Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
27 APRIL 2007. - Koninklijk besluit houdende de algemene uitvoeringsbepalingen van de maatregelen ten gunste van de tewerkstelling van jongeren in social profitsector voortspruitend uit de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact. (NOTA : opgeheven voor het Brussels Gewest bij BESL2017-09-14/04, art. 35,2°, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2017)(NOTA : Opgeheven voor de Duitstalige Gemeenschap bij DDG2016-04-25/10, art. 71, 11°, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2016) (NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij BWG2021-12-16/14, art. 72, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2022) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 12-06-2007 en tekstbijwerking tot 31-12-2021)
Titre
27 AVRIL 2007. - ArrĂȘtĂ© royal portant les dispositions gĂ©nĂ©rales d'exĂ©cution des mesures en faveur de l'emploi des jeunes dans le secteur non marchand rĂ©sultant de la loi du 23 dĂ©cembre 2005 relative au pacte de solidaritĂ© entre les gĂ©nĂ©rations. (NOTE : abrogĂ© pour la RĂ©gion bruxelloise par ARR2017-09-14/04, art. 35,2°, 006; En vigueur : 01-10-2017) (NOTE : AbrogĂ© pour la communautĂ© germanophone par DCG2016-04-25/10, art. 71, 10°, 004; En vigueur : 01-01-2016) (NOTE : abrogĂ© pour la RĂ©gion wallonne par ARW2021-12-16/14, art. 72, 007; En vigueur : 01-01-2022) (NOTE : Consultation des versions antĂ©rieures Ă  partir du 12-06-2007 et mise Ă  jour au 31-12-2021)
Documentinformatie
Numac: 2007022686
Datum: 2007-04-27
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2007022686
Date: 2007-04-27
Moniteur: Voir
Tekst (30)
Texte (30)
HOOFDSTUK 1. - Begripsomschrijvingen en algemene bepalingen.
CHAPITRE 1er. - Définitions et dispositions générales.
Artikel 1. Voor de toepassing van de bepalingen van de wet 23 december 2005 betreffende het generatiepact met betrekking tot de tewerkstelling van jongeren in de social profitsector, wordt verstaan onder :
  1° "laaggeschoolde jongere" : de persoon die de leeftijd van 30 jaar niet bereikt heeft, die niet meer aan de leerplicht onderworpen is en die maximaal houder is van een diploma of getuigschrift van het hoger secundair onderwijs.
  Voor de toepassing van dit besluit wordt gelijkgesteld aan de laaggeschoolde jongere de houder van een diploma, getuigschrift of certificaat kinderverzorg/begeleider in de kinderopvang;
  2° "loonkosten" : het brutoloon van de werknemer verhoogd met de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid. Het brutoloon omvat het loon alsook alle vergoedingen en voordelen die aan de werknemer verschuldigd zijn door of krachtens de wettelijke of reglementaire bepalingen alsook deze verschuldigd krachtens collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten binnen het paritair orgaan waaronder de werkgever ressorteert.
Article 1. Pour l'application des dispositions de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations relatives à l'emploi des jeunes dans le secteur non marchand, il faut entendre par :
  1° " jeune peu qualifié " : la personne qui n'a pas atteint l'ùge de 30 ans, n'est plus soumise à l'obligation scolaire et qui est titulaire au maximum d'un diplÎme ou brevet de l'enseignement secondaire supérieur.
  Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, est assimilĂ© au jeune peu qualifiĂ© le titulaire d'un brevet de puĂ©riculture;
  2° " coût salarial " : la rémunération brute du travailleur, majorée des cotisations patronales de sécurité sociale. La rémunération brute comprend la rémunération ainsi que l'ensemble des indemnités et avantages dus au travailleur par ou en vertu de dispositions légales ou réglementaires ainsi que les indemnités et avantages dus en vertu de conventions collectives de travail conclues au sein de l'organe paritaire dont relÚve l'employeur.
Art. 2. Het maximumbedrag van de tegemoetkoming toegekend aan de werkgever aan wie arbeidsplaatsen werden toegekend in het kader van de maatregelen ten gunste van de tewerkstelling van jongeren in de social profitsector, wordt op 35.000 EUR per jaar en per voltijdse equivalent bepaald.
  De loonkosten worden bovendien beperkt tot de effectieve bezoldigde prestaties en de ermee gelijkgestelde prestaties.
Art. 2. Le montant maximum de l'intervention accordée à l'employeur bénéficiaire d'emplois attribués dans le cadre des mesures en faveur de l'emploi des jeunes dans le secteur non marchand est fixé à 35.000 EUR par an et par équivalent temps plein.
  Le coût salarial est par ailleurs limité aux prestations rémunérées effectives et assimilées.
Art. 3. De tegemoetkoming toegekend aan de werkgever voor de tewerkstelling van een jongere in het kader van de maatregelen die steunen op dit besluit, neemt een einde op de laatste dag van het kwartaal in de loop waarvan de werknemer de leeftijd van 30 jaar bereikt.
Art. 3. L'intervention accordĂ©e Ă  l'employeur pour l'occupation d'un jeune dans le cadre des mesures rĂ©gies par le prĂ©sent arrĂȘtĂ© prend fin le dernier jour du trimestre au cours duquel le travailleur atteint l'Ăąge de 30 ans.
Art.3_WAALS_GEWEST.
   De tegemoetkoming toegekend aan de werkgever voor de tewerkstelling van een jongere in het kader van de maatregelen die steunen op dit besluit, neemt een einde op de laatste dag [1 van het semester in de loop waarvan]1 de werknemer de leeftijd van 30 jaar bereikt.
  
Art.3_REGION_WALLONNE.
   L'intervention accordĂ©e Ă  l'employeur pour l'occupation d'un jeune dans le cadre des mesures rĂ©gies par le prĂ©sent arrĂȘtĂ© prend fin le dernier jour [1 du semestre au cours duquel]1 le travailleur atteint l'Ăąge de 30 ans.
  
Art. 4. § 1. De arbeidsplaatsen toegekend aan een werkgever in uitvoering van de bepalingen van artikelen 79 tot 87 van de voornoemde wet van 23 december 2005 moeten resulteren in de creatie van netto supplementaire arbeidsplaatsen.
  Deze verplichting wordt gecontroleerd ten opzichte van het tewerkstellingsvolume bij de werkgever voor het jaar 2006, berekend overeenkomstig de bepalingen van § 2 van dit artikel, naargelang het geval verhoogd of verminderd met :
  1° De arbeidsplaatsen toegekend met toepassing van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector vergeleken met die toegekend voor 1 januari 2007;
  2° Een wijziging van de subsidies toegekend door de bevoegde overheid inzake personeel.
  § 2. Het tewerkstellingsvolume wordt bepaald overeenkomstig de modaliteiten vastgesteld bij het voornoemde koninklijk besluit van 18 juli 2002.
Art. 4. § 1er. Les emplois attribués à un employeur en exécution des dispositions des articles 79 à 87 de la loi du 23 décembre 2005 précitée doivent résulter en la création d'emplois supplémentaires nets.
  Cette obligation est vérifiée au regard du volume de l'emploi auprÚs de l'employeur pour l'année 2006 calculé conformément aux dispositions du § 2 de cet article augmenté ou diminué suivant le cas de :
  1° Les emplois attribuĂ©s en application de l'arrĂȘtĂ© royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant Ă  promouvoir l'emploi dans le secteur non-marchand par rapport Ă  ceux attribuĂ©s avant le 1er janvier 2007;
  2° D'une modification des subsides octroyés par l'autorité compétente en matiÚre de personnel.
  § 2. Le volume de l'emploi est dĂ©terminĂ© conformĂ©ment aux modalitĂ©s dĂ©finies par l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 18 juillet 2002.
Art. 5. § 1. De sociale partners moeten een opleidingsluik uitwerken ten gunste van de jongeren die in dienst worden genomen in het kader van de maatregelen voor de tewerkstelling van jongeren in de non-profit sector.
  § 2. De bepalingen van de vorige paragraaf vinden geen toepassing indien de jongere aangeworven wordt om een activiteit te verrichten bedoeld in de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid.
  § 3. [1 In de privé-sector wordt het in § 1 bedoelde opleidingsluik vastgelegd door het bevoegde sectorale fonds of de paritair samengestelde instantie voor wat betreft de deelentiteiten.
   In de overheidssector wordt het opleidingsluik uitgewerkt binnen het Fonds Sociale Maribel van de Overheidssector.]1

