Artikel 1. § 1. De officiële onderzoeken bij de toelating van rassen van landbouw en groentegewassen, voor wat betreft het onderzoek van onderscheidbaarheid, bestendigheid en homogeniteit, voldoen aan hetzij aan de "Protocollen inzake het onderzoek op onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid " van de raad van bestuur van het Communautair Bureau voor plantenrassen (CBP), hetzij aan de richtsnoeren voor het uitvoeren van tests inzake onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid, van de Internationale Unie tot Bescherming van Kweekproducten (UPOV).
De lijst van gewassen die moeten voldoen aan de CBP testrichtsnoeren is opgenomen in bijlage I.
De lijst van gewassen die moeten voldoen aan de UPOV testrichtsnoeren in opgenomen in bijlage Il.
§ 2. Alle raskenmerken in de in bijlage I vermelde testrichtsnoeren en alle met een asterisk (*) aangegeven raskenmerken in de bijlage II vermelde testrichtsnoeren worden in aanmerking genomen, tenzij de waarneming van een bepaald kenmerk onmogelijk wordt gemaakt door de expressie van een ander kenmerk, of de expressie van een kenmerk wordt verhinderd door de omstandigheden waaronder de test plaatsvindt.
§ 3. Bij het onderzoek van de in bijlagen I en II opgenomen gewassen wordt voldaan aan de minimumeisen betreffende het verrichten van het onderzoek met betrekking tot proefopzet en teeltomstandigheden, die zijn opgenomen in de in die bijlagen vermelde testrichtsnoeren.
[1 § 4. In afwijking van de eerste paragraaf mogen biologische rassen die geschikt zijn voor biologische teelt die behoren tot de in deel A van bijlage IV vermelde soorten, in plaats daarvan wat de cultuur- en gebruikswaarde betreft aan de voorwaarden van deel B van die bijlage voldoen.]1
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
21 JUNI 2007. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouw- en groentegewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 27-07-2007 en tekstbijwerking tot 31-10-2025)
Titre
21 JUIN 2007. - Arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale concernant les caractères devant être couverts au minimum par l'examen et les conditions minimales pour l'examen de certaines variétés d'espèces de plantes agricoles et de légumes. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 27-07-2007 et mise à jour au 31-10-2025)
Documentinformatie
Numac: 2007031309
Datum: 2007-06-21
Info du document
Numac: 2007031309
Date: 2007-06-21
Tekst (12)
Texte (12)
Article 1. § 1er. Les examens officiels lors de l'admission des variétés des espèces de légumes et de plantes agricoles, en ce qui concerne l'examen de la distinction, de l'homogénéité et de la stabilité, satisfont soit aux "Protocoles pour la conduite de l'examen des caractères distinctifs, de la stabilité et de l'homogénéité", formulés par le conseil d'administration de l'Office communautaire des Variétés végétales (OCVV); soit aux principes directeurs pour la conduite de l'examen des caractères distinctifs, de la stabilité et de l'homogénéité, formulés par l'Union internationale pour la Protections des Obtentions végétales (UPOV),
La liste des espèces qui doivent satisfaire aux principes directeurs de l'OCVV est reprise à l'annexe Ire.
La liste des espèces qui doivent satisfaire aux principes directeurs de l'UPOV est reprise à l'annexe II.
§ 2. Tous les caractères variétaux des principes directeurs mentionnés dans l'annexe I, et tout caractère marqué d'un astérisque (*) dans les principes directeurs visés à l'annexe 11, sont utilisés, pour autant que l'observation d'un caractère ne soit pas rendue impossible par l'expression d'un autre caractère et que l'expression d'un caractère ne soit pas entravée par les conditions environnementales dans lesquelles l'examen est conduit.
§ 3. Pour les espèces figurant aux annexes Ire et II, les exigences minimales applicables à la conduite des examens pour ce qui a trait aux conditions d'essai et de culture, telles qu'elles sont fixées dans les principes directeurs visés à ces annexes, sont remplies au moment des examens.
[1 § 4. Par dérogation au paragraphe premier, en ce qui concerne l'homogénéité, les variétés biologiques adaptées à la production biologique, qui appartiennent aux espèces énumérées à l'annexe IV, partie A, peuvent satisfaire aux conditions énumérées dans la partie B de ladite annexe.]1
La liste des espèces qui doivent satisfaire aux principes directeurs de l'OCVV est reprise à l'annexe Ire.
La liste des espèces qui doivent satisfaire aux principes directeurs de l'UPOV est reprise à l'annexe II.
§ 2. Tous les caractères variétaux des principes directeurs mentionnés dans l'annexe I, et tout caractère marqué d'un astérisque (*) dans les principes directeurs visés à l'annexe 11, sont utilisés, pour autant que l'observation d'un caractère ne soit pas rendue impossible par l'expression d'un autre caractère et que l'expression d'un caractère ne soit pas entravée par les conditions environnementales dans lesquelles l'examen est conduit.
§ 3. Pour les espèces figurant aux annexes Ire et II, les exigences minimales applicables à la conduite des examens pour ce qui a trait aux conditions d'essai et de culture, telles qu'elles sont fixées dans les principes directeurs visés à ces annexes, sont remplies au moment des examens.
[1 § 4. Par dérogation au paragraphe premier, en ce qui concerne l'homogénéité, les variétés biologiques adaptées à la production biologique, qui appartiennent aux espèces énumérées à l'annexe IV, partie A, peuvent satisfaire aux conditions énumérées dans la partie B de ladite annexe.]1
Wijzigingen
Art.2. [1 De officiële onderzoeken bij de toelating van rassen van landbouwgewassen en industriële cichorei voor wat betreft het onderzoek van de cultuur en gebruikswaarde, strekken zich tenminste uit tot de in bijlage III vermelde kenmerken, met behoud van de toepassing van artikel 5, § 2, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de toelating van de rassen van landbouwgewassen en groentegewassen tot en het behoud ervan op de rassenlijsten van landbouwgewassen en groentegewassen.
In afwijking van de eerste alinea mogen biologische rassen die geschikt zijn voor biologische teelt die behoren tot de in deel A van bijlage IV genoemde soorten in plaats daarvan wat homogeniteit betreft voldoen aan de voorwaarden van deel B van die bijlage.]1
In afwijking van de eerste alinea mogen biologische rassen die geschikt zijn voor biologische teelt die behoren tot de in deel A van bijlage IV genoemde soorten in plaats daarvan wat homogeniteit betreft voldoen aan de voorwaarden van deel B van die bijlage.]1
Art.2. [1 Les examens officiels effectués pour l'admission de variétés des espèces de plantes agricoles et de chicorée industrielle portent au moins, en ce qui concerne l'examen de la valeur culturale et d'utilisation, sur les caractères énumérés à l'annexe III, sans préjudice de l'article 5, § 2, de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 22 octobre 2009 portant admission des variétés des espèces de plantes agricoles et de légumes et portant leur maintien dans les catalogues des variétés des espèces de plantes agricoles et de légumes.
