Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
14 JUNI 2007. - Koninklijk besluit houdende wijziging van verscheidene reglementaire bepalingen.
Titre
14 JUIN 2007. - Arrêté royal portant modification de diverses dispositions réglementaires.
Documentinformatie
Info du document
Tekst (18)
Texte (18)
HOOFDSTUK I. - Wijziging van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel.
CHAPITRE Ier. - Modification de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat.
Artikel 1. Deel II van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, bevattend de artikelen 7 tot en met 14, wordt vervangen als volgt :
  " DEEL II. - RECHTEN, PLICHTEN, BELANGENCONFLICTEN EN CUMULATIE
  Art. 7.
  § 1. De rijksambtenaar oefent zijn ambt op loyale, zorgvuldige en integere wijze uit onder het gezag van zijn hiërarchische meerderen.
  Daartoe dient hij :
  1° de van kracht zijnde wetten en reglementen na te leven, alsmede de richtlijnen die hem gegeven worden in het kader van die wetten en reglementen;
  2° nauwgezet en correct zijn adviezen te formuleren en zijn verslagen op te stellen;
  3° de beslissingen zorgvuldig en plichtsbewust uit te voeren.
  § 2. De rijksambtenaar heeft het recht om met waardigheid en hoffelijkheid te worden behandeld, zowel door zijn hiërarchische meerderen, door zijn collega's, als door zijn ondergeschikten.
  Hij dient zijn collega's, zijn hiërarchische meerderen en zijn ondergeschikten met waardigheid en hoffelijkheid te behandelen. Hij vermijdt elk woord, elke houding, elk voorkomen dat deze waardigheid en deze hoffelijkheid in het gedrang zou kunnen brengen of de goede werking van de dienst zou kunnen schaden.
  § 3. Onverminderd artikel 29 van het Wetboek van strafvordering stelt de rijksambtenaar zijn hiërarchische meerdere of, indien nodig, een hogere hiërarchische meerdere op de hoogte van elk onwettigheid of onregelmatigheid waarvan hij kennis heeft.
  Art. 8.
  § 1. De rijksambtenaar behandelt de gebruikers van zijn diensten met welwillendheid. In de manier waarop hij de vragen van de gebruikers beantwoordt of waarop hij de dossiers behandelt, eerbiedigt hij op een strikte manier de beginselen van neutraliteit, van gelijkheid in behandeling en van naleving van de wetten, de reglementen en de richtlijnen.
  Wanneer hij bij zijn ambtsuitoefening in contact komt met het publiek vermijdt de rijksambtenaar elk woord, elke houding, elk voorkomen, die van die aard zouden kunnen zijn dat ze het vertrouwen van het publiek in zijn volledige neutraliteit, in zijn bekwaamheid of in zijn waardigheid in het gedrang zouden kunnen brengen.
  § 2. Zelfs buiten de uitoefening van zijn ambt vermijdt de rijksambtenaar elk gedrag dat in strijd is met de waardigheid van zijn ambt. Hij vermijdt evenzeer elke toestand waarbij hij, zelfs door een tussenpersoon, in verband zou kunnen gebracht worden met bezigheden die in strijd zijn met de waardigheid van zijn ambt.
  § 3. De rijksambtenaar mag, noch rechtstreeks, noch door tussenpersoon, zelfs buiten zijn ambtsuitoefening, maar uit oorzaak hiervan, giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen.
  Het eerste lid slaat niet op symbolische geschenken van kleine waarde uitgewisseld tussen ambtenaren in de normale uitoefening van hun ambt.
  Art. 9.
  § 1. De rijksambtenaar plaatst zich niet en laat zich niet plaatsen in een toestand van belangenconflicten, dit wil zeggen in een toestand waarin hij door zichzelf of door een tussenpersoon een persoonlijk voordeel heeft dat van die aard is om de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn ambt te beïnvloeden of de gewettigde verdenking te doen ontstaan van zulke invloed.
