Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
[1 Zij voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking) gedeeltelijk om.]1
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
12 JANUARI 2007. - Wet betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 07-05-2007 en tekstbijwerking tot 23-07-2025)
Titre
12 JANVIER 2007. - Loi sur l'accueil des demandeurs d'asile et de certaines autres catégories d'étrangers (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 07-05-2007 et mise à jour au 23-07-2025)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
BOEK I. - DEFINITIES, ALGEMENE BEGINSELEN EN TO...
TITEL I. - Definities.
TITEL II. - Algemene beginselen.
TITEL III. - Toepassingsgebied.
HOOFDSTUK I. - De materiële hulp.
HOOFDSTUK II. - Maatschappelijke dienstverlenin...
BOEK II. - BEPALINGEN BETREFFENDE DE AANDUIDING...
TITEL I. - Toewijzing van een verplichte plaats...
TITEL II. - Wijziging van de verplichte plaats ...
TITEL III. - Opheffing van de verplichte plaats...
BOEK III. - BEPALINGEN BETREFFENDE DE MATERIELE...
TITEL I. - Rechten en plichten van de begunstig...
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Afdeling I. - Informatie.
Afdeling II. - Huisvesting.
Afdeling III. - Evaluatie.
Afdeling IV. - Medische, psychologische, maatsc...
Onderafdeling I. - Medische begeleiding.
Onderafdeling II. - Psychologische begeleiding.
Onderafdeling III. - Maatschappelijke begeleiding.
Onderafdeling IV. - Juridische hulp.
Afdeling V. - Dagvergoeding en gemeenschapsdien...
Afdeling VI. - Opleidingen.
HOOFDSTUK I/1. [1 - Gevolgen van het uitoefenen...
HOOFDSTUK II. - Specifieke bepalingen betreffen...
Afdeling I. - Algemene bepalingen.
Afdeling II. - De minderjarigen.
TITEL II. - Overschakeling van materiële hulp n...
TITEL III. - Ordemaatregelen en sancties.
HOOFDSTUK I. - Ordemaatregelen.
HOOFDSTUK II. - Sancties.
HOOFDSTUK III. - Klachten en Beroep.
TITEL IV. - Personeelsleden van de opvangstruct...
TITEL V. - Integratie van collectieve opvangstr...
TITEL VI. - Programma voor vrijwillige terugkee...
BOEK IV. - FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE OPVANG V...
TITEL I. - Statuut, taken en bevoegdheden.
TITEL II. - Partners en controle van de kwalite...
BOEK V. - Slotbepalingen.
TITEL I. - Overgangsbepalingen.
TITEL II. - Wijzigingsbepalingen.
TITEL III. - Opheffingsbepalingen.
TITEL IV. - Inwerkingtreding.
Inhoud
LIVRE Ier. - DEFINITIONS, PRINCIPES GENERAUX ET...
TITRE Ier. - Définitions.
TITRE II. - Principes généraux.
TITRE III. - Champ d'application.
CHAPITRE Ier. - L'aide matérielle.
CHAPITRE II. - L'aide sociale octroyée par les ...
LIVRE II. - DISPOSITIONS RELATIVES A LA DETERMI...
TITRE Ier. - Désignation d'un lieu obligatoire ...
TITRE II. - Modification du lieu obligatoire d'...
TITRE III. - Suppression du lieu obligatoire d'...
LIVRE III. - DISPOSITIONS RELATIVES A L'AIDE MA...
TITRE Ier. - Droits et obligations des bénéfici...
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Section 1re. - Information.
Section II. - Hébergement.
Section III. - Evaluation.
Section IV. - Accompagnement médical, psycholog...
Sous-section 1re. - Accompagnement médical.
Sous-section II. - Accompagnement psychologique.
Sous-section III. - Accompagnement social.
Sous-section IV. - Aide juridique.
Section V. - Allocation journalière et services...
Section VI. - Formations.
CHAPITRE Ier/1. [1 - Conséquences de l'exercice...
CHAPITRE II. - Dispositions spécifiques applica...
Section 1re. - Dispositions générales.
Section II. - Les mineurs.
TITRE II. - De la transition de l'aide matériel...
TITRE III. - Mesures d'ordre et sanctions.
CHAPITRE Ier. - Mesures d'ordre.
CHAPITRE II. - Sanctions.
CHAPITRE III. - Plaintes et recours.
TITRE IV. - Des membres du personnel des struct...
TITRE V. - Intégration des structures d'accueil...
TITRE VI. - Programme de retour volontaire dans...
LIVRE IV. - L'AGENCE FEDERALE POUR L'ACCUEIL DE...
TITRE Ier. - Statut, missions et compétences.
TITRE II. - Des partenaires et du contrôle de l...
LIVRE V. - DISPOSITIONS FINALES.
TITRE Ier. - Dispositions transitoires.
TITRE II. - Dispositions modificatives.
TITRE III. - Dispositions abrogatoires.
TITRE IV. - Entrée en vigueur.
Tekst (123)
Texte (123)
BOEK I. - DEFINITIES, ALGEMENE BEGINSELEN EN TOEPASSINGSGEBIED
LIVRE Ier. - DEFINITIONS, PRINCIPES GENERAUX ET CHAMP D'APPLICATION.
TITEL I. - Definities.
TITRE Ier. - Définitions.
Article 1. La présente loi règle une matière visée par l'article 78 de la Constitution.
[1 Elle transpose partiellement la directive 2013/33/UE du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 établissant des normes pour l'accueil des personnes demandant la protection internationale (refonte).]1
[1 Elle transpose partiellement la directive 2013/33/UE du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 établissant des normes pour l'accueil des personnes demandant la protection internationale (refonte).]1
Wijzigingen
Art. 2. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
1° de asielzoeker : de vreemdeling die een asielaanvraag heeft [3 gedaan]3, hetzij tot erkenning van zijn hoedanigheid van vluchteling, hetzij tot erkenning van het subsidiair beschermingsstatuut;
2° de begunstigde van de opvang : de asielzoeker, zoals bedoeld in 1° en elke vreemdeling aan wie het voordeel van deze wet door één van haar bepalingen toegekend wordt;
3° de minderjarige : een persoon jonger dan achttien jaar;
4° de niet-begeleide minderjarige : een persoon van minder dan achttien jaar oud, die op het ogenblik van de toegang tot het grondgebied van het Rijk niet begeleid is of na het betreden van het grondgebied van het Rijk niet meer begeleid is door een persoon die het ouderlijk gezag of de voogdij over hem uitoefent op grond van de wet die van toepassing is overeenkomstig artikel 35 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht, en die in één van de volgende situaties verkeert :
- ofwel een aanvraag hebben [3 gedaan]3 in de zin van 1°;
- ofwel niet voldoen aan de voorwaarden inzake toegang tot en verblijf op het grondgebied vastgesteld in de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
5° de familieleden van de asielzoeker : in de mate dat de familie reeds in het land van oorsprong gesticht werd en indien ze omwille van de asielaanvraag op het grondgebied van het Rijk aanwezig zijn :
i) de echtgenoot van de asielzoeker, of zijn of haar niet gehuwde partner waarmee hij of zij een stabiele relatie heeft;
ii) de minderjarige kinderen van het koppel van de asielzoeker bedoeld in punt i) of van de asielzoeker, op voorwaarde dat ze niet getrouwd [3 ...]3 zijn, zonder discriminatie naar gelang zij binnen of buiten het huwelijk geboren zijn of dat zij geadopteerd werden.
6° de materiële hulp : de hulp die verleend wordt door het Agentschap of de partner binnen een opvangstructuur en die met name bestaat uit huisvesting, voedsel, kleding, medische, maatschappelijke en psychologische begeleiding en de toekenning van een dagvergoeding. Zij omvat eveneens de toegang tot juridische bijstand, de toegang tot diensten als tolkdiensten of opleidingen, evenals de toegang tot een programma voor vrijwillige terugkeer;
7° [1 de Minister : de Minister die bevoegd is voor Asiel en Migratie onder wie het Agentschap ressorteert;]1
8° het Agentschap : het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers;
9° de partner : de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon die door en op kosten van het Agentschap belast wordt met het verlenen van materiële hulp aan de begunstigde van de opvang overeenkomstig de bepalingen van deze wet;
10° de opvangstructuur : de collectieve of individuele structuur waarin materiële hulp wordt verschaft aan de begunstigde van de opvang en die door het Agentschap of door een partner beheerd wordt;
11° de directeur-generaal : de Directeur-generaal van het Agentschap;
[2 12° het terugkeertraject : het individueel begeleidingstraject dat aangeboden wordt door het Agentschap met het oog op de terugkeer. Het traject wordt geformaliseerd in een door de asielzoeker of de illegale vreemdeling en zijn gezinsleden ondertekend document, dat op zijn minst de rechten en plichten van de asielzoeker en een concrete timing voor de terugkeer vermeldt;]2
[2 13° de vrijwillige terugkeer : de terugkeer van een persoon naar zijn land van herkomst of een derde land waar hij toegelaten of gemachtigd is om te verblijven op het grondgebied, tengevolge van een zelfstandig genomen beslissing om beroep te doen op een programma voor bijstand aan terugkeer uitgewerkt door de overheid van het gastland.]2
[4 14° de Dublin-plaats: de opvangplaats in een collectieve opvangstructuur waar een specifieke maatschappelijke begeleiding wordt verstrekt, aangepast aan de administratieve situatie van de begunstigde van de opvang die in kennis is gesteld van een beslissing tot weigering van verblijf met overdrachtsmaatregel met toepassing van artikel 51/5, § 4, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. In een Dublin-plaats wordt er onder meer uitleg verstrekt over de beslissing tot vaststelling van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, de beschikbare rechtsmiddelen, de nadere regels en de termijn voor de uitvoering van de overdracht. De Dienst Vreemdelingenzaken is op geregelde tijdstippen ter plaatse aanwezig en verstrekt aan de begunstigde van de opvang de begeleiding in de zin van artikel 74/25 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;]4
[4 15° de open terugkeerplaats: de opvangplaats in een collectieve opvangstructuur, waar een specifieke maatschappelijke begeleiding wordt verstrekt, aangepast aan de administratieve situatie van de begunstigde van de opvang die in kennis is gesteld van een negatieve definitieve beslissing in het kader van een verzoek om internationale bescherming in de zin van artikel 1, § 1, 19°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. In een open terugkeerplaats wordt er onder meer uitleg verstrekt over de gevolgen van de negatieve definitieve beslissing en wordt er begeleiding bij de vrijwillige terugkeer aangeboden. De Dienst Vreemdelingenzaken is op geregelde tijdstippen ter plaatse aanwezig en verstrekt aan de begunstigde van de opvang de begeleiding in de zin van artikel 74/24 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.]4
1° de asielzoeker : de vreemdeling die een asielaanvraag heeft [3 gedaan]3, hetzij tot erkenning van zijn hoedanigheid van vluchteling, hetzij tot erkenning van het subsidiair beschermingsstatuut;
2° de begunstigde van de opvang : de asielzoeker, zoals bedoeld in 1° en elke vreemdeling aan wie het voordeel van deze wet door één van haar bepalingen toegekend wordt;
3° de minderjarige : een persoon jonger dan achttien jaar;
4° de niet-begeleide minderjarige : een persoon van minder dan achttien jaar oud, die op het ogenblik van de toegang tot het grondgebied van het Rijk niet begeleid is of na het betreden van het grondgebied van het Rijk niet meer begeleid is door een persoon die het ouderlijk gezag of de voogdij over hem uitoefent op grond van de wet die van toepassing is overeenkomstig artikel 35 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht, en die in één van de volgende situaties verkeert :
- ofwel een aanvraag hebben [3 gedaan]3 in de zin van 1°;
- ofwel niet voldoen aan de voorwaarden inzake toegang tot en verblijf op het grondgebied vastgesteld in de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
5° de familieleden van de asielzoeker : in de mate dat de familie reeds in het land van oorsprong gesticht werd en indien ze omwille van de asielaanvraag op het grondgebied van het Rijk aanwezig zijn :
i) de echtgenoot van de asielzoeker, of zijn of haar niet gehuwde partner waarmee hij of zij een stabiele relatie heeft;
ii) de minderjarige kinderen van het koppel van de asielzoeker bedoeld in punt i) of van de asielzoeker, op voorwaarde dat ze niet getrouwd [3 ...]3 zijn, zonder discriminatie naar gelang zij binnen of buiten het huwelijk geboren zijn of dat zij geadopteerd werden.
6° de materiële hulp : de hulp die verleend wordt door het Agentschap of de partner binnen een opvangstructuur en die met name bestaat uit huisvesting, voedsel, kleding, medische, maatschappelijke en psychologische begeleiding en de toekenning van een dagvergoeding. Zij omvat eveneens de toegang tot juridische bijstand, de toegang tot diensten als tolkdiensten of opleidingen, evenals de toegang tot een programma voor vrijwillige terugkeer;
7° [1 de Minister : de Minister die bevoegd is voor Asiel en Migratie onder wie het Agentschap ressorteert;]1
8° het Agentschap : het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers;
9° de partner : de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon die door en op kosten van het Agentschap belast wordt met het verlenen van materiële hulp aan de begunstigde van de opvang overeenkomstig de bepalingen van deze wet;
10° de opvangstructuur : de collectieve of individuele structuur waarin materiële hulp wordt verschaft aan de begunstigde van de opvang en die door het Agentschap of door een partner beheerd wordt;
11° de directeur-generaal : de Directeur-generaal van het Agentschap;
[2 12° het terugkeertraject : het individueel begeleidingstraject dat aangeboden wordt door het Agentschap met het oog op de terugkeer. Het traject wordt geformaliseerd in een door de asielzoeker of de illegale vreemdeling en zijn gezinsleden ondertekend document, dat op zijn minst de rechten en plichten van de asielzoeker en een concrete timing voor de terugkeer vermeldt;]2
[2 13° de vrijwillige terugkeer : de terugkeer van een persoon naar zijn land van herkomst of een derde land waar hij toegelaten of gemachtigd is om te verblijven op het grondgebied, tengevolge van een zelfstandig genomen beslissing om beroep te doen op een programma voor bijstand aan terugkeer uitgewerkt door de overheid van het gastland.]2
[4 14° de Dublin-plaats: de opvangplaats in een collectieve opvangstructuur waar een specifieke maatschappelijke begeleiding wordt verstrekt, aangepast aan de administratieve situatie van de begunstigde van de opvang die in kennis is gesteld van een beslissing tot weigering van verblijf met overdrachtsmaatregel met toepassing van artikel 51/5, § 4, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. In een Dublin-plaats wordt er onder meer uitleg verstrekt over de beslissing tot vaststelling van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, de beschikbare rechtsmiddelen, de nadere regels en de termijn voor de uitvoering van de overdracht. De Dienst Vreemdelingenzaken is op geregelde tijdstippen ter plaatse aanwezig en verstrekt aan de begunstigde van de opvang de begeleiding in de zin van artikel 74/25 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;]4
[4 15° de open terugkeerplaats: de opvangplaats in een collectieve opvangstructuur, waar een specifieke maatschappelijke begeleiding wordt verstrekt, aangepast aan de administratieve situatie van de begunstigde van de opvang die in kennis is gesteld van een negatieve definitieve beslissing in het kader van een verzoek om internationale bescherming in de zin van artikel 1, § 1, 19°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. In een open terugkeerplaats wordt er onder meer uitleg verstrekt over de gevolgen van de negatieve definitieve beslissing en wordt er begeleiding bij de vrijwillige terugkeer aangeboden. De Dienst Vreemdelingenzaken is op geregelde tijdstippen ter plaatse aanwezig en verstrekt aan de begunstigde van de opvang de begeleiding in de zin van artikel 74/24 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.]4
Art. 2. Pour l'application de la présente loi, il faut entendre par :
1° le demandeur d'asile : l'étranger qui a [3 présenté]3 une demande d'asile, ayant pour objectif soit la reconnaissance du statut de réfugié, soit l'octroi du statut de protection subsidiaire;
2° le bénéficiaire de l'accueil : le demandeur d'asile, tel que défini au 1° ainsi que tout étranger auquel le bénéfice de la présente loi est étendu par l'une de ses dispositions;
3° le mineur : une personne de moins de dix-huit ans;
4° le mineur non accompagné : une personne de moins de dix-huit ans non accompagnée au moment de son entrée sur le territoire du Royaume ou cessant d'être accompagnée postérieurement à celle-ci par une personne exerçant sur lui l'autorité parentale ou la tutelle, en vertu de la loi applicable conformément à l'article 35 de la loi du 16 juillet 2004 portant le Code de droit international privé, et se trouvant dans l'une des situations suivantes :
- soit, avoir [3 présenté]3 une demande d'asile au sens du 1°;
- soit, ne pas satisfaire aux conditions d'accès au territoire et de séjour déterminées par les lois sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
5° les membres de la famille du demandeur d'asile : dans la mesure où la famille était déjà fondée dans le pays d'origine et s'ils sont présents sur le territoire du Royaume en raison de la demande d'asile :
i) le conjoint du demandeur d'asile, ou son ou sa partenaire non marié(e) avec lequel (laquelle) il a une relation stable;
ii) les enfants mineurs du couple du demandeur d'asile visé au point i) ou du demandeur d'asile, à condition qu'ils soient non mariés [3 ...]3, sans discrimination selon qu'ils sont nés du mariage, hors mariage ou qu'ils ont été adoptés.
6° l'aide matérielle : l'aide octroyée par l'Agence ou le partenaire, au sein d'une structure d'accueil, et consistant notamment en l'hébergement, les repas, l'habillement, l'accompagnement médical, social et psychologique et l'octroi d'une allocation journalière. Elle comprend également l'accès à l'aide juridique, l'accès à des services tels que l'interprétariat et des formations ainsi que l'accès à un programme de retour volontaire;
7° [1 le Ministre : le Ministre qui a l'asile et la migration dans ses attributions, et dont relève l'Agence;]1
8° l'Agence : l'Agence fédérale pour l'accueil des demandeurs d'asile;
9° le partenaire : la personne morale de droit public ou de droit privé chargée par l'Agence et aux frais de celle-ci, de dispenser l'aide matérielle au bénéficiaire de l'accueil conformément aux dispositions de la présente loi;
10° la structure d'accueil : la structure communautaire ou individuelle au sein de laquelle l'aide matérielle est octroyée au bénéficiaire de l'accueil, qu'elle soit gérée par l'Agence ou un partenaire;
11° le directeur général : le Directeur général de l'Agence;
[2 12° le trajet de retour : le trajet d'accompagnement individuel offert par l'Agence en vue du retour. Le trajet est formalisé dans un document qui est signé par le demandeur d'asile ou par l'étranger en séjour illégal et par les membres de sa famille, et qui mentionne au moins les droits et devoirs du demandeur d'asile et un calendrier concret pour le retour;]2
[2 13° le retour volontaire : le retour d'une personne vers son pays d'origine ou vers un pays tiers sur le territoire duquel elle est admise ou autorisée au séjour, à la suite d'une décision autonome de faire appel à un programme d'aide au retour élaboré par les autorités du pays d'accueil.]2
[4 14° la place Dublin: la place d'accueil dans une structure d'accueil communautaire, où est assuré un accompagnement social spécifique, adapté à la situation administrative du bénéficiaire de l'accueil qui s'est vu notifier une décision de refus de séjour avec mesure de transfert en application de l'article 51/5, § 4, alinéa 1er, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers. Dans une place Dublin, des explications sont notamment données sur la décision déterminant l'Etat responsable de l'examen de la demande d'asile, les voies de recours disponibles, les modalités et le délai d'exécution du transfert. L'Office des Etrangers est présent à intervalles réguliers sur place et fournit au bénéficiaire de l'accueil l'accompagnement tel que visé à l'article 74/25 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;]4
[4 15° la place ouverte de retour: la place d'accueil dans une structure d'accueil communautaire, où est assuré un accompagnement social spécifique, adapté à la situation administrative du bénéficiaire de l'accueil qui s'est vu notifier une décision finale négative dans le cadre d'une demande de protection internationale au sens de l'article 1er, § 1er, 19°, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers. Dans une place ouverte de retour, des explications sont notamment données sur les conséquences de la décision finale négative et un accompagnement au retour volontaire est proposé. L'Office des Etrangers est présent à intervalles réguliers sur place et fournit au bénéficiaire de l'accueil l'accompagnement tel que visé à l'article 74/24 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.]4
1° le demandeur d'asile : l'étranger qui a [3 présenté]3 une demande d'asile, ayant pour objectif soit la reconnaissance du statut de réfugié, soit l'octroi du statut de protection subsidiaire;
2° le bénéficiaire de l'accueil : le demandeur d'asile, tel que défini au 1° ainsi que tout étranger auquel le bénéfice de la présente loi est étendu par l'une de ses dispositions;
3° le mineur : une personne de moins de dix-huit ans;
4° le mineur non accompagné : une personne de moins de dix-huit ans non accompagnée au moment de son entrée sur le territoire du Royaume ou cessant d'être accompagnée postérieurement à celle-ci par une personne exerçant sur lui l'autorité parentale ou la tutelle, en vertu de la loi applicable conformément à l'article 35 de la loi du 16 juillet 2004 portant le Code de droit international privé, et se trouvant dans l'une des situations suivantes :
- soit, avoir [3 présenté]3 une demande d'asile au sens du 1°;
- soit, ne pas satisfaire aux conditions d'accès au territoire et de séjour déterminées par les lois sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
5° les membres de la famille du demandeur d'asile : dans la mesure où la famille était déjà fondée dans le pays d'origine et s'ils sont présents sur le territoire du Royaume en raison de la demande d'asile :
i) le conjoint du demandeur d'asile, ou son ou sa partenaire non marié(e) avec lequel (laquelle) il a une relation stable;
ii) les enfants mineurs du couple du demandeur d'asile visé au point i) ou du demandeur d'asile, à condition qu'ils soient non mariés [3 ...]3, sans discrimination selon qu'ils sont nés du mariage, hors mariage ou qu'ils ont été adoptés.
6° l'aide matérielle : l'aide octroyée par l'Agence ou le partenaire, au sein d'une structure d'accueil, et consistant notamment en l'hébergement, les repas, l'habillement, l'accompagnement médical, social et psychologique et l'octroi d'une allocation journalière. Elle comprend également l'accès à l'aide juridique, l'accès à des services tels que l'interprétariat et des formations ainsi que l'accès à un programme de retour volontaire;
7° [1 le Ministre : le Ministre qui a l'asile et la migration dans ses attributions, et dont relève l'Agence;]1
8° l'Agence : l'Agence fédérale pour l'accueil des demandeurs d'asile;
9° le partenaire : la personne morale de droit public ou de droit privé chargée par l'Agence et aux frais de celle-ci, de dispenser l'aide matérielle au bénéficiaire de l'accueil conformément aux dispositions de la présente loi;
10° la structure d'accueil : la structure communautaire ou individuelle au sein de laquelle l'aide matérielle est octroyée au bénéficiaire de l'accueil, qu'elle soit gérée par l'Agence ou un partenaire;
11° le directeur général : le Directeur général de l'Agence;
[2 12° le trajet de retour : le trajet d'accompagnement individuel offert par l'Agence en vue du retour. Le trajet est formalisé dans un document qui est signé par le demandeur d'asile ou par l'étranger en séjour illégal et par les membres de sa famille, et qui mentionne au moins les droits et devoirs du demandeur d'asile et un calendrier concret pour le retour;]2
[2 13° le retour volontaire : le retour d'une personne vers son pays d'origine ou vers un pays tiers sur le territoire duquel elle est admise ou autorisée au séjour, à la suite d'une décision autonome de faire appel à un programme d'aide au retour élaboré par les autorités du pays d'accueil.]2
[4 14° la place Dublin: la place d'accueil dans une structure d'accueil communautaire, où est assuré un accompagnement social spécifique, adapté à la situation administrative du bénéficiaire de l'accueil qui s'est vu notifier une décision de refus de séjour avec mesure de transfert en application de l'article 51/5, § 4, alinéa 1er, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers. Dans une place Dublin, des explications sont notamment données sur la décision déterminant l'Etat responsable de l'examen de la demande d'asile, les voies de recours disponibles, les modalités et le délai d'exécution du transfert. L'Office des Etrangers est présent à intervalles réguliers sur place et fournit au bénéficiaire de l'accueil l'accompagnement tel que visé à l'article 74/25 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;]4
[4 15° la place ouverte de retour: la place d'accueil dans une structure d'accueil communautaire, où est assuré un accompagnement social spécifique, adapté à la situation administrative du bénéficiaire de l'accueil qui s'est vu notifier une décision finale négative dans le cadre d'une demande de protection internationale au sens de l'article 1er, § 1er, 19°, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers. Dans une place ouverte de retour, des explications sont notamment données sur les conséquences de la décision finale négative et un accompagnement au retour volontaire est proposé. L'Office des Etrangers est présent à intervalles réguliers sur place et fournit au bénéficiaire de l'accueil l'accompagnement tel que visé à l'article 74/24 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.]4
TITEL II. - Algemene beginselen.
TITRE II. - Principes généraux.
Art. 3. Elke asielzoeker heeft recht op een opvang die hem in staat moet stellen om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.
Onder opvang wordt de materiële hulp verstaan die op grond van deze wet toegekend wordt of de maatschappelijke dienstverlening die wordt verstrekt door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn overeenkomstig de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Onder opvang wordt de materiële hulp verstaan die op grond van deze wet toegekend wordt of de maatschappelijke dienstverlening die wordt verstrekt door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn overeenkomstig de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Art. 3. Tout demandeur d'asile a droit à un accueil devant lui permettre de mener une vie conforme à la dignité humaine.
Par accueil, on entend l'aide matérielle octroyée conformément à la présente loi ou l'aide sociale octroyée par les centres publics d'action sociale conformément à la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale.
Par accueil, on entend l'aide matérielle octroyée conformément à la présente loi ou l'aide sociale octroyée par les centres publics d'action sociale conformément à la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale.
Art. 4. [1 § 1. Het Agentschap kan het recht op materiële hulp beperken of, in uitzonderlijke gevallen, intrekken :
1° indien een asielzoeker de verplichte plaats van inschrijving die door het Agentschap werd toegewezen weigert, niet benut, of verlaat zonder het Agentschap op de hoogte te stellen of, indien toestemming vereist is, zonder toestemming te hebben verkregen; of
2° indien een asielzoeker gedurende een redelijke termijn niet voldoet aan de meldingsplicht of aan verzoeken om informatie te verstrekken of te verschijnen voor een persoonlijk onderhoud betreffende de asielprocedure; of
3° indien een asielzoeker een volgend verzoek heeft gedaan, tot aan de beslissing waarbij tot de ontvankelijkheid wordt besloten met toepassing van artikel 57/6/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; of
4° met toepassing van de artikelen 35/2 en 45, tweede lid, 8° en 9°.
[2 5° indien een asielzoeker reeds internationale bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie; of
6° indien een minderjarige vreemdeling in eigen naam een verzoek om internationale bescherming indient overeenkomstig artikel 57/1, § 2, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, terwijl een eerdere aanvraag ingediend door de ouders een definitieve negatieve beslissing heeft gekregen, totdat er een beslissing is genomen waarbij tot de ontvankelijkheid wordt besloten met toepassing van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 6°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.]2
§ 2. In de onder paragraaf 1, 1° en 2°, bedoelde gevallen, wordt indien de asielzoeker wordt opgespoord of zich vrijwillig meldt, een op de redenen voor de verdwijning gebaseerde beslissing genomen inzake het opnieuw verstrekken van sommige of alle beperkte of ingetrokken materiële opvangvoorzieningen.
§ 3. De in dit artikel bedoelde beslissingen tot beperking of intrekking van materiële opvangvoorzieningen worden individueel gemotiveerd. Deze worden genomen met inachtname van de specifieke situatie van de betrokkene, met name voor personen die onder artikel 36 van dezelfde wet vallen, en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel.
§ 4. Het recht op medische begeleiding zoals bedoeld in artikelen 24 en 25 en het recht op een waardige levensstandaard blijven echter gewaarborgd voor de asielzoeker bedoeld in dit artikel.]1
1° indien een asielzoeker de verplichte plaats van inschrijving die door het Agentschap werd toegewezen weigert, niet benut, of verlaat zonder het Agentschap op de hoogte te stellen of, indien toestemming vereist is, zonder toestemming te hebben verkregen; of
2° indien een asielzoeker gedurende een redelijke termijn niet voldoet aan de meldingsplicht of aan verzoeken om informatie te verstrekken of te verschijnen voor een persoonlijk onderhoud betreffende de asielprocedure; of
3° indien een asielzoeker een volgend verzoek heeft gedaan, tot aan de beslissing waarbij tot de ontvankelijkheid wordt besloten met toepassing van artikel 57/6/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; of
4° met toepassing van de artikelen 35/2 en 45, tweede lid, 8° en 9°.
[2 5° indien een asielzoeker reeds internationale bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie; of
6° indien een minderjarige vreemdeling in eigen naam een verzoek om internationale bescherming indient overeenkomstig artikel 57/1, § 2, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, terwijl een eerdere aanvraag ingediend door de ouders een definitieve negatieve beslissing heeft gekregen, totdat er een beslissing is genomen waarbij tot de ontvankelijkheid wordt besloten met toepassing van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 6°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.]2
§ 2. In de onder paragraaf 1, 1° en 2°, bedoelde gevallen, wordt indien de asielzoeker wordt opgespoord of zich vrijwillig meldt, een op de redenen voor de verdwijning gebaseerde beslissing genomen inzake het opnieuw verstrekken van sommige of alle beperkte of ingetrokken materiële opvangvoorzieningen.
§ 3. De in dit artikel bedoelde beslissingen tot beperking of intrekking van materiële opvangvoorzieningen worden individueel gemotiveerd. Deze worden genomen met inachtname van de specifieke situatie van de betrokkene, met name voor personen die onder artikel 36 van dezelfde wet vallen, en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel.
§ 4. Het recht op medische begeleiding zoals bedoeld in artikelen 24 en 25 en het recht op een waardige levensstandaard blijven echter gewaarborgd voor de asielzoeker bedoeld in dit artikel.]1
Art. 4. [1 § 1er. L'Agence peut limiter ou, dans des cas exceptionnels, retirer le droit à l'aide matérielle :
1° lorsqu'un demandeur d'asile refuse le lieu obligatoire d'inscription désigné par l'Agence, ne l'utilise pas ou l'abandonne sans en avoir informé l'Agence ou, si une autorisation est nécessaire à cet effet, sans l'avoir obtenue; ou
2° lorsqu'un demandeur d'asile ne respecte pas l'obligation de se présenter, ne répond pas aux demandes d'information ou ne se rend pas aux entretiens personnels concernant la procédure d'asile dans un délai raisonnable; ou
3° lorsqu'un demandeur d'asile présente une demande ultérieure, jusqu'à ce qu'une décision de recevabilité soit prise en application de l'article 57/6/2, § 1er, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers; ou
4° en application des articles 35/2 et 45, alinéa 2, 8° et 9°.
[2 5° lorsqu'un demandeur d'asile bénéficie déjà d'une protection internationale dans un autre Etat membre de l'Union européenne; ou
6° lorsqu'un étranger mineur introduit une demande de protection internationale en son nom conformément à l'article 57/1, § 2, alinéa 1er, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, alors qu'une demande précédente introduite par les parents a fait l'objet d'une décision finale négative, jusqu'à ce qu'une décision de recevabilité soit prise en application de l'article 57/6, § 3, alinéa 1er, 6°, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.]2
§ 2. Dans les cas visés au paragraphe 1er, 1° et 2°, lorsque le demandeur d'asile est retrouvé ou se présente volontairement, une décision fondée sur les raisons de sa disparition, est prise quant au rétablissement du bénéfice de certaines ou de l'ensemble des conditions matérielles d'accueil retirées ou réduites.
§ 3. Les décisions portant limitation ou retrait du bénéfice des conditions matérielles d'accueil visées au présent article sont individuellement motivées. Elles prennent en considération la situation particulière de la personne concernée, en particulier des personnes visées à l'article 36 de la même loi, et compte tenu du principe de proportionnalité.
§ 4. Le droit à l'accompagnement médical tel que visé aux articles 24 et 25 et le droit à un niveau de vie digne restent cependant garantis au demandeur d'asile visé dans le présent article.]1
1° lorsqu'un demandeur d'asile refuse le lieu obligatoire d'inscription désigné par l'Agence, ne l'utilise pas ou l'abandonne sans en avoir informé l'Agence ou, si une autorisation est nécessaire à cet effet, sans l'avoir obtenue; ou
2° lorsqu'un demandeur d'asile ne respecte pas l'obligation de se présenter, ne répond pas aux demandes d'information ou ne se rend pas aux entretiens personnels concernant la procédure d'asile dans un délai raisonnable; ou
3° lorsqu'un demandeur d'asile présente une demande ultérieure, jusqu'à ce qu'une décision de recevabilité soit prise en application de l'article 57/6/2, § 1er, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers; ou
4° en application des articles 35/2 et 45, alinéa 2, 8° et 9°.
[2 5° lorsqu'un demandeur d'asile bénéficie déjà d'une protection internationale dans un autre Etat membre de l'Union européenne; ou
6° lorsqu'un étranger mineur introduit une demande de protection internationale en son nom conformément à l'article 57/1, § 2, alinéa 1er, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, alors qu'une demande précédente introduite par les parents a fait l'objet d'une décision finale négative, jusqu'à ce qu'une décision de recevabilité soit prise en application de l'article 57/6, § 3, alinéa 1er, 6°, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.]2
§ 2. Dans les cas visés au paragraphe 1er, 1° et 2°, lorsque le demandeur d'asile est retrouvé ou se présente volontairement, une décision fondée sur les raisons de sa disparition, est prise quant au rétablissement du bénéfice de certaines ou de l'ensemble des conditions matérielles d'accueil retirées ou réduites.
§ 3. Les décisions portant limitation ou retrait du bénéfice des conditions matérielles d'accueil visées au présent article sont individuellement motivées. Elles prennent en considération la situation particulière de la personne concernée, en particulier des personnes visées à l'article 36 de la même loi, et compte tenu du principe de proportionnalité.
§ 4. Le droit à l'accompagnement médical tel que visé aux articles 24 et 25 et le droit à un niveau de vie digne restent cependant garantis au demandeur d'asile visé dans le présent article.]1
Art. 4/1. [1 Elke asielzoeker aan wie een terugkeercentrum wordt toegewezen in de zin van artikel 54, § 1 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, evenals zijn familieleden, houden op begunstigden van de opvang te zijn in de zin van de huidige wet. Deze hoedanigheid eindigt de dag volgend op de dag waarop de beslissing van toewijzing van een terugkeercentrum wordt betekend aan de betrokken asielzoeker.]1
Art. 4/1. [1 Tout demandeur d'asile auquel est désigné un centre de retour au sens de l'article 54, § 1er de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, ainsi que les membres de sa famille, cessent d'être des bénéficiaires de l'accueil au sens de la présente loi. Cette qualité se perd le lendemain du jour où la décision de désignation d'un centre de retour est notifiée au demandeur d'asile concerné.]1
Art. 5. Onverminderd [1 de toepassing van artikels 4, 35/2 en]1 de bepalingen van Boek III, Titel III betreffende ordemaatregelen en sancties, kan het recht op materiële hulp zoals beschreven in deze wet in geen geval opgeheven worden.
Art. 5. Sans préjudice [1 de l'application des articles 4, 35/2 et]1 du Livre III, Titre III relatif aux mesures d'ordre et sanctions, le bénéfice de l'aide matérielle décrite dans la présente loi ne pourra en aucun cas faire l'objet d'une suppression.
TITEL III. - Toepassingsgebied.
TITRE III. - Champ d'application.
HOOFDSTUK I. - De materiële hulp.
CHAPITRE Ier. - L'aide matérielle.
Art. 6. § 1. [1 Onverminderd de toepassing van [3 artikelen 4, 4/1 en 35/2]3 van de huidige wet, geldt het]1 [5 voordeel van materiële hulp]5 voor elke asielzoeker vanaf [5 het doen]5 van zijn asielaanvraag en is van kracht gedurende de hele asielprocedure [2 ...]2 [6 , voor zover de begunstigde van de opvang toelating heeft om als verzoeker op het grondgebied te verblijven]6.
[2 Tweede lid opgeheven.]2
[2 In het geval van een negatieve beslissing genomen na afloop van de asielprocedure, eindigt de materiële hulp [6 met kennisgeving van een definitieve negatieve beslissing in het kader van de procedure betreffende het verzoek om internationale bescherming, in de zin van artikel 1, § 1, 19°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen]6.]2 [6 De begunstigde van de opvang geniet gedurende dertig dagen vanaf de kennisgeving van de definitieve negatieve beslissing verder materiële hulp.]6 [4 Het indienen van een cassatieberoep bij de Raad van State doet geen recht op materiële hulp ontstaan. Tijdens de behandeling van het cassatieberoep is er slechts recht op materiële hulp nadat het cassatieberoep toelaatbaar is verklaard met toepassing van artikel 20, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.]4
Het recht op materiële hulp geldt ook voor de familieleden van de asielzoeker.
