Artikel 1. In het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, wordt een artikel 36ter ingevoegd :
" Art 36ter. § 1. De werkzoekende die bij de aanvang van de opleiding niet voldoet aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden van dit hoofdstuk, of niet gerechtigd isop uitkeringen ingevolge de toepassing van de artikelen 51 tot 53bis, 59bis tot 59decies en 80 tot 88, kan toegelaten worden tot het recht op opleidingsuitkeringen tijdens de duur van de individuele beroepsopleiding in een onderneming, bedoeld bij artikel 27, 6°.
De opleidingsuitkering kan slechts toegekend worden indien de navermelde voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn :
1° de opleiding is minstens halftijds;
2° de werkzoekende is bij de aanvang van de opleiding, ingeschreven als niet-werkende werkzoekende bij een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
3° de werkzoekende is bij de aanvang van de opleiding niet in het bezit van een diploma of een getuigschrift van het hoger onderwijs, behalve indien hij op dit tijdstip de leeftijd van 45 jaar bereikt heeft;
4° de werkzoekende voegt maandelijks een getuigschrift van aanwezigheid in de opleiding bij zijn controlekaart;
5° de werkzoekende van vreemde nationaliteit voldoet aan artikel 43.
De opleidingsuitkering kan niet toegekend worden :
1° voor de periode tijdens dewelke niet voldaan wordt aan de toekenningsvoorwaarden bedoeld in hoofdstuk III; hierbij wordt evenwel geen rekening gehouden met de uitsluiting van het recht op uitkeringen in toepassing van de artikelen 51 tot 53bis, 59bis tot 59decies en 80 tot 88;
2° voor de dagen waarop de werkzoekende volgens het getuigschrift ongewettigd afwezig is.
§ 2. De opleidingsuitkering wordt voor de toepassing van dit besluit, met uitzondering van de artikelen 38, § 1, eerste lid, 1°, 42 en 131, gelijkgesteld met een wachtuitkering.
§ 3. In geval van voltijdse beroepsopleiding, wordt de opleidingsuitkering toegekend overeenkomstig het uitkeringsstelsel voorzien in artikel 100.
In geval van deeltijdse beroepsopleiding, wordt per week een aantal halve daguitkeringen toegekend dat gelijk is aan het resultaat van de vermenigvuldiging van 12 met de opleidingsbreuk.
Het bekomen resultaat wordt hetzij naar de hogere, hetzij naar de lagere eenheid afgerond, naargelang hij al dan niet 0,50 bereikt.
Het wekelijks uitkeringsstelsel wordt als volgt vastgesteld : te beginnen vanaf de maandag wordt er per dag, behalve voor de zondag, een halve uitkering toegekend; indien het totaal aantal vergoedbare halve dagen meer bedraagt dan zes, worden de overblijvende halve uitkeringen opnieuw toegekend vanaf de maandag van dezelfde week.
In afwijking van de artikelen 44, 45 en 46, 48, 49, 74bis, 109, 130 en 130bis leidt arbeid of inkomen niet tot de vermindering van het aantal uitkeringen of tot de verlaging van het dagbedrag van de uitkering. "
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
13 MAART 2006. - Koninklijk besluit tot invoeging van de artikelen 36ter, 36quater, 36quinquies en 36sexies in het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.
Titre
13 MARS 2006. - Arrêté royal insérant les articles 36ter, 36quater, 36quinquies et 36sexies dans l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage.
Documentinformatie
Info du document
Tekst (8)
Texte (8)
Article 1. A l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage il est inséré un article 36ter :
" Art. 36ter. § 1er Le demandeur d'emploi qui, à la date à laquelle débute la formation, ne satisfait pas aux conditions d'admissibilité de ce chapitre, ou qui n'a pas droit aux allocations suite à l'application des articles 51 à 53bis, 59bis à 59decies et 80 à 88, peut être admis au droit aux allocations de formation pendant la durée de la formation professionnelle individuelle en entreprise visée à l'article 27, 6°.
L'allocation de formation peut être accordée s'il est simultanément satisfait aux conditions suivantes :
1° il s'agit d'une formation au moins à mi-temps;
2° le demandeur d'emploi est, à la date à laquelle débute la formation, inscrit comme demandeur d'emploi inoccupé auprès d'un service régional de l'emploi;
3° le demandeur d'emploi n'est pas, à la date à laquelle débute la formation, détenteur d'un diplôme ou d'un certificat de l'enseignement supérieur, à moins qu'il ne soit, à ce moment, âgé d'au moins 45 ans;
4° le demandeur d'emploi joint mensuellement à sa carte de contrôle une attestation de présence à la formation;
5° le demandeur d'emploi de nationalité étrangère satisfait à l'article 43.
L'allocation de formation ne peut pas être accordée :
1° pour la période durant laquelle il n'est pas satisfait aux conditions d'octroi visées au chapitre III, sans qu'il ne soit toutefois tenu compte de l'exclusion du droit aux allocations en application des articles 51 à 53bis, 59bis à 59decies et 80 à 88;
2° pour les jours au cours desquels le demandeur d'emploi est, suivant l'attestation, absent sans justification.