Par dérogation au premier alinéa, en ce qui concerne la valeur culturale ou d'utilisation, les variétés biologiques adaptées à la production biologique, qui appartiennent aux espèces énumérées à l'annexe IV, partie A, peuvent satisfaire aux conditions exposées dans la partie B de ladite annexe.]1
Par dérogation au premier alinéa, en ce qui concerne la valeur culturale ou d'utilisation, les variétés biologiques adaptées à la production biologique, qui appartiennent aux espèces énumérées à l'annexe IV, partie A, peuvent satisfaire aux conditions exposées dans la partie B de ladite annexe.]1
Wijzigingen
Art.3. Onderzoeken die voor 1 juli 2007 zijn begonnen, vallen onder toepassing van respectievelijk bijlage 1, a), en bijlage 11, b).
Art.3. Pour les examens entamés avant le 1er juillet 2007, l'annexe Ire, a) et l'annexe II, b) sont respectivement d'application.
Art.4. De Minister, bevoegd voor het Landbouwbeleid kan de bijlagen van dit besluit aanvullen en wijzigen overeenkomstig de beslissingen van de instellingen van de Europese Gemeenschap.
Art.4. Le Ministre chargé de la Politique agricole peut compléter les annexes de cet arrêté, et l'adapter conformément aux décisions des institutions de la Communauté européenne.
Art.5. Het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 mei 2004 omzettend van richtlijn 2003/90/EG van de Commissie van 6 oktober 2003 houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van richtlijn 2002/55/EG van de Raad wat betreft de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouwgewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek, gewijzigd bij het besluit van 9 november 2006, wordt opgeheven.
Het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 mei 2004 omzettend richtlijn 2003/91/EG van de Commissie van 6 oktober 2003 houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van richtlijn 2002/55/EG van de Raad wat betreft de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van groentegewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek, wordt opgeheven.
Het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 mei 2004 omzettend richtlijn 2003/91/EG van de Commissie van 6 oktober 2003 houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van richtlijn 2002/55/EG van de Raad wat betreft de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van groentegewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek, wordt opgeheven.
Art.5. L'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 27 mai 2004 transposant la directive 2003/90/CE de la Commission du 6 octobre 2003 établissant des modalités d'application de l'article 7 de la directive 2002/55/CE du Conseil en ce qui concerne les caractères devant être couverts au minimum par l'examen et les conditions minimales pour l'examen de certaines variétés d'espèces de plantes agricoles, modifié par l'arrêté du 9 novembre 2006, est abrogé.
L'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 27 mai 2004 transposant la directive 2003/91/CE de la Commission du 6 octobre 2003 établissant des modalités d'application de l'article 7 de la directive 2002/55/CE du Conseil en ce qui concerne les caractères devant être couverts au minimum par l'examen et les conditions minimales pour l'examen de certaines variétés d'espèces de légumes, est abrogé.
L'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 27 mai 2004 transposant la directive 2003/91/CE de la Commission du 6 octobre 2003 établissant des modalités d'application de l'article 7 de la directive 2002/55/CE du Conseil en ce qui concerne les caractères devant être couverts au minimum par l'examen et les conditions minimales pour l'examen de certaines variétés d'espèces de légumes, est abrogé.
Art.6. De Minister, bevoegd voor het Landbouwbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art.6. Le Ministre chargé de la Politique agricole est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. [1 Bijlage 1.]1
Art. N1. [1 Annexe 1.]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 10-11-2023, p. 104819)
(Annexe non reprise pour des raisons techniques. Voir M.B. du 10-11-2023 p. 104819)
Art. N2. [1 Bijlage 2.]1
Art. N2. [1 Annexe 2.]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 10-11-2023, p. 104831)
(Annexe non reprise pour des raisons techniques. Voir M.B. du 10-11-2023 p. 104831)
Art. N3. Bijlage III. - Kenmerken aan de hand waarvan de cultuur en gebruikswaarde wordt onderzocht.
1. Opbrengst
2. Resistentie tegen schadelijke organismen
3. Gedrag ten opzichte van milieufactoren
4. Kwaliteit
Bij de indiening van de resultaten moeten de toegepaste methoden worden vermeld.
1. Opbrengst
2. Resistentie tegen schadelijke organismen
3. Gedrag ten opzichte van milieufactoren
4. Kwaliteit
Bij de indiening van de resultaten moeten de toegepaste methoden worden vermeld.
Art. N3. Annexe III. - Caractères concernant l'examen de la valeur culturale ou d'utilisation.
1. Rendement
2. Résistance aux organismes nuisibles
3. Comportement vis-à-vis des facteurs du milieu physique
4. Caractères de qualité
Les méthodes utilisées sont indiquées lors de la communication des résultats.
1. Rendement
2. Résistance aux organismes nuisibles
3. Comportement vis-à-vis des facteurs du milieu physique
4. Caractères de qualité
Les méthodes utilisées sont indiquées lors de la communication des résultats.
Art. N4. [1 Bijlage IV bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 juni 2007 betreffende de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouw- en groentegewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek
DEEL A. - Lijst van de in artikel 1, paragraaf 4, bedoelde gewassen
1° Landbouwgewassen
Gerst
Maïs
Rogge
Tarwe
2° Groentegewassen
Wortel
Koolrabi
DEEL B. - Specifieke bepalingen met betrekking tot tests inzake onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van biologische rassen van landbouwgewassen en van groentegewassen die geschikt zijn voor de biologische teelt
1. Algemene regel
Het volgende is van toepassing op biologische rassen van landbouwgewassen en van groentegewassen die geschikt zijn voor de biologische teelt:
1.1. wat betreft onderscheidbaarheid en bestendigheid moeten alle kenmerken van de in de bijlagen I en II genoemde protocollen en richtsnoeren worden nageleefd en beschreven;
1.2. wat betreft homogeniteit moeten alle kenmerken van de in de bijlagen I en II genoemde protocollen en richtsnoeren worden nageleefd en beschreven, en is het volgende van toepassing voor de in punt 2 genoemde kenmerken:
a) die kenmerken mogen minder streng worden beoordeeld;
b) indien voor die kenmerken een afwijking van het desbetreffende technische protocol in punt 2 is voorzien, is het homogeniteitsniveau binnen het ras vergelijkbaar met het homogeniteitsniveau van vergelijkbare, algemeen bekende rassen in de Unie.
