Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
8 DECEMBER 2006. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het onderhoud en het nazicht van [centrale] stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater <BVR2013-03-01/22, art. 33, 005; Inwerkingtreding : 03-05-2013> (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 27-04-2007 en tekstbijwerking tot 25-06-2024)
Titre
8 DECEMBRE 2006. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage [central] pour le chauffage de bâtiments ou pour la production d'eau chaude utilitaire. (Traduction) <AGF2013-03-01/22, art. 33, 005; En vigueur : 03-05-2013> (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 27-04-2007 et mise à jour au 25-06-2024)
Documentinformatie
Numac: 2007035507
Datum: 2006-12-08
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2007035507
Date: 2006-12-08
Moniteur: Voir
Tekst (64)
Texte (64)
HOOFDSTUK I. - Draagwijdte en definities.
CHAPITRE Ier. - Portée et définitions.
Artikel 1. Toepassingsgebied.
  De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op de centrale stooktoestellen die in hoofdzaak gebruikt worden voor het verwarmen van gebouwen [1 en optioneel]1 voor het aanmaken van warm verbruikswater.
  
Article 1. Champ d'application.
  Les dispositions du présent arrêté s'appliquent aux appareils de chauffage central utilisés principalement pour le chauffage de bâtiments [1 et, opotionnellement]1 pour la production d'eau chaude utilitaire.
  
Art. 2. Definities.
  Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° de minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu;
  2° [9 ...]9
  3° titel I van het Vlarem : het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning;
  4° titel II van het Vlarem : het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;
  5° [3 de [4 toezichthouder]4 : de toezichthouder, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, die het toezicht uitoefent op de toepassing van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging;]3
  6° stooktoestel : technisch toestel waarin vaste, vloeibare of gasvormige brandstof verbrand wordt om de gegenereerde warmte te gebruiken voor [5 ruimteverwarming en optioneel]5 voor de aanmaak van warm verbruikswater;
  7° [5 stooktoestel aangesloten als type B (open stooktoestel): een stooktoestel aangesloten op een rookgasafvoerkanaal, waarbij de verbrandingslucht ontnomen wordt uit het stooklokaal;]5
  8° [5 stooktoestel aangesloten als type C (gesloten stooktoestel): een stooktoestel, waarvan de verbrandingskamer gesloten is ten opzichte van het stooklokaal. De leidingen voor de aanvoer van de verbrandingslucht en de afvoer van de rookgassen en het eindstuk vormen een geheel met het toestel;]5
  9° centraal stooktoestel : een stooktoestel met een centrale stookketel, en, optioneel, een aparte brander, waarbij de gegenereerde warmte via een geleid en gekanaliseerd transportsysteem gedistribueerd wordt naar meerdere, afzonderlijke ruimten [5 waar deze warmte aangewend wordt om het binnenklimaat van de betreffende ruimte te conditioneren]5 en, optioneel, naar een voorziening voor de productie van warm verbruikswater;
  10° nieuw centraal stooktoestel : een centraal stooktoestel dat na de inwerkingtreding van dit besluit een van onderstaande handelingen heeft ondergaan :
  a) het stooktoestel werd voor het eerst in gebruik genomen;
  b) de ketel of brander van het stooktoestel werd vervangen;
  c) het stooktoestel werd verbouwd;
  d) het stooktoestel werd verplaatst.
  11° bestaand centraal stooktoestel : een centraal stooktoestel dat niet beantwoordt aan de definitie van een nieuw centraal stooktoestel;
  12° gasvormige brandstof : elke brandstof die bij een temperatuur van 15 °C onder een druk van 1 bar (0,1 MPa) in een gasvormige toestand verkeert;
  13° gastoestel : een centraal stooktoestel, gevoed met gasvormige brandstof;
  14° categorie : categorie waartoe een gastoestel behoort naargelang de gebruikte gasvormige brandstof en de technologische kenmerken, overeenkomstig de Europese norm EN 437 en addendum 1 - 1993;
  15° [5 ...]5
  16° [5 ...]5
  17° [5 ...]5
  18° [5 rookgasafvoerkanaal]5 : constructie, bedoeld voor het afvoeren van de rookgassen;
  19° stooklokaal : het lokaal waarin het stooktoestel zich bevindt;
  20° bouwjaar : Het bouwjaar van het toestel, bepaald uit de informatie vermeld op de kenplaat van de ketel of brander. Indien geen kenplaat aanwezig is of indien de kenplaat onleesbaar is, dan wordt het bouwjaar van het toestel afgeleid uit de factuur van plaatsing, uit het keuringsrapport of uit de technische documentatie van de ketel. Indien het bouwjaar van de ketel verschilt van het bouwjaar van de brander, wordt het bouwjaar van het stooktoestel gelijkgesteld aan het bouwjaar van de ketel;
  21° rookgassen (of verbrandingsproducten) : de gasvormige uitstoot van een stooktoestel als resultaat van de verbranding, met daarin vaste, vloeibare en gasvormige emissies;
  22° controleproeven omtrent de goede werking : de controleproeven, beschreven in bijlage I bij dit besluit;
  23° rookindex : maat voor de zwarting van de rookgassen van een stooktoestel, gevoed met vloeibare brandstof; het getal dat met de rookindexpomp wordt gemeten tijdens de controleproeven omtrent de goede staat van werking;
  24° verbrandingsrendement : het verbrandingsrendement, berekend volgens de formule van Siegert;
  25° code van goede praktijk : een geheel van geschreven en publiek toegankelijke regels over de bouw, de plaatsing, de aansluiting, het gebruik en het onderhoud van stooktoestellen, met inbegrip van de toepasselijke productnormen en de algemeen aanvaarde regels van goed vakmanschap bij de beroepscategorieën in kwestie. Als code van goede praktijk gelden in elk geval :
  a) de toepasselijke bepalingen in Belgische wetten en koninklijke besluiten, en in Vlaamse decreten en besluiten;
  b) de bij het Belgisch Instituut voor Normalisatie geregistreerde toepasselijke normen;
  c) de toepasselijke Europese normen;
  d) de regels, uitgegeven door de beroepsfederaties van de fabrikanten en distributeurs van stooktoestellen.
  Bij tegenstrijdigheden is de opgegeven volgorde bepalend;
  26° [2 erkende technicus vloeibare brandstof : een technicus erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor verbrandingscontrole en onderhoud van centrale stooktoestellen, gevoed met vloeibare brandstof;]2
  27° [2 erkend opleidingscentrum vloeibare brandstof : een opleidingscentrum erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake vloeibare brandstof;]2
  28° [2 erkende technicus gasvormige brandstof : een technicus erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor verbrandingscontrole en onderhoud van centrale stooktoestellen, gevoed met gasvormige brandstof;]2
  29° [2 erkend opleidingscentrum gasvormige brandstof : een opleidingscentrum erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake gasvormige brandstof;]2
  30° [2 [10 ...]10;]2
  31° [2 [10 ...]10;]2
  32° [7 reinigingsattest: het attest dat opgemaakt wordt na het beëindigen van de reinigingsbeurt van het centrale stooktoestel of het rookgasafvoerkanaal;]7
  33° [7 verbrandingsattest: het attest dat opgemaakt wordt na de verbrandingscontrole van het centrale stooktoestel;]7
  34° [7 keuringsrapport: het rapport dat opgemaakt wordt na de keuring voor de eerste ingebruikname van het centrale stooktoestel;]7
  35° [8 [10 ...]10;]8
  36° [3 ...]3
  37° schoorsteenveger : persoon, die vakbekwaam is in het reinigen en controleren van [5 het rookgasafvoerkanaal]5 van een stooktoestel;
  38° [5 geschoolde]5 vakman : persoon die vakbekwaam is in het onderhouden van een centraal stooktoestel, gevoed met vaste brandstof;
  39° [1 energieaudit : audit uitgevoerd conform het besluit van de Vlaamse Regering van 11 januari 2008 houdende de invoering van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen bij verkoop en verhuur en de uitvoering van de energieaudit;]1
  [3 40° gebouw : een overdekte constructie met muren waarvoor energie gebruikt wordt om het binnenklimaat te regelen;
   41° nominaal vermogen : het maximale verwarmingsvermogen, uitgedrukt in kW, dat door de fabrikant voor continu gebruik is aangegeven en gegarandeerd, waarbij het door hem aangegeven nuttig rendement wordt gehaald.]3

  [5 42° [7 niet-premix-brander: een brander waarbij maar een deel van de verbrandingslucht gemengd wordt met de brandstof vóór de aanvang van de verbranding;]7]5
  [5 43° [7 premix-brander: een brander waarbij alle verbrandingslucht gemengd wordt met de brandstof vóór de aanvang van de verbranding;]7]53
  [5 44° [7 ketel met ventilatorbrander: een ketel met brander die los van de verwarmingsketel verkocht mag worden, waarbij de verbrandingslucht wordt aangevoerd met behulp van een ventilator. De ketel beantwoordt aan de norm EN 676 voor gasvormige brandstoffen en aan de norm EN 267 voor vloeibare brandstoffen;]7]5
  [5 [7 toestel type B1: toestel type B uitgerust met een valwindafleider/trekonderbreker, dat zijn verbrandingslucht haalt uit het lokaal waar het geplaatst is en dat aangesloten dient te worden op een leiding voor de afvoer voor verbrandingsgassen met natuurlijke trek.]7]5
  
Art. 2. Définitions.
  Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
  1° le Ministre : le Ministre flamand compétent pour l'environnement;
  2° [9 ...]9
  3° titre Ier du Vlarem; l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 février 1991 fixant le règlement flamand relatif à l'autorisation écologique;
  4° titre II du Vlarem; l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement;
  5° [3 l' [4 autorité de contrôle]4 : le surveillant, visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, qui est chargé de la surveillance de l'application de la loi du 28 décembre 1964 relative à la lutte contre la pollution atmosphérique;]3
  6° appareil de chauffage : appareil technique dans lequel sont brûlés des combustibles solides, liquides ou gazeux afin d'utiliser la chaleur générée pour le [5 chauffage d'espaces et, optionnellement,]5 pour la production d'eau chaude utilitaire;
  7° appareil de chauffage type B (chaudière ouverte) : [5 un appareil de chauffage raccordé à un canal d'évacuation des gaz de combustion, prenant l'air de combustion du local de chauffe;]5
  8° appareil de chauffage type C (chaudière fermée) : [5 appareil de chauffage dont la chambre de combustion est fermée par rapport au local de chauffe. Les conduits amenant l'air de combustion et évacuant les gaz de combustion et l'about forment un ensemble avec la chaudière;]5
  9° appareil de chauffage central : un appareil de chauffage comportant une chaudière centrale, et, optionnellement, un brûleur séparé, dans lequel la chaleur est distribuée par un système de transport guidé et canalisé vers différents espaces séparés, et, optionnellement, vers une installation de production d'eau chaude utilitaire;
  10° nouvel appareil de chauffage central : un appareil de chauffage central ayant subi les modifications suivantes après l'entrée en vigueur du présent arrêté :
  a) l'appareil de chauffage a été mis en service pour la première fois;
  b) la chaudière ou le brûleur ont été remplacés;
  c) l'appareil de chauffage a été modifié;
  d) l'appareil de chauffage a été déplacé.
  11° appareil de chauffage central existant : un appareil de chauffage qui ne répond pas à la définition d'un nouvel appareil de chauffage;
  12° combustible gazeux : tout combustible étant sous forme gazeuse à une température de 15 °C à une pression de 1 bar (0,1 MPa);
  13° appareil à gaz : un appareil de chauffage central, alimenté par combustibles gazeux;
  14° catégorie : catégorie à laquelle appartient un appareil à gaz selon le combustible gazeux utilisé et selon les caractéristiques technologiques, conformément à la Norme européenne EN 437 et addendum 1 - 1993;
  15° [5 ...]5
  16° [5 ...]5
  17° [5 ...]5
  18° [5 canal d'évacuation des gaz de combustion]5: construction destinée à évacuer les gaz de fumée;
  19° local de chauffe : le local dans lequel se trouve l'appareil de chauffage;
  20° année de construction : l'année de construction de l'appareil, déterminée par l'information mentionnée sur la plaque signalétique de la chaudière ou du brûleur, lorsqu'il n y a pas de plaque signalétique ou lorsqu'elle est illisible, l'année de construction de l'appareil est définie par déduction des informations sur la facture concernant son installation, du rapport de l'inspection ou de la documentation technique de la chaudière. Lorsque l'année de construction de la chaudière diffère de l'année de construction du brûleur, l'année de construction de la chaudière est assimilée à l'année de construction du brûleur;
  21° gaz de fumée (ou produits de combustion) : les émissions gazeuses d'un appareil de chauffage résultant de la combustion, contenant des émissions solides, liquides et gazeuses;
  22° essais de contrôle du bon fonctionnement : les essais de contrôle décrits à l'annexe Ire au présent arrêté;
  23° indice fumée : mesure du noircissement des gaz de fumée d'un appareil de chauffage, alimenté par combustibles liquides; le nombre mesuré à l'aide dune pompe d'indice fumée pendant les essais de contrôle relatifs au bon fonctionnement;
  24° rendement de combustion : le rendement de combustion, calculé suivant la formule de Siegert;
  25° code de bonne pratique : un ensemble de règles écrites accessibles au public sur la construction, l'installation, le raccordement, l'utilisation et l'entretien d'appareils de chauffage y compris les normes de produit appropriées et les règles généralement acceptées de bonne connaissance du métier dans les catégories professionnelles concernées. Comme code de bonne pratique valent en tout cas :
  a) les dispositions appropriées des lois belges et des arrêtés royaux et des décrets et arrêtés flamands;
  b) les normes appropriées enregistrées auprès de l'Institut belge de Normalisation;
  c) les normes européennes appropriées;
  d) les règles, publiées par les fédérations professionnelles des fabricants et des distributeurs des appareils de chauffage.
  En cas de contradiction, l'ordre mentionné est déterminant;
  26° [2 technicien agréé en combustibles liquides : un technicien agréé conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement, pour le contrôle de la combustion et l'entretien d'appareils de chauffage central, alimentés en combustibles liquides;]2
  27° [2 centre de formation agréé en combustibles liquides : un centre de formation agréé conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement, pour la délivrance du certificat de compétence et de perfectionnement en matière de combustibles liquides;]2
  28° [2 technicien agréé en combustibles gazeux : un technicien agréé conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement, pour le contrôle de la combustion et l'entretien d'appareils de chauffage central, alimentés en combustibles gazeux;]2
  29° [2 centre de formation en combustibles gazeux agréé : un centre de formation agréé conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement, pour la délivrance du certificat de compétence et de perfectionnement en matière de combustibles liquides;]2
  30° [2 [10 ...]10;]2
  31° [2 [10 ...]10;]2
  32° [7 attestation de nettoyage : l'attestation établie après une opération de nettoyage de l'appareil de chauffage central ou du conduit d'évacuation des gaz de fumée ;]7
  33° [7 attestation de combustion : l'attestation établie après le contrôle de combustion de l'appareil de chauffage central ;]7
  34° [7 rapport d'inspection : le rapport établi après l'inspection précédant la première mise en service de l'appareil de chauffage central ;]7
  35° [8 [10 ...]10 ;]8
  36° [3 ...]3
  37° ramoneur : personne, professionnellement apte à nettoyer et à contrôler [5 le conduit d'évacuation des gaz de combustion]5 d'un appareil de chauffage;
  38° ouvrier spécialiste qualifié : personne, professionnellement apte à entretenir un appareil de chauffage central, alimenté par des carburants solides;
  39° [1 audit énergétique : audit effectué conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 11janvier 2008 instaurant le certificat de performance énergétique pour bâtiments résidentiels en cas de vente et de location et portant l'exécution de l'audit énergétique;]1
  [3 40° bâtiment : une construction couverte avec des murs pour laquelle de l'énergie est utilisée afin de régler le climat intérieur;
   41° puissance nominale : la puissance de chauffage maximale, exprimée en kW, fixée et garantie par le fabricant comme pouvant être fournie en marche continue tout en respectant les rendements utiles annoncés par le constructeur.]3

