Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
7 MEI 2007. - Decreet over de bevordering van de musea en van de cultureel-erfgoedpublicaties (VERTALING)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 10-07-2007 en tekstbijwerking tot 06-06-2025)
Titre
7 MAI 2007. - Décret relatif à la promotion des musées et des publications dans le domaine du patrimoine culturel (TRADUCTION)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 10-07-2007 et mise à jour au 06-06-2025)
Documentinformatie
Numac: 2007033046
Datum: 2007-05-07
Info du document
Numac: 2007033046
Date: 2007-05-07
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Toepassingsgebied.
Definities.
Gelijkheid van de geslachten.
HOOFDSTUK II. - Erkenning en subsidiëring van d...
Afdeling 1. - Erkenning.
Erkenningsvoorwaarden.
Aanvraag om erkenning.
Gemeenten.
Controle.
Indeling.
Duur van de erkenning.
Intrekking van de erkenning.
Aanwijzing.
Afdeling 2. - Subsidies.
Onderafdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen.
Coëfficiënt.
Terugvordering.
Onderafdeling 2. - Forfaitaire subsidies.
Forfaitaire subsidies.
Onderafdeling 3. - Subsidie voor specifieke pro...
Principe.
HOOFDSTUK III. - Cultureel-erfgoedpublicaties.
Subsidie toegekend voor publicaties.
HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen.
Overgangsbepalingen.
Opheffingsbepalingen.
Wijzigingsbepaling.
Inwerkingtreding.
Inhoud
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Champ d'application.
Définitions.
Egalité des sexes.
CHAPITRE II. - Agrément et subventionnement des...
Section 1er. - Agrément.
Conditions d'agrément.
Demande d'agrément.
Communes.
Contrôle.
Classement.
Durée de l'agrément.
Retrait de l'agrément.
Désignation.
Section 2. - Subsides.
Sous-section 1re. - Dispositions communes.
Coefficient.
Récupération.
Sous-section 2. - Subsides forfaitaires.
Subsides forfaitaires.
Sous-section 3. - Subside pour des projets spéc...
Principe.
CHAPITRE III. - Publications dans le domaine du...
Subside accordé pour les publications.
CHAPITRE IV. - Dispositions finales.
Dispositions transitoires.
Dispositions abrogatoires.
Disposition modificative.
Entrée en vigueur.
Tekst (49)
Texte (49)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Toepassingsgebied.
Champ d'application.
Artikel 1. In het kader van de te dien einde beschikbare begrotingsmiddelen en overeenkomstig dit decreet kan de Regering subsidies toekennen voor de personen en verenigingen die werkzaam zijn op het gebied van het museumwerk en van het cultureel erfgoed.
Article 1. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles à cette fin et conformément au présent décret, le Gouvernement peut accorder des subsides aux personnes et associations actives dans les domaines du travail muséal et du patrimoine culturel.
Definities.
Définitions.
Art.2. Voor de toepassing van dit decreet verstaat men onder :
1° cultureel erfgoed : het cultureel erfgoed in de zin van artikel 1 van de Conventie ter Bescherming van het Wereld Cultureel en Natuurlijk Erfgoed van 21 oktober 1972 en het onroerend cultureel erfgoed in de zin van artikel 2 van de Conventie van 17 oktober 2003 betreffende de bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed;
2° Ministerie : het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap;
3° museumwerk : het vervullen van de museale basisfuncties, nl. verzamelen, bewaren, onderzoeken en ontsluiten;
[1 3.1° periodieke publicatie: een drukwerk dat ten minste één keer per jaar op regelmatige tijdstippen verschijnt;]1
4° Regering : de Regering van de Duitstalige Gemeenschap.
1° cultureel erfgoed : het cultureel erfgoed in de zin van artikel 1 van de Conventie ter Bescherming van het Wereld Cultureel en Natuurlijk Erfgoed van 21 oktober 1972 en het onroerend cultureel erfgoed in de zin van artikel 2 van de Conventie van 17 oktober 2003 betreffende de bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed;
2° Ministerie : het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap;
3° museumwerk : het vervullen van de museale basisfuncties, nl. verzamelen, bewaren, onderzoeken en ontsluiten;
[1 3.1° periodieke publicatie: een drukwerk dat ten minste één keer per jaar op regelmatige tijdstippen verschijnt;]1
4° Regering : de Regering van de Duitstalige Gemeenschap.
Art.2. Pour l'application du présent décret, l'on entend par :
1° patrimoine culturel : le patrimoine culturel au sens de l'article 1er de la Convention du 21 octobre 1972 concernant la protection du patrimoine mondial culturel et naturel et le patrimoine culturel immatériel au sens de l'article 2 de la Convention du 17 octobre 2003 pour la sauvegarde du patrimoine culturel immatériel;
2° Ministère : le Ministère de la Communauté germanophone;
3° travail muséal : l'exercice des fonctions muséales de base que sont la collecte, la conservation, la recherche et la transmission;
[1 3.1 périodique : un imprimé paraissant au moins une fois par an à intervalles réguliers;]1
4° Gouvernement : le Gouvernement de la Communauté germanophone.
1° patrimoine culturel : le patrimoine culturel au sens de l'article 1er de la Convention du 21 octobre 1972 concernant la protection du patrimoine mondial culturel et naturel et le patrimoine culturel immatériel au sens de l'article 2 de la Convention du 17 octobre 2003 pour la sauvegarde du patrimoine culturel immatériel;
2° Ministère : le Ministère de la Communauté germanophone;
3° travail muséal : l'exercice des fonctions muséales de base que sont la collecte, la conservation, la recherche et la transmission;
[1 3.1 périodique : un imprimé paraissant au moins une fois par an à intervalles réguliers;]1
4° Gouvernement : le Gouvernement de la Communauté germanophone.
