Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder :
1° Kind en Gezin : het intern verzelfstandigd agentschap, opgericht bij het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin;
2° kinderdagverblijf : kinderdagverblijf, erkend door Kind en Gezin op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen, gewijzigd bij de besluiten van 10 juli 2001, 14 december 2001, 1 februari 2002, 13 december 2002, 28 maart 2003, 21 november 2003, 20 mei 2005, 27 mei 2005, 30 juni 2006 en 29 september 2006;
3° initiatief : initiatief voor buitenschoolse opvang, erkend door Kind en Gezin op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van initiatieven voor buitenschoolse opvang, gewijzigd bij de besluiten van 25 januari 2002 en 10 oktober 2003;
4° BND-project : project kinderopvang van een buurt- en nabijheidsdienst dat geselecteerd is door de raad van bestuur van Kind en Gezin op basis van het experimentele kader van 26 mei 2004, en dat op basis daarvan in aanmerking komt voor subsidie;
5° voorzieningen : erkende kinderdagverblijven, initiatieven voor buitenschoolse opvang en BND-projecten;
6° lokale dienst : een lokale dienst voor buurtgerichte kinderopvang die als tijdelijk project georganiseerd wordt door een erkend kinderdagverblijf, een initiatief voor buitenschoolse kinderopvang of een BND-project;
7° centrumgemeente : gemeente in het Vlaamse Gewest met meer dan 50 000 inwoners, alsook het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
8° [1 doelgroepwerknemer : voor de werknemer, in een lokale dienst in het Vlaamse Gewest, de werknemer die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, en voor de werknemer, in een lokale dienst in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, de werknemer die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 november 2002 betreffende het stelsel van de gesubsidieerde contractuelen of het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 januari 1998 tot uitvoering van de ordonnantie van 27 november 1997 houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord van 4 maart 1997 tussen de Federale Staat en de gewesten betreffende de doorstromingsprogramma's;]1
9° VDAB : het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding", opgericht bij decreet van 7 mei 2004;
10° SERV : de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen opgericht bij decreet van 27 juni 1985 op de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
11° FCUD : het Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten, ingesteld bij de Rijksdienst voor Kinderbijslag van Werknemers, volgens artikel 107 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gewijzigd door de wet van 22 februari 1998 en door de wet van 25 januari 1999.
12° minister : de Vlaamse minister bevoegd voor de bijstand aan personen.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
30 MAART 2007. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de voorwaarden voor toestemming en subsidiëring van lokale diensten buurtgerichte kinderopvang. (NOTA : raadpleging van vroegere versies vanaf 20-06-2007 en tekstbijwerking tot 27-11-2007)
Titre
30 MARS 2007. - Arrêté du Gouvernement flamand fixant les conditions d'autorisation et de subventionnement de services locaux d'accueil d'enfants de voisinage. (TRADUCTION) (NOTE : consultation des versions antérieures à partir du 20-06-2007 et mise à jour au 27-11-2007)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen.
HOOFDSTUK II. - Voorwaarden.
Afdeling 1. - Algemene voorwaarden.
Afdeling 2. - Specifieke voorwaarden.
Afdeling 3. - Voorwaarden met betrekking tot de...
Afdeling 4. - Voorwaarden met betrekking tot de...
HOOFDSTUK III. - Aanvraag en verlenen van toest...
HOOFDSTUK IV. - Aanvraag van de subsidiëring.
HOOFDSTUK V. - Subsidiebedragen.
HOOFDSTUK VI. - Beroepsprocedure.
HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen.
Inhoud
CHAPITRE Ier. - Dispositions préliminaires.
CHAPITRE II. - Conditions.
Section 1er. - Conditions générales.
Section 2. - Conditions spécifiques.
Section 3. - Conditions relatives aux accompagn...
Section 4. - Conditions relatives à l'infrastru...
CHAPITRE III. - Demande et octroi de l'autorisa...
CHAPITRE IV. - Demande de subventions.
CHAPITRE V. - Montants des subventions.
CHAPITRE VI. - Procédure de recours.
CHAPITRE VII. - Dispositions finales.
Tekst (49)
Texte (49)
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions préliminaires.
Article 1. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° Kind en Gezin : l'agence autonomisée interne, créée par le décret du 30 avril 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique "Kind en Gezin;
";
2° crèche : la crèche agréée par Kind en Gezin en vertu de l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 février 2001 fixant les conditions d'agrément et de subventionnement des garderies et des services pour familles d'accueil, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 10 juillet 2001, 14 décembre 2001, 1er février 2002, 13 décembre 2002, 28 mars 2003, 21 novembre 2003, 20 mai 2005, 27 mai 2005, 30 juin 2006 et 29 septembre 2006;
3° initiative : initiative d'accueil extrascolaire,
4° Projet BND : projet de garde d'enfants d'un service de quartier et de proximité, sélectionné par le conseil d'administration de 'Kind en Gezin' sur la base du cadre expérimental du 26 mai 2004, et admissible aux subventions sur cette base;
5° structures : crèches, initiatives d'accueil extrascolaire et projets BND agréés;
6° service local : un service local d'accueil d'enfants de voisinage, organisé à titre de projet temporaire par une crèche, une initiative d'accueil extrascolaire ou un projet BND agréés;
7° commune centre : commune dans la Région flamande de plus de 50 000 habitants, ainsi que la Région de Bruxelles-Capitale;
8° [1 travailleur de groupe cible : pour le travailleur occupé dans un service local situé en Région flamande, le travailleur qui remplit les conditions fixées dans l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, et pour le travailleur occupé dans un service local situé dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, le travailleur qui répond aux conditions prévues par l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 28 novembre 2002 relatif au régime des contractuels subventionnés ou l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 29 janvier 1998 d'exécution de l'ordonnance du 27 novembre 1997 portant approbation de l'accord de coopération du 4 mars 1997 entre l'Etat fédéral et les Régions concernant les programmes de transition professionnelle;]1
9° VDAB : l'agence autonomisée externe de droit public "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding", créée par le décret du 7 mai 2004;
10° SERV : le "Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen", créé par le décret du 27 juin 1985 sur le Conseil socio-économique de la Flandre;
11° FCUD : le Fonds d'Equipements et de Services collectifs, institué auprès de l'Office national d'Allocations familiales pour travailleurs salariés, en application de l'article 107 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, modifiées par la loi du 22 février 1998 et par la loi du 25 janvier 1999.
12° Ministre : le Ministre flamand ayant l'Assistance aux personnes dans ses attributions.
1° Kind en Gezin : l'agence autonomisée interne, créée par le décret du 30 avril 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique "Kind en Gezin;
";
2° crèche : la crèche agréée par Kind en Gezin en vertu de l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 février 2001 fixant les conditions d'agrément et de subventionnement des garderies et des services pour familles d'accueil, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 10 juillet 2001, 14 décembre 2001, 1er février 2002, 13 décembre 2002, 28 mars 2003, 21 novembre 2003, 20 mai 2005, 27 mai 2005, 30 juin 2006 et 29 septembre 2006;
3° initiative : initiative d'accueil extrascolaire,
4° Projet BND : projet de garde d'enfants d'un service de quartier et de proximité, sélectionné par le conseil d'administration de 'Kind en Gezin' sur la base du cadre expérimental du 26 mai 2004, et admissible aux subventions sur cette base;
5° structures : crèches, initiatives d'accueil extrascolaire et projets BND agréés;
6° service local : un service local d'accueil d'enfants de voisinage, organisé à titre de projet temporaire par une crèche, une initiative d'accueil extrascolaire ou un projet BND agréés;
7° commune centre : commune dans la Région flamande de plus de 50 000 habitants, ainsi que la Région de Bruxelles-Capitale;
8° [1 travailleur de groupe cible : pour le travailleur occupé dans un service local situé en Région flamande, le travailleur qui remplit les conditions fixées dans l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, et pour le travailleur occupé dans un service local situé dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, le travailleur qui répond aux conditions prévues par l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 28 novembre 2002 relatif au régime des contractuels subventionnés ou l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 29 janvier 1998 d'exécution de l'ordonnance du 27 novembre 1997 portant approbation de l'accord de coopération du 4 mars 1997 entre l'Etat fédéral et les Régions concernant les programmes de transition professionnelle;]1
9° VDAB : l'agence autonomisée externe de droit public "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding", créée par le décret du 7 mai 2004;
10° SERV : le "Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen", créé par le décret du 27 juin 1985 sur le Conseil socio-économique de la Flandre;
11° FCUD : le Fonds d'Equipements et de Services collectifs, institué auprès de l'Office national d'Allocations familiales pour travailleurs salariés, en application de l'article 107 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, modifiées par la loi du 22 février 1998 et par la loi du 25 janvier 1999.