[1 Het recht op de materiële hulp eindigt evenwel wanneer een beroep voor de Raad van State wordt ingediend tegen de beslissing van toekenning van de subsidiaire bescherming en van weigering van het vluchtelingenstatuut. Het recht op materiële hulp eindigt eveneens wanneer een machtiging tot verblijf wordt toegekend van meer dan drie maanden op grond van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, aan een persoon van wie de asielprocedure of de procedure voor de Raad van State nog lopende is.]1
§ 2. Het recht op materiële hulp geldt eveneens voor de personen bedoeld in artikel 60 van deze wet.
[2 Tweede lid opgeheven.]2
[2 In het geval van een negatieve beslissing genomen na afloop van de asielprocedure, eindigt de materiële hulp [6 met kennisgeving van een definitieve negatieve beslissing in het kader van de procedure betreffende het verzoek om internationale bescherming, in de zin van artikel 1, § 1, 19°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen]6.]2 [6 De begunstigde van de opvang geniet gedurende dertig dagen vanaf de kennisgeving van de definitieve negatieve beslissing verder materiële hulp.]6 [4 Het indienen van een cassatieberoep bij de Raad van State doet geen recht op materiële hulp ontstaan. Tijdens de behandeling van het cassatieberoep is er slechts recht op materiële hulp nadat het cassatieberoep toelaatbaar is verklaard met toepassing van artikel 20, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.]4
Het recht op materiële hulp geldt ook voor de familieleden van de asielzoeker.
[1 Het recht op de materiële hulp eindigt evenwel wanneer een beroep voor de Raad van State wordt ingediend tegen de beslissing van toekenning van de subsidiaire bescherming en van weigering van het vluchtelingenstatuut. Het recht op materiële hulp eindigt eveneens wanneer een machtiging tot verblijf wordt toegekend van meer dan drie maanden op grond van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, aan een persoon van wie de asielprocedure of de procedure voor de Raad van State nog lopende is.]1
§ 2. Het recht op materiële hulp geldt eveneens voor de personen bedoeld in artikel 60 van deze wet.
Wijzigingen
Art. 6. § 1er. [1 Sans préjudice de l'application [3 des articles 4, 4/1 et 35/2]3 de la présente loi, le]1 bénéfice de l'aide matérielle s'applique à tout demandeur d'asile dès [5 la présentation]5 de sa demande d'asile et produit ses effets pendant toute la procédure d'asile [2 ...]2 [6 pour autant que le bénéficiaire de l'accueil soit autorisé à demeurer sur le territoire en qualité de demandeur]6.
[2 Alinéa 2 abrogé.]2
[2 En cas de décision négative rendue à l'issue de la procédure d'asile, l'aide matérielle prend fin [6 avec la notification d'une décision finale négative dans le cadre de la procédure de demande de protection internationale, au sens de l'article 1, § 1, 19°, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers]6.]2 [6 Le bénéficiaire de l'accueil continue à bénéficier de l'aide matérielle pour une durée de trente jours, à compter de la notification de la décision finale négative.]6 [4 L'introduction d'un recours en cassation au Conseil d'Etat, n'engendre pas de droit à une aide matérielle. Lors de l'examen du recours en cassation un droit à l'aide matérielle est garanti uniquement si le recours en cassation est déclaré admissible en application de l'article 20, § 2, des lois sur le Conseil d'Etat coordonnées le 12 janvier 1973.]4
Le bénéfice de l'aide matérielle s'applique également aux membres de la famille du demandeur d'asile.
[1 Le bénéfice de l'aide matérielle prend toutefois fin en cas de recours introduit devant le Conseil d'Etat contre la décision d'octroi de la protection subsidiaire et de refus du statut de réfugié. Le bénéfice de l'aide matérielle prend également fin lorsqu'une autorisation de séjour est accordée pour plus de trois mois sur la base de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, à une personne dont la procédure d'asile ou la procédure devant le Conseil d'Etat est toujours en cours.]1
§ 2. Le bénéfice de l'aide matérielle s'applique également aux personnes visées à l'article 60 de la présente loi.
[2 Alinéa 2 abrogé.]2
[2 En cas de décision négative rendue à l'issue de la procédure d'asile, l'aide matérielle prend fin [6 avec la notification d'une décision finale négative dans le cadre de la procédure de demande de protection internationale, au sens de l'article 1, § 1, 19°, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers]6.]2 [6 Le bénéficiaire de l'accueil continue à bénéficier de l'aide matérielle pour une durée de trente jours, à compter de la notification de la décision finale négative.]6 [4 L'introduction d'un recours en cassation au Conseil d'Etat, n'engendre pas de droit à une aide matérielle. Lors de l'examen du recours en cassation un droit à l'aide matérielle est garanti uniquement si le recours en cassation est déclaré admissible en application de l'article 20, § 2, des lois sur le Conseil d'Etat coordonnées le 12 janvier 1973.]4
Le bénéfice de l'aide matérielle s'applique également aux membres de la famille du demandeur d'asile.
[1 Le bénéfice de l'aide matérielle prend toutefois fin en cas de recours introduit devant le Conseil d'Etat contre la décision d'octroi de la protection subsidiaire et de refus du statut de réfugié. Le bénéfice de l'aide matérielle prend également fin lorsqu'une autorisation de séjour est accordée pour plus de trois mois sur la base de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, à une personne dont la procédure d'asile ou la procédure devant le Conseil d'Etat est toujours en cours.]1
§ 2. Le bénéfice de l'aide matérielle s'applique également aux personnes visées à l'article 60 de la présente loi.
Wijzigingen
Art. 6/1. [1 § 1. De asielzoeker heeft steeds de mogelijkheid om in te tekenen op een geïndividualiseerd terugkeertraject dat in samenspraak met het Agentschap wordt opgesteld.
Het terugkeertraject geeft voorrang aan de vrijwillige terugkeer.
§ 2. Ten laatste 5 dagen na een negatieve beslissing van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen biedt het Agentschap een eerste maal de terugkeerbegeleiding aan, waarbij aan de asielzoeker informatie verstrekt wordt met betrekking tot de mogelijkheden inzake het terugkeertraject.
§ 3. [2 Wanneer het recht op materiële hulp eindigt overeenkomstig artikel 6, § 1, tweede lid, wordt het terugkeertraject opgesteld en uitgevoerd binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving van de in artikel 6, § 1, tweede lid, bedoelde beslissing.]2
[2 De Dienst Vreemdelingenzaken wordt]2 op de hoogte gebracht en gehouden van de stand van zaken en de vordering van het terugkeertraject, dat vanaf dat moment gezamenlijk door het Agentschap en de Dienst Vreemdelingenzaken beheerd wordt. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de nadere regels voor deze informatie-uitwisseling en het gezamenlijk beheer van het traject bepalen.
Indien het Agentschap of de Dienst Vreemdelingenzaken van oordeel is dat de vreemdeling onvoldoende meewerkt aan het terugkeertraject, waardoor zijn vertrek door zijn eigen gedrag wordt uitgesteld, wordt het beheer van het terugkeertraject en het bijhorende administratieve dossier overgedragen aan de Dienst Vreemdelingenzaken, met het oog op een gedwongen terugkeer. Te dien einde kan de Dienst Vreemdelingenzaken de verplichte plaats van inschrijving wijzigen.
§ 4. Het Agentschap of de Dienst Vreemdelingenzaken kunnen de verplichte plaats van inschrijving wijzigen voor de duur van het traject. De Koning kan hiertoe de nadere regels bepalen, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad.]1
Het terugkeertraject geeft voorrang aan de vrijwillige terugkeer.
§ 2. Ten laatste 5 dagen na een negatieve beslissing van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen biedt het Agentschap een eerste maal de terugkeerbegeleiding aan, waarbij aan de asielzoeker informatie verstrekt wordt met betrekking tot de mogelijkheden inzake het terugkeertraject.
§ 3. [2 Wanneer het recht op materiële hulp eindigt overeenkomstig artikel 6, § 1, tweede lid, wordt het terugkeertraject opgesteld en uitgevoerd binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving van de in artikel 6, § 1, tweede lid, bedoelde beslissing.]2
[2 De Dienst Vreemdelingenzaken wordt]2 op de hoogte gebracht en gehouden van de stand van zaken en de vordering van het terugkeertraject, dat vanaf dat moment gezamenlijk door het Agentschap en de Dienst Vreemdelingenzaken beheerd wordt. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de nadere regels voor deze informatie-uitwisseling en het gezamenlijk beheer van het traject bepalen.
Indien het Agentschap of de Dienst Vreemdelingenzaken van oordeel is dat de vreemdeling onvoldoende meewerkt aan het terugkeertraject, waardoor zijn vertrek door zijn eigen gedrag wordt uitgesteld, wordt het beheer van het terugkeertraject en het bijhorende administratieve dossier overgedragen aan de Dienst Vreemdelingenzaken, met het oog op een gedwongen terugkeer. Te dien einde kan de Dienst Vreemdelingenzaken de verplichte plaats van inschrijving wijzigen.
§ 4. Het Agentschap of de Dienst Vreemdelingenzaken kunnen de verplichte plaats van inschrijving wijzigen voor de duur van het traject. De Koning kan hiertoe de nadere regels bepalen, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad.]1
Art. 6/1. [1 § 1er. Le demandeur d'asile a toujours la possibilité de souscrire à un trajet de retour individualisé établi en concertation avec l'Agence.
Le trajet de retour privilégie le retour volontaire.
§ 2. Au plus tard 5 jours après une décision négative du Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides, l'Agence propose une première fois l'accompagnement au retour, dans le cadre duquel le demandeur d'asile reçoit des informations relatives aux possibilités qui s'offrent à lui en ce qui concerne le trajet de retour.
§ 3. [2 Lorsque le droit à l'aide matérielle prend fin conformément à l'article 6, § 1er, alinéa 2, le trajet de retour est établi et exécuté dans un délai de trente jours à compter de la notification de la décision visée au même article 6, § 1er, alinéa 2.]2
[2 L'Office]2 des étrangers doit être informé et tenu au courant de la situation et de l'avancement du trajet de retour, qui est, à partir de ce moment, géré conjointement par l'Agence et l'Office des étrangers. Le Roi peut déterminer, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités de cet échange d'informations et de la gestion conjointe du trajet.
Si l'Agence ou l'Office des étrangers estime que le demandeur d'asile ne coopère pas suffisamment au trajet de retour, son départ étant reporté à cause de son seul comportement, la gestion du trajet de retour et le dossier administratif y afférent sont transférés à l'Office des étrangers, en vue d'un retour forcé. A cette fin, l'Office des étrangers peut modifier le lieu obligatoire d'inscription.
§ 4. L'Agence ou l'Office des étrangers peut modifier le lieu obligatoire d'inscription pour la durée du trajet. Le Roi peut déterminer les modalités en la matière, par arrêté délibéré en Conseil des ministres.]1
Le trajet de retour privilégie le retour volontaire.
§ 2. Au plus tard 5 jours après une décision négative du Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides, l'Agence propose une première fois l'accompagnement au retour, dans le cadre duquel le demandeur d'asile reçoit des informations relatives aux possibilités qui s'offrent à lui en ce qui concerne le trajet de retour.
§ 3. [2 Lorsque le droit à l'aide matérielle prend fin conformément à l'article 6, § 1er, alinéa 2, le trajet de retour est établi et exécuté dans un délai de trente jours à compter de la notification de la décision visée au même article 6, § 1er, alinéa 2.]2
[2 L'Office]2 des étrangers doit être informé et tenu au courant de la situation et de l'avancement du trajet de retour, qui est, à partir de ce moment, géré conjointement par l'Agence et l'Office des étrangers. Le Roi peut déterminer, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités de cet échange d'informations et de la gestion conjointe du trajet.
Si l'Agence ou l'Office des étrangers estime que le demandeur d'asile ne coopère pas suffisamment au trajet de retour, son départ étant reporté à cause de son seul comportement, la gestion du trajet de retour et le dossier administratif y afférent sont transférés à l'Office des étrangers, en vue d'un retour forcé. A cette fin, l'Office des étrangers peut modifier le lieu obligatoire d'inscription.
§ 4. L'Agence ou l'Office des étrangers peut modifier le lieu obligatoire d'inscription pour la durée du trajet. Le Roi peut déterminer les modalités en la matière, par arrêté délibéré en Conseil des ministres.]1
Art. 7. [1 § 1. Het recht op de materiële hulp wordt verlengd wanneer [6 de vreemdeling de opvangstructuur niet kan verlaten binnen de termijn bepaald in artikel 6, § 1, tweede lid, omdat]6 hij een familielid heeft of een persoon die het ouderlijk gezag of de voogdij over hem uitoefent op grond van de wet die van toepassing is overeenkomstig artikel 35 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht, die binnen het toepassingsveld van deze wet valt.
§ 2. Het recht op de materiële hulp kan verlengd worden, op met redenen omklede beslissing van het Agentschap, wanneer de vreemdeling [6 die de opvangstructuur niet kan verlaten binnen de termijn bepaald in artikel 6, § 1, tweede lid,]6 zich in één van volgende situaties bevindt en hiertoe een aanvraag indient :
1° [6 ...]6 met het oog op het beëindigen van het schooljaar [6 ...]6 en dit ten vroegste drie maanden voor het einde van het schooljaar. De verlenging van het recht op de materiële hulp eindigt [6 aan het einde van het schooljaar]6;
2° [6 ...]6 omwille van een zwangerschap. De verlenging van het recht op de materiële hulp geldt ten vroegste vanaf de zevende maand van de zwangerschap en eindigt ten laatste na afloop van de tweede maand na de bevalling;
3° [6 omdat hij ingetekend heeft om begeleid vrijwillig terug te keren in de zin van artikel 6/1, maar dat de terugkeer nog niet kon plaatsvinden door omstandigheden buiten zijn wil die deze terugkeer tijdelijk belemmeren. Het Agentschap controleert het voortbestaan van deze omstandigheden;]6
4° [6 omdat hij]6 ouder is van een Belgisch kind en een aanvraag tot machtiging tot verblijf heeft ingediend bij de autoriteiten bevoegd voor asiel en migratie op grond van artikel 9bis van voornoemde wet van 15 december 1980. De verlenging van het recht op de materiële hulp eindigt wanneer de autoriteiten bevoegd voor asiel en migratie zich hebben uitgesproken over de aanvraag tot machtiging tot verblijf;
5° [2 ...]2
6° [6 ...]6 om gestaafde medische redenen en steunend op een aanvraag tot machtiging tot verblijf ingediend op grond van artikel 9ter van voornoemde wet van 15 december 1980, zich in de onmogelijkheid bevindt om de opvangstructuur waar hij verblijft, te verlaten.
In de in het eerste lid, 6°, beoogde hypothese moet de vreemdeling met een getuigschrift van een geneesheer dat ter ondersteuning van zijn aanvraag werd ingediend, staven dat hij zich bevindt in deze situatie van medische onmogelijkheid om de opvangstructuur te verlaten. Als het dit vereist acht, vraagt het Agentschap bijkomend medisch advies. Het Agentschap voert periodiek een controle uit van het voortbestaan van het motief van medische onmogelijkheid om de opvangstructuur te verlaten. De verlenging van het recht op de materiële hulp eindigt wanneer deze controle aantoont dat de medische onmogelijkheid niet langer bestaat, en, in ieder geval, op het ogenblik van de betekening van de beslissing betreffende de ontvankelijkheid van de aanvraag tot machtiging tot verblijf.
De in huidige paragraaf beoogde aanvragen moeten, op straffe van onontvankelijkheid, worden ingediend alvorens de in artikel 6, § 1, derde lid, beoogde termijn verstrijkt.
Zolang het Agentschap de in het eerste lid beoogde met redenen omklede beslissing niet betekend heeft aan de vreemdeling, die op basis van huidige paragraaf een aanvraag indiende, wordt het recht op de materiële hulp voorlopig verlengd.
Om aanspraak te kunnen maken op huidige paragraaf, mag de asielprocedure van de vreemdeling niet het voorwerp hebben uitgemaakt [5 ...]5 van een beslissing die een andere Staat dan de Belgische aanwijst als verantwoordelijke voor de behandeling van de asielaanvraag in toepassing van artikel 51/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen [5 ...]5.
§ 3. In bijzondere omstandigheden betreffende het respect voor de menselijke waardigheid kan het Agentschap afwijken van de voorwaarden die door huidige bepaling gesteld worden.]1
[3 Dit artikel vindt toepassing onverminderd de toepassing van artikel 4/1.]3
§ 2. Het recht op de materiële hulp kan verlengd worden, op met redenen omklede beslissing van het Agentschap, wanneer de vreemdeling [6 die de opvangstructuur niet kan verlaten binnen de termijn bepaald in artikel 6, § 1, tweede lid,]6 zich in één van volgende situaties bevindt en hiertoe een aanvraag indient :
1° [6 ...]6 met het oog op het beëindigen van het schooljaar [6 ...]6 en dit ten vroegste drie maanden voor het einde van het schooljaar. De verlenging van het recht op de materiële hulp eindigt [6 aan het einde van het schooljaar]6;
2° [6 ...]6 omwille van een zwangerschap. De verlenging van het recht op de materiële hulp geldt ten vroegste vanaf de zevende maand van de zwangerschap en eindigt ten laatste na afloop van de tweede maand na de bevalling;
3° [6 omdat hij ingetekend heeft om begeleid vrijwillig terug te keren in de zin van artikel 6/1, maar dat de terugkeer nog niet kon plaatsvinden door omstandigheden buiten zijn wil die deze terugkeer tijdelijk belemmeren. Het Agentschap controleert het voortbestaan van deze omstandigheden;]6
4° [6 omdat hij]6 ouder is van een Belgisch kind en een aanvraag tot machtiging tot verblijf heeft ingediend bij de autoriteiten bevoegd voor asiel en migratie op grond van artikel 9bis van voornoemde wet van 15 december 1980. De verlenging van het recht op de materiële hulp eindigt wanneer de autoriteiten bevoegd voor asiel en migratie zich hebben uitgesproken over de aanvraag tot machtiging tot verblijf;
5° [2 ...]2
6° [6 ...]6 om gestaafde medische redenen en steunend op een aanvraag tot machtiging tot verblijf ingediend op grond van artikel 9ter van voornoemde wet van 15 december 1980, zich in de onmogelijkheid bevindt om de opvangstructuur waar hij verblijft, te verlaten.
In de in het eerste lid, 6°, beoogde hypothese moet de vreemdeling met een getuigschrift van een geneesheer dat ter ondersteuning van zijn aanvraag werd ingediend, staven dat hij zich bevindt in deze situatie van medische onmogelijkheid om de opvangstructuur te verlaten. Als het dit vereist acht, vraagt het Agentschap bijkomend medisch advies. Het Agentschap voert periodiek een controle uit van het voortbestaan van het motief van medische onmogelijkheid om de opvangstructuur te verlaten. De verlenging van het recht op de materiële hulp eindigt wanneer deze controle aantoont dat de medische onmogelijkheid niet langer bestaat, en, in ieder geval, op het ogenblik van de betekening van de beslissing betreffende de ontvankelijkheid van de aanvraag tot machtiging tot verblijf.
De in huidige paragraaf beoogde aanvragen moeten, op straffe van onontvankelijkheid, worden ingediend alvorens de in artikel 6, § 1, derde lid, beoogde termijn verstrijkt.
Zolang het Agentschap de in het eerste lid beoogde met redenen omklede beslissing niet betekend heeft aan de vreemdeling, die op basis van huidige paragraaf een aanvraag indiende, wordt het recht op de materiële hulp voorlopig verlengd.
Om aanspraak te kunnen maken op huidige paragraaf, mag de asielprocedure van de vreemdeling niet het voorwerp hebben uitgemaakt [5 ...]5 van een beslissing die een andere Staat dan de Belgische aanwijst als verantwoordelijke voor de behandeling van de asielaanvraag in toepassing van artikel 51/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen [5 ...]5.
§ 3. In bijzondere omstandigheden betreffende het respect voor de menselijke waardigheid kan het Agentschap afwijken van de voorwaarden die door huidige bepaling gesteld worden.]1
[3 Dit artikel vindt toepassing onverminderd de toepassing van artikel 4/1.]3
Wijzigingen
Art. 7. [1 § 1er. Le bénéfice de l'aide matérielle est prolongé quand l'étranger [6 se trouve dans l'impossibilité de quitter la structure d'accueil dans le délai visé à l'article 6, § 1er, alinéa 2, parce qu'il]6 a un membre de sa famille ou une personne exerçant sur lui l'autorité parentale ou la tutelle en vertu de la loi applicable conformément à l'article 35 de la loi du 16 juillet 2004 portant le Code de droit international privé, qui entre dans le champ d'application de la présente loi.
§ 2. Le bénéfice de l'aide matérielle peut être prolongé, sur décision motivée de l'Agence, quand l'étranger [6 qui se trouve dans l'impossibilité de quitter la structure d'accueil dans le délai visé à l'article 6, § 1er, alinéa 2,]6 se trouve dans une des situations suivantes et en fait la demande :
1° [6 ...]6 en vue de terminer l'année scolaire, [6 ...]6 et ce au plus tôt trois moins avant la fin de l'année scolaire. La prolongation du droit à l'aide matérielle se termine [6 à la fin de l'année scolaire]6;
2° [6 ...]6 en raison de sa grossesse. La prolongation du droit à l'aide matérielle s'applique au plus tôt à partir du septième mois de grossesse et se termine au plus tard à la fin du deuxième mois suivant l'accouchement;
3° [6 car il a souscrit à un accompagnement au retour volontaire au sens de l'article 6/1, mais que le retour n'a pas encore pu avoir lieu en raison de circonstances indépendantes de sa volonté, qui font temporairement obstacle à celui-ci. L'Agence contrôle la persistance de ces circonstances;]6
4° [6 parce qu'il]6 est parent d'un enfant belge et qui a introduit une demande d'autorisation de séjour auprès des autorités compétentes en matière d'asile et de migration sur la base de l'article 9bis de la loi du 15 décembre 1980. La prolongation du droit à l'aide matérielle se termine quand les autorités compétentes en matière d'asile et de migration se sont prononcées sur la demande d'autorisation de séjour;
5° [2 ...]2
6° [6 ...]6 pour des raisons médicales certifiées et étayées par une demande d'autorisation de séjour introduite sur la base de l'article 9ter de la loi du 15 décembre 1980 précitée, et qui n'est pas en mesure de quitter la structure d'accueil dans laquelle il réside.
Dans l'hypothèse visée à l'alinéa 1er, 6°, l'étranger doit justifier, par le biais d'une attestation d'un médecin déposée à l'appui de sa demande, qu'il se trouve dans cette situation d'impossibilité médicale de quitter la structure d'accueil. Si elle l'estime requis, l'Agence sollicite un avis médical complémentaire. Un contrôle de la persistance du motif d'impossibilité médicale de quitter la structure d'accueil est effectué périodiquement par l'Agence. La prolongation du droit à l'aide matérielle prend fin quand ce contrôle démontre que l'impossibilité médicale ne persiste plus, et, en toute hypothèse, au moment de la notification de la décision quant à la recevabilité de la demande d'autorisation de séjour.
Les demandes visées dans le présent paragraphe doivent, sous peine d'irrecevabilité, être introduites avant l'issue du délai visé à l'article 6, § 1er, alinéa 3.
Tant que l'Agence n'a pas notifié à l'étranger, qui a introduit une demande sur la base du présent paragraphe, la décision motivée visée à l'alinéa 1er, le bénéfice de l'aide matérielle est prolongé provisoirement.
Pour que l'étranger puisse se prévaloir du bénéfice du présent paragraphe, la procédure d'asile ne doit pas avoir fait l'objet [5 ...]5 d'une décision désignant un autre Etat que l'Etat belge comme responsable du traitement de la demande d'asile en application de l'article 51/5 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers [5 ...]5.
§ 3. Dans des circonstances particulières liées au respect de la dignité humaine, l'Agence peut déroger aux conditions fixées par la présente disposition.]1
[3 § 4. L'application du présent article se fait sans préjudice de l'application de l'article 4/1.]3
§ 2. Le bénéfice de l'aide matérielle peut être prolongé, sur décision motivée de l'Agence, quand l'étranger [6 qui se trouve dans l'impossibilité de quitter la structure d'accueil dans le délai visé à l'article 6, § 1er, alinéa 2,]6 se trouve dans une des situations suivantes et en fait la demande :
1° [6 ...]6 en vue de terminer l'année scolaire, [6 ...]6 et ce au plus tôt trois moins avant la fin de l'année scolaire. La prolongation du droit à l'aide matérielle se termine [6 à la fin de l'année scolaire]6;
2° [6 ...]6 en raison de sa grossesse. La prolongation du droit à l'aide matérielle s'applique au plus tôt à partir du septième mois de grossesse et se termine au plus tard à la fin du deuxième mois suivant l'accouchement;
3° [6 car il a souscrit à un accompagnement au retour volontaire au sens de l'article 6/1, mais que le retour n'a pas encore pu avoir lieu en raison de circonstances indépendantes de sa volonté, qui font temporairement obstacle à celui-ci. L'Agence contrôle la persistance de ces circonstances;]6
4° [6 parce qu'il]6 est parent d'un enfant belge et qui a introduit une demande d'autorisation de séjour auprès des autorités compétentes en matière d'asile et de migration sur la base de l'article 9bis de la loi du 15 décembre 1980. La prolongation du droit à l'aide matérielle se termine quand les autorités compétentes en matière d'asile et de migration se sont prononcées sur la demande d'autorisation de séjour;
5° [2 ...]2
6° [6 ...]6 pour des raisons médicales certifiées et étayées par une demande d'autorisation de séjour introduite sur la base de l'article 9ter de la loi du 15 décembre 1980 précitée, et qui n'est pas en mesure de quitter la structure d'accueil dans laquelle il réside.
Dans l'hypothèse visée à l'alinéa 1er, 6°, l'étranger doit justifier, par le biais d'une attestation d'un médecin déposée à l'appui de sa demande, qu'il se trouve dans cette situation d'impossibilité médicale de quitter la structure d'accueil. Si elle l'estime requis, l'Agence sollicite un avis médical complémentaire. Un contrôle de la persistance du motif d'impossibilité médicale de quitter la structure d'accueil est effectué périodiquement par l'Agence. La prolongation du droit à l'aide matérielle prend fin quand ce contrôle démontre que l'impossibilité médicale ne persiste plus, et, en toute hypothèse, au moment de la notification de la décision quant à la recevabilité de la demande d'autorisation de séjour.
Les demandes visées dans le présent paragraphe doivent, sous peine d'irrecevabilité, être introduites avant l'issue du délai visé à l'article 6, § 1er, alinéa 3.
Tant que l'Agence n'a pas notifié à l'étranger, qui a introduit une demande sur la base du présent paragraphe, la décision motivée visée à l'alinéa 1er, le bénéfice de l'aide matérielle est prolongé provisoirement.
Pour que l'étranger puisse se prévaloir du bénéfice du présent paragraphe, la procédure d'asile ne doit pas avoir fait l'objet [5 ...]5 d'une décision désignant un autre Etat que l'Etat belge comme responsable du traitement de la demande d'asile en application de l'article 51/5 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers [5 ...]5.
§ 3. Dans des circonstances particulières liées au respect de la dignité humaine, l'Agence peut déroger aux conditions fixées par la présente disposition.]1
[3 § 4. L'application du présent article se fait sans préjudice de l'application de l'article 4/1.]3
Wijzigingen
HOOFDSTUK II. - Maatschappelijke dienstverlening verstrekt door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn overeenkomstig de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
CHAPITRE II. - L'aide sociale octroyée par les centres publics d'action sociale conformément à la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale.
Art. 8. § 1. De maatschappelijke dienstverlening wordt door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn verstrekt wanneer de toewijzing van een opvangstructuur eindigt in toepassing van artikel 11, § 1 of wanneer de begunstigde van de opvang een statuut van tijdelijke bescherming kreeg toegekend in toepassing van artikel 10, 3° of 4° [1 of wanneer de begunstigde van de opvang een machtiging tot verblijf heeft verkregen van meer dan drie maanden, overeenkomstig de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen]1.
§ 2. Met uitzondering van Boek II is deze wet niet van toepassing op het verstrekken van maatschappelijke dienstverlening zoals bedoeld in § 1 aan de begunstigde van de opvang.
§ 2. Met uitzondering van Boek II is deze wet niet van toepassing op het verstrekken van maatschappelijke dienstverlening zoals bedoeld in § 1 aan de begunstigde van de opvang.
Art. 8. § 1er. L'aide sociale est octroyée par les centres publics d'action sociale lorsque la désignation d'une structure d'accueil prend fin en application de l'article 11, § 1er, ou lorsque le bénéficiaire de l'accueil s'est vu reconnaître un statut de protection temporaire en application de l'article 10, 3° ou 4° [1 ou lorsque le bénéficiaire de l'accueil a obtenu une autorisation de séjour de plus de trois mois conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers]1.
§ 2. A l'exception du Livre II, la présente loi n'est pas d'application pour l'octroi de l'aide sociale au bénéficiaire de l'accueil telle que visée au § 1er.
§ 2. A l'exception du Livre II, la présente loi n'est pas d'application pour l'octroi de l'aide sociale au bénéficiaire de l'accueil telle que visée au § 1er.
Wijzigingen
BOEK II. - BEPALINGEN BETREFFENDE DE AANDUIDING VAN DE BEVOEGDE INSTANTIE VOOR HET TOEKENNEN VAN DE OPVANG.
LIVRE II. - DISPOSITIONS RELATIVES A LA DETERMINATION DE L'AUTORITE COMPETENTE POUR OCTROYER L'ACCUEIL.
TITEL I. - Toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving.
TITRE Ier. - Désignation d'un lieu obligatoire d'inscription.
Art. 9. De opvang, bedoeld in artikel 3, wordt toegekend door de opvangstructuur of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn toegewezen als verplichte plaats van inschrijving [1 [2 ...]2]1.
Art. 9. L'accueil tel que visé à l'article 3 est octroyé par la structure d'accueil ou le centre public d'action sociale désigné comme lieu obligatoire d'inscription [1 [2 ...]2]1.
Art. 10. Het Agentschap wijst een verplichte plaats van inschrijving toe aan vreemdelingen :
1° die het Rijk binnengekomen zijn zonder te beantwoorden aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en een asielaanvraag hebben ingediend;
2° die een asielaanvraag [1 gedaan]1 hebben, nadat hun verblijfsvergunning was verlopen;
3° die behoren tot de categorieën van personen die bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad zijn aangewezen in het kader van bijzondere maatregelen met het oog op de tijdelijke bescherming van personen.
4° die gemachtigd zijn tot een verblijf in het Rijk op grond van artikel 57/30, § 1, of artikel 57/34 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
1° die het Rijk binnengekomen zijn zonder te beantwoorden aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en een asielaanvraag hebben ingediend;
2° die een asielaanvraag [1 gedaan]1 hebben, nadat hun verblijfsvergunning was verlopen;
3° die behoren tot de categorieën van personen die bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad zijn aangewezen in het kader van bijzondere maatregelen met het oog op de tijdelijke bescherming van personen.
4° die gemachtigd zijn tot een verblijf in het Rijk op grond van artikel 57/30, § 1, of artikel 57/34 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
Art. 10. L'Agence désigne un lieu obligatoire d'inscription aux étrangers :
1° qui sont entrés dans le Royaume sans satisfaire aux conditions fixées à l'article 2 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers et ont introduit une demande d'asile;
2° qui ont [1 présenté]1 une demande d'asile après l'expiration de leur autorisation de séjour;
3° qui appartiennent aux catégories de personnes désignées par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres dans le cadre de mesures spéciales visant la protection temporaire de personnes;
4° qui sont autorisés à séjourner dans le Royaume sur la base de l'article 57/30, § 1er, ou de l'article 57/34 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
1° qui sont entrés dans le Royaume sans satisfaire aux conditions fixées à l'article 2 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers et ont introduit une demande d'asile;
2° qui ont [1 présenté]1 une demande d'asile après l'expiration de leur autorisation de séjour;
3° qui appartiennent aux catégories de personnes désignées par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres dans le cadre de mesures spéciales visant la protection temporaire de personnes;
4° qui sont autorisés à séjourner dans le Royaume sur la base de l'article 57/30, § 1er, ou de l'article 57/34 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
Wijzigingen
Art. 11. § 1. Aan de asielzoekers bedoeld in artikel 10, 1° en 2°, wordt een opvangstructuur als verplichte plaats van inschrijving toegewezen :
1° zolang de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of één van zijn adjuncten geen definitieve beslissing genomen hebben over hun asielaanvraag;
2° zolang de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen beslissing genomen heeft over het beroep tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of één van zijn adjuncten of, bij afwezigheid van beroep, tot het verstrijken van de termijn om het in te dienen.
Een nieuwe plaats van inschrijving [1 , overeenstemmend met een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn,]1 kan worden toegewezen indien de beslissing bedoeld onder 1° en 2° van het voorgaande lid niet genomen is binnen een termijn, vastgelegd bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad na een evaluatie van de procedure van onderzoek van de asielaanvragen.
In afwijking van het voorgaande lid wordt de toewijzing bedoeld in het eerste lid evenwel behouden voor de asielzoekers bedoeld in artikel 10, 1° en 2°, aan wie, voor het verstrijken van de termijn bedoeld in voorgaand lid, kennis werd gegeven van een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tegen hetwelke zij een administratief cassatieberoep bij de Raad van State hebben ingediend [1 , behalve in de hypothesen voorzien in artikel 6, § 1, vijfde lid]1.
§ 2. Aan de vreemdelingen bedoeld in artikel 10, 3° en 4°, wordt als verplichte plaats van inschrijving een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn toegewezen dat hen de maatschappelijke dienstverlening zal verstrekken waarop zij aanspraak kunnen maken overeenkomstig de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
§ 3. Bij de toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving ziet het Agentschap erop toe dat deze plaats aangepast is aan de begunstigde van de opvang en dit binnen de grenzen van het aantal beschikbare plaatsen.
Het houdt rekening :
1° bij de toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving in toepassing van § 1, met de bezettingsgraad van de opvangstructuren;
2° bij de toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving in toepassing van § 1, tweede lid en § 2, met een gelijkmatige verdeling tussen de gemeenten op grond van criteria vastgelegd in een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
De beoordeling van het aangepaste karakter van deze plaats is met name gebaseerd op criteria als de gezinstoestand van de begunstigde van de opvang, zijn gezondheidstoestand, zijn kennis van één van de landstalen of van de taal waarin de procedure gevoerd wordt. In dit kader besteedt het Agentschap bijzondere aandacht aan de toestand van kwetsbare personen zoals bedoeld in artikel 36.
[2 ...]2
[1 § 4. In uitzonderlijke omstandigheden, verbonden aan de beschikbare opvangplaatsen in de opvangstructuren, kan het Agentschap, na een beslissing van de Ministerraad op basis van een door het Agentschap opgesteld rapport, gedurende een periode die het bepaalt, ofwel de verplichte plaats van inschrijving van een asielzoeker wijzigen voor zover deze een opvangstructuur beoogt om een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan te wijzen, ofwel in laatste instantie, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn als verplichte plaats van inschrijving toewijzen aan een asielzoeker.
Zowel de wijziging als de toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving in toepassing van onderhavige paragraaf gebeurt op basis van een evenwichtige verdeling tussen de gemeenten op grond van criteria bepaald overeenkomstig de modaliteiten voorzien in paragraaf 3, tweede lid, 2°, van dit artikel.]1
1° zolang de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of één van zijn adjuncten geen definitieve beslissing genomen hebben over hun asielaanvraag;
2° zolang de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen beslissing genomen heeft over het beroep tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of één van zijn adjuncten of, bij afwezigheid van beroep, tot het verstrijken van de termijn om het in te dienen.
Een nieuwe plaats van inschrijving [1 , overeenstemmend met een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn,]1 kan worden toegewezen indien de beslissing bedoeld onder 1° en 2° van het voorgaande lid niet genomen is binnen een termijn, vastgelegd bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad na een evaluatie van de procedure van onderzoek van de asielaanvragen.
In afwijking van het voorgaande lid wordt de toewijzing bedoeld in het eerste lid evenwel behouden voor de asielzoekers bedoeld in artikel 10, 1° en 2°, aan wie, voor het verstrijken van de termijn bedoeld in voorgaand lid, kennis werd gegeven van een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tegen hetwelke zij een administratief cassatieberoep bij de Raad van State hebben ingediend [1 , behalve in de hypothesen voorzien in artikel 6, § 1, vijfde lid]1.
§ 2. Aan de vreemdelingen bedoeld in artikel 10, 3° en 4°, wordt als verplichte plaats van inschrijving een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn toegewezen dat hen de maatschappelijke dienstverlening zal verstrekken waarop zij aanspraak kunnen maken overeenkomstig de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
§ 3. Bij de toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving ziet het Agentschap erop toe dat deze plaats aangepast is aan de begunstigde van de opvang en dit binnen de grenzen van het aantal beschikbare plaatsen.
