Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
9 FEBRUARI 2007. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de preventie van de veteranenziekte op publiek toegankelijke plaatsen (aangehaald als : het Legionellabesluit)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 04-05-2007 en tekstbijwerking tot 30-06-2023)
Titre
9 FEVRIER 2007. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif à la prévention de la maladie du légionnaire dans des espaces accessibles au public (TRADUCTION) (cité comme : l'arrêté Legionella)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 04-05-2007 et mise à jour au 30-06-2023)
Documentinformatie
Numac: 2007035393
Datum: 2007-02-09
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2007035393
Date: 2007-02-09
Moniteur: Voir
Tekst (68)
Texte (68)
HOOFDSTUK I. - Definities.
CHAPITRE Ier. - Définitions.
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° aerosol : nevel van in de lucht verdeelde zeer fijne vloeistofdeeltjes;
2° aerosolproducerende installatie : systeem waaronder watervoorzieningen in hoog- en matigrisico-inrichtingen, koeltorens, klimaatregelingssystemen met luchtvochtigheidsbehandeling met waterinjectie in hoog- en matigrisico-inrichtingen, whirlpools en andere watersystemen, waarbij het water in contact wordt gebracht met de lucht en waarbij aerosol kan ontstaan;
[1 ...]1
4° alternatieve beheersmaatregel : beheersmaatregel om legionellakiemen in het uitstromende water te beperken, die geen temperatuurbeheersing is;
5° beheersmaatregelen : maatregelen die bestaan uit controlemaatregelen, voorkomingsmaatregelen en correctieve maatregelen;
6° BBT : best beschikbare techniek : het meest doeltreffende en geavanceerde ontwikkelingsstadium van activiteiten en exploitatiemethoden om de aanwezigheid van Legionella pneumophila in concentraties die hoger zijn dan het niveau van verhoogde waakzaamheid te voorkomen of te bestrijden :
a) technieken : zowel de technieken als de wijze waarop de installatie wordt ontworpen, gebouwd, onderhouden en geëxploiteerd;
b) beschikbare : op zodanige schaal ontwikkeld dat de technieken, kosten en baten die in aanmerking genomen worden, economisch en technisch haalbaar en praktisch hanteerbaar zijn in de specifieke gebruikscontext;
c) beste : het meest doeltreffend om een hoog algemeen niveau van bescherming van het milieu en de volksgezondheid in haar geheel te bereiken;
7° bestaande inrichting : inrichting die reeds in gebruik is genomen voor de inwerkingtreding van dit besluit of waarvoor de bouwvergunning aangevraagd wordt maximaal zes maanden na de inwerkingtreding van dit besluit;
8° bestaande koeltoren : koeltoren die reeds in gebruik is genomen voor de inwerkingtreding van dit besluit of waarvoor de bouwvergunning aangevraagd wordt maximaal een jaar na de inwerkingtreding van dit besluit;
9° collectief : potentieel betrekking hebbend op vijftien of meer personen per dag, met uitzondering van werknemers;
10° controlemaatregelen : maatregelen die het mogelijk maken na te gaan of de werkingsvoorwaarden van de aerosolproducerende installatie van die aard zijn dat er geen omstandigheden optreden die de ontwikkeling van legionellabacteriën bevorderen;
11° correctieve maatregelen : maatregelen die moeten worden genomen om het gevaar te reduceren tot een aanvaardbaar niveau als inzake legionellagroei een ongewenste toestand vastgesteld wordt;
12° decreet : het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid;
[1 12° /1 departement: het Departement Zorg, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023 over het Departement Zorg;]1
13° exploitant : uitbater of beheerder van een inrichting;
14° exposant : deelnemer aan een expositie;
15° expositie : het al dan niet voor commerciële doeleinden tentoonstellen van aerosolproducerende installaties;
16° expositieruimte : inrichting waar exposities worden georganiseerd;
17° gevoelige personen :
personen met :
a) ernstige immuunsuppressie;
b) kanker;
c) ernstig nierlijden;
d) aids;
e) diabetes;
f) chronisch longlijden;
of personen die behoren tot een van de volgende bevolkingsgroepen :
a) personen vanaf 65 jaar;
b) rokers;
18° hoogrisico-inrichting : voor het publiek toegankelijke inrichting die gericht is op de behandeling, verzorging of huisvesting van gevoelige personen;
19° inrichting : al dan niet overdekte locatie, ruimte, gebouw of bedrijf waar een of meer aerosolproducerende installaties aanwezig zijn die, wat de veteranenziekte betreft, een risico kunnen vormen voor de volksgezondheid;
20° klimaatregelingssysteem met luchtvochtigheidsbehandeling met waterinjectie : systeem dat de vochtigheidsgraad van de lucht, die binnen het gebouw verspreid wordt, regelt door rechtstreeks contact met water. Het betreft onder andere bevochtiging met sproeiers, bevochtiging over een bevochtigingspakket of bevochtiging over gespannen draden;
21° koeltoren : systeem dat toelaat warmte van een proces naar de omgeving af te voeren, waarbij water rechtstreeks in contact wordt gebracht met de lucht en waarbij aerosol kan ontstaan. Meerdere koeltorens die eenzelfde proces bedienen, zelfs al worden ze trapsgewijze ingeschakeld, worden beschouwd als één enkele koeltoren :
a) koeltoren met natuurlijke trek : koeltoren waarin de luchtstroming het gevolg is van het temperatuurverschil tussen de lucht in de toren en die erbuiten;
b) koeltoren met geforceerde trek : koeltoren waarin de luchtstroming op gang gebracht wordt door een ventilator;
22° matigrisico-inrichting : elke voor het publiek toegankelijke inrichting met een collectieve warmwatervoorziening;
23° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid;
24° nieuwe inrichting : inrichting waarvoor de bouwvergunning aangevraagd wordt minimaal zes maanden na de inwerkingtreding van dit besluit;
25° nieuwe koeltoren : koeltoren waarvoor de bouwvergunning aangevraagd wordt minimaal een jaar na de inwerkingtreding van dit besluit;
26° preventiemaatregelen : het deel van de exploitatiemethoden dat bestaat uit structurele maatregelen en beheersmaatregelen om het legionellose- risico terug te dringen;
27° proefproject : project van een onderzoeker of een producent om een goedkeuring te verkrijgen voor een of meer alternatieve beheersmaatregelen;
28° voor het publiek toegankelijke plaatsen : al dan niet overdekte gebouwen, locaties, ruimten, waar onder andere :
a) al dan niet tegen betaling, aan het publiek diensten worden verstrekt, met inbegrip van plaatsen waar voedingsmiddelen of dranken ter consumptie worden aangeboden;
b) zieken of bejaarden worden opgevangen of verzorgd;
c) preventieve of curatieve gezondheidszorg wordt verstrekt;
d) kinderen, jongeren of studenten worden opgevangen, gehuisvest of verzorgd;
e) onderwijs of beroepsopleiding wordt verstrekt;
f) vertoningen plaatsvinden;
g) tentoonstellingen worden georganiseerd;
h) sport wordt beoefend;
i) openluchtrecreatieve bedrijven, zoals kampeerterreinen en kampeerverblijfparken, gevestigd zijn;
29° structurele maatregelen : maatregelen om de aerosolproducerende installatie aan te passen zodat de legionellagroei wordt tegengegaan;
30° temperatuurbeheersing : beheersmaatregel die toelaat de groei van de legionellakiemen te verhinderen of ze af te doden door de temperatuur van het water buiten het interval 25 à 55 °C te houden;
31° veteranenziekte : een longontsteking die veroorzaakt wordt door de bacterie Legionella pneumophila;
32° Afdeling Toezicht Volksgezondheid : de personeelsleden van de afdeling die onder meer belast zijn met taken inzake milieugezondheid;
33° voorkomingsmaatregelen : maatregelen die vermijden dat bepaalde werkingsvoorwaarden leiden tot een risicosituatie voor de groei van legionellakiemen;
34° water bestemd voor menselijke consumptie : water dat onbehandeld of na behandeling bestemd is om te drinken, te koken, voedsel te bereiden of dat bestemd is voor andere huishoudelijke doeleinden, ongeacht de herkomst en ongeacht of het water wordt geleverd via een waterdistributienetwerk of via een private waterwinning;
35° watervoorziening : een distributiesysteem voor water, vanaf het punt van de levering of, in geval van privaat putwater, vanaf het punt van waterwinning tot en met elk tappunt, met inbegrip van alle onderdelen die ermee in verbinding staan, met uitzondering van de systemen waarop alleen toiletten of wastafels zonder douchesystemen aangesloten zijn.