  § 2. Wanneer een ambtenaar van oordeel is dat hij een belangenconflict heeft of vreest te hebben, brengt hij zijn hiërarchische meerdere hierover onmiddellijk op de hoogte. Deze verleent hem hiervan schriftelijk akte.
  In geval van een erkend belangenconflict, neemt de hiërarchische meerdere de passende maatregelen om er een einde aan te stellen.
  De rijksambtenaar kan op elk ogenblik schriftelijk om het advies van de voorzitter van het directiecomité, of van diens afgevaardigde, vragen over een toestand waarin hij zich in de toekomst zou kunnen bevinden, dit om te weten of deze de oorzaak zou kunnen zijn van een belangenconflict. Het advies wordt hem schriftelijk verstrekt binnen de maand.
  Art. 10. De rijksambtenaar heeft het recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan hij kennis heeft uit hoofde van zijn ambt.
  Het is hem enkel verboden die feiten bekend te maken die betrekking hebben op 's lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten, het medisch geheim, de rechten en de vrijheden van de burger, en in het bijzonder op het recht op eerbied voor het privé-leven; dit verbod geldt bovendien voor feiten die betrekking hebben op de voorbereiding van alle beslissingen zolang er nog geen eindbeslissing is genomen; evenals voor feiten die, wanneer zij bekend worden gemaakt, de belangen van de overheidsdienst waarin de ambtenaar is tewerkgesteld, kunnen schaden.
  Art. 11.
  § 1. De rijksambtenaar heeft recht op informatie voor alle aspecten die nuttig zijn voor de uitoefening van zijn taken. Elke hiërarchische meerdere verzekert de informatiedoorstroming naar zijn ondergeschikten toe.
  De rijksambtenaar houdt zich permanent op de hoogte van de ontwikkeling van de technieken, reglementeringen en onderzoeken in de materies waarmee hij beroepshalve belast is.
  § 2. De rijksambtenaar heeft recht op de opleiding die nuttig is voor zijn werk alsook op de voortgezette opleiding met het oog op de ontwikkeling van zijn beroepsloopbaan.
  De rijksambtenaar volgt, met aandacht en met de wil zijn competenties te ontwikkelen, de noodzakelijke opleidingen voor de uitoefening van zijn ambt.
  § 3. De rijksambtenaar neemt op actieve wijze deel aan de kennisdeling binnen de openbare dienst.
  Art. 12.
  § 1. De rijksambtenaar mag geen, op welke wijze ook bezoldigde, activiteit uitoefenen buiten zijn ambt, dan nadat hij een machtiging tot cumulatie bekomen heeft.
  De machtiging tot cumulatie wordt verleend voor een periode van ten hoogste vier jaar. Haar verlenging is onderworpen aan een nieuwe machtiging. De machtiging tot cumulatie mag geen terugwerkende kracht hebben.
  Een machtiging tot cumulatie kan enkel verleend worden als de activiteit wordt uitgeoefend buiten uren waarop hij zijn dienst vervult. Zij dient in elk geval volledig bijkomstig te blijven ten overstaan van het uitgeoefend ambt.
  Een activiteit kan slechts worden uitgeoefend mits inachtname van de wetten en reglementen die de uitoefening van die activiteit regelen. In voorkomend geval, wordt het bewijs daarvan geleverd aan de instantie die de machtiging voor de cumulatie heeft verleend.
  § 2. De vraag tot cumulatie wordt door de ambtenaar ingediend bij zijn hiërarchische meerdere. Zij dient verplicht te omvatten :
  1° de zo nauwkeurig mogelijke aanwijzing van de beoogde activiteit;
  2° de duur van de beoogde activiteit;
  3° de gemotiveerde bevestiging dat de activiteit geen aanleiding kan geven, zelfs in de toekomst, tot een toestand van belangenconflict.
  § 3..Wanneer hij het nodig acht, vraagt de hiërarchische meerdere aan de ambtenaar bijkomende informatie of verantwoordingsstukken.
  De hiërarchische meerdere zendt de vraag, langs hiërarchische weg, met zijn beoordeling, aan de voorzitter van het directiecomité of aan zijn afgevaardigde.
