Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° associatie : de vereniging zonder winstoogmerk als bedoeld in artikel 97 van het structuurdecreet;
2° BOF-besluit : het besluit van de Vlaamse Regering van 8 september 2000 betreffende de financiering van de Bijzondere Onderzoeksfondsen aan de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap;
3° referentieperiode : de periode die loopt vanaf het begrotingsjaar n-6 tot en met het jaar n-2, waarbij n staat voor het jaar waarin de overeenkomstig hoofdstuk III becijferde verdeelsleutel wordt toegepast;
4° strategisch basisonderzoek : kwalitatief hoogwaardig, op langere termijn gericht onderzoek, dat beoogt wetenschappelijke of technologische capaciteit op te bouwen als basis voor economische of maatschappelijke toepassingen die :
a) bij de aanvang van het onderzoek nog niet duidelijk zijn gedefinieerd;
b) slechts effectief kunnen worden ontwikkeld door middel van vervolgonderzoek;
5° strategisch onderzoekscentrum : een centrum als bedoeld in het op 22 juli 2005 door de Vlaamse Regering goedgekeurde beleidskader voor steun aan grote kenniscentra ten behoeve van innovatie;
6° structuurdecreet : het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
8 DECEMBER 2006. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de ondersteuning van de Industriële Onderzoeksfondsen in 2006 en 2007. (NOTA : raadpleging van vroegere versies vanaf 02-02-2007 en tekstbijwerking tot 05-05-2008)
Titre
8 DECEMBRE 2006. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif à l'aide aux Fonds de Recherches industrielles en 2006 et 2007 (TRADUCTION). (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 02-02-2007 et mise à jour au 05-05-2008)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
HOOFDSTUK II. - Omschrijving en taakstelling va...
HOOFDSTUK III. - Subsidiëring.
Afdeling 1. - Globale dotatie en verdeelsleutel.
Afdeling 2. - Interne verdeling.
Afdeling 3. - Betalingsritme.
Afdeling 4. - Informatieplicht.
Afdeling 5. - Subsidiëringsvoorwaarden en contr...
HOOFDSTUK IV. - Evaluatie.
HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen.
Inhoud
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
CHAPITRE II. - Définition et missions des Fonds...
CHAPITRE III. - Subventionnement.
Section 1re. - Dotation globale et clé de répar...
Section 2. - Répartition interne.
Section 3. - Rythme de paiement.
Section 4. - Obligation d'information.
Section 5. - Conditions de subventionnement et ...
CHAPITRE IV. - Evaluation.
CHAPITRE V. - Dispositions finales.
Tekst (26)
Texte (26)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Article 1. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
1° association : l'association sans but lucratif, visée à l'article 97 du décret de restructuration;
2° arrêté BOF : l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 septembre 2000 relatif au financement des Fonds spéciaux de Recherche auprès des universités en Communauté flamande;
3° période de référence : la période qui court de l'année budgétaire n-6 à l'année n-2 incluse, n étant l'année au cours de laquelle la clé de répartition, calculée conformément au chapitre III, est appliquée;
4° recherche fondamentale stratégique : une recherche qualitativement supérieure et orientée à long terme, qui vise le développement d'une capacité scientifique ou technologique, qui constitue la base d'applications économiques ou sociales qui :
a) ne sont pas encore définies clairement au début de la recherche;
b) ne peuvent être développées effectivement qu'au moyen de recherches complémentaires;
5° centre de recherche stratégique : un centre tel que visé au cadre politique pour l'aide aux grands centres de connaissances au profit de l'innovation, approuvé par le Gouvernement flamand le 22 juillet 2005;
6° décret de restructuration : le décret du 4 avril 2003 relatif à la restructuration de l'enseignement supérieur en Flandre.
1° association : l'association sans but lucratif, visée à l'article 97 du décret de restructuration;
2° arrêté BOF : l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 septembre 2000 relatif au financement des Fonds spéciaux de Recherche auprès des universités en Communauté flamande;
3° période de référence : la période qui court de l'année budgétaire n-6 à l'année n-2 incluse, n étant l'année au cours de laquelle la clé de répartition, calculée conformément au chapitre III, est appliquée;
4° recherche fondamentale stratégique : une recherche qualitativement supérieure et orientée à long terme, qui vise le développement d'une capacité scientifique ou technologique, qui constitue la base d'applications économiques ou sociales qui :
a) ne sont pas encore définies clairement au début de la recherche;
b) ne peuvent être développées effectivement qu'au moyen de recherches complémentaires;
5° centre de recherche stratégique : un centre tel que visé au cadre politique pour l'aide aux grands centres de connaissances au profit de l'innovation, approuvé par le Gouvernement flamand le 22 juillet 2005;
6° décret de restructuration : le décret du 4 avril 2003 relatif à la restructuration de l'enseignement supérieur en Flandre.
Art. 2. Dit besluit is van toepassing op de associaties en op de universiteiten en hogescholen die partner zijn bij een associatie.
Art. 2. Le présent arrêté s'applique aux associations et aux universités et instituts supérieurs partenaires d'une association.
HOOFDSTUK II. - Omschrijving en taakstelling van de Industriële Onderzoeksfondsen.
CHAPITRE II. - Définition et missions des Fonds de Recherches industrielles.
Art. 3. § 1. Een Industrieel Onderzoeksfonds, afgekort IOF, is een intern bestemmingsfonds van een universiteit of, voor zover daartoe beslist wordt op grond van artikel 100 van het structuurdecreet, van een associatie. Bij een universiteit of een associatie kan slechts één IOF worden ingericht.
De middelen van een IOF worden aangewend voor het strategisch basisonderzoek in de schoot van de universiteit en de hogescho(o)l(en) die partner zijn bij de associatie waartoe de universiteit behoort.
§ 2. Een IOF wordt gedurende de begrotingsjaren (2006, 2007 en 2008) gespijsd door een subsidie-enveloppe, als bedoeld in artikel 4, tweede lid.
Het universiteitsbestuur, de besturen van de hogescho(o)l(en) die partner zijn bij de associatie en het associatiebestuur kunnen te allen tijde beslissen om bijkomende middelen in het IOF in te brengen.
§ 3. Een IOF wordt, naar gelang het geval, beheerd op de wijze bepaald door een reglement, vastgesteld door het universiteitsbestuur, dan wel door het algemeen onderzoeks- en samenwerkingsreglement van de associatie, als bedoeld in artikel 101bis van het structuurdecreet.
Het toepasselijke reglement voorziet ten minste in :
1° de oprichting van een IOF-raad, die het universiteits- of associatiebestuur van advies dient over de besteding van de middelen van het IOF;
2° een omschrijving van de onderzoeksactiviteiten die in aanmerking komen voor een toelage op grond van de IOF-middelen;
3° een omschrijving van de criteria op grond waarvan de in 2° bedoelde onderzoeksactiviteiten worden geselecteerd.
§ 4. De IOF-raad, als bedoeld in § 3, tweede lid, 1°, bestaat uit ten minste 12 leden en is onderverdeeld in drie geledingen :
1° geleding 1 : personeelsleden van de universiteit;
2° geleding 2 : personeelsleden van de hogescho(o)l(en) die partner zijn bij de betrokken associatie;
3° geleding 3 : vertegenwoordigers van het bedrijfsleven.
Geleding 1 bestaat uit ten minste één derde van de leden van de IOF-raad. Geleding 2 en geleding 3 bestaan elk uit ten minste één vierde van de leden van de IOF-raad.
Ten minste één vierde en ten hoogste de helft van geleding 1 is tegelijkertijd lid van de onderzoeksraad bij de universiteit.