  Wanneer de arbeidsplaatsen toegekend worden in het kader van globale projecten, moeten de sociale partners het "opleidingsluik" uitwerken binnen een termijn van zes maanden die ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de beslissing tot toekenning van een bepaald aantal arbeidsplaatsen voor het concrete globale project.
  Voor de globale projecten waartoe beslist wordt in 2007, moet het "opleidingsluik", in afwijking van de bepalingen van het vorige lid, ten laatste tegen 31 december 2007 worden uitgewerkt.
  § 4. Wanneer een individuele werkgever een project indient bij de bevoegde instantie vastgesteld bij, naargelang het geval, artikel 82 of artikel 83, moet hij bij zijn project een voorstel voegen voor het opleidingsluik.
  In het advies dat het uitbrengt moet, naargelang het geval, het paritair comité of subcomité of het Algemeen Comité een voorstel formuleren voor het opleidingsluik.
  Wanneer het individuele project wordt goedgekeurd door de Ministerraad, wordt het in het vorige lid bedoelde voorstel voor het opleidingsluik beschouwd als goedgekeurd.
  § 5. Onder voorbehoud van de bepalingen van paragraaf 6 moet de opleiding voorzien bij het opleidingsluik voor de betrokken jongeren een aanvang nemen binnen een termijn van 6 maanden die ingaat op de dag van zijn indienstneming.
  § 6. Indien de jongere aangeworven is om een activiteit bedoeld in de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid te verrichten, moeten alle bepalingen van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten nagekomen zijn. Deze paragraaf is onder meer op het opleidingsluik toepasselijk.
  § 7. Ieder jaar moeten [1 de sectorale fondsen, de paritaire samengestelde instanties en het Fonds Sociale Maribel van de Overheidssector]1 die betrokken zijn bij de toekenning van arbeidsplaatsen in het kader van de maatregelen voor de tewerkstelling van jongeren in de non-profit sector tegen 30 september aan de Minister van Sociale Zaken en de Minister van Werk een rapport bezorgen met betrekking tot de uitvoering van het opleidingsluik voor het vorige kalenderjaar.
  Dit rapport moet per project minstens de volgende informatie bevatten :
  1° Een korte beschrijving van het geïmplementeerde opleidingsluik;
  2° Het aantal jongeren tewerkgesteld in het kader van het project en het aantal jongeren dat in dienst is genomen in de loop van het kalenderjaar waarop het rapport betrekking heeft;
  3° Het aantal jongeren dat de voorziene opleiding gevolgd heeft;
  4° De verantwoordingen die gegeven worden voor het feit dat het opleidingsluik niet door alle betrokken jongeren werd gevolgd tijdens het jaar in kwestie.
  
Art. 5. § 1er. En faveur des jeunes engagés dans le cadre des mesures en faveur de l'emploi des jeunes dans le secteur non-marchand, les partenaires sociaux doivent élaborer un volet de formation.
  § 2. Les dispositions du paragraphe précédent ne s'appliquent pas lorsque le jeune est engagé en vue d'exercer une activité visée par la loi du 10 avril 1990 réglementant la sécurité privée et particuliÚre.
  § 3. [1 Dans le secteur privé, le volet de formation visé au § 1er est défini par le fonds sectoriel compétent ou par l'instance composée paritairement en ce qui concerne les entités fédérées.
   Dans le secteur public, le volet de formation est élaboré au sein du Fonds Maribel social du secteur public.]1

  Lorsque les emplois sont attribués dans le cadre de projets globaux, les partenaires sociaux doivent élaborer le volet " formation " dans un délai de six mois prenant cours le 1er jour du mois qui suit la décision d'attribuer un certain nombre d'emplois au projet global concret.
  Pour les projets globaux dĂ©cidĂ©s en 2007, par dĂ©rogation aux dispositions de l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, le volet " formation " doit ĂȘtre Ă©laborĂ© pour le 31 dĂ©cembre 2007 au plus tard.
  § 4. Lorsqu'un employeur individuel introduit un projet auprÚs de l'instance compétente définie par, suivant le cas, l'article 82 ou l'article 83, il doit joindre à son projet une proposition de volet de formation.
  Dans l'avis qu'il émet, suivant le cas, la commission ou sous commission paritaire ou le Comité général doit formuler une proposition de volet de formation.
  Si le projet individuel est approuvé par le Conseil des Ministres, la proposition de volet de formation visée à l'alinéa précédent est considérée comme étant approuvée.
  § 5. Sous réserve des dispositions du paragraphe 6, la formation prévue par le volet de formation doit débuter pour le jeune concerné dans un délai de 6 mois prenant cours le jour de son engagement.
  § 6. Lorsque le jeune est engagĂ© en vue d'exercer une activitĂ© visĂ©e par la loi du 10 avril 1990 rĂ©glementant la sĂ©curitĂ© privĂ©e et particuliĂšre, toutes les dispositions de cette loi et de ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution doivent ĂȘtre respectĂ©es. Ce paragraphe s'applique entre autres au volet " formation ".
  § 7. Chaque année, pour le 30 septembre, [1 les fonds sectoriel, les instances composées paritairement et le Fonds Maribel social du secteur public]1 concernés par l'attribution d'emplois dans le cadre des mesures en faveur de l'emploi des jeunes dans le secteur non-marchand font parvenir au Ministre des Affaires Sociales et au Ministre de l'Emploi un rapport relatif à l'exécution du volet de formation et relatif à l'année civile précédente.
  Ce rapport doit, par projet, contenir au moins les informations suivantes :
  1° BrÚve description du volet de formation mis en oeuvre;
  2° Nombre de jeunes occupés dans le cadre du projet ainsi que le nombre de jeunes engagés au cours de l'année civile pour laquelle le rapport est fourni;
  3° Nombre de jeunes ayant suivi la formation prévue;
  4° Justifications invoquées quant au fait que le volet de formation n'a pas été suivi pendant l'année en cause par tous les jeunes concernés.
  
