Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
31 MEI 2007. - Ministerieel besluit tot uitvoering van artikel 82 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact en tot vaststelling van de globale projecten in de sectoren die onder de bevoegdheid van de federale overheid vallen. (NOTA : Opgeheven voor de Duitstalige Gemeenschap bij DDG2016-04-25/10, art. 71, 13°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 22-06-2007 en tekstbijwerking tot 14-06-2016)
Titre
31 MAI 2007. - ArrĂȘtĂ© ministĂ©riel exĂ©cutant l'article 82 de la loi du 23 dĂ©cembre 2005 relative au pacte de solidaritĂ© entre les gĂ©nĂ©rations et dĂ©terminant les projets globaux dans les secteurs relevant de la compĂ©tence de l'autoritĂ© fĂ©dĂ©rale. (NOTE : AbrogĂ© pour la communautĂ© germanophone par DCG2016-04-25/10, art. 71, 13°, 002; En vigueur : 01-01-2016)(NOTE : Consultation des versions antĂ©rieures Ă  partir du 22-06-2007 et mise Ă  jour au 14-06-2016)
Documentinformatie
Numac: 2007022905
Datum: 2007-05-31
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2007022905
Date: 2007-05-31
Moniteur: Voir
Tekst (10)
Texte (10)
Artikel 1. De enveloppe bedoeld in artikel 80 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact en bestemd voor de federale sectoren, wordt als volgt verdeeld onder de hierna vermelde projecten :
  1° Veiligheid in de ziekenhuizen : 503 voltijds equivalente arbeidsplaatsen (V.T.E.);
  2° Aanvulling bestemd voor de openbare ziekenhuizen in het kader van de problematiek van de geïnterneerde gedetineerden : 17 V.T.E. arbeidsplaatsen;
  3° Kinderverzorgsters in de pediatrische diensten : 53 V.T.E. arbeidsplaatsen;
  4° Thuisverpleging - privé-sector : 150 V.T.E. arbeidsplaatsen;
  5° Problematiek van het vervoer naar en van de instellingen van de federale gezondheidssector : 134 V.T.E. arbeidsplaatsen;
Article 1. L'enveloppe visée à l'article 80 de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations et destinée aux secteurs fédéraux est répartie comme suit entre les projets repris ci-aprÚs :
  1° Sécurité dans les hÎpitaux : 503 emplois équivalents temps plein (E.T.P.);
  2° Complément destiné aux hÎpitaux publics dans le cadre de la problématique des internés détenus : 17 emplois E.T.P.;
  3° Puéricultrices dans les services pédiatriques : 53 emplois E.T.P.;
  4° Soins infirmiers à domicile - secteur privé : 150 emplois E.T.P.;
  5° Problématique du transport de et vers des institutions du secteur fédéral de la santé : 134 emplois E.T.P.
Art. 2. De arbeidsplaatsen bedoeld in artikel 1, 1° worden verdeeld op basis van de volgende criteria :
  1° Voor wat de algemene ziekenhuizen betreft, worden er 0,5 V.T.E. arbeidsplaatsen per 100 bedden gegarandeerd waarbij een minimum van 1,5 V.T.E. wordt gegarandeerd voor elk ziekenhuis en waarbij het aantal V.T.E. arbeidplaatsen wordt begrensd tot 6 per ziekenhuis;
  Voor wat de psychiatrische ziekenhuizen met minstens 50 bedden betreft, worden er 0,5 V.T.E. arbeidsplaatsen per 50 bedden gegarandeerd waarbij een minimum van 1 V.T.E. wordt gegarandeerd voor elk ziekenhuis met minstens 100 bedden en waarbij het aantal V.T.E. arbeidplaatsen wordt begrensd tot 6 per psychiatrisch ziekenhuis;
  2° de algemene en psychiatrische ziekenhuizen die in de grote steden gelegen zijn, ontvangen 2 bijkomende V.T.E. arbeidsplaatsen.
  De arbeidsplaatsen zijn arbeidsplaatsen die bedoeld zijn voor de uitoefening van een activiteit bedoeld bij de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid.
