Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
23 SEPTEMBER 2005. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage.
Titre
23 SEPTEMBRE 2005. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 avril 1992 relatif à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation, à la remise au travail et à l'attribution d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement d'attente (TRADUCTION).
Documentinformatie
Numac: 2006035051
Datum: 2005-09-23
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2006035051
Date: 2005-09-23
Moniteur: Voir
Tekst (51)
Texte (51)
Artikel 1. In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van de betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 december 1994, 31 augustus 1999 en 5 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 2 wordt punt 5° vervangen door wat volgt :
  " 5° " betrekking niet vatbaar voor reaffectatie of wedertewerkstelling " :
  een betrekking is vanaf 1 september van het schooljaar in kwestie niet meer vatbaar voor reaffectatie of wedertewerkstelling, als het personeelslid dat die betrekking bekleedt een dienstanciënniteit heeft van ten minste 720 dagen in hoofdambt, gespreid over ten minste drie schooljaren.
  Het personeelslid moet deze dienstanciënniteit bereiken op :
  a) 31 augustus van het voorgaande schooljaar voor de leden van het administratief personeel, de administratieve medewerker in het basisonderwijs, de leden van het ondersteunend personeel van het gewoon voltijds secundair onderwijs, het deeltijds secundair zeevisserijonderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs, voor het technisch personeel van de centra, en voor het personeel van de semi-internaten en van de opvangcentra;
  b) 30 juni van het voorgaande schooljaar voor de andere personeelsleden.
  Voor het personeelslid dat aan deze voorwaarden voldoet, blijven de bovenstaande bepalingen geldig over de schooljaren heen. ";
  2° aan § 2 wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " 9° " karakter " : indeling van instellingen en scholen naargelang ze behoren tot het gesubsidieerd officieel onderwijs, het gesubsidieerd vrij onderwijs naargelang van de onderscheiden godsdiensten of levensbeschouwingen, of tot het gesubsidieerd vrij niet-confessioneel onderwijs. ";
  3° in § 5 wordt punt 1° opgeheven;
  4° in § 6 worden telkens de woorden " lichamelijke opvoeding " geschrapt;
  5° in § 7, tweede lid worden de woorden " lager onderwijs " vervangen door het woord " basisonderwijs ";
  6° aan § 7 wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " Voor de toepassing van dit besluit beslist de inrichtende macht in het buitengewoon basisonderwijs bij een daling van het leerlingenaantal in een bepaald niveau, of een betrekking of betrekkingen in het afzonderlijk ambt van kleuteronderwijzer algemene en sociale vorming en onderwijzer algemene en sociale vorming niet meer kan of kunnen worden in stand gehouden, op basis van criteria waarover wordt onderhandeld in het lokaal comité. ";
  7° § 9 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 9. Voor de toepassing van dit besluit beslist de inrichtende macht in het gewoon voltijds secundair onderwijs bij een vermindering van het aantal punten voor het ondersteunend personeel of zij de vermindering volledig ten laste legt van de groep van opvoeder, of volledig ten laste legt van de groep van administratief medewerker of verdeelt over beide groepen, op basis van criteria die worden onderhandeld in het lokaal comité. "
Article 1. A l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 avril 1992 relatif à la répartition de fonctions, à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation, à la remise au travail et à l'attribution d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement d'attente, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 décembre 1994, 31 août 1999 et 5 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 2, le point 5° est remplacé par la disposition suivante :
  " 5° "emploi non susceptible de réaffectation ou de remise au travail" :
  à partir du 1er septembre de l'année scolaire en question, l'emploi n'est plus susceptible de réaffectation ou de remise au travail, si le membre du personnel occupant ce poste a acquis une ancienneté de service d'au moins 720 jours en fonction principale étalés sur trois années scolaires au moins.
  Le membre du personnel doit acquérir cette ancienneté de service le :
  a) 31 août de l'année scolaire précédente pour les membres u personnel administratif, le collaborateur administratif dans l'enseignement fondamental, les membres du personnel d'appui de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, de l'enseignement secondaire de la pêche maritime à temps partiel et de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, pour le personnel technique des centres et pour le personnel des semi-internats et des centres d'accueil;
  b) 30 juin de l'année scolaire précédente pour les autres personnels.
  Pour le membre du personnel remplissant ces conditions, les dispositions précédentes restent valables à travers les années scolaires. ";
  2° au § 2 est ajouté un 9°, rédigé comme suit :
  " 9° "caractère" : classement des établissements et écoles suivant leur appartenance à l'enseignement officiel subventionné, l'enseignement libre subventionné suivant les différentes religions ou convictions philosophiques, ou à l'enseignement subventionné non confessionnel libre. ";
  3° au § 5, le point 1° est abrogé;
  4° au § 6, les mots "d'éducation physique" sont supprimés;
  5° au § 7, deuxième alinéa, les mots "enseignement primaire" sont remplacés par les mots "enseignement fondamental";
  6° au § 7 est ajouté un alinéa, rédigé comme suit :
  " Pour l'application du présent arrêté, le pouvoir organisateur dans l'enseignement fondamental spécial décide lors d'une diminution du nombre d'élèves dans un certain niveau, si un ou plusieurs emplois dans la fonction distincte d'instituteur maternel formation générale et sociale et d'instituteur formation générale et sociale ne peut ou ne peuvent plus être maintenus, sur la base de critères négociés au sein du comité local. ";
  7° le § 9 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 9. Pour l'application du présent arrêté, le pouvoir organisateur dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein décide lors d'une diminution du nombre de points pour le personnel d'appui, s'il porte cette diminution soit entièrement à charge du groupe d'éducateur, soit entièrement à charge du groupe de collaborateur administratif, soit la répartit sur les deux groupes, sur la base de critères négociés au sein du comité local. "
Art. 2. In artikel 4 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003, wordt § 1 vervangen door wat volgt :
  " § 1. 1° Voor het basisonderwijs wordt "hetzelfde ambt" als volgt gedefinieerd : het ambt, zoals het opgenomen is in de reglementering tot rangschikking en indeling van de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het paramedisch personeel in het basisonderwijs, het beleids- en ondersteunend personeel in het basisonderwijs, en van het administratief en opvoedend hulppersoneel. De directeur die ter beschikking gesteld is in een school met enkel kleuteronderwijs heeft de keuze om de betrekking van directeur ingericht in een basisschool of lagere school al of niet op te nemen en de inrichtende macht kan in hetzelfde geval beslissen het desbetreffende personeelslid na een periode van één jaar niet meer aan te stellen.
  2° Voor de leden van het beleids- en ondersteunend personeel gelden voor de toepassing van " hetzelfde ambt " volgende bepalingen :
  a) er wordt geen onderscheid gemaakt tussen het gewoon en buitengewoon basisonderwijs;
  b) voor de toepassing van artikel 18 moet het ambt een zelfde puntengewicht en een zelfde weddenschaal opleveren. "
Art. 2. A l'article 4 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 décembre 2003, le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. 1° Pour l'enseignement fondamental, la "même fonction" est définie comme suit : la fonction telle que reprise dans la réglementation organisant le classement et la répartition des fonctions du personnel directeur et enseignant, du personnel paramédical dans l'enseignement fondamental, du personnel de gestion et d'appui dans l'enseignement fondamental, et du personnel administratif et auxiliaire d'éducation. Le directeur mis en disponibilité dans une école offrant uniquement l'enseignement maternel peut choisir d'assumer, ou non, la fonction de directeur d'une école fondamentale ou primaire; toutefois, le pouvoir organisateur peut décider de ne plus désigner le membre du personnel concerné après une période d'un an.
  2° Pour l'application de la notion "même fonction", les dispositions suivantes valent pour les membres du personnel de gestion et d'appui :
  a) aucune distinction n'est faite entre l'enseignement fondamental ordinaire et spécial;
  b) pour l'application de l'article 18, la fonction doit rapporter une même pondération et une même échelle de traitement. "
Art. 3. In artikel 5, § 1, 2° van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 31 augustus 1999 en 5 december 2003 wordt de eerste zin van punt a vervangen door wat volgt :
  " een leeropdracht in hetzelfde vak of dezelfde specialiteiten en, voor technische vakken, kunstvakken of praktische vakken, in de vakken die behoren tot dezelfde specialiteit, waarvan het personeelslid titularis was op 30 juni van het voorgaande schooljaar en/of waarvoor het personeelslid ter beschikking is gesteld. "
Art. 3. Dans l'article 5, § 1er, 2° du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 31 août 1999 et 5 décembre 2003, la première phrase du point a est remplacée par ce qui suit :
  " une charge d'enseignement dans la même branche ou les mêmes spécialités et, pour les cours techniques, cours artistiques ou cours pratiques, dans les branches appartenant à la même spécialité, dont le membre du personnel était titulaire au 30 juin de l'année scolaire précédente et/ou pour laquelle le membre du personnel est mis en disponibilité. "
Art. 4. In artikel 6, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 22 september 1998, 31 augustus 1999 en 5 december 2003, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° punt 1 wordt vervangen door wat volgt :
  " 1. Het ambt zoals het opgenomen is in de reglementering tot rangschikking en indeling van de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het opvoedend hulppersoneel, het beleids- en ondersteunend personeel, het psychologisch personeel, het paramedisch personeel, het medisch personeel, het sociaal personeel, het orthopedagogisch personeel en administratief personeel in het buitengewoon basisonderwijs. De directeur die ter beschikking gesteld is in een school met enkel kleuteronderwijs heeft de keuze om de betrekking van directeur ingericht in een basisschool of lagere school al of niet op te nemen en de inrichtende macht kan in hetzelfde geval beslissen het desbetreffende personeelslid na een periode van één jaar niet meer aan te stellen. ";
  2° punt 5 wordt vervangen door wat volgt :
  " 5. Voor de leden van het beleids- en ondersteunend personeel gelden voor de toepassing van " hetzelfde ambt " volgende bepalingen :
  a) er wordt geen onderscheid gemaakt tussen het gewoon en buitengewoon basisonderwijs;
  b) voor de toepassing van artikel 18 moet het ambt een zelfde puntengewicht en een zelfde weddenschaal opleveren. "
Art. 4. A l'article 6, § 1er, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 22 septembre 1998, 31 août 1999 et 5 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le point 1 est remplacé par la disposition suivante :
  " 1. La fonction reprise dans la réglementation classant les fonctions du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel de gestion et d'appui, du personnel psychologique, du personnel paramédical, du personnel médical, du personnel social, du personnel orthopédagogique et du personnel administratif dans l'enseignement fondamental spécial. Le directeur mis en disponibilité dans une école offrant uniquement l'enseignement maternel peut choisir d'assumer, ou non, la fonction de directeur d'une école fondamentale ou primaire; dans ce cas, le pouvoir organisateur peut décider de ne plus désigner le membre du personnel concerné après une période d'un an. ";
  2° le point 5 est remplacé par la disposition suivante :
  " 5. Pour l'application de la notion "même fonction", les dispositions suivantes valent pour les membres du personnel de gestion et d'appui :
  a) aucune distinction n'est faite entre l'enseignement fondamental ordinaire et spécial;
  b) pour l'application de l'article 18, la fonction doit rapporter une même pondération et une même échelle de traitement. "
Art. 5. In artikel 7, § 1, 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 31 augustus 1999 en 5 december 2003, wordt de eerste zin van punt a vervangen door wat volgt :
  " een leeropdracht in hetzelfde vak of dezelfde specialiteiten, en voor technische vakken, artistieke vakken, technische vakken en beroepspraktijk, praktijk, kunstvakken of praktische vakken, in de vakken die behoren tot dezelfde specialiteit waarvan het personeelslid titularis was op 30 juni van het voorgaand schooljaar en/of waarvoor het personeelslid ter beschikking is gesteld. "
Art. 5. Dans l'article 7, § 1er, 3. du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 31 août 1999 et 5 décembre 2003, la première phrase du point a est remplacée par ce qui suit :
  " une charge d'enseignement dans la même branche ou les mêmes spécialités et, pour les cours techniques, cours artistiques ou cours pratiques, dans les branches appartenant à la même spécialité, dont le membre du personnel était titulaire au 30 juin de l'année scolaire précédente et/ou pour laquelle le membre du personnel est mis en disponibilité. "
Art. 6. In artikel 8, § 1, 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 31 augustus 1999 en 5 december 2003, wordt de eerste zin van punt a vervangen door wat volgt :
  " een leeropdracht in hetzelfde vak of dezelfde specialiteit, en voor technische vakken, artistieke vakken of kunstvakken, in de vakken die behoren tot dezelfde specialiteit, waarvan het personeelslid titularis was op 30 juni van het voorgaand schooljaar en/of waarvoor het personeelslid ter beschikking is gesteld. "
Art. 6. Dans l'article 8, § 1er, 3. du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 31 août 1999 et 5 décembre 2003, la première phrase du point a est remplacée par ce qui suit :
  " une charge d'enseignement dans la même branche ou la même spécialité et, pour les cours techniques ou cours artistiques, dans les branches appartenant à la même spécialité, dont le membre du personnel était titulaire au 30 juin de l'année scolaire précédente et/ou pour laquelle le membre du personnel est mis en disponibilité. "
Art. 7. In artikel 9, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in punt 1° worden telkens de woorden " en adjunct-directeur " geschrapt;
  2° in punt 2° wordt de eerste zin van punt a vervangen door wat volgt :
  " een leeropdracht in hetzelfde vak of dezelfde specialiteiten, en voor technische vakken of praktische vakken, in de vakken die behoren tot dezelfde specialiteit waarvan het personeelslid titularis was op 30 juni van het voorgaande schooljaar en/of waarvoor het personeelslid ter beschikking is gesteld. "
Art. 7. A l'article 9, § 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au point 1°, les mots "et de directeur adjoint" sont supprimés;
  2° au point 2°, la première phrase du point a) est remplacée par ce qui suit :
  " une charge d'enseignement dans la même branche ou les mêmes spécialités et, pour les cours techniques ou cours pratiques, dans les branches appartenant à la même spécialité, dont le membre du personnel était titulaire au 30 juin de l'année scolaire précédente et/ou pour laquelle le membre du personnel est mis en disponibilité. "
Art. 8. In artikel 10, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 februari 2000 en 5 december 2003, wordt § 2 opgeheven.