§ 2. L'allocation de formation est, pour l'application de cet arrêté à l'exception des articles 38, § 1er, alinéa 1er, 1°, 42 et 131, assimilée à une allocation d'attente.
§ 3. En cas de formation professionnelle à temps plein, l'allocation de formation est accordée conformément au régime d'indemnisation prévu à l'article 100.
En cas de formation professionnelle à temps partiel, est accordé, par semaine, un nombre de demi-allocations journalières qui correspond au résultat obtenu en multipliant la fraction de formation par 12.
Le résultat obtenu est arrondi soit à l'unité supérieure, soit à l'unité inférieure selon qu'il atteint ou non 0,50.
Le régime d'indemnisation hebdomadaire est fixé comme suit : il est accordé une demi-allocation par jour à partir du lundi, sauf pour le dimanche, si le nombre total de demi-journées indemnisables est supérieur à six, les demi-allocations excédentaires sont à nouveau accordées à partir du lundi de la même semaine.
Par dérogation aux articles 44, 45 et 46, 48, 49, 74bis, 109, 130 et 130bis, une période de travail ou un revenu n'entraîne pas la diminution du nombre d'allocations ou la réduction du montant journalier de l'allocation. "
" Art. 36ter. § 1er Le demandeur d'emploi qui, à la date à laquelle débute la formation, ne satisfait pas aux conditions d'admissibilité de ce chapitre, ou qui n'a pas droit aux allocations suite à l'application des articles 51 à 53bis, 59bis à 59decies et 80 à 88, peut être admis au droit aux allocations de formation pendant la durée de la formation professionnelle individuelle en entreprise visée à l'article 27, 6°.
L'allocation de formation peut être accordée s'il est simultanément satisfait aux conditions suivantes :
1° il s'agit d'une formation au moins à mi-temps;
2° le demandeur d'emploi est, à la date à laquelle débute la formation, inscrit comme demandeur d'emploi inoccupé auprès d'un service régional de l'emploi;
3° le demandeur d'emploi n'est pas, à la date à laquelle débute la formation, détenteur d'un diplôme ou d'un certificat de l'enseignement supérieur, à moins qu'il ne soit, à ce moment, âgé d'au moins 45 ans;
4° le demandeur d'emploi joint mensuellement à sa carte de contrôle une attestation de présence à la formation;
5° le demandeur d'emploi de nationalité étrangère satisfait à l'article 43.
L'allocation de formation ne peut pas être accordée :
1° pour la période durant laquelle il n'est pas satisfait aux conditions d'octroi visées au chapitre III, sans qu'il ne soit toutefois tenu compte de l'exclusion du droit aux allocations en application des articles 51 à 53bis, 59bis à 59decies et 80 à 88;
2° pour les jours au cours desquels le demandeur d'emploi est, suivant l'attestation, absent sans justification.
§ 2. L'allocation de formation est, pour l'application de cet arrêté à l'exception des articles 38, § 1er, alinéa 1er, 1°, 42 et 131, assimilée à une allocation d'attente.
§ 3. En cas de formation professionnelle à temps plein, l'allocation de formation est accordée conformément au régime d'indemnisation prévu à l'article 100.
En cas de formation professionnelle à temps partiel, est accordé, par semaine, un nombre de demi-allocations journalières qui correspond au résultat obtenu en multipliant la fraction de formation par 12.
Le résultat obtenu est arrondi soit à l'unité supérieure, soit à l'unité inférieure selon qu'il atteint ou non 0,50.
Le régime d'indemnisation hebdomadaire est fixé comme suit : il est accordé une demi-allocation par jour à partir du lundi, sauf pour le dimanche, si le nombre total de demi-journées indemnisables est supérieur à six, les demi-allocations excédentaires sont à nouveau accordées à partir du lundi de la même semaine.
Par dérogation aux articles 44, 45 et 46, 48, 49, 74bis, 109, 130 et 130bis, une période de travail ou un revenu n'entraîne pas la diminution du nombre d'allocations ou la réduction du montant journalier de l'allocation. "
Art. 2. In hetzelfde koninklijk besluit wordt een artikel 36quater ingevoegd :
" Art. 36quater. § 1. Kan toegelaten worden tot het recht op stage-uitkeringen tijdens de duur van de instapstage in een onderneming :
1° de jonge werknemer die bij een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling ingeschreven is als niet-werkend werkzoekende in toepassing van artikel 36, § 1, eerste lid, 4° en die bij de aanvang van de instapstage niet voldoet aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden van dit hoofdstuk, zelfs indien hij niet voldoet aan de vereisten inzake rechtopenende studies, voorzien in artikel 36, § 1, eerste lid, 2°;
2° de volledig werkloze die een beroepsopleiding van minstens 400 uren heeft gevolgd binnen de periode van negen maanden voor de instapstage, op voorwaarde dat de instapstage start binnen de periode van vier maanden na het einde van de beroepsopleiding.
