Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
22 DECEMBER 2006. - Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-12-2006 en tekstbijwerking tot 28-04-2021)
Titre
22 DECEMBRE 2006. - Décret contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2007. (Traduction) )(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 29-12-2006 et mise à jour au 28-04-2021)
Documentinformatie
Numac: 2006037088
Datum: 2006-12-22
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2006037088
Date: 2006-12-22
Moniteur: Voir
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Algemeen. HOOFDSTUK II. - Onderwijs. Afdeling I. - Basisonderwijs. Afdeling II. - Secundair onderwijs. Afdeling III. - Hogescholen. Afdeling IV. - Universiteiten. Afdeling V. - Postinitiële opleidingsinstellingen. Afdeling VI. - Recuperatiefonds Studietoelagen. Afdeling VII. - Recuperatiefonds van de wedden ... HOOFDSTUK III. - vzw ESF-Agentschap. HOOFDSTUK IV. - Jeugdbeleid. HOOFDSTUK V. - Sociaal-cultureel vormingswerk. HOOFDSTUK VI. - Fiscaliteit. Afdeling I. - Verhoging abattement. Afdeling II. - Belasting op de automatische ont... Afdeling III. - Leegstandsheffing Woningen. Afdeling IV. - Onroerende Voorheffing. HOOFDSTUK VII. - Leefmilieu. Afdeling I. - Watervang. Afdeling II. - Bekrachtiging van het besluit va... Afdeling III. - Oppervlaktewateren. Afdeling IV. - Water bestemd voor menselijke aa... Afdeling V. - Grondwaterbeheer. HOOFDSTUK VIII. - IVA VMM. HOOFDSTUK IX. - Grindfonds en grindwinning. HOOFDSTUK X. - Life-fonds. HOOFDSTUK XI. - Milieuheffingen. HOOFDSTUK XII. - Herstelfonds. HOOFDSTUK XIII. - Activering van het risicokapi... HOOFDSTUK XIV. - Fonds ter valorisatie van de G... HOOFDSTUK XV. - Vlaams Agentschap Ondernemen. HOOFDSTUK XVI. - Fonds ter Bevordering van de S... HOOFDSTUK XVII. - VRT. HOOFDSTUK XVIII. - Winwinlening. HOOFDSTUK XIX. - Vlaamse Wooncode. Afdeling I. - Conformiteitsattest. Afdeling II. - Financiering investeringsprogram... Afdeling III. - Huurdienst. Afdeling IV. - Erkende kredietmaatschappijen. HOOFDSTUK XX. - Wetenschap en Innovatie. Afdeling I. - Steunpunten voor beleidsrelevant ... Afdeling II. - Industriële onderzoeksfondsen. Afdeling III. - Bijkomende academiseringsmiddelen. Afdeling IV. - Odysseusfinanciering. Afdeling V. - Methusalemfinanciering. Afdeling VI. - Toegepast biomedisch onderzoek. Afdeling VII. - Herculesstichting. HOOFDSTUK XXI. - Schenking meubilair aan onderw... HOOFDSTUK XXII. - DAB Overheidspersoneel. HOOFDSTUK XXIII. - [1 DAB [2 Documentbeheer]2 V... HOOFDSTUK XXIV. HOOFDSTUK XXV. - Vlaams Provinciefonds. HOOFDSTUK XXVI. - Stadsvernieuwingsprojecten. HOOFDSTUK XXVII. - Eigen Vermogens. Afdeling I. - Instituut voor Natuur- en Bosonde... Afdeling II. - Instituut voor Landbouw- en Viss... Afdeling III. - Ondersteunend Centrum van het A... Afdeling IV. - Verpachting van de jachtrechten ... HOOFDSTUK XXVIII. - Fonds voor Landbouw en Viss... HOOFDSTUK XXIX. - Dagcentra voor palliatieve ve... HOOFDSTUK XXX. - Fonds voor de subsidiëring van... HOOFDSTUK XXXI. - Vlaams Agentschap voor Person... HOOFDSTUK XXXII. - Fondsen Personeelsleden met ... HOOFDSTUK XXXIII. - Toekomstfonds. HOOFDSTUK XXXIV. - Inwerkingtreding van Comptab... HOOFDSTUK XXXV. - Fonds Ontwikkelingssamenwerking. HOOFDSTUK XXXVI. - Bekrachtiging van de aanvaar... HOOFDSTUK XXXVII. - Wijziging van het decreet v... HOOFDSTUK XXXVIII. - Slotbepalingen.
Inhoud
CHAPITRE Ier. - Généralités. CHAPITRE II. - Enseignement. Section Ire. - Enseignement fondamental. Section II. - Enseignement secondaire. Section III. - Instituts supérieurs. Section IV. - Universités. Section V. - Etablissements d'enseignement post... Section VI. - Fonds de récupération Allocations... Section VII. - Fonds de récupération des traite... CHAPITRE III. - asbl " ESF-Agentschap " (Agence... CHAPITRE IV. - Politique de la Jeunesse. CHAPITRE V. - Animation socioculturelle. CHAPITRE VI. - Fiscalité. Section Ire. - Hausse de l'abattement. Section II. - Taxe sur les appareils automatiqu... Section III. - Taxe sur l'inoccupation d'habita... Section IV. - Précompte immobilier. CHAPITRE VII. - Environnement. Section Ire. - Prise d'eau. Section II. - Sanction de l'arrêté du Gouvernem... Section III. - Eaux de surface. Section IV. - Eaux destinées à la consommation ... Section V. - Gestion des eaux souterraines. CHAPITRE VIII. - AAI VMM. CHAPITRE IX. - Fonds gravier et exploitation de... CHAPITRE X. - Fonds " Life ". CHAPITRE XI. - Redevances écologiques. CHAPITRE XII. - Fonds de réparation. CHAPITRE XIII. - Activation du capital-risque e... CHAPITRE XIV. - Fonds pour la valorisation de l... CHAPITRE XV. - " Vlaams Agentschap Ondernemen "... CHAPITRE XVI. - Fonds de Promotion de l'Economi... CHAPITRE XVII. - VRT. CHAPITRE XVIII. - Prêt Gagnant-Gagnant. CHAPITRE XIX. - Code flamand du Logement. Section Ire. - Attestation de conformité. Section II. - Financement du programme d'invest... Section III. - Service locatif. Section IV. - Sociétés de crédits agréées. CHAPITRE XX. - Science et Innovation. Section Ire. - Centres de recherche politique. Section II. - Fonds de recherches industrielles. Section III. - Moyens d'académisation supplémen... Section IV. - L'" Odysseusfinanciering ". Section V. - Le " Methusalemfinanciering ". Section VI. - Recherche biomédicale appliquée. Section VII. - La " Herculesstichting ". CHAPITRE XXI. - Donation de mobilier aux réseau... CHAPITRE XXII. - Service à gestion séparée " Fo... CHAPITRE XXIII. [1 - DAB [2 Documentbeheer]2 Vl... CHAPITRE XXIV. CHAPITRE XXV. - Fonds flamand des Provinces. CHAPITRE XXVI. - Projets de rénovation urbaine. CHAPITRE XXVII. - Propres patrimoines. Section Ire. - " Instituut voor Natuur- en Boso... Section II. - " Instituut voor Landbouw- en Vis... Section III. - Centre d'appui de l'Agence de la... Section IV. - Affermage des droits de chasse de... CHAPITRE XXVIII. - Fonds pour l'Agriculture et ... CHAPITRE XXIX. - Centres de jour de soins palli... CHAPITRE XXX. - " Fonds voor de subsidiëring va... CHAPITRE XXXI. - Vlaams Agentschap voor Persone... CHAPITRE XXXII. - Fonds pour membres du personn... CHAPITRE XXXIII. - Fonds d'avenir. CHAPITRE XXXIV. - Entrée en vigueur du Décret s... CHAPITRE XXXV. - Fonds Coopération au développe... CHAPITRE XXXVI. - Ratification de l'acceptation... CHAPITRE XXXVII. - Modification du décret du 19... CHAPITRE XXXVIII. - Dispositions finales.
Tekst (171)
Texte (171)
HOOFDSTUK I. - Algemeen.
CHAPITRE Ier. - Généralités.
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.
Article 1. Le présent décret règle une matière communautaire et régionale.
HOOFDSTUK II. - Onderwijs.
CHAPITRE II. - Enseignement.
Afdeling I. - Basisonderwijs.
Section Ire. - Enseignement fondamental.
Art. 2. Aan het decreet basisonderwijs, gewijzigd bij de decreten van 14 juli 1998, 22 december 1999, 13 juli 2001, 10 juli 2003 en 7 juli 2006, wordt een artikel 82ter toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " Artikel 82ter. Teneinde de kosteloosheid voor het basisonderwijs, zoals bepaald in artikel 27, § 1, van dit decreet, te garanderen wordt het globale werkingsbudget van het gefinancierd en gesubsidieerd basisonderwijs vanaf 2007 verhoogd met 29,504 miljoen euro. De verdeling van deze middelen gebeurt pro rata van het aantal regelmatige leerlingen.
  Deze middelen worden niet in rekening gebracht om de verhouding tussen de netten zoals bepaald in artikel 83, § 2, te bepalen.
  Voor het begrotingsjaar 2007 wordt het aandeel van het gefinancierd basisonderwijs in deze middelen integraal opgenomen in de tweede schijf van de werkingsmiddelen 2007.
  Voor het gesubsidieerd basisonderwijs worden deze middelen integraal betaald via het saldo van de werkingsmiddelen 2007. ".
Art. 2. Au décret relatif à l'enseignement fondamental, modifié par les décrets des 14 juillet 1998, 22 décembre 1999, 13 juillet 2001, 10 juillet 2003 et 7 juillet 2006, est ajouté un article 82ter, rédigé comme suit :
  " Art. 82ter. Afin de garantir la gratuité de l'enseignement fondamental, tel qu'il est stipulé à l'article 27, § 1er, du présent décret, le budget de fonctionnement global de l'enseignement fondamental financé et subventionné est augmenté de 29,504 millions d'euros à partir de 2007. La répartition de ces moyens se fait au prorata du nombre d'élèves réguliers.
  Ces moyens ne sont pas pris en compte pour la détermination du rapport entre les réseaux tel que visé à l'article 83, § 2.
  Pour l'année budgétaire 2007, la quote-part de l'enseignement fondamental financé dans ces moyens est intégralement reprise dans la deuxième tranche des moyens de fonctionnement 2007.
  Pour ce qui est de l'enseignement fondamental subventionné, ces moyens sont intégralement payés par le solde des moyens de fonctionnement 2007. "
Art. 3. In artikel 83 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wordt § 2 vervangen door wat volgt :
  " § 2. Ongeacht de bepalingen van § 1 dient vanaf het begrotingsjaar 2007 het totale werkingsbudget per leerling van het gesubsidieerd basisonderwijs ten minste 75,8 % en maximaal 76,2 % van het overeenkomstig totale werkingsbudget per leerling van het gefinancierd basisonderwijs te bedragen.
  Het bereiken van deze verhouding gebeurt door te voorzien in een herverdeling van de vrijgekomen loonkost en/of het vrijgekomen werkingsbudget. ".
Art. 3. Dans l'article 83 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 2. Sans préjudice du § 1er, le budget de fonctionnement global par élève de l'enseignement fondamental subventionné doit, pour l'année budgétaire 2007, s'élever à 75,8 % au minimum et 76,2 % au maximum du budget de fonctionnement global correspondant par élève de l'enseignement fondamental financé.
  Ce rapport est obtenu en réalisant une réallocation des coûts salariaux dégagés et/ou du budget de fonctionnement dégagé. "
Afdeling II. - Secundair onderwijs.
Section II. - Enseignement secondaire.
Art. 4. In het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het opschrift van titel XIII wordt vervangen door wat volgt :
  " Bijzondere investeringen in instellingen voor technisch of beroepsonderwijs ";
  2° artikel 103 wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 103. § 1. De Vlaamse Regering kent tijdens de schooljaren 2006-2007 en 2007-2008 aan instellingen voor voltijds gewoon of buitengewoon technisch of beroepssecundair onderwijs extra middelen toe die bestemd zijn voor investeringen in basisuitrusting. Onder investeringen in basisuitrusting wordt de aankoop van uitrustingsgoederen of de beveiliging van bestaande uitrustingsgoederen verstaan.
  De structuuronderdelen die onder de investeringsoperatie vallen, worden opgesomd in de bijlage II aan dit decreet.
  § 2. Per regelmatige leerling op 1 februari 2006 voor wat betreft het schooljaar 2006-2007 respectievelijk op 1 februari 2007 voor wat betreft het schooljaar 2007-2008, worden extra middelen toegekend rekening houdend met de beschikbare begrotingskredieten.
  Om voor extra middelen in aanmerking te kunnen komen, moeten de betrokken instellingen gezamenlijk en per onderwijszone een investeringsplan opstellen. Het investeringsplan moet voldoen aan de door de Vlaamse Regering vastgelegde minimale onderdelen. De onderwijszones zijn bepaald in de bijlage I aan dit decreet.
  § 3. De beoordeling van de ingediende investeringsplannen gebeurt door een commissie die paritair is samengesteld uit twee afgevaardigden van het departement onderwijs en vorming en twee afgevaardigden van de inspectie secundair onderwijs enerzijds en één afgevaardigde per onderwijsnet, voorgedragen door het Gemeenschapsonderwijs en de betrokken representatieve verenigingen van de inrichtende machten van het onderwijs, anderzijds. De commissie stelt haar huishoudelijk reglement op.
  De commissie garandeert dat een aanvankelijk als " onvoldoende " bevonden plan, bijgestuurd kan worden en opnieuw mag ingediend worden binnen een door haar vooropgestelde termijn.
  § 4. De uitbetaling van de extra middelen vindt plaats op basis van een voorschot ten belope van 90 % en, na goedkeuring door het departement onderwijs en vorming van de per onderwijszone gebundelde bewijsstukken van de gedane investeringen, een saldo ten belope van 10 %.
  De Vlaamse Regering kan verdere regels vastleggen inzake de toekenning van de extra middelen. ";
  3° de huidige bijlage " Indeling in onderwijszones " aan het decreet wordt aangeduid als bijlage I en een bijlage II " Lijst van structuuronderdelen met betrekking tot investeringsoperaties in technisch en beroepssecundair onderwijs " wordt toegevoegd, waarvan de tekst luidt als volgt :
  " Bijlage II. - Lijst van structuuronderdelen met betrekking tot investeringsoperaties in technisch en beroepssecundair onderwijs (louter voor wat betreft de samenstelling van deze lijst worden de structuuronderdelen van opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs, hierna aangeduid als BuSO, eveneens in studiegebieden ondergebracht) :
  1. Studiegebied auto :
  Autotechnieken.
  Toegepaste autotechnieken.
  Auto.
  Carrosserie.
  Tweewielers en lichte verbrandingsmotoren.
  Vrachtwagenchauffeur.
  Auto-elektriciteit.
  Bedrijfsvoertuigen.
  Bijzonder transport.
  Carrosserie- en spuitwerk.
  Diesel- en LPG-motoren.
  Scheeps- en havenwerk.
  Auto-hulpmecanicien (BuSO).
  Plaatslager (BuSO).
  Alle modulair georganiseerde structuuronderdelen.
  2. Studiegebied bouw :
  Bouwtechnieken.
  Bouw- en houtkunde.
  Bouw constructie- en planningstechnieken.
  Industriële bouwtechnieken.
  Weg- en waterbouwtechnieken.
  Bouw.
  Schilderwerk en decoratie.
  Steen- en marmerbewerking.
  Ruwbouw.
  Bouwplaatsmachinist.
  Ruwbouwafwerking.
  Schilderwerk en decoratie.
  Bedrijfsvloeren en waterdichte bekuipingen.
  Dakwerken.
  Decoratie en restauratie schilderwerk.
  Mechanische en hydraulische kranen.
  Renovatie bouw.
  Restauratie bouw.
  Wegenbouwmachines.
  Bouwwerken (BuSO).
  Interieurbouwer (BuSO).
  Metselaar (BuSO).
  Vloerder-tegelzetter (BuSO).
  Alle modulair georganiseerde structuuronderdelen.
  3. Studiegebied chemie :
  Chemie.
  Chemische procestechnieken.
  Water- en luchtbeheersingstechnieken.
  4. Studiegebied grafische communicatie en media :
  Grafische technieken.
  Grafische wetenschappen.
  Druk- en afwerkingstechnieken.
  Drukvoorbereidingstechnieken.
  Multimediatechnieken.
  Gestandaardiseerde en geprogrammeerde druktechnieken.
  Interactieve multimediatechnieken.
  Rotatiedruktechnieken.
  Tekst- en beeldintegratietechnieken.
  Drukken.
  Drukken en afwerken.
  Drukvoorbereiding.
  Bedrijfsgrafiek.
  Grafische opmaaksystemen.
  Meerkleurendruk-drukwerkveredeling.
  Zeefdruk.
  Boekbinder (BuSO).
  Hulpdrukker (BuSO).
  Zeefdrukker (BuSO).
  Alle modulair georganiseerde structuuronderdelen.
  5. Studiegebied hout :
  Houttechnieken.
  Hout constructie- en planningstechnieken.
  Hout.
  Houtbewerking.
  Houtbewerking-snijwerk.
  Bijzondere schrijnwerkconstructies.
  Industriële houtbewerking.
  Interieurinrichting.
  Meubelgarneren.
  Modelmakerij.
  Restauratie van meubelen.
  Restauratie van schrijnwerk.
  Stijl- en designmeubelen.
  Houtbewerking (BuSO).
  Werkplaatsschrijnwerker (BuSO).
  Alle modulair georganiseerde structuuronderdelen.
  6. Studiegebied land- en tuinbouw :
  Landbouwtechnieken.
  Tuinbouwtechnieken.
  Bedrijfsleiding land- en tuinbouw.
  Landbouwmechanisatie.
  Tuinbouw.
  Landbouw.
  Agromanagement.
  Bosbouw.
  Groenbeheer en verfraaiing.
  Landbouwdiversificatie.
  Land- en tuinbouwmechanisatie.
  Tuinbouwmechanisatie.
  Tuinbouwteelten.
  Natuur- en landschapsbeheertechnieken.
  Veehouderij en landbouwteelten.
  Tuinbouw (BuSO).
  Tuinbouwarbeider (BuSO).
  7. Studiegebied mechanica-elektriciteit :
  Elektriciteit-elektronica.
  Elektromechanica.
  Elektrotechnieken.
  Industriële wetenschappen.
  Mechanische technieken.
  Elektrische installatietechnieken.
  Elektronische installatietechnieken.
  Industriële ICT.
  Industriële wetenschappen.
  Kunststoftechnieken.
  Mechanische vormgevingstechnieken.
  Podiumtechnieken.
  Vliegtuigtechnieken.
  Audio-video en teletechnieken.
  Computergestuurde mechanische productietechnieken.
  Haventechnieken.
  Industriële computertechnieken.
  Industriële elektronicatechnieken.
  Industriële onderhoudstechnieken.
  Kunststofvormgevingstechnieken.
  Mechanica constructie- en planningstechnieken.
  Regeltechnieken.
  Stuur- en beveiligingstechnieken.
  Basismechanica.
  Elektrische installaties.
  Metaal.
  Nijverheid.
  Elektrische installaties.
  Kunststofverwerking.
  Lassen-constructie.
  Productieoperator.
  Werktuigmachines.
  Composietverwerking.
  Computergestuurde werktuigmachines.
  Fotolassen.
  Industrieel onderhoud.
  Industriële elektriciteit.
  Matrijzenbouw.
  Metaal- en kunststofschrijnwerk.
  Pijpfitten-lassen-monteren.
  Hoeklasser (BuSO).
  Metaalbewerking (BuSO).
  Plaatbewerker (BuSO).
  Alle modulair georganiseerde structuuronderdelen.
  8. Studiegebied koeling en warmte :
  Koel- en warmtechnieken.
  Industriële koeltechnieken.
  Industriële warmtetechnieken.
  Centrale verwarming en sanitaire installaties.
  Koelinstallaties.
  Koeltechnische installaties.
  Verwarmingsinstallaties.
  Loodgieter (BuSO).
  Alle modulair georganiseerde structuuronderdelen.
  9. Studiegebied textiel :
  Textieltechnieken.
  Textielproductietechnieken.
  Textielveredelingstechnieken.
  Textielveredeling en breikunde.
  Textiel.
  Hulpwever (BuSO).
  Textiel (BuSO).
  Alle modulair georganiseerde structuuronderdelen. ".
Art. 4. Au décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'intitulé du Titre XIII est remplacé par l'intitulé suivant :
  " Investissements particuliers dans les établissements d'enseignement technique ou professionnel ";
  2° l'article 103 est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 103. § 1. Pendant les années scolaires 2006-2007 et 2007-2008, le Gouvernement flamand octroie, aux établissements d'enseignement secondaire technique ou professionnel ordinaire ou spécial et aux centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, des moyens supplémentaires destinés à des investissements pour équipements de base. Par investissements pour équipements de base il faut entendre l'achat de biens d'équipement ou la protection des biens d'équipement.
  Les subdivisions structurelles qui sont impliquées dans l'opération d'investissement sont énumérées à l'annexe II au présent décret.
  § 2. Des moyens supplémentaires sont accordés, compte tenu des crédits budgétaires disponibles, par élève régulier au 1er février 2006 pour ce qui est de l'année scolaire 2006-2007, et au 1er février 2007 pour ce qui est de l'année scolaire 2007-2008.
   Pour entrer en ligne de compte pour des moyens supplémentaires, les établissements intéressés doivent établir, conjointement et par zone d'enseignement, un plan d'investissement. Le plan d'investissement doit être conforme aux subdivisions minimales imposées par le Gouvernement flamand. Les zones d'enseignement sont fixées à l'annexe Ire au présent décret.
  § 3. Les plans d'investissements introduites sont évalués par une commission composée de manière paritaire de deux délégués du Département de l'Enseignement et de la Formation et de deux délégués de l'inspection de l'enseignement secondaire d'une part et d'un délégué par réseau d'enseignement, présenté par l'Enseignement communautaire et les associations représentatives des pouvoirs organisateurs de l'enseignement intéressées d'autre part. La commission rédigera un règlement d'ordre intérieur.
  La commission garantit qu'un plan initialement jugé " insuffisant ", peut être remanié et réintroduit dans un délai fixé par la commission.
  § 4. Le paiement des moyens supplémentaires se fait sur la base d'une avance à concurrence de 90 % et, après approbation par le Département de l'Enseignement et de la Formation des pièces justificatives, accumulées par zone d'enseignement, des investissements effectués, un solde de 10 %.
  Le Gouvernement flamand peut fixer des règles ultérieures relatives à l'octroi de moyens supplémentaires. ";
  3° la présente annexe " Classement en zones d'enseignement " au décret est indiquée comme annexe Ire, tandis qu'une annexe II " Liste de subdivisions structurelles relatives à des opérations d'investissement dans l'enseignement secondaire technique et professionnel " est ajoutée, rédigée comme suit :
  " Annexe II. - Liste de subdivisions structurelles relatives à des opérations d'investissement dans l'enseignement secondaire technique et professionnel (uniquement pour ce qui concerne la composition de cette liste, les subdivisions structurelles de la forme d'enseignement 3 de l'enseignement secondaire spécial, indiqué ci-après comme BuSO, sont également reprises dans des disciplines) :
  1. Discipline " auto " (auto) :
  Autotechnieken.
  Toegepaste autotechnieken.
  Auto.
  Carrosserie.
  Tweewielers en lichte verbrandingsmotoren.
  Vrachtwagenchauffeur.
  Auto-elektriciteit.
  Bedrijfsvoertuigen.
  Bijzonder transport.
  Carrosserie- en spuitwerk.
  Diesel- en LPG-motoren.
  Scheeps- en havenwerk.
  Auto-hulpmecanicien (BuSO).
  Plaatslager (BuSO).
  Toutes les subdivisions structurelles organisées de manière modulaire.
  2. Discipline " bouw " (construction) :
  Bouwtechnieken.
  Bouw- en houtkunde.
  Bouw constructie- en planningstechnieken.
  Industriële bouwtechnieken.
  Weg- en waterbouwtechnieken.
  Bouw.
  Schilderwerk en decoratie.
  Steen- en marmerbewerking.
  Ruwbouw.
  Bouwplaatsmachinist.
  Ruwbouwafwerking.
  Schilderwerk en decoratie.
  Bedrijfsvloeren en waterdichte bekuipingen.
  Dakwerken.
  Decoratie en restauratie schilderwerk.
  Mechanische en hydraulische kranen.
  Renovatie bouw.
  Restauratie bouw.
  Wegenbouwmachines.
  Bouwwerken (BuSO).
  Interieurbouwer (BuSO).
  Metselaar (BuSO).
  Vloerder-tegelzetter (BuSO).
  Toutes les subdivisions structurelles organisées de manière modulaire.
  3. Discipline " chemie " (chimie) :
  Chemie.
  Chemische procestechnieken.
  Water- en luchtbeheersingstechnieken.
  4. Discipline " grafische communicatie en media " (communication graphique et médias) :
  Grafische technieken.
  Grafische wetenschappen.
  Druk- en afwerkingstechnieken.
  Drukvoorbereidingstechnieken.
  Multimediatechnieken.
  Gestandaardiseerde en geprogrammeerde druktechnieken.
  Interactieve multimediatechnieken.
  Rotatiedruktechnieken.
  Tekst- en beeldintegratietechnieken.
  Drukken.
  Drukken en afwerken.
  Drukvoorbereiding.
  Bedrijfsgrafiek.
  Grafische opmaaksystemen.
  Meerkleurendruk-drukwerkveredeling.
  Zeefdruk.
  Boekbinder (BuSO).
  Hulpdrukker (BuSO).
  Zeefdrukker (BuSO).
  Toutes les subdivisions structurelles organisées de manière modulaire.
  5. Discipline " hout " (bois) :
  Houttechnieken.
  Hout constructie- en planningstechnieken.
  Hout.
  Houtbewerking.
  Houtbewerking-snijwerk.
  Bijzondere schrijnwerkconstructies.
  Industriële houtbewerking.
  Interieurinrichting.
  Meubelgarneren.
  Modelmakerij.
  Restauratie van meubelen.
  Restauratie van schrijnwerk.
  Stijl- en designmeubelen.
  Houtbewerking (BuSO).
  Werkplaatsschrijnwerker (BuSO).
  Toutes les subdivisions structurelles organisées de manière modulaire.
  6. Discipline " land- en tuinbouw " (agriculture et horticulture) :
  Landbouwtechnieken.
  Tuinbouwtechnieken.
  Bedrijfsleiding land- en tuinbouw.
  Landbouwmechanisatie.
  Tuinbouw.
  Landbouw.
  Agromanagement.
  Bosbouw.
  Groenbeheer en verfraaiing.
  Landbouwdiversificatie.
  Land- en tuinbouwmechanisatie.
  Tuinbouwmechanisatie.
  Tuinbouwteelten.
  Natuur- en landschapsbeheertechnieken.
  Veehouderij en landbouwteelten.
  Tuinbouw (BuSO).
  Tuinbouwarbeider (BuSO).
  7. Discipline " mechanica-elektriciteit " (mécanique-électricité) :
  Elektriciteit-elektronica.
  Elektromechanica.
  Elektrotechnieken.
  Industriële wetenschappen.
  Mechanische technieken.
  Elektrische installatietechnieken.
  Elektronische installatietechnieken.
  Industriële ICT.
  Industriële wetenschappen.
  Kunststoftechnieken.
  Mechanische vormgevingstechnieken.
  Podiumtechnieken.
  Vliegtuigtechnieken.
  Audio-video en teletechnieken.
  Computergestuurde mechanische productietechnieken.
  Haventechnieken.
  Industriële computertechnieken.
  Industriële elektronicatechnieken.
  Industriële onderhoudstechnieken.
  Kunststofvormgevingstechnieken.
  Mechanica constructie- en planningstechnieken.
  Regeltechnieken.
  Stuur- en beveiligingstechnieken.
  Basismechanica.
  Elektrische installaties.
  Metaal.
  Nijverheid.
  Elektrische installaties.
  Kunststofverwerking.
  Lassen-constructie.
  Productieoperator.
  Werktuigmachines.
  Composietverwerking.
  Computergestuurde werktuigmachines.
  Fotolassen.
  Industrieel onderhoud.
  Industriële elektriciteit.
  Matrijzenbouw.
  Metaal- en kunststofschrijnwerk.
  Pijpfitten-lassen-monteren.
  Hoeklasser (BuSO).
  Metaalbewerking (BuSO).
  Plaatbewerker (BuSO).
  Toutes les subdivisions structurelles organisées de manière modulaire.
  8. Discipline " koeling en warmte " (réfrigération et chauffage) :
  Koel- en warmtechnieken.
  Industriële koeltechnieken.
  Industriële warmtetechnieken.
  Centrale verwarming en sanitaire installaties.
  Koelinstallaties.
  Koeltechnische installaties.
  Verwarmingsinstallaties.
  Loodgieter (BuSO).
  Toutes les subdivisions structurelles organisées de manière modulaire.
  9. Discipline " textiel " (textile) :
  Textieltechnieken.
  Textielproductietechnieken.
  Textielveredelingstechnieken.
  Textielveredeling en breikunde.
  Textiel.
  Hulpwever (BuSO).
  Textiel (BuSO).
  Toutes les subdivisions structurelles organisées de manière modulaire. "
Afdeling III. - Hogescholen.
Section III. - Instituts supérieurs.
Art. 5. Artikel 178 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap wordt als volgt gewijzigd :
  1° het bedrag " 557 419 543,24 " wordt vervangen door het bedrag " 582 460 823,02 ";
  2° paragraaf 5 wordt opgeheven.
Art. 5. L'article 178 du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande est modifié comme suit :
  1° le montant " 557 419 543,24 " est remplacé par le montant " 582 460 823,02 ";
  2° le paragraphe 5 est abrogé.
Art. 6. Artikel 184, § 1, van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
  " § 1. Vanaf 2008 worden de werkingsuitkeringen jaarlijks op de volgende wijze aangepast :
  0,8 x (Ln/L07) + 0,2 x (Cn/C07), waarbij :
  Ln/L07 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van het begrotingsjaar 2007;
  Cn/C07 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de consumptieprijzen op het einde van het begrotingsjaar 2007. ".
Art. 6. L'article 184, § 1er, du même décret est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. A partir de 2008, les allocations de fonctionnement sont ajustées annuellement de la façon suivante :
  0,8 x (Ln/L07) + 0,2 x (Cn/C07). Dans cette formule :
  Ln/L07 égale le rapport entre l'indice estimé des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire concernée et l'indice des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire 2007;
  Cn/C07 représente le rapport entre l'indice estimé des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire en question et l'indice des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire 2007. "
Art. 7. Aan artikel 209 van hetzelfde decreet wordt een § 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
  " § 3. In afwijking van § 1 van dit artikel bedraagt het basisbedrag van de sociale toelage vanaf begrotingsjaar 2007 207,77 euro per financierbare student, waarbij telkens rekening gehouden wordt met het aantal financierbare studenten dat de hogeschool op 1 februari 2005 telde.
  Vanaf begrotingsjaar 2008 wordt het basisbedrag per financierbare student geïndexeerd aan de hand van de volgende indexformule :
  I = 0,50 x (L1/L0) + 0,50 x (C1/C0);
  I : de indexformule;
  L1/L0 : de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het desbetreffende begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van begrotingsjaar 2007;
  C1/C0 : de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het desbetreffende begrotingsjaar en de index van de consumptieprijzen op het einde van begrotingsjaar 2007. ".
Art. 7. A l'article 209 du même décret, il est ajouté un § 3, rédigé comme suit :
  " § 3. Par dérogation au § 1er du présent article, le montant de base de la subvention sociale s'élève, à partir de l'année budgétaire 2007, à 207,77 euros par étudiant admis au financement, tout en tenant compte du nombre d'étudiants admis au financement que l'institut supérieur comptait le 1er février 2005.
  A partir de l'année budgétaire 2008, le montant de base par étudiant admis au financement est indexé au moyen de la formule d'indexation suivante :
  I = 0,50 x (L1/L0) + 0,50 x (C1/CO).
  I : la formule d'indexation.
  L1/L0 : le rapport entre l'indice estimé du coût salarial unitaire à la fin de l'année budgétaire en question et l'indice du coût salarial unitaire à la fin de l'année budgétaire 2007.
  C1/CO : le rapport entre l'indice estimé des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire en question et l'indice des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire 2007. "
Afdeling IV. - Universiteiten.
Section IV. - Universités.
Art. 8. In artikel 130, § 2, punt 2°, van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, gewijzigd bij decreet van 24 juni 2005, wordt de uiterste rechterkolom voor het jaar 2006 gewijzigd als volgt :
Art. 8. Dans l'article 130, § 2, point 2°, du décret du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande, modifié par le décret du 24 juin 2005, la colonne à extrême-droite est modifiée comme suit pour l'année 2006 :
" 2006
1.Katholieke Universiteit Leuven192 986
2.Vrije Universiteit Brussel68 266
3.Universiteit Antwerpen72 280
4.Universiteit Hasselt13 858
5.transnationale Universiteit Limburg4 507
6.Katholieke Universiteit Brussel4 790
7.Universiteit Gent150 609
"20061.Katholieke Universiteit Leuven192 9862.Vrije Universiteit Brussel68 2663.Universiteit Antwerpen72 2804.Universiteit Hasselt13 8585.transnationale Universiteit Limburg4 5076.Katholieke Universiteit Brussel4 7907.Universiteit Gent150 609
" 2006
1.Katholieke Universiteit Leuven192 986
2.Vrije Universiteit Brussel68 266
3.Universiteit Antwerpen72 280
4.Universiteit Hasselt13 858
5.transnationale Universiteit Limburg4 507
6.Katholieke Universiteit Brussel4 790
7.Universiteit Gent150 609"
"20061.Katholieke Universiteit Leuven192 9862.Vrije Universiteit Brussel68 2663.Universiteit Antwerpen72 2804.Universiteit Hasselt13 8585.transnationale Universiteit Limburg4 5076.Katholieke Universiteit Brussel4 7907.Universiteit Gent150 609"
Art. 9. Artikel 130, § 2, punt 3°, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 30 juni 2006, wordt gewijzigd als volgt :
  " 3° Voor het jaar 2007 is het forfaitair bedrag, uitgedrukt in duizend euro, voor elke universiteit vastgesteld als volgt :
Art. 9. L'article 130, § 2, point 3°, du même décret, modifié par le décret du 30 juin 2006, est remplacé par la disposition suivante :
  " 3° pour l'année 2007, le montant forfaitaire, exprimé en milliers d'euros, est fixé comme suit pour chaque université :
  2007
1.Katholieke Universiteit Leuven193 373
2.Vrije Universiteit Brussel68 403
3.Universiteit Antwerpen72 430
4.Universiteit Hasselt13 887
5.transnationale Universiteit Limburg4 520
6.Katholieke Universiteit Brussel4 800
7.Universiteit Gent150 943"
20071.Katholieke Universiteit Leuven193 3732.Vrije Universiteit Brussel68 4033.Universiteit Antwerpen72 4304.Universiteit Hasselt13 8875.transnationale Universiteit Limburg4 5206.Katholieke Universiteit Brussel4 8007.Universiteit Gent150 943"
  2007
1.Katholieke Universiteit Leuven193 373
2.Vrije Universiteit Brussel68 403
3.Universiteit Antwerpen72 430
4.Universiteit Hasselt13 887
5.transnationale Universiteit Limburg4 520
6.Katholieke Universiteit Brussel4 800
7.Universiteit Gent150 943
20071.Katholieke Universiteit Leuven193 3732.Vrije Universiteit Brussel68 4033.Universiteit Antwerpen72 4304.Universiteit Hasselt13 8875.transnationale Universiteit Limburg4 5206.Katholieke Universiteit Brussel4 8007.Universiteit Gent150 943
Art. 10. In artikel 130, § 3, 3°, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 30 juni 2006, worden in punt 4. Universiteit Hasselt en punt 7. Universiteit Gent de bedragen " 897 " en " 22 086 " respectievelijk vervangen door de bedragen " 1 152 " en " 25 390 ".
Art. 10. Dans l'article 130, § 3, 3°, du même décret, modifié par le décret du 30 juin 2006, les montants " 897 " et " 22 086 " figurant respectivement au point 4. Universiteit Hasselt et au point 7. Universiteit Gent, sont remplacés par les montants respectifs de " 1 152 " et " 25 390 ".
Art. 11. Artikel 136, § 1, punt 3° van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 30 juni 2006, wordt gewijzigd als volgt :
  " 3° De universiteiten, vermeld in artikel 3, 1°, 2°, b), 3°, 4°, b) en c), en 6°, ontvangen voor het jaar 2007 voor de uitgaven die voortvloeien uit de wettelijke en conventionele werkgeversbijdragen en -lasten, met inbegrip van de door de instellingen gefinancierde aanvullende pensioenen, om een gelijkwaardig statuut te verzekeren als voor de universiteiten, vermeld in artikel 3, 2°, a), 4°, a), en 5°, de volgende bedragen, uitgedrukt in duizend euro :
Art. 11. L'article 136, § 1er, point 3°, du décret du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande, modifié par le décret du 30 juin 2006, est modifié comme suit :
  " 3° Les universités mentionnées à l'article 3, 1°, 2°, b), 3°, 4° b) et c) et 6° bénéficient pour l'année 2007, pour les dépenses qui résultent des cotisations et charges patronales légales et conventionnelles, y compris les pensions de retraite complémentaires financées par les établissements, afin de garantir un statut équivalent à celui des universités visées à l'article 3, 2°, a), 4°, a), et 5°, des montants suivants exprimés en milliers d'euros :
  2007
1.Katholieke Universiteit Leuven9 993
2.Vrije Universiteit Brussel3 592
3.Universiteit Antwerpen492
4.Universiteit Hasselt147
5.Katholieke Universiteit Brussel206"
20071.Katholieke Universiteit Leuven9 9932.Vrije Universiteit Brussel3 5923.Universiteit Antwerpen4924.Universiteit Hasselt1475.Katholieke Universiteit Brussel206"
  2007
1.Katholieke Universiteit Leuven9 993
2.Vrije Universiteit Brussel3 592
3.Universiteit Antwerpen492
4.Universiteit Hasselt147
5.Katholieke Universiteit Brussel206"
20071.Katholieke Universiteit Leuven9 9932.Vrije Universiteit Brussel3 5923.Universiteit Antwerpen4924.Universiteit Hasselt1475.Katholieke Universiteit Brussel206"
Afdeling V. - Postinitiële opleidingsinstellingen.