  [5 42° [7 brûleur sans prémélange : un brûleur dans lequel seule une partie de l'air de combustion est mélangée avec le combustible avant le début de la combustion ;]7]5
  [5 43° [7 brûleur à prémélange : un brûleur dans lequel tout l'air de combustion est mélangé avec le combustible avant le début de la combustion ;]7]5
  [5 44° [7 haudière avec brûleur à ventilateur : une chaudière avec brûleur qui peut être vendu séparément de la chaudière, l'alimentation en air de combustion étant assurée par un ventilateur. La chaudière répond à la norme EN 676 pour les combustibles gazeux et à la norme EN 267 pour les combustibles liquides ;]7]5
  [5 45°[7 appareil de type B1 : appareil de type B, équipé d'un coupe-tirage antirefouleur, qui prélève l'air de combustion dans le local où il est installé et destiné à être raccordé à un conduit d'évacuation des gaz de combustion à tirage naturel.]7]5
  
Art. 3. Wijzigingsbevoegdheid.
  De minister kan de bepalingen opgenomen in de bijlagen bij dit besluit wijzigen.
Art. 3. Compétence de modification.
  Le Ministre peut modifier les dispositions reprises aux annexes au présent arrêté.
HOOFDSTUK II. - Goede en veilige staat van werking van een centraal stooktoestel.
CHAPITRE II. - Bon état et fonctionnement en toute sécurité d'un appareil de chauffage central.
Art. 4. Goede en veilige staat van werking van een centraal stooktoestel, gevoed met vloeibare brandstof.
  § 1. Een centraal stooktoestel, gevoed met vloeibare brandstof, wordt geacht in goede staat van werking te zijn, indien het zo is afgesteld dat :
  1° [3 geen spoor van brandstof, rokende roetdeeltjes of samengeklonterde gesuspendeerde deeltjes zichtbaar is op het filterpapier dat gebruikt wordt om de rookindex van de verbrandingsgassen te bepalen, wat kan blijken uit een gele verkleuring van het filterpapier of een afzetting van zwarte deeltjes;]3
  2° [2 ...]2 in het rookgasafvoerkanaal [2 ...]2 geen condensatie optreedt, tenzij het ervoor is voorzien;
  3° [3 voldaan is aan de in de volgende tabel weergegeven eisen voor de rookindex van de rookgassen, het gehalte aan koolstofmonoxide (CO) van de rookgassen en het verbrandingsrendement op basis van de onderste verbrandingswaarde van de brandstof (Hi). De metingen moeten worden uitgevoerd wanneer het toestel op bedrijfstemperatuur is.
Art. 4. Bon état et fonctionnement en toute sécurité d'un appareil de chauffage central, alimenté par des combustibles liquides.
  § 1. Un appareil de chauffage central, alimenté par des combustibles liquides est supposé être en bon état de fonctionnement, lorsqu'il est réglé de sorte :
  1° [3 qu'aucune trace de combustible, de fumerons ou d'agglutinats ne soit visible sur le papier-filtre utilisé pour déterminer l'indice de noircissement des fumées des gaz de combustion, qui peuvent se traduire par un jaunissement du papier-filtre ou un dépôt de particules noirâtres ;]3
  2° qu'aucune condensation n'apparaisse dans la cheminée (pour un appareil de chauffage type B) ou dans le conduit d'évacuation des gaz de fumée [2 ...]2, sauf si elle est équipée à cet effet;
  3° [3 qu'il soit satisfait aux exigences mentionnées dans le tableau ci-dessous pour l'indice de noircissement des gaz de fumée, la teneur en monoxyde de carbone (CO) des gaz de fumée et le rendement de combustion sur la base du pouvoir calorifique inférieur du combustible (Hi). Les mesures doivent être effectuées lorsque l'appareil est à température de service.
 maximale rookindex (Bacharach) maximaal CO-gehalte (mg/kWh) minimaal verbrandingsrendement (Hi) (%)
centraal stooktoestel gevoed met vloeibare brandstof 1 150 90
maximale rookindex (Bacharach) maximaal CO-gehalte (mg/kWh) minimaal verbrandingsrendement (Hi) (%)centraal stooktoestel gevoed met vloeibare brandstof 1 150 90
]3
  De berekening van het gehalte aan koolstofmonoxide (CO) gebeurt zoals aangegeven in bijlage II bij dit besluit.
  [3 ...]3
  § 2. [2 Een centraal stooktoestel aangesloten als type B, gevoed met vloeibare brandstof, wordt geacht in veilige staat van werking te zijn als:
  1° [1 het rookgasafvoerkanaal volgens de code van goede praktijk geplaatst werd [3 en de goede werking ervan altijd verzekerd is,]3 en]1 in het rookgasafvoerkanaal steeds voldoende lage druk heerst voor een vlotte afvoer van de rookgassen. Voor centrale stooktoestellen waarbij de rookgassen worden afgevoerd op basis van natuurlijke trek betekent dit een druk van minstens -5 Pa bij werking bij normale weersomstandigheden;
  2° het stooklokaal voldoende verlucht is en er voldoende aanvoer is van verbrandingslucht. Voor stooktoestellen met een vermogen kleiner dan 70 kW betekent dit een lage en hoge verluchting met een nuttige (onbelemmerde) oppervlakte van respectievelijk minstens 3 cm2/kW nominaal geïnstalleerd stooktoestelvermogen en 1 cm2/kW nominaal geïnstalleerd stooktoestelvermogen, welke beiden niet kleiner mogen zijn dan 50 cm2, als er geen andere waarden bepaald zijn in de code van goede praktijk. Voor stooktoestellen met een vermogen groter dan of gelijk aan 70 kW betekent dit een verluchting met een nuttige (onbelemmerde) oppervlakte van minstens 150 cm2 per 17,5 kW nominaal geïnstalleerd stooktoestelvermogen, als er geen andere waarde bepaald is in de code van goede praktijk.]2

  § 3. [2 Een centraal stooktoestel aangesloten als type C, gevoed met vloeibare brandstof, wordt geacht in veilige staat van werking te zijn als :
  1° de rookgasafvoerende delen geplaatst zijn volgens de code van goede praktijk, en de goede werking en de dichtheid ervan steeds verzekerd zijn;
  2° de ventilatie van het stooklokaal in overeenstemming is met de code van goede praktijk.]2

  
 indice fumée maximal (Bacharach) teneur maximale en CO (mg/kWh) rendement de combustion minimal (Hi) (%)
appareil de chauffage central alimenté par un combustible liquide 1 150 90
indice fumée maximal (Bacharach) teneur maximale en CO (mg/kWh) rendement de combustion minimal (Hi) (%)appareil de chauffage central alimenté par un combustible liquide 1 150 90
]3
  Le calcul de la teneur en monoxyde de carbone (CO) se fait tel qu'indiqué dans l'annexe II au présent arrêté.
  [3 ...]3
  § 2. [2 Un appareil de chauffage central raccordé comme type B, alimenté par des combustibles liquides est supposé être en bon état de fonctionnement;
  1° [3 lorsque le conduit d'évacuation des gaz de fumée a été installé selon le code de bonne pratique, que le bon fonctionnement en est toujours assuré et qu'il règne toujours à l'intérieur du conduit d'évacuation des gaz de fumée une pression suffisamment faible pour faciliter l'évacuation aisée des gaz de fumée]3. Cela implique une pression d'au moins -5 Pa dans des conditions climatiques normales pour les appareils de chauffage central dans lesquels les gaz de combustion sont évacués sur la base du tirage naturel;
  2° lorsque le local de chauffe est suffisamment aéré et lorsqu'il y suffisamment d'apport d'air de combustion. Pour les appareils de chauffage d'une puissance inférieure à 70 kW, cela implique une ventilation basse et haute avec une superficie utile (non entravée) respective d'au moins 3 cm2/kW de puissance nominale installée de l'appareil de chauffage et de 1 cm2/kW de puissance nominale installée de l'appareil de chauffage, les deux ne pouvant être inférieures à 50 cm2, lorsqu'aucune autre valeur n'a été déterminée sur la base du code de bonnes pratiques. Pour les appareils de chauffage avec une puissance supérieure ou égale à 70 kW, cela implique une ventilation avec une superficie utile (non entravée) d'au moins 150 cm2 par 17,5 kW de puissance nominale installée de l'appareil de chauffage, lorsqu'aucune autre valeur n'a été déterminée sur la base du code de bonnes pratiques.]2

  § 3. [2 Un appareil de chauffage central raccordé comme type C, alimenté par des combustibles liquides est supposé étre en bon état de fonctionnement :
  1° lorsque les parties évacuant les gaz de combustion sont placées selon le code de bonnes pratiques et que le bon fonctionnement et l'étanchéité de celles-ci en sont toujours assurés;
  2° la ventilation du local de chauffe est conforme au code de bonnes pratiques.]2

  
Art. 5. Goede en veilige staat van werking centraal stooktoestel, gevoed met gasvormige brandstof.
  § 1. Een centraal stooktoestel [2 ...]2, gevoed met gasvormige brandstof, wordt geacht in goede staat van werking te zijn als het zo afgesteld is dat :
  1° er geen condensatie optreedt in [2 het rookgasafvoerkanaal]2, tenzij het ervoor is voorzien;
  2° [3 voldaan is aan de in de volgende tabel weergegeven eisen voor het gehalte aan koolstofmonoxide (CO) in de rookgassen en het verbrandingsrendement op basis van de onderste verbrandingswaarde van de brandstof (Hi). De metingen worden uitgevoerd wanneer het toestel op bedrijfstemperatuur is.
Art. 5. Bon état et fonctionnement en toute sécurité d'un appareil de chauffage central, alimenté par des combustibles gazeux.
  § 1. Un appareil de chauffage central, alimenté par des combustibles gazeux est supposé être en bon état de fonctionnement, lorsqu'il est réglé de sorte :
  1° qu'aucune condensation n'apparaisse dans [2 le conduit d'évacuation des gaz de combustion]2, sauf si elle est équipée à cet effet;
  2° [3 qu'il soit satisfait aux exigences mentionnées dans le tableau ci-dessous pour la teneur en monoxyde de carbone (CO) des gaz de fumée et le rendement de combustion sur la base du pouvoir calorifique inférieur du combustible (Hi). Les mesures sont effectuées lorsque l'appareil est à température de service.
centraal stooktoestel gevoed met gasvormige brandstof maximaal CO-gehalte (mg/kWh) minimaal verbrandingsrendement (Hi) (%)
B1-toestellen 150 88
niet B1-toestellen 150 90
centraal stooktoestel gevoed met gasvormige brandstof maximaal CO-gehalte (mg/kWh) minimaal verbrandingsrendement (Hi) (%)B1-toestellen 150 88niet B1-toestellen 150 90
]3
  [3 ...]3
  [3 ...]3
  De berekening van het gehalte aan koolstofmonoxide (CO) gebeurt zoals aangegeven in bijlage II bij dit besluit. Het CO-gehalte is de onverdunde waarde of de waarde bij 0 % restzuurstof. [3 ...]3.
  [3 ...]3
  § 2. Een centraal stooktoestel [2 aangesloten als]2 type B, gevoed met gasvormige brandstof, wordt geacht in veilige staat van werking te zijn als :
  1° [2 [1 het rookgasafvoerkanaal volgens de code van goede praktijk geplaatst werd [3 en de goede werking ervan altijd verzekerd is,]3 en]1 in het rookgasafvoerkanaal steeds voldoende lage druk heerst voor een vlotte afvoer van de rookgassen. Voor centrale stooktoestellen waarbij de rookgassen worden afgevoerd op basis van natuurlijke trek betekent dit een druk van minstens -3 Pa bij werking bij normale weersomstandigheden. Bij een druk tussen -3 Pa en -5 Pa wordt dit als opmerking op het reinigings- en verbrandingsattest vermeld;]2
  2° het stooklokaal voldoende verlucht is en er voldoende aanvoer is van verbrandingslucht; dit betekent een verluchting in overeenstemming met de code van goede praktijk;
  3° de dichtheid van de toevoerleidingen van de gasvormige brandstof altijd verzekerd is.
  § 3. [2 ...]2
  § 4. Een centraal stooktoestel [2 aangesloten als]2 type C, gevoed met gasvormige brandstof, wordt geacht in veilige staat van werking te zijn indien :
  1° [2 de rookgasafvoerende delen geplaatst zijn volgens de code van goede praktijk, en de goede werking en de dichtheid ervan steeds verzekerd zijn;]2
  2° de dichtheid van de toevoerleiding van de gasvormige brandstof steeds [2 verzekerd is;]2
  [2 3°de ventilatie van het stooklokaal in overeenstemming is met de code van goede praktijk.]2
  