De stage-uitkering kan slechts toegekend worden aan de jonge werknemer bedoeld in het eerste lid, 1°, indien de navermelde voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn :
1° de jonge werknemer heeft ten hoogste een van de volgende diploma's of studiebewijzen :
a) algemeen secundair onderwijs van de eerste graad;
b) technisch secundair of kunstsecundair onderwijs van de derde graad;
c) het eerste jaar van de vierde graad van het beroepssecundair onderwijs;
d) middenstandsopleiding;
e) deeltijds technisch- of beroepssecundair onderwijs;
f) buitengewoon secundair onderwijs;
g) secundair alternerend technisch- of beroepsonderwijs;
2° de instapstage neemt een aanvang tijdens de wachttijd als schoolverlater, bedoeld in artikel 36, § 1, eerste lid, 4°.
De stage-uitkering kan slechts toegekend worden indien de navermelde voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn :
1° de instapstage is minstens halftijds en voorziet een duurtijd van 2 maanden;
2° de instapstage wordt geregeld door een overeenkomst afgesloten door de jonge werknemer, de onderneming en de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding; deze overeenkomst voorziet een regeling gelijkaardig aan deze voorzien in geval van individuele beroepsopleiding in een onderneming, zoals bedoeld in artikel 27, 6°, en voorziet dat de onderneming verplicht is om de jonge werknemer onmiddellijk na het einde van de instapstage in dienst te nemen met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. Onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende het beëindigen van de arbeidsovereenkomsten wegens een dringende reden, mag de werkgever deze arbeidsovereenkomst slechts beëindigen ten vroegste na verloop van twee maanden;
3° de jonge werknemer voegt maandelijks een getuigschrift van aanwezigheid in de instapstage bij zijn controlekaart;
4° de jonge werknemer van vreemde nationaliteit voldoet aan artikel 43.
De stage-uitkering kan niet toegekend worden :
1° voor de periode tijdens dewelke niet voldaan wordt aan de toekenningsvoorwaarden bedoeld in hoofdstuk III; hierbij wordt evenwel geen rekening gehouden met de uitsluiting van het recht op uitkeringen in toepassing van de artikelen 51 tot 53bis;
2° voor de dagen waarop de jonge werknemer volgens het getuigschrift ongewettigd afwezig is.
§ 2. De stage-uitkering wordt voor de toepassing van dit besluit, met uitzondering van de artikelen 38, § 1, eerste lid, 1°, 42 en 131, gelijkgesteld met een wachtuitkering.
§ 3. In geval van voltijdse instapstage, wordt de stage-uitkering toegekend overeenkomstig het uitkeringsstelsel voorzien in artikel 100.
In geval van deeltijdse instapstage, wordt per week een aantal halve daguitkeringen toegekend dat gelijk is aan het resultaat van de vermenigvuldiging van 12 met de opleidingsbreuk.
Het bekomen resultaat wordt hetzij naar de hogere, hetzij naar de lagere eenheid afgerond, naargelang hij al dan niet 0,50 bereikt.
Het wekelijks uitkeringsstelsel wordt als volgt vastgesteld : te beginnen vanaf de maandag wordt er per dag, behalve voor de zondag, een halve uitkering toegekend; indien het totaal aantal vergoedbare halve dagen meer bedraagt dan zes, worden de overblijvende halve uitkeringen opnieuw toegekend vanaf de maandag van dezelfde week.
In afwijking van de artikelen 44, 45 en 46, 48, 49, 74bis, 109, 130 en 130bis leidt arbeid of inkomen niet tot de vermindering van het aantal uitkeringen of tot de verlaging van het dagbedrag van de uitkering. "
§ 4. In afwijking van de § 2 blijft de volledig werkloze bedoeld in § 1, eerste lid, 2°, indien hij bij de aanvang van de instapstage, gerechtigd is op werkloosheids- of wachtuitkeringen overeenkomstig artikel 100, evenwel verder gerechtigd op werkloosheids- of wachtuitkeringen. De bepalingen van § " zijn in dat geval niet toepasselijk. "
" Art. 36quater. § 1. Kan toegelaten worden tot het recht op stage-uitkeringen tijdens de duur van de instapstage in een onderneming :
1° de jonge werknemer die bij een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling ingeschreven is als niet-werkend werkzoekende in toepassing van artikel 36, § 1, eerste lid, 4° en die bij de aanvang van de instapstage niet voldoet aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden van dit hoofdstuk, zelfs indien hij niet voldoet aan de vereisten inzake rechtopenende studies, voorzien in artikel 36, § 1, eerste lid, 2°;
2° de volledig werkloze die een beroepsopleiding van minstens 400 uren heeft gevolgd binnen de periode van negen maanden voor de instapstage, op voorwaarde dat de instapstage start binnen de periode van vier maanden na het einde van de beroepsopleiding.