HOOFDSTUK 2. - Specifieke bepalingen betreffende de sectoren ressorterend onder de federale bevoegdheid.
CHAPITRE 2. - Dispositions spécifiques aux secteurs relevant de la compétence de l'Autorité fédérale.
Art. 6. [1 § 1. Dit artikel is van toepassing op de werkgevers die zijn aangesloten bij de paritaire comités of subcomités die bevoegd zijn voor de non-profit sectoren die ressorteren onder de federale bevoegdheid, met uitzondering van de globale projecten inzake veiligheid in de ziekenhuizen en inzake de kinderverzorgsters in de pediatrische diensten en de individuele projecten met betrekking tot de ziekenhuizen, in de zin van artikel 2 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987.
   § 2. De sectorale fondsen, bedoeld in artikel 35, § 5, C, 1°, eerste lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, die opgericht zijn binnen de paritaire comités of paritaire subcomités die onder de toepassing van dit artikel vallen, worden belast met de beoordeling van de aanvragen tot tussenkomst van de werkgevers.
   In het kader van de opdracht bedoeld in het vorige lid bepalen de sectorale fondsen welke informatie de werkgever hen moet bezorgen.
   De Minister van Sociale Zaken en de Minister van Werk kunnen eveneens de minimale inlichtingen bepalen die de werkgever aan de sectorale fondsen moet bezorgen.
   § 3. Indien de sectorale fondsen hun akkoord hebben verleend aan de door de werkgevers gevraagde tussenkomsten en na mededeling van een kopij van het arbeidscontract, stort het Globaal beheer van de sociale zekerheid voor werknemers de voorschotten en het eindbedrag op de rekening van de bedoelde werkgevers.
   Het Globaal beheer zal per kwartaal als voorschot 80 % van de toegekende loonkost uitbetalen aan de werkgevers. In het eerste kwartaal volgend op het jaar waarin de voorschotten werden uitbetaald, wordt de eindafrekening gemaakt en het verschil gestort of teruggevorderd.]1

  
Art. 6. [1 § 1er. Le présent article est applicable aux employeurs affiliés aux commissions et sous-commissions paritaires compétentes pour les secteurs non marchands qui relÚvent de l'autorité fédérale, à l'exception des projets globaux en matiÚre de sécurité dans les hÎpitaux et en matiÚre de puéricultrices dans les services pédiatriques et des projets individuels concernant les hÎpitaux, au sens de l'article 2 de la loi sur les hÎpitaux, coordonnée le 7 août 1987.
   § 2. Les fonds sectoriels, visés à l'article 35, § 5, C, 1°, alinéa 1er, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, créés au sein des commissions paritaires ou sous-commissions paritaires auxquelles le présent article est applicable, sont chargés de l'examen des demandes d'intervention des employeurs.
   Dans le cadre de la mission visée à l'alinéa précédent, les fonds sectoriels déterminent les informations à fournir par l'employeur.
   Le Ministre des Affaires sociales et le Ministre de l'Emploi peuvent également déterminer les informations minimales que l'employeur doit fournir aux fonds sectoriels.
   § 3. Si les fonds sectoriels ont accepté les interventions demandées par les employeurs et aprÚs transmission d'une copie du contrat de travail, la Gestion globale de la sécurité sociale des travailleurs salariés verse les avances et le montant du rÚglement final au compte des employeurs concernés.
   La Gestion globale paiera par trimestre comme avance 80 % des frais salariaux octroyés aux employeurs. Au cours du premier trimestre suivant l'année pendant laquelle les avances ont été payées, le décompte final est établi et la différence est versée ou récupérée.]1

  
Art. 7. [1 § 1. Dit artikel is van toepassing op de werkgevers van de overheidssector in de non-profit sectoren die ressorteren onder de federale bevoegdheid, met uitzondering van de globale projecten inzake veiligheid in de ziekenhuizen, inzake de aanvulling bestemd voor de openbare ziekenhuizen in het kader van de problematiek van de geïnterneerde gedetineerden en inzake de kinderverzorgsters in de pediatrische diensten en de individuele projecten met betrekking tot de ziekenhuizen, in de zin van artikel 2 van de voornoemde wet van 7 augustus 1987.
   § 2. Het Fonds Sociale Maribel van de Overheidssector, bedoeld in artikel 35, § 5, C, 2°, a), eerste lid, van de voornoemde wet van 29 juni 1981, wordt belast met de beoordeling van de aanvragen tot tussenkomst van de werkgevers.
   In het kader van de opdracht bedoeld in het vorige lid bepaalt het Fonds welke informatie de werkgever hen moet bezorgen.
   De Minister van Sociale Zaken en de Minster van Werk kunnen eveneens de minimale inlichtingen bepalen die de werkgever aan het Fonds moet bezorgen.
   § 3. Indien het Fonds Sociale Maribel van de Overheidssector zijn akkoord heeft verleend aan de door de werkgevers gevraagde tussenkomsten en na mededeling van een kopij van het arbeidscontract, stort het Globaal beheer van de sociale zekerheid voor werknemers de voorschotten en het eindbedrag op de rekening van de bedoelde werkgevers.
   Het Globaal beheer zal per kwartaal als voorschot 80 % van de toegekende loonkost uitbetalen aan de werkgevers. In het eerste kwartaal volgend op het jaar waarin de voorschotten werden uitbetaald, wordt de eindafrekening gemaakt en het verschil gestort of teruggevorderd.
   § 4. Op voorwaarde dat er een protocolakkoord wordt afgesloten tussen het Globaal beheer van de sociale zekerheid voor werknemers en de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, is deze laatste Rijksdienst belast met de uitbetaling van de voorschotten en het eindbedrag die toekomen aan de werkgevers uit de overheidssector die erbij aangesloten zijn zoals bepaald in § 3.]1

  
Art. 7. [1 § 1er. Le présent article est applicable aux employeurs du secteur public dans les secteurs non marchands qui relÚvent de l'autorité fédérale, à l'exception des projets globaux en matiÚre de sécurité dans les hÎpitaux, en matiÚre de complément destiné aux hÎpitaux publics dans le cadre de la problématique des détenus internés et en matiÚre de puéricultrices dans les services pédiatriques et des projets individuels concernant les hÎpitaux, au sens de l'article 2 de la loi sur les hÎpitaux, coordonnée le 7 août 1987.
   § 2. Le Fonds Maribel social du secteur public, visé à l'article 35, § 5, C, 2°, a), alinéa 1er, de la loi précitée du 29 juin 1981 est chargé de l'examen des demandes d'intervention des employeurs.
   Dans le cadre de la mission visée à l'alinéa précédent, le Fonds détermine les informations à fournir par l'employeur.
   Le Ministre des Affaires sociales et le Ministre de l'Emploi peuvent également déterminer les informations minimales que l'employeur doit fournir au Fonds.
   § 3. Si le Fonds Maribel social du secteur public a accepté les interventions demandées par les employeurs et aprÚs transmission d'une copie du contrat de travail, la Gestion globale de la sécurité sociale des travailleurs salariés verse les avances et le montant du rÚglement final au compte des employeurs concernés.
   La Gestion globale paiera par trimestre comme avance 80 % des frais salariaux octroyés aux employeurs. Au cours du premier trimestre suivant l'année pendant laquelle les avances ont été payées, le décompte final est établi et la différence est versée ou récupérée.
   § 4. A condition qu'un protocole d'accord soit conclu entre la Gestion globale de la sécurité sociale des travailleurs salariés et l'Office national de Sécurité sociale des administrations provinciales et locales, cet Office est chargé du paiement des avances et des montants du rÚglement final qui reviennent aux employeurs du secteur public qui y sont affiliés comme prévu au § 3.]1