  De Minister van Sociale Zaken of de ambtenaar die hij aanwijst, wordt belast met het meedelen aan elke werkgever van het aantal in het kader van dit artikel toegewezen arbeidsplaatsen.
Art. 2. Les emplois visés à l'article 1er, 1° sont répartis sur base des critÚres suivants :
  1° En ce qui concerne les hÎpitaux généraux d'au moins 100 lits : 0,5 emploi E.T.P. par 100 lits en garantissant un minimum de 1,5 E.T.P. à chaque hÎpital et en plafonnant le nombre d'emplois à 6 E.T.P. par hÎpital;
  En ce qui concerne les hÎpitaux psychiatriques d'au moins 50 lits : 0,5 emploi E.T.P. par 50 lits psychiatriques en garantissant un minimum de 1 E.T.P. à chaque hÎpital d'au moins 50 lits et un minimum de 1,5 E.T.P. à chaque hÎpital d'au moins 100 lits psychiatriques et en plafonnant le nombre d'emplois à 6 E.T.P. par hÎpital psychiatrique;
  2° les hÎpitaux généraux et les hÎpitaux psychiatriques situés dans les grandes villes reçoivent un complément de 2 emplois E.T.P.
  Les emplois sont des emplois en vue d'exercer une activité visée par la loi du 10 avril 1990 réglementant la sécurité privée et particuliÚre.
  Le Ministre des Affaires Sociales ou le fonctionnaire qu'il désigne est chargé de notifier à chaque employeur le nombre d'emplois attribués dans le cadre du présent article.
Art. 3. De arbeidsplaatsen bedoeld in artikel 1, 2° worden toegekend aan de ziekenhuizen van de openbare sector die in onderlinge overeenstemming zijn aangewezen door de Minister van Sociale Zaken en de Minister van Justitie.
  De arbeidsplaatsen zijn arbeidsplaatsen die bedoeld zijn voor de uitoefening van een activiteit bedoeld bij de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid.
Art. 3. Les emplois visés à l'article 1er, 2° seront attribués à des hÎpitaux du secteur public désignés de commun accord entre le Ministre des Affaires Sociales et le Ministre de la Justice.
  Les emplois sont des emplois en vue d'exercer une activité visée par la loi du 10 avril 1990 réglementant la sécurité privée et particuliÚre.
Art. 4. De arbeidsplaatsen bedoeld in artikel 1, 3° worden aan de pediatrische diensten toegekend op basis van de volgende criteria :
  1° voor de pediatrische diensten met maximum 30 erkende bedden : 0,5 V.T.E. arbeidsplaatsen;
  2° voor de pediatrische diensten met minstens 31 en maximum 45 erkende bedden : 0,75 V.T.E. arbeidsplaatsen;
  3° voor de pediatrische diensten met minstens 46 erkende bedden : 1 V.T.E. arbeidsplaats per 30 erkende bedden.
  Het aantal arbeidsplaatsen toegekend aan een pediatrische dienst met toepassing van het eerste lid van dit artikel wordt verminderd met het aantal arbeidsplaatsen waarop de pediatrische dienst aanspraak kan maken met toepassing van het koninklijk besluit van 10 november 2006 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2000 tot uitvoering van de artikelen 26, 27, eerste lid, 2°, 30, 39, § 1, en § 4, tweede lid, 40, tweede lid, 40bis, tweede lid, 41, 43, tweede lid, en 47, § 1, vijfde lid, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid.
  De Minister van Sociale Zaken of de ambtenaar die hij aanwijst, wordt belast met het meedelen aan elke werkgever van het aantal in het kader van dit artikel toegewezen arbeidsplaatsen, rekening houdend met de arbeidsplaatsen die in mindering moeten worden gebracht met toepassing van het voornoemde koninklijk besluit van 10 november 2006.