Article 1. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
1° aérosol : nébulisation de particules liquides extrêmement fines distribuées dans l'air;
2° installation produisant des aérosols : système, e.a. les alimentations en eau dans des établissements à haut risque et à risque moyen, les tours aéroréfrigérantes, les systèmes de climatisation avec humidification par injection d'eau dans des établissements à haut risque et à risque moyen, les whirlpools et autres systèmes d'eau où l'eau est mise en contact avec l'air, déclenchant ainsi éventuellement des aérosols;
[1 ...]1
4° mesure de gestion alternative : la mesure de gestion visant à limiter les germes de Legionella dans l'eau d'écoulement, n'impliquant pas une maîtrise de la température;
5° mesures de gestion : mesures se composant de mesures de contrôle, de prévention et de correction;
6° BBT : best beschikbare techniek (meilleure technique disponible) : la phase la plus efficace et avancée de développement d'activités et de méthodes d'exploitation pour prévenir ou combattre la présence de Legionella pneumophila en des densités dépassant le niveau de vigilance accrue :
a) techniques : tant les techniques que le mode suivant lequel l'installation est conçue, construite, entretenue et exploitée;
b) disponibles : développées à une telle échelle, que les techniques, les frais et les bénéfices étant pris en considération sont réalisables au niveau économique et technique et peuvent être utilisés dans le contexte spécifique;
c) meilleures : le plus efficace pour atteindre un niveau élevé de protection de l'environnement et de la santé publique dans son ensemble;
7° établissement existant : établissement déjà mis en service avant l'entrée en vigueur du présent arrêté ou pour lequel la demande du permis de bâtir est faite dans les six mois de l'entrée en vigueur du présent arrêté;
8° tour aéroréfrigérante existante : tour aéroréfrigérante déjà mise en service avant l'entrée en vigueur du présent arrêté ou pour laquelle la demande du permis de bâtir est faite dans un délai de un an au maximum de l'entrée en vigueur du présent arrêté;
9° collectif : pouvant avoir trait à quinze personnes ou plus par jour, à l'exception des travailleurs;
10° mesures de contrôle : mesures permettant de vérifier si les conditions de fonctionnement de l'installation produisant des aérosols sont de nature à ne pas créer des circonstances stimulant le développement de bactéries Legionella;
11° mesures de correction : mesures devant être prises pour réduire le danger à un niveau acceptable quand une situation non souhaitée de croissance de bactéries Legionella est constatée;
12° décret : le décret du 21 novembre 2003 relatif à la politique de santé préventive;
[1 12° /1 département : le Département Soins, visé à l'article 2, alinéa 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2023 relatif au Département Soins;]1
13° exploitant : l'exploitant ou le gestionnaire d'un établissement;
14° exposant : participant à une exposition;
15° exposition : le fait d'exposer des installations produisant des aérosols, pour des objectifs commerciaux ou non;
16° espace d'exposition : établissement où sont organisées des expositions;
17° personnes sensibles :
personnes atteintes :
a) d'une suppression grave du système immunitaire;
b) d'un cancer;
c) d'une affection grave des reins;
d) du SIDA;
e) de diabète;
f) d'une affection chronique des poumons;
ou les personnes appartenant aux groupes de population suivants :
a) les personnes âgés de 65 ans et plus;
b) les fumeurs;
18° établissement à haut risque : établissement accessible au public et destiné au traitement, aux soins ou à l'hébergement de personnes sensibles;
19° établissement : implantation, espace, bâtiment ou entreprise couverts ou non, où se trouvent des installations produisant des aérosols, qui, à la lumière de la maladie du légionnaire, peuvent présenter un risque pour la santé publique;
20° système de climatisation avec humidification par injection d'eau : système réglant, par un contact direct avec de l'eau, le degré d'humidité de l'air destiné à être réparti dans l'immeuble. Il s'agit entre autres de l'humidification par des arroseurs, au moyen d'un ensemble d'humidification ou via des fils tendus;
21° tour aéroréfrigérante : système permettant que la chaleur d'un processus soit transportée vers les environs et où l'eau est mise en contact direct avec l'air ambiant, déclenchant ainsi éventuellement des aérosols. Plusieurs tours aéroréfrigérantes qui actionnent un même processus, même si elles sont mises en marche graduellement, sont considérées comme une seule tour aéroréfrigérante;
a) tour aéroréfrigérante à tirage naturel : tour aéroréfrigérante dans laquelle le courant d'air est occasionné par l'écart de température entre l'air dans la tour et celui en dehors de la tour;
b) tour aéroréfrigérante à tirage forcé : tour aéroréfrigérante dans laquelle le courant d'air est engendré par un ventilateur;
22° établissement à risque moyen : tout établissement accessible au public disposant d'une alimentation collective en eau chaude;
23° Ministre : le Ministre flamand chargé de la politique en matière de santé;
24° nouvel établissement : établissement pour lequel la demande du permis de bâtir est faite dans les six mois de l'entrée en vigueur du présent arrêté;
25° nouvelle tour aéroréfrigérante : tour aéroréfrigérante pour laquelle la demande du permis de bâtir est faite dans un délai de un an au maximum de l'entrée en vigueur du présent arrêté;
26° mesures de prévention : la partie des méthodes d'exploitation impliquant des mesures structurelles et des mesures de gestion visant à restreindre le risque de légionellose;
27° projet pilote : projet introduit par un chercheur ou un producteur visant à obtenir une approbation pour une ou plusieurs mesures de gestion alternatives;
28° espaces accessibles au public : bâtiments, implantations, espaces couverts ou non, où entre autres :
a) des services payants ou non sont fournis au public, y compris les lieux où des denrées alimentaires ou des boissons sont offertes à la consommation;
b) des malades ou des personnes âgées sont accueillis et soignés;
c) des soins de santé préventifs ou curatifs sont délivrés;
d) des enfants, jeunes ou étudiants sont accueillis, hébergés ou soignés;
e) un enseignement et/ou une formation professionnelle sont dispensés;
f) des représentations ont lieu;
g) des expositions sont organisées;
h) des sports sont pratiqués;
i) sont situées des entreprises de récréation en plein air, telles que des terrains de camping et des parcs résidentiels de camping;
29° mesures structurelles : mesures destinées à adapter l'installation productrice d'aérosols de manière à combattre la croissance de Legionella;
30° maîtrise de la température : mesure de gestion permettant de combattre la croissance des germes de Legionella ou de les détruire, en maintenant la température de l'eau en dehors de l'intervalle 25 à 55 °C;
31° maladie du légionnaire : une pneumonie causée par la bactérie Legionella pneumophila;
32° Division Surveillance de la Santé publique : les membres du personnel de la division chargés entre autres des tâches en matière de santé environnementale;
33° mesures de prévention : mesures à prendre afin d'éviter que certaines conditions de fonctionnement conduisent à une situation à risque pour la croissance de germes de Legionella;
34° eaux destinées à la consommation humaine : toutes les eaux, soit en l'état, soit après traitement, destinées à la boisson, à la cuisson, à la préparation d'aliments ou à d'autres usages domestiques, quelle que soit leur origine et qu'elles soient fournies par un réseau public de distribution d'eau par canalisations ou à partir d'une prise d'eau privée;
35° alimentation en eau : un système de distribution d'eau, à partir du point d'alimentation ou, en cas d'eau de puits privée, à partir du point du captage d'eau, jusqu'à la prise d'eau, y compris toutes les pièces qui y sont raccordées, à l'exception des systèmes sur lesquels sont uniquement branchés des toilettes ou lavabos sans systèmes de douche.
HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied.
CHAPITRE II. - Champ d'application.
Art. 2. Ter uitvoering van artikelen 39 tot en met 42 van het decreet bepaalt dit besluit maatregelen tegen Legionella pneumophila ter voorkoming van de veteranenziekte.
Art. 2. En exécution des articles 39 à 42 inclus du décret, le présent arrêté fixe des mesures contre la Legionella pneumophila, pour la prévention de la maladie du légionnaire.
Art. 3. Dit besluit is van toepassing op alle inrichtingen en exposities.
Art. 3. Le présent arrêté s'applique à tous les établissements et toutes les expositions.
HOOFDSTUK III. - Maatregelen.
CHAPITRE III. - Mesures.
Afdeling I. - Maatregelen voor watervoorzieningen.
Section Ier. - Mesures pour les alimentations en eau.
Onderafdeling I. - Hoogrisico-inrichtingen.
Sous-section Ier. - Etablissements à haut risque.
Art. 4. In alle nieuwe hoogrisico-inrichtingen moeten de watervoorzieningen gebouwd en geëxploiteerd worden volgens de BBT.
Art. 4. Dans tous les nouveaux établissements à haut risque, les alimentations en eau doivent être construites et exploitées suivant la BBT.
Art. 5. Bij elke verbouwing wordt rekening gehouden met dit besluit.
Art. 5. Toute transformation ultérieure doit être effectuée compte tenu du présent arrêté.
Art. 6. § 1. De exploitant van een hoogrisico-inrichting moet voor alle watervoorzieningen van die inrichting een beheersplan hebben.
§ 2. Voor de bestaande inrichtingen met watervoorzieningen, in gebruik genomen voor de inwerkingtreding van dit besluit, moet een beheersplan opgesteld worden uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding van dit besluit. Voor andere bestaande en nieuwe inrichtingen met watervoorzieningen moet voor de eerste ingebruikname een beheersplan opgesteld worden.
§ 3. Het beheersplan bevat minimaal de identificatie- en contactgegevens van de exploitant, een technische beschrijving, een risicoanalyse en preventiemaatregelen met betrekking tot de watervoorziening.
Bij iedere wijziging van de watervoorziening, het gebruik daarvan of wijzigingen in de omgevingsfactoren die een invloed kunnen hebben op het risico wordt het beheersplan geëvalueerd, eventueel bijgestuurd, en worden de preventiemaatregelen met de BBT in overeenstemming gebracht.
§ 4. De risicoanalyse bevat een evaluatie van de watervoorziening met als doel de risicopunten te identificeren voor de groei van de legionellabacterie en aerosolvorming, zowel op bouwtechnisch als op bedrijfstechnisch vlak.
§ 5. De standaardbeheersmaatregel is temperatuurbeheersing.
Art. 6. § 1er. L'exploitant d'un établissement à haut risque doit avoir un plan de gestion pour toutes les alimentations en eau de cet établissement.
§ 2. Pour les établissements existants avec des alimentations en eau ayant été mis en service avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, un plan de gestion doit être établi au plus tard un an après l'entrée en vigueur du présent arrêté. Pour les autres établissements existants et nouveaux avec des alimentations en eau, il y a lieu d'établir un plan de gestion avant la première mise en service.
§ 3. Le plan de gestion comprend au moins les données d'identification et les coordonnées de l'exploitant, une description technique, une analyse des risques et des mesures de prévention concernant l'alimentation en eau.
Lors de chaque modification de l'alimentation en eau, lors de l'usage de celle-ci ou lors de modifications dans les conditions susceptibles d'influencer le risque, le plan de gestion est évalué et éventuellement rectifié, et les mesures de prévention sont rendues conformes à la BBT.
§ 4. L'analyse des risques comprend une évaluation de l'alimentation en eau, en vue d'identifier les risques concernant la croissance de la bactérie Legionella et la formation des aérosols, tant au niveau de la technique de la construction qu'au niveau de la technique de l'entreprise.
§ 5. La mesure de gestion standard est la maîtrise de la température.
Art. 7. De maatregelen, vermeld in het beheersplan, mogen geen onevenredige neveneffecten hebben voor de volksgezondheid en het milieu.
Als de preventiemaatregelen het spoelen van waterleidingen met heet water omvatten, bevat het beheersplan een omschrijving van de getroffen voorzieningen om het risico voor verbranding bij personen te voorkomen.
Art. 7. Les mesures mentionnées dans le plan de gestion ne peuvent avoir des effets secondaires disproportionnés pour la santé publique et l'environnement.
Si les mesures de prévention comprennent le rinçage des conduites d'eau avec de l'eau bouillante, le plan de gestion comporte une description des dispositions prises visant à prévenir des brûlures.
Art. 8. De exploitant is verplicht het beheersplan uit te voeren en de genomen maatregelen en de bijhorende relevante gegevens te noteren in een register. Dat register ligt ter inzage van de personen, vermeld in artikelen 40 en 42 van het decreet.
Art. 8. L'exploitant est tenu d'appliquer le plan de gestion et d'inscrire les mesures prises et les données pertinentes y afférentes dans un registre. Le registre peut être consulté par les personnes visées aux articles 40 et 42 du décret.
Art. 9. § 1. Staalname moet uitgevoerd worden op de plaatsen en met de frequentie die aangegeven zijn in het beheersplan. De staalname moet uitgevoerd worden volgens een erkende methode en de stalen moeten door een geaccrediteerd of erkend laboratorium onderzocht worden.
De exploitant is vrijgesteld van staalname als een installatie en de beheersmaatregelen volledig voldoen aan de BBT.
§ 2. Het niveau van waakzaamheid wordt bereikt als 30 procent of meer van de stalen de drempelwaarde van 1.000 kolonievormende eenheden (KVE) Legionella pneumophila per liter overschrijden. De exploitant moet, in samenwerking met de artsen die verbonden zijn aan de inrichting, de waakzaamheid voor mogelijke legionella-infecties bij personen binnen zijn inrichting opvoeren.
§ 3. Het niveau van verhoogde waakzaamheid wordt bereikt als 30 procent of meer van de stalen de drempelwaarde van 10.000 kolonievormende eenheden (KVE) Legionella pneumophila per liter overschrijden. De exploitant vult de maatregelen, vermeld in artikel 9, § 2, aan met de volgende maatregelen :
De exploitant onderwerpt het beheersplan, de uitvoering ervan en het watersysteem aan een kritische beoordeling. Eventuele aanvullende beheersmaatregelen moeten genomen worden om het aantal Legionella pneumophila te doen dalen tot minder dan 10.000 KVE/liter. De staalnamefrequentie moet opgevoerd worden tot maandelijkse controles. Als het aantal Legionella pneumophila daalt tot onder 10.000 KVE/liter, kan de staalnamefrequentie weer verminderd worden.
§ 4. Het niveau van melding wordt bereikt als :
1° in drie opeenvolgende meetcampagnes het niveau van verhoogde waakzaamheid wordt bereikt;
2° drie opeenvolgende stalen die op hetzelfde punt genomen zijn, het niveau van 10.000 KVE/l overschrijden;
3° 30 of meer procent van de stalen de drempelwaarde van 100.000 KVE/liter overschrijden;
§ 5. Als het niveau van melding wordt bereikt, vult de exploitant de maatregelen, vermeld in § 2 en § 3, aan met de volgende maatregelen :
1° de exploitant brengt de afdeling Toezicht Volksgezondheid onmiddellijk op de hoogte en het gebruik van aerosolproducerende installaties wordt stopgezet;
2° in overleg met de Afdeling Toezicht Volksgezondheid neemt de exploitant alle maatregelen die nodig zijn om het aantal legionellakiemen in het watersysteem en het risico op besmettingen te reduceren;
3° alleen als uit analyse van staalnames op representatieve plaatsen blijkt dat de concentratie Legionella pneumophila lager is dan 100.000 KVE/liter, mag de aerosolproducerende installatie weer in gebruik genomen worden;
4° het systeem dat weer in gebruik genomen is, vermeld in 3°, wordt minstens gedurende drie maanden gevolgd volgens een intensief staalnameplan, overeengekomen met de Afdeling Toezicht Volksgezondheid.