  
Art. 7bis. <INGEVOEGD bij KB 2008-10-28/35, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-2007> De enveloppe, bedoeld in artikel 80 van de voornoemde wet van 23 december 2005, toegekend aan de sectoren ressorterend onder de bevoegdheid van de federale overheid, wordt met het oog op de financiering van de globale projecten inzake veiligheid in de ziekenhuizen, inzake de aanvulling bestemd voor de openbare ziekenhuizen in het kader van de problematiek van de geïnterneerde gedetineerden en inzake de kinderverzorgsters in de pediatrische diensten, en met het oog op de financiering van de individuele projecten met betrekking tot de ziekenhuizen, in de zin van artikel 2 van de voornoemde wet van 7 augustus 1987, tot het bedrag noodzakelijk voor de financiering van de toegekende voltijdse equivalenten, door de RSZ - globaal beheer overgemaakt aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. Het noodzakelijke bedrag wordt door de Minister van Volksgezondheid en de Minister van Werk bepaald bij het opstellen van elk budget voor financiële middelen voor de ziekenhuizen.
Art. 7bis. L'enveloppe, visée à l'article 80 de la loi du 23 décembre 2005 précitée, octroyée aux secteurs relevant de la compétence de l'autorité fédérale est, en vue du financement des projets globaux en matiÚre de sécurité dans les hÎpitaux, du complément destiné aux hÎpitaux publics dans le cadre de la problématique des internés détenus et des puéricultrices dans les services pédiatriques, et en vue du financement des projets individuels concernant les hÎpitaux, au sens de l'article 2 de la loi coordonnée du 7 août 1987 précitée, transférée à concurrence du montant nécessaire pour le financement des équivalents temps plein attribués, par l'ONSS-gestion globale à l'Institut national d'assurance maladie-invalidité. Le montant nécessaire est défini au moment de chaque rédaction du budget des moyens financiers des hÎpitaux par le ministre de la Santé publique et le ministre de l'Emploi.
Art. 8. [1 De regeringscommissarissen die, in uitvoering van artikel 35, § 5, D, vierde lid, van de voornoemde wet van 29 juni 1981, bij de sectorale fondsen en het Fonds Sociale Maribel van de Overheidssector zijn aangesteld door de Minister van Sociale Zaken en de Minister van Werk, oefenen toezicht uit op het in de artikelen 6 en 7 bedoelde akkoord volgens de regels vastgelegd in artikel 20 van het koninlijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non profit-sector.]1
  
Art. 8. [1 Les commissaires du gouvernement qui, en exĂ©cution de l'article 35, § 5, D, alinĂ©a 4, de la loi prĂ©citĂ©e du 29 juin 1981 sont dĂ©signĂ©s auprĂšs des fonds sectoriels et du Fonds Maribel social du secteur public par le Ministre des Affaires sociales et le Ministre de l'Emploi exercent une surveillance sur l'accord visĂ© aux articles 6 et 7 selon les rĂšgles dĂ©finies par l'article 20 de l'arrĂȘtĂ© royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant Ă  promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand.]1
  
Art. 9. De werkgever aan wie een aantal arbeidsplaatsen is toegekend in het kader van een globaal project kan, om tegemoet te komen aan een behoefte, een andere aanwending vragen voor alle of een deel van de arbeidsplaatsen toegekend in het kader van het betrokken globaal project, voorzover aan de volgende voorwaarden is voldaan :
  1° De werkgever moet bewijzen dat hij werknemers aangewend heeft om tegemoet te komen aan de door het globaal project beoogde behoefte en daarbij het aantal in dit kader tewerkgestelde werknemers vermelden; wanneer het aantal werknemers dat in dienst is genomen om aan de behoefte tegemoet te komen lager is dan het aantal arbeidsplaatsen dat is toegekend krachtens het betrokken globaal project, is het verzoek om jongeren aan te wenden voor een andere behoefte enkel mogelijk voor het verschil tussen het aantal arbeidsplaatsen dat toegekend is krachtens het globaal project en het aantal reeds effectief tewerkgestelde werknemers;
  Worden voor de toepassing van dit punt gelijkgesteld met door de werkgever in dienst genomen werknemers de werknemers die bij hem de opdracht uitvoeren die voorzien is bij het project krachtens een overkomst met een derde. De werkgever moet een kopie van de overeenkomst in kwestie bezorgen, evenals de informatie die het mogelijk maakt om naar analogie de bepalingen van het eerste lid van dit punt toe te passen;
  2° De werkgever moet zich ertoe verbinden om minstens het aantal arbeidsplaatsen dat voortvloeit uit 1° te behouden gedurende de geldigheidsduur van het globaal project in zijn instelling;
  3° De aanvraag tot afwijking moet het voorwerp uitmaken van een advies van de Ondernemingsraad; in de overheidssector moet het advies worden uitgebracht door het bevoegde onderhandelingscomité van de instelling;
  4° De werkgever stelt voor de arbeidsplaatsen waarvoor hij een afwijking vraagt een aanwending voor; hij moet de behoefte beschrijven waaraan het alternatieve project hoort tegemoet te komen;
  5° De werkgever moet een "opleidingsluik" voorstellen voor de in dit kader in dienst genomen jongeren; hij verbindt zich ertoe om de kosten ervan volledig op zich te nemen, zonder dat hij met de betrokken werknemers een scholingsbeding kan overeenkomen;
  6° De in 3° bedoelde instantie moet een advies uitbrengen betreffende het voorstel tot een andere aanwending van alle of een deel van de arbeidsplaatsen geformuleerd door de werkgever.
  [1 Het bevoegde sectorale fonds of het Fonds Sociale Maribel van de Overheidssector naargelang het geval beslist]1 over de aanvraag tot afwijking binnen de 45 dagen na de ontvangst van de aanvraag. Bij gebrek aan een beslissing binnen deze termijn wordt de aanvraag geacht aanvaard te zijn.
  Wanneer het door de werkgever voorgestelde project aanvaard wordt, moet hij aan [1 het bevoegde sectorale fonds of het Fonds Sociale Maribel van de Overheidssector naargelang het geval]1 de nodige informatie bezorgen die het mogelijk maakt de informatie te bezorgen met betrekking tot het "opleidingsluik" en de toepassing ervan.
  