Section V. - Etablissements d'enseignement post-initial.
Art. 12. In artikel 15, § 2, van het decreet van 18 mei 1999 betreffende sommige instellingen van openbaar nut voor postinitieel onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening, gewijzigd bij het decreet van 24 juni 2005, worden de woorden " voor het begrotingsjaar 2005 vastgesteld op 8 594 000 euro " vervangen door de woorden " vanaf het begrotingsjaar 2007 vastgesteld op 9 726 000 euro ".
Art. 12. Dans l'article 15, § 2, du décret du 18 mai 1999 relatif à certains établissements d'intérêt public pour l'enseignement post-initial, la recherche et les services scientifiques, modifié par le décret du 24 juin 2005, les mots " est fixée à 8 594 000 euros pour l'année budgétaire 2005 " sont remplacés par les mots " est fixée à 9 726 000 euros à partir de l'année budgétaire 2007 ".
Afdeling VI. - Recuperatiefonds Studietoelagen.
Section VI. - Fonds de récupération Allocations d'études.
Art. 13. In artikel 21, § 4, van het decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting voor het begrotingsjaar 2006 worden na de woorden " voor de betaling van studiefinanciering overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 april 2004 " de woorden " en voor de betaling van studietoelagen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 19 juli 1971 " ingevoegd.
Art. 13. Dans l'article 21, § 4, du décret du 23 décembre 2005 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2006, les mots " et pour le paiement d'allocations d'études conformément aux dispositions de la loi du 19 juillet 1971 " sont insérés après les mots " pour le paiement d'aides financières conformément aux dispositions du décret du 30 avril 2004 ".
Afdeling VII. - Recuperatiefonds van de wedden onderwijzend personeel.
Section VII. - Fonds de récupération des traitements du personnel enseignant.
Art. 14. Het C-fonds Inschrijvingsgelden Deeltijds Kunstonderwijs, zoals bedoeld in artikel 100quinquies van het decreet van 31 juli 1990 betreffende Onderwijs II, wordt vanaf begroting 2007 omgevormd in een B-fonds in de zin van artikel 45 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit.
Art. 14. Le Fonds C " Inschrijvingsgelden Deeltijds Kunstonderwijs " (Droits d'inscription dans l'enseignement artistique à temps partiel), tel que visé à l'article 100quinquies du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement - II, est converti, à partir du budget 2007, en un Fonds B au sens de l'article 45 des lois coordonnées sur la comptabilité de l'Etat.
Art. 15. Het C-fonds voor de aanwending van teruggevorderde ten onrechte gestorte wedden en weddetoelagen van de sector Onderwijs opgericht bij decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede de bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991, wordt vanaf begroting 2007 omgevormd in een B-fonds in de zin van artikel 45 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit.
Art. 15. Le Fonds C pour l'affectation de traitements et subventions-traitements indûment versés et recouvrés du secteur de l'Enseignement, créé par le décret du 21 décembre 1990 contenant des dispositions budgétaires techniques ainsi que des dispositions accompagnant le budget 1991, est converti, à partir du budget 2007, en un Fonds B au sens de l'article 45 des lois coordonnées sur la comptabilité de l'Etat.
HOOFDSTUK III. - vzw ESF-Agentschap.
CHAPITRE III. - asbl " ESF-Agentschap " (Agence FSE).
Art. 16. Aan artikel 2, § 1, van het decreet van 8 november 2002 houdende de oprichting van de vzw ESF-Agentschap worden een tweede en een derde lid toegevoegd, die luiden als volgt :
  " De vzw " ESF-Agentschap " is een privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap als vermeld in artikel 29 van het kaderdecreet beter bestuurlijk beleid van 18 juli 2003.
  De Vlaamse Regering bepaalt tot welk homogeen beleidsdomein het ESF-Agentschap behoort. ".
Art. 16. A l'article 2, § 1er, du décret du 8 novembre 2002 portant création de l'asbl ESF-Agentschap (Agence ESF) sont ajoutés un alinéa deux et un alinéa trois, rédigés comme suit :
  " L'asbl " ESF-Agentschap " est une agence autonomisée externe de droit privé telle que visée à l'article 29 du décret cadre sur la politique administrative du 18 juillet 2003.
  Le Gouvernement flamand détermine le domaine politique homogène dont l'Agence ESF fait partie. ".
Art. 17. In artikel 4, § 1, van hetzelfde decreet, wordt het woord " beheersovereenkomst " vervangen door het woord " samenwerkingsovereenkomst ".
Art. 17. Dans l'article 4, § 1er, du même décret, les mots " convention de gestion " sont remplacés par les mots " convention de coopération ".
HOOFDSTUK IV. - Jeugdbeleid.
CHAPITRE IV. - Politique de la Jeunesse.
Art. 18. Artikel 62 van het decreet van 29 maart 2002 op het Vlaamse jeugdbeleid, zoals gewijzigd bij decreet van 8 juli 2005, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 62. § 1. Een op basis van dit decreet gesubsidieerde vereniging kan gedurende de periode waarbinnen deze vereniging haar beleidsnota uitvoert, onbeperkt een reserve aanleggen met eigen inkomsten en subsidies.
  Als reserve dient beschouwd te worden het resultaat van de optelling van de rekening 13 (bestemde fondsen) en de rekening 14 (overgedragen resultaat) van de balans, zoals omschreven in de minimumindeling van het algemeen rekeningenstelsel, als bijlage gevoegd bij het koninklijk besluit van 19 december 2003 betreffende de boekhoudkundige verplichtingen en de openbaarmaking van de jaarrekening van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen.
  § 2. Als de vereniging op het einde van de beleidsperiode nog beschikt over een reserve, aangelegd overeenkomstig § 1, kan deze reserve overgedragen worden naar de volgende beleidsperiode op voorwaarde dat, ten opzichte van de bestaande reserve op het begin van de beleidsperiode, de aangroei niet meer bedraagt dat twintig percent van de gemiddelde jaarlijkse kosten berekend over de beleidsperiode.
  § 3. De Vlaamse Regering kan, na advies van de Inspectie van Financiën, een afwijking toestaan van het in § 2 bepaalde percentage, op voorwaarde dat de vereniging daartoe een gemotiveerd bestedingsplan voorlegt voor de te veel opgebouwde reserve of voor de gehele reserve, in te dienen bij de administratie.
  § 4. Als bij de afrekening van het laatste werkingsjaar van de beleidsperiode de aangroei van de reserve meer bedraagt dan hetgeen bepaald werd in § 2, dan wordt het teveel ingehouden op het nog uit te keren saldo van de werkingssubsidie, toegekend aan de vereniging, en wordt het eventueel daarna nog resterende bedrag in mindering gebracht op de subsidies van de volgende beleidsperiode, tot een maximum van de werkingssubsidie toegekend voor het laatste jaar voorafgaand aan de nieuwe beleidsperiode.
  § 5. Als aan de vereniging na afloop van de beleidsperiode waarop de beleidsnota bedoeld in de artikelen 10, 3°, 17, § 1, 24, 3°, 31, § 2, en 54, § 1, betrekking heeft, geen werkingssubsidie meer wordt verleend, dan is de vereniging verplicht een gemotiveerd bestedingsplan voor alle reserves die op basis van onderhavig artikel werden aangelegd, in te dienen bij de administratie. Deze reserves moeten in voorkomend geval, prioritair aangewend worden voor het voldoen van de arbeidsrechtelijke verplichtingen. ".
Art. 18. L'article 62 du décret du 29 mars 2002 sur la politique flamande de la jeunesse, tel que modifié par le décret du 8 juillet 2005, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 62. § 1er. Une association subventionnée en vertu du présent décret peut, pendant la période où elle exécute sa note de politique, constituer sans restriction une réserve à l'aide de ses recettes propres et des subventions.
  Par " réserve ", il faut entendre le résultat de l'addition du compte 13 (fonds affectés) et du compte 14 (résultat reporté) du bilan, tel que décrit dans le plan comptable minimum normalisé annexé à l'arrêté royal du 19 décembre 2003 relatif aux obligations comptables et à la publicité des comptes annuels de certaines associations sans but lucratif, associations internationales sans but lucratif et fondations.
  § 2. Si, à l'issue de la période de gestion, l'association dispose toujours d'une réserve, constituée conformément au § 1er, cette réserve peut être reportée à une période de gestion suivante, à condition que, par rapport à la réserve existante au début de la période de gestion, l'accroissement ne dépasse pas vingt pour cent des frais annuels moyens, calculés sur la période de gestion écoulée.
  § 3. Par dérogation au § 2, le Gouvernement flamand pourra, une seule fois et donc uniquement pour de qui concerne la réserve à reporter fin 2007, autoriser une dérogation au pourcentage maximal de 20 % des frais annuels moyens, à condition que l'association présente à cet effet un plan d'affectation motivé.
  § 4. Si, lors du décompte de la dernière année d'activité de la période de gestion, l'accroissement de la réserve excède la disposition du § 2, l'excédent est retenu sur le solde de la subvention de fonctionnement à liquider, et le montant restant éventuel est déduit des subventions de la suivante période de gestion, jusqu'à un maximum de la subvention de fonctionnement accordée pour la dernière année précédant la nouvelle période de gestion.
  § 5. Si des subventions de fonctionnement ne sont plus octroyées à l'association visée aux articles 10, 3°; 17, § 1er; 24, 3°; 31, § 2 et 54, § 1er, à l'issue de la période de gestion à laquelle se rapporte la note de politique, l'association est tenue de soumettre à l'administration un plan d'affectation motivé pour toutes les réserves ayant été constituées sur la base du présent article. Le cas échéant, ces réserves doivent être affectées par priorité au respect des obligations en matière de droit du travail. "
HOOFDSTUK V. - Sociaal-cultureel vormingswerk.
CHAPITRE V. - Animation socioculturelle.
Art. 19. In afwijking van artikel 3, § 2, tweede lid, van het decreet van 6 juli 2001 houdende ondersteuning van de federatie van erkende organisaties voor volksontwikkeling en houdende ondersteuning van de vereniging van Vlaamse Cultuurcentra, wordt in 2007 de tussenkomst van de Vlaamse Gemeenschap rechtstreeks uitgekeerd aan de Federatie van erkende organisaties voor Volksontwikkeling (FOV).
Art. 19. Par dérogation à l'article 3, § 2, alinéa deux, du décret du 6 juillet 2001 relatif au soutien de la fédération des organisations d'éducation populaire agréées et au soutien des centres culturels flamands, l'intervention de la Communauté flamande est, en 2007, directement payée à la fédération des organisations d'éducation populaire (FOV).
HOOFDSTUK VI. - Fiscaliteit.
CHAPITRE VI. - Fiscalité.
Afdeling I. - Verhoging abattement.
Section Ire. - Hausse de l'abattement.
Art. 20. In artikel 46bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, ingevoegd bij decreet van 1 februari 2002 en gewijzigd bij de decreten van 5 juli 2002, 20 december 2002 en 24 december 2004 wordt het bedrag " 12 500 euro " vervangen door het bedrag " 15 000 euro ".
Art. 20. Dans l'article 46bis du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, inséré par le décret du 1er février 2002 et modifié par les décrets des 5 juillet 2002, 20 décembre 2002 et 24 décembre 2004, le montant " 12 500 euros " est remplacé par le montant " 15 000 euros ".
Afdeling II. - Belasting op de automatische ontspanningstoestellen.
Section II. - Taxe sur les appareils automatiques de divertissement.
Art. 21. A. In artikel 43 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, gewijzigd bij artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 14 van 18 april 1967, bij artikel 12 van de wet van 28 december 1973, bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 augustus 1980, bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 30 december 1980, bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 maart 1994, bij artikel 2 van het decreet van 13 april 1999, bij artikel 63 van het decreet van 21 december 1990 en bij artikel 46 van het decreet van 6 juli 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden " 11 pc ", ingevoegd bij artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit van 22 augustus 1980, worden vervangen door de woorden " 11 pc ";
  2° punt 4°, opgeheven bij artikel 1, 4°, van het koninklijk besluit van 22 augustus 1980, wordt opgeheven.
  B. In artikel 43, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden " 11 pc ", vervangen door de woorden " 15 procent ".
  C. Artikel 43, 2°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit van 22 augustus 1980, vervangen bij artikel 2 van het decreet van 13 april 1999 en gewijzigd bij artikel 46 van het decreet van 6 juli 2001, wordt vervangen als volgt :
  " 2° van de volksvermakelijkheden waarbij slechts worden geheven inschrijvings- of deelnemingsrechten, verdeeld onder vorm van prijzen of besteed aan de normale inrichtingskosten, voor zover het totaal bedrag van deze rechten per dag en per persoon 250 frank niet te boven gaat; ".
  D. Artikel 43, 2°, van hetzelfde Wetboek, wordt vervangen als volgt :
  " 2° van de volksvermakelijkheden, namelijk de wedstrijden en spelen waarbij slechts inschrijvings- of deelnemingsrechten worden geheven, die verdeeld worden in de vorm van prijzen waarvan de waarde niet meer bedraagt dan het tienvoudige van de inzet per deelnemer of die besteed worden aan de normale organisatiekosten, voor zover het totaal bedrag van de rechten per dag en per persoon 1 000 frank niet te boven gaat; ".
  E. Artikel 43, 3°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 14 van 18 april 1967, gewijzigd bij artikel 1, 3°, van het koninklijk besluit van 22 augustus 1980, bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 30 december 1980 en vervangen bij artikel 2 van het decreet van 13 april 1999, wordt vervangen als volgt :
  " 3° van de duivenprijskampen, wanneer de terugkeer van de duiven, behoudens gevallen van overmacht, plaats vindt op een zaterdag, zondag, wettelijke feestdag of op een door de gemeente als officieel beschouwde kermisdag, en waarbij uitsluitend ingezet wordt door de eigenaars van de ingeschreven duiven; ".
  F. Artikel 43, 3°, van hetzelfde Wetboek, wordt vervangen als volgt :
  " 3° van de duivenprijskampen waarbij uitsluitend ingezet wordt door de eigenaars van de ingeschreven duiven; ".
  G. Artikel 43, 5°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 12, 2°, van de wet van 28 december 1973, vervangen bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 maart 1994 en bij artikel 2 van het decreet van 13 april 1999, wordt vervangen als volgt :
  " 5° van de wedstrijden waarin beroep wordt gedaan op de onderlegdheid en de aanleg van de deelnemer, inzonderheid op taalkundig, geschiedkundig, aardrijkskundig of artistiek gebied, wanneer zij uitsluitend worden ingericht ten behoeve van musea of ten behoeve van instellingen als bedoeld in artikel 104, eerste lid, 3° en 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. ".
  H. Artikel 43, 5°, van hetzelfde Wetboek, wordt vervangen als volgt :
  " 5° van de wedstrijden wanneer zij uitsluitend worden georganiseerd ten behoeve van musea of ten behoeve van instellingen als bedoeld in artikel 104, eerste lid, 3° en 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. ".
  I. In artikel 43, 2°, van hetzelfde Wetboek, laatst vervangen bij artikel 2 van het decreet van 13 april 1999, wordt het bedrag " 1 000 frank " vervangen door het bedrag " 25 euro ".
Art. 21. A. A l'article 43 du Code des taxes assimilées aux impôts sur les revenus, modifié par l'article 1er de l'arrêté royal n° 14 du 18 avril 1967, par l'article 12 de la loi du 28 décembre 1973, par l'article 1er de l'arrêté royal du 22 août 1980, par l'article 1er de l'arrêté royal du 30 décembre 1980, par l'article 2 de l'arrêté royal du 29 mars 1994, par l'article 2 du décret du 13 avril 1999, par l'article 63 du décret du 21 décembre 1990 et par l'article 46 du décret du 6 juillet 2001, sont apportées les modifications suivantes :
  1° les mots " 11 pc ", insérés par l'article 1er, 1° de l'arrêté royal du 22 août 1980, sont remplacés par les mots " 11 pc ";
  2° le point 4°, abrogé par l'article 1er, 4° de l'arrêté royal du 22 août 1980, est abrogé.
  B. Dans l'article 43, alinéa 1er, du même Code, les mots " 11 pc " sont remplacés par les mots " 15 pour cent ".
  C. L'article 43, 2° du même Code, modifié par l'article 1er, 2° de l'arrêté royal du 22 août 1980, remplacé par l'article 2 du décret du 13 avril 1999 et modifié par l'article 46 du décret du 6 juillet 2001, est remplacé par la disposition suivante :
  " 2° des divertissements populaires qui ne comportent que des droits d'inscription ou de participation répartis sous forme de prix ou affectés aux frais normaux d'organisation, pour autant que le montant total de ces droits ne dépasse pas 250 francs par jour et par personne; ".
  D. L'article 43, 2° du même Code est remplacé par la disposition suivante :
  " 2° des divertissements populaires, notamment les concours et jeux qui ne comportent que des droits d'inscription ou de participation répartis sous forme de prix dont la valeur ne dépasse pas le décuple de la mise par participant ou affectés aux frais normaux d'organisation, pour autant que le montant total de ces droits ne dépasse pas, par jour et par personne, 1 000 francs; "
  E. L'article 43, 3° du même Code, inséré par l'article 1er, 2° de l'arrêté royal n° 14 du 18 avril 1967, modifié par l'article 1er, 3° de l'arrêté royal du 22 août 1980, par l'article 1er de l'arrêté royal du 30 décembre 1980 et remplacé par l'article 2 du décret du 13 avril 1999, est remplacé par la disposition suivante :
  " 3° des concours colombophiles, lorsque le retour des pigeons, sauf en cas de force majeure, a lieu un samedi, un dimanche ou un jour férié ou un jour de kermesse considéré comme officiel par la commune et lorsque les enjeux sont risqués exclusivement par les propriétaires des pigeons engagés; "
  F. L'article 43, 3° du même Code est remplacé par la disposition suivante :
  " 3° des concours colombophiles lorsque les enjeux sont risqués exclusivement par les propriétaires des pigeons engagés; "
  G. L'article 43, 5° du même Code, inséré par l'article 12, 2° de la loi du 28 décembre 1973, remplacé par l'article 2 de l'arrêté royal du 29 mars 1994 et par l'article 2 du décret du 13 avril 1999, est remplacé par la disposition suivante :
  " 5° des concours qui font appel aux connaissances et aptitudes du participant, notamment en matière linguistique, historique, géographique ou artistique, lorsqu'ils sont organisés exclusivement au profit d'un musée ou d'une des institutions visées à l'article 104, alinéa 1er, 3° et 4° du Code des impôts sur les revenus 1992. "
  H. L'article 43, 5° du même Code est remplacé par la disposition suivante :
  " 5° des concours lorsqu'ils sont organisés exclusivement au profit d'un musée ou d'une des institutions visées à l'article 104, alinéa 1er, 3° et 4° du Code des impôts sur les revenus 1992. ".
  I. Dans l'article 43, 2° du même Code, remplacé en dernier lieu par l'article 2 du décret du 13 avril 1999, le montant " 1 000 francs " est remplacé par le montant " 25 euros ".
Art. 22. A. Artikel 44 van hetzelfde Wetboek, laatst vervangen bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 augustus 1980 en gewijzigd bij artikel 63 van het decreet van 21 december 1990, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 44. In afwijking van artikel 43, wordt de belasting betreffende weddenschappen op paardenwedrennen die in België plaatsvinden, vastgelegd als volgt :
  1° één vijfde van de voorafneming gedaan op het brutobedrag van de sommen ingezet bij de onderlinge weddenschappen;
  2° 5 procent op het brutobedrag van de sommen ingezet bij de weddenschappen bij notering. ".
  B. In artikel 44, van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt :
  " 1° 22 procent op de voorafneming gedaan op het brutobedrag van de sommen ingezet bij de onderlinge weddenschappen; ";
  2° de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt :
  " 2° 5,5 procent op het brutobedrag van de sommen ingezet bij de weddenschappen bij notering. ".
Art. 22. A. L'article 44 du même Code, remplacé en dernier lieu par l'article 2 de l'arrêté royal du 22 août 1980 et modifié par l'article 63 du décret du 21 décembre 1990, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 44. Par dérogation à l'article 43, la taxe frappant les paris sur les courses de chevaux courues en Belgique est fixée comme suit :
  1° un cinquième du prélèvement opéré sur le montant brut des sommes engagées dans le pari mutuel;
  2° 5 pc du montant brut des sommes engagées dans le pari à la cote. ".
  B. A l'article 44 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
  1° La disposition sous 1° est remplacée par la disposition suivante :
  " 1° 22 pour cent du prélèvement opéré sur le montant brut des sommes engagées dans le pari mutuel; ";
  2° La disposition sous 1° est remplacée par la disposition suivante :
  " 2° 5.5 pour cent du montant brut des sommes engagées dans le pari à la cote. "
Art. 23. A. In artikel 45, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 14 van 18 april 1967, bij artikel 63 van het decreet van 21 december 1990, bij artikel 19 van het decreet van 22 december 1995 en bij de artikelen 44 en 45 van het decreet van 6 juli 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden " 4,80 pct. " en de woorden " 2,75 pct. ", zoals ingevoegd bij artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 14 van 18 april 1967, respectievelijk vervangen door de woorden " 4,80 pct. " en de woorden " 2,75 pct. ";
  2° het tweede lid wordt opgeheven;
  3° het eerste lid, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt aangevuld met een § 2, luidende :
  " § 2. De belasting op de spelen en de weddenschappen betreffende andere casinospelen dan het baccaraspel chemin de fer en het roulettespel zonder zero wordt gevestigd op de bruto-opbrengst van deze spelen tegen het tarief van 30 pct. op het gedeelte van die opbrengst dat, voor het kalenderjaar, 35 miljoen frank niet overschrijdt en tegen het tarief van 40 pct. op het overige gedeelte.
  De bruto-opbrengst wordt dagelijks vastgesteld; zij wordt gevormd door het verschil tussen het bedrag van de incasso's vastgesteld op het einde van de partijen en het samengevoegde bedrag van de aanvangsvoorschotten en de bijkomende voorschotten, verminderd met de afnemingen tijdens de partijen. Het verlies eventueel voor een dag vastgesteld wordt in mindering gebracht van de bruto-opbrengst van de volgende dagen. ".
  B. In artikel 45, van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1 wordt vervangen als volgt :
  " § 1. In afwijking van artikel 43 wordt de belasting vastgesteld op 5,3 procent op de winsten der bankiers bij het baccaraspel chemin de fer en op 3 procent op de winsten der inzetters bij het roulettespel zonder zero. ";
  2° § 2, eerste lid, wordt vervangen als volgt :
  " § 2. De belasting op de spelen en de weddenschappen betreffende andere casinospelen dan het baccaraspel chemin de fer en het roulettespel zonder zero wordt gevestigd op de bruto-opbrengst van deze spelen tegen het tarief van 33 procent op het gedeelte van die opbrengst dat, voor het kalenderjaar, 35 miljoen frank niet overschrijdt en tegen het tarief van 44 procent op het overige gedeelte. ".
  C. Artikel 45, § 2, van hetzelfde Wetboek, wordt aangevuld met het volgende lid :
  " Voor met de casinospelen gelijkgestelde toestellen zoals bedoeld in artikel 77 laatste lid wordt, de belasting vastgesteld op een percentage per schijf van de bruto-opbrengst van deze gelijkgestelde spelen bepaald als volgt :
Art. 23. A. A l'article 45 du même Code, modifié par l'article 3 de l'arrêté royal n° 14 du 18 avril 1967, par l'article 63 du décret du 21 décembre 1990, par l'article 19 du décret du 22 décembre 1995 et par les articles 44 et 45 du décret du 6 juillet 2001, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans l'alinéa premier, les mots " 4,80 pc " et les mots " 2,75 pc ", insérés par l'article 3 de l'arrêté royal n° 14 du 18 avril 1967, sont respectivement remplacés par les mots " 4,80 pc " et les mots " 2,75 pc ";
  2° l'alinéa deux est abrogé;
  3° l'alinéa 1er dont le texte actuel formera le § 1er, est complété par un § 2, rédigé comme suit :
  " § 2. La taxe sur les jeux et paris relative aux jeux de casino autres que les jeux de baccara chemin de fer et de roulette sans zéro s'applique sur le produit brut de ces jeux au taux de 30 pc sur la partie dudit produit qui, pour l'année civile, ne dépasse pas 35 millions de francs et au taux de 40 pc sur le surplus.
  Le produit brut est constaté chaque jour; il est constitué par la différence entre le montant des encaisses constatées en fin de parties et le montant cumulé des avances initiales et des avances complémentaires, diminué des retraits opérés en cours de parties. La perte éventuellement constatée pour une journée est portée en déduction du produit brut des jours suivants. "
  B. A l'article 45 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
  1° le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er, Par dérogation à l'article 43, la taxe est fixée à 5,3 pour cent sur les gains des banquiers au jeu de baccara, chemin de fer et à 3 pour cent sur les gains des pontes au jeu de roulette sans zéro. ";
  2° le § 2, alinéa premier, est remplacé par la disposition suivante :
  " § 2. La taxe sur les jeux et paris relative aux jeux de casino autres que les jeux de baccara chemin de fer et de roulette sans zéro s'applique sur le produit brut de ces jeux au taux de 33 pour cent sur la partie dudit produit qui, pour l'année civile, ne dépasse pas 35 millions de francs et au taux de 44 pour cent sur le surplus. ".
  C. L'article 45, § 2 du même Code, est complété par la disposition suivante :
  " Pour les appareils assimilés aux jeux de casino, visés à l'article 77, dernier alinéa, la taxe fixée à un pourcentage par tranche du produit brut desdits jeux assimilés, est calculée comme suit :
Brutowinst in mioPercentage
0-5020
50-10025
100-15030
150-25035
250-35040
350-50045
500 en meer50 "
Brutowinst in mioPercentage0-502050-10025100-15030150-25035250-35040350-50045500 en meer50 "
Bénéfice brut en millionsPourcentage
0-5020
50-10025
100-15030
150-25035
250-35040
350-50045
500 et plus50"
Bénéfice brut en millionsPourcentage0-502050-10025100-15030150-25035250-35040350-50045500 et plus50"
  D. In artikel 45, van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, tweede lid, worden de in frank uitgedrukte bedragen vermeld in de eerste kolom van de tabel vervangen door de in euro uitgedrukte bedragen vermeld in de tweede kolom van de tabel.
  D. A l'article 45 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le § 1er, alinéa deux, les montants libellés en francs mentionnés dans la première colonne du tableau sont remplacés par les montants libellés en euros, mentionnés dans la deuxième colonne du tableau.
50 miljoen1 200 000 euro
100 miljoen2 450 000 euro
150 miljoen3 700 000 euro
250 miljoen6 150 000 euro
350 miljoen8 650 000 euro
500 miljoen12 350 000 euro
50 miljoen1 200 000 euro100 miljoen2 450 000 euro150 miljoen3 700 000 euro250 miljoen6 150 000 euro350 miljoen8 650 000 euro500 miljoen12 350 000 euro
50 millions1.200.000 euros
100 millions2.450.000 euros
150 millions3.700.000 euros
250 millions6.150.000 euros
350 millions8.650.000 euros
500 millions12.350.000 euros
50 millions1.200.000 euros100 millions2.450.000 euros150 millions3.700.000 euros250 millions6.150.000 euros350 millions8.650.000 euros500 millions12.350.000 euros
  2° in § 2, eerste lid, wordt het bedrag " 35 miljoen frank " vervangen door het bedrag " 865 000 euro ".
  2° dans le § 2, alinéa 1er, le montant " 35 millions de francs " est remplacé par le montant " 865 000 euros ".
Art. 24. A. Artikel 46 van hetzelfde Wetboek, vervangen door artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 14 van 18 april 1967, gewijzigd bij artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 augustus 1980 en bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 30 december 1980 en opgeheven bij artikel 3 van het decreet van 13 april 1999, wordt hersteld als volgt :
  " Art. 46. Een belasting van 10 frank wordt geheven voor elke duivenring verkocht door de verenigingen en bonden die door de minister van Financiën zijn erkend. ".
  B. Artikel 46 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.
Art. 24. A. L'article 46 du même Code, inséré par l'article 4 de l'arrêté royal n° 14 du 18 avril 1967, modifié par l'article 3 de l'arrêté royal du 22 août 1980, par l'article 2 de l'arrêté royal du 30 décembre 1980 et abrogé par l'article 3 du décret du 13 avril 1999, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " Art. 46. Il est perçu une taxe de 10 francs par bague pour pigeon vendue par les associations et fédérations agréées par le Ministre des Finances. "
  B. L'article 46 du même Code est abrogé.
Art. 25. Artikel 47 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 14 van 18 april 1967, wordt opgeheven.
Art. 25. L'article 47 du même Code, abrogé par l'article 5 de l'arrêté royal n° 14 du 18 avril 1967, est abrogé.
Art. 26. De artikelen 48 tot 50 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij artikel 12 van het koninklijk besluit van 22 augustus 1980, worden opgeheven.
Art. 26. Les articles 48 à 50 du même Code, abrogés par l'article 12 de l'arrêté royal du 22 août 1980, sont abrogés.
Art. 27. A. Artikel 79, § 1, van hetzelfde Wetboek, laatst vervangen bij artikel 8, 1°, van het koninklijk besluit van 22 augustus 1980, wordt vervangen als volgt :
  " § 1. De toestellen worden volgens hun type ingedeeld in vijf categorieën, respectievelijk aangeduid door de tekens A, B, C, D en E. ".
  B. Artikel 79, § 2, van hetzelfde Wetboek, laatst vervangen bij artikel 8, 1°, van het koninklijk besluit van 22 augustus 1980 en gewijzigd bij artikel 47 van het decreet van 6 juli 2001, wordt vervangen als volgt :
  " § 2. De hierna omschreven automatische ontspanningstoestellen worden respectievelijk gerangschikt in de categorieën A, B, C, D en E, zoals bedoeld in § 1 :
  1° in de categorie A :
  a. de elektrische biljarten met veranderlijke inzet, gewoonlijk " Bingo " genaamd, waarvan het spel erin bestaat verscheidene ballen of kogels in de op het horizontaal vlak van het toestel gemaakte gaten te plaatsen met het doel, naargelang van het type van toestel, op het paneel van het verticaal vlak verscheidene cijfers of tekens op een horizontale, verticale of diagonale lijn of in een bepaalde zone te belichten;
  b. de elektrische biljarten met veranderlijke inzet, gewoonlijk " One-ball " genaamd, waarvan het spel erin bestaat op het horizontaal vlak van het toestel een bal of kogel te plaatsen in een der gaten dat hetzelfde cijfer draagt als het cijfer dat op het paneel van het verticaal vlak verlicht is;
  c. de automatische ontspanningstoestellen, inbegrepen deze bedoeld sub 3° tot 5° hierna, die aan de speler of gebruiker toelaten, zelfs toevallig, tenminste het bedrag van de gedane inzet in specie of in de vorm van penningen terug te winnen en/of prijzen te winnen, in natura of in de vorm van premiebons, met een handelswaarde van ten minste tweehonderd vijftig frank;
  2° in de categorie B :
  de automatische ontspanningstoestellen bedoeld sub 1°, letter c, wanneer zij onderworpen zijn aan de verminderde belasting, zoals bedoeld in artikel 81;
  3° in de categorie C :
  a. de automatische kranen met grijp- of duwarm;
  b. de elektrische biljarten met vaste inzet, gewoonlijk " Pin-Ball ", " Flipper " of " Flip-Tronic " genaamd, waarvan het spel erin bestaat ballen of kogels te lanceren die, door hun aanraking met sommige hinderpalen, welke zich op het horizontaal vlak van het toestel bevinden, op het paneel van het verticaal vlak het resultaat van het spel zichtbaar maken in de vorm van punten, tekens of afbeeldingen;
  c. de automatische kegelspelen, die normaal verplaatsbaar zijn en gewoonlijk het gebruik van ballen of kogels vereisen;
  d. de automatische pokerspelen, gewoonlijk " Jolly Joker " genaamd;
  e. de automatische ontspanningstoestellen die simultaan films of beelden projecteren en klank verspreiden;
  4° in de categorie D :
  a. de automatische platenspelers, gewoonlijk " Juke-Box " genaamd, welke uitsluitend muziek verspreiden, zelfs indien ze op afstand in werking worden gesteld;
  b. de automatische kegelspelen, die normaal verplaatsbaar zijn en gewoonlijk het gebruik van schijven vereisen;
  c. de automatische schietapparaten;
  d. de elektrische golf-, hockey-, tennis- en voetbalspelen, het elektrisch balspel van het model " Spinner ", alsmede de elektrische toestellen van het model " Base-ball ", " Basket-ball ", " Drop-ball ", " Skee-ball ", " Skee-fun ", " All-Star Bowler ", " Ten Strike ";
  e. ieder elektrisch biljart deel uitmakend van het normaal op foren en kermissen ingericht competitiespel, gewoonlijk " Bumper " genaamd;
  5° in de categorie E :
  alle automatische ontspanningstoestellen die ter uitvoering van § 3 bij de minister van Financiën werden aangegeven en die niet in een van de categorieën A tot D zijn gerangschikt. ".
  C. In artikel 79, § 2, 1°, c, van hetzelfde Wetboek, wordt het bedrag " tweehonderd vijftig frank " vervangen door het bedrag " 6,20 euro ".
  D. Artikel 79, § 2, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld als volgt :
  " Wanneer technische, economische of sociale omstandigheden het vereisen, kan de categorie waarin een type toestel moet worden gerangschikt, vastgesteld of gewijzigd worden door de Vlaamse Regering, na raadpleging van de betrokken beroepsverenigingen. Voor de rangschikking van een toestel wordt rekening gehouden met zijn rendabiliteit, de aard van het aangeboden spel en de menigvuldigheid van de inzet, met dien verstande, dat de toestellen die uitsluitend als automatische platenspelers dienen, niet hoger mogen worden gerangschikt dan in de categorie D.
  De Vlaamse Regering zal een ontwerp van decreet tot bevestiging van de besluiten genomen ter uitvoering van het tweede lid aanhangig maken bij de Vlaamse Raad, onmiddellijk indien zij verenigd is, in het tegenovergestelde geval vanaf de opening van haar volgende zitting. ".
Art. 27. A. L'article 79, § 1er, du même Code, remplacé en dernier lieu par l'article 8, 1° de l'arrêté royal du 22 août 1980, est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1. Les appareils sont répartis, selon leur type, en cinq catégories désignées respectivement par les symboles A, B, C, D et E. "
  B. L'article 79, § 2, du même Code, remplacé en dernier lieu par l'article 8, 1° de l'arrêté royal du 22 août 1980 et modifié par l'article 47 du décret du 6 juillet 2001, est remplacé par la disposition suivante :
  " § 2. Les appareils automatiques de divertissement désignés ci-après sont classés respectivement dans les catégories A, B, C, D et E visées au § 1er :
  1° dans la catégorie A :
  a. les billards électriques à mise variable, généralement dénommés " Bingo ", dont le jeu consiste à loger plusieurs boules ou billes dans des trous pratiqués dans le plan horizontal de l'appareil, à l'effet d'éclairer, sur le panneau du plan vertical, plusieurs chiffres ou signes sur une ligne horizontale, verticale ou diagonale, ou encore dans une zone déterminée, selon le type de l'appareil;
  b. les billards électriques à mise variable, généralement dénommés " One Ball ", dont le jeu consiste à loger sur le plan horizontal de l'appareil, une boule ou bille dans un des trous portant le même chiffre que celui qui est éclairé sur le panneau du plan vertical;
  c. les appareils automatiques de divertissement, y compris ceux visés sous 3° à 5° ci-après, lorsqu'ils permettent, même occasionnellement, au joueur ou à l'utilisateur de regagner, en espèces ou sous la forme de jetons, au moins le montant de sa mise et/ou de gagner des prix, en nature ou sous la forme de bons-primes, d'une valeur commerciale d'au moins deux cent cinquante francs;
  2° dans la catégorie B :
  les appareils automatiques de divertissement visés sous 1°, lettre c, lorsqu'ils sont soumis à la taxe réduite prévue par l'article 81;
  3° dans la catégorie C :
  a. les grues automatiques munies de griffes ou de bras poussoir;
  b. les billards électriques à mise fixe, généralement dénommés " Pin-Ball ", " Flipper " ou " Flip-Tronic ", dont le jeu consiste à lancer des boules ou des billes qui, au contact de certains obstacles, se trouvant sur le plan horizontal de l'appareil, font apparaître, sur le panneau du plan vertical, le résultat du jeu sous la forme de points, de signes ou de figurines;
  c. les jeux automatiques de quilles qui sont normalement amovibles et qui requièrent habituellement l'emploi de boules ou de billes;
  d. les jeux automatiques de poker, généralement dénommés " Jolly Joker ";
  e. les appareils automatiques qui, simultanément, projettent des films ou des images et diffusent des sons;
  4° dans la catégorie D :
  a. les tourne-disques automatiques, y compris ceux généralement dénommés " Juke-box ", qui diffusent exclusivement de la musique, même s'ils sont mis en marche à distance;
  b. les jeux automatiques de quilles qui sont normalement amovibles et qui requièrent habituellement l'emploi de disques;
  c. les appareils automatiques de tir;
  d. les jeux électriques de golf, de hockey, de tennis et de football, le jeu de balle électrique du modèle " Spinner ", ainsi que les appareils électriques du modèle " Base-ball ", " Basket-ball ", " Drop-ball ", " Skee-ball ", " Skee-fun ", " All-Star Bowler ", " Ten Strike ";
  e. chaque billard électrique faisant partie du jeu de compétition généralement dénommé " Bumper ", qui est normalement installé sur les foires et les kermesses;
  5° dans la catégorie E :
  tous les appareils automatiques qui ont été déclarés au Ministre des Finances en exécution du paragraphe 3 et qui ne sont pas classés dans l'une des catégories A à D. "
  C. Dans l'article 79, § 2, 1°, c, du même Code, le montant " deux cent cinquante francs " est remplacé par le montant " 6 20 euros ".
