sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le point 3°, les mots " primo-arrivants allophones " sont complétés par le membre de phrase suivant :
" et le suivi des anciens primo-arrivants allophones dans l'enseignement financé ou subventionné ";
2° il est ajouté un point 11°, rédigé comme suit :
" 11° la prise d'engagements relatifs à l'augmentation de la participation des jeunes enfants. "
1° dans le point 3°, les mots " primo-arrivants allophones " sont complétés par le membre de phrase suivant :
" et le suivi des anciens primo-arrivants allophones dans l'enseignement financé ou subventionné ";
2° il est ajouté un point 11°, rédigé comme suit :
" 11° la prise d'engagements relatifs à l'augmentation de la participation des jeunes enfants. "
Art. 9.31. In artikel IV.7, § 2, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 3° wordt vervangen door wat volgt :
" 3° afgevaardigden van het Gemeenschapsonderwijs of personeel van de administratieve diensten van het gemeenschapsonderwijs of leden van de representatieve verenigingen van inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs, van een inrichtende macht of schoolbestuur, van een centrum voor leerlingenbegeleiding, het hoger onderwijs uitgezonderd; ";
er wordt een punt 7° toegevoegd dat luidt als volgt :
" 7° de functie van kabinetslid bij een minister van de federale regering, van de Vlaamse Regering of van de Brusselse Gewestregering. ".
1° punt 3° wordt vervangen door wat volgt :
" 3° afgevaardigden van het Gemeenschapsonderwijs of personeel van de administratieve diensten van het gemeenschapsonderwijs of leden van de representatieve verenigingen van inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs, van een inrichtende macht of schoolbestuur, van een centrum voor leerlingenbegeleiding, het hoger onderwijs uitgezonderd; ";
er wordt een punt 7° toegevoegd dat luidt als volgt :
" 7° de functie van kabinetslid bij een minister van de federale regering, van de Vlaamse Regering of van de Brusselse Gewestregering. ".
Art. 9.31. A l'article IV.7, § 2, du même décret sont apportées les modifications suivantes :
1° le point 3° est remplacé par la disposition suivante :
" 3° les délégués de l'enseignement communautaire ou les membres des services administratifs de l'enseignement communautaire ou les membres des associations représentatives des pouvoirs organisateurs de l'enseignement subventionné, d'un pouvoir organisateur ou d'une autorité scolaire, d'un centre d'encadrement des élèves, à l'exception de l'enseignement supérieur; ";
il est ajouté un point 7°, rédigé comme suit :
" 7° la fonction de membre du cabinet d'un ministre du Gouvernement fédéral, du Gouvernement flamand ou du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale. ".
1° le point 3° est remplacé par la disposition suivante :
" 3° les délégués de l'enseignement communautaire ou les membres des services administratifs de l'enseignement communautaire ou les membres des associations représentatives des pouvoirs organisateurs de l'enseignement subventionné, d'un pouvoir organisateur ou d'une autorité scolaire, d'un centre d'encadrement des élèves, à l'exception de l'enseignement supérieur; ";
il est ajouté un point 7°, rédigé comme suit :
" 7° la fonction de membre du cabinet d'un ministre du Gouvernement fédéral, du Gouvernement flamand ou du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale. ".
Art. 9.32. In hetzelfde decreet wordt hoofdstuk VII - Aanvullende lestijden voor het voeren van een zorgbeleid, bestaande uit artikel VII. 1 tot en met VII.5 opgeheven.
Art. 9.32. Dans le même décret, le chapitre VII - Périodes complémentaires destinées a la conduite d'une politique des soins de santé, comprenant les articles VII.1 à VII.5 inclus, est abroge.
Afdeling IX. - Decreet betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad.
Section IX. - Décret relatif à la participation à l'école et au " Vlaamse Onderwijsraad " (Conseil flamand de l'Enseignement).
Art. 9.33. In artikel 67, § 2, van het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad wordt een zin toegevoegd die luidt als volgt :
" In dit laatste artikel moet het begrip jaar als " schooljaar " gelezen worden. ".
" In dit laatste artikel moet het begrip jaar als " schooljaar " gelezen worden. ".
Art. 9.33. L'article 67, § 2, du décret du 2 avril 2004 relatif à la participation à l'école et au " Vlaamse Onderwijsraad " (Conseil flamand de l'Enseignement), est complété par une phrase, rédigée comme suit :
" Dans ce dernier article, la notion d'année doit être lue comme " année scolaire ". ".
" Dans ce dernier article, la notion d'année doit être lue comme " année scolaire ". ".
Afdeling X. - Decreet betreffende het onderwijs XIV.
Section X. - Décret relatif à l'enseignement XIV.
Art. 9 34. Artikel X.27 van het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV wordt opgeheven.
Art. 9.34. L'article X.27 du décret du 14 février 2003 relatif à l'enseignement XIV est abrogé.