Wijzigingen
Gelijkheid van de geslachten.
Egalité des sexes.
Art.3. In dit decreet gelden de hoedanigheden voor beide geslachten.
Art.3. Dans le présent décret, les qualifications valent pour les deux sexes.
HOOFDSTUK II. - Erkenning en subsidiëring van de musea.
CHAPITRE II. - Agrément et subventionnement des musées.
Afdeling 1. - Erkenning.
Section 1er. - Agrément.
Erkenningsvoorwaarden.
Conditions d'agrément.
Art.4. De Regering beslist over de erkenning van een museum.
Om als museum erkend te worden, legt de aanvrager een museumconcept vast dat een beschrijving van de inrichting, de doelstellingen en werkwijze ervan bevat.
Om erkend te worden en te blijven, moet het museum aan de volgende erkenningsvoorwaarden voldoen :
1° een permanente instelling van openbaar nut en zonder winstgevend doel zijn die ten dienste van de gemeenschap en haar ontwikkeling staat, voor het publiek toegankelijk is en de materiële getuigenissen van de mens en zijn omgeving verwerft, bewaart, beheert, onderzoekt, bekendmaakt en tentoonstelt ten behoeve van studie, educatie en vrijetijdsbesteding; [1 de voorwaarde "zonder winstgevend doel zijn" geldt niet voor autonome gemeentebedrijven;]1 instellingen zoals verkooptentoonstellingen, wetenschappelijke centra, planetariums, dieren- of plantentuinen, natuurlijke monumenten of bezoekerscentra komen niet in aanmerking;
2° over een museumwaardige collectie cultureel erfgoed beschikken;
3° opgericht of beheerd worden door een vereniging zonder winstoogmerk, een stichting of een publiekrechtelijke rechtspersoon met zetel in het Duitse taalgebied waar haar hoofdactiviteiten plaatsvinden;
4° ten minste sinds 1 januari van het kalenderjaar vóór het jaar van de aanvraag bestaan en regelmatige activiteiten uitoefenen;
5° voldoende garanties geven voor een goede werking qua toegankelijkheid, infrastructuur en personeels- en financiële middelen;
6° overeenkomstig artikel 8 ingedeeld zijn;
7° om de twee jaar een activiteitenverslag en jaarlijks financiële bescheiden voorleggen.
Om als museum erkend te worden, legt de aanvrager een museumconcept vast dat een beschrijving van de inrichting, de doelstellingen en werkwijze ervan bevat.
Om erkend te worden en te blijven, moet het museum aan de volgende erkenningsvoorwaarden voldoen :
1° een permanente instelling van openbaar nut en zonder winstgevend doel zijn die ten dienste van de gemeenschap en haar ontwikkeling staat, voor het publiek toegankelijk is en de materiële getuigenissen van de mens en zijn omgeving verwerft, bewaart, beheert, onderzoekt, bekendmaakt en tentoonstelt ten behoeve van studie, educatie en vrijetijdsbesteding; [1 de voorwaarde "zonder winstgevend doel zijn" geldt niet voor autonome gemeentebedrijven;]1 instellingen zoals verkooptentoonstellingen, wetenschappelijke centra, planetariums, dieren- of plantentuinen, natuurlijke monumenten of bezoekerscentra komen niet in aanmerking;
2° over een museumwaardige collectie cultureel erfgoed beschikken;
3° opgericht of beheerd worden door een vereniging zonder winstoogmerk, een stichting of een publiekrechtelijke rechtspersoon met zetel in het Duitse taalgebied waar haar hoofdactiviteiten plaatsvinden;
4° ten minste sinds 1 januari van het kalenderjaar vóór het jaar van de aanvraag bestaan en regelmatige activiteiten uitoefenen;
5° voldoende garanties geven voor een goede werking qua toegankelijkheid, infrastructuur en personeels- en financiële middelen;
6° overeenkomstig artikel 8 ingedeeld zijn;
7° om de twee jaar een activiteitenverslag en jaarlijks financiële bescheiden voorleggen.
Art.4. Le Gouvernement décide de l'agrément d'un musée.
Pour être agréé comme musée, le demandeur établit un concept muséal comprenant une description de l'institution, de ses objectifs et de son fonctionnement.
Pour être et rester agréé en tant que tel, le musée doit remplir les conditions d'agrément suivantes :
1° être une institution d'utilité publique, permanente, ouverte au public, sans but lucratif, au service de la société et de son développement, et qui acquiert des témoins matériels de l'homme et de son environnement, les conserve, les étudie, les rend publics et les expose à des fins d'études, d'éducation et de divertissement. [1 La condition relative à l'absence de but lucratif ne vaut pas pour les régies communales autonomes.]1 Des institutions comme les expositions vente, centres scientifiques, planétariums, jardins zoologiques ou botaniques, monuments naturels ou centres de visiteurs n'entrent pas en considération.
2° disposer d'une collection de patrimoine culturel digne d'un musée;
3° être institué par ou avoir comme pouvoir organisateur une association sans but lucratif, une fondation ou une personne morale de droit public dont le siège est situé en région de langue allemande où elle effectue ses activités principales;
4° exister depuis au moins le 1er janvier de l'année civile qui précède l'année de la demande et exercer une activité régulière;
5° offrir des garanties suffisantes de bon fonctionnement quant à l'accessibilité, l'infrastructure, au personnel et aux moyens financiers;
6° être classé conformément à l'article 8;
7° présenter tous les deux ans un rapport d'activités et chaque année des documents financiers.
Pour être agréé comme musée, le demandeur établit un concept muséal comprenant une description de l'institution, de ses objectifs et de son fonctionnement.
