Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° decreet : het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;
2° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs;
3° school : school voor voltijds gewoon secundair onderwijs die minstens één van de volgende studiegebieden organiseert : auto, bouw, chemie, grafische communicatie en media, hout, land- en tuinbouw, textiel, koeling en warmte, mechanica-elektricteit, of scholen met aanverwante studierichtingen, opleidingen en afdelingen binnen het buitengewoon secundair onderwijs OV3 en OV4;
4° onderwijszone : geografische afbakening als vermeld in bijlage I bij het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet betreffende het basisonderwijs.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
16 MEI 2007. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de investeringsoperatie in scholen voor technologie en industriële technieken voor het schooljaar 2006-2007.
Titre
16 MAI 2007. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif à l'opération d'investissement dans des écoles de technologie et de techniques industrielles pour l'année scolaire 2006-2007 (TRADUCTION).
Documentinformatie
Info du document
Tekst (11)
Texte (11)
Article 1. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
1° décret : le décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental;
2° Ministre : le Ministre flamand chargé de l'enseignement;
3° école : l'école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein organisant au moins une des disciplines suivantes : " auto, bouw, chemie, grafische communicatie en media, hout, land- en tuinbouw, textiel, koeling en warmte, mechanica-elektricteit ", ou les écoles organisant des orientations, formations et sections connexes dans les formes d'enseignement 3 et 4 de l'enseignement secondaire spécial;
4° zone d'enseignement : la délimitation géographique telle que définie à l'annexe du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental.
1° décret : le décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental;
2° Ministre : le Ministre flamand chargé de l'enseignement;
3° école : l'école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein organisant au moins une des disciplines suivantes : " auto, bouw, chemie, grafische communicatie en media, hout, land- en tuinbouw, textiel, koeling en warmte, mechanica-elektricteit ", ou les écoles organisant des orientations, formations et sections connexes dans les formes d'enseignement 3 et 4 de l'enseignement secondaire spécial;
4° zone d'enseignement : la délimitation géographique telle que définie à l'annexe du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental.
Art. 2. Er worden voor investeringen in basisuitrusting tijdens het schooljaar 2006-2007 extra middelen toegekend aan scholen, mits die een investeringsplan per onderwijszone hebben opgesteld dat door de beoordelingscommissie is goedgekeurd. Een investeringsplan moet volgende elementen bevatten :
1° de voorgestelde aankopen per school en per studiegebied;
2° raming van de kosten van de voorgestelde aankopen;
3° het totaalbeeld van de financiering van het voorstel;
4° het verslag van de vergaderingen van het overleg binnen de onderwijszone.
1° de voorgestelde aankopen per school en per studiegebied;
2° raming van de kosten van de voorgestelde aankopen;
3° het totaalbeeld van de financiering van het voorstel;
4° het verslag van de vergaderingen van het overleg binnen de onderwijszone.
Art. 2. En vue des investissements dans l'infrastructure de base pendant l'année scolaire 2006-2007, des moyens supplémentaires sont accordés aux écoles à condition qu'elles aient établi un plan d'investissement par zone d'enseignement approuvé par la commission d'évaluation. Un plan d'investissement doit contenir les éléments suivants :
1° les acquisitions proposées par école et par discipline;
2° l'estimation des coûts des acquisitions proposées;
3° l'image globale du financement de la proposition;
4° le rapport des réunions de la concertation au sein de la zone d'enseignement.
1° les acquisitions proposées par école et par discipline;
2° l'estimation des coûts des acquisitions proposées;
3° l'image globale du financement de la proposition;
4° le rapport des réunions de la concertation au sein de la zone d'enseignement.
Art. 3. De middelen worden aangerekend op pr.32.1 ba 33.11 van de begroting 2007, voor wat het gewoon secundair onderwijs betreft, respectievelijk op pr.32.2 ba 33.11 van de begroting 2007 voor wat het buitengewoon secundair onderwijs betreft.
Art. 3. Les moyens sont imputés respectivement à l'allocation de base 33.11 du programme 32.1 du budget 2007, pour ce qui est de l'enseignement secondaire ordinaire, et à l'allocation de base 33.11 du programme 32.2 du budget 2007, pour ce qui est de l'enseignement secondaire spécial.