appareil de chauffage central alimenté par un combustible gazeux teneur maximale en CO (mg/kWh) rendement de combustion minimal (Hi) (%)
appareils B1 150 88
appareils non B1 150 90
appareil de chauffage central alimenté par un combustible gazeux teneur maximale en CO (mg/kWh) rendement de combustion minimal (Hi) (%)appareils B1 150 88appareils non B1 150 90
]3
  [3 ...]3
  [3 ...]3
  Le calcul de la teneur en monoxyde de carbone (CO) se fait tel qu'indiqué dans l'annexe II au présent arrêté. La teneur en CO est égale à la valeur non diluée ou la valeur à 0 % d'oxygène résiduaire. [3 ...]3.
  [3 ...]3
  § 2. Un appareil de chauffage central [2 raccordés comme]2 type B, alimenté par des combustibles gazeux est supposé être en bon état de fonctionnement :
  1° [2 [3 lorsque le conduit d'évacuation des gaz de fumée a été installé selon le code de bonne pratique, que le bon fonctionnement en est toujours assuré et qu'il règne toujours à l'intérieur du conduit d'évacuation des gaz de fumée une pression suffisamment faible pour faciliter l'évacuation aisée des gaz de fumée.]3. Cela implique une pression d'au moins -3 Pa dans des conditions climatiques normales pour les appareils de chauffage central dans lesquelles les gaz de combustion sont évacués sur la base du tirage naturel. Si la pression est située entre -3 Pa et -5 Pa. elle est indiquée en remarque dans le certificat de nettoyage et de combustion;]2
  2° lorsque le local de chauffe est suffisamment aéré et lorsqu'il y suffisamment d'apport d'air de combustion, ce qui implique une aération qui est conforme au code de bonne pratique;
  3° lorsque l'étanchéité des conduits d'alimentation du combustible gazeux est toujours assurée.
  § 3. [2 ...]2
  § 4. Un appareil de chauffage central [2 raccordé comme type]2 type C, alimenté par des combustibles gazeux, est supposé être en bon état de fonctionnement :
  1° [2 lorsque les parties évacuant les gaz de combustion sont placées selon le code de bonnes pratiques et que le bon fonctionnement et l'étanchéité de celles-ci en sont toujours assurés;]2
  2° lorsque l'étanchéité du conduit d'alimentation du combustible gazeux est [2 toujours assurée;]2.
  [2 3° la ventilation du local de chauffe est conforme au code de bonnes pratiques.]2
  
Art. 6. Goede en veilige staat van werking centraal stooktoestel, gevoed met vaste brandstof.
  § 1. Een centraal stooktoestel, gevoed met vaste brandstof, wordt geacht in goede staat van werking te zijn, indien het voldoet aan de voorwaarde dat het slechts zelden en op kortstondige wijze hinderlijke en milieuverontreinigende rook verspreidt.
  § 2. Een centraal stooktoestel, gevoed met vaste brandstof, wordt geacht in veilige staat van werking te zijn, indien :
  1° [2 [3 het rookgasafvoerkanaal volgens de code van goede praktijk geplaatst is en de goede werking ervan altijd verzekerd is, en]3 in het rookgasafvoerkanaal]2 steeds [2 een voldoende lage druk]2 heerst voor een vlotte afvoer van de rookgassen, overeenkomstig de [1 code van goede praktijk]1;
  2° het lokaal waarin het centrale stooktoestel staat voldoende verlucht is, en er voldoende aanvoer is van verbrandingslucht, dit betekent volgens de code van goede praktijk.
  
Art. 6. Bon état et fonctionnement en toute sécurité d'un appareil de chauffage central, alimenté par des combustibles solides.
  § 1. Un appareil de chauffage central, alimenté par des combustibles solides, est supposé être en bon état de fonctionnement, lorsqu'il est répond à la condition qu'il n'émet que rarement et très brièvement de la fumée polluante incommodante.
  § 2. Un appareil de chauffage central, alimenté par des combustibles solides, est supposé être en bon état de fonctionnement :
  1° [3 lorsque le conduit d'évacuation des gaz de fumée a été installé selon le code de bonne pratique, que le bon fonctionnement en est toujours assuré et qu'il règne toujours à l'intérieur du conduit d'évacuation des gaz de fumée une pression suffisamment faible pour faciliter l'évacuation aisée des gaz de fumée]3;
  2° lorsque le local de chauffe dans lequel se trouve l'appareil de chauffage central, est suffisamment aéré et lorsqu'il y a suffisamment d'apport d'air de combustion. Ceci implique suivant le code de bonne pratique.
  
HOOFDSTUK III. - Verplichtingen van de gebruiker en de eigenaar van een centraal stooktoestel.
CHAPITRE III. - Obligations de l'utilisateur et du propriétaire de l'appareil de chauffage central.
Art. 7. Keuring voor de eerste ingebruikname van een nieuw centraal stooktoestel.
  § 1. De eigenaar van een nieuw centraal stooktoestel zorgt ervoor dat de goede en veilige staat van werking van het toestel, vóór de ingebruikname door de gebruiker, gekeurd wordt.
  [1 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is de eigenaar van een nieuw centraal stooktoestel gevoed met gasvormige brandstof dat in gebruik werd genomen vóór 1 juni 2010, niet verplicht tot keuring voor eerste ingebruikname.]1
  § 2. Bij een centraal stooktoestel, gevoed met vloeibare of gasvormige brandstof, wordt de keuring, bedoeld onder § 1, uitgevoerd door respectievelijk een erkende technicus vloeibare brandstof en een erkende technicus gasvormige brandstof. In geval van een centraal stooktoestel, gevoed met vaste brandstof, kan eveneens een [2 geschoolde]2 vakman de keuring, bedoeld onder § 1, uitvoeren.
  § 3. Een nieuw centraal stooktoestel mag enkel in gebruik genomen worden als het keuringsrapport dat uitdrukkelijk toestaat. Als het keuringsrapport ontbreekt, dan wordt het centrale stooktoestel geacht niet te voldoen aan de bepalingen van dit besluit en dan mag het niet in gebruik worden genomen.
  
Art. 7. Inspection avant la première mise en service d'un nouvel appareil de chauffage central.
  § 1. Le propriétaire d'un nouvel appareil de chauffage central s'assure que le bon état de fonctionnement en toute sécurité de l'appareil soit inspecté avant son utilisation par l'utilisateur.
  [1 En dérogation aux dispositions de l'alinéa premier, le propriétaire d'un nouvel appareil de chauffage central, alimenté par des combustibles gazeux et mis en service avant le 1er juin 2010, n'est pas obligé de le faire contrôler avant la première mise en service.]1
  § 2. En cas d'un appareil central de chauffage, alimenté par des combustibles liquides ou gazeux, l'inspection, visée sous le § 1er, est exécutée par respectivement un technicien agréé en combustibles liquides et un technicien agréé en combustibles gazeux. En cas d'un appareil central de chauffage, alimenté par des combustibles solides, un ouvrier qualifié peut également exécuter l'inspection visée au § 1er.
  § 3. Un nouvel appareil central de chauffage ne peut être mis en service que lorsque le rapport d'inspection le permet explicitement. A défaut du rapport d'inspection, le nouvel appareil central de chauffage est réputé ne pas répondre aux dispositions du présent arrêté et ne peut pas être mis en service.
  
Art. 8. Gebruik en onderhoud van een centraal stooktoestel.
  De gebruiker van een centraal stooktoestel moet :
  1° uitsluitend de brandstof gebruiken waarvoor dit toestel gebouwd en afgesteld is;
  2° het nodige doen om dit toestel steeds in goede en veilige staat van werking te houden;
  3° de gebruikersinstructies van de fabrikant van het centrale stooktoestel respecteren;
  4° Het centraal stooktoestel periodiek een onderhoudsbeurt laten geven in overeenstemming met de bepalingen in onderstaande tabel :
Art. 8. Utilisation et entretien d'un appareil central de chauffage.
  L'utilisateur d'un appareil central de chauffage doit :
  1° exclusivement utiliser le combustible pour lequel l'appareil a été construit et réglé;
  2° faire le nécessaire pour en tout temps maintenir cet appareil en bon état de marche en toute sécurité;
  3° respecter les instructions d'utilisation du fabricant de l'appareil de chauffage central;
  4° permettre un entretien périodique de l'appareil de chauffage central conformément aux dispositions du tableau ci-dessous :
Centraal stooktoestel
  gevoed met
Nominaal vermogen VOnderhoudsfrequentieOnderhoud moet wordenuitgevoerd door
Vaste brandstofAlleJaarlijksgeschoold vakman
Vloeibare brandstof> of = 20 kWJaarlijkserkende technicus vloeibare brandstof
[1 Gasvormige brandstof> of = 20 kWTwee-jaarlijkserkend technicus gasvormige brandstof
  gasketels met niet-premix- of premixbrander : niveau GI of GII,
  gasketels met ventilatorbrander : niveau GII]1
(1)<BVR 2016-03-18/19, art. 197, 006; Inwerkingtreding : 05-09-2016>
Centraal stooktoestel
  gevoed metNominaal vermogen VOnderhoudsfrequentieOnderhoud moet wordenuitgevoerd doorVaste brandstofAlleJaarlijksgeschoold vakmanVloeibare brandstof> of = 20 kWJaarlijkserkende technicus vloeibare brandstof[1 Gasvormige brandstof> of = 20 kWTwee-jaarlijkserkend technicus gasvormige brandstof
  gasketels met niet-premix- of premixbrander : niveau GI of GII,
  gasketels met ventilatorbrander : niveau GII]1
(1)
Appareil
  de chauffage central alimenté par
Puissance nominale VFréquence d'entretienL'entretien doit être exécuté par
Combustibles solidesTousAnnuellementouvrier spécialiste qualifié
Combustibles liquides> ou = 20 kWAnnuellementtechnicien agréé en combustibles liquides
[1 Combustibles gazeux> ou = 20 kWTous les deux anstechnicien agrée en combustibles gazeux
  chaudières à gaz à brûleur à prémélange ou non :
  niveau GI ou GII,
  chaudière à gaz à brûleur ventilé :
  niveau GII]1
(1)<AGF 2016-03-18/19, art. 197, 006; En vigueur : 05-09-2016>
Appareil
  de chauffage central alimenté parPuissance nominale VFréquence d'entretienL'entretien doit être exécuté parCombustibles solidesTousAnnuellementouvrier spécialiste qualifiéCombustibles liquides> ou = 20 kWAnnuellementtechnicien agréé en combustibles liquides[1 Combustibles gazeux> ou = 20 kWTous les deux anstechnicien agrée en combustibles gazeux
  chaudières à gaz à brûleur à prémélange ou non :
  niveau GI ou GII,
  chaudière à gaz à brûleur ventilé :
  niveau GII]1
(1)
  [2 (NOTA : wijziging aan tabel niet opgenomen, zie B.St. van 24-09-2014, p. 75265)]2
  [2 (modification du tableau non intégrable, voir M.B. 24-09-2014, p. 75929)]2
  De tijd tussen twee opeenvolgende onderhoudsbeurten mag niet langer zijn dan de weergegeven onderhoudsfrequentie, vermeerderd met 3 maanden. [1 Die vermeerdering verstoort de onderhoudsfrequentie, vermeld in het eerste lid, niet.]1
  Het reinigen en het controleren van [2 het rookgasafvoerkanaal]2 mag steeds door een schoorsteenveger uitgevoerd worden;
  [1 Als bij de onderhoudsbeurt, vermeld in artikel 13, [2 het rookgasafvoerkanaal]2 gereinigd en gecontroleerd moet worden, zal dat voorafgaand aan de reinigingsbeurt van het centrale stooktoestel gebeuren. Als de technicus de reiniging en controle van [2 het rookgasafvoerkanaal]2 niet zelf uitvoert, zal het reinigingsattest daarvan aan de erkende technicus worden voorgelegd.]1
  5° zodanig stoken dat de hinder en de uitstoot aan verontreinigende stoffen zo klein mogelijk is.
  
  L'intervalle entre deux entretiens consécutifs ne peut pas excéder la fréquence d'entretien indiquée, majorée de 3 mois. [1 Cette majoration ne perturbe pas la fréquence d'entretien, visée à l'alinéa premier.]1
  Le nettoyage et l'inspection de la cheminée peuvent toujours être exécutés par un ramoneur;
  [1 Lorsque la cheminée doit être nettoyée et contrôlée lors de l'entretien, visé à l'article 13, cela aura lieu préalablement au nettoyage de l'appareil de chauffage central. Lorsque le technicien n'exécute pas le nettoyage et le contrôle de la cheminée lui-même, l'attestation de nettoyage en sera présentée au technicien agréé.]1
  5° chauffer de sorte que l'émission de polluants est la moindre possible.
  
