Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
9 DECEMBER 2005. - Decreet betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 02-02-2006 en tekstbijwerking tot 08-08-2025)
Titre
9 DECEMBRE 2005. - Décret relatif à l'organisation de projets temporaires dans l'enseignement. (TRADUCTION) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 02-02-2006 et mise à jour au 08-08-2025)
Documentinformatie
Info du document
Tekst (21)
Texte (21)
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
Article 1. Le présent décret règle une matière communautaire.
Art. 2. De bepalingen van dit decreet zijn van toepassing op :
1° de gefinancierde of gesubsidieerde instellingen voor basisonderwijs;
2° de gefinancierde of gesubsidieerde instellingen voor secundair onderwijs;
3° [2 ...]2;
4° de gefinancierde of gesubsidieerde centra voor volwassenenonderwijs;
5° de gefinancierde of gesubsidieerde instellingen voor deeltijds kunstonderwijs;
6° de gefinancierde of gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding.
Het geheel van die onderwijsinstellingen en centra wordt hierna "scholen en centra" genoemd;
[1 7° [2 de gesubsidieerde centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, voor wat de duale en aanloopstructuuronderdelen die ze aanbieden betreft]2]1;
[2 8° [3 de gefinancierde of gesubsidieerde centra voor basiseducatie]3;
9° de gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinternaten.]2
1° de gefinancierde of gesubsidieerde instellingen voor basisonderwijs;
2° de gefinancierde of gesubsidieerde instellingen voor secundair onderwijs;
3° [2 ...]2;
4° de gefinancierde of gesubsidieerde centra voor volwassenenonderwijs;
5° de gefinancierde of gesubsidieerde instellingen voor deeltijds kunstonderwijs;
6° de gefinancierde of gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding.
Het geheel van die onderwijsinstellingen en centra wordt hierna "scholen en centra" genoemd;
[1 7° [2 de gesubsidieerde centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, voor wat de duale en aanloopstructuuronderdelen die ze aanbieden betreft]2]1;
[2 8° [3 de gefinancierde of gesubsidieerde centra voor basiseducatie]3;
9° de gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinternaten.]2
Art. 2. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent :
1° aux établissements financés ou subventionnés de l'enseignement fondamental;
2° aux établissements financés ou subventionnés de l'enseignement secondaire;
3° [2 ...]2;
4° aux centres financés ou subventionnés d'éducation des adultes;
5° aux établissements financés ou subventionnés de l'enseignement artistique à temps partiel;
6° aux centres financés ou subventionnés d'encadrement des élèves.
L'ensemble de ces établissements d'enseignement et centres est appelé ci-après "écoles et centres";
[1 7° [2 aux centres subventionnés de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, en ce qui concerne les subdivisions structurelles duales et les subdivisions structurelles de démarrage qu'ils offrent ]2]1;
[2 8° [3 aux centres d'éducation de base financés ou subventionnés]3 ;
9° aux internats de l'enseignement financés ou subventionnés.]2
1° aux établissements financés ou subventionnés de l'enseignement fondamental;
2° aux établissements financés ou subventionnés de l'enseignement secondaire;
3° [2 ...]2;
4° aux centres financés ou subventionnés d'éducation des adultes;
5° aux établissements financés ou subventionnés de l'enseignement artistique à temps partiel;
6° aux centres financés ou subventionnés d'encadrement des élèves.
L'ensemble de ces établissements d'enseignement et centres est appelé ci-après "écoles et centres";
[1 7° [2 aux centres subventionnés de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, en ce qui concerne les subdivisions structurelles duales et les subdivisions structurelles de démarrage qu'ils offrent ]2]1;
[2 8° [3 aux centres d'éducation de base financés ou subventionnés]3 ;
9° aux internats de l'enseignement financés ou subventionnés.]2
Art. 3. De Vlaamse Regering kan tijdelijke projecten opzetten of scholen en centra de mogelijkheid verlenen tijdelijke projecten te organiseren. Die tijdelijke projecten bieden het hoofd aan dringende problemen of testen experimenten uit.
De Vlaamse Regering bepaalt onder welke voorwaarden scholen en centra kunnen toetreden tot tijdelijke projecten die zij opzet en/of onder welke voorwaarden scholen en centra zelf tijdelijke projecten kunnen organiseren.
De Vlaamse Regering zal er zich telkens van vergewissen of de scholen en centra die tot tijdelijke projecten willen toetreden of zelf tijdelijke projecten willen organiseren, deze tijdelijke projecten- hebben overlegd en/of onderhandeld in de bevoegde participatieorganen. Indien een project sterk ingrijpt op arbeidsorganisatie en arbeidsvoorwaarden, dan zal de aanwezigheid van een protocol van akkoord of een protocol van niet-akkoord met betrekking tot de onderhandelingen in de bevoegde participatieorganen, voor de Vlaamse Regering een zeer belangrijk element vormen.
§ 2. Zowel in het geval dat de Vlaamse Regering zelf tijdelijke projecten opzet als in het geval dat ze de scholen en centra de mogelijkheid geeft om zelf tijdelijke projecten te organiseren, legt de Vlaamse Regering de inhoud en de doelstellingen van de tijdelijke projecten vast, bepaalt de tijdsduur ervan, alsook de voorwaarden waaronder de tijdelijke projecten eenmaal kunnen worden verlengd. Deze verlenging kan niet langer duren dan de oorspronkelijke tijdsduur van het tijdelijke project.
§ 3. De Vlaamse Regering informeert het Vlaams Parlement over de tijdelijke projecten waarover ze een beslissing zal nemen.
[1 § 4. De Vlaamse Regering kan een tijdelijk project vroegtijdig beëindigen indien de doelstelling(en) ervan minder relevant of niet meer relevant zijn geworden. Beëindiging kan enkel bij het einde van een schooljaar en mits de studievoortgang van de betrokken leerlingen niet in het gedrang wordt gebracht. De scholen en centra die aan het tijdelijke project deelnemen, worden op een uiterste datum te bepalen door de Vlaamse Regering van deze beëindiging op de hoogte gebracht.]1
De Vlaamse Regering bepaalt onder welke voorwaarden scholen en centra kunnen toetreden tot tijdelijke projecten die zij opzet en/of onder welke voorwaarden scholen en centra zelf tijdelijke projecten kunnen organiseren.
De Vlaamse Regering zal er zich telkens van vergewissen of de scholen en centra die tot tijdelijke projecten willen toetreden of zelf tijdelijke projecten willen organiseren, deze tijdelijke projecten- hebben overlegd en/of onderhandeld in de bevoegde participatieorganen. Indien een project sterk ingrijpt op arbeidsorganisatie en arbeidsvoorwaarden, dan zal de aanwezigheid van een protocol van akkoord of een protocol van niet-akkoord met betrekking tot de onderhandelingen in de bevoegde participatieorganen, voor de Vlaamse Regering een zeer belangrijk element vormen.
§ 2. Zowel in het geval dat de Vlaamse Regering zelf tijdelijke projecten opzet als in het geval dat ze de scholen en centra de mogelijkheid geeft om zelf tijdelijke projecten te organiseren, legt de Vlaamse Regering de inhoud en de doelstellingen van de tijdelijke projecten vast, bepaalt de tijdsduur ervan, alsook de voorwaarden waaronder de tijdelijke projecten eenmaal kunnen worden verlengd. Deze verlenging kan niet langer duren dan de oorspronkelijke tijdsduur van het tijdelijke project.
§ 3. De Vlaamse Regering informeert het Vlaams Parlement over de tijdelijke projecten waarover ze een beslissing zal nemen.
[1 § 4. De Vlaamse Regering kan een tijdelijk project vroegtijdig beëindigen indien de doelstelling(en) ervan minder relevant of niet meer relevant zijn geworden. Beëindiging kan enkel bij het einde van een schooljaar en mits de studievoortgang van de betrokken leerlingen niet in het gedrang wordt gebracht. De scholen en centra die aan het tijdelijke project deelnemen, worden op een uiterste datum te bepalen door de Vlaamse Regering van deze beëindiging op de hoogte gebracht.]1
Art. 3. § 1er. Le Gouvernement flamand peut mettre sur pied des projets temporaires ou permettre aux écoles et centres d'organiser des projets temporaires. Ces projets temporaires font face aux problèmes urgents ou testent des expériences.
Le Gouvernement flamand définit les conditions auxquelles les écoles et centres peuvent adhérer aux projets temporaires qu'il met sur pied et/ou auxquelles les écoles et centres peuvent organiser eux-mêmes des projets temporaires.
Le Gouvernement flamand vérifiera chaque fois si les écoles et centres qui entendent adhérer à des projets temporaires ou organiser eux-mêmes des projets temporaires, ont préalablement délibéré sur et/ou négocié ces projets temporaires au sein des organes de participation compétents. Si un projet déterminé a un impact énorme sur l'organisation et les conditions du travail, la présence d'un protocole d'accord ou d'un protocole de non-accord conclu à l'issue des négociations au sein des organes de participation compétents, constituera un élément de grande importance pour le Gouvernement flamand.