Art. 9. L'employeur auquel un certain nombre d'emplois est attribué dans le cadre d'un projet global pour répondre à un besoin peut solliciter une autre affectation de tout ou partie des emplois attribués dans le cadre du projet global concerné pour autant que les conditions suivantes soient remplies :
  1° L'employeur doit prouver qu'il a affecté des travailleurs pour répondre au besoin visé par le projet global en précisant le nombre de travailleurs occupés dans ce cadre; si le nombre de travailleurs engagés pour répondre au besoin est inférieur au nombre d'emplois attribués en vertu du projet global concerné, la demande d'affectation de jeunes à un autre besoin n'est possible que pour la différence entre le nombre d'emplois attribués en vertu du projet global et le nombre de travailleurs effectivement déjà occupés;
  Pour l'application de ce point, sont assimilés à des travailleurs engagés par l'employeur les travailleurs qui effectuent auprÚs de lui la mission prévue par le projet global en vertu d'un contrat conclu avec un tiers. L'employeur doit fournir une copie du contrat en cause et les informations permettant d'appliquer par analogie les dispositions de l'alinéa 1er du présent point;
  2° L'employeur doit s'engager à maintenir au moins le nombre d'emplois résultant du 1° pendant la durée de validité du projet global dans son institution;
  3° La demande de dĂ©rogation doit faire l'objet d'un avis du Conseil d'entreprise; dans le secteur public, l'avis doit ĂȘtre Ă©mis par le comitĂ© de nĂ©gociation compĂ©tent de l'institution;
  4° L'employeur propose une affectation pour les emplois pour lesquels il sollicite une dérogation; il doit décrire le besoin auquel le projet alternatif entend répondre;
  5° L'employeur doit proposer un volet " formation " pour les jeunes engagés dans ce cadre; il s'engage à en supporter intégralement le coût sans pouvoir conclure avec les travailleurs concernés une clause d'écolage;
  6° L'instance visée au 3° doit émettre un avis sur la proposition d'autre affectation de tout ou partie des emplois formulée par l'employeur.
  [1 Le fonds sectoriel compétent ou le Fonds Maribel social du secteur public, selon le cas, statuent]1 sur la demande de dérogation endéans les 45 jours de la réception de la demande. A défaut de décision, dans ce délai, la demande est réputée acceptée.
  En cas d'acceptation du projet proposé par l'employeur, celui-ci devra transmettre [1 au fonds sectoriel compétent ou au Fonds Maribel social du secteur public, selon le cas]1 les informations nécessaires permettant de fournir les informations relatives au volet " formation " et à son application.
  
HOOFDSTUK 3. - Bepalingen betreffende de individuele projecten in de sectoren ressorterend onder de federale bevoegdheid.
CHAPITRE 3. - Dispositions relatives aux projets individuels dans les secteurs relevant de la compétence de l'Autorité fédérale.
Art. 10. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder "individuele projecten" verstaan de projecten bedoeld in artikel 82, § 2, eerste lid, 2°, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact.
Art. 10. Pour l'application du présent chapitre, on entend par " projets individuels " les projets visés à l'article 82, § 2, alinéa 1er, 2°, de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations.
Art. 11. Wanneer het project wordt ingediend door een paritair comité of subcomité, moet minstens de meerderheid van de vertegenwoordigers van de werknemers die zetelen in het betrokken Paritair comité of subcomité en minstens de meerderheid van de werkgevers die in hetzelfde paritaire orgaan zetelen ermee akkoord zijn.
  Wanneer het project wordt doorgestuurd, moet de Voorzitter van het betrokken paritair orgaan bevestigen dat aan de in het vorige lid bedoelde voorwaarde voldaan is.
  Het project moet minstens de volgende elementen bevatten :
  1° Definitie van de werkgevers tot wie het project zich richt;
  2° Definitie van de laaggeschoolde jongeren die in dienst zouden worden genomen in het kader van het project;
  3° Een voorstel betreffende het "opleidingsluik" bedoeld voor deze jongeren;
  4° De verantwoording van de behoefte waarop het project betrekking heeft;
  5° Wanneer het project voorziet in de toekenning van een aantal arbeidsplaatsen aan alle of een deel van de bij het project betrokken werkgevers :
  a) de criteria voor de toekenning of de verdeling van de arbeidsplaatsen evenals de verantwoording van de voorgestelde criteria;
  b) de procedure die van toepassing is ten aanzien van de werkgevers die reeds een bevredigend antwoord hebben uitgewerkt op de in 4° van dit lid bedoelde behoefte om een andere aanwending te kunnen voorstellen voor de arbeidsplaatsen waarop ze aanspraak zouden kunnen maken op basis van het door het paritair orgaan uitgewerkte project;
  6° De verantwoording die door het betrokken paritair orgaan wordt gegeven met betrekking tot het feit dat de tewerkstelling van laaggeschoolde jongeren in het kader van het project effectief hun tewerkstellingskansen op de algemene arbeidsmarkt zal verhogen.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt, wat de openbare sector betreft, het bevoegde [1 het Fonds Sociale Maribel van de Overheidssector]1 gelijkgesteld met het paritair comité.
  De Minister van Sociale Zaken en de Minister van Werk leggen aan de Ministerraad de met toepassing van dit artikel ingediende projecten voor.
  
Art. 11. Lorsque le projet est introduit par une commission ou une sous-commission paritaire, il doit avoir l'accord d'au moins la majoritĂ© des reprĂ©sentants des travailleurs siĂ©geant au sein de la Commission paritaire ou sous-commission paritaire concernĂ©e et d'au moins la majoritĂ© des reprĂ©sentants des employeurs siĂ©geant dans le mĂȘme organe paritaire.
  Lors de la transmission du projet, le Président de l'organe paritaire concerné doit attester que la condition visée à l'alinéa précédent est remplie.
  Le projet doit contenir au moins les éléments suivants :
  1° Définition des employeurs auxquels le projet s'adresse;
  2° Définition des jeunes peu qualifiés qui seraient engagés dans le cadre du projet;
  3° Une proposition relative au volet " formation " destiné à ces jeunes;
  4° La justification du besoin auquel le projet se rapporte;
  5° Si le projet prévoit l'octroi d'un certain nombre d'emplois à tout ou partie des employeurs concernés par le projet :
  a) les critÚres d'attribution ou de répartition des emplois ainsi que la justification des critÚres proposés;
  b) la procédure applicable à l'égard des employeurs qui ont déjà élaboré une réponse satisfaisante au besoin visé sous le 4° du présent alinéa pour pouvoir proposer une autre affectation des emplois auxquels ils pourraient prétendre sur base du projet élaboré par l'organe paritaire;
  6° La justification donnée par l'organe paritaire concerné quant au fait que l'occupation des jeunes peu qualifiés dans le cadre du projet augmentera effectivement leurs chances d'emploi sur le marché général du travail.
  Pour l'application du présent article, en ce qui concerne le secteur public, [1 le Fonds Maribel social du secteur public]1 compétent est assimilé à la commission paritaire.
  Le Ministre des Affaires sociales et le Ministre de l'Emploi soumettent au Conseil des Ministres les projets introduits en application du présent article.
  
Art. 12. Wat de niet bij artikel 11 bedoelde projecten betreft, dient de werkgever het project dat hij wenst te ontwikkelen in bij het paritair comité of subcomité waaronder hij ressorteert.
  Het ingediende project moet de in artikel 11 bedoelde informatie bevatten en moet vergezeld zijn van een advies van de Ondernemingsraad.
  Het paritair comité of subcomité waaronder de werkgever ressorteert brengt zijn advies uit binnen de 45 dagen na de ontvangst van het individuele project.
  Het paritair comité of subcomité moet de projecten rangschikken op basis van de criteria bepaald in artikel 82, § 2, twaalfde lid van de wet.
  De Voorzitter van het Paritair comité of subcomité bezorgt binnen de 5 werkdagen volgend op de vergadering tijdens welke het paritair comité of het paritair subcomité zijn advies uitgebracht heeft het project evenals het door het paritair comité of subcomité uitgebrachte advies aan de Minister van Sociale Zaken en de Minister van Werk.
  Het project kan enkel in overweging worden genomen wanneer het werd goedgekeurd door de meerderheid van de leden die de werknemers vertegenwoordigen en de meerderheid van de leden die de werkgevers vertegenwoordigen.
  Indien het paritair comité of het paritair subcomité waaronder de werkgever ressorteert geen advies uitbrengt binnen de 45 dagen te rekenen vanaf de ontvangst van het individueel project wordt het advies geacht gunstig te zijn voor het project. In dit geval bezorgt de Voorzitter van het paritair comité of paritair subcomité het project aan de Minister van Sociale Zaken en de Minister van Werk binnen de 5 werkdagen na afloop van de termijn.
  De Minister van Sociale Zaken en de Minister van Werk leggen de met toepassing van dit artikel ingediende projecten voor aan de Ministerraad. Met betrekking tot de projecten bedoeld in het zevende lid van dit artikel leggen de Minister van Sociale Zaken en de Minister van Werk aan de Ministerraad [1 hun evaluatievoorstel van de bedoelde projecten ten opzichte van de criteria bepaald in artikel 82, § 2, twaalfde lid van de wet voor]1.
  