Art. 9. § 1er. Un prélèvement d'échantillons doit être effectué aux endroits et avec la fréquence indiqués dans le plan de gestion. Le prélèvement d'échantillons doit être effectué selon une méthode agréée et les échantillons doivent être contrôlés par un laboratoire accrédité ou agréé.
L'exploitant est exempté d'échantillonnage si une installation et les mesures de gestion sont entièrement conformes à la BBT.
§ 2. Le niveau de vigilance est atteint lorsque 30 pour cent ou plus des échantillons dépassent la valeur seuil de 1.000 unités formant colonie (UFC) de Legionella pneumophila par litre. L'exploitant doit, en collaboration avec les médecins rattachés à l'établissement, augmenter la vigilance pour l'apparition éventuelle d'infections à Legionella chez des personnes dans son établissement.
§ 3. Le niveau de vigilance accrue est atteint lorsque 30 pour cent ou plus des échantillons dépassent la valeur seuil de 10.000 unités formant colonie (UFC) de Legionella pneumophila par litre. L'exploitant complète les mesures mentionnées à l'article 9, § 2, des mesures suivantes :
L'exploitant soumet le plan de gestion, sa mise en oeuvre et le système d'eau à une évaluation critique. D'éventuelles mesures de gestion complémentaires doivent être prises afin de réduire la concentration de la Legionella pneumophila jusque moins de 10.000 UFC/litre. La fréquence des échantillonnages doit être augmentée jusqu'à un contrôle par mois. Si le nombre de bactéries de Legionella pneumophila baisse en dessous de 10.000 UFC/litre, la fréquence des échantillonnages peut à nouveau être réduite.
§ 4. Le niveau de notification est atteint si :
1° lors de trois campagnes successives de mesurage, le niveau de vigilance accrue est atteint;
2° trois échantillons successives pris au même endroit dépassent le niveau de 10.000 UFC/l;
3° 30 pour cent ou plus des échantillons dépassent la valeur seuil de 100.000 UFC/litre;
§ 5. Si le niveau de notification est atteint, l'exploitant complète les mesures visées aux §§ 2 et 3 des mesures suivantes :
1° l'exploitant avertit immédiatement la Division Surveillance de la Santé publique et l'utilisation des installations produisant des aérosols est arrêtée;
2° en concertation avec la Division Surveillance de la Santé publique, l'exploitant prend toutes les mesures requises pour réduire le nombre de germes de Legionella dans le système d'eau et le risque de contaminations;
3° l'installation produisant des aérosols peut uniquement être remise en service, quand il résulte de l'analyse d'échantillons pris à des endroits représentatifs, que la concentration de Legionella pneumophila est inférieure à 100.000 UFC/litre;
4° le système remis en service, visé au point 3°, est suivi pendant au moins trois mois suivant un plan d'échantillonnage intensif, convenu avec la Division Surveillance de la Santé publique.
Art. 10. Elke eindverantwoordelijke voor het ontwerpen of plaatsen van een nieuwe watervoorziening of delen ervan en voor de aanpassing van een bestaande watervoorziening reikt voor zijn bijdrage een conformiteitsattest uit, dat toegevoegd wordt aan het beheersplan.
Het conformiteitsattest bevat minstens :
1° de naam en het adres van de eindverantwoordelijken;
2° het type en een beschrijving van de aerosolproducerende installatie;
3° de naam en het adres van de inrichting en de exploitant;
4° een verklaring die de structurele conformiteit met de bepalingen van de BBT bevestigt.
Art. 10. Chaque responsable final délivre, avant la conception et/ou l'installation d'une nouvelle alimentation en eau ou de parties de celle-ci et avant l'adaptation d'une alimentation en eau existante, un certificat de conformité, qui est ajouté au plan de gestion.
Le certificat de conformité comporte au moins :
1° le nom et l'adresse des responsables finaux;
2° le type et une description de l'installation produisant des aérosols;
3° le nom et l'adresse de l'établissement et de l'exploitant;
4° une déclaration attestant la conformité structurelle avec les dispositions de la BBT.
Onderafdeling II. - Matigrisico-inrichtingen.
Sous-section II. - Etablissements à risque moyen.
Art. 11. In alle nieuwe matigrisico-inrichtingen moeten de watervoorzieningen gebouwd en geëxploiteerd worden volgens BBT.
Art. 11. Dans tous les nouveaux établissements à risque moyen, les alimentations en eau doivent être construites et exploitées suivant la BBT.
Art. 12. Bij elke verbouwing wordt rekening gehouden met dit besluit.
Art. 12. Toute transformation ultérieure doit être effectuée compte tenu du présent arrêté.
Art. 13. § 1. De exploitant van een matigrisico-inrichting moet voor alle watervoorzieningen een beheersplan hebben.
§ 2. Voor de bestaande inrichtingen met watervoorzieningen die in gebruik genomen zijn voor de inwerkingtreding van dit besluit, moet een beheersplan opgesteld worden uiterlijk een jaar na de inwerkingtreding van dit besluit. Voor andere bestaande en nieuwe inrichtingen met watervoorzieningen moet voor de eerste ingebruikname een beheersplan opgesteld worden.
§ 3. Het beheersplan bevat minimaal de identificatie- en contactgegevens van de exploitant, een technische beschrijving, een risicoanalyse en preventiemaatregelen voor de watervoorziening.
Bij iedere wijziging van de watervoorziening, het gebruik daarvan of wijzigingen in de omgevingsfactoren die een invloed kunnen hebben op het risico wordt het beheersplan geëvalueerd, eventueel bijgestuurd en de preventiemaatregelen worden met BBT in overeenstemming gebracht.
§ 4. De risicoanalyse bevat een evaluatie van de watervoorziening met als doel de risicopunten te identificeren voor de groei van de legionellabacterie en aerosolvorming, zowel op bouwtechnisch als op bedrijfstechnisch vlak.
§ 5. De standaardbeheersmaatregel is temperatuurbeheersing.
Art. 13. § 1er. L'exploitant d'un établissement à risque moyen doit avoir un plan de gestion pour toutes les alimentations en eau.
§ 2. Pour les établissements existants avec des alimentations en eau ayant été mis en service avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, un plan de gestion doit être établi au plus tard un an après l'entrée en vigueur du présent arrêté. Pour les autres établissements existants et nouveaux avec des alimentations en eau, il y a lieu d'établir un plan de gestion avant la première mise en service.
§ 3. Le plan de gestion comprend au moins les données d'identification et les coordonnées de l'exploitant, une description technique, une analyse des risques et des mesures de prévention concernant l'alimentation en eau.
Lors de chaque modification de l'alimentation en eau, lors de l'usage de celle-ci ou lors de modifications dans les conditions susceptibles d'influencer le risque, le plan de gestion est évalué et éventuellement rectifié, et les mesures de prévention sont rendues conformes à la BBT.
§ 4. L'analyse des risques comprend une évaluation de l'alimentation en eau, en vue d'identifier les risques concernant la croissance de la bactérie Legionella et la formation des aérosols, tant au niveau de la technique de la construction qu'au niveau de la technique de l'entreprise.
§ 5. La mesure de gestion standard est la maîtrise de la température.
Art. 14. De maatregelen, vermeld in het beheersplan, mogen geen onevenredige neveneffecten hebben voor de volksgezondheid en het milieu.
Als de preventiemaatregelen het spoelen van waterleidingen met heet water omvatten, bevat het beheersplan een omschrijving van de getroffen voorzieningen om het risico voor verbranding bij personen te voorkomen.
Art. 14. Les mesures mentionnées dans le plan de gestion ne peuvent avoir des effets secondaires disproportionnés pour la santé publique et l'environnement.
Si les mesures de prévention comprennent le rinçage des conduites d'eau avec de l'eau bouillante, le plan de gestion comporte une description des dispositions prises visant à prévenir des brûlures.
Art. 15. De exploitant is verplicht het beheersplan uit te voeren en de genomen maatregelen en bijhorende relevante gegevens te noteren in een register. Dit register ligt ter inzage van de personen, vermeld in artikelen 40 en 42 van het decreet.
Art. 15. L'exploitant est tenu d'appliquer le plan de gestion et d'inscrire les mesures prises et les données pertinentes y afférentes dans un registre. Le registre peut être consulté par les personnes visées aux articles 40 et 42 du décret.
Art. 16. § 1. Staalname moet uitgevoerd worden op de plaatsen en met de frequentie die aangegeven zijn in het beheersplan. De staalname moet uitgevoerd worden volgens een erkende methode en de stalen moeten door een geaccrediteerd of erkend laboratorium onderzocht worden.
Als een installatie en de beheersmaatregelen volledig voldoen aan de BBT, is de exploitant vrijgesteld van staalname.
§ 2. Het niveau van verhoogde waakzaamheid wordt bereikt als 30 of meer procent van de stalen de drempelwaarde van 10.000 kolonievormende eenheden (KVE)Legionella pneumophila per liter overschrijden. De exploitant onderwerpt het beheersplan, de uitvoering ervan en het watersysteem aan een kritische beoordeling. Eventuele aanvullende beheersmaatregelen worden genomen om het aantal Legionella pneumophila te doen dalen tot minder dan 10.000 KVE/liter. De staalnamefrequentie moet opgevoerd worden tot maandelijkse controles. Als het aantal Legionella pneumophila daalt tot onder 10.000 KVE/liter, kan de staalnamefrequentie weer verminderd worden.
§ 3. Het niveau van melding wordt bereikt als 30 of meer procent van de stalen de drempelwaarde van 100.000 KVE/liter overschrijden. De exploitant brengt de Afdeling Toezicht Volksgezondheid onmiddellijk op de hoogte. De exploitant brengt tevens de gebruikers op de hoogte van de vastgestelde systeembesmetting met legionellakiemen en raadt gevoelige personen aan om er geen gebruik van te maken.
In overleg met de Afdeling Toezicht Volksgezondheid neemt de exploitant alle maatregelen die nodig zijn om het aantal legionellakiemen in het watersysteem en het risico op besmettingen te reduceren.
Als na een maand na de melding de concentratie Legionella pneumophila niet lager dan 100.000 KVE/l gebracht kan worden, stelt de exploitant de watervoorziening buiten werking.
Art. 16. § 1er. Un prélèvement d'échantillons doit être effectué aux endroits et avec la fréquence indiqués dans le plan de gestion. Le prélèvement d'échantillons doit être effectué selon une méthode agréée et les échantillons doivent être contrôlés par un laboratoire accrédité ou agréé.
L'exploitant est exempté d'échantillonnage si une installation et les mesures de gestion sont entièrement conformes à la BBT.
§ 2. Le niveau de vigilance accrue est atteint si 30 pour cent ou plus des échantillons dépassent la valeur seuil de 10.000 unités formant colonie (UFC) de Legionella pneumophila par litre. L'exploitant soumet le plan de gestion, sa mise en oeuvre et le système d'eau à une évaluation critique. D'éventuelles mesures de gestion complémentaires sont prises afin de réduire la concentration de la Legionella pneumophila jusque moins de 10.000 UFC/litre. La fréquence des échantillonnages doit être augmentée jusqu'à un contrôle par mois. Lorsque le nombre de bactéries de Legionella pneumophila baisse en dessous de 10.000 UFC/litre, la fréquence des échantillonnages peut être réduite.
§ 3. Le niveau de notification est atteint si 30 pour cent ou plus des échantillons dépassent la valeur seuil de 100.000 UFC /litre. L'exploitant avertit immédiatement la Division Surveillance de la Santé publique. L'exploitant avertit également les utilisateurs de la contamination de germes de Legionella constatée au système d'eau et conseille les personnes sensibles de ne pas l'utiliser.
