Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
19 MEI 2006. - Decreet houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en energie. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 20-06-2006 en tekstbijwerking tot 30-12-2024)
Titre
19 MAI 2006. - Décret portant diverses mesures en matière d'environnement et d'énergie (TRADUCTION). (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 20-06-2006 et mise à jour au 30-12-2024)
Documentinformatie
Info du document
Tekst (65)
Texte (65)
HOOFDSTUK I. - Algemeen.
CHAPITRE Ier. - Généralités.
Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.
Article 1. Le présent décret règle une matière régionale.
HOOFDSTUK II. - Bepaling landinrichting.
CHAPITRE II. - Disposition rénovation rurale.
Art.2. Artikel 12 van het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij wordt vervangen door wat volgt :
  " Artikel 12. Landinrichting is uitsluitend van toepassing op de landelijke gebieden en de recreatiegebieden, evenals op de woongebieden met een landelijk karakter en de ontginningsgebieden, en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening.
  De Vlaamse Regering kan bij wijze van uitzondering gronden in andere gebieden aan landinrichting onderwerpen voorzover het onmisbaar is voor de uitvoering van een landinrichtingsplan opgesteld krachtens artikel 13. "
Art.2. L'article 12 du décret du 21 décembre 1988 portant création de la Société terrienne flamande est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 12. La rénovation rurale est applicable exclusivement aux zones rurales et aux zones de loisirs, ainsi qu'aux zones d'habitat à caractère rural et aux zones d'extraction, ainsi qu'aux zones d'affectation comparables à une de ces zones, telles qu'indiquées sur les plans d'aménagement ou les plans d'exécution spatiaux en vigueur dans le cadre de l'aménagement du territoire.
  Le Gouvernement flamand peut, à titre exceptionnel, soumettre à la rénovation rurale des terrains situés dans d'autres zones, pour autant que ce soit indispensable à la mise en oeuvre d'un plan de rénovation rurale établi en vertu de l'article 13. "
HOOFDSTUK III. - Energie.
CHAPITRE III. - Energie.
Art.3. In artikel 7 van het decreet van 17 juli 2000 houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, tweede lid, wordt 2° opgeheven;
  2° § 2 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 2. De netbeheerder kan geen andere activiteiten ondernemen inzake de levering van elektriciteit, dan de levering van elektriciteit in het kader van een openbaredienstverplichting, opgelegd op grond van artikel 19, 1°.
  De netbeheerder die overeenkomstig de federale elektriciteitswet ook als transmissienetbeheerder is aangeduid kan geen andere activiteiten ondernemen inzake de productie van elektriciteit, dan de productie van elektriciteit nodig om zijn taken als netbeheerder goed te kunnen uitoefenen. De overige netbeheerders kunnen geen andere activiteiten ondernemen inzake de productie van elektriciteit, dan de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en kwalitatieve warmtekrachtkoppeling in productie-installaties waarvan hij op 1 oktober 2006 eigenaar is, en die aangesloten zijn op het distributienet dat door hem beheerd wordt. De elektriciteit die wordt opgewekt in deze installaties wordt enkel aangewend voor de dekking van zijn eigen verbruik en/of zijn netverliezen. De verdere exploitatie van kwalitatieve warmtekrachtinstallaties waarvan hij op 1 oktober 2006 eigenaar is, vormt een openbaredienstverplichting voor de netbeheerder zolang de certificaten toegekend voor de primaire energiebesparing gerealiseerd door de installatie niet aanvaard worden voor de certificatenverplichting, bedoeld in artikel 25bis, § 2. De netbeheerder streeft hierbij naar een maximale primaire energiebesparing. "
Art.3. A l'article 7 du décret du 17 juillet 2000 relatif à l'organisation du marché de l'électricité, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au § 1er, deuxième alinéa, le 2° est abrogé;
  2° le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 2. Le gestionnaire du réseau ne peut pas entreprendre d'autres activités en matière de la fourniture d'électricité, que la fourniture d'électricité dans le cadre d'une obligation de service publique imposée sur la base de l'article 19, 1°.
  Le gestionnaire de réseau qui est également désigné en tant que gestionnaire du réseau de transmission conformément à la loi fédérale sur l'électricité, ne peut pas entreprendre d'autres activités en matière de production d'électricité que la production de l'électricité nécessaire pour pouvoir dûment exercer ses tâches de gestionnaire du réseau. Les autres gestionnaires de réseau ne peuvent pas entreprendre d'autres activités en matière de production d'électricité que la production de l'électricité à partir de sources d'énergie renouvelables ou de couplage chaleur-force qualitatif dans des installations de production dont ils sont le propriétaire au 1er octobre 2006 et qui sont raccordées au réseau de distribution qu'ils gèrent. L'électricité produite dans ces installations est exclusivement utilisée pour compenser sa propre consommation et/ou ses pertes de réseau. L'exploitation d'installations qualitatives de couplage chaleur-force dont il est le propriétaire au 1er octobre 2006, constitue une obligation de service public pour le gestionnaire du réseau tant que les certificats accordés pour les économies d'énergie primaires réalisées par l'installation ne sont pas acceptés pour l'obligation de certificat, visée à l'article 25bis, § 2. Dans ce cadre, le gestionnaire du réseau vise une économie d'énergie primaire maximale. "
Art.4. In artikel 19, 1°, c), van hetzelfde decreet worden tussen de woorden "in geval van niet-betaling van de elektriciteitsfactuur" en de woorden "en de verzekerde bevoorrading" de woorden ", de levering van elektriciteit aan huishoudelijke eindafnemers die niet over een geldig leveringscontract beschikken" ingevoegd.
Art.4. A l'article 19, 1°, c), du même décret, les mots ", la fourniture d'électricité à des clients finaux ménagers qui ne disposent pas d'un contrat de fourniture valable" sont insérés entre les mots "en cas de non-paiement de la facture d'électricité" et les mots "et l'approvisionnement garanti".
Art.5. Aan artikel 23bis van hetzelfde decreet, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt een § 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
  " § 2. De verkoop van elektriciteit aan eindafnemers in het Vlaamse Gewest als een hoeveelheid elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling of enige andere benaming die erop wijst dat de elektriciteit werd opgewekt door middel van kwalitatieve warmtekrachtkoppeling, is toegestaan voor zover de leverancier een overeenstemmend aantal warmtekrachtcertificaten toont aan de VREG voor elektriciteit opgewekt uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling.
  Op de getoonde warmtekrachtcertificaten wordt aangegeven dat ze gebruikt werden in het kader van de verkoop van elektriciteit, zoals bedoeld in het eerste lid.
  Een warmtekrachtcertificaat kan maar eenmaal worden gebruikt voor de verkoop van elektriciteit zoals bedoeld in het eerste lid.
  De Vlaamse Regering stelt de criteria en procedure vast voor het tonen en aanmerken van warmtekrachtcertificaten zoals bedoeld in dit artikel. "
Art.5. A l'article 23bis du même décret, dont le texte actuel formera le § 1er, il est ajouté un § 2, rédigé comme suit :
  " § 2. La vente d'électricité à des clients finaux dans la Région flamande comme une quantité d'électricité à partir du couplage chaleur-force qualitatif ou toute autre dénomination qui pourrait indiquer que l'électricité a été produite au moyen de couplage chaleur-force qualitatif, est autorisée dans la mesure où le fournisseur présente à la VREG un nombre correspondant de certificats de chaleur-force pour l'électricité produite à partir d'un couplage chaleur-force qualitatif.
  Sur les certificats de chaleur-force présentés, il est indiqué qu'ils ont été utilisés dans le cadre de la vente d'électricité telle que visée à l'alinéa premier.
  Un certificat de chaleur-force ne peut être utilisé qu'une seule fois pour la vente d'électricité telle que visée à l'alinéa premier.
  Le Gouvernement flamand établit les critères et la procédure de la présentation et de l'indication de certificats de chaleur-force telles que visées au présent article. "
Art.6. In hetzelfde decreet wordt een artikel 25quater toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " Artikel 25quater. § 1. De netbeheerders kennen een minimumsteun toe voor de productie van elektriciteit die is opgewekt in kwalitatieve warmtekrachtinstallaties aangesloten op hun net, voorzover de producent zelf daarom verzoekt. Als bewijs van zijn productie van elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling, draagt de producent het overeenstemmende aantal warmtekrachtcertificaten over aan de betrokken netbeheerder.
  Een warmtekrachtcertificaat kan maar eenmaal aan een netbeheerder worden overgedragen. Er kan geen steun worden verleend voor elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling die langer dan 48 maanden voor de overdracht van de overeenstemmende warmtekrachtcertificaten is geproduceerd of waarvoor het betreffende warmtekrachtcertificaat niet kan worden voorgelegd in het kader van artikel 25bis.
  De minimumsteun bedraagt 27 euro per overgedragen warmtekrachtcertificaat.
  De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt voor warmtekrachtinstallaties waarvoor de certificatenaanvraag wordt ingediend na inwerkingtreding van dit artikel en loopt over een periode van 10 jaar vanaf de indienstname van de warmtekrachtinstallatie.
  § 2. De netbeheerders brengen op regelmatige tijdstippen de warmtekrachtcertificaten die hen werden overgedragen op de markt om de kosten verbonden aan de verplichting, bedoeld in § 1, te recupereren. De VREG zorgt voor de transparantie en de regulariteit van de verkoop van deze warmtekrachtcertificaten door de netbeheerders.
  De lijsten van de overgedragen warmtekrachtcertificaten en van de warmtekrachtcertificaten die door de netbeheerders op de markt werden gebracht, worden maandelijks door de netbeheerders aan de VREG meegedeeld.
  § 3. In het geval dat de steun, bedoeld in § 1, door een beslissing van de Vlaamse overheid niet langer wordt toegekend, vergoedt de Vlaamse Regering voor bestaande installaties de geleden schade. ".
Art.6. Au même décret, il est ajouté un article 25quater, rédigé comme suit :
  " Article 25quater. § 1er. Les gestionnaires de réseau octroient une aide minimale pour la production d'électricité qui est produite dans des installations de chaleur-force raccordées à leur réseau, dans la mesure où le producteur même le demande. Comme preuve de sa production d'électricité à partir de couplage chaleur-force, le producteur transfère le nombre correspondant de certificats de chaleur-force au gestionnaire de réseau concerné.
  Un certificat de chaleur-force ne peut être transféré à un gestionnaire de réseau qu'une seule fois. Aucune aide ne peut être octroyée pour l'électricité à partir de couplage chaleur-force qualitatif qui est produite avant les 48 mois précédant le transfert des certificats de chaleur-force correspondants ou pour laquelle le certificat de chaleur-force concerné ne peut être présenté dans le cadre de l'article 25bis.
  L'aide minimale s'élève à 27 euros par certificat chaleur-force transféré.
  L'obligation visée au premier alinéa ne s'applique qu'aux installations de chaleur-force pour lesquelles la demande de certificat est introduite après l'entrée en vigueur du présent article et s'étale sur une période de 10 ans à partir de la mise en service de l'installation de chaleur-force.
  § 2. Les gestionnaires de réseau lancent régulièrement les certificats de chaleur-force transférés à eux, sur le marché afin de récupérer les frais liés à l'obligation, visée au § 1er. La VREG assure la transparence et la régularité de la vente de ces certificats chaleur-force par les gestionnaires de réseau.
  Les listes des certificats chaleur-force transférés et des certificats chaleur-force lancés sur le marché par les gestionnaires de réseau, sont communiquées mensuellement à la VREG par les gestionnaires de réseau.
  § 3. Au cas où l'aide, visée au § 1er, ne serait plus octroyée suite à une décision des autorités flamandes, le Gouvernement flamand répare les dommages subis pour les installations existantes. ".
Art.7. In hetzelfde decreet wordt het tweede lid van artikel 37, § 2ter, vervangen door wat volgt :
  " Ingeval de marktwaarde van de warmtekrachtcertificaten door een beslissing van de Vlaamse Regering daalt tot minder dan 27 euro, vergoedt de Vlaamse Regering de geleden schade voor kwalitatieve warmtekrachtinstallaties aangesloten op het transmissienet, die minder dan 10 jaar in dienst zijn. ".
Art.7. Au même décret, l'alinéa deux de l'article 37, § 2ter, est remplacé par la disposition suivante :
  " Au cas où la valeur marchande des certificats d'énergie thermique diminue suite à une décision du Gouvernement flamand à moins de 27 euros, le Gouvernement flamand dédommage le préjudice subi pour les installations d'énergie thermique qualitatives qui sont moins de dix ans en service. ".
Art.8. In artikel 8 van het decreet van 6 juli 2001 houdende de organisatie van de gasmarkt worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, tweede lid, wordt 2° opgeheven;
  2° een § 1bis wordt toegevoegd, die luidt als volgt :
  " § 1bis. De netbeheerder kan geen andere activiteiten ondernemen inzake de levering van aardgas, dan de levering van aardgas in het kader van een openbaredienstverplichting, opgelegd op grond van artikel 18, 1° ".
Art.8. A l'article 8 du décret du 6 juillet 2001 relatif à l'organisation du marché du gaz, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au § 1er, deuxième alinéa, le 2° est abrogé;
  2° il est ajouté un § 1bis, rédigé comme suit :
  " § 1bis. Le gestionnaire du réseau ne peut pas entreprendre d'autres activités en matière de la fourniture de gaz, que la fourniture de gaz dans le cadre d'une obligation de service publique imposée sur la base de l'article 18, 1°. ".
Art.9. In artikel 18, 1°, c), van hetzelfde decreet worden tussen de woorden "in geval van niet-betaling van de aardgasfactuur" en de woorden "en de verzekerde bevoorrading" de woorden ", de levering van aardgas aan huishoudelijke eindafnemers die niet over een geldig leveringscontract beschikken" ingevoegd.
Art.9. A l'article 18, 1°, c), du même décret, les mots ", la fourniture de gaz à des clients finaux ménagers qui ne disposent pas d'un contrat de fourniture valable" sont insérés entre les mots "en cas de non-paiement de la facture du gaz" et les mots "et l'approvisionnement garanti".
HOOFDSTUK IV. - Private waterzuiveringsinstallaties.
