Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
27 APRIL 2007. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de toekenning van een politiek verlof op verzoek van het personeelslid(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-06-2007 en tekstbijwerking tot 18-10-2023)
Titre
27 AVRIL 2007. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand relatif Ă l'octroi d'un congĂ© politique Ă la demande du membre du personnel (TRADUCTION)(NOTE : Consultation des versions antĂ©rieures Ă partir du 28-06-2007 et mise Ă jour au 18-10-2023)
Documentinformatie
Info du document
Tekst (13)
Texte (13)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder het decreet : het decreet van 28 april 1993 betreffende het Onderwijs IV.
Article 1. Dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par le dĂ©cret : le dĂ©cret du 28 avril 1993 relatif Ă l'enseignement IV.
Art. 2. Dit besluit is van toepassing op de personeelsleden vermeld in artikel 29 van het decreet, gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2006, die een politiek mandaat zoals bedoeld in artikel 31 van het decreet, uitoefenen of zullen uitoefenen.
Art. 2. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© s'applique aux membres du personnel visĂ©s Ă l'article 29 du dĂ©cret, modifiĂ© par le dĂ©cret du 7 juillet 2006, qui exercent ou exerceront un mandat politique tel que visĂ© Ă l'article 31 du dĂ©cret.
Art. 3. § 1. Het in artikel 2 bedoelde personeelslid heeft recht op een voltijds of deeltijds politiek verlof.
  § 2. Voor tijdelijk aangestelde personeelsleden geldt dit recht enkel voor zover het verlof binnen hun aanstellingsperiode valt.
  § 2. Voor tijdelijk aangestelde personeelsleden geldt dit recht enkel voor zover het verlof binnen hun aanstellingsperiode valt.
Art. 3. § 1er. Le membre du personnel visé à l'article 2 a droit à un congé politique à temps plein ou à temps partiel.
  § 2. Pour les membres du personnel temporaires, ce droit s'applique uniquement dans la mesure oĂč le congĂ© tombe dans leur pĂ©riode de dĂ©signation.
  § 2. Pour les membres du personnel temporaires, ce droit s'applique uniquement dans la mesure oĂč le congĂ© tombe dans leur pĂ©riode de dĂ©signation.
Art. 4. Het politiek verlof vangt aan op de datum van de eedaflegging, 1 september, 1 oktober, 1 januari, 1 april of op een met de inrichtende macht of schoolbestuur overeengekomen datum.
  Het personeelslid dat gebruik maakt van het recht op politiek verlof, stelt uiterlijk 15 dagen vóór de aanvang ervan, de inrichtende macht of het schoolbestuur in kennis van de datum waarop het politiek verlof zal aanvangen en van het volume aan wekelijkse prestaties waarvoor, conform artikel 5 van dit besluit, verlof gevraagd wordt.
  Het personeelslid dat gebruik maakt van het recht op politiek verlof, stelt uiterlijk 15 dagen vóór de aanvang ervan, de inrichtende macht of het schoolbestuur in kennis van de datum waarop het politiek verlof zal aanvangen en van het volume aan wekelijkse prestaties waarvoor, conform artikel 5 van dit besluit, verlof gevraagd wordt.
Art. 4. Le congé politique commence à la date de la prestation de serment, au 1er septembre, 1er octobre, 1er janvier, 1er avril ou à une date convenue avec le pouvoir organisateur ou l'autorité scolaire.
  Le membre du personnel qui exerce le droit au congĂ© politique, informe le pouvoir organisateur ou l'autoritĂ© scolaire, au plus tard 15 jours avant son dĂ©but, de la date Ă laquelle commencera le congĂ© politique et du volume de prestations hebdomadaires pour lequel un congĂ© est demandĂ© conformĂ©ment Ă l'article 5 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Le membre du personnel qui exerce le droit au congĂ© politique, informe le pouvoir organisateur ou l'autoritĂ© scolaire, au plus tard 15 jours avant son dĂ©but, de la date Ă laquelle commencera le congĂ© politique et du volume de prestations hebdomadaires pour lequel un congĂ© est demandĂ© conformĂ©ment Ă l'article 5 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 5. § 1. Een personeelslid dat deeltijds politiek verlof neemt, moet wekelijks prestaties blijven verrichten die ten minste een volledige prestatie-eenheid bedragen, en voor wat de centra voor leerlingenbegeleiding betreft, wekelijks prestaties blijven verrichten die ten minste 10 % van een volledige opdracht bedragen.