  D. L'article 79, § 2 du même Code est complété comme suit :
  " Lorsque les contingences techniques, économiques ou sociales rendent ces mesures nécessaires, la catégorie dans laquelle un type d'appareil doit être classé peut être fixée ou modifiée par le Gouvernement flamand, après consultation des unions professionnelles intéressées. Pour la classification d'un appareil, il est tenu compte de sa rentabilité, de la nature du jeu proposé et de la multiplicité de la mise, étant entendu qu'un appareil servant exclusivement de tourne-disque automatique ne peut être classé dans une catégorie supérieure à la catégorie D.
  Le Gouvernement flamand saisira le Conseil flamand, immédiatement s'il est réuni, sinon dès l'ouverture de sa plus prochaine session, d'un projet de décret de confirmation des arrêtés pris en exécution de l'alinéa deux. "
Art. 28. A. Artikel 80, § 1, van hetzelfde Wetboek, laatst vervangen door artikel 9 van het koninklijk besluit van 22 augustus 1980, gewijzigd bij artikel 62 van het decreet van 21 december 1990 en bij artikel 37 van het decreet van 6 juli 2001, wordt vervangen als volgt :
  " § 1. Het bedrag van de belasting wordt als volgt bepaald :
Art. 28. A. L'article 80, § 1er du même Code, modifié par l'article 9 de l'arrêté royal du 22 août 1980, modifié par l'article 62 du décret du 21 décembre 1990 et par l'article 37 du décret du 6 juillet 2001, est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Le montant de la taxe est fixé comme suit :
Categorie van toestellenBedrag van de belasting
A36 000 F
B26 000 F
C7 000 F
D5 000 F
E3 000 F "
Categorie van toestellenBedrag van de belastingA36 000 FB26 000 FC7 000 FD5 000 FE3 000 F "
Catégorie des appareilsMontant de l'impôt
A36 000 francs
B26 000 francs
C7 000 francs
D5 000 francs
E3 000 francs"
Catégorie des appareilsMontant de l'impôtA36 000 francsB26 000 francsC7 000 francsD5 000 francsE3 000 francs"
  B. Artikel 80, § 1, van hetzelfde Wetboek, wordt als volgt vastgesteld :
  " § 1. Het bedrag van de belasting wordt als volgt bepaald :
  B. L'article 80, § 1er du même Code, est fixé comme suit :
  " § 1er. Le montant de la taxe est fixé comme suit :
Categorie van toestellenBedrag van de belasting
A144 000 F
B52 000 F
C14 000 F
D10 000 F
E6 000 F "
Categorie van toestellenBedrag van de belastingA144 000 FB52 000 FC14 000 FD10 000 FE6 000 F "
Catégorie des appareilsMontant de impôt
A144 000 francs
B52 000 francs
C14 000 francs
D10 000 francs
E6 000 francs"
Catégorie des appareilsMontant de impôtA144 000 francsB52 000 francsC14 000 francsD10 000 francsE6 000 francs"
  C. In artikel 80, § 1, van hetzelfde Wetboek, worden de in frank uitgedrukte bedragen vermeld in de eerste kolom van de tabel vervangen door de in euro uitgedrukte bedragen vermeld in de tweede kolom van de tabel.
  C. Dans l'article 80, § 1er, du même Code, les montants libellés en francs mentionnés dans la première colonne du tableau sont remplacés par les montants libellés en euros, mentionnés dans la deuxième colonne du tableau.
144 0003 570 euro
52 0001 290 euro
14 000350 euro
10 000250 euro
6 000150 euro
144 0003 570 euro52 0001 290 euro14 000350 euro10 000250 euro6 000150 euro
144 0003 570 euros
52 0001 290 euros
14 000350 euros
10 000250 euros
6 000150 euros
144 0003 570 euros52 0001 290 euros14 000350 euros10 000250 euros6 000150 euros
Art. 29. A. Artikel 81 van hetzelfde Wetboek, vervangen door artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 14 van 18 april 1967, gewijzigd bij artikel 7 van de wet van 24 december 1976, bij artikel 10 van het koninklijk besluit van 22 augustus 1980, bij de artikelen 12 en 13 van het decreet van 20 december 1996 en bij artikel 3 van het decreet van 19 april 2002, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 81. De belasting wordt verminderd tot :
  1° 1/10 van haar bedrag voor het hele jaar, voor de toestellen toebehorende aan foorreizigers en opgesteld op de foren en de hiermede gelijkgestelde plaatsen. De aldus verminderde belasting mag niet minder dan 500 frank bedragen;
  2° 1/2 van haar bedrag voor het hele jaar voor de toestellen uitsluitend opgesteld in een seizoenbedrijf. Wordt als dusdanig aangezien, elk bedrijf met uitsluiting van de drankgelegenheden, dat niet meer dan zes maanden per jaar voor het publiek toegankelijk is. Dat tijdperk kan met dertig dagen worden verlengd op voorwaarde dat er vooraf aangifte wordt van gedaan bij de hoofdcontroleur van de directe belastingen in wiens gebied die toestellen staan opgesteld. ".
  B. Artikel 81, 1°, van hetzelfde Wetboek, wordt vervangen als volgt :
  " De belasting wordt verminderd tot 1/10 van haar bedrag van het hele jaar van de toestellen die eigendom zijn van foorreizigers en opgesteld zijn in mobiele installaties op foren, jaarmarkten, handelsforen, wijkkermissen en feestelijkheden met een maximale duur van 10 weken waar tevens andere foorkramen aanwezig zijn. De aldus verminderde belasting mag niet minder dan 500 F bedragen. ".
  C. Artikel 81, 2°, van hetzelfde Wetboek, wordt opgeheven.
  D. In artikel 81, 1°, van hetzelfde Wetboek, wordt het bedrag " 500 F " vervangen door het bedrag " 12,50 euro ".
Art. 29. A. L'article 81 du même Code, remplacé par l'article 17 de l'arrêté royal n° 14 du 18 avril 1967, modifié par l'article 7 de la loi du 24 décembre 1976, par l'article 10 de l'arrêté royal du 22 août 1980, par les articles 12 et 13 du décret du 20 décembre 1996 et par l'article 3 du décret du 19 avril 2002, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 81. La taxe est réduite a :
  1° 1/10 de son montant relatif à l'année entière pour les appareils appartenant à un industriel forain et installés sur le champ de foire et les endroits similaires. La taxe ainsi réduite ne peut être inférieure à 500 francs;
  2° 1/2 de son montant relatif à l'année entière pour les appareils placés exclusivement dans une exploitation saisonnière. Est considérée comme telle, toute exploitation, à l'exception des débits de boissons, qui n'est accessible au public que six mois par an au maximum. Cette période peut être prolongée de trente jours à condition que la déclaration en soit faite préalablement au contrôleur en chef des contributions directes dans le ressort duquel sont placés les appareils. "
  B. L'article 81, 1° du même Code est remplacé par la disposition suivante :
  " La taxe est réduite à 1/10e de son montant de l'année entière, pour les appareils appartenant à un industriel forain et installés dans des dispositifs mobiles sur le champ de foire, sur les foires annuelles, les bourses de commerce, les kermesses de quartier et à l'occasion de festivités dont la durée maximale est de dix semaines et où des autres attractions de fête foraine sont présentes. La taxe ainsi réduite ne peut être inférieure à 500 francs. "
  C. L'article 81, 2° du même Code est abrogé.
  D. Dans l'article 81, 1°, du même Code, le montant " 500 F " est remplacé par le montant " 12,50 EUR ".
Art. 30. In het koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° artikel 35, vervangen door artikel 1 van het koninklijk besluit van 24 mei 1978, wordt opgeheven;
  2° in artikel 35bis, § 1, eerste lid, ingevoegd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 24 mei 1978, worden de woorden " bij artikel 35 " vervangen door de woorden " in artikel 45, § 2, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen ";
  3° artikel 56, vervangen door artikel 6 van het koninklijk besluit van 10 november 1980 en gewijzigd bij artikel 47 van het decreet van 6 juli 2001, wordt opgeheven.
Art. 30. A l'arrêté royal du 8 juillet 1970 portant règlement général des taxes assimilées aux impôts sur les revenus, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'article 35, remplacé par l'article 1er de l'arrêté royal du 24 mai 1973, est abrogé;
  2° dans l'article 35bis, § 1er, alinéa 1er, inséré par l'article 1er de l'arrêté royal du 24 mai 1978, les mots " à l'article 35 " sont remplacés par les mots " à l'article 45, § 2 du Code des taxes assimilées aux impôts sur les revenus ";
  3° l'article 56, remplacé par l'article 6 de l'arrêté royal du 10 novembre 1980 et modifié par l'article 47 du décret du 6 juillet 2001, est abrogé.
Afdeling III. - Leegstandsheffing Woningen.
Section III. - Taxe sur l'inoccupation d'habitations.
Art. 31. In artikel 42, § 2, van het decreet van 22 december 1995 houdende uitvoering van de bepalingen van de begroting 1996, zoals gewijzigd bij het decreet van 8 juli 1997, wordt punt 2° vervangen door wat volgt :
  " 2° gebouwen en/of woningen die in het kader van het decreet van 3 maart 1976 beschermd zijn als monument of stads- en dorpsgezicht of die bij ministerieel besluit opgenomen zijn in een ontwerp van lijst tot bescherming in het kader van dit decreet. ".
Art. 31. Dans l'article 42, § 2, du décret du 22 décembre 1995 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1996, modifié par le décret du 8 juillet 1997, le point 2° est remplacé par la disposition suivante :
  " 2° les bâtiments et/ou habitations classés comme monument dans le cadre du décret du 3 mars 1976 réglant la protection des monuments et des sites urbains et ruraux ou qui sont inscrits par arrêté ministériel sur la liste de protection dans le cadre du présent décret. "
Afdeling IV. - Onroerende Voorheffing.
Section IV. - Précompte immobilier.
Art. 32. In zover de decreten en de uitvoeringsbesluiten van de Vlaamse overheid er niet van afwijken worden alle wettelijke wijzigingen aan het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 die in werking zijn getreden vanaf 1 januari 2002 tot en met 30 september 2006 met terugwerkende kracht tot datum van hun respectievelijke inwerkingtreding zonder inhoudelijke wijziging overeenkomstig van toepassing verklaard op de onroerende voorheffing in het Vlaamse Gewest.
  Het eerste lid geldt niet voor het artikel 7 van de Programmawet van 20 juli 2006 waarbij het artikel 371 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 werd gewijzigd met ingang van 1 augustus 2006.
Art. 32. Dans la mesure où les décrets et arrêtés d'exécution de l'autorité flamande n'en dérogent pas, toutes les modifications légales du Code des impôts sur les revenus 1992 qui sont entrées en vigueur le 1er janvier 2002 jusqu'au 30 septembre 2006 avec effet rétroactif jusqu'à la date de leur entrée en vigueur respective, sont déclarées applicables par analogie, sans modification fondamentale, sur le précompte immobilier en Région flamande.
  L'alinéa 1er ne s'applique pas à l'article 7 de la Loi programme du 20 juillet 2006 qui a modifié l'article 371 du Code des impôts sur les revenus 1992 à partir du 1er août 2006.
HOOFDSTUK VII. - Leefmilieu.
CHAPITRE VII. - Environnement.
Afdeling I. - Watervang.
Section Ire. - Prise d'eau.
Art. 33. In artikel 83 van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen, alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991, gewijzigd bij de decreten van 18 december 1992, 22 december 1995, 20 december 1996, 19 december 1997 en 21 december 2001 wordt § 2 vervangen door wat volgt :
  " § 2. Het bedrag verschuldigd voor het capteren van water wordt vastgesteld als volgt :
Art. 33. Dans l'article 83 du décret du 21 décembre 1990 contenant des dispositions techniques budgétaires ainsi que les dispositions accompagnant le budget 1991, modifié par les décrets des 18 décembre 1992, 22 décembre 1995, 20 décembre 1996, 19 décembre 1997 et 21 décembre 2001, le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 2. Le montant dû pour le captage d'eau est fixé comme suit :
Waterafname in m3/jaar :euro/m3
1. voor de schijf van minder dan 1 000 000 m30,043381;
2. voor de schijf van 1 000 000 tot 9 999 999 m30,025161;
3. voor de schijf van 10 000 000 tot 99 999 999 m30,012959;
4. voor de schijf boven 99 999 999 m30,002499.
Waterafname in m3/jaar :euro/m31. voor de schijf van minder dan 1 000 000 m30,043381;2. voor de schijf van 1 000 000 tot 9 999 999 m30,025161;3. voor de schijf van 10 000 000 tot 99 999 999 m30,012959;4. voor de schijf boven 99 999 999 m30,002499.
 Captage d'eau en m3/an :EUR/m3
1pour la tranche de moins de 1 000 000 m30,043381
2pour la tranche de 1 000 000 m3 à 9 999 999 m30,025161
3pour la tranche de 10 000 000 m3 à 99 999 999 m30,012959
4pour la tranche de plus de 99 999 999 m30,002499
Captage d'eau en m3/an :EUR/m31pour la tranche de moins de 1 000 000 m30,0433812pour la tranche de 1 000 000 m3 à 9 999 999 m30,0251613pour la tranche de 10 000 000 m3 à 99 999 999 m30,0129594pour la tranche de plus de 99 999 999 m30,002499
  De captatie van minder dan 500 m3 per jaar is gratis. ".
  Le captage d'eau de moins de 500 m3 par an est gratuit. "
Afdeling II. - Bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2005 houdende de overdracht van sommige personeelsleden van de administratie Waterwegen en Zeewezen aan de verzelfstandigde agentschappen Waterwegen en Zeekanaal en De Scheepvaart, samen met alle goederen die aan die personeelsleden verbonden zijn.
Section II. - Sanction de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 octobre 2005 portant transfert de certains membres du personnel de l'administration des Voies navigables et de la Marine vers les agences autonomisées " Waterwegen en Zeekanaal " (Voies navigables et Canal maritime) et " De Scheepvaart " (Navigation), conjointement avec tous les biens liés à ces membres du personnel.
Art. 34. Het besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2005 houdende de overdracht van sommige personeelsleden van de administratie Waterwegen en Zeewezen aan de verzelfstandigde agentschappen Waterwegen en Zeekanaal en De Scheepvaart, samen met alle goederen die aan die personeelsleden verbonden zijn, wordt bekrachtigd met ingang van 1 november 2005, de dag van zijn inwerkingtreding.
  De Vlaamse Regering bepaalt bij besluit welke personeelsleden, die tewerkgesteld zijn bij de managementondersteunende diensten inzake personeelsaangelegenheden, facilitair management, informatie- en communicatietechnologie, boekhouding, begroting en juridische aangelegenheden van het departement van het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken, samen met de goederen die verbonden zijn met hun werking om niet worden overgedragen aan het agentschap Waterwegen en Zeekanaal.
  De bevoegdheid die in het tweede lid van dit artikel aan de Vlaamse Regering wordt opgedragen, vervalt op de datum van de toewijzing van het personeel samen met de goederen die verbonden zijn met hun werking.
Art. 34. L'arrêté du Gouvernement flamand du 14 octobre 2005 portant transfert de certains membres du personnel de l'administration des Voies navigables et de la Marine vers les agences autonomisées " Waterwegen en Zeekanaal " (Voies navigables et Canal maritime) et " De Scheepvaart " (Navigation), conjointement avec tous les biens liés à ces membres du personnel, est sanctionné à partir du 1er novembre, le jour de son entrée en vigueur.
  Le Gouvernement flamand détermine par arrêté les membres du personnel occupés par les services d'assistance au management en matière d'affaires du personnel, gestion facilitaire, technologie d'information et de communication, comptabilité, budget et affaires juridiques du département du domaine politique de la Mobilité et des Travaux publics, ainsi que les biens liés à leur fonctionnement qui sont transférés à titre gratuit à l'agence " Waterwegen en Zeekanaal " (Voies navigables et Canal maritime).
  La compétence qui est assignée au Gouvernement flamand par l'alinéa deux du présent article, expire à la date d'attribution du personnel et des biens qui sont liés à leur fonctionnement.
Afdeling III. - Oppervlaktewateren.
Section III. - Eaux de surface.
Art. 35. In artikel 35bis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging wordt § 4 vervangen door wat volgt :
  " § 4. Elke rechtspersoon die in het Vlaamse Gewest een zuiveringstechnisch werk exploiteert waarin uitsluitend afvalwater van de openbare riolering (met inbegrip van afvalstoffen afkomstig van septische putten en vetvangers waarin uitsluitend huishoudelijk afvalwater wordt geleid, per as aangevoerde afvalwaters, slibs afkomstig van openbare rioolwaterzuiveringsinstallaties en/of slibs afkomstig van het onderhoud van collectoren en pompstations) wordt behandeld en dat aangesloten is op het openbaar hydrografisch net, is van heffing vrijgesteld voor wat betreft de lozing van de effluentwaters van voornoemde openbare rioolwaterzuiveringsinstallaties.
  Een slibverbrandingsinstallatie waarmee het zuiveringstechnisch werk een milieutechnische eenheid vormt is geen onderdeel van het zuiveringstechnisch werk. ".
Art. 35. Dans l'article 35bis de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution, le § 4 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 4. Toute personne morale exploitant en Région flamande une installation d'épuration traitant exclusivement les eaux usées des égouts publics (y compris les déchets provenant des fosses septiques et collecteurs de graisse utilisés uniquement pour des eaux usées d'origine domestique, les eaux usées amenées par axe, les boues en provenance d'installations d'épuration des eaux d'égout et/ou les boues en provenance de l'entretien de collecteurs et stations de pompage) et qui est raccordée au réseau hydrographique public, est exonérée de la redevance, en ce qui concerne le déversement d'effluents provenant des installations d'épuration des eaux publiques susvisées.
  Une installation d'incinération de boues avec laquelle l'installation d'épuration constitue une unité écotechnique, ne fait pas partie intégrante de l'installation d'épuration. "
Art. 36. Aan artikel 35bis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging wordt een § 7 toegevoegd, die luidt als volgt :
  " § 7. Elke rechtspersoon die op het grondgebied van het Vlaamse Gewest in een grindwinningsgebied een groeve exploiteert waar overeenkomstig de beste beschikbare techniek grind wordt ontgonnen of verwerkt, is geen heffingsplichtige in de zin van § 3, voor zover het water integraal wordt teruggevoerd naar hetzelfde water als waaruit het is onttrokken en dit zonder gebruik te maken van de openbare riolering. Deze bepaling is niet van toepassing op sanitair waterverbruik of voor het gebruik van water voor eventuele andere activiteiten die op hetzelfde terrein worden uitgeoefend. ".
Art. 36. A l'article 35bis de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution, il est ajouté un § 7, rédigé comme suit :
  " § 7. Toute personne morale qui exploite une carrière dans une zone d'extraction de gravier en Région flamande où, conformément à la meilleure technique disponible, l'on exploite ou transforme du gravier, n'est pas un redevable au sens du § 3, dans la mesure où l'eau est intégralement réinjectée dans la même eau où elle a été captée et ce sans faire usage des égouts publics. Cette disposition ne s'applique pas à la consommation d'eau sanitaire ou d'eau affectée à d'autres activités entreprises sur le même terrain. ".
Art. 37. Met ingang van het heffingsjaar 2007 worden aan artikel 35ter, § 2, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, gewijzigd bij decreet van 23 december 2005, de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het tweede lid wordt de zin " Voor alle andere heffingsplichtigen wordt het eenheidstarief van de heffing vastgesteld op 22,6 euro " vervangen door de volgende zin : " Voor alle andere heffingsplichtigen wordt het eenheidstarief van de heffing vastgesteld op 25,7 euro ";
  2° in het vierde lid wordt de zin " Deze bepaling gaat in vanaf heffingsjaar 2006. " geschrapt.
Art. 37. A partir de l'année d'imposition 2007, l'article 35ter, § 2 de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface, modifié par le décret du 23 décembre 2005, est modifié comme suit :
  1° dans l'alinéa deux, la phrase " Pour tous les autres redevables, le tarif unitaire de la redevance est fixé à 22,6 euros " est remplacée par la phrase " Pour tous les autres redevables, le tarif unitaire de la redevance est fixée à 25,7 euros ".
  2° à l'alinéa quatre, la phrase " Cette disposition prend effet à partir de l'exercice d'imposition 2006 " est supprimée.
Art. 38. Artikel 35vicies, § 2, van dezelfde wet, ingevoegd bij decreet van 23 december 2005, wordt aangevuld als volgt :
  " - voor het heffingsjaar 2007 is deze coëfficiënt gelijk aan 0,828. ".
Art. 38. L'article 35vicies, § 2, de la même loi, inséré par le décret du 23 décembre 2005, est complété comme suit :
  " - pour l'année d'imposition 2007, ce coefficient est égal à 0,828 ".
Afdeling IV. - Water bestemd voor menselijke aanwending.
Section IV. - Eaux destinées à la consommation humaine.
Art. 39. In artikel 16bis, § 3, eerste lid, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, ingevoegd bij decreet van 24 december 2004, wordt de zin " De bijdrage voor de sanering op gemeentelijk vlak mag maximaal 1,5 keer de bijdrage voor de sanering op bovengemeentelijk vlak bedragen " vervangen door de zin " De bijdrage voor de sanering op gemeentelijk vlak mag ten opzichte van de bijdrage voor de sanering op bovengemeentelijk vlak maximaal 1,5 keer hoger zijn voor het water verbruikt in 2005 en 2006 en 1,4 keer hoger voor het water verbruikt in 2007 ".
Art. 39. Dans l'article 16bis, § 3, alinéa 1er, du décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine, inséré par le décret du 24 décembre 2004, la phrase " La contribution pour l'assainissement au niveau communal peut s'élever au maximum à 1,5 fois la contribution pour l'assainissement au niveau supracommunal " est remplacée par la phrase " La contribution pour l'assainissement au niveau communal peut être 1,5 fois supérieure à la contribution pour l'assainissement au niveau supracommunal pour l'eau consommée en 2005 et 2006 et 1,4 fois supérieure pour l'eau consommée en 2007 ".
Afdeling V. - Grondwaterbeheer.
Section V. - Gestion des eaux souterraines.
Art. 40. In artikel 28quater, § 1, 2°, b), van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer wordt in de definitie van het begrip, in de tweede zin de woorden " in het heffingsjaar 2006 " vervangen door de woorden " in heffingsjaar 2007 ".
Art. 40. Dans l'article 28quater, § 1er, 2, b), du décret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines, les mots " dans l'année d'imposition 2006 " dans la définition de la notion, dans la deuxième phrase, sont remplacés par les mots " dans l'année d'imposition 2007 ".
Art. 41. In het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer wordt de bijlage vervangen door wat volgt :
  " Bijlage.
  I. Laagfactor.
Art. 41. Dans le décret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines, l'annexe est remplacée par l'annexe suivante :
  " Annexe.
  I. Facteur nappe.
CodeHydrogeologische hoofdeenheidlaagfactor
0100Quartaire aquifersystemen1
0200Kempens aquifersysteem1
0300Boom aquitard1
0400Oligoceen aquifersysteem1
0500Bartoon aquitardsysteem1
0600Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem1
0700Paniseliaan aquitard1
0800Ieperiaan aquifer1
0900Ieperiaan aquitardsysteem1
1000Paleoceen aquifersysteem1
1100Krijt aquifersysteem1
1200Jura Trias Perm1
1300Sokkel1
CodeHydrogeologische hoofdeenheidlaagfactor0100Quartaire aquifersystemen10200Kempens aquifersysteem10300Boom aquitard10400Oligoceen aquifersysteem10500Bartoon aquitardsysteem10600Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem10700Paniseliaan aquitard10800Ieperiaan aquifer10900Ieperiaan aquitardsysteem11000Paleoceen aquifersysteem11100Krijt aquifersysteem11200Jura Trias Perm11300Sokkel1
CodeUnité principale hydrogéologiquefacteur nappe
0100Systèmes aquifères quaternaires1
0200Système d'aquifère campinois1
0300Aquitard de Boom1
0400Système d'aquifère oligocène1
0500Système d'aquitard bartonien1
0600Système aquifère ledo-paniselien bruxellien1
0700Aquitard panisélien1
0800Aquifère ypresien1
0900Système d'aquitard yprésien1
1000Système aquifère paléocène1
1100Système aquifère crétacé1
1200Jurassique Trias Permien1
1300Socle1
CodeUnité principale hydrogéologiquefacteur nappe0100Systèmes aquifères quaternaires10200Système d'aquifère campinois10300Aquitard de Boom10400Système d'aquifère oligocène10500Système d'aquitard bartonien10600Système aquifère ledo-paniselien bruxellien10700Aquitard panisélien10800Aquifère ypresien10900Système d'aquitard yprésien11000Système aquifère paléocène11100Système aquifère crétacé11200Jurassique Trias Permien11300Socle1
  II. Gebiedsfactor.
  II. Facteur zone.
code gebiedHydrogeologische
  hoofdeenheid
ZoneGebiedsfactor
01000100Quartair aquifersysteem1
cks_02000200Kempens aquifersysteem1
blks_0400_10400niet afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem in het Brulandkrijtsysteem1
blks_0400_20400afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem in het Brulandkrijtsysteem1,25
blks_0400_30400depressietrechter van het afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem in het Brulandkrijtsysteem1,5
cvs_0400_10400niet afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem in het Centraal Vlaams Systeem1
cvs_0400_20400depressietrechter in het afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem in het Centraal Vlaams Systeem1,5
blks_0600_10600niet afgesloten deel van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem in het Brulandkrijtsysteemt1
blks_0600_20600afgesloten deel van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan-aquifersysteem in het Brulandkrijtsysteem1,25
blks_0600_30600depressietrechter van het afgesloten deel van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem in het Brulandkrijtsysteem1,75
cvs_0600_10600niet afgesloten deel van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem in het Centraal Vlaams systeem1
cvs_0600_20600afgesloten deel van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan-aquifersysteem in het Centraal Vlaams systeem1,25
cvs_0600_30600depressietrechter van het afgesloten deel van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem in het Centraal Vlaams systeem1,75
blks_0800_10800niet afgesloten deel van de Ieperiaan aquifer in het Brulandkrijtsysteem1
blks_0800_20800afgesloten deel van de Ieperiaan aquifer in het Brulandkrijtsysteem1,25
cvs_0800_10800niet afgesloten deel van de Ieperiaan aquifer in het Centraal Vlaams systeem1
cvs_0800_20800afgesloten deel van de Ieperiaan aquifer in het Centraal Vlaams systeem1,25
blks_1000_gwl_11000niet afgesloten deel van het Paleoceen aquifersysteem in het Brulandkrijtsysteem1
blks_1000_gwl_21000afgesloten deel van het Paleoceen aquifersysteem in het Brulandkrijtsysteem1,25
ss_1000_gwl_1-11000depressietrechter in het Paleoceen zonder alternatief in het Quartair (zone dun Q-dek en of dun verzilt gebied)1,5
ss_1000_gwl_1-21000depressietrechter in het Paleoceen met alternatief in het Quartair (buiten de zone met dun Q-dek en of dun verzilt gebied)2
ss_1000_gwl_21000niet afgesloten deel van het Paleoceen aquifersysteem in het Sokkelsysteem1,5
blks_1100_gwl_11100 + 1300niet afgesloten deel van het Krijt en de Sokkel het Brulandkrijtsysteem1
blks_1100_gwl_21100 + 1300afgesloten deel van het Krijt en de Sokkel in het Brulandkrijtsysteem1,25
ss_1300_gwl_11100 + 1300Kolenkalk1,5
ss_1300_gwl_21100 + 1300voedingsgebied van de Sokkel1,5
ss_1300_gwl_31100 + 1300depressietrechter in de regio Waregem in de Sokkel2
ss_1300_gwl_41100 + 1300Sokkel1,5
ss_1300_gwl_51100 + 1300depressietrechter in de regio Aalst2
code gebiedHydrogeologische
  hoofdeenheidZoneGebiedsfactor01000100Quartair aquifersysteem1cks_02000200Kempens aquifersysteem1blks_0400_10400niet afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem in het Brulandkrijtsysteem1blks_0400_20400afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem in het Brulandkrijtsysteem1,25blks_0400_30400depressietrechter van het afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem in het Brulandkrijtsysteem1,5cvs_0400_10400niet afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem in het Centraal Vlaams Systeem1cvs_0400_20400depressietrechter in het afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem in het Centraal Vlaams Systeem1,5blks_0600_10600niet afgesloten deel van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem in het Brulandkrijtsysteemt1blks_0600_20600afgesloten deel van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan-aquifersysteem in het Brulandkrijtsysteem1,25blks_0600_30600depressietrechter van het afgesloten deel van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem in het Brulandkrijtsysteem1,75cvs_0600_10600niet afgesloten deel van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem in het Centraal Vlaams systeem1cvs_0600_20600afgesloten deel van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan-aquifersysteem in het Centraal Vlaams systeem1,25cvs_0600_30600depressietrechter van het afgesloten deel van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem in het Centraal Vlaams systeem1,75blks_0800_10800niet afgesloten deel van de Ieperiaan aquifer in het Brulandkrijtsysteem1blks_0800_20800afgesloten deel van de Ieperiaan aquifer in het Brulandkrijtsysteem1,25cvs_0800_10800niet afgesloten deel van de Ieperiaan aquifer in het Centraal Vlaams systeem1cvs_0800_20800afgesloten deel van de Ieperiaan aquifer in het Centraal Vlaams systeem1,25blks_1000_gwl_11000niet afgesloten deel van het Paleoceen aquifersysteem in het Brulandkrijtsysteem1blks_1000_gwl_21000afgesloten deel van het Paleoceen aquifersysteem in het Brulandkrijtsysteem1,25ss_1000_gwl_1-11000depressietrechter in het Paleoceen zonder alternatief in het Quartair (zone dun Q-dek en of dun verzilt gebied)1,5ss_1000_gwl_1-21000depressietrechter in het Paleoceen met alternatief in het Quartair (buiten de zone met dun Q-dek en of dun verzilt gebied)2ss_1000_gwl_21000niet afgesloten deel van het Paleoceen aquifersysteem in het Sokkelsysteem1,5blks_1100_gwl_11100 + 1300niet afgesloten deel van het Krijt en de Sokkel het Brulandkrijtsysteem1blks_1100_gwl_21100 + 1300afgesloten deel van het Krijt en de Sokkel in het Brulandkrijtsysteem1,25ss_1300_gwl_11100 + 1300Kolenkalk1,5ss_1300_gwl_21100 + 1300voedingsgebied van de Sokkel1,5ss_1300_gwl_31100 + 1300depressietrechter in de regio Waregem in de Sokkel2ss_1300_gwl_41100 + 1300Sokkel1,5ss_1300_gwl_51100 + 1300depressietrechter in de regio Aalst2
Code zoneUnité
  hydrogéologique-principale
ZoneFacteur zone
01000100Système d'aquifère quaternaire1
cks_02000200Système d'aquifère campinois1
blks_0400_10400Partie non fermée du système d'aquifère oligocène dans le
   système Crétacé de Bruland
1
blks_0400_20400Partie fermée du système d'aquifère oligocène dans le
  système Crétacé de Bruland
1,25
blks_0400_30400Entonnoir de dépression de la partie fermée du
  système d'aquifère oligocène dans le système Crétacé de Bruland
1,5
cvs_0400_10400Partie non fermée du système aquifère oligocène
  dans le Système central flamand
1
cvs_0400_20400Entonnoir de dépression dans la partie fermée du
   système d'aquifère oligocène dans le Système central flamand
1,5
blks_0600_10600Partie non fermée du système d'aquifère ledo-paniselien
   bruxellien dans le système Crétacé de Bruland
1
blks_0600_20600Partie fermée du système d'aquifère ledo-paniselien
   bruxellien dans le système Crétacé de Bruland
1,25
blks_0600_30600Entonnoir de dépression de la partie fermée du système d'aquifère
   ledo-paniselien bruxellien dans le système Crétacé de Bruland
1,75
cvs_0600_10600Partie non fermée du système d'aquifère ledo-paniselien
   bruxellien dans le Système central flamand
1
cvs_0600_20600Partie fermée du système d'aquifère ledo-paniselien
   bruxellien dans le Système central flamand
1,25
cvs_0600_30600Entonnoir de dépression de la partie fermée du système d'aquifère
   ledo-paniselien bruxellien dans le Système central flamand
1,75
blks_0800_10800Partie non fermée du système d'aquifère ypresien
   dans le système Crétacé de Bruland
1
blks_0800_20800Partie fermée de l'aquifère ypresien
   dans le système Crétacé de Bruland
1,25
cvs_0800_10800Partie non fermée de l'aquifère ypresien
  dans le Système central flamand
1
cvs_0800_20800Partie fermée de l'aquifère ypresien
   dans le Système central flamand
1,25
blks_1000_gwl-11000Partie non fermée du système d'aquifère paléocène
   dans le système Crétacé de Bruland
1
blks_1000_gwl-21000Partie fermée du système aquifère paléocène
  dans le système Crétacé de Bruland
1,25
ss_1000_gwl_1-11000Entonnoir de dépression dans le Paléocène n'a pas d'influence
   sur le Quaternaire (mince zone Q-dek et/ou la mince zone salée)
1,5
ss_1000_gwl_1-21000Entonnoir de dépression dans le Paléocène n'a pas d'influence sur le
  Quaternaire (hors de la mince zone Q-dek et/ou la mince zone salée)
2
ss_1000_gwl_21000Partie non fermée du système aquifère paléocène
   dans le système du Socle
1,5
blks_1100_gwl_11100 + 1300Partie non fermée du Crétacé et du Socle dans le
  Système Crétacé de Bruland
1
blks_1100_gwl_21100 + 1300Partie fermée du Crétacé et du Socle dans le
  Système Crétacé de Bruland
1,25
ss_1300_gwl_11100 + 1300Carbonifère1,5
ss_1300_gwl_21100 + 1300Zone d'alimentation du Socle1,5
ss_1300_gwl_31100 + 1300Entonnoir de dépression dans la région
  de Waregem dans le Socle
2
ss_1300_gwl_41100 + 1300Socle1,5
ss_1300_gwl_51100 + 1300Entonnoir de dépression dans la région d'Alost2
Code zoneUnité
  hydrogéologique-principaleZoneFacteur zone01000100Système d'aquifère quaternaire1cks_02000200Système d'aquifère campinois1blks_0400_10400Partie non fermée du système d'aquifère oligocène dans le
   système Crétacé de Bruland1blks_0400_20400Partie fermée du système d'aquifère oligocène dans le
  système Crétacé de Bruland1,25blks_0400_30400Entonnoir de dépression de la partie fermée du
  système d'aquifère oligocène dans le système Crétacé de Bruland1,5cvs_0400_10400Partie non fermée du système aquifère oligocène
  dans le Système central flamand1cvs_0400_20400Entonnoir de dépression dans la partie fermée du
   système d'aquifère oligocène dans le Système central flamand1,5blks_0600_10600Partie non fermée du système d'aquifère ledo-paniselien
   bruxellien dans le système Crétacé de Bruland1blks_0600_20600Partie fermée du système d'aquifère ledo-paniselien
   bruxellien dans le système Crétacé de Bruland1,25blks_0600_30600Entonnoir de dépression de la partie fermée du système d'aquifère
   ledo-paniselien bruxellien dans le système Crétacé de Bruland1,75cvs_0600_10600Partie non fermée du système d'aquifère ledo-paniselien
   bruxellien dans le Système central flamand1cvs_0600_20600Partie fermée du système d'aquifère ledo-paniselien
   bruxellien dans le Système central flamand1,25cvs_0600_30600Entonnoir de dépression de la partie fermée du système d'aquifère
   ledo-paniselien bruxellien dans le Système central flamand1,75blks_0800_10800Partie non fermée du système d'aquifère ypresien
   dans le système Crétacé de Bruland1blks_0800_20800Partie fermée de l'aquifère ypresien
   dans le système Crétacé de Bruland1,25cvs_0800_10800Partie non fermée de l'aquifère ypresien
  dans le Système central flamand1cvs_0800_20800Partie fermée de l'aquifère ypresien
   dans le Système central flamand1,25blks_1000_gwl-11000Partie non fermée du système d'aquifère paléocène
   dans le système Crétacé de Bruland1blks_1000_gwl-21000Partie fermée du système aquifère paléocène
  dans le système Crétacé de Bruland1,25ss_1000_gwl_1-11000Entonnoir de dépression dans le Paléocène n'a pas d'influence
   sur le Quaternaire (mince zone Q-dek et/ou la mince zone salée)1,5ss_1000_gwl_1-21000Entonnoir de dépression dans le Paléocène n'a pas d'influence sur le
  Quaternaire (hors de la mince zone Q-dek et/ou la mince zone salée)2ss_1000_gwl_21000Partie non fermée du système aquifère paléocène
   dans le système du Socle1,5blks_1100_gwl_11100 + 1300Partie non fermée du Crétacé et du Socle dans le
  Système Crétacé de Bruland1blks_1100_gwl_21100 + 1300Partie fermée du Crétacé et du Socle dans le
  Système Crétacé de Bruland1,25ss_1300_gwl_11100 + 1300Carbonifère1,5ss_1300_gwl_21100 + 1300Zone d'alimentation du Socle1,5ss_1300_gwl_31100 + 1300Entonnoir de dépression dans la région
  de Waregem dans le Socle2ss_1300_gwl_41100 + 1300Socle1,5ss_1300_gwl_51100 + 1300Entonnoir de dépression dans la région d'Alost2
  De Vlaamse Regering legt deze gebieden op kaart vast. ".
  Le Gouvernement flamand cartographie ces zones. "
HOOFDSTUK VIII. - IVA VMM.
CHAPITRE VIII. - AAI VMM.
Art. 42. § 1. De artikelen 20 en 24 van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer worden opgeheven.
  § 2. In artikel 23 van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede de bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991 wordt § 2 opgeheven.