Art. 8. Le § 2 de l'article 10 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 4 février 2000 et 5 décembre 2003, est supprimé.
Art. 9. In artikel 12bis, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 1. Dit hoofdstuk is enkel van toepassing op instellingen van het basisonderwijs, het gewoon voltijds secundair onderwijs, het deeltijds secundair zeevisserijonderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs die behoren tot een scholengemeenschap als bedoeld in het decreet van 10 juli 2003 betreffende het landschap basisonderwijs en in het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. ";
  2° in § 5 wordt punt 2° vervangen door wat volgt :
  " 2° Reaffecteren van terbeschikkinggestelde personeelsleden binnen de instellingen van de scholengemeenschap, met inbegrip van de terbeschikkinggestelde personeelsleden van de instellingen van de scholengemeenschap in het basisonderwijs die de eerste schooldag van oktober als teldag hebben. ";
  3° In § 5 wordt punt 3° vervangen door wat volgt :
  " 3° Weder tewerkstellen binnen dezelfde categorie van terbeschikkinggestelde personeelsleden binnen de instellingen van de scholengemeenschap, met inbegrip van de terbeschikkinggestelde personeelsleden van de instellingen van de scholengemeenschap in het basisonderwijs die de eerste schooldag van oktober als teldag hebben. ";
  4° aan § 5 wordt een punt 7° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " 7° Personeelsleden die in toepassing van artikel 5, § 1bis van het decreet van 9 april 1992 betreffende het onderwijs - III ter beschikking worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking, een andere functie toewijzen in afwachting van een definitieve toewijzing door de Vlaamse reaffectatiecommissie. Bij deze toewijzing houdt de reaffectatiecommissie rekening met de beslissing van de pensioencommissie van de administratieve gezondheidsdienst. "
Art. 9. A l'article 12bis du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 août 1999 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Le présent chapitre n'est applicable qu'aux établissements de l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, l'enseignement secondaire de la pêche maritime à temps partiel, l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel appartenant à un centre d'enseignement, tels que visés au décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. ";
  2° au § 5, le point 2° est remplacé par la disposition suivante :
  " 2° La réaffectation de personnels mis en disponibilité au sein des établissements du centre d'enseignement, y compris les personnels mis en disponibilité des établissements du centre d'enseignement dans l'enseignement fondamental dont le premier jour de classe d'octobre constitue la date de comptage. ";
  3° au § 5, le point 3° est remplacé par la disposition suivante :
  " 3° La remise au travail dans la même catégorie des personnels mis en disponibilité au sein des établissements du centre d'enseignement, y compris les personnels mis en disponibilité des établissements du centre d'enseignement dans l'enseignement fondamental dont le premier jour de classe d'octobre constitue la date de comptage. ";
  4° au § 5 est ajouté un 7°, rédigé comme suit :
  " 7° Attribuer une autre fonction aux personnels qui, par application de l'article 5, § 1erbis du décret du 9 avril 1992 relatif à l'enseignement - III, sont mis en disponibilité par défaut d'emploi, dans l'attente d'une affectation définitive par la commission flamande de réaffectation. Pour cette affectation, la commission de réaffectation tient compte de la décision de la commission des pensions du service de santé administratif. "
Art. 10. In artikel 12ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003, wordt aan § 2 een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " 6° Nadat de bepalingen van 1° tot en met 5° zijn gerealiseerd, wijst de reaffectatiecommissie van de scholengroep personeelsleden die in toepassing van artikel 5, § 1bis van het decreet van 9 april 1992 betreffende het onderwijs - III ter beschikking worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking een andere functie toe in afwachting van een definitieve toewijzing door de Vlaamse reaffectatiecommissie. Bij deze toewijzing houdt de reaffectatiecommissie rekening met de beslissing van de pensioencommissie van de administratieve gezondheidsdienst. "
Art. 10. A l'article 12ter, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 août 1999 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 décembre 2003, est ajouté un point 6°, rédigé comme suit :
  " 6° Après réalisation des dispositions des points 1° à 5° inclus, la commission de réaffectation du groupe d'écoles attribue une autre fonction aux personnels qui, par application de l'article 5, § 1bis, du décret du 9 avril 1992 relatif à l'enseignement - III, sont mis en disponibilité par défaut d'emploi, dans l'attente d'une affectation définitive par la commission flamande de réaffectation. Pour cette affectation, la commission de réaffectation tient compte de la décision de la commission des pensions du service de santé administratif. "
Art. 11. In titel I van hetzelfde besluit wordt hoofdstuk VI, bestaande uit artikel 13, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 31 augustus 1999 en 5 december 2003, opgeheven.
Art. 11. Dans le titre Ier du même arrêté, le chapitre VI, comprenant l'article 13, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 31 août 1999 et 5 décembre 2003, est abrogé.
Art. 12. In artikel 14 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 31 augustus 1999 en 5 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1 worden de woorden ", de zonale reaffectatiecommissies " geschrapt;
  2° in § 3 worden in punt 1° de woorden ", in de zone " geschrapt;
  3° in § 3 worden in punt 2° de woorden " in de scholengemeenschap van het secundair onderwijs, in de zone " vervangen door de woorden " in de scholengemeenschap ";
  4° in § 3 worden in punt 4° de woorden ", de zonale reaffectatiecommissie " geschrapt;
  5° in § 5 worden de woorden ", de zonale reaffectatiecommissie " geschrapt.
Art. 12. A l'article 14 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 31 août 1999 et 5 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° aux § 1er, les mots ", les commissions zonales de réaffectation" sont supprimés;
  2° au § 3, point 1°, les mots ", de la zone" sont supprimés;
  3° au § 3, point 2°, les mots ", dans le centre d'enseignement de l'enseignement secondaire, dans la zone" sont remplacés par les mots "dans le centre d'enseignement";
  4° au § 3, point 4°, les mots ", la commission zonale de réaffectation" sont supprimés;
  5° au § 5, les mots ", les commissions zonales de réaffectation" sont supprimés;
Art. 13. In artikel 17 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 31 augustus 1999 en 5 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° aan § 1 wordt een punt 4 toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " 4. Tewerkstelling van terbeschikkinggestelde personeelsleden als administratieve ondersteuning van scholengemeenschappen in het basisonderwijs, zoals bepaald in artikel 47bis. ";
  2° in § 2 worden de woorden ", de zonale reaffectatiecommissies " geschrapt.
Art. 13. A l'article 17 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 31 août 1999 et 5 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er est ajouté un point 4, rédigé comme suit :
  " 4. l'occupation de personnels mis en disponibilité, comme aide administratif dans des centres d'enseignement de l'enseignement fondamental, telle que visée à l'article 47bis. ";
  2° au § 2, les mots ", les commissions zonales de réaffectation" sont supprimés.
Art. 14. In artikel 18, § 1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 31 augustus 1999 en 5 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de eerste zin wordt het woord " titularissen " vervangen door het woord " personeelsleden ";
  2° punt 1 wordt vervangen door wat volgt :
  " 1. De inrichtende macht wijst per instelling en in "hetzelfde ambt" de betrekkingen toe aan de vastbenoemde personeelsleden voor eenzelfde gepondereerd volume van de opdracht waarvan de betrokken personeelsleden vastbenoemde titularis waren op het einde van het voorafgaand schooljaar en/of ter beschikking waren gesteld wegens ontstentenis van betrekking, rekening houdend met het begrip "hetzelfde ambt". "
Art. 14. A l'article 18, § 1er, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 31 août 1999 et 5 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans la première phrase, le mot "titulaires" est remplacé par le mot "personnels";
  2° le point 1 est remplacé par la disposition suivante :
  " 1. Par établissement, le pouvoir organisateur attribue dans la "même fonction" les emplois aux personnels nommés à titre définitif pour le même volume pondéré de la charge dont ils étaient titulaire nommé à titre définitif à la fin de l'année scolaire précédente et/ou pour laquelle ils étaient mis en disponibilité par défaut d'emploi, en tenant compte de la notion "même fonction".
Art. 15. In artikel 19, § 4 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003, worden het derde en vierde lid vervangen door wat volgt :
  " Als het centrumbestuur dergelijke maatregelen voorstelt, worden die voor 1 september beoordeeld door het departement Onderwijs.
  De bevoegdheden van het departement Onderwijs zijn hierbij beperkt tot :
  1° het kennis nemen van de personeelsformatie en eventueel van de bijbehorende maatregelen;
  2° het beoordelen van de maatregelen en het al dan niet bekrachtigen van deze maatregelen.
  Bij niet-bekrachtiging moet het centrumbestuur in kwestie nieuwe maatregelen voostellen, die dan opnieuw ter bekrachtiging worden voorgelegd aan de Vlaamse reaffectatiecommissie. "
Art. 15. Dans l'article 19, § 4, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 décembre 2003, les troisième et quatrième alinéas sont remplacés par les dispositions suivantes :
  " Si la direction du centre propose de telles mesures, celles-ci sont évaluées par le Département de l'Enseignement avant le 1er septembre.
  Pour cette matière, les compétences du Département de l'Enseignement sont limitées :
  1° à la connaissance du cadre organique et, éventuellement, des mesures y afférentes;
  2° à l'appréciation des mesures et le sanctionnement ou non de ces mesures.
  En cas de non-sanctionnement, la direction du centre concerné doit proposer de nouvelles mesures, qui devront à nouveau être soumises à l'approbation de la commission flamande de réaffectation. ".
Art. 16. Aan artikel 20 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 31 augustus 1999 en 5 december 2003, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1 worden in de tweede zin de woorden " voor het gewoon secundair onderwijs " geschrapt;
  2° een § 6, § 7, en § 8 worden toegevoegd, die luiden als volgt :
  " § 6. In het gewoon lager onderwijs gelden de volgende specifieke maatregelen bij een vermindering van het gehele pakket lestijden voor het bestuurs- en onderwijzend personeel.
  Als een school of instelling ten opzichte van 30 juni van het voorafgaande schooljaar minder lestijden heeft binnen het lestijdenpakket voor het bestuurs- en onderwijzend personeel, kan dat tot gevolg hebben dat de school of de instelling een of meer betrekkingen van onderwijzer en/of van leermeester lichamelijke opvoeding minder kan inrichten.
  Bij daling van het gehele pakket lestijden moet de daling van het aantal lestijden evenredig verdeeld worden tussen het aantal lestijden in het ambt van onderwijzer enerzijds en het aantal lestijden in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding anderzijds. Het gaat hier steeds om ambten die in de school of instelling in kwestie werden ingericht op 30 juni van het voorgaande schooljaar.
  § 7. In het buitengewoon lager onderwijs gelden de volgende specifieke maatregelen bij een vermindering van het gehele pakket lestijden voor het bestuurs- en onderwijzend personeel.
  Als een school of instelling ten opzichte van 30 juni van het voorafgaande schooljaar minder lestijden heeft binnen het lestijdenpakket voor het bestuurs- en onderwijzend personeel, kan dat tot gevolg hebben dat de school of de instelling een of meer betrekkingen van onderwijzer algemene en sociale vorming en/of van leermeester algemene en sociale vorming, specialiteit lichamelijke opvoeding minder kan inrichten.
  Bij daling van het gehele pakket lestijden moet de daling van het aantal lestijden evenredig verdeeld worden tussen het aantal lestijden in het ambt van onderwijzer algemene en sociale vorming enerzijds en leermeester algemene en sociale vorming, specialiteit lichamelijke opvoeding anderzijds. Het gaat hier steeds om ambten die in de school of instelling in kwestie werden ingericht op 30 juni van het voorgaande schooljaar.