CHAPITRE IV. - Installations privées d'épuration d'eau.
Art.10. In artikel 35ter, § 7, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, ingevoegd bij het decreet van 24 december 2004, worden in 5° de woorden "na verplicht advies van de afdeling Milieu-inspectie van Aminal," geschrapt.
Art.10. A l'article 35ter, § 7, de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution, inséré par le décret du 24 décembre 2004, les mots "après avis obligatoire de la Division de l'Inspection de l'environnement d'Aminal" sont supprimés au point 5°.
Art.11. In artikel 35ter, § 8, van dezelfde wet, toegevoegd als § 7 bij het decreet van 19 december 2003 en hernummerd als § 8 bij het decreet van 24 december 2004, worden de woorden "na verplicht advies van de afdeling Milieu-inspectie van Aminal," geschrapt.
Art.11. A l'article 35ter, § 8, de la même loi, joint en tant que § 7 au décret du 19 décembre 2003 et renuméroté en tant que § 8 par le décret du 24 décembre 2004, les mots "après avis obligatoire de la Division de l'Inspection de l'environnement d'Aminal" sont supprimés.
HOOFDSTUK V. - Milieuvergunning.
CHAPITRE V. - Autorisation écologique.
Art.12. Artikel 5 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning wordt vervangen door wat volgt :
  " Artikel 5. § 1. De bouwvergunning als bedoeld in artikel 43 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996, of de stedenbouwkundige vergunning als bedoeld in artikel 99, § 1, 1°, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, voor een inrichting waarvoor een milieuvergunning nodig is of die onderworpen is aan de meldingsplicht, wordt geschorst zolang de milieuvergunning niet definitief is verleend of de melding niet is gebeurd. De milieuvergunning wordt beschouwd als definitief verleend wanneer geen administratief beroep meer mogelijk is bij een vergunningverlenende overheid en de termijn voor indiening van een beroepsprocedure met vordering tot schorsing en/of vernietiging bij de Raad van State is verstreken. Ingeval een beroepsprocedure tot schorsing bij de Raad van State is ingediend, wordt de milieuvergunning beschouwd als definitief verleend vanaf de afwijzing van de vordering tot schorsing.
  Voor dergelijke inrichtingen waarvoor tevens een milieuvergunning of melding nodig is, gaat de termijn bepaald in artikel 52 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 of in artikel 113, § 2, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, pas in op de dag dat de milieuvergunning definitief wordt verleend.
  Wordt de milieuvergunning evenwel geweigerd dan vervalt de bouwvergunning of stedenbouwkundige vergunning als bedoeld in artikel 99, § 1, 1°, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening van rechtswege op de dag van de weigering in laatste aanleg. Het verval van de bouwvergunning of stedenbouwkundige vergunning wordt onverwijld meegedeeld aan de aanvrager en de overheid die de bouwvergunning of stedenbouwkundige vergunning verleent.
  § 2. De milieuvergunning voor een inrichting waarvoor krachtens artikel 43 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 een bouwvergunning of krachtens artikel 99, § 1, 1°, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening een stedenbouwkundige vergunning nodig is, wordt geschorst zolang deze laatste niet definitief is verleend.
  In dat geval gaat de termijn bepaald in artikel 17, tweede lid, van dit decreet, slechts in op de dag dat de bouwvergunning of stedenbouwkundige vergunning definitief is verleend.
  Wordt de bouwvergunning of stedenbouwkundige vergunning evenwel geweigerd dan vervalt de milieuvergunning van rechtswege op de dag van de weigering van de bouwvergunning of stedenbouwkundige vergunning in laatste aanleg. Het verval van de bouwvergunning of stedenbouwkundige vergunning wordt onverwijld meegedeeld aan de aanvrager en de overheid die de bouwvergunning verleent. "
Art.12. L'article 5 du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 5. § 1er. Le permis de bâtir tel que visé à l'article 43 du décret relatif à l'aménagement du territoire coordonné le 22 octobre 1996, ou l'autorisation urbanistique telle que visée à l'article 99, § 1er, 1°, du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire, pour un établissement nécessitant une autorisation ou soumis à l'obligation de déclaration, est suspendu tant que l'autorisation écologique n'est pas délivrée définitivement ou que la déclaration n'est pas effectuée. L'autorisation est considérée être définitivement délivrée lorsqu'un recours administratif n'est plus possible auprès d'une autorité accordant l'autorisation et lorsque le délai prévu pour l'introduction d'une procédure de recours avec demande de suspension et/ou d'annulation auprès du Conseil d'Etat est échu. Au cas où une procédure de recours a été introduite auprès du Conseil d'Etat, l'autorisation écologique est considérée être définitivement délivrée à partir du rejet de la demande de suspension.
  Pour les établissements pour lesquels une autorisation écologique ou une déclaration sont également nécessaires, le délai prévu à l'article 52 du décret relatif à l'aménagement du territoire coordonné le 22 octobre 1996 ou à l'article 113, § 2, du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire, ne prend cours que le jour de la délivrance définitive de l'autorisation écologique.
  Si cependant l'autorisation écologique est refusée, le permis de bâtir ou l'autorisation urbanistique visés à l'article 99, § 1er, 1°, du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire, échoit de droit le jour du refus en dernière instance. L'échéance du permis de bâtir ou de l'autorisation urbanistique est immédiatement communiquée au demandeur et à l'autorité délivrant le permis de bâtir ou l'autorisation écologique.
  § 2. L'autorisation écologique pour un établissement soumis au permis de bâtir en vertu de l'article 43 du décret relatif à l'aménagement du territoire coordonné le 22 octobre 1996 ou soumis à l'autorisation urbanistique en vertu de l'article 99, § 1er, 1°, du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire, est suspendue tant que le permis n'a pas été accordée définitivement.
  En l'occurrence, le délai prévu à l'article 17, deuxième alinéa, du présent décret, ne prend cours que le jour de la délivrance définitive du permis de bâtir ou de l'autorisation urbanistique.
  Si cependant le permis de bâtir ou l'autorisation écologique sont refusés, l'autorisation écologique échoit de droit le jour du refus du permis de bâtir ou de l'autorisation urbanistique en dernière instance. L'échéance du permis de bâtir ou de l'autorisation urbanistique est immédiatement communiquée au demandeur et à l'autorité délivrant le permis de bâtir. "
Art.13. In artikel 21, § 1, van hetzelfde decreet wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
  " Voor de toepassing van dit artikel wordt onder 'bevoegde overheid' verstaan "de overheid die in eerste aanleg bevoegd is. "
Art.13. Dans l'article 21, § 1er, du même décret, l'alinéa deux est remplacé par la disposition suivante :
  " Pour l'application du présent article, il faut entendre par "autorité compétente", 'l'autorité compétente en première instance. ".
Art.14. In artikel 24, § 3, van hetzelfde decreet wordt tussen het eerste en tweede lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
  " Wanneer het beroep wordt ingediend door de gouverneur, het college van burgemeester en schepenen of de adviesverlenende overheidsorganen, wordt de beslissing, vanaf de bekendmaking van de ontvankelijkheidverklaring van het beroep aan de exploitant, geschorst gedurende een termijn van maximaal 150 kalenderdagen. "
Art.14. A l'article 24, § 3, du même arrêté, il est inséré un nouvel alinéa entre les alinéas un et deux, rédigé comme suit :
  " Lorsque le recours est formé par le gouverneur, le collège des bourgmestre et échevins ou par des organes publics consultatifs, la décision est suspendue à partir de la notification à l'exploitant de la déclaration de recevabilité du recours pendant un délai d'au maximum 150 jours civils. "
Art.15. De door artikel 14 in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning ingevoegde bepaling geldt eveneens voor de op datum van inwerkingtreding van dit decreet ingediende beroepsdossiers.
Art.15. La disposition insérée au décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique par l'article 14, s'applique également aux dossiers de recours introduits avant la date de l'entrée en vigueur du présent décret.
Art.16. In artikel 36, § 1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
  " Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder "bevoegde overheid" verstaan "de overheid die in eerste aanleg bevoegd is. ".
Art.16. A l'article 36 du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique, le deuxième alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " Pour l'application du présent chapitre, il faut entendre par "autorité compétente", l'autorité compétente en première instance. "
Art.17. In hoofdstuk XI van hetzelfde decreet wordt een artikel 45bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
  " Artikel 45bis. In afwijking van artikel 18, § 3, eerste en tweede lid, kunnen aanvragen voor een nieuwe vergunning, die tot 48 maanden vóór het verstrijken van de lopende vergunning worden ingediend, ontvankelijk worden verklaard, in zoverre het vergunningen betreft waarvan de eindtermijn afloopt ten laatste op 1 september 2011. "
Art.17. Au chapitre IV du même décret, il est inséré un article 45bis, rédigé comme suit :
  " Article 45bis. En dérogation à l'article 18, § 3, premier et deuxième alinéa, les demandes d'une nouvelle autorisation, introduites jusqu'à 48 mois avant l'échéance de l'autorisation courante, sont déclarées recevables pour autant qu'il s'agisse d'autorisations dont le délai final échoit au plus tard le 1er septembre 2011. "
HOOFDSTUK VI. - Natuurbehoud.
CHAPITRE VI. - Conservation de la nature.
Art.18. Artikel 17, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu wordt vervangen door wat volgt :
  " § 3. Elke GEN of GENO die de Vlaamse Regering in overdruk afbakent overeenkomstig de wetgeving betreffende de ruimtelijke ordening in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, wordt van rechtswege beschouwd als een GEN of GENO in de zin van dit decreet.
  Een volgens artikel 21 vastgesteld afbakeningsplan wordt van rechtswege opgeheven voor het onderdeel waarvoor nadien een ruimtelijk uitvoeringsplan in werking treedt dat aan dit onderdeel een bestemming geeft waardoor dit laatste niet meer krachtens artikel 20 van dit decreet zou kunnen worden aangeduid als GEN of GENO. Het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan bevat voorstellen voor schadebeperkende en compenserende maatregelen. In het geval dergelijke opheffing gebeurt door middel van een gemeentelijk of een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, dient, voor wat die opheffing aangaat, het betrokken ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan voorafgegaan te worden door een advies vanwege de administratie bevoegd voor het natuurbehoud, en dit uiterlijk tijdens de plenaire vergadering, vermeld in artikel 48, § 1, respectievelijk 44, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Dit advies geeft de benodigde schadebeperking en compenserende maatregelen aan. Het advies is bindend. Het betrokken college van burgemeester en schepenen respectievelijk de betrokken bestendige deputatie kan, met het oog op herziening van dit advies, beroep aantekenen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen inzake de te volgen procedure.
  De in het vorige lid bedoelde opheffing kan niet gebeuren bij middel van gemeentelijke of provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen wanneer het betrokken gedeelte van GEN of GENO gelegen is binnen een gebied dat definitief is vastgesteld als speciale beschermingszone in de zin van artikel 36bis, §§ 12 of 13. De in het vorige lid bedoelde opheffing kan maar gebeuren bij middel van gemeentelijke of provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen voor zover het om grenscorrecties gaat en voor zover er door deze opheffing geen betekenisvolle schade aan de natuur of het natuurlijk milieu in het VEN kan veroorzaakt worden.
  Het aldus opgeheven onderdeel van het afbakeningsplan herneemt zijn rechtskracht indien en in de mate het bedoelde ruimtelijk. uitvoeringsplan door de Raad van State wordt geschorst of vernietigd. "
Art.18. L'article 17, § 3, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, est remplacé par la disposition suivante :
  " § 3. Toute GEN ou GENO délimitée par le Gouvernement flamand en surimpression conformément à la législation concernant l'aménagement du territoire dans les plans d'aménagement régionaux, sont considérées de droit comme une GEN ou une GENO au sens du présent décret.
  Un plan de délimitation établi suivant l'article 21 est supprimé de droit en ce qui concerne l'élément pour lequel, par la suite, un plan d'exécution spatial entre en vigueur et donne à cet élément une affectation en vertu de laquelle ce dernier ne peut plus être désigné comme GEN ou GEN en vertu de l'article 20 du présent décret. L'avant-projet d'un plan d'exécution spatial contient des propositions de mesures compensatoires limitant les dégâts causés par ce plan. Lorsqu'une telle suppression se fait à l'aide d'un plan d'exécution spatial communal ou provincial, le projet concerné de plan d'exécution spatial doit, en ce qui concerne cette suppression, être précédée d'un avis de l'administration chargée de la conservation de la nature et ce au plus tard pendant la séance plénière, visée à l'article 48, § 1er, respectivement 44, § 1er, du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire. Cet avis désigne les mesures compensatoires nécessaires limitant les dégâts. L'avis est obligatoire. Le collège des bourgmestre et échevins concerné, respectivement la députation permanente peut, en vue de la révision de cet avis, former recours auprès du Gouvernement flamand. Le Gouvernement peut arrêter des modalités de la procédure à suivre.
  La suppression visée à l'alinéa précédent ne peut pas se faire à l'aide de plans d'exécution spatiaux communaux ou provinciaux lorsque la partie concernée de la GEN ou GENO est située dans une zone définitivement fixée comme zone de protection spéciale au sens de l'article 36bis, §§ 12 ou 13. La suppression visée au précédent alinéa ne peut se faire à l'aide de plans d'exécution spatiaux communaux ou provinciaux que pour autant qu'il s'agisse de corrections des délimitations et pour autant que cette suppression ne puisse causer des dégâts significatifs à la nature ou à l'environnement naturel dans la VEN.
  L'élément ainsi supprimé du plan de délimitation reprend sa force de droit si et dans la mesure que le plan d'exécution spatial visé est supprimé ou annulé par le Conseil d'Etat. "