  § 2. Voor de toepassing van § 1 worden eveneens als wekelijkse prestaties beschouwd :
  1° [1 de prestaties verstrekt door personeelsleden met verlof wegens bijzondere opdracht of verlof wegens opdracht, als vermeld in artikel 51quater, § 2 en § 3, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 van 27 maart 1991, artikel 77quater, § 2 en § 3, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en hoofdstuk 12, afdeling 2, van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie]1;
  2° de prestaties verstrekt door de personeelsleden met verlof wegens vakbondsopdracht, zoals bedoeld in artikel 17 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en artikel 77 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;
  3° de prestaties verstrekt in het kader van de begeleiding en ondersteuning van de scholen en de centra voor leerlingenbegeleiding bij de implementatie van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen I, zoals bedoeld in artikel VI.21 van dit decreet;
  4° de prestaties verstrekt ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen, zoals bedoeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;
  5° de prestaties verstrekt door de personeelsleden met verlof, zoals bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 21 november 1980 betreffende het verlof toegekend aan bepaalde, ter beschikking van de Koning gestelde personeelsleden van de Rijksdiensten;
  6° de prestaties verstrekt door personeelsleden in een ministerieel kabinet van een lid van een gemeenschaps- of gewestregering, van een lid van de federale regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de federale regering, zoals bedoeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een gemeenschaps- of gewestregering, van een lid van de federale regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de federale regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
  7° de prestaties verstrekt door personeelsleden als medewerker, door een regeringslid ter beschikking gesteld van zijn voorganger, zoals bedoeld in artikel 8, derde lid, van het koninklijk besluit van 19 juli 2001 betreffende de invulling van de beleidsorganen van de federale overheidsdiensten en betreffende de personeelsleden van de federale overheidsdiensten aangewezen om deel uit te maken van een kabinet van een lid van een regering of van een college van een gemeenschap of een gewest;
  8° de prestaties verstrekt door een personeelslid ter ondersteuning van het college van commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen, zoals bedoeld in artikel 245, § 2, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;
  9° de prestaties verstrekt door de personeelsleden met verlof zoals bedoeld in artikel 166, § 1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;
  10° de prestaties verstrekt door de personeelsleden met verlof zoals bedoeld in artikel 53 van het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van de onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs;
  11° de prestaties verstrekt door de personeelsleden met verlof zoals bedoeld in artikel 156 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;
  12° de prestaties verstrekt door personeelsleden belast met een opdracht aan een hogeschool, zoals bedoeld in artikel 2, 39° van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.
  § 3. Het personeelslid dat een politiek verlof opneemt, mag tijdens dit verlof geen vervangende winstgevende activiteit uitoefenen in een gesubsidieerde of gefinancierde school of instelling, in een gesubsidieerd of gefinancierd centrum, in een hogeschool of als personeelslid van de onderwijsinspectie, personeelslid van de pedagogische begeleidingsdiensten of personeelslid van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling.
  § 4. In afwijking van de bepaling van § 1, moet een personeelslid in een selectie- of bevorderingsambt dat deeltijds politiek verlof neemt, wekelijkse prestaties blijven verrichten voor minimaal de helft van het volume van een voltijdse opdracht, tenzij met de inrichtende macht of het schoolbestuur anders wordt overeengekomen.
  § 5. Het personeelslid kan het volume van zijn politiek verlof alleen op 1 september wijzigen. In dat geval stelt het uiterlijk op 30 juni de inrichtende macht of het schoolbestuur in kennis van deze wijziging.