12° Ministre : le Ministre flamand ayant l'Assistance aux personnes dans ses attributions.
Wijzigingen
Art. 2. Voorzieningen kunnen een toestemming en een bijbehorende subsidiëring krijgen voor de opvang van kinderen in een lokale dienst volgens de bepalingen van dit besluit.
Art. 2. Les structures peuvent obtenir une autorisation et une subvention pour l'accueil d'enfants dans un service local, conformément aux dispositions du présent arrêté.
HOOFDSTUK II. - Voorwaarden.
CHAPITRE II. - Conditions.
Afdeling 1. - Algemene voorwaarden.
Section 1er. - Conditions générales.
Art. 3. Voorzieningen komen in aanmerking voor toestemming en subsidiëring voor een lokale dienst als ze voor dat aanbod geen subsidies genieten van het FCUD.
Art. 3. Les structures entrent en considération pour une autorisation et une subvention pour un service local, si elles ne reçoivent pas de subventions pour ce service de la part du FCUD.
Art. 4. § 1. De voorziening is gevestigd in een centrumgemeente.
§ 2. Als in elke centrumgemeente een lokale dienst of een BND-project bestaat voor niet-schoolgaande kinderen en een voor schoolgaande kinderen, kan een voorziening gesitueerd in een andere gemeente in aanmerking komen. Die voorziening toont hierbij de nabijheid aan van kwetsbare gezinnen die ondervertegenwoordigd zijn in de kinderopvang.
§ 2. Als in elke centrumgemeente een lokale dienst of een BND-project bestaat voor niet-schoolgaande kinderen en een voor schoolgaande kinderen, kan een voorziening gesitueerd in een andere gemeente in aanmerking komen. Die voorziening toont hierbij de nabijheid aan van kwetsbare gezinnen die ondervertegenwoordigd zijn in de kinderopvang.
Art. 4. § 1er. La structure est située dans une commune centre.
§ 2. S'il existe dans chaque commune centre un service local ou un projet BND pour enfants non en âge scolaire et un autre pour enfants en âge scolaire, une structure située dans une autre commune peut entrer en considération. Cette structure démontre la proximité de ménages vulnérables qui sont sous-représentés dans l'accueil d'enfants.
§ 2. S'il existe dans chaque commune centre un service local ou un projet BND pour enfants non en âge scolaire et un autre pour enfants en âge scolaire, une structure située dans une autre commune peut entrer en considération. Cette structure démontre la proximité de ménages vulnérables qui sont sous-représentés dans l'accueil d'enfants.
Art. 5. Het kinderdagverblijf of het initiatief behoort tot een organiserend bestuur dat minstens 75 erkende opvangplaatsen realiseert of kan aantonen over voldoende competentie en ervaring te beschikken om kwaliteitsvolle kinderopvang voor de doelgroep te organiseren.
Art. 5. La crèche indépendante ou l'initiative relève d'un pouvoir organisateur qui réalise au moins 75 places d'accueil agréées, ou peut démontrer qu'elle dispose d'une compétence et d'une expérience suffisantes pour organiser un accueil d'enfants de qualité pour le groupe cible.
Art. 6. De voorziening beschikt over de nodige kennis en competentie om doelgroepwerknemers te begeleiden.
Art. 6. La structure a les connaissances et la compétence requises pour accompagner des travailleurs de groupes cibles.
Art. 7. De capaciteit van de lokale dienst bedraagt minimaal 10 plaatsen.
Art. 7. La capacité du service local est de 10 places au minimum.
Art. 8. § 1. Een lokale dienst met opvangplaatsen voor niet-schoolgaande kinderen voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikelen 3 en 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen.
§ 2. Een lokale dienst met opvangplaatsen voor niet-schoolgaande kinderen kan in dezelfde lokalen ook kinderen uit het kleuteronderwijs buitenschools opvangen.
§ 3. Een lokale dienst met opvangplaatsen voor schoolgaande kinderen voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 8, § 1, artikel 9, artikel 10 en artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van initiatieven voor buitenschoolse opvang.
§ 4. Een lokale dienst, gekoppeld aan een bestaand BND-project, voldoet aan de voorwaarden voor een attest van toezicht zoals bepaald in het ministerieel besluit van 19 februari 2003 houdende vaststelling van de algemene voorwaarden voor toezicht van Kind en Gezin voor mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven.
§ 2. Een lokale dienst met opvangplaatsen voor niet-schoolgaande kinderen kan in dezelfde lokalen ook kinderen uit het kleuteronderwijs buitenschools opvangen.
§ 3. Een lokale dienst met opvangplaatsen voor schoolgaande kinderen voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 8, § 1, artikel 9, artikel 10 en artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van initiatieven voor buitenschoolse opvang.
§ 4. Een lokale dienst, gekoppeld aan een bestaand BND-project, voldoet aan de voorwaarden voor een attest van toezicht zoals bepaald in het ministerieel besluit van 19 februari 2003 houdende vaststelling van de algemene voorwaarden voor toezicht van Kind en Gezin voor mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven.
Art. 8. § 1er. Un service local disposant de places d'accueil pour enfants non en âge scolaire remplit les conditions énoncées aux articles 3 et 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 février 2001 fixant les conditions d'agrément et de subventionnement des garderies et des services pour familles d'accueil.
§ 2. Un service ayant des places d'accueil pour enfants non en âge scolaire peut assurer, dans les mêmes locaux, l'accueil extrascolaire d'enfants de l'enseignement maternel.
§ 3. Un service local disposant de places d'accueil pour enfants en âge scolaire remplit les conditions énoncées au articles 8, § 1er, 9, 10 et 11 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 février 2001 fixant les conditions d'agrément et de subventionnement des initiatives d'accueil extrascolaires.
§ 4. Un service local, lié à un projet BND existant, remplit les conditions d'un certificat de contrôle telles que fixées à l'arrêté ministériel du 19 février 2003 fixant les conditions générales de contrôle de Kind en Gezin pour les mini-crèches et les crèches indépendantes.
§ 2. Un service ayant des places d'accueil pour enfants non en âge scolaire peut assurer, dans les mêmes locaux, l'accueil extrascolaire d'enfants de l'enseignement maternel.
§ 3. Un service local disposant de places d'accueil pour enfants en âge scolaire remplit les conditions énoncées au articles 8, § 1er, 9, 10 et 11 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 février 2001 fixant les conditions d'agrément et de subventionnement des initiatives d'accueil extrascolaires.
§ 4. Un service local, lié à un projet BND existant, remplit les conditions d'un certificat de contrôle telles que fixées à l'arrêté ministériel du 19 février 2003 fixant les conditions générales de contrôle de Kind en Gezin pour les mini-crèches et les crèches indépendantes.
Afdeling 2. - Specifieke voorwaarden.
Section 2. - Conditions spécifiques.
Art. 9. De lokale dienst realiseert een toegankelijke kinderopvang die laagdrempelig is, respect heeft voor diversiteit, voor een lokale inbedding zorgt en waarin participatie van de doelgroep centraal staat, geconcretiseerd volgens de bepalingen van artikelen 10 tot en met 15 van dit besluit.
Art. 9. Le service local réalise un accueil d'enfants facilement accessible, respectant la diversité, assurant l'intégration locale et centré sur la participation du groupe cible, concrétisé conformément aux dispositions des articles 10 à 15 inclus du présent arrêté.
Art. 10. De lokale dienst bouwt een buurtgerichte kinderopvang uit, met aandacht voor kwetsbare gezinnen die ondervertegenwoordigd zijn in de kinderopvang, en garandeert de toegankelijkheid voor die gezinnen.
Art. 10. Le service local développe un accueil d'enfants de voisinage, s'adressant aux ménages vulnérables qui sont sous-représentés dans l'accueil d'enfants, et en garantit l'accessibilité pour ces ménages.
Art. 11. § 1. De lokale dienst participeert actief aan het Lokaal Overleg Kinderopvang van de gemeente waar hij gevestigd is.