En concertation avec la Division Surveillance de la Santé publique, l'exploitant prend toutes les mesures requises pour réduire le nombre de germes de Legionella dans le système d'eau et le risque de contaminations.
Si, après un mois de la notification, la concentration de Legionella pneumophila n'a pas pu être baissée en dessous de 100.000 UFC/l, l'alimentation en eau est mise hors service par l'exploitant.
Art. 17. Elke eindverantwoordelijke voor het ontwerpen of plaatsen van een nieuwe watervoorziening of delen ervan en voor de aanpassing van een bestaande watervoorziening reikt voor zijn bijdrage een conformiteitsattest uit, dat toegevoegd wordt aan het beheersplan.
Exploitanten die hun watervoorziening zelf aanpassen, kunnen voor hun bijdrage een conformiteitsattest verkrijgen bij de drinkwatermaatschappijen.
Het conformiteitsattest bevat minstens :
1° de naam en het adres van de eindverantwoordelijken;
2° het type en een beschrijving van de aerosolproducerende installatie;
3° de naam en het adres van de inrichting en de exploitant;
4° een verklaring die de structurele conformiteit met de bepalingen van de BBT bevestigt.
Art. 17. Chaque responsable final délivre, avant la conception et/ou l'installation d'une nouvelle alimentation en eau ou de parties de celle-ci et avant l'adaptation d'une alimentation en eau existante, un certificat de conformité, qui est ajouté au plan de gestion.
Les exploitants qui adaptent leur alimentation en eau de propre initiative, peuvent obtenir auprès des sociétés publiques de distribution d'eau un certificat de conformité pour leur contribution.
Le certificat de conformité comporte au moins :
1° le nom et l'adresse des responsables finaux;
2° le type et une description de l'installation produisant des aérosols;
3° le nom et l'adresse de l'établissement et de l'exploitant;
4° une déclaration attestant la conformité structurelle avec les dispositions de la BBT.
Art. 18. Matigrisico-inrichtingen waar nooit meer dan veertig personen, exclusief werknemers, per dag blootgesteld kunnen worden, zijn vrijgesteld van de eisen, vermeld in artikelen 13 tot en met 17. De exploitanten van de inrichtingen die gebruikmaken van de vrijstelling zijn verplicht om de temperatuur van het warmwaterproductietoestel in te stellen op minstens 60 °C en de nodige maatregelen te treffen om brandwonden bij hun bezoekers of cliënten te vermijden, en hun watervoorziening minstens jaarlijks te laten onderhouden door een vakman. Het onderhoud houdt ook een validering in van de conformiteit van de werkelijke temperatuur van het geproduceerde warm water met de ingestelde temperatuur op het warmwaterproductietoestel.
Een bewijs van de laatste onderhoudsbeurt ligt bij de exploitant ter inzage van de toezichthoudende ambtenaar. Als de temperatuur van het geproduceerde water lager is dan 60 °C, worden alle potentieel blootgestelde personen ervan op de hoogte gebracht dat de installatie niet legionellaveilig is. Het bewijs van een adequate informatieverstrekking aan de blootgestelden moet bij de exploitant beschikbaar zijn voor de toezichthoudende ambtenaar.
Art. 18. Les établissements à risque moyen où jamais plus de quarante personnes, excepté les travailleurs, peuvent être exposées par jour, sont exemptées des exigences visées aux articles 13 à 17 inclus. Les exploitants des établissements qui utilisent l'exemption sont obligés de régler la température de l'appareil de production d'eau chaude à au moins 60°C et de prendre les mesures nécessaires pour prévenir les brûlures chez leurs visiteurs ou clients, ainsi que de faire entretenir leur alimentation en eau au moins une fois par an par un technicien. L'entretien comporte également une validation de la conformité de la température réelle de l'eau chaude produite avec la température réglée sur l'appareil de production d'eau chaude.
Un certificat du dernier entretien est conservé par l'exploitant et peut être consulté par le fonctionnaire chargé du contrôle. Si la température de l'eau produite est inférieure à 60°C, toutes les personnes potentiellement exposées sont mises au courant du fait, que l'installation n'est pas protégée contre la Legionella. La preuve d'une communication d'informations adéquate aux personnes exposées doit être tenue à la disposition du fonctionnaire chargé du contrôle par l'exploitant.
Onderafdeling III. - Alternatieve beheersmaatregelen.
Sous-section III. - Mesures de gestion alternatives.
Art. 19. Alternatieve maatregelen kunnen toegepast worden ter beheersing van Legionella pneumophila nadat een goedkeuring verkregen is.
Art. 19. Après l'obtention d'une autorisation à cette fin, des mesures alternatives visant à maîtriser la Legionella pneumophila peuvent être appliquées.
Art. 20. De goedkeuring en de hiermee samenhangende voorwaarden worden uitgereikt door de minister na evaluatie van de alternatieve maatregel op basis van het goedkeuringsprotocol zoals opgenomen als bijlage 1 bij dit besluit.
Art. 20. L'autorisation et les conditions y afférentes sont délivrées par le Ministre, après une évaluation de la mesure alternative au vu du protocole d'autorisation tel que repris à l'annexe au présent arrêté.
Art. 21. Proefprojecten in het kader van de goedkeuring van de alternatieve beheersmaatregelen mogen enkel opgestart worden na schriftelijk akkoord van de minister. Gedurende de periode waarin een proefproject loopt, mag er afgeweken worden van de door de minister aangegeven bepalingen, vermeld in dit besluit.
Art. 21. Des projets pilotes dans le cadre de l'autorisation des mesures de gestion alternatives ne peuvent être démarrés qu'après accord écrit du Ministre. Pendant la période où un projet pilote court, il peut être dérogé aux dispositions fixées par le Ministre, visées au présent arrêté.
Afdeling II. - Maatregelen voor koeltorens.
Section II. - Mesures pour les tours aéroréfrigérantes.
Art. 22. Alle nieuwe koeltorens moeten gebouwd en geëxploiteerd worden volgens de BBT.
Art. 22. Toutes les tours aéroréfrigérantes doivent être construites et exploitées suivant la BBT.
Art. 23. Inrichtingen met koeltorens moeten het meldingsformulier, zoals bepaald door de minister, invullen.
De exploitanten van de bestaande koeltorens die in gebruik genomen zijn voor de inwerkingtreding van dit besluit, sturen het meldingsformulier naar de Afdeling Toezicht Volksgezondheid uiterlijk een jaar na de inwerkingtreding van dit besluit.
De melding die plaatsvond in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 juni 2004 betreffende het voorkomen van de veteranenziekte of legionellose op voor het publiek toegankelijke plaatsen vervalt en een nieuwe melding moet ingediend worden.
De exploitanten van andere bestaande en nieuwe koeltorens sturen het meldingsformulier naar de Afdeling Toezicht Volksgezondheid voor de eerste ingebruikname.
Art. 23. Les établissements à tours aéroréfrigérantes doivent remplir le formulaire de notification fixé par le Ministre.
Les exploitants des tours aéroréfrigérantes existantes mises en service avant l'entrée en vigueur du présent arrêté envoient le formulaire de notification à la Division Surveillance de la Santé publique au plus tard un an après l'entrée en vigueur du présent arrêté.
La notification ayant été fait dans le cadre de l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 juin 2004 relatif à la prévention de la maladie du légionnaire ou la légionellose dans les espaces accessibles au public échoit et il y a lieu d'introduire une nouvelle notification.
Les exploitants d'autres nouvelles tours aéroréfrigérantes envoient le formulaire de notification à la Division Surveillance de la Santé publique, avant la première mise en service.
Art. 24. § 1. De exploitant van inrichtingen met koeltorens moet een beheersplan opstellen. Het beheersplan bevat minimaal de identificatie- en contactgegevens van de exploitant, een technische beschrijving en een risicoanalyse en preventiemaatregelen voor de koeltoren.
Bij iedere wijziging van de koeltoren, het gebruik daarvan of wijzigingen in de omgevingsfactoren die een invloed kunnen hebben op het risico wordt het beheersplan geëvalueerd, eventueel bijgestuurd, en worden de preventiemaatregelen met de BBT in overeenstemming gebracht.
§ 2. Voor de bestaande koeltorens die in gebruik genomen zijn voor de inwerkingtreding van dit besluit moet een beheersplan opgesteld worden uiterlijk een jaar na de inwerkingtreding van dit besluit. Voor andere bestaande en nieuwe koeltorens moet voor de eerste ingebruikname een beheersplan opgesteld worden.
§ 3. De exploitant is verplicht het beheersplan uit te voeren en de genomen maatregelen en de bijhorende relevante gegevens te noteren in een register. Dat register ligt ter inzage van de personen, vermeld in artikelen 40 en 42 van het decreet.
Art. 24. § 1er. L'exploitant d'établissements à tours aéroréfrigérantes doit rédiger un plan de gestion. Le plan de gestion comprend au moins les données d'identification et les coordonnées de l'exploitant, une description technique, une analyse des risques et des mesures de prévention pour la tour aéroréfrigérante.
Lors de chaque modification de la tour aéroréfrigérante, lors de l'usage de celle-ci ou lors de modifications dans les conditions susceptibles d'influencer le risque, le plan de gestion est évalué et éventuellement rectifié, et les mesures de prévention sont rendues conformes à la BBT.
§ 2. Pour les tours aéroréfrigérantes existantes ayant été prises en service avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, un plan de gestion doit être établi au plus tard un an après l'entrée en vigueur du présent arrêté. Pour les autres tours aéroréfrigérantes existantes et nouvelles, il y a lieu d'établir un plan de gestion avant la première mise en service.
§ 3. L'exploitant est tenu d'appliquer le plan de gestion et d'inscrire les mesures prises et les données pertinentes y afférentes dans un registre. Le registre peut être consulté par les personnes visées aux articles 40 et 42 du décret.
Art. 25. Elke eindverantwoordelijke voor het ontwerpen of plaatsen van een nieuwe koeltoren of delen ervan en voor de aanpassing van een bestaande koeltoren reikt voor zijn bijdrage een conformiteitsattest uit, dat toegevoegd wordt aan het beheersplan.
Het conformiteitsattest bevat minstens :
1° de naam en het adres van de eindverantwoordelijken;
2° het type en een beschrijving van de aerosolproducerende installatie;
3° de naam en het adres van de inrichting en de exploitant;
4° een verklaring die de structurele conformiteit met de bepalingen van de BBT bevestigt.
Art. 25. Chaque responsable final délivre, avant la conception et/ou l'installation d'une nouvelle tour aéroréfrigérante ou de parties de celle-ci et avant l'adaptation d'une tour aéroréfrigérante existante, un certificat de conformité, qui est ajouté au plan de gestion.
Le certificat de conformité comporte au moins :
1° le nom et l'adresse des responsables finaux;
2° le type et une description de l'installation produisant des aérosols;
3° le nom et l'adresse de l'établissement et de l'exploitant;
4° une déclaration attestant la conformité structurelle avec les dispositions de la BBT.
Onderafdeling I. - Koeltorens met natuurlijke trek die gebruikmaken van oppervlaktewater.
Sous-section Ire. - Tours aéroréfrigérantes à tirage naturel utilisant des eaux de surface.
Art. 26. § 1. De temperatuur van het oppervlaktewater dat naar de koeltoren geleid wordt, moet continu gevolgd worden vanaf 1 juni tot en met 15 oktober.
Jaarlijks moeten er in de periode van 1 juni tot 15 oktober in de aanvoerleiding van de koeltoren minstens twee stalen genomen worden van het water dat in de toren met de lucht in contact gebracht wordt. Een eerste staal wordt genomen nadat de temperatuur van het oppervlaktewater gedurende veertien dagen dagelijks boven 20 °C komt, in ieder geval voor 15 juli. Een tweede staal wordt genomen in het midden van de resterende periode tot 15 oktober.