§ 2. Tant dans le cas où le Gouvernement flamand met lui-même sur pied des projets temporaires que dans le cas où il permet aux écoles et centres d'organiser eux-mêmes des projets temporaires, le Gouvernement flamand fixe le contenu et les objectifs des projets temporaires, en détermine la durée, ainsi que les conditions auxquelles les projets temporaires peuvent être renouvelés une fois. Ce renouvellement ne peut excéder la durée originelle du projet temporaire.
§ 3. Le Gouvernement flamand informe le Parlement flamand des projets temporaires au sujet desquels il prendra une décision.
[1 § 4. Le Gouvernement flamand peut décider d'arrêter prématurément un projet temporaire si son (ses) objectif(s) sont devenus moins pertinents ou ne sont plus pertinents. L'arrêt d'un projet n'est possible qu'à la fin de l'année scolaire et étant entendu que la progression des études des élèves concernés ne soit pas compromise. Les écoles et les centres participant au projet temporaire sont informés de cet arrêt à une date limite à déterminer par le Gouvernement flamand.]1
Le Gouvernement flamand définit les conditions auxquelles les écoles et centres peuvent adhérer aux projets temporaires qu'il met sur pied et/ou auxquelles les écoles et centres peuvent organiser eux-mêmes des projets temporaires.
Le Gouvernement flamand vérifiera chaque fois si les écoles et centres qui entendent adhérer à des projets temporaires ou organiser eux-mêmes des projets temporaires, ont préalablement délibéré sur et/ou négocié ces projets temporaires au sein des organes de participation compétents. Si un projet déterminé a un impact énorme sur l'organisation et les conditions du travail, la présence d'un protocole d'accord ou d'un protocole de non-accord conclu à l'issue des négociations au sein des organes de participation compétents, constituera un élément de grande importance pour le Gouvernement flamand.
§ 2. Tant dans le cas où le Gouvernement flamand met lui-même sur pied des projets temporaires que dans le cas où il permet aux écoles et centres d'organiser eux-mêmes des projets temporaires, le Gouvernement flamand fixe le contenu et les objectifs des projets temporaires, en détermine la durée, ainsi que les conditions auxquelles les projets temporaires peuvent être renouvelés une fois. Ce renouvellement ne peut excéder la durée originelle du projet temporaire.
§ 3. Le Gouvernement flamand informe le Parlement flamand des projets temporaires au sujet desquels il prendra une décision.
[1 § 4. Le Gouvernement flamand peut décider d'arrêter prématurément un projet temporaire si son (ses) objectif(s) sont devenus moins pertinents ou ne sont plus pertinents. L'arrêt d'un projet n'est possible qu'à la fin de l'année scolaire et étant entendu que la progression des études des élèves concernés ne soit pas compromise. Les écoles et les centres participant au projet temporaire sont informés de cet arrêt à une date limite à déterminer par le Gouvernement flamand.]1
Wijzigingen
Art. 4. § 1. Tijdelijke projecten kunnen afwijken of kunnen afwijkingen toestaan van wettelijke en decretale bepalingen onder de hierna gestelde voorwaarden.
§ 2. De afwijkingen zijn alleen mogelijk :
1° als de doelstellingen van het tijdelijke project gericht zijn op de voorbereiding van een eventuele wijziging van de onderwijswetgeving met het oog op :
a) onderwijsvernieuwing, en/of
b) het ontwikkelen van specifieke maatregelen voor bepaalde doelgroepen, en/of
c) een betere organisatie van het onderwijs; en
2° als de afwijkingen noodzakelijk zijn om de doelstellingen van de tijdelijke projecten te realiseren.
De Vlaamse Regering wijst per tijdelijk project de wettelijke en decretale bepalingen aan waarvan afgeweken wordt. Ze motiveert de noodzaak om van die bepalingen af te wijken en uit de omschrijving van het tijdelijke project laat ze blijken dat de bepalingen waarvan wordt afgeweken in verband staan met de doelstellingen van het tijdelijke project.
[1 De Vlaamse Regering kan indien nodig voorzien in pedagogische, wetenschappelijke of andere adequate ondersteuning en begeleiding.]1
§ 3. De afwijkingen kunnen evenwel geen betrekking hebben op :
1° de bepalingen inzake het inschrijvingsrecht in het basis- en secundair onderwijs;
2° de eindtermen en ontwikkelingsdoelen;
3° de bepalingen inzake het minimumlessenrooster of de minimumlessentabel in het secundair en volwassenenonderwijs en in de deeltijdse vormingen in het kader van de deeltijdse leerplicht;
4° de bepalingen inzake liet minimumaantal wekelijkse lestijden voor leerlingen in het basis-, secundair en volwassenenonderwijs;
5° de bepalingen die betrekking hebben op de participatie :
6° de bepalingen die betrekking hebben op de erkenning van scholen en centra, met uitzondering van de bepalingen inzake onderwijsstructuur en leerplan;
7° de bepalingen die betrekking hebben op het inschrijvingsgeld in het volwassenenonderwijs ;
8° de bepalingen inzake zorgvuldig bestuur.
§ 4. Als het tijdelijke project aanleiding geeft tot het uitvaardigen van afwijkende regelgeving, waarborgt deze regeling in elk geval :
1° het recht van de leerling op begeleiding door een centrum voor leerlingenbegeleiding;
2° de mogelijkheid tot overstap van een leerling in het begin van het schooljaar of tijdens het schooljaar naar een onderwijsinstelling of opleiding buiten het tijdelijke project;
3° de eindbekrachtiging van de studies, met de daaraan verbonden civiele effecten;
4° de vigerende verhouding tussen het aantal lessen op jaarbasis enerzijds, en de vakantie- en verlofregeling anderzijds ;
5° dat in de vormen van onderwijs waar tegen omstreden beslissingen beroep kan worden ingesteld, dat ook in tijdelijke projecten het geval is;
6° dat de basisfinanciering of -subsidiëring van de scholen en centra in kwestie nooit lager is dan die welke onder identieke omstandigheden buiten het tijdelijke project wordt toegekend;
7° de geldelijke loopbaan van de personeelsleden die in tijdelijke projecten fungeren.
§ 5. Besluiten die afwijken of die afwijkingen toestaan van wettelijke en decretale bepalingen, worden binnen de maand na hun goedkeuring ter bekrachtiging aan het Vlaams Parlement voorgelegd. De bekrachtiging bij decreet gebeurt binnen de zes maanden na goedkeuring van het besluit en vóór de inwerkingtreding van dit besluit. [2 Een besluit van de Vlaamse Regering tot uitbreiding van een bestaand tijdelijk project wordt niet ter bekrachtiging aan het Vlaams Parlement voorgelegd als het, wat afwijkingen van wettelijke en decretale bepalingen betreft die voor dat project zijn toegestaan, bij eerder door het Vlaams Parlement bekrachtigd besluit van de Vlaamse Regering, enkel het toepassingsgebied van die afwijkingen verruimt en geen nieuwe inhoudelijke afwijkingen toevoegt.]2
Besluiten die betrekking hebben op het schooljaar 2005-2006 worden voor dat schooljaar als bekrachtigd beschouwd.
§ 2. De afwijkingen zijn alleen mogelijk :
1° als de doelstellingen van het tijdelijke project gericht zijn op de voorbereiding van een eventuele wijziging van de onderwijswetgeving met het oog op :
a) onderwijsvernieuwing, en/of
b) het ontwikkelen van specifieke maatregelen voor bepaalde doelgroepen, en/of
c) een betere organisatie van het onderwijs; en
2° als de afwijkingen noodzakelijk zijn om de doelstellingen van de tijdelijke projecten te realiseren.
De Vlaamse Regering wijst per tijdelijk project de wettelijke en decretale bepalingen aan waarvan afgeweken wordt. Ze motiveert de noodzaak om van die bepalingen af te wijken en uit de omschrijving van het tijdelijke project laat ze blijken dat de bepalingen waarvan wordt afgeweken in verband staan met de doelstellingen van het tijdelijke project.
[1 De Vlaamse Regering kan indien nodig voorzien in pedagogische, wetenschappelijke of andere adequate ondersteuning en begeleiding.]1
§ 3. De afwijkingen kunnen evenwel geen betrekking hebben op :
1° de bepalingen inzake het inschrijvingsrecht in het basis- en secundair onderwijs;
2° de eindtermen en ontwikkelingsdoelen;
3° de bepalingen inzake het minimumlessenrooster of de minimumlessentabel in het secundair en volwassenenonderwijs en in de deeltijdse vormingen in het kader van de deeltijdse leerplicht;
4° de bepalingen inzake liet minimumaantal wekelijkse lestijden voor leerlingen in het basis-, secundair en volwassenenonderwijs;
5° de bepalingen die betrekking hebben op de participatie :
6° de bepalingen die betrekking hebben op de erkenning van scholen en centra, met uitzondering van de bepalingen inzake onderwijsstructuur en leerplan;
7° de bepalingen die betrekking hebben op het inschrijvingsgeld in het volwassenenonderwijs ;
8° de bepalingen inzake zorgvuldig bestuur.