Art.19. In artikel 34, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt :
  " Voor elk natuurreservaat ingesteld krachtens dit decreet wordt een beheersplan opgesteld. Het beheersplan vermeldt de maatregelen en bepalingen inzake het beheer en de inrichting van het gebied, waarbij voor redenen van natuurbehoud, of voor redenen van recreatief of educatief medegebruik, en voorzover dit inpasbaar is in de doelstelling van het natuurreservaat, kan worden afgeweken van de voorschriften van dit decreet, inzonderheid van artikel 35, § 2 ";
  2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art.19. A l'article 34, § 1er, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa premier est remplacé par la disposition suivante :
  " Chaque réserve naturelle, créée en vertu du présent décret, fait l'objet d'un plan de gestion. Le plan de gestion mentionne les mesures prises pour la gestion et l'aménagement de la zone, pour laquelle il peut être dérogé aux dispositions du présent décret, notamment l'article 35, § 2, pour des raisons conservation de la nature ou pour des raisons d'utilisation récréatives ou co-éducatives. ";
  2° le deuxième alinéa est abrogé.
Art.20. In artikel 36bis, § 15, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt het nummer "3" vervangen door het nummer "2"
Art.20. A l'article 36bis, § 15, premier alinéa, du même décret, le numéro "3" est remplacé par le numéro "2".
Art.21. In artikel 36ter van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, eerste zin, worden na de woorden "in de bijlagen II, III en IV van dit decreet" de woorden "evenals de niet in bijlage IV van dit decreet genoemde en op het grondgebied van het Vlaamse Gewest geregeld voorkomende soorten trekvogels" toegevoegd;
  2° in § 1 wordt de tweede zin vervangen door wat volgt :
  " De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de nodige instandhoudingmaatregelen en de ecologische vereisten, evenals een procedure voor vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen";
  3° in § 2 worden in de punten a) en b) telkens tussen de woorden "van dit decreet" en de woorden "in een speciale beschermingszone" de woorden "evenals de niet in bijlage IV van dit decreet genoemde en op het grondgebied van het Vlaamse Gewest geregeld voorkomende soorten trekvogels" ingevoegd.
Art.21. A l'article 36ter du même décret sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, première phrase, les mots "ainsi que les oiseaux migrateurs qui ne sont pas mentionnés à l'annexe IV du présent décret mais qui se trouvent régulièrement sur le territoire de la Région flamande" sont ajoutés après les mots "aux annexes II, III et IV du présent décret";
  2° au § 1er, la deuxième phrase est remplacée par ce qui suit :
  " Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités concernant les mesures de conservation nécessaires et les exigences écologiques, ainsi que la procédure de fixation des objectifs de conservation";
  3° au § 2, les mots " ainsi que les oiseaux migrateurs qui ne sont pas mentionnés à l'annexe IV du présent décret mais qui se trouvent régulièrement sur le territoire de la Région flamande" sont ajoutés après les mots sont chaque fois insérés aux points a et b entre les mots "du présent décret" et "dans une zone spéciale de conservation".
Art.22. In artikel 75 van hetzelfde decreet worden de woorden "36ter, §§ 3 tot 6" vervangen door de woorden "36ter, §§ 2 tot 6. ".
Art.22. A l'article 75 du même décret, les mots "36ter, §§ 3 à 6" sont remplacés par les mots "36ter, §§ 2 à 6. ".
HOOFDSTUK VII. - Bos.
CHAPITRE VII. - Forêt.
Art.23. In artikel 3 van het Bosdecreet van 13 juni 1990 worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 2 worden aan het einde van het vierde punt de volgende woorden toegevoegd :
  ", uitgezonderd de korte-omloop-houtteelt waarvan de aanplant plaatsgevonden heeft op gronden die op dat ogenblik gelegen zijn buiten de ruimtelijk kwetsbare gebieden zoals bedoeld in artikel 146 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening";
  2° in § 3 wordt het zesde punt vervangen door wat volgt :
  " 6. de aanplantingen met naaldbomen die uitsluitend bestemd zijn voor de verkoop als kerstboom. Een aanplanting wordt geacht niet langer aan deze voorwaarde te voldoen wanneer de gemiddelde hoogte van het bestand 4 meter heeft bereikt. ";
  3° in § 3 wordt een achtste punt toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " 8. de wissenteelt waarvan de bovengrondse massa periodiek tot maximaal drie jaar na de aanplanting of na de vorige oogst, in zijn totaliteit wordt geoogst. ".
Art.23. A l'article 3 du Décret forestier du 13 juin 1990 sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 2, à la fin du quatrième point, les mots suivants sont ajoutés :
  ", à l'exception de la sylviculture à courte rotation dont la plantation a eu lieu sur des terrains qui à ce moment étaient situés en-dehors des zones spatiales vulnérables telle que visées à l'article 146 du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire";
  2° au § 3, le sixième point est remplacé par la disposition suivante :
  " 6. les plantations de conifères qui sont exclusivement destinés à la Vente comme arbre de Noël. Une plantation est supposée ne plus répondre à cette condition lorsque la hauteur moyenne de la population a atteint une hauteur de 4 mètres. ";
  3° au § 3, il est ajouté un huitième point, rédigé comme suit :
  " 8. culture d'osiers dont la masse au-dessus du sol est périodiquement récoltée jusqu'à au maximum trois ans après la plantation ou après la récolte précédente. "
Art.24. In artikel 4 van hetzelfde decreet worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het derde punt wordt vervangen door wat volgt :
  " 3. bebossing : bezetting met bomen of houtachtige struikvegetaties, door menselijke ingreep of spontaan, van een oppervlakte die daardoor onder het toepassingsgebied van dit decreet komt te vallen; ";
  2° het elfde punt wordt vervangen door wat volgt :
  " 11. herbebossing : bezetting met bomen of houtachtige struikvegetaties, door menselijke ingreep of spontaan, van een oppervlakte die reeds onder de toepassing van dit decreet viel; ";
  3° een punt 14bis1 wordt toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " 14bis1. Korte-omloop-houtteelt : teelt van snelgroeiende houtachtige gewassen waarbij de bovengrondse biomassa periodiek tot maximaal 8 jaar na de aanplanting of na de vorige oogst, in zijn totaliteit wordt geoogst; ".
Art.24. A l'article 4 du même décret sont apportées les modifications suivantes :
  1° le troisième point est remplacé par la disposition suivante :
  " 3. boisement : garnir une surface déboisée d'arbres ou de végétations ligneuses, soit par intervention humaine, soit spontanément, de sorte que cette dernière ressorte du champ d'application du présent décret; ";
  2° le onzième point est remplacé par la disposition suivante :
  " 11. reboisement : garnir une surface déboisée d'arbres ou de végétations ligneuses, soit par intervention humaine, soit spontanément, qui ressortait déjà du champ d'application du présent décret; ";
  3° il est ajouté un point 14bis1, rédigé comme suit :
  " 14bis1. Sylviculture à courte rotation : culture de végétations ligneuses à croissance rapide dont la masse au-dessus du sol est périodiquement récoltée en sa totalité jusqu'à au maximum 8 ans après la plantation ou après la récolte précédente. ".
Art.25. In artikel 41quater, § 4, van hetzelfde decreet worden de woorden "overeenkomstig §§ 2 en 3" vervangen door de woorden "overeenkomstig §§ 1, 2 en 3".
Art.25. A l'article 41quater, § 4, du même décret, les mots "conformément aux articles §§ 2 et 3" sont remplacés par les mots "conformément aux §§ 1er, 2 et 3".
Art.26. Artikel 91 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
  " Artikel 91. § 1. Bij een overdracht of vestiging van een zakelijk recht op een onroerend goed waarop dit decreet van toepassing is, of bij een verdeling van dergelijk goed, gaan de rechten en de plichten die voortvloeien uit dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten over op de verwerver, in de mate dat hij daarbij geheel of gedeeltelijk het beheer van het bos verkrijgt.
  In de mate dat het beheer van het bos geheel of gedeeltelijk overgedragen wordt op enige andere wijze dan bepaald in het vorige lid, en dit voor een duur van meer dan negen jaar, gaan de rechten en de plichten die krachtens dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten rusten op het onroerend goed over op de nieuwe bosbeheerder.
  § 2. Bij een overdracht of verdeling van onroerende goederen waarop dit decreet van toepassing is, brengt de overdrager of verdeler de verwerver vóór het sluiten van de overeenkomst op de hoogte van de verplichtingen die op dat goed rusten krachtens dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten.
  Deze verplichting rust eveneens op degene die het eigendomsrecht van dergelijke onroerende goederen belast met zakelijke rechten in de mate dat daarbij het beheer van het bos wordt overgedragen, en op de persoon die op enige andere wijze het beheer van het bos geheel of gedeeltelijk overdraagt voor meer dan negen jaar.
  § 3. De instrumenterende ambtenaar die een akte verlijdt van overdrachten of verdelingen bedoeld in § 1 neemt in de akte in een aparte rubriek "Bosdecreet" de verklaring op van de overdrager of verdeler dat hij zijn informatieplicht, bedoeld in § 2, heeft nageleefd en, in voorkomend geval, de nodige stukken heeft overgedragen.
  Het voorhanden zijn van een bosbeheerplan en de referentiegegevens ervan worden in de akte vermeld.
  § 4. Voormelde instrumenterende ambtenaar deelt binnen zestig dagen na de ondertekening van de akte de wijziging in het beheer van het bos mee aan het Bosbeheer met een attest waarin de identiteit van de oorspronkelijke en de nieuwe bosbeheerder en de omschrijving van het betreffende onroerend goed worden opgenomen.
  § 5. De partij die haar informatieplicht niet nakomt blijft gehouden tot haar verplichtingen die voortvloeien uit dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten. Deze niet-tegenstelbaarheid kan niet worden ingeroepen indien voor het verlijden van de akte van overdrachten of verdelingen, bedoeld in § 1, de verwerver op de hoogte is gebracht van de verplichtingen die op het goed rusten krachtens dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten. ".
Art.26. L'article 91 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 91. § 1er. En cas de cession ou d'établissement d'un droit réel sur un bien immobilier auquel le présent décret s'applique ou lors du partage d'un tel bien, les droits et obligations résultant du présent décret et de ses arrêtés d'exécution passent à l'acquéreur, dans la mesure que par cette opération ce dernier obtienne l'entière ou partielle gestion de la forêt.
  Dans la mesure que la gestion de la forêt est entièrement ou partiellement cédée d'une autre façon que celle visée au premier alinéa, et ce pour une durée excédant neuf ans, les droits et obligations pesant sur le bien immobilier en vertu du présent décret et de ses arrêtés passent au nouveau gestionnaire de la forêt.
  § 2. Lors d'une cession ou d'un partage de biens immobiliers auxquels s'applique le présent décret, le cédant ou le partageur informe l'acquéreur avant la passation du contrat des obligations pesant sur le bien en question en vertu du présent décret et de ses arrêtés d'exécution.
  Cette obligation incombe également à la personne grevant le droit de propriété de tels biens immobiliers de droits réels dans la mesure que cela implique la cession de la gestion de la forêt, et à la personne qui cède entièrement ou partiellement la gestion de la forêt d'une autre façon pour une période de lus de neuf ans.
  § 3. Le fonctionnaire instrumentant passant un acte de cessions ou de partages visés au § 1er reprend dans une rubrique séparée 'Décret forestier' de l'acte la déclaration du cédant ou du partageur que ce dernier a respecté son obligation d'information, visée au § 2, et, le cas échéant, a transmis les documents nécessaires.
  La disponibilité d'un plan de gestion forestière et de données de référence est mentionnée dans l'acte.
  § 4. Le fonctionnaire instrumentaire précité communique dans les soixante jours suivant la date de la signature de l'acte, la modification de la gestion de la forêt à la Gestion forestière conjointement avec une attestation mentionnant l'identité du gestionnaire de la forêt original et celle du nouveau gestionnaire et contenant une description du bien immobilier en question.
  § 5. La partie qui ne respecte son obligation d'information reste tenue à ses obligations résultant du décret et des ses arrêtés d'exécution. Cette non-opposabilité ne peut pas être invoquée lorsque l'acquéreur a été informé des obligations pesant sur le bien en question en vertu du présent décret et de ses arrêtés d'exécution avant la passation de l'acte de cession ou de partage, visé au § 1er. "
HOOFDSTUK VIII. - Afvalstoffen.
CHAPITRE VIII. - Déchets.
Art.27. Artikel 4, 4°, van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, toegevoegd bij het decreet van 4 april 2003, wordt vervangen door wat volgt :
  " 4° bodem, uitgegraven buiten ontginningsgebieden, die overeenkomstig de voorwaarden bepaald in of krachtens het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering wordt gebruikt. ".
Art.27. A l'article 4, 4°, du décret du 2 juillet 1981 relatif à la prévention et à la gestion des déchets, ajouté par le décret du 4 avril 2003, il est ajouté la phrase suivante :
  " 4° le sol, excavé en-hors des zones d'exploitation, utilisé conformément aux conditions fixées au ou en vertu du décret du 22 février 1995 relatif à l'assainissement du sol. "
Art.28. Aan artikel 10.3.4, § 4, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid wordt de volgende zin toegevoegd :
  " De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en procedure voor de erkenning van deze laboratoria. "
Art.28. A l'article 10.3.4, § 4, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, la phrase suivante est ajoutée :
  " Le Gouvernement flamand arrêté les conditions et la procédure d'agrément de ces laboratoires. "
Art.29. Artikel 28 heeft uitwerking met ingang vanaf 1 april 2006.
Art.29. L'article 28 produit ses effets à partir du 1er avril 2006.
HOOFDSTUK IX. - Eigen Vermogen onder de benaming Ondersteunend Centrum van het Agentschap voor Natuur en Bos.
CHAPITRE IX. - Fonds propre sous la dénomination "Ondersteunend Centrum van het Agentschap voor Natuur en Bos" (Centre d'Appui de l'Agence de la Nature et des Forêts).
Art.30. Bij het Agentschap voor Natuur en Bos, hierna het agentschap te noemen, of zijn rechtsopvolger, wordt een Eigen Vermogen ingesteld onder de benaming [1 Natuurinvest]1.
  Aan [1 Natuurinvest]1 wordt rechtspersoonlijkheid toegekend.
  