De stage-uitkering kan slechts toegekend worden aan de jonge werknemer bedoeld in het eerste lid, 1°, indien de navermelde voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn :
1° de jonge werknemer heeft ten hoogste een van de volgende diploma's of studiebewijzen :
a) algemeen secundair onderwijs van de eerste graad;
b) technisch secundair of kunstsecundair onderwijs van de derde graad;
c) het eerste jaar van de vierde graad van het beroepssecundair onderwijs;
d) middenstandsopleiding;
e) deeltijds technisch- of beroepssecundair onderwijs;
f) buitengewoon secundair onderwijs;
g) secundair alternerend technisch- of beroepsonderwijs;
2° de instapstage neemt een aanvang tijdens de wachttijd als schoolverlater, bedoeld in artikel 36, § 1, eerste lid, 4°.
De stage-uitkering kan slechts toegekend worden indien de navermelde voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn :
1° de instapstage is minstens halftijds en voorziet een duurtijd van 2 maanden;
2° de instapstage wordt geregeld door een overeenkomst afgesloten door de jonge werknemer, de onderneming en de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding; deze overeenkomst voorziet een regeling gelijkaardig aan deze voorzien in geval van individuele beroepsopleiding in een onderneming, zoals bedoeld in artikel 27, 6°, en voorziet dat de onderneming verplicht is om de jonge werknemer onmiddellijk na het einde van de instapstage in dienst te nemen met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. Onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende het beëindigen van de arbeidsovereenkomsten wegens een dringende reden, mag de werkgever deze arbeidsovereenkomst slechts beëindigen ten vroegste na verloop van twee maanden;
3° de jonge werknemer voegt maandelijks een getuigschrift van aanwezigheid in de instapstage bij zijn controlekaart;
4° de jonge werknemer van vreemde nationaliteit voldoet aan artikel 43.
De stage-uitkering kan niet toegekend worden :
1° voor de periode tijdens dewelke niet voldaan wordt aan de toekenningsvoorwaarden bedoeld in hoofdstuk III; hierbij wordt evenwel geen rekening gehouden met de uitsluiting van het recht op uitkeringen in toepassing van de artikelen 51 tot 53bis;
2° voor de dagen waarop de jonge werknemer volgens het getuigschrift ongewettigd afwezig is.
§ 2. De stage-uitkering wordt voor de toepassing van dit besluit, met uitzondering van de artikelen 38, § 1, eerste lid, 1°, 42 en 131, gelijkgesteld met een wachtuitkering.
§ 3. In geval van voltijdse instapstage, wordt de stage-uitkering toegekend overeenkomstig het uitkeringsstelsel voorzien in artikel 100.
In geval van deeltijdse instapstage, wordt per week een aantal halve daguitkeringen toegekend dat gelijk is aan het resultaat van de vermenigvuldiging van 12 met de opleidingsbreuk.
Het bekomen resultaat wordt hetzij naar de hogere, hetzij naar de lagere eenheid afgerond, naargelang hij al dan niet 0,50 bereikt.
Het wekelijks uitkeringsstelsel wordt als volgt vastgesteld : te beginnen vanaf de maandag wordt er per dag, behalve voor de zondag, een halve uitkering toegekend; indien het totaal aantal vergoedbare halve dagen meer bedraagt dan zes, worden de overblijvende halve uitkeringen opnieuw toegekend vanaf de maandag van dezelfde week.
In afwijking van de artikelen 44, 45 en 46, 48, 49, 74bis, 109, 130 en 130bis leidt arbeid of inkomen niet tot de vermindering van het aantal uitkeringen of tot de verlaging van het dagbedrag van de uitkering. "
§ 4. In afwijking van de § 2 blijft de volledig werkloze bedoeld in § 1, eerste lid, 2°, indien hij bij de aanvang van de instapstage, gerechtigd is op werkloosheids- of wachtuitkeringen overeenkomstig artikel 100, evenwel verder gerechtigd op werkloosheids- of wachtuitkeringen. De bepalingen van § " zijn in dat geval niet toepasselijk. "
Art. 2. Dans le même arrêté royal il est inséré un article 36quater :
" Art. 36quater. § 1er. Peut être admis au droit aux allocations de stage pendant la durée du stage d'insertion en entreprise :
1° le jeune travailleur qui est inscrit auprès d'un service régional de l'emploi comme demandeur d'emploi inoccupé en application de article 36, § 1er, alinéa 1er, 4°, et qui à la date à laquelle débute le stage d'insertion, ne satisfait pas aux conditions d'admissibilité du présent chapitre, même s'il ne satisfait pas aux conditions en matière d'études ouvrant le droit, prévues à l'article 36, § 1er, alinéa 1er, 2°;
2° le chômeur complet qui a suivi une formation professionnelle d'au moins 400 heures dans la période de neuf mois précédant le stage d'insertion, pour autant que le stage d'insertion prenne cours dans la période de quatre mois qui suit la fin de la formation professionnelle.