Het houdt rekening :
1° bij de toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving in toepassing van § 1, met de bezettingsgraad van de opvangstructuren;
2° bij de toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving in toepassing van § 1, tweede lid en § 2, met een gelijkmatige verdeling tussen de gemeenten op grond van criteria vastgelegd in een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
De beoordeling van het aangepaste karakter van deze plaats is met name gebaseerd op criteria als de gezinstoestand van de begunstigde van de opvang, zijn gezondheidstoestand, zijn kennis van één van de landstalen of van de taal waarin de procedure gevoerd wordt. In dit kader besteedt het Agentschap bijzondere aandacht aan de toestand van kwetsbare personen zoals bedoeld in artikel 36.
[2 ...]2
[1 § 4. In uitzonderlijke omstandigheden, verbonden aan de beschikbare opvangplaatsen in de opvangstructuren, kan het Agentschap, na een beslissing van de Ministerraad op basis van een door het Agentschap opgesteld rapport, gedurende een periode die het bepaalt, ofwel de verplichte plaats van inschrijving van een asielzoeker wijzigen voor zover deze een opvangstructuur beoogt om een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan te wijzen, ofwel in laatste instantie, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn als verplichte plaats van inschrijving toewijzen aan een asielzoeker.
Zowel de wijziging als de toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving in toepassing van onderhavige paragraaf gebeurt op basis van een evenwichtige verdeling tussen de gemeenten op grond van criteria bepaald overeenkomstig de modaliteiten voorzien in paragraaf 3, tweede lid, 2°, van dit artikel.]1
Art. 11. § 1er. Aux demandeurs d'asile visés à l'article 10, 1° et 2°, une structure d'accueil est désignée comme lieu obligatoire d'inscription :
1° tant que le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou un de ses adjoints n'ont pas pris une décision définitive sur leur demande d'asile;
2° tant que le Conseil du Contentieux des Etrangers n'a pas pris une décision sur le recours contre la décision du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou d'un de ses adjoints ou, en l'absence de recours, jusqu'à l'expiration du délai pour l'introduire.
Un nouveau lieu obligatoire d'inscription [1 , correspondant à un centre public d'action sociale,]1 peut être désigné si la décision visée à l'alinéa précédent, 1° et 2°, n'est pas prise dans un délai fixé par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, suite à l'évaluation de la procédure d'examen des demandes d'asile.
Par dérogation aux alinéas précédents, la désignation visée à l'alinéa 1er est toutefois maintenue pour les demandeurs d'asile visés à l'article 10, 1° et 2° qui ont reçu notification avant l'expiration du délai visé à l'alinéa précédent d'un arrêt du Conseil du Contentieux des Etrangers contre lequel ils ont introduit un recours en cassation administrative devant le Conseil d'Etat [1 , sauf dans les hypothèses prévues à l'article 6, § 1er, alinéa 5]1.
§ 2. Aux étrangers visés à l'article 10, 3° et 4°, est désigné comme lieu obligatoire d'inscription, un centre public d'action sociale qui leur délivre l'aide sociale à laquelle ils peuvent prétendre conformément à la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale.
§ 3. Lors de la désignation d'un lieu obligatoire d'inscription, l'Agence veille à ce que ce lieu soit adapté au bénéficiaire de l'accueil et ce, dans les limites des places disponibles.
Elle tient compte :
1° lors de la désignation d'un lieu obligatoire d'inscription en application du § 1er, du degré d'occupation des structures d'accueil;
2° lors de la désignation d'un lieu obligatoire d'inscription en application du § 1er, 2° alinéa et du § 2 d'une répartition harmonieuse entre les communes en vertu de critères fixés par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
L'appréciation du caractère adapté de ce lieu est notamment basée sur des critères comme la composition familiale du bénéficiaire de l'accueil, son état de santé, sa connaissance d'une des langues nationales ou de la langue de la procédure. Dans ce cadre, l'Agence porte une attention particulière à la situation des personnes vulnérables visées à l'article 36.
[2 ...]2
[1 § 4. Dans des circonstances exceptionnelles liées à la disponibilité des places d'accueil dans les structures d'accueil, l'Agence peut, après une décision du Conseil des ministres sur la base d'un rapport établi par l'Agence, pendant une période qu'elle détermine, soit modifier le lieu obligatoire d'inscription d'un demandeur d'asile en tant qu'il vise une structure d'accueil pour désigner un centre public d'action sociale, soit en dernier recours, désigner à un demandeur d'asile un centre public d'action sociale comme lieu obligatoire d'inscription.
Tant la modification que la désignation d'un lieu obligatoire d'inscriptions en application du présent paragraphe ont lieu sur la base d'une répartition harmonieuse entre les communes, en vertu des critères fixés selon les modalités visées au paragraphe 3, deuxième alinéa, 2°, de cet article.]1
1° tant que le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou un de ses adjoints n'ont pas pris une décision définitive sur leur demande d'asile;
2° tant que le Conseil du Contentieux des Etrangers n'a pas pris une décision sur le recours contre la décision du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou d'un de ses adjoints ou, en l'absence de recours, jusqu'à l'expiration du délai pour l'introduire.
Un nouveau lieu obligatoire d'inscription [1 , correspondant à un centre public d'action sociale,]1 peut être désigné si la décision visée à l'alinéa précédent, 1° et 2°, n'est pas prise dans un délai fixé par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, suite à l'évaluation de la procédure d'examen des demandes d'asile.
Par dérogation aux alinéas précédents, la désignation visée à l'alinéa 1er est toutefois maintenue pour les demandeurs d'asile visés à l'article 10, 1° et 2° qui ont reçu notification avant l'expiration du délai visé à l'alinéa précédent d'un arrêt du Conseil du Contentieux des Etrangers contre lequel ils ont introduit un recours en cassation administrative devant le Conseil d'Etat [1 , sauf dans les hypothèses prévues à l'article 6, § 1er, alinéa 5]1.
§ 2. Aux étrangers visés à l'article 10, 3° et 4°, est désigné comme lieu obligatoire d'inscription, un centre public d'action sociale qui leur délivre l'aide sociale à laquelle ils peuvent prétendre conformément à la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale.
§ 3. Lors de la désignation d'un lieu obligatoire d'inscription, l'Agence veille à ce que ce lieu soit adapté au bénéficiaire de l'accueil et ce, dans les limites des places disponibles.
Elle tient compte :
1° lors de la désignation d'un lieu obligatoire d'inscription en application du § 1er, du degré d'occupation des structures d'accueil;
2° lors de la désignation d'un lieu obligatoire d'inscription en application du § 1er, 2° alinéa et du § 2 d'une répartition harmonieuse entre les communes en vertu de critères fixés par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
L'appréciation du caractère adapté de ce lieu est notamment basée sur des critères comme la composition familiale du bénéficiaire de l'accueil, son état de santé, sa connaissance d'une des langues nationales ou de la langue de la procédure. Dans ce cadre, l'Agence porte une attention particulière à la situation des personnes vulnérables visées à l'article 36.
[2 ...]2
[1 § 4. Dans des circonstances exceptionnelles liées à la disponibilité des places d'accueil dans les structures d'accueil, l'Agence peut, après une décision du Conseil des ministres sur la base d'un rapport établi par l'Agence, pendant une période qu'elle détermine, soit modifier le lieu obligatoire d'inscription d'un demandeur d'asile en tant qu'il vise une structure d'accueil pour désigner un centre public d'action sociale, soit en dernier recours, désigner à un demandeur d'asile un centre public d'action sociale comme lieu obligatoire d'inscription.
Tant la modification que la désignation d'un lieu obligatoire d'inscriptions en application du présent paragraphe ont lieu sur la base d'une répartition harmonieuse entre les communes, en vertu des critères fixés selon les modalités visées au paragraphe 3, deuxième alinéa, 2°, de cet article.]1
TITEL II. - Wijziging van de verplichte plaats van inschrijving.
TITRE II. - Modification du lieu obligatoire d'inscription.
Art. 12. § 1. De asielzoeker die in toepassing van artikel 11, § 1 een collectieve opvangstructuur toegewezen krijgt als verplichte plaats van inschrijving, kan nadat hij hierin [1 zes]1 maanden verbleven heeft, aanvragen om een individuele opvangstructuur toegewezen te krijgen, binnen de grenzen van de beschikbare plaatsen.
De wijziging van de verplichte plaats van inschrijving kan niet gevraagd worden indien de termijn van [1 zes]1 maanden bereikt wordt na de betekening van een verwerpingsbeslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, tenzij de asielzoeker een administratief cassatieberoep ingediend heeft dat, in toepassing van artikel 20, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973, het voorwerp heeft uitgemaakt van een beschikking van toelaatbaarheid.
§ 2. In toepassing van artikel 11, § 3, derde lid, kan het Agentschap op eigen initiatief of op verzoek van de partner of de asielzoeker de in toepassing van artikel 11, § 1, toegewezen verplichte plaats van inschrijving wijzigen.
Wanneer deze wijziging door het Agentschap omwille van de eenheid van het gezin overwogen wordt, is de instemming van de asielzoeker voorafgaandelijk vereist.
De Koning bepaalt de procedure betreffende de wijziging bedoeld in het eerste lid.
§ 3. De verplichte plaats van inschrijving in toepassing van artikel 11, § 1, kan ook gewijzigd worden in uitvoering van een ordemaatregel of een sanctie genomen overeenkomstig artikel 44 of 45.
[2 § 4. Na de kennisgeving van een beslissing tot weigering van verblijf met overdrachtsmaatregel met toepassing van artikel 51/5, § 4, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen of van een negatieve definitieve beslissing in het kader van een verzoek om internationale bescherming in de zin van artikel 1, § 1, 19°, van dezelfde wet, wijzigt het Agentschap de verplichte plaats van inschrijving van de begunstigde van de opvang, respectievelijk naar een Dublin-plaats of een open terugkeerplaats, tenzij hij zich reeds in een opvangstructuur met dergelijke plaatsen bevindt.
De begunstigde van de opvang dient zich binnen de vijf werkdagen vanaf de kennisgeving van de beslissing tot wijziging van de verplichte plaats van inschrijving naar de toegewezen plaats te begeven.
Binnen deze termijn van vijf werkdagen kan de begunstigde van de opvang bij het Agentschap een met redenen omkleed uitzonderingsverzoek inzake de toewijzing indienen:
1° om gestaafde medische redenen die een verandering van opvangstructuur in de weg staan; de redenen worden onderzocht door de raadgevend arts van het Agentschap;
2° om reden van zwangerschap of recente bevalling, tussen de zevende maand van de zwangerschap tot het einde van de tweede maand na de geboorte van het kind;
3° met het oog op het voltooien van het schooljaar tussen 1 april en 30 juni; deze reden kan niet worden ingeroepen door de begunstigde van de opvang aan wie een Dublin-plaats is toegewezen.
De begunstigde van de opvang mag tijdens de behandeling van het in het derde lid bedoelde verzoek in de opvangstructuur blijven waar hij zich bevindt.]2
De wijziging van de verplichte plaats van inschrijving kan niet gevraagd worden indien de termijn van [1 zes]1 maanden bereikt wordt na de betekening van een verwerpingsbeslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, tenzij de asielzoeker een administratief cassatieberoep ingediend heeft dat, in toepassing van artikel 20, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973, het voorwerp heeft uitgemaakt van een beschikking van toelaatbaarheid.
§ 2. In toepassing van artikel 11, § 3, derde lid, kan het Agentschap op eigen initiatief of op verzoek van de partner of de asielzoeker de in toepassing van artikel 11, § 1, toegewezen verplichte plaats van inschrijving wijzigen.
Wanneer deze wijziging door het Agentschap omwille van de eenheid van het gezin overwogen wordt, is de instemming van de asielzoeker voorafgaandelijk vereist.
De Koning bepaalt de procedure betreffende de wijziging bedoeld in het eerste lid.
§ 3. De verplichte plaats van inschrijving in toepassing van artikel 11, § 1, kan ook gewijzigd worden in uitvoering van een ordemaatregel of een sanctie genomen overeenkomstig artikel 44 of 45.
[2 § 4. Na de kennisgeving van een beslissing tot weigering van verblijf met overdrachtsmaatregel met toepassing van artikel 51/5, § 4, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen of van een negatieve definitieve beslissing in het kader van een verzoek om internationale bescherming in de zin van artikel 1, § 1, 19°, van dezelfde wet, wijzigt het Agentschap de verplichte plaats van inschrijving van de begunstigde van de opvang, respectievelijk naar een Dublin-plaats of een open terugkeerplaats, tenzij hij zich reeds in een opvangstructuur met dergelijke plaatsen bevindt.
De begunstigde van de opvang dient zich binnen de vijf werkdagen vanaf de kennisgeving van de beslissing tot wijziging van de verplichte plaats van inschrijving naar de toegewezen plaats te begeven.
Binnen deze termijn van vijf werkdagen kan de begunstigde van de opvang bij het Agentschap een met redenen omkleed uitzonderingsverzoek inzake de toewijzing indienen:
1° om gestaafde medische redenen die een verandering van opvangstructuur in de weg staan; de redenen worden onderzocht door de raadgevend arts van het Agentschap;
2° om reden van zwangerschap of recente bevalling, tussen de zevende maand van de zwangerschap tot het einde van de tweede maand na de geboorte van het kind;
3° met het oog op het voltooien van het schooljaar tussen 1 april en 30 juni; deze reden kan niet worden ingeroepen door de begunstigde van de opvang aan wie een Dublin-plaats is toegewezen.
De begunstigde van de opvang mag tijdens de behandeling van het in het derde lid bedoelde verzoek in de opvangstructuur blijven waar hij zich bevindt.]2
Art. 12. § 1er. Le demandeur d'asile dont le lieu obligatoire d'inscription, désigné en application de l'article 11, § 1er, est une structure d'accueil communautaire peut demander, après y avoir résidé pendant [1 six]1 mois, que ce lieu soit modifié en faveur d'une structure d'accueil individuelle, dans la limite des places disponibles.
La modification du lieu obligatoire d'inscription ne peut être demandée si le délai de [1 six]1 mois est atteint après la notification de la décision de rejet du Conseil du Contentieux des Etrangers, à moins que le demandeur d'asile n'ait introduit un recours en cassation administrative qui a fait l'objet d'une ordonnance d'admissibilité, en application de l'article 20, § 3, des lois sur le Conseil d'Etat coordonnées le 12 janvier 1973.
§ 2. En application de l'article 11, § 3, alinéa 3, l'Agence peut d'initiative ou à la requête du partenaire ou du demandeur d'asile, modifier le lieu obligatoire d'inscription désigné en application de l'article 11, § 1er.
Lorsque cette modification est envisagée par l'Agence pour des motifs d'unité familiale, l'accord du demandeur d'asile est requis préalablement.
Le Roi fixe la procédure relative à la modification visée à l'alinéa 1er.
§ 3. Le lieu obligatoire d'inscription, désigné en application de l'article 11, § 1er, peut également être modifié en exécution d'une mesure d'ordre ou d'une sanction prise conformément à l'article 44 ou 45.
[2 § 4. Après la notification d'une décision de refus de séjour avec mesure de transfert en application de l'article 51/5, § 4, alinéa 1er, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ou d'une décision finale négative dans le cadre d'une demande de protection internationale au sens de l'article 1er, § 1er, 19°, de la même loi, l'Agence modifie le lieu obligatoire d'inscription du bénéficiaire de l'accueil, respectivement vers une place Dublin ou une place ouverte de retour, sauf s'il se trouve déjà dans une structure d'accueil comptant de telles places.
Le bénéficiaire de l'accueil doit se rendre à la place désignée dans les cinq jours ouvrables à compter de la notification de la décision modifiant le lieu obligatoire d'inscription.
Dans ce délai de cinq jours ouvrables, le bénéficiaire de l'accueil peut introduire auprès de l'Agence une demande motivée d'exception à la désignation effectuée:
1° pour des raisons médicales certifiées faisant obstacle au changement de structure d'accueil; les raisons sont examinées par le médecin-conseil de l'Agence;
2° en raison de grossesse ou d'accouchement récent, entre le septième mois de la grossesse et la fin du deuxième mois suivant la naissance de l'enfant;
3° en vue de terminer l'année scolaire de ses enfants entre le 1er avril et le 30 juin; ce motif ne peut être invoqué par le bénéficiaire de l'accueil auquel une place Dublin a été désignée.
Le bénéficiaire de l'accueil peut se maintenir dans la structure d'accueil où il se trouve pendant le traitement de la demande visée à l'alinéa 3.]2
La modification du lieu obligatoire d'inscription ne peut être demandée si le délai de [1 six]1 mois est atteint après la notification de la décision de rejet du Conseil du Contentieux des Etrangers, à moins que le demandeur d'asile n'ait introduit un recours en cassation administrative qui a fait l'objet d'une ordonnance d'admissibilité, en application de l'article 20, § 3, des lois sur le Conseil d'Etat coordonnées le 12 janvier 1973.
§ 2. En application de l'article 11, § 3, alinéa 3, l'Agence peut d'initiative ou à la requête du partenaire ou du demandeur d'asile, modifier le lieu obligatoire d'inscription désigné en application de l'article 11, § 1er.
Lorsque cette modification est envisagée par l'Agence pour des motifs d'unité familiale, l'accord du demandeur d'asile est requis préalablement.
Le Roi fixe la procédure relative à la modification visée à l'alinéa 1er.
§ 3. Le lieu obligatoire d'inscription, désigné en application de l'article 11, § 1er, peut également être modifié en exécution d'une mesure d'ordre ou d'une sanction prise conformément à l'article 44 ou 45.
[2 § 4. Après la notification d'une décision de refus de séjour avec mesure de transfert en application de l'article 51/5, § 4, alinéa 1er, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ou d'une décision finale négative dans le cadre d'une demande de protection internationale au sens de l'article 1er, § 1er, 19°, de la même loi, l'Agence modifie le lieu obligatoire d'inscription du bénéficiaire de l'accueil, respectivement vers une place Dublin ou une place ouverte de retour, sauf s'il se trouve déjà dans une structure d'accueil comptant de telles places.
Le bénéficiaire de l'accueil doit se rendre à la place désignée dans les cinq jours ouvrables à compter de la notification de la décision modifiant le lieu obligatoire d'inscription.
Dans ce délai de cinq jours ouvrables, le bénéficiaire de l'accueil peut introduire auprès de l'Agence une demande motivée d'exception à la désignation effectuée:
1° pour des raisons médicales certifiées faisant obstacle au changement de structure d'accueil; les raisons sont examinées par le médecin-conseil de l'Agence;
2° en raison de grossesse ou d'accouchement récent, entre le septième mois de la grossesse et la fin du deuxième mois suivant la naissance de l'enfant;
3° en vue de terminer l'année scolaire de ses enfants entre le 1er avril et le 30 juin; ce motif ne peut être invoqué par le bénéficiaire de l'accueil auquel une place Dublin a été désignée.
Le bénéficiaire de l'accueil peut se maintenir dans la structure d'accueil où il se trouve pendant le traitement de la demande visée à l'alinéa 3.]2
TITEL III. - Opheffing van de verplichte plaats van inschrijving.
TITRE III. - Suppression du lieu obligatoire d'inscription.
BOEK III. - BEPALINGEN BETREFFENDE DE MATERIELE HULP TOEGEKEND AAN BEGUNSTIGDEN VAN DE OPVANG.
LIVRE III. - DISPOSITIONS RELATIVES A L'AIDE MATERIELLE OCTROYEE AUX BENEFICIAIRES DE L'ACCUEIL.
TITEL I. - Rechten en plichten van de begunstigden van de opvang.
TITRE Ier. - Droits et obligations des bénéficiaires de l'accueil.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Afdeling I. - Informatie.
Section 1re. - Information.
Art. 14. Bij de toewijzing van de verplichte plaats van inschrijving biedt het Agentschap de asielzoeker een informatiebrochure aan. Deze is in de mate van het mogelijke opgesteld in een taal die de asielzoeker begrijpt en beschrijft met name zijn rechten en plichten zoals beschreven in deze wet of in de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Voorts bevat ze de adressen en verdere gegevens van de bevoegde instanties en van de verenigingen die hen medische, sociale en juridische bijstand kunnen verlenen.
Zodra de asielzoeker in de hem toegewezen opvangstructuur aankomt, wordt deze informatie aangevuld door het aan de asielzoeker overgemaakt huishoudelijk reglement van de opvangstructuur bedoeld in artikel 19.
Zodra de asielzoeker in de hem toegewezen opvangstructuur aankomt, wordt deze informatie aangevuld door het aan de asielzoeker overgemaakt huishoudelijk reglement van de opvangstructuur bedoeld in artikel 19.
Art. 14. Lors de la désignation du lieu obligatoire d'inscription, l'Agence délivre au demandeur d'asile une brochure d'information rédigée, dans la mesure du possible, dans une langue qu'il comprend et décrivant notamment ses droits et obligations tels que décrits dans la présente loi ou dans la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale, ainsi que les coordonnées des instances compétentes et des associations pouvant leur prodiguer une assistance médicale, sociale et juridique.
Ces informations sont complétées dès l'arrivée du demandeur d'asile dans la structure d'accueil qui lui est désignée en lui communiquant le règlement d'ordre intérieur de la structure d'accueil visé à l'article 19.
Ces informations sont complétées dès l'arrivée du demandeur d'asile dans la structure d'accueil qui lui est désignée en lui communiquant le règlement d'ordre intérieur de la structure d'accueil visé à l'article 19.
Art. 15. Het Agentschap of de partner ziet erop toe dat de begunstigde van de opvang toegang heeft tot sociale tolk- en vertaaldiensten in het kader van de uitoefening van zijn rechten en plichten zoals deze in deze wet worden beschreven.
Het Agentschap of de partner kan overeenkomsten afsluiten met diensten of organisaties die gespecialiseerd zijn op het vlak van sociaal tolk- en vertaalwerk.
Het Agentschap of de partner kan overeenkomsten afsluiten met diensten of organisaties die gespecialiseerd zijn op het vlak van sociaal tolk- en vertaalwerk.
Art. 15. L'Agence ou le partenaire veille à ce que le bénéficiaire de l'accueil ait accès à des services d'interprétariat et de traduction sociale dans le cadre de l'exercice de ses droits et obligations décrits dans la présente loi.
L'Agence ou le partenaire peut conclure des conventions avec des services ou organisations spécialisés dans l'interprétariat et la traduction sociale.
L'Agence ou le partenaire peut conclure des conventions avec des services ou organisations spécialisés dans l'interprétariat et la traduction sociale.
Art. 15/1. [1 De begunstigde van de opvang is ertoe gehouden elke nuttige inlichting nopens zijn toestand te geven, alsmede het Agentschap of de partner op de hoogte te brengen van elk nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op de hulp die hem wordt verleend.]1
Art. 15/1. [1 Le bénéficiaire de l'accueil est tenu de fournir tout renseignement utile concernant sa situation, ainsi que d'informer l'Agence ou le partenaire de toute nouvelle information susceptible d'avoir un impact sur l'aide qui lui est accordée.]1
Afdeling II. - Huisvesting.
Section II. - Hébergement.
Art. 16. De begunstigde van de opvang wordt in een collectieve of individuele opvangstructuur gehuisvest.
Art. 16. Le bénéficiaire de l'accueil est hébergé dans une structure d'accueil communautaire ou individuelle.
Art. 17. De Koning legt de normen vast waaraan de opvangstructuren moeten beantwoorden, zowel inzake kwaliteit als inzake infrastructuur, alsook de nadere regels van de controle door het Agentschap van de naleving van deze normen.
Art. 17. Le Roi définit les normes auxquelles les structures d'accueil doivent répondre tant en termes qualitatifs qu'en termes d'infrastructure ainsi que les modalités de contrôle par l'Agence du respect de ces normes.
Art. 18. In afwijking van de artikelen 20 en 21 alsook van de artikelen 30 tot 35 kan de begunstigde van de opvang, wanneer de normaal beschikbare opvangcapaciteit tijdelijk uitgeput is, [1 in geval van sterk verhoogde instroom van asielzoekers]1 gehuisvest worden in een noodopvangstructuur. In dat geval geniet hij een beperkte maatschappelijke begeleiding.
[1 Het verblijf in een dergelijke structuur kan slechts voor een zo kort mogelijke redelijke termijn en de fundamentele noden van de begunstigde van de opvang worden voorzien in functie van de evaluatie van de specifieke noden.]1 Deze laatste omvatten de volledige bijstand die nodig is, en onder meer voedsel, huisvesting, toegang tot een sanitaire uitrusting en de medische begeleiding zoals beschreven in de artikelen 23 tot 29.
[1 Het verblijf in een dergelijke structuur kan slechts voor een zo kort mogelijke redelijke termijn en de fundamentele noden van de begunstigde van de opvang worden voorzien in functie van de evaluatie van de specifieke noden.]1 Deze laatste omvatten de volledige bijstand die nodig is, en onder meer voedsel, huisvesting, toegang tot een sanitaire uitrusting en de medische begeleiding zoals beschreven in de artikelen 23 tot 29.
Art. 18. Par dérogation aux articles 20 et 21 ainsi qu'aux articles 30 à 35, le bénéficiaire de l'accueil peut, lorsque les capacités de logement normalement disponibles sont temporairement épuisées, [1 en cas d'afflux massif de demandeurs d'asile]1 être hébergé dans une structure d'accueil d'urgence. Dans ce cas il bénéficie d'un accompagnement social limité.
[1 Le séjour dans une telle structure peut uniquement avoir lieu pour une période raisonnable aussi courte que possible et les besoins fondamentaux du bénéficiaire de l'accueil y sont rencontrés en fonction de l'évaluation de ses besoins spécifiques.]1 Ceux-ci comprennent toute l'assistance nécessaire, et notamment la nourriture, le logement, l'accès aux facilités sanitaires et l'accompagnement médical tel que décrit aux articles 23 à 29.
[1 Le séjour dans une telle structure peut uniquement avoir lieu pour une période raisonnable aussi courte que possible et les besoins fondamentaux du bénéficiaire de l'accueil y sont rencontrés en fonction de l'évaluation de ses besoins spécifiques.]1 Ceux-ci comprennent toute l'assistance nécessaire, et notamment la nourriture, le logement, l'accès aux facilités sanitaires et l'accompagnement médical tel que décrit aux articles 23 à 29.
Wijzigingen
Art. 19. [1 § 1.]1 De Koning bepaalt het stelsel en de werkingsregels die van toepassing zijn op de opvangstructuren. De uitvoeringsmodaliteiten worden vastgelegd in een huishoudelijk reglement dat door de minister wordt opgesteld. Er wordt over gewaakt dat de begunstigde van de opvang hiervan een goed en volledig begrip heeft.
[1 § 2. In het kader van de uitvoering van de opdracht bedoeld in paragraaf 1, bepaalt de Koning de concrete nadere regels die de directeur of de verantwoordelijke van de opvangstructuur of de hiertoe door hen aangeduide personen moeten toelaten om de kamers te controleren van de begunstigden die er verblijven.
Een dergelijke controle mag enkel worden uitgevoerd ten einde de preventie inzake veiligheid en brandbestrijding, het behoud van de hygiëne en het toezicht op de naleving van de bepalingen van het huishoudelijke reglement bedoeld in paragraaf 1 die de bescherming van de rechten en de vrijheden van de andere begunstigden van de opvangstructuur en zijn personeelsleden verzekeren, te garanderen.
Een dergelijke controle mag in geen geval een beledigend karakter hebben voor de betrokken begunstigde van de opvang en moet verlopen met respect voor de goederen die hij bezit.
In de toepassing van de bevoegdheid die het eerste lid Hem toekent, voorziet de Koning de strikte beperking van het aantal personen dat de directeur of de verantwoordelijke van de opvangstructuur kan aanduiden om de controle uit te voeren en preciseert hij duidelijk en limitatief de nadere regels van de controles, ondermeer voor wat betreft de frequentie. Ten uitzonderlijke titel, kan de controle van de kamers van de begunstigden van de opvang buiten de door de Koning vastgelegde frequentiemodaliteiten worden georganiseerd, maar enkel wanneer ze wordt verantwoord door specifieke eisen van preventie inzake veiligheid, brandbestrijding, hygiëne of bij ernstige tekortkoming op het huishoudelijke reglement.]1
[1 § 2. In het kader van de uitvoering van de opdracht bedoeld in paragraaf 1, bepaalt de Koning de concrete nadere regels die de directeur of de verantwoordelijke van de opvangstructuur of de hiertoe door hen aangeduide personen moeten toelaten om de kamers te controleren van de begunstigden die er verblijven.
Een dergelijke controle mag enkel worden uitgevoerd ten einde de preventie inzake veiligheid en brandbestrijding, het behoud van de hygiëne en het toezicht op de naleving van de bepalingen van het huishoudelijke reglement bedoeld in paragraaf 1 die de bescherming van de rechten en de vrijheden van de andere begunstigden van de opvangstructuur en zijn personeelsleden verzekeren, te garanderen.
Een dergelijke controle mag in geen geval een beledigend karakter hebben voor de betrokken begunstigde van de opvang en moet verlopen met respect voor de goederen die hij bezit.
In de toepassing van de bevoegdheid die het eerste lid Hem toekent, voorziet de Koning de strikte beperking van het aantal personen dat de directeur of de verantwoordelijke van de opvangstructuur kan aanduiden om de controle uit te voeren en preciseert hij duidelijk en limitatief de nadere regels van de controles, ondermeer voor wat betreft de frequentie. Ten uitzonderlijke titel, kan de controle van de kamers van de begunstigden van de opvang buiten de door de Koning vastgelegde frequentiemodaliteiten worden georganiseerd, maar enkel wanneer ze wordt verantwoord door specifieke eisen van preventie inzake veiligheid, brandbestrijding, hygiëne of bij ernstige tekortkoming op het huishoudelijke reglement.]1
Art. 19. [1 § 1er.]1 Le Roi détermine le régime et les règles de fonctionnement applicables aux structures d'accueil. Un règlement d'ordre intérieur établi par le ministre en détermine les modalités d'exercice. Il est veillé à la bonne et complète compréhension de celui-ci par le bénéficiaire de l'accueil.
[1 § 2. Dans le cadre de l'exercice de la mission visée au paragraphe 1er, le Roi détermine les modalités concrètes permettant au directeur ou au responsable de la structure d'accueil ou aux personnes désignées par eux à cet effet d'effectuer le contrôle des chambres des bénéficiaires qui y résident.
Un tel contrôle ne peut être effectué que dans un objectif de prévention en matière de sécurité et de lutte contre l'incendie, de préservation de l'hygiène, de vérification du respect des dispositions du règlement d'ordre intérieur visé au paragraphe 1er qui assurent la protection des droits et libertés des autres bénéficiaires de la structure d'accueil et des membres du personnel de celle-ci.
En aucun cas, un tel contrôle ne peut avoir un caractère vexatoire pour le bénéficiaire de l'accueil concerné et il doit se faire dans le respect des biens dont il dispose.
Dans la mise en oeuvre de la compétence qui Lui est attribuée en vertu de l'alinéa 1er, le Roi prévoit la stricte limitation du nombre de personnes que le directeur ou le responsable de la structure d'accueil peut désigner pour exécuter le contrôle et précise clairement et limitativement les modalités des contrôles, notamment en termes de fréquence. A titre exceptionnel, le contrôle des chambres des bénéficiaires de l'accueil peut avoir lieu, en dehors des modalités de fréquence fixées par le Roi mais uniquement lorsqu'il s'avère motivé par des exigences particulières de prévention en matière de sécurité, de lutte contre l'incendie, d'hygiène ou en cas de manquement grave au règlement d'ordre intérieur.]1
[1 § 2. Dans le cadre de l'exercice de la mission visée au paragraphe 1er, le Roi détermine les modalités concrètes permettant au directeur ou au responsable de la structure d'accueil ou aux personnes désignées par eux à cet effet d'effectuer le contrôle des chambres des bénéficiaires qui y résident.
Un tel contrôle ne peut être effectué que dans un objectif de prévention en matière de sécurité et de lutte contre l'incendie, de préservation de l'hygiène, de vérification du respect des dispositions du règlement d'ordre intérieur visé au paragraphe 1er qui assurent la protection des droits et libertés des autres bénéficiaires de la structure d'accueil et des membres du personnel de celle-ci.
En aucun cas, un tel contrôle ne peut avoir un caractère vexatoire pour le bénéficiaire de l'accueil concerné et il doit se faire dans le respect des biens dont il dispose.
Dans la mise en oeuvre de la compétence qui Lui est attribuée en vertu de l'alinéa 1er, le Roi prévoit la stricte limitation du nombre de personnes que le directeur ou le responsable de la structure d'accueil peut désigner pour exécuter le contrôle et précise clairement et limitativement les modalités des contrôles, notamment en termes de fréquence. A titre exceptionnel, le contrôle des chambres des bénéficiaires de l'accueil peut avoir lieu, en dehors des modalités de fréquence fixées par le Roi mais uniquement lorsqu'il s'avère motivé par des exigences particulières de prévention en matière de sécurité, de lutte contre l'incendie, d'hygiène ou en cas de manquement grave au règlement d'ordre intérieur.]1
Wijzigingen
Art. 20. Tijdens zijn verblijf in een opvangstructuur heeft de begunstigde van de opvang recht op de eerbiediging van zijn privé-leven en gezinsleven, op eerbiediging van zijn overtuigingen, om deel te nemen aan de organisatie van het gemeenschapsleven in de opvangstructuur, om te communiceren met zijn familie, zijn raadsman, de vertegenwoordigers van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties en de verenigingen die de opvang van vreemdelingen en het verdedigen van hun rechten tot doel hebben.
De materiële hulp wordt georganiseerd met respect voor het beginsel van neutraliteit jegens filosofische en religieuze overtuigingen van de begunstigden van de opvang binnen de opvangstructuur.
De materiële hulp wordt georganiseerd met respect voor het beginsel van neutraliteit jegens filosofische en religieuze overtuigingen van de begunstigden van de opvang binnen de opvangstructuur.
Art. 20. Lors de son séjour au sein d'une structure d'accueil, le bénéficiaire de l'accueil a droit au respect de sa vie privée et familiale, au respect de ses convictions, à participer à l'organisation de la vie communautaire au sein de la structure d'accueil, à communiquer avec sa famille, son conseil, les représentants du Haut Commissariat des Nations unies pour les réfugiés et les associations ayant pour objet l'accueil des étrangers et la défense de leurs droits.
L'aide matérielle est organisée dans le respect du principe de neutralité envers les convictions philosophiques et religieuses des bénéficiaires de l'accueil au sein de la structure d'accueil.
L'aide matérielle est organisée dans le respect du principe de neutralité envers les convictions philosophiques et religieuses des bénéficiaires de l'accueil au sein de la structure d'accueil.
Art. 21. De raadslieden van de begunstigden van de opvang, de vertegenwoordigers van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties en de NGO's die in naam van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen handelen, krijgen toegang tot de collectieve opvangstructuren, ten einde bijstand te bieden aan de begunstigden van de opvang.
De Koning kan deze toegang slechts beperken om de veiligheid van de collectieve opvangstructuren en van de lokalen alsook van de begunstigden van de opvang te verzekeren.
In de collectieve opvangstructuur is er in een lokaal voorzien dat het vertrouwelijk karakter waarborgt van de gesprekken die er plaatsvinden.
De Koning kan deze toegang slechts beperken om de veiligheid van de collectieve opvangstructuren en van de lokalen alsook van de begunstigden van de opvang te verzekeren.
In de collectieve opvangstructuur is er in een lokaal voorzien dat het vertrouwelijk karakter waarborgt van de gesprekken die er plaatsvinden.
Art. 21. Les conseillers juridiques des bénéficiaires de l'accueil, les représentants du Haut Commissariat des Nations unies pour les réfugiés et les ONG qui agissent en son nom ont accès aux structures communautaires d'accueil, en vue d'aider les bénéficiaires de l'accueil.
Le Roi peut imposer des limites à cet accès uniquement aux fins de sécurité des structures communautaires d'accueil et des locaux ainsi que des bénéficiaires de l'accueil.
Il est prévu, dans la structure d'accueil communautaire, un local permettant d'assurer aux entretiens qui s'y déroulent un caractère confidentiel.
Le Roi peut imposer des limites à cet accès uniquement aux fins de sécurité des structures communautaires d'accueil et des locaux ainsi que des bénéficiaires de l'accueil.
Il est prévu, dans la structure d'accueil communautaire, un local permettant d'assurer aux entretiens qui s'y déroulent un caractère confidentiel.
Afdeling III. - Evaluatie.
Section III. - Evaluation.
Art. 22. § 1. Gedurende de dertig dagen die volgen op de toewijzing van zijn verplichte plaats van inschrijving wordt de persoonlijke situatie van de begunstigde van de opvang onderzocht om uit te maken of de opvang aangepast is aan zijn [1 specifieke noden inzake opvang]1. Indien dit niet zo blijkt te zijn, kan er worden overgegaan tot een wijziging van de verplichte plaats van inschrijving.