Art. 10. Wegwerken van tekortkomingen.
  § 1. [1 Als na de keuring vóór de eerste ingebruikname uit het keuringsrapport blijkt dat een verbouwing of een aanpassing van het centrale stooktoestel, het stooklokaal of het rookgasafvoerkanaal noodzakelijk is, omdat de goede en veilige staat van werking onvoldoende gegarandeerd is, dan mag het toestel niet in gebruik worden genomen en heeft de eigenaar de plicht om het centrale stooktoestel, het stooklokaal of het rookgasafvoerkanaal te verbouwen of aan te passen en om hiervan het bewijs te leveren. Het bewijs bestaat uit een nieuw keuringsrapport.]1
  § 2. [1 Als na de onderhoudsbeurt uit het reinigings- en/of verbrandingsattest blijkt dat het centrale stooktoestel niet in goede en veilige staat van werking verkeert, of dat herstellingen aan het rookgasafvoerkanaal, het stooklokaal of het centrale stooktoestel noodzakelijk zijn, dan hebben de gebruiker en de eigenaar de plicht om het rookgasafvoerkanaal, het stooklokaal of het centrale stooktoestel binnen de drie maanden na de datum van het reinigings- en/of verbrandingsattest in orde te brengen en om hiervan het bewijs te leveren. Dit bewijs bestaat uit een nieuw attest waaruit minstens blijkt dat deze tekortkoming verholpen werd en dat de meetresultaten van een nieuwe verbrandingscontrole bevat.]1
  
Art. 10. Elimination de défauts.
  § 1. [1 Lorsqu'après l'inspection avant la première mise en service, il ressort du rapport d'inspection qu'une modification ou une adaptation à l'appareil de chauffage central, au local de chauffe ou au conduit d'évacuation des gaz de fumée est nécessaire, parce que le bon état en toute sécurité n'est pas suffisamment garanti en service, l'appareil ne peut être mis en service et le propriétaire est obligé de modifier ou d'adapter l'appareil de chauffage central, le local de chauffe ou le conduit d'évacuation des gaz de fumée et d'en fournir la preuve. La preuve consiste en un nouveau rapport d'inspection.]1
  § 2. [1 lorsqu'après l'entretien, il ressort de l'attestation d'entretien et/ou de combustion que l'appareil de chauffage central ne se trouve pas en bon état de fonctionnement en toute sécurité, ou que des réparations au conduit d'évacuation des gaz de fumée, au local de chauffe ou il l'appareil de chauffage central sont nécessaires, l'utilisateur et le propriétaire sont obligés de mettre le conduit d'évacuation des gaz de fumée, le local de chauffe et l'appareil de chauffage central en ordre dans les trois mois qui suivent la date de l'attestation de nettoyage et/ou de combustion et d'en fournir la preuve. Cette preuve consiste en une nouvelle attestation qui atteste à tout le moins que cette défaillance a été réparée et qui contient les résultats de mesure d'un nouveau contrôle de combustion.]1
  
Art. 11. Ter beschikking houden van attesten en rapporten.
  § 1. De eigenaar van een centraal stooktoestel zorgt ervoor dat het keuringsrapport [1 of een duplicaat daarvan]1 bij het toestel [2 blijft]2 zolang dat ongewijzigd in gebruik is.
  § 2. [2 [3 De gebruiker en eigenaar houden minstens de duplicaten van het reinigings- en verbrandingsattest van de laatste twee onderhoudsbeurten bij. De gebruiker bezorgt een duplicaat van het reinigings- en verbrandingsattest aan de eigenaar]3]2
  § 3.[4 ...]4.]2
  § 4. De attesten en rapporten, bedoeld in [4 § 1 en § 2]]4 worden ter beschikking gehouden van de [1 toezichthouder]1 en voorgelegd op eenvoudig verzoek.
  § 5. De eigenaar van het toestel bezorgt [2 ...]2 een duplicaat van de attesten en rapporten, bedoeld in[4 § 1 en § 2]4, aan een [2 ...]2 gebruiker.
  
Art. 11. Mise à la disposition d'attestations et de rapports.
  § 1. Le propriétaire de l'appareil de chauffage central s'assure que le rapport d'inspection [1 ou un double de celle-ci]1 reste près de l'appareil tant que ce dernier reste inchangé en service.
  § 2. [2 [3 L'utilisateur et le propriétaire conservent au moins les duplicatas de l'attestation de nettoyage et de combustion des deux derniers entretiens. L'utilisateur transmet un duplicata de l'attestation de nettoyage et de combustion au propriétaire. ]3]2
  § 3. Le propriétaire de l'appareil de chauffage central garde le rapport d'audit de chauffage tant que l'appareil est utilisé et qu'aucun nouvel audit de chauffage n'a été exécuté. [2 Le propriétaire remet un duplicata du rapport d'audit de chauffage à l'utilisateur.]2
  § 4. Les attestations et rapports, visés aux [4 §§ 1er et 2 ]4, sont tenus à la disposition de [1 autorité de contrôle]1 et sont présentés sur simple demande.
  § 5. Le propriétaire de l'appareil fournit [2 ...]2 un duplicata des attestations et rapports, visés aux[4 §§ 1er et 2 ]4, au [2 ...]2 utilisateur.
  
HOOFDSTUK IV. - Verplichtingen van de persoon belast met de keuring vóór eerste ingebruikname, met de onderhoudsbeurt [1 ...]1 van een centraal stooktoestel.
CHAPITRE IV. - Obligations de la personne chargée de l'inspection avant la première mise en service, de l'entretien [1 ...]1.
Art. 12. Keuring vóór eerste ingebruikname van een nieuw centraal stooktoestel.
  § 1. De keuring van een nieuw centraal stooktoestel, bedoeld in art. 7, bestaat uit :
  1° het onderzoek van de goede en veilige staat van werking van het stooktoestel, met inbegrip van de controleproeven omtrent de goede staat van werking;
  2° het onderzoek van de algemene staat van het centrale stooktoestel, inzonderheid de goede verbinding tussen de brander en de centrale stookketel indien van toepassing;
  3° de controle van [3 het rookgasafvoerkanaal]3, met inbegrip van de goede werking ervan, en het onderzoek naar de geschiktheid van [3 het rookgasafvoerkanaal]3 voor het stooktoestel waarmee [3 het]3 verbonden is;
  4° de controle op de aanwezigheid van de gebruikers- en onderhoudsinstructies;
  5° het controleren van de verluchting van het stooklokaal en de aanvoer van verbrandingslucht.
  [3 De technicus voert de controleproeven omtrent de goede staat van werking, opgenomen in hoofdstuk I van bijlage I bij dit besluit uit volgens de instructies van de fabrikant, met apparatuur die minstens voldoet aan de technische specificaties, opgenomen in hoofdstuk II van bijlage I bij dit besluit, en daarbij rekening houdend met de voorschriften van hoofdstuk I van bijlage I bij dit besluit.]3
  § 2. Een nieuw centraal stooktoestel, gevoed met vloeibare of gasvormige brandstof, moet voorzien zijn van meetopeningen aan rookgaszijde voor het uitvoeren van de controleproeven omtrent de goede staat van werking.
  [1 § 3. De technicus voert na de uitvoering van de keuring een verbrandingscontrole uit als vermeld in artikel 13.]1
  [2 § 4. De persoon die belast is met het uitvoeren van de keuring voor eerste ingebruikname van een nieuw centraal stooktoestel beschikt over een erkenning als :
   1° technicus gasvormige brandstof als het centrale stooktoestel gevoed wordt met gasvormige brandstof;
   2° technicus vloeibare brandstof als het centrale stooktoestel gevoed wordt met vloeibare brandstof.]2

  [4 § 5. Bij de plaatsing of de vervanging van een stooktoestel moet het ventilatiesysteem in het lokaal waar dit stooktoestel geplaatst wordt, voldoen aan de van toepassing zijnde normen NBN B 61-001, NBN B 61-002, NBN D 51-003, NBN D 51-004 en NBN D 51-006.]4
  
Art. 12. Inspection avant la première mise en service d'un nouvel appareil de chauffage central.
  § 1. L'inspection d'un nouvel appareil de chauffage central, visé à l'art. 7, comprend :
  1° l'examen du bon état de fonctionnement en toute sécurité de l'appareil de chauffage, y compris les essais de contrôle relatifs au bon état de fonctionnement;
  2° l'examen de l'état général de l'appareil de chauffage central, notamment le bon raccordement entre le brûleur et la chaudière centrale si cela s'applique;
  3° le contrôle de [3 le conduit d'évacuation des gaz de fumée]3, y compris son bon fonctionnement, et l'examen de la conformité de la cheminée à l'appareil de chauffage auquel [3 il]3 est raccordé;
  4° le contrôle sur la présence d'instructions d'utilisation et d'entretien;
  5° le contrôle de l'aération du local de chauffe et de l'amenée d'air de combustion.
  [3 Le technicien exécute les épreuves de contrôle concernant le bon état de fonctionnement, repris au chapitre 1er de l'annexe Ire de cet arrêté selon les instructions du fabricant, avec un équipement qui est au moins conforme aux spécifications techniques reprises dans le chapitre Il de l'annexe Ire au présent arrêté et en tenant compte des prescriptions du chapitre 1 de l'annexe 1 du présent arrêté.]3
  § 2. Un nouvel appareil de chauffage central, alimenté par des combustibles liquides ou gazeux, doit être équipé d'orifices de mesurage du côté des gaz de fumée en vue de l'exécution d'essais de contrôle relatifs au bon état de fonctionnement.
  [1 § 3. Après l'exécution du contrôle, le technicien exécute un contrôle de la combustion, tel que visé à l'article 13.]1
  [2 § 4. La personne chargée de l'exécution de l'inspection en vue de la première mise en service d'une nouvelle chaudière centrale, dispose d'un agrément en tant que :
   1° technicien en combustibles gazeux lorsque la chaudière centrale est alimentée avec des combustibles gazeux ;
   2° technicien en combustibles liquides lorsque la chaudière centrale est alimentée avec des combustibles gazeux.]2

  [4 § 5. Lors de l'installation ou du remplacement d'un appareil de chauffage, le système de ventilation à l'intérieur du local où cet appareil est installé doit satisfaire aux normes NBN B 61-001, NBN B 61-002, NBN D 51-003, NBN D 51-004 et NBN D 51-006 applicables.]4
  
Art. 13. Uitvoeren onderhoudsbeurt.
  § 1. De erkende technicus voert de onderhoudsbeurt van een centraal stooktoestel uit volgens de regels van goed vakmanschap. Hij houdt rekening met de onderhoudsinstructies van de fabrikant van het stooktoestel.
  De controleproeven omtrent de goede staat van werking, opgenomen in hoofdstuk I van bijlage I bij dit besluit, voert hij uit volgens de instructies van de fabrikant, met apparatuur die minstens voldoet aan de technische specificaties, opgenomen in hoofdstuk II van bijlage I bij dit besluit. Hij houdt daarbij rekening met de voorschriften van [1 hoofdstuk I]1 van bijlage I bij dit besluit.
  § 2. [2 Bij een centraal stooktoestel, met een nominaal vermogen van 20 kW of meer en gevoed met vloeibare brandstof, bestaat de onderhoudsbeurt, bedoeld in artikel 8, 4°, uit:
  1° het nazien van de algemene staat [1 en de veilige staat van werking]1 van het centrale stooktoestel, het controleren van de verluchting van het stooklokaal en de aanvoer van verbrandingslucht;
  2° een reinigingsbeurt:
  a) voor een stooktoestel aangesloten als type B : het reinigen en het controleren van het rookgasafvoerkanaal: [3 het mechanisch vegen van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het centrale stooktoestel voor stooktoestellen die werken door middel van natuurlijke trek]3, het nakijken van de algemene staat van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het stooktoestel (onder meer de dichtheid), en het controleren van de goede werking van het rookgasafvoerkanaal (onder meer de druk);
  b) voor een stooktoestel aangesloten als type C: het controleren van de correcte plaatsing volgens de code van goede praktijk en van de rookgaszijdige dichtheid van het rookgasafvoerkanaal;
  c) het reinigen en het controleren van het centrale stooktoestel en de inwendige delen van het centrale stooktoestel, het reinigen en het controleren van de ventilator, en het nakijken van de dichtheid van het centrale stooktoestel;
  3° de verbrandingscontrole: het nazien en het afstellen van de brander, alsook van de inrichtingen en de onderdelen die voor de werking ervan noodzakelijk zijn, gevolgd door de controleproeven omtrent de goede staat van werking.]2

  § 3. [2 Bij een centraal stooktoestel, met een nominaal vermogen van 20 kW of meer en gevoed met gasvormige brandstof, bestaat de onderhoudsbeurt, vermeld in artikel 8, 4°, uit :
  1° het nazien van de algemene staat [1 en de veilige staat van werking]1 van het centrale stooktoestel, het controleren van de verluchting van het stooklokaal en de aanvoer van de verbrandingslucht;
  2° een reinigingsbeurt :
  a) voor een stooktoestel aangesloten als type B : het reinigen en het controleren van het rookgasafvoerkanaal: het mechanisch vegen van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het centrale stooktoestel [3 voor stooktoestellen die werken door middel van natuurlijke trek]3, het nakijken van de algemene staat van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het centrale stooktoestel (onder meer de dichtheid), en het controleren van de goede werking van het rookgasafvoerkanaal (onder meer de druk);
  b) voor een stooktoestel aangesloten als type C : het controleren van de correcte plaatsing volgens de code van goede praktijk en van de rookgaszijdige dichtheid van het rookgasafvoerkanaal;
  c) het reinigen en het controleren van het centrale stooktoestel : het ontstoffen van het centrale stooktoestel, het reinigen van de branderbedden en de warmtewisselaar, en, voor gasketels met ventilatorbrander, het reinigen van de ventilator en de brander, en het nakijken van de dichtheid van het centrale stooktoestel;
  3° een verbrandingscontrole : dit omvat het uitvoeren van de controleproeven omtrent de goede staat van werking en, voor gasketels met ventilatorbrander, het afregelen van de ventilatorbrander.]2