De stalen moeten op Legionella spp. geanalyseerd worden.
De staalname en de analyse verlopen volgens de methode voor koeltorenbemonstering en -wateranalyse, beschreven in de erkenning van het geaccrediteerde of erkende laboratorium dat de analyse uitvoert.
§ 2. Als het aantal Legionella spp. niet meer bedraagt dan 10.000 KVE/l, wordt het systeem gevolgd volgens het beheersplan, maar minstens zoals vermeld in artikel 26, § 1, tweede lid.
Bij overschrijding van 10.000 KVE/liter moet minstens om de vier weken een staalname uitgevoerd worden. Als het aantal Legionella spp. daalt tot minder dan 10.000 KVE/liter, kan de staalnamefrequentie weer verminderd worden.
Bij overschrijding van 100.000 KVE/l onderwerpt de exploitant de uitvoering van het beheersplan en het watersysteem aan een kritische beoordeling. Eventuele aanvullende beheersmaatregelen moeten genomen worden om het aantal Legionella spp. te doen dalen tot minder dan 10.000 KVE/liter. Minstens om de twee weken moet een staalname uitgevoerd worden. Als het aantal Legionella spp. daalt tot minder dan 10.000 KVE/liter, kan de staalnamefrequentie weer verminderd worden.
Als drie opeenvolgende staalnames het niveau van 100.000 KVE/liter overschrijden, brengt de exploitant de Afdeling Toezicht Volksgezondheid onmiddellijk op de hoogte.
In overleg met de Afdeling Toezicht Volksgezondheid neemt de exploitant alle maatregelen die nodig zijn om het aantal legionellakiemen in het watersysteem en het risico op besmettingen te reduceren.
Als na melding drie opeenvolgende staalnames meer dan 100.000 KVE/l bedragen, stelt de exploitant de koeltoren buiten werking. De Afdeling Toezicht Volksgezondheid kan een snellere buitenwerkingstelling opleggen als uit de analyses blijkt dat de geanalyseerde Legionella spp. behoren tot meer risicovolle species. De exploitant stelt de koeltoren buiten werking en neemt hierbij de veiligheidsvoorschriften in acht die inherent zijn aan het koelproces.
Art. 26. § 1er. La température des eaux de surface qui sont conduites vers la tour aéroréfrigérante doit être suivie d'une manière continue, du 1er juin au 15 octobre inclus.
Chaque année, dans la période du 1er juin au 15 octobre, il y a lieu de prendre dans la conduite d'amenée de la tour aéroréfrigérante au moins deux échantillons de l'eau entrée en contact avec l'air ambiant dans la tour. Un premier échantillon est pris après que la température des eaux de surface a dépassé, pendant quatorze jours, 20°C, et en tout cas avant le 15 juillet. Un second échantillon est pris à mi-temps de la période restante jusqu'au 15 octobre.
Les échantillons doivent être analysés sur la présence de la Legionella spp.
L'échantillonnage et l'analyse se déroulent suivant la méthode prévue pour l'échantillonnage et l'analyse des eaux des tours aéroréfrigérantes, décrite dans l'agrément du laboratoire accrédité ou agréé qui effectue l'analyse.
§ 2. Si la concentration de Legionella spp. ne dépasse pas 10.000 UFC/l, le système est poursuivi comme prévu par le plan de gestion, mais au minimum tel que visé à l'article 26, § 1er, alinéa deux.
Au cas où la concentration dépasserait 10.000 UFC/litre, un échantillon doit être prélevé au moins toutes les quatre semaines. Quand le nombre de bactéries de Legionella spp. baisse en dessous de 10.000 UFC/litre, la fréquence des échantillonnages peut à nouveau être réduite.
Au cas où la concentration dépasserait 100.000 UFC/l, l'exploitant soumet l'exécution du plan de gestion et le système d'eau à une évaluation critique. D'éventuelles mesures de gestion complémentaires doivent être prises afin de réduire la concentration de la Legionella spp. jusque moins de 10.000 UFC/litre. Il y a lieu d'effectuer un échantillonnage toutes les deux semaines. Quand le nombre de bactéries de Legionella spp. baisse en dessous de 10.000 UFC/litre, la fréquence des échantillonnages peut à nouveau être réduite.
Si trois échantillonnages successifs dépassent le niveau de 100.000 UFC/litre, l'exploitant en avertit immédiatement la Division Surveillance de la Santé publique.
En concertation avec la Division Surveillance de la Santé publique, l'exploitant prend toutes les mesures requises pour réduire le nombre de germes de Legionella dans le système d'eau et le risque de contaminations.
Si, après la notification, trois prises d'échantillons successives affichent plus de 100.000 UFC/l, la tour aéroréfrigérante est mise hors service par l'exploitant. La Division Surveillance de la Santé publique peut imposer une mise hors service plus rapide, s'il s'avère des analyses, que les bactéries de Legionella spp analysées appartiennent aux espèces comportant les plus grands risques. L'exploitant arrête le fonctionnement de la tour aéroréfrigérante, tout en observant les prescriptions de sécurité inhérentes au processus d'aéroréfrigération.
Onderafdeling II. - Koeltorens met geforceerde trek die gebruikmaken van oppervlaktewater.
Sous-section II. - Tours aéroréfrigérantes à tirage forcé utilisant des eaux de surface.
Art. 27. § 1. De temperatuur van het oppervlaktewater dat naar de koeltoren geleid wordt, moet continu gevolgd worden vanaf 1 juni tot en met 15 oktober.
Jaarlijks moeten er in de periode van 1 juni tot 15 oktober in de aanvoerleiding van de koeltoren minstens twee stalen genomen worden van het water dat in de toren met de lucht in contact gebracht wordt. Een eerste staal wordt genomen nadat de temperatuur van het oppervlaktewater gedurende veertien dagen continu boven de 20 °C blijft, en in ieder geval voor 15 juli. Een tweede staal wordt genomen in het midden van de resterende periode tot 15 oktober.
De stalen moeten op Legionella spp. geanalyseerd worden.
De staalname en de analyse van de stalen verlopen volgens de methode voor koeltorenbemonstering en -wateranalyse, beschreven in de erkenning van het geaccrediteerde of erkende laboratorium dat de analyse uitvoert.
§ 2. Als het aantal Legionella spp. niet meer bedraagt dan 10.000 KVE/l, wordt het systeem gevolgd volgens het beheersplan, en minstens zoals vermeld in artikel 27, § 1, tweede lid.
Bij overschrijding van 10.000 KVE/liter moet minstens om de vier weken een staalname uitgevoerd worden. De exploitant onderwerpt de uitvoering van het beheersplan en het watersysteem aan een kritische beoordeling. Eventuele aanvullende beheersmaatregelen moeten genomen worden om het aantal Legionella spp. te doen dalen tot minder dan 10.000 KVE/liter. Als het aantal Legionella spp. daalt tot minder dan 10.000 KVE/liter, kan de staalnamefrequentie weer verminderd worden.
Bij overschrijding van 100.000 KVE/l moet minstens om de twee weken een staalname uitgevoerd worden. De exploitant onderwerpt de uitvoering van het beheersplan en het watersysteem aan een kritische beoordeling. Eventuele aanvullende beheersmaatregelen moeten genomen worden om het aantal Legionella spp. te doen dalen tot minder dan 10.000 KVE/liter. Als het aantal Legionella spp. daalt tot minder dan 10.000 KVE/liter kan de staalnamefrequentie weer verminderd worden.
Als drie opeenvolgende staalnames het niveau van 100.000 KVE/liter overschrijden, brengt de exploitant de Afdeling Toezicht Volksgezondheid onmiddellijk op de hoogte.
In overleg met de Afdeling Toezicht Volksgezondheid neemt de exploitant alle maatregelen die nodig zijn om het aantal legionellakiemen in het watersysteem en het risico op besmettingen te reduceren.
Als na melding drie opeenvolgende staalnames meer bedragen dan 100.000 KVE/l, stelt de exploitant de koeltoren buiten werking. De Afdeling Toezicht Volksgezondheid kan een snellere buitenwerkingstelling opleggen als uit de analyses blijkt dat de geanalyseerde Legionella spp. behoren tot de meer risicovolle species. De exploitant stelt de koeltoren buiten werking en neemt hierbij de veiligheidsvoorschriften in acht die inherent zijn aan het koelproces.
Art. 27. § 1er. La température des eaux de surface qui sont conduites vers la tour aéroréfrigérante doit être suivie d'une manière continue, du 1er juin au 15 octobre inclus.
Chaque année, dans la période du 1er juin au 15 octobre, il y a lieu de prendre dans la conduite d'amenée de la tour aéroréfrigérante au moins deux échantillons de l'eau entrée en contact avec l'air ambiant dans la tour. Un premier échantillon est pris après que la température des eaux de surface a dépassé, pendant quatorze jours de suite, 20°C, et en tout cas avant le 15 juillet. Un second échantillon est prélevé à mi-temps de la période restante jusqu'au 15 octobre.
Les échantillons doivent être analysés sur la présence de la Legionella spp.
L'échantillonnage et l'analyse des échantillons se déroulent suivant la méthode prévue pour l'échantillonnage et l'analyse des eaux des tours aéroréfrigérantes, décrite dans l'agrément du laboratoire accrédité ou agréé qui effectue l'analyse.
§ 2. Si la concentration de Legionella spp. ne dépasse pas 10.000 UFC/l, le système est poursuivi comme prévu par le plan de gestion, et au minimum tel que visé à l'article 27, § 1er, alinéa deux.
Au cas où la concentration dépasserait 10.000 UFC/litre, un échantillon doit être prélevé au moins toutes les quatre semaines. L'exploitant soumet l'exécution du plan de gestion et le système d'eau à une évaluation critique. D'éventuelles mesures de gestion complémentaires doivent être prises afin de réduire la concentration de la Legionella spp. jusque moins de 10.000 UFC/litre. Quand le nombre de bactéries de Legionella spp. baisse en dessous de 10.000 UFC/litre, la fréquence des échantillonnages peut à nouveau être réduite.
Au cas où la concentration dépasserait 100.000 UFC/litre, un échantillon doit être prélevé au moins toutes les deux semaines. L'exploitant soumet l'exécution du plan de gestion et le système d'eau à une évaluation critique. D'éventuelles mesures de gestion complémentaires doivent être prises afin de réduire la concentration de la Legionella spp. jusque moins de 10.000 UFC/litre. SI le nombre de bactéries de Legionella spp. baisse en dessous de 10.000 UFC/litre, la fréquence des échantillonnages peut à nouveau être réduite.
Si trois échantillonnages successifs dépassent le niveau de 100.000 UFC/litre, l'exploitant en avertit immédiatement la Division Surveillance de la Santé publique.
En concertation avec la Division Surveillance de la Santé publique, l'exploitant prend toutes les mesures requises pour réduire le nombre de germes de Legionella dans le système d'eau et le risque de contaminations.
Si, après la notification, trois prises d'échantillons successives affichent plus de 100.000 UFC/l, la tour aéroréfrigérante est mise hors service par l'exploitant. La Division Surveillance de la Santé publique peut imposer une mise hors service plus rapide, s'il s'avère des analyses, que les bactéries de Legionella spp analysées appartiennent aux espèces comportant les plus grands risques. L'exploitant arrête le fonctionnement de la tour aéroréfrigérante, tout en observant les prescriptions de sécurité inhérentes au processus d'aéroréfrigération.
Onderafdeling III. - Koeltorens die niet met oppervlaktewater werken.
Sous-section III. - Tours aéroréfrigérantes ne fonctionnant pas sur l'eau de surface.
Art. 28. De koeltorens die niet met oppervlaktewater werken, moeten minstens eenmaal per jaar onderhouden worden.
Art. 28. Les tours aéroréfrigérantes qui ne fonctionnent pas sur l'eau de surface doivent être soumises à un entretien au moins une fois par an.