  § 3. In artikel X.2.5, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid worden de punten 13° en 14° vervangen door wat volgt :
  " 13° de inkomsten voortvloeiend uit :
  a) de bijstand van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw en van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling in verband met programma's die betrekking hebben op de waterhuishouding;
  b) de vrijwillige, contractuele, reglementaire of decretale bijdragen van natuurlijke personen, rechtspersonen, openbare besturen en instellingen ter verwezenlijking van de doelstellingen vermeld in artikelen 5, 8, 9 en 13 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen, van titel V van de wet van 5 juli 1956 betreffende de wateringen en van titel V van de wet van 3 juni 1957 betreffende de polders;
  c) de opbrengst van administratieve geldboeten en alle bedragen welke door de diensten van het Vlaamse Gewest worden geïnd ten laste van de overtreders van de wetgeving en reglementering inzake waterhuishouding, polders en wateringen;
  d) de opbrengsten van concessies verhuur en van vervreemdingen van eigendommen, installaties en aanhorigheden, die verworven werden met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen inzake waterhuishouding, polders en wateringen;
  14° de bijdragen van de natuurlijke of rechtspersonen naar privaat of publiek recht die door hun activiteiten de schade bedoeld bij het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer kunnen veroorzaken of verergeren en ten aanvullende titel door leningen op korte termijn waaraan de Vlaamse Regering de gewestwaarborg kan hechten. De Vlaamse Regering bepaalt het aandeel van elk soort inkomsten en de criteria om te bepalen wie bijdrageplichtig is, het bedrag en de modaliteiten van de inning. ".
  § 4. Aan artikel X.2.5 van hetzelfde decreet worden een § 5 en een § 6 toegevoegd, die luiden als volgt :
  " § 5. 1° Bij de Vlaamse Milieumaatschappij wordt een Fonds voor de Waterhuishouding opgericht;
  2° het Fonds voor de Waterhuishouding wordt gestijfd door de in § 1, 13°, vermelde ontvangsten;
  3° het per 12 mei 2006 beschikbaar saldo en de op die datum nog openstaande vorderingen, verbintenissen en verplichtingen van het Fonds voor de Waterhuishouding opgericht bij decreet van 22 november 1995, artikel 17, worden overgedragen naar het Fonds voor de Waterhuishouding, opgericht bij dit decreet;
  4° de middelen van het Fonds voor de Waterhuishouding kunnen aangewend worden voor al wat dienen kan in het raam van het beleid inzake waterhuishouding, voor de polders en de wateringen, met uitzondering evenwel van de loon- en werkingskosten van de IVA VMM.
  § 6. 1° Bij de Vlaamse Milieumaatschappij wordt een Fonds voor het Grondwaterbeheer opgericht;
  2° het Fonds voor het Grondwaterbeheer wordt gestijfd door de in § 1, 14°, vermelde ontvangsten;
  3° het per 12 mei 2006 beschikbaar saldo en de op die datum nog openstaande vorderingen, verbintenissen en verplichtingen van het Schadefonds opgericht bij decreet van 24 januari 1984 en gewijzigd bij decreet van 12 december 1990, worden overgedragen naar het Fonds voor het Grondwaterbeheer, opgericht bij dit decreet;
  4° de middelen van het Fonds voor het Grondwaterbeheer kunnen aangewend worden om :
  a. voorschotten te verlenen in de gevallen van schade bedoeld in artikel 14 van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, met inbegrip van voorschotten ter financiering van studies en expertises die noodzakelijk zijn voor het vaststellen van deze schade;
  b. algemene maatregelen en studies te financieren die deze schade kunnen voorkomen en beperken met inbegrip van studies die worden uitgevoerd binnen het kader van belangrijke geplande of bestaande grondwaterwinningen en die kunnen worden gebruikt als objectieve basis bij elk deskundig onderzoek, binnen het kader van een vordering tot vergoeding van schade, veroorzaakt door grondwaterwinning. ".
Art. 42. § 1er. Les articles 20 et 24 du décret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines, sont abrogés.
  § 2. Le § 2 de l'article 23 du décret du 21 décembre 1990 contenant des dispositions techniques budgétaires ainsi que les dispositions accompagnant le budget 1991, est abrogé.
  § 3. Dans l'article X.2.5, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, les points 13° et 14° sont remplacés par les dispositions suivantes :
  " 13° les recettes provenant de :
  a) l'aide du Fonds européen d'Orientation et de Garantie agricole et du Fonds européen de Développement régional concernant les programmes portant sur l'économie hydraulique;
  b) les contributions volontaires, contractuelles, réglementaires ou décrétales de personnes physiques, personnes morales, administrations publiques et institutions pour la réalisation des objectifs mentionnés aux articles 5, 8, 9 et 13 de la loi du 28 décembre 1967 sur les cours d'eau non navigables, du Titre V de la loi du 5 juillet 1956 relative aux wateringues et du Titre V de la loi du 3 juin 1957 relative aux polders;
  c) le produit des amendes administratives et tous les montants perçus par les services de la Région flamande à charge des contrevenants de la législation et de la réglementation en matière d'économie hydraulique, des polders et des wateringues;
  d) le produit des concessions, location et aliénations de propriétés, installations et dépendances acquises en vue de la réalisation des objectifs en matière d'économie hydraulique, des polders et des wateringues.
  14° Les contributions des personnes physiques ou morales de droit privé ou public dont les activités puissent occasionner ou aggraver les dommages prévus par le décret du 24 janvier 1984 portant de mesures en matière de gestion des eaux souterraines et, à titre complémentaire, par les prêts à court terme auxquels la Région flamande peut attacher sa garantie régionale. Le Gouvernement flamand détermine la quote-part de chaque type de revenu et les critères de détermination des redevables, le montant et les modalités de perception. "
  § 4. A l'article X.2.5. du même décret sont ajoutés un § 5 et un § 6, rédigés comme suit :
  " § 5. 1° Il est créé auprès de la " Vlaamse Milieumaatschappij " un Fonds de l'Economie hydraulique;
  2° Le Fonds de l'Economie hydraulique est alimenté par les recettes visées au § 1er, 13°;
  3° Le solde disponible au 12 mai 2006 et les créances, engagements et obligations non réglés à cette date du Fonds de l'Economie hydraulique, créé par le décret du 22 novembre 1995, article 17, sont transférés au Fonds de l'Economie hydraulique créé par le présent décret;
  4° les ressources du Fonds de l'Economie hydraulique peuvent être affectées dans le cadre de la politique en matière d'économie hydraulique, pour les polders et wateringues, à l'exception toutefois des frais de personnel et de fonctionnement de l'AAI VMM.
  § 6. 1° Il est créé auprès de la " Vlaamse Milieumaatschappij " un Fonds pour la Gestion des Eaux souterraines;
  2° Le Fonds pour la Gestion des Eaux souterraines est alimenté par les recettes visées au § 1er, 14°;
  3° Le solde disponible au 12 mai 2006 et les créances, engagements et obligations non réglés à cette date du Fonds de réparation des Dommages, créé par le décret du 24 janvier 1984 et modifié par le décret du 12 décembre 1990, sont transférés au Fonds pour la Gestion des Eaux souterraines créé par le présent décret;
  4° Les ressources du Fonds pour la Gestion des Eaux souterraines peuvent être utilisées pour :
  a. accorder des avances dans les cas de dommages visés à l'article 14 du décret du 24 janvier 1984 portant de mesures en matière de gestion des eaux souterraines, y compris les avances visant à financer les études et expertises nécessaires pour déterminer ces dommages;
  b. financer des mesures générales et des études en vue de la prévention et de la limitation desdits dommages, y compris les études entreprises dans le cadre de captages d'eau importants projetés ou existants et qui peuvent être utilisées comme base objective à chaque expertise, dans le cadre d'une demande en réparation des dommages causés par le captage d'eau. "
HOOFDSTUK IX. - Grindfonds en grindwinning.
CHAPITRE IX. - Fonds gravier et exploitation de gravier.
Art. 43. Aan de laatste zin van artikel 14, § 1, van het decreet van 14 juli 1993 tot oprichting van het Grindfonds en tot regeling van de grindwinning worden volgende woorden toegevoegd :
  " en in het kader van zuinig ruimtegebruik en de uitvoering van het principe van optimale ontginning voor de hoeveelheden grind in de vergunde grindwinningsgebieden. ".
Art. 43. A la dernière phrase de l'article 14, § 1er, du décret du 14 juillet 1993 portant création d'un Fonds gravier et réglant l'exploitation de gravier, les mots suivants sont ajoutés :
  " et dans le cadre d'une utilisation parcimonieuse de l'espace et de l'exécution du principe d'une exploitation optimale des quantités de gravier dans les zones d'exploitation de gravier. ".
Art. 44. In artikel 15, § 1, van het decreet van 14 juli 1993 tot oprichting van het Grindfonds en tot regeling van de grindwinning wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
  " De houders van de nodige vergunningen voor de exploitatie van grind in een grindwinning, met inbegrip van de hoeveelheden grind in het kader van zuinig ruimtegebruik en de uitvoering van het principe van optimale ontginning, zoals bepaald in artikel 14, § 1, zijn, vanaf een door de Vlaamse Regering te bepalen datum, onderworpen aan een grindheffing. ".
Art. 44. A l'article 15, § 1er, du décret du 14 juillet 1993 portant création d'un Fonds gravier et réglant l'exploitation de gravier, le premier alinéa est remplacé par ce qui suit :
  " Les titulaires des autorisations nécessaires pour l'exploitation de gravier dans une gravière, y compris les quantités de gravier dans le cadre d'une utilisation parcimonieuse de l'espace et de l'exécution du principe de l'exploitation optimale, telle que fixée à l'article 14, § 1er, sont assujettis, à partir d'une date à déterminer par le Gouvernement flamand, à une redevance. "
HOOFDSTUK X. - Life-fonds.
CHAPITRE X. - Fonds " Life ".
Art. 45. § 1. Er wordt een fonds opgericht voor de uitvoering van Life en andere projecten die tot stand komen met cofinanciering van de Europese Unie.
  Dit fonds is een begrotingsfonds als bedoeld in artikel 45 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit type B. Hierna het fonds te noemen.
  § 2. De inkomsten van het fonds worden gespijsd met EU cofinanciering voor Life en andere projecten. Ook inkomsten van andere partners die naast het Vlaamse Gewest en de EU aan het project deelnemen, kunnen het fonds spijzen.
  § 3. De inkomsten van het fonds mogen aangewend worden voor uitgaven voor diensten, werking, exploitatie en uitrusting, voor zover deze uitgaven verband houden met de realisatie van de projecten met cofinanciering van de EU.
Art. 45. § 1er. Il est créé un fonds en vue de l'exécution du projet " Life " ainsi que d'autres projets réalisés moyennant le cofinancement de l'Union européenne.
  Ce Fonds est un fonds budgétaire tel que visé à l'article 45 des lois coordonnées sur la Comptabilité de l'Etat type B. A appeler le fonds ci-après.
  § 2. Les revenus du fonds sont alimentés par un cofinancement de l'UE de " Life " et d'autres projets. Des revenus provenant d'autres partenaires outre la Région flamande et l'UE participant au projet peuvent également alimenter le fonds.
  § 3. Les revenus du fonds peuvent être utilisés pour les dépenses destinées aux services, au fonctionnement, à l'exploitation et à l'équipement, pour autant que ces dépenses soient relatées à la réalisation de projets bénéficiant d'un cofinancement de l'UE.
HOOFDSTUK XI. - Milieuheffingen.
CHAPITRE XI. - Redevances écologiques.
Art. 46. Hoofdstuk IX van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, vervangen bij het decreet van 20 december 1989 en gewijzigd bij de decreten van 21 december 1990, 25 juni 1992, 18 december 1992, 22 december 1993, 21 december 1994, 22 december 1995, 20 december 1996, 19 december 1997, 19 december 1998, 6 juli 2001, 21 december 2001, 5 juli 2002, 20 december 2002, 27 juni 2003 en 19 december 2003, wordt vervangen door wat volgt :
  " HOOFDSTUK IX. - Milieuheffingen.
  Art. 47. § 1. De begrippen gebruikt in dit hoofdstuk hebben de betekenis die hen wordt toegekend door of krachtens dit decreet en het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning.
  § 2. Voorts wordt voor dit hoofdstuk verstaan onder :
  - voorbehandelen van afvalstoffen in het kader van de bepaling in artikel 48, § 2, 16° : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van de afvalstoffen;
  - brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % of een TOC-gehalte > 6 %.
  Art. 48. § 1. Aan een milieuheffing zijn onderworpen de exploitanten van de in § 2, 1° tot en met 16°, bedoelde vergunningsplichtige inrichtingen alsook de overbrengers van de in § 2, 17°, bedoelde afvalstoffen met het oog op verwerking ervan buiten het Vlaamse Gewest. De gemeenten, of de in hun plaats tredende verenigingen van gemeenten kunnen voor de door hen opgehaalde huishoudelijke en gemeentelijke afvalstoffen rechtstreeks als heffingsplichtige worden aangemerkt voor zover zij hiervoor een machtiging ontvangen van OVAM. De machtiging vermeldt de afvalstroom, de concrete bestemming en het toe te passen heffingstarief. Een kopie van deze machtiging wordt bezorgd aan de exploitant van de inrichting waarnaar de concrete afvalstroom wordt afgevoerd. De exploitant vermeldt de betreffende hoeveelheden in een bijlage bij zijn aangifte met verwijzing naar de respectievelijke machtiging. De exploitant deelt deze hoeveelheden tijdig mee aan de gemeenten, of de in hun plaats tredende verenigingen van gemeenten die voor de betreffende hoeveelheden zelf als heffingsplichtige optreden en een aangifte doen overeenkomstig de bepalingen van dit decreet.
  Onverminderd de verder bepaalde uitzondering geldt de in § 2, 1° tot en met 16°, bepaalde heffing voor de hoeveelheden afvalstoffen zoals ze worden gestort, verbrand of meeverbrand, inclusief de toeslagstoffen die werden toegevoegd met het oog op het storten, verbranden of meeverbranden van de afvalstoffen.
  § 2. Het bedrag van de milieuheffingen, als bedoeld in § 1, wordt, afhankelijk van het soort afvalstof en het soort verwerkingswijze, vastgesteld op :
  1° 150 euro per ton voor het storten, verbranden of meeverbranden van afvalstoffen in een inrichting die niet vermeld wordt onder 2° tot en met 16°;
  2° a) 75 euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van brandbare afvalstoffen;
  b) 20 euro per ton, en dit in afwijking van a), voor het storten van huishoudelijke afvalstoffen die niet konden worden verwerkt in een inrichting vergund voor het verwerken van huishoudelijke afvalstoffen, om reden dat de exploitant zijn inrichting op vrijwillige basis tijdelijk en buiten de normale onderhoudsperiodes buiten dienst heeft gesteld omdat niet kan voldaan worden aan de opgelegde vergunningsvoorwaarden. Deze afwijking geldt evenwel voor elke inrichting slechts gedurende een periode van 18 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand tijdens dewelke de inrichting op vrijwillige basis werd gesloten;
  c) 40 euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van niet-brandbare afvalstoffen;
  3° voor recyclageresidu's van bedrijven die afvalstoffen afkomstig van selectieve inzamelingen, zoals hieronder vermeld, gebruiken of voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten :
  a) 75 * K euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van brandbare afvalstoffen;
  b) 40 * K euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van niet-brandbare afvalstoffen.
  De te storten restfractie moet na (voor)behandeling kleiner zijn dan de hierna vermelde percentages die moeten beschouwd worden ten opzichte van de totale aanvoer van de betreffende afvalstoffen op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie de hierna vermelde percentages overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1.
  - 15 gewichtspercent voor glasafval;
  - 20 gewichtspercent voor lompenafval;
  - 20 gewichtspercent voor kunststofafval, geldend voor de bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten;
  - 5 gewichtspercent voor kunststofafval, geldend voor de bedrijven die kunststofafval voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten;
  - 10 gewichtspercent voor elektronisch en elektrisch schrootafval;
  - 10 gewichtspercent voor schrootafval;
  - 5 gewichtspercent voor houtafval;
  - 5 gewichtsprocent voor papier- en kartonafval;
  - 3 gewichtspercent voor groenafval;
  - 5 gewichtspercent voor piepschuimafval;
  - 5 gewichtspercent voor groente-, fruit- en tuinafval (GFT-afval) afkomstig van aërobe compostering;
  - 8 gewichtspercent voor groente-, fruit- en tuinafval (GFT-afval) afkomstig van anaërobe vergisting;
  - 5 gewichtspercent voor bouw- en sloopafval;
  - 10 gewichtspercent voor rubberafval, andere dan bandenafval;
  - 5 gewichtspercent voor bandenafval;
  - 20 gewichtspercent voor plasticverpakkingen, metalen verpakkingen en drankkartons (PMD);
  - 25 gewichtspercent voor shredderafval afkomstig van schrootverwerking;
  - 5 gewichtspercent voor voedselafval;
  - 25 gewichtspercent voor gebruikte oplosmiddelen;
  - 10 gewichtspercent voor recyclageresidu's afkomstig van de normale activiteiten van door de OVAM erkende kringloopcentra;
  - 3 gewichtspercent voor recyclageresidu's van de behandeling van bodemassen.
  Voor recyclageresidu's van lompenafval is K = 0 met ingang van het heffingsjaar 2007.
  Voor recyclageresidu's van bedrijven die glasafval afkomstig van selectieve inzamelingen gebruiken of voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuw glas, is K = 0 met ingang van het heffingsjaar 2007.
  Voor niet-brandbare recyclageresidu's van papier- en kartonafval is K = 0,05 met ingang van het heffingsjaar 2007.
  Voor brandbare recyclageresidu's van papier- en kartonafval is K = 0,03 met ingang van het heffingsjaar 2007 tot en met het heffingsjaar 2009, en K = 1 vanaf het heffingsjaar 2010.
  Voor recyclageresidu's van elektronisch en elektrisch schrootafval, van schrootafval en van shredderafval afkomstig van schrootverwerking, voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, en voor recyclageresidu's van de compostering/vergisting van GFT is K = 0,15 met ingang van het heffingsjaar 2007 tot en met het heffingsjaar 2009, en K = 1 vanaf het heffingsjaar 2010. In afwijking hiervan blijft voor shredderafval afkomstig van schrootverwerking K = 0,15 voor het heffingsjaar 2010 indien de hoeveelheid shredderafval die in 2010 per ton inputmateriaal wordt gestort, met 10 % wordt verminderd in vergelijking met de hoeveelheid shredderafval die in 2010 per ton inputmateriaal wordt geproduceerd en bestaande uit enerzijds de lichte fractie die wordt afgezogen uit de cycloon, en anderzijds de zware fractie die overblijft na metallische scheiding en na de lineaire motor.
  Voor recyclageresidu's afkomstig van de normale activiteiten van door de OVAM erkende kringloopcentra is K = 0,2 met ingang van het heffingsjaar 2007.
  Voor recyclageresidu's van bouw- en sloopafval is K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 en K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008.
  Voor andere recyclageresidu's is K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007, K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008, K = 0,8 voor het heffingsjaar 2009 en K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2010;
  4° voor residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra :
  3 euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats;
  5° voor residu's afkomstig van de verwerking van rioolkolkenslib in daartoe vergunde inrichtingen :
  3 euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats;
  6° voor slibresidu's afkomstig van de reiniging van zeefzand in daartoe vergunde bedrijven :
  3 euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats;
  7° 23 euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van geïmmobiliseerde niet-brandbare afvalstoffen afkomstig van daartoe vergunde bedrijven, op voorwaarde dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de vergunningsvoorwaarden van de stortplaats;
  8° 5 euro per ton voor het storten van ijzeroxide afvalstoffen van de zinkproductie bekend onder de naam jarosiet en goethiet, op een daartoe vergunde stortplaats;
  9° 1 euro per ton voor het storten van gips of calciumchloride afvalstoffen op een daartoe vergunde stortplaats;
  10° 5 euro per ton voor het storten van ertsresten van de productie van titaandioxidepigmenten volgens het chloorproces op een daartoe vergunde stortplaats;
  11° 0,1 euro per ton voor het storten van baggerspecie op een daartoe vergunde stortplaats;
  12° 0,1 euro per ton voor het storten van ruimingspecie op een daartoe vergunde stortplaats;
  13° 11 euro per ton voor het storten van inerte afvalstoffen op een daartoe vergunde stortplaats;
  14° 7 euro per ton voor het verbranden van afvalstoffen in een daartoe vergunde installatie;
  15° 7 euro per ton voor het meeverbranden van afvalstoffen in een daartoe vergunde installatie.
  In afwijking van 14° en 15° geldt voor het verbranden of meeverbranden van recyclageresidu's van papier- en kartonafval een heffingstarief van 2 euro/ton met ingang van het heffingsjaar 2007;
  16° de bedragen overeenkomstig het bovenvermelde 1° tot en met 15° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting. Het bedrag van de milieuheffing wordt bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze bedoeld in het bovenvermelde 1° tot en met 15°.
  De hiervoor vermelde milieuheffing is niet verschuldigd indien de vergunde opslag-, overslag-, sorteer- en/of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na opslag, overslag, sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet-hergebruikte en niet-gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het bovenvermelde 1° tot en met 15°.
  Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde 17°, tweede zinsdeel, van toepassing;
  17° de bedragen vermeld sub 1° tot en met sub 16°, overeenkomstig de toegepaste verwerkingswijze voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest; in geval een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid.
  § 3. Voor volgende afvalstoffen geldt een tarief van 0 euro/ton :
  1° het storten van asbesthoudende afvalstoffen op een daartoe vergunde stortplaats.
  Onder asbesthoudende afvalstoffen worden tevens begrepen : afvalstoffen geheel of gedeeltelijk bestaande uit keramische vezels met gelijkaardige carcinogene eigenschappen;
  2° het storten, verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en storten onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn;
  3° het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting en met recuperatie van energie van verwerkte dierlijke vetten, eiwitten en meel die conform die conform de Europese, federale en regionale regelgeving vernietigd moeten worden;
  4° het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting en met recuperatie van energie van recyclageresidu's van lompenafval en van recyclageresidu's van bedrijven die glasafval afkomstig van selectieve inzamelingen gebruiken of voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuw glas.
  Aan een milieuheffing zijn niet onderworpen :
  1° het gebruik in de afdichtlaag van een vergunde stortplaats van mengsels van enerzijds reagentia en/of toeslagstoffen en anderzijds volgende afvalstoffen die overeenkomstig de Beste Beschikbare Technieken (BBT) niet reinigbaar zijn : zuiveringsslib, gronden/zanden, bodemassen en assen afkomstig van de verbranding van zuiveringsslib;
  2° het storten van gronden die beantwoorden aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem en die gebruikt worden als tussenafdek;
  3° het verbranden of meeverbranden van houtafval in een daartoe vergunde inrichting en met recuperatie van energie.
  § 4. De in § 2 bedoelde bedragen worden aangepast aan het indexcijfer der consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer der consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De indexering gebeurt jaarlijks automatisch, dus zonder voorafgaande verwittiging, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden afgerond tot de hogere cent.
  § 5. De bedragen van de milieuheffing overeenkomstig het bovenvermelde artikel 48, § 2, 2° tot en met 17°, worden vanaf 2007 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting.
  Art. 49. § 1. De milieuheffing bedoeld in artikel 48, § 1, is verschuldigd :
  1° voor wat betreft de bedragen bedoeld in § 2, 1° tot en met 16° : op het tijdstip dat de afvalstoffen worden verwerkt in de in § 2, 1° tot en met 16°, bedoelde inrichtingen;
  2° voor wat betreft de bedragen bedoeld in § 2, 17° : op het tijdstip dat de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan buiten het Vlaamse Gewest.
  § 2. Wanneer een afvalstof verschillende verwerkingswijzen ondergaat, is de heffing alleen verschuldigd voor de heffingsplichtige verwerkingswijze die het eerst wordt toegepast. De vrijstelling van heffing geldt ook voor de toeslagstoffen die in de eerste verwerkingswijze worden toegevoegd.
  § 3. De heffingsplichtige kan het gedeelte van de heffing door hem opgenomen in zijn aangifte en regelmatig voldaan op de wijze voorzien bij artikel 50, § 6, terugvorderen onder volgende voorwaarden :
  1° de heffing moet onbetwistbaar en duidelijk omschreven zijn op een factuur uitgereikt door de heffingsplichtige aan een medecontractant met verwijzing naar het in artikel 50, § 8, bedoelde register;
  2° de vordering van de heffingsplichtige moet blijken definitief oninbaar te zijn bij gebrek aan activa na opname als onbetwistbare vordering in het passief van het faillissement van de medecontractant op grond van een attest uitgereikt door de behandelende curator;
  3° de aanvraag tot teruggave van de heffing moet gebeuren per aangetekend schrijven aan de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij en moet vergezeld zijn van de factuur vermeld in 1°, alsmede van een afschrift van het attest uitgereikt door de behandelende curator, zoals vermeld in 2°.
  Art. 50. § 1. Wanneer voor de exploitatie van een inrichting de vergunning, verleend conform de bepalingen van dit decreet, is vervallen en voor dezelfde inrichting een nieuwe vergunning werd verleend, wordt voor wat de toepassing betreft van artikel 48, § 2, inzake milieuheffingen de nieuwe vergunning geacht te zijn verleend met ingang van ofwel het tijdstip zoals vermeld in het vergunningsbesluit indien de vergunningverlenende overheid binnen de wettelijk voorziene termijn een beslissing heeft genomen, ofwel het tijdstip waarop deze beslissing conform de wettelijke termijn had moeten genomen worden.
  § 2. De inning van de heffing vindt eenmaal per kwartaal plaats, namelijk in de loop van de maanden april en mei voor wat het eerste kwartaal betreft, in de loop van de maanden juli en augustus voor wat het tweede kwartaal betreft, in de loop van de maanden oktober en november voor wat het derde kwartaal betreft en in de loop van de maanden januari en februari van het volgende jaar voor wat het vierde kwartaal betreft. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen.
  § 3. De Vlaamse Regering duidt de ambtenaren en contractuele personeelsleden van de OVAM aan die belast zijn met de inning en de invordering van de heffing en met de controle op de naleving van de verplichtingen inzake de heffing, en bepaalt de nadere regelen met betrekking tot hun bevoegdheden.
  § 4. De heffingsplichtige is verplicht om in de loop van de maanden april, juli, oktober en januari een aangifte in te dienen met betrekking tot de heffing verschuldigd voor het voorafgaande kwartaal.
  § 5. Indien de heffingsplichtige niet tot betaling van het aangegeven bedrag overgaat of indien na controle door de met de inning en de invordering van de heffing belaste ambtenaar blijkt dat de aangegeven bedragen onjuist zijn kan door de met de inning en de invordering van de heffing belaste ambtenaar een navordering worden opgelegd ten laste van de heffingsplichtige.
  § 6. De heffingsplichtige is verplicht om voor 10 mei, 10 augustus, 10 november, alsmede 10 februari, de heffing voor het voorafgaande kwartaal te betalen. Evenwel is de heffingsplichtige ertoe verplicht voor 10 december van elk jaar een voorschot te betalen op de heffing voor het vierde kwartaal van dat jaar. Dit voorschot wordt forfaitair vastgesteld op zesenzestig procent van het bedrag dat bekomen wordt door de voor de eerste drie kwartalen door de heffingsplichtige verschuldigde heffing te delen door drie. Het aldus bekomen forfaitair bedrag wordt afgerond tot het lagere tiental. Indien op basis van de aangifte inzake het vierde kwartaal blijkt dat de werkelijk verschuldigde heffing lager is dan het verschuldigde voorschot, wordt dit voorschot, verminderd met de werkelijk verschuldigde heffing, maar vermeerderd met de wettelijke verwijlintrest op het aldus berekende verschil, aan de heffingsplichtige teruggestort binnen negentig kalenderdagen na ontvangst van de behoorlijk opgestelde aangifte inzake het vierde kwartaal. Het voorschot is niet verschuldigd indien de heffingsplichtige voor 10 december het bewijs levert dat hij zijn belastingplichtige activiteit heeft stopgezet voor de aanvang van het vierde kwartaal.
  § 7. In geval de heffingsplichtige meerdere kwartalen moet vereffenen, worden de betalingen eerst aangerekend op de oudste schulden en in volgorde eerst op de administratieve geldboeten, de nalatigheidsintresten en de hoofdsom.
  § 8. De heffingsplichtige is verplicht om de hoeveelheden afvalstoffen uitgedrukt in ton dagelijks en in volgorde van verwerking in een register in te schrijven.
  § 9. De heffingsplichtige is verplicht om alle bescheiden die nodig zijn om de voldoening van de heffing of de juistheid van de aangegeven bedragen na te gaan, voor te leggen op ieder verzoek van de ambtenaren belast met de controle op de naleving van de verplichtingen inzake de heffing.
  § 10. De heffingsplichtige is verplicht om op ieder verzoek van de ambtenaren belast met de controle op de naleving van de verplichtingen inzake de heffing, mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te verschaffen die hem gevraagd worden om de voldoening van de heffing of de juistheid van de aangegeven bedragen na te gaan.
  § 11. Wanneer de heffing niet is betaald na het verstrijken van de termijn bedoeld in § 6, is van rechtswege de wettelijke intrest verschuldigd zoals thans bepaald in het KB van 4 augustus 1996 tot wijziging van de wettelijke rentevoet.
  § 12. Wanneer een heffingsplichtige, om welke redenen dan ook, de aangifte bedoeld in § 4 niet of te laat heeft ingediend of de verplichtingen bedoeld in § 8, § 9 of § 10, niet is nagekomen, kan hem door de met invordering belaste ambtenaar een ambtelijke aanslag opgelegd worden tot beloop van de heffing die vermoedelijk is verschuldigd.
  § 13. De heffing wordt in de gevallen bedoeld in § 12 vastgesteld op basis van de gevraagde stukken of, bij ontstentenis hiervan, op basis van gegevens die kunnen bewezen worden door geschrift, getuigen en vermoedens.
  § 14. De ambtelijke aanslag wordt opgelegd onverminderd de mogelijkheid van navordering binnen de termijn bedoeld in artikel 52.
  § 15. Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van verzending, per aangetekend schrijven, van een ambtelijke aanslag of een navordering, kan de heffingsplichtige per aangetekend schrijven beroep instellen bij de door de Vlaamse Regering aangewezen Vlaamse minister die uitspraak doet binnen de zes maanden vanaf de datum van verzending van het beroepschrift. Een afschrift van dit beroep dient met dezelfde post per aangetekend schrijven aan de OVAM betekend. Op straffe van nietigheid verwijst het beroep naar het dossiernummer, aanslagjaar en kwartaal vermeld in de ambtelijke aanslag of in de navordering. Bij met redenen omkleed aangetekend schrijven, gericht aan de heffingsplichtige, kan de door de Vlaamse Regering aangewezen Vlaamse minister de voormelde termijn eenmalig verlengen met een periode van zes maanden.
  § 16. Alvorens een beslissing te nemen, legt de door de Vlaamse Regering aangewezen Vlaamse minister de in § 15 bedoelde geschillen voor aan een adviescommissie.
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen met betrekking tot de werking en samenstelling van de adviescommissie.
  § 17. Bij gebrek aan een uitspraak van de door de Vlaamse Regering aangewezen Vlaamse minister binnen de in § 15 gestelde termijn, wordt het beroep van de heffingsplichtige als ingewilligd beschouwd.
  § 18. De minister verzendt zijn beslissing per aangetekend schrijven aan de heffingsplichtige.
  § 19. Tegen de beslissing van de minister kan een vordering worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek.
  § 20. Ten aanzien van de heffingsplichtige, bedoeld in artikel 48, § 1, kan teruggave van door hem te veel aangegeven en betaalde milieuheffingen plaatsvinden door middel van verrekening op het verschuldigde bedrag aan te geven en te betalen voor een volgend kwartaal van het lopende kalenderjaar.
  § 21. De heffingsplichtige voegt bij deze kwartaalaangifte de nodige stukken ter staving van de gegrondheid van zijn verrekening. Bij onjuiste of ten onrechte toegepaste verrekening blijft de mogelijkheid van navordering zoals bedoeld in § 5 onverminderd bestaan.
  § 22. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de aanduiding van de met inning en invordering van de milieuheffingen belaste personen, de wijze van inning en invordering van de milieuheffingen, de aangifte en de betaling van de milieuheffingen en de behandeling van de beroepen ingesteld overeenkomstig § 15.
  Art. 51. Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk XI wordt voor iedere overtreding van de verplichting om aan de heffing te voldoen, een administratieve geldboete opgelegd gelijk aan de ontdoken of niet tijdig betaalde heffingen met dien verstande dat deze boete ten minste 70 euro bedraagt. Voor de berekening van deze administratieve geldboete wordt uitgegaan van de milieuheffing zonder de vermenigvuldigingsfactor 0,70 zoals bedoeld in artikel 48, § 5.
  Art. 52. De vordering tot voldoening van de heffing, van de intresten en van de administratieve geldboete verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
  Art. 53. § 1. De ambtenaar daartoe aangewezen door de Vlaamse Regering kan met de heffingsplichtige dadingen treffen, voor zover deze niet leiden tot vrijstelling of vermindering van de heffing.
  § 2. Hij beslist tevens over de gemotiveerde verzoeken om kwijtschelding of vermindering van de administratieve geldboete die de heffingsplichtige per aangetekend schrijven tot hem richt. Deze verzoeken dienen op straffe van verval ingediend uiterlijk binnen de maand nadat de beroeper in kennis is gesteld van de beslissing van de bevoegde Vlaamse minister over het ingestelde beroep overeenkomstig de bepalingen in artikel 50, § 18.
  § 3. Tegen de beslissing van de daartoe aangewezen ambtenaar bedoeld in § 2 kan een vordering worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek.
  § 4. Hij beslist tevens over de gemotiveerde verzoeken tot uitstel van betaling die de heffingsplichtige per aangetekend schrijven tot hem richt.
  § 5. Bij gebrek aan voldoening van de heffing, intresten, administratieve geldboete en toebehoren wordt door de met de invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd. Dit dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de ambtenaar daartoe aangewezen door de Vlaamse Regering.
  § 6. De betekening van het dwangbevel gebeurt bij gerechtsdeurwaarderexploot of bij aangetekend schrijven.
  § 7. Op het dwangbevel zijn de bepalingen toepasselijk van deel V van het Gerechtelijk Wetboek houdende bewarend beslag en middelen van tenuitvoerlegging.
  § 8. Tot zekerheid van de voldoening van de heffing, intresten, administratieve geldboete en de kosten heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de heffingsplichtige. Het kan een wettelijke hypotheek vestigen op alle goederen die daarvoor vatbaar zijn en in het Vlaamse Gewest gelegen zijn van de persoon op wiens naam de navordering of de ambtelijke aanslag is gevestigd.
  § 9. Het voorrecht bedoeld in § 8 neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld zijn in de artikelen 19 en 20 van de Hypotheekwet.
  § 10. De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt.
  § 11. De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaren, bedoeld in artikel 50, § 3.
  § 12. Artikel 19 van de Faillissementswet is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de verschuldigde heffing waarvoor de inschrijving is genomen voor en waarvan betekening aan de heffingsschuldige is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring.
  Art. 53bis. De gemeenten zijn ertoe gerechtigd een beroep te doen op de nodige medewerking van de OVAM met het oog op de inning van de opcentiemen, voor zover deze maximaal 20 opcentiemen bedragen, door de betrokken gemeente te heffen op de door de OVAM geïnde milieuheffingen bedoeld in artikel 48, voor de heffingsplichtige inrichtingen gelegen op hun grondgebied.
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de inningskosten en wijze van innen van de opcentiemen. ".
Art. 46. Le chapitre IX du décret du 2 juillet 1981 relatif à la prévention et à la gestion des déchets, remplacé par le décret du 20 décembre 1989 et modifié par les décrets des 21 décembre 1990, 25 juin 1992, 18 décembre 1992, 22 décembre 1993, 21 décembre 1994, 22 décembre 1995, 20 décembre 1996, 19 décembre 1997, 19 décembre 1998, 6 juillet 2001, 21 décembre 2001, 5 juillet 2002, 20 décembre 2002, 27 juin 2003 en 19 décembre 2003, est remplacé par ce qui suit :
  " CHAPITRE IX. - Redevances écologiques.
  Art. 47. § 1er. Les termes utilisés dans ce chapitre ont le sens qui leur a été attribué par ou en vertu du présent décret et du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique.
  § 2. En suite, il faut entendre au présent chapitre par :
  - prétraitement de déchets dans le cadre de la disposition de l'article 48, § 2, 16° : le traitement de déchets pendant lequel la nature et la composition des déchets sont modifiées de sorte qu'ils soient préparés pour une étape suivante du prétraitement ou pour le recyclage ou pour le traitement final des déchets;
  - déchets combustibles : déchets ayant une perte au feu > 10 % ou une teneur en TCO > 6 %.
  Art. 48. § 1er. Sont soumis à une redevance écologique, les exploitants des établissements soumis à une autorisation visés au § 2, 1° à 16° inclus, ainsi que les ramasseurs des déchets visés au § 2, 17° en vue de leur traitement en dehors de la Région flamande. Les communes, ou les associations de communes agissant à leur place, peuvent être désignées comme étant directement redevables pour les déchets ménagers et communaux qu'elles ramassent pour autant qu'elles obtiennent une autorisation à cet effet d'OVAM. L'autorisation mentionne le flux de déchets, la destination concrète et le tarif de la redevance à appliquer. Une copie de cette autorisation est délivrée à l'exploitant de l'établissement vers lequel le flux concret de déchets est transporté. L'exploitant mentionne les quantités concernées dans une annexe à sa déclaration avec référence à l'autorisation respective. L'exploitant communique ces quantités à temps aux communes, ou aux associations de communes agissant en leur place, qui agissent elles-mêmes en tant que redevables pour les quantités concernées et qui font une déclaration conformément aux dispositions du présent décret.
  Sans préjudice de l'exception définie ci-après, la redevance visée au § 2, 1° à 16° compris, vaut pour les quantités de déchets telles qu'elles sont déversées, incinérées ou co-incinérées, y compris les additifs utilisés en vue du déversement, de l'incinération ou de la co-incinération des déchets.