2. Afwijking van technische protocollen
2.1. Landbouwgewassen
2.1.1. Gerst
Voor de rassen van het gewas gerst (Hordeum vulgare L.) mogen de volgende kenmerken wat betreft onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van CPVO-protocol CPVO/TP-019/5 van het geteste ras voor homogeniteit afwijken van de volgende eisen voor onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid:
CPVO nr. 5 - vlagblad: anthocyaankleuring van de oortjes
CPVO nr. 8 - vlagblad: mate waarin de bladschede met een waas is bedekt
CPVO nr. 9 - kafnaalden: anthocyaankleuring van de toppen
CPVO nr. 10 - aar: mate van bedekking met een waas
CPVO nr. 12 - graankorrel: anthocyaankleuring van de nerven van de lemma's
CPVO nr. 16 - steriel aartje: stand
CPVO nr. 17 - aar: vorm
CPVO nr. 20 - kafnaald: lengte
CPVO nr. 21 - aarspil: lengte van het eerste segment
CPVO nr. 22 - aarspil: kromming van het eerste segment
CPVO nr. 23 - middelste aartje: lengte van het kelkkafje en de kafnaald in verhouding tot de graankorrel
CPVO nr. 25 - graankorrel: vertakking van de zijnerven aan de binnenkant van de dorsale zijde van de lemma's
2.1.2. Maïs
Voor de rassen van het gewas maïs (Zea mays L.) mogen de volgende kenmerken wat betreft onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van CPVO-protocol CPVO/TP-002/3 van het geteste ras voor homogeniteit afwijken van de volgende eisen voor onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid:
CPVO nr. 1 - eerste blad: anthocyaankleuring van de bladschede
CPVO nr. 2 - eerste blad: vorm van de top
CPVO nr. 8 - pluim: anthocyaankleuring van het kelkkafje, met uitzondering van de basis
CPVO nr. 9 - pluim: anthocyaankleuring van de helmknoppen
CPVO nr. 10 - pluim: de hoek tussen de hoofdtak en de zijtakken
CPVO nr. 11 - pluim: kromming van zijtakken
CPVO nr. 15 - stengel: anthocyaankleuring van de steunwortels
CPVO nr. 16 - pluim: dichtheid van de aartjes
CPVO nr. 17 - blad: anthocyaankleuring van de bladschede
CPVO nr. 18 - stengel: anthocyaankleuring van de stengelleden
CPVO nr. 19 - pluim: lengte van de hoofdtak boven de laagste zijtak
CPVO nr. 20 - pluim: lengte van de hoofdtak boven de hoogste zijtak
CPVO nr. 21 - pluim: lengte van de zijtak
2.1.3. Rogge
Voor de rassen van het gewas rogge (Secale cereale L.) mogen de volgende kenmerken wat betreft onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van CPVO-protocol CPVO/TP/058/1 van het geteste ras voor homogeniteit afwijken van de volgende eisen voor onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid:
CPVO nr. 3 - pluimschede (coleoptiel): anthocyaankleuring
CPVO nr. 4 - pluimschede: lengte
CPVO nr. 5 - eerste blad: lengte van de bladschede
CPVO nr. 6 - eerste blad: lengte van de bladschijf
CPVO nr. 8 - vlagblad: mate waarin de bladschede met een waas is bedekt
CPVO nr. 10 - blad naast het vlagblad: lengte van de bladschijf
CPVO nr. 11 - blad naast het vlagblad: breedte van de bladschijf
CPVO nr. 12 - aar: mate van bedekking met een waas
CPVO nr. 13 - stengel: beharing onder de aar
2.1.4. Froment (blé)
Voor de rassen van het gewas tarwe (Triticum aestivum L. subsp. aestivum) mogen de volgende kenmerken wat betreft onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van CPVO-protocol CPVO/TP/003/5 van het geteste ras voor homogeniteit afwijken van de volgende eisen voor onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid:
CPVO nr. 3 - pluimschede: anthocyaankleuring
CPVO nr. 6 - vlagblad: anthocyaankleuring van de oortjes
CPVO nr. 8 - vlagblad: mate waarin de bladschede met een waas is bedekt
CPVO nr. 9 - vlagblad: mate waarin de bladspiegel met een waas is bedekt
CPVO nr. 10 - aar: mate van bedekking met een waas
CPVO nr. 11 - halm: mate waarin de nek met een waas is bedekt
CPVO nr. 20 - aar: vorm in zijaanzicht
CPVO nr. 21 - bovenste segment aarspil: behaarde gebied op het convexe oppervlak
CPVO nr. 22 - onderste kelkkafje: breedte van de schouder
CPVO nr. 23 - onderste kelkkafje: vorm van de schouder
CPVO nr. 24 - onderste kelkkafje: lengte van de punt
CPVO nr. 25 - onderste kelkkafje: vorm van de punt
CPVO nr. 26 - onderste kelkkafje: behaarde gebied op het binnenoppervlak
2.2. Groentegewassen
2.2.1. Wortel
Voor de rassen van de soort "wortel" (Daucus carota L.) mogen de volgende kenmerken inzake onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van CPVO-protocol CPVO-TP/049/3 van het geteste ras afwijken van de volgende vereisten inzake homogeniteit:
CPVO nr. 4 - Blad: vertakking
CPVO nr. 5 - Blad: intensiteit van groene kleur
CPVO nr. 19 - Wortels: diameter van kern in verhouding tot totale diameter
CPVO nr. 20 - Wortels: kleur van kern
CPVO nr. 21 - Met uitzondering van rassen met witte kern; Wortels: intensiteit van de kleur van de kern
CPVO nr. 28 - Wortels: tijd van kleuring van de punt
CPVO nr. 29 - Plant: hoogte van het primaire bloemscherm ten tijde van de bloei
2.2.2. Koolrabi
Voor de rassen van de soort "koolrabi" (Brassica oleracea L.) mogen de volgende kenmerken inzake onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van CPVO-protocol CPVO-TP/065/1 Rev. van het geteste ras afwijken van de volgende vereisten inzake homogeniteit van het desbetreffende technische protocol van het CPVO:
CPVO nr. 2 - Kiemplant: intensiteit van de groene kleuring van de navelbladeren
CPVO nr. 6 - Bladsteel: stand
CPVO nr. 8 - Bladschijf: lengte
CPVO nr. 9 - Bladschijf: breedte
CPVO nr. 10 - Bladschijf: vorm van de punt
CPVO nr. 11 - Bladschijf: vertakking tot aan de hoofdnerf (onderste deel van het blad)
CPVO nr. 12 - Bladschijf: aantal inkepingen (bovenste deel van het blad)
CPVO nr. 13 - Bladschijf: diepte van de inkepingen (bovenste deel van het blad)
CPVO nr. 14 - Bladschijf: vorm in doorsnee
CPVO nr. 19 - Koolrabi: aantal binnenbladeren]1
DEEL A. - Lijst van de in artikel 1, paragraaf 4, bedoelde gewassen
1° Landbouwgewassen
Gerst
Maïs
Rogge
Tarwe
2° Groentegewassen
Wortel
Koolrabi
DEEL B. - Specifieke bepalingen met betrekking tot tests inzake onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van biologische rassen van landbouwgewassen en van groentegewassen die geschikt zijn voor de biologische teelt
1. Algemene regel
Het volgende is van toepassing op biologische rassen van landbouwgewassen en van groentegewassen die geschikt zijn voor de biologische teelt:
1.1. wat betreft onderscheidbaarheid en bestendigheid moeten alle kenmerken van de in de bijlagen I en II genoemde protocollen en richtsnoeren worden nageleefd en beschreven;
1.2. wat betreft homogeniteit moeten alle kenmerken van de in de bijlagen I en II genoemde protocollen en richtsnoeren worden nageleefd en beschreven, en is het volgende van toepassing voor de in punt 2 genoemde kenmerken:
a) die kenmerken mogen minder streng worden beoordeeld;
b) indien voor die kenmerken een afwijking van het desbetreffende technische protocol in punt 2 is voorzien, is het homogeniteitsniveau binnen het ras vergelijkbaar met het homogeniteitsniveau van vergelijkbare, algemeen bekende rassen in de Unie.