Art. 29. § 1. Jaarlijks moeten er in de aanvoerleiding van de koeltoren minstens twee stalen genomen worden van het water dat in de toren met de lucht in contact gebracht wordt.
Bij koeltorens die een heel jaar in dienst blijven, wordt een staal genomen tussen 1 april en 31 mei en wordt een staal genomen tussen 15 juli en 15 september.
Bij koeltorens die jaarlijks slechts gedurende een beperkte periode in werking zijn, wordt een staal genomen minstens twee weken na het opstarten van de koeltoren, en wordt een staal genomen midden in de bedrijfsperiode.
De stalen moeten op Legionella spp. geanalyseerd worden.
De staalname en de analyse van de stalen verlopen volgens de methode voor koeltorenbemonstering en -wateranalyse, beschreven in de erkenning van het geaccrediteerde of erkende laboratorium dat de analyse uitvoert.
§ 2. Bij overschrijding van 1.000 KVE/l wordt overgegaan tot minstens maandelijkse staalnames. Als het aantal Legionella spp. daalt, mag de staalnamefrequentie weer verminderd worden.
Bij overschrijding van 10.000 KVE/liter onderwerpt de exploitant de uitvoering van het beheersplan en het watersysteem aan een kritische beoordeling. Eventuele aanvullende beheersmaatregelen moeten genomen worden om het aantal Legionella spp. te doen dalen tot minder dan 1.000 KVE/liter. De staalnamefrequentie moet opgevoerd worden tot minstens driewekelijkse controles. Als het aantal Legionella spp. daalt tot minder dan 10.000 KVE/liter, kan de staalnamefrequentie weer verminderd worden.
De exploitant van hoogrisico-inrichtingen moet de waakzaamheid voor mogelijke besmettingen in zijn inrichting op voeren.
Bij overschrijding van 100.000 KVE/liter onderwerpt de exploitant de uitvoering van het beheersplan en het watersysteem aan een kritische beoordeling. Eventuele aanvullende beheersmaatregelen moeten genomen worden om het aantal Legionella spp. te doen dalen tot minder dan 1.000 KVE/liter. De staalnamefrequentie moet opgevoerd worden tot minstens tweewekelijkse controles. Als het aantal Legionella spp. daalt tot minder dan 10.000 KVE/liter kan de staalnamefrequentie weer verminderd worden.
De exploitant van hoogrisico-inrichtingen voert de waakzaamheid voor mogelijke besmettingen in zijn inrichting op.
Als drie opeenvolgende staalnames het niveau van 100.000 KVE/liter overschrijden, brengt de exploitant de Afdeling Toezicht Volksgezondheid onmiddellijk op de hoogte.
In overleg met de Afdeling Toezicht Volksgezondheid neemt de exploitant alle maatregelen die nodig zijn om het aantal legionellakiemen in het watersysteem en het risico op besmettingen te reduceren.
Als na melding drie opeenvolgende staalnames meer bedragen dan 100.000 KVE/l, stelt de exploitant de koeltoren buiten werking. De Afdeling Toezicht Volksgezondheid kan een snellere buitenwerkingstelling opleggen als uit de analyses blijkt dat de geanalyseerde Legionella spp. behoren tot de meer risicovol species. De exploitant stelt de koeltoren buiten werking en neemt hierbij de veiligheidsvoorschriften in acht die inherent zijn aan het koelproces.
Art. 29. § 1er. Chaque année, il faut prélever dans la conduite d'amenée de la tour aéroréfrigérante au moins deux échantillons de l'eau entrée en contact avec l'air ambiant dans la tour.
Les tours aéroréfrigérantes qui fonctionnent toute l'année sans interruption, sont soumises a deux prises d'échantillons : la première entre le 1er avril et le 31 mai et la seconde entre le 15 juillet et le 15 septembre.
Pour les tours aéroréfrigérantes qui ne fonctionnent que pendant une période limitée de l'année, il est prélevé un échantillon au moins deux semaines après la mise en service de la tour, tandis qu'un second échantillon est pris à mi-temps de la période de fonctionnement.
Les échantillons doivent être analysés sur la présence de la Legionella spp.
L'échantillonnage et l'analyse des échantillons se déroulent suivant la méthode prévue pour l'échantillonnage et l'analyse des eaux des tours aéroréfrigérantes, décrite dans l'agrément du laboratoire accrédité ou agréé qui effectue l'analyse.
§ 2. Au cas où la concentration dépasse 1.000 UFC/l, il est procédé à des échantillonnages au moins tous les mois. Si le nombre de bactéries de Legionella spp. diminue, la fréquence des échantillonnages peut à nouveau être réduite.
Au cas où la concentration dépasserait 10.000 UFC/l, l'exploitant soumet l'exécution du plan de gestion et le système d'eau à une évaluation critique. D'éventuelles mesures de gestion complémentaires doivent être prises afin de réduire la concentration de la Legionella spp. jusque moins de 1.000 UFC/litre. La fréquence des échantillonnages doit être augmentée jusqu'à un contrôle toutes les trois semaines au minimum. Si le nombre de bactéries de Legionella spp. baisse en dessous de 10.000 UFC/litre, la fréquence des échantillonnages peut à nouveau être réduite.
L'exploitant d'établissements à haut risque doit augmenter la vigilance pour l'apparition éventuelle de contaminations dans son établissement.
Au cas où la concentration dépasserait 100.000 UFC/l, l'exploitant soumet l'exécution du plan de gestion et le système d'eau à une évaluation critique. D'éventuelles mesures de gestion complémentaires doivent être prises afin de réduire la concentration de la Legionella spp. jusque moins de 1.000 UFC/litre. La fréquence des échantillonnages doit être augmentée jusqu'à un contrôle toutes les deux semaines au minimum. Si le nombre de bactéries de Legionella spp. baisse en dessous de 10.000 UFC/litre, la fréquence des échantillonnages peut à nouveau être réduite.
L'exploitant d'établissements à haut risque doit augmenter la vigilance pour l'apparition éventuelle de contaminations dans son établissement.
Si trois échantillonnages successifs dépassent le niveau de 100.000 UFC/litre, l'exploitant en avertit immédiatement la Division Surveillance de la Santé publique.
En concertation avec la Division Surveillance de la Santé publique, l'exploitant prend toutes les mesures requises pour réduire le nombre de germes de Legionella dans le système d'eau et le risque de contaminations.
Si, après la notification, trois prises d'échantillons successives affichent plus de 100.000 UFC/l, la tour aéroréfrigérante est mise hors service par l'exploitant. La Division Surveillance de la Santé publique peut imposer une mise hors service plus rapide, s'il s'avère des analyses, que les bactéries de Legionella spp analysées appartiennent aux espèces comportant les plus grands risques. L'exploitant arrête le fonctionnement de la tour aéroréfrigérante, tout en observant les prescriptions de sécurité inhérentes au processus d'aéroréfrigération.
Afdeling III. - Maatregelen voor klimaatregelingssystemen met luchtvochtigheidsbehandeling.
Section III. - Mesures pour les systèmes de climatisation avec humidification.
Art. 30. In klimaatregelingssystemen die op zijn vroegst zes maanden na de inwerkingtreding van dit besluit in gebruik genomen worden, wordt stoombevochtiging toegepast.
Art. 30. Dans les systèmes de climatisation avec humidification mis en service au plus tôt six mois après l'entrée en vigueur du présent arrêté est appliquée l'humidification à vapeur.
Art. 31. § 1. De exploitant van andere klimaatregelingssystemen dan die welke vermeld worden in artikel 30, moet een beheersplan opstellen, uiterlijk een jaar na de inwerkingtreding van dit besluit.
§ 2. Het beheersplan bevat minimaal de identificatie- en contactgegevens van de exploitant, een technische beschrijving van de installatie, een risicoanalyse en preventiemaatregelen voor de luchtvochtigheidsbehandeling met waterinjectie.
Bij iedere wijziging van de luchtvochtigheidsbehandeling met waterinjectie, het gebruik ervan, of wijziging in de omgevingsfactoren die een invloed kunnen hebben op het risico, wordt het beheersplan indien nodig bijgestuurd. Op een voor de toezichthoudende ambtenaar aantoonbare wijze zal steeds afgewogen worden of niet tot stoombevochtiging overgegaan kan worden.
§ 3. De risicoanalyse probeert de risicopunten voor de groei van Legionella pneumophila te identificeren.
§ 4. De beheersmaatregelen zorgen ervoor dat het water dat geïnjecteerd wordt niet warmer is dan 25 °C, dat de watertemperatuur continu gevolgd wordt, en dat voor de luchtvochtigheidsbehandeling koud water gebruikt wordt dat bestemd is voor menselijke consumptie. De exploitant voorziet in een zesmaandelijkse reiniging met desinfecterende middelen en probeert stagnatie te vermijden.
§ 5. De exploitant is verplicht het beheersplan uit te voeren en de genomen maatregelen en de bijbehorende relevante gegevens te noteren in een register. Dit register ligt ter inzage van de toezichthoudende ambtenaren, vermeld in artikelen 40 en 42 van het decreet.
Art. 31. § 1er. L'exploitant de systèmes de climatisation autres que ceux visés à l'article 30 doit établir un plan de gestion, au plus tard un an après l'entrée en vigueur du présent arrêté.
§ 2. Le plan de gestion comprend au moins les données d'identification et les coordonnées de l'exploitant, une description technique de l'installation, une analyse des risques et des mesures de prévention concernant l'humidification par injection d'eau.
Lors de chaque modification de l'humidification par injection d'eau, lors de l'usage de celle-ci ou lors de modifications dans les conditions susceptibles d'influencer le risque, le plan de gestion est rectifié si nécessaire. Il sera toujours examiné, d'une manière démontrable pour le fonctionnaire de contrôle, s'il peut être procédé ou non à l'humidification à vapeur.
§ 3. L'analyse des risques tend d'identifier les risques concernant la croissance de la Legionella pneumophila.
§ 4. Les mesures de gestion veillent à ce que l'eau qui est injectée ne devienne pas plus chaude que 25 °C, que la température de l'eau soit suivie en continu, et que de l'eau froide destinée à la consommation humaine soit utilisée pour l'humidification. L'exploitant prévoit un nettoyage semestriel avec des désinfectants et essaye d'éviter la stagnation.
§ 5. L'exploitant est tenu d'appliquer le plan de gestion et d'inscrire les mesures prises et les données pertinentes y afférentes dans un registre. Le registre peut être consulté par les fonctionnaires chargés du contrôle, visés aux articles 40 et 42 du décret.
Art. 32. § 1. Als de temperatuur van het water dat geïnjecteerd wordt gemiddeld meer dan 25 °C bedraagt gedurende veertien opeenvolgende dagen, wordt overgegaan tot een staalname van het geïnjecteerde water.
§ 2. De staalname en analyse verlopen volgens de methode voor koeltorenbemonstering en -wateranalyse, beschreven in de erkenning van het geaccrediteerde of erkende laboratorium dat de analyse uitvoert.
§ 3. Bij overschrijding van 1.000 KVE/l wordt overgegaan tot een reiniging met desinfecterende middelen.
Vervolgens moet om de twee weken een staalname van de installatie uitgevoerd worden. Als bij twee opeenvolgende staalnames het aantal legionellakiemen minder bedraagt dan 1.000 KVE/l, volstaan weer de maatregelen vermeld in artikel 31, § 4.
§ 4. Als bij een staalanalyse de legionellakiemen 100.000 KVE/l overschrijden, moet de installatie onmiddellijk stilgelegd worden en brengt de exploitant de Afdeling Toezicht Volksgezondheid onmiddellijk op de hoogte.
Art. 32. § 1er. Si la température de l'eau qui est injectée s'élève en moyenne à plus de 25 °C pendant quatorze jours successifs, il est procédé à un prélèvement d'échantillons de l'eau injectée.
§ 2. L'échantillonnage et l'analyse se déroulent suivant la méthode prévue pour l'échantillonnage et l'analyse des eaux des tours aéroréfrigérantes, décrite dans l'agrément du laboratoire accrédité ou agréé qui effectue l'analyse.