 Â
  § 2. Voor de toepassing van § 1 worden eveneens als wekelijkse prestaties beschouwd :
  1° [1 de prestaties verstrekt door personeelsleden met verlof wegens bijzondere opdracht of verlof wegens opdracht, als vermeld in artikel 51quater, § 2 en § 3, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 van 27 maart 1991, artikel 77quater, § 2 en § 3, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en hoofdstuk 12, afdeling 2, van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie]1;
  2° de prestaties verstrekt door de personeelsleden met verlof wegens vakbondsopdracht, zoals bedoeld in artikel 17 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en artikel 77 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;
  3° de prestaties verstrekt in het kader van de begeleiding en ondersteuning van de scholen en de centra voor leerlingenbegeleiding bij de implementatie van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen I, zoals bedoeld in artikel VI.21 van dit decreet;
  4° de prestaties verstrekt ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen, zoals bedoeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;
  5° de prestaties verstrekt door de personeelsleden met verlof, zoals bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 21 november 1980 betreffende het verlof toegekend aan bepaalde, ter beschikking van de Koning gestelde personeelsleden van de Rijksdiensten;
  6° de prestaties verstrekt door personeelsleden in een ministerieel kabinet van een lid van een gemeenschaps- of gewestregering, van een lid van de federale regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de federale regering, zoals bedoeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een gemeenschaps- of gewestregering, van een lid van de federale regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de federale regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
  7° de prestaties verstrekt door personeelsleden als medewerker, door een regeringslid ter beschikking gesteld van zijn voorganger, zoals bedoeld in artikel 8, derde lid, van het koninklijk besluit van 19 juli 2001 betreffende de invulling van de beleidsorganen van de federale overheidsdiensten en betreffende de personeelsleden van de federale overheidsdiensten aangewezen om deel uit te maken van een kabinet van een lid van een regering of van een college van een gemeenschap of een gewest;
  8° de prestaties verstrekt door een personeelslid ter ondersteuning van het college van commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen, zoals bedoeld in artikel 245, § 2, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;
  9° de prestaties verstrekt door de personeelsleden met verlof zoals bedoeld in artikel 166, § 1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;
  10° de prestaties verstrekt door de personeelsleden met verlof zoals bedoeld in artikel 53 van het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van de onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs;
  11° de prestaties verstrekt door de personeelsleden met verlof zoals bedoeld in artikel 156 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;
  12° de prestaties verstrekt door personeelsleden belast met een opdracht aan een hogeschool, zoals bedoeld in artikel 2, 39° van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.
  § 3. Het personeelslid dat een politiek verlof opneemt, mag tijdens dit verlof geen vervangende winstgevende activiteit uitoefenen in een gesubsidieerde of gefinancierde school of instelling, in een gesubsidieerd of gefinancierd centrum, in een hogeschool of als personeelslid van de onderwijsinspectie, personeelslid van de pedagogische begeleidingsdiensten of personeelslid van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling.
  § 4. In afwijking van de bepaling van § 1, moet een personeelslid in een selectie- of bevorderingsambt dat deeltijds politiek verlof neemt, wekelijkse prestaties blijven verrichten voor minimaal de helft van het volume van een voltijdse opdracht, tenzij met de inrichtende macht of het schoolbestuur anders wordt overeengekomen.
  § 5. Het personeelslid kan het volume van zijn politiek verlof alleen op 1 september wijzigen. In dat geval stelt het uiterlijk op 30 juni de inrichtende macht of het schoolbestuur in kennis van deze wijziging.
 Â
Wijzigingen
Art. 5. § 1er. Le membre du personnel qui prend un congé politique à temps partiel, doit continuer à exercer chaque semaine des prestations comprenant au moins une unité de prestation complÚte, et en ce qui concerne les centres d'encadrement des élÚves, continuer à exercer chaque semaine des prestations comprenant au moins 10 % d'une charge complÚte.