§ 2. Alvorens toestemming te geven kan Kind en Gezin aan het Lokaal Overleg Kinderopvang waar de lokale dienst gevestigd zal zijn of gevestigd is, vragen een opportuniteitsadvies uit te brengen over toestemming en subsidiëring van de lokale dienst.
§ 2. Alvorens toestemming te geven kan Kind en Gezin aan het Lokaal Overleg Kinderopvang waar de lokale dienst gevestigd zal zijn of gevestigd is, vragen een opportuniteitsadvies uit te brengen over toestemming en subsidiëring van de lokale dienst.
Art. 11. § 1er. Le service local participe activement à la concertation locale en matière d'accueil d'enfants de la commune où il est établi.
§ 2. Avant de donner l'autorisation, Kind en Gezin peut demander à la concertation locale en matière d'accueil d'enfants de la commune où le service local est ou sera établi, d'émettre un avis d'opportunité sur l'autorisation et le subventionnement du service local.
§ 2. Avant de donner l'autorisation, Kind en Gezin peut demander à la concertation locale en matière d'accueil d'enfants de la commune où le service local est ou sera établi, d'émettre un avis d'opportunité sur l'autorisation et le subventionnement du service local.
Art. 12. De lokale dienst heeft een specifieke werking die het gebruik van kinderopvang door kwetsbare gezinnen bevordert.
Art. 12. Le service local développe une activité spécifique favorisant l'accueil d'enfants de ménages vulnérables.
Art. 13. De lokale dienst ontwikkelt en gebruikt een methodiek om de participatie van kinderen, gezinnen, personeel en actoren in de buurt bij de werking systematisch en intensief te realiseren.
Art. 13. Le service local développe et applique une méthodique visant à réaliser systématiquement et de manière intensive la participation d'enfants, de ménages, de personnel et d'acteurs du voisinage.
Art. 14. § 1. De lokale dienst kan aantonen welke inspanningen hij levert om vanuit kansengroepen doelgroepwerknemers als begeleiders aan te werven en om hen gelijkwaardige kansen te bieden in de organisatie.
§ 2. De doelgroepwerknemer [1 in een lokale dienst in het Vlaamse Gewest]1 is geslaagd in de door de VDAB georganiseerde voorselectie waarbij nagegaan werd of de kandidaat wil werken met kinderen en hij/zij het groeipotentieel heeft om, na opleiding en begeleiding, te beantwoorden aan het beroepsprofiel begeleider in de kinderopvang of begeleider buitenschoolse opvang, zoals opgesteld door de SERV. Het groeipotentieel wordt getest door minstens na te gaan of de kandidaat over de sleutelvaardigheden uit het voornoemde beroepsprofiel beschikt.
§ 3. De lokale dienst werkt begeleidings- en opleidingstrajecten uit voor zijn personeelsleden uit de kansengroepen. Daardoor beschikt elk personeelslid binnen 4 jaar na indiensttreding over een door de minister goedgekeurd kwalificatieattest.
§ 2. De doelgroepwerknemer [1 in een lokale dienst in het Vlaamse Gewest]1 is geslaagd in de door de VDAB georganiseerde voorselectie waarbij nagegaan werd of de kandidaat wil werken met kinderen en hij/zij het groeipotentieel heeft om, na opleiding en begeleiding, te beantwoorden aan het beroepsprofiel begeleider in de kinderopvang of begeleider buitenschoolse opvang, zoals opgesteld door de SERV. Het groeipotentieel wordt getest door minstens na te gaan of de kandidaat over de sleutelvaardigheden uit het voornoemde beroepsprofiel beschikt.
§ 3. De lokale dienst werkt begeleidings- en opleidingstrajecten uit voor zijn personeelsleden uit de kansengroepen. Daardoor beschikt elk personeelslid binnen 4 jaar na indiensttreding over een door de minister goedgekeurd kwalificatieattest.
Art. 14. § 1er. Le service local peut prouver les efforts qu'il fournit afin d'engager comme accompagnateurs des travailleurs du groupe cible provenant de groupes à potentiel, et de leur offrir des chances équivalentes dans l'organisation.
§ 2. Le travailleur du groupe cible [1 dans un service local situé en Région flamande]1 a réussi à la présélection organisée par le VDAB, vérifiant si le (la) candidat(e) est disposé(e) s'occuper d'enfants et s'il ou elle a le potentiel de croissance pour répondre, après formation et encadrement, au profil professionnel d'accompagnateur dans l'accueil d'enfants ou d'accompagnateur dans l'accueil extrascolaire, tel que déterminé parle SERV. Le potentiel de croissance est testé en vérifiant au moins si le candidat dispose des aptitudes clés du profil professionnel susvisé.
§ 3. Le service local élabore des parcours d'insertion et de formation pour tous ses membres du personnel de groupes cible. Ainsi, chaque membre du personnel dispose, dans les 4 ans de son entrée en service, d'un certificat de qualification délivré par le Ministre.
§ 2. Le travailleur du groupe cible [1 dans un service local situé en Région flamande]1 a réussi à la présélection organisée par le VDAB, vérifiant si le (la) candidat(e) est disposé(e) s'occuper d'enfants et s'il ou elle a le potentiel de croissance pour répondre, après formation et encadrement, au profil professionnel d'accompagnateur dans l'accueil d'enfants ou d'accompagnateur dans l'accueil extrascolaire, tel que déterminé parle SERV. Le potentiel de croissance est testé en vérifiant au moins si le candidat dispose des aptitudes clés du profil professionnel susvisé.
§ 3. Le service local élabore des parcours d'insertion et de formation pour tous ses membres du personnel de groupes cible. Ainsi, chaque membre du personnel dispose, dans les 4 ans de son entrée en service, d'un certificat de qualification délivré par le Ministre.
Wijzigingen
Art. 15. § 1. De lokale dienst hanteert een regeling inzake de financiële bijdrage van de gezinnen die overeenstemt met die van de voorziening waartoe de lokale dienst behoort.
§ 2. De lokale dienst informeert de gezinnen over de mogelijkheid van het toekennen van een sociaal tarief. Het sociaal tarief wordt toegepast als de financiële bijdrage van de gezinnen niet overeenstemt met de financiële draagkracht van het gezin.
§ 3. De lokale dienst hanteert procedures voor de regeling inzake financiële bijdrage van de gezinnen die aangepast zijn aan de doelgroep.
§ 4. De lokale dienst behoudt de geïnde financiële bijdragen van de gezinnen.
§ 2. De lokale dienst informeert de gezinnen over de mogelijkheid van het toekennen van een sociaal tarief. Het sociaal tarief wordt toegepast als de financiële bijdrage van de gezinnen niet overeenstemt met de financiële draagkracht van het gezin.
§ 3. De lokale dienst hanteert procedures voor de regeling inzake financiële bijdrage van de gezinnen die aangepast zijn aan de doelgroep.
§ 4. De lokale dienst behoudt de geïnde financiële bijdragen van de gezinnen.
Art. 15. § 1er. Le service local applique un régime en matière de contribution financière des ménages qui correspond avec celui de la structure dont relève le service local.
§ 2. Le service local informe les familles de la possibilité de l'octroi d'un tarif social. Le tarif social est appliqué lorsque la contribution financière ne correspond pas à l'assise financière du ménage.
§ 3. Le service local utilise des procédures pour le régime en matière de contribution financière des ménages, adaptées au groupe cible.
§ 4. Le service local garde les contributions financières des ménages.
§ 2. Le service local informe les familles de la possibilité de l'octroi d'un tarif social. Le tarif social est appliqué lorsque la contribution financière ne correspond pas à l'assise financière du ménage.
§ 3. Le service local utilise des procédures pour le régime en matière de contribution financière des ménages, adaptées au groupe cible.
§ 4. Le service local garde les contributions financières des ménages.
Art. 16. De lokale dienst registreert de activiteiten en de bereikte groep volgens de richtlijnen van Kind en Gezin en verstrekt de door Kind en Gezin opgevraagde informatie daarover.
Art. 16. Le service local enregistre les activités et le groupe atteint selon les directives de Kind en Gezin, et fournit les informations demandées par Kind en Gezin en la matière.
Art. 17. De voorziening meldt elke wijziging met betrekking tot infrastructuur, openingsuren of openingsperiodes van de lokale dienst aan Kind en Gezin.
Art. 17. La structure communique à Kind en Gezin toute modification relative à l'infrastructure, aux heures d'ouverture ou aux périodes d'ouverture du service local.