Art. 9.35. In artikel X.35 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 7 mei 2004, 15 juli 2005 en 7 juli 2006, wordt punt 40° toegevoegd :
" 40° het decreet betreffende het onderwijs XVII. ".
" 40° het decreet betreffende het onderwijs XVII. ".
Art. 9.35. L'article X.35 du même décret, modifié par les décrets des 7 mai 2004, 15 juillet 2005 et 7 juillet 2006, est complété par un point 40° :
" 40° le décret relatif à l'enseignement XVII. ".
" 40° le décret relatif à l'enseignement XVII. ".
Art. 9.36. Aan artikel X.61 van hetzelfde decreet wordt een punt 8° toegevoegd dat luidt als volgt :
" 8° de personeelsleden van de kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs gelegen in het tweetalig hoofdstedelijk gebied Brussel, bedoeld in artikel X.22 van dit decreet. ".
" 8° de personeelsleden van de kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs gelegen in het tweetalig hoofdstedelijk gebied Brussel, bedoeld in artikel X.22 van dit decreet. ".
Art. 9.36. L'article X.61 du même décret est complété par un point 8°, rédigé comme suit :
" 8° les membres du personnel des garderies de l'enseignement communautaire situées dans la Région bilingue de Bruxelles-Capitale, visés à l'article X.22 du présent décret. ".
" 8° les membres du personnel des garderies de l'enseignement communautaire situées dans la Région bilingue de Bruxelles-Capitale, visés à l'article X.22 du présent décret. ".
Art. 9.37. Aan artikel X.62 van hetzelfde decreet wordt een punt 3° toegevoegd dat luidt als volgt :
" 3° artikel X.61, 8°, dat in werking treedt op 1 januari 2007. ".
" 3° artikel X.61, 8°, dat in werking treedt op 1 januari 2007. ".
Art. 9.37. L'article X.62 du même décret est complété par un point 3°, rédigé comme suit :
3° de l'article X.61, 8°, qui entre en vigueur le 1er janvier 2007. ".
3° de l'article X.61, 8°, qui entre en vigueur le 1er janvier 2007. ".
Afdeling XI. - Decreet betreffende het onderwijs XV.
Section XI. - Décret relatif à l'enseignement XV. - Article IX.38.
Art. 9.38. Artikel VII.20 van het decreet betreffende het onderwijs XV van 15 juli 2005 wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel VII.20. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 september 2005, met uitzondering van artikelen VII.4, VII.5, VII.9, VII. 14, 2°, en VII. 18 die uitwerking hebben met ingang van 1 juni 2005. ".
" Artikel VII.20. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 september 2005, met uitzondering van artikelen VII.4, VII.5, VII.9, VII. 14, 2°, en VII. 18 die uitwerking hebben met ingang van 1 juni 2005. ".
Art. 9.38. L'article VII.20 du décret du 15 juillet 2005 relatif a l'enseignement XV est remplacé par la disposition suivante :
" Article VII.20. Les dispositions du présent chapitre entrent en vigueur le 1er septembre 2005, à l'exception des articles VII.4, VII.5, VII.9, VII.14, 2°, et VII.18, qui produisent leurs effets le 1er juin 2005. ".
" Article VII.20. Les dispositions du présent chapitre entrent en vigueur le 1er septembre 2005, à l'exception des articles VII.4, VII.5, VII.9, VII.14, 2°, et VII.18, qui produisent leurs effets le 1er juin 2005. ".
Afdeling XII. - Decreet betreffende de organisatie van tijdelijke projecten.
Section XII. - Décret relatif a l'organisation de projets temporaires.
Art. 9.39. Aan artikel 6 van het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de bestaande tekst zal § 1 vormen;
2° in § 1 wordt voor het eerste lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Op tijdelijke projecten die in werking treden uiterlijk 31 maart 2007 zijn de hiernavolgende evaluatiebepalingen van toepassing. ";
3° een § 2 wordt toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 2. Op tijdelijke projecten die in werking treden na 31 maart 2007 zijn de hiernavolgende evaluatiebepalingen van toepassing.
In de loop van het laatste werkingsjaar van het tijdelijke project of, in het geval het tijdelijke project langer dan drie jaren duurt, in het derde werkingsjaar, evalueert een expertenpanel het tijdelijke project, in het bijzonder op het vlak van haalbaarheid en wenselijkheid van een organieke implementatie.
Het expertenpanel, dat wordt aangeduid door de Vlaamse Regering, is samengesteld uit afgevaardigden van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming, afgevaardigden van de onderwijsinspectie en externen. Als externe experten worden alleszins afgevaardigden van het Gemeenschapsonderwijs en van de representatieve verenigingen van de schoolbesturen of inrichtende machten en afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties opgenomen. De Vlaamse Regering kan nadere evaluatieregels vastleggen.
De resultaten van de evaluatie worden geformuleerd in een advies aan de Vlaamse Regering dat voorgelegd wordt aan het Vlaams Parlement. De Vlaamse Regering beslist, op basis van het advies, over de voortgang of beëindiging van de tijdelijke projecten en eventueel, in het geval van beëindiging gevolgd door een organieke implementatie, over invoering van aanvullende structurele financiering of subsidiëring. ".