  De voorzitter van het directiecomité of zijn afgevaardigde, vraagt wanneer hij het nodig acht, aan de ambtenaar bijkomende informatie of verantwoordingsstukken.
  § 4. De beslissing de machtiging tot cumulatie te verlenen of te weigeren wordt genomen door de voorzitter van het directiecomité. Hij kan die bevoegdheid delegeren behalve voor de titularissen van de management- en staffuncties.
  De beslissing de machtiging tot cumulatie te verlenen of te weigeren wordt genomen door de Minister indien de aanvraag uitgaat van de voorzitter van het directiecomité.
  Bij gebreke aan een beslissing binnen de twee maanden na de aanvraag, wordt de machtiging voor cumulatie ambtshalve verleend. De termijn wordt op drie maanden gebracht als gebruik wordt gemaakt van § 3, eerste en derde lid.
  § 5. De uitoefening van de mandaten bedoeld in de wet van 18 september 1986 tot instelling van het politiek verlof voor het personeel van de overheidsdiensten, valt niet onder de toepassing van dit artikel.
  De uitoefening van bezoldigde activiteiten inherent aan het ambt wordt niet bedoeld in dit artikel. Evenwel, is steeds het voorafgaand schriftelijk akkoord van de hiërarchische meerdere vereist. Bij gebreke aan een beslissing binnen de twee maanden na de aanvraag, wordt het akkoord ambtshalve verleend.
  De uitoefening van een activiteit die voortvloeit uit een aanwijzing door de bevoegde overheid wordt niet bedoeld in dit artikel. Evenwel is de informatie van de hiërarchische meerdere vereist.
  Art. 13. Iedere rijksambtenaar heeft het recht zijn persoonlijk dossier in te kijken.
  Geen enkel stuk kan worden toegevoegd aan het persoonlijk dossier zonder dat de rijksambtenaar daarvan voorafgaandelijk op de hoogte is gesteld.
  Art. 14. Elke inbreuk op de artikelen 7, 8, 9, § 1, 10 en 12 kan aanleiding geven tot een van de tuchtstraffen die bepaald zijn bij artikel 77, onverminderd de toepassing van de strafwetten.
  Art. 14bis. De bepalingen van de artikelen 7 tot 14 zijn toepasselijk op de stagiairs.
  De bepalingen van de artikelen 8, 9, 10, 13 en 14 zijn toepasselijk zelfs wanneer de ambtenaar voltijds met verlof, in disponibiliteit of in non-activiteit is.
  Art. 14ter. Onze Ministers die bevoegd zijn voor Ambtenarenzaken en voor Begroting, stellen binnen een deontologisch kader, de meest geëigende gedragsregels vast om de bepalingen van de artikelen 7 tot 13 toe te lichten, evenzeer als deze die gegrond zijn op andere wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de rechten en de plichten van de ambtenaren.
  Mits akkoord van de Ministers bedoeld in het eerste lid, kan ieder van Onze Ministers en Staatssecretarissen, binnen het deontologisch kader, bijkomende gedragsregels vaststellen om de naleving van de bepalingen bedoeld in het eerste lid te verzekeren in de diensten onder hun gezag geplaatst, dit in functie van de bijzonderheden hiervan.
  De hiërarchische meerdere hebben een voorbeeldrol inzake deontologie. "
Article 1. La partie II de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat, comprenant les articles 7 à 14, est remplacée par les dispositions suivantes :
  " PARTIE II. - DES DROITS, DES DEVOIRS, DES CONFLITS D'INTERETS ET DU CUMUL
  Art. 7.
  § 1er. L'agent de l'Etat remplit les fonctions avec loyauté, conscience et intégrité sous l'autorité de ses supérieurs hiérarchiques.
  A cet effet, il doit :
  1° respecter les lois et règlements en vigueur ainsi que les directives qui lui sont données dans le cadre de ces lois et règlements;
  2° formuler ses avis et rédiger ses rapports avec rigueur et exactitude;
  3° exécuter les décisions avec diligence et conscience professionnelle.