Art. 18. § 1. De lokale dienst die gelegen is in het Vlaamse Gewest voldoet aan artikel 3 en 4 van het decreet houdende de lokale diensteneconomie.
§ 2. Voor de toestemming en subsidiëring van een lokale dienst die gelegen is in het Vlaams Gewest is er een gunstig advies vereist van de Vlaamse minister bevoegd voor de Sociale Economie.
§ 2. Voor de toestemming en subsidiëring van een lokale dienst die gelegen is in het Vlaams Gewest is er een gunstig advies vereist van de Vlaamse minister bevoegd voor de Sociale Economie.
Art. 18. § 1er. Le service local situé en Région flamande remplit les articles 3 et 4 du décret relatif à l'économie de services locaux.
§ 2. L'autorisation et le subventionnement d'un service local situé en Région flamande requiert l'avis favorable du Ministre flamand chargé de l'Economie sociale.
§ 2. L'autorisation et le subventionnement d'un service local situé en Région flamande requiert l'avis favorable du Ministre flamand chargé de l'Economie sociale.
Afdeling 3. - Voorwaarden met betrekking tot de begeleiders en leidinggevende.
Section 3. - Conditions relatives aux accompagnateurs et au chef.
Art. 19. Voor de begeleiding gelden de volgende specifieke bepalingen.
1° Er is steeds één begeleider aanwezig per begonnen schijf van 7 aanwezige kinderen tot de leeftijd van 18 maanden, per begonnen schijf van 10 aanwezige kinderen ouder dan 18 maanden tot ze naar school gaan en per begonnen schijf van 14 aanwezige schoolgaande kinderen om de opvang te verzekeren.
2° De begeleider moet minstens 18 jaar oud zijn.
3° De begeleider in een lokale dienst moet een attest, een eindstudiebewijs of diploma hebben van een door de minister erkende opleiding.
4° De begeleider is belast met het opvangen van de kinderen, het uitwerken van de activiteiten en het volgen van de dagelijkse contacten met de gezinnen.
5° Een efficiënte coördinatie van de opvangactiviteiten wordt verzekerd door het realiseren van minimaal een halftijdse leidinggevende functie.
6° De leidinggevende beschikt minstens over een eindstudiebewijs van een met vrucht gevolgde opleiding van een door de minister goedgekeurde aangegeven richting van het hoger niet-universitair onderwijs van één cyclus of van het hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie.
7° De leidinggevende is belast met het volgen van de begeleiders, het organiseren van het teamoverleg en de ouder- en kindparticipatie, het onderhouden van contacten met externen en het plannen en bewaken van de dagelijkse werking.
8° De voorziening heeft een functiebeschrijving voor alle personeelsleden. De leidinggevende en administratieve verantwoordelijkheden, evenals de verantwoordelijkheid voor het kwaliteitsbeleid, worden daarbij omschreven en toegekend.
9° De voorziening voorziet in vorming en bijscholing van het personeel.
10° De begeleiders, de leidinggevenden en de doelgroepwerknemers beschikken over een getuigschrift van goed zedelijk gedrag en een attest van medische geschiktheid.
11° De begeleiders en doelgroepwerknemers hebben binnen twee jaar na indiensttreding een attest van een basisopleiding levensreddend handelen bij kinderen uitgereikt door een expertise- en opleidingscentrum dat daarvoor erkend is door Kind en Gezin.
1° Er is steeds één begeleider aanwezig per begonnen schijf van 7 aanwezige kinderen tot de leeftijd van 18 maanden, per begonnen schijf van 10 aanwezige kinderen ouder dan 18 maanden tot ze naar school gaan en per begonnen schijf van 14 aanwezige schoolgaande kinderen om de opvang te verzekeren.
2° De begeleider moet minstens 18 jaar oud zijn.
3° De begeleider in een lokale dienst moet een attest, een eindstudiebewijs of diploma hebben van een door de minister erkende opleiding.
4° De begeleider is belast met het opvangen van de kinderen, het uitwerken van de activiteiten en het volgen van de dagelijkse contacten met de gezinnen.
5° Een efficiënte coördinatie van de opvangactiviteiten wordt verzekerd door het realiseren van minimaal een halftijdse leidinggevende functie.
6° De leidinggevende beschikt minstens over een eindstudiebewijs van een met vrucht gevolgde opleiding van een door de minister goedgekeurde aangegeven richting van het hoger niet-universitair onderwijs van één cyclus of van het hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie.
7° De leidinggevende is belast met het volgen van de begeleiders, het organiseren van het teamoverleg en de ouder- en kindparticipatie, het onderhouden van contacten met externen en het plannen en bewaken van de dagelijkse werking.
8° De voorziening heeft een functiebeschrijving voor alle personeelsleden. De leidinggevende en administratieve verantwoordelijkheden, evenals de verantwoordelijkheid voor het kwaliteitsbeleid, worden daarbij omschreven en toegekend.
9° De voorziening voorziet in vorming en bijscholing van het personeel.
10° De begeleiders, de leidinggevenden en de doelgroepwerknemers beschikken over een getuigschrift van goed zedelijk gedrag en een attest van medische geschiktheid.
11° De begeleiders en doelgroepwerknemers hebben binnen twee jaar na indiensttreding een attest van een basisopleiding levensreddend handelen bij kinderen uitgereikt door een expertise- en opleidingscentrum dat daarvoor erkend is door Kind en Gezin.
Art. 19. Les dispositions spécifiques suivantes s'appliquent à l'accompagnement :
1° Il y a toujours un accompagnateur par tranche entamée de 7 enfants présents jusqu'à l'âge de 18 mois, par tranche entamée de 10 enfants présents de plus de 18 mois jusqu'à l'âge scolaire, et par tranche entamée de 14 enfants en âge scolaire présents, afin d'assurer l'accueil.
2° L'accompagnateur doit avoir au moins 18 ans.
3° L'accompagnateur occupé dans un service local doit être porteur d'une attestation, d'un certificat de fin d'études ou d'un diplôme d'une formation agréée par le Ministre.
4° L'accompagnateur est chargé de l'accueil des enfants, de l'élaboration des activités et des contacts journaliers avec les familles.
5° Une coordination efficace des activités d'accueil est assurée par la réalisation d'au moins une fonction dirigeante à mi-temps.
6° Le chef est au moins porteur d'un certificat de fin d'études d'une formation suivie avec fruit.
7° Le chef est chargé de surveiller les accompagnateurs, d'organiser la concertation de l'équipe et la participation des parents et des enfants, d'entretenir des contacts avec des externes, et de planifier et de surveiller les activités journalières.
8° La structure a une description de fonction pour tous les membres du personnel. Les responsabilités dirigeantes et administratives, ainsi que la responsabilité de la gestion de la qualité y sont définies et attribuées.
9° La structure pourvoit à la formation et au recyclage du personnel.
10° Les accompagnateurs, les dirigeants et les travailleurs du groupe cible disposent d'un certificat de bonnes vie et moeurs, et d'une attestation d'aptitude médicale.
11° Les accompagnateurs et les travailleurs du groupe cible ont, dans les deux ans de leur entrée en service, une attestation d'une formation de base de sauveteur d'enfants délivrée par un centre d'expertise et de formation agréé à cet effet par Kind en Gezin.
1° Il y a toujours un accompagnateur par tranche entamée de 7 enfants présents jusqu'à l'âge de 18 mois, par tranche entamée de 10 enfants présents de plus de 18 mois jusqu'à l'âge scolaire, et par tranche entamée de 14 enfants en âge scolaire présents, afin d'assurer l'accueil.
2° L'accompagnateur doit avoir au moins 18 ans.
3° L'accompagnateur occupé dans un service local doit être porteur d'une attestation, d'un certificat de fin d'études ou d'un diplôme d'une formation agréée par le Ministre.
4° L'accompagnateur est chargé de l'accueil des enfants, de l'élaboration des activités et des contacts journaliers avec les familles.
5° Une coordination efficace des activités d'accueil est assurée par la réalisation d'au moins une fonction dirigeante à mi-temps.
6° Le chef est au moins porteur d'un certificat de fin d'études d'une formation suivie avec fruit.
7° Le chef est chargé de surveiller les accompagnateurs, d'organiser la concertation de l'équipe et la participation des parents et des enfants, d'entretenir des contacts avec des externes, et de planifier et de surveiller les activités journalières.