1° de bestaande tekst zal § 1 vormen;
2° in § 1 wordt voor het eerste lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Op tijdelijke projecten die in werking treden uiterlijk 31 maart 2007 zijn de hiernavolgende evaluatiebepalingen van toepassing. ";
3° een § 2 wordt toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 2. Op tijdelijke projecten die in werking treden na 31 maart 2007 zijn de hiernavolgende evaluatiebepalingen van toepassing.
In de loop van het laatste werkingsjaar van het tijdelijke project of, in het geval het tijdelijke project langer dan drie jaren duurt, in het derde werkingsjaar, evalueert een expertenpanel het tijdelijke project, in het bijzonder op het vlak van haalbaarheid en wenselijkheid van een organieke implementatie.
Het expertenpanel, dat wordt aangeduid door de Vlaamse Regering, is samengesteld uit afgevaardigden van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming, afgevaardigden van de onderwijsinspectie en externen. Als externe experten worden alleszins afgevaardigden van het Gemeenschapsonderwijs en van de representatieve verenigingen van de schoolbesturen of inrichtende machten en afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties opgenomen. De Vlaamse Regering kan nadere evaluatieregels vastleggen.
De resultaten van de evaluatie worden geformuleerd in een advies aan de Vlaamse Regering dat voorgelegd wordt aan het Vlaams Parlement. De Vlaamse Regering beslist, op basis van het advies, over de voortgang of beëindiging van de tijdelijke projecten en eventueel, in het geval van beëindiging gevolgd door een organieke implementatie, over invoering van aanvullende structurele financiering of subsidiëring. ".
Art. 9.39. A l'article 6 du décret du 9 décembre 2005 relatif à l'organisation de projets temporaires dans l'enseignement, sont apportées les modifications suivantes :
1° le texte actuel formera le § 1er;
2° dans le § 1er, avant l'alinéa premier, il est inséré un nouvel alinéa, rédigé comme suit :
" Aux projets temporaires qui entrent en vigueur au plus tard le 31 mars 2007, s'appliquent les dispositions d'évaluation suivantes. ";
3° il est ajouté un § 2, rédigé comme suit :
" § 2. Aux projets temporaires qui entrent en vigueur après le 31 mars 2007, s'appliquent les dispositions d'évaluation suivantes.
Au cours de la dernière année d'activité du projet temporaire ou, si le projet temporaire dure plus de trois ans, au cours de la troisième année d'activité, un panel d'experts évalue le projet temporaire, notamment au niveau de la faisabilité et de l'opportunité d'une mise en oeuvre organique.
Le panel d'experts, désigné par le Gouvernement flamand, se compose de délégués du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation, de délégués de l'inspection de l'enseignement et de personnes externes. Sont en tout cas repris comme experts externes, des délégués de l'enseignement communautaire et des associations représentatives des autorités scolaires ou des pouvoirs publics, ainsi que des délégués des organisations syndicales représentatives. Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités d'évaluation.
Les résultats de l'évaluation sont formulés dans un avis adressé au Gouvernement flamand et soumis au Parlement flamand. Le Gouvernement flamand statue, au vu de l'avis, sur la poursuite ou la cessation des projets temporaires et éventuellement, en cas de cessation suivie d'une mise en oeuvre organique, sur l'introduction d'un financement ou subventionnement structurel complémentaire. ".
1° le texte actuel formera le § 1er;
2° dans le § 1er, avant l'alinéa premier, il est inséré un nouvel alinéa, rédigé comme suit :
" Aux projets temporaires qui entrent en vigueur au plus tard le 31 mars 2007, s'appliquent les dispositions d'évaluation suivantes. ";
3° il est ajouté un § 2, rédigé comme suit :
" § 2. Aux projets temporaires qui entrent en vigueur après le 31 mars 2007, s'appliquent les dispositions d'évaluation suivantes.
Au cours de la dernière année d'activité du projet temporaire ou, si le projet temporaire dure plus de trois ans, au cours de la troisième année d'activité, un panel d'experts évalue le projet temporaire, notamment au niveau de la faisabilité et de l'opportunité d'une mise en oeuvre organique.
Le panel d'experts, désigné par le Gouvernement flamand, se compose de délégués du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation, de délégués de l'inspection de l'enseignement et de personnes externes. Sont en tout cas repris comme experts externes, des délégués de l'enseignement communautaire et des associations représentatives des autorités scolaires ou des pouvoirs publics, ainsi que des délégués des organisations syndicales représentatives. Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités d'évaluation.
Les résultats de l'évaluation sont formulés dans un avis adressé au Gouvernement flamand et soumis au Parlement flamand. Le Gouvernement flamand statue, au vu de l'avis, sur la poursuite ou la cessation des projets temporaires et éventuellement, en cas de cessation suivie d'une mise en oeuvre organique, sur l'introduction d'un financement ou subventionnement structurel complémentaire. ".