Art. 4. Les emplois visés à l'article 1er, 3° sont attribués aux services pédiatriques sur base des critÚres suivants :
  1° pour les services pédiatriques comptant au maximum 30 lits agréés : 0,5 emploi E.T.P.;
  2° pour les services pédiatriques comptant au moins 31 lits agréés et au maximum 45 : 0,75 emploi E.T.P;
  3° pour les services pédiatriques comptant au moins 46 lits agréés : 1 emploi E.T.P. par 30 lits agréés.
  Le nombre d'emplois attribuĂ©s Ă  un service pĂ©diatrique en application de l'alinĂ©a 1er du prĂ©sent article est diminuĂ© du nombre d'emplois auquel le service pĂ©diatrique peut prĂ©tendre en application de l'arrĂȘtĂ© royal du 10 novembre 2006 modifiant l'arrĂȘtĂ© royal du 30 mars 2000 d'exĂ©cution des articles 26, 27, alinĂ©a 1er, 2°, 30, 39, § 1er, et § 4, alinĂ©a 2, 40, alinĂ©a 2, 40bis, alinĂ©a 2, 41, 43, alinĂ©a 2, et 47, § 1er, alinĂ©a 5, de la loi du 24 dĂ©cembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi.
  Le Ministre des Affaires Sociales ou le fonctionnaire qu'il dĂ©signe est chargĂ© de notifier Ă  chaque employeur le nombre d'emplois attribuĂ©s dans le cadre du prĂ©sent article en tenant compte des emplois Ă  porter en dĂ©duction en application de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 10 novembre 2006.
Art. 5. De arbeidsplaatsen bedoeld in artikel 1, 4°, worden verdeeld onder de thuisverzorgingsdiensten die binnen het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, in functie van het Gewest waartoe ze behoren.
  Negentig arbeidsplaatsen worden toegekend aan de diensten gelegen in het Vlaamse Gewest.
  Eenenvijftig arbeidsplaatsen worden toegekend aan de diensten gelegen in het Waalse Gewest.
  Negen arbeidsplaatsen worden toegekend aan de diensten gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  De jongeren die in het kader van deze maatregel in dienst worden genomen, zullen inzonderheid worden ingeschakeld voor activiteiten die de veiligheid van de personen thuis en van het verplegend personeel verhogen en voor activiteiten als chauffeur.
  De concrete bestemming moet het voorwerp uitmaken van een voorstel van de representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties van de sector die zetelen in het paritair comité.
  Wanneer er ten laatste op 30 juni 2007 geen een voorstel zoals bedoeld in het zesde lid van dit artikel is overgemaakt aan de Minister van Sociale Zaken en aan de Minister van Werk, worden de arbeidsplaatsen toegekend op basis van individuele projecten ingediend overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 27 april 2007 houdende de algemene uitvoeringsbepalingen van de maatregelen ten gunste van de tewerkstelling van jongeren in de non-profitsector die voortvloeit uit de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact.
  De voorstellen bedoeld in het vijfde en zesde lid moeten de bij dit artikel vastgestelde verdeling onder de gewesten naleven.
Art. 5. Les emplois visés à l'article 1er, 4°, sont répartis entre les services de soins infirmiers à domicile tombant sous le champ d'application de la loi du 5 décembre 1968 relative aux conventions collectives de travail et aux commissions paritaires en fonction de la Région à laquelle ils appartiennent.
  Nonante emplois sont attribués aux services situés en Région Flamande.
  Cinquante et un emplois sont attribués aux services situés en Région Wallonne.
  Neuf emplois sont attribués aux services situés dans la Région de Bruxelles - Capitale.
  Les jeunes engagés dans le cadre de cette mesure seront affectés notamment à des activités augmentant la sécurité des personnes à domicile et du personnel infirmier et à des activités de chauffeurs.
  L'affectation concrÚte doit faire l'objet d'une proposition émise par les organisations représentatives des employeurs et des travailleurs du secteur qui siÚgent au sein de la commission paritaire.