8° La structure a une description de fonction pour tous les membres du personnel. Les responsabilités dirigeantes et administratives, ainsi que la responsabilité de la gestion de la qualité y sont définies et attribuées.
9° La structure pourvoit à la formation et au recyclage du personnel.
10° Les accompagnateurs, les dirigeants et les travailleurs du groupe cible disposent d'un certificat de bonnes vie et moeurs, et d'une attestation d'aptitude médicale.
11° Les accompagnateurs et les travailleurs du groupe cible ont, dans les deux ans de leur entrée en service, une attestation d'une formation de base de sauveteur d'enfants délivrée par un centre d'expertise et de formation agréé à cet effet par Kind en Gezin.
Afdeling 4. - Voorwaarden met betrekking tot de infrastructuur.
Section 4. - Conditions relatives à l'infrastructure.
Art. 20. De lokalen van een lokale dienst bevinden zich in dezelfde buurt of gemeente als de lokalen van het kinderdagverblijf of initiatief. De lokalen van een lokale dienst vormen samen met de lokalen van het BND-project één gebouwencomplex.
Art. 20. Les locaux d'un service local se trouvent dans le même quartier ou la même commune que les locaux de la crèche ou de l'initiative. Les locaux d'un service local constituent, avec les locaux du projet BND, un seul complexe immobilier.
Art. 21. De lokalen van de lokale dienst met minder dan 23 plaatsen voor niet-schoolgaande kinderen voldoen inzake brandveiligheid aan de voorwaarden, bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 1 oktober 2004 houdende de brandveiligheid in de mini-crèches.
Art. 21. Les locaux d'un service local de moins de 23 places pour enfants non à l'âge scolaire doivent satisfaire, en matière de prévention contre l'incendie, aux conditions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er octobre 2004 fixant les normes pour la prévention contre l'incendie dans les mini-crèches.
HOOFDSTUK III. - Aanvraag en verlenen van toestemming.
CHAPITRE III. - Demande et octroi de l'autorisation.
Art. 22. § 1. De voorziening vraagt de toestemming voor het organiseren van een lokale dienst aan bij Kind en Gezin.
§ 2. Die aanvraag bevat minstens de volgende elementen :
1° een vestigingsplan waarop de lokalen van respectievelijk het kinderdagverblijf, het initiatief of BND-project en de lokale dienst ten opzichte van elkaar worden gesitueerd;
2° een omschrijving van de opportuniteit van het opzetten van een lokale dienst en de manier waarop men de doelgroep zal proberen te bereiken;
3° een beschrijving van hoe het organiserend bestuur zijn lokale dienst zal realiseren conform de voorwaarden, opgenomen in artikelen 3 tot 21 van dit besluit;
4° een plan op schaal 1/50 van de lokalen voor de lokale dienst met aanduiding van de functie van de lokalen;
5° de geplande startdatum, openingsuren en -periodes, en de beoogde capaciteit.
§ 2. Die aanvraag bevat minstens de volgende elementen :
1° een vestigingsplan waarop de lokalen van respectievelijk het kinderdagverblijf, het initiatief of BND-project en de lokale dienst ten opzichte van elkaar worden gesitueerd;
2° een omschrijving van de opportuniteit van het opzetten van een lokale dienst en de manier waarop men de doelgroep zal proberen te bereiken;
3° een beschrijving van hoe het organiserend bestuur zijn lokale dienst zal realiseren conform de voorwaarden, opgenomen in artikelen 3 tot 21 van dit besluit;
4° een plan op schaal 1/50 van de lokalen voor de lokale dienst met aanduiding van de functie van de lokalen;
5° de geplande startdatum, openingsuren en -periodes, en de beoogde capaciteit.
Art. 22. § 1er. La structure demande auprès de Kind en Gezin l'autorisation d'organiser un service local.
§ 2. La demande comprend au moins les éléments suivants :
1° un plan d'installation situant les locaux de la crèche, l'initiative ou le projet BND et le service local;
2° la définition de l'opportunité de l'établissement d'un service local et de la manière dont on cherchera à atteindre le groupe cible;
3° une description de la manière dont le pouvoir organisateur réalisera son service local conformément aux conditions énoncées aux articles 3 à 21 du présent arrêté;
4° un plan à l'échelle 1/50 des locaux du service local, indiquant la fonction des locaux;
5° la date prévue du début, les heures et périodes d'ouverture, et la capacité envisagée.
§ 2. La demande comprend au moins les éléments suivants :
1° un plan d'installation situant les locaux de la crèche, l'initiative ou le projet BND et le service local;
2° la définition de l'opportunité de l'établissement d'un service local et de la manière dont on cherchera à atteindre le groupe cible;
3° une description de la manière dont le pouvoir organisateur réalisera son service local conformément aux conditions énoncées aux articles 3 à 21 du présent arrêté;
4° un plan à l'échelle 1/50 des locaux du service local, indiquant la fonction des locaux;
5° la date prévue du début, les heures et périodes d'ouverture, et la capacité envisagée.
Art. 23. § 1. Kind en Gezin beslist uiterlijk negentig dagen na ontvangst van de aanvraag over het verlenen van de toestemming aan de voorziening.
§ 2. Een toestemming legt de capaciteit vast van de lokale dienst en de vroegste startdatum van de subsidiëring.
§ 2. Een toestemming legt de capaciteit vast van de lokale dienst en de vroegste startdatum van de subsidiëring.
Art. 23. § 1er. Au plus tard 90 jours de la réception de la demande, Kind en Gezin décide de l'octroi de l'autorisation à la structure.
§ 2. Une autorisation fixe la capacité du service local et la date de départ du subventionnement.
§ 2. Une autorisation fixe la capacité du service local et la date de départ du subventionnement.
Art. 24. De toestemming en de bijbehorende subsidiëring kunnen te allen tijde geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken door Kind en Gezin als :
1° de lokale dienst niet is opgestart binnen een jaar na de startdatum die in de toestemming is bepaald;
2° vastgesteld wordt dat niet langer aan de voorwaarden van artikelen 3 tot 21 wordt voldaan;
3° vastgesteld wordt dat de psychische en fysische integriteit en veiligheid van de opgevangen kinderen niet langer gegarandeerd kan worden.
1° de lokale dienst niet is opgestart binnen een jaar na de startdatum die in de toestemming is bepaald;
2° vastgesteld wordt dat niet langer aan de voorwaarden van artikelen 3 tot 21 wordt voldaan;
3° vastgesteld wordt dat de psychische en fysische integriteit en veiligheid van de opgevangen kinderen niet langer gegarandeerd kan worden.
Art. 24. Kind en Gezin peut en tout temps retirer intégralement ou partiellement l'autorisation et le subventionnement y afférent, si
1° le service local n'a pas démarré dans un an de la date de départ fixée dans l'autorisation;
2° on constate que les conditions des articles 3 à 21 ne sont plus remplies;
3° on constate que l'intégrité et la sécurité physiques et psychiques des enfants accueillis ne peuvent plus être garanties.
1° le service local n'a pas démarré dans un an de la date de départ fixée dans l'autorisation;
2° on constate que les conditions des articles 3 à 21 ne sont plus remplies;
3° on constate que l'intégrité et la sécurité physiques et psychiques des enfants accueillis ne peuvent plus être garanties.
HOOFDSTUK IV. - Aanvraag van de subsidiëring.
CHAPITRE IV. - Demande de subventions.
Art. 25. § 1. Binnen de drie maanden na de startdatum dient de voorziening een aanvraag tot subsidiëring in bij Kind en Gezin.
§ 2. Die aanvraag bevat minstens de volgende elementen :
1° de namen, geboortedata en kwalificaties van het aangestelde personeel;
2° een afschrift van de verzekeringspolissen met betrekking tot de gebouwen, de burgerlijke aansprakelijkheid van personeel en kinderen en de lichamelijke ongevallen van de kinderen;
3° een attest of verslag van de brandweer na controle van de brandveiligheid van het gebouw en de inrichting;
4° de naam van de persoon die door het organiserend bestuur is aangewezen om het dagelijks beleid te coördineren;
5° een model van schriftelijke overeenkomst met de ouders over de opvangvoorwaarden;
§ 2. Die aanvraag bevat minstens de volgende elementen :
1° de namen, geboortedata en kwalificaties van het aangestelde personeel;
2° een afschrift van de verzekeringspolissen met betrekking tot de gebouwen, de burgerlijke aansprakelijkheid van personeel en kinderen en de lichamelijke ongevallen van de kinderen;
3° een attest of verslag van de brandweer na controle van de brandveiligheid van het gebouw en de inrichting;
4° de naam van de persoon die door het organiserend bestuur is aangewezen om het dagelijks beleid te coördineren;
5° een model van schriftelijke overeenkomst met de ouders over de opvangvoorwaarden;
Art. 25. § 1er. Dans les trois mois de la date de départ, la structure sollicite une subvention auprès de Kind en Gezin.