Afdeling XIII. - Decreet betreffende het onderwijs XVI.
Section XIII. - Décret relatif à l'enseignement XVI.
Art. 9.40. In artikel VIII. 10 van het decreet van 7 juli 2006 betreffende het onderwijs XVI worden de zinsnede " In artikel III.4, § 1 " vervangen door de zinsnede " In artikel III.5, § 1 ".
Art. 9.40. Dans l'article VIII.10 du décret du 7 juillet 2006 relatif à l'enseignement XVI, le membre de phrase " Dans l'article III.4, § 1er " est remplacé par le membre de phrase " Dans l'article III.5, § 1er ".
Art. 9.41. Artikel IX.2 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel IX.2. In het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 september 2003, 27 augustus 2004 en 13 januari 2006, en bekrachtigd bij decreet van 9 december 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° artikel 14 wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 14. Met het oog op de implementatie van het experiment tijdens het schooljaar 2007-2008 wordt aan elke school voor voltijds gewoon secundair onderwijs de volgende extra personeelsomkadering toegekend :
a) één vijfde van een betrekking in een ambt naar keuze van de inrichtende macht per studiegebied dat tijdens het betrokken schooljaar volledig modulair wordt georganiseerd;
b) 0,20 uren-leraar per regelmatige leerling in het experiment op 1 februari 2007.
Voor de toepassing van deze bepalingen wordt de vierde graad van het studiegebied personenzorg buiten beschouwing gelaten. ";
2° artikel 20 wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 20. Met het oog op de implementatie van het experiment tijdens het schooljaar 2007-2008 wordt aan elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs de volgende extra personeelsomkadering toegekend :
a) één vijfde van een betrekking in een ambt naar keuze van de inrichtende macht per studiegebied dat tijdens het betrokken schooljaar volledig modulair wordt georganiseerd;
b) 0,20 uren-leraar per regelmatige leerling in het experiment op 1 februari 2007 voorbehouden voor leerlingenbegeleiding onder vorm van trajectbegeleiding, georiënteerd naar werkplek-leren. ";
3° artikel 26 wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 26. Met het oog op de implementatie van het experiment tijdens het schooljaar 2007-2008 wordt aan elke school voor buitengewoon secundair onderwijs de volgende extra personeelsomkadering toegekend :
a) één vijfde van een betrekking in een ambt naar keuze van de inrichtende macht per studiegebied dat tijdens het betrokken schooljaar volledig modulair wordt georganiseerd;
b) 0,20 uren-leraar per regelmatige leerling in het experiment op 1 februari 2007. ";
4° in artikel 33 worden de woorden " 31 augustus 2007 " vervangen door de woorden " 31 augustus2008 ". ".
" Artikel IX.2. In het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 september 2003, 27 augustus 2004 en 13 januari 2006, en bekrachtigd bij decreet van 9 december 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° artikel 14 wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 14. Met het oog op de implementatie van het experiment tijdens het schooljaar 2007-2008 wordt aan elke school voor voltijds gewoon secundair onderwijs de volgende extra personeelsomkadering toegekend :
a) één vijfde van een betrekking in een ambt naar keuze van de inrichtende macht per studiegebied dat tijdens het betrokken schooljaar volledig modulair wordt georganiseerd;
b) 0,20 uren-leraar per regelmatige leerling in het experiment op 1 februari 2007.
Voor de toepassing van deze bepalingen wordt de vierde graad van het studiegebied personenzorg buiten beschouwing gelaten. ";
2° artikel 20 wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 20. Met het oog op de implementatie van het experiment tijdens het schooljaar 2007-2008 wordt aan elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs de volgende extra personeelsomkadering toegekend :
a) één vijfde van een betrekking in een ambt naar keuze van de inrichtende macht per studiegebied dat tijdens het betrokken schooljaar volledig modulair wordt georganiseerd;
b) 0,20 uren-leraar per regelmatige leerling in het experiment op 1 februari 2007 voorbehouden voor leerlingenbegeleiding onder vorm van trajectbegeleiding, georiënteerd naar werkplek-leren. ";
3° artikel 26 wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 26. Met het oog op de implementatie van het experiment tijdens het schooljaar 2007-2008 wordt aan elke school voor buitengewoon secundair onderwijs de volgende extra personeelsomkadering toegekend :
a) één vijfde van een betrekking in een ambt naar keuze van de inrichtende macht per studiegebied dat tijdens het betrokken schooljaar volledig modulair wordt georganiseerd;
b) 0,20 uren-leraar per regelmatige leerling in het experiment op 1 februari 2007. ";
4° in artikel 33 worden de woorden " 31 augustus 2007 " vervangen door de woorden " 31 augustus2008 ". ".