  § 2. Le montant des redevances écologiques visées au § 1 est, dépendant de la nature des déchets et du mode de traitement, fixé comme suit :
  1° 150 euros par tonne, pour le déversement, l'incinération ou la co-incinération des déchets dans une installation non prévue sous les points 2° à 16° inclus;
  2° a) 75 euros par tonne, pour le déversement de déchets combustibles dans une installation autorisée à cet effet;
  b) 20 euros par tonne, et ce en dérogation au point a), pour le déversement de déchets ménagers qui ne pouvaient pas être traités dans une installation autorisée pour le traitement de déchets ménagers parce que l'exploitant a temporairement mis l'installation hors service sur base volontaire et en dehors des périodes d'entretien normales parce il n'a pas pu répondre aux conditions d'autorisation imposées. Cette dérogation ne vaut cependant pour chaque installation que pendant une période de 18 mois à compter à partir du premier jour du mois pendant lequel l'installation a été fermée sur base volontaire;
  c) 40 euros par tonne, pour le déversement de déchets incombustibles dans une installation autorisée à cet effet;
  3° pour les résidus de recyclage d'entreprises qui utilisent ou prétraitent des déchets provenant de ramassages sélectifs, tels que visés ci-après, comme matière première pour la production de nouvelles matières ou produits :
  a) 75 x K euros par tonne, pour le déversement de déchets combustibles dans une installation autorisée à cet effet;
  b) 40 x K euros par tonne, pour le déversement de déchets incombustibles dans une installation autorisée à cet effet.
  La fraction résiduaire à déverser doit, après prétraitement, être inférieure aux pourcentages mentionnés ci-dessous lesquels doivent se rapporter à l'acheminement total des déchets en question, sur base annuelle, vers l'établissement autorisé à cet effet. Lorsque la fraction résiduaire à déverser dépasse les pourcentages mentionnés ci-après, le tarif de la redevance écologique doit être appliqué à la partie excédante, avec K = 1.
  - 15 pour cent en poids pour déchets de verre;
  - 20 pour cent en poids pour déchets de chiffons;
  - 20 pour cent en poids pour déchets plastiques, valable pour les entreprises utilisant des déchets plastiques pour la production de nouveaux produits ou matières;
  - 5 pour cent en poids pour déchets plastiques, valable pour les entreprises prétraitant des déchets plastiques en matières premières pour la production de nouveaux produits ou matières;
  - 10 pour cent en poids pour déchets de ferraille électronique et électrique;
  - 10 pour cent en poids pour déchets de verre;
  - 5 pour cent en poids pour déchets de bois;
  - 5 pour cent en poids pour déchets de papier et de carton;
  - 3 pour cent en poids pour déchets verts;
  - 5 pour cent en poids pour déchets de polystyrène expansé;
  - 10 pour cent en poids pour déchets de légumes, de fruits et de jardin (GFT) provenant d'un compostage aërobe;
  - 10 pour cent en poids pour déchets de légumes, de fruits et de jardin (GFT) provenant d'une fermentation anaërobe;
  - 5 pour cent en poids pour déchets de construction et de démolition;
  - 10 pour cent en poids pour déchets de caoutchouc, autres que déchets de pneus;
  - 5 pour cent en poids pour déchets de pneus;
  - 20 pour cent en poids pour déchets plastiques, emballages métalliques et briques pour boissons (PMD);
  - 25 pour cent en poids pour déchets de déchiquetage issus de la transformation de ferraille;
  - 5 pour cent en poids pour déchets alimentaires;
  - 25 pour cent en poids pour solvants usés;
  - 25 pour cent en poids pour des résidus de recyclage provenant d'activités normales de centres de récupération agréés par OVAM;
  - 25 pour cent en poids pour des résidus de recyclage provenant de mâchefers.
  K est égal à 0 à partir de l'année d'imposition 2007 pour les résidus de recyclage provenant de déchets de chiffons.
  K est égal à 0 à partir de l'année d'imposition 2007 pour les résidus de recyclage provenant des entreprises qui utilisent ou prétraitent des déchets de verre provenant de ramassages sélectifs comme matière première pour la production de verre nouveau.
  K est égal à 0,05 à partir de l'année d'imposition 2007 pour les résidus de recyclage incombustibles provenant de déchets de papier et de carton.
  K est égal à 0,03 à partir de l'année d'imposition 2007 jusqu'à l'année d'imposition 2009K comprise et K est égal à 1 à partir de l'année d'imposition 2010 pour les résidus de recyclage combustibles provenant de déchets de papier et de carton.
  K est égal à 0,15 à partir de l'année d'imposition 2007 jusqu'à l'année d'imposition 2009K comprise et K est égal à 1 à partir de l'année d'imposition 2010 pour les résidus de recyclage combustibles provenant de déchets de ferraille électronique et électrique, de déchets de ferraille et de déchiquetage provenant de traitement de ferraille, pour les résidus de recyclage provenant d'entreprises qui utilisent les déchets de matières plastiques pour la fabrication de nouvelles matières ou produits et pour les résidus de recyclage provenant du compostage/fermentation de GFT. En dérogation à cette disposition, K reste égal à 0,15 pour les déchets de déchiquetage provenant de traitement de ferraille pour l'année d'imposition 2010 si la quantité de déchets de déchiquetage déchargée par tonne de matériaux acheminés est diminuée de 10 % par rapport à la quantité de déchets de déchiquetage produite en 2010 par tonne de matériaux acheminés et composée, d'une part, de la fraction légère extraite du cyclone et, d'autre part, la fraction lourde résiduaire après la séparation métallique et derrière le moteur linéaire.
  K est égal à 0,2 à partir de l'année d'imposition 2007 pour les résidus de recyclage provenant des activités normales des centres de récupération agréés par OVAM.
  K est égal à 0,6 à partir de l'année d'imposition 2007 et à 1 à partir de l'année d'imposition 2008 pour les résidus de recyclage de construction et de démolition.
  K est égal à 0,4 pour l'année d'imposition 2007, à 0,6 pour l'année d'imposition 2008, à 0,8 pour l'année d'imposition 2009 et à 1 pour l'année d'imposition 2010 pour les autres résidus de recyclage.
  4° pour les résidus provenant de l'assainissement de sol dans des centres d'assainissement de sol agréés à cet effet :
  3 euros par tonne, pour le déversement sur une décharge autorisée à cet effet;
  5° pour les résidus provenant du traitement de boues d'avaloirs dans des installations agréés à cet effet :
  3 euros par tonne, pour le déversement sur une décharge autorisée à cet effet;
  6° pour les résidus de boues provenant de l'assainissement de sables tamisés dans des entreprises agréés à cet effet :
  3 euros par tonne, pour le déversement sur une décharge autorisée à cet effet;
  7° 23 euros par tonne, pour le déversement sur une décharge autorisée à cet effet de déchets immobilisés incombustibles provenant d'entreprises autorisées à cet effet, à condition que l'immobilisation soit nécessaire afin de répondre aux conditions d'autorisation de la décharge;
  8° 5 euros par tonne pour le déversement de déchets d'oxydes de fer provenant de la production du zinc, notamment le jarosite et le goethite, sur une décharge autorisée à cet effet;
  9° 5 euros par tonne pour le déversement de déchets de plâtre et de déchets contenant du chlorure de calcium sur une décharge autorisée à cet effet;
  10° 5 euros par tonne pour le déversement de schlamm de minerai provenant de la production de pigments de dioxyde de titane selon le procédé au chlore sur une décharge autorisée à cet effet;
  11° 0,1 euros par tonne, pour le déversement de boues de dragage sur une décharge autorisée à cet effet;
  12° 0,1 euros par tonne, pour le déversement de boues de curage sur une décharge autorisée à cet effet;
  13° 11 euros par tonne, pour le déversement de déchets inertes sur une décharge autorisée à cet effet;
  14° 7 euros par tonne, pour l'incinération de déchets dans une installation autorisée à cet effet;
  15° 7 euros par tonne, pour la co-incinération de déchets dans une installation autorisée à cet effet.
  En dérogation aux ponts 14° et 15, le tarif de redevance de 2 euros/tonne s'applique à l'incinération ou à la co-incinération de résidus de recyclage de déchets de papier et de carton à partir de l'année d'imposition 2007.
  16° les montants conformément au 1° susmentionné jusqu'au 15° compris pour le triage ou le prétraitement de déchets dans un établissement autorisé à cet effet. Le montant de la redevance écologique dépend du mode de traitement appliqué aux déchets non recyclés ou réutilisés visés au 1° susmentionné jusqu'au 15° compris.
  La redevance écologique précitée n'est pas due lorsque l'installation de stockage, de transbordement, de triage ou de prétraitement autorisée démontre que les déchets ont été recyclés ou réutilisés après leur stockage, transbordement, triage ou prétraitement et, en ce qui concerne la partie non réutilisée et non recyclée, qu'ils ont été traités avec paiement de la redevance écologique conformément au 1° susmentionné jusqu'au 15° compris.
  Lorsque le traitement de déchets non recyclés ou réutilisés se fait en dehors de la Région flamande, les dispositions du point 17°, deuxième alinéa, ci-après sont d'application;
  17° les montants mentionnés sous 1° à 16° compris, conformément au mode de traitement appliqué aux déchets produits en Région flamande et transportés vers une autre Région en vue de leur traitement dans un établissement autorisé à cet effet en dehors de la Région flamande, en cas qu'une redevance écologique similaire soit imposée par l'autre Région, le montant de la redevance est diminuée du montant de la redevance écologique similaire précitée sans qu'elle puisse pour autant être réduite à zéro.
  § 3. Un tarif de 0 euros/tonne s'applique aux déchets suivants :
  1° pour le déversement de déchets contenant de l'amiante sur une décharge autorisée à cet effet.
  Par déchets contenant de l'amiante on entend également : les déchets consistant en tout ou en partie en des fibres céramiques ayant des propriétés carcinogènes similaires;
  2° le déversement, l'incinération ou la co-incinération dans un établissement autorisé à cet effet de déchets provenant d'opérations d'assainissement du sol pour lesquelles conformément à l'avis d'OVAM les procédés d'assainissement autres que l'enlèvement et le déversement entraîneraient des dépenses démesurées ou seraient impraticables;
  3° l'incinération ou la co-incinération dans une installation autorisée à cet effet et avec récupération de l'énergie, de graisses, protéines et farines animales traitées, qui, conformément à la réglementation européenne, fédérale et régionale, doivent être détruites;
  4° l'incinération ou la co-incinération dans une installation autorisée à cet effet et avec récupération de l'énergie, de résidus de recyclage de chiffons et de résidus de recyclage provenant d'entreprises qui utilisent ou prétraitent des déchets de verre provenant de ramassages sélectifs comme matière première pour la production de verre nouveau.
  Ne sont pas soumis à la redevance écologique :
  1° l'utilisation dans la couche de couverture d'une décharge autorisée de mélanges, d'une part, de produits réactifs et additifs et d'autre part, des déchets suivants qui ne peuvent pas être assainis conformément aux Meilleures Techniques Disponibles (MTD) : boues d'épuration, terres/sables, mâchefers et cendres provenant de incinération de boues d'épuration;
  2° le déversement de terres qui répondent aux conditions d'utilisation comme sol et comme couche de couverture intermédiaire;
  3° l'incinération ou la incinération de déchets de bois dans un établissement autorisé à cet effet avec récupération d'énergie.
  § 4. Les montants visés au § 2 sont adaptés à l'indice des prix à la consommation avec comme indice de base, l'indice des prix à la consommation de décembre 2006, base 1996. Les montants sont indexés annuellement et automatiquement, donc sans avis préalable, le 1er janvier de chaque année. Les montants adaptés sont arrondis au centime supérieur.
  § 5. Les montants de la redevance écologique tels que fixés à l'article 48, § 2, 2° à 17° compris, sont multipliés par le coefficient 0,7 à partir de 2007 pour les redevables assujettis aux impôts des sociétés conformément à l'article 179 du Code des Impôts sur les Revenus.
  Art. 49. § 1er. La redevance écologique visée à l'article 48, § 1er, est due :
  1° pour les montants visés au § 2, point 1° à 16° inclus : au moment ou les déchets sont traités dans les établissements visés au § 2, 1° à 16° compris;
  2° en ce qui concerne les montants visés au § 2, 17° : au moment où les déchets produits en Région flamande sont transportés pour être traités en dehors de la Région flamande.
  § 2. Lorsqu'un déchet subit plusieurs modes de traitement, la redevance est uniquement due pour le mode de traitement soumis à la redevance qui est appliquée en premier lieu. L'exemption de redevance s'applique également aux additifs qui sont ajoutés pendant le premier mode de traitement.
  § 3. Le redevable peut revendiquer la partie de la redevance faisant l'objet de sa déclaration et acquittée régulièrement suivant les modalités prévues à l'article 50, § 6, aux conditions suivantes :
  1° la redevance doit être précisée clairement et incontestablement sur une facture délivrée par le redevable à un cocontractant avec référence au registre vise à l'article 50, § 8;
  2° la créance du redevable doit s'avérer être définitivement non percevable par défaut d'actif après imputation comme créance incontestable au passif de la faillite du co-contractant sur la base d'une décision judiciaire passée en force de chose jugée;
  3° la demande de recouvrement de la redevance est adressée par lettre recommandée à la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " et doit être accompagnée de la facture visée au point 1° ainsi que d'une copie de l'attestation émise par le curateur instrumentant, tel que mentionné au point 2°.
  Art. 50. § 1er. Lorsque pour l'exploitation d'un établissement, l'autorisation délivrée conformément aux dispositions du présent décret, a expiré et une nouvelle autorisation est délivrée pour le même établissement, cette dernière est censée être délivrée, pour ce qui concerne l'application de l'article 48, § 2, relatif aux redevances, à partir, soit de la date mentionnée dans l'arrêté d'autorisation si l'autorité délivrant l'autorisation a pris une décision dans le délai légalement imparti, soit à la date à laquelle cette décision aurait dû être prise conformément au délai légal.
  § 2. La perception de la redevance a lieu une fois par trimestre, notamment au cours des mois d'avril et de mai en ce qui concerne le premier trimestre, au cours des mois de juillet et d'août en ce qui concerne le deuxième trimestre, au cours des mois d'octobre et de novembre en ce qui concerne le troisième trimestre et au cours des mois de janvier et de février de l'année suivante en qui concerne le quatrième trimestre. Le Gouvernement flamand détermine les modalités en la matière.
  § 3. Le Gouvernement flamand désigne les fonctionnaires et membres du personnel contractuels d'OVAM chargées de la perception et du recouvrement de la redevance et du contrôle du respect des obligations en matière de la redevance et détermine les modalités relatives à leurs compétences.
  § 4. Le redevable est obligé d'introduire sa déclaration relative à la redevance due pour le trimestre précédent au cours des mois d'avril, de juillet, d'octobre et de janvier.
  § 5. Lorsque le redevable ne procède pas au paiement du montant indiqué ou lorsqu'il s'avère après un contrôle effectué par le fonctionnaire chargé de la perception et du recouvrement de la redevance que les montants indiqués sont incorrects, un suivant recouvrement à charge du redevable peut être imposé par le fonctionnaire chargé de la perception et du recouvrement de la redevance.
  § 6. Le redevable est obligé d'acquitter la redevance due pour le trimestre précédent avant le 10 mai, le 10 août, le 10 novembre ainsi qu'avant le 10 février. Toutefois, le redevable est oblige de payer, avant le 10 décembre de chaque année, une avance sur la redevance pour le quatrième trimestre de cette année. Cette avance est fixée forfaitairement à soixante six pourcent du montant obtenu par la division par trois de la redevance due par le redevable pour les trois premiers trimestres. Le montant forfaitaire ainsi obtenu est arrondi à la dizaine inférieure. S'il s'avère, sur base de la déclaration portant sur le quatrième trimestre, que la redevance effectivement due est inférieur à l'avance due, l'avance minorée de la redevance effectivement due mais majorée des intérêts moratoires légaux sur la différence ainsi calculée, est remboursée au redevable dans les nonante jours civils qui suivent la réception de la déclaration dûment établie concernant le quatrième trimestre. L'avance n'est pas due lorsque le redevable fournit la preuve, avant le 10 décembre, qu'il a cessé son activité soumise à redevance avant le début du quatrième trimestre.
  § 7. Au cas où le redevable doit liquider plusieurs trimestres, les paiements sont d'abord imputés sur les dettes les plus anciennes en dans l'ordre suivant : en premier lieu les amendes administratives, puis les intérêts moratoires et enfin la somme principale.
  § 8. Le redevable est obligé d'inscrire dans un registre, chaque jour et par ordre de traitement, les quantités de déchets exprimées en tonnes.
  § 9. Le redevable est obligé de produire, à chaque demande des fonctionnaires chargés du contrôle du respect des obligations liées à la redevance, tout document nécessaire à la vérification de l'acquittement de la redevance ou de l'exactitude des montants déclarés.
  § 10. Le redevable est obligé de fournir oralement ou par écrit, à la demande du fonctionnaire chargé du contrôle du respect des obligations liées à la redevance, toute information qui lui est demandée pour vérifier l'acquittement de la redevance ou l'exactitude des montants déclarés.
  § 11. Lorsque la redevance n'a pas été payée après l'échéance du délai visé au § 6, l'intérêt légal est dû de droit tel que fixé à l'arrêté royal du 4 août 1996 modifiant le taux d'intérêt légal.
  § 12. Lorsqu'un redevable, pour quelque raison que ce soit, n'a pas ou trop tard, fait sa déclaration visée à l'article au § 4 ou n'a pas rempli les obligations visées aux § 8, § 9 et § 10, il peut être assujetti à une imposition administrative par le fonctionnaire chargé du recouvrement, jusqu'à concurrence de la redevance qui est supposée être due.
  § 13. La redevance est fixée dans les cas visés au § 12 sur la base des pièces demandées ou, à défaut, sur la base d'éléments justifiables par écrit, témoignages ou présomptions.
  § 14. L'imposition administrative s'effectue sans préjudice de la faculté de rappel dans le délai visé à l'article 52.
  § 15. Dans un délai de trente jours qui suit la date d'envoi, par lettre recommandée, d'une imposition administrative ou d'un rappel, le redevable peut exercer par lettre recommandée, un recours auprès du Ministre communautaire désigné par le Gouvernement flamand, qui statue dans les six mois qui suivent la date d'envoi du recours. Une copie de ce recours doit être notifiée par lettre recommandée, par le même courrier, à OVAM. Sous peine de nullité, le recours réfère au numéro de dossier, à l'année d'imposition et au trimestre mentionnés dans l'imposition administrative ou dans le rappel. Par lettre recommandée motivée adressée au redevable, le Ministre flamand désigné par le Gouvernement flamand peut proroger une fois ce délai avec une période de six mois.
  § 16. Avant de prendre une décision, le Ministre flamand désigné par le Gouvernement flamand soumet les litiges visés au § 15 à une commission de consultation.
  Le Gouvernement flamand arrête les modalités du fonctionnement et de la composition de la commission consultative.
  § 17. Lorsque le ministre communautaire désigné par le Gouvernement flamand ne statue pas dans le délai fixé au § 15, le recours du redevable est réputé être agréé.
  § 18. La décision du Ministre est envoyée au redevable par lettre recommandée.
  § 19. Une réclamation peut être instaurée contre la décision du Ministre conformément aux dispositions de l'article 1385decies et undecies du Code judiciaire.
  § 20. Un remboursement vis-à-vis du redevable, visé à l'article 48, § 1er, des redevances écologiques déclarées et payées en trop peut avoir lieu moyennant un décompte sur le montant dû à déclarer et à payer avant un trimestre prochain de l'année courante.
  § 21. Le redevable joint les documents nécessaires à la justification de bien-fondé de son décompte à cette déclaration trimestrielle. En cas de décompte inexact ou injustement appliqué, la possibilité de rappel telle que visée au § 5 reste entièrement en vigueur.
  § 22. Le Gouvernement flamand peut fixer les modalités relatives à la désignation des personnes chargées de la perception et du recouvrement des redevances écologiques, au mode de perception et de recouvrement des redevances écologiques, à la déclaration et au paiement des redevances écologiques ainsi qu'au traitement des recours instaurés conformément au § 15.
  Art. 51. Sans préjudice des dispositions du chapitre XI, tout non-respect de l'obligation d'acquitter la redevance, est passible d'une amende administrative équivalente au redevances non payées ou payées trop tard, étant entendu que ladite amende s'élève au moins à 70 euros. La redevance écologique, sans le facteur de multiplication 0,70, tel que visé à l'article 48, § 5, constituera la base du calcul de cette amende administrative.
  Art. 52. La demande d'acquittement de la redevance, des intérêts et de l'amende administrative se prescrit par cinq ans, à compter du jour où elle a commencé à exister. La prescription est interrompue selon le mode et aux conditions fixés aux articles 2244 et suivants du Code civil.
  Art. 53. § 1er. Le fonctionnaire désigné par le Gouvernement flamand peut transiger avec le redevable dans la mesure où cela ne résulte pas en une exemption ou réduction de la redevance.
  § 2. Il statue également sur les demandes motivées de remise ou de réduction de l'amende administrative que le redevable lui adresse par lettre recommandée. Ces demandes doivent être présentées, sous peine d'échéance, au plus tard dans le mois suivant la notification à l'appelant de la décision du Ministre flamand compétent relative au recours formé conformément à l'article 50, § 18.
  § 3. Une réclamation peut être instaurée contre la décision du fonctionnaire désigné à cet effet conformément aux dispositions de l'article 1385decies et undecies du Code judiciaire.
  § 4. Il statue également sur les demandes motivées de délai de paiement que le redevable lui adresse par lettre recommandée.
  § 5. A défaut d'acquittement de la redevance, des intérêts, de l'amende administrative et autres, le fonctionnaire chargé du recouvrement est autorisé à lancer une contrainte. Cette contrainte est visée et déclarée exécutoire par le fonctionnaire désigne à cet effet par le Gouvernement flamand.
  § 6. La notification de la contrainte se fait par exploit d'huissier de justice ou par lettre recommandée.
  § 7. Les dispositions du tome V du Code judiciaire portant saisie conservatoire et moyens d'exécution s'appliquent à la contrainte.
  § 8. Dans le but de s'assurer du paiement de la redevance, des intérêts, de l'amende administrative et des frais, la Région flamande jouit d'un privilège général sur tous les biens meubles du redevable. Elle peut constituer une hypothèque légale sur tous les biens susceptibles d'être pris en considération à cette fin situés dans la Région flamande et appartenant à la personne au nom de laquelle l'impôt est enrôlé.
  § 9. Le privilège visé au § 8 prend rang immédiatement après les privilèges mentionnés aux articles 19 et 20 de la Loi hypothécaire.
  § 10. Le rang de l'hypothèque légale est fixé par la date de l'inscription prise.
  § 11. L'hypothèque est inscrite à la demande du fonctionnaire visé à l'article 50, § 3.
  § 12. L'article 19 de la Loi sur les faillites ne s'applique pas à l'hypothèque légale en matière de redevance due pour laquelle l'inscription est prise et qui est signifiée au redevable avant le jugement déclaratif de faillite.
  Art. 53bis. Les communes ont le droit de faire appel à la coopération nécessaire d'OVAM en vue de la perception des centimes additionnels, pour autant que ces derniers s'élèvent à 20 centimes additionnels, à percevoir par la commune concernée sur les redevances écologiques perçues par OVAM telles que visées à l'article 48, pour les établissements redevables situés sur leur territoire.
  Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives aux frais de perception et au mode de perception des centimes additionnels. "
HOOFDSTUK XII. - Herstelfonds.
CHAPITRE XII. - Fonds de réparation.
Art. 47. Aan het tweede lid van artikel 159bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals ingevoegd bij decreet van 10 maart 2006, wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " 3° het per 31 december van het jaar voorafgaande aan het begrotingsjaar beschikbare saldo van het Herstelfonds. ".
Art. 47. Au deuxième alinéa de l'article 159bis du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire, tel qu'inséré par le décret du 10 mars 2006, il est ajouté un point 3°, rédigé comme suit :
  " 3° le solde disponible le 31 décembre de l'année précédant l'exercice budgétaire du Fonds de Réparation. ".
HOOFDSTUK XIII. - Activering van het risicokapitaal in Vlaanderen.
CHAPITRE XIII. - Activation du capital-risque en Flandre.
Art. 48. In artikel 2 van het decreet van 19 december 2003 betreffende het activeren van risicokapitaal in Vlaanderen wordt punt 7° vervangen door wat volgt :
  " 7° doelonderneming : een kleine, middelgrote of micro-onderneming als gedefinieerd in aanbeveling 2003/361/EG van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, met inbegrip van alle latere wijzigingen daarvan, die de vorm van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid aanneemt en die beschikt over een exploitatiezetel in het Vlaamse Gewest, of die zich ertoe verbindt in het Vlaamse Gewest een exploitatiezetel te vestigen; ".
Art. 48. A l'article 2 du décret du 19 décembre 2003 relatif à l'activation de capital-risque en Flandre, le point 7° est remplacé par ce qui suit :
  " 7° entreprise cible : une petite, moyenne ou micro entreprise telle que définie dans la Recommandation 2003/631/CE de la Commission européenne du 6 mai 2003 concernant la définition des micro, petites et moyennes entreprises, y compris toutes ses modifications ultérieures, qui adoptent la forme d'une association dote de la personnalité juridique et qui dispose d'un siège d'exploitation dans la Région flamande ou qui s'engage à établir son siège d'exploitation en Région flamande; ".
Art. 49. In hetzelfde decreet worden de artikelen 16 tot en met 20 opgeheven.
Art. 49. Dans le même décret, les articles 16 à 20 compris sont abrogés.
HOOFDSTUK XIV. - Fonds ter valorisatie van de GIMV-participatie.
CHAPITRE XIV. - Fonds pour la valorisation de la participation de la GIMV (Société régionale d'investissement pour la Flandre).
Art. 50. In artikel 38 van het decreet van 24 juni 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2005 wordt § 2 vervangen door wat volgt :
  " § 2. Het Fonds wordt gespijsd met de opbrengsten die voortvloeien uit de verkoop van de GIMV-participatie die door de naamloze vennootschap Vlaamse Participatiemaatschappij aan het Vlaamse Gewest uitgekeerd worden. ".
Art. 50. Dans l'article 38 du décret du 24 juin 2005 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2005, le § 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Le Fonds est alimenté par les recettes résultant de la vente de la participation GIMV versées à la Région flamande. "
HOOFDSTUK XV. - Vlaams Agentschap Ondernemen.
CHAPITRE XV. - " Vlaams Agentschap Ondernemen " (VLAO)(Agence flamande de l'Entrepreneuriat).
Art. 51. In het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid " Vlaams Agentschap Ondernemen ", in artikel 6, § 1, derde lid, 2°, worden voor de woorden " het labelen en/of certificeren van actoren " de woorden " onverminderd het bepaalde in artikel 6bis, " ingevoegd.
Art. 51. Au décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap Ondernemen " (Agence flamande de l'Entrepreneuriat), à l'article 6, § 1er, troisième alinéa, 2°, les mots " sans préjudice des dispositions de l'article 6bis, " sont insérés avant les mots " marquer et/ou certifier des acteurs ".
Art. 52. Aan hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk IIIbis toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " HOOFDSTUK IIIbis. - Erkenning en subsidiëring van de erkende inrichters van VLAO-aanspreekpunten en van de erkende VLAO-aanspreekpunten.
  Art. 6bis. § 1. De Vlaamse Regering wordt ermee belast om, met het oog op de inrichting van een fijnmazig netwerk van VLAO-aanspreekpunten dat het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest bestrijkt, bij besluit van de Vlaamse Regering, het departement Economie, Wetenschap en Innovatie, bedoeld in artikel 21, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, te belasten met de volgende opdrachten :
  - het verlenen van de erkenningen als inrichter van VLAO-aanspreekpunten;
  - het verlenen van de erkenningen als VLAO-aanspreekpunten.
  De erkenning als inrichter van VLAO-aanspreekpunten wordt verleend aan de private organisaties, verenigingen of vennootschappen met een aangetoonde aanwezigheid op het middenveld die actief zijn op het vlak van de dienst- of adviesverlening aan ondernemingen, zelfstandigen of startende ondernemingen, of aan zelfstandigen, en waarvan door het departement EWI, na het doorlopen van de procedure bedoeld in § 3, wordt vastgesteld dat zij aan de erkenningsvoorwaarden bedoeld in § 2, eerste lid, voldoen.
  De erkenning als erkend VLAO-aanspreekpunt kan worden verleend aan één of meerdere plaatselijke vestigingen van een erkende inrichter van VLAO-aanspreekpunten waarvan het departement EWI heeft vastgesteld dat zij aan de erkenningsvoorwaarden bedoeld in § 2, tweede lid, voldoet. De Vlaamse Regering kan een minimum en maximum vooropstellen van dergelijke vestigingen waaraan, per Vlaamse provincie, een dergelijke erkenning zal kunnen verleend worden.
  De Vlaamse Regering bepaalt de bevoegdheden waarover het departement EWI zal beschikken om de in het eerste lid bedoelde opdrachten uit te oefenen.
  § 2. De Vlaamse Regering stelt de voorwaarden vast waaraan moet zijn voldaan om de erkenning als erkende inrichter van VLAO-aanspreekpunten te kunnen bekomen. Deze voorwaarden dienen te verzekeren dat de erkenning als erkende inrichter van VLAO-aanspreekpunten enkel zal worden verleend aan entiteiten die getuigen van een voldoende mate van organisatie, kwaliteit, deskundigheid en ervaring, van een voldoende mate van aanwezigheid in Vlaanderen en van een bereidheid tot het verlenen van een vlotte medewerking aan de inrichting van de VLAO-aanspreekpunten om de doelstelling vermeld in het derde lid te bereiken.
  In dezelfde zin stelt de Vlaamse Regering de voorwaarden vast waaraan moet zijn voldaan om de erkenning als VLAO-aanspreekpunt te kunnen bekomen. Deze voorwaarden dienen te verzekeren dat de erkende VLAO-aanspreekpunten voldoende bemand zijn met deskundig personeel, dat zij beschikken over een voldoende mate van infrastructuur en dat zij vlot toegankelijk zijn voor het brede publiek.
  De door de Vlaamse Regering vastgestelde voorwaarden als bedoeld in de beide vorige leden dienen te verzekeren dat een fijnmazig netwerk van VLAO-aanspreekpunten over het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest tot stand wordt gebracht.
  § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de krachtlijnen van de procedure die het departement EWI toepast met het oog op de verlening van de in § 1, eerste lid, bedoelde erkenningen.
  De Vlaamse Regering regelt de beroepsmogelijkheid tegen beslissingen van het departement EWI bij de bevoegde minister.
  § 4. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, regelt de Vlaamse Regering de wijze waarop het departement EWI subsidies aan de erkende inrichters van VLAO-aanspreekpunten kan verlenen.
  § 5. De Vlaamse Regering bepaalt op welke wijze er met betrekking tot een erkende inrichter van VLAO-aanspreekpunten en een erkend VLAO-aanspreekpunt wordt gerapporteerd en aan welke vormen van evaluatie en inspectie de erkende VLAO-aanspreekpunten en de erkende inrichters van VLAO-aanspreekpunten worden onderworpen.
  § 6. De Vlaamse Regering bepaalt welke sancties het departement EWI kan treffen in geval een erkend VLAO-aanspreekpunt of een erkende inrichter van VLAO-aanspreekpunten een inbreuk op een reglementaire bepaling begaat.
  § 7. De Vlaamse Regering kan de verdere maatregelen nemen die nodig zijn ter verzekering van de vlotte inrichting en werking van de erkende inrichters van VLAO-aanspreekpunten en van de erkende VLAO-aanspreekpunten. ".
Art. 52. Au même décret, il est ajouté un chapitre IIIbis, rédigé comme suit :
  " CHAPITRE IIIbis. - Agrément et subvention des organisateurs agréés des points d'information VLAO et des points d'information agréés VLAO.
  Art. 6bis. § 1er. Le Gouvernement flamand est chargé, en vue de l'organisation d'un dense réseau de points d'information VLAO couvrant la totalité du territoire de la Région flamande, de charger, par arrêté du Gouvernement flamand, le département de l'Economie, de la Science et de l'Innovation, visé à l'article 21, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'administration flamande, avec les missions suivantes :
  - l'octroi des agréments en tant qu'organisateur de points d'information VLAO;
  - l'octroi des agréments en tant que points d'information VLAO.
  L'agrément en tant qu'organisateur de points d'information VLAO est accordé aux organisations, associations ou sociétés privées ayant une présence justifiée au sein de la société civile et qui sont actives au niveau de services ou de consultations aux entreprises, indépendants ou entreprises débutantes, ou à des indépendants, et dont il est constaté, par le département EWI, après avoir parcouru la procédure visée au § 3, qu'elles répondent aux conditions d'agrément visées au § 2, premier alinéa.
  L'agrément en tant que point d'information VLAO peut être octroyé à un ou plusieurs établissements locaux d'un organisateur agréé de points d'information VLAO dont le département EWI a constaté qu'ils répondent aux conditions d'agrément visées au § 2, deuxième alinéa. Le Gouvernement flamand peut postuler un minimum et un maximum pour de tels établissements auxquels, par province, un tel agrément sera octroyé.
  Le Gouvernement flamand fixe les compétences dont le département EWI disposera en vue d'effectuer les missions visées au premier alinéa.
  § 2. Le Gouvernement flamand fixe les conditions auxquelles il doit être répondu afin de pouvoir obtenir l'agrément d'organisateur de points d'information VLAO. Ces conditions doivent assurer que l'agrément en tant qu'organisateur de points d'information VLAO ne soit accordé qu'à des entités qui témoignent en mesure suffisante d'organisation, de qualité, d'expertise et d'expérience, d'une présence suffisante en Flandre et d'une bienveillance d'accorder une coopération aisée à l'organisation de points d'information VLAO afin d'atteindre l'objectif visé au troisième alinéa.
  Dans ce même sens, le Gouvernement flamand fixe les conditions auxquelles il doit être répondu afin de pouvoir obtenir l'agrément de point d'information VLAO. Ces conditions doivent assurer que les points d'information VLAO agréés soient suffisamment équipés de personnel expert, qu'ils disposent d'une infrastructure suffisante et qu'ils sont aisément accessibles au public.
  Les conditions fixées par le Gouvernement flamand telles que visées aux deux alinéas précédents doivent assurer qu'un dense réseau de points d'information VLAO soit réalisé sur la totalité du territoire de la Région flamande.
  § 3. Le Gouvernement flamand statue les directives principales de la procédure appliquée par le département EWI en vue de l'octroi des agréments visés au § 1er, premier alinéa.
  Le Gouvernement flamand règle la possibilité de recours formé contre les décisions du département EWI auprès du Ministre compétent.
  § 4. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement flamand règle le mode dont le département EWI peut octroyer des subventions aux organisateurs agréés de points d'information VLAO.
  § 5. Le Gouvernement flamand statue de quelle façon il est rapporté à un organisateur agréé de points d'information VLAO et à un point infos VLAO agréé et à quelles formes d'évaluation et d'inspection les organisateurs agréés de points d'information VLAO et les points d'information VLAO agréés sont soumis.
  § 6. Le Gouvernement flamand fixe quelles sont les sanctions que le département EWI peut prendre au cas où un organisateur agréé de points d'information VLAO ou un point infos VLAO agréé enfreindra une disposition réglementaire.
  § 7. Le Gouvernement flamand peut prendre les mesures ultérieures nécessaires pour assurer l'organisation et le fonctionnement aisés d'organisateurs agréés de points d'information VLAO ou de points d'information VLAO agréés. "
HOOFDSTUK XVI. - Fonds ter Bevordering van de Sociale Economie in Vlaanderen.
CHAPITRE XVI. - Fonds de Promotion de l'Economie sociale en Flandre.
Art. 54. In het decreet van 28 juni 2002 betreffende de oprichting van de vennootschappen T-Groep en Werkholding, gewijzigd bij het decreet van 19 maart 2004, wordt hoofdstuk III, bestaande uit artikelen 7 tot en met 10bis, opgeheven.
Art. 54. Au décret du 28 juin 2002 relatif à la constitution des sociétés " T-Groep " et " Werkholding ", modifié par le décret du 19 mars 2004, le chapitre III comprenant les articles 7 à 10bis compris, est abrogé.
HOOFDSTUK XVII. - VRT.
CHAPITRE XVII. - VRT.
Art. 55. In artikel 16, 1°, van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 4 maart 2005, worden de woorden " het radio- en televisieaanbod " vervangen door " het omroepaanbod " en wordt het woord " artikel 8 " vervangen door " artikel 6, § 2 ".
Art. 55. A l'article 16, 1°, des décrets relatifs à la radiodiffusion et à la télévision, coordonnés le 4 mars 2005, les mots " l'offre proposée de la radio et de la télévision " sont remplacés par les mots " l'offre " et le mot " article 8 " est remplacé par le mot " article 6, § 2 ".
Art. 56. In artikel 16, 2°, van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 4 maart 2005, worden de woorden " de innovatieve mediaprojecten, hierna de e-vrt projecten te noemen " vervangen door de woorden " de onderzoeks- en innovatieopdracht van de VRT ", en worden de woorden " artikel 8, inzonderheid in artikel 8, § 5 " vervangen door de woorden " artikel 6, inzonderheid artikel 6, § 2, vijfde lid ".
Art. 56. A l'article 16, 2°, des décrets relatifs à la radiodiffusion et à la télévision, coordonnés le 4 mars 2005, les mots " les objectifs relatifs aux projets audiovisuels innovateurs, dénommés ci-après les projets e-vrt " sont remplacés par les mots " la mission de recherché et d'innovation de la VRT ", et les mots " l'article 8, notamment l'article 8, § 5 " sont remplacés par les mots " l'article 6, notamment l'article 6, § 2, cinquième alinéa ".
Art. 57. De eerste drie zinnen van artikel 16, 4°, van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 4 maart 2005 worden vervangen door wat volgt :
  " 4° de berekening van de enveloppe aan financiële middelen die noodzakelijk is voor het verzorgen van het openbare omroepaanbod, bedoeld in 1°, en de uitbetalingsmodaliteiten ervan. ".
Art. 57. Les trois première phrases de l'article 16 des décrets relatifs à la radiodiffusion et à la télévision, coordonnés le 4 mars 2005, sont remplacées par la disposition suivante :
  " 4° le calcul de l'enveloppe des moyens financiers nécessaires pour assurer l'offre de radio et de télévision publique visée au 1°, ainsi que les modalités de paiement. "
Art. 58. Artikel 16, 5°, van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 4 maart 2005 wordt vervangen door wat volgt :
  " 5° de berekening van de financiering van de toegevoegde opdracht voor onderzoek en innovatie. ".