Art.30. Auprès de l'Agence de la Nature et des Forêts, à appeler ci-après l'agence, ou son successeur en droits, il est établi un Fonds propre sous la dénomination [1 " Natuurinvest "]1.
  L'individualité juridique est accordée au [1 Natuurinvest]1.
  
Art.31. [1 Natuurinvest]1 heeft tot doel bij te dragen tot de realisatie van het beleid inzake natuurbehoud en de vrijwaring van het natuurlijk milieu en het milieubeleid door middel van :
  1° het sociaal-economisch valoriseren in het kader van een duurzaam beheer van de domeinen in beheer bij het agentschap, inclusief op natuurbeleving gericht recreatief en educatief medegebruik en van de goederen in eigendom van [1 Natuurinvest]1;
  2° het uitvoeren van terreinrealisaties zowel op gronden van het Vlaamse Gewest, waaronder domeinbossen, Vlaamse natuurreservaten, parken en viswaters, als op terreinen van derden.
  Onder derden wordt in dit verband verstaan :
  a) overheden en openbare instellingen;
  b) de conform het bosdecreet van 13 juni 1990 erkende bosgroepen en leden van die bosgroepen;
  c) de conform het decreet natuurbehoud van 21 oktober 1997 erkende natuurverenigingen;
  d) rechtspersonen die zijn opgezet met het oog op het realiseren van projecten die van belang zijn voor het natuurlijk milieu, bos, groen en faunabeheer, alsmede private rechtspersonen op wiens gronden die projecten worden uitgevoerd;
  3° het verlenen van diensten en het uitwisselen van diensten in coöperatief verband;
  4° het participeren in publiek-private samenwerkingsverbanden mits het voorafgaandelijk akkoord van de Minister van Begroting;
  5° het ondersteunen van en het uitbaten van bezoekerscentra van het agentschap;
  6° het meedingen naar of uitvoeren van opdrachten en projecten waarmee de kennis en ervaring die aanwezig zijn binnen het agentschap en [1 Natuurinvest]1 kunnen worden ingezet ter ondersteuning van andere publiek- of privaatrechtelijke verenigingen, ondernemingen of instellingen.
  