  § 2. Pour l'application du § 1er, sont considérées également comme des prestations hebdomadaires :
  1° [1 les prestations dispensées par des membres du personnel en congé pour mission spéciale ou en congé pour mission, tels que visés à l'article 51quater, §§ 2 et 3, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et à l'article 77quater, §§ 2 et 3 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire et au chapitre 12, section 2, du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel dans l'éducation de base]1;
  2° les prestations dispensĂ©es par les membres du personnel en congĂ© pour activitĂ© syndicale, tels que visĂ©s Ă l'article 17 de la loi du 19 dĂ©cembre 1974 organisant les relations entre les autoritĂ©s publiques et les syndicats des agents relevant de ces autoritĂ©s et Ă l'article 77 de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 septembre 1984 portant exĂ©cution de la loi du 19 dĂ©cembre 1974 organisant les relations entre les autoritĂ©s publiques et les syndicats des agents relevant de ces autoritĂ©s;
  3° les prestations dispensées dans le cadre de l'encadrement et du soutien des écoles et des centres d'encadrement des élÚves pour la mise en oeuvre du décret du 28 juin 2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I, tels que visés à l'article VI.21 dudit décret;
  4° les prestations dispensĂ©es au bĂ©nĂ©fice de groupes politiques reconnus dans les chambres lĂ©gislatives de l'Etat et des CommunautĂ©s ou des RĂ©gions, ou au bĂ©nĂ©fice des prĂ©sidents de ces groupes, tels que visĂ©s Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 dĂ©cembre 1991 relatif au congĂ© accordĂ© aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves pour accomplir certaines prestations au bĂ©nĂ©fice de groupes politiques reconnus dans les chambres lĂ©gislatives de l'Etat, des CommunautĂ©s ou des RĂ©gions, ou au bĂ©nĂ©fice des prĂ©sidents de ces groupes;
  5° les prestations dispensĂ©es par les membres du personnel en congĂ©, tels que visĂ©s Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 21 novembre 1980 relatif au congĂ© accordĂ© Ă certains membres du personnel des services de l'Etat mis Ă disposition du Roi;
  6° les prestations dispensĂ©es par des membres du personnel dans un cabinet ministĂ©riel d'un membre d'un Gouvernement communautaire ou rĂ©gional, d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral ou d'un secrĂ©taire d'Ă©tat rĂ©gional, et auprĂšs d'un secrĂ©tariat, de la cellule de coordination gĂ©nĂ©rale et d'une cellule de politique gĂ©nĂ©rale auprĂšs d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral, tels que visĂ©s Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 juillet 1995 relatif au congĂ© pour l'exercice d'une fonction auprĂšs d'un cabinet ministĂ©riel d'un membre d'un gouvernement de communautĂ© ou de rĂ©gion, d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral ou d'un secrĂ©taire d'Ă©tat rĂ©gional, et auprĂšs d'un secrĂ©tariat, de la cellule de coordination gĂ©nĂ©rale de la politique et d'une cellule de politique gĂ©nĂ©rale auprĂšs d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral, par des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves;
  7° les prestations dispensĂ©es par des membres du personnel en tant que collaborateur qu'un membre du Gouvernement a mis Ă disposition de son prĂ©dĂ©cesseur, tels que visĂ©s Ă l'article 8, troisiĂšme alinĂ©a, de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 juillet 2001 relatif Ă l'installation des organes stratĂ©giques des services publics fĂ©dĂ©raux et relatif aux membres du personnel des services publics fĂ©dĂ©raux dĂ©signĂ©s pour faire partie du cabinet d'un membre d'un Gouvernement ou d'un CollĂšge d'une CommunautĂ© ou d'une RĂ©gion;
  8° les prestations dispensées par un membre du personnel à l'appui du collÚge des commissaires du Gouvernement flamand auprÚs des instituts supérieurs, tel que visé à l'article 245, § 2, du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande;
  9° les prestations dispensées par les membres du personnel en congé tels que visés à l'article 166, § 1er, du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997;
  10° les prestations dispensées par les membres du personnel en congé, tels que visés à l'article 53 du décret du 5 avril 1995 portant création de comités de négociation dans l'enseignement libre subventionné;
  11° les prestations dispensées par les membres du personnel en congé tels que visés à l'article 156 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental;
  12° les prestations dispensées par des membres du personnel exerçant des charges dans un institut supérieur, tels que visés à l'article 2, 39° du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande. "
  § 3. Le membre du personnel qui prend un congé politique, ne peut exercer durant ce congé aucune activité lucrative de remplacement dans un établissement ou une école subventionné(e) ou financé(e), dans un centre subventionné ou financé, dans un institut supérieur ou en tant que membre du personnel de l'inspection de l'enseignement, membre du personnel des services d'encadrement pédagogique ou membre du personnel du Service de Développement de l'Enseignement.