  § 4. [2 Bij een centraal stooktoestel, gevoed met vaste brandstof, bestaat de onderhoudsbeurt, vermeld in artikel 8, 4°, uit :
  1° het controleren van de algemene staat [1 en de veilige staat van werking]1 van het centrale stooktoestel, met inbegrip van het controleren van de verluchting in het lokaal waarin het centrale stooktoestel staat, en van de aanvoer van de verbrandingslucht;
  2° het reinigen en het controleren van het rookgasafvoerkanaal : het mechanisch vegen van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het centrale stooktoestel, het nakijken van de algemene staat van het rookgasafvoerkanaal, en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het centrale stooktoestel en het controleren van de goede werking van het rookgasafvoerkanaal (onder meer de druk);
  3° het reinigen van de inwendige delen van het centrale stooktoestel : het reinigen van de warmtewisselaar en alle andere inwendige delen die in contact komen met de rookgassen of de brandstof.]2

  [1 § 5. De persoon die belast is met het uitvoeren van het onderhoud van een centraal stooktoestel beschikt over een erkenning als :
   1° technicus gasvormige brandstof als het centrale stooktoestel gevoed wordt met gasvormige brandstof;
   2° technicus vloeibare brandstof als het centrale stooktoestel gevoed wordt met vloeibare brandstof.
   Een schoorsteenveger mag het rookgasafvoerkanaal alleen reinigen en controleren. Als de technicus het rookgasafvoerkanaal niet zelf reinigt en controleert, vat hij het onderhoud pas aan nadat hem het reinigingsattest is voorgelegd.]1

  
Art. 13. Exécution de l'entretien.
  § 1. Le technicien agréé effectue l'entretien d'un appareil de chauffage central suivant les règles de bonne connaissance du métier. Il tient compte des instructions d'entretien du fabricant de l'appareil de chauffage.
  Il exécute les essais de contrôle relatifs au bon état de fonctionnement, repris au chapitre Ier de l'annexe Ire au présent arrêté, suivant les instructions du fabricant à l'aide d'appareillage qui répond au moins aux spécifications techniques reprises au chapitre II de l'annexe Ire au présent arrêté. A cet effet, il tient compte des prescriptions du Chapitre Ier de l'annexe Ire au présent arrêté.
  § 2. [2 En cas d'un appareil de chauffage central, ayant une puissance nominale supérieure à 20 kW et alimenté par des combustibles liquides, l'entretien, visé à l'article 8, 4°, consiste en :
  1° la vérification de l'état général de l'appareil de chauffage central, le contrôle de l'aération du local de chauffe et l'amenée d'air de combustion;
  2° un nettoyage:
  a) pour un appareil de chauffage raccordé comme type B : le nettoyage et le contrôle du conduit d'évacuation des gaz de fumée, [3 le ramonage mécanique du conduit d'évacuation des gaz de fumée et du raccord entre le conduit d'évacuation des gaz de fumée et l'appareil de chauffage central pour les appareils de chauffage qui fonctionnent avec un tirage naturel]3, la vérification de l'état général du conduit d'évacuation des gaz de fumée et du raccordement entre le conduit d'évacuation des gaz de fumée et l'appareil de chauffage (entre autres l'étanchéité), et le contrôle du bon fonctionnement du conduit d'évacuation des gaz de fumée (entre autres, la pression);
  b) pour un appareil de chauffage raccordé comme type C : le contrôle du placement correct selon le code de bonnes pratiques et de l'étanchéité côté gaz de fumée du conduit d'évacuation des gaz de fumée;
  c) le nettoyage et le contrôle de l'appareil de chauffage central et des parties internes de l'appareil de chauffage central, nettoyage et le contrôle du ventilateur et la vérification de l'étanchéité de l'appareil de chauffage central;
  3° le contrôle de la combustion : la vérification et le réglage du brûleur, ainsi que les aménagements et les éléments indispensables à son fonctionnement, suivis des essais de contrôle du bon état de fonctionnement.]2

  § 3. [2 En cas d'un appareil de chauffage central, ayant une puissance nominale supérieure à 20 kW et alimenté par des combustibles gazeux, l'entretien, visé à l'article 8, 4°, consiste en :
  1° la vérification de l'état général de l'appareil de chauffage central, le contrôle de l'aération du local de chauffe et l'amenée d'air de combustion;
  2° un nettoyage:
  a) pour un appareil de chauffage raccordé comme type B : le nettoyage et le contrôle du conduit d'évacuation des gaz de fumée : le ramonage mécanique du conduit d'évacuation des gaz de fumée et du raccordement entre le conduit d'évacuation des gaz de fumée et l'appareil de chauffage central [3 pour les appareils de chauffage qui fonctionnent avec un tirage naturel]3, la vérification de l'état général du conduit d'évacuation des gaz de fumée et du raccordement entre le conduit d'évacuation des gaz de fumée et l'appareil de chauffage central (entre autres l'étanchéité), et le contrôle du bon fonctionnement du conduit d'évacuation des gaz de fumée (entre autres, la pression);
  b) pour un appareil de chauffage raccordé comme type C : le contrôle du placement correct selon le code de bonnes pratiques et de l'étanchéité côté gaz de fumée du conduit d'évacuation des gaz de fumée;
  c) le nettoyage et le contrôle de l'appareil de chauffage central : le dépoussiérage de l'appareil de chauffage central, le nettoyage de lits de chaudière et de l'échangeur de chaleur, et, pour les chaudières à gaz à brûleur ventilé, le nettoyage du ventilateur et du brûleur, et vérification de l'étanchéité de l'appareil de chauffage central;
  3° un contrôla de combustion : ce dernier comprend l'exécution des essais de contrôle relatif au bon état de fonctionnement et, pour les chaudières à gaz à brûleur ventilé, le réglage du brûleur ventilé.]2

  § 4. [2 En cas d'un appareil de chauffage central alimenté par des combustibles solides, l'entretien, visé à l'article 8, 4°, consiste en :
  1° le contrôle de l'état général de l'appareil de chauffage central, y compris le contrôle de l'aération du local dans lequel se trouve la chaudière de chauffage central, et de l'adduction de l'air de combustion.
  2° le nettoyage et le contrôle du conduit d'évacuation des gaz de fumée : le ramonage mécanique du conduit d'évacuation des gaz de fumée et du raccordement entre le conduit d'évacuation des gaz de fumée et l'appareil de chauffage central, la vérification de l'étal générai du conduit d'évacuation des gaz de fumée et du raccordement entre le conduit d'évacuation des gaz de fumée et l'appareil de chauffage central, et le contrôle du bon fonctionnement du conduit d'évacuation des gaz de fumée (entre autres, la pression);
  3° le nettoyage des parties internes de l'appareil de chauffage central : le nettoyage de l'échangeur de chaleur et de toutes autres parties internes qui sont en contact avec les gaz de fumée ou les combustibles.]2

  [1 § 5. La personne chargée de l'exécution de l'entretien d'une chaudière centrale dispose d'un agrément en tant que :
   1° technicien en combustibles gazeux lorsque la chaudière centrale est alimentée avec des combustibles gazeux ;
   2° technicien en combustibles liquides lorsque la chaudière centrale est alimentée avec des combustibles liquides.
   Un ramoneur n'est autorisé à nettoyer et à contrôler le conduit d'évacuation. Lorsque le technicien ne nettoie ni ne contrôle le conduit d'évacuation lui-même, il n'entame l'entretien qu'après que l'attestation de nettoyage lui a été présentée.]1

  
Art. 15. Afgeven en ter beschikking houden van attesten en rapporten.
  § 1. De persoon die de keuring van een nieuw centraal stooktoestel, bedoeld in artikel 7, uitvoert, overhandigt aan de eigenaar een behoorlijk ingevuld keuringsrapport [2 en een verbrandingsattest]2. [5 Een duplicaat ervan houdt hij gedurende minstens één jaar ter beschikking van de toezichthoudende ambtenaar.]5
  § 2. De persoon die de gedeeltelijke of de volledige onderhoudsbeurt van artikel 8, 4°, heeft uitgevoerd overhandigt aan de gebruiker van het centrale stooktoestel het behoorlijk ingevulde reinigingsattest en/of het behoorlijk ingevulde verbrandingsattest. Een duplicaat ervan houdt hij gedurende minstens één jaar ter beschikking van de [4 toezichthouder]4.
  § 3.[8 ...]8.]5
  § 4. [3 ...]3
  § 5. Een behoorlijk ingevuld reinigingsattest, verbrandingsattest, [8 of keuringsrapport]8 bevat minstens de gegevens, gevraagd in het toepasselijke model uit bijlage III in duidelijk leesbare alfanumerieke tekens. Een rapport of attest is enkel geldig indien het behoorlijk werd ingevuld.
  [4 § 6. De persoon die het keuringsrapport, reinigings- of verbrandingsattest [8 ...]8 opstelt en overhandigt aan de eigenaar of gebruiker van een centraal stooktoestel op gasvormige of vloeibare brandstof, moet op het moment van de uitreikingen daarvan over een erkenning als vermeld in hoofdstuk IV beschikken.
   Een schoorsteenveger mag alleen een reinigingsattest opstellen voor het gedeelte reinigen en controleren van het rookgasafvoerkanaal.]4

  [6 § 7. De persoon die de keuring of de volledige onderhoudsbeurt heeft uitgevoerd of zijn aangestelde [7 doet melding van de kenmerken van het centraal stooktoestel]7t zoals het type toestel, de locatie, het vermogen, de brandstof, de brandertechnologie, het bouwjaar en de kenmerken van de keuring of de volledige onderhoudsbeurt, zoals het type activiteit, de datum van uitvoering van de activiteit en de eindbeoordeling, en dit via de webapplicatie van het VEKA in de databank, vermeld in artikel 12.5.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009. De voormelde melding gebeurt volgens het formaat dat het VEKA vastlegt. De voormelde melding gebeurt binnen dertig dagen na de uitvoering van de keuring of de volledige onderhoudsbeurt.]6
  
Art. 15. Délivrance et mise à la disposition d'attestations et de rapports.
  § 1. La personne exécutant l'inspection d'un nouvel appareil de chauffage central, visé à l'article 7, transmet un rapport d'inspection dûment complété au propriétaire [1 et une attestation de combustion]1. [4 Elle garde un duplicata à la disposition de la division ou du fonctionnaire-contrôleur pendant au moins un an.]4
  § 2. La personne ayant exécuté l'entretien partiel ou entier de l'article 8, 4°, transmet l'attestation de nettoyage dûment complétée et/ou l'attestation de combustion dûment complétée à l'utilisateur de l'appareil de chauffage central. Elle en garde un duplicata à la disposition de l' [3 autorité de contrôle]3 pendant au moins un an.
  § 3. La personne ayant exécuté l'audit de chauffage, visé à l'article 9, transmet un rapport d'audit de chauffage au propriétaire de l'appareil de chauffage central. [4 Elle garde un duplicata à la disposition de la division ou du fonctionnaire-contrôleur pendant au moins un an.]4
  § 4. [2 ...]2
  § 5. Une attestation de nettoyage, une attestation de combustion, [7 ou un rapport d'inspection ]7 dûment complétés, comportent au moins les données demandées dans le modèle approprié de l'annexe III en caractères alphanumériques clairement lisibles. Un rapport ou attestation ne sont valables que lorsqu'ils ont été dûment complétés.
  § 6. [3 La personne qui établit le rapport d'inspection, l'attestation de nettoyage ou de combustion [7 ...]7 et qui les remet au propriétaire ou à l'usager d'une chaudière centrale alimentée de combustibles gazeux ou liquides, doit disposer d'un agrément, tel que visé au chapitre IV, au moment de la délivrance de ceux-ci.
   Un ramoneur ne peut établir une attestation de nettoyage que pour le volet concernant le nettoyage et le contrôle du conduit d'évacuation.]3

  [5 § 7. La personne qui a exécuté l'inspection ou l'entretien complet ou son préposé[6 communique les caractéristiques de l'appareil de chauffage central]6 telles que le type d'appareil, la localisation, la puissance, le combustible, la technologie du brûleur, l'année de construction et les caractéristiques de l'inspection ou de l'entretien complet telles que le type d'activité, la date d'exécution de l'activité et l'évaluation finale via l'application web de la VEKA dans la banque de données mentionnée à l'article 12.5.1 du décret sur l'Energie du 8 mai 2009. La communication précitée s'effectue selon le format établi par la VEKA. La communication précitée s'effectue dans les trente jours suivant l'exécution de l'inspection ou de l'entretien complet.]5
  
HOOFDSTUK V.
CHAPITRE V.
HOOFDSTUK VI.
CHAPITRE VI.
HOOFDSTUK VII. - Overgangsbepalingen en slotbepalingen.
CHAPITRE VII. - Dispositions transitoires et dispositions finales.
Art. 31. [1 In afwijking van artikel 15, Ї 7, in fine, gebeurt de melding voor het eerst vanaf 1 september 2023.]1
  
Art. 31. [1 Par dérogation à l'article 15, § 7, in fine, la communication s'effectue pour la première fois à partir du 1er septembre 2023. ]1
  
Art. 32. Eerste onderhoud en verder periodiek onderhoud van een bestaand centraal stooktoestel, gevoed met gasvormige brandstof.
  § 1. [1 ...]1
  § 2. Als het uitvoeren van de controleproeven omtrent de goede staat van werking op een [1 stooktoestel, dat vóór 1 juni 2007 voor het eerst in gebruik genomen werd]1, gevoed met gasvormige brandstof, niet mogelijk is, wegens afwezigheid van de vereiste meetopening en de technische onmogelijkheid tot het aanbrengen van een meetopening, inzonderheid bij een stooktoestel [1 aangesloten als]1 type C, dan motiveert de technicus dit omstandig. In dit geval vervallen de controleproeven omtrent de goede staat van werking.
  