L'allocation de stage ne peut être accordée au jeune travailleur visé à l'alinéa 1er, 1° que s'il est satisfait simultanément aux conditions suivantes :
1° le jeune travailleur est au maximum titulaire d'un des diplômes ou titres suivants :
a) enseignement secondaire général du premier degré;
b) enseignement secondaire technique ou artistique du troisième degré;
c) la première année du quatrième degré de l'enseignement secondaire professionnel;
d) formation des classes moyennes;
e) enseignement secondaire technique ou professionnel à temps partiel;
f) enseignement secondaire spécial;
g) enseignement secondaire technique ou professionnel en alternance;
2° le stage d'insertion prend cours pendant la période d'attente comme ex-étudiant, visée à l'article 36, § 1er, alinéa 1er, 4°.
L'allocation de stage ne peut être accordée que s'il est satisfait simultanément aux conditions suivantes :
1° le stage d'insertion est au moins à mi-temps et prévoit une durée de 2 mois;
2° le stage d'insertion est réglé par un contrat conclu par le jeune travailleur, l'entreprise et le service régional de l'emploi et de la formation professionnelle; ce contrat prévoit un régime similaire au régime prévu en cas de formation professionnelle individuelle en entreprise visée à l'article 27, 6° et prévoit que l'entreprise est tenue d'engager le jeune travailleur, immédiatement après la fin du stage d'insertion, dans les liens d'un contrat de travail à durée indéterminée. Sans préjudice des dispositions légales relatives à la rupture du contrat de travail pour motif grave, l'employeur ne peut, au plus tôt, mettre fin à ce contrat qu'après deux mois;
3° le jeune travailleur joint mensuellement à sa carte de contrôle une attestation de présence au stage d'insertion;
4° le jeune travailleur de nationalité étrangère satisfait à l'article 43.
L'allocation de stage ne peut pas être accordée :
1° pour la période pendant laquelle il n'est pas satisfait aux conditions d'octroi visées au chapitre III, sans qu'il soit toutefois tenu compte de l'exclusion du droit aux allocations en application des articles 51 à 53bis ;
2° pour les jours au cours desquels le jeune travailleur est, suivant l'attestation, absent sans justification.
§ 2. L'allocation de stage est assimilée à une allocation d'attente pour l'application du présent arrêté, à l'exception des articles 38, § 1er, alinéa 1er, 1°, 42 et 131.
§ 3. En cas de stage d'insertion à temps plein, l'allocation de stage est accordée conformément au régime d'indemnisation prévu à l'article 100.
En cas de stage d'insertion à temps partiel, il est accordé, par semaine, un nombre de demi-allocations journalières qui est égal au résultat obtenu en multipliant la fraction de formation par 12.
Le résultat obtenu est arrondi soit à l'unité supérieure, soit à l'unité inférieure selon qu'il atteint ou non 0,50.
Le régime hebdomadaire d'indemnisation est fixé comme suit : il est accordé une demi-allocation par jour à partir du lundi, sauf pour le dimanche; si le nombre total de demi-jours indemnisables est supérieur à six, les demi-allocations excédentaires sont à nouveau accordées à partir du lundi de la même semaine.
Par dérogation aux articles 44, 45 et 46, 48, 49, 74bis, 109, 130 et 130bis, une période de travail ou un revenu n'entraîne pas la diminution du nombre d'allocations ou la réduction du montant journalier de l'allocation. "
§ 4. Par dérogation au § 2 le chômeur complet visé au § 1er, alinéa 1er, 2°, reste cependant bénéficiaire d'allocations de chômage ou d'attente, s'il bénéficie des allocations de chômage ou d'attente, conformément à l'article 100, au début du stage d'insertion. les dispositions du § 3 ne sont, dans ce cas, pas applications. "
" Art. 36quater. § 1er. Peut être admis au droit aux allocations de stage pendant la durée du stage d'insertion en entreprise :
1° le jeune travailleur qui est inscrit auprès d'un service régional de l'emploi comme demandeur d'emploi inoccupé en application de article 36, § 1er, alinéa 1er, 4°, et qui à la date à laquelle débute le stage d'insertion, ne satisfait pas aux conditions d'admissibilité du présent chapitre, même s'il ne satisfait pas aux conditions en matière d'études ouvrant le droit, prévues à l'article 36, § 1er, alinéa 1er, 2°;
2° le chômeur complet qui a suivi une formation professionnelle d'au moins 400 heures dans la période de neuf mois précédant le stage d'insertion, pour autant que le stage d'insertion prenne cours dans la période de quatre mois qui suit la fin de la formation professionnelle.
L'allocation de stage ne peut être accordée au jeune travailleur visé à l'alinéa 1er, 1° que s'il est satisfait simultanément aux conditions suivantes :
1° le jeune travailleur est au maximum titulaire d'un des diplômes ou titres suivants :
a) enseignement secondaire général du premier degré;
b) enseignement secondaire technique ou artistique du troisième degré;
c) la première année du quatrième degré de l'enseignement secondaire professionnel;
d) formation des classes moyennes;
e) enseignement secondaire technique ou professionnel à temps partiel;
f) enseignement secondaire spécial;
g) enseignement secondaire technique ou professionnel en alternance;
2° le stage d'insertion prend cours pendant la période d'attente comme ex-étudiant, visée à l'article 36, § 1er, alinéa 1er, 4°.