Art. 9.41. L'article IX.2 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Article IX.2. A l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2002, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 12 septembre 2003, 27 août 2004 et 13 janvier 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'article 14 est remplacé par les dispositions suivantes : " Article 14
En vue de la mise en application de l'expérience pendant l'année scolaire 2007-2008, toute école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein se voit attribué l'encadrement des personnels supplémentaire suivant :
a) un cinquième d'un emploi dans une fonction choisie par le pouvoir organisateur par discipline organisée de façon entièrement modulaire pendant l'année scolaire concernée;
b) 0,20 périodes-professeur par élève régulier dans l'expérience le 1er février 2007.
Pour l'application de ces dispositions, le quatrième degré de la discipline " personenzorg " (soins aux personnes) n'est pas pris en compte. ";
2° l'article 20 est remplacé par les dispositions suivantes :
" Article 20. En vue de la mise en application de l'expérience pendant l'année scolaire 2007-2008, tout centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel se voit attribué l'encadrement des personnels supplémentaire suivant :
a) un cinquième d'un emploi dans une fonction choisie par le pouvoir organisateur par discipline organisée de façon entièrement modulaire pendant l'année scolaire concernée;
b) 0,20 périodes-professeur par élève régulier dans l'expérience le 1er février 2007, réservées à l'encadrement des élèves sous forme de parcours d'insertion, orienté vers l'apprentissage sur le lieu de travail. ";
3° l'article 26 est remplacé par les dispositions suivantes :
" Article 26. En vue de la mise en application de l'expérience pendant l'année scolaire 2007-2008, toute école d'enseignement secondaire spécial se voit attribué l'encadrement des personnels supplémentaire suivant :
a) un cinquième d'un emploi dans une fonction choisie par le pouvoir organisateur par discipline organisée de façon entièrement modulaire pendant l'année scolaire concernée;
b) 0,20 périodes-professeur par élève régulier dans l'expérience le 1er février 2007. ";
4° dans l'article 33, les mots " 31 août 2007 " sont remplacés par les mots " 31 août 2008 ". "
" Article IX.2. A l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2002, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 12 septembre 2003, 27 août 2004 et 13 janvier 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'article 14 est remplacé par les dispositions suivantes : " Article 14
En vue de la mise en application de l'expérience pendant l'année scolaire 2007-2008, toute école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein se voit attribué l'encadrement des personnels supplémentaire suivant :
a) un cinquième d'un emploi dans une fonction choisie par le pouvoir organisateur par discipline organisée de façon entièrement modulaire pendant l'année scolaire concernée;
b) 0,20 périodes-professeur par élève régulier dans l'expérience le 1er février 2007.
Pour l'application de ces dispositions, le quatrième degré de la discipline " personenzorg " (soins aux personnes) n'est pas pris en compte. ";
2° l'article 20 est remplacé par les dispositions suivantes :
" Article 20. En vue de la mise en application de l'expérience pendant l'année scolaire 2007-2008, tout centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel se voit attribué l'encadrement des personnels supplémentaire suivant :
a) un cinquième d'un emploi dans une fonction choisie par le pouvoir organisateur par discipline organisée de façon entièrement modulaire pendant l'année scolaire concernée;
b) 0,20 périodes-professeur par élève régulier dans l'expérience le 1er février 2007, réservées à l'encadrement des élèves sous forme de parcours d'insertion, orienté vers l'apprentissage sur le lieu de travail. ";
3° l'article 26 est remplacé par les dispositions suivantes :
" Article 26. En vue de la mise en application de l'expérience pendant l'année scolaire 2007-2008, toute école d'enseignement secondaire spécial se voit attribué l'encadrement des personnels supplémentaire suivant :
a) un cinquième d'un emploi dans une fonction choisie par le pouvoir organisateur par discipline organisée de façon entièrement modulaire pendant l'année scolaire concernée;
b) 0,20 périodes-professeur par élève régulier dans l'expérience le 1er février 2007. ";
4° dans l'article 33, les mots " 31 août 2007 " sont remplacés par les mots " 31 août 2008 ". "
Afdeling XIV. - Decreet betreffende de regionale technologische centra en houdende noodzakelijke en dringende onderwijsbepalingen.
Section XIV. - Décret relatif aux centres technologiques régionaux et portant des dispositions nécessaires et impérieuses relatives à l'enseignement.
Art. 9.42. In het decreet van 7 mei 2004 betreffende de regionale technologische centra en houdende noodzakelijke en dringende onderwijsbepalingen, zoals gewijzigd, wordt een artikel 55bis ingevoegd dat luidt als volgt :
" Artikel 55bis. Aan het personeel dat door middel van een arbeidsovereenkomst tewerkgesteld is als busbegeleider bij een basisschool of een secundaire school kan tijdens de maanden juli en augustus een bestaanszekerheidsvergoeding worden toegekend. De Vlaamse Regering bepaalt hiervoor de modaliteiten. ".
" Artikel 55bis. Aan het personeel dat door middel van een arbeidsovereenkomst tewerkgesteld is als busbegeleider bij een basisschool of een secundaire school kan tijdens de maanden juli en augustus een bestaanszekerheidsvergoeding worden toegekend. De Vlaamse Regering bepaalt hiervoor de modaliteiten. ".