§ 3. Au cas où la concentration dépasserait 1.000 UFC/l, il est procédé à un nettoyage avec des désinfectants.
Ensuite, il y a lieu de faire un prélèvement d'échantillons de l'installation toutes les deux semaines. Si, lors de deux échantillonnages successifs, le nombre de germes de Legionella est inférieur a 1.000 UFC/l, les mesures visées à l'article 31, § 4 suffissent à nouveau.
§ 4. Si, lors d'une analyse d'échantillons, le nombre de germes de Legionella dépasse 100.000 UFC/l, l'installation doit immédiatement être arrêtée et l'exploitant doit avertir sans délai la Division Surveillance de la Santé publique.
Afdeling IV. - Maatregelen voor andere watersystemen.
Section IV. - Mesures pour les autres systèmes d'eau.
Onderafdeling I. - Tandheelkundige units.
Sous-section Ire. - Unités dentaires.
Art. 33. Verwarmingselementen die verbonden zijn aan de tandheelkundige unit worden afgekoppeld zodat de watertemperatuur steeds lager is dan 25 °C.
Art. 33. Les éléments de chauffage qui sont liés a l'unité dentaire sont débranchés, de sorte que la température soit maintenue en dessous de 25°C.
Art. 34. De instrumenten die aangesloten zijn op de tandheelkundige unit worden regelmatig gereinigd en gesteriliseerd.
Art. 34. Les instruments qui sont branchés sur l'unité dentaire sont régulièrement nettoyés et stérilisés.
Art. 35. De leidingen van de tandheelkundige unit worden dagelijks geflusht.
Art. 35. Les conduites de l'unité dentaire sont rincées chaque jour.
Afdeling V. - Specifieke maatregelen voor exposities.
Section V. - Mesures spécifiques pour les expositions.
Art. 36. Tijdens exposities is het gebruik van aerosolproducerende installaties verboden.
Art. 36. Pendant les expositions, il est défendu d'utiliser des installations produisant des aérosols.
Art. 37. Artikel 36 is niet van toepassing als :
1° de gebruikte aerosolproducerende installaties volledig zijn afgesloten zodat bezoekers niet blootgesteld kunnen worden aan de veroorzaakte aërosolen;
2° het gaat om aerosolproducerende installaties die tentoongesteld of gebruikt worden overeenkomstig artikel 38.
Art. 37. L'article 36 ne s'applique pas :
1° si les installations produisant des aérosols utilisées sont complètement isolées, de sorte que les visiteurs ne peuvent pas être exposés aux aérosols causés;
2° s'il s'agit d'installations produisant des aérosols exposées ou utilisées conformément à l'article 38.
Art. 38. Voor de aerosolproducerende installaties, vermeld in artikel 37, 2°, moet steeds met gereinigde en gedesinfecteerde toestellen gewerkt worden en moet water dat bestemd is voor menselijke consumptie als vulwater gebruikt worden.
Tenzij de grootte en de eigenheid van de gebruikte aerosolproducerende installaties dat niet mogelijk maken, en die onmogelijkheid bevestigd wordt door de organisator van de expositie, moeten de aerosolproducerende installaties dagelijks gereinigd en gedesinfecteerd worden en moet het gebruikte water dagelijks ververst worden door de exposant. De temperatuur van het water moet permanent afleesbaar zijn.
De temperatuur van het gebruikte water in de aerosolproducerende installaties, vermeld in artikel 37, 2°, mag op geen enkel moment 20 °C overschrijden. De gebruikte of tentoongestelde aërosolproducerende installaties mogen geen onderdelen bevatten die bedoeld zijn om het water op te warmen. De watertemperatuur wordt iedere dag minstens viermaal geregistreerd door de exposant, namelijk voor de opening van de expositie, alsook op drie andere, over de dagelijkse openingsperiode gespreide, momenten.
§ 4. Bij overschrijding van een watertemperatuur van 20 °C moet de exposant de aerosolproducerende installatie onmiddellijk stilleggen en zo snel mogelijk ledigen, reinigen en desinfecteren.
Art. 38. Pour ce qui est des installations produisant des aérosols visées à l'article 37, 2°, il faut toujours utiliser des appareils nettoyés et désinfectés et de l'eau destinée à la consommation humaine comme eau de remplissage.
Les installations produisant des aérosols doivent être nettoyées et désinfectées chaque jour et l'eau utilisée doit être renouvelée chaque jour par l'exposant, à moins que les dimensions et le caractère propre des installations produisant des aérosols utilisées ne le permettent pas. La température de l'eau doit être lisible en permanence.
La température de l'eau utilisée dans les installations produisant des aérosols, visées à l'article 37, 2°, ne peut dépasser à aucun moment 20 °C. Les installations produisant des aérosols utilisées ou exposées ne peuvent contenir des pièces destinées à réchauffer l'eau. La température de l'eau est enregistrée par l'exposant au moins quatre fois par jour, c'est-à-dire avant l'ouverture de l'exposition, ainsi qu'à trois autres instants, étalés sur la durée d'ouverture journalière.
§ 4. Au cas où la température de l'eau dépasserait 20 °C, l'exposant doit immédiatement arrêter l'installation produisant des aérosols et la vider, nettoyer et désinfecter au plus vite.
Art. 39. § 1. De exploitant van de expositieruimte houdt een register bij per expositie waarin de volgende gegevens over de expositie genoteerd worden :
1° de identificatiegegevens van de organisator van de expositie;
2° de periode waarin de expositie plaatsvindt;
3° de plaats op de expositie waar aerosolproducerende installaties opgesteld zijn, alsook de vermelding van het type aerosolproducerende installatie;
4° de identificatiegegevens van de exposanten;
5° voor de aerosolproducerende installaties die vallen onder artikel 37, 2° :
a) alle temperatuurmetingen met vermelding van datum en tijdstip waarop ze uitgevoerd werden;
b) de data en tijdstippen waarop de watertemperatuur van de gebruikte systemen 20 °C overschreed;
c) de data en tijdstippen waarop de gebruikte aerosolproducerende installaties gereinigd werden, al dan niet wegens temperatuuroverschrijding;
d) de data en tijdstippen waarop het water in de gebruikte aerosolproducerende installaties ververst werd, al dan niet wegens temperatuuroverschrijding;
e) de identificatiegegevens van de personen die de handelingen uitvoerden;
f) in voorkomend geval, de motivering waarom in bepaalde aerosolproducerende installaties de dagelijkse reiniging en verversing niet konden worden uitgevoerd.
§ 2. Het register ligt steeds ter inzage van de personen, vermeld in artikel 40 en 42 van het decreet, en wordt door de exploitant tot minstens twee maanden na afloop van de expositie bijgehouden.
Art. 39. § 1er. L'exploitant de l'espace d'exposition tient un registre de chaque exposition dans lequel sont reprises les données suivantes relatives à l'exposition :
1° les données d'identification de l'organisateur de l'exposition;
2° la période dans laquelle l'exposition a lieu;
3° l'endroit à l'exposition où se trouvent des installations produisant des aérosols, ainsi que la mention du type d'installation produisant des aérosols;
4° les données d'identification des exposants;
5° pour les installations produisant des aérosols auxquelles s'applique l'article 37, 2° :
a) toutes les mesures de température avec date et heure d'exécution;
b) les dates et moments où la température de l'eau des systèmes utilisés a dépassé 20 °C;
c) les dates et moments où les installations produisant des aérosols utilisées ont été nettoyées, suite à un dépassement de la température ou non;
d) les dates et moments où l'eau des installations produisant des aérosols utilisées a été renouvelée, suite à un dépassement de la température ou non;
e) les données d'identification des personnes ayant effectué les activités;
f) le cas échéant, la motivation pour laquelle le nettoyage et le renouvellement journaliers n'ont pas pu être effectués dans certaines installations produisant des aérosols.
§ 2. Le registre est en permanence consultable par les personnes, visées aux articles 40 et 42 du présent décret, et est conserve par l'exploitant pendant au moins deux mois après la fermeture de l'exposition.
Art. 40. De exploitant moet de gegevens, vermeld in artikel 39, § 1, 1° en 2°, in het register van de expositieruimte noteren.
Art. 40. L'exploitant doit noter les données visées à l'article 39, § 1er, 1° et 2° dans le registre de l'espace d'exposition.
HOOFDSTUK IV. - Toezicht.
CHAPITRE IV. - Surveillance.
Art. 41. De Afdeling Toezicht Volksgezondheid oefent, ter uitvoering van artikel 40 en 41 van het decreet, het toezicht uit op de naleving van de bepalingen van dit besluit.
Art. 41. L'Inspection Surveillance de la Santé publique exerce, en exécution des articles 40 et 41 du décret, le contrôle du respect des dispositions du présent arrêté.
Art. 42. Bij aanwijzing of vermoeden van onzorgvuldig beheer, van een onzorgvuldig opgesteld beheersplan of bij inschatting van een verhoogd risico kunnen de toezichthoudende ambtenaren extra onderzoeken opleggen en op basis van de risico-inschatting maatregelen bevelen als vermeld in artikel 41 van het decreet.
Art. 42. S'il y a indication ou présomption de gestion négligente, de rédaction négligente du plan de gestion ou lorsqu'il est jugé qu'il existe un risque accru, les fonctionnaires exerçant le contrôle peuvent imposer des examens supplémentaires et des mesures sur la base de l'estimation des risques, tel que fixé à l'article 41 du décret.
HOOFDSTUK V. - Overgangsbepalingen.
CHAPITRE V. - Dispositions transitoires.
Art. 43. Erkenningen voor alternatieve beheersmaatregelen, verkregen ter uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 juni 2004 betreffende het voorkomen van de veteranenziekte of legionellose op voor het publiek toegankelijke plaatsen, blijven geldig.
Art. 43. Les agréments pour des mesures de gestion alternatives, obtenus en exécution de l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 juin 2004 relatif à la prévention de la maladie du légionnaire ou la legionellose dans des espaces accessibles au public, restent valables.
Art. 44. Beheersplannen die opgesteld zijn ter uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 juni 2004 betreffende het voorkomen van de veteranenziekte of legionellose op voor het publiek toegankelijke plaatsen blijven geldig. Bij herziening van een beheersplan moet het beheersplan worden aangepast aan de bepalingen van dit besluit.
Art. 44. Les plans de gestion établis en exécution de l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 juin 2004 relatif à la prévention de la maladie du légionnaire ou la légionellose dans des espaces accessibles au public, restent valables. En cas d'une révision d'un plan de gestion, celui-ci doit être adapté aux dispositions du présent arrête.
HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen.
CHAPITRE VI. - Dispositions finales.
Art. 45. De volgende regelingen worden opgeheven :
1° het besluit van de Vlaamse Regering van 11 juni 2004 betreffende het voorkomen van de veteranenziekte of legionellose op voor het publiek toegankelijke plaatsen;
2° het ministerieel besluit van 11 juni 2004 houdende de indeling van inrichtingen in risicoklassen naargelang het risico op legionellose.
Art. 45. Les règlements suivants sont abrogés :
1° l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 juin 2004 relatif à la prévention de la maladie du légionnaire ou la légionellose dans des espaces accessibles au public;
2° l'arrêté ministériel du 11 juin 2004 portant répartition d'établissements en classes de risque selon le risque de légionellose.
Art. 46. Dit besluit wordt aangehaald als : het Legionellabesluit.
Art. 46. Le présent arrêté peut être cité comme : l'arrêté Legionella.
Art. 47. Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art. 47. Le présent arrête entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. 48. De Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 48. Le Ministre flamand qui a la politique en matière de santé dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Bijlage I. - Goedkeuringsprotocol alternatieve beheersmaatregelen.
Een proefproject moet de doeltreffendheid en veiligheid van de alternatieve maatregel evalueren met betrekking tot Legionella pneumophila, de algemene gebruiksgeschiktheid in een watervoorziening controleren en de gebruiksvoorschriften definiëren.