  A dĂ©faut de proposition visĂ©e Ă  l'alinĂ©a 6 du prĂ©sent article transmise au Ministre des Affaires sociales et au Ministre de l'Emploi au plus tard le 30 juin 2007, les emplois seront attribuĂ©s sur base de projets individuels introduits conformĂ©ment aux dispositions de l'arrĂȘtĂ© royal du 27 avril 2007 portant les dispositions gĂ©nĂ©rales d'exĂ©cution des mesures en faveur de l'emploi des jeunes dans le secteur non marchand rĂ©sultant de la loi du 23 dĂ©cembre 2005 relative au pacte de solidaritĂ© entre les gĂ©nĂ©rations.
  Les propositions visées aux alinéas 5 et 6 doivent respecter la répartition régionale fixée par le présent article.
Art. 6. De arbeidsplaatsen bedoeld in artikel 1, 5° worden verdeeld in 80,25 V.T.E. arbeidsplaatsen voor de werkgevers die binnen het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités en 53,75 arbeidsplaatsen voor de werkgevers die binnen het toepassingsgebied vallen van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.
  De betrokken werkgevers zijn Centra voor dagverzorging.
  De Centra voor dagverzorging die gebruik wensen te maken van arbeidsplaatsen in dit kader, moeten een project indienen met het oog op het minstens gedeeltelijk oplossen van het probleem van de toegankelijkheid van sommige instellingen van de federale gezondheidssector en meer in het bijzonder het vervoer naar en van de centra voor dagverzorging, de dialysecentra, de centra voor oncologie en het vervoer tussen de verschillende sites wat de ziekenhuizen betreft. Het project moet verplicht betrekking hebben op minstens één centrum voor dagverzorging en één of meerdere dialysecentra, centra voor oncologie of ziekenhuizen.
  Het project wordt ingediend bij de Minister van Sociale Zaken en de Minister van Werk. Het moet verplicht betrekking hebben op laaggeschoolde of zeer laaggeschoolde jongeren die nog geen rijbewijs hebben van categorie B, categorie D1 of categorie D. Wanneer de jongere reeds over een rijbewijs van categorie B beschikt, moet het "opleidingsluik" tot doel hebben een rijbewijs te behalen van categorie D1 of categorie D. Wanneer de jongere reeds houder is van een rijbewijs van categorie D1, moet het "opleidingsluik" tot doel hebben een rijbewijs te behalen van een hogere categorie.
  Bij het project dat wordt ingediend bij de Minister van Sociale Zaken en de Minister van Werk moet, naargelang het geval, het advies gevoegd worden van de Ondernemingsraad of van het bevoegde Overlegcomité voor het centrum voor dagverzorging.
Art. 6. Les emplois visés à l'article 1er, 5° sont répartis à raison de 80,25 emplois E.T.P. pour des employeurs ressortissant du champ de compétence de la loi du 5 décembre 1968 relative aux conventions collectives de travail et aux commissions paritaires et de 53,75 emplois pour des employeurs relevant du champ d'application de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités.
  Les employeurs concernés sont des Centres de soins de jour.
  Le Centre de soins de jour qui souhaite bénéficier d'emplois dans ce cadre doit introduire un projet visant à résoudre au moins partiellement le problÚme de l'accessibilité de certaines institutions du secteur fédéral de la santé et plus particuliÚrement le transport de et vers les centres de soins de jour, les centres de dialyse, les centres d'oncologie ainsi que le transport intersites au niveau des hÎpitaux. Le projet doit obligatoirement concerner au moins un centre de soins de jour et un ou plusieurs centres de dialyse, centres d'oncologie ou hÎpitaux.
  Le projet est introduit auprÚs du Ministre des Affaires sociales et du Ministre de l'Emploi. Il doit obligatoirement concerner des jeunes peu qualifiés ou trÚs peu qualifiés ne disposant pas encore du permis de conduire de catégorie B ou de catégorie D1 ou de catégorie D. Si le jeune dispose déjà du permis de catégorie B, le volet " formation " doit viser l'acquisition d'un permis de catégorie D1 ou de catégorie D. Si le jeune est déjà titulaire d'un permis de catégorie D1, le volet " formation " doit viser l'acquisition d'un permis d'une catégorie supérieure.