  § 2. L'agent de l'Etat a le droit d'être traité avec dignité et courtoisie tant par ses supérieurs hiérarchiques, ses collègues que ses subordonnés.
  Il a le devoir de traiter ses collègues, ses supérieurs hiérarchiques et ses subordonnés avec dignité et courtoisie. Il évite toute parole, toute attitude, toute présentation qui pourrait compromettre cette dignité et cette courtoisie ou obérer le bon fonctionnement du service.
  § 3. Sans préjudice de l'article 29 du Code d'instruction criminelle, l'agent de l'Etat informe son supérieur hiérarchique ou, si nécessaire, un supérieur hiérarchique plus élevé, de toute illégalité ou irrégularité dont il a connaissance.
  Art. 8.
  § 1er. L'agent de l'Etat traite les usagers de ses services avec bienveillance. Dans la manière dont il répond aux demandes des usagers ou dont il traite les dossiers, il respecte strictement les principes de neutralité, d'égalité de traitement et de respect des lois, règlements et directives.
  Lorsqu'il est, dans le cadre de ses fonctions, en contact avec le public, l'agent de l'Etat évite toute parole, toute attitude, toute présentation qui pourraient être de nature à ébranler la confiance du public en sa totale neutralité, en sa compétence ou en sa dignité.
  § 2. Même en dehors de l'exercice de ses fonctions, l'agent de l'Etat évite tout comportement contraire à la dignité de ses fonctions. Il évite aussi toute situation où, même par personne interposée, il pourrait être associé à des occupations contraires à la dignité de ses fonctions.
  § 3. L'agent de l'Etat ne peut solliciter, exiger ou recevoir, directement ou par personne interposée, même en-dehors de ses fonctions mais à raison de celles-ci, des dons, gratifications ou avantages quelconques.
  L'alinéa 1er ne vise pas les cadeaux symboliques de faible valeur échangés entre agents dans l'exercice normal de leurs fonctions.
  Art. 9.
  § 1er. L'agent de l'Etat ne se place pas et ne se laisse pas placer dans une situation de conflits d'intérêts, c'est-à-dire une situation dans laquelle il a par lui-même ou par personne interposée un intérêt personnel susceptible d'influer sur l'exercice impartial et objectif de ses fonctions ou à créer la suspicion légitime d'une telle influence.
  § 2. Lorsqu'un agent estime qu'il a un conflit d'intérêt ou qu'il craint d'en avoir un, il en informe immédiatement son supérieur hiérarchique. Celui-ci lui en donne acte par écrit.
  En cas de conflit d'intérêt avéré, le supérieur hiérarchique prend les mesures adéquates pour y mettre fin.
  L'agent de l'Etat peut à tout moment solliciter par écrit l'avis du président du comité de direction ou de son délégué sur une situation dans laquelle il pourrait se trouver dans le futur afin de savoir si elle serait constitutive d'un conflit d'intérêt. L'avis lui est transmis par écrit dans le mois.
  Art. 10. L'agent de l'Etat jouit de la liberté d'expression à l'égard des faits dont il a connaissance dans l'exercice de ses fonctions.
  Il lui est uniquement interdit de révéler des faits qui ont trait à la sécurité nationale, à la protection de l'ordre public, aux intérêts financiers de l'autorité, à la prévention et à la répression des faits délictueux, au secret médical, aux droits et libertés du citoyen, et notamment le droit au respect de la vie privée; ceci vaut également pour les faits qui ont trait à la préparation de toutes les décisions aussi longtemps qu'une décision finale n'a pas encore été prise ainsi que pour les faits qui, lorsqu' ils sont divulgués, peuvent porter préjudice aux intérêts du service public dans lequel l'agent est occupé.
  Art. 11.
  § 1er. L'agent de l'Etat a droit à l'information pour tous les aspects utiles à l'exercice de ses tâches. Chaque supérieur hiérarchique assure la transmission de l'information à ses subordonnés.