Art. 12. En ce qui concerne les projets qui ne sont pas visés à l'article 11, l'employeur introduit le projet qu'il souhaite développer auprÚs de la commission ou sous-commission paritaire dont il ressortit.
  Le projet introduit doit contenir les informations visĂ©es Ă  l'article 11 et ĂȘtre accompagnĂ© d'un avis du Conseil d'entreprise.
  La commission paritaire ou sous-commission paritaire dont l'employeur ressortit émet son avis dans les 45 jours de la réception du projet individuel.
  La commission paritaire ou sous-commission paritaire doit classer les projets sur base des critÚres définis à l'article 82, § 2, alinéa 12 de la loi.
  Le Président de la Commission paritaire ou sous-commission paritaire transmet, dans les 5 jours ouvrables suivant la date à laquelle la Commission paritaire ou sous-commission paritaire a émis son avis, le projet ainsi que l'avis émis par la commission paritaire ou la sous-commission paritaire au Ministre des Affaires sociales et au Ministre de l'Emploi.
  Le projet ne peut ĂȘtre pris en considĂ©ration que s'il a Ă©tĂ© approuvĂ© par la majoritĂ© des membres reprĂ©sentants les travailleurs et la majoritĂ© des membres reprĂ©sentant les employeurs.
  Lorsque la commission paritaire ou sous-commission paritaire dont l'employeur ressortit n'Ă©met son avis dans les 45 jours de la rĂ©ception du projet individuel, celui-ci est rĂ©putĂ© ĂȘtre favorable au projet. Dans ce cas, le PrĂ©sident de la Commission paritaire ou sous-commission paritaire transmet, dans les 5 jours ouvrables suivant l'expiration du dĂ©lai, le projet au Ministre des Affaires sociales et au Ministre de l'Emploi.
  Le Ministre des Affaires sociales et le Ministre de l'Emploi soumettent au Conseil des Ministres les projets introduits en application du présent article. En ce qui concerne les projets visés à l'alinéa 7 du présent article, le Ministre des Affaires Sociales et le Ministre de l'Emploi soumettent au Conseil des Ministres leur proposition d'évaluation des projets en cause au regard des critÚres définis à l'article 82, § 2, alinéa 12 de la loi.
  

Wijzigingen

[1]Pas en version française
HOOFDSTUK 4. - Bepalingen van toepassing in de sectoren die onder de bevoegdheid van de deelgebieden vallen.
CHAPITRE 4. - Dispositions applicables dans les secteurs relevant de la compétence des entités fédérées.
Art. 13. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de sectoren die onder de bevoegdheid van de deelgebieden vallen.
Art. 13. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux secteurs relevant de la compétence des entités fédérées.
Art. 14. § 1. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op de globale projecten zoals bepaald bij artikel 83, § 2, derde lid, 1° van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact.
  § 2. De regering van het betrokken deelgebied of de Minister van deze Regering die het globale project heeft uitgewerkt met de sociale partners, bezorgt het dossier met betrekking tot dit globale project aan de Minister van Sociale Zaken en aan de Minister van Werk van de Federale Regering.
  Het dossier moet minstens de volgende elementen bevatten :
  1° De informatie die toelaat vast te stellen dat de criteria vastgesteld bij artikel 83, § 2, elfde lid van de wet van 23 december 2005 vervuld zijn;
  2° Het luik "opleiding van het project";
  3° De procedure die het, voor een werkgever aan wie betrekkingen zijn toegekend om tegemoet te komen aan een behoefte, mogelijk maakt om een andere bestemming te vragen voor alle of een deel van de toegekende betrekkingen en de voorwaarden waaraan dit verzoek moet voldoen. Wanneer het ingediende globale project niet voorziet in specifieke bepalingen in dit kader, is artikel 9 van dit artikel van toepassing. De in artikel 9, tweede lid vastgestelde termijn wordt evenwel op zeventig dagen gebracht en de Ministers van de Federale Regering die erin vermeld worden, moeten het advies vragen van de regering van het betrokken deelgebied alvorens te beslissen;
  4° Het bewijs dat er voor het project een akkoord is van de betrokken sociale partners. Wanneer er voor het project geen akkoord is van alle representatieve werknemers- en werkgeversorganisaties die zetelen in het betrokken Paritair Comité en van de organisaties die zetelen in het comité dat bevoegd is voor de overheidssector, moet het gemotiveerde standpunt van de organisaties die niet akkoord zijn met het uitgewerkte project bijgevoegd worden;
  5° Het aantal betrekkingen dat zou worden toegekend in het kader van het globale project, met bovendien een verdeling per beroepsclassificatie;
  6° De voorgestelde datum van inwerkingtreding voor het ingediende project.
  § 3. De Minister van Sociale Zaken en de Minister van Werk van de Federale Regering leggen het dossier ter goedkeuring voor aan de Ministerraad.
  De Minister van Sociale Zaken en de Minister van Werk van de Federale Regering delen aan de regering van het betrokken deelgebied of aan de Minister van deze Regering die het globale project heeft uitgewerkt de beslissing mee van de Ministerraad van de Federale Regering. Ze bezorgen een kopie van de beslissing aan het Globaal Beheer van de sociale zekerheid voor werknemers.
Art. 14. § 1er. Les dispositions du présent article s'appliquent aux projets globaux tels que définis par l'article 83, § 2, alinéa 3, 1° de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations.
  § 2. Le gouvernement de l'entité concernée ou le Ministre de ce Gouvernement qui a élaboré le projet global avec les partenaires sociaux transmet au Ministre des Affaires sociales et au Ministre de l'Emploi du Gouvernement fédéral le dossier relatif à ce projet global.
  Le dossier doit au moins contenir les éléments suivants :
  1° Les informations permettant de constater que les critÚres définis par l'article 83, § 2, alinéa 11 de la loi du 23 décembre 2005 sont remplis;
  2° Le volet " formation " du projet;
  3° La procĂ©dure permettant Ă  un employeur auquel des emplois sont attribuĂ©s pour rĂ©pondre Ă  un besoin peut solliciter une autre affectation pour tout ou partie des emplois attribuĂ©s et les conditions Ă  remplir par cette demande. Si le projet global introduit ne prĂ©voit pas de dispositions spĂ©cifiques dans ce cadre, l'article 9 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© s'applique. Toutefois le dĂ©lai fixĂ© Ă  l'article 9, alinĂ©a 2 est portĂ© Ă  septante jours et les Ministres du Gouvernement fĂ©dĂ©ral y mentionnĂ©s doivent solliciter l'avis du gouvernement de l'entitĂ© fĂ©dĂ©rĂ©e concernĂ©e avant de se prononcer;
  4° La preuve que le projet fait l'objet d'un accord de la part des partenaires sociaux concernĂ©s. Si le projet ne fait pas l'objet d'un accord de la part de toutes les organisations reprĂ©sentatives de travailleurs et d'employeurs siĂ©geant au sein de la Commission paritaire concernĂ©e et de celles siĂ©geant au sein du comitĂ© compĂ©tent pour le secteur public, la position motivĂ©e des organisations qui ne sont pas d'accord avec le projet Ă©laborĂ© doit ĂȘtre jointe;
  5° Le nombre d'emplois qui serait attribué dans le cadre du projet global avec en outre une répartition par classification professionnelle;
  6°. La date d'entrée en vigueur proposée pour le projet introduit.
  § 3. Le Ministre des Affaires sociales et le Ministre de l'Emploi du Gouvernement fédéral soumettent le dossier à l'approbation du Conseil des Ministres.
  Le Ministre des Affaires sociales et le Ministre de l'Emploi du Gouvernement fédéral communiquent au gouvernement de l'entité concernée ou au Ministre de ce Gouvernement qui a élaboré le projet global la décision du Conseil des Ministres du Gouvernement fédéral. Ils transmettent copie de la décision à la Gestion globale de la sécurité sociale des salariés.
Art. 15. § 1. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op de individuele projecten in de zin van artikel 83, § 2, derde lid, 2° van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact.
  § 2. De bepalingen van artikelen 11 en 12 van dit besluit zijn van toepassing onder voorbehoud van de bepalingen van deze paragraaf.
  De Voorzitter van het Paritair Comité of het Paritair Subcomité of, wanneer het project betrekking heeft op werkgevers die vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, van het bevoegde [1 Fonds Sociale Maribel van de Overheidssector]1 moet de bevoegde Minister van de Regering van het betrokken deelgebied een kopie bezorgen van het dossier dat hij naar de Minister van Sociale Zaken en naar de Minister van Werk van de Federale Regering stuurt.
  De Minister van Sociale Zaken en de Minister van Werk van de Federale Regering vragen het advies van de regering van het betrokken deelgebied. Wanneer dit advies niet wordt overgemaakt binnen de termijn vastgesteld bij artikel 83, § 2, eerste lid van de wet van 23 december 2005, wordt het geacht gunstig te zijn.
  § 3. De beslissing genomen door de Ministerraad van de Federale Regering wordt meegedeeld aan de Regering van het betrokken deelgebied, aan het paritair orgaan dat het project heeft ingediend of dat een advies heeft uitgebracht met betrekking tot het project, in voorkomend geval aan de werkgever die het project heeft ingediend en aan het Globaal beheer van de sociale zekerheid voor werknemers.
  