  Au projet introduit auprĂšs du Ministre des Affaires sociales et du Ministre de l'Emploi, doit ĂȘtre joint l'avis, suivant le cas, du Conseil d'entreprise ou du ComitĂ© de concertation compĂ©tent pour le centre de soins de jours.
Art. 7. § 1. De werkgevers bedoeld in artikelen 2, 3 en 4 beschikken over een termijn van 30 dagen, die ingaat op de derde werkdag die volgt op het versturen van de kennisgeving van het aantal in het kader van dit besluit toegekende arbeidsplaatsen, om aan de Minister van Sociale Zaken of aan de door de Minister aangewezen ambtenaar mee te delen of ze alle of een deel van de voorgestelde arbeidsplaatsen aanvaarden of weigeren.
  De werkgever die niet binnen de in het vorige lid vastgestelde termijn reageert, wordt geacht afstand te doen van de toegekende arbeidsplaatsen.
  § 2. Wanneer de werkgever meent dat hij voor alle of een deel van de toegekende arbeidsplaatsen artikel 9 van het voornoemde koninklijk besluit van 27 april 2007 kan inroepen, moet hij de Minister van Sociale Zaken of de door de Minister aangewezen ambtenaar hiervan op de hoogte brengen binnen de in paragraaf 1 van dit artikel vastgestelde termijn.
  Deze werkgever beschikt over een bijkomende termijn van 30 dagen om een dossier in te dienen om een andere bestemming te vragen voor alle of een deel van de toegekende arbeidsplaatsen.
  § 3. Dienen door de werkgever op de hoogte gebracht te worden van het ontvangen voorstel en van zijn antwoord :
  1°. Wanneer hij binnen het toepassingsgebied valt van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités : de Ondernemingsraad van zijn instelling of, bij gebrek aan een dergelijke Raad, de vakbondsafvaardiging of, bij gebrek aan een Ondernemingsraad en een vakbondsafvaardiging, de Voorzitter van het Paritair Comité waaronder hij ressorteert;
  2°. Wanneer hij binnen het toepassingsgebied valt van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel : het overlegcomité dat bevoegd is voor zijn instelling.
Art. 7. § 1er. Les employeurs visĂ©s aux articles 2, 3 et 4 disposent d'un dĂ©lai de 30 jours commençant Ă  courir le troisiĂšme jour ouvrable suivant l'envoi de la notification du nombre d'emplois attribuĂ©s dans le cadre du prĂ©sent arrĂȘtĂ© pour communiquer au Ministre des Affaires sociales ou au fonctionnaire que le Ministre a dĂ©signĂ© leur acceptation ou refus de tout ou partie des emplois proposĂ©s.
  L'employeur qui ne réagit pas dans le délai fixé à l'alinéa précédent est censé renoncer aux emplois attribués.
  § 2. Si l'employeur estime pouvoir invoquer l'article 9 de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 27 avril 2007 pour tout ou partie des emplois attribuĂ©s, il doit en informer le Ministre des Affaires Sociales ou le fonctionnaire que le Ministre a dĂ©signĂ© dans le dĂ©lai fixĂ© au paragraphe 1er de cet article.
  Cet employeur dispose d'un délai supplémentaire de 30 jours pour introduire un dossier de demande d'une autre affectation en ce qui concerne tout ou partie des emplois attribués.
  § 3. L'employeur est tenu d'informer de la proposition reçue et de sa réponse :
  1° S'il relÚve du champ d'application de la loi du 5 décembre 1968 relative aux conventions collectives de travail et aux commissions paritaires : le Conseil d'Entreprise de son institution ou, à défaut d'un tel Conseil, la délégation syndicale ou, à défaut de Conseil d'entreprise et de délégation syndicale, le Président de la Commission paritaire dont il ressort;
  2° S'il relÚve du champ d'application de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités : le comité de concertation compétent pour son institution.