Art. 9.42. Dans le décret du 7 mai 2004 relatif aux centres technologiques régionaux et portant des dispositions nécessaires et impérieuses relatives à l'enseignement, tel que modifié, il est inséré un article 55bis, rédigé comme suit :
" Article 55bis. Au personnel employé au moyen d'un contrat de travail comme accompagnateur de bus chez une école fondamentale ou secondaire, il peut être octroyé une indemnité de sécurité d'existence pendant les mois de juillet et d'août. Le Gouvernement flamand arrête les modalités à cet effet. ".
" Article 55bis. Au personnel employé au moyen d'un contrat de travail comme accompagnateur de bus chez une école fondamentale ou secondaire, il peut être octroyé une indemnité de sécurité d'existence pendant les mois de juillet et d'août. Le Gouvernement flamand arrête les modalités à cet effet. ".
Afdeling XV. - Inwerkingtreding.
Section XV. - Entrée en vigueur.
Art. 9.43. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 september 2007, met uitzondering van :
1° artikel IX. 21 dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2006;
2° artikelen IX. 33 en IX. 38 die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2006;
3° artikelen IX.34, IX.36, IX.37 en IX.39 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2007;
4° artikel IX. 6 dat in werking treedt op 1 september 2008;
5° artikel IX.8, 1°, en artikel IX.9 die in werking treden op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum; (NOTA : inwerkingtreding van art. 9.8, 1° et 9.9 vastgesteld op 01-09-2008, door DVR 2008-07-10/70, art. 144)
6° artikel IX.42 dat in werking treedt op 1 juli 2007.
1° artikel IX. 21 dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2006;
2° artikelen IX. 33 en IX. 38 die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2006;
3° artikelen IX.34, IX.36, IX.37 en IX.39 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2007;
4° artikel IX. 6 dat in werking treedt op 1 september 2008;
5° artikel IX.8, 1°, en artikel IX.9 die in werking treden op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum; (NOTA : inwerkingtreding van art. 9.8, 1° et 9.9 vastgesteld op 01-09-2008, door DVR 2008-07-10/70, art. 144)
6° artikel IX.42 dat in werking treedt op 1 juli 2007.
Art. 9.43. Les dispositions du présent chapitre entrent en vigueur le 1er septembre 2007, à l'exception :
1° de l'article IX.21, qui produit ses effets le 1er janvier 2006;
2° des articles IX.33 et IX.38, qui produisent leurs effets le 1er septembre 2006;
3° des articles IX.34, IX.36, IX.37 et IX.39, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2007;
4° de l'article IX.6, qui entre en vigueur le 1er septembre 2008;
5° de l'article IX.8, 1°, et de l'article IX.9, qui entrent en vigueur à une date à fixer par le Gouvernement flamand; (NOTE : entrée en vigueur des art. 9.8, 1° et 9.9 fixée au 01-09-2008, par DCFL 2008-07-10/70, art. 144)
6° de l'article IX.42, qui entre en vigueur le 1er juillet 2007.
1° de l'article IX.21, qui produit ses effets le 1er janvier 2006;
2° des articles IX.33 et IX.38, qui produisent leurs effets le 1er septembre 2006;
3° des articles IX.34, IX.36, IX.37 et IX.39, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2007;
4° de l'article IX.6, qui entre en vigueur le 1er septembre 2008;
5° de l'article IX.8, 1°, et de l'article IX.9, qui entrent en vigueur à une date à fixer par le Gouvernement flamand; (NOTE : entrée en vigueur des art. 9.8, 1° et 9.9 fixée au 01-09-2008, par DCFL 2008-07-10/70, art. 144)
6° de l'article IX.42, qui entre en vigueur le 1er juillet 2007.
HOOFDSTUK X. - Autonome bepalingen.
CHAPITRE X. - Dispositions autonomes.
Afdeling I. - Volwassenenonderwijs.
Section Ire. - Education des adultes.
Art. 10.1. § 1. Het Centrum voor Volwassenenonderwijs Leuven/Landen, te Leuven, wordt gemachtigd om tijdens het schooljaar 2006-2007 het verkorte traject voor de opleidingen " Algemene vorming BSO 3 " en " Kantooradministratie en gegevensbeheer BSO 3 ", opgestart tijdens het schooljaar 2003-2004, verder te zetten.
§ 2. Het centrum baseert zich voor de organisatie van het verkorte traject tijdens het schooljaar 2006-2007 op :
1° het door de onderwijsinspectie goedgekeurde leerplan;
2° het voorlopige modulaire structuurschema " Algemene vorming BSO 3 " dat, in uitvoering van artikel 75 van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs, is goedgekeurd op 31 mei 2002;
3° het voorlopige modulaire structuurschema " Kantooradministratie en gegevensbeheer BSO 3 " dat, in uitvoering van artikel 75 van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs, is goedgekeurd op 31 mei 2004.