Art. 58. L'article 16, 5°, des décrets relatifs à la radiodiffusion et à la télévision, coordonnés le 4 mars 2005, est remplacé par la disposition suivante :
  " 5° le calcul du financement de la mission supplémentaire de recherche et d'innovation. ".
HOOFDSTUK XVIII. - Winwinlening.
CHAPITRE XVIII. - Prêt Gagnant-Gagnant.
Art. 59. In artikel 3, § 2, 1°, van het decreet betreffende de Winwinlening van 19 mei 2006 wordt het woord " kalenderjaren " vervangen door " jaren ".
Art. 59. A l'article 3, § 2, 1°, du décret du 19 mai 2006 relatif au Prêt Gagnant-Gagnant, les mots " années calendaires " sont remplacés par le mot " années ".
HOOFDSTUK XIX. - Vlaamse Wooncode.
CHAPITRE XIX. - Code flamand du Logement.
Afdeling I. - Conformiteitsattest.
Section Ire. - Attestation de conformité.
Art. 60. Aan artikel 8 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode wordt een § 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
  " § 3. In afwijking van §§ 1 en 2, kan de gewestelijk ambtenaar in het kader van de toekenning van de tegemoetkoming in de huurprijs, vermeld in artikel 82, een conformiteitsattest aan de verhuurder uitreiken. ".
Art. 60. A l'article 8 du décret du 15 juillet 1997 contenant le Code flamand du Logement, il est ajouté un § 3, rédigé comme suit :
  " § 3. En dérogation aux §§ 1er et 2, le fonctionnaire régional peut délivrer une attestation de conformité au bailleur dans le cadre de l'attribution de l'intervention dans le loyer, mentionnée à l'article 82. "
Art. 61. In artikel 14, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt de zin " De woningen die een door de Vlaamse Regering vast te stellen ouderdom nog niet hebben bereikt zijn niet onderworpen aan de toepassing van bepalingen van dit hoofdstuk. " vervangen door de zin " Met uitzondering van het geval, vermeld in artikel 8, § 3, zijn de woningen die een door de Vlaamse Regering vast te stellen ouderdom nog niet hebben bereikt, niet onderworpen aan de bepalingen van dit hoofdstuk. ".
Art. 61. A l'article 14, § 1er, premier alinéa, du même décret, la phrase " Les habitations qui n'ont pas encore atteint une vétusté à fixer par le Gouvernement flamand ne sont pas soumises à l'application des dispositions du présent chapitre. " sont remplacés par la phrase " A l'exception du cas, visé à l'article 8, § 3, les habitations qui n'ont pas encore atteint une vétusté à fixer par le Gouvernement flamand ne sont pas soumises à l'application des dispositions du présent chapitre. ".
Afdeling II. - Financiering investeringsprogramma sociale woningbouw.
Section II. - Financement du programme d'investissement pour la construction d'habitations sociales.
Art. 62. In afwachting van de vaststelling, door de Vlaamse Regering, van het eerste investeringsprogramma voor woonprojecten, vermeld in artikel 22, § 2, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, en van de procedure, vermeld in artikel 33, § 3, tweede lid, van hetzelfde decreet, stelt de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen een uitvoeringsprogramma 2007 op dat met het advies van het departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed voor goedkeuring aan de Vlaamse Regering wordt voorgelegd.
  De bepalingen van artikel 22, § 2, vierde en vijfde lid, artikel 33, § 1, eerste lid, en § 3, eerste lid, artikel 34, § 1, en artikel 38 van voormeld decreet zijn van toepassing op het uitvoeringsprogramma 2007.
  Het subsidiepercentage wordt tweemaal door de Vlaamse Regering vastgesteld in functie van de evolutie van de marktrentevoet, die wordt gemeten op basis van het voortschrijdende gemiddelde van de rentevoet OLO met een resterende looptijd van tien jaar voor de periode van zes maanden die respectievelijk voorafgaat aan 1 juli 2006 en 1 maart 2007.
Art. 62. " Dans l'attente de l'établissement, par le Gouvernement flamand, du premier programme d'investissement pour la construction d'habitations sociales, mentionné à l'article 2, § 2, du décret du 15 juillet 1997 contenant le Code flamand du Logement, et de la procédure, mentionnée à l'article 33, § 3, deuxième alinéa, du même décret, la Société flamande du Logement social dresse un programme d'exécution 2007 qui est présenté, conjointement avec l'avis du Département de l'aménagement du Territoire, de la Politique du Logement et du Patrimoine immobilier, pour approbation au Gouvernement flamand.
  Les dispositions de l'article 22, § 2, quatrième et cinquième alinéa, de l'article 33, § 1er, premier alinéa, de l'article 34, § 1er, et de l'article 38 du décret précité, s'appliquent au programme d'exécution 2007.
  Le pourcentage de subvention est fixé à deux reprises par le Gouvernement en fonction de l'évolution du taux d'intérêt du marché, mesuré sur la base du taux d'intérêt OLO moyen progressif avec un terme restant de dix ans pour la période de six mois respectivement précédant le 1er juillet 2006 et le 1er mars 2007. ".
Afdeling III. - Huurdienst.
Section III. - Service locatif.
Art. 63. Een huurdienst, erkend overeenkomstig [1 artikel 4.54 of 4.68 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]1, gewijzigd bij de decreten van 19 maart 2004 en 24 maart 2006, die een geregulariseerde DAC-werknemer in dienst heeft, heeft jaarlijks recht op een subsidie die gelijk is aan de bezoldiging van deze werknemer.
  De Vlaamse Regering bepaalt de specifieke personeelskosten die voor subsidiëring in aanmerking komen, de betalingsmodaliteiten van de subsidiëring alsmede de vervangingsmogelijkheden en -voorwaarden.
  Als de arbeidsovereenkomst van een geregulariseerde DAC-werknemer wordt beëindigd, blijft de subsidie behouden voor de sector van de huurdiensten. De subsidie zal worden aangewend voor de noden binnen de sector. De Vlaamse Regering bepaalt de criteria op basis waarvan de subsidie zal worden toegewezen en de verdere uitvoeringsmaatregelen.
  
Art. 63. Un service locatif, agréé conformément à [1 l'article 4.54 ou 4.68 du Code flamand du Logement de 2021]1, modifié par les décrets des 19 mars 2004 et 24 mars 2006, ayant un employé TCT en service, a annuellement droit à une subvention égale à la rémunération de cet employé.
  Le Gouvernement flamand définit les frais spécifiques de personnel faisant l'objet d'un subventionnement, les modalités de paiement de la subvention ainsi que les possibilités et de conditions de remplacement.
  Lorsque le contrat de travail d'un employé TCT régularisé est mis à terme, la subvention reste maintenue pour le secteur des services locatifs. La subvention sera employée pour les nécessités existantes au sein du secteur. Le Gouvernement flamand fixe les critères sur la base desquelles la subvention sera attribuée ainsi que les modalités et mesures d'exécution.
  
Art. 64. In afwachting van de uitvoeringsmaatregelen blijft het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2005 houdende de toekenning van een niet-gereglementeerde subsidie aan bepaalde initiatieven binnen het woonbeleid die personeelsleden tewerkstellen in een gewezen DAC-statuut van kracht.
Art. 64. Dans l'attente des mesures d'exécution, l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 décembre 2005 portant octroi d'une subvention non-réglementée à certaines initiatives dans le cadre de la politique du logement employant des membres de personnel dans un ancien statut TCT, reste en vigueur.
Afdeling IV. - Erkende kredietmaatschappijen.
Section IV. - Sociétés de crédits agréées.
Art. 65. Aan artikel 78 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt een § 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
  " § 2. Het Vlaamse Gewest waarborgt, binnen het plafond vermeld in de begrotingsdecreten, en onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering stelt, de terugbetaling van de hoofdsom en de betaling van de interest en de extra kosten van de kredieten aangegaan door de in § 1, eerste lid, 1°, vermelde kredietmaatschappijen. De onder deze voorwaarden opgenomen kredieten zijn voor 100 % gewaarborgd. ".
Art. 65. A l'article 78 du décret du 15 juillet 1997 contenant le Code flamand du Logement, dont le texte actuel formera le § 1er, il est ajouté un § 2, rédigé comme suit :
  " § 2. La Région flamande garantit, dans les limites du plafond fixé aux décrets budgétaires, et aux conditions du Gouvernement flamand, le remboursement du principal et le paiement des intérêts et des frais supplémentaires des crédits accordés par les sociétés de crédits visées au § 1er, premier alinéa, 1°. Les crédits contractés à ces conditions sont garantis à 100 %. ".
HOOFDSTUK XX. - Wetenschap en Innovatie.
CHAPITRE XX. - Science et Innovation.
Afdeling I. - Steunpunten voor beleidsrelevant onderzoek.
Section Ire. - Centres de recherche politique.
Art. 66. In het decreet van 22 februari 1995 betreffende de wetenschappelijke of maatschappelijke dienstverlening door de universiteiten of de hogescholen en betreffende de relaties van de universiteiten en de hogescholen met andere rechtspersonen, zoals gewijzigd bij decreten van 14 juli 1998, 18 mei 1999 en 19 maart 2004, wordt een hoofdstuk Ibis, bestaande uit artikel 8bis, ingevoegd, dat luidt als volgt :
  " HOOFDSTUK Ibis. - Steunpunten voor beleidsrelevant onderzoek.
  Art. 8bis. § 1. Een steunpunt voor beleidsrelevant onderzoek is een entiteit in de schoot van één of meer initiërende universiteiten of hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.
  De opdracht van een steunpunt betreft het verzamelen, analyseren en ontsluiten van beleidsrelevante gegevens, het uitvoeren van beleidsrelevant wetenschappelijk onderzoek en het verlenen van wetenschappelijke dienstverlening.
  § 2. De Vlaamse Regering bepaalt vijfjaarlijks een lijst van thema's die kaderen binnen de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest en waarbinnen de beleidsvoering een op wetenschappelijke inzichten gebaseerde ondersteuning vereist.
  De Vlaamse Regering erkent per thema één steunpunt voor een termijn van vijf jaar.
  § 3. Het afsluiten van een beheersovereenkomst met de Vlaamse Regering doet in hoofde van de initiërende instelling of instellingen een recht ontstaan op overheidsfinanciering ten behoeve van de werking van het betrokken steunpunt.
  De overheidsfinanciering bestaat uit een jaarlijkse vaste werkingsenveloppe en eventuele cofinanciering.
  De optelsom van de vaste werkingsenveloppes voor de steunpunten bedraagt voor het begrotingsjaar 2007 8 500 000 euro. In het begrotingsjaar 2008 wordt dit bedrag aangepast aan de jaarlijkse stijging van de gezondheidsindex, met als referentiedatum 1 januari 2007.
  § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen op het vlak van :
  1° de samenwerkingsmogelijkheden tussen de initiërende instelling of instellingen en andere actoren;
  2° de bepaling en de vereffening van de vaste werkingsenveloppes;
  3° de procedure tot aanvraag van een erkenning en van een vaste werkingsenveloppe;
  4° de invulling van de beheersovereenkomsten tussen de Vlaamse Regering en het bestuur of de besturen van de initiërende instelling of instellingen;
  5° de wijze waarop de werking van de steunpunten op metaniveau wordt geëvalueerd. ".
Art. 66. Dans le décret du 22 février 1995 relatif aux services scientifiques ou sociaux fournis par les universités ou les instituts supérieurs et aux rapports de ceux-ci avec d'autres personnes morales, tel que modifié par les décrets des 14 juillet 1998, 18 mai 1999 et 19 mars 2004, il est inséré un chapitre Ibis, comprenant l'article 8bis, rédigé comme suit :
  " CHAPITRE Ibis. - Centres de recherche politique.
  Art. 8bis. § 1er. Un centre de recherche politique est une entité au sein d'une ou plusieurs université(s) initiatrice(s) ou d'un ou plusieurs institut(s) supérieur(s) initiateur(s) dans la Communauté flamande.
  La mission d'un centre de recherche est de rassembler, d'analyser et d'améliorer l'accès aux données pertinentes pour la politique, l'exécution de recherches scientifiques axées sur la politique et les prestations de services scientifiques.
  § 2. Le Gouvernement flamand établit tous les cinq ans une liste de thèmes relevant de la compétence de la Communauté flamande ou de la Région flamande qui nécessitent un appui basé sur des savoirs scientifiques pour la mise en oeuvre d'une politique en la matière.
  Le Gouvernement flamand agrée un centre de recherche par thème, pour un délai de cinq ans.
  § 3. La conclusion d'un contrat de gestion avec le Gouvernement flamand, crée, dans le chef de l'institution initiatrice ou des institutions initiatrices, un droit au financement public au profit du fonctionnement du centre de recherche concerné.
  Le financement public est composé d'une enveloppe de fonctionnement fixe annuelle et d'un cofinancement éventuel.
  Pour l'année budgétaire 2007, l'addition des enveloppes de fonctionnement fixes pour les centres de recherche s'élève à 8 500 000 euros. Pendant l'année budgétaire 2008, ce montant est adapté à l'augmentation annuelle de l'indice de santé, avec le 1er janvier 2007 comme date de référence.
  § 4. Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à :
  1° les possibilités de coopération entre l'(les) institution(s) initiatrice(s) et les autres acteurs;
  2° la fixation et la liquidation des enveloppes de fonctionnement fixes;
  3° la procédure de demande d'un agrément et d'une enveloppe de fonctionnement fixe;
  4° la concrétisation des contrats de gestion entre le Gouvernement flamand et l'administration ou les administrations de l'(des) institution(s) initiatrice(s);
  5° la façon dont le fonctionnement des centres de recherche est évalué au niveau méta. ".
Afdeling II. - Industriële onderzoeksfondsen.
Section II. - Fonds de recherches industrielles.
Art. 67. Aan hoofdstuk XVII van het decreet van 20 december 2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003 wordt een artikel 74bis toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " Art. 74bis. § 1. De Vlaamse Regering verleent subsidie-enveloppes aan de Industriële Onderzoeksfondsen, zijnde interne bestemmingsfondsen van een universiteit of, voor zover daartoe beslist wordt op grond van artikel 100 van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, van een associatie. Bij een universiteit of associatie kan slechts één Industrieel Onderzoeksfonds worden opgericht.
  De middelen van een Industrieel Onderzoeksfonds worden aangewend voor het strategisch basisonderzoek in de schoot van de universiteit en de hogeschool of hogescholen die partner zijn bij de associatie waartoe de universiteit behoort.
  Een Industrieel Onderzoeksfonds wordt, naargelang het geval, beheerd op de wijze bepaald door een reglement, vastgesteld door het universiteitsbestuur, dan wel door het algemeen onderzoeks- en samenwerkingsreglement van de associatie, als bedoeld in artikel 101bis van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen. Het toepasselijke reglement voorziet ten minste in de oprichting van een raad die het universiteits- of associatiebestuur van advies dient over de besteding van de middelen van het Industrieel Onderzoeksfonds.
  § 2. De Vlaamse Regering legt jaarlijks, binnen de perken van de begrotingskredieten, een globaal bedrag vast voor de subsidiëring van het strategisch basisonderzoek in de schoot van partners bij de associaties.
  Het globale bedrag wordt onder de universiteiten of associaties verdeeld a rato van het procentuele aandeel van de universiteit in de som van de door de Vlaamse Regering omschreven en gewogen parameters.
  De parameters hebben ten minste betrekking op :
  1° het aandeel van de universiteit in de globale wetenschappelijke output van de universiteiten, in het bijzonder bemeten aan de hand van het aantal doctoraatsdiploma's, het aantal wetenschappelijke publicaties en citaties en het aantal toegekende en gepubliceerde aangevraagde octrooien binnen een referentieperiode;
  2° het aandeel van de universiteit in de globale valorisatie van wetenschappelijke kennis door de universiteiten, in het bijzonder bemeten aan de hand van het aantal in een referentieperiode gecreëerde spin-off bedrijven, als bedoeld in artikel 9, respectievelijk 20, § 3, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de wetenschappelijke of maatschappelijke dienstverlening door de universiteiten of de hogescholen en betreffende de relaties van de universiteiten en de hogescholen met andere rechtspersonen;
  3° het aandeel van de universiteit in het globale wetenschappelijke personeelsbestand van de universiteiten in een referentieperiode;
  4° het aandeel van de universiteit in de door het IWT-Vlaanderen beheerde financiering in een referentieperiode;
  5° het aandeel van de universiteit in het geheel van de universitaire contractinkomsten uit het Vijfde Kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (1998-2002).
  Aan de parameters betreffende het aandeel van de universiteit in het aantal doctoraatsdiploma's en het aantal wetenschappelijke publicaties en citaties wordt het hoogste gewicht toegekend.
  § 3. De middelen uit een Industrieel Onderzoeksfonds worden, naargelang het geval, toegekend door het universiteits- of associatiebestuur, middels een open oproep binnen de universiteit en de hogeschool of hogescholen die partner zijn bij de betrokken associatie.
  § 4. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regelen met betrekking tot :
  1° de inhoud van het in § 1, derde lid, bedoelde reglement;
  2° de aanwending van de middelen uit een Industrieel Onderzoeksfonds;
  3° het betalingsritme van de subsidiëring aan de Industriële Onderzoeksfondsen;
  4° de subsidiëringsvoorwaarden en de controle op de naleving daarvan;
  5° de evaluatie, in 2007, van de werking van de Industriële Onderzoeksfondsen. ".
Art. 67. Dans le chapitre XVII du décret du 20 décembre 2002 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2003, il est inséré un article 74bis, rédigé comme suit :
  " Art. 74bis. § 1er. Le Gouvernement flamand accorde des enveloppes subventionnelles aux Fonds de recherches industrielles, étant des fonds à affecter au fonctionnement interne d'une université ou, pour autant qu'une décision à cet effet soit prise en vertu de l'article 100 du décret du 4 avril 2003 relatif à la restructuration de l'enseignement supérieur en Flandre, d'une association. Auprès d'une université ou d'une association, il ne peut être créé qu'un seul Fonds de recherches industrielles.
  Les moyens d'un Fonds de recherches industrielles sont affectés à la recherche fondamentale stratégique au sein de l'université et de l'institut supérieur ou des instituts supérieurs qui sont partenaires de l'association à laquelle appartient l'université.
  La gestion d'un Fonds de recherches industrielles est, selon le cas, défini dans un règlement fixé par les autorités universitaires ou dans le règlement général de recherche et de coopération de l'association au sens de l'article 101bis du décret du 4 avril 2003 relatif à la restructuration de l'enseignement supérieur en Flandre. Le règlement applicable prévoit au moins l'établissement d'un conseil qui donne des avis sur l'affectation des moyens du Fonds de recherches industrielles à la direction de l'institution ou de l'association.
  § 2. Chaque année, le Gouvernement flamand fixe, dans les limites des crédits budgétaires, un montant global pour l'octroi de subventions à la recherche fondamentale stratégique au sein des partenaires des associations.
  Le montant global est réparti entre les universités ou les associations au prorata de la quote-part en pourcentage de université dans la somme des paramètres établis et pondérés par le Gouvernement flamand.
  Les paramètres portent au moins sur :
  1° la part de l'université dans la production scientifique totale des universités, mesurée en particulier par le nombre de diplômes de doctorat, le nombre de publications et de citations scientifiques et le nombre de demandes de brevets déposées et de brevets délivrés et publiés dans la période de référence;
  2° la part de l'université dans la valorisation globale des connaissances scientifiques par les universités, mesurée en particulier par le nombre d'entreprises spin-off créées dans une période de référence, telles que visées respectivement à l'article 9 et à l'article 20, § 3, du décret du 22 février 1995 relatif aux services scientifiques ou sociaux fournis par les universités ou les instituts supérieurs et aux rapports de ceux-ci avec d'autres personnes morales;
  3° la part de l'université dans l'effectif total du personnel scientifique des universités dans une période de référence;
  4° la part de l'université dans le financement géré par l'IWT-Vlaanderen dans la période de référence;
  5° la part de l'université dans l'ensemble des produits des contrats universitaires dans le contexte du Cinquième Programme-cadre pour des actions de recherche, de développement technologique et de démonstration (1998-2002).
  La pondération la plus élevée est accordée aux paramètres relatifs à la part de l'université dans le nombre de diplômes de doctorat et le nombre de publications et de citations scientifiques.
  § 3. Les moyens d'un Fonds de recherches industrielles sont, selon le cas, attribués par la direction de l'institution ou de l'association, à l'issue d'un appel ouvert au sein de l'université et de l'institut supérieur ou des instituts supérieurs qui sont partenaires de l'association concernée.
  § 4. Le Gouvernement flamand définit les modalités relatives à :
  1° le contenu du règlement visé au § 1er, troisième alinéa;
  2° l'affectation des moyens d'un Fonds de recherches industrielles;
  3° l'étalement des subventions accordées aux Fonds de recherches industrielles;
  4° les conditions de subventionnement et le contrôle du respect de ces conditions;
  5° l'évaluation, en 2007, du fonctionnement des Fonds de recherches industrielles. ".
Afdeling III. - Bijkomende academiseringsmiddelen.
Section III. - Moyens d'académisation supplémentaires.
Art. 68. In deel VI van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen wordt een titel IVbis ingevoegd, bestaande uit artikel VI.9bis tot en met VI.9septies, die luidt als volgt :
  " TITEL IVbis. - Ondersteuning van de onderzoeksgerichte component van het academiseringsproces.
  Art. VI. 9bis. Deze titel is van toepassing op de associaties en op de universiteiten en hogescholen die partner zijn bij een associatie.
  Art. VI. 9ter. § 1. Voor de begrotingsjaren 2006 en 2007 wordt in een ondersteuning voorzien ten bate van de versteviging van de onderzoeksbetrokkenheid van academisch gerichte hogeschoolopleidingen, daaronder begrepen het versterken van de onderzoeks- en innovatiecapaciteit, het bewerkstelligen van de interdisciplinariteit en transdisciplinariteit van het gevoerde onderzoek, en de bevordering van de valorisatie van onderzoeksresultaten en de samenwerking met het bedrijfsleven.
  In het begrotingsjaar 2006 wordt ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde ondersteuningsmaatregel een bedrag van 2 miljoen euro vastgelegd. Dit bedrag wordt in het begrotingsjaar 2007 aangepast overeenkomstig de indexeringsformule, als bedoeld in artikel 184, § 1, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.
  § 2. Het aandeel van elke hogeschool in het in § 1 bedoelde globaal bedrag wordt in 2006 en in 2007 berekend a rato van het aantal financierbare studenten in de academisch gerichte hogeschoolopleidingen. Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder financierbare studenten verstaan : de studenten als bedoeld in artikel 177 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.
  Art. VI. 9quater. De op grond van artikel VI.9ter, § 2, per hogeschool berekende ondersteuningsmiddelen worden op het niveau van de associatie samengeteld en toegewezen aan het Industrieel Onderzoeksfonds, als bedoeld in artikel 74bis van het decreet van 20 december 2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003, indien dit fonds beheerd wordt door het betrokken associatiebestuur. In dat geval wordt de generieke wijze waarop de middelen worden aangewend geregeld door het algemeen onderzoeks- en samenwerkingsreglement van de associatie, als bedoeld in artikel 101bis van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen.
  In het andere geval worden de ondersteuningsmiddelen rechtstreeks toegewezen aan de hogeschool.
  Art. VI. 9quinquies. § 1. Ter aanwending van de ondersteuningsmiddelen worden in de schoot van een associatie samenwerkingsovereenkomsten gesloten tussen één of meer hogescholen en de betrokken universiteit.
  Deze samenwerkingsovereenkomsten regelen de wijze waarop personen worden aangeworven of ingezet voor onderzoeksopdrachten en -activiteiten die bijdragen aan de doelstellingen, als bedoeld in artikel VI.9ter, § 1, eerste lid.
  § 2. Samen kan ten hoogste 10 procent van de ondersteuningsmiddelen worden besteed aan projectkostenvergoedingen ter ondersteuning van :
  1° de werkingskosten van de onderzoeksopdrachten en -activiteiten, als bedoeld in § 1, tweede lid;
  2° de aanschaf en afschrijving van wetenschappelijke uitrusting die nodig is voor de uitvoering van deze onderzoeksopdrachten en -activiteiten.
  § 3. Ten minste 75 procent van de ondersteuningsmiddelen wordt aangewend ter dekking van de personele kosten verbonden aan de uitvoering van onderzoekstaken.
  § 4. De aan de hogeschool of de associatie toekomende ondersteuningsmiddelen die na afloop van het betrokken kalenderjaar niet zijn toegewezen, kunnen met behoud van bestemming worden overgedragen naar de begroting van de hogeschool of de associatie van het daaropvolgende jaar.
  Art. VI. 9sexies. Op het einde van elke maand wordt aan iedere hogeschool of, naargelang het geval, iedere associatie, één twaalfde van het bedrag van de ondersteuningsmiddelen ter beschikking gesteld.
  Art. VI. 9septies. Artikel VI.9quinquies geldt als subsidiëringsvoorwaarde.
  Indien de commissaris van de hogescholen, of, naargelang het geval, de regeringscommissaris of commissaris, belast met het toezicht op de associatie, een overtreding van de subsidiëringsvoorwaarde vaststelt, voegt hij bij het beroepschrift een advies om, wat betreft de in het kader van deze titel toegekende middelen, toepassing te maken van artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof. ".
Art. 68. Dans la partie VI du décret du 19 mars 2004 relatif au statut de l'étudiant, à la participation dans l'enseignement supérieur, l'intégration de certaines sections de l'enseignement supérieur de promotion sociale dans les instituts supérieurs et l'accompagnement de la restructuration de l'enseignement supérieur en Flandre est inséré un titre IVbis, comprenant les articles VI.9.bis à VI.9.octies inclus, rédigé comme suit :
  " TITRE IVbis. - Appui du volet recherche du processus d'académisation.
  Art. VI. 9bis. Le présent titre est d'application aux associations et aux universités et instituts supérieurs partenaires d'une association.
  Art. VI. 9ter. § 1er. Pour les années budgétaires 2006 et 2007, des aides sont octroyées aux formations supérieures académiques dans le but d'assurer leur implication renforcée dans la recherche, ainsi que de favoriser leur capacité de recherche et d'innovation, de réaliser l'interdisciplinarité et transdisciplinarité des recherches menées, de valoriser davantage les résultats de recherche et de promouvoir la coopération avec les entreprises.
  Dans l'année budgétaire 2006, un montant de 2 millions d'euros est engagé pour la mesure d'appui visée au premier alinéa. Ce montant a été ajusté pendant l'année budgétaire 2007 conformément à la formule d'indexation, visée à l'article 184, § 1er, du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande.
  § 2. La quote-part de chaque institut supérieur dans le montant global visé au § 1er est calculée en 2006 et 2007 au prorata du nombre d'étudiants admissibles au financement dans les formations académiques dispensées par les instituts supérieurs. Pour l'application de cette disposition, il faut entendre par étudiants admissibles au financement : les étudiants vises à l'article 177 du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande.
  Art. VI. 9quater. Les aides calculées par institut supérieur sur la base de l'article VI.9ter, § 2 sont additionnées au niveau de l'association et attribuées au Fonds de recherches industrielles, tel que visé à l'article 74bis du décret du 20 décembre 2002 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2003 si ce Fonds est géré par la direction de l'association concernée. Dans ce cas, la façon générique dont les moyens sont affectés est définie dans le règlement général de recherche et de coopération de l'association au sens de l'article 101bis du décret du 4 avril 2003 relatif à la restructuration de l'enseignement supérieur en Flandre.
  Dans l'autre cas, les aides sont directement attribuées à l'institut supérieur.
  Art. VI. 9quinquies. § 1er. En vue de l'affectation des aides, des accords de coopération sont conclus au sein d'une association entre un ou plusieurs instituts supérieurs et l'université concernée.
  Ces accords de coopération règlent la façon de recruter ou d'engager des personnes pour des missions et des activités de recherche qui contribuent aux objectifs visés à l'article VI.9ter, § 1er, premier alinéa.
  § 2. Au plus 10 pour cent des aides peuvent être affectées au remboursement des frais de projet en vue de contribuer :
  1° aux frais de fonctionnement des missions et des activités de recherche, visées au § 1er, deuxième alinéa;
  2° à l'acquisition de l'équipement scientifique nécessaire à l'exécution des missions et des activités de recherche.
  § 3. Au moins 75 pour cent des aides sont affectées à la couverture des frais de personnels engagés pour l'exécution des tâches de recherche.
  § 4. Les aides revenant à l'institut supérieur ou a l'association qui, à la fin de l'année calendaire concernée ne sont pas attribuées, peuvent être reportées, tout en conservant leur affectation, au budget de l'institut supérieur ou de l'association pour l'année suivante.
  Art. VI. 9sexies. A la fin de chaque mois, un douzième du montant des aides est mis à disposition de chaque institut supérieur ou, le cas échéant, de chaque association.
  Art. VI. 9septies. L'article VI.9quinquies vaut comme condition de subventionnement.
  Si le commissaire des instituts supérieurs, ou, le cas échéant, le commissaire du gouvernement ou le commissaire chargé du contrôle de l'association, constate une infraction à la condition de subventionnement, il formule dans le recours un avis d'appliquer, pour ce qui est des moyens alloués en vertu du présent titre, l'article 13 de la loi du 16 mai 2003 fixant les dispositions générales applicables aux budgets, au contrôle des subventions et à la comptabilité des communautés et des régions, ainsi qu'à l'organisation du contrôle de la Cour des Comptes. "
Art. 69. Aan artikel VI.10 van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " Artikelen VI.9bis tot en met IV.9septies hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2006 en houden op uitwerking te hebben op 31 december 2007. ".
Art. 69. A l'article VI.10 du décret du 19 mars 2004 relatif au statut de l'étudiant, à la participation dans l'enseignement supérieur, l'intégration de certaines sections de l'enseignement supérieur de promotion sociale dans les instituts supérieurs et l'accompagnement de la restructuration de l'enseignement supérieur en Flandre, il est apporté un troisième alinéa ainsi rédigé :
  " Les articles VI.9bis à IV.9septies inclus produisent leurs effets le 1er janvier 2006 et cessent de produire leurs effets le 31 décembre 2007. "
Afdeling IV. - Odysseusfinanciering.
Section IV. - L'" Odysseusfinanciering ".
Art. 70. In het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap wordt een artikel 167bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
  " Art. 167bis. § 1. Benevens de toelage als bedoeld in artikel 167 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, wordt aan het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen jaarlijks een subsidie-enveloppe toegekend voor het Odysseusinitiatief.
  Het Odysseusinitiatief voorziet in een startfinanciering met als doel uitstekende Vlaamse onderzoekers die momenteel in het buitenland werken en gerenommeerde buitenlandse onderzoekers aan een Vlaamse universiteit te verbinden. Zij krijgen door deze startfinanciering de mogelijkheid om stapsgewijs via de gangbare financieringskanalen middelen te verwerven, zich in te schakelen in het onderzoeksbestel en bij te dragen aan de verdere uitbouw van het Vlaamse onderzoekspotentieel.
  § 2. Voor het begrotingsjaar 2006 bedraagt de subsidie-enveloppe 12 miljoen euro. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd conform de bepalingen van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 houdende subsidie aan het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. De Vlaamse Regering kan het bedrag verhogen binnen de beschikbare begrotingskredieten.
  § 3. 80 % van de besteedbare middelen wordt door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen over de universiteiten verdeeld op basis van het gemiddelde van de sleutel gehanteerd voor de verdeling van de middelen bestemd voor de Bijzondere Onderzoeksfondsen. Het gemiddelde wordt berekend over vijf jaar, voorafgaand aan het begrotingsjaar waarop het Odysseusinitiatief betrekking heeft.
  De resterende 20 % vormt de eigen beleidsruimte waarover het Fonds in het kader van dit initiatief beschikt.
  § 4. Universiteitsbesturen kunnen beslissen om de aan hen toekomende middelen in een bepaald begrotingsjaar geheel of gedeeltelijk over te dragen naar het volgende jaar en op die manier trekkingsrechten op te bouwen.
  Universiteiten die over onvoldoende trekkingsrechten beschikken in een bepaald begrotingsjaar, kunnen met eigen middelen voorfinancieren, zolang dit beperkt blijft tot het bedrag dat zij in het kader van het Odysseusinitiatief zullen ontvangen.
  § 5. Voor de selectie van de kandidaten legt elk universiteitsbestuur een procedure vast. Deze procedure kan een onderscheid maken tussen internationaal toonaangevende onderzoekers en onderzoekers met het potentieel om door te groeien tot internationaal toonaangevende status.
  § 6. Bij de voordracht van een kandidaat bevestigt het betrokken universiteitsbestuur dat het een kaderplaats voor zelfstandig academisch personeel, respectievelijk een postdoctoraal mandaat met een looptijd van vijf jaar ter beschikking heeft, evenals de nodige infrastructuur. Daarenboven dient het universiteitsbestuur aan te geven hoe het onderzoeksplan van de betrokken kandidaat ingeschakeld kan worden in het onderzoeksbeleid van de universiteit.
  Indien een voordracht uitgaat van twee of meer universiteitsbesturen, wordt een gezamenlijk voorstel geformuleerd.
  § 7. Het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen onderzoekt door middel van commissies van deskundigen :
  1° of de door de universiteiten voorgestelde onderzoekers aan de gestelde eisen van excellentie voldoen;
  2° of het onderzoeksplan van de voorgestelde onderzoekers van hoge kwaliteit is;
  3° of het onderzoeksplan uitvoerbaar is met de hiervoor aangevraagde middelen.
  Een commissie van deskundigen bestaat uit leden die niet verbonden zijn aan een Belgische universiteit en die een algemene internationale erkenning genieten.
  § 8. Het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen beslist over de toekenning van de financiering. Indien de aanvragende universiteit over de nodige middelen beschikt, kan het Fonds een voorstel slechts afwijzen als de betreffende commissie oordeelt dat de kandidaat niet voldoet.
  § 9. De geselecteerde onderzoeker ontvangt gedurende vijf jaar startfinanciering. Hij of zij kan de middelen besteden aan werking, personeel en uitrusting, doch niet aan de eigen salariskosten.
  Voor internationaal toonaangevende onderzoekers geldt een bedrag van minimaal 400 000 euro en maximaal 1 500 000 euro per jaar, ofwel tussen 2 000 000 en 7 500 000 euro voor de volledige vijf jaar. Voor onderzoekers met het potentieel om door te groeien tot internationaal toonaangevende status geldt een bedrag van minimaal 100 000 euro en maximaal 200 000 euro, ofwel tussen 500 000 en 1 000 000 euro voor de volledige vijf jaar.
  De middelen toegekend in het kader van het Odysseusinitiatief aan een onderzoeker kunnen over een niet-verlengbare periode van acht jaar besteed worden.
  § 10. De universiteitsbesturen leggen een procedure vast voor de tussentijdse beoordeling van de uitvoering van het onderzoeksplan, in het bijzonder met het oog op het nemen van een beslissing over de aanpassing ervan, met inbegrip van de spreiding van de financiering in de tijd.
  § 11. De Vlaamse Regering kan nadere regelen bepalen voor de toepassing van dit artikel.
  In een addendum op de beheersovereenkomst met het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen worden ten minste bepalingen vastgelegd op het vlak van :
  1° de voorafname van het Fonds voor centrale beheerskosten en algemene exploitatiekosten;
  2° de aanrekenbaarheid, door de onthaalinstellingen, van overheadkosten;
  3° de wijze van bekendmaking van de beoordelingsverslagen, opgemaakt door de commissie van deskundigen in hoofde van de onderzoekers waaraan middelen in het kader van het Odysseusinitiatief worden toegekend;
  4° de rapportering, door de universiteitsbesturen, over de uitvoering van de onderzoeksplannen en de spreiding in de tijd van de financiering die aan onderzoekers wordt toegekend;
  5° de rapporteringsplicht van het Fonds aan de hand van statistische parameters;
  6° de evaluatie van het Odysseusinitiatief en de uitvoering ervan. ".
Art. 70. Dans le décret du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande, il est inséré un article 167bis rédige comme suit :
  " Art. 167bis. § 1er. Outre l'allocation visée à l'article 167 du décret du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande, une enveloppe de subventions est allouée pour l'Odysseusinitiatief au Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen.
  L'Odysseusinitiatief prévoit un financement initial permettant à une université flamande d'attirer et de retenir des chercheurs flamands éminents travaillant en ce moment à l'étranger et des chercheurs étrangers renommés. Ce financement initial leur permet de mobiliser progressivement des moyens financiers à l'aide des mécanismes de financement courants, de s'intégrer dans les structures de recherche et de renforcer le potentiel de recherche flamand.
  § 2. Pour l'année budgétaire 2006, l'enveloppe de subventions s'élève à 12 millions euros. Ce montant est indexé annuellement conformément aux dispositions de l'article 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand relatif au subventionnement du " Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen " (Fonds de la Recherche scientifique en Flandre). Le Gouvernement flamand peut augmenter le montant dans les limites des crédits budgétaires.
  § 3. 80 % des moyens utilisables sont repartis entre les universités par le " Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen " sur la base de la moyenne de la clé utilisée pour la répartition des moyens destinés aux Fonds spéciaux de recherche. La moyenne est calculée sur les cinq années précédant l'année budgétaire à laquelle l'Odysseusinitiatief se rapporte.
  Le solde de 20 % représente la propre marge de gestion dont le Fonds dispose dans le cadre de cette initiative.
  § 4. Il est loisible aux autorités universitaires de reporter d'une année budgétaire à l'autre, toutes ou une partie des ressources leur revenant et d'accumuler ainsi des droits de tirage.
  Les universités dont les droits de tirage sont insuffisants au cours d'une année budgétaire déterminée peuvent procéder au préfinancement en mobilisant leurs moyens propres pour autant que ce préfinancement ne dépasse pas le montant qu'elles recevront dans le cadre de l'Odysseusinitiatief.
  § 5. Chaque autorité universitaire arrête une procédure en vue de la sélection des candidats. Cette procédure peut faire une distinction entre chercheurs de renommée internationale et chercheurs montrant un réel potentiel à devenir des chercheurs de tout premier plan international.