Een persoon kan niet namens twee geledingen zetelen in de IOF-raad. Personen die een betrekking uitoefenen bij verschillende partners bij de betrokken associatie, worden gerekend bij de geleding waarbij zij de grootste opdracht uitoefenen. Vertegenwoordigers van het bedrijfsleven die tegelijkertijd een betrekking uitoefenen bij de universiteit of de hogescho(o)l(en), worden gerekend bij geleding 1 of geleding 2, zodra hun opdracht 50 % of meer bedraagt van een voltijdse betrekking.
Ten hoogste twee derde van de leden van de IOF-raad is van hetzelfde geslacht. Wanneer niet wordt voldaan aan deze voorwaarde, kan de IOF-raad geen rechtsgeldig advies uitbrengen.
De voorzitter van de IOF-raad wordt aangeduid onder de leden van geleding 1.
De middelen van een IOF worden aangewend voor het strategisch basisonderzoek in de schoot van de universiteit en de hogescho(o)l(en) die partner zijn bij de associatie waartoe de universiteit behoort.
§ 2. Een IOF wordt gedurende de begrotingsjaren (2006, 2007 en 2008) gespijsd door een subsidie-enveloppe, als bedoeld in artikel 4, tweede lid.
Het universiteitsbestuur, de besturen van de hogescho(o)l(en) die partner zijn bij de associatie en het associatiebestuur kunnen te allen tijde beslissen om bijkomende middelen in het IOF in te brengen.
§ 3. Een IOF wordt, naar gelang het geval, beheerd op de wijze bepaald door een reglement, vastgesteld door het universiteitsbestuur, dan wel door het algemeen onderzoeks- en samenwerkingsreglement van de associatie, als bedoeld in artikel 101bis van het structuurdecreet.
Het toepasselijke reglement voorziet ten minste in :
1° de oprichting van een IOF-raad, die het universiteits- of associatiebestuur van advies dient over de besteding van de middelen van het IOF;
2° een omschrijving van de onderzoeksactiviteiten die in aanmerking komen voor een toelage op grond van de IOF-middelen;
3° een omschrijving van de criteria op grond waarvan de in 2° bedoelde onderzoeksactiviteiten worden geselecteerd.
§ 4. De IOF-raad, als bedoeld in § 3, tweede lid, 1°, bestaat uit ten minste 12 leden en is onderverdeeld in drie geledingen :
1° geleding 1 : personeelsleden van de universiteit;
2° geleding 2 : personeelsleden van de hogescho(o)l(en) die partner zijn bij de betrokken associatie;
3° geleding 3 : vertegenwoordigers van het bedrijfsleven.
Geleding 1 bestaat uit ten minste één derde van de leden van de IOF-raad. Geleding 2 en geleding 3 bestaan elk uit ten minste één vierde van de leden van de IOF-raad.
Ten minste één vierde en ten hoogste de helft van geleding 1 is tegelijkertijd lid van de onderzoeksraad bij de universiteit.
Een persoon kan niet namens twee geledingen zetelen in de IOF-raad. Personen die een betrekking uitoefenen bij verschillende partners bij de betrokken associatie, worden gerekend bij de geleding waarbij zij de grootste opdracht uitoefenen. Vertegenwoordigers van het bedrijfsleven die tegelijkertijd een betrekking uitoefenen bij de universiteit of de hogescho(o)l(en), worden gerekend bij geleding 1 of geleding 2, zodra hun opdracht 50 % of meer bedraagt van een voltijdse betrekking.
Ten hoogste twee derde van de leden van de IOF-raad is van hetzelfde geslacht. Wanneer niet wordt voldaan aan deze voorwaarde, kan de IOF-raad geen rechtsgeldig advies uitbrengen.
De voorzitter van de IOF-raad wordt aangeduid onder de leden van geleding 1.
Art. 3. § 1er. Un Fonds de Recherches industrielles, en abrégé FRI, est un fonds interne d'affectation d'une université ou, dans la mesure où une décision à cet effet est prise en vertu de l'article 100 du décret de restructuration, d'une association. Auprès d'une université ou d'une association, il ne peut être créé qu'un seul FRI.
Les moyens d'un FRI sont affectés à la recherche fondamentale stratégique au sein de l'université et de l'institut supérieur ou des instituts supérieurs qui sont partenaires de l'association à laquelle appartient l'université.
§ 2. Pendant les années budgétaires (2006, 2007 et 2008), un FRI est alimenté par une enveloppe subventionnelle, telle que visée à l'article 4, alinéa deux.
Les autorités universitaires, les autorités de l'institut supérieur ou des instituts supérieurs qui sont partenaires de l'association et la direction de l'association peuvent décider à tout moment d'apporter des moyens supplémentaires au FRI.
§ 3. La gestion d'un FRI est, selon le cas, définie dans un règlement fixé par les autorités universitaires ou dans le règlement général de recherche et de coopération de l'association, tel que visé à l'article 101bis du décret de restructuration.
Le règlement applicable prévoit au moins :
1° l'établissement d'un conseil FRI, qui donne des avis sur l'affectation des moyens du FRI aux autorités universitaires ou à la direction de l'association;
2° une définition des activités de recherche éligibles au subventionnement sur la base des moyens FRI;
3° une définition des critères sur la base desquels les activités de recherche visées au 2° sont sélectionnées.
§ 4. Le conseil FRI, tel que visé au § 3, alinéa deux, 1°, se compose au moins de 12 membres et est subdivisé en trois catégories :
1° catégorie 1 : membres du personnel de l'université;
2° catégorie 2 : membres du personnel de l'institut supérieur ou des instituts supérieurs qui sont partenaires de l'association concernée;
3° catégorie 3 : représentants des entreprises.
La catégorie 1 se compose au moins d'un tiers des membres du conseil FRI. Les catégories 2 et 3 se composent chacune au moins d'un quart des membres du conseil FRI.
Au minimum un quart et au maximum la moitié de la catégorie 1 est en même temps membre du conseil de recherche auprès de l'université.
Une personne ne peut pas siéger au conseil FRI au nom de deux catégories. Les personnes exerçant un emploi auprès de différents partenaires de l'association concernée, sont considérées comme faisant partie de la catégorie auprès de laquelle elles exercent la mission la plus importante. Les représentants des entreprises qui exercent en même temps un emploi à l'université ou à l'institut supérieur ou aux instituts supérieurs, sont considérés comme faisant partie de la catégorie 1 ou la catégorie 2 dès que leur mission égale ou dépasse 50 % d'un emploi à temps plein.
Deux tiers au maximum des membres du conseil FRI sont du même sexe. Lorsque cette condition n'est pas remplie, le conseil FRI ne peut pas émettre d'avis valable.
Le président du conseil FRI est désigné parmi les membres de la catégorie 1.
Les moyens d'un FRI sont affectés à la recherche fondamentale stratégique au sein de l'université et de l'institut supérieur ou des instituts supérieurs qui sont partenaires de l'association à laquelle appartient l'université.
§ 2. Pendant les années budgétaires (2006, 2007 et 2008), un FRI est alimenté par une enveloppe subventionnelle, telle que visée à l'article 4, alinéa deux.
Les autorités universitaires, les autorités de l'institut supérieur ou des instituts supérieurs qui sont partenaires de l'association et la direction de l'association peuvent décider à tout moment d'apporter des moyens supplémentaires au FRI.
§ 3. La gestion d'un FRI est, selon le cas, définie dans un règlement fixé par les autorités universitaires ou dans le règlement général de recherche et de coopération de l'association, tel que visé à l'article 101bis du décret de restructuration.
Le règlement applicable prévoit au moins :
1° l'établissement d'un conseil FRI, qui donne des avis sur l'affectation des moyens du FRI aux autorités universitaires ou à la direction de l'association;
2° une définition des activités de recherche éligibles au subventionnement sur la base des moyens FRI;
3° une définition des critères sur la base desquels les activités de recherche visées au 2° sont sélectionnées.