Art.31. [1 " Natuurinvest "]1 a pour objectif de contribuer à la réalisation de la politique en matière de conservation de la nature et de sauvegarde du milieu naturel et de la politique de l'environnement à l'aide de :
  1° la valorisation socio-économique dans le cadre d'une gestion durable des domaines gérés par l'agence, y compris l'utilisation récréative et co-éducative axée sur l'expérience de la nature, et des biens en propriété de [1 " Natuurinvest "]1;
  2° la mise en oeuvre de réalisations de terrains tant sur les terrains de la Région flamande, parmi lesquels les bois domaniaux, les Réserves naturelles flamandes, les parcs et eaux de pêche, que sur les terrains de tiers.
  Par tiers il faut entendre dans ce contexte :
  a) les autorités et les institutions publiques;
  b) les groupes forestiers et leurs membres agréés conformément au décret forestier du 13 juin 1990;
  c) les associations de la nature agréées conformément au décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature;
  d) individualités juridiques établies en vue de la réalisation de projets qui ont un intérêt pour l'environnement naturel, la forêt, les espaces verts et la gestion de la faune, ainsi que des personnes morales privées sur les terrains desquelles ces projets sont mis en oeuvre;
  3° assurer des services et l'échange de service en rapport coopératif;
  4° la participation dans des accords de coopération publics-privés moyennant l'accord préalable du Ministre chargé du Budget;
  5° l'aide aux et l'exploitation des centres de visite de l'agence;
  6° la participation aux ou l'exécution de missions et de projets pour lesquels les connaissances et l'expérience présentes au sein de l'agence et de [1 " Natuurinvest "]1 peuvent être engagées dans l'aide à d'autres associations, entreprises ou institutions de droit public ou privé.
  