§ 4. Als het tijdelijke project aanleiding geeft tot het uitvaardigen van afwijkende regelgeving, waarborgt deze regeling in elk geval :
1° het recht van de leerling op begeleiding door een centrum voor leerlingenbegeleiding;
2° de mogelijkheid tot overstap van een leerling in het begin van het schooljaar of tijdens het schooljaar naar een onderwijsinstelling of opleiding buiten het tijdelijke project;
3° de eindbekrachtiging van de studies, met de daaraan verbonden civiele effecten;
4° de vigerende verhouding tussen het aantal lessen op jaarbasis enerzijds, en de vakantie- en verlofregeling anderzijds ;
5° dat in de vormen van onderwijs waar tegen omstreden beslissingen beroep kan worden ingesteld, dat ook in tijdelijke projecten het geval is;
6° dat de basisfinanciering of -subsidiëring van de scholen en centra in kwestie nooit lager is dan die welke onder identieke omstandigheden buiten het tijdelijke project wordt toegekend;
7° de geldelijke loopbaan van de personeelsleden die in tijdelijke projecten fungeren.
§ 5. Besluiten die afwijken of die afwijkingen toestaan van wettelijke en decretale bepalingen, worden binnen de maand na hun goedkeuring ter bekrachtiging aan het Vlaams Parlement voorgelegd. De bekrachtiging bij decreet gebeurt binnen de zes maanden na goedkeuring van het besluit en vóór de inwerkingtreding van dit besluit. [2 Een besluit van de Vlaamse Regering tot uitbreiding van een bestaand tijdelijk project wordt niet ter bekrachtiging aan het Vlaams Parlement voorgelegd als het, wat afwijkingen van wettelijke en decretale bepalingen betreft die voor dat project zijn toegestaan, bij eerder door het Vlaams Parlement bekrachtigd besluit van de Vlaamse Regering, enkel het toepassingsgebied van die afwijkingen verruimt en geen nieuwe inhoudelijke afwijkingen toevoegt.]2
Besluiten die betrekking hebben op het schooljaar 2005-2006 worden voor dat schooljaar als bekrachtigd beschouwd.
Art. 4. § 1er. Aux conditions fixées ci-dessous, les projets temporaires peuvent déroger ou permettre des dérogations aux dispositions légales et décrétales.
§ 2. Les dérogations ne sont possibles :
1° que si les objectifs du projet temporaire visent la préparation d'une modification éventuelle de la législation de l'enseignement, en vue :
a) du renouveau de l'enseignement, et/ou
b) du développement de mesures spécifiques pour certains groupes cibles, et/ou
c) d'une meilleure organisation de l'enseignement; et
2° que si elles sont nécessaires pour réaliser les objectifs des projets temporaires.
Le Gouvernement flamand définit pour chaque projet temporaire les dispositions légales et décrétales auxquelles il est dérogé. Il justifie la nécessité de déroger auxdites dispositions et fait apparaître de la définition du projet temporaire, que les dispositions auxquelles il est dérogé se rattachent aux objectifs du projet temporaire.
[1 Le Gouvernement flamand peut prévoir, si nécessaire, un soutien et un encadrement appropriés au niveau pédagogique, scientifique ou autre.]1
§ 3. Les dérogations ne peuvent toutefois porter sur :
1° les dispositions relatives au droit à l'inscription dans l'enseignement fondamental et secondaire;
2° les objectifs finaux et les objectifs de développement;
3° les dispositions relatives à l'horaire minimum des cours ou à la grille horaire minimum dans l'enseignement secondaire, dans l'éducation des adultes et dans les formations à temps partiel dans le cadre de l'obligation scolaire à temps partiel;
4° les dispositions relatives au nombre minimum de périodes hebdomadaires pour les élèves de l'enseignement fondamental et secondaire et les apprenants de l'éducation des adultes;
5° les dispositions relatives à la participation;
6° les dispositions relatives à l'agrément d'écoles et de centres, à l'exception des dispositions en ce qui concerne la structure de l'enseignement et le programme d'études;
7° les dispositions relatives au droit d'inscription dans l'éducation des adultes;
8° les dispositions relatives à la bonne administration.
§ 4. Si le projet temporaire donne lieu à la promulgation d'une réglementation dérogatoire, ces règles garantissent en tout cas :
1° le droit de l'élève à un encadrement assuré par un centre d'encadrement des élèves;
2° la possibilité pour l'élève de passer, au début ou au cours de l'année scolaire, à un établissement d'enseignement ou à une formation en dehors du projet temporaire;
3° le sanctionnement final des études, avec les effets civiques y liés;
4° le rapport en vigueur entre le nombre de cours sur une base annuelle d'une part et le régime des vacances et des congés d'autre part;
5° que c'est également le cas pour les formes de l'enseignement où recours peut être introduit contre des décisions contestées;
6° que le financement ou le subventionnement de base des écoles et centres en question n'est jamais inférieur à celui accordé dans des circonstances identiques en dehors du projet temporaire;
7° la carrière pécuniaire des membres du personnel chargés de la réalisation de projets temporaires.
§ 5. Les arrêtés qui dérogent ou permettent des dérogations à des dispositions légales et décrétales sont soumis au sanctionnement du Parlement flamand dans le mois de leur approbation. Le sanctionnement par décret a lieu dans les six mois de l'approbation de l'arrêté et avant son l'entrée en vigueur. [2 Un arrêté du Gouvernement flamand portant extension d'un projet temporaire existant n'est pas soumis à la sanction du Parlement flamand lorsqu'il, pour ce qui est des dérogations aux dispositions légales et décrétales autorisées pour ledit projet par un arrêté du Gouvernement flamand sanctionné au préalable par le Parlement flamand, n'élargit que le champ d'application de ces dérogations sans introduire de nouvelles dérogations.]2
Les arrêtés qui portent sur l'année scolaire 2005-2006 sont considérés comme étant sanctionnés pour cette année scolaire.
§ 2. Les dérogations ne sont possibles :
1° que si les objectifs du projet temporaire visent la préparation d'une modification éventuelle de la législation de l'enseignement, en vue :
a) du renouveau de l'enseignement, et/ou
b) du développement de mesures spécifiques pour certains groupes cibles, et/ou
c) d'une meilleure organisation de l'enseignement; et
2° que si elles sont nécessaires pour réaliser les objectifs des projets temporaires.
Le Gouvernement flamand définit pour chaque projet temporaire les dispositions légales et décrétales auxquelles il est dérogé. Il justifie la nécessité de déroger auxdites dispositions et fait apparaître de la définition du projet temporaire, que les dispositions auxquelles il est dérogé se rattachent aux objectifs du projet temporaire.
[1 Le Gouvernement flamand peut prévoir, si nécessaire, un soutien et un encadrement appropriés au niveau pédagogique, scientifique ou autre.]1
§ 3. Les dérogations ne peuvent toutefois porter sur :
1° les dispositions relatives au droit à l'inscription dans l'enseignement fondamental et secondaire;
2° les objectifs finaux et les objectifs de développement;
3° les dispositions relatives à l'horaire minimum des cours ou à la grille horaire minimum dans l'enseignement secondaire, dans l'éducation des adultes et dans les formations à temps partiel dans le cadre de l'obligation scolaire à temps partiel;
4° les dispositions relatives au nombre minimum de périodes hebdomadaires pour les élèves de l'enseignement fondamental et secondaire et les apprenants de l'éducation des adultes;
5° les dispositions relatives à la participation;
6° les dispositions relatives à l'agrément d'écoles et de centres, à l'exception des dispositions en ce qui concerne la structure de l'enseignement et le programme d'études;
7° les dispositions relatives au droit d'inscription dans l'éducation des adultes;
8° les dispositions relatives à la bonne administration.
§ 4. Si le projet temporaire donne lieu à la promulgation d'une réglementation dérogatoire, ces règles garantissent en tout cas :
1° le droit de l'élève à un encadrement assuré par un centre d'encadrement des élèves;
2° la possibilité pour l'élève de passer, au début ou au cours de l'année scolaire, à un établissement d'enseignement ou à une formation en dehors du projet temporaire;
3° le sanctionnement final des études, avec les effets civiques y liés;
4° le rapport en vigueur entre le nombre de cours sur une base annuelle d'une part et le régime des vacances et des congés d'autre part;
5° que c'est également le cas pour les formes de l'enseignement où recours peut être introduit contre des décisions contestées;
6° que le financement ou le subventionnement de base des écoles et centres en question n'est jamais inférieur à celui accordé dans des circonstances identiques en dehors du projet temporaire;
7° la carrière pécuniaire des membres du personnel chargés de la réalisation de projets temporaires.