§ 4. Le conseil FRI, tel que visé au § 3, alinéa deux, 1°, se compose au moins de 12 membres et est subdivisé en trois catégories :
1° catégorie 1 : membres du personnel de l'université;
2° catégorie 2 : membres du personnel de l'institut supérieur ou des instituts supérieurs qui sont partenaires de l'association concernée;
3° catégorie 3 : représentants des entreprises.
La catégorie 1 se compose au moins d'un tiers des membres du conseil FRI. Les catégories 2 et 3 se composent chacune au moins d'un quart des membres du conseil FRI.
Au minimum un quart et au maximum la moitié de la catégorie 1 est en même temps membre du conseil de recherche auprès de l'université.
Une personne ne peut pas siéger au conseil FRI au nom de deux catégories. Les personnes exerçant un emploi auprès de différents partenaires de l'association concernée, sont considérées comme faisant partie de la catégorie auprès de laquelle elles exercent la mission la plus importante. Les représentants des entreprises qui exercent en même temps un emploi à l'université ou à l'institut supérieur ou aux instituts supérieurs, sont considérés comme faisant partie de la catégorie 1 ou la catégorie 2 dès que leur mission égale ou dépasse 50 % d'un emploi à temps plein.
Deux tiers au maximum des membres du conseil FRI sont du même sexe. Lorsque cette condition n'est pas remplie, le conseil FRI ne peut pas émettre d'avis valable.
Le président du conseil FRI est désigné parmi les membres de la catégorie 1.
HOOFDSTUK III. - Subsidiëring.
CHAPITRE III. - Subventionnement.
Afdeling 1. - Globale dotatie en verdeelsleutel.
Section 1re. - Dotation globale et clé de répartition.
Art. 4. De Vlaamse Regering legt jaarlijks, binnen de perken van de begrotingskredieten, een globale dotatie vast voor de subsidiëring van de IOF's.
De globale dotatie wordt onder de universiteiten of associaties verdeeld a rato van het procentuele aandeel van de universiteit in de som van de parameters, omschreven in artikel 5 en gewogen overeenkomstig artikel 6.
De globale dotatie wordt onder de universiteiten of associaties verdeeld a rato van het procentuele aandeel van de universiteit in de som van de parameters, omschreven in artikel 5 en gewogen overeenkomstig artikel 6.
Art. 4. Chaque année, le Gouvernement flamand fixe, dans les limites des crédits budgétaires, une dotation globale pour le subventionnement des FRI.
La dotation globale est répartie entre les universités ou les associations au prorata de la part en pourcentage de l'université dans la somme des paramètres établis à l'article 5 et pondérés conformément à l'article 6.
La dotation globale est répartie entre les universités ou les associations au prorata de la part en pourcentage de l'université dans la somme des paramètres établis à l'article 5 et pondérés conformément à l'article 6.
Art. 5. § 1. Parameter 1 betreft het procentuele aandeel van de universiteit in het globale aantal doctoraatsdiploma's.
Dit aandeel wordt berekend overeenkomstig de regelen die van toepassing zijn op het criterium als bedoeld in artikel 3, § 3, eerste lid, 2° van het BOF-besluit.
§ 2. Parameter 2 betreft het gemiddelde procentuele aandeel van de universiteit in het globale aantal publicaties, enerzijds, en in het globale aantal citaties, anderzijds.
Dit aandeel wordt berekend overeenkomstig de regelen die van toepassing zijn op het criterium als bedoeld in artikel 3, § 8, eerste lid, 1°, respectievelijk 2° van het BOF-besluit.
§ 3. Parameter 3 betreft het procentuele aandeel van de universiteit, in de referentieperiode, in de door het Instituut voor Innovatie door Wetenschap en Technologie beheerde financiering van projecten waarin universiteiten kunnen deelnemen.
Voor de toepassing van het eerste lid worden tevens als middelen verworven door de universiteit beschouwd :
1° de middelen verworven door de strategische onderzoekscentra voor wat betreft het onderzoek(sgedeelte) dat wordt uitgevoerd in een onderzoeksgroep van de universiteit, voor zover de universiteit een vergoeding ontvangt voor de indirecte kosten;
2° de middelen verworven door de universitaire ziekenhuizen als bedoeld in artikel 4 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, voor wat betreft het onderzoek(sgedeelte) dat wordt uitgevoerd in een onderzoeksgroep van een universiteit.
§ 4. Parameter 4 betreft het procentuele aandeel van de universiteit in het geheel van de universitaire contractinkomsten uit het Vijfde Kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (1998-2002).
Voor de toepassing van het eerste lid worden tevens als middelen verworven door de universiteit beschouwd :
1° de middelen verworven door de strategische onderzoekscentra voor wat betreft het onderzoek(sgedeelte) dat wordt uitgevoerd in een onderzoeksgroep van de universiteit, voor zover de universiteit een vergoeding ontvangt voor de indirecte kosten;
2° de middelen verworven door de universitaire ziekenhuizen als bedoeld in artikel 4 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, voor wat betreft het onderzoek(sgedeelte) dat wordt uitgevoerd in een onderzoeksgroep van een universiteit.
§ 5. Parameter 5 betreft het procentuele aandeel van de universiteit, in de referentieperiode, in het globale aantal :
1° toegekende United States Patent and Trademark Office-octrooien;
2° aangevraagde en toegekende European Patent Office-octrooien;
3° aangevraagde octrooien conform het Patent Cooperation Treaty.
Toegekende octrooien hebben in de telling een gewicht van 1. Gepubliceerde aangevraagde octrooien hebben in de telling een gewicht van 0,5. Indien in de referentieperiode zowel een aanvraag als een toekenning vallen, prevaleert de toekenning en krijgt het octrooi in de telling een gewicht van 1.
Voor de toepassing van het eerste lid worden tevens als door de universiteit aangevraagde en toegekende octrooien beschouwd :
1° de aangevraagde of toegekende octrooien die, zonder de universiteit als medeaanvrager te vermelden, vóór 1 januari 2007 zijn aangevraagd door het Interuniversitair Micro-Elektronica Centrum, het Antwerps Innovatie Centrum en de Collen Stichting voor zover op het aangevraagde of toegekende octrooi een persoon wordt vermeld die als voltijds medewerker of voltijds bursaal aan de universiteit is verbonden;
2° de aangevraagde of toegekende octrooien die zijn aangevraagd door het universitair ziekenhuis, als bedoeld in artikel 4 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987.
§ 6. Parameter 6 betreft het procentuele aandeel van de universiteit in de creatie, in de referentieperiode, van spin-off bedrijven. Het gaat hierbij over nieuwe ondernemingen wiens oprichting afhankelijk is van het gebruik van kennis en intellectuele eigendom gecreëerd of ontwikkeld aan de universiteit. In geval de universiteit deelneemt in een vennootschap die als maatschappelijk doel heeft kapitaal, financiële knowhow of management knowhow ter beschikking te stellen van haar spin-off bedrijven, worden de door deze rechtspersoon beheerde spin-offs eveneens in de telling inbegrepen. Er wordt bij elke universiteit of de hiervoor bedoelde rechtspersoon jaarlijks een opvraging van de stukken gedaan, waaruit de spin-off relatie dient te blijken.