  § 8. In het buitengewoon basisonderwijs gelden de volgende specifieke maatregelen bij een daling van het leerlingenaantal in een bepaald niveau.
  Als een school of instelling ten opzichte van 30 juni van het voorafgaande schooljaar een daling van het leerlingenaantal heeft binnen een bepaald niveau kan dit tot gevolg hebben dat de school of instelling één of meer betrekkingen van kleuteronderwijzer algemene en sociale vorming en onderwijzer algemene en sociale vorming minder kan inrichten.
  Bij daling van het leerlingenaantal in een bepaald niveau kiest het schoolbestuur of een betrekking of betrekkingen in het afzonderlijk ambt van kleuteronderwijzer algemene en sociale vorming en onderwijzer algemene en sociale vorming niet meer kan of kunnen worden in stand gehouden, op basis van criteria die gelden voor ten minste drie schooljaren en waarover wordt onderhandeld in het bevoegd lokaal comité.
  Het gaat hierbij steeds om ambten die in de school of instelling in kwestie werden ingericht op 30 juni van het voorgaande schooljaar. "
Art. 16. A l'article 20 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 31 août 1999 et 5 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, deuxième phrase, les mots "pour ce qui est de l'enseignement secondaire ordinaire" sont supprimés;
  2° un § 6, un § 7 et un § 8 sont ajoutés, rédigés comme suit :
  " § 6. L'enseignement primaire ordinaire est régi par les mesures spécifiques suivantes, en cas d'une réduction du capital-périodes global pour le personnel directeur et enseignant.
  Si, par rapport au 30 juin de l'année scolaire précédente, une école ou un établissement dispose de moins de périodes dans le capital-périodes pour le personnel directeur et enseignant, il est possible que l'école ou l'établissement puisse organiser un ou plusieurs emplois d'instituteur primaire et/ou de maître d'éducation physique en moins.
  En cas d'une diminution du capital-périodes global, la diminution du nombre de périodes doit être répartie proportionnellement entre le nombre de périodes dans la fonction d'instituteur primaire d'une part et le nombre de périodes dans la fonction de maître d'éducation physique d'autre part. Il s'agit toujours de fonctions organisées au 30 juin de l'année scolaire précédente dans l'école ou l'établissement en question.
  § 7. L'enseignement primaire spécial est régi par les mesures spécifiques suivantes, en cas d'une réduction du capital-périodes pour le personnel directeur et enseignant.
  Si, par rapport au 30 juin de l'année scolaire précédente, une école ou un établissement dispose de moins de périodes dans le capital-périodes pour le personnel directeur et enseignant, il est possible que l'école ou l'établissement puisse organiser un ou plusieurs emplois d'instituteur formation générale et sociale et/ou de maître de formation générale et sociale, spécialité éducation physique en moins.
  En cas d'une diminution du capital-périodes global, la diminution du nombre de périodes doit être répartie proportionnellement entre le nombre de périodes dans la fonction d'instituteur formation générale et sociale d'une part et le nombre de périodes dans la fonction de maître de formation générale et sociale, spécialité éducation physique d'autre part. Il s'agit toujours de fonctions organisées au 30 juin de l'année scolaire précédente dans l'école ou l'établissement en question.
  § 8. L'enseignement fondamental spécial est régi par les mesures spécifiques suivantes, en cas d'une réduction du nombre d'élèves dans un niveau déterminé.
  Si, par rapport au 30 juin de l'année précédente, une école ou un établissement est confronté à une diminution du nombre d'élèves dans un niveau déterminé, il est possible que l'école ou l'établissement puisse organiser un ou plusieurs emplois d'instituteur maternel formation générale et sociale et d'instituteur primaire formation générale et sociale en moins.
  En cas de réduction du nombre d'élèves dans un niveau déterminé, l'autorité scolaire décide - sur la base de critères valables pour au moins trois années scolaires et faisant l'objet de concertations dans le comité local compétent - si un ou plusieurs emplois dans la fonction distincte d'instituteur maternel formation générale et sociale et d'instituteur formation générale et sociale ne peut ou ne peuvent plus être maintenus.
  Il s'agit toujours de fonctions organisées au 30 juin de l'année scolaire précédente dans l'école ou l'établissement en question. ".
Art. 17. In artikel 22, § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 31 augustus 1999 en 5 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de plaats van punt 2° van hetzelfde besluit, vernietigd bij het arrest 141.020 van 22 februari 2005 van de Raad van State, komt een nieuw punt 2°, dat luidt als volgt :
  " 2° in het gewoon voltijds secundair onderwijs, het deeltijds secundair zeevisserijonderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs :
  a) voor het gemeenschapsonderwijs en voor het gesubsidieerd vrij onderwijs : in de instelling waar de vermindering van prestaties zich voordoet : degene die de kleinste dienstanciënniteit heeft.
  Voor de toepassing van dit artikel vormt de ingebouwde middenschool, bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit van 15 december 1982 tot vaststelling van de benaming en de structuur van de door de Staat georganiseerde inrichtingen voor secundair onderwijs, één instelling met de instelling waarmee ze een administratieve eenheid vormt. Dat geldt eveneens voor de pedagogische entiteit, maar niet voor de personeelsleden die behoren tot de categorieën van het opvoedend hulppersoneel, het administratief personeel en het ondersteunend personeel in het gewoon voltijds secundair onderwijs;
  b) voor het gesubsidieerd officieel onderwijs : in de instelling waar de vermindering van prestaties zich voordoet : degene die de kleinste dienstanciënniteit heeft. In instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren, gebeurt de terbeschikkingstelling naar keuze in de instelling waar de vermindering van prestaties zich voordoet of in het geheel der instellingen die een inrichtende macht op het grondgebied van dezelfde gemeente organiseert. Eens de keuze gemaakt is, geldt die voor een periode van zes jaar voor alle personeelsleden in alle categorieën of voor de lopende of aanvangende legislatuur.
  Bij de terbeschikkingstelling in een ambt van het ondersteunend personeel in het gewoon voltijds secundair onderwijs moet de inrichtende macht steeds rekening houden met artikel 2, § 9 en § 10.
  Als door voormelde terbeschikkingstelling het aantal opvoeders en/of personeelsleden van het opvoedend hulppersoneel onder de 50 % van het aantal personeelsleden van het opvoedend hulppersoneel, het administratief personeel en/of ondersteunend personeel van de instelling zou dalen, wordt de vastbenoemde titularis met de kleinste dienstanciënniteit in het ambt van administratief medewerker of in een ambt van het administratief personeel ter beschikking gesteld; ";
  2° in punt 2°, a) wordt de laatste zin vervangen door wat volgt :
  " Dat geldt eveneens voor de pedagogische entiteit, maar niet voor de personeelsleden die behoren tot de categorieën van het ondersteunend personeel in het gewoon voltijds secundair onderwijs. ";
  3° in punt 2°, b) wordt het laatste lid vervangen door wat volgt :
  " Als door voormelde terbeschikkingstelling het aantal opvoeders onder 50 % van het aantal personeelsleden van het ondersteunend personeel van de instelling zou dalen, wordt de vastbenoemde titularis met de kleinste dienstanciënniteit in het ambt van administratief medewerker ter beschikking gesteld. ";
  4° § 2 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 2. Onder de vastbenoemde personeelsleden die "hetzelfde ambt" als hoofdambt uitoefenen, wordt volgende volgorde van terbeschikkingstelling gehanteerd.
  1° In het gewoon basisonderwijs :
  a) wordt in het gemeenschapsonderwijs onder de leden die "hetzelfde ambt" uitoefenen, in de instelling waar de vermindering van prestaties zich voordoet degene ter beschikking gesteld die de kleinste dienstanciënniteit heeft;
  b) wordt in het gesubsidieerd onderwijs :
  1) eerst onder de leden andere dan die bedoeld in 2), die " hetzelfde ambt " uitoefenen diegene ter beschikking gesteld die de kleinste dienstanciënniteit heeft :
  - voor scholen die tot een scholengemeenschap behoren in de instelling waar de vermindering van prestaties zich voordoet;
  - voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren naar keuze :
  - in de instelling waar de vermindering van prestaties zich voordoet
  of
  - of in het geheel van de instellingen die een inrichtende macht op het grondgebied van dezelfde gemeente organiseert.
  Eens de keuze gemaakt is geldt die voor een periode van zes jaar voor het vrij onderwijs of voor de lopende of aanvangende legislatuur voor het officieel onderwijs voor alle personeelsleden in alle categorieën;
  2) daarna onder de directeurs van een basisschool die een inrichtende macht heeft ter beschikking gesteld bij toepassing van de wettelijke bepalingen tot opheffing van de vierde graden of van artikel 22, a en c, van de gecoördineerde wetten op het lager onderwijs, of nog van de eerste maatregelen tot rationalisatie van het gewoon lager onderwijs en opnieuw in dienstactiviteit heeft geroepen in één van de ambten van onderwijzer, van leermeester niet-confessionele zedenleer, van leermeester godsdienst, van leermeester lichamelijke opvoeding of van bijzondere leermeester diegene met de kleinste dienstanciënniteit :
  - voor scholen die tot een scholengemeenschap behoren in de instelling waar de vermindering van prestaties zich voordoet;
  - voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren naar keuze :
  - in de instelling waar de vermindering van prestaties zich voordoet
  of
  - in het geheel van de instellingen die een inrichtende macht op het grondgebied van dezelfde gemeente organiseert.
  Eens de keuze gemaakt is geldt die voor een periode van zes jaar voor het vrij onderwijs of voor de lopende of aanvangende legislatuur voor het officieel onderwijs voor alle personeelsleden in alle categorieën;
  2° In het gewoon voltijds secundair onderwijs, het deeltijds secundair zeevisserijonderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs wordt :
  a) in het gemeenschapsonderwijs en in het gesubsidieerd vrij onderwijs in de instelling waar de vermindering van prestaties zich voordoet degene ter beschikking gesteld die de kleinste dienstanciënniteit heeft.
  Voor de toepassing van dit artikel vormt de ingebouwde middenschool, bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit van 15 december 1982 tot vaststelling van de benaming en de structuur van de door de Staat georganiseerde inrichtingen voor secundair onderwijs, één instelling met de instelling waarmee ze een administratieve eenheid vormt. Dat geldt eveneens voor de pedagogische entiteit, maar niet voor de personeelsleden die behoren tot de categorie van het ondersteunend personeel in het gewoon voltijds secundair onderwijs;
  b) in het gesubsidieerd officieel onderwijs in de instelling waar de vermindering van prestaties zich voordoet degene ter beschikking gesteld die de kleinste dienstanciënniteit heeft.
  In instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren, gebeurt de terbeschikkingstelling naar keuze in de instelling waar de vermindering van prestaties zich voordoet of in het geheel der instellingen die een inrichtende macht op het grondgebied van dezelfde gemeente organiseert.
  Eens de keuze gemaakt is, geldt die voor een periode van zes jaar voor alle personeelsleden in alle categorieën of voor de lopende of aanvangende legislatuur.
  Bij de terbeschikkingstelling in een ambt van het ondersteunend personeel in het gewoon voltijds secundair onderwijs moet de inrichtende macht steeds rekening houden met artikel 2, § 9 en § 10.
  Als door voormelde terbeschikkingstelling het aantal opvoeders onder de 50 % van het aantal personeelsleden van het ondersteunend personeel van de instelling daalt, wordt de vastbenoemde titularis met de kleinste dienstanciënniteit in het ambt van administratief medewerker ter beschikking gesteld;
  3° In het deeltijds kunstonderwijs wordt :
  a) in het gemeenschapsonderwijs en in het gesubsidieerd vrij onderwijs in de instelling waar de vermindering van prestaties zich voordoet degene ter beschikking gesteld die de kleinste dienstanciënniteit heeft;
  b) in het gesubsidieerd officieel onderwijs : naar keuze in de instelling waar de vermindering van prestaties zich voordoet of in het geheel van de instellingen die een inrichtende macht op het grondgebied van dezelfde gemeente organiseert : degene ter beschikking gesteld die de kleinste dienstanciënniteit heeft.
  Als de keuze gemaakt is, geldt die voor een periode van zes jaar voor alle personeelsleden in alle categorieën of voor de lopende of aanvangende legislatuur.
  4° In het onderwijs voor sociale promotie wordt :
  a) in het gemeenschapsonderwijs en in het gesubsidieerd vrij onderwijs in de instelling waar de vermindering van prestaties zich voordoet degene ter beschikking gesteld die de kleinste dienstanciënniteit heeft;
  b) in het gesubsidieerd officieel onderwijs naar keuze in de instelling waar de vermindering van prestaties zich voordoet of in het geheel van de instellingen die een inrichtende macht op het grondgebied van dezelfde gemeente organiseert degene ter beschikking gesteld die de kleinste dienstanciënniteit heeft.