Art. 32. Premier entretien et entretien périodique ultérieur d'un appareil de chauffage central existant, alimenté en carburants gazeux.
  § 1. [1 ...]1
  § 2. Lorsque l'exécution d'épreuves de contrôle du bon état de fonctionnement d'un [1 1appareil de chauffage central qui a été mis en service pour la première fois avant le 1er juin 2007], alimenté en carburants gazeux, n'est pas possible à défaut de l'orifice de mesurage nécessaire ou à défaut de la possibilité technique d'installer un tel orifice, notamment en cas d'un appareil de chauffage [1 raccordé comme]1 du type C, le technicien fournit une motivation détaillée à cet effet. Dans ce cas, les contrôles du bon état de fonctionnement échoient.
  
HOOFDSTUK VIII. - Wijzigingsbepalingen titel II van het Vlarem.
CHAPITRE VIII. - Dispositions modificatives du titre II du Vlarem.
Art. 41. In artikel 1.3.2.1. van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, gewijzigd bij besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en 12 mei 2006, worden de woorden " koninklijk besluit van 6 januari 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste of vloeibare brandstof " vervangen door de woorden " besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater ";
Art. 41. A l'article 1.3.2.1. de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement, modifié par les arrêtés du Gouvernement des 19 janvier 1999 et 12 mai 2006, les mots " arrêté royal du 6 janvier 1978 tendant à prévenir la pollution atmosphérique lors du chauffage de bâtiments à l'aide de combustibles solides ou liquides " sont remplacés par les mots " Arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2006 relatif à l'entretien et au controle de chaudières de chauffage de bâtiment ou pour le chauffage d'eau chaude de consommation ";
Art. 42. In artikel 6.5.6.3. van hetzelfde besluit worden de woorden " koninklijk besluit van 6 januari 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste of vloeibare brandstof " vervangen door de woorden " besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater ";
Art. 42. A l'article 6.5.6.3. du même arrêté, les mots " arrêté royal du 6 janvier 1978 tendant à prévenir la pollution atmosphérique lors du chauffage de bâtiments à l'aide de combustibles solides ou liquides " sont remplacés par les mots " Arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2006 relatif à l'entretien et au contrôle de chaudières de chauffage de bâtiment ou pour le chauffage d'eau chaude de consommation ";
Art. 43. In artikel 6.6.0.2, § 2, van hetzelfde besluit worden de woorden " koninklijk besluit van 6 januari 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste of vloeibare brandstof " vervangen door de woorden " besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater ".
Art. 43. A l'article 6.6.0.2, § 2, du même arrêté, les mots " arrêté royal du 6 janvier 1978 tendant à prévenir la pollution atmosphérique lors du chauffage de bâtiments à l'aide de combustibles solides ou liquides " sont remplacés par les mots " Arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2006 relatif à l'entretien et au contrôle de chaudières de chauffage de bâtiment ou pour le chauffage d'eau chaude de consommation ".
Art. 44. Opheffingsbepalingen.
  Het koninklijk besluit van 6 januari 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste of vloeibare brandstof wordt opgeheven.
Art. 44. Dispositions abrogatoires.
  L'arrêté de l'arreté royal du 6 janvier 1978 tendant à prévenir la pollution atmosphérique lors du chauffage de bâtiments à l'aide de combustibles solides ou liquides, est abrogé.
Art. 45. Datum van inwerkingtreding.
  Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
Art. 45. Date d'entrée en vigueur.
  Le présent arrêté entre en vigueur le premier jour du deuxième mois suivant le mois de sa publication au Moniteur belge.
Art. 46. Uitvoering.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, zijn, elk voor wat hun bevoegdheid betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 46. Exécution.
  Le Ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions et le Ministre flamand qui a la politique de l'énergie dans ses attributions, sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'execution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage I. Controleproeven omtrent de goede staat van werking : Meetvoorschriften - Meetapparatuur.
  HOOFDSTUK I. - Meetvoorschriften.
  1 Inleiding
  De controleproeven omtrent de goede staat van werking van centrale stooktoestellen, gevoed met vloeibare brandstof, en van centrale stooktoestellen, gevoed met gasvormige brandstof, worden [3 uitgevoerd :]3
  1° tijdens elke periodieke onderhoudsbeurt;
  2° na elke interventie aan het verbrandingsgedeelte van het centrale stooktoestel;
  3° vóór de ingebruikname van een nieuw centraal stooktoestel, als onderdeel van de keuring;
  [1 Het verbrandingsattest vermeldt de waarden, gemeten met het elektronische rookgasanalysetoestel. De afdruk van het toestel wordt opgenomen in de daarvoor bestemde ruimte.]1
  Daar waar dit besluit het toelaat, kan voor sommige bestaande, [3 ...]3 centrale stooktoestellen, gevoed met gasvormige brandstof, het uitvoeren van de controleproeven omtrent de goede staat van werking wegvallen.
  Deze controleproeven omvatten minstens het volgende :
  1° Voor centrale stooktoestellen, gevoed met vloeibare brandstof :
  a) de bepaling van de rookindex van de rookgassen;
  b) de bepaling van het gehalte aan zuurstof (O2) in de rookgassen;
  c) de bepaling van het gehalte aan koolstofdioxide (CO2) in de rookgassen (het gehalte aan CO2 mag ook berekend worden vanaf de brandstofkarakteristieken en het O2-gehalte);
  d) de bepaling van het gehalte aan koolstofmonoxide (CO) in de rookgassen;
  e) de bepaling van de temperatuur van de rookgassen.
  2° Voor centrale stooktoestellen, gevoed met gasvormige brandstof :
  a) de bepaling van het gehalte aan zuurstof (O2) in de rookgassen;
  b) de bepaling van het gehalte aan koolstofdioxide (CO2) in de rookgassen (het gehalte aan CO2 mag ook berekend worden vanaf de brandstofkarakteristieken en het bepaalde O2-gehalte);
  c) de bepaling van het gehalte aan koolstofmonoxide (CO) in de rookgassen;
  d) de meting van de temperatuur van de rookgassen.
  [3 Verder worden alle variabelen bepaald die noodzakelijk zijn voor het volledig en correct invullen van het reinigingsattest en het verbrandingsattest (o.a. de druk in het rookgasafvoerkanaal, het rookgasrendement, de omgevingstemperatuur, de druk in de vuurhaard, de olie- of gasdruk of het oliedebiet,...) en het beoordelen van de goede en veilige staat van werking en de algemene staat.]3
  2. Uitvoering van de metingen.
  2.1. Algemeenheden.
  De metingen worden uitgevoerd met apparatuur die voldoet aan de technische vereisten van hoofdstuk II van deze bijlage.
  [3 De sonde voor het meten en het trekken van het rookgasmonster wordt in de kernstroom gebracht via de door de fabrikant van het stooktoestel daarvoor bestemde meetpunten. Als deze meetpunten niet aanwezig zijn, wordt een meetopening aangebracht volgens de code van goede praktijk.
  Bij stooktoestellen aangesloten als type C (gesloten stooktoestellen) moet een meetpunt aanwezig zijn op de aansluiting van de verbrandingsgassen en op de aansluiting van de verbrandingslucht. Indien de verbrandingsluchttoevoer en verbrandingsgasafvoer via een concentrische buis gebeurt, moet hierbij een meetelement met twee meetpunten aanwezig zijn. Een meetpunt zal dienen om de rookgassen (verbrandingsproducten) te meten, het andere om de temperatuur van de verbrandingslucht te meten. Dit houdt in dat de meetapparatuur twee temperatuurvoelers moet kunnen ontvangen om het juiste verbrandingsrendement te kunnen bepalen.
  Bij het trekken van het rookgasmonster en tijdens de verbrandingscontroleproeven worden alle maatregelen genomen om het aanzuigen van parasitaire lucht, die de meetresultaten kan beïnvloeden, te voorkomen.]3

  Er worden minstens twee meetreeksen uitgevoerd : een initiële meetreeks en een eindmeetreeks.
  1° Initiële meetreeks : Bij aankomst stelt de erkende technicus het stooktoestel in werking, en meet de verschillende parameters nog voor enige onderhouds- of vervangingsactiviteit heeft plaatsgevonden. De meet- en rekenresultaten worden op het verbrandingsattest genoteerd in de kolom " Proef I : Initiële meting ".
  2° Eindmeetreeks : Afhankelijk van de brander worden op het einde van de onderhoudsbeurt, na de reinigingsbeurt en de verbrandingscontrole, een of meerdere meetreeksen uitgevoerd :
  a) voor [4 ketels met een nominaal vermogen lager dan 1 MW en]4 " alles of niets "-branders : een meetreeks tijdens de periode van continue werking van de brander;
  b) voor " alles of weinig "-branders [4 "(ketels met een nominaal vermogen vanaf 1 MW)]4 : een meetreeks bij maximaal gebruiksvermogen en een meetreeks bij minimaal gebruiksvermogen;
  c) voor branders met een door de gebruiker regelbaar gebruiksvermogen [4 (ketels met een nominaal vermogen vanaf 1 MW)]4 : een meetreeks bij maximaal gebruiksvermogen, een meetreeks bij minimaal gebruiksvermogen, en drie meetreeksen bij tussenliggend gebruiksvermogen, respectievelijk op 75 %, 50 % en 25 % van het regelbereik.
  Deze meetreeksen gebeuren in normale bedrijfsomstandigheden, dit wil zeggen bij normale bedrijfstemperatuur, in afgesloten stooklokaal, en, indien van toepassing, met de branderkap of beschermkap geplaatst.
  Tussen de initiële meetreeks en de eindmeetreeks staat het de technicus vrij zo veel metingen uit te voeren als hij nodig en nuttig acht om het centrale stooktoestel in goede staat van werking te kunnen brengen.
  Bij meertrapsbranders worden de hierboven bedoelde initiële meetreeks en eindmeetreeks uitgevoerd voor elke trap afzonderlijk. Per trap wordt een corresponderend verbrandingsattest opgemaakt.
  Bij het beëindigen van de controlemetingen worden de meetopeningen vakkundig afgesloten.
  2.2. Meten van de parameters.
  2.2.1. Meting van de rookindex van de rookgassen (vloeibare brandstof).
  De rookindex wordt bepaald door met behulp van een genormaliseerde rookindexpomp een welbepaalde hoeveelheid rookgassen door een genormaliseerd filterpapiertje te trekken.
  Dit filterpapier filtert de onverbrande brandstofdelen uit de rookgassen, wat resulteert in een witte, grijze of zwarte vlek op het filterpapier. Deze vlek wordt visueel vergeleken met tien referentievlekken op een zogenaamde Bacharach-schaal. Het nummer van de referentievlek die het best de grijswaarde van de gemeten vlek benadert bepaalt de rookindex van de rookgassen.
  Na het testen van de rookindexpomp op de goede werking (o.a. lekdichtheid pomp en slang) brengt men het uiteinde van de monsternameslang via de meetopening in de kernstroom van de rookgassen. Om het juiste volume aan rookgassen door het filterpapier te trekken, voert men tien volledige pompslagen uit.
  De lengte van de monsternameslang wordt zo klein mogelijk gehouden.
  Het handmodel van de rookindexpomp mag vervangen worden door een elektromechanische versie die zodanig geregeld wordt dat het juiste volume aan rookgassen door het filterpapier getrokken wordt.
  Een gelijkwaardige opto-elektronische methode voor de bepaling van de rookindex mag eveneens gebruikt worden.
  De rookindex wordt bepaald voor enige andere parameter. Indien de technicus het stooktoestel niet zodanig geregeld krijgt dat aan de voorwaarde van de maximale toegelaten rookindex wordt voldaan, dan hoeven de overige parameters niet verder bepaald te worden. Het centrale stooktoestel wordt dan geacht niet in goede staat van werking te zijn.
  2.2.2. Meting van de temperatuur van de verbrandingslucht (omgevingstemperatuur).
  De temperatuur van de verbrandingslucht wordt bij stooktoestellen [3 aangesloten als]3 type B gemeten in de buurt van de centrale stookketel, op een hoogte van ca. 1,5 meter.
  Bij stooktoestellen [3 aangesloten als]3 type C wordt de temperatuur van de verbrandingslucht gemeten via het daartoe bestemde meetpunt.
  2.2.3. Meting van de temperatuur van de rookgassen, het gehalte aan koolstofmonoxide en koolstofdioxide, en de [3 druk in het rookgasafvoerkanaal]3.
  Het uiteinde van de meetsensor/monsternameslang wordt via de daartoe bestemde meetopening in de kernstroom van de rookgassen gebracht, waarna de meting begint.
  3. Beoordeling goede staat van werking.
  Het stooktoestel wordt al dan niet in goede staat van werking verklaard op basis van de resultaten van de eindmeetreeks.
  HOOFDSTUK II. - Technische vereisten meetapparatuur.
  [5 De toestellen gebruikt voor het meten van de CO-, O2- en CO2-concentratie in verbrandingsgassen, voor het meten van de temperatuur van de verbrandingsgassen en van de temperatuur van de verbrandingslucht, evenals voor het meten van de onderdruk van de leiding voor de afvoer van verbrandingsgassen voldoen aan de technische eisen van tabel 1 van norm NBN EN 50379-1 voor wat de meting van deze parameters betreft.
   De toestellen worden zo ontworpen dat ze aan de volgende voorwaarden voldoen:
   1° het is mogelijk om gelijktijdig twee temperatuursensoren aan te sluiten zodat bij verwarmingsketels type C tegelijkertijd de temperatuur van de verbrandingsgassen en die van de omgevingslucht gemeten kan worden;
   2° de toestellen kunnen ofwel een afdruk maken waarop de resultaten van de uitgevoerde metingen en de datum en het uur waarop deze uitgevoerd werden, vermeld staan, ofwel deze resultaten doorsturen zonder dat ze gewijzigd kunnen worden naar een informaticaprogramma dat verslagen en attesten kan genereren.]5