  L'agent de l'Etat se tient au courant d'une façon permanente de l'évolution des techniques, réglementations et recherches dans les matières dont il est professionnellement chargé.
  § 2. L'agent de l'Etat a droit à la formation utile à son travail de même qu'à la formation continue en vue du développement de sa carrière professionnelle.
  L'agent de l'Etat suit, avec attention et la volonté de développer ses compétences, les formations nécessaires à l'exercice de ses fonctions.
  § 3. L'agent de l'Etat participe activement au partage des connaissances au sein du service public.
  Art. 12.
  § 1er. L'agent de l'Etat ne peut exercer une activité, rémunérée de quelque façon que ce soit, hors de ses fonctions qu'après avoir obtenu une autorisation de cumul.
  L'autorisation de cumul est accordée pour une période maximale de quatre ans. Son renouvellement est soumis à une nouvelle autorisation. L'autorisation de cumul ne peut pas avoir d'effet rétroactif.
  Une autorisation de cumul ne peut être accordée que si l'activité s'exerce en dehors des heures où il accomplit son service. Elle doit en toute hypothèse rester tout à fait accessoire par rapport aux fonctions exercées.
  Une activité ne peut être exercée en cumul que dans le respect des lois et règlements organisant l'exercice de cette activité. Preuve en est fournie, le cas échéant, à l'instance qui a autorisé le cumul.
  § 2. La demande de cumul est introduite par l'agent auprès de son supérieur hiérarchique. Elle comprend obligatoirement :
  1° la désignation aussi précise que possible de l'activité envisagée;
  2° la durée de l'activité envisagée;
  3° l'affirmation motivée que l'activité ne peut pas faire naître, même dans le futur, une situation de conflit d'intérêt.
  § 3. S'il l'estime nécessaire, le supérieur hiérarchique sollicite de l'agent des compléments d'information ou des pièces justificatives.
  Le supérieur hiérarchique transmet, par la voie hiérarchique, la demande, avec son appréciation, au président du comité de direction ou à son délégué.
  Le président du comité de direction ou son délégué, s'il l'estime nécessaire, sollicite de l'agent des compléments d'information ou des pièces justificatives.
  § 4. La décision d'accorder (ou de refuser) le cumul est prise par le président du comité de direction. Il peut déléguer cette compétence sauf pour les titulaires des fonctions de management ou d'encadrement.
  La décision d'accorder (ou de refuser) le cumul est prise par le Ministre si la demande émane du président du comité de direction.
  A défaut de décision dans les deux mois de la demande, l'autorisation de cumul est accordée d'office. Le délai est porté à trois mois s'il est fait usage du § 3, alinéas 1er et 3.
  § 5. L'exercice des mandats visés par la loi du 18 septembre 1986 instituant le congé politique pour les membres du personnel des services publics n'est pas visé par le présent article.
  L'exercice d'activités rémunérées inhérentes à la fonction n'est pas visé au présent article. Toutefois, il requiert toujours l'accord écrit préalable du supérieur hiérarchique. A défaut de décision dans les deux mois de la demande, l'accord est accordé d'office.
  L'exercice d'une activité qui résulte d'une désignation par l'autorité compétente n'est pas visé au présent article. Toutefois, il requiert l'information du supérieur hiérarchique.
  Art. 13. Tout agent de l'Etat a le droit de consulter son dossier personnel.
  Aucune pièce ne peut être ajoutée au dossier personnel sans que l'agent de l'Etat en ait eu connaissance préalable.
  Art. 14. Tout manquement aux articles 7, 8, 9, § 1er, 10 et 12 est passible de l'une des peines disciplinaires prévues par l'article 77, sans préjudice de l'application des lois pénales.
  Art. 14bis. Les dispositions des articles 7 à 14 sont applicables aux stagiaires.
  Les dispositions des articles 8, 9, 10, 13 et 14 sont applicables même lorsque l'agent est à temps plein en congé, en disponibilité ou en non- activité.