  Als de keuze gemaakt is, geldt die voor een periode van zes jaar voor alle personeelsleden in alle categorieën of voor de lopende of aanvangende legislatuur.
  5° In het buitengewoon basisonderwijs wordt :
  a) in het gemeenschapsonderwijs en in het gesubsidieerd vrij onderwijs in de instelling waar de vermindering van prestaties zich voordoet degene ter beschikking gesteld die de kleinste dienstanciënniteit heeft;
  b) in het gesubsidieerd officieel onderwijs diegene ter beschikking gesteld met de kleinste dienstanciënniteit
  - voor scholen die tot een scholengemeenschap behoren in de instelling waar de vermindering van prestaties zich voordoet
  - voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren naar keuze :
  - in de instelling waar de vermindering van prestaties zich voordoet
  of
  - in het geheel van de instellingen die een inrichtende macht op het grondgebied van dezelfde gemeente organiseert.
  Eens de keuze gemaakt is geldt die voor een periode van zes jaar voor alle personeelsleden in alle categorieën of voor de lopende of aanvangende legislatuur.
  6° In de centra wordt in het centrum en in het ambt waar de vermindering van prestaties zich voordoet degene ter beschikking gesteld die de kleinste dienstanciënniteit heeft. "
Art. 17. A l'article 22, § 2, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 31 août 1999 et 5 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le point 2° du même arrêté, annulé par l'arrêt 141.020 du 22 février 2005 du Conseil de l'Etat, est remplacé par un nouveau point 2° rédigé comme suit :
  " 2° dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, l'enseignement secondaire de la pêche maritime à temps partiel et l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel :
  a) pour l'enseignement communautaire et pour l'enseignement libre subventionné : dans l'enseignement où la diminution des prestations se produit : celui qui a le moins d'ancienneté de service.
  Pour l'application du présent article, la "Middenschool" intégrée, visée à l'article 7 de l'arrêté royal du 15 décembre 1982 fixant les appellations et la structure des établissements d'enseignement secondaire de l'Etat, constitue un établissement unique avec l'établissement avec lequel elle forme une unité administrative. Cette disposition s'applique également à l'unité pédagogique, excepté pour ce qui est des membres du personnel appartenant aux catégories du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel administratif et du personnel d'appui dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein;
  b) pour l'enseignement officiel subventionné : dans l'établissement où la diminution des prestations se produit : celui qui a le moins d'ancienneté de service. Dans les établissements n'appartenant pas à un centre d'enseignement, la mise en disponibilité se fait au choix dans l'établissement où la diminution des prestations se produit ou dans l'ensemble des établissements qu'organise le pouvoir organisateur sur le territoire de la même commune. Dès que le choix est fait, il reste valable pour une période de six ans pour tous les membres du personnel de toutes les catégories ou pour la législature en cours ou la législature nouvelle.
  En cas d'une mise en disponibilité dans une fonction du personnel d'appui dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, le pouvoir organisateur doit toujours tenir compte de l'article 2, §§ 9 et 10.
  Si, par la mise en disponibilité précitée, le nombre d'éducateurs et/ou de membres du personnel auxiliaire d'éducation baissait au-dessous de 50 % du nombre de membres du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel administratif et/ou du personnel d'appui de l'établissement, le titulaire nommé à titre définitif qui a le moins d'ancienneté de service est mis en disponibilité dans l'emploi de collaborateur administratif ou dans un emploi du personnel administratif;";
  2° au point 2°, a), la dernière phrase est remplacée par ce qui suit :
  " Cette disposition s'applique également à l'unité pédagogique, excepté pour ce qui est des membres du personnel appartenant aux catégories du personnel d'appui dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein. ";
  3° au point 2°, b) le dernier alinéa est remplacé par ce qui suit :
  " Si, par la mise en disponibilité précitée, le nombre d'éducateurs baissait au-dessous de 50 % du nombre de membres du personnel d'appui de l'établissement, le titulaire nommé à titre définitif qui a le moins d'ancienneté de service est mis en disponibilité dans l'emploi de collaborateur administratif. "
  4° Le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 2. Parmi les membres du personnel nommés à titre définitif exerçant la "même fonction" comme fonction principale, l'ordre de mise en disponibilité suivant est utilisé.
  1° Pour ce qui est de l'enseignement fondamental ordinaire :
  a) dans l'enseignement communautaire, parmi les membres du personnel qui exercent la "même fonction", dans l'établissement où se produit la diminution des prestations, celui qui a le moins d'ancienneté de service est mis en disponibilité;
  b) dans l'enseignement subventionné :
  1) en premier lieu parmi les membres du personnel autres que ceux repris au 2), qui exercent la "même fonction", celui qui a le moins d'ancienneté de service est mis en disponibilité :
  - pour les écoles appartenant à un centre d'enseignement, dans l'établissement où se produit la diminution des prestations;
  - pour les écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement, au choix :
  - dans l'établissement où se produit la diminution des prestations
  ou
  - dans l'ensemble des établissements qu'organise un pouvoir organisateur sur le territoire de la même commune.
  Dès que le choix est fait, il reste valable pour une période de six ans pour l'enseignement libre et, pour l'enseignement officiel, pendant la législature en cours ou après le début d'une nouvelle législature, et ce pour tous les membres du personnel de toutes les catégories;
  2) ensuite parmi les directeurs d'une école fondamentale ayant un pouvoir organisateur, mis en disponibilité par application soit des dispositions légales abrogeant les quatrièmes degrés, soit de l'article 22, a et c, des lois coordonnées sur l'enseignement primaire, soit des premières mesures visant à rationaliser l'enseignement primaire ordinaire, et rappelés en activité de service dans une des fonctions d'instituteur primaire, de maître de morale non confessionnelle, de maître de religion, de maître d'éducation physique ou de maître spécial, celui qui a le moins d'ancienneté de service est mis en disponibilité :
  - pour les écoles appartenant à un centre d'enseignement, dans l'établissement où se produit la diminution des prestations;
  - pour les écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement, au choix :
  - dans l'établissement où se produit la diminution des prestations
  ou
  - dans l'ensemble des établissements qu'organise un pouvoir organisateur sur le territoire de la même commune.
  Dès que le choix est fait, il reste valable pour une période de six ans pour l'enseignement libre et, pour l'enseignement officiel, pendant la législature en cours ou après le début d'une nouvelle législature, et ce pour tous les membres du personnel de toutes les catégories;
  2° Pour ce qui est de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, de l'enseignement secondaire de la pêche maritime à temps partiel, de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et de l'enseignement secondaire spécial :
  a) dans l'enseignement communautaire et l'enseignement libre subventionné, dans l'établissement où se produit la diminution des prestations, celui qui a le moins d'ancienneté de service est mis en disponibilité.
  Pour l'application du présent article, la "Middenschool" intégrée, visée à l'article 7 de l'arrêté royal du 15 décembre 1982 fixant les appellations et la structure des établissements d'enseignement secondaire de l'Etat, constitue un établissement unique avec l'établissement avec lequel elle forme une unité administrative. Cette disposition s'applique également à l'unité pédagogique, excepté pour ce qui est des membres du personnel appartenant aux catégories du personnel d'appui dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein;
  b) dans l'enseignement officiel subventionné, dans l'établissement où se produit la diminution des prestations, celui qui a le moins d'ancienneté de service est mis en disponibilité.
  Dans les établissements n'appartenant pas à un centre d'enseignement, la mise en disponibilité se fait au choix dans l'établissement où se produit la diminution des prestations ou dans l'ensemble des établissements qu'organise le pouvoir organisateur sur le territoire de la même commune.
  Dès que le choix est fait, il reste valable pour une période de six ans pour tous les membres du personnel de toutes les catégories ou pour la législature en cours ou la législature nouvelle.
  En cas d'une mise en disponibilité dans une fonction du personnel d'appui dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, le pouvoir organisateur doit toujours tenir compte de l'article 2, §§ 9 et 10.
  Si, par la mise en disponibilité précitée, le nombre d'éducateurs baissait au-dessous de 50 % du nombre de membres du personnel d'appui, le titulaire nommé à titre définitif qui a le moins d'ancienneté de service est mis en disponibilité dans l'emploi de collaborateur administratif;
  3° Pour ce qui est de l'enseignement artistique à temps partiel :
  a) dans l'enseignement communautaire et l'enseignement libre subventionné, dans l'établissement où se produit la diminution des prestations, celui qui a le moins d'ancienneté de service est mis en disponibilité;
  b) dans l'enseignement officiel subventionné : au choix, dans l'établissement où se produit la diminution des prestations ou dans l'ensemble des établissements qu'organise un pouvoir organisateur sur le territoire de la même commune, celui qui a le moins d'ancienneté de service est mis en disponibilité.
  Dès que le choix est fait, il reste valable pour une période de six ans pour tous les membres du personnel de toutes les catégories ou pour la législature en cours ou la législature nouvelle.
  4° Pour ce qui est de l'enseignement de promotion sociale :
  a) dans l'enseignement communautaire et l'enseignement libre subventionné, dans l'établissement où se produit la diminution des prestations, celui qui a le moins d'ancienneté de service est mis en disponibilité;
  b) dans l'enseignement officiel subventionné au choix, dans l'établissement où se produit la diminution des prestations ou dans l'ensemble des établissements qu'organise un pouvoir organisateur sur le territoire de la même commune, celui qui a le moins d'ancienneté de service est mis en disponibilité.
  Dès que le choix est fait, il reste valable pour une période de six ans pour tous les membres du personnel de toutes les catégories ou pour la législature en cours ou la législature nouvelle.
  5° Pour ce qui est de l'enseignement fondamental spécial :
  a) dans l'enseignement communautaire et l'enseignement libre subventionné, dans l'établissement où se produit la diminution des prestations, celui qui a le moins d'ancienneté de service est mis en disponibilité;
  b) dans l'enseignement officiel subventionné, celui qui a le moins d'ancienneté de service est mis en disponibilité
  - pour les écoles appartenant à un centre d'enseignement, dans l'établissement où se produit la diminution des prestations
  - pour les écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement, au choix :
  - dans l'établissement où se produit la diminution des prestations
  ou
  - dans l'ensemble des établissements qu'organise un pouvoir organisateur sur le territoire de la même commune.
  Dès que le choix est fait, il reste valable pour une période de six ans pour tous les membres du personnel de toutes les catégories ou pour la législature en cours ou la législature nouvelle.
  6° Pour ce qui est des centres : dans le centre et dans la fonction où se produit la diminution des prestations, celui qui a le moins d'ancienneté de service est mis en disponibilité. "
Art. 18. In artikel 23 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 22 september 1998, 31 augustus 1999 en 5 december 2003, wordt § 1 vervangen door wat volgt :
  " § 1. De terbeschikkingstellingen gaan in op 1 september. "
Art. 18. A l'article 23 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 22 septembre 1998, 31 août 1999 et 5 décembre 2003, le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Les mises en disponibilité prennent cours le 1er septembre. "
Art. 19. In artikel 25, § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 22 september 1998, 31 augustus 1999 en 5 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de eerste zin worden de woorden " samen bij een ter post aangetekende brief " geschrapt;
  2° in punt 1 worden de woorden " vanaf 15 juli en vóór 15 augustus " vervangen door de woorden " vóór 15 juni ".
Art. 19. A l'article 25, § 2, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 22 septembre 1998, 31 août 1999 et 5 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans la première phrase, les mots ", par lettre recommandée," sont supprimés;
  2° au point 1., les mots "à partir du 15 juillet et avant le 15 août" sont remplacés par les mots "avant le 15 juin".
Art. 20. In artikel 25bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 en 5 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 1. Dit artikel geldt voor het basisonderwijs, het gewoon secundair onderwijs, het deeltijds secundair zeevisserijonderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs :
  1° wat het basisonderwijs betreft :
  a) voor instellingen die behoren tot een scholengemeenschap;
  b) voor instellingen die vanaf 1 september 2005 tot een scholengemeenschap behoren en die na 1 september 2005 worden gesloten en niet worden betrokken bij een herstructurering;
  c) voor instellingen die uiterlijk op 1 september 2005 gefuseerd zijn met een instelling van hetzelfde net die tot een scholengemeenschap behoort;
  d) voor instellingen die na 1 september 2005 fuseren met een instelling die tot een scholengemeenschap behoort;
  e) voor instellingen die op 1 september 2005 in afbouw zijn;
  2° wat het gewoon voltijds secundair onderwijs, het deeltijds secundair zeevisserijonderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs betreft :
  a) voor instellingen die behoren tot een scholengemeenschap;
  b) voor instellingen die sinds 1 september 1999 tot een scholengemeenschap behoren en die na 1 september 1999 zijn gesloten en niet worden betrokken bij een herstructurering;
  c) voor instellingen die uiterlijk op 1 september 1999 gefuseerd zijn met een instelling van hetzelfde net die tot een scholengemeenschap behoort;
  d) voor instellingen die na 1 september 1999 gefuseerd zijn met een instelling die tot een scholengemeenschap behoort;
  e) voor instellingen die sinds 1 september 1999 in afbouw zijn.