  § 6. Lors de la proposition d'un candidat, l'autorité universitaire confirme qu'elle offre respectivement un poste cadre pour un membre du personnel académique autonome, un mandat postdoctoral d'une durée de cinq ans ainsi que l'infrastructure nécessaire. En outre, l'autorité universitaire doit démontrer comment le plan de recherche du candidat concerné s'inscrit dans la politique de recherche menée par l'université.
  Si une proposition émane d'une ou plusieurs autorités universitaires, une proposition commune est formulée.
  § 7. Le " Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen " confie l'examen de la proposition à une commission d'experts qui vérifie :
  1° si les chercheurs proposés par les universités répondent aux exigences d'excellence;
  2° si le plan de recherche des chercheurs proposés est de haute qualité;
  3° si le plan de recherche est faisable avec les moyens demandés.
  Une commission d'experts est composée de membres qui ne sont pas rattachés à une université belge et qui jouissent d'une reconnaissance générale et internationale.
  § 8. Le " Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen " décide sur l'attribution du financement. Si l'université candidate dispose des moyens nécessaires, le Fonds ne peut rejeter une proposition que si la commission en question juge que le candidat ne satisfait pas.
  § 9. Le chercheur sélectionné reçoit un financement initial pendant cinq ans. Il ou elle peut affecter les moyens au fonctionnement, au personnel et à l'équipement mais pas à ses propres coûts salariaux.
  Les chercheurs de renommée internationale reçoivent un montant de 400 000 euros au minimum et 1 500 000 euros au maximum par an, ou bien un montant entre 2 000 000 et 7 500 000 euros pour la période totale de cinq ans. Des chercheurs montrant un réel potentiel à devenir des chercheurs de tout premier plan international peuvent prétendre à un montant de 100 000 euros au minimum et de 200 000 euros au maximum, ou bien à un montant de 500 000 à 1 000 000 euros pour la période complète de cinq ans.
  Les moyens alloués à un chercheur dans le cadre de l'Odysseusinitiatief peuvent être dépensés sur une période non renouvelable de huit ans.
  § 10. Les autorités universitaires arrêtent une procédure régissant l'évaluation intérimaire de la mise en oeuvre du plan de recherche, en particulier en vue d'une prise de décision quant à l'adaptation de ce plan et à l'étalement dans le temps de son financement.
  § 11. Le Gouvernement flamand peut fixer les modalités de l'application du présent article.
  Dans un addendum au contrat de gestion avec le " Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen " sont fixées au moins des dispositions dans le domaine :
  1° du prélèvement du Fonds pour les frais de gestion centrale et les frais généraux d'exploitation;
  2° des possibilités d'imputation, par les institutions d'accueil, des frais généraux;
  3° de la publication des rapports d'évaluation, établis par la commission d'experts du chef des chercheurs auxquels des moyens sont accordes dans le cadre de l'Odysseusinitiatief;
  4° du rapportage, par les autorités universitaires, sur l'exécution des plans de recherche et l'étalement dans le temps du financement octroyé aux chercheurs;
  5° de l'obligation de rapportage du Fonds à l'aide de paramètres statistiques;
  6° de l'évaluation de l'Odysseusinitiatief et de l'exécution de celle-ci. ".
Afdeling V. - Methusalemfinanciering.
Section V. - Le " Methusalemfinanciering ".
Art. 71. In hoofdstuk VIII, afdeling 7, van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap wordt een artikel 169bis.1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  " Art. 169bis.1 § 1. Voor het toekennen van langetermijnprogrammafinanciering aan een beperkt aantal uitmuntende leden van het zelfstandig academisch personeel, verbonden aan universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, wordt per universiteit een overheidsbijdrage, verder de Methusalemfinanciering te noemen, toegekend.
  De Methusalemfinanciering wordt toegekend en aangewend overeenkomstig de voorwaarden gesteld in dit artikel.
  § 2. Voor het begrotingsjaar 2006 wordt de Methusalemfinanciering vastgesteld op 3 000 000 euro. In het begrotingsjaar 2007 wordt dit bedrag verhoogd binnen de beschikbare begrotingskredieten.
  § 3. De verdeling van de Methusalemfinanciering over de Vlaamse universiteiten gebeurt overeenkomstig de verdeelsleutel die wordt gehanteerd voor de verdeling van overheidsmiddelen over de Bijzondere Onderzoeksfondsen.
  § 4. De Methusalemfinanciering wordt met behoud van bestemming toegevoegd aan het Bijzonder Onderzoeksfonds.
  De aan het Bijzonder Onderzoeksfonds toekomende middelen die na afloop van het betrokken kalenderjaar niet zijn toegewezen, kunnen met behoud van bestemming worden overgedragen naar de begroting van de universiteit.
  § 5. De Vlaamse universiteiten zijn belast met het operationeel en financieel beheer van de Methusalemfinanciering.
  § 6. Voor de beoordeling van de kandidaten stelt elke universiteit internationale panels samen. De leden van deze panels zijn niet in België werkzaam en genieten een internationale erkenning.
  De universiteit legt de samenstelling van de panels a priori voor aan het FWO voor een metabeoordeling van de internationale wetenschappelijke erkenning ervan. Slechts na positief advies van het FWO kan het panel worden ingesteld.
  § 7. Bij de beoordeling van een aanvraag past het panel eisen toe op het vlak van de excellentie van de kandidaten, hun vertrouwdheid met bestaande financieringskanalen, en de kritische massa van hun onderzoeksgroep, waarbij rekening wordt gehouden met de specificiteit van het betrokken vakgebied en onderzoeksdomein.
  Het panel maakt de wijze van toetsing inzichtelijk.
  Het panel gaat tevens na of met het aangevraagde bedrag van de Methusalemfinanciering de onderzoeksgroep verder uitgebouwd kan worden tot een internationale referentiepositie. Het panel kan in dit verband bijsturingen voorstellen.
  § 8. Het panel legt zijn bevindingen neer in een omstandig geargumenteerd advies.
  § 9. Op advies van de onderzoeksraad en eventueel andere door het universiteitsbestuur aangeduide instanties, en rekening houdend met het globale onderzoeksbeleid van de universiteit, beslist het universiteitsbestuur welke door een panel positief beoordeelde kandidaten financiering zullen ontvangen. Indien het aangevraagde bedrag aan financiering wordt aangepast, houdt het universiteitsbestuur op gemotiveerde wijze rekening met het advies van het panel ter zake.
  § 10. De onderzoeker die financiering ontvangt, wordt om de zeven jaar door een expertencommissie beoordeeld.
  Deze expertencommissie beoordeelt :
  1° of het verrichte werk internationaal toonaangevend is en aan de verwachtingen voldoet;
  2° of het human resources beleid en in het bijzonder de mate waarin postdoctorale onderzoekers die werken in onderzoeksgroepen van leden van het zelfstandig academisch personeel die Methusalemfinanciering ontvangen, worden gestimuleerd ervaring op te doen met het opzetten van zelfstandig onderzoek;
  3° of het onderzoeksplan voor de volgende zeven jaar en de aangevraagde financiering adequaat zijn.
  Het panel kan suggesties voor de ontwikkeling van het onderzoek doen.
  § 11. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regelen op het vlak van de kenmerken van de financiering, de voorwaarden voor de financiering, de aanwending van de financiering en de rapportering daaromtrent, de evaluatie van het betrokken onderzoek en de beëindiging van de financiering. ".
Art. 71. Dans le chapitre VIII, section 7, du décret du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande, il est inséré un article 169bis.1, rédigé comme suit :
  " Art. 169bis.1. § 1er. En vue du financement à long terme des programmes entrepris par un nombre restreint de membres excellents du personnel académique autonome, rattachés aux universités en Communauté flamande, une intervention des pouvoirs publics, à dénommer ci-après le Methusalemfinanciering, est attribuée par université.
  Ce Methusalemfinanciering est alloué et affecté conformément aux conditions imposées par le présent article.
  § 2. Pour l'année budgétaire 2006, le Methusalemfinanciering est fixé à 3 000 000 euros. Dans l'année budgétaire 2007, ce montant est majoré dans les limites des crédits budgétaires disponibles.
  § 3. La répartition du Methusalemfinanciering sur les universités flamandes s'effectue conformément à la clé de répartition appliquée aux moyens publics destinés aux Fonds spéciaux de recherche.
  § 4. Le Methusalemfinanciering est ajouté, tout en conservant son affectation, au Fonds spécial de recherche.
  Les moyens revenant au Fonds spécial de recherche qui ne sont pas attribués après écoulement de l'année calendrier peuvent être reportés, en conservant leur affectation, au budget de l'université.
  § 5. Les universités flamandes sont chargées de la gestion opérationnelle et financière du Methusalemfinanciering.
  § 6. Pour l'évaluation des candidats, chaque université constitue des panels internationaux. Les membres de ces panels ne travaillent pas en Belgique et jouissent d'une renommée internationale.
  L'université soumet au préalable la composition des panels au FWO en vue d'une méta-évaluation de leur reconnaissance scientifique internationale. Le panel ne peut être installé qu'après avis positif du FWO.
  § 7. Lors de l'évaluation d'une demande, le panel examine si sont respectées les conditions portant sur l'excellence des candidats, leur familiarité avec les canaux de financement existants, la masse critique de leur groupe de recherche, tout en tenant compte de la spécificité de la discipline et du domaine de recherche concernés.
  Le panel rend intelligible la façon d'évaluer.
  Le panel vérifie également si le montant demandé du Methusalemfinanciering permettra au groupe de recherche de devenir une référence internationale. A cet égard, le panel peut proposer des adaptations.
  § 8. Le panel présente ses conclusions dans un avis motivé et détaillé.
  § 9. Sur avis du conseil de recherche et d'autres instances désignées éventuellement par les autorités universitaires, et en tenant compte de la politique de recherche globale de l'université, les autorités universitaires décident quels seront les candidats reconnus admissibles par un panel qui recevront un financement. Si le montant demandé du financement est ajusté, les autorités universitaires tiennent compte de façon motivée de l'avis du panel en la matière.
  § 10. Le chercheur qui reçoit un financement est évalué tous les sept ans par une commission d'experts.
  Cette commission d'experts évalue :
  1° si la recherche effectuée est de pointe internationale et répond aux attentes;
  2° si la politique de gestion des ressources humaines est de nature à encourager les chercheurs et en particulier la mesure dans laquelle elle encourage les chercheurs postdoctoraux travaillant au sein des groupes de recherche de membres du personnel académique autonome recevant le Methusalemfinanciering, à acquérir une expérience dans la recherche scientifique indépendante.
  3° si le plan de recherche pour les sept années suivantes et le financement demandé sont adéquats.
  Le panel peut fournir des suggestions quant au développement de la recherche.
  § 11. Le Gouvernement flamand fixe les modalités relatives aux caractéristiques du financement, aux conditions du financement, à l'affectation du financement et au rapportage en la matière, à l'évaluation de la recherche concernée et à la fin du financement. ".
Afdeling VI. - Toegepast biomedisch onderzoek.
Section VI. - Recherche biomédicale appliquée.
Art. 72. Aan artikel 1 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid " Instituut voor Innovatie door Wetenschap en Technologie " wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " Artikel 5bis regelt een gemeenschapsaangelegenheid. ".
Art. 72. A l'article 1er du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Instituut voor Innovatie door Wetenschap en Technologie " (Institut d'Innovation par les Sciences et la Technologie), il est ajouté un deuxième alinéa ainsi rédigé :
  " L'article 5bis règle une matière communautaire. ".
Art. 73. Aan hoofdstuk III van hetzelfde decreet wordt een artikel 5bis toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " Art. 5bis. § 1. De Vlaamse Regering verleent binnen de beschikbare begrotingskredieten projectsubsidies voor toegepast biomedisch onderzoek met een primair maatschappelijke finaliteit, zijnde onderzoek dat voldoet aan volgende kenmerken :
  1° er is een sterke focus op het verwerven van inzicht in de basis van ziekte en gezondheid van de mens;
  2° wetenschappelijke bevindingen worden uitgewerkt en vertaald naar klinische toepassingen;
  3° er is een maatschappelijke toepasbaarheid waarvoor op het ogenblik van indiening de industriële interesse beperkt is.
  Projectvoorstellen kunnen worden ingediend door een Vlaams universitair ziekenhuis, een Vlaams ziekenhuis of een consortium dat ten minste een Vlaams universitair ziekenhuis of een Vlaams ziekenhuis omvat.
  § 2. Het IWT wordt benevens de generieke missie en taken, als vermeld in artikelen 4 en 5, belast met het nemen van beslissingen tot ondersteuning van de in § 1 bedoelde projectvoorstellen, op grond van een advies van een expertencollege. De beoordeling van de projectvoorstellen betreft zowel de wetenschappelijke kwaliteit als de maatschappelijke utilisatieperspectieven van het projectvoorstel.
  § 3. De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende :
  1° de procedurele, formele en materiële voorwaarden voor het verkrijgen van de projectfinanciering;
  2° de subsidiabele kosten;
  3° het steunpercentage;
  4° het beslissingsproces en de beslissingscriteria aangaande de projectvoorstellen;
  5° de bewaking van de doelstellingen van het financieringskanaal. ".
Art. 73. Au chapitre III du même décret, il est ajouté un article 5bis, rédigé comme suit :
  " Art. 5bis. § 1er. Le Gouvernement flamand octroie, dans les limités des crédits budgétaires, des subventions de projet destinées à la recherche biomédicale appliquée ayant une finalité primaire d'ordre social, à savoir la recherche répondant aux caractéristiques suivantes :
  1° elle est principalement axée sur l'acquisition d'une meilleure compréhension des fondements des maladies et de la santé de l'homme;
  2° des constatations scientifiques sont développées et traduites en des applications cliniques;
  3° elle représente une valeur potentielle pour la société, à laquelle l'industrie porte peu d'intérêt au moment de son introduction.
  Des propositions de projet peuvent être introduites par un hôpital universitaire flamand, un hôpital flamand ou un consortium comprenant au moins un hôpital universitaire flamand ou un hôpital flamand.
  § 2. Outre sa mission et ses tâches génériques, telles que visées aux articles 4 et 5, l'IWT est chargée de la prise de décisions à l'appui des propositions de projet visées au § 1er, sur la base d'un avis d'un collège d'experts. L'évaluation des propositions de projet porte tant sur la qualité scientifique que sur les perspectives d'utilisation sociale de la proposition de projet.
  § 3. Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives :
  1° aux conditions procédurales, formelles et matérielles pour l'obtention du financement de projet;
  2° aux frais subventionnables;
  3° au taux d'aide;
  4° au processus de décision et aux critères de décision régissant les propositions de projet;
  5° au contrôle des objectifs du canal de financement. ".
Art. 74. Aan artikel 14 van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " Artikel 5bis treedt in werking op 1 juni 2006, met dien verstande dat, voor de toepassing van die bepaling, in de periode tussen 1 juni 2006 en de globale inwerkingtredingsdatum van dit decreet onder IWT moet worden verstaan : het Instituut voor de aanmoediging van innovatie door wetenschap en technologie in Vlaanderen. ".
Art. 74. A l'article 14 du même décret, il est ajouté un second alinéa, rédigé comme suit :
  " L'article 5bis entre en vigueur le 1er juin 2006, étant entendu que, pour l'application de la présente disposition, il faut entendre par IWT dans la période du 1er juin 2006 à la date d'entrée en vigueur globale du présent décret : l'" Instituut voor de aanmoediging van Innovatie door Wetenschap en Technologie in Vlaanderen " (Institut pour l'Encouragement à l'Innovation par la Recherche scientifique et technologique en Flandre). ".
Afdeling VII. - Herculesstichting.
Section VII. - La " Herculesstichting ".
Art. 75. In het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, deel VI, wordt een titel IVter ingevoegd, bestaande uit artikelen VI.9.8. tot en met VI.9.16., die luidt als volgt :
  " TITEL IVter. - Herculesfinanciering.
  Art. VI. 9.8. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder :
  1° FWO-Vlaanderen : de stichting van openbaar nut FONDS VOOR WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK-VLAANDEREN, opgericht bij notariële akte van 21 juni 2005, bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 5 april 2006;
  2° IWT : het Instituut voor de aanmoediging van innovatie door wetenschap en technologie in Vlaanderen, of zijn rechtsopvolger;
  3° middelzware onderzoeksinfrastructuur : onderzoeksinfrastructuur met een totale financieringskost van ten minste 150 000 euro en ten hoogste 1 500 000 euro;
  4° onderzoeksinfrastructuur : faciliteiten en bronnen die het verrichten van grensverleggend en strategisch basisonderzoek bevorderen, daaronder onder meer begrepen wetenschappelijke infrastructuur, collecties, natuurlijke habitats, corpora en databanken, met inbegrip van de digitale ontsluiting ervan;
  5° zware onderzoeksinfrastructuur : onderzoeksinfrastructuur met een totale financieringskost van meer dan 1 500 000 euro.
  Art. VI. 9.9. § 1. De Vlaamse Regering is ermee belast overeenkomstig de Wet van 27 juni 1921 op Verenigingen en Stichtingen een stichting op te richten, Herculesstichting genaamd, waarvan het maatschappelijk doel bestaat in de subsidiëring van middelzware en zware onderzoeksinfrastructuur.
  De Vlaamse Regering ziet erop toe dat voor de Herculesstichting de erkenning als stichting van openbaar nut wordt aangevraagd.
  De Herculesstichting is een privaatrechtelijk vormgegeven extern agentschap, als vermeld in artikel 29 van het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003. De Vlaamse Regering bepaalt tot welk homogeen beleidsdomein de Herculesstichting behoort.
  § 2. De Vlaamse Regering stelt de raad van bestuur van de Herculesstichting als volgt samen :
  1° de voorzitter van de raad van bestuur is een expert op het vlak van het wetenschaps- en innovatiebeleid;
  2° de overige leden van de raad van bestuur worden voorgedragen door, enerzijds, het FWO-Vlaanderen en, anderzijds, het IWT. Een representatief aantal van de leden die door het IWT worden voorgedragen, dienen deskundigen uit te industrie te zijn.
  De Vlaamse Regering kan nader regelen bepalen op het vlak van de voordrachtenregeling, als vermeld in het eerste lid, 2°.
  § 3. De Herculesstichting treedt bij de uitoefening van de in deze titel bedoelde taken en opdrachten op als functionele openbare dienst.
  Art. VI. 9.10. § 1. De Vlaamse Regering bepaalt jaarlijks, binnen de beschikbare begrotingskredieten, het bedrag dat aan het vermogen van de Herculesstichting wordt toegevoegd.
  § 2. Het jaarlijks te bepalen bedrag is voor twee derden bestemd voor de subsidiëring van middelzware onderzoeksinfrastructuur en voor één derde voor de financiering van zware onderzoeksinfrastructuur.
  De Vlaamse Regering kan jaarlijks beslissen om van de in het eerste lid vermelde verhouding af te wijken op grond van objectief vastgestelde noodwendigheden.
  § 3. De Herculesstichting handelt ten aanzien van het tijdens een bepaald begrotingsjaar niet aangewende bedrag als volgt :
  1° ofwel wordt het betrokken bedrag geheel of gedeeltelijk toegewezen aan door de Vlaamse Regering aan te wijzen investeringsinitiatieven;
  2° ofwel wordt het bedrag geheel of gedeeltelijk overgedragen naar het volgende begrotingsjaar, met behoud van de bestemming.
  Art. VI. 9.11. § 1. Het jaarlijks voor middelzware onderzoeksinfrastructuur beschikbare bedrag wordt verdeeld onder de associaties door middel van een Herculesverdeelsleutel, die door de Vlaamse Regering per begrotingsjaar wordt vastgesteld, en afgeleid wordt van de verdeelsleutels die worden gehanteerd voor de verdeling van de overheidsmiddelen onder de Bijzondere Onderzoeksfondsen en de Industriële Onderzoeksfondsen.
  § 2. De Herculesstichting wijst de betrokken middelen per associatie toe aan investeringsinitiatieven na het inwinnen van een advies van het associatiebestuur en van een beoordelingspanel, bestaande uit deskundigen uit de associaties en vertegenwoordigers uit de industriële sector. De selectiecriteria hebben ten minste betrekking op :
  1° de wetenschappelijke kwaliteit en relevantie van het door middel van de onderzoeksinfrastructuur uit te voeren onderzoeksprogramma;
  2° het belang van de onderzoeksinfrastructuur voor het onderzoek binnen de betrokken wetenschappelijke discipline;
  3° de betrouwbaarheid van het voor de voorgenomen investering opgemaakte investeringsplan.
  Art. VI. 9.12. Het jaarlijks voor zware onderzoeksinfrastructuur beschikbare bedrag wordt door de Herculesstichting rechtstreeks toegewezen aan investeringsinitiatieven op grond van het advies van twee door de Vlaamse Regering aangewezen beoordelingspanels, waarbij het ene panel de wetenschappelijke kwaliteit van de aanvragen nagaat, en het andere panel ten aanzien van de excellent bevonden aanvragen nagaat of de opgemaakte investeringsplannen voldoende realistisch en objectief zijn.
  Art. VI. 9.13. De subsidiëring in de zin van deze titel wordt uitsluitend aangewend voor :
  1° kosten voor wetenschappelijke investeringen, zijnde de kosten voor de aanschaf van de onderzoeksinfrastructuur zelf of de aanschaf van de onderdelen voor de constructie van de beoogde onderzoeksinfrastructuur;
  2° personeelskosten voor de ontwikkeling en de constructie van de onderzoeksinfrastructuur;
  3° onderhoudskosten gedurende de hele afschrijvingsperiode, zijnde de kosten voortvloeiende uit onderhoudsovereenkomsten of upgrades van de onderzoeksinfrastructuur.
  Art. VI. 9.14. Geselecteerde investeringsinitiatieven ontvangen een subsidiëring ten bedrage van een bepaald percentage van de in artikel VI.9.13. bedoelde kosten, voor zover deze behoorlijk gestaafd en goedgekeurd worden door de raad van bestuur of het dagelijks bestuur van de Herculesstichting.
  Art. VI. 9.15. § 1. De Vlaamse Regering stelt bij de Herculesstichting een regeringsafgevaardigde aan.
  De regeringsafgevaardigde houdt van overheidswege toezicht op de overeenstemming van de verrichtingen en de werking van de Herculesstichting met het recht, de statuten, de samenwerkingsovereenkomst en de beginselen inzake financiële orthodoxie.
  § 2. De regeringsafgevaardigde heeft met raadgevende stem zitting in de raad van bestuur en de door de raad van bestuur ingestelde comités.
  Ten minste vijf werkdagen voor de datum van de vergaderingen ontvangt hij de volledige dagorde van de vergaderingen van de raad van bestuur en van de door de raad van bestuur ingestelde comités, evenals alle documenten terzake. In gemotiveerde gevallen van hoogdringendheid kan van deze bepaling worden afgeweken.
  Hij kan te allen tijde ter plaatse alle documenten en geschriften van de Herculesstichting inzien.
  Hij kan van de bestuurders en de eventuele leden van het management alle inlichtingen en ophelderingen vorderen, en alle verificaties verrichten die hij nodig acht voor de uitvoering van zijn mandaat.
  De Vlaamse Regering kan de regeringsafgevaardigde laten bijstaan door deskundigen voor bepaalde tijdelijke controles.
  § 3. De regeringsafgevaardigde stelt de Vlaamse Regering in kennis van elke beslissing van de raad van bestuur of het management die hij strijdig acht met de toezichtsgronden, als bedoeld in § 1, tweede lid.
  Wanneer de Vlaamse Regering op grond van deze inlichtingen meent dat de Herculesstichting de aan haar opgedragen taken kennelijk verwaarloost, kan de Vlaamse Regering de aangelegenheid bepalen waarover de raad van bestuur van de Herculesstichting moet beraadslagen en de termijn bepalen waarbinnen die beraadslaging moet plaatsvinden.
  Wordt binnen de gestelde termijn geen beslissing genomen, of stemt de Vlaamse Regering niet in met de genomen beslissing, dan kan zij de nodige voorzieningen treffen. Zij stelt het Vlaams Parlement daarvan onverwijld in kennis.
  De nodige voorzieningen als bedoeld in het derde lid kunnen inhouden dat :
  1° de Vlaamse Regering zich in de plaats stelt van de Herculesstichting, waarbij zij de regeringsafgevaardigde of een andere persoon met een bijzondere macht kan bekleden;
  2° de Vlaamse Regering de beslissingen van de Herculesstichting gedurende een door haar bepaalde en verlengbare termijn afhankelijk maakt van het voorafgaand advies of de voorafgaande instemming van de Vlaamse Regering, de regeringsafgevaardigde, of enige andere instantie.
  De Vlaamse Regering kan nadere procedurele regelen bepalen voor de toepassing van deze paragraaf.
  § 4. Het Vlaamse Gewest draagt de kosten verbonden aan de uitoefening van het ambt van de regeringsafgevaardigde.
  De Vlaamse Regering bepaalt de rechtspositionele voorwaarden waaronder de regeringsafgevaardigde wordt aangesteld.
  Art. VI. 9.16. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regelen op het vlak van :
  1° de selectiemechanismen en -procedures ten aanzien van investeringsinitiatieven voor middelzware en zware onderzoeksinfrastructuur;
  2° de subsidiepercentages en de betalingsmodaliteiten;
  3° de voorwaarden en beperkingen op het vlak van :
  a) het copromotorschap door derden ten aanzien van gesubsidieerde investeringsinitiatieven;
  b) het beheer van de gesubsidieerde onderzoeksinfrastructuur;
  c) de terbeschikkingstelling van gesubsidieerde onderzoeksinfrastructuur aan derden.
  De Vlaamse Regering is ertoe gemachtigd de subsidiabele kosten nader te omschrijven en de middelzware en de zware onderzoeksinfrastructuur verder op te delen in verschillende categorieën, naargelang van het bedrag van de totale financieringskost. ".
Art. 75. Dans la partie VI du décret du 19 mars 2004 relatif au statut de l'étudiant, à la participation dans l'enseignement supérieur, l'intégration de certaines sections de l'enseignement supérieur de promotion sociale dans les instituts supérieurs et l'accompagnement de la restructuration de l'enseignement supérieur en Flandre est inséré un titre IVter, comprenant les articles VI.9.8 à VI.9.15 inclus, rédigé comme suit :
  " TITRE IVter. - Herculesfinanciering.
  Art. VI. 9.8. Pour l'application du présent titre, il faut entendre par :
  1° FWO - Vlaanderen : la fondation d'intérêt public " FONDS VOOR WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK-VLAANDEREN " (Fonds de la recherche scientifique en Flandre) constituée par acte notarié du 21 juin 2005, publié par extrait au Moniteur belge du 5 avril 2006;
   2° IWT : l'" Instituut voor de aanmoediging van Innovatie door Wetenschap en Technologie in Vlaanderen " (Institut pour l'Encouragement à l'Innovation par la Recherche scientifique et technologique en Flandre) ou son ayant cause;
  3° infrastructure de recherche de moyenne envergure : l'infrastructure de recherche dont le coût total du financement s'élève au moins à 150 000 euros et au plus à 1 500 000 euros;
  4° infrastructure de recherche : des facilités et des sources axées sur la recherche de base stratégique ouvrant de nouvelles perspectives, en ce compris l'infrastructure scientifique, les collections, les habitats naturels, les corpora et les banques de données, y compris leur accès virtuel;
  5° infrastructure de recherche de grande envergure : l'infrastructure de recherche dont le coût total du financement s'élève à plus de 1 500 000 euros.
  Art. VI. 9.9. § 1er. Le Gouvernement flamand est chargé, conformément à la loi du 27 juin 1921 relative aux associations et aux fondations, de créer une fondation, dénommée la Herculesstichting, dont le but social est de régler le subventionnement de l'infrastructure de recherche de moyenne et de grande envergure.
  Le Gouvernement flamand s'assure qu'une demande d'agrément de la Herculesstichting en tant que fondation d'intérêt public est déposée.
  La Herculesstichting est une agence autonomisée externe de droit privé, telle que visée à l'article 29 du décret cadre Politique Administrative du 18 juillet 2003. Le Gouvernement flamand détermine le domaine politique homogène auquel appartient la Herculesstichting.
  § 2. Le Gouvernement flamand fixe la composition du conseil d'administration de la Herculesstichting comme suit :
  1° le président du conseil d'administration est un expert dans le domaine de la politique scientifique et d'innovation;
  2° les autres membres du conseil d'administration sont proposés par le FWO-Vlaanderen, d'une part, et par l'IWT, d'autre part. Un nombre représentatif des membres proposés par l'IWT doivent être des experts du secteur industriel.
  Le Gouvernement flamand peut fixer des modalités quant à la proposition des candidats, telle que visée au premier alinéa, 2°.
  § 3. La Herculesstichting agit en tant que service public fonctionnel pour l'exécution des tâches et missions visées au présent titre.
  Art. VI. 9.10. § 1er. Le Gouvernement flamand fixe annuellement, dans les limites des crédits budgétaires, le montant qui est ajouté au patrimoine de la Herculesstichting.
  § 2. Le montant à fixer annuellement est destiné pour deux tiers au subventionnement de l'infrastructure de recherche de moyenne envergure et pour un tiers au subventionnement de l'infrastructure de recherche de grande envergure.
  Le Gouvernement flamand peut décider annuellement de déroger à la proportion visée au premier alinéa en fonction des nécessités objectives.
  § 3. Par rapport au montant non utilisé pendant une certaine année budgétaire, la Herculesstichting agit ainsi :
  1° ou bien le montant concerné est attribué, en tout ou en partie, aux initiatives d'investissement à désigner par le Gouvernement flamand;
  2° ou bien le montant est reporté, en tout ou en partie, à l'année budgétaire suivante, en conservant son affectation.
  Art. VI. 9.11. § 1er. Le montant annuellement disponible pour l'infrastructure de recherche de moyenne envergure est réparti sur les associations en appliquant une clé de répartition Hercules, fixée par année budgétaire par le Gouvernement flamand, et dérivée des clés de répartition utilisées pour la répartition des moyens publics sur les Fonds spéciaux de recherche et les Fonds de recherche industrielle.
  § 2. La Herculesstichting attribue les moyens concernés par association aux initiatives d'investissement après avoir sollicité l'avis de la direction de l'association et d'un panel d'évaluation, composé d'experts des associations et des représentants du secteur industriel. Les critères de sélection portent au moins sur :
  1° la qualité scientifique et la pertinence du programme de recherche à exécuter au sein de l'infrastructure de recherche;
  2° l'importance de l'infrastructure de recherche pour la recherche au sein de la discipline scientifique concernée;
  3° la fiabilité du plan d'investissement établi en vue de l'investissement proposé.
  Art. VI. 9.12. Le montant disponible chaque année pour l'infrastructure de recherche de moyenne envergure est attribué directement par la Herculesstichting aux initiatives d'investissement sur la base de l'avis de deux panels d'évaluation désignés par le Gouvernement flamand, dont l'un des deux vérifie la qualité scientifique des demandes et l'autre vérifie si les plans d'investissement établis sont suffisamment réalistes et objectifs par rapport aux demandes jugées excellentes.
  Art. VI. 9.13. Le subventionnement au sens du présent titre n'est affecté qu'aux :
  1° frais des investissements scientifiques, à savoir les frais d'acquisition de l'infrastructure de recherche elle-même ou l'acquisition des parties de construction de l'infrastructure de recherche visée;
  2° frais de personnel pour le développement et la construction de l'infrastructure de recherche;
  3° frais d'entretien pendant toute la période d'amortissement, à savoir les frais découlant des contrats d'entretien ou des modernisations de l'infrastructure de recherche.
  Art. VI. 9.14. Des initiatives d'investissement sélectionnées reçoivent un subventionnement à concurrence d'un certain pourcentage des frais visés à l'article VI.9.13, pour autant qu'ils soient dûment appuyés et approuvés par le conseil d'administration ou la gestion journalière de la Fondation Hercule.
  Art. VI. 9.15. § 1er. Le Gouvernement flamand désigne un délégué du gouvernement auprès de la Herculesstichting.
  Le délégué du gouvernement assure, pour les pouvoirs publics, la conformité des opérations et du fonctionnement de la Herculesstichting aux principes légaux, aux statuts, à l'accord de coopération et aux principes d'orthodoxie financière.
  § 2. Le délégué du gouvernement siège avec voix consultative dans le conseil d'administration et dans les comités institués par le conseil d'administration.
  Au moins cinq jours ouvrables avant la date des séances, il reçoit l'agenda complet des réunions du conseil d'administration et des comités institues par le conseil d'administration, ainsi que tous les documents y afférents. En cas d'urgence motivée, il peut être dérogé à cette disposition.
  Il peut, à tout moment et sur place, consulter tous les documents et écrits de la Herculesstichting.
  Il peut demander aux administrateurs et aux membres éventuels de la direction de lui communiquer toutes les informations et tous les éclaircissements et effectuer toutes les vérifications qu'il juge nécessaires pour l'exercice de son mandat.
  Le Gouvernement flamand a la possibilité de faire assister le délégué du gouvernement par des experts pour un certain nombre de contrôles temporaires.
  § 3. Le délégué du gouvernement informe le Gouvernement flamand de chaque décision du conseil d'administration ou de la direction qu'il juge contraire au contrôle visé au § 1er, deuxième alinéa.
  Si le Gouvernement flamand estime, sur la base de ces informations, que la Herculesstichting néglige les tâches qui lui sont conférées, le Gouvernement flamand peut définir la matière dont le conseil d'administration de la Herculesstichting doit délibérer et fixer le délai dans lequel cette délibération doit avoir lieu.
  Si aucune décision n'est prise dans le délai imparti ou si le Gouvernement flamand ne donne pas son accord à la décision prise, il peut prendre les mesures nécessaires. Il en informe sans tarder le Parlement flamand.
  Les mesures nécessaires au sens du troisième alinéa peuvent impliquer que :
  1° le Gouvernement flamand prend la place de la Herculesstichting et attribue éventuellement un pouvoir spécial au délégué du gouvernement ou à une autre personne;
  2° le Gouvernement flamand peut faire dépendre, pour un délai renouvelable fixé par lui, les décisions de la Herculesstichting de l'avis préalable ou du consentement préalable du Gouvernement, du délégué du gouvernement ou de toute autre instance.
  Le Gouvernement flamand peut fixer les modalités procédurales de l'application du présent paragraphe.
  § 4. La Région flamande prend en charge les frais liés à l'exercice de la fonction du délégué du gouvernement.
  Le Gouvernement flamand fixe les conditions statutaires auxquelles le délégué du gouvernement est désigné.
  Art. VI. 9.16. Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives :
  1° aux mécanismes et procédures de sélection à l'égard des initiatives d'investissement axées sur l'infrastructure de recherche de moyenne et de grande envergure;
  2° aux taux de subventionnement et aux modalités de paiement;
  3° aux conditions et restrictions relatives :
  a) au rôle de co-promoteur assumé par des tiers à l'égard des initiatives d'investissement subventionnées;
  b) à la gestion de l'infrastructure de recherche subventionnée;
  c) à la mise à disposition de l'infrastructure de recherche subventionnée à des tiers.
  Le Gouvernement flamand est autorisé à détailler les frais subventionnables et à subdiviser l'infrastructure de recherche de moyenne et de grande envergure en différentes catégories en tenant compte du montant du coût total du financement. ".
Art. 76. Aan artikel VI.10 van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " De artikelen VI.9.8 tot en met VI.9.16 treden in werking op 1 januari 2007 en houden op uitwerking te hebben op 31 december 2008. ".
Art. 76. A l'article VI.10 du décret du 19 mars 2004 relatif au statut de l'étudiant, à la participation dans l'enseignement supérieur, l'intégration de certaines sections de l'enseignement supérieur de promotion sociale dans les instituts supérieurs et l'accompagnement de la restructuration de l'enseignement supérieur en Flandre est ajouté un quatrième alinéa ainsi rédigé :
  " Les articles VI.9.8 à VI.9.16 inclus entrent en vigueur le 1er janvier 2007 et cessent de produire leurs effets le 31 décembre 2008. ".
HOOFDSTUK XXI. - Schenking meubilair aan onderwijsnetten.
CHAPITRE XXI. - Donation de mobilier aux réseaux d'enseignement.
Art. 77. Bij het verlaten van het Markiesgebouw en het North-Plazagebouw wordt niet-herbruikt meubilair aan het gefinancierd en het gesubsidieerd onderwijs geschonken. Het meubilair wordt geschonken aan het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs voor de inrichting van hun basisscholen en secundaire scholen. Bij de verdeling van de schenking zal rekening worden gehouden met het aantal instellingen met basis- en secundair onderwijs en het aantal personeelsleden.
Art. 77. A la suite du déménagement du Markiesgebouw et du North-Plazagebouw, le mobilier non réutilisé peut être donné à l'enseignement financé et subventionné. Le mobilier est donné à l'Enseignement communautaire et aux associations représentatives des pouvoirs organisateurs de l'enseignement subventionné pour l'aménagement de leurs écoles fondamentales et secondaires. Lors de la répartition de la donation, il sera tenu compte du nombre d'établissements d'enseignement fondamental et secondaire et du nombre de membres du personnel.
HOOFDSTUK XXII. - DAB Overheidspersoneel.
CHAPITRE XXII. - Service à gestion séparée " Fonction publique ".
Art. 78. § 1. Er wordt een Dienst met Afzonderlijk Beheer voor Overheidspersoneel opgericht, zoals bedoeld in artikel 140 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit.
  § 2. De DAB voor Overheidspersoneel wordt belast met de organisatie en ontwikkeling van allerlei P&O-activiteiten voor de beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid.
  § 3. [1 De dienst beschikt voor de uitvoering van haar activiteiten enerzijds over haar eigen inkomsten uit vorming, kinderopvang, Vlimpers-Elvire en P & O-dienstverlening op vraag van het lijnmanagement, anderzijds over een jaarlijkse dotatie voorzien in het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap.]1
  [2 § 4. De DAB Overheidspersoneel kan de eigen inkomsten alsook de inkomsten uit de dotatie aanwenden voor de betaling van de lonen en sociale lasten van de monitoren voor de kinderopvang van de Vlaamse overheid en voor de betaling van de lonen en sociale lasten van tijdelijke medewerkers voor de uitbouw van het personeelssysteem van de Vlaamse overheid.]2
  
Art. 78. § 1er. Il est créé un Service à Gestion séparée " Fonction publique " tel que mentionné à l'article 140 des lois coordonnées sur la comptabilité de l'Etat.