§ 5. Les arrêtés qui dérogent ou permettent des dérogations à des dispositions légales et décrétales sont soumis au sanctionnement du Parlement flamand dans le mois de leur approbation. Le sanctionnement par décret a lieu dans les six mois de l'approbation de l'arrêté et avant son l'entrée en vigueur. [2 Un arrêté du Gouvernement flamand portant extension d'un projet temporaire existant n'est pas soumis à la sanction du Parlement flamand lorsqu'il, pour ce qui est des dérogations aux dispositions légales et décrétales autorisées pour ledit projet par un arrêté du Gouvernement flamand sanctionné au préalable par le Parlement flamand, n'élargit que le champ d'application de ces dérogations sans introduire de nouvelles dérogations.]2
Les arrêtés qui portent sur l'année scolaire 2005-2006 sont considérés comme étant sanctionnés pour cette année scolaire.
Art.4/1.[1 Onverminderd de bepalingen van de paragrafen 2 tot en met 5 van artikel 4 kan de Vlaamse Regering bij een vastgesteld tekort op de arbeidsmarkt bepalen dat een schoolbestuur in het secundair onderwijs in het kader van een tijdelijk project, als bedoeld in dit decreet, een deel van haar omkadering voor het onderwijzend personeel telkens voor maximum één schooljaar kan aanwenden om via een overeenkomst van dienstverlening tussen een schoolbestuur en een organisatie of onderneming uit de publieke of private sector om een of meer werknemers van die organisatie of onderneming in dienst te nemen via een dienstverleningsovereenkomst. Het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs en hun uitvoeringsbesluiten zijn niet van toepassing op deze personeelsleden.
Bij deze vorm van aanwending van de omkadering voor het onderwijzend personeel kan de school die het personeelslid in dienst neemt, naargelang het geval lesuren of uren-leraar omzetten in een krediet. Dit krediet wordt aangewend als financiële tegemoetkoming voor de onderneming of de organisatie die een of meer werknemers ter beschikking stelt van de school. Een lesuur of uur-leraar vertegenwoordigt 59,66 euro. De Vlaamse Regering kan het voormelde bedrag aanpassen.
De Vlaamse Regering bepaalt bij het opzetten van een tijdelijk project, als vermeld in dit artikel, het maximale aandeel van de omkadering dat een school kan aanwenden om lesuren of uren-leraar om te zetten in een krediet, de wijze van toekenning van het krediet en de wijze van melding ervan aan de bevoegde dienst van de administratie.
De Vlaamse Regering stelt voor tijdelijke projecten, bedoeld in dit artikel, een model van raamovereenkomst dienstverlening op, waarbij ze steeds rekening houdt met voorwaarden van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers. In deze raamovereenkomst dienstverlening worden minstens de volgende elementen opgenomen:
- de specifieke opdracht van de werknemer in de school;
- de aanstellingsen arbeidsvoorwaarden die gelden voor de werknemer, waarbij alvast het salaris en de financiële voordelen die de werknemer in zijn onderneming of organisatie geniet gegarandeerd blijven;
- de opleiding die de werknemer moet volgen;
- de plichten die de werknemer moet naleven bij het uitoefenen van zijn opdracht. Daarbij wordt alvast uitdrukkelijk bepaald dat de werknemer daarbij steeds onder het gezag blijft van zijn organisatie of onderneming, tenzij het gaat om plichten die betrekking hebben op het welzijn op het werk of over specifieke instructies die nodig zijn voor de goede uitvoering van de specifieke opdracht;
- de duur van de overeenkomst;
- de mogelijkheden tot voortijdige beëindiging van de overeenkomst.]1
[2 Werknemers moeten voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden die de Vlaamse Regering opneemt in het model van raamovereenkomst dienstverlening, vermeld in het vierde lid. Werknemers die ter beschikking worden gesteld van een school die gelegen is in het Nederlands taalgebied met uitzondering van de faciliteitengemeenten, tonen daarenboven aan dat ze de kennis van het Nederlands als onderwijstaal beheersen op het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. De werknemers bewijzen die vereiste taalkennis op een van de volgende wijzen:
1° met een bekwaamheidsbewijs dat de Vlaamse Regering vastlegt voor het ambt van leraar secundair onderwijs en dat behaald is in de onderwijstaal;
2° met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
3° met een studiebewijs dat gelijkwaardig is met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs en dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
4° met een getuigschrift, een certificaat of een attest dat het vereiste niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen aantoont.
In het vijfde lid wordt verstaan onder Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen: de Nederlandstalige vertaling van het door de Raad van Europa gepubliceerde Common European Framework of Reference for Languages.]2
Bij deze vorm van aanwending van de omkadering voor het onderwijzend personeel kan de school die het personeelslid in dienst neemt, naargelang het geval lesuren of uren-leraar omzetten in een krediet. Dit krediet wordt aangewend als financiële tegemoetkoming voor de onderneming of de organisatie die een of meer werknemers ter beschikking stelt van de school. Een lesuur of uur-leraar vertegenwoordigt 59,66 euro. De Vlaamse Regering kan het voormelde bedrag aanpassen.
De Vlaamse Regering bepaalt bij het opzetten van een tijdelijk project, als vermeld in dit artikel, het maximale aandeel van de omkadering dat een school kan aanwenden om lesuren of uren-leraar om te zetten in een krediet, de wijze van toekenning van het krediet en de wijze van melding ervan aan de bevoegde dienst van de administratie.
De Vlaamse Regering stelt voor tijdelijke projecten, bedoeld in dit artikel, een model van raamovereenkomst dienstverlening op, waarbij ze steeds rekening houdt met voorwaarden van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers. In deze raamovereenkomst dienstverlening worden minstens de volgende elementen opgenomen:
- de specifieke opdracht van de werknemer in de school;
- de aanstellingsen arbeidsvoorwaarden die gelden voor de werknemer, waarbij alvast het salaris en de financiële voordelen die de werknemer in zijn onderneming of organisatie geniet gegarandeerd blijven;
- de opleiding die de werknemer moet volgen;
- de plichten die de werknemer moet naleven bij het uitoefenen van zijn opdracht. Daarbij wordt alvast uitdrukkelijk bepaald dat de werknemer daarbij steeds onder het gezag blijft van zijn organisatie of onderneming, tenzij het gaat om plichten die betrekking hebben op het welzijn op het werk of over specifieke instructies die nodig zijn voor de goede uitvoering van de specifieke opdracht;
- de duur van de overeenkomst;
- de mogelijkheden tot voortijdige beëindiging van de overeenkomst.]1
[2 Werknemers moeten voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden die de Vlaamse Regering opneemt in het model van raamovereenkomst dienstverlening, vermeld in het vierde lid. Werknemers die ter beschikking worden gesteld van een school die gelegen is in het Nederlands taalgebied met uitzondering van de faciliteitengemeenten, tonen daarenboven aan dat ze de kennis van het Nederlands als onderwijstaal beheersen op het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. De werknemers bewijzen die vereiste taalkennis op een van de volgende wijzen:
1° met een bekwaamheidsbewijs dat de Vlaamse Regering vastlegt voor het ambt van leraar secundair onderwijs en dat behaald is in de onderwijstaal;
2° met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
3° met een studiebewijs dat gelijkwaardig is met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs en dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
4° met een getuigschrift, een certificaat of een attest dat het vereiste niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen aantoont.
In het vijfde lid wordt verstaan onder Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen: de Nederlandstalige vertaling van het door de Raad van Europa gepubliceerde Common European Framework of Reference for Languages.]2
Art.4/1.[1 Sans préjudice des dispositions des paragraphes 2 à 5 de l'article 4, en cas de pénurie constatée sur le marché du travail, le Gouvernement flamand peut prévoir que, dans le cadre d'un projet temporaire tel que visé au présent décret, une autorité scolaire de l'enseignement secondaire peut affecter une partie de son encadrement du personnel enseignant, au maximum pour une année scolaire à la fois, par le biais d'un contrat de services entre une autorité scolaire et une organisation ou entreprise du secteur public ou privé, à engager un ou plusieurs travailleurs de cette organisation ou entreprise par le biais d'un contrat de service. Le décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, le décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné et leurs arrêtés d'exécution ne s'appliquent pas à ces membres du personnel.
En cas de cette forme d'affectation de l'encadrement du personnel enseignant, l'école qui engage le membre du personnel peut convertir des heures de cours ou des périodes-professeur, selon le cas, en un crédit. Ce crédit est affecté comme intervention financière pour l'entreprise ou l'organisation qui met un ou plusieurs travailleurs à la disposition de l'école. Une heure de cours ou une période-professeur représente 59,66 euros. Le Gouvernement flamand peut adapter le montant précité.