  Art. 14ter. Nos Ministres qui ont la fonction publique et le budget dans leurs attributions, fixent, dans un cadre déontologique, les règles de conduite les plus propres à illustrer les dispositions des articles 7 à 13 de même que celles fondées sur d'autres dispositions légales ou réglementaires relatives aux droits et aux devoirs des agents.
  Moyennant accord des Ministres visés à l'alinéa 1er, chacun de Nos Ministres et secrétaires d'Etat peut fixer, dans le cadre déontologique, des règles de conduite complémentaires propres à assurer le respect, en fonction des particularités des services placés sous leur autorité, des dispositions visées à l'alinéa 1er.
  Les supérieurs hiérarchiques ont un rôle d'exemples en matière de déontologie. "
Art.2. In artikel 16 van hetzelfde besluit, wordt 5°, opgeheven bij het koninklijk besluit van 13 mei 1999, in de volgende lezing hersteld :
  " 5° zich niet persoonlijk bevinden in een toestand van belangenconflict; ".
Art.2. Dans l'article 16 du même arrêté, le 5° abrogé par l'arrêté royal du 13 mai 1999, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " 5° ne pas être personnellement dans une situation de conflit d'intérêt; ".
Art.3. Artikel 45 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1964, wordt aangevuld als volgt :
  " Indien zij weigeren de eed af te leggen, wordt hun benoeming als onbestaand beschouwd. "
Art.3. L'article 45 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 16 mars 1964, est complété par la disposition suivante :
  " S'ils refusent de prêter serment, leur nomination est censée ne pas avoir eu lieu. "
Art.4. Artikel 48 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  " Art. 48. De houders van de management- en staffuncties leggen de eed af in de handen van de Minister of van de Voorzitter van het directiecomité wanneer de Minister hem hiertoe machtiging verleent.
  Zij leggen de eed af op het ogenblik van hun indiensttreding.
  De eed wordt afgelegd in de termen bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831.
  Indien zij weigeren de eed af te leggen, wordt hun aanwijzing als onbestaand beschouwd. "
Art.4. L'article 48 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 48. Les titulaires des fonctions de management et des fonctions d'encadrement prêtent serment entre les mains du Ministre ou du Président du comité de direction si le Ministre le délègue à cet effet.
  Ils prêtent serment au moment de leur entrée en fonction.
  Le serment s'énonce dans les termes fixés par l'article 2 du décret du 20 juillet 1831.
  S'ils refusent de prêter serment, leur désignation est censée ne pas avoir eu lieu. "
Art.5. Het opschrift van deel V van hetzelfde besluit wordt vervangen door het volgende opschrift :
  " Deel V. - De mutatie. "
Art.5. L'intitulé de la partie V du même arrêté est remplacé par l'intitulé suivant :
  " Partie V. - De la mutation. "
Art.6. Artikel 49 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  " Art. 49. § 1. De rijksambtenaar kan, op zijn verzoek, door overplaatsing, worden aangewezen voor een betrekking die overeenstemt met zijn klasse, zijn graad of een gelijkwaardige graad en die in een andere dienst van zijn federale overheidsdienst of programmatorische federale overheidsdienst vacant is.
  De gegadigde voor een overplaatsing zendt zijn aanvraag aan de minister onder wie hij ressorteert of aan diens gemachtigde door middel van een formulier waarvan het model wordt bepaald door de minister tot wiens bevoegdheid ambtenarenzaken behoort. De aanvraag wordt gedaan bij ter post aangetekende brief.
  Terzelfder tijd en langs hiërarchische weg zendt de ambtenaar, ter kennisgeving, een afschrift van zijn aanvraag aan de voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde.
  Er wordt ontvangstmelding van zijn aanvraag gedaan.
  De mutatieaanvraag is drie jaar geldig. Wanneer die termijn voorbij is en de aanvraag niet, op initiatief van de ambtenaar, hernieuwd wordt per bij de post aangetekende zending, verliest ze elke uitwerking.
  Het hernieuwen van de aanvraag verlengt de geldigheidstermijn van de aanvraag voor een nieuwe termijn van drie jaar.