Pour être et rester agréé en tant que tel, le musée doit remplir les conditions d'agrément suivantes :
1° être une institution d'utilité publique, permanente, ouverte au public, sans but lucratif, au service de la société et de son développement, et qui acquiert des témoins matériels de l'homme et de son environnement, les conserve, les étudie, les rend publics et les expose à des fins d'études, d'éducation et de divertissement. [1 La condition relative à l'absence de but lucratif ne vaut pas pour les régies communales autonomes.]1 Des institutions comme les expositions vente, centres scientifiques, planétariums, jardins zoologiques ou botaniques, monuments naturels ou centres de visiteurs n'entrent pas en considération.
2° disposer d'une collection de patrimoine culturel digne d'un musée;
3° être institué par ou avoir comme pouvoir organisateur une association sans but lucratif, une fondation ou une personne morale de droit public dont le siège est situé en région de langue allemande où elle effectue ses activités principales;
4° exister depuis au moins le 1er janvier de l'année civile qui précède l'année de la demande et exercer une activité régulière;
5° offrir des garanties suffisantes de bon fonctionnement quant à l'accessibilité, l'infrastructure, au personnel et aux moyens financiers;
6° être classé conformément à l'article 8;
7° présenter tous les deux ans un rapport d'activités et chaque année des documents financiers.
Wijzigingen
Aanvraag om erkenning.
Demande d'agrément.
Art.5. De aanvraag om erkenning moet bij de Regering ingediend worden. Ze omvat alle documenten en inlichtingen die overeenkomstig dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan voor de Regering noodzakelijk zijn.
Art.5. La demande d'agrément doit être introduite auprès du Gouvernement. Elle comprend l'ensemble des documents et renseignements indispensables au Gouvernement conformément au présent décret ou à ses arrêtés d'exécution.
Gemeenten.
Communes.
Art.6. De aanvragen om erkenning worden door de Regering aan het gemeentecollege van de gemeente waar de aanvrager gevestigd is, ter advies toegestuurd.
Geeft de gemeente geen advies uit binnen de in het uitvoeringsbesluit vastgelegde termijn, wordt de erkenningsprocedure onmiddellijk voortgezet.
Geeft de gemeente geen advies uit binnen de in het uitvoeringsbesluit vastgelegde termijn, wordt de erkenningsprocedure onmiddellijk voortgezet.
Art.6. Les demandes d'agrément sont transmises par le Gouvernement au collège communal de la commune dans laquelle se trouve le siège du demandeur, pour avis.
A défaut d'avis de la commune dans le délai fixé par l'arrêté d'exécution, la procédure d'agrément est immédiatement poursuivie.
A défaut d'avis de la commune dans le délai fixé par l'arrêté d'exécution, la procédure d'agrément est immédiatement poursuivie.
Controle.
Contrôle.
Art.7. De aanvrager laat de Regering het recht toe de controles uit te voeren die voor de toepassing van het decreet noodzakelijk zijn en geeft haar in het bijzonder inzage in zijn boekhouding.
De Regering wijst de personen aan die met deze controles belast zijn.
De Regering wijst de personen aan die met deze controles belast zijn.
Art.7. Le demandeur concède au Gouvernement le droit de procéder aux contrôles nécessaires à l'application du décret et lui accorde notamment un droit de regard sur sa comptabilité.
Le Gouvernement désigne les personnes chargées de ces contrôles.
Le Gouvernement désigne les personnes chargées de ces contrôles.
Indeling.
Classement.
Art.8. § 1. Inrichtingen die aan de in artikel 4 vermelde erkenningsvoorwaarden voldoen, worden in één der drie bestaande categorieën ingedeeld.
§ 2. De indeling berust op volgende basiscriteria :
1° het belang van het cultureel erfgoed;
2° de culturele en maatschappelijke verantwoordelijkheid die door het museum wordt opgenomen;
3° de kwaliteit van het museumwerk;
4° de kwaliteit van het beheer;
5° de geografische draagwijdte.
De nadere modaliteiten worden door de Regering vastgelegd.
§ 3. De indeling wordt door een vakjury doorgevoerd, bestaande uit twee deskundigen en één personeelslid van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap.
De erkenning geschiedt na de indeling.
De indelingsprocedure en de beroepsmogelijkheden worden door de Regering vastgelegd.
§ 2. De indeling berust op volgende basiscriteria :
1° het belang van het cultureel erfgoed;
2° de culturele en maatschappelijke verantwoordelijkheid die door het museum wordt opgenomen;
3° de kwaliteit van het museumwerk;
4° de kwaliteit van het beheer;
5° de geografische draagwijdte.
De nadere modaliteiten worden door de Regering vastgelegd.
§ 3. De indeling wordt door een vakjury doorgevoerd, bestaande uit twee deskundigen en één personeelslid van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap.
De erkenning geschiedt na de indeling.
De indelingsprocedure en de beroepsmogelijkheden worden door de Regering vastgelegd.
Art.8. § 1er. Les institutions qui remplissent les conditions d'agrément énoncées à l'article 4 sont classées dans une des trois catégories existantes.
§ 2. Le classement se fonde sur les critères de base suivants :
1° l'intérêt du patrimoine culturel;
2° la responsabilité culturelle et sociale qu'assume le musée;
3° la qualité du travail muséal;
4° la qualité de la gestion et
5° la portée géographique.
Les autres modalités sont fixées par le Gouvernement.
§ 3. Le classement est effectué par un jury spécialisé composé de deux experts et d'un membre du personnel du Ministère de la Communauté germanophone.
L'agrément intervient une fois le classement opéré.
La procédure de classement et les possibilités de recours sont déterminées par le Gouvernement.
§ 2. Le classement se fonde sur les critères de base suivants :
1° l'intérêt du patrimoine culturel;
2° la responsabilité culturelle et sociale qu'assume le musée;
3° la qualité du travail muséal;
4° la qualité de la gestion et
5° la portée géographique.
Les autres modalités sont fixées par le Gouvernement.