  2° in § 2 worden de woorden " van de in § 1, 1°, 2°, 3° en 4° genoemde instellingen " vervangen door de woorden " van de in § 1, 1°, a tot en met d en 2°, a tot en met d, genoemde instellingen ";
  3° in § 3 worden de woorden " per aangetekende brief of tegen bewijs van ontvangst " geschrapt;
  4° § 4 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 4. De gegevens vermeld in § 2 en § 3 moeten worden meegedeeld :
  a) voor het basisonderwijs : vóór 15 juni. In afwijking hiervan moeten ze worden meegedeeld op de vijfde werkdag van oktober voor de scholen die de eerste schooldag van oktober als teldag hebben;
  b) voor het gewoon secundair onderwijs, het deeltijds secundair zeevisserijonderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs : in de periode vanaf 1 augustus en in ieder geval voor 5 september. ".
Art. 20. A l'article 25bis du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 août 1999 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1er mars 2002 et 5 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Le présent article s'applique à l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire ordinaire, l'enseignement secondaire de la pêche maritime à temps partiel, l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et l'enseignement secondaire spécial :
  1° pour ce qui est de l'enseignement fondamental :
  a) aux établissements appartenant à un centre d'enseignement;
  b) aux établissements qui appartiennent à un centre d'enseignement à compter du 1er septembre 2005 et qui sont fermés après le 1er septembre 2005 et ne sont pas impliqués dans une restructuration;
  c) aux établissements qui ont fusionne le 1er septembre 2005 au plus tard avec un établissement du même réseau qui appartient à un centre d'enseignement;
  d) aux établissements qui fusionnent après le 1er septembre 2005 avec un établissement appartenant à un centre d'enseignement;
  e) aux établissements qui sont en voie de suppression au 1er septembre 2005;
  2° pour ce qui est de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, de l'enseignement secondaire de la pêche maritime à temps partiel, de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et de l'enseignement secondaire spécial :
  a) aux établissements appartenant à un centre d'enseignement;
  b) aux établissements qui appartiennent à un centre d'enseignement à compter depuis le 1er septembre 1999 et qui sont fermés après le 1er septembre 1999 et ne sont pas impliqués dans une restructuration;
  c) aux établissements qui ont fusionné le 1er septembre 1999 au plus tard avec un établissement du même réseau qui appartient à un centre d'enseignement;
  d) aux établissements qui ont fusionné après le 1er septembre 1999 avec un établissement appartenant à un centre d'enseignement;
  e) aux établissements qui sont en voie de suppression depuis le 1er septembre 1999.
  2° au § 2, les mots "des établissements cités au § 1er, 1°, 2°, 3° et 4°" sont remplacés par les mots "des établissements cités au § 1er, 1°, a à d inclus, et 2°, a à d inclus";
  3° au § 3, les mots "par lettre recommandée ou contre récépissé" sont supprimés;
  4° le § 4 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 4. Les données visées aux §§ 2 et 3 doivent être fournies :
  a) pour ce qui est de l'enseignement fondamental : avant le 15 juin. Par dérogation à cette stipulation, les données doivent être fournies le cinquième jour ouvrable d'octobre pour de qui est des écoles dont le premier jour de classe d'octobre constitue la date de comptage;
  b) pour ce qui est de l'enseignement secondaire ordinaire, de l'enseignement secondaire de la pêche maritime à temps partiel, de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et de l'enseignement secondaire spécial : dans la période à partir du 1er août et en tout cas avant le 5 septembre. "
Art. 21. In artikel 25ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 en 5 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 1. Dit artikel geldt voor de instellingen die niet ressorteren onder artikel 25bis, § 1. ";
  2° in § 2 worden de woorden " in artikel 25bis, § 1, 5° " vervangen door de woorden " in artikel 25bis, § 1, 1°, e en 2°, e ";
  3° in § 3 worden de woorden " per aangetekende brief of tegen bewijs van ontvangst " geschrapt;
  4° § 4 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 4. De gegevens vermeld in § 2 en § 3 moeten worden meegedeeld :
  a) voor het basisonderwijs : vóór 15 juni. In afwijking hiervan moeten ze worden meegedeeld op de vijfde werkdag van oktober voor de scholen die de eerste schooldag van oktober als teldag hebben;
  b) voor het gewoon secundair onderwijs, het deeltijds secundair zeevisserijonderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs : in de periode vanaf 1 augustus en in ieder geval voor 15 september.
  In afwijking hiervan moeten ze worden meegedeeld op de vijfde werkdag van oktober voor de instellingen van het buitengewoon secundair onderwijs die de eerste schooldag van oktober als teldag hebben;
  c) voor het deeltijds kunstonderwijs en het onderwijs voor sociale promotie voor de vijfde werkdag van oktober;
  d) voor de centra in de periode vanaf 1 augustus en in ieder geval voor 20 september. "
Art. 21. A l'article 25ter du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 août 1999 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1er mars 2002 et 5 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Le présent article s'applique aux établissements qui ne relèvent pas de l'article 25bis, § 1er. ";
  2° au § 2, les mots "à l'article 25bis, § 1er, 5°" sont remplacés par les mots "à l'article 25bis, § 1er, 1°, e et 2°, e ";
  3° au § 3, les mots "par lettre recommandée ou contre récépissé" sont supprimés;
  4° le § 4 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 4. Les données visées aux §§ 2 et 3 doivent être fournies :
  a) pour ce qui concerne l'enseignement fondamental : avant le 15 juin. Par dérogation à cette stipulation, les données doivent être fournies le cinquième jour ouvrable d'octobre pour ce qui est des écoles dont le premier jour de classe d'octobre constitue la date de comptage;
  b) pour ce qui est de l'enseignement secondaire ordinaire, de l'enseignement secondaire de la pêche maritime à temps partiel, de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et de l'enseignement secondaire spécial : dans la période à partir du 1er août et en tout cas avant le 15 septembre.
  Par dérogation à cette stipulation, les données doivent être fournies le cinquième jour ouvrable d'octobre pour ce qui est des établissements dont le premier jour de classe d'octobre constitue la date de comptage;
  c) pour ce qui est de l'enseignement artistique à temps partiel et l'enseignement de promotion sociale : avant le cinquième jour ouvrable d'octobre;
  d) pour ce qui est des centres : dans la période à partir du 1er août et en tout cas avant le 20 septembre. "
Art. 22. Artikel 25quater van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 en 5 december 2003, wordt opgeheven.
Art. 22. L'article 25quater du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 août 1999 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1er mars 2002 et 5 décembre 2003, est abrogé.
Art. 23. Artikel 26 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 22 september 1998, 31 augustus 1999, 1 maart 2002 en 5 december 2003, wordt opgeheven.
Art. 23. L'article 26 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 22 septembre 1998, 31 août 1999, 1er mars 2002 et 5 décembre 2003, est abrogé.
Art. 24. Artikel 27 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 31 augustus 1999 en 5 december 2003, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 27. De toewijzingen door de reaffectatiecommissie van de scholengemeenschap, meegedeeld aan het personeelslid per aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs en aan de inrichtende macht met een gewone brief, gaan in uiterlijk op :
  a) 1 september voor het basisonderwijs;
  b) 15 september voor de andere.
  In uitzonderlijke omstandigheden kan van deze datum worden afgeweken. "
Art. 24. L'article 27 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 31 août 1999 et 5 décembre 2003, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 27. Les désignations par la commission de réaffectation du centre d'enseignement, communiquées au membre du personnel par lettre recommandée ou contre récépissé et au pouvoir organisateur par lettre ordinaire, prennent cours au plus tard :
  le 1er septembre pour l'enseignement fondamental;
  le 15 septembre pour les autres enseignements.
  Dans des cas exceptionnels, il peut être dérogé à cette date. "
Art. 25. In artikel 28 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 22 september 1998 en 31 augustus 1999, wordt § 1 vervangen door wat volgt :
  " § 1. De reaffectaties en wedertewerkstellingen door de interprovinciale reaffectatiecommissie gaan in uiterlijk op 1 november. "
Art. 25. A l'article 28 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 22 septembre 1998 et 31 août 1999, le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Les réaffectations et remises au travail réalisées par la commission interprovinciale de réaffectation prennent cours le 1er novembre au plus tard. "
Art. 26. In artikel 31, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 31 augustus 1999 en 5 december 2003, worden in de tweede zin telkens de woorden " van het secundair onderwijs " geschrapt.
Art. 26. Dans la deuxième phrase de l'article 31, § 1er, du même arrête, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 31 août 1999 et 5 décembre 2003, les mots "de l'enseignement secondaire" sont supprimés.
Art. 27. In hoofdstuk II van titel IV van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 22 september 1998, 31 augustus 1999 en 5 december 2003, wordt het opschrift " Afdeling 1 - Het gewoon basisonderwijs " geschrapt.
Art. 27. Dans le chapitre II du titre IV du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 22 septembre 1998, 31 août 1999 et 5 décembre 2003, l'intitulé "Section 1re - L'enseignement fondamental ordinaire" est supprimé.
Art. 28. Artikel 34 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 22 september 1998, 31 augustus 1999 en 5 december 2003, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 34. § 1. A. Instellingen die behoren tot een scholengemeenschap :
  Elke inrichtende macht is :
  1° Verplicht om, bij het toewijzen van een betrekking van het ambt van onderwijzer bij voorrang een beroep te doen :
  a) eerst op elke directeur van een basisschool die tot dezelfde scholengemeenschap behoort en die ze ter beschikking heeft gesteld bij toepassing van de wettelijke bepalingen tot opheffing van de vierde graden of van artikel 22, a en c, van de gecoördineerde wetten op het lager onderwijs, of nog van de bepalingen van het koninklijk besluit houdende de eerste maatregelen tot rationalisatie van het gewoon lager onderwijs. Als deze inrichtende macht zelf verscheidene directeurs ter beschikking heeft gesteld, begint ze opnieuw in dienst te roepen degene die de grootste dienstanciënniteit heeft en, bij gelijke dienst anciënniteit degene met de grootste ambtsanciënniteit; bij gelijke ambtsanciënniteit heeft het oudste personeelslid voorrang;
  b) dan op elke directeur van een basisschool die tot dezelfde scholengemeenschap behoort en die ter beschikking gesteld is bij toepassing van de wettelijke bepalingen tot opheffing van de vierde graden of van artikel 22, a en c, en van de gecoördineerde wetten op het lager onderwijs, of nog van de bepalingen van het koninklijk besluit houdende eerste maatregelen tot rationalisatie van het gewoon lager onderwijs in een lagere school of in een basisschool die ze van een andere inrichtende macht heeft overgenomen.
  2° Elke inrichtende macht is in volgende volgorde :
  a) Verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in "hetzelfde ambt" in een instelling van de inrichtende macht die tot dezelfde scholengemeenschap behoort, bij wijze van reaffectatie en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst te nemen in die instelling. Deze verplichting geldt eveneens voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur en door personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt.
  b) Verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in "hetzelfde ambt" in een instelling van de inrichtende macht die tot dezelfde scholengemeenschap behoort, bij wijze van reaffectatie en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst te nemen in een instelling van de inrichtende macht die tot dezelfde scholengemeenschap behoort. Deze verplichting geldt eveneens voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur en voor personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt.
  c) Verplicht elke directeur van een basisschool die tot dezelfde scholengemeenschap behoort en bij deze inrichtende macht ter beschikking gesteld is bij toepassing van de wettelijke bepalingen tot opheffing van de vierde graden of van artikel 22, a en c, van de gecoördineerde wetten op het lager onderwijs, of nog van de bepalingen van het koninklijk besluit houdende de eerste maatregelen tot rationalisatie van het gewoon lager onderwijs of die ter beschikking werd gesteld in een lagere school die ze van een andere inrichtende macht heeft overgenomen in dienst te nemen, zelfs als ze nadien het hogervermeld personeelslid heeft vast benoemd in een van de ambten van onderwijzer, van leermeester godsdienst of van leermeester niet-confessionele zedenleer of van leermeester lichamelijke opvoeding of van bijzonder leermeester;
  d) Verplicht elke persoon die bij deze inrichtende macht ter beschikking gesteld is in " hetzelfde ambt " in een instelling die tot dezelfde scholengemeenschap behoort en die van een andere inrichtende macht is overgenomen, hetzij door gewone overname, hetzij door fusie van instellingen in dienst te nemen. Deze verplichting geldt niet als een tijdelijk vacante betrekking aangeboden moet worden aan een ter beschikking gesteld directeur die met toepassing van artikel 129 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 belast is met de functie van adjunct-directeur, behalve als de tijdelijk vacante betrekking van directeur zich voordoet in de school waar het personeelslid de functie van adjunct-directeur waarneemt.