§ 3. Het centrum baseert zich voor de organisatie van het verkorte traject vanaf het schooljaar 2007-2008 op :
1° het door de onderwijsinspectie goedgekeurde leerplan;
2° de opleiding " Algemene vorming BSO 3 " die, in uitvoering van artikel 15 van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs, door de Vlaamse Regering is goedgekeurd;
3° het voorlopige modulaire structuurschema " Kantooradministratie en gegevensbeheer BSO 3 " dat, in uitvoering van artikel 75 van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs, is goedgekeurd op 31 mei 2006.
§ 4. Het centrum is gemachtigd om het verkorte traject aan te bieden tot en met 31 augustus 2009.
§ 2. Het centrum baseert zich voor de organisatie van het verkorte traject tijdens het schooljaar 2006-2007 op :
1° het door de onderwijsinspectie goedgekeurde leerplan;
2° het voorlopige modulaire structuurschema " Algemene vorming BSO 3 " dat, in uitvoering van artikel 75 van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs, is goedgekeurd op 31 mei 2002;
3° het voorlopige modulaire structuurschema " Kantooradministratie en gegevensbeheer BSO 3 " dat, in uitvoering van artikel 75 van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs, is goedgekeurd op 31 mei 2004.
§ 3. Het centrum baseert zich voor de organisatie van het verkorte traject vanaf het schooljaar 2007-2008 op :
1° het door de onderwijsinspectie goedgekeurde leerplan;
2° de opleiding " Algemene vorming BSO 3 " die, in uitvoering van artikel 15 van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs, door de Vlaamse Regering is goedgekeurd;
3° het voorlopige modulaire structuurschema " Kantooradministratie en gegevensbeheer BSO 3 " dat, in uitvoering van artikel 75 van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs, is goedgekeurd op 31 mei 2006.
§ 4. Het centrum is gemachtigd om het verkorte traject aan te bieden tot en met 31 augustus 2009.
Art. 10.1. § 1er. Le 'Centrum voor Volwassenenonderwijs Leuven/Landen' à Louvain, est autorisé à continuer, pendant l'année scolaire 2006-2007, le parcours raccourci pour les formations " Algemene vorming BSO 3 " et " Kantooradministratie en gegevensbeheer BSO 3 ", commencé pendant l'année scolaire 2003-2004.
§ 2. Pour l'organisation du parcours raccourci pendant l'année scolaire 2006-2007, le centre se base sur :
1° le programme d'études approuvé par l'inspection de l'enseignement;
2° le schéma structurel modulaire provisoire " Algemene vorming BSO 3 " qui, en exécution de l'article 75 du décret du 2 mars 1999 réglant certaines matières relatives à l'éducation des adultes, est approuvé le 31 mai 2002;
3° le schéma structurel modulaire provisoire " Kantooradministratie en gegevensbeheer BSO 3 " qui, en exécution de l'article 75 du décret du 2 mars 1999 réglant certaines matières relatives à l'éducation des adultes, est approuvé le 31 mai 2004.
§ 3. Pour l'organisation du parcours raccourci à partir de l'année scolaire 2007-2008, le centre se base sur :
1° le programme d'études approuvé par l'inspection de l'enseignement;
2° la formation " Algemene vorming BSO 3 " qui, en exécution de l'article 15 du décret du 2 mars 1999 réglant certaines matières relatives à l'éducation des adultes, est approuvée par le Gouvernement flamand;
3° le schéma structurel modulaire provisoire " Kantooradministratie en gegevensbeheer BSO 3 " qui, en exécution de l'article 75 du décret du 2 mars 1999 réglant certaines matières relatives à l'éducation des adultes, est approuvé le 31 mai 2006.
§ 4. Le centre est autorisé à offrir le parcours raccourci jusqu'au 31 août 2009 inclus.
§ 2. Pour l'organisation du parcours raccourci pendant l'année scolaire 2006-2007, le centre se base sur :
1° le programme d'études approuvé par l'inspection de l'enseignement;
2° le schéma structurel modulaire provisoire " Algemene vorming BSO 3 " qui, en exécution de l'article 75 du décret du 2 mars 1999 réglant certaines matières relatives à l'éducation des adultes, est approuvé le 31 mai 2002;
3° le schéma structurel modulaire provisoire " Kantooradministratie en gegevensbeheer BSO 3 " qui, en exécution de l'article 75 du décret du 2 mars 1999 réglant certaines matières relatives à l'éducation des adultes, est approuvé le 31 mai 2004.
§ 3. Pour l'organisation du parcours raccourci à partir de l'année scolaire 2007-2008, le centre se base sur :
1° le programme d'études approuvé par l'inspection de l'enseignement;
2° la formation " Algemene vorming BSO 3 " qui, en exécution de l'article 15 du décret du 2 mars 1999 réglant certaines matières relatives à l'éducation des adultes, est approuvée par le Gouvernement flamand;
3° le schéma structurel modulaire provisoire " Kantooradministratie en gegevensbeheer BSO 3 " qui, en exécution de l'article 75 du décret du 2 mars 1999 réglant certaines matières relatives à l'éducation des adultes, est approuvé le 31 mai 2006.