  § 2. Le SGS " Fonction publique " est chargé de l'organisation et du développement de diverses activités P&D (Personnel et Développement) pour les domaines politiques des Autorités flamandes.
  § 3. [1 Pour l'exécution de ses activités, le service dispose d'une part des recettes propres provenant d'activités de formation, de l'accueil d'enfants, de Vlimpers-Elvire et de services P & O sur demande du management de ligne, et d'autre part d'une dotation annuelle prévue dans le décret contenant le budget général des dépenses de la Communauté flamande.]1
  [2 § 4. La SGS Fonction Publique peut affecter ses propres revenus ainsi que les revenus d'une dotation pour le paiement des traitements et charges sociales des moniteurs pour l'accueil d'enfants de l'Autorité flamande et pour le paiement des salaires et charges sociales des collaborateurs temporaires pour le développement du système de personnel de l'Autorité flamande. ]2
  
HOOFDSTUK XXIII. - [1 DAB [2 Documentbeheer]2 Vlaanderen]1.
CHAPITRE XXIII. [1 - DAB [2 Documentbeheer]2 Vlaanderen " (SGS [2 Gestion des documents]2 Flandres).]1
Art. 79. § 1. Er wordt een Dienst met Afzonderlijk Beheer [3 [5 Documentbeheer]5]3 opgericht, zoals bedoeld in artikel 140 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit.
  § 2. [4 De DAB [5 Documentbeheer]5 wordt [5 ...]5 belast met het aanbieden van diensten inzake [5 documentbeheer aan de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018]5.]4
  [1 § 2bis. [4 ...]4
   Hij zorgt voor de coördinatie en de opvolging van de e-government beleidsuitvoering en voor het beheer, de begeleiding en de coördinatie van projecten, acties en initiatieven op het vlak van e-government, met inbegrip van het ontwerp, de bouw en het beheer van gemeenschappelijk bruikbare [5 Documentbeheer]5 diensten en infrastructuur op het vlak van gegevensuitwisseling en applicatiekoppeling. Hij biedt op dat vlak advies, ondersteuning en diensten aan de entiteiten van de Vlaamse overheid en aan de lokale overheden.]1
[2 Hij vervult de functie van dienstenintegrator overeenkomstig het decreet houdende de oprichting en organisatie van een Vlaamse dienstenintegrator.]2
  § 3. De begroting van de [3 DAB [5 Documentbeheer]5]3 wordt gestijfd door :
  1° dotaties ten laste van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap;
  2° alle ontvangsten voortvloeiend uit het beheer en de exploitatie door de [3 DAB [5 Documentbeheer]5]3.
  Het decreet houdende de begroting van de Vlaamse Overheid bepaalt elk jaar het bedrag van de dotaties die toegekend worden aan de [3 DAB [5 Documentbeheer]5]3.
  
Art. 79. § 1er. Il est créé un Service à Gestion séparée [3 [5 Gestion des documents]5]3 tel que mentionné à l'article 140 des lois coordonnées sur la comptabilité de l'Etat.
  § 2. [4 Le SGS [5 Gestion des documents]5 est chargé [5 ...]5 de la fourniture de services en matière de [5 gestion des documents aux instances publiques, visées à l'article II.28, § 1er, du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018]5. ]4
  [4 ...]4
   Il assure la coordination et le suivi de l'exécution de la politique d'e-gouvernement ainsi que la gestion, l'accompagnement et la coordination de projets, d'actions et d'initiatives en matière d'e-gouvernement, y compris la conception, le développement et la gestion de services et infrastructures [5 Gestion des documents]5 à usage commun en matière d'échange de données et de connexion d'applications. Dans ces domaines, il propose aux entités de l'Autorité flamande et aux pouvoirs publics une offre de conseils, d'appui et de services.]1 [2 Il remplit la fonction d'intégrateur de services conformément au décret portant création et organisation d'un intégrateur de services flamand.]2
  § 3. Le budget du [3 SGS [5 Gestion des documents]5]3 est alimenté par :
  1° des dotations à charge du budget général des dépenses de la Communauté flamande;
  2° de toutes les recettes découlant de la gestion et de l'exploitation par le [3 SGS [5 Gestion des documents]5]3.
  Le décret portant le budget de la Communauté flamande fixe chaque année le montant des dotations octroyées au [3 SGS [5 Gestion des documents]5]3.
  
HOOFDSTUK XXIV.
CHAPITRE XXIV.
HOOFDSTUK XXV. - Vlaams Provinciefonds.
CHAPITRE XXV. - Fonds flamand des Provinces.
Art. 81. Artikel 3 van het decreet van 29 april 1991 betreffende het Vlaams Provinciefonds wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 3. § 1. Elk jaar wordt de dotatie van het Vlaams Provinciefonds vastgesteld op een bedrag dat minstens gelijk is aan de dotatie van het vorige jaar, aangepast met een in § 2 bedoeld evolutiepercentage.
  § 2. Vanaf het begrotingsjaar 2007 bedraagt het evolutiepercentage 3,5 %.
  § 3. De berekende dotatie wordt afgerond op het hogere duizendtal. ".
Art. 81. L'article 3 du décret du 29 avril 1991 relatif au Fonds flamand des Provinces est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 3. § 1er. La dotation du Fonds flamand des Provinces est fixée chaque année à un montant au moins égal à la dotation de l'année précédente, ajusté d'un taux d'évolution vise au § 2.
  § 2. A partir de l'année budgétaire 2007, le taux d'évolution est de 3,5 %.
  § 3. La dotation calculée est arrondie au millier supérieur. ".
HOOFDSTUK XXVI. - Stadsvernieuwingsprojecten.
CHAPITRE XXVI. - Projets de rénovation urbaine.
Art. 82. Artikel 2 van het decreet van 22 maart 2002 houdende de ondersteuning van stadsvernieuwingsprojecten, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2003 en 24 december 2004 wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 2. Lastens de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap en het Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eenmalige Investeringsuitgaven kunnen uitgaven voor stadsvernieuwing worden aangerekend. ".
Art. 82. L'article 2 du décret du 22 mars 2002 portant aide aux projets de rénovation urbaine, modifié par les décrets des 19 décembre 2003 et 24 décembre 2004, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 2. Des dépenses pour la rénovation urbaine peuvent être imputées à charge du budget général des dépenses de la Communauté flamande et du Fonds de Financement pour la Suppression des Dettes et les Dépenses uniques d'Investissement. ".
HOOFDSTUK XXVII. - Eigen Vermogens.
CHAPITRE XXVII. - Propres patrimoines.
Afdeling I. - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek.
Section Ire. - " Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek " (Institut de Recherche des Forêts et de la Nature).
Art. 83. In artikel 32, § 1, van het decreet van 23 december 2005 houdende de bepalingen voor de begeleiding van de begroting 2006 worden het eerste lid en het tweede lid vervangen door wat volgt :
  " Ieder jaar stelt de beheerscommissie de begroting vast van de uitgaven voor het volgende begrotingsjaar, alsmede de middelen van het EV INBO om die uitgaven te dekken. Voor het indienen van de begroting volgt de beheerscommissie de nadere regelen zoals vastgesteld in de begrotingsinstructies tot de opmaak van de algemene uitgaven- en middelenbegroting.
  Ieder jaar, voor 15 maart, stelt de beheerscommissie de rekening van het EV INBO van het vorige begrotingsjaar op. ".
Art. 83. Dans l'article 32, § 1er du décret du 23 décembre 2005 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2006, les premier et deuxième alinéas sont remplacés par les dispositions suivantes :
  " Chaque année, la commission de gestion fixe le budget des dépenses pour l'année budgétaire suivante, ainsi que les moyens de l'EV INBO en vue de couvrir ces dépenses. Pour la présentation du budget, la commission de gestion suit les modalités telles que fixées dans les instructions budgétaires pour l'établissement du budget général des dépenses et du budget des voies et moyens.
  Chaque année, avant le 15 mars, la commission de gestion établit le compte de l'année budgétaire précédente de l'EV INBO. ".
Afdeling II. - Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek.
Section II. - " Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek " (Institut de Recherche de l'Agriculture et de la Pêche).
Art. 84. In artikel 41, § 1, van het decreet van 23 december 2005 houdende de bepalingen voor de begeleiding van de begroting 2006 worden het eerste lid en het tweede lid vervangen door wat volgt :
  " Ieder jaar stelt de beheerscommissie de begroting vast van de uitgaven voor het volgende begrotingsjaar, alsmede de middelen van het EV ILVO om die uitgaven te dekken. Voor het indienen van de begroting volgt de beheerscommissie de nadere regelen zoals vastgesteld in de begrotingsinstructies tot de opmaak van de algemene uitgaven- en middelenbegroting.
  Ieder jaar, voor 15 maart, stelt de beheerscommissie de rekening van het EV ILVO van het vorige begrotingsjaar op. ".
Art. 84. Dans l'article 41, § 1er, du décret du 23 décembre 2005 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2006, les premier et deuxième alinéas sont remplacés par les dispositions suivantes :
  " Chaque année, la commission de gestion fixe le budget des dépenses pour l'année budgétaire suivante, ainsi que les moyens de l'EV ILVO en vue de couvrir ces dépenses. Pour la présentation du budget, la commission de gestion suit les modalités telles que fixées dans les instructions budgétaires pour l'établissement du budget général des dépenses et du budget des voies et moyens.
  Chaque année, avant le 15 mars, la commission de gestion établit le compte de l'année budgétaire précédente de l'EV ILVO. "
Afdeling III. - Ondersteunend Centrum van het Agentschap voor Natuur en Bos.
Section III. - Centre d'appui de l'Agence de la Nature et des Forêts.
Art. 85. In artikel 38 van het decreet van 19 mei 2006 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en energie worden het eerste lid en het tweede lid vervangen door wat volgt :
  " Ieder jaar stelt de beheerscommissie de begroting vast van de uitgaven voor het volgende begrotingsjaar, alsmede de middelen van het OC-ANB om die uitgaven te dekken. Voor het indienen van de begroting volgt de beheerscommissie de nadere regelen zoals vastgesteld in de begrotingsinstructies tot de opmaak van de algemene uitgaven- en middelenbegroting.
  Ieder jaar, voor 15 maart, stelt de beheerscommissie de rekening van het OC-ANB van het vorige begrotingsjaar op. ".
Art. 85. Dans l'article 38 du décret du 19 mai 2006 contenant diverses mesures en matière d'environnement et d'énergie, le premier et le deuxième alinéas sont remplacés par ce qui suit :
  " Chaque année, la commission de gestion fixe le budget des dépenses pour l'année budgétaire suivante, ainsi que les moyens de l'OC-ANB en vue de couvrir ces dépenses. Pour la présentation du budget, la commission de gestion suit les modalités telles que fixées dans les instructions budgétaires pour l'établissement du budget général des dépenses et du budget des voies et moyens.
  Chaque année, avant le 15 mars, la commission de gestion établit le compte de l'année budgétaire précédente de l'OC-ANB. ".
Afdeling IV. - Verpachting van de jachtrechten van de ANB-domeinen.
Section IV. - Affermage des droits de chasse des domaines de l'ANB.
Art. 86. In artikel 3 van het decreet tot oprichting van het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur als Gewestdienst met Afzonderlijk Beheer van 23 januari 1991 wordt een punt 4° ingevoegd, dat luidt als volgt :
  " 4° de opbrengsten gehaald uit de verpachting van de jacht- en visrechten, landpacht, huren en andere gebruiksrechten, toegestaan op het openbare of private domein, van onroerende goederen in het beheer van het Agentschap voor Natuur en Bos; ".
Art. 86. Dans l'article 3 du décret du 23 janvier 1991 portant création du Fonds de Prévention et d'Assainissement en matière de l'Environnement et de la Nature comme service régional à gestion séparée, il est inséré un point 4°, rédigé comme suit :
  " 4° les recettes provenant de l'affermage des droits de chasse et de pêche, du fermage, des loyers et d'autres droits d'usage consentis dans le domaine public ou privé, de biens immeubles qui relèvent de la gestion de l'Agence de la Nature et des Forêts; ".
HOOFDSTUK XXVIII. - Fonds voor Landbouw en Visserij.
CHAPITRE XXVIII. - Fonds pour l'Agriculture et la Pêche.
Art. 87. Artikel 2 van het decreet van 20 december 2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de derde aanpassing van de begroting 2002 opgeheven door het decreet van 19 mei 2006 betreffende de oprichting en werking van het Fonds voor Landbouw en Visserij wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
  " Art. 2. § 1. Er wordt een " Fonds voor de Kwaliteit van de Landbouwproductie ", in de zin van artikel 45 van de wetten op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, opgericht.
  § 2. Aan het Fonds voor de Kwaliteit van de Landbouwproductie worden toegewezen :
  1° de saldi die op 31 december 2001 beschikbaar waren op de volgende federale begrotingsfondsen :
  - het Landbouwfonds, bedoeld in subrubriek 31-3 van de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen;
  - het Fonds voor de productie en bescherming van planten en plantaardige producten, bedoeld in subrubriek 31-4 van de tabel gevoegd bij de voornoemde organieke wet van 27 december 1990;
  - het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, bedoeld in subrubriek 31-1 van de tabel gevoegd bij de voornoemde organieke wet van 27 december 1990, en die met toepassing van artikel 35quater, § 2, tweede lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, gewijzigd bij de bijzondere wet van 13 juli 2001, aan het Vlaamse Gewest zijn overgemaakt;
  2° de bijdragen opgelegd door de Vlaamse Regering ten laste van natuurlijke personen en rechtspersonen die planten of plantaardige producten, dieren of dierlijke producten voortbrengen, verhandelen, vervoeren, bewerken of verwerken;
  3° de verhogingen en intresten van de bijdragen vermeld onder 2°, alsmede de intresten van de betalingen;
  4° de bedragen, rechten en vergoedingen opgelegd met toepassing van de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt, en van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten, geïnd voor de controles en de prestaties van de overheid;
  5° de administratieve geldboeten opgelegd in het kader van de in 4° vermelde wetten;
  6° vrijwillige bijdragen;
  7° de ontvangsten voortkomend uit de deelneming van de Europese Gemeenschappen in de uitgaven van het Fonds;
  8° terugbetalingen van toelagen of voorschotten en ontvangen intresten verbonden aan uitgaven van het Fonds;
  9° bijstand van de EU voor de tenuitvoerlegging van de in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid geldende controleregeling overeenkomstig Verordening 2847/93.
  § 3. De middelen van het Fonds voor de Kwaliteit van de Landbouwproductie dienen aangewend te worden voor de prefinanciering of de financiering van :
  1° de uitgaven in toepassing van de wet van 20 juni 1956 betreffende de verbetering van de rassen van voor de landbouw nuttige huisdieren;
  2° de uitgaven in toepassing van de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt;
  3° de uitgaven in toepassing van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten;
  4° personeels- en werkingskosten en kosten verbonden aan opdrachten toevertrouwd aan derden;
  5° de uitgaven voor het controlesysteem van het gemeenschappelijk visserijbeleid in uitvoering van Verordening (EG) nr. 2847/93;
  6° de uitgaven in het kader van het federale plan voor plattelandsontwikkeling uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1257/1999;
  7° uitgaven van de overheid voor het vergoeden van economische schade voor zover de oorzaak van de schade niet kan toegeschreven worden aan degene die schade lijdt.
  § 4. De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het in § 1 bedoelde Fonds.
  § 5. Dit artikel treedt in werking op 1 januari 2006 en houdt op uitwerking te hebben op 31 december 2006. ".
Art. 87. L'article 2 du décret du décret du 20 décembre 2002 contenant diverses mesures d'accompagnement du troisième ajustement du budget 2, abrogé par le décret du 19 mai 2006 relatif à la création et au fonctionnement du Fonds pour l'Agriculture et la Pêche, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " Art. 2. § 1er. Il est créé un " Fonds voor de Kwaliteit van de Landbouwproductie " (Fonds de Qualité de la Production agricole), au sens de l'article 45 des lois sur la comptabilité de l'Etat, coordonnées le 17 juillet 1991.
  § 2. Sont attribués au " Fonds voor de Kwaliteit van de Landbouwproductie " :
  1° les soldes qui, au 31 décembre 2001, étaient disponibles aux fonds budgétaires fédéraux suivants :
  - le Fonds agricole, visé dans la sous-rubrique 31-3 du tableau joint à la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires,
  - le Fonds pour la production et la protection des végétaux et des produits végétaux, visé dans la sous-rubrique 31-4 du tableau joint à la loi organique précitée du 27 décembre 1990,
  - le Fonds budgétaire pour la santé et la qualité des animaux et des produits animaux, visé à la sous-rubrique 31-1 du tableau joint à la loi organique du 27 décembre 1990 et qui, en application de l'article 35quater, § 2, alinéa deux, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, modifiée par la loi spéciale du 13 juillet 2001, est transféré à la Région flamande;
  2° les cotisations imposées par le Gouvernement flamand à charge des personnes physiques et des personnes morales qui produisent, commercialisent, transportent, travaillent ou transforment des végétaux ou produits végétaux, des animaux ou produits animaux;
  3° les augmentations et intérêts des cotisations citées au point 2°, ainsi que les intérêts des paiements;
  4° les montants, droits et indemnités imposés par application de la loi du 11 juillet 1969 relative aux pesticides et aux matières premières pour l'agriculture, l'horticulture, la sylviculture et l'élevage, et de la loi du 28 mars 1975 relative au commerce des produits de l'agriculture, de l'horticulture et de la pêche maritime, perçus pour les contrôles et les prestations des pouvoirs publics;
  5° les amendes administratives imposées dans le cadre des lois citées au point 4°;
  6° des contributions bénévoles;
  7° les recettes provenant de la participation des Communautés européennes aux dépenses du Fonds;
  8° les remboursements des subventions ou d'acomptes et des intérêts reçus liés aux dépenses du Fonds;
  9° l'assistance de l'UE pour l'exécution du système de contrôle en vigueur dans le cadre de la politique commune de la pêche, conformément au Règlement 2847/93.
  § 3. Les moyens du " Fonds voor de Kwaliteit van de Landbouwproductie " doivent être affectes au préfinancement ou financement :
  1° des dépenses par application de la loi du 20 juin 1956 relative à l'amélioration des races d'animaux domestiques utiles à l'agriculture;
  2° des dépenses par application de la loi du 11 juillet 1969 relative aux pesticides et aux matières premières pour l'agriculture, l'horticulture, la sylviculture et l'élevage;
  3° des dépenses par application de la loi du 28 mars 1975 relative au commerce des produits de l'agriculture, de l'horticulture et de la pêche maritime;
  4° de coûts de personnel et de fonctionnement et de frais liées à des missions confiées à des tiers;
  5° des dépenses pour le système de contrôle de la politique commune de la pêche, en exécution du Règlement (CE) n° 2847/93;
  6° des dépenses dans le cadre du plan fédéral de développement rural du chef du Règlement (CE) n° 1257/1999;
  7° des dépenses des pouvoirs publics pour l'indemnisation de dommages économiques dans la mesure où ceux-ci sont attribuables à celui qui les a subis.
  § 4. L'agent comptable ayant perçu les recettes dispose directement des crédits du Fonds visé au § 1er.
  § 5. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2006 et cesse ses effets le 31 décembre 2006. ".
Art. 88. Artikelen 14 en 15 van het decreet van 19 mei 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Fonds voor Landbouw en Visserij worden vervangen door wat volgt :
  " Art. 14. Artikel 2 met betrekking tot het Fonds voor de Kwaliteit van de Landbouwproductie van het decreet van 20 december 2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de derde aanpassing van de begroting 2002 wordt opgeheven op 1 januari 2007.
  Art. 15. Het beschikbare saldo van het Fonds voor de Kwaliteit van de Landbouwproductie, vermeld in artikel 14, wordt op 1 januari 2007 overgedragen aan het Fonds voor Landbouw en Visserij. ".
Art. 88. Les articles 14 et 15 du décret du 19 mai 2006 relatif à la création et au fonctionnement du Fonds pour l'Agriculture et la Pêche, sont remplacés par les dispositions suivantes :
  " Art. 14. L'article 2 relatif au Fonds pour la Qualité de la Production agricole du décret du 20 décembre 2002 contenant des mesures d'accompagnement de la troisième adaptation du budget 2002, modifié par le décret du 27 juin 2003, est abrogé à partir du 1er janvier 2007.
  Art. 15. Le solde disponible du Fonds pour la Qualité de la Production agricole, mentionné à l'article 14, est transféré au Fonds pour l'Agriculture et la Pêche au 1er janvier 2007. ".
HOOFDSTUK XXIX. - Dagcentra voor palliatieve verzorging.
CHAPITRE XXIX. - Centres de jour de soins palliatifs.
Art. 89. De dagcentra voor palliatieve verzorging die krachtens artikel 81 van het decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006 van rechtswege erkend waren voor de Vlaamse Gemeenschap van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006, kunnen door de Vlaamse Regering voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 verder erkend worden voor de Vlaamse Gemeenschap als dagcentrum voor palliatieve verzorging.
  Met het oog op deze erkenning moeten de dagcentra voor palliatieve verzorging verder de verplichtingen naleven die hen waren opgelegd door de overeenkomst, vermeld in artikel 81, eerste lid, van het decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden en normen van de erkenning nader bepalen evenals het toezicht op de naleving ervan. De Vlaamse Regering kan de verleende erkenning intrekken indien de betrokken instelling de erkenningsvoorwaarden en erkenningsnormen niet naleeft.
  De Vlaamse Regering is gemachtigd om de tijdelijke erkenning, vermeld in het eerste lid, naderhand nog voor één jaar te verlengen, tot en met 31 december 2008 onder de voorwaarden vermeld in het tweede lid.
Art. 89. Les centres de jour de soins palliatifs, agréés de plein droit par la Communauté flamande, en vertu de l'article 81 du décret du 23 décembre 2005 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2006, du 1er janvier 2006 au 31 décembre 2006 inclus, peuvent maintenir l'agrément de la Communauté flamande en tant que centre de jour de soins palliatifs pour la période du 1 janvier 2007 au 31 décembre 2007 inclus.
  En vue de cet agrément, les centres de jour de soins palliatifs doivent continuer à remplir les obligations qui leur ont été imposées par le contrat visé à l'article 81, premier alinéa du décret du 23 décembre 2005 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2006. Le Gouvernement flamand peut arrêter des conditions et normes d'agrément complémentaires, ainsi que le contrôle du respect de ces dispositions. Le Gouvernement flamand peut retirer l'agrément octroyé si l'établissement concerné ne respecte pas les conditions d'agrément et les normes d'agrément.
  Le Gouvernement flamand est autorisé à proroger d'un an l'agrément temporaire visé au premier alinéa, jusqu'au 31 décembre 2008 inclus, aux conditions énoncées dans le deuxième alinéa.
HOOFDSTUK XXX. - Fonds voor de subsidiëring van zorgvernieuwingsprojecten.
CHAPITRE XXX. - " Fonds voor de subsidiëring van zorgvernieuwingsprojecten " (Fonds pour le subventionnement de projets novateurs en matière de soins).
Art. 90. Artikel 24 van het ontwerp van decreet van 24 december 2004 houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2004 wordt vervangen door wat volgt :
  " Een " Fonds voor de subsidiëring van Zorgvernieuwingsprojecten " wordt opgericht, hierna Fonds te noemen. Het Fonds is een begrotingsfonds zoals bedoeld in artikel 45 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit.
  Het Fonds wordt gespijsd met de middelen die in uitvoering van punt 6 van het protocol nr. 2 van 1 januari 2003 en punt 3 (12 RVT-equivalenten palliatieve dagopvang Vlaamse Gemeenschap) van hoofdstuk 2 van het protocol nr. 3 (Belgisch Staatsblad van 28 april 2006) gesloten tussen de Federale Regering en de overheden bedoeld in de artikelen 128, 130, 135 en 138 van de Grondwet, over het te voeren ouderenzorgbeleid door de federale overheid aan de Vlaamse Gemeenschap worden toegekend.
  Ten laste van dit Fonds worden alle uitgaven van de administratie Gezin en Maatschappelijk Welzijn aangerekend, voorzover deze verband houden met de uitvoering van punt 6 van het protocol nr. 2 van 1 januari 2003 en punt 3 (12 RVT-equivalenten palliatieve dagopvang Vlaamse Gemeenschap) van hoofdstuk 2 van het protocol nr. 3 (Belgisch Staatsblad van 28 april 2006) gesloten tussen de federale regering en de overheden bedoeld in de artikelen 128, 130, 135 en 138 van de Grondwet, over het te voeren ouderenzorgbeleid en meer specifiek de zorgvernieuwingsprojecten.
  De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het Fonds.
  Deze bepaling treedt in werking op 1 januari 2006. ".
Art. 90. L'article 24 du projet de décret du 24 décembre 2004 contenant diverses mesures d'accompagnement du deuxième ajustement du budget 2004, est remplacé par les dispositions suivantes :
  " Il est créé un " Fonds voor de subsidiëring van Zorgvernieuwingsprojecten ", ci-après dénommé le Fonds. Le Fonds est un fonds budgétaire tel que visé à l'article 45 des lois coordonnées sur la Comptabilité de l'Etat.
  Le Fonds est alimenté par les moyens qui sont accordés par l'autorité fédérale à la Communauté flamande en exécution du point 6 du Protocole n° 2 du 1er janvier 2003 et du point 3 (équivalents RVT accueil de jour palliatif Communauté flamande) et du chapitre 2 du protocole n° 3 (MB du 28 avril 2006), conclus entre l'autorité fédérale et les autorités visées aux articles 128, 130, 135 et 138 de la Constitution, concernant la politique de soins à mener à l'égard des personnes âgées.
  Sont imputées sur le Fonds, les dépenses de toute nature de l'Administration de la Famille et de l'Aide sociale, dans la mesure où elles ont trait à l'exécution du point 6 du Protocole n° 2 du 1er janvier 2003 et du point 3 (équivalents RVT accueil de jour palliatif Communauté flamande) et du chapitre 2 du protocole n° 3 (MB du 28 avril 2006), conclus entre l'autorité fédérale et les autorités visées aux articles 128, 130, 135 et 138 de la Constitution, concernant la politique de santé à mener à l'égard des personnes âgées et plus spécifiquement les projets novateurs en matière de soins.
  L'agent comptable ayant perçu les recettes, dispose directement des crédits du Fonds.
  Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 2006. ".
HOOFDSTUK XXXI. - Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.
CHAPITRE XXXI. - Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (Agence flamande pour les personnes handicapées).
Art. 91. In het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, artikel 18, 3°, derde lid, worden na de woorden " moeten bewezen worden ", de woorden " , behoudens uitzonderingen bepaald door de Vlaamse Regering met betrekking tot sommige kostencategorieën met een beperkte omvang " toegevoegd.
  In hetzelfde decreet, artikel 18, 3°, vijfde lid, worden de woorden " bewezen en " geschrapt.
Art. 91. Dans l'article 18, 3°, alinéa 3 du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées), les mots " , sauf les exceptions arrêtées par le Gouvernement flamand relatives à certaines catégories de frais d'importance limitée " sont insérés après les mots " doivent être prouvés ".
  Dans l'article 18, 3° alinéa 5, les mots " et prouvés " sont supprimés.
HOOFDSTUK XXXII. - Fondsen Personeelsleden met Verlof voor Opdracht.
CHAPITRE XXXII. - Fonds pour membres du personnel en congé pour l'exercice d'une mission.
Art. 92. Artikel 33 van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001 wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 33. § 1. Bij elk op 1 januari 2007 bestaand Vlaams ministerie wordt er een fonds, in de zin van artikel 45 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit, opgericht voor de aanwending van de terugbetaling van salarissen van personeelsleden binnen het Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of vakorganisaties.
  § 2. Aan ieder fonds worden toegewezen :
  - alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten met betrekking tot personeelsleden van het betrokken Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of vakorganisaties;
  - een gedeelte van het vastleggings- en ordonnanceringssaldo op 31 december 2006 dat bij besluit van de Vlaamse Regering zal worden vastgesteld.
  § 3. De middelen van ieder fonds dienen aangewend te worden voor de betaling van wedden en weddentoelagen van de ter vervanging aangeworven personeelsleden. ".
Art. 92. L'article 33 du décret du 6 juillet 2001 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 2001, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 33. § 1er. Il est créé un fonds auprès de chaque ministère flamand existant au 1er janvier 2007, au sens de l'article 45 des lois coordonnées sur la comptabilité de l'Etat, pour l'affectation des recouvrements de traitements de membres du personnel du Ministère flamand, qui sont pris en charge par d'autres autorités ou par des organisations syndicales.
  § 2. Sont attribués à chaque fonds :
  - toutes récupérations de traitements et d'indemnités ou frais y afférents portant sur les membres du personnel du Ministère flamand concerné pris en charge par d'autres autorités ou par des organisations syndicales;
  - une partie du solde d'engagement et d'ordonnancement au 31 décembre 2006, à fixer par arrêté du Gouvernement flamand.
  § 3. Les moyens du fonds seront affectés au paiement des traitements et subventions-traitements des membres du personnel recrutés en vue de leur remplacement. "
HOOFDSTUK XXXIII. - Toekomstfonds.
CHAPITRE XXXIII. - Fonds d'avenir.
HOOFDSTUK XXXIV. - Inwerkingtreding van Comptabiliteitsdecreet.
CHAPITRE XXXIV. - Entrée en vigueur du Décret sur la Comptabilité.
Art. 98. In artikel 65 van het decreet van 7 mei 2004 houdende regeling van de begrotingen, de boekhouding, de controle inzake subsidies, en de controle door het Rekenhof wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
  " Dit decreet treedt in werking op de datum te bepalen door de Vlaamse Regering. ".
Art. 98. Dans l'article 65 du décret du 7 mai 2004 réglant les budgets, la comptabilité, le contrôle des subventions et le contrôle par la Cour des Comptes, le premier alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " Le présent décret entre en vigueur à la date à fixer par le Gouvernement flamand. "
HOOFDSTUK XXXV. - Fonds Ontwikkelingssamenwerking.
CHAPITRE XXXV. - Fonds Coopération au développement.
HOOFDSTUK XXXVI. - Bekrachtiging van de aanvaarding van de schenking precolumbiaanse kunst.
CHAPITRE XXXVI. - Ratification de l'acceptation de la donation d'art précolombien.
Art. 100. De notariële akte houdende schenking van roerende goederen, verleden op 20 oktober 2006 voor de heer Jozef Coppens, geassocieerd notaris te Vosselaar, tussen :
  - enerzijds Mevr. Arts, Theodora Joanna Francisca, weduwe van Dr. Paulus, Adrianus Joannes Janssen en de stichting van openbaar nut in oprichting " Stichting Dr. Paul & Dora Janssen " met zetel te Vosselaar, Antwerpsesteenweg 20, de schenkers;
  - en anderzijds het Vlaamse Gewest, mede handelend voor de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, waarvoor opgetreden is de heer Dirk Van Mechelen, Vlaams minister van Financiën en Begroting, de begiftigde;
  wordt hierbij bekrachtigd.
Art. 100. L'acte notarié portant donation des biens mobiliers, passé le 20 octobre entre monsieur Jozef Coppens, notaire associé à Vosselaar, entre :
  - d'une part Mme Arts Théodora Joanna Francisca, veuve du Dr. Paulus Adrianus Joannes Janssen et la fondation d'utilité publique " Stichting Dr. Paul & Dora Janssen ", ayant son siège à Vosselaar, Antwerpsesteenweg 20, la donatrice;
  - et d'autre part la Région flamande, agissant également pour la Communauté flamande, représentée par le Gouvernement flamand, pour lequel est intervenu monsieur Dirk Van Mechelen, Ministre flamand des Finances et du Budget, le bénéficiaire;
  est ratifié.
HOOFDSTUK XXXVII. - Wijziging van het decreet van 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004.
CHAPITRE XXXVII. - Modification du décret du 19 décembre 2003 contenant des mesures d'accompagnement du budget 2004.
Art. 101. Artikel 4 van het decreet van 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004 wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 4. Binnen de perken van de begrotingskredieten kunnen, in het kader van toeristische tewerkstelling, personeels- en werkingssubsidies verleend worden aan verenigingen.
  De personeelsleden van Toerisme Vlaanderen zijn bevoegd ter plaatse of op stukken de aanvragen te onderzoeken, de naleving van de voorwaarden en de aanwending van de subsidies te controleren. De in het eerste lid bedoelde verenigingen zijn er toe gehouden op eenvoudig verzoek van Toerisme Vlaanderen alle nodige informatie te verstrekken die verband houdt met dit toezicht.
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en de procedure voor de toekenning van de subsidies. ".
Art. 101. L'article 4 du décret du 19 décembre 2003 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2004, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 4. Dans les limites des crédits budgétaires, des subventions de personnel et de fonctionnement peuvent être octroyées à des associations dans le cadre de l'emploi dans le secteur touristique.
  Les membres du personnel de " Toerisme Vlaanderen " sont compétents pour contrôler sur place ou sur pièces les demandes, l'observation des conditions de subventionnement et l'utilisation de ces subventions. Les associations visées au premier alinéa sont tenues de fournir, sur simple demande, toute information utile relative à ce contrôle.
  Le Gouvernement flamand fixe les conditions et la procédure d'octroi de ces subventions. ".
HOOFDSTUK XXXVIII. - Slotbepalingen.
CHAPITRE XXXVIII. - Dispositions finales.
Art. 102. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2007, met uitzondering van :
  - artikel 4 dat in werking treedt op 1 september 2006;
  - artikel 8 en afdeling IV Odysseusfinanciering van hoofdstuk XX Wetenschap en Innovatie, die in werking treden op 1 januari 2006;
  - afdeling II Belasting op de automatische ontspanningstoestellen van hoofdstuk VI Fiscaliteit, die in werking treedt vanaf het aanslagjaar 2007, met uitzondering van :
  1° artikelen 21, A, C en E, 22, A, 23, A, 24, A, 25, 26, 27, A en B, 28, A, 29, A, en 30, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 1989;
  2° artikelen 21, B, 22, B, en 23, B, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 1991;
  3° artikel 28, B, dat uitwerking heeft vanaf het aanslagjaar 1991;
  4° artikel 21, G, dat uitwerking heeft vanaf het aanslagjaar 1992;
  5° artikel 23, C, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1996;
  6° artikel 29, B en C, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1997;
  7° artikelen 21, D, F, H, en 24, B, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2000;
  8° artikelen 21, I, 23, D, 27, C, 28, C en 29, D, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2002;
  - artikel 34, dat in werking treedt op 1 november 2006;
  - hoofdstuk VIII IVA VMM dat in werking treedt op 1 april 2006;
  - hoofdstuk XII Herstelfonds dat in werking treedt op 1 juli 2006;
  - afdeling II Industriële onderzoeksfondsen en afdeling III Bijkomende academiseringsmiddelen van hoofdstuk XX Wetenschap en Innovatie, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2006 en houdt op uitwerking te hebben op [1 31 december 2008]1;
  - afdeling V Methusalemfinanciering van hoofdstuk XX Wetenschap en Innovatie, die in werking treedt op 1 oktober 2006;
  - afdeling VI Toegepast biomedisch onderzoek van hoofdstuk XX Wetenschap en Innovatie, die in werking treedt op 1 juni 2006;
  - artikel 75, dat in werking treedt op 1 januari 2007 en houdt op uitwerking te hebben op 31 december 2008;
  - hoofdstuk XXI Schenking meubilair aan onderwijsnetten dat in werking treedt op 1 november 2006;
  - afdeling IV Verpachting van de jachtrechten van de ANB-domeinen van hoofdstuk XXVII Eigen Vermogens, die in werking treedt op 1 januari 2006;
  - hoofdstuk XXVIII Fonds voor Landbouw en Visserij dat in werking treedt op 1 januari 2006.
  
Art. 102. Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 2007, à l'exception de :
  - de l'article 4, qui entre en vigueur le 1er septembre 2006;
  - de l'article 8 et de la section IV Financement " Odysseus " du chapitre XX Science et Innovation, qui entrent en vigueur le 1er janvier 2006;
  - de la section II Taxe sur les appareils automatiques de divertissement du chapitre VI Fiscalité qui entre en vigueur à partir de l'année d'imposition 2007, à l'exception :
  1° de l'article 21, A, C et E, 22, A, 23, A, 24, A, 25, 26, 27, A et B, 28, A, 29, A et 30 qui produisent leurs effets le 1er janvier 1989;
  2° de l'article 21, B, 22, B et 23, B qui produisent leurs effets le 1er janvier 1991;
  3° de l'article 28, B, qui produit ses effets à partir de l'année d'imposition 1991;
  4° de l'article 21, G, qui produit ses effets à partir de l'année d'imposition 1992;
  5° de l'article 23, C, qui produit ses effets le 1er janvier 1996.
  6° de l'article 29, B et C, qui produit ses effets le 1er janvier 1997.
  7° de l'article 21, D, F, H, et 24, B, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2000;
  8° de l'article 21, I, 23, D, 27, C et 28, C et 29 D qui produisent leurs effets le 1er janvier 2002;
  - de l'article 34, qui entre en vigueur le 1er novembre 2006;
  - du chapitre VIII AAI VMM, qui entre en vigueur le 1er avril 2006;
  - du chapitre XII " Herstelfonds ", qui entre en vigueur le 1er juillet 2006;
  - de la section II Fonds de recherches industrielles et section III Moyens d'académisation supplémentaires du chapitre XX Science et Innovation, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2006 et dont les effets cessent le [1 31 décembre 2008]1;
  - de la section V Financement Methusalem du chapitre XX Science et Innovation, qui entre en vigueur le 1er octobre 2006;
  - de la section VI Recherche biomédicale appliquée du chapitre XX Science et Innovation, qui entre en vigueur le 1er juin 2006;
  - de l'article 75 qui entre en vigueur le 1er janvier 2007et cesse d'être en vigueur le 31 décembre 2008;
  - du chapitre XXI Donation de mobilier aux réseaux d'enseignement, qui entre en vigueur le 1er novembre 2006;
  - de la section IV Affermage des droits de chasse des domaines de l'ANB du chapitre XXVII Propres Patrimoines, qui entre en vigueur le 1er janvier 2006.
  - du chapitre XXVIII Fonds pour l'Agriculture et la Pêche, qui entre en vigueur le 1er janvier 2006.