L'allocation de stage ne peut être accordée que s'il est satisfait simultanément aux conditions suivantes :
1° le stage d'insertion est au moins à mi-temps et prévoit une durée de 2 mois;
2° le stage d'insertion est réglé par un contrat conclu par le jeune travailleur, l'entreprise et le service régional de l'emploi et de la formation professionnelle; ce contrat prévoit un régime similaire au régime prévu en cas de formation professionnelle individuelle en entreprise visée à l'article 27, 6° et prévoit que l'entreprise est tenue d'engager le jeune travailleur, immédiatement après la fin du stage d'insertion, dans les liens d'un contrat de travail à durée indéterminée. Sans préjudice des dispositions légales relatives à la rupture du contrat de travail pour motif grave, l'employeur ne peut, au plus tôt, mettre fin à ce contrat qu'après deux mois;
3° le jeune travailleur joint mensuellement à sa carte de contrôle une attestation de présence au stage d'insertion;
4° le jeune travailleur de nationalité étrangère satisfait à l'article 43.
L'allocation de stage ne peut pas être accordée :
1° pour la période pendant laquelle il n'est pas satisfait aux conditions d'octroi visées au chapitre III, sans qu'il soit toutefois tenu compte de l'exclusion du droit aux allocations en application des articles 51 à 53bis ;
2° pour les jours au cours desquels le jeune travailleur est, suivant l'attestation, absent sans justification.
§ 2. L'allocation de stage est assimilée à une allocation d'attente pour l'application du présent arrêté, à l'exception des articles 38, § 1er, alinéa 1er, 1°, 42 et 131.
§ 3. En cas de stage d'insertion à temps plein, l'allocation de stage est accordée conformément au régime d'indemnisation prévu à l'article 100.
En cas de stage d'insertion à temps partiel, il est accordé, par semaine, un nombre de demi-allocations journalières qui est égal au résultat obtenu en multipliant la fraction de formation par 12.
Le résultat obtenu est arrondi soit à l'unité supérieure, soit à l'unité inférieure selon qu'il atteint ou non 0,50.
Le régime hebdomadaire d'indemnisation est fixé comme suit : il est accordé une demi-allocation par jour à partir du lundi, sauf pour le dimanche; si le nombre total de demi-jours indemnisables est supérieur à six, les demi-allocations excédentaires sont à nouveau accordées à partir du lundi de la même semaine.
Par dérogation aux articles 44, 45 et 46, 48, 49, 74bis, 109, 130 et 130bis, une période de travail ou un revenu n'entraîne pas la diminution du nombre d'allocations ou la réduction du montant journalier de l'allocation. "
§ 4. Par dérogation au § 2 le chômeur complet visé au § 1er, alinéa 1er, 2°, reste cependant bénéficiaire d'allocations de chômage ou d'attente, s'il bénéficie des allocations de chômage ou d'attente, conformément à l'article 100, au début du stage d'insertion. les dispositions du § 3 ne sont, dans ce cas, pas applications. "
Art. 3. In hetzelfde besluit wordt een artikel 36quinquies ingevoegd :
" Art 36quinquies. Het voordeel voorzien bij artikel 36ter en het voordeel voorzien bij artikel 36quater kunnen niet gelijktijdig worden toegekend.
Noch het voordeel voorzien bij artikel 36ter, noch de vrijstelling voorzien bij artikel 91 kunnen worden toegekend voor een individuele opleiding in de onderneming waar de jongere voordien reeds een instapstage bedoeld in artikel 36quater heeft doorlopen.
Het voordeel voorzien bij artikel 36quater kan niet worden toegekend voor een stage bij de onderneming waar de jongere voordien reeds een individuele beroepsopleiding voorzien bij artikel 36ter, of bij artikel 91 heeft doorlopen.
Bij de toepassing van het tweede en het derde lid wordt evenwel geen rekening gehouden met gebeurtenissen die reeds ten minste 24 maanden beëindigd zijn. "
" Art 36quinquies. Het voordeel voorzien bij artikel 36ter en het voordeel voorzien bij artikel 36quater kunnen niet gelijktijdig worden toegekend.
Noch het voordeel voorzien bij artikel 36ter, noch de vrijstelling voorzien bij artikel 91 kunnen worden toegekend voor een individuele opleiding in de onderneming waar de jongere voordien reeds een instapstage bedoeld in artikel 36quater heeft doorlopen.
Het voordeel voorzien bij artikel 36quater kan niet worden toegekend voor een stage bij de onderneming waar de jongere voordien reeds een individuele beroepsopleiding voorzien bij artikel 36ter, of bij artikel 91 heeft doorlopen.
Bij de toepassing van het tweede en het derde lid wordt evenwel geen rekening gehouden met gebeurtenissen die reeds ten minste 24 maanden beëindigd zijn. "
Art. 3. Dans le même arrêté il est inséré un article 36quinquies :
" Art. 36quinquies. L'avantage prévu à l'article 36ter et l'avantage prévu à l'article 36quater ne peuvent pas être octroyés simultanément.