  § 4. Par dérogation à la disposition du § 1er, un membre du personnel dans une fonction de sélection ou de promotion qui prend un congé politique à temps partiel, doit continuer à exercer chaque semaine des prestations comprenant au moins la moitié du volume d'une charge à temps plein, sauf convenu autrement avec le pouvoir organisateur ou l'autorité scolaire.
  § 5. Le membre du personnel ne peut modifier le volume de son congé politique que le 1er septembre. Le cas échéant, il informe le pouvoir organisateur ou l'autorité scolaire au plus tard le 30 juin de cette modification.
 Â
  § 2. Pour l'application du § 1er, sont considérées également comme des prestations hebdomadaires :
  1° [1 les prestations dispensées par des membres du personnel en congé pour mission spéciale ou en congé pour mission, tels que visés à l'article 51quater, §§ 2 et 3, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et à l'article 77quater, §§ 2 et 3 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire et au chapitre 12, section 2, du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel dans l'éducation de base]1;
  2° les prestations dispensĂ©es par les membres du personnel en congĂ© pour activitĂ© syndicale, tels que visĂ©s Ă l'article 17 de la loi du 19 dĂ©cembre 1974 organisant les relations entre les autoritĂ©s publiques et les syndicats des agents relevant de ces autoritĂ©s et Ă l'article 77 de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 septembre 1984 portant exĂ©cution de la loi du 19 dĂ©cembre 1974 organisant les relations entre les autoritĂ©s publiques et les syndicats des agents relevant de ces autoritĂ©s;
  3° les prestations dispensées dans le cadre de l'encadrement et du soutien des écoles et des centres d'encadrement des élÚves pour la mise en oeuvre du décret du 28 juin 2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I, tels que visés à l'article VI.21 dudit décret;
  4° les prestations dispensĂ©es au bĂ©nĂ©fice de groupes politiques reconnus dans les chambres lĂ©gislatives de l'Etat et des CommunautĂ©s ou des RĂ©gions, ou au bĂ©nĂ©fice des prĂ©sidents de ces groupes, tels que visĂ©s Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 dĂ©cembre 1991 relatif au congĂ© accordĂ© aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves pour accomplir certaines prestations au bĂ©nĂ©fice de groupes politiques reconnus dans les chambres lĂ©gislatives de l'Etat, des CommunautĂ©s ou des RĂ©gions, ou au bĂ©nĂ©fice des prĂ©sidents de ces groupes;
  5° les prestations dispensĂ©es par les membres du personnel en congĂ©, tels que visĂ©s Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 21 novembre 1980 relatif au congĂ© accordĂ© Ă certains membres du personnel des services de l'Etat mis Ă disposition du Roi;
  6° les prestations dispensĂ©es par des membres du personnel dans un cabinet ministĂ©riel d'un membre d'un Gouvernement communautaire ou rĂ©gional, d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral ou d'un secrĂ©taire d'Ă©tat rĂ©gional, et auprĂšs d'un secrĂ©tariat, de la cellule de coordination gĂ©nĂ©rale et d'une cellule de politique gĂ©nĂ©rale auprĂšs d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral, tels que visĂ©s Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 juillet 1995 relatif au congĂ© pour l'exercice d'une fonction auprĂšs d'un cabinet ministĂ©riel d'un membre d'un gouvernement de communautĂ© ou de rĂ©gion, d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral ou d'un secrĂ©taire d'Ă©tat rĂ©gional, et auprĂšs d'un secrĂ©tariat, de la cellule de coordination gĂ©nĂ©rale de la politique et d'une cellule de politique gĂ©nĂ©rale auprĂšs d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral, par des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves;