Art. 8. § 1. Binnen de 15 dagen die volgen op het verstrijken van de termijn vastgesteld bij artikel 7, §§ 1 en 2, deelt de door de Minister van Sociale Zaken aangewezen ambtenaar aan de Minister van Sociale Zaken en aan de Minister van Werk het volgende mee, en dat per project bedoeld in artikelen 2 tot 4 :
  1° De lijst van de instellingen die alle toegekende arbeidsplaatsen hebben aanvaard en het totale aantal desbetreffende arbeidsplaatsen;
  2° De lijst van de instellingen die alle of een deel van de toegekende arbeidsplaatsen hebben geweigerd en het aantal arbeidsplaatsen dat door deze instellingen is aanvaard en geweigerd;
  3° De lijst van de instellingen die vragen om de toepassing van artikel 9 van het voornoemd koninklijk besluit van 27 april 2007, met per instelling vermelding van het aantal aanvaarde arbeidsplaatsen, het aantal arbeidsplaatsen waarop de vraag om de toepassing van artikel 9 van het bovenbedoelde koninklijk besluit betrekking heeft en de uiterste datum voor de indiening van het dossier om de bestemming voor een ander project te vragen;
  4° Het totale aantal arbeidsplaatsen dat vrijgekomen is ten gevolge van de meegedeelde weigeringen.
  De in het vorige lid bedoelde informatie onderscheidt de werkgevers die binnen het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités en de werkgevers die binnen het toepassingsgebied vallen van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.
  § 2. Bovendien deelt de door de Minister van Sociale Zaken aangewezen ambtenaar het volgende mee aan het Globaal beheer van de sociale zekerheid voor werknemers :
  1° De lijst van de werkgevers die alle of een deel van de arbeidsplaatsen toegekend in het kader van artikelen 2, 3 en 4 hebben aanvaard.
  2° Per instelling het aantal aanvaarde arbeidsplaatsen.
  § 3. Op basis van de met toepassing van § 1 van dit artikel bezorge informatie, delen de Minister van Sociale Zaken en de Minister van Werk aan de Voorzitter van het bevoegde Paritair Comité enerzijds en aan de representatieve werknemersorganisaties die zetelen in het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten anderzijds, het aantal geweigerde arbeidsplaatsen per projecttype mee, waarbij de arbeidsplaatsen worden onderscheiden naargelang ze vallen onder de ene of de andere voornoemde instelling.
  De Ministers delen tegelijkertijd hun beslissing mee met betrekking tot het feit of alle of een deel van de vrijgekomen arbeidsplaatsen ter beschikking gesteld worden :
  1° van andere werkgevers in het kader van hetzelfde project;
  2° of van individuele projecten in de zin van artikel 82, § 2, eerste lid, 2°, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact.
  Wat de arbeidsplaatsen betreft die ter beschikking worden gesteld van andere werkgevers in het kader van hetzelfde project of van andere projecten bedoeld in artikel 1 van dit besluit en voor zover er geen Beheerscomité zoals bedoeld in artikelen 6 en 7 van het voornoemde koninklijk besluit van 27 april 2007 de bevoegdheid heeft gekregen om de enveloppe te beheren die ter beschikking wordt gesteld van de sectoren die onder de bevoegdheid van de federale overheid vallen, stelt de door de Minister van Sociale Zaken aangewezen ambtenaar aan de werkgevers die de toegewezen arbeidsplaatsen hebben aanvaard voor om een groter aantal arbeidsplaatsen te vragen in het met toepassing van het vorige lid door de Ministers vastgestelde kader.
Art. 8. § 1er. Dans les 15 jours suivant l'expiration du délai déterminé par l'article 7, §§ 1er et 2, le fonctionnaire désigné par le Ministre des Affaires Sociales communique au Ministre des Affaires Sociales et au Ministre de l'Emploi et ce, par projet visé aux articles 2 à 4 :
  1° La liste des institutions qui ont accepté la totalité des emplois attribués et le total des emplois y relatifs;
  2° La liste des institutions qui ont refusé tout ou partie des emplois attribués ainsi que le nombre d'emplois acceptés par ces institutions et le nombre d'emplois refusés;
  3° La liste des institutions qui demandent l'application de l'article 9 de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 27 avril 2007 en prĂ©cisant par institution le nombre d'emplois acceptĂ©s, le nombre d'emplois concernĂ©s par la demande d'application de l'article 9 de l'arrĂȘtĂ© royal susvisĂ© et la date limite d'introduction du dossier de demande d'affectation Ă  un autre projet;
  4° Le nombre total d'emplois devenus disponibles du fait des refus notifiés.