§ 3. Le classement est effectué par un jury spécialisé composé de deux experts et d'un membre du personnel du Ministère de la Communauté germanophone.
L'agrément intervient une fois le classement opéré.
La procédure de classement et les possibilités de recours sont déterminées par le Gouvernement.
Duur van de erkenning.
Durée de l'agrément.
Art.9. [1 Erkenningsperiode.
De periode waarvoor een museum erkend wordt, begint op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de Regering haar goedkeuring heeft gegeven. De erkenningsperiode bedraagt zes jaar en wordt eenvormig op alle erkende musea toegepast.
Nieuwe erkenningsaanvragen kunnen tot [2 [3 31 maart]3]2 van elk kalenderjaar tijdens een erkenningsperiode worden ingediend. De erkenning loopt op het einde van de eenvormige erkenningsperiode af.
De eerste eenvormige erkenningsperiode loopt van 1 januari 2015 tot 31 december 2020.]1
De periode waarvoor een museum erkend wordt, begint op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de Regering haar goedkeuring heeft gegeven. De erkenningsperiode bedraagt zes jaar en wordt eenvormig op alle erkende musea toegepast.
Nieuwe erkenningsaanvragen kunnen tot [2 [3 31 maart]3]2 van elk kalenderjaar tijdens een erkenningsperiode worden ingediend. De erkenning loopt op het einde van de eenvormige erkenningsperiode af.
De eerste eenvormige erkenningsperiode loopt van 1 januari 2015 tot 31 december 2020.]1
Art.9. [1 Période d'agrément.
La période d'agrément d'un musée commence le 1er janvier de l'année suivant celle où le Gouvernement a octroyé son approbation. Elle couvre six années et s'applique de manière uniforme à tous les musées agréés.
Les nouvelles demandes d'agrément peuvent, pendant une période d'agrément, être introduites jusqu'au [2 [3 31 mars]3]2 de chaque année calendrier. L'éventuel agrément expire au terme de la période uniforme d'agrément.
La première période uniforme d'agrément débute le 1er janvier 2015 et expire le 31 décembre 2020.]1
La période d'agrément d'un musée commence le 1er janvier de l'année suivant celle où le Gouvernement a octroyé son approbation. Elle couvre six années et s'applique de manière uniforme à tous les musées agréés.
Les nouvelles demandes d'agrément peuvent, pendant une période d'agrément, être introduites jusqu'au [2 [3 31 mars]3]2 de chaque année calendrier. L'éventuel agrément expire au terme de la période uniforme d'agrément.
La première période uniforme d'agrément débute le 1er janvier 2015 et expire le 31 décembre 2020.]1
Intrekking van de erkenning.
Retrait de l'agrément.
Art.10. [1 § 1.]1 De erkenning wordt ingetrokken, indien er aan de in artikel 4 vermelde voorwaarden niet meer wordt voldaan.
[1 In afwijking van het eerste lid blijft de erkenning geldig wanneer de activiteiten van het museum wegens bouwwerkzaamheden tijdelijk geheel of gedeeltelijk moeten worden stopgezet. De Regering bepaalt vooraf en per geval :
1° de geplande bouwwerkzaamheden op grond waarvan de tijdelijke afwijking wordt toegestaan;
2° van welke voorwaarden vermeld in artikel 4 tijdelijk kan worden afgeweken;
3° de duur van de afwijking. Die duur kan worden verlengd, maar mag de duur van de bouwwerkzaamheden niet overschrijden.]1
[1 § 2.]1 De erkenning wordt pas ingetrokken, als de Regering de betrokken vereniging de mogelijkheid heeft gegeven haar mening uit te drukken.
De intrekkingsbeslissing wordt de betrokken vereniging schriftelijk medegedeeld.
[1 In afwijking van het eerste lid blijft de erkenning geldig wanneer de activiteiten van het museum wegens bouwwerkzaamheden tijdelijk geheel of gedeeltelijk moeten worden stopgezet. De Regering bepaalt vooraf en per geval :
1° de geplande bouwwerkzaamheden op grond waarvan de tijdelijke afwijking wordt toegestaan;
2° van welke voorwaarden vermeld in artikel 4 tijdelijk kan worden afgeweken;
3° de duur van de afwijking. Die duur kan worden verlengd, maar mag de duur van de bouwwerkzaamheden niet overschrijden.]1
[1 § 2.]1 De erkenning wordt pas ingetrokken, als de Regering de betrokken vereniging de mogelijkheid heeft gegeven haar mening uit te drukken.
De intrekkingsbeslissing wordt de betrokken vereniging schriftelijk medegedeeld.
Art.10. [1 § 1er.]1 L'agrément est retiré lorsque les conditions énoncées à l'article 4 ne sont plus satisfaites.
[1 Par dérogation au premier alinéa, l'agrément est conservé lorsque des travaux de construction rendent nécessaire une interruption temporaire, complète ou partielle, des activités muséales. Au préalable, le Gouvernement détermine au cas par cas :
1° les travaux projetés motivant la dérogation temporaire;
2° à quelles conditions, parmi celles énoncées à l'article 4, il peut être dérogé temporairement;
3° la durée de la dérogation. Celle-ci peut être prolongée mais ne peut dépasser la durée des travaux.]1
[1 § 2.]1 L'agrément n'est retiré qu'après que le Gouvernement a donné à l'association la possibilité d'émettre son avis.
La décision de retrait est communiquée par écrit à l'association concernée.
[1 Par dérogation au premier alinéa, l'agrément est conservé lorsque des travaux de construction rendent nécessaire une interruption temporaire, complète ou partielle, des activités muséales. Au préalable, le Gouvernement détermine au cas par cas :
1° les travaux projetés motivant la dérogation temporaire;
2° à quelles conditions, parmi celles énoncées à l'article 4, il peut être dérogé temporairement;
3° la durée de la dérogation. Celle-ci peut être prolongée mais ne peut dépasser la durée des travaux.]1
[1 § 2.]1 L'agrément n'est retiré qu'après que le Gouvernement a donné à l'association la possibilité d'émettre son avis.