[1 § 1/1. Tegelijkertijd met het onderzoek naar de specifieke noden inzake opvang wordt onderzocht of er bijzondere procedurele noden zijn, zoals bedoeld in artikel 48/9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Het Agentschap kan aanbevelingen doen betreffende de bijzondere procedurele noden die een asielzoeker kan behoeven aan de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, mits zijn instemming.]1
§ 2. Met het oog hierop wordt tijdens het onderzoek van de persoonlijke situatie van de begunstigde van de opvang met name gepeild naar niet onmiddellijk zichtbare tekenen van een eventuele kwetsbaarheid, zoals in het geval van personen die folteringen hebben ondergaan of aan andere ernstige vormen van psychologisch, fysiek of seksueel geweld werden blootgesteld.
§ 3. De evaluatie van de persoonlijke situatie van de begunstigde van de opvang wordt gedurende het hele verblijf in de opvangstructuur voortgezet.
§ 4. De Koning bepaalt de nadere regels van deze evaluatie.
[1 § 1/1. Tegelijkertijd met het onderzoek naar de specifieke noden inzake opvang wordt onderzocht of er bijzondere procedurele noden zijn, zoals bedoeld in artikel 48/9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Het Agentschap kan aanbevelingen doen betreffende de bijzondere procedurele noden die een asielzoeker kan behoeven aan de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, mits zijn instemming.]1
§ 2. Met het oog hierop wordt tijdens het onderzoek van de persoonlijke situatie van de begunstigde van de opvang met name gepeild naar niet onmiddellijk zichtbare tekenen van een eventuele kwetsbaarheid, zoals in het geval van personen die folteringen hebben ondergaan of aan andere ernstige vormen van psychologisch, fysiek of seksueel geweld werden blootgesteld.
§ 3. De evaluatie van de persoonlijke situatie van de begunstigde van de opvang wordt gedurende het hele verblijf in de opvangstructuur voortgezet.
§ 4. De Koning bepaalt de nadere regels van deze evaluatie.
Art. 22. § 1er. Dans les trente jours qui suivent la désignation de son lieu obligatoire d'inscription, la situation individuelle du bénéficiaire de l'accueil est examinée en vue de déterminer si l'accueil répond à ses [1 besoins spécifiques en termes d'accueil]1. S'il apparaît que ce n'est pas le cas, il peut être procédé à une modification du lieu obligatoire d'inscription.
[1 § 1er/1. En même temps que l'examen des besoins spécifiques en termes d'accueil, il est examiné s'il existe des besoins procéduraux spéciaux tels que visés par l'article 48/9 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers. L'Agence peut formuler des recommandations relatives aux besoins procéduraux spéciaux qu'un demandeur d'asile peut éprouver auprès de l'Office des étrangers et du Commissariat général aux réfugiés et apatrides, à condition qu'il ait donné son autorisation à cette fin.]1
§ 2. A cette fin, l'examen de la situation individuelle du bénéficiaire de l'accueil porte notamment sur les signes non détectables a priori d'une éventuelle vulnérabilité telle que celle présente chez les personnes ayant subi des tortures ou d'autres formes graves de violence psychologique, physique ou sexuelle.
§ 3. L'évaluation de la situation individuelle du bénéficiaire de l'accueil se poursuit tout au long de son séjour au sein de la structure d'accueil.
§ 4. Le Roi fixe les modalités de cette évaluation.
[1 § 1er/1. En même temps que l'examen des besoins spécifiques en termes d'accueil, il est examiné s'il existe des besoins procéduraux spéciaux tels que visés par l'article 48/9 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers. L'Agence peut formuler des recommandations relatives aux besoins procéduraux spéciaux qu'un demandeur d'asile peut éprouver auprès de l'Office des étrangers et du Commissariat général aux réfugiés et apatrides, à condition qu'il ait donné son autorisation à cette fin.]1
§ 2. A cette fin, l'examen de la situation individuelle du bénéficiaire de l'accueil porte notamment sur les signes non détectables a priori d'une éventuelle vulnérabilité telle que celle présente chez les personnes ayant subi des tortures ou d'autres formes graves de violence psychologique, physique ou sexuelle.
§ 3. L'évaluation de la situation individuelle du bénéficiaire de l'accueil se poursuit tout au long de son séjour au sein de la structure d'accueil.
§ 4. Le Roi fixe les modalités de cette évaluation.
Wijzigingen
Afdeling IV. - Medische, psychologische, maatschappelijke begeleiding en juridische hulp.
Section IV. - Accompagnement médical, psychologique, social et aide juridique.
Onderafdeling I. - Medische begeleiding.
Sous-section 1re. - Accompagnement médical.
Art. 23. De begunstigde van de opvang heeft recht op de medische begeleiding die noodzakelijk is om een leven te kunnen leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.
Art. 23. Le bénéficiaire de l'accueil a droit à l'accompagnement médical nécessaire pour mener une vie conforme à la dignité humaine.
Art. 24. Onder medische begeleiding worden de medische hulpverlening en verzorging verstaan, ongeacht of zij opgenomen zijn in de nomenclatuur zoals voorzien in artikel 35 van de gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen van 14 juli 1994, of tot het dagelijkse leven behoren.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, enerzijds de medische hulp en verzorging die in genoemde nomenclatuur opgenomen zijn, maar niet aan de begunstigde van de opvang verzekerd worden omdat zij manifest niet noodzakelijk blijken te zijn, en anderzijds, de medische hulp en verzorging die tot het dagelijkse leven behoren en, hoewel niet opgenomen in genoemde nomenclatuur, wel verzekerd worden aan de begunstigde van de opvang.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, enerzijds de medische hulp en verzorging die in genoemde nomenclatuur opgenomen zijn, maar niet aan de begunstigde van de opvang verzekerd worden omdat zij manifest niet noodzakelijk blijken te zijn, en anderzijds, de medische hulp en verzorging die tot het dagelijkse leven behoren en, hoewel niet opgenomen in genoemde nomenclatuur, wel verzekerd worden aan de begunstigde van de opvang.
Art. 24. Par accompagnement médical, on entend l'aide et les soins médicaux, que ceux-ci soient repris dans la nomenclature telle que prévue à l'article 35 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994 ou qu'ils relèvent de la vie quotidienne.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, d'une part, l'aide et les soins médicaux qui, bien que repris dans la nomenclature précitée, ne sont pas assurés au bénéficiaire de l'accueil en ce qu'ils apparaissent comme manifestement non nécessaires, et d'autre part, l'aide et les soins médicaux relevant de la vie quotidienne et qui bien que non repris dans la nomenclature précitée sont assurés au bénéficiaire de l'accueil.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, d'une part, l'aide et les soins médicaux qui, bien que repris dans la nomenclature précitée, ne sont pas assurés au bénéficiaire de l'accueil en ce qu'ils apparaissent comme manifestement non nécessaires, et d'autre part, l'aide et les soins médicaux relevant de la vie quotidienne et qui bien que non repris dans la nomenclature précitée sont assurés au bénéficiaire de l'accueil.
Art. 25. § 1. Het Agentschap is bevoegd om de medische begeleiding, zoals bedoeld in artikel 23, te verzekeren ten behoeve van de begunstigde van de opvang en dit ongeacht de opvangstructuur waarin hij wordt opgevangen, met uitzondering van de opvangstructuur beheerd door de partner zoals bedoeld in artikel 64.
§ 2. Met het oog hierop waarborgt elke opvangstructuur aan de begunstigde van de opvang de effectieve toegang tot een medische begeleiding.
§ 3. Deze medische begeleiding wordt verleend onder de verantwoordelijkheid van een arts die zijn professionele onafhankelijkheid ten aanzien van de directeur of de verantwoordelijke van de betreffende structuur behoudt.
§ 4. De asielzoeker die niet verblijft in de opvangstructuur die hem aangewezen werd als verplichte plaats van inschrijving, kan een medische begeleiding krijgen die wordt verzekerd door het Agentschap.
§ 5. De begunstigde van de opvang kan bij het Agentschap een beroep indienen overeenkomstig artikel 47 tegen een beslissing van de arts van de opvangstructuur met betrekking tot het verstrekken van medische begeleiding die niet wordt beschouwd als vereist om een leven te kunnen leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.
§ 2. Met het oog hierop waarborgt elke opvangstructuur aan de begunstigde van de opvang de effectieve toegang tot een medische begeleiding.
§ 3. Deze medische begeleiding wordt verleend onder de verantwoordelijkheid van een arts die zijn professionele onafhankelijkheid ten aanzien van de directeur of de verantwoordelijke van de betreffende structuur behoudt.
§ 4. De asielzoeker die niet verblijft in de opvangstructuur die hem aangewezen werd als verplichte plaats van inschrijving, kan een medische begeleiding krijgen die wordt verzekerd door het Agentschap.
§ 5. De begunstigde van de opvang kan bij het Agentschap een beroep indienen overeenkomstig artikel 47 tegen een beslissing van de arts van de opvangstructuur met betrekking tot het verstrekken van medische begeleiding die niet wordt beschouwd als vereist om een leven te kunnen leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.
Art. 25. § 1er. L'Agence est compétente pour assurer l'accompagnement médical visé à l'article 23 au profit du bénéficiaire de l'accueil, et ce quelle que soit la structure d'accueil dans lequel il est accueilli, à l'exception de celle gérée par le partenaire visé à l'article 64.
§ 2. A cette fin, chaque structure d'accueil garantit au bénéficiaire de l'accueil l'accès effectif à un accompagnement médical.
§ 3. Cet accompagnement est délivré sous la responsabilité d'un médecin qui conserve son indépendance professionnelle envers le directeur ou le responsable de ladite structure.
§ 4. Le demandeur d'asile qui ne réside pas dans la structure d'accueil qui lui a été désignée comme lieu obligatoire d'inscription peut bénéficier d'un accompagnement médical assuré par l'Agence.
§ 5. Le bénéficiaire de l'accueil peut introduire auprès de l'Agence un recours contre une décision du médecin de la structure d'accueil relative à l'octroi d'un accompagnement médical qui n'est pas considéré comme étant nécessaire pour mener une vie conforme à la dignité humaine, conformément à l'article 47.
§ 2. A cette fin, chaque structure d'accueil garantit au bénéficiaire de l'accueil l'accès effectif à un accompagnement médical.
§ 3. Cet accompagnement est délivré sous la responsabilité d'un médecin qui conserve son indépendance professionnelle envers le directeur ou le responsable de ladite structure.
§ 4. Le demandeur d'asile qui ne réside pas dans la structure d'accueil qui lui a été désignée comme lieu obligatoire d'inscription peut bénéficier d'un accompagnement médical assuré par l'Agence.
§ 5. Le bénéficiaire de l'accueil peut introduire auprès de l'Agence un recours contre une décision du médecin de la structure d'accueil relative à l'octroi d'un accompagnement médical qui n'est pas considéré comme étant nécessaire pour mener une vie conforme à la dignité humaine, conformément à l'article 47.
Art. 26. [1 § 1.]1 Het Agentschap of de partner kan, overeenkomstig de nadere regels die door de Koning bepaald zijn, overeenkomsten afsluiten met instellingen voor gezondheidszorg om de voorwaarden vast te leggen voor de terugbetaling van de medische, farmaceutische en andere kosten die ontstaan door het verstrekken van zorg aan de begunstigde van de opvang.
[1 § 2. De Koning kan, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels die Hij bepaalt, de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, bedoeld in artikel 5 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, belasten met de controle en de betaling aan zorgverstrekkers van de medische en farmaceutische facturen die door deze zorgverstrekkers worden ingediend voor de begunstigden van de materiële hulp, bedoeld in artikel 25, § 1.
De in het derde en vijfde lid bedoelde verwerkingen hebben de volgende doeleinden:
1° de betrokken begunstigde van de materiële hulp uniek identificeren;
2° controle van medische en farmaceutische facturen voor kosten die gemaakt werden voor de medische begeleiding van de betrokken begunstigde van de materiële hulp;
3° betaling van gecontroleerde medische en farmaceutische facturen aan zorgverstrekkers;
4° antwoorden op vragen van zorgverstrekkers in verband met de rechten van de begunstigden van de materiële hulp, in verband met de akkoorden over de aanvaarde medische behandelingen en de ten laste name van medische behandelingen, in geval van technische storingen bij de betrokken organisaties of tegenstrijdige informatie van andere organisaties, of met betrekking tot de identiteit van de begunstigde van de materiële hulp die geen identiteitsbewijs heeft.
Het Agentschap en de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering kunnen, met het in het tweede lid bedoelde doel voor ogen, voor alle begunstigden van de materiële hulp, volgende categorieën van persoonsgegevens verwerken en uitwisselen:
1° de naam en voornaam;
2° de geboortedatum;
3° het geslacht;
4° de datum van overlijden;
5° de postcode en de woonplaats;
6° de datum waarop de asielaanvraag werd ingediend en de overheid waarbij die aanvraag is ingediend;
7° in voorkomend geval, de datum waarop de asielaanvraag werd ingetrokken;
8° eventueel, de datum waarop een maatregel tot verwijdering van het grondgebied is genomen, de datum waarop de asielzoeker er in kennis van is gesteld, en de datum waarop deze het grondgebied effectief heeft verlaten;
9° in voorkomend geval, de datum waarop de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus is toegekend en de overheid die deze beslissing heeft genomen;
10° Rijksregisternummer;
11° de akkoorden over de aanvaarde medische behandelingen;
12° de gegevens met betrekking tot de gezondheid.
Zowel het Agentschap als de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering zijn verantwoordelijk voor de verwerking van de in het derde lid bedoelde persoonsgegevens binnen de grenzen van hun respectievelijke bevoegdheden. Deze persoonsgegevens worden opgenomen in het medisch dossier van de betrokken begunstigde, dat enkel wordt bijgehouden bij het Agentschap overeenkomstig artikel 27. De gegevens worden bewaard voor een termijn van dertig jaar in het kader van de toepassing van de wettelijke verplichting met betrekking tot de bewaring van deze categorieën van gegevens. Na het verstrijken van de termijn van dertig jaar worden deze gegevens definitief vernietigd.
Het Agentschap kan, met het in het tweede lid bedoelde doel voor ogen, voor alle begunstigden van de materiële hulp, volgende categorieën van persoonsgegevens verwerken:
1° het feit of de betrokken begunstigde Belg, onderdaan van een land van de EU of van een land buiten de EU is;
2° het voorlopige gemis van nationaliteit of status aangegeven met de woorden "onbepaalde nationaliteit" of "onbepaalde status";
3° de hoofdverblijfplaats, inclusief eventuele wijzigingen van de verblijfplaats van de persoon en gegevens over uitschrijving als de persoon in het buitenland is gevestigd;
4° in voorkomend geval het adres waar de betrokkene tijdelijk verblijft buiten de gemeente waar hij/zij zijn/haar hoofdverblijfplaats heeft;
5° de woonplaats die de asielzoeker heeft gekozen krachtens artikel 51/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
6° in voorkomend geval, de verplichte plaats van inschrijving die door het Agentschap werd vastgesteld in toepassing van artikel 54 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
7° de plaats van overlijden;
8° de datum van overschrijving van de beslissing houdende verklaring van afwezigheid;
9° de burgerlijke staat;
10° de samenstelling van het gezin;
11° de akten en beslissingen betreffende de rechtsbekwaamheid en de beslissingen tot bewind over de goederen of over de persoon bedoeld in artikel 1250, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek;
12° de naam, de voornaam en het adres van de persoon die een minderjarige, een onbekwaam verklaarde, een geïnterneerde of een persoon die onder het statuut van verlengde minderjarigheid geplaatst is, vertegenwoordigt of bijstaat of van de bewindvoerder over de goederen of de persoon van wie melding wordt gemaakt in de in artikel 1250, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde beslissing;
13° de vermelding van het register waarin de in artikel 2 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen bedoelde personen zijn ingeschreven;
14° de verklaring van wettelijke samenwoning (en de beëindiging);
15° de verblijfstoestand voor de vreemdelingen bedoeld in artikel 2 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
16° de vermelding van ascendenten in de eerste graad in opgaande lijn, ongeacht of de afstamming tot stand komt door de geboorteakte, een rechterlijke beslissing, een erkenning of een adoptie;
17° de vermelding van de afstammelingen in rechtstreekse, dalende lijn in de eerste graad, ongeacht of de afstamming tot stand komt door de geboorteakte, een gerechtelijke beslissing, een erkenning of een adoptie;
18° de contactgegevens die uitsluitend op vrijwillige basis worden verstrekt door burgers, zoals bepaald door de Koning;
19° het nummer van de identiteitskaart;
20° het nummer- en de afgiftedatum van de sociale zekerheidskaart;
21° behalve de identificatiegegevens van de persoon met wie het huwelijk gepland is, de informatie betreffende de formaliteiten en beslissingen die voorafgaan aan de huwelijksvoltrekking bedoeld in de artikelen 63, §§ 2 en 4, 64, § 1, en 167 van het Burgerlijk Wetboek;
22° behalve de identificatiegegevens van de persoon met wie een verklaring van wettelijke samenwoning wordt afgelegd, de informatie betreffende de beslissingen die voorafgaan aan de melding van de verklaring van wettelijke samenwoning bedoeld in artikel 1476, § 1 van het Burgerlijk Wetboek;
23° de vermelding van het feit dat de minderjarige gedeeltelijk, al dan niet op gelijkmatig verdeelde wijze, bij de huisvesting verlenende ouder verblijft, namelijk de ouder bij wie de minderjarige niet ingeschreven is als hebbende aldaar zijn/haar hoofdverblijfplaats, op basis van een gerechtelijke beslissing of een gezamenlijk akkoord tussen de ouders wat de huisvesting van de minderjarige betreft, in toepassing van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek; deze vermelding wordt doorgevoerd op verzoek van de huisvesting verlenende ouder;
24° de vermelding van het feit dat de huisvesting verlenende ouder één of meerdere van zijn/haar minderjarige kinderen tegenover welke de afstamming vastgesteld is, gedeeltelijk opvangt, al dan niet op gelijkmatig verdeelde wijze, op basis van een gerechtelijke beslissing of een gezamenlijk akkoord tussen de ouders wat de huisvesting van de minderjarige betreft, in toepassing van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek; de identiteit van de betrokken minderjarige(n) wordt eveneens vermeld;
25° de status van vluchteling;
26° de status van staatloze;
27° het door de Dienst Vreemdelingenzaken toegekende dossiernummer (openbare veiligheidsnummer of OV-nummer);
28° het voorlopig persoonlijk nummer dat door de Dienst Vreemdelingenzaken aan de asielzoeker is toegekend;
29° de andere identiteitsgegevens dan die vermeld in dit lid en waarvan de vreemdeling gebruik maakt;
30° het land en de plaats van herkomst;
31° de datum van aankomst in België;
32° de datum van vertrek naar het buitenland en de datum van terugkeer naar België in geval van tijdelijke afwezigheid met recht op terugkeer;
33° de aard en de refertes van de documenten bedoeld in artikel 2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen of documenten toegelaten krachtens dit artikel;
34° de aard en de refertes van het Belgisch of buitenlands reisdocument waarover de asielzoeker beschikt;
35° elk identiteitsdocument of ander document dat in aanmerking kan worden genomen om de identiteit van de asielzoeker vast te stellen;
36° de naam, voornamen, geboortedatum en adres van de echtgenoot of echtgenote en het feit of hij of zij Belg, onderdaan van een land van de EU of van een land buiten de EU is;
37° de eventuele vermelding van het dossiernummer dat door de Dienst Vreemdelingenzaken is toegekend aan het dossier van de ouders, de echtgenoot en de kinderen;
38° de andere namen of schuilnamen waaronder de asielzoeker eveneens bekend is;
39° de stand en historiek van de asielprocedure, meer bepaald de beslissingen en arresten betreffende de aanvraag van de asielzoeker en genomen door de minister of zijn gemachtigde, door het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of zijn adjunct en door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen;
40° de beroepen ingesteld tegen de administratieve beslissingen en uitspraken bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, de Raad van State en, in voorkomend geval, de rechtbanken van de Rechterlijke Orde, alsook de beslissingen, adviezen, vonnissen en arresten die op die beroepen zijn gewezen;
41° de datum van kennisgeving of betekening aan de asielzoeker van de beslissingen, adviezen, arresten en vonnissen bedoeld in dit lid;
42° het adres aangegeven bij de Dienst Vreemdelingenzaken, het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en de directeurs van de opvangcentra voor vluchtelingen en de Raad van State.
Enkel het Agentschap is verantwoordelijk voor de verwerking van deze in lid 5 bedoelde persoonsgegevens. Deze gegevens zullen niet met de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering uitgewisseld worden. Deze persoonsgegevens zijn gedurende drie jaar beschikbaar en raadpleegbaar bij het Agentschap of langer in geval van toepassing van artikel 174, eerste lid, 3°, en vijfde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994. In dit laatste geval blijven de persoonsgegevens beschikbaar en raadpleegbaar gedurende de periode voorafgaand aan de verjaring van de vordering tot betaling van geneeskundige verstrekkingen. Na deze termijn worden de gegevens vernietigd.
Enkel de personeelsleden van het Agentschap en de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering die daartoe uitdrukkelijk gemachtigd zijn, krijgen via een verbinding die passend beveiligd is toegang tot de betrokken persoonsgegevens. Deze personeelsleden hebben enkel toegang tot de persoonsgegevens die zij dienen te kennen naargelang van de dienst waartoe zij behoren en hun takenpakket.
Onverminderd de eventuele tussenkomst van instellingen zoals de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, ingesteld bij de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, zullen, in toepassing van de wetgeving inzake de mededeling van persoonlijke sociale gegevens, de persoonsgegevens die partijen verzamelen en verwerken bedoeld in het derde lid toegankelijk zijn, binnen het kader van hun opdracht en voor zover als noodzakelijk, voor alle zorgverstrekkers die elektronisch kunnen factureren, het Nationaal Intermutualistisch College en de erkende tariferingsdiensten. De Koning kan, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels die Hij bepaalt, verder preciseren voor welke groepen van zorgverstrekkers de in het eerste lid bedoelde samenwerking tussen het Agentschap en de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering gevolgen heeft.
Met het oog op de controle en de betaling door de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering aan zorgverstrekkers van de medische en farmaceutische facturen die door deze zorgverstrekkers worden ingediend voor de begunstigden van de materiële hulp, bedoeld in artikel 25, § 1, heeft het Agentschap:
1° het recht om het unieke identificatienummer (INSZ) bij de Belgische sociale zekerheid te gebruiken, toegekend krachtens artikel 4 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
2° de toegang tot de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen ingesteld door de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
Met het oog op de controle en de betaling door de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering aan zorgverstrekkers van de medische en farmaceutische facturen die door deze zorgverstrekkers worden ingediend voor de begunstigden van de materiële hulp, bedoeld in artikel 25, § 1, heeft ook de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering het recht om het unieke identificatienummer (INSZ) bij de Belgische sociale zekerheid te gebruiken, bedoeld in de bepaling onder 1° van het negende lid.]1
[1 § 2. De Koning kan, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels die Hij bepaalt, de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, bedoeld in artikel 5 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, belasten met de controle en de betaling aan zorgverstrekkers van de medische en farmaceutische facturen die door deze zorgverstrekkers worden ingediend voor de begunstigden van de materiële hulp, bedoeld in artikel 25, § 1.
De in het derde en vijfde lid bedoelde verwerkingen hebben de volgende doeleinden:
1° de betrokken begunstigde van de materiële hulp uniek identificeren;
2° controle van medische en farmaceutische facturen voor kosten die gemaakt werden voor de medische begeleiding van de betrokken begunstigde van de materiële hulp;
3° betaling van gecontroleerde medische en farmaceutische facturen aan zorgverstrekkers;
4° antwoorden op vragen van zorgverstrekkers in verband met de rechten van de begunstigden van de materiële hulp, in verband met de akkoorden over de aanvaarde medische behandelingen en de ten laste name van medische behandelingen, in geval van technische storingen bij de betrokken organisaties of tegenstrijdige informatie van andere organisaties, of met betrekking tot de identiteit van de begunstigde van de materiële hulp die geen identiteitsbewijs heeft.
Het Agentschap en de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering kunnen, met het in het tweede lid bedoelde doel voor ogen, voor alle begunstigden van de materiële hulp, volgende categorieën van persoonsgegevens verwerken en uitwisselen:
1° de naam en voornaam;
2° de geboortedatum;
3° het geslacht;
4° de datum van overlijden;
5° de postcode en de woonplaats;
6° de datum waarop de asielaanvraag werd ingediend en de overheid waarbij die aanvraag is ingediend;
7° in voorkomend geval, de datum waarop de asielaanvraag werd ingetrokken;
8° eventueel, de datum waarop een maatregel tot verwijdering van het grondgebied is genomen, de datum waarop de asielzoeker er in kennis van is gesteld, en de datum waarop deze het grondgebied effectief heeft verlaten;
9° in voorkomend geval, de datum waarop de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus is toegekend en de overheid die deze beslissing heeft genomen;
10° Rijksregisternummer;
11° de akkoorden over de aanvaarde medische behandelingen;
12° de gegevens met betrekking tot de gezondheid.
Zowel het Agentschap als de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering zijn verantwoordelijk voor de verwerking van de in het derde lid bedoelde persoonsgegevens binnen de grenzen van hun respectievelijke bevoegdheden. Deze persoonsgegevens worden opgenomen in het medisch dossier van de betrokken begunstigde, dat enkel wordt bijgehouden bij het Agentschap overeenkomstig artikel 27. De gegevens worden bewaard voor een termijn van dertig jaar in het kader van de toepassing van de wettelijke verplichting met betrekking tot de bewaring van deze categorieën van gegevens. Na het verstrijken van de termijn van dertig jaar worden deze gegevens definitief vernietigd.
Het Agentschap kan, met het in het tweede lid bedoelde doel voor ogen, voor alle begunstigden van de materiële hulp, volgende categorieën van persoonsgegevens verwerken:
1° het feit of de betrokken begunstigde Belg, onderdaan van een land van de EU of van een land buiten de EU is;
2° het voorlopige gemis van nationaliteit of status aangegeven met de woorden "onbepaalde nationaliteit" of "onbepaalde status";
3° de hoofdverblijfplaats, inclusief eventuele wijzigingen van de verblijfplaats van de persoon en gegevens over uitschrijving als de persoon in het buitenland is gevestigd;
4° in voorkomend geval het adres waar de betrokkene tijdelijk verblijft buiten de gemeente waar hij/zij zijn/haar hoofdverblijfplaats heeft;
5° de woonplaats die de asielzoeker heeft gekozen krachtens artikel 51/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
6° in voorkomend geval, de verplichte plaats van inschrijving die door het Agentschap werd vastgesteld in toepassing van artikel 54 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
7° de plaats van overlijden;
8° de datum van overschrijving van de beslissing houdende verklaring van afwezigheid;
9° de burgerlijke staat;
10° de samenstelling van het gezin;
11° de akten en beslissingen betreffende de rechtsbekwaamheid en de beslissingen tot bewind over de goederen of over de persoon bedoeld in artikel 1250, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek;
12° de naam, de voornaam en het adres van de persoon die een minderjarige, een onbekwaam verklaarde, een geïnterneerde of een persoon die onder het statuut van verlengde minderjarigheid geplaatst is, vertegenwoordigt of bijstaat of van de bewindvoerder over de goederen of de persoon van wie melding wordt gemaakt in de in artikel 1250, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde beslissing;
13° de vermelding van het register waarin de in artikel 2 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen bedoelde personen zijn ingeschreven;
14° de verklaring van wettelijke samenwoning (en de beëindiging);
15° de verblijfstoestand voor de vreemdelingen bedoeld in artikel 2 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
16° de vermelding van ascendenten in de eerste graad in opgaande lijn, ongeacht of de afstamming tot stand komt door de geboorteakte, een rechterlijke beslissing, een erkenning of een adoptie;
17° de vermelding van de afstammelingen in rechtstreekse, dalende lijn in de eerste graad, ongeacht of de afstamming tot stand komt door de geboorteakte, een gerechtelijke beslissing, een erkenning of een adoptie;
18° de contactgegevens die uitsluitend op vrijwillige basis worden verstrekt door burgers, zoals bepaald door de Koning;
19° het nummer van de identiteitskaart;
20° het nummer- en de afgiftedatum van de sociale zekerheidskaart;
21° behalve de identificatiegegevens van de persoon met wie het huwelijk gepland is, de informatie betreffende de formaliteiten en beslissingen die voorafgaan aan de huwelijksvoltrekking bedoeld in de artikelen 63, §§ 2 en 4, 64, § 1, en 167 van het Burgerlijk Wetboek;
22° behalve de identificatiegegevens van de persoon met wie een verklaring van wettelijke samenwoning wordt afgelegd, de informatie betreffende de beslissingen die voorafgaan aan de melding van de verklaring van wettelijke samenwoning bedoeld in artikel 1476, § 1 van het Burgerlijk Wetboek;
23° de vermelding van het feit dat de minderjarige gedeeltelijk, al dan niet op gelijkmatig verdeelde wijze, bij de huisvesting verlenende ouder verblijft, namelijk de ouder bij wie de minderjarige niet ingeschreven is als hebbende aldaar zijn/haar hoofdverblijfplaats, op basis van een gerechtelijke beslissing of een gezamenlijk akkoord tussen de ouders wat de huisvesting van de minderjarige betreft, in toepassing van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek; deze vermelding wordt doorgevoerd op verzoek van de huisvesting verlenende ouder;
24° de vermelding van het feit dat de huisvesting verlenende ouder één of meerdere van zijn/haar minderjarige kinderen tegenover welke de afstamming vastgesteld is, gedeeltelijk opvangt, al dan niet op gelijkmatig verdeelde wijze, op basis van een gerechtelijke beslissing of een gezamenlijk akkoord tussen de ouders wat de huisvesting van de minderjarige betreft, in toepassing van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek; de identiteit van de betrokken minderjarige(n) wordt eveneens vermeld;
25° de status van vluchteling;
26° de status van staatloze;
27° het door de Dienst Vreemdelingenzaken toegekende dossiernummer (openbare veiligheidsnummer of OV-nummer);
28° het voorlopig persoonlijk nummer dat door de Dienst Vreemdelingenzaken aan de asielzoeker is toegekend;
29° de andere identiteitsgegevens dan die vermeld in dit lid en waarvan de vreemdeling gebruik maakt;
30° het land en de plaats van herkomst;
31° de datum van aankomst in België;
32° de datum van vertrek naar het buitenland en de datum van terugkeer naar België in geval van tijdelijke afwezigheid met recht op terugkeer;
33° de aard en de refertes van de documenten bedoeld in artikel 2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen of documenten toegelaten krachtens dit artikel;
34° de aard en de refertes van het Belgisch of buitenlands reisdocument waarover de asielzoeker beschikt;
35° elk identiteitsdocument of ander document dat in aanmerking kan worden genomen om de identiteit van de asielzoeker vast te stellen;
36° de naam, voornamen, geboortedatum en adres van de echtgenoot of echtgenote en het feit of hij of zij Belg, onderdaan van een land van de EU of van een land buiten de EU is;
37° de eventuele vermelding van het dossiernummer dat door de Dienst Vreemdelingenzaken is toegekend aan het dossier van de ouders, de echtgenoot en de kinderen;
38° de andere namen of schuilnamen waaronder de asielzoeker eveneens bekend is;
39° de stand en historiek van de asielprocedure, meer bepaald de beslissingen en arresten betreffende de aanvraag van de asielzoeker en genomen door de minister of zijn gemachtigde, door het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of zijn adjunct en door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen;
40° de beroepen ingesteld tegen de administratieve beslissingen en uitspraken bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, de Raad van State en, in voorkomend geval, de rechtbanken van de Rechterlijke Orde, alsook de beslissingen, adviezen, vonnissen en arresten die op die beroepen zijn gewezen;
41° de datum van kennisgeving of betekening aan de asielzoeker van de beslissingen, adviezen, arresten en vonnissen bedoeld in dit lid;
42° het adres aangegeven bij de Dienst Vreemdelingenzaken, het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en de directeurs van de opvangcentra voor vluchtelingen en de Raad van State.
Enkel het Agentschap is verantwoordelijk voor de verwerking van deze in lid 5 bedoelde persoonsgegevens. Deze gegevens zullen niet met de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering uitgewisseld worden. Deze persoonsgegevens zijn gedurende drie jaar beschikbaar en raadpleegbaar bij het Agentschap of langer in geval van toepassing van artikel 174, eerste lid, 3°, en vijfde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994. In dit laatste geval blijven de persoonsgegevens beschikbaar en raadpleegbaar gedurende de periode voorafgaand aan de verjaring van de vordering tot betaling van geneeskundige verstrekkingen. Na deze termijn worden de gegevens vernietigd.
Enkel de personeelsleden van het Agentschap en de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering die daartoe uitdrukkelijk gemachtigd zijn, krijgen via een verbinding die passend beveiligd is toegang tot de betrokken persoonsgegevens. Deze personeelsleden hebben enkel toegang tot de persoonsgegevens die zij dienen te kennen naargelang van de dienst waartoe zij behoren en hun takenpakket.
Onverminderd de eventuele tussenkomst van instellingen zoals de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, ingesteld bij de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, zullen, in toepassing van de wetgeving inzake de mededeling van persoonlijke sociale gegevens, de persoonsgegevens die partijen verzamelen en verwerken bedoeld in het derde lid toegankelijk zijn, binnen het kader van hun opdracht en voor zover als noodzakelijk, voor alle zorgverstrekkers die elektronisch kunnen factureren, het Nationaal Intermutualistisch College en de erkende tariferingsdiensten. De Koning kan, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels die Hij bepaalt, verder preciseren voor welke groepen van zorgverstrekkers de in het eerste lid bedoelde samenwerking tussen het Agentschap en de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering gevolgen heeft.
Met het oog op de controle en de betaling door de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering aan zorgverstrekkers van de medische en farmaceutische facturen die door deze zorgverstrekkers worden ingediend voor de begunstigden van de materiële hulp, bedoeld in artikel 25, § 1, heeft het Agentschap:
1° het recht om het unieke identificatienummer (INSZ) bij de Belgische sociale zekerheid te gebruiken, toegekend krachtens artikel 4 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
2° de toegang tot de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen ingesteld door de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
Met het oog op de controle en de betaling door de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering aan zorgverstrekkers van de medische en farmaceutische facturen die door deze zorgverstrekkers worden ingediend voor de begunstigden van de materiële hulp, bedoeld in artikel 25, § 1, heeft ook de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering het recht om het unieke identificatienummer (INSZ) bij de Belgische sociale zekerheid te gebruiken, bedoeld in de bepaling onder 1° van het negende lid.]1
Art. 26. [1 § 1er.]1 L'Agence ou le partenaire peut, selon les modalités définies par le Roi, conclure des conventions avec les établissements de soins de santé en vue de fixer les conditions de remboursement des frais médicaux, pharmaceutiques et autres, résultant des soins dispensés au bénéficiaire de l'accueil.
[1 § 2. Le Roi peut, dans les conditions et selon les modalités qu'il détermine, confier à la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité, visée à l'article 5 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, le contrôle et le paiement aux prestataires de soins des factures médicales et pharmaceutiques présentées par ces prestataires de soins pour les bénéficiaires de l'aide matérielle, visée à l'article 25, § 1er.
Les traitements visés aux alinéas 3 et 5 ont les finalités suivantes:
1° identifier de manière unique le bénéficiaire de l'aide matérielle concerné;
2° de la vérification des factures médicales et pharmaceutiques pour les frais encourus pour l'accompagnement médical du bénéficiaire de l'aide matérielle concerné;
3° du paiement aux prestataires de soins des factures médicales et pharmaceutiques vérifiées;
4° répondre aux questions des prestataires de soins concernant les droits des bénéficiaires de l'aide matérielle, concernant les accords sur les traitements médicaux acceptés et la prise en charge des traitements médicaux, en cas de dysfonctionnements techniques auprès des organisations concernées ou d'informations contradictoires provenant d'autres organisations, ou en ce qui concerne l'identité du bénéficiaire de l'aide matérielle qui ne dispose pas d'une preuve d'identité.
L'Agence et la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité peuvent, en vue de la finalité visée à l'alinéa 2, traiter et échanger, pour tous les bénéficiaires de l'aide matérielle, les catégories suivantes de données à caractère personnel:
1° le nom et prénom;
2° la date de naissance;
3° le sexe;
4° la date du décès;
5° le code postal et la localité;
6° la date à laquelle la demande d'asile a été introduite et l'autorité auprès de laquelle cette demande a été introduite;
7° le cas échéant, la date de désistement de la demande d'asile;
8° s'il échet, la date à laquelle une mesure d'éloignement du territoire a été prise, la date à laquelle elle a été notifiée au demandeur d'asile, et la date à laquelle celui-ci a quitté effectivement le territoire;
9° le cas échéant, la date à laquelle le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire a été accordé et l'autorité qui a pris cette décision;
10° le numéro de Registre national;
11° les accords sur les traitements médicaux acceptés;
12° les données relatives à la santé.