En mettant sur pied un projet temporaire tel que visé au présent article, le Gouvernement flamand détermine la part maximale de l'encadrement qu'une école peut affecter à la conversion d'heures de cours ou de périodes-professeur en un crédit, le mode d'octroi du crédit et le mode de notification du crédit à l'entité compétente de l'administration.
Pour les projets temporaires, visés au présent article, le Gouvernement flamand établit un modèle d'accord-cadre de service, en tenant toujours compte des conditions de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs. Cet accord-cadre de service comprend au moins les éléments suivants :
- la mission spécifique du travailleur à l'école ;
- les conditions de désignation et de travail applicables au travailleur, en garantissant le salaire et les avantages financiers dont le travailleur bénéficie dans son entreprise ou organisation ;
- la formation que le travailleur doit suivre ;
- les obligations que le travailleur doit respecter lors de l'exercice de sa mission. Il est explicitement stipulé que le travailleur reste toujours sous l'autorité de son organisation ou de son entreprise, sauf s'il s'agit d'obligations relatives au bien-être au travail ou d'instructions spécifiques nécessaires à la bonne exécution de la mission spécifique ;
- la durée de l'accord ;
- les possibilités de cessation anticipée de l'accord.]1
[2 Les travailleurs doivent répondre aux exigences de recrutement que le Gouvernement flamand inclut dans le modèle de convention-cadre de service, tel que visé à l'alinéa quatre. Les travailleurs qui sont mis à la disposition d'une école située dans la région de langue néerlandaise, à l'exception des communes à facilités, démontrent également qu'ils maîtrisent la connaissance du néerlandais comme langue d'enseignement au niveau C1 du Cadre européen commun de référence pour les langues. Les travailleurs prouvent ces compétences linguistiques requises de l'une des manières suivantes :
1° avec un titre établi par le Gouvernement flamand pour la fonction d'enseignant dans l'enseignement secondaire et obtenu dans la langue d'enseignement ;
2° avec un titre d'un enseignement reconnu, financé ou subventionné par la Communauté flamande qui démontre le niveau de connaissances linguistiques requis ;
3° avec un titre équivalent à un titre d'un enseignement reconnu, financé ou subventionné par la Communauté flamande et qui démontre le niveau de connaissances linguistiques requis ;
4° avec un certificat ou une attestation démontrant le niveau requis C1 du Cadre européen commun de référence pour les langues.
Dans le cinquième alinéa, il faut entendre par Cadre européen commun de référence pour les langues : la traduction française du " Common European Framework of Reference for Languages " publié par le Conseil de l'Europe.]2
En cas de cette forme d'affectation de l'encadrement du personnel enseignant, l'école qui engage le membre du personnel peut convertir des heures de cours ou des périodes-professeur, selon le cas, en un crédit. Ce crédit est affecté comme intervention financière pour l'entreprise ou l'organisation qui met un ou plusieurs travailleurs à la disposition de l'école. Une heure de cours ou une période-professeur représente 59,66 euros. Le Gouvernement flamand peut adapter le montant précité.
En mettant sur pied un projet temporaire tel que visé au présent article, le Gouvernement flamand détermine la part maximale de l'encadrement qu'une école peut affecter à la conversion d'heures de cours ou de périodes-professeur en un crédit, le mode d'octroi du crédit et le mode de notification du crédit à l'entité compétente de l'administration.
Pour les projets temporaires, visés au présent article, le Gouvernement flamand établit un modèle d'accord-cadre de service, en tenant toujours compte des conditions de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs. Cet accord-cadre de service comprend au moins les éléments suivants :
- la mission spécifique du travailleur à l'école ;
- les conditions de désignation et de travail applicables au travailleur, en garantissant le salaire et les avantages financiers dont le travailleur bénéficie dans son entreprise ou organisation ;
- la formation que le travailleur doit suivre ;
- les obligations que le travailleur doit respecter lors de l'exercice de sa mission. Il est explicitement stipulé que le travailleur reste toujours sous l'autorité de son organisation ou de son entreprise, sauf s'il s'agit d'obligations relatives au bien-être au travail ou d'instructions spécifiques nécessaires à la bonne exécution de la mission spécifique ;
- la durée de l'accord ;
- les possibilités de cessation anticipée de l'accord.]1
[2 Les travailleurs doivent répondre aux exigences de recrutement que le Gouvernement flamand inclut dans le modèle de convention-cadre de service, tel que visé à l'alinéa quatre. Les travailleurs qui sont mis à la disposition d'une école située dans la région de langue néerlandaise, à l'exception des communes à facilités, démontrent également qu'ils maîtrisent la connaissance du néerlandais comme langue d'enseignement au niveau C1 du Cadre européen commun de référence pour les langues. Les travailleurs prouvent ces compétences linguistiques requises de l'une des manières suivantes :
1° avec un titre établi par le Gouvernement flamand pour la fonction d'enseignant dans l'enseignement secondaire et obtenu dans la langue d'enseignement ;
2° avec un titre d'un enseignement reconnu, financé ou subventionné par la Communauté flamande qui démontre le niveau de connaissances linguistiques requis ;
3° avec un titre équivalent à un titre d'un enseignement reconnu, financé ou subventionné par la Communauté flamande et qui démontre le niveau de connaissances linguistiques requis ;
4° avec un certificat ou une attestation démontrant le niveau requis C1 du Cadre européen commun de référence pour les langues.
Dans le cinquième alinéa, il faut entendre par Cadre européen commun de référence pour les langues : la traduction française du " Common European Framework of Reference for Languages " publié par le Conseil de l'Europe.]2
Art. 5. § 1. Afhankelijk van de beschikbare begrotingskredieten kan aan scholen en centra die deelnemen aan de tijdelijke projecten extra ondersteuning worden toegekend.
De extra ondersteuning wordt toegekend binnen een schooljaar en moet aangewend worden zoals door de Vlaamse Regering bepaald is.
§ 2. Voorzover de extra ondersteuning, vermeld in § 1, extra betrekkingen behelst, wordt het personeelslid dat in dergelijke betrekking wordt aangesteld, steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid. De bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, naargelang van het geval, blijven verder van toepassing, met uitzondering van de volgende bepalingen :
1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het schoolbestuur of de inrichtende macht van de school of het centrum waar de betrekking wordt opgericht, kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Deze aanstelling gebeurt steeds met instemming van het ter beschikking gestelde personeelslid en is, naargelang van het geval, een reaffectatie, een wedertewerkstelling of een tewerkstelling. Indien deze aanstelling een tewerkstelling is, dan wordt ze beschouwd als een wedertewerkstelling;
2° het schoolbestuur of de inrichtende macht van de school of het centrum waaraan de betrekking wordt toegewezen, is niet verplicht om in de betrekking een personeelslid aan te stellen dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, overeenkomstig artikelen 21 en 21bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikelen 23 en 23bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, naargelang van het geval;
3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur of de inrichtende macht kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in de betrekking.
De Vlaamse Regering kan van de bepalingen onder 1° en 2° hierboven afwijken.
[1 § 3. De bepalingen van dit artikel worden buiten werking gesteld vanaf het schooljaar 2010-2011, behoudens voor :
1° de tijdelijke projecten in het basis- en secundair onderwijs die zijn opgenomen in het decreet van 10 juli 2008 houdende verlenging van sommige van de tijdelijke projecten die zijn vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het basis- en secundair onderwijs;
2° de tijdelijke projecten in het deeltijds kunstonderwijs die al tijdens het schooljaar 2009-2010 lopende zijn.]1
De extra ondersteuning wordt toegekend binnen een schooljaar en moet aangewend worden zoals door de Vlaamse Regering bepaald is.
§ 2. Voorzover de extra ondersteuning, vermeld in § 1, extra betrekkingen behelst, wordt het personeelslid dat in dergelijke betrekking wordt aangesteld, steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid. De bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, naargelang van het geval, blijven verder van toepassing, met uitzondering van de volgende bepalingen :
1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het schoolbestuur of de inrichtende macht van de school of het centrum waar de betrekking wordt opgericht, kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Deze aanstelling gebeurt steeds met instemming van het ter beschikking gestelde personeelslid en is, naargelang van het geval, een reaffectatie, een wedertewerkstelling of een tewerkstelling. Indien deze aanstelling een tewerkstelling is, dan wordt ze beschouwd als een wedertewerkstelling;
2° het schoolbestuur of de inrichtende macht van de school of het centrum waaraan de betrekking wordt toegewezen, is niet verplicht om in de betrekking een personeelslid aan te stellen dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, overeenkomstig artikelen 21 en 21bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikelen 23 en 23bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, naargelang van het geval;
3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur of de inrichtende macht kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in de betrekking.
De Vlaamse Regering kan van de bepalingen onder 1° en 2° hierboven afwijken.