  § 2. Om een overplaatsing te verkrijgen moet de rijksambtenaar voldoen aan de voorwaarden inzake evaluatie en administratieve stand die zijn vastgelegd in artikel 75, § 3, alsook aan de voorwaarden die met toepassing van artikel 6 zijn voorgeschreven om de betrekking te bekleden.
  § 3. De kandidaten voor de overplaatsing worden in deze volgorde gerangschikt :
  1° de kandidaat met de grootste klasse- of graadanciënniteit;
  2° bij gelijke klasse- of graadanciënniteit, de kandidaat met de grootste dienstanciënniteit;
  3° bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste kandidaat. "
Art.6. L'article 49 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
  " Art 49. § 1er. L'agent de l'Etat peut, à sa demande, être affecté, par mutation à un emploi correspondant à sa classe, à son grade ou à un grade équivalent qui est vacant dans un autre service de son service public fédéral ou de son service public fédéral de programmation.
  Le candidat à la mutation envoie sa demande au ministre dont il relève ou à son délégué, au moyen d'un formulaire dont le modèle est déterminé par le ministre qui a la fonction publique dans ses attributions. La demande est faite par lettre recommandée à la poste.
  En même temps et par la voie hiérarchique, l'agent adresse une copie de sa demande, pour information, au président du comité de direction ou son délégué.
  Il est accusé réception de sa demande.
  La demande de mutation est valable trois ans. Passé ce délai et à défaut de renouvellement de la demande, à l'initiative de l'agent, par lettre recommandée à la poste, elle perd tout effet.
  Le renouvellement de la demande prolonge le délai de validité de la demande pour un nouveau délai de trois ans.
  § 2. Pour obtenir une mutation, l'agent de l'Etat doit satisfaire aux conditions d'évaluation et de position administrative fixées à l'article 75, § 3, ainsi qu'aux conditions prescrites pour occuper l'emploi en application de l'article 6.
  § 3. Les candidats à la mutation sont classés dans l'ordre suivant :
  1° le candidat le plus ancien dans la classe ou dans le grade;
  2° à égalité d'ancienneté de classe ou de grade, le candidat dont l'ancienneté de service est la plus grande;
  3° à égalité d'ancienneté de service, le candidat le plus âgé. "
Art.7. Artikel 52 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1964, wordt opgeheven.
Art.7. L'article 52 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 16 mars 1964, est abrogé.
HOOFDSTUK II. - Wijziging aan het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en de afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen.
CHAPITRE II. - Modification de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences du personnel des administrations de l'Etat.
Art.8. Artikel 115 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en de afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen wordt aangevuld als volgt :
  " Hij is verplicht zijn dienst op de hoogte te brengen van de aard van die activiteit. "
Art.8. L'article 115 de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat est complété par la disposition suivante :
  " Il est tenu d'informer son service de la nature de cette activité ".
Art.9. In artikel 122, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, worden de woorden " Behoudens onverenigbaarheden die voortvloeien uit het statuut dat op de ambtenaar toepasselijk is " vervangen door de woorden " Behoudens de bepalingen inzake belangenconflicten en mits voorafgaandelijke mededeling aan de overheid door de ambtenaar van de aard van de uitgeoefende activiteit ".
Art.9. Dans l'article 122, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté, les mots " Sous réserve des incompatibilités découlant du statut applicable à l'agent " sont remplacés par les mots " Sous réserve des dispositions relatives aux conflits d'intérêts et moyennant information préalable à l'autorité par l'agent de la nature de l'activité exercée ".
HOOFDSTUK III. - Wijziging van het koninklijk besluit van 25 april 2005 tot vaststelling van de voorwaarden voor de indienstneming bij arbeidsovereenkomst in sommige overheidsdiensten.
CHAPITRE III. - Modification de l'arrêté royal du 25 avril 2005 fixant les conditions d'engagement par contrat de travail dans certains services publics.