Ni l'avantage prévu à l'article 36ter, ni la dispense prévue à l'article 91 ne peuvent être octroyés pour une formation individuelle dans l'entreprise où le jeune a déjà effectué antérieurement un stage d'insertion visé à l'article 36quater.
L'avantage prévu à l'article 36quater ne peut pas être octroyé pour un stage dans l'entreprise où le jeune a déjà suivi antérieurement une formation professionnelle individuelle prévue à l'article 36ter ou à l'article 91.
En cas d'application de l'alinéa 2 et de l'alinéa 3, il n'est toutefois pas tenu compte des événements qui ont pris fin depuis au moins 24 mois. "
" Art. 36quinquies. L'avantage prévu à l'article 36ter et l'avantage prévu à l'article 36quater ne peuvent pas être octroyés simultanément.
Ni l'avantage prévu à l'article 36ter, ni la dispense prévue à l'article 91 ne peuvent être octroyés pour une formation individuelle dans l'entreprise où le jeune a déjà effectué antérieurement un stage d'insertion visé à l'article 36quater.
L'avantage prévu à l'article 36quater ne peut pas être octroyé pour un stage dans l'entreprise où le jeune a déjà suivi antérieurement une formation professionnelle individuelle prévue à l'article 36ter ou à l'article 91.
En cas d'application de l'alinéa 2 et de l'alinéa 3, il n'est toutefois pas tenu compte des événements qui ont pris fin depuis au moins 24 mois. "
Art. 4. In hetzelfde besluit wordt een artikel 36sexies ingevoegd :
" Art. 36sexies. § 1. De werkzoekende die bij de aanvang van de voorbereidingsperiode niet voldoet aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden van dit hoofdstuk, of niet gerechtigd is op uitkeringen ingevolge de toepassing van de artikelen 51 tot 53bis, 59bis tot 59decies en 80 tot 88, kan toegelaten worden tot het recht op vestigingsuitkeringen tijdens de duur van de periode waarin hij zich voorbereidt op de vestiging als zelfstandige, voorzover hij het bewijs levert dat hij begeleid wordt door het Participatiefonds.
De vestigingsuitkering kan slechts toegekend worden indien de navermelde voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn :
1° de werkzoekende is bij de aanvang van de voorbereidingsperiode jonger dan 30 jaar;
2° de werkzoekende is bij de aanvang van de voorbereidingsperiode ingeschreven als niet-werkende werkzoekende bij een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
3° de werkzoekende van vreemde nationaliteit voldoet aan artikel 43.
De vestigingsuitkering kan slechts toegekend worden voor een periode van ten hoogste 6 maanden, te rekenen van datum tot datum, vanaf de aanvang van de voorbereiding.
De vestigingsuitkering kan niet toegekend worden voor de periode tijdens dewelke niet voldaan wordt aan de toekenningsvoorwaarden bedoeld in hoofdstuk III; hierbij wordt evenwel geen rekening gehouden met de uitsluiting van het recht op uitkeringen in toepassing van de artikelen 51 tot 53bis, 59bis tot 59decies en 80 tot 88.
§ 2. De vestigingsuitkering wordt voor de toepassing van dit besluit, met uitzondering van de artikelen 38, § 1, eerste lid, 1°, 42 en 131, gelijkgesteld met een wachtuitkering. "
" Art. 36sexies. § 1. De werkzoekende die bij de aanvang van de voorbereidingsperiode niet voldoet aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden van dit hoofdstuk, of niet gerechtigd is op uitkeringen ingevolge de toepassing van de artikelen 51 tot 53bis, 59bis tot 59decies en 80 tot 88, kan toegelaten worden tot het recht op vestigingsuitkeringen tijdens de duur van de periode waarin hij zich voorbereidt op de vestiging als zelfstandige, voorzover hij het bewijs levert dat hij begeleid wordt door het Participatiefonds.
De vestigingsuitkering kan slechts toegekend worden indien de navermelde voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn :
1° de werkzoekende is bij de aanvang van de voorbereidingsperiode jonger dan 30 jaar;
2° de werkzoekende is bij de aanvang van de voorbereidingsperiode ingeschreven als niet-werkende werkzoekende bij een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
3° de werkzoekende van vreemde nationaliteit voldoet aan artikel 43.
De vestigingsuitkering kan slechts toegekend worden voor een periode van ten hoogste 6 maanden, te rekenen van datum tot datum, vanaf de aanvang van de voorbereiding.
De vestigingsuitkering kan niet toegekend worden voor de periode tijdens dewelke niet voldaan wordt aan de toekenningsvoorwaarden bedoeld in hoofdstuk III; hierbij wordt evenwel geen rekening gehouden met de uitsluiting van het recht op uitkeringen in toepassing van de artikelen 51 tot 53bis, 59bis tot 59decies en 80 tot 88.