Art. 4. De minister stelt de beoordelingscommissie samen uit :
1° twee vertegenwoordigers van het Departement Onderwijs en Vorming, afdeling Instellingen en Leerlingen Secundair Onderwijs en Volwassenenonderwijs, waarvan één het voorzitterschap waarneemt;
2° twee vertegenwoordigers van de Inspectie Secundair Onderwijs;
3° één vertegenwoordiger per onderwijsnet, voorgedragen door respectievelijk het gemeenschapsonderwijs, het provinciaal onderwijs, het onderwijssecretariaat Vlaamse Steden en Gemeenten en het Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs.
1° twee vertegenwoordigers van het Departement Onderwijs en Vorming, afdeling Instellingen en Leerlingen Secundair Onderwijs en Volwassenenonderwijs, waarvan één het voorzitterschap waarneemt;
2° twee vertegenwoordigers van de Inspectie Secundair Onderwijs;
3° één vertegenwoordiger per onderwijsnet, voorgedragen door respectievelijk het gemeenschapsonderwijs, het provinciaal onderwijs, het onderwijssecretariaat Vlaamse Steden en Gemeenten en het Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs.
Art. 4. Le Ministre compose la commission d'évaluation de :
1° deux représentants du Département de l'Enseignement et de la Formation, division Institutions et Elèves de l'Enseignement secondaire et de l'Enseignement des adultes, dont un assume la présidence;
2° deux représentants de l'Inspection de l'Enseignement secondaire;
3° un représentant par réseau d'enseignement, proposé respectivement par l'Enseignement communautaire, l'enseignement provincial, l' "Onderwijssecretariaat voor Steden en Gemeenten" (Secrétariat de l'enseignement pour les villes et communes), le "Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs" (Secrétariat flamand de l'Enseignement catholique flamand).
1° deux représentants du Département de l'Enseignement et de la Formation, division Institutions et Elèves de l'Enseignement secondaire et de l'Enseignement des adultes, dont un assume la présidence;
2° deux représentants de l'Inspection de l'Enseignement secondaire;
3° un représentant par réseau d'enseignement, proposé respectivement par l'Enseignement communautaire, l'enseignement provincial, l' "Onderwijssecretariaat voor Steden en Gemeenten" (Secrétariat de l'enseignement pour les villes et communes), le "Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs" (Secrétariat flamand de l'Enseignement catholique flamand).
Art. 5. De beoordelingscommissie onderzoekt de plannen en keurt ze goed of formuleert voorbehoud. Als er voorbehoud wordt geformuleerd, krijgen de scholen in kwestie een door de commissie te bepalen termijn van minimaal twintig werkdagen om het plan aan te passen, voor te leggen aan de scholen in kwestie binnen de zone en opnieuw in te dienen waarna de commissie een definitief oordeel velt.
Art. 5. La commission d'évaluation examine les plans et les approuve ou formule des réserves. Si elle formule des réserves, la commission définit un délai de vingt jours ouvrables au moins dans lequel les écoles en question sont autorisées à adapter leur plan, à le présenter aux écoles en question dans la zone et à le déposer à nouveau après quoi la commission prend une décision définitive.
Art. 6. De beoordelingscommissie mag bij de beoordeling zelf haar werkzaamheden en werkwijze naar haar beste vermogen organiseren en de meest werkbare methode bepalen. Ze stelt hiertoe een huishoudelijk reglement op. Bij de beoordeling van de plannen hanteert de commissie de volgende criteria :
1° de financiële haalbaarheid van het ingediende plan;
2° een aantoonbare, directe band met de leerplannen;
3° de noodzakelijkheid van de investering;
4° de mogelijkheid tot een optimale aanwending van de apparatuur;
5° de aandacht voor veiligheid.
1° de financiële haalbaarheid van het ingediende plan;
2° een aantoonbare, directe band met de leerplannen;
3° de noodzakelijkheid van de investering;
4° de mogelijkheid tot een optimale aanwending van de apparatuur;
5° de aandacht voor veiligheid.