[1 § 3. De bepalingen van dit artikel worden buiten werking gesteld vanaf het schooljaar 2010-2011, behoudens voor :
1° de tijdelijke projecten in het basis- en secundair onderwijs die zijn opgenomen in het decreet van 10 juli 2008 houdende verlenging van sommige van de tijdelijke projecten die zijn vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het basis- en secundair onderwijs;
2° de tijdelijke projecten in het deeltijds kunstonderwijs die al tijdens het schooljaar 2009-2010 lopende zijn.]1
Art. 5. § 1er. En fonction des crédits budgétaires disponibles, il peut être accordé un appui supplémentaire aux écoles et centres qui participent aux projets temporaires.
L'appui supplémentaire est accordé dans une année scolaire et doit être affecté tel qu'il est fixé par le Gouvernement flamand.
§ 2. Dans la mesure où l'appui supplémentaire mentionné au § 1er implique des emplois supplémentaires, le membre du personnel engagé à un tel emploi, est toujours occupé comme membre du personnel temporaire. Les dispositions du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ou du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné continuent à être applicables, à l'exception des dispositions suivantes :
1° l'emploi n'est pas régi par la réglementation relative à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation et à la remise au travail. L'autorité scolaire ou le pouvoir organisateur de l'école ou du centre où l'emploi est créé peut toutefois désigner, sur une base volontaire, un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi. Cette désignation se fait toujours moyennant le consentement du membre du personnel mis en disponibilité et constitue, suivant le cas, une réaffectation, une remise au travail ou une mise au travail. Si cette désignation est une mise au travail, elle est considérée comme une remise au travail;
2° l'autorité scolaire ou le pouvoir organisateur de l'école ou du centre à laquelle/auquel l'emploi est attribué n'est pas obligé de désigner à cet emploi un membre du personnel ayant acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, conformément aux articles 21 et 21bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire et aux articles 23 et 23bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, suivant le cas;
3° l'emploi ne peut être déclaré vacant. Aucun membre du personnel ne peut être nommé à titre définitif, affecté ou muté dans cet emploi par l'autorité scolaire ou le pouvoir organisateur.
Le Gouvernement flamand peut déroger aux dispositions visées aux points 1° et 2° ci-dessus.
[1 § 3. Les dispositions du présent article cessent d'être en vigueur à partir de l'année scolaire 2010-2011, sauf pour :
1° les projets temporaires dans l'enseignement fondamental et secondaire qui sont repris dans le décret du 10 juillet 2008 portant prolongation de certains des projets temporaires mentionnés dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juin 2006 relatif à l'organisation de projets temporaires dans l'enseignement fondamental et secondaire;
2° les projets temporaires dans l'enseignement artistique à temps partiel qui sont déjà en cours pendant l'année scolaire 2009-2010.]1
L'appui supplémentaire est accordé dans une année scolaire et doit être affecté tel qu'il est fixé par le Gouvernement flamand.
§ 2. Dans la mesure où l'appui supplémentaire mentionné au § 1er implique des emplois supplémentaires, le membre du personnel engagé à un tel emploi, est toujours occupé comme membre du personnel temporaire. Les dispositions du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ou du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné continuent à être applicables, à l'exception des dispositions suivantes :
1° l'emploi n'est pas régi par la réglementation relative à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation et à la remise au travail. L'autorité scolaire ou le pouvoir organisateur de l'école ou du centre où l'emploi est créé peut toutefois désigner, sur une base volontaire, un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi. Cette désignation se fait toujours moyennant le consentement du membre du personnel mis en disponibilité et constitue, suivant le cas, une réaffectation, une remise au travail ou une mise au travail. Si cette désignation est une mise au travail, elle est considérée comme une remise au travail;
2° l'autorité scolaire ou le pouvoir organisateur de l'école ou du centre à laquelle/auquel l'emploi est attribué n'est pas obligé de désigner à cet emploi un membre du personnel ayant acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, conformément aux articles 21 et 21bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire et aux articles 23 et 23bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, suivant le cas;
3° l'emploi ne peut être déclaré vacant. Aucun membre du personnel ne peut être nommé à titre définitif, affecté ou muté dans cet emploi par l'autorité scolaire ou le pouvoir organisateur.
Le Gouvernement flamand peut déroger aux dispositions visées aux points 1° et 2° ci-dessus.
[1 § 3. Les dispositions du présent article cessent d'être en vigueur à partir de l'année scolaire 2010-2011, sauf pour :
1° les projets temporaires dans l'enseignement fondamental et secondaire qui sont repris dans le décret du 10 juillet 2008 portant prolongation de certains des projets temporaires mentionnés dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juin 2006 relatif à l'organisation de projets temporaires dans l'enseignement fondamental et secondaire;
2° les projets temporaires dans l'enseignement artistique à temps partiel qui sont déjà en cours pendant l'année scolaire 2009-2010.]1
Wijzigingen
Art. 6. [1 § 1.]1 [1 Op tijdelijke projecten die in werking treden uiterlijk 31 maart 2007 zijn de hiernavolgende evaluatiebepalingen van toepassing.]1
Tijdens hun looptijd worden de tijdelijke projecten geëvalueerd. De Vlaamse Regering bepaalt de opzet van die evaluatie op basis van de specificiteit van het tijdelijke project. Als een project verband houdt met het leerproces, voert de onderwijsinspectie de evaluatie uit. Voor elk ander tijdelijk project wijst de Vlaamse Regering de instantie aan die met de evaluatie wordt belast.
De Vlaamse Onderwijsraad, de representatieve verenigingen van de schoolbesturen of inrichtende machten, de pedagogische begeleidingsdiensten en de representatieve vakorganisaties worden betrokken bij de diverse stadia van het evaluatieproces en bij de besluitvorming op basis van de evaluatieresultaten. De Vlaamse Regering bepaalt, in functie van het tijdelijke project, welke van desbetreffende geledingen betrokken worden evenals de wijze waarop dit gebeurt.
De resultaten van de evaluatie worden geformuleerd in een advies aan de Vlaamse Regering dat voorgelegd wordt aan het Vlaams Parlement. De Vlaamse Regering beslist, op basis van het advies, over de voortgang of beëindiging van de tijdelijke projecten en eventueel, in het geval van beëindiging gevolgd door een organieke implementatie, over invoering van aanvullende structurele financiering of subsidiering.
[1 § 2. Op tijdelijke projecten die in werking treden na 31 maart 2007 zijn de hiernavolgende evaluatiebepalingen van toepassing.
In de loop van het laatste werkingsjaar van het tijdelijke project of, in het geval het tijdelijke project langer dan drie jaren duurt, in het derde werkingsjaar, evalueert een expertenpanel het tijdelijke project, in het bijzonder op het vlak van haalbaarheid en wenselijkheid van een organieke implementatie.
Het expertenpanel, dat wordt aangeduid door de Vlaamse Regering, is samengesteld uit afgevaardigden van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming, afgevaardigden van de onderwijsinspectie en externen. Als externe experten worden alleszins afgevaardigden van het Gemeenschapsonderwijs en van de representatieve verenigingen van de schoolbesturen of inrichtende machten en afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties opgenomen. De Vlaamse Regering kan nadere evaluatieregels vastleggen.
De resultaten van de evaluatie worden geformuleerd in een advies aan de Vlaamse Regering dat voorgelegd wordt aan het Vlaams Parlement. De Vlaamse Regering beslist, op basis van het advies, over de voortgang of beëindiging van de tijdelijke projecten en eventueel, in het geval van beëindiging gevolgd door een organieke implementatie, over invoering van aanvullende structurele financiering of subsidiëring.]1
Tijdens hun looptijd worden de tijdelijke projecten geëvalueerd. De Vlaamse Regering bepaalt de opzet van die evaluatie op basis van de specificiteit van het tijdelijke project. Als een project verband houdt met het leerproces, voert de onderwijsinspectie de evaluatie uit. Voor elk ander tijdelijk project wijst de Vlaamse Regering de instantie aan die met de evaluatie wordt belast.
De Vlaamse Onderwijsraad, de representatieve verenigingen van de schoolbesturen of inrichtende machten, de pedagogische begeleidingsdiensten en de representatieve vakorganisaties worden betrokken bij de diverse stadia van het evaluatieproces en bij de besluitvorming op basis van de evaluatieresultaten. De Vlaamse Regering bepaalt, in functie van het tijdelijke project, welke van desbetreffende geledingen betrokken worden evenals de wijze waarop dit gebeurt.
De resultaten van de evaluatie worden geformuleerd in een advies aan de Vlaamse Regering dat voorgelegd wordt aan het Vlaams Parlement. De Vlaamse Regering beslist, op basis van het advies, over de voortgang of beëindiging van de tijdelijke projecten en eventueel, in het geval van beëindiging gevolgd door een organieke implementatie, over invoering van aanvullende structurele financiering of subsidiering.
[1 § 2. Op tijdelijke projecten die in werking treden na 31 maart 2007 zijn de hiernavolgende evaluatiebepalingen van toepassing.