Art.32. [1 Natuurinvest]1 kan voor de verwezenlijking van zijn doel vrij contracten sluiten in het raam van een aanneming, onderaanneming, tijdelijke vereniging, een consortium, en alle andere geschikt bevonden samenwerkingsverbanden, roerende en onroerende goederen verwerven en vervreemden en in het algemeen alle nuttige rechtshandelingen stellen.
  
Art.32. [1 " Natuurinvest "]1 peut, en vue de la réalisation de ses objectifs, librement conclure des contrats dans le cadre d'une entreprise, d'une sous-entreprise, d'une association temporaire, d'un consortium et de tout autre accord de coopération jugé adapté, ainsi qu'acquérir et aliéner des biens mobiliers et immobiliers et procéder à tout acte juridique utile en général.
  
Art.33. [1 Natuurinvest]1 kan mits een unanieme beslissing in de beheerscommissie medeoprichter, lid, bestuurder of vennoot zijn van publiek- of privaatrechtelijke verenigingen, ondernemingen of instellingen, op voorwaarde dat het doel van die rechtspersonen verband houdt met het doel van [1 Natuurinvest]1.
  
Art.33. [1 " Natuurinvest "]1 peut, moyennant une décision unanime dans la commission de gestion, être co-fondateur, membre, administrateur ou associé d'associations, d'entreprises ou d'institutions de droit public ou privé, à condition que les objectifs de ces personnes morales aient trait aux objectifs de [1 " Natuurinvest "]1.
  
Art.34. In navolging van artikel 32 kan [1 Natuurinvest]1 op contractuele basis personeel aanwerven, tewerkstellen en ontslaan.
  [1 Natuurinvest]1 kan personeel ter beschikking stellen van het Vlaamse Gewest. De wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers is op die terbeschikkingstelling niet van toepassing.
  
Art.34. Suite à l'article 32, [1 " Natuurinvest "]1 peut recruter, employer et licencier du personnel sur base contractuelle.
  [1 " Natuurinvest "]1 peut mettre du personnel à la disposition de la Région flamande. La loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, ne s'applique pas à cette mise à disposition.
  