  Les informations visées à l'alinéa précédent distinguent les employeurs qui relÚvent du champ d'application de la loi du 5 décembre 1968 relative aux conventions collectives de travail et aux commissions paritaires et les employeurs qui relÚvent du champ d'application de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités.
  § 2. En outre, le fonctionnaire désigné par le Ministre des Affaires Sociales communique à la Gestion globale de la sécurité sociale des travailleurs salariés :
  1° La liste des employeurs qui ont accepté tout ou partie des emplois attribués dans le cadre des articles 2, 3 et 4.
  2° Par institution, le nombre d'emplois acceptés.
  § 3. Sur base des informations fournies en application du § 1er de cet article, le Ministre des Affaires sociales et le Ministre de l'Emploi communiquent d'une part au Président de la Commission paritaire compétente et d'autre part aux organisations représentatives des travailleurs siégeant au sein du comité commun à l'ensemble des services publics le nombre d'emplois refusés par type de projet et en distinguant les emplois selon qu'il relÚve de l'une ou l'autre des instances précitées.
  Les Ministres communiquent en mĂȘme temps leur dĂ©cision quant au fait que les emplois devenus disponibles sont mis Ă  disposition en tout ou partie :
  1° soit d'autres employeurs dans le cadre du mĂȘme projet;
  2° soit de projets individuels au sens de l'article 82, § 2, alinéa 1er, 2°, de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations.
  En ce qui concerne les emplois mis Ă  disposition soit d'autres employeurs dans le cadre du mĂȘme projet soit d'autres projets visĂ©s Ă  l'article 1er du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et pour autant qu'un ComitĂ© de gestion visĂ© aux articles 6 et 7 de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 27 avril 2007 ne se soit pas vu attribuer la compĂ©tence de gĂ©rer l'enveloppe mise Ă  disposition des secteurs relevant de la compĂ©tence de l'autoritĂ© fĂ©dĂ©rale, le fonctionnaire dĂ©signĂ© par le Ministre des Affaires sociales propose aux employeurs qui ont acceptĂ© les emplois attribuĂ©s de solliciter un nombre d'emplois plus Ă©levĂ© dans le cadre dĂ©fini par les Ministres en application de l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent.
Art. 9. In geval van stopzetting van één van de projecten bedoeld in artikel 1, deelt de Minister van Sociale Zaken of de door de Minister aangewezen ambtenaar die mee aan het globaal beheer van de Sociale zekerheid en aan de instellingen die toegekende arbeidsplaatsen hebben aanvaard en ingevuld. Vanaf deze kennisgeving kunnen openkomende plaatsen in het project niet opnieuw worden ingevuld. De lopende tewerkstellingen kunnen nog verder worden gefinancierd voor een periode van maximaal zes maanden.
Art. 9. En cas d'arrĂȘt de l'un des projets visĂ©s Ă  l'article 1er, le Ministre des Affaires sociales ou le fonctionnaire dĂ©signĂ© par le Ministre le communique Ă  la Gestion globale de la SĂ©curitĂ© sociale et aux Ă©tablissements qui ont acceptĂ© et rempli ces postes de travail attribuĂ©s. DĂšs cette notification, des places qui vont s'ouvrir dans le projet ne peuvent pas de nouveau ĂȘtre remplies. Les emplois en cours peuvent encore ĂȘtre financĂ©s pour une pĂ©riode de six pois maximum.
Art. 10. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2007.
Art. 10. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© sort ses effets au 1er janvier 2007.