La décision de retrait est communiquée par écrit à l'association concernée.
Wijzigingen
Aanwijzing.
Désignation.
Art.11. Slechts inrichtingen erkend overeenkomstig dit decreet mogen de naam " door de Duitstalige Gemeenschap erkend museum " gebruiken.
De Regering legt een logo voor de erkende inrichtingen vast.
De Regering legt een logo voor de erkende inrichtingen vast.
Art.11. Seules les institutions agréées conformément au présent décret peuvent utiliser l'appellation " musée agréé par la Communauté germanophone ".
Le Gouvernement crée un logo pour les institutions agréées.
Le Gouvernement crée un logo pour les institutions agréées.
Afdeling 2. - Subsidies.
Section 2. - Subsides.
Onderafdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen.
Sous-section 1re. - Dispositions communes.
Coëfficiënt.
Coefficient.
Art.12. Met het oog op zijn aanpassing aan de beschikbare begrotingsmiddelen en aan de ontwikkeling der consumptieprijzen kan het bedrag van de subsidies met een coëfficiënt vermenigvuldigd worden.
Art.12. Le montant des subsides peut être multiplié par un coefficient en vue de son adaptation aux crédits budgétaires disponibles et à l'évolution de l'indice des prix à la consommation.
Terugvordering.
Récupération.
Art.13. De Regering kan een subsidie terugvorderen, indien deze tot andere doeleinden werd gebruikt, aan de erkenningsvoorwaarden niet meer wordt voldaan of indien de in artikel 7 bepaalde controles belemmerd of gehinderd worden.
Indien het museum in de loop van het jaar ontbonden wordt of zijn activiteiten stopzet, kan de Regering een voor het lopende jaar uitbetaald subsidie proportioneel terugvorderen.
De subsidie wordt pas teruggevorderd, als de Regering de betrokken vereniging de mogelijkheid heeft gegeven haar mening uit te drukken. Deze bepaling geldt niet als de vereniging haar activiteiten heeft stopgezet.
Indien het museum in de loop van het jaar ontbonden wordt of zijn activiteiten stopzet, kan de Regering een voor het lopende jaar uitbetaald subsidie proportioneel terugvorderen.
De subsidie wordt pas teruggevorderd, als de Regering de betrokken vereniging de mogelijkheid heeft gegeven haar mening uit te drukken. Deze bepaling geldt niet als de vereniging haar activiteiten heeft stopgezet.
Art.13. Le Gouvernement peut récupérer un subside lorsqu'il a été utilisé à d'autres fins, lorsque les conditions d'agrément ne sont pas remplies ou lorsque les contrôles prévus à l'article 7 sont entravés ou empêchés.
Le Gouvernement récupère à due concurrence un subside liquidé pour l'année en cours lorsque le musée est dissout ou cesse ses activités pendant l'année concernée.
Le subside n'est récupéré qu'après que le Gouvernement a donné à l'association concernée la possibilité d'émettre son avis. Cette disposition ne vaut pas lorsque l'association a cessé ses activités.
Le Gouvernement récupère à due concurrence un subside liquidé pour l'année en cours lorsque le musée est dissout ou cesse ses activités pendant l'année concernée.
Le subside n'est récupéré qu'après que le Gouvernement a donné à l'association concernée la possibilité d'émettre son avis. Cette disposition ne vaut pas lorsque l'association a cessé ses activités.
Onderafdeling 2. - Forfaitaire subsidies.
Sous-section 2. - Subsides forfaitaires.
Forfaitaire subsidies.
Subsides forfaitaires.
Art.14. § 1. Een als museum erkende inrichting verkrijgt jaarlijks een forfaitaire basissubsidie.
Musea van categorie 1 verkrijgen 25.000 EUR.
Musea van categorie 2 verkrijgen 15.000 EUR.
Musea van categorie 3 verkrijgen 10.000 EUR.
§ 2. Een erkend museum kan bovendien jaarlijks een variabel forfait voor het museumwerk verkrijgen.
De toekenning en het bedrag van dit variabel forfait voor museumwerk worden geregeld door een conventie tussen de Regering en het museum die voor de erkenningsduur geldt. Deze conventie houdt in het bijzonder rekening met de ontwikkeling van het museum en met de aanstelling van gekwalificeerd personeel.
Bij toekenning dient de behoefte aan gekwalificeerd personeel als basis om het aanvullend forfait te berekenen; een voltijds equivalent wordt op een basisbedrag van 20.000 EUR geschat, wat het technisch museumpersoneel betreft, en op 30.000 EUR, wat het hoger gekwalificeerd personeel betreft.
De nadere modaliteiten worden door de Regering vastgelegd.
Musea van categorie 1 verkrijgen 25.000 EUR.
Musea van categorie 2 verkrijgen 15.000 EUR.
Musea van categorie 3 verkrijgen 10.000 EUR.
§ 2. Een erkend museum kan bovendien jaarlijks een variabel forfait voor het museumwerk verkrijgen.
De toekenning en het bedrag van dit variabel forfait voor museumwerk worden geregeld door een conventie tussen de Regering en het museum die voor de erkenningsduur geldt. Deze conventie houdt in het bijzonder rekening met de ontwikkeling van het museum en met de aanstelling van gekwalificeerd personeel.
Bij toekenning dient de behoefte aan gekwalificeerd personeel als basis om het aanvullend forfait te berekenen; een voltijds equivalent wordt op een basisbedrag van 20.000 EUR geschat, wat het technisch museumpersoneel betreft, en op 30.000 EUR, wat het hoger gekwalificeerd personeel betreft.
De nadere modaliteiten worden door de Regering vastgelegd.