  Voor de toepassing van 1° en 2° geldt het volgende :
  - Als de inrichtende macht en het personeelslid akkoord gaan, kan van deze volgorde worden afgeweken.
  - Als het gaat om een wervingsambt wordt het personeelslid met de grootste dienstanciënniteit eerst in dienst geroepen. Bij gelijke dienstanciënniteit heeft het personeelslid met de grootste ambtsanciënniteit voorrang. Is de ambtsanciënniteit gelijk dan wordt aan het oudste personeelslid eerst een betrekking toegewezen.
  3° Verplicht om en naar keuze, bij het toewijzen van een functie van adjunct-directeur, bedoeld bij artikel 129 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, één van de directeurs van een basisschool in dienst te nemen die ten gevolge van de vrijwillige fusie ter beschikking zijn gesteld wegens ontstentenis van betrekking.
  4° Vrij om één van de ter beschikking gestelde personeelsleden van de instellingen van de inrichtende macht die tot dezelfde scholengemeenschap behoren, in dienst te nemen bij wijze van wedertewerkstelling binnen dezelfde categorie in een instelling van de inrichtende macht die tot dezelfde scholengemeenschap behoort. Deze wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het terbeschikkinggestelde personeelslid. Deze vrijwillige wedertewerkstelling kan ook plaatsvinden in een betrekking die wordt ingenomen door een personeelslid dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven.
  5° Verplicht om de ter beschikking gestelde personeelsleden van de instellingen van de scholengemeenschap die door de reaffectatiecommissie van de scholengemeenschap worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling binnen dezelfde categorie, in dienst te nemen. Dit geldt niet als de betrekking die moet worden toegewezen een betrekking is van directeur, op voorwaarde dat de inrichtende macht de betrekking toewijst aan één van haar personeelsleden.
  Deze verplichting geldt eveneens voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur en door personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt, met uitzondering van de betrekking van directeur op voorwaarde dat de inrichtende macht de betrekking toewijst aan één van haar personeelsleden.
  Deze verplichting geldt niet als een betrekking moet worden aangeboden aan een ter beschikking gestelde directeur die met toepassing van artikel 129 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 belast is met de functie van adjunct-directeur in een instelling van een andere inrichtende macht.
  6° En onverminderd de bepalingen van hetzij het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs hetzij het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, in volgende volgorde :
  a) vrij een mutatie of nieuwe affectatie door te voeren;
  b) verplicht een personeelslid aan te stellen of in dienst te houden dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven;
  c) vrij een ter beschikking gesteld personeelslid in dienst te nemen;
  d) vrij een personeelslid aan te stellen dat de voorwaarden vervult van artikel 2, § 2, 5°.
  7° Verplicht in het gemeenschapsonderwijs om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de reaffectatiecommissie van de scholengroep worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen.
  8° Verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de interprovinciale reaffectatiecommissie worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen.
  9° Verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de Vlaamse reaffectatiecommissie worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen.
  B. Instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren.
  Elke inrichtende macht is :
  1° Verplicht om, bij het toewijzen van een betrekking van het ambt van onderwijzer bij voorrang een beroep te doen :
  a) eerst op elke directeur van een basisschool die niet tot een scholengemeenschap behoort en die ze ter beschikking heeft gesteld bij toepassing van de wettelijke bepalingen tot opheffing van de vierde graden of van artikel 22, a en c, van de gecoördineerde wetten op het lager onderwijs, of nog van de bepalingen van het koninklijk besluit houdende de eerste maatregelen tot rationalisatie van het gewoon lager onderwijs. Als deze inrichtende macht zelf verscheidene directeurs ter beschikking heeft gesteld, begint ze opnieuw in dienst te roepen degene die de grootste dienstanciënniteit heeft en, bij gelijke dienst anciënniteit degene met de grootste ambtsanciënniteit; bij gelijke ambtsanciënniteit heeft het oudste personeelslid voorrang;
  b) dan op elke directeur van een basisschool die niet tot een scholengemeenschap behoort en die ter beschikking gesteld is bij toepassing van de wettelijke bepalingen tot opheffing van de vierde graden of van artikel 22, a en c, en van de gecoördineerde wetten op het lager onderwijs, of nog van de bepalingen van het koninklijk besluit houdende eerste maatregelen tot rationalisatie van het gewoon lager onderwijs in een lagere school of in een basisschool die ze van een andere in richtende macht heeft overgenomen, zelfs als ze nadien het hogervermeld personeelslid heeft vast benoemd in een van de ambten van onderwijzer, van leermeester godsdienst of van leermeester niet-confessionele zedenleer of van leermeester lichamelijke opvoeding of van bijzonder leermeester;
  2° Elke inrichtende macht is in volgende volgorde :
  a) Verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in "hetzelfde ambt" in een instelling van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoort, bij wijze van reaffectatie en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst te nemen in die instelling. Deze verplichting geldt eveneens voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur en door personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt.
  b) Verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in "hetzelfde ambt" in een instelling van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoort of in een instelling van deze inrichtende macht die vóór 1 september 2005 werd gesloten, bij wijze van reaffectatie en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst te nemen in een instelling van deze inrichtende macht die niet tot dezelfde scholengemeenschap behoort. Deze verplichting geldt eveneens voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur en voor personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt.
  c) Verplicht elke directeur van een basisschool die niet tot een scholengemeenschap behoort en die bij deze inrichtende macht ter beschikking gesteld is bij toepassing van de wettelijke bepalingen tot opheffing van de vierde graden of van artikel 22, a en c, van de gecoördineerde wetten op het lager onderwijs, of nog van de bepalingen van het koninklijk besluit houdende de eerste maatregelen tot rationalisatie van het gewoon lager onderwijs of die ter beschikking werd gesteld in een lagere school die ze van een andere inrichtende macht heeft overgenomen in dienst te nemen, zelfs als ze nadien het hogervermeld personeelslid heeft vast benoemd in een van de ambten van onderwijzer, van leermeester godsdienst of van leermeester niet-confessionele zedenleer of van leermeester lichamelijke opvoeding of van bijzonder leermeester;
  d) Verplicht elke persoon die bij deze inrichtende macht ter beschikking gesteld is in " hetzelfde ambt " in een instelling die niet tot een scholengemeenschap behoort en die van een andere inrichtende macht is overgenomen, hetzij door gewone overname, hetzij door fusie van instellingen in dienst te nemen. Deze verplichting geldt niet als een tijdelijk vacante betrekking aangeboden moet worden aan een ter beschikking gesteld directeur die met toepassing van artikel 129 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 belast is met de functie van adjunct-directeur, behalve als de tijdelijk vacante betrekking van directeur zich voordoet in de school waar het personeelslid de functie van adjunct-directeur waarneemt.
  Voor de toepassing van 1° en 2° geldt het volgende :
  - Als de inrichtende macht en het personeelslid akkoord gaan, kan van deze volgorde worden afgeweken.
  - Als de inrichtende macht verscheidene personen ter beschikking heeft gesteld, begint ze als het gaat om een wervingsambt, opnieuw in dienst te roepen degene die de grootste dienstanciënniteit heeft en bij gelijke dienstanciënniteit, degene met de grootste ambtsanciënniteit; bij gelijke ambtsanciënniteit heeft het oudste personeelslid voorrang;
  3° Verplicht om en naar keuze, bij het toewijzen van een functie van adjunct-directeur, bedoeld bij artikel 129 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, één van de directeurs van een basisschool in dienst te nemen die ten gevolge van de vrijwillige fusie ter beschikking zijn gesteld wegens ontstentenis van betrekking.
  4° Vrij om één van de terbeschikkinggestelde personeelsleden van de instellingen van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren, in dienst te nemen bij wijze van wedertewerkstelling binnen dezelfde categorie in een instelling van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoort. Deze wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het terbeschikkinggestelde personeelslid. Deze vrijwillige wedertewerkstelling kan ook plaatsvinden in een betrekking die wordt ingenomen door een personeelslid dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven.
  5° Verplicht om de terbeschikkinggestelde personeelsleden die :
  a) door de reaffectatiecommissie van de scholengroep voor wat het gemeenschapsonderwijs betreft;
  b) door de interprovinciale reaffectatiecommissie voor wat het gesubsidieerd onderwijs betreft;
  c) door de Vlaamse reaffectatiecommissie voor wie geen interprovinciale reaffectatiecommissie bestaat;
  worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen. Dat geldt niet als de betrekking die moet worden toegewezen een betrekking is van directeur, op voorwaarde dat de inrichtende macht de betrekking toewijst aan één van haar personeelsleden. Deze verplichting geldt eveneens voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur en door personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt, met uitzondering van de betrekkingen van directeur die door de inrichtende macht zijn toegewezen aan één van haar personeelsleden.
  6° En onverminderd de bepalingen van hetzij het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs hetzij het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, in volgende volgorde :
  a) vrij een mutatie of nieuwe affectatie door te voeren;
  b) verplicht een personeelslid aan te stellen of in dienst te houden dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven;
  c) vrij een ter beschikking gesteld personeelslid in dienst te nemen;
  d) vrij een personeelslid aan te stellen dat de voorwaarden vervult van artikel 2, § 2, 5°.
  7° In het gemeenschapsonderwijs verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de interprovinciale reaffectatiecommissie worden toegewezen bij wijze vat reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen.
  8° Verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de Vlaamse reaffectatiecommissie worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen.
  C. Instellingen van netoverschrijdende scholengemeenschappen
  Elke inrichtende macht is in volgende volgorde :
  1° Verplicht om, bij het toewijzen van een betrekking van het ambt van onderwijzer bij voorrang een beroep te doen :
  a) eerst op elke directeur van een basisschool die tot dezelfde scholengemeenschap behoort en die ze ter beschikking heeft gesteld bij toepassing van de wettelijke bepalingen tot opheffing van de vierde graden of van artikel 22, a en c, van de gecoördineerde wetten op het lager onderwijs, of nog van de bepalingen van het koninklijk besluit houdende de eerste maatregelen tot rationalisatie van het gewoon lager onderwijs. Als deze inrichtende macht zelf verscheidene directeurs ter beschikking heeft gesteld, begint ze opnieuw in dienst te roepen degene die de grootste dienstanciënniteit heeft en, bij gelijke dienst anciënniteit degene met de grootste ambtsanciënniteit; bij gelijke ambtsancienniteit heeft het oudste personeelslid voorrang;
  b) dan op elke directeur van een basisschool die tot dezelfde scholengemeenschap behoort en die ter beschikking gesteld is bij toepassing van de wettelijke bepalingen tot opheffing van de vierde graden of van artikel 22, a en c, en van de gecoördineerde wetten op het lager onderwijs, of nog van de bepalingen van het koninklijk besluit houdende eerste maatregelen tot rationalisatie van het gewoon lager onderwijs in een lagere school of in een basisschool die ze van een andere in richtende macht heeft overgenomen.
  2° Elke inrichtende macht is in volgende volgorde :
  a) Verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in "hetzelfde ambt" in een instelling van de inrichtende macht die tot dezelfde scholengemeenschap behoort, bij wijze van reaffectatie en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst te nemen in die instelling. Deze verplichting geldt eveneens voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur en door personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt.
  b) Verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in "hetzelfde ambt" in een instelling van de inrichtende macht die tot dezelfde scholengemeenschap behoort, bij wijze van reaffectatie en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst te nemen in een instelling van de inrichtende macht die tot dezelfde scholengemeenschap behoort. Deze verplichting geldt eveneens voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur en voor personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt.
  c) Verplicht elke directeur van een basisschool die tot dezelfde scholengemeenschap behoort en bij deze inrichtende macht ter beschikking gesteld is bij toepassing van de wettelijke bepalingen tot opheffing van de vierde graden of van artikel 22, a en c, van de gecoördineerde wetten op het lager onderwijs, of nog van de bepalingen van het koninklijk besluit houdende de eerste maatregelen tot rationalisatie van het gewoon lager onderwijs of die ter beschikking werd gesteld in een lagere school die ze van een andere inrichtende macht heeft overgenomen in dienst te nemen, zelfs als ze nadien het hogervermeld personeelslid heeft vast benoemd in een van de ambten van onderwijzer, van leermeester godsdienst of van leermeester niet-confessionele zedenleer of van leermeester lichamelijke opvoeding of van bijzonder leermeester;
  d) Verplicht elke persoon die bij deze inrichtende macht ter beschikking gesteld is in " hetzelfde ambt " in een instelling die tot dezelfde scholengemeenschap behoort en die van een andere inrichtende macht is overgenomen, hetzij door gewone overname, hetzij door fusie van instellingen in dienst te nemen. Deze verplichting geldt niet als een tijdelijk vacante betrekking aangeboden moet worden aan een ter beschikking gesteld directeur die met toepassing van artikel 129 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 belast is met de functie van adjunct-directeur, behalve als de tijdelijk vacante betrekking van directeur zich voordoet in de school waar het personeelslid de functie van adjunct-directeur waarneemt.