1. De aanvraag (timing : dag 0)
Een aanvraag voor een proefproject wordt ingediend bij :
Afdeling Toezicht Volksgezondheid
Aan de volgende eisen moet voldaan worden :
- Er worden geen andere bestanddelen aan het water toegevoegd of gevormd dan bestanddelen die toegestaan zijn voor de behandeling van water dat bestemd is voor menselijke consumptie. Bovendien worden er geen methoden gebruikt die resulteren in een overschrijding van de toegestane concentraties voor stoffen in water dat bestemd is voor menselijke consumptie.
- De werkzaamheid en de veiligheid van de methode voor mens en milieu moeten effectief zijn aangetoond in reproduceerbare proeven op laboratoriumschaal.
- Het proefproject wordt begeleid door een stuurgroep waarin minstens drie van elkaar onafhankelijke onderzoeksinstellingen en een persoon van het [1 departement]1 zijn vertegenwoordigd. De stuurgroep rapporteert halfjaarlijks aan de minister. De leden van de stuurgroep mogen niet betrokken zijn bij het voorgestelde project.
- Alle kosten die verbonden zijn aan de erkenning, realisatie en voortgangsbewaking van het proefproject zijn ten laste van het proefproject of van de exploitant.
2. Beoordeling van de aanvraag (timing : dag 0 - 90)
In eerste instantie wordt door het [1 departement]1 nagegaan of het dossier alle nodige elementen bevat :
- beschrijving van het product of de methode + toelating voor behandeling van drinkwater;
- beschrijving van de toepassingsgebieden waarvoor de initiatiefnemer een erkenning wil verkrijgen;
- wetenschappelijke artikels (liefst peer reviewed) die de werkzaamheid bewijzen op laboratoriumschaal;
- wetenschappelijke artikels (bij voorkeur peer reviewed) die op laboratoriumschaal de veiligheid voor mens en milieu aantonen;
- eventuele officiële erkenningen voor het gebruik in het buitenland;
- de proefinstallaties die zullen deelnemen aan het proefproject;
- voorstel voor de samenstelling van de stuurgroep met minimaal :
- 1 microbioloog;
- 1 humaan toxicoloog;
- 1 sanitair expert;
- beschrijving van het proefproject.
Als bepaalde informatie ontbreekt, zal die opgevraagd worden. De tijd die de projectaanvrager nodig heeft om de gevraagde informatie te geven wordt niet meegeteld in de timing. De maximale termijn van de beoordelingsfase van de aanvraag bedraagt 180 dagen (90 dagen + maximaal 90 aanleverdagen). Als niet alle informatie binnen die termijn wordt aangeleverd, zal de aanvraag beoordeeld worden aan de hand van de beschikbare informatie.
Door het [1 departement]1 wordt binnen vijftien dagen na de ontvangst van de aanvraag aan een drietal externe experten gevraagd om het dossier te beoordelen. Is aan de wettelijke vereisten voor goedkeuring van de aanvraag voldaan en kan een proefproject gestart worden. Het advies heeft vooral betrekking op voldoende garanties voor effectiviteit en veiligheid bij de opschaling van onderzoek op laboratoriumniveau naar proefprojectniveau in realistische gebruiksomstandigheden. Welke zijn de zwakke punten in het dossier en waar moet extra aandacht aan besteed worden.
Het advies heeft verder ook betrekking op welke eisen uit het Legionellabesluit tijdens het proefproject eventueel versoepeld of opgeheven kunnen worden. In de volgende disciplines is een expert wenselijk :
- techniek;
- microbiologie;
- water;
- toxicologie/chemie.
De externe experten bekijken het dossier binnen 75 kalenderdagen. Zij adviseren aan het [1 departement]1 of het proefproject opgestart kan worden (met eventuele aanvullende voorwaarden) of niet.
2. Beslissing goedkeuring proefproject (timing : dag 90 - 120)
Op basis van het expertenadvies adviseert het [1 departement]1 de minister om goedkeuring voor een proefproject te geven of het gemotiveerd te weigeren.
Een goedkeuring bevat ook een omschrijving van de voorwaarden van de artikelen van het Legionellabesluit die tijdens de proefperiode niet nageleefd moeten worden en de samenstelling en het voorzitterschap van de stuurgroep. De voorzitter is een academisch expert, aangewezen door het [1 departement]1.
3. Het proefproject (timing : variabel)
Het proefproject wordt opgestart door de initiatiefnemer onder de voorwaarden, vermeld in de ministeriële toelating.
Uiterlijk één maand na de opstart komt de stuurgroep op initiatief van de voorzitter samen en vervolgens ook regelmatig om het project te sturen en te volgen. De periodiciteit van stuurgroepvergaderingen wordt door de stuurgroep zelf bepaald en is afhankelijk van de eigenheid van het project.
Nadat het proefproject afgerond is, zal de stuurgroep op basis van een eindrapport dat opgesteld is door de initiatiefnemer het procedé of de methode evalueren en beoordelen op effectiviteit en veiligheid, zowel intrinsiek als rekening houdend met de noodzakelijke gebruiksvoorwaarden en dergelijke. De conclusies van de stuurgroep worden opgetekend in een evaluatieverslag.
4. Externe beoordeling procedé of methode (timing na afwerking eindrapport proefproject : dag 0 - 105)
Na de ontvangst van het eindrapport en het evaluatieverslag vraagt de minister een advies over het procedé waarvoor erkenning aangevraagd wordt aan de Hoge Gezondheidsraad.
5. Beslissing tot goedkeuring (timing : dag 105 - 135, na afwerking proefproject)
Aan de hand van het eindrapport over het proefproject, het evaluatieverslag en het advies van de Hoge Gezondheidsraad beslist de minister of het procedé of de methode worden goedgekeurd of niet en zo ja in welke gebruikssituaties en onder welke gebruiksvoorwaarden. Het procédé of de methode worden goedgekeurd of erkend door middel van een ministerieel besluit.
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 betreffende de preventie van de veteranenziekte op publiek toegankelijke plaatsen.
Art. N. Annexe Ier. - Protocole d'approbation de mesures de gestion alternatives.
Un projet pilote doit évaluer l'efficacité et la sécurité de la mesure alternative quant à la Legionella pneumophila, contrôler l'aptitude à l'emploi général dans une alimentation en eau et définir les prescriptions d'utilisation.
1. La demande (timing : jour 0)
Une demande pour un projet pilote est introduite auprès de :
la Division Surveillance de la Santé publique
Il doit être satisfait aux exigences suivantes :
- Des éléments autres que ceux qui sont permis pour le traitement d'eau destinée à la consommation humaine ne sont pas ajoutés à l'eau ou formés. En outre, des méthodes résultant en un dépassement des concentrations autorisées pour les substances dans l'eau destinée à la consommation humaine ne peuvent être utilisées.
- L'efficacité et la sécurité de la méthode pour l'homme et l'environnement doivent effectivement être démontrées par le biais d'expériences reproductibles à l'échelle du laboratoire.
- Le projet pilote est accompagné par un groupe de pilotage, où sont représentés au moins trois établissements indépendants de recherche et une personne [1 du département]1. Le groupe de pilotage fait rapport au Ministre tous les six mois. Les membres du groupe de pilotage ne peuvent pas être associés au projet proposé.
- Tous les frais liés à l'agrément, à la réalisation et au suivi du projet de pilotage, sont à la charge du projet pilote ou de l'exploitant.
2. Evaluation de la demande (timing : jours 0 - 90)
En premier lieu, [1 le département]1 vérifie si le dossier comprend tous les éléments nécessaires :
- description du produit ou de la méthode + autorisation à traiter l'eau potable;
- description des champs d'application pour lesquels l'initiateur veut obtenir un agrément;
- articles scientifiques (de préférence "peer-reviewed") prouvant l'efficacité à l'échelle du laboratoire;
- articles scientifiques (de préférence "peer-reviewed") démontrant, à l'échelle du laboratoire, la sécurité pour l'homme et l'environnement;
- d'éventuels agréments officiels pour l'utilisation à l'étranger;
- les installations pilotes qui participeront au projet pilote;
- proposition pour la composition du groupe de pilotage avec au moins :
- 1 microbiologiste;
- 1 toxicologue humain;
- 1 expert sanitaire;
- description du projet pilote.
Si certaines informations font défaut, celles-ci seront demandées. Le temps dont le demandeur de projet a besoin pour donner les informations demandées n'est pas compris dans le timing. Le délai maximum de la phase d'évaluation de la demande est de 180 jours (90 jours + 90 jours de fourniture au maximum). Si toutes les informations ne sont pas fournies endéans ce délai, la demande sera évaluée à l'aide de l'information disponible.
Dans les quinze jours de la réception de la demande, [1 le département]1 demande à trois experts externes d'évaluer le dossier. Est-il satisfait aux exigences légales d'approbation de la demande et un projet pilote peut-il être entamé. L'avis doit notamment porter sur des garanties suffisantes quant à l'efficacité et la sécurité dans le passage du niveau de recherche a l'échelle du laboratoire au niveau de projet pilote dans des conditions d'utilisation réalistes. Quels sont les points faibles dans le dossier et à quels points il convient d'accorder une attention particulière.
Par ailleurs, l'avis signale également quelles sont les exigences de l'arrêté Legionella qui pourraient éventuellement être assouplies ou abrogées pour la durée du projet pilote. Un expert est souhaité dans les disciplines suivantes :
- technique;
- microbiologie;
- eau;
- toxicologie/chimie.
Les experts externes examinent le dossier dans les 75 jours calendaires. Ils conseillent [1 le département]1sur la mise en marche ou non du projet pilote (éventuellement à des conditions supplémentaires).
2. Décision quant à l'approbation du projet pilote (timing : jours 90 - 120)
Au vu de l'avis des experts, [1 le département]1 conseille le Ministre d'accorder son approbation au projet pilote ou de le refuser avec motivation.
Une approbation comprend également une description des conditions prévues aux articles de l'arrêté Legionella auxquelles il ne doit pas être satisfait pour la durée du projet ainsi que la composition et la présidence du groupe de pilotage. Le président est un expert académique, désigné par [1 le département]1.
3. Le projet pilote (timing : variable)
Le projet pilote est entamé par l'initiateur aux conditions reprises dans l'autorisation ministérielle.
Au plus tard un mois après la mise en marche, le groupe de pilotage se réunit à l'initiative du président et ensuite régulièrement, afin de diriger et de suivre le projet. La périodicité des réunions du groupe de pilotage est fixée par le groupe de pilotage lui-même et dépend du caractère propre du projet.
Après l'achèvement du projet pilote, le groupe de pilotage évaluera le procédé ou la méthode, sur la base d'un rapport final établi par l'initiateur, et jugera de l'efficacité et de la sécurité du procédé ou de la méthode, tant au niveau intrinsèque que compte tenu des conditions d'utilisation nécessaires et autres. Les conclusions du groupe de pilotage sont notées dans un rapport d'évaluation.
4. Evaluation externe du procédé ou de la méthode (timing après finalisation du rapport final sur le projet pilote : jours 0 - 105)
Après réception du rapport final et du rapport dévaluation, le Ministre demande un avis sur le procédé, pour lequel un agrément est demandé auprès du Conseil supérieur de la Santé.
5. Décision quant à l'approbation du projet pilote (timing : jours 105 - 135, après finalisation du projet pilote)
S'appuyant sur le rapport final sur le projet pilote, le rapport d'évaluation et l'avis rendu par le Conseil supérieur de la Santé, le Ministre décide si le procedé ou la méthode sont approuvés ou non et si oui, dans quelles situations d'utilisation et à quelles conditions d'utilisation. Le procédé ou la méthode sont approuves ou agréés au moyen d'un arrêté ministériel.
Vu pour être annexé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 février 2007 relatif à la prévention de la maladie du légionnaire dans des espaces accessibles au public.