Art.14. § 1er. Une institution agréée comme musée reçoit annuellement un subside forfaitaire de base.
Les musées de la catégorie 1 reçoivent 25.000 EUR;
Les musées de la catégorie 2 reçoivent 15.000 EUR;
Les musées de la catégorie 3 reçoivent 10.000 EUR.
§ 2. Un musée agréé peut de plus recevoir annuellement un forfait variable pour le travail muséal.
L'octroi et le montant du forfait variable accordé pour le travail muséal sont réglés dans une convention conclue entre le Gouvernement et le musée agréé et valable pour le terme de l'agrément. La convention tient notamment compte de l'évolution du musée et de l'emploi de personnel qualifié.
En cas d'octroi, le besoin en personnel qualifié sert de base pour calculer le forfait supplémentaire; un équivalent temps plein est évalué à la base à 20.000 EUR en ce qui concerne le personnel technique du musée et à 30.000 EUR pour ce qui concerne le personnel plus qualifié.
Les autres modalités sont fixées par le Gouvernement.
Les musées de la catégorie 1 reçoivent 25.000 EUR;
Les musées de la catégorie 2 reçoivent 15.000 EUR;
Les musées de la catégorie 3 reçoivent 10.000 EUR.
§ 2. Un musée agréé peut de plus recevoir annuellement un forfait variable pour le travail muséal.
L'octroi et le montant du forfait variable accordé pour le travail muséal sont réglés dans une convention conclue entre le Gouvernement et le musée agréé et valable pour le terme de l'agrément. La convention tient notamment compte de l'évolution du musée et de l'emploi de personnel qualifié.
En cas d'octroi, le besoin en personnel qualifié sert de base pour calculer le forfait supplémentaire; un équivalent temps plein est évalué à la base à 20.000 EUR en ce qui concerne le personnel technique du musée et à 30.000 EUR pour ce qui concerne le personnel plus qualifié.
Les autres modalités sont fixées par le Gouvernement.
Onderafdeling 3. - Subsidie voor specifieke projecten.
Sous-section 3. - Subside pour des projets spécifiques.
Principe.
Principe.
HOOFDSTUK III. - Cultureel-erfgoedpublicaties.
CHAPITRE III. - Publications dans le domaine du patrimoine culturel.
Subsidie toegekend voor publicaties.
Subside accordé pour les publications.
Art.16. Mogen een aanvraag om subsidies voor cultureel-erfgoedpublicaties indienen :
1° de overeenkomstig dit decreet als museum erkende inrichtingen;
2° de natuurlijke en rechtspersonen.
De aanvragers moeten aan de volgende criteria voldoen :
1° hun publicaties moeten een inhoudelijke relevantie hebben voor het cultureel erfgoed in de Duitstalige Gemeenschap;
2° hun publicaties moeten een regionale en desgevallend grensoverschrijdende draagwijdte hebben;
3° hun publicaties moeten een degelijke kwaliteit bieden qua inhoud, taal, methode en vormgeving;
4° bewijzen dat ze voldoende publiekgerichtheid en distributie beogen;
5° een gedegen financiële onderbouw en zakelijk beheer met het oog op de publicatie waarborgen.
De volgende publicaties komen echter niet in aanmerking voor een zulke subsidie :
1° de publicaties die op grond van een ander decreet van de Duitstalige Gemeenschap gesubsidieerd kunnen worden;
2° de regelmatige publicaties van overeenkomstig dit decreet erkende musea.
[2 De aanvrager heeft 24 maanden de tijd, te rekenen vanaf de toezegging van de subsidie, om zijn werk te publiceren. Op schriftelijk verzoek kan de Regering die termijn één keer met maximaal twaalf maanden verlengen. Als die publicatietermijn niet wordt nagekomen, vordert de Regering de subsidie terug.]2
[1 De subsidies bepaald in dit artikel kunnen toegekend worden voor periodieke en niet-periodieke publicaties. De subsidies voor periodieke publicaties worden toegekend in de vorm van voorschotten die [3 80]3 % van het te verwachten bedrag bedragen.]1
[3 Het saldo wordt alleen uitbetaald als, na de publicatie, de voor de subsidie noodzakelijke documenten bij de Regering worden ingediend.]3
De Regering legt de andere modaliteiten vast.
1° de overeenkomstig dit decreet als museum erkende inrichtingen;
2° de natuurlijke en rechtspersonen.
De aanvragers moeten aan de volgende criteria voldoen :
1° hun publicaties moeten een inhoudelijke relevantie hebben voor het cultureel erfgoed in de Duitstalige Gemeenschap;
2° hun publicaties moeten een regionale en desgevallend grensoverschrijdende draagwijdte hebben;
3° hun publicaties moeten een degelijke kwaliteit bieden qua inhoud, taal, methode en vormgeving;
4° bewijzen dat ze voldoende publiekgerichtheid en distributie beogen;
5° een gedegen financiële onderbouw en zakelijk beheer met het oog op de publicatie waarborgen.
De volgende publicaties komen echter niet in aanmerking voor een zulke subsidie :
1° de publicaties die op grond van een ander decreet van de Duitstalige Gemeenschap gesubsidieerd kunnen worden;
2° de regelmatige publicaties van overeenkomstig dit decreet erkende musea.
[2 De aanvrager heeft 24 maanden de tijd, te rekenen vanaf de toezegging van de subsidie, om zijn werk te publiceren. Op schriftelijk verzoek kan de Regering die termijn één keer met maximaal twaalf maanden verlengen. Als die publicatietermijn niet wordt nagekomen, vordert de Regering de subsidie terug.]2
[1 De subsidies bepaald in dit artikel kunnen toegekend worden voor periodieke en niet-periodieke publicaties. De subsidies voor periodieke publicaties worden toegekend in de vorm van voorschotten die [3 80]3 % van het te verwachten bedrag bedragen.]1
[3 Het saldo wordt alleen uitbetaald als, na de publicatie, de voor de subsidie noodzakelijke documenten bij de Regering worden ingediend.]3
De Regering legt de andere modaliteiten vast.