Art. 15. § 1er. Les dispositions du présent article s'appliquent aux projets individuels au sens de l'article 83, § 2, alinéa 3, 2° de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations.
  § 2. Les dispositions des articles 11 et 12 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© sont d'application sous rĂ©serve des dispositions du prĂ©sent paragraphe.
  Le Président de la Commission paritaire ou sous commission paritaire ou, si le projet a trait à des employeurs relevant du champ d'application de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités, du [1 le Fonds Maribel social du secteur public]1 compétent doit transmettre au Ministre compétent du Gouvernement de l'entité fédérée concernée une copie du dossier qu'il adresse au Ministre des Affaires Sociales et au Ministre de l'Emploi du Gouvernement fédéral.
  Le Ministre des Affaires sociales et le Ministre de l'Emploi du Gouvernement fĂ©dĂ©ral sollicitent l'avis du gouvernement de l'entitĂ© fĂ©dĂ©rĂ©e concernĂ©e. Si cet avis n'est pas transmis dans le dĂ©lai fixĂ© par l'article 83, § 2, alinĂ©a 1er de la loi du 23 dĂ©cembre 2005, il est rĂ©putĂ© ĂȘtre favorable.
  § 3. La décision prise par le Conseil des Ministres du Gouvernement fédéral est communiquée au Gouvernement de l'entité fédérée concernée, à l'organe paritaire qui a introduit le projet ou émis un avis au sujet du projet, le cas échéant à l'employeur qui a introduit le projet ainsi qu'à la Gestion globale de la sécurité sociale des salariés.
  
Art. 16. [1 § 1. Dit artikel is van toepassing op de werkgevers die zijn aangesloten bij de paritaire comités of subcomités die bevoegd zijn voor de non-profit sectoren die ressorteren onder de bevoegdheid van de deelgebieden.
   § 2. De sectorale fondsen, bedoeld in artikel 35, § 5, C, 1°, eerste lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, die opgericht zijn binnen de paritaire comités of paritaire subcomités die onder de toepassing van dit artikel vallen, worden belast met de beoordeling van de aanvragen tot tussenkomst van de werkgevers.
   In het kader van de opdracht bedoeld in het vorige lid bepalen de sectorale fondsen welke informatie de werkgever hen moet bezorgen.
   De Minister van Sociale Zaken en de Minster van Werk kunnen eveneens de minimale inlichtingen bepalen die de werkgever aan de sectorale fondsen moet bezorgen.
   § 3. Indien de sectorale fondsen hun akkoord hebben verleend aan de door de werkgevers gevraagde tussenkomsten en na mededeling van een kopij van het arbeidscontract, stort het Globaal beheer van de sociale zekerheid voor werknemers de voorschotten en het eindbedrag op de rekening van de bedoelde werkgevers.
   Het Globaal beheer zal per kwartaal als voorschot 80 % van de toegekende loonkost uitbetalen aan de werkgevers. In het eerste kwartaal volgend op het jaar waarin de voorschotten werden uitbetaald, wordt de eindafrekening gemaakt en het verschil gestort of teruggevorderd.
   § 4. In afwijking van de §§ 2 en 3, kunnen de regeringen van de deelentiteiten, op voorstel van de bevoegde minister, de taken van de sectorale fondsen toebedelen aan een paritair samengestelde instantie indien deze erkend is en actief is voor de uitvoering van sectorconvenanten die door de vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers zijn gesloten met de regering of de bevoegde minister van het betrokken deelgebied.
   De bevoegde minister van het deelgebied kan slechts een voorstel aan zijn regering voorleggen dat de goedkeuring verkregen heeft van de vertegenwoordigers van de werkgevers en de werknemers.
   De bevoegde minister brengt de Minister van Sociale Zaken en de Minster van Werk op de hoogte van de aangeduide paritair samengestelde instantie.
   De bepalingen van artikel 8 van dit besluit zijn van toepassing.]1