Voor de toepassing van het eerste lid :
1° komen slechts deelnames in aanmerking die bestaan in :
a) ofwel de rechtstreekse inbreng van immateriële activa of financiële middelen in spin-off bedrijven,
b) ofwel de ondersteuning van spin off-bedrijven door middel van de deelname in een spin-off ondersteunend bedrijf dat kapitaal, financiële know how of management know how ter beschikking stelt van spin-off-bedrijven overeenkomstig artikel 20, § 3, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de wetenschappelijke of maatschappelijke dienstverlening door de universiteiten of de hogescholen en betreffende de relaties van de universiteiten en de hogescholen met andere rechtspersonen;
2° geldt dat een spin-off bedrijf, gecreëerd door een strategisch onderzoekscentrum, toegerekend wordt aan de universiteit waar de betrokken onderzoeksgroep gehuisvest is die de wetenschappelijke kennis, de resultaten van het wetenschappelijk of projectmatig wetenschappelijk onderzoek, de technologie of de administratieve of logistieke innovaties ontwikkeld heeft die de basis vormen voor de creatie van het spin-off bedrijf.
§ 7. Parameter 7 betreft het procentuele aandeel van de universiteit in het totale wetenschappelijke personeelsbestand van de Vlaamse universiteiten in de referentieperiode.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder wetenschappelijk personeelsbestand verstaan : de som van volgende personeelsleden, in voltijdse equivalenten begrepen, en geteld op 1 februari van het betreffende referentiejaar :
1° het zelfstandig academisch personeel en het assisterend academisch personeel, als bedoeld in artikel 64 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap;
2° de wetenschappelijke medewerkers, als bedoeld in artikel 158 van voormeld decreet van 12 juni 1991.
Dit aandeel wordt berekend overeenkomstig de regelen die van toepassing zijn op het criterium als bedoeld in artikel 3, § 3, eerste lid, 2° van het BOF-besluit.
§ 2. Parameter 2 betreft het gemiddelde procentuele aandeel van de universiteit in het globale aantal publicaties, enerzijds, en in het globale aantal citaties, anderzijds.
Dit aandeel wordt berekend overeenkomstig de regelen die van toepassing zijn op het criterium als bedoeld in artikel 3, § 8, eerste lid, 1°, respectievelijk 2° van het BOF-besluit.
§ 3. Parameter 3 betreft het procentuele aandeel van de universiteit, in de referentieperiode, in de door het Instituut voor Innovatie door Wetenschap en Technologie beheerde financiering van projecten waarin universiteiten kunnen deelnemen.
Voor de toepassing van het eerste lid worden tevens als middelen verworven door de universiteit beschouwd :
1° de middelen verworven door de strategische onderzoekscentra voor wat betreft het onderzoek(sgedeelte) dat wordt uitgevoerd in een onderzoeksgroep van de universiteit, voor zover de universiteit een vergoeding ontvangt voor de indirecte kosten;
2° de middelen verworven door de universitaire ziekenhuizen als bedoeld in artikel 4 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, voor wat betreft het onderzoek(sgedeelte) dat wordt uitgevoerd in een onderzoeksgroep van een universiteit.
§ 4. Parameter 4 betreft het procentuele aandeel van de universiteit in het geheel van de universitaire contractinkomsten uit het Vijfde Kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (1998-2002).
Voor de toepassing van het eerste lid worden tevens als middelen verworven door de universiteit beschouwd :
1° de middelen verworven door de strategische onderzoekscentra voor wat betreft het onderzoek(sgedeelte) dat wordt uitgevoerd in een onderzoeksgroep van de universiteit, voor zover de universiteit een vergoeding ontvangt voor de indirecte kosten;
2° de middelen verworven door de universitaire ziekenhuizen als bedoeld in artikel 4 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, voor wat betreft het onderzoek(sgedeelte) dat wordt uitgevoerd in een onderzoeksgroep van een universiteit.
§ 5. Parameter 5 betreft het procentuele aandeel van de universiteit, in de referentieperiode, in het globale aantal :
1° toegekende United States Patent and Trademark Office-octrooien;
2° aangevraagde en toegekende European Patent Office-octrooien;
3° aangevraagde octrooien conform het Patent Cooperation Treaty.
Toegekende octrooien hebben in de telling een gewicht van 1. Gepubliceerde aangevraagde octrooien hebben in de telling een gewicht van 0,5. Indien in de referentieperiode zowel een aanvraag als een toekenning vallen, prevaleert de toekenning en krijgt het octrooi in de telling een gewicht van 1.
Voor de toepassing van het eerste lid worden tevens als door de universiteit aangevraagde en toegekende octrooien beschouwd :
1° de aangevraagde of toegekende octrooien die, zonder de universiteit als medeaanvrager te vermelden, vóór 1 januari 2007 zijn aangevraagd door het Interuniversitair Micro-Elektronica Centrum, het Antwerps Innovatie Centrum en de Collen Stichting voor zover op het aangevraagde of toegekende octrooi een persoon wordt vermeld die als voltijds medewerker of voltijds bursaal aan de universiteit is verbonden;
2° de aangevraagde of toegekende octrooien die zijn aangevraagd door het universitair ziekenhuis, als bedoeld in artikel 4 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987.
§ 6. Parameter 6 betreft het procentuele aandeel van de universiteit in de creatie, in de referentieperiode, van spin-off bedrijven. Het gaat hierbij over nieuwe ondernemingen wiens oprichting afhankelijk is van het gebruik van kennis en intellectuele eigendom gecreëerd of ontwikkeld aan de universiteit. In geval de universiteit deelneemt in een vennootschap die als maatschappelijk doel heeft kapitaal, financiële knowhow of management knowhow ter beschikking te stellen van haar spin-off bedrijven, worden de door deze rechtspersoon beheerde spin-offs eveneens in de telling inbegrepen. Er wordt bij elke universiteit of de hiervoor bedoelde rechtspersoon jaarlijks een opvraging van de stukken gedaan, waaruit de spin-off relatie dient te blijken.
Voor de toepassing van het eerste lid :
1° komen slechts deelnames in aanmerking die bestaan in :
a) ofwel de rechtstreekse inbreng van immateriële activa of financiële middelen in spin-off bedrijven,
b) ofwel de ondersteuning van spin off-bedrijven door middel van de deelname in een spin-off ondersteunend bedrijf dat kapitaal, financiële know how of management know how ter beschikking stelt van spin-off-bedrijven overeenkomstig artikel 20, § 3, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de wetenschappelijke of maatschappelijke dienstverlening door de universiteiten of de hogescholen en betreffende de relaties van de universiteiten en de hogescholen met andere rechtspersonen;
2° geldt dat een spin-off bedrijf, gecreëerd door een strategisch onderzoekscentrum, toegerekend wordt aan de universiteit waar de betrokken onderzoeksgroep gehuisvest is die de wetenschappelijke kennis, de resultaten van het wetenschappelijk of projectmatig wetenschappelijk onderzoek, de technologie of de administratieve of logistieke innovaties ontwikkeld heeft die de basis vormen voor de creatie van het spin-off bedrijf.
§ 7. Parameter 7 betreft het procentuele aandeel van de universiteit in het totale wetenschappelijke personeelsbestand van de Vlaamse universiteiten in de referentieperiode.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder wetenschappelijk personeelsbestand verstaan : de som van volgende personeelsleden, in voltijdse equivalenten begrepen, en geteld op 1 februari van het betreffende referentiejaar :
1° het zelfstandig academisch personeel en het assisterend academisch personeel, als bedoeld in artikel 64 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap;
2° de wetenschappelijke medewerkers, als bedoeld in artikel 158 van voormeld decreet van 12 juni 1991.
Art. 5. § 1er. Le paramètre 1 concerne la part en pourcentage de l'université dans le nombre global de diplômes de doctorat.
Cette part est calculée conformément aux règles applicables au critère tel que visé à l'article 3, § 3, alinéa premier, 2°, de l'arrêté BOF.
§ 2. Le paramètre 2 concerne la part moyenne en pourcentage de l'université dans le nombre global de publications d'une part, et le nombre global de citations d'autre part.