§ 2. La demande comprend au moins les éléments suivants :
1° les noms, dates de naissance et qualifications du personnel engagé;
2° copie des polices d'assurance ayant trait aux bâtiments, à la responsabilité civile du personnel et des enfants, et aux accidents corporels des enfants;
3° une attestation ou un rapport du service d'incendie après contrôle de la sécurité incendie du bâtiment et de l'équipement;
4° le nom de la personne désignée par le pouvoir organisateur pour coordonner la gestion journalière;
5° un modèle de convention écrite avec les parents sur les conditions d'accueil;
§ 2. La demande comprend au moins les éléments suivants :
1° les noms, dates de naissance et qualifications du personnel engagé;
2° copie des polices d'assurance ayant trait aux bâtiments, à la responsabilité civile du personnel et des enfants, et aux accidents corporels des enfants;
3° une attestation ou un rapport du service d'incendie après contrôle de la sécurité incendie du bâtiment et de l'équipement;
4° le nom de la personne désignée par le pouvoir organisateur pour coordonner la gestion journalière;
5° un modèle de convention écrite avec les parents sur les conditions d'accueil;
Art. 26. Binnen een periode van 30 dagen na ontvangst van de aanvraag tot subsidiëring wordt een onderzoek ter plaatse verricht, door de personeelsleden van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004. Binnen de 30 dagen na het inspectiebezoek wordt het inspectieverslag overgemaakt aan Kind en Gezin.
Art. 26. Dans les 30 jours de la réception de la demande de subvention, une inspection sur place est effectuée par les membres du personnel de l'agence autonomisée interne sans personnalité juridique "Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin", créée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 mars 2004. Dans les 30 jours de la visite d'inspection, le rapport d'inspection est remis à Kind en Gezin.
Art. 27. Uiterlijk 60 dagen na ontvangst van het inspectieverslag beslist Kind en Gezin over de toekenning van de subsidiëring.
Art. 27. 60 jours au plus tard de la réception du rapport d'inspection, Kind en Gezin décide de l'octroi de la subvention.
HOOFDSTUK V. - Subsidiebedragen.
CHAPITRE V. - Montants des subventions.
Art. 28. § 1. Het forfaitaire subsidiebedrag voor de voorschoolse opvang bedraagt op jaarbasis 8.164,96 euro per plaats.
§ 2. Het forfaitaire subsidiebedrag voor de buitenschoolse opvang bedraagt op jaarbasis 6.046,08 euro per plaats.
§ 3. Het forfaitaire subsidiebedrag, vermeld in § 1, is het basisbedrag dat geldt voor minimaal 200 openingsdagen en voor minimaal 9 openingsuren per dag, en wordt verhoudingsgewijs verlaagd als niet aan deze minima voldaan is.
§ 4. Het forfaitaire subsidiebedrag, vermeld in § 2, is het basisbedrag dat geldt voor minimaal 200 openingsdagen en voor minimaal 9 openingsuren op vakantiedagen, voor minimaal 5 uur op woensdagmiddagen en voor 2 openingsuren op schooldagen. Het wordt verhoudingsgewijs verlaagd als niet aan die minima voldaan is.
§ 5. [1 Een aanvullende subsidie in het kader van de werkdrukvermindering wordt toegekend, naar rato van de arbeidsprestaties, voor elk door Kind en Gezin gesubsidieerd personeelslid (1VTE) in de erkende kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders, voor elke coördinator en elke kindbegeleider in de initiatieven voor buitenschoolse opvang, voor elke door Kind en Gezin gesubsidieerde begeleider in de buitenschoolse opvang in aparte lokalen in kinderdagverblijven, voor de door Kind en Gezin gesubsidieerde personeelsleden binnen het experimentele kader van projecten voor kinderopvang in buurt- en nabijheidsdiensten en in lokale diensten van buurtgerichte opvang, voor de personeelsleden met een gewezen DAC-statuut en voor elk door Kind en Gezin gesubsidieerd personeelslid in een gemandateerde voorziening.
Die aanvullende subsidie wordt voor ieder werkingsjaar apart berekend op basis van specifieke bedragen zoals vastgesteld in de begroting, voor alle opvangvoorzieningen.
Voor een vzw geldt het volgende : op 1 januari van het subsidiejaar in kwestie wordt nagegaan hoeveel personeelsleden in voorzieningen, georganiseerd door een vzw, in aanmerking komen. Voor de personeelsleden met een gescostatuut in initiatieven voor buitenschoolse opvang wordt de ondersteuning beperkt tot het gedeelte dat niet in de gescopremie opgenomen is. Het vastgestelde bedrag wordt omgerekend per voltijds personeelslid, waarbij de volgende voorwaarden gelden :
1° een personeelslid dat 45 jaar is of ouder maar jonger dan 50 jaar telt voor één eenheid;
2° een personeelslid dat 50 jaar is of ouder maar jonger dan 55 jaar telt voor twee eenheden;
3° een personeelslid dat 55 jaar is of ouder telt voor drie eenheden.
Voor een openbaar bestuur geldt het volgende : op 1 januari van het subsidiejaar in kwestie wordt voor elk gesubsidieerd personeelslid (1 VTE) in kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders, georganiseerd door een openbaar bestuur, een forfaitair subsidiebedrag werkdrukvermindering uitgetrokken. Voor gesubsidieerde plaatsen op 1 januari van het subsidiejaar in kwestie binnen een initiatief voor buitenschoolse opvang of een buitenschoolse opvang, verbonden aan een kinderdagverblijf, georganiseerd door een openbaar bestuur, geldt de volgende omzettingsregel : 1 plaats betekent 0,040 fractie van het vastgestelde subsidiebedrag werkdrukvermindering per VTE voor een initiatief voor buitenschoolse opvang en 1 plaats betekent 0,125 fractie van de vastgestelde werkdrukvermindering per VTE voor een plaats binnen een buitenschoolse opvang, verbonden aan een kinderdagverblijf. Voor een plaats in een buurt- en nabijheidsdienst en een lokale dienst van buurtgerichte opvang geldt de volgende omzettingsregel : 1 plaats in een lokale dienst voor voorschoolse opvang komt overeen met 0,175 VTE, 1 plaats buitenschools komt overeen met 0,125 VTE. Voor de gemandateerde voorziening, georganiseerd door een openbaar bestuur, wordt per VTE daartoe door Kind en Gezin gesubsidieerd personeelslid een forfaitair bedrag toegekend.]1
§ 2. Het forfaitaire subsidiebedrag voor de buitenschoolse opvang bedraagt op jaarbasis 6.046,08 euro per plaats.
§ 3. Het forfaitaire subsidiebedrag, vermeld in § 1, is het basisbedrag dat geldt voor minimaal 200 openingsdagen en voor minimaal 9 openingsuren per dag, en wordt verhoudingsgewijs verlaagd als niet aan deze minima voldaan is.
§ 4. Het forfaitaire subsidiebedrag, vermeld in § 2, is het basisbedrag dat geldt voor minimaal 200 openingsdagen en voor minimaal 9 openingsuren op vakantiedagen, voor minimaal 5 uur op woensdagmiddagen en voor 2 openingsuren op schooldagen. Het wordt verhoudingsgewijs verlaagd als niet aan die minima voldaan is.
§ 5. [1 Een aanvullende subsidie in het kader van de werkdrukvermindering wordt toegekend, naar rato van de arbeidsprestaties, voor elk door Kind en Gezin gesubsidieerd personeelslid (1VTE) in de erkende kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders, voor elke coördinator en elke kindbegeleider in de initiatieven voor buitenschoolse opvang, voor elke door Kind en Gezin gesubsidieerde begeleider in de buitenschoolse opvang in aparte lokalen in kinderdagverblijven, voor de door Kind en Gezin gesubsidieerde personeelsleden binnen het experimentele kader van projecten voor kinderopvang in buurt- en nabijheidsdiensten en in lokale diensten van buurtgerichte opvang, voor de personeelsleden met een gewezen DAC-statuut en voor elk door Kind en Gezin gesubsidieerd personeelslid in een gemandateerde voorziening.