  7° les prestations dispensĂ©es par des membres du personnel en tant que collaborateur qu'un membre du Gouvernement a mis Ă disposition de son prĂ©dĂ©cesseur, tels que visĂ©s Ă l'article 8, troisiĂšme alinĂ©a, de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 juillet 2001 relatif Ă l'installation des organes stratĂ©giques des services publics fĂ©dĂ©raux et relatif aux membres du personnel des services publics fĂ©dĂ©raux dĂ©signĂ©s pour faire partie du cabinet d'un membre d'un Gouvernement ou d'un CollĂšge d'une CommunautĂ© ou d'une RĂ©gion;
  8° les prestations dispensées par un membre du personnel à l'appui du collÚge des commissaires du Gouvernement flamand auprÚs des instituts supérieurs, tel que visé à l'article 245, § 2, du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande;
  9° les prestations dispensées par les membres du personnel en congé tels que visés à l'article 166, § 1er, du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997;
  10° les prestations dispensées par les membres du personnel en congé, tels que visés à l'article 53 du décret du 5 avril 1995 portant création de comités de négociation dans l'enseignement libre subventionné;
  11° les prestations dispensées par les membres du personnel en congé tels que visés à l'article 156 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental;
  12° les prestations dispensées par des membres du personnel exerçant des charges dans un institut supérieur, tels que visés à l'article 2, 39° du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande. "
  § 3. Le membre du personnel qui prend un congé politique, ne peut exercer durant ce congé aucune activité lucrative de remplacement dans un établissement ou une école subventionné(e) ou financé(e), dans un centre subventionné ou financé, dans un institut supérieur ou en tant que membre du personnel de l'inspection de l'enseignement, membre du personnel des services d'encadrement pédagogique ou membre du personnel du Service de Développement de l'Enseignement.
  § 4. Par dérogation à la disposition du § 1er, un membre du personnel dans une fonction de sélection ou de promotion qui prend un congé politique à temps partiel, doit continuer à exercer chaque semaine des prestations comprenant au moins la moitié du volume d'une charge à temps plein, sauf convenu autrement avec le pouvoir organisateur ou l'autorité scolaire.
  § 5. Le membre du personnel ne peut modifier le volume de son congé politique que le 1er septembre. Le cas échéant, il informe le pouvoir organisateur ou l'autorité scolaire au plus tard le 30 juin de cette modification.
 Â
Wijzigingen
Art. 6. § 1. Het politiek verlof eindigt steeds overeenkomstig de bepaling van artikel 34, eerste lid, van het decreet. Tijdelijke personeelsleden van wie het politiek verlof een einde neemt, komen opnieuw als tijdelijk personeelslid in dienst en nemen de betrekking in waarvoor zij verlof hadden genomen.
  § 2. Een personeelslid dat gebruik gemaakt heeft van zijn recht op politiek verlof, heeft ook het recht dit te beëindigen vooraleer zijn mandaat beëindigd is. Wanneer het van dit recht gebruik maakt, stelt het uiterlijk op 30 juni de inrichtende macht of het schoolbestuur hiervan in kennis. Het verlof wordt dan beëindigd op 31 augustus daaropvolgend.
  § 3. Het politiek verlof van tijdelijke personeelsleden eindigt van rechtswege als de tijdelijke aanstelling eindigt.
  § 2. Een personeelslid dat gebruik gemaakt heeft van zijn recht op politiek verlof, heeft ook het recht dit te beëindigen vooraleer zijn mandaat beëindigd is. Wanneer het van dit recht gebruik maakt, stelt het uiterlijk op 30 juni de inrichtende macht of het schoolbestuur hiervan in kennis. Het verlof wordt dan beëindigd op 31 augustus daaropvolgend.