2. Afwijking van technische protocollen
2.1. Landbouwgewassen
2.1.1. Gerst
Voor de rassen van het gewas gerst (Hordeum vulgare L.) mogen de volgende kenmerken wat betreft onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van CPVO-protocol CPVO/TP-019/5 van het geteste ras voor homogeniteit afwijken van de volgende eisen voor onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid:
CPVO nr. 5 - vlagblad: anthocyaankleuring van de oortjes
CPVO nr. 8 - vlagblad: mate waarin de bladschede met een waas is bedekt
CPVO nr. 9 - kafnaalden: anthocyaankleuring van de toppen
CPVO nr. 10 - aar: mate van bedekking met een waas
CPVO nr. 12 - graankorrel: anthocyaankleuring van de nerven van de lemma's
CPVO nr. 16 - steriel aartje: stand
CPVO nr. 17 - aar: vorm
CPVO nr. 20 - kafnaald: lengte
CPVO nr. 21 - aarspil: lengte van het eerste segment
CPVO nr. 22 - aarspil: kromming van het eerste segment
CPVO nr. 23 - middelste aartje: lengte van het kelkkafje en de kafnaald in verhouding tot de graankorrel
CPVO nr. 25 - graankorrel: vertakking van de zijnerven aan de binnenkant van de dorsale zijde van de lemma's
2.1.2. Maïs
Voor de rassen van het gewas maïs (Zea mays L.) mogen de volgende kenmerken wat betreft onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van CPVO-protocol CPVO/TP-002/3 van het geteste ras voor homogeniteit afwijken van de volgende eisen voor onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid:
CPVO nr. 1 - eerste blad: anthocyaankleuring van de bladschede
CPVO nr. 2 - eerste blad: vorm van de top
CPVO nr. 8 - pluim: anthocyaankleuring van het kelkkafje, met uitzondering van de basis
CPVO nr. 9 - pluim: anthocyaankleuring van de helmknoppen
CPVO nr. 10 - pluim: de hoek tussen de hoofdtak en de zijtakken
CPVO nr. 11 - pluim: kromming van zijtakken
CPVO nr. 15 - stengel: anthocyaankleuring van de steunwortels
CPVO nr. 16 - pluim: dichtheid van de aartjes
CPVO nr. 17 - blad: anthocyaankleuring van de bladschede
CPVO nr. 18 - stengel: anthocyaankleuring van de stengelleden
CPVO nr. 19 - pluim: lengte van de hoofdtak boven de laagste zijtak
CPVO nr. 20 - pluim: lengte van de hoofdtak boven de hoogste zijtak
CPVO nr. 21 - pluim: lengte van de zijtak
2.1.3. Rogge
Voor de rassen van het gewas rogge (Secale cereale L.) mogen de volgende kenmerken wat betreft onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van CPVO-protocol CPVO/TP/058/1 van het geteste ras voor homogeniteit afwijken van de volgende eisen voor onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid:
CPVO nr. 3 - pluimschede (coleoptiel): anthocyaankleuring
CPVO nr. 4 - pluimschede: lengte
CPVO nr. 5 - eerste blad: lengte van de bladschede
CPVO nr. 6 - eerste blad: lengte van de bladschijf
CPVO nr. 8 - vlagblad: mate waarin de bladschede met een waas is bedekt
CPVO nr. 10 - blad naast het vlagblad: lengte van de bladschijf
CPVO nr. 11 - blad naast het vlagblad: breedte van de bladschijf
CPVO nr. 12 - aar: mate van bedekking met een waas
CPVO nr. 13 - stengel: beharing onder de aar
2.1.4. Froment (blé)
Voor de rassen van het gewas tarwe (Triticum aestivum L. subsp. aestivum) mogen de volgende kenmerken wat betreft onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van CPVO-protocol CPVO/TP/003/5 van het geteste ras voor homogeniteit afwijken van de volgende eisen voor onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid:
CPVO nr. 3 - pluimschede: anthocyaankleuring
CPVO nr. 6 - vlagblad: anthocyaankleuring van de oortjes
CPVO nr. 8 - vlagblad: mate waarin de bladschede met een waas is bedekt
CPVO nr. 9 - vlagblad: mate waarin de bladspiegel met een waas is bedekt
CPVO nr. 10 - aar: mate van bedekking met een waas
CPVO nr. 11 - halm: mate waarin de nek met een waas is bedekt
CPVO nr. 20 - aar: vorm in zijaanzicht
CPVO nr. 21 - bovenste segment aarspil: behaarde gebied op het convexe oppervlak
CPVO nr. 22 - onderste kelkkafje: breedte van de schouder
CPVO nr. 23 - onderste kelkkafje: vorm van de schouder
CPVO nr. 24 - onderste kelkkafje: lengte van de punt
CPVO nr. 25 - onderste kelkkafje: vorm van de punt
CPVO nr. 26 - onderste kelkkafje: behaarde gebied op het binnenoppervlak
2.2. Groentegewassen
2.2.1. Wortel
Voor de rassen van de soort "wortel" (Daucus carota L.) mogen de volgende kenmerken inzake onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van CPVO-protocol CPVO-TP/049/3 van het geteste ras afwijken van de volgende vereisten inzake homogeniteit:
CPVO nr. 4 - Blad: vertakking
CPVO nr. 5 - Blad: intensiteit van groene kleur
CPVO nr. 19 - Wortels: diameter van kern in verhouding tot totale diameter
CPVO nr. 20 - Wortels: kleur van kern
CPVO nr. 21 - Met uitzondering van rassen met witte kern; Wortels: intensiteit van de kleur van de kern
CPVO nr. 28 - Wortels: tijd van kleuring van de punt
CPVO nr. 29 - Plant: hoogte van het primaire bloemscherm ten tijde van de bloei
2.2.2. Koolrabi
Voor de rassen van de soort "koolrabi" (Brassica oleracea L.) mogen de volgende kenmerken inzake onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van CPVO-protocol CPVO-TP/065/1 Rev. van het geteste ras afwijken van de volgende vereisten inzake homogeniteit van het desbetreffende technische protocol van het CPVO:
CPVO nr. 2 - Kiemplant: intensiteit van de groene kleuring van de navelbladeren
CPVO nr. 6 - Bladsteel: stand
CPVO nr. 8 - Bladschijf: lengte
CPVO nr. 9 - Bladschijf: breedte
CPVO nr. 10 - Bladschijf: vorm van de punt
CPVO nr. 11 - Bladschijf: vertakking tot aan de hoofdnerf (onderste deel van het blad)
CPVO nr. 12 - Bladschijf: aantal inkepingen (bovenste deel van het blad)
CPVO nr. 13 - Bladschijf: diepte van de inkepingen (bovenste deel van het blad)