L'Agence et la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité sont tous les deux responsables du traitement de ces données à caractère personnel visées à alinéa 3 dans les limites de leurs compétences respectives. Ces données à caractère personnel sont incluses dans le dossier médical du bénéficiaire concerné, qui est conservé uniquement à l'Agence conformément à l'article 27. Les données sont conservées pendant une période de trente ans dans le cadre de l'application de l'obligation légale relative à la conservation de ces catégories de données. Après l'expiration de la période de trente ans, ces données seront définitivement détruites.
L'Agence peut, dans le cadre de la finalité visée à l'alinéa 2, traiter les catégories de données à caractère personnel suivantes pour tous les bénéficiaires de l'aide matérielle:
1° le fait que le bénéficiaire concerné soit belge, ressortissant d'un pays de l'UE ou d'un pays hors de l'UE;
2° l'absence provisoire de nationalité ou de statut, indiquée par les mots "nationalité indéterminée" ou "statut indéterminé";
3° la résidence principale, y compris tout changement du lieu de résidence de la personne et les données de la radiation si la personne est basée à l'étranger;
4° le cas échéant, l'adresse où la personne réside temporairement en dehors de la commune où elle a sa résidence principale;
5° le domicile élu par le demandeur d'asile en vertu de l'article 51/2 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
6° le cas échéant, le lieu obligatoire d'inscription fixé par l'Agence en application de l'article 54 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
7° le lieu du décès;
8° la date de la transcription de la décision déclarative d'absence;
9° l'état civil;
10° la composition du ménage;
11° les actes et décisions relatifs à la capacité juridique et les décisions d'administration de biens ou de la personne visées à l'article 1250, alinéa 1er, du Code judiciaire;
12° le nom, le prénom et l'adresse de la personne qui représente ou assiste un mineur, une personne déclarée incapable, un interné ou une personne placée sous statut de minorité prolongée, ou de l'administrateur de biens ou de la personne dont il est fait mention dans la décision visée à l'article 1250, alinéa 1er, du Code judiciaire;
13° la mention du registre dans lequel sont inscrites les personnes visées à l'article 2 de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques;
14° la déclaration de cohabitation légale (et la cessation);
15° la situation de séjour pour les étrangers visés à l'article 2 de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques;
16° la mention des ascendants au premier degré, que le lien de filiation soit établi dans l'acte de naissance, par décision judiciaire, par reconnaissance ou par une adoption;
17° la mention des descendants en ligne directe au premier degré, que le lien de filiation soit établi dans l'acte de naissance, par décision judiciaire, par reconnaissance ou par une adoption;
18° les données de contact fournies par les citoyens sur une base volontaire uniquement, telles que déterminées par le Roi;
19° le numéro de la carte d'identité;
20° le numéro et la date de délivrance de la carte de sécurité sociale;
21° outre les informations d'identification de la personne avec laquelle le mariage est envisagé, les informations relatives aux formalités et décisions précédant la célébration du mariage visées aux articles 63, §§ 2 et 4, 64, § 1er, et 167 du Code civil;
22° outre les données d'identification relatives à la personne avec laquelle une déclaration de cohabitation légale est faite, les informations relatives aux décisions précédant le fait d'acter la déclaration de cohabitation légale, visée à l'article 1476, § 1er, du Code civil;
23° la mention du fait que le mineur réside partiellement, de façon égalitaire ou pas, chez le parent hébergeur, à savoir celui auprès duquel le mineur n'est pas inscrit comme ayant sa résidence principale, sur la base d'une décision judiciaire ou de commun accord des parents quant à l'hébergement du mineur, en application de l'article 374 du Code civil; cette mention est effectuée à la demande du parent hébergeur;
24° la mention du fait que le parent hébergeur, accueille partiellement, de façon égalitaire ou pas, sur la base d'une décision judiciaire ou de commun accord des parents quant à l'hébergement du mineur, en application de l'article 374 du Code civil, un ou plusieurs de ses enfants mineurs à l'égard desquels la filiation est établie; l'identité du ou des mineurs concerné(s) est également mentionnée;
25° le statut de réfugié;
26° le statut d'apatride;
27° le numéro de dossier attribué par l'Office des Etrangers (le numéro de sécurité publique ou le numéro SP);
28° le numéro personnel provisoire attribué au demandeur d'asile par l'Office des Etrangers;
29° les éléments d'identité autres que ceux mentionnés à cet alinéa et qui sont utilisés par l'étranger;
30° le pays et le lieu de provenance;
31° la date d'arrivée en Belgique;
32° la date de départ pour l'étranger et la date de retour en Belgique, en cas d'absence temporaire assortie d'un droit de retour;
33° la nature et les références des documents visés à l'article 2 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ou des documents autorisés en vertu de cet article;
34° la nature et les références du document de voyage belge ou étranger dont dispose le demandeur d'asile;
35° tout document d'identité ou autre susceptible d'être pris en considération pour établir l'identité du demandeur d'asile;
36° le nom, les prénoms, la date de naissance, l'adresse du conjoint ou conjointe et le fait que il ou elle soit belge, ressortissant d'un pays de l'UE ou d'un pays hors de l'UE;
37° l'indication éventuelle du numéro de dossier attribué par l'Office des Etrangers au dossier des parents, du conjoint et des enfants;
38° les autres noms ou pseudonymes sous lesquels le demandeur d'asile est également connu;
39° l'état et l'historique de la procédure d'asile, en particulier les décisions et les arrêts concernant la demande du demandeur d'asile et prises par le ministre ou son délégué, par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou son adjoint et par le Conseil du Contentieux des Etrangers;
40° les recours introduits contre les décisions administratives et arrêts du Conseil du Contentieux des Etrangers, du Conseil d'Etat et, le cas échéant des tribunaux de l'Ordre judiciaire, ainsi que les décisions, avis, jugements et arrêts rendus sur ces recours;
41° la date de notification ou de signification au demandeur d'asile des décisions, avis, jugements et arrêts visés dans cet alinéa;
42° l'adresse déclarée auprès de l'Office des Etrangers, du Commissariat général aux réfugiés et apatrides, du Conseil du Contentieux des Etrangers, des directeurs des centres d'accueil pour réfugiés et du Conseil d'Etat.
Seule l'Agence est responsable du traitement de ces données à caractère personnel visées à l'alinéa 5. Ces données ne seront pas échangées avec la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité. Ces données à caractère personnel sont disponibles et consultables à l'Agence pendant trois ans, ou plus en cas d'application de l'article 174, alinéa 1er, 3°, et alinéa 5, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994. Dans ce dernier cas, les données à caractère personnel restent disponibles et peuvent être consultées pendant la période précédant la prescription de l'action relative au paiement des prestations de santé. Après cette période, les données seront détruites.
Seuls les membres du personnel de l'Agence et de la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité qui y sont expressément autorisés ont accès aux données à caractère personnel concernées par le biais d'une connexion convenablement sécurisée. Ces membres du personnel n'ont accès qu'aux données à caractère personnel dont ils ont besoin de prendre connaissance en fonction du service auquel ils appartiennent et de leurs fonctions.
Sans préjudice de l'intervention éventuelle d'institutions telles que la Banque Carrefour de la sécurité sociale, instituée par la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, en application de la législation relative à la communication de données sociales à caractère personnel, les données à caractère personnel collectées et traitées par les parties visées à l'alinéa 3, seront accessibles, dans le cadre de leur mission et pour autant que nécessaire, à tous les prestataires de soins qui peuvent facturer par voie électronique, au Collège Intermutualiste National et aux offices de tarification agréés. Le Roi peut en outre préciser, dans les conditions et selon les modalités qu'Il détermine, pour quels groupes de prestataires de soins la collaboration entre l'Agence et la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité visée à l'alinéa 1er a des conséquences.
En vue du contrôle et du paiement par la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité aux prestataires de soins des factures médicales et pharmaceutiques présentées par ces prestataires de soins pour les bénéficiaires de l'aide matérielle, visée à l'article 25, § 1er, l'Agence a:
1° le droit d'utiliser le numéro d'identification unique (NISS) auprès de la sécurité sociale belge, attribué en vertu de l'article 4 de la loi organique du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale;
2° l'accès aux données du Registre national des personnes physiques, institué par la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques.
A des fins de contrôle et de paiement par la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité aux prestataires de soins de santé des factures médicales et pharmaceutiques présentées par ces prestataires de soins de santé pour les bénéficiaires de l'aide matérielle, visée à l'article 25, § 1er, la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité a également le droit d'utiliser le numéro d'identification unique (NISS) auprès de la sécurité sociale belge, visée au 1° de l'alinéa 9.]1
[1 § 2. Le Roi peut, dans les conditions et selon les modalités qu'il détermine, confier à la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité, visée à l'article 5 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, le contrôle et le paiement aux prestataires de soins des factures médicales et pharmaceutiques présentées par ces prestataires de soins pour les bénéficiaires de l'aide matérielle, visée à l'article 25, § 1er.
Les traitements visés aux alinéas 3 et 5 ont les finalités suivantes:
1° identifier de manière unique le bénéficiaire de l'aide matérielle concerné;
2° de la vérification des factures médicales et pharmaceutiques pour les frais encourus pour l'accompagnement médical du bénéficiaire de l'aide matérielle concerné;
3° du paiement aux prestataires de soins des factures médicales et pharmaceutiques vérifiées;
4° répondre aux questions des prestataires de soins concernant les droits des bénéficiaires de l'aide matérielle, concernant les accords sur les traitements médicaux acceptés et la prise en charge des traitements médicaux, en cas de dysfonctionnements techniques auprès des organisations concernées ou d'informations contradictoires provenant d'autres organisations, ou en ce qui concerne l'identité du bénéficiaire de l'aide matérielle qui ne dispose pas d'une preuve d'identité.
L'Agence et la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité peuvent, en vue de la finalité visée à l'alinéa 2, traiter et échanger, pour tous les bénéficiaires de l'aide matérielle, les catégories suivantes de données à caractère personnel:
1° le nom et prénom;
2° la date de naissance;
3° le sexe;
4° la date du décès;
5° le code postal et la localité;
6° la date à laquelle la demande d'asile a été introduite et l'autorité auprès de laquelle cette demande a été introduite;
7° le cas échéant, la date de désistement de la demande d'asile;
8° s'il échet, la date à laquelle une mesure d'éloignement du territoire a été prise, la date à laquelle elle a été notifiée au demandeur d'asile, et la date à laquelle celui-ci a quitté effectivement le territoire;
9° le cas échéant, la date à laquelle le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire a été accordé et l'autorité qui a pris cette décision;
10° le numéro de Registre national;
11° les accords sur les traitements médicaux acceptés;
12° les données relatives à la santé.
L'Agence et la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité sont tous les deux responsables du traitement de ces données à caractère personnel visées à alinéa 3 dans les limites de leurs compétences respectives. Ces données à caractère personnel sont incluses dans le dossier médical du bénéficiaire concerné, qui est conservé uniquement à l'Agence conformément à l'article 27. Les données sont conservées pendant une période de trente ans dans le cadre de l'application de l'obligation légale relative à la conservation de ces catégories de données. Après l'expiration de la période de trente ans, ces données seront définitivement détruites.
L'Agence peut, dans le cadre de la finalité visée à l'alinéa 2, traiter les catégories de données à caractère personnel suivantes pour tous les bénéficiaires de l'aide matérielle:
1° le fait que le bénéficiaire concerné soit belge, ressortissant d'un pays de l'UE ou d'un pays hors de l'UE;
2° l'absence provisoire de nationalité ou de statut, indiquée par les mots "nationalité indéterminée" ou "statut indéterminé";
3° la résidence principale, y compris tout changement du lieu de résidence de la personne et les données de la radiation si la personne est basée à l'étranger;
4° le cas échéant, l'adresse où la personne réside temporairement en dehors de la commune où elle a sa résidence principale;
5° le domicile élu par le demandeur d'asile en vertu de l'article 51/2 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
6° le cas échéant, le lieu obligatoire d'inscription fixé par l'Agence en application de l'article 54 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
7° le lieu du décès;
8° la date de la transcription de la décision déclarative d'absence;
9° l'état civil;
10° la composition du ménage;
11° les actes et décisions relatifs à la capacité juridique et les décisions d'administration de biens ou de la personne visées à l'article 1250, alinéa 1er, du Code judiciaire;
12° le nom, le prénom et l'adresse de la personne qui représente ou assiste un mineur, une personne déclarée incapable, un interné ou une personne placée sous statut de minorité prolongée, ou de l'administrateur de biens ou de la personne dont il est fait mention dans la décision visée à l'article 1250, alinéa 1er, du Code judiciaire;
13° la mention du registre dans lequel sont inscrites les personnes visées à l'article 2 de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques;
14° la déclaration de cohabitation légale (et la cessation);
15° la situation de séjour pour les étrangers visés à l'article 2 de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques;
16° la mention des ascendants au premier degré, que le lien de filiation soit établi dans l'acte de naissance, par décision judiciaire, par reconnaissance ou par une adoption;
17° la mention des descendants en ligne directe au premier degré, que le lien de filiation soit établi dans l'acte de naissance, par décision judiciaire, par reconnaissance ou par une adoption;
18° les données de contact fournies par les citoyens sur une base volontaire uniquement, telles que déterminées par le Roi;
19° le numéro de la carte d'identité;
20° le numéro et la date de délivrance de la carte de sécurité sociale;
21° outre les informations d'identification de la personne avec laquelle le mariage est envisagé, les informations relatives aux formalités et décisions précédant la célébration du mariage visées aux articles 63, §§ 2 et 4, 64, § 1er, et 167 du Code civil;
22° outre les données d'identification relatives à la personne avec laquelle une déclaration de cohabitation légale est faite, les informations relatives aux décisions précédant le fait d'acter la déclaration de cohabitation légale, visée à l'article 1476, § 1er, du Code civil;
23° la mention du fait que le mineur réside partiellement, de façon égalitaire ou pas, chez le parent hébergeur, à savoir celui auprès duquel le mineur n'est pas inscrit comme ayant sa résidence principale, sur la base d'une décision judiciaire ou de commun accord des parents quant à l'hébergement du mineur, en application de l'article 374 du Code civil; cette mention est effectuée à la demande du parent hébergeur;
24° la mention du fait que le parent hébergeur, accueille partiellement, de façon égalitaire ou pas, sur la base d'une décision judiciaire ou de commun accord des parents quant à l'hébergement du mineur, en application de l'article 374 du Code civil, un ou plusieurs de ses enfants mineurs à l'égard desquels la filiation est établie; l'identité du ou des mineurs concerné(s) est également mentionnée;
25° le statut de réfugié;
26° le statut d'apatride;
27° le numéro de dossier attribué par l'Office des Etrangers (le numéro de sécurité publique ou le numéro SP);
28° le numéro personnel provisoire attribué au demandeur d'asile par l'Office des Etrangers;
29° les éléments d'identité autres que ceux mentionnés à cet alinéa et qui sont utilisés par l'étranger;
30° le pays et le lieu de provenance;
31° la date d'arrivée en Belgique;
32° la date de départ pour l'étranger et la date de retour en Belgique, en cas d'absence temporaire assortie d'un droit de retour;
33° la nature et les références des documents visés à l'article 2 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ou des documents autorisés en vertu de cet article;
34° la nature et les références du document de voyage belge ou étranger dont dispose le demandeur d'asile;
35° tout document d'identité ou autre susceptible d'être pris en considération pour établir l'identité du demandeur d'asile;
36° le nom, les prénoms, la date de naissance, l'adresse du conjoint ou conjointe et le fait que il ou elle soit belge, ressortissant d'un pays de l'UE ou d'un pays hors de l'UE;
37° l'indication éventuelle du numéro de dossier attribué par l'Office des Etrangers au dossier des parents, du conjoint et des enfants;
38° les autres noms ou pseudonymes sous lesquels le demandeur d'asile est également connu;
39° l'état et l'historique de la procédure d'asile, en particulier les décisions et les arrêts concernant la demande du demandeur d'asile et prises par le ministre ou son délégué, par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou son adjoint et par le Conseil du Contentieux des Etrangers;
40° les recours introduits contre les décisions administratives et arrêts du Conseil du Contentieux des Etrangers, du Conseil d'Etat et, le cas échéant des tribunaux de l'Ordre judiciaire, ainsi que les décisions, avis, jugements et arrêts rendus sur ces recours;
41° la date de notification ou de signification au demandeur d'asile des décisions, avis, jugements et arrêts visés dans cet alinéa;
42° l'adresse déclarée auprès de l'Office des Etrangers, du Commissariat général aux réfugiés et apatrides, du Conseil du Contentieux des Etrangers, des directeurs des centres d'accueil pour réfugiés et du Conseil d'Etat.
Seule l'Agence est responsable du traitement de ces données à caractère personnel visées à l'alinéa 5. Ces données ne seront pas échangées avec la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité. Ces données à caractère personnel sont disponibles et consultables à l'Agence pendant trois ans, ou plus en cas d'application de l'article 174, alinéa 1er, 3°, et alinéa 5, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994. Dans ce dernier cas, les données à caractère personnel restent disponibles et peuvent être consultées pendant la période précédant la prescription de l'action relative au paiement des prestations de santé. Après cette période, les données seront détruites.
Seuls les membres du personnel de l'Agence et de la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité qui y sont expressément autorisés ont accès aux données à caractère personnel concernées par le biais d'une connexion convenablement sécurisée. Ces membres du personnel n'ont accès qu'aux données à caractère personnel dont ils ont besoin de prendre connaissance en fonction du service auquel ils appartiennent et de leurs fonctions.
Sans préjudice de l'intervention éventuelle d'institutions telles que la Banque Carrefour de la sécurité sociale, instituée par la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, en application de la législation relative à la communication de données sociales à caractère personnel, les données à caractère personnel collectées et traitées par les parties visées à l'alinéa 3, seront accessibles, dans le cadre de leur mission et pour autant que nécessaire, à tous les prestataires de soins qui peuvent facturer par voie électronique, au Collège Intermutualiste National et aux offices de tarification agréés. Le Roi peut en outre préciser, dans les conditions et selon les modalités qu'Il détermine, pour quels groupes de prestataires de soins la collaboration entre l'Agence et la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité visée à l'alinéa 1er a des conséquences.
En vue du contrôle et du paiement par la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité aux prestataires de soins des factures médicales et pharmaceutiques présentées par ces prestataires de soins pour les bénéficiaires de l'aide matérielle, visée à l'article 25, § 1er, l'Agence a:
1° le droit d'utiliser le numéro d'identification unique (NISS) auprès de la sécurité sociale belge, attribué en vertu de l'article 4 de la loi organique du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale;
2° l'accès aux données du Registre national des personnes physiques, institué par la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques.
A des fins de contrôle et de paiement par la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité aux prestataires de soins de santé des factures médicales et pharmaceutiques présentées par ces prestataires de soins de santé pour les bénéficiaires de l'aide matérielle, visée à l'article 25, § 1er, la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité a également le droit d'utiliser le numéro d'identification unique (NISS) auprès de la sécurité sociale belge, visée au 1° de l'alinéa 9.]1
Wijzigingen
Art. 27. Er wordt één enkel medisch dossier bijgehouden en bewaard in de collectieve opvangstructuur die als verplichte plaats van inschrijving is toegewezen.
In geval van toewijzing van de verplichte plaats van inschrijving overeenkomstig artikel 11, § 2, en wijziging van deze verplichte plaats van inschrijving overeenkomstig artikel 12, wordt dit dossier overgezonden aan de nieuwe plaats van inschrijving.
In geval van toewijzing van de verplichte plaats van inschrijving overeenkomstig artikel 11, § 2, en wijziging van deze verplichte plaats van inschrijving overeenkomstig artikel 12, wordt dit dossier overgezonden aan de nieuwe plaats van inschrijving.
Art. 27. Un dossier médical unique est tenu à jour et conservé au sein de la structure d'accueil communautaire désignée comme lieu obligatoire d'inscription.
En cas de désignation du lieu obligatoire d'inscription conformément à l'article 11, § 2, et de modification du lieu obligatoire d'inscription conformément à l'article 12, ce dossier est transmis au nouveau lieu désigné.
En cas de désignation du lieu obligatoire d'inscription conformément à l'article 11, § 2, et de modification du lieu obligatoire d'inscription conformément à l'article 12, ce dossier est transmis au nouveau lieu désigné.
Art. 28. Indien de gezondheidstoestand van de begunstigde van de opvang het rechtvaardigt en op advies van de behandelende arts, kan het Agentschap zijn verplichte plaats van inschrijving wijzigen of opheffen, overeenkomstig [1 artikel 12]1.
Art. 28. Si l'état de santé du bénéficiaire de l'accueil le justifie et sur avis du médecin traitant, l'Agence peut modifier ou supprimer son lieu obligatoire d'inscription, conformément [1 l'article 12]1.
Wijzigingen
Art. 29. De begunstigde van de opvang kan om redenen van volksgezondheid aan een verplicht medisch onderzoek onderworpen worden.
Art. 29. Le bénéficiaire de l'accueil peut être soumis à un examen médical obligatoire pour des motifs de santé publique.
Onderafdeling II. - Psychologische begeleiding.
Sous-section II. - Accompagnement psychologique.
Art. 30. De noodzakelijke psychologische begeleiding wordt aan de begunstigde van de opvang verzekerd.
Met het oog hierop kan het Agentschap of de partner, overeenkomstig de nadere regels bepaald door de Koning, overeenkomsten afsluiten met gespecialiseerde instanties en instellingen.
Met het oog hierop kan het Agentschap of de partner, overeenkomstig de nadere regels bepaald door de Koning, overeenkomsten afsluiten met gespecialiseerde instanties en instellingen.
Art. 30. L'accompagnement psychologique nécessaire est assuré au bénéficiaire de l'accueil.
A cette fin, l'Agence ou le partenaire peut conclure, selon les modalités définies par le Roi, des conventions avec des organismes et institutions spécialisés.
A cette fin, l'Agence ou le partenaire peut conclure, selon les modalités définies par le Roi, des conventions avec des organismes et institutions spécialisés.
Onderafdeling III. - Maatschappelijke begeleiding.
Sous-section III. - Accompagnement social.
Art. 31. § 1. De begunstigde van de opvang heeft recht op een geïndividualiseerde en permanente maatschappelijke begeleiding verstrekt door een maatschappelijk werker gedurende de volledige duur van zijn verblijf in de opvangstructuur.
Hiertoe waarborgt iedere opvangstructuur aan de begunstigde van de opvang een effectieve toegang tot een sociale dienst en wijst hem een maatschappelijk werker als referentiepersoon aan.
§ 2. De maatschappelijke begeleiding bestaat onder meer uit het informeren van de begunstigde van de opvang over de toegang tot de materiële hulp en haar concrete uitwerking, over het dagelijks leven in een opvangstructuur, over de activiteiten waartoe hij toegang heeft, over de fases van de asielprocedure met inbegrip van de eventuele jurisdictionele beroepen en de gevolgen van de daden die hij in dit verband stelt alsook over de inhoud en het belang van de programma's van vrijwillige terugkeer. De maatschappelijke begeleiding bestaat er eveneens uit de begunstigde van de opvang te begeleiden bij de uitvoering van zijn administratieve handelingen, meer bepaald deze die gesteld worden in het kader van de overgang van de materiële hulp naar de maatschappelijke hulp die wordt verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
§ 3. De opdrachten van de maatschappelijk werker bestaan er onder meer uit de begunstigde van de opvang te helpen bij het te boven komen en verbeteren van de noodsituaties waarin hij zich bevindt. Hiertoe verstrekt hij de informatie, raadgevingen en verzekert hij de maatschappelijke begeleiding aan de betrokkene, eventueel door hem door te verwijzen naar externe diensten. De opdrachten van de maatschappelijk werker omvatten eveneens de evaluatie van de specifieke behoeften van de begunstigde van de opvang en, desgevallend, het voorstel tot wijziging van de verplichte plaats van inschrijving.
De Koning [1 kan]1 de kwalificaties van de maatschappelijk werker [1 bepalen]1.
Hiertoe waarborgt iedere opvangstructuur aan de begunstigde van de opvang een effectieve toegang tot een sociale dienst en wijst hem een maatschappelijk werker als referentiepersoon aan.
§ 2. De maatschappelijke begeleiding bestaat onder meer uit het informeren van de begunstigde van de opvang over de toegang tot de materiële hulp en haar concrete uitwerking, over het dagelijks leven in een opvangstructuur, over de activiteiten waartoe hij toegang heeft, over de fases van de asielprocedure met inbegrip van de eventuele jurisdictionele beroepen en de gevolgen van de daden die hij in dit verband stelt alsook over de inhoud en het belang van de programma's van vrijwillige terugkeer. De maatschappelijke begeleiding bestaat er eveneens uit de begunstigde van de opvang te begeleiden bij de uitvoering van zijn administratieve handelingen, meer bepaald deze die gesteld worden in het kader van de overgang van de materiële hulp naar de maatschappelijke hulp die wordt verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
§ 3. De opdrachten van de maatschappelijk werker bestaan er onder meer uit de begunstigde van de opvang te helpen bij het te boven komen en verbeteren van de noodsituaties waarin hij zich bevindt. Hiertoe verstrekt hij de informatie, raadgevingen en verzekert hij de maatschappelijke begeleiding aan de betrokkene, eventueel door hem door te verwijzen naar externe diensten. De opdrachten van de maatschappelijk werker omvatten eveneens de evaluatie van de specifieke behoeften van de begunstigde van de opvang en, desgevallend, het voorstel tot wijziging van de verplichte plaats van inschrijving.
De Koning [1 kan]1 de kwalificaties van de maatschappelijk werker [1 bepalen]1.
Art. 31. § 1er. Le bénéficiaire de l'accueil a droit à un accompagnement social individualisé et permanent assuré par un travailleur social tout au long de son séjour dans la structure d'accueil.
A cette fin, chaque structure d'accueil garantit au bénéficiaire de l'accueil un accès effectif à un service social et lui désigne un travailleur social de référence.
§ 2. L'accompagnement social consiste notamment à informer le bénéficiaire de l'accueil sur l'accès et les modalités de l'aide matérielle, sur la vie quotidienne au sein d'une structure d'accueil, sur les activités auxquelles il a accès, sur les étapes de la procédure d'asile, en ce compris les recours juridictionnels éventuels, et les conséquences des actes qu'il pose en cette matière, ainsi que sur le contenu et l'intérêt des programmes de retour volontaire. Il consiste également à accompagner le bénéficiaire de l'accueil dans l'exécution d'actes administratifs, notamment ceux menés dans le cadre de la transition de l'aide matérielle vers l'aide sociale octroyée par les centres publics d'action sociale.
§ 3. Les missions du travailleur social consistent notamment à aider le bénéficiaire de l'accueil à surmonter et améliorer les situations critiques dans lesquelles il se trouve. A cette fin, le travailleur social fournit la documentation, les conseils et la guidance sociale à l'intéressé, le cas échéant en l'orientant vers des services externes. Les missions du travailleur social incluent également l'évaluation des besoins spécifiques du bénéficiaire de l'accueil et, le cas échéant, la proposition de modifier le lieu obligatoire d'inscription.
Le Roi [1 peut déterminer]1 les qualifications du travailleur social.
A cette fin, chaque structure d'accueil garantit au bénéficiaire de l'accueil un accès effectif à un service social et lui désigne un travailleur social de référence.
§ 2. L'accompagnement social consiste notamment à informer le bénéficiaire de l'accueil sur l'accès et les modalités de l'aide matérielle, sur la vie quotidienne au sein d'une structure d'accueil, sur les activités auxquelles il a accès, sur les étapes de la procédure d'asile, en ce compris les recours juridictionnels éventuels, et les conséquences des actes qu'il pose en cette matière, ainsi que sur le contenu et l'intérêt des programmes de retour volontaire. Il consiste également à accompagner le bénéficiaire de l'accueil dans l'exécution d'actes administratifs, notamment ceux menés dans le cadre de la transition de l'aide matérielle vers l'aide sociale octroyée par les centres publics d'action sociale.
§ 3. Les missions du travailleur social consistent notamment à aider le bénéficiaire de l'accueil à surmonter et améliorer les situations critiques dans lesquelles il se trouve. A cette fin, le travailleur social fournit la documentation, les conseils et la guidance sociale à l'intéressé, le cas échéant en l'orientant vers des services externes. Les missions du travailleur social incluent également l'évaluation des besoins spécifiques du bénéficiaire de l'accueil et, le cas échéant, la proposition de modifier le lieu obligatoire d'inscription.
Le Roi [1 peut déterminer]1 les qualifications du travailleur social.
Wijzigingen
Art. 32. Er wordt een sociaal dossier opgesteld waartoe de begunstigde van de opvang toegang heeft en dat actueel gehouden wordt door de maatschappelijk werker.
In geval van toewijzing van de verplichte plaats van inschrijving overeenkomstig artikel 11, § 2, en wijziging van deze verplichte plaats van inschrijving overeenkomstig artikel 12, wordt dit dossier overgezonden aan de nieuwe plaats van inschrijving.
Een kopie van het sociaal dossier wordt aan de begunstigde van de opvang gegeven indien deze daarom verzoekt.
In geval van toewijzing van de verplichte plaats van inschrijving overeenkomstig artikel 11, § 2, en wijziging van deze verplichte plaats van inschrijving overeenkomstig artikel 12, wordt dit dossier overgezonden aan de nieuwe plaats van inschrijving.
Een kopie van het sociaal dossier wordt aan de begunstigde van de opvang gegeven indien deze daarom verzoekt.
Art. 32. Un dossier social, auquel le bénéficiaire de l'accueil a accès, est constitué et tenu à jour par le travailleur social.
En cas de désignation du lieu obligatoire d'inscription conformément à l'article 11, § 2, et de modification du lieu obligatoire d'inscription conformément à l'article 12, ce dossier est transmis au nouveau lieu désigné.
Une copie du dossier social est remise au bénéficiaire de l'accueil, quand celui-ci en fait la demande.
En cas de désignation du lieu obligatoire d'inscription conformément à l'article 11, § 2, et de modification du lieu obligatoire d'inscription conformément à l'article 12, ce dossier est transmis au nouveau lieu désigné.
Une copie du dossier social est remise au bénéficiaire de l'accueil, quand celui-ci en fait la demande.
Onderafdeling IV. - Juridische hulp.
Sous-section IV. - Aide juridique.
Art. 33. Het Agentschap of de partner ziet erop toe dat de begunstigde van de opvang effectief toegang heeft tot juridische eerstelijns- en tweedelijnsbijstand, zoals bedoeld in de artikels 508/1 tot 508/23 van het Gerechtelijk wetboek.
Hiertoe kan het Agentschap of de partner overeenkomsten afsluiten met verenigingen die het verdedigen van de rechten van vreemdelingen tot doel hebben, of met bureaus voor juridische bijstand.
Hiertoe kan het Agentschap of de partner overeenkomsten afsluiten met verenigingen die het verdedigen van de rechten van vreemdelingen tot doel hebben, of met bureaus voor juridische bijstand.
Art. 33. L'Agence ou le partenaire veille à ce que le bénéficiaire de l'accueil ait un accès effectif à l'aide juridique de première et de deuxième ligne, telle que visée aux articles 508/1 à 508/23 du Code judiciaire.
A cette fin, l'Agence ou le partenaire peut conclure des conventions avec des associations ayant pour objet la défense des droits des étrangers ou avec les bureaux d'aide juridique.
A cette fin, l'Agence ou le partenaire peut conclure des conventions avec des associations ayant pour objet la défense des droits des étrangers ou avec les bureaux d'aide juridique.
Afdeling V. - Dagvergoeding en gemeenschapsdiensten.
Section V. - Allocation journalière et services communautaires.
Art. 34. De begunstigde van de opvang die verblijft in een opvangstructuur heeft recht op een dagvergoeding.
Het Agentschap of de partner organiseert, voor de opvangstructuren, de betaling van een dagvergoeding die per week en per persoon wordt vastgelegd.
Onverminderd de mogelijkheid voor begunstigden van de opvang om vrijwilligerswerk te verrichten overeenkomstig de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, organiseert het Agentschap of de partner eveneens het verrichten van gemeenschapsdiensten door de begunstigden van de opvang in de collectieve opvangstructuren.
Onder gemeenschapsdienst wordt elke prestatie verstaan die door de begunstigde van de opvang wordt verricht in de collectieve structuur ten voordele van de gemeenschap van de begunstigden van de opvang die in de betreffende opvangstructuur verblijven of in het kader van een activiteit die door of in samenwerking met voornoemde structuur georganiseerd wordt en die bijdraagt tot de integratie van de opvangstructuur in de lokale omgeving en waarvoor de begunstigde van de opvang een verhoging van zijn dagvergoeding uitbetaald kan krijgen.
Het verrichten van de gemeenschapsdienst wordt niet als een arbeidsovereenkomst of een arbeidsprestatie beschouwd en de toekenning van de verhoging van de dagvergoeding wordt evenmin als een bezoldiging gezien.
De verhoging van de dagvergoeding van de begunstigde van de opvang wordt berekend op basis van een forfaitair tarief dat vastgelegd wordt door de collectieve opvangstructuur en dat varieert naargelang van de aard van de prestatie. Dit forfaitaire tarief wordt voorafgaandelijk goedgekeurd door het Agentschap. De prestaties worden vrijwillig verricht door de begunstigden van de opvang onder toezicht van een personeelslid van de collectieve opvangstructuur. Het betreffende personeelslid wordt hiertoe aangesteld door zijn meerdere en ziet erop toe dat de begunstigden van de opvang gelijke kansen krijgen om deel te nemen aan de gemeenschapsdiensten. De identiteit van de betrokken personeelsleden wordt meegedeeld aan het Agentschap.
De Koning legt de bedragen vast van de dagvergoeding en het maandelijks maximumbedrag van de verhoging ervan in functie van de geleverde gemeenschapsdiensten, evenals de voorwaarden voor de uitvoering van de gemeenschapsdiensten.
Het Agentschap of de partner organiseert, voor de opvangstructuren, de betaling van een dagvergoeding die per week en per persoon wordt vastgelegd.
Onverminderd de mogelijkheid voor begunstigden van de opvang om vrijwilligerswerk te verrichten overeenkomstig de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, organiseert het Agentschap of de partner eveneens het verrichten van gemeenschapsdiensten door de begunstigden van de opvang in de collectieve opvangstructuren.
Onder gemeenschapsdienst wordt elke prestatie verstaan die door de begunstigde van de opvang wordt verricht in de collectieve structuur ten voordele van de gemeenschap van de begunstigden van de opvang die in de betreffende opvangstructuur verblijven of in het kader van een activiteit die door of in samenwerking met voornoemde structuur georganiseerd wordt en die bijdraagt tot de integratie van de opvangstructuur in de lokale omgeving en waarvoor de begunstigde van de opvang een verhoging van zijn dagvergoeding uitbetaald kan krijgen.
Het verrichten van de gemeenschapsdienst wordt niet als een arbeidsovereenkomst of een arbeidsprestatie beschouwd en de toekenning van de verhoging van de dagvergoeding wordt evenmin als een bezoldiging gezien.
De verhoging van de dagvergoeding van de begunstigde van de opvang wordt berekend op basis van een forfaitair tarief dat vastgelegd wordt door de collectieve opvangstructuur en dat varieert naargelang van de aard van de prestatie. Dit forfaitaire tarief wordt voorafgaandelijk goedgekeurd door het Agentschap. De prestaties worden vrijwillig verricht door de begunstigden van de opvang onder toezicht van een personeelslid van de collectieve opvangstructuur. Het betreffende personeelslid wordt hiertoe aangesteld door zijn meerdere en ziet erop toe dat de begunstigden van de opvang gelijke kansen krijgen om deel te nemen aan de gemeenschapsdiensten. De identiteit van de betrokken personeelsleden wordt meegedeeld aan het Agentschap.
De Koning legt de bedragen vast van de dagvergoeding en het maandelijks maximumbedrag van de verhoging ervan in functie van de geleverde gemeenschapsdiensten, evenals de voorwaarden voor de uitvoering van de gemeenschapsdiensten.
Art. 34. Le bénéficiaire de l'accueil résidant dans une structure d'accueil a droit à une allocation journalière.
L'Agence ou le partenaire organise, pour les structures d'accueil, le paiement d'une d'allocation journalière fixée par semaine et par personne.
L'Agence ou le partenaire organise également la prestation de services communautaires par les bénéficiaires de l'accueil dans les structures communautaires, sans préjudice de la possibilité pour les bénéficiaires de l'accueil d'exercer du volontariat conformément à la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires.
Par service communautaire, on entend toute prestation effectuée par le bénéficiaire de l'accueil dans la structure communautaire, au profit de la communauté des bénéficiaires de l'accueil résidant dans celle-ci ou effectuée dans le cadre d'une activité, organisée par la structure précitée ou pour laquelle celle-ci est partenaire, qui concourt à son intégration dans son environnement local et pour laquelle peut lui être versée une majoration de son allocation journalière.
La prestation du service communautaire n'est pas considérée comme un contrat de travail ni comme une prestation de travail; l'octroi d'une allocation journalière majorée n'est pas non plus considéré comme une rémunération.