Die aanvullende subsidie wordt voor ieder werkingsjaar apart berekend op basis van specifieke bedragen zoals vastgesteld in de begroting, voor alle opvangvoorzieningen.
Voor een vzw geldt het volgende : op 1 januari van het subsidiejaar in kwestie wordt nagegaan hoeveel personeelsleden in voorzieningen, georganiseerd door een vzw, in aanmerking komen. Voor de personeelsleden met een gescostatuut in initiatieven voor buitenschoolse opvang wordt de ondersteuning beperkt tot het gedeelte dat niet in de gescopremie opgenomen is. Het vastgestelde bedrag wordt omgerekend per voltijds personeelslid, waarbij de volgende voorwaarden gelden :
1° een personeelslid dat 45 jaar is of ouder maar jonger dan 50 jaar telt voor één eenheid;
2° een personeelslid dat 50 jaar is of ouder maar jonger dan 55 jaar telt voor twee eenheden;
3° een personeelslid dat 55 jaar is of ouder telt voor drie eenheden.
Voor een openbaar bestuur geldt het volgende : op 1 januari van het subsidiejaar in kwestie wordt voor elk gesubsidieerd personeelslid (1 VTE) in kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders, georganiseerd door een openbaar bestuur, een forfaitair subsidiebedrag werkdrukvermindering uitgetrokken. Voor gesubsidieerde plaatsen op 1 januari van het subsidiejaar in kwestie binnen een initiatief voor buitenschoolse opvang of een buitenschoolse opvang, verbonden aan een kinderdagverblijf, georganiseerd door een openbaar bestuur, geldt de volgende omzettingsregel : 1 plaats betekent 0,040 fractie van het vastgestelde subsidiebedrag werkdrukvermindering per VTE voor een initiatief voor buitenschoolse opvang en 1 plaats betekent 0,125 fractie van de vastgestelde werkdrukvermindering per VTE voor een plaats binnen een buitenschoolse opvang, verbonden aan een kinderdagverblijf. Voor een plaats in een buurt- en nabijheidsdienst en een lokale dienst van buurtgerichte opvang geldt de volgende omzettingsregel : 1 plaats in een lokale dienst voor voorschoolse opvang komt overeen met 0,175 VTE, 1 plaats buitenschools komt overeen met 0,125 VTE. Voor de gemandateerde voorziening, georganiseerd door een openbaar bestuur, wordt per VTE daartoe door Kind en Gezin gesubsidieerd personeelslid een forfaitair bedrag toegekend.]1
Art. 28. § 1er. Le montant de subvention forfaitaire pour l'accueil préscolaire est de 8164,96 euros par place sur une base annuelle.
§ 2. Le montant de subvention forfaitaire pour l'accueil extrascolaire est de 6046,08 euros par place sur une base annuelle.
§ 3. Le montant de subvention forfaitaire mentionné au § 1er est le montant de base valable pour 200 jours d'ouverture au minimum et 9 heures d'ouverture par jour au minimum, et est diminué proportionnellement si ces minimums ne sont pas atteints.
§ 4. Le montant de subvention forfaitaire mentionné au § 2 est le montant de base valable pour 200 jours d'ouverture au minimum et 9 heures d'ouverture au minimum les jours de congé, pour 5 heures au minimum le mercredi après-midi et pour 2 heures d'ouverture les jours de classe. Le montant est diminué proportionnellement si ces minimums ne sont pas atteints.
§ 5. [1 Il est octroyé une subvention additionnelle au prorata des prestations de travail, dans le cadre de la réduction de la pression du travail, pour chaque membre du personnel subventionné par 'Kind en Gezin' (1ETP) dans les crèches et les services pour parents d'accueil agréés, pour chaque coordinateur et accompagnateur d'enfants dans l'accueil extrascolaire, pour chaque accompagnateur subventionné par Kind en Gezin' dans l'accueil extrascolaire dans des locaux séparés dans des crèches, pour les membres du personnel subventionnés par "Kind en Gezin" dans le cadre expérimental de projets de garde d'enfants dans des services de quartier et de proximité et des services locaux d'accueil d'enfants de voisinage, pour les membres du personnel dans un ancien statut TCT, et pour chaque membre du personnel subventionné par "Kind en Gezin" dans une structure mandatée.
Cette subvention additionnelle est calculée pour chaque année d'activité séparément, sur la base de montants spécifiques tels que fixés dans le budget.
Les dispositions suivantes s'appliquent aux a.s.b.l. : le 1er janvier de l'année en question, il est vérifié combien de membres du personnel des structures organisées par une a.s.b.l. sont admissibles. Pour les membres du personnel des initiatives d'accueil extrascolaire ayant le statut de contractuel subventionné, l'appui est limité à la part qui n'est pas comprise dans la prime du contractuel subventionné. Le montant fixé est calculé par membre de personnel à temps plein, étant entendu que :
1° un membre du personnel ayant 45 ans ou plus mais moins de 50 ans compte pour une unité;
2° un membre du personnel ayant 50 ans ou plus mais moins de 55 ans compte pour deux unités;
3° un membre du personnel ayant 55 ans ou plus compte pour trois unités.
Les dispositions suivantes s'appliquent à une administration publique : le 1er janvier de l'année de subvention en question, il est prévu pour chaque membre du personnel subventionné (1ETP) des garderies et des services pour familles d'accueil organisés par une administration publique, un montant de subvention forfaitaire dans le cadre de la réduction de la pression du travail. La règle de conversion suivante s'applique aux places subventionnées au 1er janvier de l'année en question dans une initiative d'accueil extrascolaire ou un accueil extrascolaire lié à une crèche organisée par une administration publique : 1 place représente une fraction 0,040 du montant de subvention fixé pour réduction de la pression du travail par ETP pour une initiative d'accueil extrascolaire, et 1 place représente une fraction 0,125 de la réduction de la pression du travail fixée par ETP pour une place dans le cadre de l'accueil extrascolaire liée à une crèche. La règle de conversion suivante s'applique à une place dans un service de quartier et de proximité et un service local d'accueil d'enfants de voisinage : 1 place dans un service local d'accueil préscolaire égale 0,175 ETP; 1 place d'accueil extrascolaire égale 0,125 ETP. Pour la structure mandatée, organisée par une administration publique, il est octroyé un montant forfaitaire par ETP subventionné par 'Kind en Gezin'.]1
§ 2. Le montant de subvention forfaitaire pour l'accueil extrascolaire est de 6046,08 euros par place sur une base annuelle.
§ 3. Le montant de subvention forfaitaire mentionné au § 1er est le montant de base valable pour 200 jours d'ouverture au minimum et 9 heures d'ouverture par jour au minimum, et est diminué proportionnellement si ces minimums ne sont pas atteints.
§ 4. Le montant de subvention forfaitaire mentionné au § 2 est le montant de base valable pour 200 jours d'ouverture au minimum et 9 heures d'ouverture au minimum les jours de congé, pour 5 heures au minimum le mercredi après-midi et pour 2 heures d'ouverture les jours de classe. Le montant est diminué proportionnellement si ces minimums ne sont pas atteints.
§ 5. [1 Il est octroyé une subvention additionnelle au prorata des prestations de travail, dans le cadre de la réduction de la pression du travail, pour chaque membre du personnel subventionné par 'Kind en Gezin' (1ETP) dans les crèches et les services pour parents d'accueil agréés, pour chaque coordinateur et accompagnateur d'enfants dans l'accueil extrascolaire, pour chaque accompagnateur subventionné par Kind en Gezin' dans l'accueil extrascolaire dans des locaux séparés dans des crèches, pour les membres du personnel subventionnés par "Kind en Gezin" dans le cadre expérimental de projets de garde d'enfants dans des services de quartier et de proximité et des services locaux d'accueil d'enfants de voisinage, pour les membres du personnel dans un ancien statut TCT, et pour chaque membre du personnel subventionné par "Kind en Gezin" dans une structure mandatée.
Cette subvention additionnelle est calculée pour chaque année d'activité séparément, sur la base de montants spécifiques tels que fixés dans le budget.