Cette part est calculée conformément aux règles applicables au critère tel que visé à l'article 3, § 8, alinéa premier, 1°, respectivement 2° de l'arrêté BOF.
§ 3. Le paramètre 3 concerne la part en pourcentage de l'université, au cours de la période de référence, dans le financement de projets auxquels peuvent prendre part des universités, géré par l' " Instituut voor Innovatie door Wetenschap en technologie " (Institut d'Innovation par les Sciences et la Technologie).
Pour l'application de l'alinéa premier, sont également considérés comme des moyens acquis par l'université :
1° les moyens acquis par les centres de recherche stratégique en ce qui concerne la (partie de) recherche effectuée dans un groupe de recherche de l'université, dans la mesure où l'université perçoit une indemnité pour les frais indirects;
2° les moyens acquis par les hôpitaux universitaires tels que visés à l'article 4 de la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987, en ce qui concerne la (partie de) recherche effectuée dans un groupe de recherche d'une université.
§ 4. Le paramètre 4 concerne la part en pourcentage de l'université dans l'ensemble des produits des contrats universitaires dans le contexte du Cinquième Programme-cadre pour des actions de recherche, de développement technologique et de démonstration (1998-2002).
Pour l'application de l'alinéa premier, sont également considérés comme des moyens acquis par l'université :
1° les moyens acquis par les centres de recherche stratégique en ce qui concerne la (partie de) recherche effectuée dans un groupe de recherche de l'université, dans la mesure où l'université perçoit une indemnité pour les frais indirects;
2° les moyens acquis par les hôpitaux universitaires tels que visés à l'article 4 de la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987, en ce qui concerne la (partie de) recherche effectuée dans un groupe de recherche d'une université.
§ 5. Le paramètre 5 concerne la part en pourcentage de l'université, au cours de la période de référence, dans le nombre global :
1° de brevets United States Patent and Trademark Office délivrés;
2° de brevets European Patent Office demandés et délivrés;
3° de brevets demandés conformément au Patent Cooperation Treaty.
Les brevets délivrés ont un poids 1 dans le comptage. Les brevets demandés publiés ont un poids 0,5 dans le comptage. Si la période de référence contient tant une demande qu'une délivrance, cette dernière prévaut, et le brevet a un poids 1 dans le comptage.
Pour l'application de l'alinéa premier, sont également considérés comme des brevets demandés et délivrés par l'université :
1° les brevets demandés ou délivrés qui, sans mentionner l'université en tant que codemandeur, ont été demandés avant le 1er janvier 2007 par le " Interuniversitaire Micro-Elektronica Centrum ", le " Antwerps Innovatie Centrum " et le " Collen Stichting " dans la mesure où le brevet demandé ou délivré mentionne une personne liée à l'université comme collaborateur à temps plein ou boursier à temps plein;
2° les brevets demandés ou délivrés qui ont été demandés par l'hôpital universitaire tel que visé à l'article 4 de la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987.
§ 6. Le paramètre 6 concerne la part en pourcentage de l'université dans la création, au cours de la période de référence, d'entreprises spin-off. Il s'agit de nouvelles entreprises dont la création dépend de l'utilisation de connaissances et de propriété intellectuelle créées ou développées à l'université. Si l'université participe à une société ayant comme objet social la mise à disposition de ses entreprises spin-off du capital, du savoir-faire financier ou au niveau du management, les spin-offs gérées par cette personne morale sont également incluses dans le comptage. Chaque année, les documents démontrant la relation spin-off sont demandés à chaque université ou à la personne morale susvisée.
Pour l'application de l'alinéa 1er :
1° n'entrent en ligne de compte que des participations qui consistent en :
a) soit l'apport direct d'actifs immatériels ou de moyens financiers dans des entreprises spin-off,
b) soit le soutien d'entreprises spin-off au moyen de la participation dans une entreprise commanditaire d'une spin-off qui met du capital, du savoir-faire financier ou au niveau du management à disposition d'entreprises spin-off conformément à l'article 20, § 3, du décret du 22 février 1995 relatif aux services scientifiques ou sociaux fournis par les universités ou les instituts supérieurs et aux rapports de ceux-ci avec d'autres personnes morales;
2° une entreprise spin-off, créée par un centre de recherche stratégique, est imputée à l'université où est établi le groupe de recherche concerné qui a développé les connaissances scientifiques, les résultats de la recherche scientifique ou de la recherche scientifique thématique par projets, la technologie ou les innovations administratives ou logistiques qui constituent la base de la création de l'entreprise spin-off.
§ 7. Le paramètre 7 concerne la part en pourcentage de l'université dans l'effectif total du personnel scientifique des universités flamandes au cours de la période de référence.
Pour l'application de l'alinéa premier, on entend par effectif du personnel scientifique : la somme des membres du personnel suivants, en équivalents temps plein, et comptés le 1er février de l'année de référence concernée :
1° le personnel académique autonome et le personnel académique assistant, tels que visés à l'article 64 du décret du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande;
2° les collaborateurs scientifiques, tels que visés à l'article 158 du décret précité du 12 juin 1991.
Cette part est calculée conformément aux règles applicables au critère tel que visé à l'article 3, § 3, alinéa premier, 2°, de l'arrêté BOF.
§ 2. Le paramètre 2 concerne la part moyenne en pourcentage de l'université dans le nombre global de publications d'une part, et le nombre global de citations d'autre part.
Cette part est calculée conformément aux règles applicables au critère tel que visé à l'article 3, § 8, alinéa premier, 1°, respectivement 2° de l'arrêté BOF.
§ 3. Le paramètre 3 concerne la part en pourcentage de l'université, au cours de la période de référence, dans le financement de projets auxquels peuvent prendre part des universités, géré par l' " Instituut voor Innovatie door Wetenschap en technologie " (Institut d'Innovation par les Sciences et la Technologie).
Pour l'application de l'alinéa premier, sont également considérés comme des moyens acquis par l'université :
1° les moyens acquis par les centres de recherche stratégique en ce qui concerne la (partie de) recherche effectuée dans un groupe de recherche de l'université, dans la mesure où l'université perçoit une indemnité pour les frais indirects;
2° les moyens acquis par les hôpitaux universitaires tels que visés à l'article 4 de la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987, en ce qui concerne la (partie de) recherche effectuée dans un groupe de recherche d'une université.
§ 4. Le paramètre 4 concerne la part en pourcentage de l'université dans l'ensemble des produits des contrats universitaires dans le contexte du Cinquième Programme-cadre pour des actions de recherche, de développement technologique et de démonstration (1998-2002).
Pour l'application de l'alinéa premier, sont également considérés comme des moyens acquis par l'université :
1° les moyens acquis par les centres de recherche stratégique en ce qui concerne la (partie de) recherche effectuée dans un groupe de recherche de l'université, dans la mesure où l'université perçoit une indemnité pour les frais indirects;
2° les moyens acquis par les hôpitaux universitaires tels que visés à l'article 4 de la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987, en ce qui concerne la (partie de) recherche effectuée dans un groupe de recherche d'une université.
§ 5. Le paramètre 5 concerne la part en pourcentage de l'université, au cours de la période de référence, dans le nombre global :
1° de brevets United States Patent and Trademark Office délivrés;
2° de brevets European Patent Office demandés et délivrés;
3° de brevets demandés conformément au Patent Cooperation Treaty.
Les brevets délivrés ont un poids 1 dans le comptage. Les brevets demandés publiés ont un poids 0,5 dans le comptage. Si la période de référence contient tant une demande qu'une délivrance, cette dernière prévaut, et le brevet a un poids 1 dans le comptage.