Art.35. § 1. [1 Natuurinvest]1 wordt bestuurd door een beheerscommissie.
  De volgende personen zijn ambtshalve lid :
  1° het hoofd van het agentschap, tevens voorzitter van de beheerscommissie en, in voorkomend geval, de algemeen directeur. Bij afwezigheid van het hoofd van het agentschap is de algemeen directeur de voorzitter;
  2° de hoofden op afdelingsniveau van de centrale diensten van het agentschap;
  3° de afgevaardigde van de Vlaamse minister bevoegd voor de landinrichting en het natuurbehoud.
  De volgende personen worden benoemd door de Vlaamse Regering :
  1° een vertegenwoordiger van de conform het Bosdecreet van 13 juni 1990 erkende bosgroepen;
  2° een vertegenwoordiger van de conform het decreet natuurbehoud van 21 oktober 1997 erkende natuurverenigingen;
  3° een vertegenwoordiger van de conform het jachtdecreet van 24 juli 1991 erkende wildbeheereenheden;
  4° een vertegenwoordiger van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten;
  5° een ambtenaar, deskundig in financiën en begroting, op voorstel van de Vlaamse minister bevoegd voor Financiën en Begroting.
  § 2. De beheerscommissie moet steeds voor minstens de helft zijn samengesteld uit ambtenaren van het agentschap. Ook een vertegenwoordiger van de Vlaamse minister, bevoegd voor de Landinrichting en het Natuurbehoud, moet er deel van uitmaken. Met dit doel kan het hoofd van het agentschap desgevallend één of meer afdelingshoofden van de provinciale entiteiten van het agentschap als lid aanstellen.
  De Vlaamse Regering wordt gemachtigd de samenstelling te wijzigen op basis van wijzigingen op het vlak van interne organisatie van het agentschap en van het gewicht dat aan een taak of doelgroep wordt gegeven. De voorwaarde, gesteld in het vorige lid, moet daarbij nageleefd worden.
  § 3. De voorzitter kan bevoegde personen uitnodigen om met raadgevende stem aan de bespreking van een punt van de agenda van een vergadering van de beheerscommissie deel te nemen.
  § 4. De beheerscommissie vergadert minstens tweemaal per jaar.
  
Art.35. § 1er. [1 " Natuurinvest "]1 est administré par une commission de gestion.
  Les personnes suivantes sont membres d'office :
  1° le chef de l'agence, également président de la commission de gestion, et, le cas échéant, le directeur général; le directeur général est président en l'absence du chef de l'agence;
  2° les chefs au niveau de la division des services centraux de l'agence;
  3° le délégué du Ministre flamand chargé de l'Aménagement rural et de la Conservation de la Nature;
  Les personnes suivantes sont nommées par le Gouvernement flamand :
  1° un représentant des groupes forestiers agréés conformément au Décret forestier du 13 juin 1990;
  2° un représentant des associations de la nature agréées conformément au décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature;
  3° un représentant des unités de gestion de gibier agréées conformément au Décret sur la chasse du 24 juillet 1991;
  4° un représentant de l'Association des Villes et Communes flamandes;
  5° un fonctionnaire, expert en finances et budget, sur la proposition du Ministre flamand chargé des finances et du budget.
  § 2. La commission doit en tout temps être composée d'au moins la moitié de fonctionnaires de l'agence. Un représentant du Ministre flamand chargé de l'Aménagement rural et de la Conservation de la Nature doit également en faire partie. Dans ce but, le chef de l'agence peut éventuellement désigner un ou plusieurs chefs de division des entités provinciales de l'agence en tant que membre.
  Le Gouvernement flamand est autorisé à modifier la composition sur la base de modifications au niveau de l'organisation interne de l'agence et de l'importance donnée à une tâche ou à un groupe-cible. La condition fixée à l'alinéa précédent doit être respectée.
  § 3. Le président peut inviter des personnes compétentes à participer avec voix consultative à la discussion d'un point inscrit à l'ordre du jour d'une réunion de la commission de gestion.
  § 4. La commission de gestion se réunit au moins deux fois par an.
  
Art.36. De inkomsten van [2 Natuurinvest]2 worden gevormd door :
  1° [3 ...]3;
  2° het valoriseren van de resultaten van de uitgevoerde activiteiten, vermeld in artikel 31;
  3° de giften, legaten, schenkingen, beurzen, prijzen of alle andere giften die zijn aanvaard krachtens de wet van 12 juli 1931 betreffende de uitbreiding tot alle rechtspersonen van het voordeel van de voorlopige aanvaarding van bij akte gedane schenkingen onder de levenden;
  4° heffingen, retributies, subsidies en dergelijke meer;
  [1 4°bis huurgelden, pachtgelden, inkomsten uit concessies en in het algemeen alle inkomsten uit gebruiksrechten op onroerende goederen die in beheer zijn van het agentschap;]1
  5° de verkoop van rapporten, brochures, kaarten, plans of andere publicaties, met inbegrip van producten in elektronische vorm;
  6° het uitbaten van bezoekerscentra van het agentschap;
  7° het beheer en de vervreemding van goederen die behoren tot de rechtspersoon [2 Natuurinvest]2;
  8° andere inkomsten, na goedkeuring door de Vlaamse Regering.
  
Art.36. Les revenus de [2 " Natuurinvest "]2 sont constitués par :
  1° [3 ...]3;
  2° la valorisation des résultats des activités exécutées, mentionnées à l'article 31;
  3° les dons, les legs, les donations, les bourses, les prix ou toute autre donation qui sont acceptés en vertu de la loi du 12 juillet 1931 portant extension à toutes les personnes morales des bénéfices de l'acceptation provisoire des libéralités faites par actes entre vifs;
  4° redevances, rétributions, subventions et similaires;
  [1 4°bis loyers, fermages, revenus de concessions et en général, tous les revenus issus de droits d'usage de biens immeubles dont l'agence assure la gestion]1
  5° la vente de rapports, de brochures, de cartes, de plans ou d'autres publications, y compris ces produits sous forme électronique;
  6° l'exploitation des centres de visiteurs de l'agence;
  7° la gestion et l'aliénation de biens appartenant à la personne morale [2 " Natuurinvest "]2;
  8° autres revenus, après approbation par le Gouvernement flamand.
  
Art.37. De Vlaamse Regering kan beslissen onroerende en roerende goederen van het Vlaamse Gewest die niet langer dienstig zijn voor de strikte overheidstaak van het agentschap met het oog op valorisatie kosteloos in eigendom over te dragen aan [1 Natuurinvest]1. In die gevallen neemt [1 Natuurinvest]1 de rechten en plichten over van het agentschap. Betrokken onroerende en roerende goederen kunnen niet vervreemd worden dan ten behoeve van de schatkist.
  
Art.37. Le Gouvernement flamand peut décider de céder à titre gratuit des biens immobiliers et mobiliers de la Région flamande qui n'ont plus d'utilité pour la stricte tâche d'autorité de l'agence en vue de leur valorisation en propriété de [1 " Natuurinvest "]1. Dans ces cas, [1 " Natuurinvest "]1 reprend tous les droits et obligations de l'agence. Les biens immobiliers et mobiliers en question ne peuvent être aliénés qu'au profit du Trésor.
  