Les dispositions suivantes s'appliquent aux a.s.b.l. : le 1er janvier de l'année en question, il est vérifié combien de membres du personnel des structures organisées par une a.s.b.l. sont admissibles. Pour les membres du personnel des initiatives d'accueil extrascolaire ayant le statut de contractuel subventionné, l'appui est limité à la part qui n'est pas comprise dans la prime du contractuel subventionné. Le montant fixé est calculé par membre de personnel à temps plein, étant entendu que :
1° un membre du personnel ayant 45 ans ou plus mais moins de 50 ans compte pour une unité;
2° un membre du personnel ayant 50 ans ou plus mais moins de 55 ans compte pour deux unités;
3° un membre du personnel ayant 55 ans ou plus compte pour trois unités.
Les dispositions suivantes s'appliquent à une administration publique : le 1er janvier de l'année de subvention en question, il est prévu pour chaque membre du personnel subventionné (1ETP) des garderies et des services pour familles d'accueil organisés par une administration publique, un montant de subvention forfaitaire dans le cadre de la réduction de la pression du travail. La règle de conversion suivante s'applique aux places subventionnées au 1er janvier de l'année en question dans une initiative d'accueil extrascolaire ou un accueil extrascolaire lié à une crèche organisée par une administration publique : 1 place représente une fraction 0,040 du montant de subvention fixé pour réduction de la pression du travail par ETP pour une initiative d'accueil extrascolaire, et 1 place représente une fraction 0,125 de la réduction de la pression du travail fixée par ETP pour une place dans le cadre de l'accueil extrascolaire liée à une crèche. La règle de conversion suivante s'applique à une place dans un service de quartier et de proximité et un service local d'accueil d'enfants de voisinage : 1 place dans un service local d'accueil préscolaire égale 0,175 ETP; 1 place d'accueil extrascolaire égale 0,125 ETP. Pour la structure mandatée, organisée par une administration publique, il est octroyé un montant forfaitaire par ETP subventionné par 'Kind en Gezin'.]1
Wijzigingen
Art. 29. De lokale dienst kan boven de forfaitaire subsidiebedragen, vermeld in dit besluit, een aanvullend subsidiebedrag krijgen voor een deel van de loonkosten van doelgroepwerknemers die een begeleidersfunctie opnemen, met een maximum van 1.500 euro per plaats als de lokale dienst twee voltijdse equivalenten doelgroepwerknemers tewerkstelt per 10 opvangplaatsen. Dat bedrag wordt verhoudingsgewijs verlaagd als er minder doelgroepwerknemers worden tewerkgesteld.
Art. 29. Le service local peut obtenir, en sus des montants de subvention forfaitaires, un montant de subvention supplémentaire pour une partie des coûts salariaux de travailleurs de groupe cible qui assument une fonction d'accompagnateur, jusqu'à un montant maximum de 1.500 euros par place, si le service local occupe deux travailleurs de groupe cible à temps plein par 10 places d'accueil. Ce montant est réduit proportionnellement si moins de travailleurs de groupe cible sont occupés.
Art. 29bis. [1 De lokale dienst in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad kan boven op de forfaitaire subsidiebedragen en het aanvullende subsidiebedrag een omkaderingspremie krijgen van maximaal 12.000 euro op jaarbasis. Daarvoor moet de lokale dienst minimaal één doelgroepwerknemer in een begeleidende functie in dienst nemen.
De omkaderingspremie wordt aantoonbaar ingezet om de begeleidings- en opleidingstrajecten voor de doelgroepwerknemers te ontwikkelen en te organiseren.]1
De omkaderingspremie wordt aantoonbaar ingezet om de begeleidings- en opleidingstrajecten voor de doelgroepwerknemers te ontwikkelen en te organiseren.]1
Art. 29bis. [1 Le service local situé dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale peut obtenir, en sus des montants de subvention forfaitaire et du montant de subvention supplémentaire, une prime d'encadrement plafonnée à 12.000 euros sur base annuelle, A cet effet, le service local doit engager au moins un travailleur de groupe cible dans une fonction d'accompagnement.
La prime d'encadrement est affectée de manière démontrable au développement et à l'organisation des parcours d'accompagnement et de formation des travailleurs du groupe cible.]1
La prime d'encadrement est affectée de manière démontrable au développement et à l'organisation des parcours d'accompagnement et de formation des travailleurs du groupe cible.]1
Art. 30. De subsidie wordt uitbetaald op basis van een evenredige verdeling over de kwartalen, telkens in de eerste maand van een kwartaal.
Art. 30. La subvention est liquidée sur la base d'une répartition proportionnelle sur les trimestres, et chaque fois dans le premier mois d'un trimestre.
HOOFDSTUK VI. - Beroepsprocedure.
CHAPITRE VI. - Procédure de recours.
Art. 31. De voorziening kan beroep aantekenen bij Kind en Gezin tegen :
1° de gehele of gedeeltelijke weigering van toestemming;
2° de weigering van subsidiëring;
3° de intrekking van toestemming.
1° de gehele of gedeeltelijke weigering van toestemming;
2° de weigering van subsidiëring;
3° de intrekking van toestemming.
Art. 31. La structure peut introduire un recours auprès de Kind en Gezin contre :
1° le refus total ou partiel de l'autorisation;
2° le refus de subventions;
3° le retrait de l'autorisation.
1° le refus total ou partiel de l'autorisation;
2° le refus de subventions;
3° le retrait de l'autorisation.
Art. 32. Het ingediende beroep schorst de beslissing niet.
Art. 32. Le recours ne suspend pas la décision.
Art. 33. Kind en Gezin beschikt over een termijn van 45 kalenderdagen vanaf het indienen van het beroep om een beslissing te nemen.
Kind en Gezin brengt de voorziening op de hoogte van de genomen beslissing, uiterlijk 30 dagen na de beslissing.
Kind en Gezin brengt de voorziening op de hoogte van de genomen beslissing, uiterlijk 30 dagen na de beslissing.
Art. 33. Kind en Gezin dispose d'un délai de 45 jours calendaires pour prendre une décision, à compter de la formation du recours.
Kind en Gezin informe la structure de la décision prise, au plus tard 30 jours de la décision.
Kind en Gezin informe la structure de la décision prise, au plus tard 30 jours de la décision.
HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen.
CHAPITRE VII. - Dispositions finales.
Art. 34. De toestemming en de subsidiëring vermeld in artikel 28 en artikel 29 is mogelijk binnen de perken van de voor de lokale diensten beschikbare middelen op de begroting.
Art. 34. L'autorisation et l'octroi de subventions visés aux articles 28 et 29 sont possibles dans les limites des fonds budgétaires disponibles pour les services locaux.
Art. 35. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2007 en houdt op van kracht te zijn op 31 december 2007.
Art. 35. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2007 et cessera de produire ses effets le 31 décembre 2007.
Art. 36. De toestemming voor BND-projecten en lokale diensten houdt op van kracht te zijn op 31 december 2007. Een verlenging kan toegestaan worden conform een besluit van de Vlaamse Regering na een evaluatie van de BND-projecten.
Art. 36. L'autorisation de projets BND et de services locaux cesse d'être en vigueur le 31 décembre 2007. Une prorogation peut être accordée conformément à un arrêté du Gouvernement flamand après évaluation des projets BND.
Art. 37. De Vlaamse minister, bevoegd voor de Bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 30 maart 2007.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
Y. LETERME
De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin,
I. VERVOTTE
De Vlaamse Minister van Mobiliteit, Sociale Economie en Gelijke Kansen,
K. VAN BREMPT.
Brussel, 30 maart 2007.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
Y. LETERME
De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin,
I. VERVOTTE
De Vlaamse Minister van Mobiliteit, Sociale Economie en Gelijke Kansen,
K. VAN BREMPT.
Art. 37. Le Ministre flamand qui a l'Assistance aux personnes dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Bruxelles, le 30 mars 2007.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
Y. LETERME
La Ministre flamande du Bien-être, de la Santé publique et de la Famille,
I. VERVOTTE
La Ministre flamande de la Mobilité, de l'Economie sociale et de l'Egalité des Chances,
K. VAN BREMPT.
Bruxelles, le 30 mars 2007.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
Y. LETERME
La Ministre flamande du Bien-être, de la Santé publique et de la Famille,
I. VERVOTTE
La Ministre flamande de la Mobilité, de l'Economie sociale et de l'Egalité des Chances,
K. VAN BREMPT.