Art.16. Peuvent introduire une demande de subsides pour des publications dans le domaine du patrimoine culturel :
1° des institutions agréées comme musées conformément au présent décret;
2° des personnes morales et physiques.
Les demandeurs doivent remplir les critères suivants :
1° le contenu de leurs publications doit se référer au patrimoine culturel en Communauté germanophone;
2° leurs publications doivent avoir une portée régionale et, le cas échéant, transfrontalière;
3° leurs publications doivent posséder des caractéristiques de qualité quant au contenu, à la langue, la méthode et la forme;
4° prouver qu'ils visent un public suffisamment ciblé et la vente;
5° garantir une assise financière et une gestion commerciale solides pour assurer la publication.
Ne sont toutefois pas admissibles à de tels subsides les publications suivantes :
1° les publications pouvant être subsidiées en vertu d'un autre décret de la Communauté germanophone;
2° les publications régulières de musées agréés conformément au présent décret.
[2 Le demandeur dispose de vingt-quatre mois à compter de l'octroi de la promesse de subsides pour publier son oeuvre. Sur demande introduite par écrit, le Gouvernement peut prolonger ce délai une seule fois de douze mois au maximum. En cas de non-respect du délai pour la publication, le Gouvernement exige le remboursement du subside.]2
[1 Les subsides prévus au présent article peuvent être octroyés pour des périodiques et des non-périodiques. Les subsides pour les non-périodiques sont octroyés sous la forme d'avances correspondant à [3 80 pour cent]3 du subside probable.]1
[3 En vue de la liquidation du solde, les documents nécessaires au subventionnement doivent être introduits auprès du Gouvernement après la publication.]3
Les autres modalités sont fixées par le Gouvernement.
1° des institutions agréées comme musées conformément au présent décret;
2° des personnes morales et physiques.
Les demandeurs doivent remplir les critères suivants :
1° le contenu de leurs publications doit se référer au patrimoine culturel en Communauté germanophone;
2° leurs publications doivent avoir une portée régionale et, le cas échéant, transfrontalière;
3° leurs publications doivent posséder des caractéristiques de qualité quant au contenu, à la langue, la méthode et la forme;
4° prouver qu'ils visent un public suffisamment ciblé et la vente;
5° garantir une assise financière et une gestion commerciale solides pour assurer la publication.
Ne sont toutefois pas admissibles à de tels subsides les publications suivantes :
1° les publications pouvant être subsidiées en vertu d'un autre décret de la Communauté germanophone;
2° les publications régulières de musées agréés conformément au présent décret.
[2 Le demandeur dispose de vingt-quatre mois à compter de l'octroi de la promesse de subsides pour publier son oeuvre. Sur demande introduite par écrit, le Gouvernement peut prolonger ce délai une seule fois de douze mois au maximum. En cas de non-respect du délai pour la publication, le Gouvernement exige le remboursement du subside.]2
[1 Les subsides prévus au présent article peuvent être octroyés pour des périodiques et des non-périodiques. Les subsides pour les non-périodiques sont octroyés sous la forme d'avances correspondant à [3 80 pour cent]3 du subside probable.]1
[3 En vue de la liquidation du solde, les documents nécessaires au subventionnement doivent être introduits auprès du Gouvernement après la publication.]3
Les autres modalités sont fixées par le Gouvernement.
HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen.
CHAPITRE IV. - Dispositions finales.
Overgangsbepalingen.
Dispositions transitoires.
Art.17. De op grond van dit decreet uit te betalen subsidies vervangen alle prestaties die de ontvangers van de subsidies toekomen op grond van het reglementair besluit van 29 maart 1982 tot reglementering van de toekenning van toelagen aan de musea welke niet van de Staat afhangen en van het decreet van 23 maart 1992 houdende toekenning van toelagen voor de personeelskosten van de erkende musea, creatieve ateliers, gewestelijke organisaties voor volksopleiding en vormingswerk voor volwassenen alsook van de erkende jeugdorganisaties, jeugdcentra en jeugddiensten.
De verenigingen die tot 31 maart 2008 een aanvraag om erkenning als museum met toepassing van dit decreet zullen hebben ingediend, zullen voor het kalenderjaar 2008 de subsidies verkrijgen die toegekend worden op grond van artikel 2 van het reglementair besluit van 29 maart 1982 tot reglementering van de toekenning van toelagen aan de musea welke niet van de Staat afhangen en van het decreet van 23 maart 1992 houdende toekenning van toelagen voor de personeelskosten van de erkende musea, creatieve ateliers, gewestelijke organisaties voor volksopleiding en vormingswerk voor volwassenen alsook van de erkende jeugdorganisaties, jeugdcentra en jeugddiensten. Voor deze éénjarige overgangsfase zullen de subsidies van het jaar 2007 worden toegekend.
De verenigingen die tot 31 maart 2008 een aanvraag om erkenning als museum met toepassing van dit decreet zullen hebben ingediend, zullen voor het kalenderjaar 2008 de subsidies verkrijgen die toegekend worden op grond van artikel 2 van het reglementair besluit van 29 maart 1982 tot reglementering van de toekenning van toelagen aan de musea welke niet van de Staat afhangen en van het decreet van 23 maart 1992 houdende toekenning van toelagen voor de personeelskosten van de erkende musea, creatieve ateliers, gewestelijke organisaties voor volksopleiding en vormingswerk voor volwassenen alsook van de erkende jeugdorganisaties, jeugdcentra en jeugddiensten. Voor deze éénjarige overgangsfase zullen de subsidies van het jaar 2007 worden toegekend.