La majoration d'une allocation journalière versée au bénéficiaire de l'accueil est calculée sur la base d'un tarif forfaitaire fixé par la structure d'accueil communautaire et variant selon le type de prestation. Ce tarif forfaitaire est préalablement approuvé par l'Agence. Les prestations sont effectuées sur une base volontaire par les bénéficiaires de l'accueil sous l'encadrement d'un membre du personnel de la structure d'accueil communautaire qui aura été désigné à cette fin par sa hiérarchie et qui veillera à ce que les bénéficiaires de l'accueil aient la possibilité de participer sur une base équitable à ces prestations. L'identité de ces membres du personnel est communiquée à l'Agence.
Le Roi fixe les montants relatifs à l'allocation journalière et le montant mensuel maximal de leur majoration en fonction des services communautaires prestés ainsi que les conditions dans lesquelles ces services communautaires sont exécutés.
L'Agence ou le partenaire organise, pour les structures d'accueil, le paiement d'une d'allocation journalière fixée par semaine et par personne.
L'Agence ou le partenaire organise également la prestation de services communautaires par les bénéficiaires de l'accueil dans les structures communautaires, sans préjudice de la possibilité pour les bénéficiaires de l'accueil d'exercer du volontariat conformément à la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires.
Par service communautaire, on entend toute prestation effectuée par le bénéficiaire de l'accueil dans la structure communautaire, au profit de la communauté des bénéficiaires de l'accueil résidant dans celle-ci ou effectuée dans le cadre d'une activité, organisée par la structure précitée ou pour laquelle celle-ci est partenaire, qui concourt à son intégration dans son environnement local et pour laquelle peut lui être versée une majoration de son allocation journalière.
La prestation du service communautaire n'est pas considérée comme un contrat de travail ni comme une prestation de travail; l'octroi d'une allocation journalière majorée n'est pas non plus considéré comme une rémunération.
La majoration d'une allocation journalière versée au bénéficiaire de l'accueil est calculée sur la base d'un tarif forfaitaire fixé par la structure d'accueil communautaire et variant selon le type de prestation. Ce tarif forfaitaire est préalablement approuvé par l'Agence. Les prestations sont effectuées sur une base volontaire par les bénéficiaires de l'accueil sous l'encadrement d'un membre du personnel de la structure d'accueil communautaire qui aura été désigné à cette fin par sa hiérarchie et qui veillera à ce que les bénéficiaires de l'accueil aient la possibilité de participer sur une base équitable à ces prestations. L'identité de ces membres du personnel est communiquée à l'Agence.
Le Roi fixe les montants relatifs à l'allocation journalière et le montant mensuel maximal de leur majoration en fonction des services communautaires prestés ainsi que les conditions dans lesquelles ces services communautaires sont exécutés.
Afdeling VI. - Opleidingen.
Section VI. - Formations.
Art. 35. Onverminderd de naleving van de regels inzake de toegang tot beroepsopleidingen worden er cursussen en opleidingen voorgesteld aan de begunstigde van de opvang die door de opvangstructuur of door derden georganiseerd worden.
Art. 35. Sans préjudice du respect des règles régissant l'accès à la formation professionnelle, des cours et des formations organisés par la structure d'accueil ou par des tiers sont proposés au bénéficiaire de l'accueil.
HOOFDSTUK I/1. [1 - Gevolgen van het uitoefenen van een professionele activiteit]1
CHAPITRE Ier/1. [1 - Conséquences de l'exercice d'une activité professionnelle]1
Art. 35/1. [1 De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden en de nadere regels volgens dewelke de opvang, in de zin van artikel 3, tweede lid, wordt toegekend aan de asielzoeker wanneer deze over professionele inkomsten beschikt.
De Koning bepaalt te dien einde enerzijds de voorwaarden en de nadere regels voor de [2 bijdrage aan]2 de materiële hulp, desgevallend door het genot van bepaalde rechten van Hoofdstuk I van Titel I van Boek III te beperken, en anderzijds, onverminderd de eventuele toepassing van [3 de artikelen 11 en 12]3 op de geviseerde asielzoekers, de voorwaarden en de nadere regels voor de wijziging of de opheffing van de verplichte plaats van inschrijving.
De voorwaarden en nadere regels bedoeld in het eerste lid, met inbegrip van de bepaling van het respectievelijke toepassingsgebied van elk van de in het tweede lid bedoelde situaties, zijn gebonden aan de professionele situatie van de asielzoeker en kunnen onder meer afhangen van het type arbeidscontract, alsook van het bedrag van de ontvangen professionele inkomsten [2 , of van het spontane karakter van de financiële bijdrage]2.]1
[2 Het Agentschap heeft het recht om de verschuldigde bedragen als bijdrage in de materiële hulp rechtstreeks van de bewoner terug te vorderen. Als de bewoner is gehuisvest in een opvangstructuur die wordt beheerd door een partner, zal het Agentschap medewerking van de partner krijgen voor zover dat nodig is.]2
De Koning bepaalt te dien einde enerzijds de voorwaarden en de nadere regels voor de [2 bijdrage aan]2 de materiële hulp, desgevallend door het genot van bepaalde rechten van Hoofdstuk I van Titel I van Boek III te beperken, en anderzijds, onverminderd de eventuele toepassing van [3 de artikelen 11 en 12]3 op de geviseerde asielzoekers, de voorwaarden en de nadere regels voor de wijziging of de opheffing van de verplichte plaats van inschrijving.
De voorwaarden en nadere regels bedoeld in het eerste lid, met inbegrip van de bepaling van het respectievelijke toepassingsgebied van elk van de in het tweede lid bedoelde situaties, zijn gebonden aan de professionele situatie van de asielzoeker en kunnen onder meer afhangen van het type arbeidscontract, alsook van het bedrag van de ontvangen professionele inkomsten [2 , of van het spontane karakter van de financiële bijdrage]2.]1
[2 Het Agentschap heeft het recht om de verschuldigde bedragen als bijdrage in de materiële hulp rechtstreeks van de bewoner terug te vorderen. Als de bewoner is gehuisvest in een opvangstructuur die wordt beheerd door een partner, zal het Agentschap medewerking van de partner krijgen voor zover dat nodig is.]2
Art. 35/1. [1 Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les conditions et les modalités selon lesquelles est octroyé l'accueil, au sens de l'article 3, alinéa 2, au demandeur d'asile lorsqu'il dispose de revenus professionnels.
A cette fin, le Roi prévoit, d'une part, les conditions et les modalités de [2 contribution à]2 l'aide matérielle, le cas échéant en limitant le bénéfice de certains droits du Chapitre Ier du Titre Ier du Livre III, et, d'autre part, sans préjudice de l'éventuelle application envers les demandeurs d'asile concernés [3 des articles 11 et 12]3, les conditions et les modalités de modification ou de suppression du lieu obligatoire d'inscription.
Les conditions et modalités prévues à l'alinéa 1er, en ce compris la détermination du champ d'application respectif de chacune des situations visées à l'alinéa 2, dépendent de la situation professionnelle du demandeur d'asile et peuvent notamment être liées au type de contrat de travail, ainsi qu'au montant des revenus professionnels perçus [2 , et au caractère spontané de la contribution financière]2.]1
[2 L'Agence dispose d'un droit à récupérer directement auprès du résident les montants dus au titre de contribution à l'aide matérielle. Si le résident est hébergé dans une structure d'accueil gérée par un partenaire, l'Agence obtient la coopération de celui-ci dans toute la mesure nécessaire.]2
A cette fin, le Roi prévoit, d'une part, les conditions et les modalités de [2 contribution à]2 l'aide matérielle, le cas échéant en limitant le bénéfice de certains droits du Chapitre Ier du Titre Ier du Livre III, et, d'autre part, sans préjudice de l'éventuelle application envers les demandeurs d'asile concernés [3 des articles 11 et 12]3, les conditions et les modalités de modification ou de suppression du lieu obligatoire d'inscription.
Les conditions et modalités prévues à l'alinéa 1er, en ce compris la détermination du champ d'application respectif de chacune des situations visées à l'alinéa 2, dépendent de la situation professionnelle du demandeur d'asile et peuvent notamment être liées au type de contrat de travail, ainsi qu'au montant des revenus professionnels perçus [2 , et au caractère spontané de la contribution financière]2.]1
[2 L'Agence dispose d'un droit à récupérer directement auprès du résident les montants dus au titre de contribution à l'aide matérielle. Si le résident est hébergé dans une structure d'accueil gérée par un partenaire, l'Agence obtient la coopération de celui-ci dans toute la mesure nécessaire.]2
Art. 35/2. [1 De in artikel 6, § 1, bedoelde materiële hulp, met uitzondering van de medische begeleiding bedoeld in de artikelen 23 en 24, is niet verschuldigd indien de asielzoeker over voldoende financiële middelen beschikt om te voorzien in zijn basisbehoeften. Met voldoende middelen wordt bedoeld een inkomen dat gelijk is aan of hoger is dan het bedrag bedoeld in artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.
De asielzoeker dient het Agentschap schriftelijk op de hoogte te brengen van elk element dat verband houdt met zijn beroepssituatie, zijn inkomsten en met de evolutie van deze situatie.
Het Agentschap beëindigt bij een met redenen omklede beslissing de materiële hulp, met uitzondering van de medische begeleiding bedoeld in de artikelen 23 en 24, indien een asielzoeker financiële middelen verborgen heeft gehouden en daardoor ten onrechte aanspraak maakt op materiële hulp. Indien komt vast te staan dat de asielzoeker over voldoende middelen beschikte om in de basisbehoeften te voorzien toen de materiële hulp werd verstrekt, moet de asielzoeker het Agentschap vergoeden voor de verstrekte materiële hulp, met uitzondering van de medische begeleiding bedoeld in de artikelen 23 en 24.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel.]1
De asielzoeker dient het Agentschap schriftelijk op de hoogte te brengen van elk element dat verband houdt met zijn beroepssituatie, zijn inkomsten en met de evolutie van deze situatie.
Het Agentschap beëindigt bij een met redenen omklede beslissing de materiële hulp, met uitzondering van de medische begeleiding bedoeld in de artikelen 23 en 24, indien een asielzoeker financiële middelen verborgen heeft gehouden en daardoor ten onrechte aanspraak maakt op materiële hulp. Indien komt vast te staan dat de asielzoeker over voldoende middelen beschikte om in de basisbehoeften te voorzien toen de materiële hulp werd verstrekt, moet de asielzoeker het Agentschap vergoeden voor de verstrekte materiële hulp, met uitzondering van de medische begeleiding bedoeld in de artikelen 23 en 24.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel.]1
Art. 35/2. [1 A l'exception de l'accompagnement médical visé aux articles 23 et 24, l'aide matérielle visée à l'article 6, § 1er, n'est pas due si le demandeur d'asile dispose de ressources financières suffisantes pour pourvoir à ses besoins de base. Par ressources suffisantes, on entend des revenus égaux ou supérieurs au montant visé à l'article 14, § 1er, 3°, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale.
Le demandeur d'asile est tenu d'informer l'Agence par écrit de tout élément relatif à sa situation professionnelle, à ses revenus et à l'évolution de sa situation.
Par décision motivée, l'Agence met fin à l'aide matérielle, à l'exception de l'accompagnement médical visé aux articles 23 et 24, si un demandeur d'asile a dissimulé ses ressources financières et a donc indûment bénéficié de cette aide matérielle. S'il apparaît que le demandeur d'asile disposait de ressources suffisantes pour pourvoir à ses besoins de base au moment où l'aide matérielle a été fournie, le demandeur d'asile doit indemniser l'Agence pour l'aide matérielle fournie, à l'exception de l'accompagnement médical visé aux articles 23 et 24.
Le Roi fixe, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, les modalités de l'exécution du présent article.]1
Le demandeur d'asile est tenu d'informer l'Agence par écrit de tout élément relatif à sa situation professionnelle, à ses revenus et à l'évolution de sa situation.
Par décision motivée, l'Agence met fin à l'aide matérielle, à l'exception de l'accompagnement médical visé aux articles 23 et 24, si un demandeur d'asile a dissimulé ses ressources financières et a donc indûment bénéficié de cette aide matérielle. S'il apparaît que le demandeur d'asile disposait de ressources suffisantes pour pourvoir à ses besoins de base au moment où l'aide matérielle a été fournie, le demandeur d'asile doit indemniser l'Agence pour l'aide matérielle fournie, à l'exception de l'accompagnement médical visé aux articles 23 et 24.
Le Roi fixe, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, les modalités de l'exécution du présent article.]1
Art.35/3. [1 Met toepassing van dit hoofdstuk, worden persoonsgegevens verzameld ter controle van de professionele inkomsten van personen die krachtens deze wet in een collectieve of individuele opvangstructuur gehuisvest worden. Deze gegevens worden verkregen bij de betrokken personen en bij de bevoegde socialezekerheidsinstellingen. Deze gegevens worden, onder de verantwoordelijkheid van het Agentschap, louter verwerkt door gemandateerde personeelsleden van het Agentschap, of door gemandateerde personeelsleden van een partner waarmee het Agentschap een overeenkomst heeft gesloten op grond van artikel 62 met het oog op de toepassing van de bepalingen in dit hoofdstuk.
Voor elk betrokken persoon worden uitsluitend de volgende persoonsgegevens van de databank met informatie uit de driemaandelijkse multifunctionele aangifte (DMFA) en onmiddellijke aangifte (DIMONA) van de werkgever aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) alsook de relevante persoonsgegevens van de Kruispuntbank voor Sociale Zekerheid (KSZ), van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) of van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekering door Zelfstandigen (RSVZ) verwerkt:
1° de identificatiegegevens: de naam, de voornaam, het Rijksregisternummer of het identificatienummer van de sociale zekerheid;
2° het RSZ-inschrijvingsnummer en het ondernemingsnummer van de werkgever;
3° het jaar en het kwartaal van de aangifte van de werkgever;
4° de periode van tewerkstelling;
5° het aantal dagen per week van het arbeidsstelsel;
6° het gemiddeld aantal uren per week van de werknemer;
7° het gemiddeld aantal uren per week van de maatman;
8° het type arbeidsovereenkomst;
9° het nummer van de prestatielijn;
10° de prestatiecode;
11° het aantal dagen/uren van de prestatie:
12° het nummer van de bezoldigingslijn;
13° de bezoldigingscode;
14° het bedrag van de bezoldiging;
15° de gegevens en bedragen die verband houden met de verschillende stelsels van (tijdelijke) werkloosheid;
16° het statuut en het reële inkomen van de zelfstandige.
De periode van bewaring van deze gegevens wordt als volgt vastgesteld:
1° de persoonsgegevens van de asielzoekers van wie de verplichte plaats van inschrijving wordt opgeheven, worden gedurende twaalf maanden bewaard in een tabel;
2° de gegevens bedoeld in de bepalingen onder 1° tot 4°, 8°, 11° en 14° tot 16° van het tweede lid worden echter gedurende tien jaar bewaard vanaf het einde van de materiële hulp of een rechterlijke beslissing, door middel van een geïsoleerd persoonlijk dossier dat als bewijs kan worden gebruikt in geval van een eventuele of toekomstige betwisting door de rechtbank;
3° de persoonsgegevens van de asielzoekers van wie de verplichte plaats van inschrijving niet wordt opgeheven maar aan wie een bijdrage voor de materiële steun kan worden gevraagd, worden gedurende twaalf maanden bijgehouden.
Deze gegevens zullen worden vernietigd bij het verstrijken van de voornoemde termijnen.
De Koning bepaalt de nadere regels voor de verwerking van de in dit artikel bedoelde gegevens bij een besluit, vastgelegd na overleg in de Ministerraad.]1
Voor elk betrokken persoon worden uitsluitend de volgende persoonsgegevens van de databank met informatie uit de driemaandelijkse multifunctionele aangifte (DMFA) en onmiddellijke aangifte (DIMONA) van de werkgever aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) alsook de relevante persoonsgegevens van de Kruispuntbank voor Sociale Zekerheid (KSZ), van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) of van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekering door Zelfstandigen (RSVZ) verwerkt:
1° de identificatiegegevens: de naam, de voornaam, het Rijksregisternummer of het identificatienummer van de sociale zekerheid;
2° het RSZ-inschrijvingsnummer en het ondernemingsnummer van de werkgever;
3° het jaar en het kwartaal van de aangifte van de werkgever;
4° de periode van tewerkstelling;
5° het aantal dagen per week van het arbeidsstelsel;
6° het gemiddeld aantal uren per week van de werknemer;
7° het gemiddeld aantal uren per week van de maatman;
8° het type arbeidsovereenkomst;
9° het nummer van de prestatielijn;
10° de prestatiecode;
11° het aantal dagen/uren van de prestatie:
12° het nummer van de bezoldigingslijn;
13° de bezoldigingscode;
14° het bedrag van de bezoldiging;
15° de gegevens en bedragen die verband houden met de verschillende stelsels van (tijdelijke) werkloosheid;
16° het statuut en het reële inkomen van de zelfstandige.
De periode van bewaring van deze gegevens wordt als volgt vastgesteld:
1° de persoonsgegevens van de asielzoekers van wie de verplichte plaats van inschrijving wordt opgeheven, worden gedurende twaalf maanden bewaard in een tabel;
2° de gegevens bedoeld in de bepalingen onder 1° tot 4°, 8°, 11° en 14° tot 16° van het tweede lid worden echter gedurende tien jaar bewaard vanaf het einde van de materiële hulp of een rechterlijke beslissing, door middel van een geïsoleerd persoonlijk dossier dat als bewijs kan worden gebruikt in geval van een eventuele of toekomstige betwisting door de rechtbank;
3° de persoonsgegevens van de asielzoekers van wie de verplichte plaats van inschrijving niet wordt opgeheven maar aan wie een bijdrage voor de materiële steun kan worden gevraagd, worden gedurende twaalf maanden bijgehouden.
Deze gegevens zullen worden vernietigd bij het verstrijken van de voornoemde termijnen.
De Koning bepaalt de nadere regels voor de verwerking van de in dit artikel bedoelde gegevens bij een besluit, vastgelegd na overleg in de Ministerraad.]1
Art.35/3. [1 En application du présent chapitre, des données à caractère personnel sont collectées pour contrôler les revenus professionnels des personnes hébergées dans une structure d'accueil collective ou individuelle en vertu de la présente loi. Ces données sont obtenues auprès des personnes concernées et des institutions de la sécurité sociale compétentes. Ces données sont traitées, sous la responsabilité de l'Agence, uniquement par le personnel mandaté de celle-ci ou par le personnel mandaté d'un partenaire avec qui l'Agence a conclu une convention en vertu de l'article 62, aux fins de l'application des dispositions du présent chapitre.
Pour chaque personne concernée, seules les données à caractère personnel suivantes, provenant de la banque de données contenant des informations de la déclaration multifonctionnelle trimestrielle (DMFA) et de la déclaration immédiate (DIMONA) de l'employeur à l'Office national de sécurité sociale (ONSS), ainsi que les données personnelles pertinentes de la Banque Carrefour de la sécurité sociale (BCSS), de l'Office national de l'emploi (ONEM) ou de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants (INASTI) sont traitées:
1° les données d'identification: le nom, le prénom, le numéro de registre national ou le numéro d'identification de la sécurité sociale;
2° le numéro d'immatriculation à l'ONSS et le numéro d'entreprise de l'employeur;
3° l'année et le trimestre de la déclaration de l'employeur;
4° la période de l'occupation;
5° le nombre de jours par semaine du régime de travail;
6° le nombre moyen d'heures par semaine du travailleur;
7° le nombre moyen d'heures par semaine de la personne de référence;
8° le type de contrat de travail;
9° le numéro de la ligne de prestation;
10° le code de prestation;
11° le nombre de jours/d'heures de la prestation;
12° le numéro de la ligne de rémunération;
13° le code de la rémunération;
14° le montant de la rémunération;
15° les données et les montants relatifs aux différents régimes de chômage (temporaire);
16° le statut et le revenu réel du travailleur indépendant.
La durée de conservation de ces données est déterminée comme suit:
1° les données à caractère personnel des demandeurs d'asile dont le lieu obligatoire d'inscription est supprimé sont conservées dans un tableau pendant douze mois;
2° les données visées aux 1° à 4°, 8°, 11° et 14° à 16°, de l'alinéa 2 sont cependant conservées pendant dix ans à compter de la fin de l'aide matérielle ou d'une décision judiciaire, au moyen d'un dossier personnel isolé qui peut servir de preuve en cas de contestation judiciaire éventuelle ou future;
3° les données à caractère personnel des demandeurs d'asile dont le lieu obligatoire d'inscription n'est pas supprimé mais auxquels une contribution à l'aide matérielle peut être demandée sont conservées pendant douze mois.
Ces données seront détruites à l'expiration des délais susmentionnés.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités du traitement des données visées au présent article.]1
Pour chaque personne concernée, seules les données à caractère personnel suivantes, provenant de la banque de données contenant des informations de la déclaration multifonctionnelle trimestrielle (DMFA) et de la déclaration immédiate (DIMONA) de l'employeur à l'Office national de sécurité sociale (ONSS), ainsi que les données personnelles pertinentes de la Banque Carrefour de la sécurité sociale (BCSS), de l'Office national de l'emploi (ONEM) ou de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants (INASTI) sont traitées:
1° les données d'identification: le nom, le prénom, le numéro de registre national ou le numéro d'identification de la sécurité sociale;
2° le numéro d'immatriculation à l'ONSS et le numéro d'entreprise de l'employeur;
3° l'année et le trimestre de la déclaration de l'employeur;
4° la période de l'occupation;
5° le nombre de jours par semaine du régime de travail;
6° le nombre moyen d'heures par semaine du travailleur;
7° le nombre moyen d'heures par semaine de la personne de référence;
8° le type de contrat de travail;
9° le numéro de la ligne de prestation;
10° le code de prestation;
11° le nombre de jours/d'heures de la prestation;
12° le numéro de la ligne de rémunération;
13° le code de la rémunération;
14° le montant de la rémunération;
15° les données et les montants relatifs aux différents régimes de chômage (temporaire);
16° le statut et le revenu réel du travailleur indépendant.
La durée de conservation de ces données est déterminée comme suit:
1° les données à caractère personnel des demandeurs d'asile dont le lieu obligatoire d'inscription est supprimé sont conservées dans un tableau pendant douze mois;
2° les données visées aux 1° à 4°, 8°, 11° et 14° à 16°, de l'alinéa 2 sont cependant conservées pendant dix ans à compter de la fin de l'aide matérielle ou d'une décision judiciaire, au moyen d'un dossier personnel isolé qui peut servir de preuve en cas de contestation judiciaire éventuelle ou future;
3° les données à caractère personnel des demandeurs d'asile dont le lieu obligatoire d'inscription n'est pas supprimé mais auxquels une contribution à l'aide matérielle peut être demandée sont conservées pendant douze mois.
Ces données seront détruites à l'expiration des délais susmentionnés.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités du traitement des données visées au présent article.]1
HOOFDSTUK II. - Specifieke bepalingen betreffende kwetsbare personen en minderjarigen.
CHAPITRE II. - Dispositions spécifiques applicables aux personnes vulnérables et aux mineurs.
Afdeling I. - Algemene bepalingen.
Section 1re. - Dispositions générales.
Art. 36. Om tegemoet te komen aan de specifieke behoeften van kwetsbare personen zoals minderjarigen, niet-begeleide minderjarigen, alleenstaande ouders vergezeld van minderjarigen, zwangere vrouwen, personen met een handicap, slachtoffers van mensenhandel, [2 ouderen, personen met ernstige ziekten, personen met mentale stoornissen en personen die folteringen hebben ondergaan, zijn verkracht of aan andere ernstige vormen van psychologisch, fysiek of seksueel geweld zijn blootgesteld, zoals slachtoffers van vrouwelijke genitale verminking]2, sluit het Agentschap of de partner overeenkomsten af met gespecialiseerde instellingen of verenigingen.
Indien de begunstigde van de opvang in één van deze instellingen of bij één van deze verenigingen gehuisvest wordt, zal het Agentschap of de partner erop toezien dat de administratieve en sociale opvolging vanuit de plaats die als verplichte plaats van inschrijving toegewezen is, verzekerd blijft en dat de materiële hulp [1 gewaarborgd blijft]1.
Indien de begunstigde van de opvang in één van deze instellingen of bij één van deze verenigingen gehuisvest wordt, zal het Agentschap of de partner erop toezien dat de administratieve en sociale opvolging vanuit de plaats die als verplichte plaats van inschrijving toegewezen is, verzekerd blijft en dat de materiële hulp [1 gewaarborgd blijft]1.
Art. 36. Afin de répondre aux besoins spécifiques de personnes vulnérables telles que les mineurs, les mineurs non accompagnés, les parents isolés accompagnés de mineurs, les femmes enceintes, les personnes ayant un handicap, les victimes de la traite des êtres humains, [2 les personnes âgées, les personnes ayant des maladies graves, les personnes souffrant de troubles mentaux et les personnes qui ont subi des tortures, des viols ou d'autres formes graves de violence psychologique, physique ou sexuelle, par exemple les victimes de mutilation génitale féminine]2, l'Agence ou le partenaire conclut des conventions avec des institutions ou associations spécialisées.
Dans l'hypothèse où le bénéficiaire de l'accueil est hébergé dans une de ces institutions ou associations, l'Agence ou le partenaire veillera à ce que le suivi administratif et social avec le lieu désigné comme lieu obligatoire d'inscription [1 reste]1 assuré et que le bénéfice de l'aide matérielle [1 reste]1 garanti.
Dans l'hypothèse où le bénéficiaire de l'accueil est hébergé dans une de ces institutions ou associations, l'Agence ou le partenaire veillera à ce que le suivi administratif et social avec le lieu désigné comme lieu obligatoire d'inscription [1 reste]1 assuré et que le bénéfice de l'aide matérielle [1 reste]1 garanti.
Afdeling II. - De minderjarigen.
Section II. - Les mineurs.
Art. 37. Bij alle beslissingen met betrekking tot de minderjarige primeert het hoogste belang van de minderjarige.
[1 Bij het beoordelen van het hoger belang van het kind wordt in het bijzonder voldoende rekening gehouden met :
1° de mogelijkheden van gezinshereniging;
2° het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige, met bijzondere aandacht voor de persoonlijke situatie van de minderjarige;
3° veiligheids- en beveiligingsoverwegingen, met name wanneer de minderjarige mogelijk het slachtoffer is van mensenhandel;
4° het standpunt van de minderjarige in overeenstemming met zijn leeftijd, maturiteit en kwetsbaarheid.]1
[1 Bij het beoordelen van het hoger belang van het kind wordt in het bijzonder voldoende rekening gehouden met :
1° de mogelijkheden van gezinshereniging;
2° het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige, met bijzondere aandacht voor de persoonlijke situatie van de minderjarige;
3° veiligheids- en beveiligingsoverwegingen, met name wanneer de minderjarige mogelijk het slachtoffer is van mensenhandel;
4° het standpunt van de minderjarige in overeenstemming met zijn leeftijd, maturiteit en kwetsbaarheid.]1
Art. 37. Dans toutes les décisions concernant le mineur, l'intérêt supérieur du mineur prime.
[1 Lors de l'évaluation de l'intérêt supérieur de l'enfant, il est dûment tenu compte, en particulier, des facteurs suivants :
1° les possibilités de regroupement familial;
2° le bien-être et le développement social du mineur, en accordant une attention particulière à la situation personnelle du mineur;
3° les considérations tenant à la sûreté et à la sécurité, en particulier lorsque le mineur est susceptible d'être une victime de la traite des êtres humains;
4° l'avis du mineur, en fonction de son âge, de sa maturité et de sa vulnérabilité.]1
[1 Lors de l'évaluation de l'intérêt supérieur de l'enfant, il est dûment tenu compte, en particulier, des facteurs suivants :
1° les possibilités de regroupement familial;
2° le bien-être et le développement social du mineur, en accordant une attention particulière à la situation personnelle du mineur;
3° les considérations tenant à la sûreté et à la sécurité, en particulier lorsque le mineur est susceptible d'être une victime de la traite des êtres humains;
4° l'avis du mineur, en fonction de son âge, de sa maturité et de sa vulnérabilité.]1
Wijzigingen
Art. 38. De minderjarige wordt gehuisvest bij zijn ouders [1 , bij zijn ongehuwde minderjarige broers of zussen]1 of bij de persoon die het ouderlijk gezag of de voogdij over hem uitoefent op grond van de wet die van toepassing is overeenkomstig artikel 35 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht.
Art. 38. Le mineur est logé avec ses parents [1 avec ses frères ou soeurs mineurs non mariés]1 ou avec la personne exerçant sur lui l'autorité parentale ou la tutelle en vertu de la loi applicable conformément à l'article 35 de la loi du 16 juillet 2004 portant le Code de droit international privé.
Wijzigingen
Art. 39. De minderjarige slachtoffers van eender welke vorm van misbruik, verwaarlozing, uitbuiting, foltering, wrede, onmenselijke en vernederende behandelingen, of van gewapende conflicten, hebben recht op deskundige ondersteuning en krijgen toegang tot de geestelijke gezondheidszorg en tot de revalidatiediensten.
Art. 39. Les mineurs victimes de toute forme d'abus, de négligence, d'exploitation, de torture, de traitements cruels, inhumains et dégradants, ou de conflits armés, ont droit au soutien qualifié et à l'accès aux soins de santé mentale et aux services de réadaptation.
Art. 40. Een aangepaste omkadering wordt verzekerd aan de niet-begeleide minderjarigen gedurende een observatie- en oriëntatiefase in een daartoe aangeduid centrum.
De Koning bepaalt het regime en de werkingsregels die van toepassing zijn op de observatie- en oriëntatiecentra.
De Koning bepaalt het regime en de werkingsregels die van toepassing zijn op de observatie- en oriëntatiecentra.
Art. 40. Un encadrement approprié est assuré aux mineurs non accompagnés durant une phase d'observation et d'orientation dans un centre désigné à cet effet.
Le Roi détermine le régime et les règles de fonctionnement applicables aux centres d'observation et d'orientation.
Le Roi détermine le régime et les règles de fonctionnement applicables aux centres d'observation et d'orientation.
Art. 41. § 1. Een observatie- en oriëntatiecentrum vangt de niet-begeleide minderjarigen op die geen toegang hebben tot het grondgebied in toepassing van artikel 3 of artikel 52, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in afwachting van de eventuele uitvoering van de terugdrijvingsbeslissing. Dit centrum is in dit geval gelijkgesteld aan een welbepaalde plaats gesitueerd in het grensgebied.
§ 2. De vreemdeling die verklaart minderjarig te zijn en over dewelke er geen twijfel bestaat aangaande zijn minderjarigheid, wordt in een observatie- en oriëntatiecentrum opgevangen vanaf zijn aankomst aan de grens.
Voor de vreemdeling die verklaart minderjarig te zijn en met betrekking tot dewelke de met de grenscontrole belaste autoriteiten twijfel uiten aangaande zijn minderjarigheid, moet de bepaling van de leeftijd plaatsvinden binnen de drie werkdagen na zijn aankomst aan de grens. Indien wegens onvoorziene omstandigheden dit onderzoek niet kan plaatsvinden binnen deze termijn, kan deze uitzonderlijk verlengd worden met drie werkdagen.
§ 3. De niet-begeleide minderjarige wordt opgevangen in een observatie- en oriëntatiecentrum binnen een termijn van hoogstens 24 uur volgend op, hetzij de aankomst aan de grens wat betreft de minderjarige bedoeld in § 2, eerste lid, hetzij, de betekening van de beslissing betreffende de bepaling van de leeftijd aan de betrokkene wat betreft de minderjarige bedoeld in § 2, tweede lid, dit voor een duur van hoogstens 15 dagen, die kan worden verlengd met 5 dagen in geval van behoorlijk gemotiveerde uitzonderlijke omstandigheden.
Tijdens de periode bepaald in het vorig lid wordt de minderjarige niet beschouwd als zijnde gemachtigd om het rijk binnen te komen.
§ 4. De beslissing betreffende de bepaling van de leeftijd wordt betekend aan de voogd en aan de overheden bevoegd voor asiel, toegang tot het grondgebied, verblijf en verwijdering van vreemdelingen, gelijktijdig met haar betekening aan betrokkene.
§ 5. Indien de terugdrijvingsmaatregel niet kan uitgevoerd worden binnen de termijn van 15 dagen bedoeld in § 3, wordt de niet-begeleide minderjarige gemachtigd tot het grondgebied toe te treden.
§ 2. De vreemdeling die verklaart minderjarig te zijn en over dewelke er geen twijfel bestaat aangaande zijn minderjarigheid, wordt in een observatie- en oriëntatiecentrum opgevangen vanaf zijn aankomst aan de grens.
Voor de vreemdeling die verklaart minderjarig te zijn en met betrekking tot dewelke de met de grenscontrole belaste autoriteiten twijfel uiten aangaande zijn minderjarigheid, moet de bepaling van de leeftijd plaatsvinden binnen de drie werkdagen na zijn aankomst aan de grens. Indien wegens onvoorziene omstandigheden dit onderzoek niet kan plaatsvinden binnen deze termijn, kan deze uitzonderlijk verlengd worden met drie werkdagen.
§ 3. De niet-begeleide minderjarige wordt opgevangen in een observatie- en oriëntatiecentrum binnen een termijn van hoogstens 24 uur volgend op, hetzij de aankomst aan de grens wat betreft de minderjarige bedoeld in § 2, eerste lid, hetzij, de betekening van de beslissing betreffende de bepaling van de leeftijd aan de betrokkene wat betreft de minderjarige bedoeld in § 2, tweede lid, dit voor een duur van hoogstens 15 dagen, die kan worden verlengd met 5 dagen in geval van behoorlijk gemotiveerde uitzonderlijke omstandigheden.
Tijdens de periode bepaald in het vorig lid wordt de minderjarige niet beschouwd als zijnde gemachtigd om het rijk binnen te komen.
§ 4. De beslissing betreffende de bepaling van de leeftijd wordt betekend aan de voogd en aan de overheden bevoegd voor asiel, toegang tot het grondgebied, verblijf en verwijdering van vreemdelingen, gelijktijdig met haar betekening aan betrokkene.
§ 5. Indien de terugdrijvingsmaatregel niet kan uitgevoerd worden binnen de termijn van 15 dagen bedoeld in § 3, wordt de niet-begeleide minderjarige gemachtigd tot het grondgebied toe te treden.
Art. 41. § 1er. Un centre d'observation et d'orientation accueille les mineurs non accompagnés qui n'ont pas accès au territoire en application de l'article 3 ou de l'article 52, § 1er, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers dans l'attente de l'exécution éventuelle de la décision de refoulement. Ce centre est dans ce cas assimilé à un lieu déterminé situé aux frontières.
§ 2. L'étranger qui se déclare mineur et au sujet duquel il n'existe aucun doute quant à sa minorité est accueilli dans un centre d'observation et d'orientation dès son arrivée à la frontière.
Pour l'étranger qui se déclare mineur et au sujet duquel les autorités chargées du contrôle aux frontières émettent un doute quant à sa minorité, la détermination de l'âge doit avoir lieu dans les trois jours ouvrables de son arrivée à la frontière. Lorsque cet examen ne peut avoir lieu en raison de circonstances imprévues endéans ce délai, celui-ci peut être prolongé exceptionnellement de trois jours ouvrables.
§ 3. Le mineur non accompagné est accueilli dans un centre d'observation et d'orientation dans un délai de vingt-quatre heures maximum qui suit, soit, l'arrivée à la frontière pour le mineur visé au § 2, alinéa 1er, soit, la notification de la décision relative à la détermination de l'âge à l'intéressé, pour le mineur visé au § 2, alinéa 2, et ce pour une durée de quinze jours maximum pouvant être prolongée de cinq jours en cas de circonstances exceptionnelles dûment motivées.
Durant la période visée à l'alinéa précédent, le mineur n'est pas considéré comme ayant été autorisé à entrer dans le royaume.
§ 4. La décision relative à la détermination de l'âge est notifiée au tuteur et aux autorités compétentes en matière d'asile, d'accès au territoire, de séjour et d'éloignement des étrangers en même temps que sa notification à l'intéressé.
§ 5. Si la décision de refoulement ne peut être exécutée endéans le délai de 15 jours visé au § 3, le mineur non accompagné est autorisé à entrer sur le territoire.
§ 2. L'étranger qui se déclare mineur et au sujet duquel il n'existe aucun doute quant à sa minorité est accueilli dans un centre d'observation et d'orientation dès son arrivée à la frontière.
Pour l'étranger qui se déclare mineur et au sujet duquel les autorités chargées du contrôle aux frontières émettent un doute quant à sa minorité, la détermination de l'âge doit avoir lieu dans les trois jours ouvrables de son arrivée à la frontière. Lorsque cet examen ne peut avoir lieu en raison de circonstances imprévues endéans ce délai, celui-ci peut être prolongé exceptionnellement de trois jours ouvrables.