  Voor het opmeten van de verschillende parameters worden uitsluitend meettoestellen gebruikt die voldoen aan de volgende minimale technische specificaties :
Art. N1. Annexe Ire. - Essais de contrôle du bon état de fonctionnement : Prescriptions de mesurage - Appareils de mesurage.
  CHAPITRE Ier. - Prescriptions de mesurage.
  1. Introduction.
  Les essais de contrôle en matière du bon état de fonctionnement d'appareils de chauffage central, alimentés par combustibles liquides, et d'appareils de chauffage central, alimentés par combustibles gazeux, sont effectués :
  1° pendant chaque entretien périodique;
  2° après chaque intervention à la partie combustion de l'appareil de chauffage central;
  3° avant la mise en service d'un nouvel appareil de chauffage central, en tant que partie de l'inspection;
  [1 L'attestation de combustion mentionne les valeurs, mesurées à l'aide de l'analyseur électronique de gaz de fumée. Le résultat imprimé des données de l'analyseur est repris dans l'espace destinée à cet effet.]1
  Dans les cas où le présent arrêté le permet, les essais de contrôle du bon état de fonctionnement peuvent être omis pour certains appareils de chauffage central existants, [3 ...]3 et alimentés par combustibles gazeux.
  Ces essais de contrôle comprennent au moins :
  1° Pour les appareils de chauffage central, alimentés par combustibles liquides :
  a) la définition de l'indice fumée des gaz de fumée;
  b) la définition de la teneur en oxygène (O2) dans les gaz de fumée;
  c) la définition de la teneur en dioxyde de carbone (CO2) dans les gaz de fumée (la teneur en dioxyde de carbone (CO2) peut également être calculée sur la base des caractéristiques de combustion et de la teneur en O2);
  d) la définition de la teneur en monoxyde de carbone (CO) dans les gaz de fumée;
  e) la définition de la température des gaz de fumée;
  2° Pour les appareils de chauffage central, alimentés par combustibles gazeux :
  a) la définition de la teneur en oxygène (O2) dans les gaz de fumée;
  b) la définition de la teneur en dioxyde de carbone (CO2) dans les gaz de fumée (la teneur en dioxyde de carbone (CO2) peut également être calculée sur la base des caractéristiques de combustion et de la teneur en O2 définie);
  c) la définition de la teneur en monoxyde de carbone (CO) dans les gaz de fumée;
  d) la définition de la température des gaz de fumée;
  [3 En outre, toutes les variables nécessaires à remplir l'attestation de nettoyage et l'attestation de combustion (entre autres, la pression dans le conduit d'évacuation des gaz de fumée, le rendement des gaz de fumée, la température ambiante, la pression dans le foyer, la pression du gasoil ou du gaz ou le débit du gasoil...) et à évaluer le bon état de fonctionnement en toute sécurité et l'état général, sont mesurées.]3
  2. Exécution de mesurages.
  2.1. Généralités.
  Les mesurages sont exécutés à l'aide d'appareils répondant aux exigences techniques du chapitre II de la présente annexe.
  [3 La sonde de mesurage et de prélévement d'échantillons des gaz de fumée est introduite dans le flux principal par des points de mesurage installés par le fabricant de l'appareil de chauffage A défaut de ces points de mesurage, un orifice de mesurage est pratiqué selon te code de bonnes pratiques
  En cas d'appareils de chauffage raccordés comme type C (appareils de chauffage fermés), un point de mesurage doit être installé au raccordement des gaz de combustion et au raccordement de l'air de combustion. Si l'arrivée d'air de combustion et l'évacuation de gaz de combustion sont effectués par un raccord concentrique, un élément de mesurage à deux points de mesurage doit étre installé dans ce cas. Un des points de mesurage servira à mesurer les gaz de fumée (produits de combustion), et l'autre, à mesurer la température de l'air de combustion. Ceci implique que deux sondes de température doivent pouvoir être raccordées à l'appareil de mesurage afin de pouvoir mesurer le rendement de combustion correct.
  Lors du prélèvement de l'échantillon des gaz de fumée et pendant tes épreuves de contrôle de combustion, il y a lieu de prendre toutes les mesures afin d'éviter d'aspirer de l'air parasitaire qui peut influencer les résultats du mesurage.]3

  Au moins deux séries de mesurage sont exécutées : une série de mesurage initiale et une série de mesurage finale.
  1° Série de mesurage initiale : A son arrivée, le technicien agréé met l'appareil de chauffage n marche et mesure les différents paramètres avant même que quelconque activité d'entretien ou de remplacement ait eu lieu. Les résultats de mesurage et de calcul sont notés sur l'attestation dans la colonne " Essai I : Mesurage initial ".
  2° Série de mesurages finaux : Dépendant du type de brûleur, une ou plusieurs séries de mesurage sont exécutées à la fin d'un entretien, d'un nettoyage ou d'un contrôle de combustion :
  a) pour [4 des chaudières d'une puissance nominale inférieure à 1 MW et]4 des brûleurs " tout ou rien " : une série de mesurages pendant la période de fonctionnement continu du brûleur;
  b) pour des brûleurs " tout ou rien " [4 (chaudières d'une puissance nominale à partir de 1 MW)]4 : une série de mesurages à puissance de consommation maximale et une série de mesurages à puissance de consommation minimale;
  c) pour les bruleurs à puissance de consommation réglable par l'utilisateur [4 (chaudières d'une puissance nominale à partir de 1 MW)]4 : une série de mesurages à puissance de consommation maximale, une série de mesurages à puissance de consommation minimale, et trois séries de mesurages à puissance de consommation intermédiaire à respectivement 75 %, 50 % et 25 % de la plage de réglage.
  Ces séries de mesurages se font à des circonstances de fonctionnement normal, c-à-d. à une température normale de fonctionnement, dans un local de chauffe fermé, et, si d'application, à capot de brûleur ou de protection installé.
  Entre la série de mesurages initiaux et la serie de mesurages finaux, le technicien est libre de procéder à tant de mesurages qu'il estime nécessaires et utiles afin de mettre l'appareil de chauffage en bon état de fonctionnement.
  Dans le cas des brûleurs à plusieurs étages, la série de mesurages initiaux et la série de mesurages finaux sont effectués séparément pour chaque étage. Une attestation de combustion correspondante est faite par étage.
  A la fin des mesurages de contrôle, les orifices de mesurage sont soigneusement obturés.
  2.2. Mesurage des paramètres.
  2.2.1. Mesurage de l'indice fumée des gaz de fumée (combustibles liquides).
  L'indice fumée est déterminé en aspirant une quantité déterminée de gaz de fumée à travers d'un papier-filtre à l'aide d'une pompe d'indice fumée normalisée.
  Ce papier-filtre filtre les restants de combustibles non-brûlés hors des gaz de fumée ce qui résulte en une tache blanche, grise ou noire sur le papier-filtre. Cette tache est visuellement comparee à dix taches de référence sur la dite échelle de Bacharach. Le numéro de la tache de référence correspondant le mieux à la tache mesurée détermine l'indice fumée des gaz de fumée.
  Après avoir testé la pompe d'indice fumée sur son bon fonctionnement (e.a. étanchéité de la pompe et du tuyau), l'extrémité du tuyau de prélèvement d'échantillon est introduite dans le flux principal par l'orifice de mesurage. Afin d'aspire le volume exacte de gaz de fumée à travers le papier-filtre, dix coups de pompe complets sont effectués.
  La longueur du tuyau de prélèvement d'échantillon est tenue la plus courte possible.
  Le modèle de pompe manuelle d'indice fumée peut être remplacé par une version electromécanique qui est réglée de sorte que le volume exact de gaz de fumée est aspiré à travers le papier-filtre.
  Une méthode opto-électronqiue équivalente pour determiner l'indice fumée peut également être appliquée.
  L'indice fumée est déterminé pour tout autre paramètre. Dans le cas où le technicien ne réussit pas à régler l'appareil de chauffage de sorte que ce dernier réponde à l'indice fumée maximal autorise, les autre paramètres ne doivent plus être déterminés. L'appareil de chauffage central est alors supposé ne pas être en bon état de fonctionnement.
  2.2.2. Mesurage de la température de l'aire de combustion (température ambiante).
  La température de l'air de combustion est mesurée, en cas d'appareils de chauffage [3 racoordés comm ]3 type B, dans les environs immédiats de la chaudière à une hauteur de ca. 1,5 mètres.
  En cas d'appareils de chauffage du type C, la température de l'air de combustion est mesurée par l'orifice de mesurage destiné à cet effet.
  2.2.3. Mesurage de la température des gaz de fumée, de la teneur en monoxyde carbone et de dioxyde de carbone, et [3 de la pression dans le conduit d'évacuation des gaz de fumée.]3.
  A cet effet, l'extrémité de la sonde de mesurage/du tuyau de prélèvement d'échantillon est introduit dans le flux principal des gaz de fumée par l'orifice de mesurage destiné à cet effet, permettant ainsi de commencer le mesurage.
  3. Evaluation du bon état de fonctionnement.
  L'appareil de chauffage est déclaré étant en bon état de fonctionnement ou non sur la base des résultats de la série de mesurages finaux.
  Chapitre II. - Exigences techniques des appareils de mesurage.
  [5 Les appareils utilisés pour mesurer les concentrations de CO, d'O2 et de CO2 dans les gaz de combustion, pour mesurer la température des gaz de combustion et la température de l'air de combustion ainsi que pour mesurer la dépression dans le conduit d'évacuation des gaz de combustion satisfont aux exigences techniques du tableau 1 de la norme NBN EN 50379-1 en ce qui concerne le mesurage de ces paramètres.
   Les appareils sont conçus de telle manière qu'ils satisfont aux conditions suivantes :
   1° il est possible de raccorder simultanément deux capteurs de température de manière à pouvoir mesurer simultanément la température des gaz de combustion et celle de l'air ambiant dans le cas de chaudières de type C ;
   2° les appareils peuvent soit réaliser une impression sur laquelle figurent les résultats des mesures effectuées ainsi que les date et heure auxquelles elles ont été effectuées, soit transférer ces résultats, sans qu'ils puissent être modifiés, vers un programme informatique capable de générer des rapports et des attestations.]5

  Pour le mesurage des différents paramètres, seuls des appareils de mesurages répondant aux exigences techniques minimales suivantes sont utilisés :
ParameterToestelResolutieAbsolute
  fout
RookindexEen lekdichte rookindexpomp, filterpapier,
  referentieschaal
 1
Zuurstof (O2)Een zuurstofanalysator0,1 %+/- 0,3 %
Koolstofdioxide (CO2)Een koolstofdioxideanalysator0,1 %+/- 0,3 %
Koolstofmonoxide (CO)Een koolstofmonoxide-analysator1 ppm+/- 20 ppm
Rookgastemperatuur OmgevingstemperatuurEen thermometer1 °C+/- 3 °C
Onderdruk/trekEen onderdrukmeter1 Pa+/- 2 Pa
ParameterToestelResolutieAbsolute
  foutRookindexEen lekdichte rookindexpomp, filterpapier,
  referentieschaal1Zuurstof (O2)Een zuurstofanalysator0,1 %+/- 0,3 %Koolstofdioxide (CO2)Een koolstofdioxideanalysator0,1 %+/- 0,3 %Koolstofmonoxide (CO)Een koolstofmonoxide-analysator1 ppm+/- 20 ppmRookgastemperatuur OmgevingstemperatuurEen thermometer1 °C+/- 3 °COnderdruk/trekEen onderdrukmeter1 Pa+/- 2 Pa
ParamètreAppareilRésolutionErreur
  absolue
Indice fuméeUne pompe d'indice fumée étanche, du papier-filtre,
  une échelle de référence
 1
Oxygène (O2)Un analyseur d'oxygène0,1 %+/- 0,3 %
Dioxyde de carbone (CO2)Un analyseur de dioxyde de carbone0,1 %+/- 0,3 %
Monoxyde de carbone (CO)Un analyseur de monoxyde de carbone1 ppm+/- 20 ppm
Température des gaz de fumée
  Température ambiante
Un thermomètre1 °C+/- 3 °C
Dépression/tirageUn mètre de dépression1 Pa+/- 2 Pa
ParamètreAppareilRésolutionErreur
  absolueIndice fuméeUne pompe d'indice fumée étanche, du papier-filtre,
  une échelle de référence1Oxygène (O2)Un analyseur d'oxygène0,1 %+/- 0,3 %Dioxyde de carbone (CO2)Un analyseur de dioxyde de carbone0,1 %+/- 0,3 %Monoxyde de carbone (CO)Un analyseur de monoxyde de carbone1 ppm+/- 20 ppmTempérature des gaz de fumée
  Température ambianteUn thermomètre1 °C+/- 3 °CDépression/tirageUn mètre de dépression1 Pa+/- 2 Pa
  [3 (NOTA : wijziging van het tabel niet opgenomen, zie B.St. 24-09-2014, p. 75270)]3
  [3 (NOTE : modification du tableau non reprise, voir M.B. 24-09-2014, p. 75935)]3
  De verschillende meettoestellen bevinden zich steeds in goede staat van werking en onderhoud.
  Vóór elke meting wordt het meettoestel gecontroleerd (goede werking, lekdichtheid) en gekalibreerd (nulpuntinstelling) volgens de voorschriften van de fabrikant. De erkende technicus moet de door hem gebruikte meettoestellen tonen aan de [2 toezichthouders]2 wanneer hem daar om gevraagd wordt.
  Elektronische meetapparatuur wordt minstens eenmaal om de twee jaar door de fabrikant of invoerder ervan nagekeken en geijkt. De fabrikant of invoerder bevestigt na controle van het apparaat een klever op de toegangswegen tot het toestel. Op deze klever wordt de datum van de laatste controle en de uiterlijke datum van de eerstvolgende controle genoteerd. De fabrikant of invoerder maakt een zogenaamd attest van goede werking van het toestel op. Dit attest van goede werking bevindt zich steeds bij het desbetreffende apparaat. De erkende technicus moet het attest tonen aan de [2 toezichthouders]2 wanneer hem daar om gevraagd wordt.
  