Art.17. Les subsides à liquider sur la base du présent décret remplacent toutes les prestations revenant aux bénéficiaires en vertu de l'arrêté réglementaire du 29 mars 1982 réglementant l'octroi de subventions aux musées ne relevant pas de l'Etat et du décret du 23 mars 1992 accordant des subventions destinées aux frais de personnel encourus par les musées reconnus, les ateliers créatifs reconnus, les organisations régionales reconnues pour l'éducation populaire et la formation des adultes ainsi que par les organisations de jeunesse, centres de jeunesse et services pour jeunes reconnus.
Les associations qui, d'ici le 31 mars 2008, auront introduit une demande d'agrément comme musée en application du présent décret recevront, pour l'année civile 2008, les subsides accordés en vertu de l'arrêté réglementaire du 29 mars 1982 réglementant l'octroi de subventions aux musées ne relevant pas de l'Etat et du décret du 23 mars 1992 accordant des subventions destinées aux frais de personnel encourus par les musées reconnus, les ateliers créatifs reconnus, les organisations régionales reconnues pour l'éducation populaire et la formation des adultes ainsi que par les organisations de jeunesse, centres de jeunesse et services pour jeunes reconnus. Pour cette phase transitoire d'un an, ce sont les subsides de l'année 2007 qui seront accordés.
Les associations qui, d'ici le 31 mars 2008, auront introduit une demande d'agrément comme musée en application du présent décret recevront, pour l'année civile 2008, les subsides accordés en vertu de l'arrêté réglementaire du 29 mars 1982 réglementant l'octroi de subventions aux musées ne relevant pas de l'Etat et du décret du 23 mars 1992 accordant des subventions destinées aux frais de personnel encourus par les musées reconnus, les ateliers créatifs reconnus, les organisations régionales reconnues pour l'éducation populaire et la formation des adultes ainsi que par les organisations de jeunesse, centres de jeunesse et services pour jeunes reconnus. Pour cette phase transitoire d'un an, ce sont les subsides de l'année 2007 qui seront accordés.
Opheffingsbepalingen.
Dispositions abrogatoires.
Art.18. Worden opgeheven :
1° het reglementair besluit van 29 maart 1982 tot reglementering van de toekenning van toelagen aan de musea welke niet van de Staat afhangen;
2° artikel 6 van het decreet van 23 maart 1992 houdende toekenning van toelagen voor de personeelskosten van de erkende musea, creatieve ateliers, gewestelijke organisaties voor volksopleiding en vormingswerk voor volwassenen alsook van de erkende jeugdorganisaties, jeugdcentra en jeugddiensten.
1° het reglementair besluit van 29 maart 1982 tot reglementering van de toekenning van toelagen aan de musea welke niet van de Staat afhangen;
2° artikel 6 van het decreet van 23 maart 1992 houdende toekenning van toelagen voor de personeelskosten van de erkende musea, creatieve ateliers, gewestelijke organisaties voor volksopleiding en vormingswerk voor volwassenen alsook van de erkende jeugdorganisaties, jeugdcentra en jeugddiensten.
Art.18. Sont abrogés :
1° l'arrêté réglementaire du 29 mars 1982 réglementant l'octroi de subventions aux musées ne relevant pas de l'Etat;
2° l'article 6 du décret du 23 mars 1992 accordant des subventions destinées aux frais de personnel encourus par les musées reconnus, les ateliers créatifs reconnus, les organisations régionales reconnues pour l'éducation populaire et la formation des adultes ainsi que par les organisations de jeunesse, centres de jeunesse et services pour jeunes reconnus.
1° l'arrêté réglementaire du 29 mars 1982 réglementant l'octroi de subventions aux musées ne relevant pas de l'Etat;
2° l'article 6 du décret du 23 mars 1992 accordant des subventions destinées aux frais de personnel encourus par les musées reconnus, les ateliers créatifs reconnus, les organisations régionales reconnues pour l'éducation populaire et la formation des adultes ainsi que par les organisations de jeunesse, centres de jeunesse et services pour jeunes reconnus.
Wijzigingsbepaling.
Disposition modificative.
Art.19. In het opschrift en in artikel 1, lid 1, van het decreet van 23 maart 1992 houdende toekenning van toelagen voor de personeelskosten van de erkende musea, creatieve ateliers, gewestelijke organisaties voor volksopleiding en vormingswerk voor volwassenen alsook van de erkende jeugdorganisaties, jeugdcentra en jeugddiensten wordt de passus " musea, " geschrapt zonder vervangen te worden.
In artikel 4 van hetzelfde decreet wordt de passus ", de erkende musea of creatieve ateliers " vervangen door " en de erkende creatieve ateliers ".
In artikel 4 van hetzelfde decreet wordt de passus ", de erkende musea of creatieve ateliers " vervangen door " en de erkende creatieve ateliers ".
Art.19. Dans l'intitulé du décret du 23 mars 1992 accordant des subventions destinées aux frais de personnel encourus par les musées reconnus, les ateliers créatifs reconnus, les organisations régionales reconnues pour l'éducation populaire et la formation des adultes ainsi que par les organisations de jeunesse, centres de jeunesse et services pour jeunes reconnus, le passage " les musées reconnus, " est supprimé sans être remplacé.
Dans l'article 1er, alinéa 1er, du même décret, le passage " aux musées reconnus, " est supprimé sans être remplacé.
Dans l'article 4 du même décret, le passage ", les musées ou " est remplacé par les mots " et les ".
Dans l'article 1er, alinéa 1er, du même décret, le passage " aux musées reconnus, " est supprimé sans être remplacé.
Dans l'article 4 du même décret, le passage ", les musées ou " est remplacé par les mots " et les ".
Inwerkingtreding.
Entrée en vigueur.
Art. 20. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2008.
Art. 20. Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 2008.