§ 3. Le mineur non accompagné est accueilli dans un centre d'observation et d'orientation dans un délai de vingt-quatre heures maximum qui suit, soit, l'arrivée à la frontière pour le mineur visé au § 2, alinéa 1er, soit, la notification de la décision relative à la détermination de l'âge à l'intéressé, pour le mineur visé au § 2, alinéa 2, et ce pour une durée de quinze jours maximum pouvant être prolongée de cinq jours en cas de circonstances exceptionnelles dûment motivées.
Durant la période visée à l'alinéa précédent, le mineur n'est pas considéré comme ayant été autorisé à entrer dans le royaume.
§ 4. La décision relative à la détermination de l'âge est notifiée au tuteur et aux autorités compétentes en matière d'asile, d'accès au territoire, de séjour et d'éloignement des étrangers en même temps que sa notification à l'intéressé.
§ 5. Si la décision de refoulement ne peut être exécutée endéans le délai de 15 jours visé au § 3, le mineur non accompagné est autorisé à entrer sur le territoire.
Art. 42. Het personeel van de opvangstructuren dat met de opvang van niet-begeleide minderjarigen belast is, krijgt een aangepaste opleiding.
Art. 42. Le personnel des structures d'accueil chargé des mineurs non accompagnés reçoit une formation appropriée.
TITEL II. - Overschakeling van materiële hulp naar maatschappelijke dienstverlening verstrekt door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
TITRE II. - De la transition de l'aide matérielle vers l'aide sociale octroyée par les centres publics d'action sociale.
Art. 43. Wanneer men zich in één van de in artikel 8, § 1, bedoelde hypotheses bevindt, wordt de maatschappelijke dienstverlening toegekend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn overeenkomstig de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
In het kader van de overgang van de materiële hulp naar de maatschappelijke dienstverlening toegekend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn legt de Koning de voorwaarden vast voor het behoud van de materiële hulp niettegenstaande de in voorgaande lid bedoelde situatie, evenals de nadere regels van de samenwerking tussen de opvangstructuur en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn die aan de begunstigde van de opvang de continuïteit van de opvang dient te waarborgen.
In het kader van de overgang van de materiële hulp naar de maatschappelijke dienstverlening toegekend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn legt de Koning de voorwaarden vast voor het behoud van de materiële hulp niettegenstaande de in voorgaande lid bedoelde situatie, evenals de nadere regels van de samenwerking tussen de opvangstructuur en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn die aan de begunstigde van de opvang de continuïteit van de opvang dient te waarborgen.
Art. 43. Lorsque l'une des hypothèses visées à l'article 8, § 1er, est rencontrée, l'aide sociale est octroyée par les centres publics d'action sociale conformément à la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'action sociale.
Dans le cadre de la transition de l'aide matérielle vers l'aide sociale octroyée par les centres publics d'action sociale, le Roi fixe les conditions du maintien de l'aide matérielle nonobstant la situation visée à l'alinéa précédent ainsi que les modalités de collaboration entre la structure d'accueil et le centre public d'action sociale devant garantir au bénéficiaire de l'accueil la continuité de l'accueil.
Dans le cadre de la transition de l'aide matérielle vers l'aide sociale octroyée par les centres publics d'action sociale, le Roi fixe les conditions du maintien de l'aide matérielle nonobstant la situation visée à l'alinéa précédent ainsi que les modalités de collaboration entre la structure d'accueil et le centre public d'action sociale devant garantir au bénéficiaire de l'accueil la continuité de l'accueil.
TITEL III. - Ordemaatregelen en sancties.
TITRE III. - Mesures d'ordre et sanctions.
HOOFDSTUK I. - Ordemaatregelen.
CHAPITRE Ier. - Mesures d'ordre.
Art. 44. Om de orde, de veiligheid en de rust in een opvangstructuur te waarborgen en indien nodig te herstellen, kunnen er interne ordemaatregelen genomen worden.
De Koning [1 ...]1 bepaalt welke de van toepassing zijnde procedureregels zijn en welke overheden gemachtigd zijn om de ordemaatregelen te nemen.
De Koning [1 ...]1 bepaalt welke de van toepassing zijnde procedureregels zijn en welke overheden gemachtigd zijn om de ordemaatregelen te nemen.
Art. 44. Afin de garantir et, si nécessaire, de rétablir l'ordre, la sécurité et la tranquillité dans la structure d'accueil, des mesures d'ordre interne peuvent être prises.
Le Roi fixe [1 ...]1 les règles de procédure applicables ainsi que l'autorité habilitée à les prendre.
Le Roi fixe [1 ...]1 les règles de procédure applicables ainsi que l'autorité habilitée à les prendre.
Wijzigingen
HOOFDSTUK II. - Sancties.
CHAPITRE II. - Sanctions.
Art. 45. Ingeval de begunstigde van de opvang een ernstige overtreding begaat van de voorschriften en werkingsregels die van toepassing zijn op de opvangstructuren bedoeld in artikel 19 kan er hem een sanctie opgelegd worden. Bij de keuze van de sanctie wordt er rekening gehouden met de aard en de omvang van de overtreding evenals met de concrete omstandigheden waarin deze werd begaan.
[2 Enkel de volgende sancties kunnen worden opgelegd :
1° de formele verwittiging met vermelding in het sociaal dossier bedoeld in artikel 32;
2° de tijdelijke uitsluiting van deelname aan de acti-viteiten georganiseerd door de opvangstructuur;
3° de tijdelijke uitsluiting van de mogelijkheid tot het verrichten van betaalde prestaties van gemeenschapsdiensten zoals bedoeld in artikel 34;
4° de beperking van de toegang tot sommige diensten;
5° de verplichting om taken van algemeen nut te verrichten, waarvan de niet-uitvoering of de gebrekkige uitvoering als een nieuwe overtreding beschouwd kan worden;
6° de tijdelijke opheffing of vermindering van de dagvergoeding bedoeld in artikel 34, eerste en tweede lid, met een maximumtermijn van vier weken;
7° de overplaatsing, zonder verwijl, van de begunstigde van de opvang naar een andere opvangstructuur;
8° de tijdelijke uitsluiting van het recht op de materiële hulp in een opvangstructuur, voor een maximale duur van een maand;
9° de definitieve uitsluiting van het recht op de materiële hulp in een opvangstructuur.]2
De sancties worden opgelegd door de directeur of de verantwoordelijke van de opvangstructuur. [1 [2 de in het tweede lid 8° en 9° bedoelde sancties, moeten]2 worden bevestigd door de Directeur-generaal van het Agentschap, binnen een termijn van drie werkdagen te rekenen vanaf de sanctie genomen door de directeur of de verantwoordelijke van de opvangstructuur. Bij gebrek aan bevestiging binnen die termijn, wordt [2 de sanctie van tijdelijke of definitieve uitsluiting wordt automatisch opgeheven.]2.]1
De sancties kunnen tijdens hun uitvoering verminderd of opgeheven worden door de instantie die ze heeft opgelegd.
De beslissing om een sanctie op te leggen wordt op een objectieve en onpartijdige wijze genomen en maakt het voorwerp uit van een motivering.
[2 onder voorbehoud van de in het tweede lid, 8° en 9°, bedoelde sancties]2 kan de uitvoering van een sanctie in geen geval de volledige opheffing van de materiële hulp die krachtens de huidige wet toegekend wordt tot gevolg hebben, noch de vermindering van de toegang tot de medische begeleiding. [2 De materiële hulp toegekend aan de persoon die het voorwerp uitmaakt van een sanctie zoals bedoeld in het tweede lid, 8° of 9°, is beperkt tot de medische begeleiding, voorzien in artikelen 24 en 25. In het geval dat een persoon aantoont dat hem geen menswaardige levensstandaard kan worden verzekerd, kan hij een verzoek t.a.v. het Agentschap indienen teneinde deze situatie te verhelpen. Een dergelijk verzoek kan in voorkomend geval aanleiding geven tot een beslissing genomen op basis van het vierde lid. Het Agentschap neemt een met redenen omklede beslissing ten laatste binnen vijf dagen vanaf de indiening van het verzoek.]2
[1 De [2 in het tweede lid, 8° en 9°, bedoelde sancties mogen]2 enkel uitgesproken worden bij zeer ernstige inbreuk op het huishoudelijk reglement van de opvangstructuur, die het personeel of de andere bewoners van de opvangstructuur in gevaar brengt of die duidelijke risico's inhoudt voor de veiligheid of de naleving van de openbare orde in de opvangstructuur. [2 Behoudens de ernstige gevallen van fysiek of seksueel geweld, kan de in het tweede lid, 9°, bedoelde sanctie uitsluitend worden uitgesproken ten aanzien van een persoon die voorafgaand het voorwerp heeft uitgemaakt van een in het tweede lid, 8°, bedoelde sanctie.]2
De door de sanctie tijdelijke [2 of definitieve]2 uitsluiting geviseerde persoon dient voorafgaand aan het nemen van deze sanctie te worden gehoord.]1
De Koning bepaalt de procedureregels die van toepassing zijn op de behandeling van de sancties.
[2 Enkel de volgende sancties kunnen worden opgelegd :
1° de formele verwittiging met vermelding in het sociaal dossier bedoeld in artikel 32;
2° de tijdelijke uitsluiting van deelname aan de acti-viteiten georganiseerd door de opvangstructuur;
3° de tijdelijke uitsluiting van de mogelijkheid tot het verrichten van betaalde prestaties van gemeenschapsdiensten zoals bedoeld in artikel 34;
4° de beperking van de toegang tot sommige diensten;
5° de verplichting om taken van algemeen nut te verrichten, waarvan de niet-uitvoering of de gebrekkige uitvoering als een nieuwe overtreding beschouwd kan worden;
6° de tijdelijke opheffing of vermindering van de dagvergoeding bedoeld in artikel 34, eerste en tweede lid, met een maximumtermijn van vier weken;
7° de overplaatsing, zonder verwijl, van de begunstigde van de opvang naar een andere opvangstructuur;
8° de tijdelijke uitsluiting van het recht op de materiële hulp in een opvangstructuur, voor een maximale duur van een maand;
9° de definitieve uitsluiting van het recht op de materiële hulp in een opvangstructuur.]2
De sancties worden opgelegd door de directeur of de verantwoordelijke van de opvangstructuur. [1 [2 de in het tweede lid 8° en 9° bedoelde sancties, moeten]2 worden bevestigd door de Directeur-generaal van het Agentschap, binnen een termijn van drie werkdagen te rekenen vanaf de sanctie genomen door de directeur of de verantwoordelijke van de opvangstructuur. Bij gebrek aan bevestiging binnen die termijn, wordt [2 de sanctie van tijdelijke of definitieve uitsluiting wordt automatisch opgeheven.]2.]1
De sancties kunnen tijdens hun uitvoering verminderd of opgeheven worden door de instantie die ze heeft opgelegd.
De beslissing om een sanctie op te leggen wordt op een objectieve en onpartijdige wijze genomen en maakt het voorwerp uit van een motivering.
[2 onder voorbehoud van de in het tweede lid, 8° en 9°, bedoelde sancties]2 kan de uitvoering van een sanctie in geen geval de volledige opheffing van de materiële hulp die krachtens de huidige wet toegekend wordt tot gevolg hebben, noch de vermindering van de toegang tot de medische begeleiding. [2 De materiële hulp toegekend aan de persoon die het voorwerp uitmaakt van een sanctie zoals bedoeld in het tweede lid, 8° of 9°, is beperkt tot de medische begeleiding, voorzien in artikelen 24 en 25. In het geval dat een persoon aantoont dat hem geen menswaardige levensstandaard kan worden verzekerd, kan hij een verzoek t.a.v. het Agentschap indienen teneinde deze situatie te verhelpen. Een dergelijk verzoek kan in voorkomend geval aanleiding geven tot een beslissing genomen op basis van het vierde lid. Het Agentschap neemt een met redenen omklede beslissing ten laatste binnen vijf dagen vanaf de indiening van het verzoek.]2
[1 De [2 in het tweede lid, 8° en 9°, bedoelde sancties mogen]2 enkel uitgesproken worden bij zeer ernstige inbreuk op het huishoudelijk reglement van de opvangstructuur, die het personeel of de andere bewoners van de opvangstructuur in gevaar brengt of die duidelijke risico's inhoudt voor de veiligheid of de naleving van de openbare orde in de opvangstructuur. [2 Behoudens de ernstige gevallen van fysiek of seksueel geweld, kan de in het tweede lid, 9°, bedoelde sanctie uitsluitend worden uitgesproken ten aanzien van een persoon die voorafgaand het voorwerp heeft uitgemaakt van een in het tweede lid, 8°, bedoelde sanctie.]2
De door de sanctie tijdelijke [2 of definitieve]2 uitsluiting geviseerde persoon dient voorafgaand aan het nemen van deze sanctie te worden gehoord.]1
De Koning bepaalt de procedureregels die van toepassing zijn op de behandeling van de sancties.
Art. 45. Le bénéficiaire de l'accueil peut faire l'objet d'une sanction en cas de manquement grave au régime et règles de fonctionnement applicables aux structures d'accueil visée à l'article 19. Lors du choix de la sanction, il est tenu compte de la nature et de l'importance du manquement ainsi que des circonstances concrètes dans lesquelles il a été commis.
[2 Seules les sanctions suivantes peuvent être prononcées :
1° l'avertissement formel avec mention dans le dossier social visé à l'article 32;
2° l'exclusion temporaire de la participation aux activités organisées par la structure d'accueil;
3° l'exclusion temporaire de la possibilité d'exécuter des prestations rémunérées de services communautaires, telles que visées par l'article 34;
4° la restriction de l'accès à certains services;
5° l'obligation d'effectuer des tâches d'intérêt général, dont la non-exécution ou l'exécution défaillante peut être considérée comme un nouveau manquement;
6° la suppression ou la diminution temporaire de l'allocation journalière visée à l'article 34, alinéas 1er et 2, pour un délai maximum de quatre semaines;
7° le transfert, sans délai, du bénéficiaire de l'accueil, vers une autre structure d'accueil;
8° l'exclusion temporaire du bénéfice de l'aide matérielle dans une structure d'accueil, pour une durée maximale d'un mois;
9° l'exclusion définitive du bénéfice de l'aide matérielle dans une structure d'accueil.]2
Les sanctions sont infligées par le directeur ou le responsable de la structure d'accueil. [1 [2 les sanctions visées à l'alinéa 2, 8° et 9°, doivent être confirmées]2 par le Directeur général de l'Agence dans un délai de trois jours ouvrables à compter de l'adoption de la sanction par le directeur ou le responsable de la structure d'accueil. A défaut de confirmation dans ce délai, [2 la sanction d'exclusion temporaire ou définitive est automatiquement levée]2.]1
Les sanctions peuvent être diminuées ou levées durant leur exécution par l'autorité qui les a infligées.
La décision d'infliger une sanction est prise de manière objective et impartiale et fait l'objet d'une motivation.
[2 sous réserve des sanctions visées à l'alinéa 2, 8° et 9°]2, en aucun cas, la mise en oeuvre d'une sanction ne peut avoir , pour effet la suppression complète de l'aide matérielle octroyée en vertu de la présente loi, ni la diminution de l'accès à l'accompagnement médical. [2 L'aide matérielle octroyée à la personne qui fait l'objet d'une sanction visée à l'alinéa 2, 8° ou 9°, est limitée à l'accompagnement médical prévu aux articles 24 et 25. Dans le cas où cette personne établit qu'un niveau de vie digne ne peut lui être assuré, elle peut introduire auprès de l'Agence une demande afin de remédier à cette situation. Une telle demande peut le cas échéant donner lieu à une décision prise sur base de l'alinéa 4. L'Agence prend une décision motivée au plus tard dans les cinq jours de l'introduction de la demande.]2
[1 [2 les sanctions visées à l'alinéa 2, 8° et 9°, ne peuvent être prononcées]2 qu'en cas de manquement très grave au règlement d'ordre intérieur de la structure d'accueil mettant en danger le personnel ou les autres résidents de la structure d'accueil ou faisant peser des risques caractérisés pour la sécurité ou le respect de l'ordre public dans la structure d'accueil. [2 Hormis pour les cas sérieux de violence physique ou sexuelle, la sanction visée à l'alinéa 2, 9°, ne peut être prononcée qu'à l'égard d'une personne ayant fait au préalable l'objet d'une sanction visée à l'alinéa 2, 8°.]2
La personne visée par la sanction d'exclusion temporaire [2 ou définitive]2 doit être entendue préalablement à la prise de celle-ci.]1
Le Roi détermine les règles de procédure applicables au traitement des sanctions.
[2 Seules les sanctions suivantes peuvent être prononcées :
1° l'avertissement formel avec mention dans le dossier social visé à l'article 32;
2° l'exclusion temporaire de la participation aux activités organisées par la structure d'accueil;
3° l'exclusion temporaire de la possibilité d'exécuter des prestations rémunérées de services communautaires, telles que visées par l'article 34;
4° la restriction de l'accès à certains services;
5° l'obligation d'effectuer des tâches d'intérêt général, dont la non-exécution ou l'exécution défaillante peut être considérée comme un nouveau manquement;
6° la suppression ou la diminution temporaire de l'allocation journalière visée à l'article 34, alinéas 1er et 2, pour un délai maximum de quatre semaines;
7° le transfert, sans délai, du bénéficiaire de l'accueil, vers une autre structure d'accueil;
8° l'exclusion temporaire du bénéfice de l'aide matérielle dans une structure d'accueil, pour une durée maximale d'un mois;
9° l'exclusion définitive du bénéfice de l'aide matérielle dans une structure d'accueil.]2
Les sanctions sont infligées par le directeur ou le responsable de la structure d'accueil. [1 [2 les sanctions visées à l'alinéa 2, 8° et 9°, doivent être confirmées]2 par le Directeur général de l'Agence dans un délai de trois jours ouvrables à compter de l'adoption de la sanction par le directeur ou le responsable de la structure d'accueil. A défaut de confirmation dans ce délai, [2 la sanction d'exclusion temporaire ou définitive est automatiquement levée]2.]1
Les sanctions peuvent être diminuées ou levées durant leur exécution par l'autorité qui les a infligées.
La décision d'infliger une sanction est prise de manière objective et impartiale et fait l'objet d'une motivation.
[2 sous réserve des sanctions visées à l'alinéa 2, 8° et 9°]2, en aucun cas, la mise en oeuvre d'une sanction ne peut avoir , pour effet la suppression complète de l'aide matérielle octroyée en vertu de la présente loi, ni la diminution de l'accès à l'accompagnement médical. [2 L'aide matérielle octroyée à la personne qui fait l'objet d'une sanction visée à l'alinéa 2, 8° ou 9°, est limitée à l'accompagnement médical prévu aux articles 24 et 25. Dans le cas où cette personne établit qu'un niveau de vie digne ne peut lui être assuré, elle peut introduire auprès de l'Agence une demande afin de remédier à cette situation. Une telle demande peut le cas échéant donner lieu à une décision prise sur base de l'alinéa 4. L'Agence prend une décision motivée au plus tard dans les cinq jours de l'introduction de la demande.]2
[1 [2 les sanctions visées à l'alinéa 2, 8° et 9°, ne peuvent être prononcées]2 qu'en cas de manquement très grave au règlement d'ordre intérieur de la structure d'accueil mettant en danger le personnel ou les autres résidents de la structure d'accueil ou faisant peser des risques caractérisés pour la sécurité ou le respect de l'ordre public dans la structure d'accueil. [2 Hormis pour les cas sérieux de violence physique ou sexuelle, la sanction visée à l'alinéa 2, 9°, ne peut être prononcée qu'à l'égard d'une personne ayant fait au préalable l'objet d'une sanction visée à l'alinéa 2, 8°.]2
La personne visée par la sanction d'exclusion temporaire [2 ou définitive]2 doit être entendue préalablement à la prise de celle-ci.]1
Le Roi détermine les règles de procédure applicables au traitement des sanctions.
HOOFDSTUK III. - Klachten en Beroep.
CHAPITRE III. - Plaintes et recours.
Art. 46. De begunstigde van de opvang wendt zich tot de directeur of de verantwoordelijke van de opvangstructuur ingeval hij klachten heeft met betrekking tot :
- de levensomstandigheden in de opvangstructuur
- de toepassing van het huishoudelijk reglement bedoeld in artikel 19 van deze wet.
Ingeval de klacht niet behandeld wordt binnen een termijn van 7 dagen na het bekendmaken van de klacht, kan de begunstigde van de opvang de klacht schriftelijk voorleggen [1 , in één van de landstalen of in het Engels,]1 aan de directeur-generaal van het Agentschap, of aan de door de partner aangewezen en door het Agentschap erkende persoon [1 , indien de begunstigde gehuisvest is in een opvangstructuur beheerd door een partner]1. De directeur-generaal van het Agentschap of de door de partner aangewezen persoon antwoordt op deze klacht binnen de 30 dagen.
De Koning bepaalt de procedureregels die van toepassing zijn op de behandeling van de klachten.
- de levensomstandigheden in de opvangstructuur
- de toepassing van het huishoudelijk reglement bedoeld in artikel 19 van deze wet.
Ingeval de klacht niet behandeld wordt binnen een termijn van 7 dagen na het bekendmaken van de klacht, kan de begunstigde van de opvang de klacht schriftelijk voorleggen [1 , in één van de landstalen of in het Engels,]1 aan de directeur-generaal van het Agentschap, of aan de door de partner aangewezen en door het Agentschap erkende persoon [1 , indien de begunstigde gehuisvest is in een opvangstructuur beheerd door een partner]1. De directeur-generaal van het Agentschap of de door de partner aangewezen persoon antwoordt op deze klacht binnen de 30 dagen.
De Koning bepaalt de procedureregels die van toepassing zijn op de behandeling van de klachten.
Art. 46. Le bénéficiaire de l'accueil s'adresse au directeur ou au responsable de la structure d'accueil en cas de plaintes portant sur :
- les conditions de vie au sein de la structure d'accueil
- l'application du règlement d'ordre intérieur visé à l'article 19 de la présente loi.
Si la plainte n'est pas traitée dans un délai de 7 jours à compter de la communication de la plainte, le bénéficiaire de l'accueil peut adresser sa plainte par écrit [1 , dans l'une des langues nationales ou en anglais,]1 au directeur général de l'Agence, ou à la personne désignée à cet effet par le partenaire et agréée par l'Agence [1 , si le bénéficiaire est hébergé dans une structure d'accueil gérée par un partenaire]1. Le directeur général de l'Agence, ou la personne désignée par le partenaire, répond à cette plainte dans les 30 jours.
Le Roi détermine les règles de procédure applicables au traitement des plaintes.
- les conditions de vie au sein de la structure d'accueil
- l'application du règlement d'ordre intérieur visé à l'article 19 de la présente loi.
Si la plainte n'est pas traitée dans un délai de 7 jours à compter de la communication de la plainte, le bénéficiaire de l'accueil peut adresser sa plainte par écrit [1 , dans l'une des langues nationales ou en anglais,]1 au directeur général de l'Agence, ou à la personne désignée à cet effet par le partenaire et agréée par l'Agence [1 , si le bénéficiaire est hébergé dans une structure d'accueil gérée par un partenaire]1. Le directeur général de l'Agence, ou la personne désignée par le partenaire, répond à cette plainte dans les 30 jours.
Le Roi détermine les règles de procédure applicables au traitement des plaintes.
Wijzigingen
Art. 47. § 1. De begunstigde van de opvang gehuisvest in een opvangstructuur beheerd door het Agentschap of een partner kan een beroep tot herziening instellen tegen elke beslissing die hem een in [2 in artikel 45, 4°, 5°, 6° of 7° ]2, opgesomde sanctie oplegt, alsook tegen elke beslissing met betrekking tot de medische begeleiding, zoals bedoeld in artikel 25, § 5, van deze wet.
Het beroep tegen een [2 in artikel 45, 4°, 5°, 6° of 7° ]2, bedoelde sanctie wordt ingesteld bij de directeur-generaal van het Agentschap, bij de door de partner aangewezen en door het Agentschap erkende persoon, of bij de O.C.M.W.-Raad ingeval van een structuur bedoeld in artikel 64 van deze wet, per gewone post binnen een termijn van vijf werkdagen te rekenen vanaf de betekening aan de begunstigde van de opvang van de beslissing bedoeld in het eerste lid. De begunstigde van de opvang bezorgt onmiddellijk aan de opvangstructuur een kopie van het beroep.
Het beroep moet ingediend worden in één van de landstalen of in het Engels.
Elk beroep tegen een beslissing met betrekking tot de medische begeleiding zoals bedoeld in artikel 25, § 5 van deze wet wordt ingediend bij de directeur-generaal van het Agentschap of bij de O.C.M.W.-Raad ingeval van een structuur bedoeld in artikel 64 van deze wet [1 , per gewone post binnen een termijn van vijf werkdagen te rekenen vanaf de datum van de consultatie waarop de medische beslissing werd meegedeeld aan de begunstigde van de opvang]1.
De directeur-generaal, de door de partner aangewezen persoon of de O.C.M.W.-Raad bevestigt, vernietigt of herziet de beslissing binnen de 30 dagen te rekenen vanaf de [1 ontvangst]1 van het beroep tot herziening. Voor het beroep dat betrekking heeft op de medische begeleiding, en dat wordt ingediend bij de directeur-generaal van het Agentschap, is het voorafgaand advies van een [1 door het Agentschap aangeduide]1 arts vereist.
De directeur-generaal, de door de partner aangewezen persoon, of de O.C.M.W.-Raad kan, indien hij dit nodig acht, de aangevochten beslissing opschorten tijdens de behandeling van het beroep.
De directeur-generaal, de door de partner aangewezen persoon, of de O.C.M.W.-Raad hoort, indien hij dit nodig acht, de bij het beroep betrokken personen.
De directeur-generaal, de door de partner aangewezen persoon, of de O.C.M.W.-Raad motiveert zijn beslissing.
Indien de directeur-generaal, de door de partner aangewezen persoon, of de O.C.M.W.-Raad de aangevochten beslissing bevestigt of herziet, of bij afwezigheid van beslissing aangaande het beroep binnen de voorgeschreven termijn, kan de begunstigde van de opvang hiertegen een beroep indienen bij de Arbeidsrechtbank van de plaats van de opvangstructuur. Op straffe van verval dient dit beroep ingediend te worden binnen een termijn van 3 maanden te rekenen vanaf de betekening van de beslissing van de directeur-generaal, de door de partner aangewezen persoon, of de O.C.M.W.-Raad, of vanaf het verstrijken van de voorgeschreven termijn.
Het beroep tegen een [2 in artikel 45, 4°, 5°, 6° of 7° ]2, bedoelde sanctie wordt ingesteld bij de directeur-generaal van het Agentschap, bij de door de partner aangewezen en door het Agentschap erkende persoon, of bij de O.C.M.W.-Raad ingeval van een structuur bedoeld in artikel 64 van deze wet, per gewone post binnen een termijn van vijf werkdagen te rekenen vanaf de betekening aan de begunstigde van de opvang van de beslissing bedoeld in het eerste lid. De begunstigde van de opvang bezorgt onmiddellijk aan de opvangstructuur een kopie van het beroep.
Het beroep moet ingediend worden in één van de landstalen of in het Engels.
Elk beroep tegen een beslissing met betrekking tot de medische begeleiding zoals bedoeld in artikel 25, § 5 van deze wet wordt ingediend bij de directeur-generaal van het Agentschap of bij de O.C.M.W.-Raad ingeval van een structuur bedoeld in artikel 64 van deze wet [1 , per gewone post binnen een termijn van vijf werkdagen te rekenen vanaf de datum van de consultatie waarop de medische beslissing werd meegedeeld aan de begunstigde van de opvang]1.
De directeur-generaal, de door de partner aangewezen persoon of de O.C.M.W.-Raad bevestigt, vernietigt of herziet de beslissing binnen de 30 dagen te rekenen vanaf de [1 ontvangst]1 van het beroep tot herziening. Voor het beroep dat betrekking heeft op de medische begeleiding, en dat wordt ingediend bij de directeur-generaal van het Agentschap, is het voorafgaand advies van een [1 door het Agentschap aangeduide]1 arts vereist.
De directeur-generaal, de door de partner aangewezen persoon, of de O.C.M.W.-Raad kan, indien hij dit nodig acht, de aangevochten beslissing opschorten tijdens de behandeling van het beroep.
De directeur-generaal, de door de partner aangewezen persoon, of de O.C.M.W.-Raad hoort, indien hij dit nodig acht, de bij het beroep betrokken personen.
De directeur-generaal, de door de partner aangewezen persoon, of de O.C.M.W.-Raad motiveert zijn beslissing.
Indien de directeur-generaal, de door de partner aangewezen persoon, of de O.C.M.W.-Raad de aangevochten beslissing bevestigt of herziet, of bij afwezigheid van beslissing aangaande het beroep binnen de voorgeschreven termijn, kan de begunstigde van de opvang hiertegen een beroep indienen bij de Arbeidsrechtbank van de plaats van de opvangstructuur. Op straffe van verval dient dit beroep ingediend te worden binnen een termijn van 3 maanden te rekenen vanaf de betekening van de beslissing van de directeur-generaal, de door de partner aangewezen persoon, of de O.C.M.W.-Raad, of vanaf het verstrijken van de voorgeschreven termijn.
Art. 47. § 1er. Le bénéficiaire de l'accueil logé dans une structure d'accueil gérée par l'Agence ou un partenaire peut introduire un recours en révision contre toute décision lui infligeant une sanction telle que visée [2 à l'article 45, 4°, 5°, 6° ou 7° ]2, ainsi que contre toute décision relative à l'accompagnement médical telle que visée à l'article 25, § 5, de la présente loi.
Le recours contre une sanction visée [2 à l'article 45, 4°, 5°, 6° ou 7° ]2 est introduit auprès du directeur général de l'Agence, auprès de la personne désignée par le partenaire et agréée par l'Agence, ou auprès du Conseil de l'aide sociale lorsqu'il s'agit d'une structure visée à l'article 64 de la présente loi, par simple courrier dans un délai de cinq jours ouvrables à compter de la notification au bénéficiaire de l'accueil de la décision visée à l'alinéa 1er. Le bénéficiaire transmet immédiatement une copie du recours à la structure d'accueil.
Le recours doit être introduit dans une des langues nationales ou en anglais.
Tout recours contre une décision relative à l'accompagnement médical telle que visée à l'article 25, § 5 de la présente loi, est introduit auprès du directeur général de l'Agence ou auprès du Conseil de l'aide sociale lorsqu'il s'agit d'une structure visée à l'article 64 de la présente loi [1 , par courrier ordinaire dans un délai de cinq jours ouvrables à compter de la date de la consultation au cours de laquelle la décision médicale a été communiquée au bénéficiaire de l'accueil]1.
Le directeur général, la personne désignée par le partenaire ou le Conseil de l'aide sociale, confirme, annule ou revoit la décision dans les 30 jours à compter de [1 la réception]1 du recours en révision. Pour le recours relatif à l'accompagnement médical et introduit auprès du directeur général de l'Agence l'avis préalable d'un médecin [1 désigné par l'Agence]1 est requis.
Le directeur général, la personne désignée par le partenaire, ou le Conseil de l'aide sociale, peut, s'il l'estime nécessaire, suspendre la décision attaquée pendant l'examen du recours.
Le directeur général, la personne désignée par le partenaire, ou le Conseil de l'aide sociale, entend, s'il l'estime nécessaire, les personnes concernées par le recours.
Le directeur général, la personne désignée par le partenaire, ou le Conseil de l'aide sociale, motive sa décision.
Si le directeur général, la personne désignée par le partenaire, ou le Conseil de l'aide sociale confirme ou revoit la décision attaquée, ou en cas d'absence d'une décision relative au recours dans le délai prescrit, le bénéficiaire de l'accueil peut introduire un recours devant le Tribunal du Travail du lieu de la structure d'accueil. Sous peine de déchéance ce recours doit être introduit dans un délai de trois mois à compter de la notification de la décision du directeur général, de la personne désignée par le partenaire, ou du Conseil de l'aide sociale, ou à compter de l'expiration du délai prescrit.
Le recours contre une sanction visée [2 à l'article 45, 4°, 5°, 6° ou 7° ]2 est introduit auprès du directeur général de l'Agence, auprès de la personne désignée par le partenaire et agréée par l'Agence, ou auprès du Conseil de l'aide sociale lorsqu'il s'agit d'une structure visée à l'article 64 de la présente loi, par simple courrier dans un délai de cinq jours ouvrables à compter de la notification au bénéficiaire de l'accueil de la décision visée à l'alinéa 1er. Le bénéficiaire transmet immédiatement une copie du recours à la structure d'accueil.
Le recours doit être introduit dans une des langues nationales ou en anglais.
Tout recours contre une décision relative à l'accompagnement médical telle que visée à l'article 25, § 5 de la présente loi, est introduit auprès du directeur général de l'Agence ou auprès du Conseil de l'aide sociale lorsqu'il s'agit d'une structure visée à l'article 64 de la présente loi [1 , par courrier ordinaire dans un délai de cinq jours ouvrables à compter de la date de la consultation au cours de laquelle la décision médicale a été communiquée au bénéficiaire de l'accueil]1.
Le directeur général, la personne désignée par le partenaire ou le Conseil de l'aide sociale, confirme, annule ou revoit la décision dans les 30 jours à compter de [1 la réception]1 du recours en révision. Pour le recours relatif à l'accompagnement médical et introduit auprès du directeur général de l'Agence l'avis préalable d'un médecin [1 désigné par l'Agence]1 est requis.
Le directeur général, la personne désignée par le partenaire, ou le Conseil de l'aide sociale, peut, s'il l'estime nécessaire, suspendre la décision attaquée pendant l'examen du recours.
Le directeur général, la personne désignée par le partenaire, ou le Conseil de l'aide sociale, entend, s'il l'estime nécessaire, les personnes concernées par le recours.
Le directeur général, la personne désignée par le partenaire, ou le Conseil de l'aide sociale, motive sa décision.
Si le directeur général, la personne désignée par le partenaire, ou le Conseil de l'aide sociale confirme ou revoit la décision attaquée, ou en cas d'absence d'une décision relative au recours dans le délai prescrit, le bénéficiaire de l'accueil peut introduire un recours devant le Tribunal du Travail du lieu de la structure d'accueil. Sous peine de déchéance ce recours doit être introduit dans un délai de trois mois à compter de la notification de la décision du directeur général, de la personne désignée par le partenaire, ou du Conseil de l'aide sociale, ou à compter de l'expiration du délai prescrit.
Art. 48. Het Agentschap stelt aan de minister jaarlijks een verslag voor met betrekking tot de klachten en de beroepen.
Art. 48. L'Agence présente au ministre chaque année un rapport relatif aux plaintes et aux recours.
TITEL IV. - Personeelsleden van de opvangstructuren.
TITRE IV. - Des membres du personnel des structures d'accueil.
Art. 49. Onverminderd artikel 458 van het Strafwetboek, zijn de personeelsleden van de opvangstructuren gebonden door een geheimhoudingsplicht. Deze is met name van toepassing op de informatie die aan een personeelslid van de opvangstructuur verstrekt wordt door elke begunstigde van de opvang die in deze opvangstructuur opgevangen wordt en op de initiatieven die een personeelslid van de opvangstructuur neemt in het kader van de taken die aan de genoemde opvangstructuur zijn toevertrouwd.
Art. 49. Sans préjudice de l'article 458 du Code pénal, les membres du personnel des structures d'accueil sont tenus par un devoir de confidentialité. Celui-ci s'applique notamment aux informations portées à la connaissance d'un membre du personnel de la structure d'accueil par tout bénéficiaire de l'accueil accueilli en son sein et aux initiatives qu'un membre du personnel de la structure d'accueil entreprend dans le cadre des missions confiées à ladite structure d'accueil.
Art. 50. De personeelsleden van de opvangstructuren zijn onderworpen aan een deontologische code die door de minister is vastgelegd en die deel uitmaakt van het arbeidsreglement.
De deontologische code bedoeld in het eerste lid waarborgt met name de eerbiediging van het non-discriminatiebeginsel, van de briefwisseling van de begunstigde van de opvang, van zijn filosofische, godsdienstige of politieke overtuiging, zijn recht op een privé- en een gezinsleven en zijn recht op vrije meningsuiting. De code bevat eveneens regels met betrekking tot het voorwerp en de taken van een arbeidsbetrekking in de opvangstructuur, de aard van de relaties tussen de personeelsleden van de opvangstructuren en de begunstigde van de opvang alsook de eerbiediging van de geheimhoudingsplicht.
De deontologische code bedoeld in het eerste lid waarborgt met name de eerbiediging van het non-discriminatiebeginsel, van de briefwisseling van de begunstigde van de opvang, van zijn filosofische, godsdienstige of politieke overtuiging, zijn recht op een privé- en een gezinsleven en zijn recht op vrije meningsuiting. De code bevat eveneens regels met betrekking tot het voorwerp en de taken van een arbeidsbetrekking in de opvangstructuur, de aard van de relaties tussen de personeelsleden van de opvangstructuren en de begunstigde van de opvang alsook de eerbiediging van de geheimhoudingsplicht.
Art. 50. Les membres du personnel des structures d'accueil sont soumis à un code de déontologie arrêté par le ministre et faisant partie du règlement du travail.