  Voor de toepassing van 1° en 2° geldt het volgende :
  - Als de inrichtende macht en het personeelslid akkoord gaan, kan van deze volgorde worden afgeweken.
  - Als het gaat om een wervingsambt wordt het personeelslid met de grootste dienstanciënniteit eerst in dienst geroepen. Bij gelijke dienstanciënniteit heeft het personeelslid met de grootste ambtsanciënniteit voorrang. Is de ambtsanciënniteit gelijk dan wordt aan het oudste personeelslid eerst een betrekking toegewezen.
  3° Verplicht om en naar keuze, bij het toewijzen van een functie van adjunct-directeur, bedoeld bij artikel 129 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, één van de directeurs van een basisschool in dienst te nemen die ten gevolge van de vrijwillige fusie ter beschikking zijn gesteld wegens ontstentenis van betrekking.
  4° Vrij om één van de terbeschikkinggestelde personeelsleden van de instellingen van de inrichtende macht die tot dezelfde scholengemeenschap behoren, in dienst te nemen bij wijze van wedertewerkstelling binnen dezelfde categorie in een instelling van de inrichtende macht die tot dezelfde scholengemeenschap behoort. Deze wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het terbeschikkinggestelde personeelslid. Deze vrijwillige wedertewerkstelling kan ook plaatsvinden in een betrekking die wordt ingenomen door een personeelslid dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven.
  5° Verplicht om de ter beschikking gestelde personeelsleden van de instellingen van de scholengemeenschap die door de reaffectatiecommissie van de scholengemeenschap worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling binnen dezelfde categorie, in dienst te nemen. Dit geldt niet als de betrekking die moet worden toegewezen een betrekking is van directeur, op voorwaarde dat de inrichtende macht de betrekking toewijst aan één van haar personeelsleden.
  Deze verplichting geldt eveneens voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur en door personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt, met uitzondering van de betrekking van directeur op voorwaarde dat de inrichtende macht de betrekking toewijst aan één van haar personeelsleden.
  Deze verplichting geldt niet als een betrekking moet worden aangeboden aan een ter beschikking gestelde directeur die met toepassing van artikel 129 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 belast is met de functie van adjunct-directeur in een instelling van een andere inrichtende macht.
  Als de instelling waar het ter beschikking gestelde personeelslid geaffecteerd is, behoort tot een ander net dan de instelling waarnaar het personeelslid wordt gereaffecteerd of wedertewerkgesteld, is het personeelslid niet verplicht de reaffectatie of wedertewerkstelling te aanvaarden.
  6° En onverminderd de bepalingen van hetzij het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs hetzij het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, in volgende volgorde :
  a) vrij een mutatie of nieuwe affectatie door te voeren;
  b) verplicht een personeelslid aan te stellen of in dienst te houden dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven;
  c) vrij een ter beschikking gesteld personeelslid in dienst te nemen;
  d) vrij een personeelslid aan te stellen dat de voorwaarden vervult van artikel 2, § 2, 5°.
  7° Verplicht in het gemeenschapsonderwijs om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de reaffectatiecommissie van de scholengroep worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen.
  8° Verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de interprovinciale reaffectatiecommissie worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen.
  9° Verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de Vlaamse reaffectatiecommissie worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen.
  § 2. Als aan de bepalingen in § 1 wordt voldaan, kan een inrichtende macht een wedde of een weddentoelage bekomen voor een tijdelijk aangesteld personeelslid dat een betrekking bekleedt die vatbaar is voor reaffectatie of wedertewerkstelling op voorwaarde dat de betrekking aangegeven is aan de bevoegde reaffectatiecommissie, overeenkomstig de voorgeschreven procedure.
  Deze wedde of weddentoelage wordt verstrekt tot de ingangsdatum van de reaffectatie of wedertewerkstelling door de reaffectatiecommissies in deze betrekking.
  Als een ter beschikking gesteld personeelslid wordt toegewezen, moet de inrichtende macht dit personeelslid in dienst nemen.
  § 3. Als een inrichtende macht over meerdere vacatures in " hetzelfde ambt " beschikt, moet elke reaffectatie en wedertewerkstelling eerst gebeuren in vacante betrekkingen, vervolgens in niet-vacante betrekkingen.
  Deze verplichting geldt eveneens voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur en door personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt.
  Zowel bij vacante als bij niet-vacante betrekkingen gebeurt de toewijzing eerst in een betrekking die niet wordt ingenomen door een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur.
  § 4. De personeelsleden ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking, moeten, zelfs al zijn ze niet onmiddellijk beschikbaar, gereaffecteerd of wedertewerkgesteld worden.
  § 5. Een wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld personeelslid dat reeds in drie instellingen fungeert en dat ten minste vier vijfden van een volledige opdracht vervult, moet niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld worden naar een andere instelling buiten deze drie instellingen.
  § 6. Een reaffectatie in de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel gebeurt bij voorrang in een betrekking met dezelfde puntenwaarde als die van het ter beschikking gestelde personeelslid, vervolgens in een betrekking met een andere puntenwaarde. ".
Art. 28. L'article 34 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 22 septembre 1998, 31 août 1999 et 5 décembre 2003, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 34. § 1er. A. Etablissements appartenant à un centre d'enseignement :
  Tout pouvoir organisateur est :
  1° tenu, lors de l'attribution d'un emploi dans la fonction d'instituteur primaire, de faire appel en priorité :
  a) en premier lieu, à tout directeur d'une école fondamentale appartenant au même centre d'enseignement qu'il a mis en disponibilité par application des dispositions légales tendant à supprimer les quatrièmes degrés ou de l'article 22, litteras a et c, des lois coordonnées sur l'enseignement primaire ou encore des dispositions de l'arrêté royal portant les premières mesures de rationalisation et de programmation de l'enseignement primaire ordinaire. Si le pouvoir organisateur a lui-même procédé à la mise en disponibilité de plusieurs directeurs, il commence à rappeler en service celui qui a le plus d'ancienneté de service et, à ancienneté de service égale, celui qui a le plus d'ancienneté de fonction; à ancienneté de fonction égale, il accorde la priorité au membre du personnel le plus âgé;
  b) ensuite, à tout directeur d'une école fondamentale appartenant au même centre d'enseignement mis en disponibilité par application des dispositions légales tendant à supprimer les quatrièmes degrés ou de l'article 22, litteras a et c, des lois coordonnées sur l'enseignement primaire ou encore des dispositions de l'arrêté royal portant les premières mesures de rationalisation de l'enseignement primaire ordinaire dans une école primaire ou dans une école fondamentale qu'il a reprise d'un autre pouvoir organisateur.
  2° Tout pouvoir organisateur est, dans l'ordre suivant :
  a) tenu d'engager auprès du même établissement les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" dans un établissement du pouvoir organisateur appartenant au même centre d'enseignement, à titre de réaffectation et dans les limites des prestations pour lesquelles la mise en disponibilité a été prononcée. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue et par des membres du personnel désignés à titre intérimaire ou temporaire dans une fonction de sélection ou de promotion.
  b) tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" dans un établissement du pouvoir organisateur appartenant au même centre d'enseignement, à titre de réaffectation et dans les limites des prestations pour lesquelles la mise en disponibilité a été prononcée, et ce dans un établissement du pouvoir organisateur appartenant au même centre d'enseignement. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue et les membres du personnel désignés à titre intérimaire ou temporaire dans une fonction de sélection ou de promotion.
  c) tenu d'engager tout directeur d'école fondamentale appartenant au même centre d'enseignement et mis en disponibilité auprès de ce pouvoir organisateur par application des dispositions légales supprimant les quatrièmes degrés ou de l'article 22, litteras a et c, des lois coordonnées sur l'enseignement primaire ou encore des dispositions de l'arrêté royal portant les premières mesures de rationalisation de l'enseignement primaire ordinaire, ou qui a été mis en disponibilité dans une école primaire reprise d'un autre pouvoir organisateur, même s'il a par la suite nommé ce membre du personnel à titre définitif dans une des fonctions d'instituteur primaire, de maître de religion, de maître de morale non confessionnelle, de maître d'éducation physique ou de maître spécial;
  d) tenu d'engager toute personne mise en disponibilité auprès de ce pouvoir organisateur dans "la même fonction" dans un établissement appartenant au même centre d'enseignement et ayant été repris d'un autre pouvoir organisateur, soit par simple reprise, soit par fusion d'établissements. Cette obligation n'a pas lieu lorsqu'un emploi temporairement vacant doit être offert à un directeur mis en disponibilité qui, par application de l'article 129 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, est chargé de la fonction de directeur adjoint, excepté lorsque l'emploi de directeur est temporairement vacant dans l'école où le membre du personnel exerce la fonction intérimaire de directeur adjoint.
  Aux points 1° et 2° s'appliquent les dispositions suivantes :
  - Lorsque le pouvoir organisateur et le membre du personnel sont d'accord, il peut être dérogé de cet ordre.
  - Lorsqu'il s'agit d'une fonction de recrutement, le membre du personnel ayant la plus grande ancienneté de service est le premier appelé à la fonction. A ancienneté de service égale, le membre du personnel ayant la plus grande ancienneté de fonction a la priorité. A ancienneté de fonction égale, le membre du personnel le plus âgé est le premier désigné à une fonction.
  3° tenu, lors de l'attribution d'une fonction de directeur adjoint, visé à l'article 129 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, d'engager, au choix, un des directeurs d'école fondamentale mis en disponibilité par défaut d'emploi à la suite de la fusion volontaire.
  4° libre d'engager un des membres du personnel mis en disponibilité des établissements du pouvoir organisateur appartenant au même centre d'enseignement, à titre de remise au travail dans la même catégorie auprès d'un établissement du pouvoir organisateur appartenant au même centre d'enseignement. Cette remise au travail s'opère toujours avec le consentement du membre du personnel mis en disponibilité. Cette remise au travail volontaire peut également avoir lieu dans un emploi occupé par un membre du personnel ayant acquis le droit à une désignation à titre temporaire à durée ininterrompue.
  5° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité des établissements appartenant au centre d'enseignement qui sont attribués, à titre de réaffectation ou de remise au travail dans la même catégorie, par la commission de réaffectation. Cette disposition ne s'applique pas si l'emploi devant être attribué est un emploi de directeur, à condition que le pouvoir organisateur attribue l'emploi à un de ses membres du personnel.
  Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue et par des membres du personnel désignés à titre intérimaire ou temporaire dans une fonction de sélection ou de promotion, à l'exception de l'emploi de directeur, à condition que le pouvoir organisateur attribue l'emploi à un de ses membres du personnel.
  Cette obligation n'a pas lieu lorsqu'un emploi doit être offert à un directeur mis en disponibilité d'emploi qui, par application de l'article 129 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, est chargé de la fonction de directeur adjoint dans un établissement d'un autre pouvoir organisateur.
  6° et sans préjudice des dispositions soit du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, soit du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves, dans l'ordre suivant :
  a) libre de procéder à une mutation ou une nouvelle affectation;
  b) tenu de désigner ou de maintenir en service un membre du personnel ayant acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue;
  c) libre d'engager un membre du personnel mis en disponibilité;
  d) libre de désigner un membre du personnel répondant aux conditions de l'article 2, § 2, 5°.
  7° tenu, dans l'enseignement communautaire, d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et qui sont attribués, à titre de réaffectation ou de remise au travail, par la commission de réaffectation du groupe d'écoles.
  8° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et affectés par la commission interprovinciale de réaffectation, par voie de réaffectation ou de remise au travail.
  9° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et affectés par la commission flamande de réaffectation, par voie de réaffectation ou de remise au travail.