CPVO nr. 14 - Bladschijf: vorm in doorsnee
CPVO nr. 19 - Koolrabi: aantal binnenbladeren]1
Art. N4. [1 Annexe IV à l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 juin 2007 concernant les caractères devant être couverts au minimum par l'examen et les conditions minimales pour l'examen de certaines variétés d'espèces de plantes agricoles et de légumes
PARTIE A. - Liste des espèces visées à l'article 1er, paragraphe 4
1° Plantes agricoles
Orge
Maïs
Seigle
Froment (blé)
2° Légumes
Carotte
Chou-rave
PARTIE B. - Dispositions spécifiques concernant l'examen de la distinction, de l'homogénéité et de la stabilité des variétés biologiques d'espèces de plantes agricoles et d'espèces de légumes adaptées à la production biologique
1. Règle générale
Les dispositions suivantes s'appliquent aux variétés biologiques d'espèces de plantes agricoles et de légumes adaptées à la production biologique:
1.1. en ce qui concerne la distinction et la stabilité, tous les caractères figurant dans les protocoles et principes directeurs visés aux annexes I et II sont respectés et décrits ;
1.2. en ce qui concerne l'homogénéité, tous les caractères figurant dans les protocoles et principes directeurs visés aux annexes I et II sont respectés et décrits et les dispositions suivantes s'appliquent aux caractères énumérés au point 2 :
a) ces caractères peuvent faire l'objet d'un examen moins strict ;
b) lorsque, pour ces caractères, une dérogation au protocole technique correspondant est prévue au point 2, le niveau d'homogénéité à l'intérieur de la variété doit être semblable au niveau d'homogénéité de variétés notoirement connues comparables dans l'Union.
2. Dérogation aux protocoles techniques
2.1. Plantes agricoles
2.1.1. Orge
Pour les variétés appartenant à l'espèce orge (Hordeum vulgare L.), les caractères DHS suivants du protocole OCVV CPVO/TP-019/5 de la variété examinée peuvent s'écarter des exigences DHS suivantes en matière d'homogénéité:
OCVV no 5 - Dernière feuille: pigmentation anthocyanique des oreillettes
OCVV no 8 - Dernière feuille: glaucescence de la gaine
OCVV no 9 - Barbes: pigmentation anthocyanique des pointes
OCVV no 10 - Epi: glaucescence
OCVV no 12 - Grain: pigmentation anthocyanique des nervures de la glumelle inférieure
OCVV no 16 - Epillets stériles: port
OCVV no 17 - Epi: forme
OCVV no 20 - Barbe: longueur
OCVV no 21 - Rachis: longueur du premier article
OCVV no 22 - Rachis: incurvation du premier article
OCVV no 23 - Epillet médian: longueur de la glume et de sa barbe par rapport au grain
OCVV no 25 - Grain: denticulation des nervures latérales internes de la face dorsale de la glumelle inférieure
2.1.2. Maïs
Pour les variétés appartenant à l'espèce maïs (Zea mays L.), les caractères DHS suivants du protocole OCVV CPVO-TP/002/3 de la variété examinée peuvent s'écarter des exigences DHS suivantes en matière d'homogénéité:
OCVV no 1 - Première feuille: pigmentation anthocyanique de la gaine
OCVV no 2 - Première feuille: forme de l'apex
OCVV no 8 - Panicule: pigmentation anthocyanique des glumes à l'exclusion de la base
OCVV no 9 - Panicule: pigmentation anthocyanique des anthères
OCVV no 10 - Panicule: angle entre l'axe central et les ramifications latérales
OCVV no 11 - Panicule: courbure des ramifications latérales
OCVV no 15 - Tige: pigmentation anthocyanique des racines d'ancrage
OCVV no 16 - Panicule: densité des épillets
OCVV no 17 - Feuille: pigmentation anthocyanique de la gaine
OCVV no 18 - Tige: pigmentation anthocyanique des entre-noeuds
OCVV no 19 - Panicule: longueur de l'axe central au-dessus du rameau inférieur
OCVV no 20 - Panicule: longueur de l'axe central au-dessus du rameau supérieur
OCVV no 21 - Panicule: longueur du rameau
2.1.3. Seigle
Pour les variétés appartenant à l'espèce seigle (Secale cereale L.), les caractères DHS suivants du protocole OCVV CPVO-TP/058/1 de la variété examinée peuvent s'écarter des exigences DHS suivantes en matière d'homogénéité :
OCVV no 3 - Coléoptile: pigmentation anthocyanique
OCVV no 4 - Coléoptile: longueur
OCVV no 5 -Première feuille: longueur de la gaine
OCVV no 6 -Première feuille: longueur du limbe
OCVV no 8 - Dernière feuille: glaucescence de la gaine
OCVV no 10 - Avant-dernière feuille: longueur du limbe
OCVV no 11 - Avant-dernière feuille: largeur du limbe
OCVV no 12 - Epi: glaucescence
OCVV no 13 - Tige: pilosité au-dessous de l'épi
2.1.4. Froment (blé)
Pour les variétés appartenant à l'espèce froment (blé) (Triticum aestivum L.), les caractères DHS suivants du protocole OCVV CPVO-TP/003/5 de la variété examinée peuvent s'écarter des exigences DHS suivantes en matière d'homogénéité:
OCVV no 3 - Coléoptile: pigmentation anthocyaniq
OCVV no 6 - Dernière feuille: pigmentation anthocyanique des oreillettes
OCVV no 8 - Dernière feuille: glaucescence de la gaine
OCVV no 9 - Dernière feuille: glaucescence du limbe
OCVV no 10 - Epi: glaucescence
OCVV no 11 - Tige: glaucescence du col de l'épi
OCVV no 20 - Epi: forme en vue de pro
OCVV no 21 - Article terminal du rachis: étendue de la pilosité de la surface convexe
OCVV no 22 - Glume inférieure: largeur de la troncature
OCVV no 23 - Glume inférieure: forme de la troncature
OCVV no 24 - Glume inférieure: longueur du bec
OCVV no 25 - Glume inférieure: forme du bec
OCVV no 26 - Glume inférieure: étendue de la pilosité de la surface interne
2.2. Légumes
2.2.1. Carotte
Pour les variétés appartenant à l'espèce carotte (Daucus carota L.), les caractères DHS suivants du protocole OCVV CPVO-TP/049/3 de la variété examinée peuvent s'écarter des exigences DHS suivantes en matière d'homogénéité:
OCVV no 4 - Feuille: division