  
Art. 16. [1 § 1er. Le présent article est applicable aux employeurs affiliés aux commissions ou sous-commissions paritaires compétentes pour les secteurs non marchands qui relÚvent de la compétence des entités fédérées.
   § 2. Les fonds sectoriels, visés à l'article 35, § 5, C, 1°, alinéa 1er, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, créés au sein des commissions paritaires ou sous-commissions paritaires auxquelles le présent article est applicable, sont chargés de l'examen des demandes d'intervention des employeurs.
   Dans le cadre de la mission visée à l'alinéa précédent, les fonds sectoriels déterminent les informations à fournir par l'employeur.
   Le Ministre des Affaires sociales et le Ministre de l'Emploi peuvent également déterminer les informations minimales que l'employeur doit fournir aux fonds sectoriels.
   § 3. Si les fonds sectoriels ont accepté les interventions demandées par les employeurs et aprÚs transmission d'une copie du contrat de travail, la Gestion globale de la sécurité sociale des travailleurs salariés verse les avances et le montant du rÚglement final au compte des employeurs concernés.
   La Gestion globale paiera par trimestre comme avance 80 % des frais salariaux octroyés aux employeurs. Au cours du premier trimestre suivant l'année pendant laquelle les avances ont été payées, le décompte final est établi et la différence est versée ou récupérée.
   § 4. Par dérogation au § § 2 et 3, les gouvernements des entités fédérées peuvent, sur proposition du ministre compétent, confier les tùches des fonds sectoriels à une instance composée paritairement si celle-ci est agréée et est active pour l'exécution des conventions sectorielles conclues par les représentants des employeurs et des travailleurs avec le gouvernement ou le ministre compétent de l'entité fédérée concernée.
   Le ministre compétent de l'entité fédérée ne peut soumettre une proposition à son gouvernement que si elle a été approuvée par les représentants des employeurs et les travailleurs.
   Le ministre compétent informe le Ministre des Affaires sociales et le Ministre de l'Emploi de l'instance composée paritairement désignée.
   Les dispositions de l'article 8 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© sont applicables.]1

  
Art. 17. [1 § 1. Dit artikel is van toepassing op de werkgevers van de overheidssector in de non-profit sectoren die ressorteren onder de bevoegdheid van de deelgebieden.
   § 2. Het Fonds Sociale Maribel van de Overheidssector, bedoeld in artikel 35, § 5, C, 2°, a), eerste lid, van de voornoemde wet van 29 juni 1981, wordt belast met de beoordeling van de aanvragen tot tussenkomst van de werkgevers.
   In het kader van de opdracht bedoeld in het vorige lid bepaalt het Fonds welke informatie de werkgever hen moet bezorgen.
   De Minister van Sociale Zaken en de Minster van Werk kunnen eveneens de minimale inlichtingen bepalen die de werkgever aan het Fonds moet bezorgen.
   § 3. Indien het Fonds Sociale Maribel van de Overheidssector zijn akkoord heeft verleend aan de door de werkgevers gevraagde tussenkomsten en na mededeling van een kopij van het arbeidscontract, stort het Globaal beheer van de sociale zekerheid voor werknemers de voorschotten en het eindbedrag op de rekening van de bedoelde werkgevers.
   Het Globaal beheer zal per kwartaal als voorschot 80 % van de toegekende loonkost uitbetalen aan de werkgevers. In het eerste kwartaal volgend op het jaar waarin de voorschotten werden uitbetaald, wordt de eindafrekening gemaakt en het verschil gestort of teruggevorderd.
   De bepalingen van artikel 8 van dit besluit zijn van toepassing.]1

  
Art. 17. [1 § 1er. Le présent article est applicable aux employeurs du secteur public dans les secteurs non marchands qui relÚvent de la compétence des entités fédérées.
   § 2. Le Fonds Maribel social du secteur public, visé à l'article 35, § 5, C, 2°, a), alinéa 1er, de la loi précitée du 29 juin 1981 est chargé de l'examen des demandes d'intervention des employeurs.
   Dans le cadre de la mission visée à l'alinéa précédent, le Fonds détermine les informations à fournir par l'employeur.
   Le Ministre des Affaires sociales et le Ministre de l'Emploi peuvent également déterminer les informations minimales que l'employeur doit fournir au Fonds.
   § 3. Si le Fonds Maribel social du secteur public a accepté les interventions demandées par les employeurs et aprÚs transmission d'une copie du contrat de travail, la Gestion globale de la sécurité sociale des travailleurs salariés verse les avances et le montant du rÚglement final au compte des employeurs concernés.
   La Gestion globale paiera par trimestre comme avance 80 % des frais salariaux octroyés aux employeurs. Au cours du premier trimestre suivant l'année pendant laquelle les avances ont été payées, le décompte final est établi et la différence est versée ou récupérée.
   Les dispositions de l'article 8 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© sont applicables.]1

  
HOOFDSTUK 5. - Bepalingen betreffende de criteria voor de vergelijking van de ingediende projecten.
CHAPITRE 5. - Dispositions relatives aux critĂšres de comparaison des projets introduits.
Art. 18. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op zowel de sectoren die onder de bevoegdheid van de federale overheid vallen als op de sectoren die onder de bevoegdheid van de deelgebieden vallen.
Art. 18. Les dispositions de ce chapitre s'appliquent tant aux secteurs relevant de la compétence de l'autorité fédérale qu'aux secteurs relevant de la compétence des entités fédérées.
Art. 19. De criteria voor de vergelijking van de bij de Minister van Sociale Zaken en bij de Minister van Werk ingediende projecten zijn vastgesteld in de volgende aflopende volgorde :
  1° de bijzondere aandacht die het project besteedt aan de zeer laaggeschoolde jongeren die de meeste moeilijkheden ondervinden om zich op de arbeidsmarkt te integreren;
  2° de inhoud van het opleidingsluik, met het oog op het zo hoog mogelijk optrekken van het opleidingsniveau van de betrokken jongeren en de verhoging van de kansen om toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt;
  3° De verhoging van de kansen om toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt.
  4° De behoefte waaraan het project moet voldoen.
Art. 19. Les critÚres de comparaison des projets introduits auprÚs du Ministre des Affaires sociales et auprÚs du Ministre de l'Emploi s'établissent dans l'ordre décroissant suivant :
  1° l'attention particuliÚre portée par le projet aux jeunes trÚs peu qualifiés qui éprouvent le plus de difficultés à s'insérer sur le marché du travail;
  2° le contenu du volet de formation sous l'angle de l'augmentation maximale du niveau de qualification des jeunes concernés et de l'augmentation des chances d'accÚs au marché du travail;
  3° l'augmentation des chances d'accÚs au marché du travail;
  4° Le besoin auquel le projet entend répondre.
HOOFDSTUK 6. - Bepalingen betreffende de controle.
CHAPITRE 6. - Dispositions relatives au contrĂŽle.
Art. 20. Zijn belast met het toezicht jegens de werkgevers met het oog op de toepassing van de bepalingen van de voornoemde wet van 23 december 2005 betreffende de maatregelen voor de tewerkstelling van jongeren in de non-profit sector en met het oog op de toepassing van dit besluit :
  1° de sociale inspecteurs en de sociale controleurs van de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
  2° [1 ...]1
  3° de sociale inspecteurs en de sociale controleurs van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
  4° [1 ...]1
  
Art. 20. Sont chargĂ©s de la surveillance Ă  l'Ă©gard des employeurs en vue de l'application des dispositions de la loi prĂ©citĂ©e du 23 dĂ©cembre 2005 relatives aux mesures en faveur de l'emploi des jeunes dans le secteur non-marchand et de l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ© :
  1° les inspecteurs sociaux et les contrÎleurs sociaux de la Direction générale ContrÎle des lois sociales du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale;
  2° [1 ...]1
  3° les inspecteurs sociaux et les contrÎleurs sociaux de l'Office national de Sécurité sociale;
  4° [1 ...]1
  
Art. 21. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2007.
Art. 21. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© sort ses effets au 1er janvier 2007.
Art. 22. Onze Minister van Sociale Zaken en Onze Minister van Werk zijn belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 22. Notre Ministre des Affaires sociales et Notre Ministre de l'Emploi sont chargĂ©s de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.