Art.10. In artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit van 25 april 2005 tot vaststelling van de voorwaarden voor de indienstneming bij arbeidsovereenkomst in sommige overheidsdiensten, worden de woorden " 2° en 3° " vervangen door de woorden " 2°, 3° en 5° ".
Art.10. Dans l'article 2, 1°, de l'arrêté royal du 25 avril 2005 fixant les conditions d'engagement par contrat de travail dans certains services publics, les mots " 2° et 3° " sont remplacés par les mots " 2°, 3° et 5° ".
HOOFDSTUK IV. - Diverse bepalingen.
CHAPITRE IV. - Dispositions diverses.
Art.11. Artikel 447 van de programmawet (I) van 24 december 2002 treedt in werking.
Art.11. L'article 447 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 entre en vigueur.
Art.12. De activiteiten uitgeoefend in cumulatie bij de inwerkingtreding van dit besluit kunnen verder gezet worden, op grond van de vroegere bepalingen tot de eerste dag van de twaalfde maand die volgt op zijn inwerkingtreding.
  De activiteiten uitgeoefend in cumulatie bij de inwerkingtreding van dit besluit kunnen verder gezet worden, zonder termijn, wanneer zij voortvloeien ofwel uit de wet van 18 september 1986 tot instelling van het politiek verlof voor de personeelsleden van de overheidsdiensten, ofwel uit een ambtshalve aanwijzing door de bevoegde overheid.
Art.12. Les activités exercées en cumul à l'entrée en vigueur du présent arrêté peuvent se poursuivre sur la base des dispositions antérieures jusqu'au premier jour du douzième mois qui suit celui de son entrée en vigueur.
  Les activités exercées en cumul à l'entrée en vigueur du présent arrêté peuvent se poursuivre sans délai si elles résultent soit de la loi du 18 septembre 1986 instituant le congé politique pour les membres du personnel des services publics, soit d'une désignation d'office par l'autorité compétente.
Art.13. Artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut, gewijzigd bij koninklijke besluiten van 20 augustus 1973, 10 mei 1976, 13 september 1979, 16 november 1979, 26 januari 1984, 13 juli 1987, 25 november 1993, 14 september 1994, 17 maart 1995, 31 maart 1995, 10 april 1995, 6 februari 1997, 15 september 1997, 19 november 1998, 26 april 1999, 5 september 2002, 14 oktober 2002, 4 augustus 2004, 10 augustus 2005, 6 oktober 2005, 16 maart 2006, 12 juni 2006, 7 maart 2007 en 26 april 2007 wordt als volgt aangevuld :
  " 44° Koninklijk besluit van 14 juni 2007 houdende wijziging van verscheidene reglementaire bepalingen ".
Art.13. L'article 3, § 1er, de l'arrêté royal du 8 janvier 1973 fixant le statut du personnel de certains organismes d'intérêt public, modifié par les arrêtés royaux des 20 août 1973, 10 mai 1976, 13 septembre 1979, 16 novembre 1979, 26 janvier 1984, 13 juillet 1987, 25 novembre 1993, 14 septembre 1994, 17 mars 1995, 31 mars 1995, 10 avril 1995, 6 février 1997, 15 septembre 1997, 19 novembre 1998, 26 avril 1999, 5 septembre 2002, 14 octobre 2002, 4 août 2004, 10 août 2005, 6 octobre 2005, 16 mars 2006, 12 juin 2006, 7 mars 2007 et 26 avril 2007 est complété comme suit :
  "44° Arrêté royal du 14 juin 2007 portant modification de diverses dispositions réglementaires ".
Art. 14. Onze Ministers en Onze Staatssecretarissen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 14 juni 2007.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Begroting,
  Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE
  De Minister van Ambtenarenzaken,
  C. DUPONT.
Art. 14. Nos Ministres et Nos Secrétaires d'Etat sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
  Donné à Bruxelles, le 14 juin 2007.
  ALBERT
  Par le Roi :
  La Ministre du Budget,
  Mme F. VAN DEN BOSSCHE
  Le Ministre de la Fonction publique,
  C. DUPONT.