OCVV no 5 - Feuille: intensité de la couleur verte
OCVV no 19 - Racine: diamètre du coeur par rapport au diamètre total
OCVV no 20 - Racine: couleur du coeur
OCVV no 21 - A l'exclusion des variétés à coeur blanc: racine: intensité de la couleur du coeur
OCVV no 28 - Racine: époque de coloration de l'extrémité
OCVV no 29 - Plante: hauteur de l'ombelle primaire à l'époque de sa floraison
2.2.2. Chou-rave
Pour les variétés appartenant à l'espèce chou-rave (Brassica oleracea L.), les caractères DHS suivants du protocole OCVV CPVO-TP/065/1 Rev. de la variété examinée peuvent s'écarter des exigences DHS suivantes en matière d'homogénéité:
OCVV no 2 - Plantule: intensité de la couleur verte des cotylédons
OCVV no 6 - Pétiole: port
OCVV no 8 - Limbe: longueur
OCVV no 9 - Limbe: largeur
OCVV no 10 - Limbe: forme de l'apex
OCVV no 11 - Limbe: incisions jusqu'à la nervure principale (partie inférieure de la feuille)
OCVV no 12 - Limbe: nombre d'incisions du bord (partie supérieure de la feuille)
OCVV no 13 - Limbe: profondeur des incisions du bord (partie supérieure de la feuille)
OCVV no 14 - Limbe: forme en coupe transversale
OCVV no 19 - Rave: nombre de feuilles intérieures]1
PARTIE A. - Liste des espèces visées à l'article 1er, paragraphe 4
1° Plantes agricoles
Orge
Maïs
Seigle
Froment (blé)
2° Légumes
Carotte
Chou-rave
PARTIE B. - Dispositions spécifiques concernant l'examen de la distinction, de l'homogénéité et de la stabilité des variétés biologiques d'espèces de plantes agricoles et d'espèces de légumes adaptées à la production biologique
1. Règle générale
Les dispositions suivantes s'appliquent aux variétés biologiques d'espèces de plantes agricoles et de légumes adaptées à la production biologique:
1.1. en ce qui concerne la distinction et la stabilité, tous les caractères figurant dans les protocoles et principes directeurs visés aux annexes I et II sont respectés et décrits ;
1.2. en ce qui concerne l'homogénéité, tous les caractères figurant dans les protocoles et principes directeurs visés aux annexes I et II sont respectés et décrits et les dispositions suivantes s'appliquent aux caractères énumérés au point 2 :
a) ces caractères peuvent faire l'objet d'un examen moins strict ;
b) lorsque, pour ces caractères, une dérogation au protocole technique correspondant est prévue au point 2, le niveau d'homogénéité à l'intérieur de la variété doit être semblable au niveau d'homogénéité de variétés notoirement connues comparables dans l'Union.
2. Dérogation aux protocoles techniques
2.1. Plantes agricoles
2.1.1. Orge
Pour les variétés appartenant à l'espèce orge (Hordeum vulgare L.), les caractères DHS suivants du protocole OCVV CPVO/TP-019/5 de la variété examinée peuvent s'écarter des exigences DHS suivantes en matière d'homogénéité:
OCVV no 5 - Dernière feuille: pigmentation anthocyanique des oreillettes
OCVV no 8 - Dernière feuille: glaucescence de la gaine
OCVV no 9 - Barbes: pigmentation anthocyanique des pointes
OCVV no 10 - Epi: glaucescence
OCVV no 12 - Grain: pigmentation anthocyanique des nervures de la glumelle inférieure
OCVV no 16 - Epillets stériles: port
OCVV no 17 - Epi: forme
OCVV no 20 - Barbe: longueur
OCVV no 21 - Rachis: longueur du premier article
OCVV no 22 - Rachis: incurvation du premier article
OCVV no 23 - Epillet médian: longueur de la glume et de sa barbe par rapport au grain
OCVV no 25 - Grain: denticulation des nervures latérales internes de la face dorsale de la glumelle inférieure
2.1.2. Maïs
Pour les variétés appartenant à l'espèce maïs (Zea mays L.), les caractères DHS suivants du protocole OCVV CPVO-TP/002/3 de la variété examinée peuvent s'écarter des exigences DHS suivantes en matière d'homogénéité:
OCVV no 1 - Première feuille: pigmentation anthocyanique de la gaine
OCVV no 2 - Première feuille: forme de l'apex
OCVV no 8 - Panicule: pigmentation anthocyanique des glumes à l'exclusion de la base
OCVV no 9 - Panicule: pigmentation anthocyanique des anthères
OCVV no 10 - Panicule: angle entre l'axe central et les ramifications latérales
OCVV no 11 - Panicule: courbure des ramifications latérales
OCVV no 15 - Tige: pigmentation anthocyanique des racines d'ancrage
OCVV no 16 - Panicule: densité des épillets
OCVV no 17 - Feuille: pigmentation anthocyanique de la gaine
OCVV no 18 - Tige: pigmentation anthocyanique des entre-noeuds
OCVV no 19 - Panicule: longueur de l'axe central au-dessus du rameau inférieur
OCVV no 20 - Panicule: longueur de l'axe central au-dessus du rameau supérieur
OCVV no 21 - Panicule: longueur du rameau
2.1.3. Seigle
Pour les variétés appartenant à l'espèce seigle (Secale cereale L.), les caractères DHS suivants du protocole OCVV CPVO-TP/058/1 de la variété examinée peuvent s'écarter des exigences DHS suivantes en matière d'homogénéité :
OCVV no 3 - Coléoptile: pigmentation anthocyanique
OCVV no 4 - Coléoptile: longueur
OCVV no 5 -Première feuille: longueur de la gaine
OCVV no 6 -Première feuille: longueur du limbe
OCVV no 8 - Dernière feuille: glaucescence de la gaine
OCVV no 10 - Avant-dernière feuille: longueur du limbe
OCVV no 11 - Avant-dernière feuille: largeur du limbe
OCVV no 12 - Epi: glaucescence
OCVV no 13 - Tige: pilosité au-dessous de l'épi
2.1.4. Froment (blé)
Pour les variétés appartenant à l'espèce froment (blé) (Triticum aestivum L.), les caractères DHS suivants du protocole OCVV CPVO-TP/003/5 de la variété examinée peuvent s'écarter des exigences DHS suivantes en matière d'homogénéité:
OCVV no 3 - Coléoptile: pigmentation anthocyaniq
OCVV no 6 - Dernière feuille: pigmentation anthocyanique des oreillettes
OCVV no 8 - Dernière feuille: glaucescence de la gaine