Pour l'application de l'alinéa premier, sont également considérés comme des brevets demandés et délivrés par l'université :
1° les brevets demandés ou délivrés qui, sans mentionner l'université en tant que codemandeur, ont été demandés avant le 1er janvier 2007 par le " Interuniversitaire Micro-Elektronica Centrum ", le " Antwerps Innovatie Centrum " et le " Collen Stichting " dans la mesure où le brevet demandé ou délivré mentionne une personne liée à l'université comme collaborateur à temps plein ou boursier à temps plein;
2° les brevets demandés ou délivrés qui ont été demandés par l'hôpital universitaire tel que visé à l'article 4 de la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987.
§ 6. Le paramètre 6 concerne la part en pourcentage de l'université dans la création, au cours de la période de référence, d'entreprises spin-off. Il s'agit de nouvelles entreprises dont la création dépend de l'utilisation de connaissances et de propriété intellectuelle créées ou développées à l'université. Si l'université participe à une société ayant comme objet social la mise à disposition de ses entreprises spin-off du capital, du savoir-faire financier ou au niveau du management, les spin-offs gérées par cette personne morale sont également incluses dans le comptage. Chaque année, les documents démontrant la relation spin-off sont demandés à chaque université ou à la personne morale susvisée.
Pour l'application de l'alinéa 1er :
1° n'entrent en ligne de compte que des participations qui consistent en :
a) soit l'apport direct d'actifs immatériels ou de moyens financiers dans des entreprises spin-off,
b) soit le soutien d'entreprises spin-off au moyen de la participation dans une entreprise commanditaire d'une spin-off qui met du capital, du savoir-faire financier ou au niveau du management à disposition d'entreprises spin-off conformément à l'article 20, § 3, du décret du 22 février 1995 relatif aux services scientifiques ou sociaux fournis par les universités ou les instituts supérieurs et aux rapports de ceux-ci avec d'autres personnes morales;
2° une entreprise spin-off, créée par un centre de recherche stratégique, est imputée à l'université où est établi le groupe de recherche concerné qui a développé les connaissances scientifiques, les résultats de la recherche scientifique ou de la recherche scientifique thématique par projets, la technologie ou les innovations administratives ou logistiques qui constituent la base de la création de l'entreprise spin-off.
§ 7. Le paramètre 7 concerne la part en pourcentage de l'université dans l'effectif total du personnel scientifique des universités flamandes au cours de la période de référence.
Pour l'application de l'alinéa premier, on entend par effectif du personnel scientifique : la somme des membres du personnel suivants, en équivalents temps plein, et comptés le 1er février de l'année de référence concernée :
1° le personnel académique autonome et le personnel académique assistant, tels que visés à l'article 64 du décret du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande;
2° les collaborateurs scientifiques, tels que visés à l'article 158 du décret précité du 12 juin 1991.
Art. 6. De in artikel 5 bedoelde parameters worden voor het jaar (2006, 2007 en 2008) gewogen als volgt :
Art. 6. Les paramètres visés à l'article 5, sont pondérés comme suit pour les années (2006, 2007 et 2008) :
Parameter 1 2 3 4 5 6 7
- - - - - - - -
Gewicht 0,25 0,25 0,10 0,10 0,10 0,10 0,10
- - - - - - - -
Gewicht 0,25 0,25 0,10 0,10 0,10 0,10 0,10
Parametre 1 2 3 4 5 6 7
- - - - - - - -
Poids 0,25 0,25 0,10 0,10 0,10 0,10 0,10
- - - - - - - -
Poids 0,25 0,25 0,10 0,10 0,10 0,10 0,10
Art. 7. § 1. De resultaten van de berekeningen, als bedoeld in artikel 5 en 6, worden telkens afgerond op twee cijfers na de komma.
De bij toepassing van de verdeelsleutel verkregen bedragen worden afgerond op het honderdtal.
§ 2. De Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschappelijk onderzoek en het technologisch innovatiebeleid, is ertoe gemachtigd om voor de berekening van de verdeelsleutel nadere regelen vast te leggen op het vlak van :
1° de instanties, verantwoordelijk voor het aanleveren of valideren van de nodige cijfergegevens;
2° de termijn waarbinnen de nodige cijfergegevens worden afgeleverd;
3° de vormvoorschriften betreffende het aanleveren van de nodige cijfergegevens;
4° de technische uitwerking van de berekeningsmodaliteiten.
Het in het eerste lid bedoelde ministerieel besluit wordt vastgelegd na advies van de universiteiten, respectievelijk associaties en van het steunpunt dat door de Vlaamse Regering belast wordt met de opmaak en de analyse van O&O-indicatoren.
§ 3. De exacte verdeling van de middelen over de universiteiten of associaties wordt opgenomen in een ministerieel besluit.
De bij toepassing van de verdeelsleutel verkregen bedragen worden afgerond op het honderdtal.
§ 2. De Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschappelijk onderzoek en het technologisch innovatiebeleid, is ertoe gemachtigd om voor de berekening van de verdeelsleutel nadere regelen vast te leggen op het vlak van :
1° de instanties, verantwoordelijk voor het aanleveren of valideren van de nodige cijfergegevens;
2° de termijn waarbinnen de nodige cijfergegevens worden afgeleverd;
3° de vormvoorschriften betreffende het aanleveren van de nodige cijfergegevens;
4° de technische uitwerking van de berekeningsmodaliteiten.
Het in het eerste lid bedoelde ministerieel besluit wordt vastgelegd na advies van de universiteiten, respectievelijk associaties en van het steunpunt dat door de Vlaamse Regering belast wordt met de opmaak en de analyse van O&O-indicatoren.
§ 3. De exacte verdeling van de middelen over de universiteiten of associaties wordt opgenomen in een ministerieel besluit.
Art. 7. § 1er. Les résultats des calculs, tels que visés aux articles 5 et 6, sont chaque fois arrondis à deux chiffres après la virgule.
Les montants obtenus en application de la clé de répartition sont arrondis à la centaine.
§ 2. Le Ministre flamand qui a la recherche scientifique et la politique de l'innovation technologique dans ses attributions, est autorisé à arrêter des modalités, pour le calcul de la clé de répartition, au niveau :
1° des instances responsables de la fourniture ou de la validation des données chiffrées requises;
2° du délai de fourniture des données chiffrées requises;
3° des prescriptions formelles relatives à la fourniture des données chiffrées requises;
4° de la concrétisation technique des modalités de calcul.
L'arrêté ministériel visé à l'alinéa premier, est établi sur avis des universités, respectivement des associations, et de l'antenne chargée par le Gouvernement flamand de l'établissement et de l'analyse d'indicateurs R&D.
§ 3. La répartition exacte des moyens entre les universités ou associations est reprise dans un arrêté ministériel.
Les montants obtenus en application de la clé de répartition sont arrondis à la centaine.
§ 2. Le Ministre flamand qui a la recherche scientifique et la politique de l'innovation technologique dans ses attributions, est autorisé à arrêter des modalités, pour le calcul de la clé de répartition, au niveau :
1° des instances responsables de la fourniture ou de la validation des données chiffrées requises;
2° du délai de fourniture des données chiffrées requises;
3° des prescriptions formelles relatives à la fourniture des données chiffrées requises;
4° de la concrétisation technique des modalités de calcul.
L'arrêté ministériel visé à l'alinéa premier, est établi sur avis des universités, respectivement des associations, et de l'antenne chargée par le Gouvernement flamand de l'établissement et de l'analyse d'indicateurs R&D.
§ 3. La répartition exacte des moyens entre les universités ou associations est reprise dans un arrêté ministériel.
Afdeling 2. - Interne verdeling.
Section 2. - Répartition interne.