  § 3. Het politiek verlof van tijdelijke personeelsleden eindigt van rechtswege als de tijdelijke aanstelling eindigt.
Art. 6. § 1er. Le congé politique prend toujours fin conformément à la disposition de l'article 34, alinéa premier, du décret. Les membres du personnel temporaire dont le congé politique prend fin, reprennent service comme membre du personnel temporaire, et occupent l'emploi pour lequel ils avaient pris congé.
  § 2. Le membre du personnel qui a exercé son droit au congé politique, a également le droit de terminer ce congé avant la fin de son mandat. Lorsqu'il exerce ce droit, il en informe le pouvoir organisateur ou l'autorité scolaire au plus tard le 30 juin. Dans ce cas, le congé prend fin le 31 août suivant.
  § 3. Le congé politique des membres du personnel temporaire prend fin de plein droit si la désignation temporaire prend fin.
  § 2. Le membre du personnel qui a exercé son droit au congé politique, a également le droit de terminer ce congé avant la fin de son mandat. Lorsqu'il exerce ce droit, il en informe le pouvoir organisateur ou l'autorité scolaire au plus tard le 30 juin. Dans ce cas, le congé prend fin le 31 août suivant.
  § 3. Le congé politique des membres du personnel temporaire prend fin de plein droit si la désignation temporaire prend fin.
Art. 7. § 1. Het verlof wegens ziekte of gebrekkigheid met inbegrip van arbeidsongevallen, van ongevallen op weg naar het werk en naar huis, van beroepsziekten, de terbeschikkingstelling wegens ziekte of gebrekkigheid, het verlof wegens een bedreiging door een beroepsziekte en het verlof wegens moederschapsbescherming maken geen einde aan het politiek verlof.
  Het wachtgeld of de wachtgeldtoelage bij terbeschikkingstelling wegens ziekte of gebrekkigheid wordt vastgesteld op basis van de laatste activiteitswedde of activiteitsweddetoelage.
  § 2. Het politiek verlof wordt opgeschort vanaf het ogenblik dat het personeelslid het recht doet gelden op een andere vorm van dienstonderbreking die door de inrichtende macht of het schoolbestuur niet kan worden geweigerd.
  [1 Op voorwaarde dat de inrichtende macht of het schoolbestuur ermee instemt, kan het politiek verlof voltijds of deeltijds worden opgeschort als het personeelslid tijdelijk een opdracht in het onderwijs wil opnemen in het kader van het lerarentekort. De opdracht in het onderwijs mag niet uitgeoefend worden bij een inrichtende macht of schoolbestuur waar het personeelslid zelf in het kader van het politiek verlof de bevoegdheid van bestuurder opneemt. De opschorting is niet mogelijk op of na 30 juni van het schooljaar.]1
 Â
  Het wachtgeld of de wachtgeldtoelage bij terbeschikkingstelling wegens ziekte of gebrekkigheid wordt vastgesteld op basis van de laatste activiteitswedde of activiteitsweddetoelage.
  § 2. Het politiek verlof wordt opgeschort vanaf het ogenblik dat het personeelslid het recht doet gelden op een andere vorm van dienstonderbreking die door de inrichtende macht of het schoolbestuur niet kan worden geweigerd.
  [1 Op voorwaarde dat de inrichtende macht of het schoolbestuur ermee instemt, kan het politiek verlof voltijds of deeltijds worden opgeschort als het personeelslid tijdelijk een opdracht in het onderwijs wil opnemen in het kader van het lerarentekort. De opdracht in het onderwijs mag niet uitgeoefend worden bij een inrichtende macht of schoolbestuur waar het personeelslid zelf in het kader van het politiek verlof de bevoegdheid van bestuurder opneemt. De opschorting is niet mogelijk op of na 30 juni van het schooljaar.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 7. § 1er. Le congé pour cause de maladie ou d'infirmité, y compris les accidents du travail, les accidents survenus sur le chemin du travail, les maladies professionnelles, la mise en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité, le congé d'écartement du risque de maladie professionnelle et le congé de protection de la maternité ne mettent pas fin au congé politique.