In de loop van het laatste werkingsjaar van het tijdelijke project of, in het geval het tijdelijke project langer dan drie jaren duurt, in het derde werkingsjaar, evalueert een expertenpanel het tijdelijke project, in het bijzonder op het vlak van haalbaarheid en wenselijkheid van een organieke implementatie.
Het expertenpanel, dat wordt aangeduid door de Vlaamse Regering, is samengesteld uit afgevaardigden van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming, afgevaardigden van de onderwijsinspectie en externen. Als externe experten worden alleszins afgevaardigden van het Gemeenschapsonderwijs en van de representatieve verenigingen van de schoolbesturen of inrichtende machten en afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties opgenomen. De Vlaamse Regering kan nadere evaluatieregels vastleggen.
De resultaten van de evaluatie worden geformuleerd in een advies aan de Vlaamse Regering dat voorgelegd wordt aan het Vlaams Parlement. De Vlaamse Regering beslist, op basis van het advies, over de voortgang of beëindiging van de tijdelijke projecten en eventueel, in het geval van beëindiging gevolgd door een organieke implementatie, over invoering van aanvullende structurele financiering of subsidiëring.]1
Art. 6. [1 § 1er.]1 [1 Aux projets temporaires qui entrent en vigueur au plus tard le 31 mars 2007, s'appliquent les dispositions d'évaluation suivantes.]1
Les projets temporaires sont évalués pendant toute leur durée. Le Gouvernement flamand définit le but de cette évaluation, sur base de la spécificité du projet temporaire. Lorsqu'un projet porte sur le processus d'apprentissage, c'est l'inspection de l'enseignement qui se charge de l'évaluation. Pour tout autre projet temporaire, le Gouvernement flamand désigne l'instance qui sera chargée de l'évaluation.
Le "Vlaamse Onderwijsraad", les associations représentatives des autorités scolaires ou des pouvoirs organisateurs, les services d'encadrement pédagogique et les associations syndicales représentatives sont associés aux différentes phases du processus d'évaluation et à la prise de décision sur base des résultats d'évaluation. Le Gouvernement flamand définit, en fonction du projet temporaire, lesquels des groupements concernés sont associés, ainsi que la façon dont cela se fait.
Les résultats de l'évaluation sont formulés dans un avis adressé au Gouvernement flamand et soumis au Parlement flamand. Le Gouvernement flamand statue, au vu de l'avis, sur la poursuite ou la cessation des projets temporaires et éventuellement, en cas de cessation suivie d'une mise en oeuvre organique, sur l'introduction d'un financement ou subventionnement structurel complémentaire.
[1 § 2. Aux projets temporaires qui entrent en vigueur après le 31 mars 2007, s'appliquent les dispositions d'évaluation suivantes.
Au cours de la dernière année d'activité du projet temporaire ou, si le projet temporaire dure plus de trois ans, au cours de la troisième année d'activité, un panel d'experts évalue le projet temporaire, notamment au niveau de la faisabilité et de l'opportunité d'une mise en oeuvre organique.
Le panel d'experts, désigné par le Gouvernement flamand, se compose de délégués du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation, de délégués de l'inspection de l'enseignement et de personnes externes. Sont en tout cas repris comme experts externes, des délégués de l'enseignement communautaire et des associations représentatives des autorités scolaires ou des pouvoirs publics, ainsi que des délégués des organisations syndicales représentatives. Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités d'évaluation.
Les résultats de l'évaluation sont formulés dans un avis adressé au Gouvernement flamand et soumis au Parlement flamand. Le Gouvernement flamand statue, au vu de l'avis, sur la poursuite ou la cessation des projets temporaires et éventuellement, en cas de cessation suivie d'une mise en oeuvre organique, sur l'introduction d'un financement ou subventionnement structurel complémentaire.]1
Les projets temporaires sont évalués pendant toute leur durée. Le Gouvernement flamand définit le but de cette évaluation, sur base de la spécificité du projet temporaire. Lorsqu'un projet porte sur le processus d'apprentissage, c'est l'inspection de l'enseignement qui se charge de l'évaluation. Pour tout autre projet temporaire, le Gouvernement flamand désigne l'instance qui sera chargée de l'évaluation.
Le "Vlaamse Onderwijsraad", les associations représentatives des autorités scolaires ou des pouvoirs organisateurs, les services d'encadrement pédagogique et les associations syndicales représentatives sont associés aux différentes phases du processus d'évaluation et à la prise de décision sur base des résultats d'évaluation. Le Gouvernement flamand définit, en fonction du projet temporaire, lesquels des groupements concernés sont associés, ainsi que la façon dont cela se fait.
Les résultats de l'évaluation sont formulés dans un avis adressé au Gouvernement flamand et soumis au Parlement flamand. Le Gouvernement flamand statue, au vu de l'avis, sur la poursuite ou la cessation des projets temporaires et éventuellement, en cas de cessation suivie d'une mise en oeuvre organique, sur l'introduction d'un financement ou subventionnement structurel complémentaire.
[1 § 2. Aux projets temporaires qui entrent en vigueur après le 31 mars 2007, s'appliquent les dispositions d'évaluation suivantes.
Au cours de la dernière année d'activité du projet temporaire ou, si le projet temporaire dure plus de trois ans, au cours de la troisième année d'activité, un panel d'experts évalue le projet temporaire, notamment au niveau de la faisabilité et de l'opportunité d'une mise en oeuvre organique.
Le panel d'experts, désigné par le Gouvernement flamand, se compose de délégués du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation, de délégués de l'inspection de l'enseignement et de personnes externes. Sont en tout cas repris comme experts externes, des délégués de l'enseignement communautaire et des associations représentatives des autorités scolaires ou des pouvoirs publics, ainsi que des délégués des organisations syndicales représentatives. Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités d'évaluation.
Les résultats de l'évaluation sont formulés dans un avis adressé au Gouvernement flamand et soumis au Parlement flamand. Le Gouvernement flamand statue, au vu de l'avis, sur la poursuite ou la cessation des projets temporaires et éventuellement, en cas de cessation suivie d'une mise en oeuvre organique, sur l'introduction d'un financement ou subventionnement structurel complémentaire.]1
Art. 7. In artikel 46, § 1, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, gewijzigd bij het decreet van 14 juli 1998, worden liet tweede en derde lid opgeheven.
Art. 7. A l'article 46, § 1er, du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II, modifié par le décret du 14 juillet 1998, les deuxième et troisième alinéas sont abrogés.
Art. 8. Artikelen 168 tot en met 171 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 worden opgeheven.
Art. 8. Les articles 168 à 171 inclus du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental sont abrogés.
Art. 9. Artikel 8 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs wordt opgeheven.
Art. 9. L'article 8 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental est abrogé.
Art. 10. Artikelen 82 tot en met 84 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding worden opgeheven.
Art. 10. Les articles 82 à 84 du décret du 1er décembre 1998 relatifs aux centres d'encadrement des élèves sont abrogés.
Art. 11. Artikel 84bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 februari 2003, wordt opgeheven.
Art. 11. L'article 84bis du même décret, inséré par le décret du 14 février 2003, est abrogé.
Art. 12. In artikel 5, § 2, van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs wordt de eerste zin geschrapt.
Art. 12. Dans l'article 5, § 2, du décret du 2 mars 1999 réglant certaines matières relatives à l'éducation des adultes, la première phrase est supprimée.
Art. 13. In artikel 24, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 14 februari 2003, wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 13. Dans l'article 24, § 1er, du même décret, modifié par le décret du 14 février 2003, le deuxième alinéa est abrogé.
Art. 14. Artikelen 25 en 26 van hetzelfde decreet worden opgeheven.
Art. 14. Les articles 25 et 26 du même décret sont abrogés.
Art. 15. Artikel 48bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2001, wordt opgeheven.
Art. 15. L'article 48bis du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2001, est abrogé.
Art. 16. Artikelen 78 tot en met 82 van het decreet van 20 oktober 2000 betreffende het onderwijs XII-Ensor worden opgeheven.
Art. 16. Les articles 78 à 82 inclus du décret du 20 octobre 2000 relatif à l'enseignement XII-Ensor sont abrogés.
Art. 17. Artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting " beeldende kunst ", en artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting " muziek ", " woordkunst " en " dans ", worden opgeheven.
Art. 17. L'article 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement artistique à temps partiel, orientation "arts plastiques" et l'article 13 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement artistique à temps partiel, orientations "musique", "arts de la parole" et "danse" sont abrogés.