  Les différents appareils de mesurage se trouvent toujours en bon état de fonctionnement et d'entretien.
  Avant chaque mesurage, l'appareil de mesurage est contrôlé (bon fonctionnement, étanchéité) et calibré (mise à zéro) suivant les prescriptions du fabricant. Le technicien agréé doit montrer les appareils qu'il utilise [2 à l'autorité de contrôle]2 lorsque tel lui est demandé.
  Les appareils électroniques sont contrôlés et étalonnés au moins tous les deux ans par le fabricant ou l'importateur. Le fabricant ou l'importateur applique un autocollant sur les voies d'accès à l'appareil après son contrôle. Cet autocollant mentionne la date du dernier contrôle et la date limite du prochain contrôle. Le fabricant ou l'importateur établit une attestation du bon fonctionnement de l'appareil. Cette attestation accompagne toujours l'appareil concerné. Le technicien agréé doit montrer l'attestation [2 à l'autorité de contrôle]2 lorsque tel lui est demandé.
  
Art. N2. Bijlage II. - Eenheden, conversies en berekeningsformules.
  1. Druk.
  Eenheid : Pa (Pascal).
  Omzettingen :
  1 mm H2O = 9,81 Pa;
  1 bar = 100 000 Pa;
  1 mbar = 1 hPa;
  1 mm Hg = 13,6 mm H2O.
  2. Temperatuur.
  Eenheid : °C (graden Celsius).
  Omzettingen : T (in Kelvin) = t (in °C) + 273.
  3. Vloeibare brandstof : conversie van het CO-gehalte in de rookgassen.
  De emissiegrenswaarde voor het CO-gehalte in de rookgassen (zie artikel 4) is bepaald in massa per kilowatt-uur (mg/kWh) uitgaande van een zuurstofgehalte in de rookgassen van 0 volumepercent. Om het gemeten CO-gehalte in de rookgassen te kunnen vergelijken met de emissiegrenswaarde moet het eerst van het gemeten zuurstofpercentage in de rookgassen teruggebracht worden naar het referentiezuurstofpercentage van 0 %, en dan geconverteerd worden naar de eenheid mg/kWh.
  3.1. [2 Omrekening van het gemeten gehalte bij de gemeten zuurstofovermaat naar het gehalte bij de referentiezuurstofovermaat
   W (g %O2) = [(21-g) / (21 - Y)] * M
   metW = gewenste emissiewaarde bij gewenste zuurstofovermaat g
   M = gemeten emissiewaarde bij de gemeten zuurstofovermaat y
   Y = gemeten zuurstofovermaat
   g = gewenste zuurstofovermaat]2

  3.2. Conversie naar een andere eenheid bij de referentiezuurstofovermaat van 0 %.
Art. N2. Annexe II. Unites, conversions et formules de calcul.
  1. Pression.
  Unité : Pa (Pascal).
  Conversions :
  1 mm H2O = 9,81 Pa;
  1 bar = 100 000 Pa;
  1 mbar = 1 hPa;
  1 mm Hg = 13,6 mm H2O.
  2. Température.
  Unité : °C (degrés Celsius).
  Conversions : T (en Kelvin) = t (in °C) + 273.
  3. Combustibles liquides : conversion de la teneur en CO dans les gaz de fumée.
  La valeur d'émission limite de la teneur en CO dans les gaz de fumée (voir article 4) est exprimée en masse par kilowatt/heure (mg/kWh) en partant d'une teneur en oxygène dans les gaz de fumée de 0 pourcentage de volume. Afin de pouvoir comparer la teneur en CO dans les fumées de gaz à la valeur d'émission limite, le premier des pourcentages d'oxygene mesurés dans les gaz de fumée doit être ramené au pourcentage d'oxygène de référence de 0 % et puis converti en l'unité mg/kWh.
  3.1.[2 Conversion de la teneur mesurée pour un excès d'oxygène mesuré en teneur pour un excès d'oxygène de référence
   W (g %O2) = [(21-g) / (21 - y )] * M
   où W = la valeur d'émission souhaitée à l'excès d'oxygène souhaité g
   M = la valeur d'émission mesurée pour un excès d'oxygène mesuré y
   y = l'excès d'oxygène mesuré
   g = l'excès d'oxygène souhaité]2

  3.2. Conversion en une autre unité pour un surplus d'oxygène de référence de 0 %.
O2 = 0 %CO  
 1 ppm = [1 1,101 mg/kWh]1
 1 mg/m3 = 0,889 mg/kWh
(1)<BVR 2008-09-12/37, art. 16, 002; Inwerkingtreding : 10-11-2008>
O2 = 0 %CO1 ppm =[1 1,101 mg/kWh]11 mg/m3 =0,889 mg/kWh(1)
 CO 
O2 = 0 %1 ppm =[1 1,101 mg/kWh]1
 1 mg/m3 =0,889 mg/kWh
(1)<AGF 2008-09-12/37, art. 16, 002; En vigueur : 10-11-2008>
COO2 = 0 %1 ppm =[1 1,101 mg/kWh]11 mg/m3 =0,889 mg/kWh(1)
  4. [2 Berekening van het verbrandingsrendement
   Het verbrandingsrendement (η Hi) wordt berekend met de volgende formule:
   η Hi = 100 - [(tg -ta) * (A2/(21 - %O2) + B)]
   met %O2 = zuurstofpercentage gemeten in de verbrandingsgassen (volumeprocent)
   tg = temperatuur van de verbrandingsgassen
   ta = temperatuur van de verbrandingslucht (omgevingstemperatuur)
   A2 en B = parameters afhankelijk van de brandstof:
  4. [2 Calcul du rendement de combustion
   Le rendement de combustion (η Hi) est calculé au moyen de la formule suivante :
   η Hi = 100 - [(tg -ta) * (A2/(21 - %O2) + B)]
   où %O2 = pourcentage d'oxygène mesuré dans les gaz de combustion (pourcentage en volume)
   tg = température des gaz de combustion
   ta = température de l'air de combustion (température ambiante)
   A2 et B = paramètres en fonction du combustible :
brandstof A2 B
aardgas 0,65 0,009
propaan 0,63 0,008
stookolie 0,68 0,007
brandstof A2 Baardgas 0,65 0,009propaan 0,63 0,008stookolie 0,68 0,007
]2
  5. Gasvormige brandstof : conversie van het gemeten CO-gehalte in de rookgassen.
  De emissiegrenswaarde voor het CO-gehalte in de rookgassen (zie artikel 5) is bepaald in massa per kilowatt-uur (mg/kWh) uitgaande van een zuurstofgehalte in de rookgassen van 0 volumepercent. Om het gemeten CO-gehalte in de rookgassen te kunnen vergelijken met de emissiegrenswaarde moet het eerst van het gemeten zuurstofpercentage in de rookgassen teruggebracht worden naar het referentiezuurstofpercentage van 0 %, en dan geconverteerd worden naar de eenheid mg/kWh.
  5.1. Omrekening van het gemeten gehalte bij de gemeten zuurstofovermaat naar het gehalte bij de referentiezuurstofovermaat.
  W (g % O2) = ((21-g)/(21 - 'gamma') * M
  met :
  W = gewenste emissiewaarde bij gewenste zuurstofovermaat g;
  M = gemeten emissiewaarde bij de gemeten zuurstofovermaat 'gamma';
  'gamma' = gemeten zuurstofovermaat;
  g = gewenste zuurstofovermaat.
  5.2. Conversie naar een andere eenheid bij de referentiezuurstofovermaat van 0 %.
combustible A2 B
gaz naturel 0,65 0,009
propane 0,63 0,008
mazout 0,68 0,007
combustible A2 Bgaz naturel 0,65 0,009propane 0,63 0,008mazout 0,68 0,007
]2
  5. Combustibles gazeux : conversion de la teneur en CO mesurée dans les gaz de fumée.
  La valeur d'émission limite de la teneur en CO dans les gaz de fumée (voir article 5) est exprimée en masse par kilowatt/heure (mg/kWh) en partant d'une teneur en oxygène dans les gaz de fumée de 0 pourcentage de volume. Afin de pouvoir comparer la teneur en CO dans les fumées de gaz à la valeur d'émission limite, le premier des pourcentages d'oxygène mesurés dans les gaz de fumée doit être ramené au pourcentage d'oxygène de référence de 0 % et puis converti en l'unité mg/kWh.
  5.1. Conversion de la teneur mesurée pour le surplus d'oxygène mesuré en la teneur pour le surplus d'oxygène de référence.
  W (g % O2) = ((21-g)/(21 - 'gamma') * M
  avec :
  W = valeur d'émission voulue pour un surplus d'oxygène voulu g;
  M = valeur d'émission mesurée pour un surplus d'oxygène mesuré;
  'gamma' = surplus d'oxygène mesuré;
  g = surplus d'oxygène voulu.
  5.2. Conversion en une autre unité pour un surplus d'oxygène de référence de 0 %.
 COAardgas (G20)Aardgas (G25)LPG (G30)
O2 = 0 %1 ppm =1,074 mg/kWh1,095 mg/kWh1,091 mg/kWh
 1 mg/m3 =0,859 mg/kWh0,875 mg/kWh0,872 mg/kWh
COAardgas (G20)Aardgas (G25)LPG (G30)O2 = 0 %1 ppm =1,074 mg/kWh1,095 mg/kWh1,091 mg/kWh1 mg/m3 =0,859 mg/kWh0,875 mg/kWh0,872 mg/kWh
 COGaz naturel (G20)Gaz naturel (G25)LPG (G30)
O2 = 0 %1 ppm =1,074 mg/kWh1,095 mg/kWh1,091 mg/kWh
 1 mg/m3 =0,859 mg/kWh0,875 mg/kWh0,872 mg/kWh
COGaz naturel (G20)Gaz naturel (G25)LPG (G30)O2 = 0 %1 ppm =1,074 mg/kWh1,095 mg/kWh1,091 mg/kWh1 mg/m3 =0,859 mg/kWh0,875 mg/kWh0,872 mg/kWh
  (2)
  (2)
Art. N3. Bijlage III. - Modellen van attesten en rapporten.
Art. N3. Annexe III. - Modèles des attestations et rapports.
Art. 1N3. I. Model van het reinigingsattest.
  (Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 27-04-2007, p. 22580).
Art. 1N3. I. Modèle de l'attestation de nettoyage.
  (Modèle non repris pour des raisons techniques. Voir MB 27-04-2007, p. 22603).
  GEWIJZIGD BIJ :
  
  
  
  MODIFIE PAR :
  
  
  
Art. 2N3. II. Model van het verbrandingsattest.
  (Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 27-04-2007, p. 22581).
Art. 2N3. II. Modèle de l'attestation de combustion.
  (Modèle non repris pour des raisons techniques. Voir MB 27-04-2007, p. 22604).
  GEWIJZIGD BIJ :
  
  
  MODIFIE PAR :
  
  
Art. 3N3. III. Inhoud van het keuringsrapport.
  Het verslag van de keuring voor de eerste ingebruikname van een nieuw stooktoestel, bevat minstens de volgende gegevens en elementen bevat in duidelijk leesbare alfanumerieke tekens :
  a) de naam en het adres van de eigenaar van het stooktoestel, of van zijn aangestelde;
  b) het adres van de plaats waar het stooktoestel staat;
  c) de kenmerken van het stooktoestel;
  d) een overzicht van de verschillende delen van de keuring met de vermelding van het resultaat;
  e) de volledige eindbeoordeling van het stooktoestel, [1 het rookgasafvoerkanaal]1 en het stooklokaal (conform/niet conform);
  f) de datum van de keuring;
  g) de naam en de handtekening van de keurder;
  h) het erkenningsnummer;
  i) [1 de naam van het keuringsbedrijf, het adres en het ondernemingsnummer;]1
  j) vastgestelde gebreken en noodzakelijke maatregelen om deze weg te werken;
  k) de handtekening van de eigenaar van het stooktoestel, of van zijn aangestelde, voorafgegaan door de vermelding " voor kennisname ".
  
Art. 3N3. III. Contenu du rapport d'inspection.
  Le rapport de l'inspection de la première mise en marche d'un nouvel appareil de chauffage, comprend au moins les données et éléments suivants en caractères alphanumériques clairement lisibles :
  a) le nom et l'adresse du propriétaire de l'appareil de chauffe, ou de son préposé;
  b) l'adresse de l'endroit ou l'appareil de chauffe où se trouve;
  c) les caractéristiques de l'appareil de chauffe;
  d) un aperçu des différentes parties de l'inspection avec mention du résultat;
  e) l'évaluation finale complète de l'appareil de chauffe, [1 du conduit d'évacuation des gaz de fumée]1 et du local de chauffe (conforme/non conforme);
  f) la date de l'inspection;
  g) le nom et la signature de l'inspecteur;
  h) le numéro d'agrément;
  i) [1 le nom de l'organisme de contrôle, l'adresse et le numéro d'entreprise;]1
  j) défauts constatés et mesures nécessaires afin de les éliminer;
  k) la signature du propriétaire de l'appareil de chauffe, ou de son préposé, précédée par la mention " pour connaissance ".