Art. 8. § 1. De middelen uit het IOF worden, naar gelang het geval, toegekend door het universiteits- of associatiebestuur, na gemotiveerd advies van de IOF-raad, en middels een open oproep binnen de universiteit en de hogescho(o)l(en) die partner zijn bij de betrokken associatie.
§ 2. Ten minste 30 % van de IOF-middelen wordt besteed aan mandaten van onbepaalde duur voor postdoctorale onderzoekers. Deze onderzoekers worden regelmatig geëvalueerd.
Ten hoogste 10 % van de IOF-middelen kan worden aangewend ter dekking van de kosten, daaronder begrepen werkingsuitgaven en loonlasten, verbonden aan het beheer van de via het IOF bekostigde mandaten en projecten en de werking van het IOF.
De overige IOF-middelen kunnen worden besteed aan :
1° de werkingsuitgaven, uitrustingskosten en loonlasten ten behoeve van onderzoeksprojecten met een projectbedrag van ten minste 50.000 EUR per jaar;
2° projectkostenvergoedingen ter ondersteuning van IOF-mandaten.
§ 3. De aan het IOF toekomende middelen die na afloop van het betrokken kalenderjaar niet zijn toegewezen, kunnen met behoud van bestemming worden overgedragen naar de begroting van de universiteit of de associatie van het daaropvolgende jaar.
§ 2. Ten minste 30 % van de IOF-middelen wordt besteed aan mandaten van onbepaalde duur voor postdoctorale onderzoekers. Deze onderzoekers worden regelmatig geëvalueerd.
Ten hoogste 10 % van de IOF-middelen kan worden aangewend ter dekking van de kosten, daaronder begrepen werkingsuitgaven en loonlasten, verbonden aan het beheer van de via het IOF bekostigde mandaten en projecten en de werking van het IOF.
De overige IOF-middelen kunnen worden besteed aan :
1° de werkingsuitgaven, uitrustingskosten en loonlasten ten behoeve van onderzoeksprojecten met een projectbedrag van ten minste 50.000 EUR per jaar;
2° projectkostenvergoedingen ter ondersteuning van IOF-mandaten.
§ 3. De aan het IOF toekomende middelen die na afloop van het betrokken kalenderjaar niet zijn toegewezen, kunnen met behoud van bestemming worden overgedragen naar de begroting van de universiteit of de associatie van het daaropvolgende jaar.
Art. 8. § 1er. Les moyens du FRI sont, selon le cas, attribués par les autorités universitaires ou la direction de l'association, sur avis motivé du conseil FRI et au moyen d'un appel ouvert au sein de l'université et de l'institut supérieur ou des instituts supérieurs qui sont partenaires de l'association concernée.
§ 2. Au moins 30 % des moyens FRI est affecté aux mandats à durée indéterminée pour des chercheurs postdoctoraux, qui sont régulièrement évalués.
Au maximum 10 % des moyens FRI peut être affecté à la couverture des frais, y compris les dépenses de fonctionnement et les charges salariales, liés à la gestion des mandats et projets financés par le biais du FRI et au fonctionnement du FRI.
Les autres moyens FRI peuvent être affectés aux :
1° dépenses de fonctionnement, frais d'équipement et charges salariales au profit de projets de recherche avec un montant de projet d'au moins 50.000 EUR par année;
2° remboursements des frais de projet à l'appui de mandats FRI.
§ 3. Les moyens revenant au FRI qui, à la fin de l'année calendaire concernée ne sont pas attribués, peuvent être reportés, tout en conservant leur affectation, au budget de l'université ou de l'association pour l'année suivante.
§ 2. Au moins 30 % des moyens FRI est affecté aux mandats à durée indéterminée pour des chercheurs postdoctoraux, qui sont régulièrement évalués.
Au maximum 10 % des moyens FRI peut être affecté à la couverture des frais, y compris les dépenses de fonctionnement et les charges salariales, liés à la gestion des mandats et projets financés par le biais du FRI et au fonctionnement du FRI.
Les autres moyens FRI peuvent être affectés aux :
1° dépenses de fonctionnement, frais d'équipement et charges salariales au profit de projets de recherche avec un montant de projet d'au moins 50.000 EUR par année;
2° remboursements des frais de projet à l'appui de mandats FRI.
§ 3. Les moyens revenant au FRI qui, à la fin de l'année calendaire concernée ne sont pas attribués, peuvent être reportés, tout en conservant leur affectation, au budget de l'université ou de l'association pour l'année suivante.
Afdeling 3. - Betalingsritme.
Section 3. - Rythme de paiement.
Art. 9. Op het einde van elke maand wordt aan iedere universiteit of, naar gelang het geval, iedere associatie, één twaalfde van het haar toekomende subsidiëringsbedrag ter beschikking gesteld.
Art. 9. A la fin de chaque mois, un douzième du montant de subventionnement est mis à disposition de chaque université ou, le cas échéant, de chaque association.
Afdeling 4. - Informatieplicht.
Section 4. - Obligation d'information.
Art. 10. Het universiteits- of associatiebestuur bezorgt het in artikel 3, § 3, bedoelde reglement aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschappelijk onderzoek en het technologisch innovatiebeleid.
Indien het universiteitsbestuur bedoeld reglement heeft vastgesteld, omschrijft en verantwoordt het de wijze waarop het rekening gehouden heeft met de associatiebrede bestemming van de IOF-middelen.
Indien het universiteitsbestuur bedoeld reglement heeft vastgesteld, omschrijft en verantwoordt het de wijze waarop het rekening gehouden heeft met de associatiebrede bestemming van de IOF-middelen.
Art. 10. Les autorités universitaires ou la direction de l'association transmet(tent) le règlement visé à l'article 3, § 3, au Ministre flamand qui a la recherche scientifique et la politique de l'innovation technologique dans ses attributions.
Si les autorités universitaires ont établi le règlement précité, elles définissent et justifient la façon dont elles ont tenu compte de l'affectation des moyens FRI embrassant tous les aspects de l'association.
Si les autorités universitaires ont établi le règlement précité, elles définissent et justifient la façon dont elles ont tenu compte de l'affectation des moyens FRI embrassant tous les aspects de l'association.
Afdeling 5. - Subsidiëringsvoorwaarden en controle op de naleving.
Section 5. - Conditions de subventionnement et contrôle du respect.
Art. 11. De bepalingen van artikel 3, § 3, en van de artikelen 8 en 10 gelden als subsidiëringsvoorwaarde.
Indien de regeringscommissaris van de universiteiten of, naar gelang het geval, de regeringscommissaris of commissaris, belast met het toezicht op de associatie, een overtreding van de subsidiëringsvoorwaarden vaststelt, voegt hij bij het beroepschrift een advies om, wat betreft de in het kader van dit besluit toegekende middelen, toepassing te maken van :
1° gedurende het begrotingsjaar 2006 : artikel 57 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991;
2° gedurende (de begrotingsjaren 2007 en 2008) : artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof.
Indien de regeringscommissaris van de universiteiten of, naar gelang het geval, de regeringscommissaris of commissaris, belast met het toezicht op de associatie, een overtreding van de subsidiëringsvoorwaarden vaststelt, voegt hij bij het beroepschrift een advies om, wat betreft de in het kader van dit besluit toegekende middelen, toepassing te maken van :
1° gedurende het begrotingsjaar 2006 : artikel 57 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991;
2° gedurende (de begrotingsjaren 2007 en 2008) : artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof.
Art. 11. Les dispositions de l'article 3, § 3, et des articles 8 et 10 valent comme condition de subventionnement.