  Le traitement d'attente ou la subvention-traitement d'attente pour cause de maladie ou d'infirmité est fixé(e) sur la base du dernier traitement d'activité ou de la derniÚre subvention-traitement d'activité.
  § 2. Le congĂ© politique est suspendu dĂšs le moment oĂč le membre du personnel fait valoir le droit Ă une autre forme d'interruption de service qui ne peut pas ĂȘtre refusĂ©e par le pouvoir organisateur ou l'autoritĂ© scolaire.
  [1 Sous rĂ©serve de l'accord du pouvoir organisateur ou de l'autoritĂ© scolaire, le congĂ© politique Ă temps plein ou Ă temps partiel peut ĂȘtre suspendu si le membre du personnel souhaite accepter temporairement une mission dans l'enseignement dans le cadre de la pĂ©nurie d'enseignants. La mission dans l'enseignement ne peut ĂȘtre exercĂ©e auprĂšs d'un pouvoir organisateur ou d'une autoritĂ© scolaire lorsque le membre du personnel assume lui-mĂȘme la compĂ©tence d'administrateur dans le cadre du congĂ© politique. La suspension n'est pas possible Ă partir du 30 juin de l'annĂ©e scolaire. ]1
 Â
  Le traitement d'attente ou la subvention-traitement d'attente pour cause de maladie ou d'infirmité est fixé(e) sur la base du dernier traitement d'activité ou de la derniÚre subvention-traitement d'activité.
  § 2. Le congĂ© politique est suspendu dĂšs le moment oĂč le membre du personnel fait valoir le droit Ă une autre forme d'interruption de service qui ne peut pas ĂȘtre refusĂ©e par le pouvoir organisateur ou l'autoritĂ© scolaire.
  [1 Sous rĂ©serve de l'accord du pouvoir organisateur ou de l'autoritĂ© scolaire, le congĂ© politique Ă temps plein ou Ă temps partiel peut ĂȘtre suspendu si le membre du personnel souhaite accepter temporairement une mission dans l'enseignement dans le cadre de la pĂ©nurie d'enseignants. La mission dans l'enseignement ne peut ĂȘtre exercĂ©e auprĂšs d'un pouvoir organisateur ou d'une autoritĂ© scolaire lorsque le membre du personnel assume lui-mĂȘme la compĂ©tence d'administrateur dans le cadre du congĂ© politique. La suspension n'est pas possible Ă partir du 30 juin de l'annĂ©e scolaire. ]1
 Â
Wijzigingen
Art. 8. Het personeelslid dat gebruik maakt van het recht op deeltijds politiek verlof, ontvangt het salaris of de salaristoelage waarop het recht heeft, rekening houdend met de verminderde prestaties.
Art. 8. Le membre du personnel qui exerce le droit au congé politique à temps partiel, reçoit le traitement auquel ou la subvention-traitement à laquelle il a droit, compte tenu des prestations réduites.
HOOFDSTUK II. - Slotbepalingen.
CHAPITRE II. - Dispositions finales.
Art. 9. De politieke verloven die op verzoek van de personeelsleden toegekend werden tijdens de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 augustus 2006, worden geacht in overeenstemming te zijn met de bepalingen van dit besluit.
Art. 9. Les congĂ©s politiques octroyĂ©s Ă la demande des membres du personnel pendant la pĂ©riode du 1er janvier 2001 au 31 aoĂ»t 2006 inclus, sont censĂ©s ĂȘtre conformes aux dispositions du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 10. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006, met uitzondering van artikel 4, tweede lid, dat in werking treedt op 1 februari 2007.
Art. 10. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© produit ses effets le 1er septembre 2006, Ă l'exception de l'article 4, alinĂ©a deux, qui entre en vigueur le 1er fĂ©vrier 2007.
Art. 11. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 11. Le Ministre flamand qui a l'Enseignement dans ses attributions est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.