Art. 18. Bekrachtigd worden met ingang van de dag van hun respectieve inwerkingtreding :
1° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 1998 betreffende het tijdelijk project onderwijsvoorrang in het basisonderwijs, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002;
2° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 betreffende de toekenning van extra lestijden voor scholen van het basisonderwijs in de rand- en taalgrensgemeenten, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 mei 2001;
3° het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 september 2003 en 27 augustus 2004;
4° het besluit van de Vlaamse Regering van 10 januari 2003 houdende een tijdelijk pilootproject " optimalisatie van de overgang van het secundair naar het hoger onderwijs " in het secundair onderwijs;
5° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 betreffende het tijdelijk project zorgondersteuning in de centra voor leerlingenbegeleiding;
6° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 betreffende het tijdelijk project ter ondersteuning van het unieke studiegebied maritieme opleidingen voor de varende bemanning van de opleidingsschepen van de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde instelling Koninklijk Technisch Atheneum van het Gemeenschapsonderwijs Zwijndrecht;
7° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004 betreffende het experimenteel Brussels curriculum in het voltijds secundair onderwijs;
8° artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juli 2004 betreffende de programmatie in het onderwijs voor sociale promotie voor het schooljaar 2004-2005 en houdende wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 december 2000 betreffende de structuur van het secundair onderwijs voor sociale promotie;
9° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 september 2004 betreffende onderwijsprojecten " Accent op talent ", gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005;
10° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 september 2004 betreffende de toekenning van een subsidie aan tijdelijke projecten voor leerlingen met autismespectrumstoornissen;
11° het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 2005 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende inrichting van het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
12° het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 2005 betreffende een tijdelijk project tot ondersteuning van sommige leerlingen in de optie verzorging van de derde graad BSO van het gewoon voltijds secundair onderwijs.
1° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 1998 betreffende het tijdelijk project onderwijsvoorrang in het basisonderwijs, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002;
2° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 betreffende de toekenning van extra lestijden voor scholen van het basisonderwijs in de rand- en taalgrensgemeenten, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 mei 2001;
3° het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 september 2003 en 27 augustus 2004;
4° het besluit van de Vlaamse Regering van 10 januari 2003 houdende een tijdelijk pilootproject " optimalisatie van de overgang van het secundair naar het hoger onderwijs " in het secundair onderwijs;
5° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 betreffende het tijdelijk project zorgondersteuning in de centra voor leerlingenbegeleiding;
6° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 betreffende het tijdelijk project ter ondersteuning van het unieke studiegebied maritieme opleidingen voor de varende bemanning van de opleidingsschepen van de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde instelling Koninklijk Technisch Atheneum van het Gemeenschapsonderwijs Zwijndrecht;
7° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004 betreffende het experimenteel Brussels curriculum in het voltijds secundair onderwijs;
8° artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juli 2004 betreffende de programmatie in het onderwijs voor sociale promotie voor het schooljaar 2004-2005 en houdende wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 december 2000 betreffende de structuur van het secundair onderwijs voor sociale promotie;
9° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 september 2004 betreffende onderwijsprojecten " Accent op talent ", gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005;
10° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 september 2004 betreffende de toekenning van een subsidie aan tijdelijke projecten voor leerlingen met autismespectrumstoornissen;
11° het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 2005 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende inrichting van het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
12° het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 2005 betreffende een tijdelijk project tot ondersteuning van sommige leerlingen in de optie verzorging van de derde graad BSO van het gewoon voltijds secundair onderwijs.
Art. 18. Sont sanctionnés à partir de la date de leur entrée en vigueur respective :
1° l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 1998 concernant le projet temporaire "enseignement prioritaire" dans l'enseignement fondamental, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002;
2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 relatif à l'octroi de périodes additionnelles aux écoles de l'enseignement fondamental dans les communes du Vlaamse Rand et de la frontière linguistique, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 mai 2001;
3° l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2002 relatif à l'enseignement secondaire expérimental suivant un régime modulaire, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 12 septembre 2003 et 27 août 2004;
4° arrêté du Gouvernement flamand du 10 janvier 2003 portant un projet pilote temporaire " optimalisation du passage de l'enseignement secondaire à l'enseignement supérieur " dans l'enseignement secondaire;
5° l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 mars 2004 relatif au projet temporaire " appui de la gestion de l'encadrement renforcé " dans les centres d'encadrement des élèves;
6° l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 mai 2004 relatif au projet temporaire à l'appui de la discipline unique "maritieme opleidingen" (formations maritimes) pour l'équipage navigant des navires de formation du "Koninklijk Technisch Atheneum van het Gemeenschapsonderwijs Zwijndrecht", établissement d'enseignement financé par la Communauté flamande;
7° l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2004 relatif au programme d'études expérimental dans l'enseignement secondaire à temps plein à Bruxelles;
8° l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 juillet 2004 relatif à la programmation dans l'enseignement de promotion sociale pour l'année scolaire 2004-2005 et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er décembre 2000 relatif à la structure de l'enseignement secondaire de promotion sociale;
9° l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 septembre 2004 relatif aux projets d'enseignement "Accent op talent", modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2005;
10° l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 septembre 2004 relatif à l'octroi d'une subvention à des projets temporaires en faveur d'élèves souffrant de troubles de spectre d'autisme;
11° l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 mai 2005 modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel;
12° l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 septembre 2005 relatif à un projet temporaire à l'appui de certains élèves dans l'option 'verzorging' du troisième degré de l'enseignement secondaire professionnel de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein.
1° l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 1998 concernant le projet temporaire "enseignement prioritaire" dans l'enseignement fondamental, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002;
2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 relatif à l'octroi de périodes additionnelles aux écoles de l'enseignement fondamental dans les communes du Vlaamse Rand et de la frontière linguistique, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 mai 2001;
3° l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2002 relatif à l'enseignement secondaire expérimental suivant un régime modulaire, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 12 septembre 2003 et 27 août 2004;
4° arrêté du Gouvernement flamand du 10 janvier 2003 portant un projet pilote temporaire " optimalisation du passage de l'enseignement secondaire à l'enseignement supérieur " dans l'enseignement secondaire;
5° l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 mars 2004 relatif au projet temporaire " appui de la gestion de l'encadrement renforcé " dans les centres d'encadrement des élèves;
6° l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 mai 2004 relatif au projet temporaire à l'appui de la discipline unique "maritieme opleidingen" (formations maritimes) pour l'équipage navigant des navires de formation du "Koninklijk Technisch Atheneum van het Gemeenschapsonderwijs Zwijndrecht", établissement d'enseignement financé par la Communauté flamande;
7° l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2004 relatif au programme d'études expérimental dans l'enseignement secondaire à temps plein à Bruxelles;
8° l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 juillet 2004 relatif à la programmation dans l'enseignement de promotion sociale pour l'année scolaire 2004-2005 et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er décembre 2000 relatif à la structure de l'enseignement secondaire de promotion sociale;
9° l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 septembre 2004 relatif aux projets d'enseignement "Accent op talent", modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2005;
10° l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 septembre 2004 relatif à l'octroi d'une subvention à des projets temporaires en faveur d'élèves souffrant de troubles de spectre d'autisme;
11° l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 mai 2005 modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel;
12° l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 septembre 2005 relatif à un projet temporaire à l'appui de certains élèves dans l'option 'verzorging' du troisième degré de l'enseignement secondaire professionnel de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein.
Art. 19. De experimenten die toegestaan werden door de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, op basis van artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting " beeldende kunst ", en op basis van artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting " muziek ", " woordkunst " en " dans ", worden bekrachtigd.
Art. 19. Les expériences ayant été autorisées par le Ministre flamand compétent pour l'enseignement, sur base de l'article 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement artistique à temps partiel, orientation "arts plastiques" et sur base de l'article 13 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement artistique à temps partiel, orientations "musique", "arts de la parole" et "danse", sont sanctionnées.
Art. 20. Dit decreet heeft uitwerking met ingang van 15 maart 2005, met uitzondering van :
1° artikelen 7, 8, 9, 10, 12, 13, 14, 15, 16 en 17 die in werking treden op 1 september 2005;
2° artikel 11 dat in werking treedt op 1 september 2006;
3° artikelen 18 en 19 die uitwerking hebben met ingang van 1 september 1998.
1° artikelen 7, 8, 9, 10, 12, 13, 14, 15, 16 en 17 die in werking treden op 1 september 2005;
2° artikel 11 dat in werking treedt op 1 september 2006;
3° artikelen 18 en 19 die uitwerking hebben met ingang van 1 september 1998.
Art. 20. Le présent décret produit ses effets le 15 mars 2005, à l'exception :
1° des articles 7, 8, 9, 10, 12, 13, 14, 15, 16 et 17, qui entrent en vigueur le 1er septembre 2005;
2° de l'article 11, qui entre en vigueur le 1er septembre 2006;
3° des articles 18 et 19, qui produisent leurs effets le 1er septembre 1998.
1° des articles 7, 8, 9, 10, 12, 13, 14, 15, 16 et 17, qui entrent en vigueur le 1er septembre 2005;
2° de l'article 11, qui entre en vigueur le 1er septembre 2006;
3° des articles 18 et 19, qui produisent leurs effets le 1er septembre 1998.