Le code de déontologie visé à l'alinéa 1er garantit notamment le respect du principe de non-discrimination, de la correspondance du bénéficiaire de l'accueil, de ses convictions philosophiques, religieuses ou politiques, de son droit à la vie privée et familiale ainsi que de son droit à la liberté d'expression. Il contient également des règles relatives à l'objet et aux missions du travail au sein de la structure d'accueil, à la nature des relations entre les membres du personnel des structures d'accueil et le bénéficiaire de l'accueil ainsi qu'au respect du devoir de confidentialité.
Le code de déontologie visé à l'alinéa 1er garantit notamment le respect du principe de non-discrimination, de la correspondance du bénéficiaire de l'accueil, de ses convictions philosophiques, religieuses ou politiques, de son droit à la vie privée et familiale ainsi que de son droit à la liberté d'expression. Il contient également des règles relatives à l'objet et aux missions du travail au sein de la structure d'accueil, à la nature des relations entre les membres du personnel des structures d'accueil et le bénéficiaire de l'accueil ainsi qu'au respect du devoir de confidentialité.
Art. 51. Het Agentschap of de partner organiseert een multidisciplinaire en doorlopende opleidingscyclus die bestemd is voor de personeelsleden van de opvangstructuren.
Art. 51. L'Agence ou le partenaire organise un cycle de formation pluridisciplinaire et continue à destination des membres du personnel des structures d'accueil.
TITEL V. - Integratie van collectieve opvangstructuren in de lokale omgeving en subsidies aan de gemeenten.
TITRE V. - Intégration des structures d'accueil communautaires dans l'environnement local et subsides aux communes.
Art. 52. Met uitzondering van de structuren bedoeld in artikel 64, organiseren de collectieve opvangstructuren buurtinitiatieven met behulp van subsidies die door het Agentschap toegekend worden.
Onder een buurtinitiatief wordt een activiteit bedoeld die tot doel heeft de collectieve opvangstructuur in de omgeving te integreren en een positief beeld te scheppen van het opvangbeleid voor asielzoekers in de samenleving.
Subsidies worden aan de collectieve opvangstructuren toegekend met het oog op de verwezenlijking van de volgende doelstellingen :
1° integratie van de collectieve opvangstructuur in haar lokale omgeving;
2° correcte informatie verschaffen inzake de werking van de collectieve opvangstructuur;
3° sensibiliseringsacties bevorderen met betrekking tot de opvang van asielzoekers.
Het bedrag van deze subsidies bestaat uit een vast bedrag vermeerderd met het bedrag dat bekomen wordt op basis van de berekening van het aantal opvangplaatsen binnen de collectieve opvangstructuur.
Onder een buurtinitiatief wordt een activiteit bedoeld die tot doel heeft de collectieve opvangstructuur in de omgeving te integreren en een positief beeld te scheppen van het opvangbeleid voor asielzoekers in de samenleving.
Subsidies worden aan de collectieve opvangstructuren toegekend met het oog op de verwezenlijking van de volgende doelstellingen :
1° integratie van de collectieve opvangstructuur in haar lokale omgeving;
2° correcte informatie verschaffen inzake de werking van de collectieve opvangstructuur;
3° sensibiliseringsacties bevorderen met betrekking tot de opvang van asielzoekers.
Het bedrag van deze subsidies bestaat uit een vast bedrag vermeerderd met het bedrag dat bekomen wordt op basis van de berekening van het aantal opvangplaatsen binnen de collectieve opvangstructuur.
Art. 52. A l'exception des structures visées à l'article 64, les structures d'accueil communautaires organisent des initiatives de quartier au moyen de subventions octroyées par l'Agence.
Par initiative de quartier, on entend l'action visant à l'intégration de la structure communautaire dans son environnement et à la création d'une perception positive de l'accueil des demandeurs d'asile au sein de la société.
Des subventions sont octroyées aux structures d'accueil communautaires en vue de la réalisation des objectifs suivants :
1° intégrer la structure d'accueil communautaire dans son environnement local;
2° fournir une information correcte sur le fonctionnement de la structure d'accueil communautaire;
3° promouvoir des actions de sensibilisation relatives à l'accueil des demandeurs d'asile.
Le montant de ces subventions est composé d'un montant fixe auquel est ajouté le montant obtenu sur la base du calcul du nombre de places d'accueil au sein de la structure d'accueil communautaire.
Par initiative de quartier, on entend l'action visant à l'intégration de la structure communautaire dans son environnement et à la création d'une perception positive de l'accueil des demandeurs d'asile au sein de la société.
Des subventions sont octroyées aux structures d'accueil communautaires en vue de la réalisation des objectifs suivants :
1° intégrer la structure d'accueil communautaire dans son environnement local;
2° fournir une information correcte sur le fonctionnement de la structure d'accueil communautaire;
3° promouvoir des actions de sensibilisation relatives à l'accueil des demandeurs d'asile.
Le montant de ces subventions est composé d'un montant fixe auquel est ajouté le montant obtenu sur la base du calcul du nombre de places d'accueil au sein de la structure d'accueil communautaire.
Art. 53. De minister kent een jaarlijkse subsidie toe aan de gemeenten op wiens grondgebied er een collectieve opvangstructuur gelegen is.
Deze subsidie beoogt de volgende kosten te dekken :
1° de personeelskosten die rechtstreeks verband houden met het administratieve beheer van de collectieve opvangstructuur;
2° de werkingskosten die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met het administratieve beheer van de collectieve opvangstructuur; de onrechtstreekse kosten worden aan de hand van een verdelingssleutel verantwoord;
3° de gemeentelijke initiatieven die de integratie van de collectieve opvangstructuur binnen de gemeente bevorderen.
De minister bepaalt in het begin van het jaar de subsidie die aan de gemeenten verschuldigd is voor het voorbije jaar. Het bedrag van de subsidie wordt forfaitair per jaar en per effectieve opvangplaats bepaald. Ten einde rekening te houden met de schommelingen in het aantal plaatsen die gedurende deze periode beschikbaar zijn voor elke collectieve opvangstructuur, wordt dit aantal de eerste dag van elke maand bepaald. Met een tijdelijke vermindering, om reden van verbouwingen of inrichting, wordt geen rekening gehouden.
Deze subsidie beoogt de volgende kosten te dekken :
1° de personeelskosten die rechtstreeks verband houden met het administratieve beheer van de collectieve opvangstructuur;
2° de werkingskosten die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met het administratieve beheer van de collectieve opvangstructuur; de onrechtstreekse kosten worden aan de hand van een verdelingssleutel verantwoord;
3° de gemeentelijke initiatieven die de integratie van de collectieve opvangstructuur binnen de gemeente bevorderen.
De minister bepaalt in het begin van het jaar de subsidie die aan de gemeenten verschuldigd is voor het voorbije jaar. Het bedrag van de subsidie wordt forfaitair per jaar en per effectieve opvangplaats bepaald. Ten einde rekening te houden met de schommelingen in het aantal plaatsen die gedurende deze periode beschikbaar zijn voor elke collectieve opvangstructuur, wordt dit aantal de eerste dag van elke maand bepaald. Met een tijdelijke vermindering, om reden van verbouwingen of inrichting, wordt geen rekening gehouden.
Art. 53. Le ministre octroie un subside annuel aux communes sur le territoire desquelles une structure d'accueil communautaire est située.
Ce subside a pour but de couvrir les frais suivants :
1° les frais de personnel directement liés au suivi administratif de la structure d'accueil communautaire;
2° les frais de fonctionnement directement ou indirectement liés au suivi administratif de la structure d'accueil communautaire; les frais indirects étant justifiés par une clé de répartition;
3° les initiatives communales qui promeuvent l'intégration de la structure d'accueil communautaire dans la commune.
Le ministre détermine au début de l'année le subside dû aux communes pour l'année précédente. Le montant du subside est fixé forfaitairement par an et par place d'accueil effective. Afin de tenir compte des fluctuations dans le nombre de places d'accueil disponibles pendant cette période, pour chaque structure d'accueil communautaire, ce nombre est déterminé le premier jour de chaque mois. Une diminution temporaire, pour cause de transformations ou d'aménagements, ne sera pas prise en considération.
Ce subside a pour but de couvrir les frais suivants :
1° les frais de personnel directement liés au suivi administratif de la structure d'accueil communautaire;
2° les frais de fonctionnement directement ou indirectement liés au suivi administratif de la structure d'accueil communautaire; les frais indirects étant justifiés par une clé de répartition;
3° les initiatives communales qui promeuvent l'intégration de la structure d'accueil communautaire dans la commune.
Le ministre détermine au début de l'année le subside dû aux communes pour l'année précédente. Le montant du subside est fixé forfaitairement par an et par place d'accueil effective. Afin de tenir compte des fluctuations dans le nombre de places d'accueil disponibles pendant cette période, pour chaque structure d'accueil communautaire, ce nombre est déterminé le premier jour de chaque mois. Une diminution temporaire, pour cause de transformations ou d'aménagements, ne sera pas prise en considération.
TITEL VI. - Programma voor vrijwillige terugkeer naar het land van herkomst of naar een derde land.
TITRE VI. - Programme de retour volontaire dans l'Etat d'origine ou dans un Etat tiers.
Art. 54. Het Agentschap ziet erop toe dat de begunstigde van de opvang, toegang krijgt tot een programma voor vrijwillige terugkeer naar zijn land van herkomst of naar een derde land.
Dit programma evenals het kader waarbinnen het uitgevoerd wordt, worden vastgelegd door de Koning. Het bestaat onder meer uit aangepaste opleidingsmodules evenals uit de tenlasteneming van de reiskosten en, desgevallend, uit een begeleiding bij de herintegratie in het land van herkomst of een derde land.
Met het oog hierop kan het Agentschap overeenkomsten afsluiten met derden.
Dit programma evenals het kader waarbinnen het uitgevoerd wordt, worden vastgelegd door de Koning. Het bestaat onder meer uit aangepaste opleidingsmodules evenals uit de tenlasteneming van de reiskosten en, desgevallend, uit een begeleiding bij de herintegratie in het land van herkomst of een derde land.
Met het oog hierop kan het Agentschap overeenkomsten afsluiten met derden.
Art. 54. L'Agence veille à ce que le bénéficiaire de l'accueil ait accès à un programme de retour volontaire dans son pays d'origine ou dans un pays tiers.
Ce programme ainsi que le cadre dans lequel il s'opère sont définis par le Roi. Il consiste notamment en des modules de formations adaptés ainsi que la prise en charge des frais de voyage et, le cas échéant, d'un accompagnement à la réinsertion dans l'Etat d'origine ou dans un Etat tiers.
A cette fin, l'Agence peut conclure des conventions avec des tiers.
Ce programme ainsi que le cadre dans lequel il s'opère sont définis par le Roi. Il consiste notamment en des modules de formations adaptés ainsi que la prise en charge des frais de voyage et, le cas échéant, d'un accompagnement à la réinsertion dans l'Etat d'origine ou dans un Etat tiers.
A cette fin, l'Agence peut conclure des conventions avec des tiers.
BOEK IV. - FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE OPVANG VAN ASIELZOEKERS.
LIVRE IV. - L'AGENCE FEDERALE POUR L'ACCUEIL DES DEMANDEURS D'ASILE.
TITEL I. - Statuut, taken en bevoegdheden.
TITRE Ier. - Statut, missions et compétences.
Art. 55. Onder de naam " Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers " werd een overheidsinstelling met rechtspersoonlijkheid opgericht, die ingedeeld is bij categorie A zoals bedoeld in de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut.
De Koning bepaalt bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de structuur, de organisatie en de werking van het Agentschap. Het Agentschap kan door middel van een arbeidsovereenkomst personeelsleden aanwerven om te voorzien in al zijn personeelsbehoeften met het oog op de uitvoering van de taken die het toegewezen heeft gekregen.
De Koning bepaalt bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de structuur, de organisatie en de werking van het Agentschap. Het Agentschap kan door middel van een arbeidsovereenkomst personeelsleden aanwerven om te voorzien in al zijn personeelsbehoeften met het oog op de uitvoering van de taken die het toegewezen heeft gekregen.
Art. 55. Il est créé, sous la dénomination " Agence fédérale pour l'accueil des demandeurs d'asile ", un organisme public doté de la personnalité juridique, classé dans la catégorie A telle que visée dans la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, la structure, l'organisation et le fonctionnement de l'Agence. L'Agence peut, pour tous ses besoins en personnel en vue d'accomplir les missions qui lui ont été attribuées, engager du personnel par contrat de travail.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, la structure, l'organisation et le fonctionnement de l'Agence. L'Agence peut, pour tous ses besoins en personnel en vue d'accomplir les missions qui lui ont été attribuées, engager du personnel par contrat de travail.
Art. 56. § 1. Het Agentschap heeft onder meer de taak om de organisatie, het beheer en de kwaliteitscontrole van de materiële hulp, toegekend aan de begunstigden van de opvang, te verzekeren [2 en om prospectie te doen naar leegstaande panden die als opvangstructuren kunnen worden gebruikt]2.
[2 Het Agentschap is verantwoordelijk voor de gegevensverwerking voor al deze taken.]2
Het mag subsidies toekennen in verband met zijn opdrachten.
§ 2. In het kader van de in § 1 bedoelde taken, oefent het Agentschap de volgende bevoegdheden uit :
1° de toekenning van de materiële hulp aan de begunstigden van de opvang in de collectieve opvangstructuren die het beheert;
2° de controle van de uitvoering van de overeenkomsten afgesloten met de partners overeenkomstig artikel 64 betreffende de toekenning van de materiële hulp aan de begunstigden van de opvang;
3° de toewijzing, de wijziging en de opheffing van de verplichte plaats van inschrijving overeenkomstig Boek II;
4° de organisatie van de betaling van een dagvergoeding en de prestatie van gemeenschapsdiensten overeenkomstig artikel 34;
[2 5° het opnemen van contact met de eigenaars van leegstaande panden die als opvangstructuren kunnen worden gebruikt, teneinde met hen de mogelijkheid te bespreken om hun panden voor dit doel te gebruiken wanneer de opening van nieuwe opvangstructuren wordt overwogen.]2
[2 Om de in het eerste lid, 5°, bedoelde bevoegdheid uit te oefenen, verzoekt het Agentschap de FOD Financiën schriftelijk om de namen, voornamen en postadressen van de eigenaars van de in die bepaling bedoelde goederen over te zenden wanneer deze gegevens hem in het kader van een prospectie niet bekend zijn. De FOD Financiën stuurt deze gegevens op beveiligde wijze door naar het Agentschap.
Het Agentschap bewaart de in het tweede lid bedoelde gegevens tot tien jaar na het einde van het huurcontract indien een prospectie leidt tot het gebruik van het pand voor de uitvoering van zijn taken. Het bewaart de gegevens tot één jaar na het laatste contact met de eigenaar van het pand als het project niet doorgaat.
Het Agentschap kan ook contact opnemen met elke overheidsinstantie die een register van leegstaande panden bijhoudt om dergelijke gegevens te verkrijgen.]2
[1 § 3. Het Agentschap staat in voor de beleidsvoorbereiding, -conceptie en -uitvoering.]1
[2 Het Agentschap is verantwoordelijk voor de gegevensverwerking voor al deze taken.]2
Het mag subsidies toekennen in verband met zijn opdrachten.
§ 2. In het kader van de in § 1 bedoelde taken, oefent het Agentschap de volgende bevoegdheden uit :
1° de toekenning van de materiële hulp aan de begunstigden van de opvang in de collectieve opvangstructuren die het beheert;
2° de controle van de uitvoering van de overeenkomsten afgesloten met de partners overeenkomstig artikel 64 betreffende de toekenning van de materiële hulp aan de begunstigden van de opvang;
3° de toewijzing, de wijziging en de opheffing van de verplichte plaats van inschrijving overeenkomstig Boek II;
4° de organisatie van de betaling van een dagvergoeding en de prestatie van gemeenschapsdiensten overeenkomstig artikel 34;
[2 5° het opnemen van contact met de eigenaars van leegstaande panden die als opvangstructuren kunnen worden gebruikt, teneinde met hen de mogelijkheid te bespreken om hun panden voor dit doel te gebruiken wanneer de opening van nieuwe opvangstructuren wordt overwogen.]2
[2 Om de in het eerste lid, 5°, bedoelde bevoegdheid uit te oefenen, verzoekt het Agentschap de FOD Financiën schriftelijk om de namen, voornamen en postadressen van de eigenaars van de in die bepaling bedoelde goederen over te zenden wanneer deze gegevens hem in het kader van een prospectie niet bekend zijn. De FOD Financiën stuurt deze gegevens op beveiligde wijze door naar het Agentschap.
Het Agentschap bewaart de in het tweede lid bedoelde gegevens tot tien jaar na het einde van het huurcontract indien een prospectie leidt tot het gebruik van het pand voor de uitvoering van zijn taken. Het bewaart de gegevens tot één jaar na het laatste contact met de eigenaar van het pand als het project niet doorgaat.
Het Agentschap kan ook contact opnemen met elke overheidsinstantie die een register van leegstaande panden bijhoudt om dergelijke gegevens te verkrijgen.]2
[1 § 3. Het Agentschap staat in voor de beleidsvoorbereiding, -conceptie en -uitvoering.]1
Art. 56. § 1er. L'Agence a notamment pour mission d'assurer l'organisation, la gestion et le contrôle de la qualité de l'aide matérielle octroyée aux bénéficiaires de l'accueil [2 et la prospection de biens immobiliers inoccupés pouvant être utilisés comme structures d'accueil]2.
[2 L'Agence est responsable du traitement des données pour toutes ces missions.]2
Elle peut octroyer des subventions en relation avec ses missions.
§ 2. Dans le cadre des missions visées au § 1er, l'Agence exerce les compétences suivantes :
1° l'octroi de l'aide matérielle aux bénéficiaires de l'accueil au sein des structures d'accueil communautaires qu'elle gère;
2° le contrôle de l'exécution des conventions relatives à l'octroi de l'aide matérielle aux bénéficiaires de l'accueil avec les partenaires, conclues conformément à l'article 64;
3° la désignation, la modification et la suppression du lieu obligatoire d'inscription, conformément au Livre II;
4° l'organisation du paiement d'une allocation journalière et de la prestation de services communautaires conformément à l'article 34;
[2 5° la prise de contact avec les propriétaires de biens immobiliers inoccupés susceptibles d'être utilisés comme structures d'accueil, afin de pouvoir examiner avec eux l'éventualité d'une telle utilisation de leurs biens, lorsque l'ouverture de nouvelles structures d'accueil est envisagée.]2
[2 Pour exercer la compétence visée à l'alinéa 1er, 5°, l'Agence demande par écrit au SPF Finances de lui transmettre les noms, prénoms et adresses postales des propriétaires des biens qui sont visés dans cette disposition lorsque, dans le cadre d'une prospection, ces données lui sont inconnues. Le SPF Finances transmet ces données à l'Agence par voie sécurisée.
L'Agence conserve les données visées à l'alinéa 2 dix ans après la fin du contrat de location si la prospection mène à une utilisation du bien pour l'accomplissement de ses missions. Elle les conserve un an à compter du dernier contact avec le propriétaire du bien dans le cas où le projet ne se concrétise pas.
L'Agence peut également s'adresser à toute autorité publique qui tient un registre des biens immobiliers inoccupés pour obtenir de telles données.]2
[1 § 3. L'Agence assure la préparation, la conception et l'exécution de la politique.]1
[2 L'Agence est responsable du traitement des données pour toutes ces missions.]2
Elle peut octroyer des subventions en relation avec ses missions.
§ 2. Dans le cadre des missions visées au § 1er, l'Agence exerce les compétences suivantes :
1° l'octroi de l'aide matérielle aux bénéficiaires de l'accueil au sein des structures d'accueil communautaires qu'elle gère;
2° le contrôle de l'exécution des conventions relatives à l'octroi de l'aide matérielle aux bénéficiaires de l'accueil avec les partenaires, conclues conformément à l'article 64;
3° la désignation, la modification et la suppression du lieu obligatoire d'inscription, conformément au Livre II;
4° l'organisation du paiement d'une allocation journalière et de la prestation de services communautaires conformément à l'article 34;
[2 5° la prise de contact avec les propriétaires de biens immobiliers inoccupés susceptibles d'être utilisés comme structures d'accueil, afin de pouvoir examiner avec eux l'éventualité d'une telle utilisation de leurs biens, lorsque l'ouverture de nouvelles structures d'accueil est envisagée.]2
[2 Pour exercer la compétence visée à l'alinéa 1er, 5°, l'Agence demande par écrit au SPF Finances de lui transmettre les noms, prénoms et adresses postales des propriétaires des biens qui sont visés dans cette disposition lorsque, dans le cadre d'une prospection, ces données lui sont inconnues. Le SPF Finances transmet ces données à l'Agence par voie sécurisée.
L'Agence conserve les données visées à l'alinéa 2 dix ans après la fin du contrat de location si la prospection mène à une utilisation du bien pour l'accomplissement de ses missions. Elle les conserve un an à compter du dernier contact avec le propriétaire du bien dans le cas où le projet ne se concrétise pas.
L'Agence peut également s'adresser à toute autorité publique qui tient un registre des biens immobiliers inoccupés pour obtenir de telles données.]2
[1 § 3. L'Agence assure la préparation, la conception et l'exécution de la politique.]1
Art. 57. Overeenkomstig artikel 43 ziet het Agentschap toe op het verzekeren van de continuïteit van de opvang bij de overschakeling van de materiële hulp die aan de asielzoeker verleend wordt naar de maatschappelijke dienstverlening die door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wordt verstrekt.
Art. 57. Conformément à l'article 43, l'Agence veille à assurer la continuité de l'accueil lors de la transition de l'aide matérielle octroyée au demandeur d'asile vers l'aide sociale octroyée par les centres publics d'action sociale.
Art. 58. [1 Onverminderd het bepaalde in de artikelen 6 en 6/1]1 is het Agentschap belast met de coördinatie van de vrijwillige terugkeer, zowel van de begunstigden van de opvang als van andere vreemdelingen.
Art. 58. [1 Sans préjudice des dispositions des articles 6 et 6/1, l'Agence est chargée de]1 la coordination du retour volontaire, tant des bénéficiaires de l'accueil que des autres étrangers.
Wijzigingen
Art. 59. Het Agentschap is belast met de toekenning van de materiële hulp aan niet-begeleide minderjarigen in het kader van de observatie- en oriënteringsfase.
Art. 59. L'Agence est chargée de l'octroi de l'aide matérielle aux mineurs non accompagnés dans le cadre de la phase d'observation et d'orientation.
Art. 60. Het Agentschap is belast met de toekenning van de materiële hulp aan minderjarigen die illegaal met hun ouders op het grondgebied verblijven en van wie de staat van behoeftigheid door een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is vastgesteld, wanneer de ouders niet in staat zijn om hun onderhoudsplicht na te komen.
[1 Deze materiële hulp wordt toegekend binnen de collectieve opvangstructuren die worden beheerd door het Agentschap of een partner waarmee het Agentschap een specifieke conventie heeft afgesloten voor de opvang van de in het eerste lid bedoelde minderjarigen.]1
De Koning bepaalt de nadere regels van de toekenning van deze materiële hulp.
[1 Deze materiële hulp wordt toegekend binnen de collectieve opvangstructuren die worden beheerd door het Agentschap of een partner waarmee het Agentschap een specifieke conventie heeft afgesloten voor de opvang van de in het eerste lid bedoelde minderjarigen.]1
De Koning bepaalt de nadere regels van de toekenning van deze materiële hulp.
Art. 60. L'Agence est chargée de l'octroi de l'aide matérielle aux mineurs séjournant avec leurs parents illégalement sur le territoire et dont l'état de besoin a été constaté par un centre public d'action sociale, lorsque les parents ne sont pas en mesure d'assumer leur devoir d'entretien.
[1 Cette aide matérielle est octroyée dans les structures d'accueil communautaires gérées par l'Agence ou un partenaire avec lequel l'Agence a conclu une convention spécifique pour l'accueil des mineurs visés à l'alinéa 1er.]1
Le Roi détermine les modalités d'octroi de cette aide matérielle.
[1 Cette aide matérielle est octroyée dans les structures d'accueil communautaires gérées par l'Agence ou un partenaire avec lequel l'Agence a conclu une convention spécifique pour l'accueil des mineurs visés à l'alinéa 1er.]1
Le Roi détermine les modalités d'octroi de cette aide matérielle.
Wijzigingen
Art. 61. Het Agentschap is de verantwoordelijke instantie voor het Europees Vluchtelingenfonds.
Art. 61. L'Agence est l'autorité responsable pour le Fonds européen des réfugiés.
TITEL II. - Partners en controle van de kwaliteit van de opvang.
TITRE II. - Des partenaires et du contrôle de la qualité de l'accueil.
Art. 62. Het Agentschap kan aan partners de taak toevertrouwen om aan begunstigden van de opvang materiële hulp te verstrekken zoals voorzien in deze wet. Deze partners zijn met name het Rode Kruis van België, de andere overheden, de openbare besturen en de verenigingen.
Met het oog hierop sluit het Agentschap overeenkomsten af.
Met het oog hierop sluit het Agentschap overeenkomsten af.
Art. 62. L'Agence peut confier à des partenaires la mission d'octroyer aux bénéficiaires de l'accueil le bénéfice de l'aide matérielle telle que décrite dans la présente loi. Ces partenaires sont notamment la Croix-Rouge de Belgique, les autres autorités, les pouvoirs publics et les associations.
A cette fin, l'Agence conclut des conventions.
A cette fin, l'Agence conclut des conventions.
Art. 63. Indien de overeenkomst zoals bedoeld in voorafgaand artikel niet is opgezegd en onder voorbehoud van andere reglementen of specifieke bepalingen in de overeenkomsten, hebben het Rode Kruis van België of de andere overheden, de openbare besturen en de verenigingen bedoeld in voorgaand artikel, bij het begin van elk kalenderjaar recht op de betaling van een voorschot ten bedrage van minstens een kwart van het bedrag waarop ze het vorige jaar recht hadden. Dit voorschot dient uiterlijk op 31 maart betaald te zijn.
Art. 63. Au début de chaque année civile, si la convention visée à l'article précédent n'est pas dénoncée et sous réserve d'autres réglementations ou dispositions spécifiques conventionnelles, la Croix-Rouge de Belgique ou les autres autorités, pouvoirs publics et associations visés à l'article précédent, ont droit au paiement d'une avance correspondant au moins au quart du montant auquel ils ont eu droit l'année précédente. Cette avance sera payée au plus tard le 31 mars.
Art. 64. De openbare centra voor maatschappelijk welzijn kunnen individuele of collectieve opvangstructuren organiseren om materiële hulp te verlenen aan de begunstigde van de opvang. Deze opvangstructuren, genaamd lokale opvanginitiatieven, maken het voorwerp uit van een overeenkomst tussen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en het Agentschap.
De Koning bepaalt het kader voor de oprichting van een lokaal opvanginitiatief, evenals de nadere regels van de subsidiëring door het Agentschap.
De Koning bepaalt het kader voor de oprichting van een lokaal opvanginitiatief, evenals de nadere regels van de subsidiëring door het Agentschap.
Art. 64. Des structures d'accueil communautaires ou individuelles peuvent être organisées par les centres publics d'action sociale, en vue d'y octroyer l'aide matérielle au bénéficiaire de l'accueil. Ces structures d'accueil, désignées initiatives locales d'accueil, font l'objet d'une convention conclue entre le centre public d'action sociale et l'Agence.
Le Roi définit le cadre relatif à la création d'une initiative locale d'accueil ainsi que les modalités de subvention par l'Agence.
Le Roi définit le cadre relatif à la création d'une initiative locale d'accueil ainsi que les modalités de subvention par l'Agence.
Art. 65. Het Agentschap organiseert een regelmatig overleg met de partners.
Art. 65. L'Agence organise une concertation régulière avec les partenaires.
BOEK V. - Slotbepalingen.
LIVRE V. - DISPOSITIONS FINALES.
TITEL I. - Overgangsbepalingen.
TITRE Ier. - Dispositions transitoires.
Art. 66. Voor de asielzoekers die hun asielaanvraag ingediend hebben vóór de inwerkingtreding van deze wet blijven de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, die van kracht waren de dag vóór de inwerkingtreding van onderhavige wet, van toepassing.
In afwijking van het eerste lid zijn de bepalingen van Boek III, uitgezonderd Titel II, de bepalingen van Boek IV en de artikelen 69 en 70 echter onmiddellijk van toepassing op de asielzoekers bedoeld in het vorig lid vanaf de inwerkingtreding van onderhavige wet.
In afwijking van het eerste lid zijn de bepalingen van Boek III, uitgezonderd Titel II, de bepalingen van Boek IV en de artikelen 69 en 70 echter onmiddellijk van toepassing op de asielzoekers bedoeld in het vorig lid vanaf de inwerkingtreding van onderhavige wet.
Art. 66. Pour les demandeurs d'asile ayant introduit leur demande d'asile avant l'entrée en vigueur de la présente loi, les dispositions de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers et de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale en vigueur le jour avant l'entrée en vigueur de la présente loi continuent à s'appliquer.
Par dérogation à l'alinéa 1er, sont toutefois directement applicables, dès l'entrée en vigueur de la présente loi, aux demandeurs d'asile visés à l'alinéa précédent, les dispositions du Livre III, à l'exception du Titre II, les dispositions du Livre IV et les articles 69 et 70 de la présente loi.
Par dérogation à l'alinéa 1er, sont toutefois directement applicables, dès l'entrée en vigueur de la présente loi, aux demandeurs d'asile visés à l'alinéa précédent, les dispositions du Livre III, à l'exception du Titre II, les dispositions du Livre IV et les articles 69 et 70 de la présente loi.
Art. 67. Een jaar na de inwerkingtreding van deze wet voert de regering een evaluatie uit met betrekking tot de toepassing ervan en brengt verslag uit bij de Wetgevende Kamers.
Art. 67. Un an après l'entrée en vigueur de la présente loi, le gouvernement procède à une évaluation de la loi et fait rapport aux Chambres législatives.
TITEL II. - Wijzigingsbepalingen.
TITRE II. - Dispositions modificatives.
Art. 68. In artikel 57, § 2, 2°, zesde lid van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn worden de woorden " een maand " vervangen door " de termijn welke vastgelegd is door artikel 7, 4°, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen. "
Art. 68. A l'article 57, § 2, 2°, alinéa 6, de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale, les mots " un mois " sont remplacés par " celui qui est fixé à l'article 7, 4°, de la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs d'asile et de certaines autres catégories d'étrangers ".
Art. 69. Artikel 57ter, eerste en tweede lid van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wordt als volgt gewijzigd :
" De maatschappelijke dienstverlening is niet door het centrum verschuldigd indien een vreemdeling die gehouden is zich in te schrijven in een welbepaalde plaats overeenkomstig artikel 11, § 1 van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen, materiële hulp ontvangt van een opvangstructuur die belast is met het verlenen van de noodzakelijke dienstverlening om een menswaardig leven te kunnen leiden.
In afwijking van artikel 57, § 1 kan een asielzoeker aan wie in toepassing van artikel 11, § 1 van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen als verplichte plaats van inschrijving een opvangstructuur is aangewezen die beheerd wordt door het Agentschap of één van zijn partners, slechts in deze opvangstructuur gebruik maken van de maatschappelijke dienstverlening overeenkomstig de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen. "
" De maatschappelijke dienstverlening is niet door het centrum verschuldigd indien een vreemdeling die gehouden is zich in te schrijven in een welbepaalde plaats overeenkomstig artikel 11, § 1 van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen, materiële hulp ontvangt van een opvangstructuur die belast is met het verlenen van de noodzakelijke dienstverlening om een menswaardig leven te kunnen leiden.
In afwijking van artikel 57, § 1 kan een asielzoeker aan wie in toepassing van artikel 11, § 1 van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen als verplichte plaats van inschrijving een opvangstructuur is aangewezen die beheerd wordt door het Agentschap of één van zijn partners, slechts in deze opvangstructuur gebruik maken van de maatschappelijke dienstverlening overeenkomstig de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen. "
Art. 69. L'article 57ter, alinéas 1er et 2, de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale est modifié comme suit :
" L'aide sociale n'est pas due par le centre lorsque l'étranger enjoint de s'inscrire en un lieu déterminé en application de l'article 11, § 1er, de la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs d'asile et de certaines autres catégories d'étrangers bénéficie de l'aide matérielle au sein d'une structure d'accueil chargée de lui assurer l'aide nécessaire pour mener une vie conforme à la dignité humaine.
Par dérogation à l'article 57, § 1er, le demandeur d'asile auquel a été désigné comme lieu obligatoire d'inscription en application de l'article 11, § 1er, de la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs d'asile et de certaines autres catégories d'étrangers, une structure d'accueil gérée par l'Agence ou par un partenaire de celle-ci ne peut obtenir l'aide sociale que dans cette structure d'accueil, conformément à la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs et de certaines autres catégories d'étrangers. ".
" L'aide sociale n'est pas due par le centre lorsque l'étranger enjoint de s'inscrire en un lieu déterminé en application de l'article 11, § 1er, de la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs d'asile et de certaines autres catégories d'étrangers bénéficie de l'aide matérielle au sein d'une structure d'accueil chargée de lui assurer l'aide nécessaire pour mener une vie conforme à la dignité humaine.
Par dérogation à l'article 57, § 1er, le demandeur d'asile auquel a été désigné comme lieu obligatoire d'inscription en application de l'article 11, § 1er, de la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs d'asile et de certaines autres catégories d'étrangers, une structure d'accueil gérée par l'Agence ou par un partenaire de celle-ci ne peut obtenir l'aide sociale que dans cette structure d'accueil, conformément à la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs et de certaines autres catégories d'étrangers. ".
TITEL III. - Opheffingsbepalingen.
TITRE III. - Dispositions abrogatoires.
Art. 70. Vanaf de inwerkingtreding van deze wet worden opgeheven in de programmawet van 19 juli 2001, gewijzigd bij de programmawetten van 22 december 2003 en 27 december 2004 :
1° artikel 60;
2° de artikelen 62 tot 64;
3° artikel 65, § 3.
1° artikel 60;
2° de artikelen 62 tot 64;
3° artikel 65, § 3.
Art. 70. Lors de l'entrée en vigueur de la présente loi sont abrogés dans la loi programme du 19 juillet 2001, modifié par les lois programmes du 22 décembre 2003 et 27 décembre 2004 :
1° l'article 60;
2° les articles 62 à 64;
3° l'article 65, § 3.
1° l'article 60;
2° les articles 62 à 64;
3° l'article 65, § 3.
Art. 71. Artikel 57ter, derde lid van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wordt opgeheven.
Art. 71. L'article 57ter, alinéa 3, de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale est abrogé.
Art. 72. Artikel 57ter 1, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wordt opgeheven.
Art. 72. L'article 57ter 1, de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale est abrogé.
Art. 73. Artikel 54, §§ 1 en 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wordt opgeheven.
Art. 73. L'article 54, §§ 1er et 3, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers est abrogé.
TITEL IV. - Inwerkingtreding.
TITRE IV. - Entrée en vigueur.
Art. 74. De Koning bepaalt de datum van de inwerkingtreding van de bepalingen van deze wet.
(NOTE : Inwerkingtreding van artikelen 1 tot 2, 3 tot 5, 14 tot 27, 29 tot 54, 55 tot 65, 66 tot 67, 70 tot 71 en 74, vastgesteld op 07-05-2007 bij KB 2007-04-09/43, art. 1)
(NOTE : Inwerkingtreding van artikelen 6 tot 8, 9 tot 13, 28, 68 tot 69 en 72 tot 73, vastgesteld op 01-06-2007 bij KB 2007-04-09/43, art. 2)
(NOTE : Inwerkingtreding van artikelen 1 tot 2, 3 tot 5, 14 tot 27, 29 tot 54, 55 tot 65, 66 tot 67, 70 tot 71 en 74, vastgesteld op 07-05-2007 bij KB 2007-04-09/43, art. 1)
(NOTE : Inwerkingtreding van artikelen 6 tot 8, 9 tot 13, 28, 68 tot 69 en 72 tot 73, vastgesteld op 01-06-2007 bij KB 2007-04-09/43, art. 2)
Art. 74. Le Roi détermine la date d'entrée en vigueur des dispositions de la présente loi.
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 1 à 2, 3 à 5, 14 à 27, 29 à 54, 55 à 65, 66 à 67, 70 à 71 et 74, fixée au 07-05-2007 par AR 2007-04-09/43, art. 1)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 6 à 8, 9 à 13, 28, 68 à 69 et 72 à 73, fixée au 01-06-2007 par AR 2007-04-09/43, art. 2)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 1 à 2, 3 à 5, 14 à 27, 29 à 54, 55 à 65, 66 à 67, 70 à 71 et 74, fixée au 07-05-2007 par AR 2007-04-09/43, art. 1)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 6 à 8, 9 à 13, 28, 68 à 69 et 72 à 73, fixée au 01-06-2007 par AR 2007-04-09/43, art. 2)