Si le commissaire du gouvernement des universités ou, selon le cas, le commissaire du gouvernement ou commissaire chargé du contrôle de l'association, constate une infraction aux conditions de subventionnement, il joint au recours un avis d'appliquer, en ce qui concerne les moyens octroyés dans le cadre du présent arrêté :
1° au cours de l'année budgétaire 2006 : l'article 57 des lois sur la comptabilité d'Etat, coordonnées le 17 juillet 1991;
2° au cours (des année budgétaires 2007 et 2008) : l'article 13 de la loi du 16 mai 2003 fixant les dispositions générales applicables aux budgets, au contrôle des subventions et à la comptabilité des communautés et des régions, ainsi qu'à l'organisation du contrôle de la Cour des comptes;
Si le commissaire du gouvernement des universités ou, selon le cas, le commissaire du gouvernement ou commissaire chargé du contrôle de l'association, constate une infraction aux conditions de subventionnement, il joint au recours un avis d'appliquer, en ce qui concerne les moyens octroyés dans le cadre du présent arrêté :
1° au cours de l'année budgétaire 2006 : l'article 57 des lois sur la comptabilité d'Etat, coordonnées le 17 juillet 1991;
2° au cours (des année budgétaires 2007 et 2008) : l'article 13 de la loi du 16 mai 2003 fixant les dispositions générales applicables aux budgets, au contrôle des subventions et à la comptabilité des communautés et des régions, ainsi qu'à l'organisation du contrôle de la Cour des comptes;
HOOFDSTUK IV. - Evaluatie.
CHAPITRE IV. - Evaluation.
Art. 12. In 2007 evalueert een extern expertenpanel, bestaande uit personen met een aantoonbare deskundigheid op het vlak van strategisch basisonderzoek en valorisatie :
1° de werking van dit besluit;
2° de concrete aanwending en de eerste resultaten van de sedert het begrotingsjaar 2004 toegekende IOF-middelen op het vlak van de maatschappelijke en economische valorisatie.
Deze evaluatie verzamelt de nodige elementen met het oog op een eventuele bijsturing van de ondersteuningsmodaliteiten van de IOF's.
De Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschappelijk onderzoek en het technologisch innovatiebeleid, kan nadere regelen voor deze evaluatie vastleggen.
1° de werking van dit besluit;
2° de concrete aanwending en de eerste resultaten van de sedert het begrotingsjaar 2004 toegekende IOF-middelen op het vlak van de maatschappelijke en economische valorisatie.
Deze evaluatie verzamelt de nodige elementen met het oog op een eventuele bijsturing van de ondersteuningsmodaliteiten van de IOF's.
De Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschappelijk onderzoek en het technologisch innovatiebeleid, kan nadere regelen voor deze evaluatie vastleggen.
Art. 12. En 2007, un panel d'experts externes, composé de personnes disposant d'une expertise démontrable dans le domaine de la recherche de base stratégique et de la valorisation, évaluera :
1° le fonctionnement du présent arrêté;
2° l'affectation concrète et les premiers résultats des moyens FRI octroyés depuis l'année budgétaire 2004 dans le domaine de la valorisation sociale et économique.
Cette évaluation rassemble les éléments nécessaires en vue d'une éventuelle adaptation des modalités d'aide aux FRI.
Le Ministre flamand qui a la recherche scientifique et la politique de l'innovation technologique dans ses attributions, peut arrêter des modalités pour cette évaluation.
1° le fonctionnement du présent arrêté;
2° l'affectation concrète et les premiers résultats des moyens FRI octroyés depuis l'année budgétaire 2004 dans le domaine de la valorisation sociale et économique.
Cette évaluation rassemble les éléments nécessaires en vue d'une éventuelle adaptation des modalités d'aide aux FRI.
Le Ministre flamand qui a la recherche scientifique et la politique de l'innovation technologique dans ses attributions, peut arrêter des modalités pour cette évaluation.
HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen.
CHAPITRE V. - Dispositions finales.
Art. 13. Artikel 3, § 2, eerste lid, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 1993 tot regeling van de vergoeding van de centrale beheerskosten en de algemene exploitatiekosten van de universiteiten, verbonden aan de uitvoering van de wetenschappelijke activiteiten die door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd werden, opgeheven bij besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004, wordt opnieuw opgenomen in volgende lezing :
" 4° de Industriële Onderzoeksfondsen; ".
" 4° de Industriële Onderzoeksfondsen; ".
Art. 13. L'article 3, § 2, alinéa premier, 4°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 1993 réglant le remboursement des frais de gestion centrale et des frais généraux d'exploitation des universités, ayant trait à la réalisation d'activités scientifiques financées par la Communauté flamande, abrogé par arrêté du Gouvernement flamand, est rétabli dans la rédaction suivante :
" 4° les Fonds de Recherches industrielles; ".
" 4° les Fonds de Recherches industrielles; ".
Art. 14. Het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betreffende de toekenning van een dotatie in 2004 en 2005 aan het Industrieel Onderzoeksfonds bij de universiteiten van de Vlaamse Gemeenschap wordt opgeheven.
Art. 14. L'arrêté du Gouvernement flamand du 28 mai 2004 octroyant une dotation en 2004 et 2005 au Fonds de Recherches industrielles auprès des universités de la Communauté flamande, est abrogé.
Art. 15. § 1. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2006, met uitzondering van artikel 3, § 4, dat in werking treedt op 1 oktober 2007.
Dit besluit houdt op uitwerking te hebben op (31 december 2008).
§ 2. Niettegenstaande de krachtens artikel 146 van de Grondwet door de wet georganiseerde rechtsbescherming, worden de beslissingen die vóór 1 oktober 2006 genomen werden omtrent de interne besteding van de IOF-middelen, geacht regelmatig te zijn.
Dit besluit houdt op uitwerking te hebben op (31 december 2008).
§ 2. Niettegenstaande de krachtens artikel 146 van de Grondwet door de wet georganiseerde rechtsbescherming, worden de beslissingen die vóór 1 oktober 2006 genomen werden omtrent de interne besteding van de IOF-middelen, geacht regelmatig te zijn.
Art. 15. § 1er. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2006, à l'exception de l'article 3, § 4, qui entre en vigueur le 1er octobre 2007.
Le présent arrêté cessera d'être en vigueur le (31 décembre 2008).
§ 2. Nonobstant la protection juridique organisée par la loi en vertu de l'article 146 de la Constitution, les décisions prises avant le 1er octobre 2006 en ce qui concerne l'affectation interne des moyens FRI, sont censées être régulières.
Le présent arrêté cessera d'être en vigueur le (31 décembre 2008).
§ 2. Nonobstant la protection juridique organisée par la loi en vertu de l'article 146 de la Constitution, les décisions prises avant le 1er octobre 2006 en ce qui concerne l'affectation interne des moyens FRI, sont censées être régulières.
Art. 16. De Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschappelijk onderzoek en het technologisch innovatiebeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit. Hij of zij is ertoe gemachtigd om voor de toepassing van dit besluit nadere regelen van louter procedurele aard vast te stellen.
Brussel, 8 december 2006.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
Y. LETERME
De vice-minister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel,
F. MOERMAN.
Brussel, 8 december 2006.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
Y. LETERME
De vice-minister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel,
F. MOERMAN.
Art. 16. Le Ministre flamand qui a la politique scientifique et la politique de l'innovation technologique dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté. Il/elle est autorisé(e) à arrêter des modalités d'ordre purement procédural pour l'application du présent arrêté.
Bruxelles, le 8 décembre 2006.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
Y. LETERME
La Vice-Ministre-Présidente du Gouvernement flamand et Ministre flamande de l'Economie, de l'Entreprise, des Sciences, de l'Innovation et du Commerce extérieur,
F. MOERMAN.
Bruxelles, le 8 décembre 2006.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
Y. LETERME
La Vice-Ministre-Présidente du Gouvernement flamand et Ministre flamande de l'Economie, de l'Entreprise, des Sciences, de l'Innovation et du Commerce extérieur,
F. MOERMAN.