§ 2. De vestigingsuitkering wordt voor de toepassing van dit besluit, met uitzondering van de artikelen 38, § 1, eerste lid, 1°, 42 en 131, gelijkgesteld met een wachtuitkering. "
Art. 4. Dans le même arrêté il est inséré un article 36sexies :
" Art. 36sexies. § 1er. Le demandeur d'emploi qui, à la date à laquelle débute la période préparatoire, ne satisfait pas aux conditions d'admissibilité de ce chapitre, ou qui n'a pas droit aux allocations suite à l'application des articles 51 à 53bis, 59bis à 59decies et 80 à 88, peut être admis au droit aux allocations d'établissement pendant la durée de la période au cours de laquelle il se prépare en vue de s'établir comme indépendant, pour autant qu'il fournisse la preuve qu'il bénéficie d'un accompagnement de la part du Fonds de Participation.
L'allocation d'établissement peut être accordée s'il est simultanément satisfait aux conditions suivantes :
1° le demandeur d'emploi n'a pas, à la date à laquelle débute la période préparatoire, atteint l'âge de 30 ans;
2° le demandeur d'emploi est, à la date à laquelle débute la période préparatoire, inscrit comme demandeur d'emploi inoccupé auprès d'un service régional de l'emploi;
3° le demandeur d'emploi de nationalité étrangère satisfait à l'article 43.
L'allocation d'établissement n'est accordée que pour une période maximale de 6 mois, calculée de date à date, à partir du début de la période préparatoire.
L'allocation d'établissement ne peut pas être accordée pour la période durant laquelle il n'est pas satisfait aux conditions d'octroi visées au chapitre III, sans qu'il ne soit toutefois tenu compte de l'exclusion du droit aux allocations en application des articles 51 à 53bis, 59bis à 59decies et 80 à 88.
§ 2. L'allocation d'établissement est, pour l'application de cet arrêté à l'exception des articles 38, § 1er, alinéa 1er, 1°, 42 et 131, assimilée à une allocation d'attente. ".
" Art. 36sexies. § 1er. Le demandeur d'emploi qui, à la date à laquelle débute la période préparatoire, ne satisfait pas aux conditions d'admissibilité de ce chapitre, ou qui n'a pas droit aux allocations suite à l'application des articles 51 à 53bis, 59bis à 59decies et 80 à 88, peut être admis au droit aux allocations d'établissement pendant la durée de la période au cours de laquelle il se prépare en vue de s'établir comme indépendant, pour autant qu'il fournisse la preuve qu'il bénéficie d'un accompagnement de la part du Fonds de Participation.
L'allocation d'établissement peut être accordée s'il est simultanément satisfait aux conditions suivantes :
1° le demandeur d'emploi n'a pas, à la date à laquelle débute la période préparatoire, atteint l'âge de 30 ans;
2° le demandeur d'emploi est, à la date à laquelle débute la période préparatoire, inscrit comme demandeur d'emploi inoccupé auprès d'un service régional de l'emploi;
3° le demandeur d'emploi de nationalité étrangère satisfait à l'article 43.
L'allocation d'établissement n'est accordée que pour une période maximale de 6 mois, calculée de date à date, à partir du début de la période préparatoire.
L'allocation d'établissement ne peut pas être accordée pour la période durant laquelle il n'est pas satisfait aux conditions d'octroi visées au chapitre III, sans qu'il ne soit toutefois tenu compte de l'exclusion du droit aux allocations en application des articles 51 à 53bis, 59bis à 59decies et 80 à 88.
§ 2. L'allocation d'établissement est, pour l'application de cet arrêté à l'exception des articles 38, § 1er, alinéa 1er, 1°, 42 et 131, assimilée à une allocation d'attente. ".
Art. 5. Artikel 46, § 3 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met een 4°, luidend als volgt :
" 4° het voordeel dat wordt toegekend door het Participatiefonds aan de werkloze die geniet van het voordeel bedoeld in artikel 36sexies of in artikel 45, vijfde lid. "
" 4° het voordeel dat wordt toegekend door het Participatiefonds aan de werkloze die geniet van het voordeel bedoeld in artikel 36sexies of in artikel 45, vijfde lid. "
Art. 5. L'article 46, § 3 du même arrêté, est complété d'un 4°, rédigé comme suit :
" 4° l'avantage octroyé par le Fonds de participation au chômeur qui bénéficie de l'avantage visé à l'article 36sexies ou à l'article 45, alinéa 5. "
" 4° l'avantage octroyé par le Fonds de participation au chômeur qui bénéficie de l'avantage visé à l'article 36sexies ou à l'article 45, alinéa 5. "
Art. 6. Artikel 18 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact treedt in werking op 1 april 2006.
Art. 6. L'article 18 de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations entre en vigueur le 1er avril 2006.
Art. 7. Dit besluit treedt in werking op 1 april 2006.
Art. 7. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er avril 2006.
Art. 8. Onze Minister van Werkgelegenheid is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 13 maart 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Werk,
P. VANVELTHOVEN.
Gegeven te Brussel, 13 maart 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Werk,
P. VANVELTHOVEN.
Art. 8. Notre Ministre de l'Emploi est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Bruxelles, le 13 mars 2006.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Emploi,
P. VANVELTHOVEN.
Donné à Bruxelles, le 13 mars 2006.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Emploi,
P. VANVELTHOVEN.