Art. 6. Lors de l'évaluation, il appartient à la commission d'évaluation d'organiser de son mieux ses activités et son mode de fonctionnement et de déterminer et d'appliquer la méthode la plus efficace. A cet effet, elle établit un règlement d'ordre intérieur. Pour l'évaluation des plans, la commission d'évaluation applique les critères suivants :
1° la faisabilité financière du plan déposé;
2° le lien direct et démontrable avec les programmes d'études;
3° la nécessité de l'investissement;
4° la possibilité d'une affectation optimale de l'appareillage;
5° l'attention prêtée à la sécurité.
1° la faisabilité financière du plan déposé;
2° le lien direct et démontrable avec les programmes d'études;
3° la nécessité de l'investissement;
4° la possibilité d'une affectation optimale de l'appareillage;
5° l'attention prêtée à la sécurité.
Art. 7. De scholen ontvangen, naar rato van honderd vierenzeventig euro per regelmatige leerling in de studiegebieden in kwestie op 1 februari 2006, de middelen op de volgende wijze :
1° een voorschot van 90 % na de vaststelling bij ministerieel besluit van de begunstigde scholen en overeenkomstige subsidiebedragen;
2° een saldo van 10 % na de goedkeuring door het Departement Onderwijs en Vorming van de gebundelde en ingestuurde bewijsstukken van de doorgevoerde investering.
1° een voorschot van 90 % na de vaststelling bij ministerieel besluit van de begunstigde scholen en overeenkomstige subsidiebedragen;
2° een saldo van 10 % na de goedkeuring door het Departement Onderwijs en Vorming van de gebundelde en ingestuurde bewijsstukken van de doorgevoerde investering.
Art. 7. Les écoles reçoivent, au prorata de cent soixante-quatorze euros par élève régulier dans les disciplines concernées au 1er février 2006, les moyens de la façon suivante :
1° une avance de 90% après fixation par arrêté ministériel des écoles bénéficiaires et des subventions correspondantes;
2° un solde de 10% après approbation par le Département de l'Enseignement et de la Formation des pièces justificatives accumulées et déposées de l'investissement exécuté.
1° une avance de 90% après fixation par arrêté ministériel des écoles bénéficiaires et des subventions correspondantes;
2° un solde de 10% après approbation par le Département de l'Enseignement et de la Formation des pièces justificatives accumulées et déposées de l'investissement exécuté.
Art. 8. De verkregen middelen mogen enkel aangewend worden voor investeringen in basisuitrusting, zoals bedoeld in artikel 103, § 1, eerste lid, van het decreet, in de structuuronderdelen, vermeld in bijlage II van het decreet.
Art. 8. Les moyens obtenus ne peuvent être affectés qu'aux investissements dans l'infrastructure de base, visée à l'article 103, § 1er, premier alinéa, du décret, dans les subdivisions structurelles, visées à l'annexe II au décret.
Art. 9. Het Departement Onderwijs en Vorming zal van de betrokken inrichtende macht het deel van de toegekende middelen terugvorderen waarvan werd vastgesteld dat het niet werd aangewend of dat het niet werd aangewend voor de bestemming, vermeld in dit besluit.
Art. 9. Le Département de l'Enseignement et de la Formation réclamera du pouvoir organisateur concerné la partie des moyens octroyés dont il a été constaté qu'elle n'a pas été affectée ou qu'elle n'a pas été affectée conformément aux dispositions du présent arrêté.
Art. 10. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006.
Art. 10. Le présent arrêté produit ses effets le 1er septembre 2006.
Art. 11. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 16 mei 2007.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
Y. LETERME
De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
F. VANDENBROUCKE.
Brussel, 16 mei 2007.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
Y. LETERME
De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
F. VANDENBROUCKE.
Art. 11. Le Ministre flamand qui a l'Enseignement dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Bruxelles, le 16 mai 2007.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
Y. LETERME
Le Ministre flamand de l'Emploi, de l'Enseignement et de la Formation,
F. VANDENBROUCKE.
Bruxelles, le 16 mai 2007.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
Y. LETERME
Le Ministre flamand de l'Emploi, de l'Enseignement et de la Formation,
F. VANDENBROUCKE.