§ 4. Le centre est autorisé à offrir le parcours raccourci jusqu'au 31 août 2009 inclus.
Afdeling II. - Time-outprojecten.
Section II. - Projets " time-out ".
Afdeling III. - Deeltijds kunstonderwijs.
Section III. - Enseignement artistique à temps partiel.
Afdeling IV. - Brussels ondersteuningscentrum secundair onderwijs.
Section IV. - Brussels ondersteuningscentrum secundair onderwijs.
Art. 10.6. Opgeheven art. 3 van 27 MEI 2011. - Decreet aangaande de bekrachtiging van de bepalingen betreffende het secundair onderwijs, gecodificeerd op 17 december 2010
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 19-02-2013 en tekstbijwerking tot 13-02-2017)">Opgeheven 21 DECEMBER 2012. - Decreet betreffende het onderwijs XXII(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 19-02-2013 en tekstbijwerking tot 13-02-2017)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 19-02-2013 en tekstbijwerking tot 13-02-2017)">Opgeheven 21 DECEMBER 2012. - Decreet betreffende het onderwijs XXII(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 19-02-2013 en tekstbijwerking tot 13-02-2017)
Art. 10.6. Abrogé art. 3 van 27 MEI 2011. - Decreet aangaande de bekrachtiging van de bepalingen betreffende het secundair onderwijs, gecodificeerd op 17 december 2010
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 19-02-2013 en tekstbijwerking tot 13-02-2017)">Abrogé 21 DECEMBER 2012. - Decreet betreffende het onderwijs XXII(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 19-02-2013 en tekstbijwerking tot 13-02-2017)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 19-02-2013 en tekstbijwerking tot 13-02-2017)">Abrogé 21 DECEMBER 2012. - Decreet betreffende het onderwijs XXII(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 19-02-2013 en tekstbijwerking tot 13-02-2017)
Art. 10.7. Opgeheven art. 3 van 27 MEI 2011. - Decreet aangaande de bekrachtiging van de bepalingen betreffende het secundair onderwijs, gecodificeerd op 17 december 2010
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 19-02-2013 en tekstbijwerking tot 13-02-2017)">Opgeheven 21 DECEMBER 2012. - Decreet betreffende het onderwijs XXII(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 19-02-2013 en tekstbijwerking tot 13-02-2017)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 19-02-2013 en tekstbijwerking tot 13-02-2017)">Opgeheven 21 DECEMBER 2012. - Decreet betreffende het onderwijs XXII(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 19-02-2013 en tekstbijwerking tot 13-02-2017)
Art. 10.7. Abrogé art. 3 van 27 MEI 2011. - Decreet aangaande de bekrachtiging van de bepalingen betreffende het secundair onderwijs, gecodificeerd op 17 december 2010
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 19-02-2013 en tekstbijwerking tot 13-02-2017)">Abrogé 21 DECEMBER 2012. - Decreet betreffende het onderwijs XXII(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 19-02-2013 en tekstbijwerking tot 13-02-2017)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 19-02-2013 en tekstbijwerking tot 13-02-2017)">Abrogé 21 DECEMBER 2012. - Decreet betreffende het onderwijs XXII(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 19-02-2013 en tekstbijwerking tot 13-02-2017)
Afdeling V. - Inwerkingtreding.
Section V. - Entrée en vigueur.
Art. 10.8. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op de volgende data :
1° artikel X.1 (10.1) heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
2° artikel X.3 (10.3) heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
3° artikel X.4 (10.4) dat in werking treedt op 1 juli 2007;
4° artikelen X.2 (10.2), X.5 (10.5), X.6 (10.6) en X.7 (10.7) treden in werking op 1 september 2007.
1° artikel X.1 (10.1) heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
2° artikel X.3 (10.3) heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
3° artikel X.4 (10.4) dat in werking treedt op 1 juli 2007;
4° artikelen X.2 (10.2), X.5 (10.5), X.6 (10.6) en X.7 (10.7) treden in werking op 1 september 2007.
Art. 10.8. Les dispositions du présent chapitre entrent en vigueur aux dates suivantes :
1° l'article X.1 (10.1) produit ses effets le 1er septembre 2006;
2° l'article X.3 (10.3) produit ses effets le 1er septembre 2006;
3° l'article X.4 (10.4) entre en vigueur le 1er juillet 2007;
4° les articles X.2 (10.2), X.5 (10.5), X.6 (10.6) et X.7 (10.7) entrent en vigueur le 1er septembre 2007.
1° l'article X.1 (10.1) produit ses effets le 1er septembre 2006;
2° l'article X.3 (10.3) produit ses effets le 1er septembre 2006;
3° l'article X.4 (10.4) entre en vigueur le 1er juillet 2007;
4° les articles X.2 (10.2), X.5 (10.5), X.6 (10.6) et X.7 (10.7) entrent en vigueur le 1er septembre 2007.