OCVV no 9 - Dernière feuille: glaucescence du limbe
OCVV no 10 - Epi: glaucescence
OCVV no 11 - Tige: glaucescence du col de l'épi
OCVV no 20 - Epi: forme en vue de pro
OCVV no 21 - Article terminal du rachis: étendue de la pilosité de la surface convexe
OCVV no 22 - Glume inférieure: largeur de la troncature
OCVV no 23 - Glume inférieure: forme de la troncature
OCVV no 24 - Glume inférieure: longueur du bec
OCVV no 25 - Glume inférieure: forme du bec
OCVV no 26 - Glume inférieure: étendue de la pilosité de la surface interne
2.2. Légumes
2.2.1. Carotte
Pour les variétés appartenant à l'espèce carotte (Daucus carota L.), les caractères DHS suivants du protocole OCVV CPVO-TP/049/3 de la variété examinée peuvent s'écarter des exigences DHS suivantes en matière d'homogénéité:
OCVV no 4 - Feuille: division
OCVV no 5 - Feuille: intensité de la couleur verte
OCVV no 19 - Racine: diamètre du coeur par rapport au diamètre total
OCVV no 20 - Racine: couleur du coeur
OCVV no 21 - A l'exclusion des variétés à coeur blanc: racine: intensité de la couleur du coeur
OCVV no 28 - Racine: époque de coloration de l'extrémité
OCVV no 29 - Plante: hauteur de l'ombelle primaire à l'époque de sa floraison
2.2.2. Chou-rave
Pour les variétés appartenant à l'espèce chou-rave (Brassica oleracea L.), les caractères DHS suivants du protocole OCVV CPVO-TP/065/1 Rev. de la variété examinée peuvent s'écarter des exigences DHS suivantes en matière d'homogénéité:
OCVV no 2 - Plantule: intensité de la couleur verte des cotylédons
OCVV no 6 - Pétiole: port
OCVV no 8 - Limbe: longueur
OCVV no 9 - Limbe: largeur
OCVV no 10 - Limbe: forme de l'apex
OCVV no 11 - Limbe: incisions jusqu'à la nervure principale (partie inférieure de la feuille)
OCVV no 12 - Limbe: nombre d'incisions du bord (partie supérieure de la feuille)
OCVV no 13 - Limbe: profondeur des incisions du bord (partie supérieure de la feuille)
OCVV no 14 - Limbe: forme en coupe transversale
OCVV no 19 - Rave: nombre de feuilles intérieures]1
Art. N5. [1 Bijlage V bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 juni 2007 betreffende de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouw- en groentegewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek
DEEL A. - Lijst van de in artikel 2, tweede alinea, bedoelde gewassen
Gerst
Maïs
Rogge
Tarwe
Voorwaarden waaraan moet worden voldaan - cultuur- en gebruikswaarde van biologische rassen die geschikt zijn voor de biologische teelt
Het onderzoek naar cultuur- en gebruik wordt onder biologische omstandigheden uitgevoerd, overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EU) 2018/848, en met name de algemene beginselen van artikel 5, punten d), e), f) en g), en de voorschriften voor de plantaardige productie uit hoofde van artikel 12.
Bij het rassenonderzoek en bij de evaluatie van de onderzoeksresultaten wordt rekening gehouden met de specifieke behoeften en doelstellingen van biologische landbouw. Er wordt onderzoek gedaan naar de weerstand tegen of de tolerantie voor ziekten en naar de aanpassing aan de verschillende plaatselijke bodem- en klimaatomstandigheden.
Indien de bevoegde autoriteiten niet in staat zijn te voorzien in een onderzoek onder biologische omstandigheden of in het onderzoek van bepaalde kenmerken - waaronder de vatbaarheid voor ziekten - kunnen tests worden uitgevoerd overeenkomstig een van de volgende punten:
a) onder toezicht van de bevoegde autoriteit bij bedrijven van biologische kwekers of biologische landbouwbedrijven;
b) onder omstandigheden die weinig productiemiddelen en minimale behandelingen vergen;
c) in een andere lidstaat, indien er bilaterale overeenkomsten tussen lidstaten zijn gesloten om tests onder biologische omstandigheden te verrichten.
Een ras bezit voldoende cultuur- of gebruikswaarde wanneer het ten opzichte van de andere in de lijst van de betrokken lidstaat opgenomen voor biologische teelt geschikte biologische rassen door het geheel van zijn hoedanigheden, ten minste voor de productie in een bepaald gebied, een duidelijke verbetering betekent, hetzij voor de teelt, hetzij voor de valorisatie van de oogst of van de daaruit verkregen producten. Voor het onderzoek naar de cultuur- en gebruikswaarde worden superieure kenmerken voor de landbouwproductie - wat betreft landbouwpraktijken en de productie van levensmiddelen of diervoeders, die voordelen bieden voor biologische landbouw - als bijzonder waardevol beschouwd.
4.De bevoegde autoriteit voorziet in verschillende onderzoeksomstandigheden die op de specifieke behoeften van de biologische landbouw zijn afgestemd, en onderzoekt afhankelijk van haar capaciteit, op verzoek van de aanvrager, specifieke eigenschappen en kenmerken, indien reproduceerbare methoden beschikbaar zijn.]1
DEEL A. - Lijst van de in artikel 2, tweede alinea, bedoelde gewassen
Gerst
Maïs
Rogge
Tarwe
Voorwaarden waaraan moet worden voldaan - cultuur- en gebruikswaarde van biologische rassen die geschikt zijn voor de biologische teelt
Het onderzoek naar cultuur- en gebruik wordt onder biologische omstandigheden uitgevoerd, overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EU) 2018/848, en met name de algemene beginselen van artikel 5, punten d), e), f) en g), en de voorschriften voor de plantaardige productie uit hoofde van artikel 12.
Bij het rassenonderzoek en bij de evaluatie van de onderzoeksresultaten wordt rekening gehouden met de specifieke behoeften en doelstellingen van biologische landbouw. Er wordt onderzoek gedaan naar de weerstand tegen of de tolerantie voor ziekten en naar de aanpassing aan de verschillende plaatselijke bodem- en klimaatomstandigheden.