Art.39. Met behoud van de toepassing van de voorgaande bepalingen worden de nadere regelen betreffende het toezicht, het beheer, de werking en de boekhouding van het OC-ANB vastgesteld bij besluit van de Vlaamse Regering.
Art.39. Sans préjudice des dispositions précédentes, les modalités relatives à la gestion, au fonctionnement et à la comptabilité de l'OC-ANB sont fixées par arrêté du Gouvernement flamand.
Art.40. Artikel 3, punt 4°, van het decreet tot oprichting van het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur als Gewestdienst met Afzonderlijk Beheer van 23 januari 1991 wordt opgeheven.
Art.40. L'article 3, point 4°, du décret du 23 janvier 1991 portant création du Fonds de Prévention et d'Assainissement en matière de l'Environnement et de la Nature comme service régional à gestion séparée, est abrogé.
HOOFDSTUK X. - Water.
CHAPITRE X. - Eau.
Art.41. In artikel 40, § 1, en artikel 44, § 1, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid wordt "22 december 2006" vervangen door "22 december 2007".
Art.41. A l'art 40, § 1er, et à l'article 44, § 1er, du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, les mots "22 décembre 2006" sont remplacés par les mots "22 décembre 2007".
Art.42. In artikel 32septies, § 4, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, laatst gewijzigd bij decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006, wordt een lid toegevoegd, luidend als volgt :
  " Bedrijfsafvalwater dat op basis van de bepalingen van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, alle uitvoeringsbepalingen van dit decreet, evenals de bepalingen uit de betreffende milieuvergunning, door de exploitant van de hinderlijke inrichting zelf moet gezuiverd worden en/of in oppervlaktewater dient geloosd te worden, komt niet in aanmerking voor een contract zoals bedoeld in het eerste lid, behalve voor wat betreft een contract voor de aanleg en exploitatie van een afvoerleiding waarin de betrokken exploitant zijn aandeel ten laste neemt. ".
Art.42. A l'article 32septies, § 4, de la loi sur la protection des eaux de surface contre la pollution, dernièrement modifiée par le décret du 23 décembre 2005 contenant des mesures d'accompagnement du budget 2006, il est ajouté un alinéa, rédigé comme suit :
  " Les eaux usées industrielles qui doivent être épurées par l'exploitant même de l'établissement incommode et/ou déversées dans des eaux de surface, en vertu des dispositions du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique et ses arrêtés d'exécution et de toutes les dispositions exécutoires du présent décret, ne peuvent pas faire l'objet d'un contrat tel que visé à l'alinéa 1er, sauf s'il s'agit d'un contrat pour la pose et l'exploitation d'une conduite d'évacuation dont l'exploitant intéressé prend sa part à charge. "
Art.43. In artikel 35ter, § 2, van dezelfde wet, wordt het zesde lid, zoals toegevoegd door artikel 47, § 2, van het decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006, geschrapt.
Art.43. A l'article 35ter, § 2, de la même loi, le sixième alinéa, tel qu'ajouté par l'article 47, § 2, du décret du 23 décembre 2005 contenant des mesures d'accompagnement du budget 2006, est supprimé.
Art.44. Artikel 35quinquies, § 1, van dezelfde wet, zoals ingevoerd door artikel 49 van het decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006, wordt met ingang van 1 januari 2006 vervangen door wat volgt :
  " § 1. Voor de heffingsplichtigen die niet onder artikel 35quater vallen wordt de vuilvracht als volgt berekend :
  N = N1 + N2 + N3 + Nk
  waarin :
  N = de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden;
  (Formule niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 20-06-2006, p. 31222).
  waarin :
  N1 : de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van de zuurstofbindende stoffen en de zwevende stoffen uitgedrukt in vervuilingseenheden;
  Qd : het volume, uitgedrukt in liter, van het afvalwater geloosd in een etmaal tijdens de maand van grootste bedrijvigheid van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar;
  a :
  1° deze term is gelijk aan nul :
  a) voor de heffingsplichtigen die op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het beschouwde heffingsjaar zijn aangesloten op het openbaar hydrografisch net, zoals bedoeld in artikel 1, en op dezelfde datum bovendien beschikken over een milieu- respectievelijk lozingsvergunning voor lozing op het openbaar hydrografisch net;
  b) voor de heffingsplichtigen die op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het beschouwde heffingsjaar beschikken over een milieu- respectievelijk lozingsvergunning met normen voor lozing in de gewone oppervlaktewateren en lozen in de openbare riolering gelegen in zuiveringszone C, zoals bedoeld in artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of in een openbare of privaatrechtelijke effluentleiding die uitmondt in oppervlaktewater;
  2° indien in de loop van het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar de lozingssituatie en/of vergunningstoestand bedoeld onder 1° verandert in deze bedoeld onder 3° of omgekeerd, wordt de berekening van de N1-component evenredig opgesplitst voorzover de vuilvracht berekend zonder de a-factor niet gevoelig wijzigt.
  De wijziging van de a-factor gaat in, hetzij vanaf de maand volgend op deze waarin de vergunning wordt afgeleverd, hetzij vanaf de maand die volgt op die waarin de wijziging van de lozingssituatie effectief ingaat. De heffingsplïchtige dient minstens één maand voor de wijziging per aangetekend schrijven de leidend ambtenaar van de Maatschappij hiervan op de hoogte te brengen.
  Bij gevoelige wijziging van de vuilvracht is overeenkomstig de bepalingen van §§ 8 tot en met 11 de situatie op het ogenblik van de monstername van toepassing;
  3° deze term is in de overige gevallen gelijk aan 0,20.
  ZS : het gehalte aan stoffen in suspensie, uitgedrukt in mg/l, van het afvalwater waarop Qd betrekking heeft;
  BZV : de biochemische zuurstofbehoefte gedurende 5 dagen, uitgedrukt in mg/l, van het afvalwater waarop Qd betrekking heeft;
  CZV : de chemische zuurstofbehoefte, uitgedrukt in mg/l, van het afvalwater waarop Qd betrekking heeft;
  d : correctiefactor wanneer het gaat om seizoensgebonden of niet-continue activiteiten waarbij minder dan 225 kalenderdagen per jaar afvalwater wordt geloosd en hiervan het bewijs geleverd wordt; d is dan gelijk aan het quotiënt van het aantal dagen waarin afvalwater werd geloosd en 225.
  Indien er in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar gedurende verschillende etmalen metingen zijn gebeurd van het dagdebiet en de samenstelling van het geloosde afvalwater, dan wordt als N1 het rekenkundig gemiddelde van de op dagbasis berekende N1-componenten genomen.
  Indien er in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar in verschillende maanden metingen zijn gebeurd van het dagdebiet en de samenstelling van het geloosde afvalwater, dan wordt als maand van de grootste bedrijvigheid die maand in aanmerking genomen waarvan het rekenkundig gemiddelde van de op dagbasis berekende N1-component het grootst is.
  (Formule niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 20-06-2006, p. 31223).
  waarin :
  N2 = de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van de beschouwde zware metalen uitgedrukt in vervuilingseenheden;
  Qj = het volume afvalwater, uitgedrukt in kubieke meter, geloosd in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar;
  Hg, Ag, Cd, Zn, Cu, Ni, Pb, As, Cr : de in het geloosde afvalwater gemeten gehaltes, van het afvalwater waarop Qd betrekking heeft, uitgedrukt in mg/l, van de respectievelijke stoffen : kwik, zilver, cadmium, zink, koper, nikkel, lood, arseen en chroom.
  (Formule niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 20-06-2006, p. 31223).
  waarin :
  N3 : de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van de beschouwde nutriënten uitgedrukt in vervuilingseenheden;
  Qj : het volume afvalwater, uitgedrukt in kubieke meter, geloosd in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar;
  N : het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale stikstof uitgedrukt in mg N/l;
  P : het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale fosfor, uitgedrukt in mg P/l.
  *Nk = a (K x 0,0004)
  waarin :
  Nk : de vuilvracht veroorzaakt door het lozen van koelwater;
  K : het thermisch belast koelwater, uitgedrukt in kubieke meter per jaar, dat in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd geloosd. Met ingang van het heffingsjaar 1992 wordt de hoeveelheid geloosd koelwater geacht overeen te stemmen met :
  -hetzij, de in de lozings- of milieuvergunning toegelaten hoeveelheid;
  - hetzij, de hoeveelheid aangegeven in de vóór 1 september 1991 ingediende lozingsvergunningsaanvraag zolang over deze laatste nog geen uitspraak is gedaan;
  - tenzij de heffingsplichtige het bewijs levert dat de reëel geloosde hoeveelheid kleiner is.
  a : deze term is gelijk aan 0,825 voor de heffingsjaren 1992, 1993, 1994, 1995 en is gelijk aan 0,550 met ingang van het heffingsjaar 1996. ".
Art.44. L'article 35quinquies, § 1er, de la même loi, tel qu'inséré par l'article 49 du décret du 23 décembre 2005 contenant des mesures d'accompagnement du budget 2006, est remplacé à partir du 1er janvier 2006 par la disposition suivante :
  " § 1er. Pour les redevables qui ne sont pas régis par l'article 35quater, la charge polluante est calculée comme suit :
  N = N1 + N2 + N3 + Nk
  où :
  N1 = la charge polluante exprimée en unités de pollution;
  (Formule non reprise pour motifs techniques. Voir M.B. 20-06-2006, p. 31230).
  où :
  N1 : la charge polluante causée par le déversement de substances oxydantes et en suspension exprimées en unités de pollution;
  Qd : le volume, exprimé en litres, des eaux déversés pendant 24 heures pendant le mois à l'activité la plus intense de l'année précédant l'année d'imposition;
  a :
  1° ce terme est égal à zéro :
  a) pour les redevables raccordés au réseau hydrographique public, visés à l'article 1er, au 1er janvier de l'année précédant l'exercice d'imposition en question et disposant à la même date d'une autorisation écologique ou d'une autorisation de déversement pour les déversements dans le réseau hydrographique public;
  b) pour les redevables disposant au 1er janvier de l'année précédant l'exercice d'imposition en question d'une autorisation écologique ou d'une autorisation de déversement adoptant les normes pour les déversements dans les eaux de surface ordinaires et dans les égouts publics situés dans une zone d'épuration C, telle que visée à l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement, dans un conduit d'évacuation artificiel d'eaux pluviales ou dans un conduit d'évacuation de droit privé ou public débouchant dans une de surface;
  2° si, au cours de l'année précédant la situation de déversement et/ou d'autorisation, visée sous 1°, modifie en celle visée sous 3° ou inversement, le calcul de la composante N1 est scindé proportionnellement dans la mesure ou la charge polluante calculée sans tenir compte du facteur a, ne subit aucun changement notable.
  La modification du facteur a prend effet, soit à partir du mois qui suit celui dans lequel l'autorisation est délivrée, soit à partir du mois qui suit celui dans lequel la modification de la situation de déversement prend effectivement cours. Le redevable doit en avertir par lettre recommandée, au moins un mois avant la modification, le fonctionnaire dirigeant de la Société.
  En cas de modification notable de la charge polluante, la situation au moment de la prise d'échantillons s'applique, conformément aux dispositions des §§ 8 à 11;
  3° ce terme est dans les autres cas égal à 0,20.
  ZS : la teneur en substances en suspension, exprimée en mg/l des eaux usées visées par Qd;
  BZV : la demande biochimique en oxygène pendant 5 jours, exprimée en mg/l des eaux usées visées par Qd;
  CZV : la demande chimique en oxygène, exprimée en mg/l des eaux usées visées par Qd;
  d : facteur de correction lorsqu'il s'agit d'activités saisonnières ou discontinues, ce qui implique des déversements pendant moins de 225 jours calendaires par an, ce qui est prouvé; d égale alors le quotient du nombre de jours où des déversements ont eu lieu, et 225.
  Si, pendant l'année précédant l'année d'imposition considérée, des mesurages du débit journalier et de la composition des eaux usées déversées ont été effectués pendant plusieurs périodes de 24 heures, N1 est pris comme moyenne arithmétique des composants N1 calculés sur une base journalière.
  Si, pendant l'année précédant l'année d'imposition considérée, des mesurages du débit journalier et de la composition des eaux usées déversées ont été effectués pendant plusieurs mois, est pris en compte comme le mois à l'activité la plus intense, le mois dont la moyenne arithmétique de la composante N1 calculés sur une base journalière est la plus élevée.
  (Formule non reprise pour motifs techniques. Voir M.B. 20-06-2006, p. 31231).
  où :
  N2 = la charge polluante causée par le déversement des métaux lourds considérés, exprimée en unités de pollution;
  Qj = le volume d'eaux usées, exprimé en mètres cubes, déversées pendant l'année précédant l'année d'imposition;
  Hg, Ag, Cd; Zn, Cu, Ni, Pb, As, Cr : les teneurs mesurées dans les eaux usées déversées, des eaux usées visées par Qd, exprimées en mg/l des substances respectives; mercure, argent, cadmium, zinc, cuivre, plomb, nickel, arsenic et chrome.
  (Formule non reprise pour motifs techniques. Voir M.B. 20-06-2006, p. 31231).
  où :
  N3 : la charge polluante causée par le déversement des nutriments considérés, exprimée en unités de pollution;
  Qj : le volume d'eaux usées, exprimé en mètres cubes, déversées pendant l'année précédant l'année d'imposition considérée;
  N : la teneur en azote total mesurée dans les eaux déversées, exprimée en mg N/l;
  P : la teneur en phosphore total mesurée dans les eaux déversées, exprimée en mg P/l;
  *Nk = a (K x 0,0004)
  où :
  Nk : la charge polluante causée par le déversement d'eaux de refroidissement;
  K : les eaux de refroidissement à charge thermique, exprimées en mètres cubes, déversées pendant l'année précédant l'année d'imposition; A partir de l'année d'imposition 1992, la quantité des eaux de refroidissement déversées est censée correspondre à :
  - soit, la quantité autorisée dans l'autorisation de déversement ou écologique;
  - soit, la quantité mentionnée dans la demande d'autorisation de déversement introduite avant le 1er septembre 1991 pour autant qu'aucune décision n'ait été prise au sujet de cette demande;
  - sauf si le redevable prouve que la quantité réellement déversée est plus petite.
  a : ce terme est égal à 0,825 pour les années d'imposition 1992, 1993, 1994 et 1995, et à 0,550 à compter de l'année d'imposition 1996. "
Art.45. Artikel 28decies, § 1, van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer wordt vervangen door :
  " § 1. De heffing, vastgesteld overeenkomstig artikel 28quater, wordt gevestigd uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het heffingsjaar. "
Art.45. L'article 28decies, § 1er, du décret portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. La redevance déterminée conformément à l'article 28quater, est établie au plus tard le 31 décembre de l'année qui suit l'exercice d'imposition. "
Art.46. Aan artikel 79 van het decreet van 24 december 2004 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2005, laatst gewijzigd bij decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006, wordt een bijkomend lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " Eveneens bij wijze van overgangsmaatregel wordt éénmalig het bedrag van de heffing voor de heffingsplichtigen bedoeld in artikelen 35quinquies en 35septies met uitzondering van de heffingsplichtigen in artikel 35ter, § 2, a), voor het heffingsjaar 2005 verminderd met :
  - Qdw x vrijgestelde vervuiling x T
  waarin :
  Qdw het door de openbare watervoorzieningmaatschappij in 2004 gefactureerd drinkwaterverbruik, uitgedrukt in m3;
  vrijgestelde vervuiling = de vuilvracht N - Nk, zoals bedoeld in respectievelijk artikel 35quinquies, § 1, en artikel 35septies, § 1, van de wet van 26 maart 1971 voor de heffing 2005 gedeeld door Qdw. Deze vrijgestelde vervuiling kan maximaal 0,025 VE / m3 bedragen;
  T = 26,42 euro/VE;
  - het voorschot op de vergoeding, zoals bedoeld in artikel 32septies, § 4, van de wet van 26 maart 1971, aangerekend voor de bovengemeentelijke sanering van het afvalwater geloosd in 2005, exclusief btw.
  De heffing kan in geen geval negatief worden. ".
Art.46. A l'article 79 du décret du 24 décembre 2004 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2005, dernièrement modifié par le décret du 23 décembre 2005 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2006, il est ajouté un alinéa supplémentaire, rédigé comme suit :
  " Par mesure transitoire, le montant de la redevance pour l'exercice d'imposition 2005 pour les redevables visés aux articles 35quinquies et 35septies, à l'exception des redevables visés à l'article 35ter, § 2, a), est une seule fois diminué de :
  - Qdw x pollution exemptée x T
  où :
  Qdw est la consommation d'eau potable, exprimée en m3, facturée en 2004 par la société publique de distribution d'eau;
   pollution exemptée = la charge polluée N - Nk, telle que visée, respectivement à l'article 35quinquies, § 1er, et à l'article 35septies, § 1er, de la loi du 26 mars 1971 pour la redevance 2005 divisée par Qdw. Cette pollution exemptée peut s'élever au maximum à 0,025 VE / m3;
  T = 26,42 euros / VE;
  - l'acompte sur l'indemnité, telle que visée à l'article 32septies, § 4, de la loi du 26 mars 1971, porté en compte pour l'assainissement supracommunal des eaux usées déversées en 2005, hors T.V.A.
  La redevance ne peut en aucun cas devenir négatif. "
HOOFDSTUK XI. - Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening.
CHAPITRE XI. - La "Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening" (Société flamande de Distribution d'Eau).
Art.47. In artikel 3 van het decreet van 28 juni 1983 houdende oprichting van de instelling Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° aan § 1 worden de volgende woorden toegevoegd : "en de inzameling en zuivering van afvalwater. " ;
  2° in § 2 worden de woorden "verenigingen van gemeenten en particulieren" vervangen door de woorden "verenigingen van gemeenten, private rechtspersonen en particulieren".
Art.47. A l'article 3 du décret du 28 juin 1983 portant création de l'organisme "Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening", sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, les mots suivants sont ajoutés : "et la collecte et l'épuration d'eaux usées. " ;
  2° au § 2, les mots "associations de communes et de particuliers" sont remplacés par les mots "associations de communes, de personnes morales privées et de particuliers".
Art.48. In artikel 6 van hetzelfde decreet wordt het woord "watervoorzieningsdienst" telkens vervangen door het woord "waterdienst". In hetzelfde artikel wordt het woord "watervoorzieningsdiensten" telkens vervangen door het woord "waterdiensten".
Art.48. A l'article 6 du même décret, les mots "service de distribution d'eau" sont chaque fois remplacés par les mots "service d'eau". Au même article, les mots "services de distribution d'eau" sont chaque fois remplacés par les mots "services d'eau".
Art.49. Artikel 7 van hetzelfde decreet wordt vervangen door :
  " Artikel 7. Voor elke onderscheiden waterdienst wordt een bijzondere resultatenrekening gehouden. Deze bijzondere resultatenrekening bevat naast de eigen kosten en opbrengsten van de betrokken waterdienst, als kosten tevens het aandeel van die dienst in de algemene kosten van de Maatschappij.
  In de statuten wordt voorzien in :
  1° het instellen van reserverekeningen, gemeenschappelijk aan al de waterdiensten van de Maatschappij;
  2° het oprichten voor elke waterdienst van eigen afzonderlijke reserverekeningen;
  3° een regeling met betrekking tot de dividendgerechtigdheid van de aandelen die zijn verbonden aan de verschillende waterdiensten. "
Art.49. L'article 7 du même décret est remplacé par ce qui suit :
  " Article 7. Chaque service distinct d'eau fait l'objet d'un compte séparé dans la comptabilité sociale. Ce compte particulier des résultats comporte, outre les propres frais et revenus du service d'eau concerné, en dépenses, la quote-part de ce service dans les frais généraux de la Société.
  Les statuts devront prévoir :
  1° la constitution de comptes de réserve communs à tous les services d'eau de la Société;
  2° la constitution, pour chaque service d'eau, de propres comptes séparés de réserve;
  3° un règlement relatif au droit au dividende des parts liées aux différents services d'eau. "
Art.50. De eerste twee zinnen van artikel 8 van hetzelfde decreet worden vervangen door de volgende zin :
  " De statuten bepalen de wijze waarop tot de vaststelling en de bestemming van het resultaat van de Maatschappij wordt overgegaan. "
Art.50. Les deux premières phrases de l'article 8 du même décret sont remplacées par la phrase suivante :
  " Les statuts fixent le mode dont il est procédé à la définition et à l'affectation du résultat de la Société. "
Art.51. De eerste zin van artikel 9 van hetzelfde decreet wordt vervangen door :
  " De Maatschappij mag leningen aangaan of schuldbrieven uitgeven. "
Art.51. La première phrase de l'article 9 du même décret est remplacé par :
  " La Société peut contracter des emprunts ou émettre des lettres de créance. "
Art.52. Artikel 10 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art.52. L'article 10 du même décret est abrogé.
Art.53. In artikel 15 van hetzelfde decreet wordt het woord "watervoorzieningsdienst" vervangen door de woorden "door de Maatschappij ingerichte waterdienst".
Art.53. A l'article 15 du même décret, les mots "service de distribution d'eau" sont remplacés par les mots "le service d'eau créé par la Société".
Art. 54. Het maatschappelijk kapitaal van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, zoals opgericht bij het decreet van 28 juni 1983 houdende oprichting van de instelling Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening (de Maatschappij), wordt van rechtswege en zonder dat daartoe een beslissing van haar organen of een wijziging van haar statuten vereist is, verminderd met 85.000.000,00 euro, ten belope van welk bedrag in de rekeningen van de Maatschappij een kapitaalsubsidie van het Vlaamse Gewest wordt uitgedrukt.
  De Maatschappij past vervolgens te gepasten tijde haar statuten aan om voornoemde wijziging in haar kapitaalstructuur erin tot uitdrukking te brengen en ze voor het overige in overeenstemming te brengen met de gevolgen van voornoemde wijziging in haar kapitaalstructuur.
Art. 54. Le capital social de la "Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening", telle que crée par le décret du 28 juin 1983 portant création de l'organisme "Société flamande de Distribution d'Eau" (la Société), est diminué de droit et sans qu'une décision d'un de ses organes ou qu'une modification de ses statuts soient exigées, de 85.000.000,00 euros, montant à concurrence duquel une subvention de la Région flamande au capital est exprimée dans les comptes de la Société.
  La Société adapte ses statuts en temps voulu afin d'y exprimer la modification de sa structure de capital et afin de les conformer aux conséquences de la modification de sa structure de capital.