Indien de bevoegde autoriteiten niet in staat zijn te voorzien in een onderzoek onder biologische omstandigheden of in het onderzoek van bepaalde kenmerken - waaronder de vatbaarheid voor ziekten - kunnen tests worden uitgevoerd overeenkomstig een van de volgende punten:
a) onder toezicht van de bevoegde autoriteit bij bedrijven van biologische kwekers of biologische landbouwbedrijven;
b) onder omstandigheden die weinig productiemiddelen en minimale behandelingen vergen;
c) in een andere lidstaat, indien er bilaterale overeenkomsten tussen lidstaten zijn gesloten om tests onder biologische omstandigheden te verrichten.
Een ras bezit voldoende cultuur- of gebruikswaarde wanneer het ten opzichte van de andere in de lijst van de betrokken lidstaat opgenomen voor biologische teelt geschikte biologische rassen door het geheel van zijn hoedanigheden, ten minste voor de productie in een bepaald gebied, een duidelijke verbetering betekent, hetzij voor de teelt, hetzij voor de valorisatie van de oogst of van de daaruit verkregen producten. Voor het onderzoek naar de cultuur- en gebruikswaarde worden superieure kenmerken voor de landbouwproductie - wat betreft landbouwpraktijken en de productie van levensmiddelen of diervoeders, die voordelen bieden voor biologische landbouw - als bijzonder waardevol beschouwd.
4.De bevoegde autoriteit voorziet in verschillende onderzoeksomstandigheden die op de specifieke behoeften van de biologische landbouw zijn afgestemd, en onderzoekt afhankelijk van haar capaciteit, op verzoek van de aanvrager, specifieke eigenschappen en kenmerken, indien reproduceerbare methoden beschikbaar zijn.]1
Art. N5. [1 Annexe V à l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 juin 2007 concernant les caractères devant être couverts au minimum par l'examen et les conditions minimales pour l'examen de certaines variétés d'espèces de plantes agricoles et de légumes
PARTIE A. - Liste des espèces visées à l'article 2, alinéa 2
Orge
Maïs
Seigle
Froment (blé)
Conditions à remplir - Valeur culturale et d'utilisation (valeur agronomique et technologique, VAT) pour les variétés biologiques adaptées à la production biologique
1. L'examen de la valeur agronomique et technologique est conduit dans des conditions biologiques, conformément aux dispositions du règlement (UE) 2018/848, et notamment aux principes généraux énoncés à l'article 5, points d), e), f) et g), et aux règles applicables à la production végétale énoncées à l'article 12.
2. Les besoins et objectifs spécifiques de l'agriculture biologique sont pris en compte dans l'examen des variétés et dans l'évaluation des résultats de l'examen. La résistance ou la tolérance aux maladies ainsi que l'adaptation aux diverses conditions pédoclimatiques locales sont examinées.
3. Lorsque les autorités compétentes ne sont pas en mesure de prévoir un examen dans des conditions biologiques, ou pour l'examen de certains caractères, y compris la sensibilité aux maladies, des essais peuvent être effectués en application de l'un des points suivants:
a) sous la supervision de l'autorité compétente dans les locaux d'obtenteurs biologiques ou des exploitations biologiques;
b) dans des conditions à faible consommation d'intrants et avec des traitements minimaux ;
c) dans un autre Etat membre, si des accords bilatéraux ont été conclus entre les Etats membres pour effectuer des essais dans des conditions biologiques.
Une variété possède une valeur culturale ou d'utilisation (VAT) satisfaisante si, par rapport aux autres variétés biologiques adaptées à la production biologique admises dans le catalogue de l'Etat membre en cause, elle représente, par l'ensemble de ses qualités, au moins pour la production dans une région déterminée, une nette amélioration soit pour la culture, soit pour l'exploitation des récoltes ou l'utilisation des produits qui en sont issus. Les caractères favorables pour la production agricole, en ce qui concerne les pratiques agricoles et la production de denrées alimentaires ou d'aliments pour animaux qui présentent des avantages pour l'agriculture biologique, revêtent une valeur particulière pour l'examen de la VAT.
4. L'autorité compétente prévoit différentes conditions d'examen adaptées aux besoins spécifiques de l'agriculture biologique et examine, dans la mesure de ses capacités, les particularités et caractères spécifiques, lorsque le demandeur le sollicite, si des méthodes reproductibles sont disponibles.]1
PARTIE A. - Liste des espèces visées à l'article 2, alinéa 2
Orge
Maïs
Seigle
Froment (blé)
Conditions à remplir - Valeur culturale et d'utilisation (valeur agronomique et technologique, VAT) pour les variétés biologiques adaptées à la production biologique
1. L'examen de la valeur agronomique et technologique est conduit dans des conditions biologiques, conformément aux dispositions du règlement (UE) 2018/848, et notamment aux principes généraux énoncés à l'article 5, points d), e), f) et g), et aux règles applicables à la production végétale énoncées à l'article 12.
2. Les besoins et objectifs spécifiques de l'agriculture biologique sont pris en compte dans l'examen des variétés et dans l'évaluation des résultats de l'examen. La résistance ou la tolérance aux maladies ainsi que l'adaptation aux diverses conditions pédoclimatiques locales sont examinées.
3. Lorsque les autorités compétentes ne sont pas en mesure de prévoir un examen dans des conditions biologiques, ou pour l'examen de certains caractères, y compris la sensibilité aux maladies, des essais peuvent être effectués en application de l'un des points suivants:
a) sous la supervision de l'autorité compétente dans les locaux d'obtenteurs biologiques ou des exploitations biologiques;
b) dans des conditions à faible consommation d'intrants et avec des traitements minimaux ;
c) dans un autre Etat membre, si des accords bilatéraux ont été conclus entre les Etats membres pour effectuer des essais dans des conditions biologiques.
Une variété possède une valeur culturale ou d'utilisation (VAT) satisfaisante si, par rapport aux autres variétés biologiques adaptées à la production biologique admises dans le catalogue de l'Etat membre en cause, elle représente, par l'ensemble de ses qualités, au moins pour la production dans une région déterminée, une nette amélioration soit pour la culture, soit pour l'exploitation des récoltes ou l'utilisation des produits qui en sont issus. Les caractères favorables pour la production agricole, en ce qui concerne les pratiques agricoles et la production de denrées alimentaires ou d'aliments pour animaux qui présentent des avantages pour l'agriculture biologique, revêtent une valeur particulière pour l'examen de la VAT.
4. L'autorité compétente prévoit différentes conditions d'examen adaptées aux besoins spécifiques de l'agriculture biologique et examine, dans la mesure de ses capacités, les particularités et caractères spécifiques, lorsque le demandeur le sollicite, si des méthodes reproductibles sont disponibles.]1