  B. Etablissements n'appartenant pas à un centre d'enseignement
  Tout pouvoir organisateur est :
  1° tenu, lors de l'attribution d'un emploi dans la fonction d'instituteur primaire, de faire appel en priorité :
  a) en premier lieu, à tout directeur d'une école fondamentale n'appartenant pas à un centre d'enseignement qu'il a mis en disponibilité par application des dispositions légales tendant à supprimer les quatrièmes degrés ou de l'article 22, litteras a et c, des lois coordonnées sur l'enseignement primaire ou encore des dispositions de l'arrêté royal portant les premières mesures de rationalisation et de programmation de l'enseignement primaire ordinaire. Si le pouvoir organisateur a lui-même procédé à la mise en disponibilité de plusieurs directeurs, il commence à rappeler en service celui qui a le plus d'ancienneté de service et, à ancienneté de service égale, celui qui a le plus d'ancienneté de fonction; à ancienneté de fonction égale, il accorde la priorité au membre du personnel le plus âgé;
  b) ensuite, à tout directeur d'une école fondamentale n'appartenant pas à un centre d'enseignement qui est mis en disponibilité par application des dispositions légales tendant à supprimer les quatrièmes degrés ou de l'article 22, litteras a et c, des lois coordonnées sur l'enseignement primaire ou encore des dispositions de l'arrêté royal portant les premières mesures de rationalisation de l'enseignement primaire ordinaire dans une école primaire ou dans une école fondamentale qu'il a reprise d'un autre pouvoir organisateur, même s'il a par la suite nommé ce membre du personnel à titre définitif dans une des fonctions d'instituteur primaire, de maître de religion, de maître de morale non confessionnelle, de maître d'éducation physique ou de maître spécial;
  2° Tout pouvoir organisateur est, dans l'ordre suivant :
  a) tenu d'engager auprès du même établissement les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" dans un établissement du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement, à titre de réaffectation et dans les limites des prestations pour lesquelles la mise en disponibilité a été prononcée. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue et par des membres du personnel désignés à titre intérimaire ou temporaire dans une fonction de sélection ou de promotion;
  b) tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" auprès d'un établissement du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement ou auprès d'un établissement de ce pouvoir organisateur ayant été fermé avant le 1er septembre 2005, à titre de réaffectation et dans les limites des prestations pour lesquelles la mise en disponibilité a été prononcée, auprès d'un établissement de ce pouvoir organisateur n'appartenant pas au même centre d'enseignement. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue et les membres du personnel désignés à titre intérimaire ou temporaire dans une fonction de sélection ou de promotion;
  c) tenu d'engager tout directeur d'école fondamentale n'appartenant pas à un centre d'enseignement et mis en disponibilité auprès de ce pouvoir organisateur par application des dispositions légales supprimant les quatrièmes degrés ou de l'article 22, litteras a et c, des lois coordonnées sur l'enseignement primaire ou encore des dispositions de l'arrêté royal portant les premières mesures de rationalisation de l'enseignement primaire ordinaire, ou qui a été mis en disponibilité dans une école primaire reprise d'un autre pouvoir organisateur, même s'il a par la suite nommé ce membre du personnel à titre définitif dans une des fonctions d'instituteur primaire, de maître de religion, de maître de morale non confessionnelle, de maître d'éducation physique ou de maître spécial;
  d) tenu d'engager toute personne mise en disponibilité auprès de ce pouvoir organisateur dans "la même fonction" dans un établissement n'appartenant pas à un centre d'enseignement et ayant été repris d'un autre pouvoir organisateur, soit par simple reprise, soit par fusion d'établissements. Cette obligation n'a pas lieu lorsqu'un emploi temporairement vacant doit être offert à un directeur mis en disponibilité qui, par application de l'article 129 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, est charge de la fonction de directeur adjoint, excepté lorsque l'emploi de directeur est temporairement vacant dans l'école où le membre du personnel exerce la fonction intérimaire de directeur adjoint.
  Aux points 1° et 2° s'appliquent les dispositions suivantes :
  - Lorsque le pouvoir organisateur et le membre du personnel sont d'accord, il peut être dérogé de cet ordre.
  - Si le pouvoir organisateur a procédé à la mise en disponibilité de plusieurs personnes, il commence, s'il s'agit d'une fonction de recrutement, à rappeler en service celui qui a le plus d'ancienneté de service et, à ancienneté de service égale, celui qui a le plus d'ancienneté de fonction; à ancienneté de fonction égale, il accorde la priorité au membre du personnel le plus âgé;
  3° tenu, lors de l'attribution d'une fonction de directeur adjoint, visé à l'article 129 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, d'engager, au choix, un des directeurs d'école fondamentale mis en disponibilité par défaut d'emploi à la suite de la fusion volontaire;
  4° libre d'engager un des membres du personnel mis en disponibilité des établissements du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement, à titre de remise au travail dans la même catégorie auprès d'un établissement du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement. Cette remise au travail s'opère toujours avec le consentement du membre du personnel mis en disponibilité. Cette remise au travail volontaire peut également avoir lieu dans un emploi occupé par un membre du personnel ayant acquis le droit à une désignation à titre temporaire à durée ininterrompue;
  5° tenu d'engager les membres du personnel qui sont attribués, à titre de réaffectation ou de remise au travail,
  a) par la commission de réaffectation du groupe d'écoles pour ce qui concerne l'enseignement communautaire;
  b) par la commission interprovinciale de réaffectation pour ce qui concerne l'enseignement subventionné;
  c) par la commission flamande de réaffectation pour laquelle il n'existe pas de commission interprovinciale de réaffectation.
  Cette disposition ne s'applique pas si l'emploi devant être attribué est un emploi de directeur, à condition que le pouvoir organisateur attribue l'emploi à un de ses membres du personnel. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue et par des membres du personnel désignés à titre intérimaire ou temporaire dans une fonction de sélection ou de promotion, à l'exception des emplois de directeur que le pouvoir organisateur a attribués à un de ses membres du personnel;
  6° et sans préjudice des dispositions soit du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, soit du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves, dans l'ordre suivant :
  a) libre de procéder à une mutation ou une nouvelle affectation;
  b) tenu de désigner ou de maintenir en service un membre du personnel ayant acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue;
  c) libre d'engager un membre du personnel mis en disponibilité;
  d) libre de désigner un membre du personnel répondant aux conditions de l'article 2, § 2, 5°;
  7° dans l'enseignement communautaire, tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et affectés par la commission interprovinciale de réaffectation, par voie de réaffectation ou de remise au travail;
  8° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et affectés par la commission flamande de réaffectation, par voie de réaffectation ou de remise au travail.
  C. Etablissements de centres d'enseignement transréseaux
  Tout pouvoir organisateur est, dans l'ordre suivant :
  1° tenu, lors de l'attribution d'un emploi dans la fonction d'instituteur primaire, de faire appel en priorité :
  a) en premier lieu, à tout directeur d'une école fondamentale appartenant au même centre d'enseignement qu'il a mis en disponibilité par application des dispositions légales tendant à supprimer les quatrièmes degrés ou de l'article 22, litteras a et c, des lois coordonnées sur l'enseignement primaire ou encore des dispositions de l'arrêté royal portant les premières mesures de rationalisation et de programmation de l'enseignement primaire ordinaire. Si le pouvoir organisateur a lui-même procédé à la mise en disponibilité de plusieurs directeurs, il commence à rappeler en service celui qui a le plus d'ancienneté de service et, à ancienneté de service égale, celui qui a le plus d'ancienneté de fonction; à ancienneté de fonction égale, il accorde la priorité au membre du personnel le plus âgé;
  b) ensuite, à tout directeur d'une école fondamentale appartenant au même centre d'enseignement mis en disponibilité par application des dispositions légales tendant à supprimer les quatrièmes degrés ou de l'article 22, litteras a et c, des lois coordonnées sur l'enseignement primaire ou encore des dispositions de l'arrêté royal portant les premières mesures de rationalisation de l'enseignement primaire ordinaire dans une école primaire ou dans une école fondamentale qu'il a reprise d'un autre pouvoir organisateur.
  2° Tout pouvoir organisateur est, dans l'ordre suivant :
  a) tenu d'engager auprès du même établissement les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" dans un établissement du pouvoir organisateur appartenant au même centre d'enseignement, à titre de réaffectation et dans les limites des prestations pour lesquelles la mise en disponibilité a été prononcée. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue et par des membres du personnel désignés à titre intérimaire ou temporaire dans une fonction de sélection ou de promotion;
  b) tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" dans un établissement du pouvoir organisateur appartenant au même centre d'enseignement, à titre de réaffectation et dans les limites des prestations pour lesquelles la mise en disponibilité a été prononcée, et ce dans un établissement du pouvoir organisateur appartenant au même centre d'enseignement. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue et les membres du personnel désignés à titre intérimaire ou temporaire dans une fonction de sélection ou de promotion;
  c) tenu d'engager tout directeur d'école fondamentale appartenant au même centre d'enseignement et mis en disponibilité auprès de ce pouvoir organisateur par application des dispositions légales supprimant les quatrièmes degrés ou de l'article 22, litteras a et c, des lois coordonnées sur l'enseignement primaire ou encore des dispositions de l'arrêté royal portant les premières mesures de rationalisation de l'enseignement primaire ordinaire, ou qui a été mis en disponibilité dans une école primaire reprise d'un autre pouvoir organisateur, même s'il a par la suite nommé ce membre du personnel à titre définitif dans une des fonctions d'instituteur primaire, de maître de religion, de maître de morale non confessionnelle, de maître d'éducation physique ou de maître spécial;
  d) tenu d'engager toute personne mise en disponibilité auprès de ce pouvoir organisateur dans "la même fonction" dans un établissement appartenant au même centre d'enseignement et ayant été repris d'un autre pouvoir organisateur, soit par simple reprise, soit par fusion d'établissements. Cette obligation n'a pas lieu lorsqu'un emploi temporairement vacant doit être offert à un directeur mis en disponibilité qui, par application de l'article 129 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, est chargé de la fonction de directeur adjoint, excepté lorsque l'emploi de directeur est temporairement vacant dans l'école ou le membre du personnel exerce la fonction intérimaire de directeur adjoint.
  Aux points 1° et 2° s'appliquent les dispositions suivantes :
  - Lorsque le pouvoir organisateur et le membre du personnel sont d'accord, il peut être dérogé de cet ordre.
  - Lorsqu'il s'agit d'une fonction de recrutement, le membre du personnel ayant la plus grande ancienneté de service est le premier appelé à la fonction. A ancienneté de service égale, le membre du personnel ayant la plus grande ancienneté de fonction a la priorité. A ancienneté de fonction égale, le membre du personnel le plus âgé est le premier désigné à une fonction;
  3° tenu, lors de l'attribution d'une fonction de directeur adjoint, visé à l'article 129 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, d'engager, au choix, un des directeurs d'école fondamentale mis en disponibilité par défaut d'emploi à la suite de la fusion volontaire;
  4° libre d'engager un des membres du personnel mis en disponibilité des établissements du pouvoir organisateur appartenant au même centre d'enseignement, à titre de remise au travail dans la même catégorie auprès d'un établissement du pouvoir organisateur appartenant au même centre d'enseignement. Cette remise au travail s'opère toujours avec le consentement du membre du personnel mis en disponibilité. Cette remise au travail volontaire peut également avoir lieu dans un emploi occupé par un membre du personnel ayant acquis le droit à une désignation à titre temporaire à durée ininterrompue;
  5° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité des établissements appartenant au centre d'enseignement qui sont attribués, à titre de réaffectation ou de remise au travail dans la même catégorie, par la commission de réaffectation. Cette disposition ne s'applique pas si l'emploi devant être attribué est un emploi de directeur, à condition que le pouvoir organisateur attribue l'emploi à un de ses membres du personnel.
  Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue et par des membres du personnel désignés à titre intérimaire ou temporaire dans une fonction de sélection ou de promotion, à l'exception de l'emploi de directeur, à condition que le pouvoir organisateur attribue l'emploi à un de ses membres du personnel.
  Cette obligation n'a pas lieu lorsqu'un emploi doit être offert à un directeur mis en disponibilité d'emploi qui, par application de l'article 129 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, est chargé de la fonction de directeur adjoint dans un établissement d'un autre pouvoir organisateur.
  Si l'établissement auquel le membre du personnel mis en disponibilité est affecté appartient à un autre réseau que l'établissement auquel le membre du personnel est réaffecté ou remis au travail, celui-ci n'est pas obligé d'accepter la réaffectation ou la remise au travail;
  6° et sans préjudice des dispositions soit du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, soit du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves, dans l'ordre suivant :
  a) libre de procéder à une mutation ou une nouvelle affectation;
  b) tenu de désigner ou de maintenir en service un membre du personnel ayant acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue;
  c) libre d'engager un membre du personnel mis en disponibilité;
  d) libre de désigner un membre du personnel répondant aux conditions de l'article 2, § 2, 5°;
  7° tenu, dans l'enseignement communautaire, d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et qui sont attribués, à titre de réaffectation ou de remise au travail, par la commission de réaffectation du groupe d'écoles;
  8° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et affectés par la commission interprovinciale de réaffectation, par voie de réaffectation ou de remise au travail;
  9° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et affectés par la commission flamande de réaffectation, par voie de réaffectation ou de remise au travail.
  § 2. S'il est satisfait aux dispositions du § 1er, un pouvoir organisateur peut obtenir un traitement ou une subvention-traitement pour un membre du personnel temporaire occupant un emploi susceptible de réaffectation ou de remise au travail, pourvu que l'emploi soit déclaré à la commission de réaffectation compétente, conformément à la procédure prescrite.
  Ce traitement ou cette subvention-traitement est accordé(e) jusqu'à la date initiale de la réaffectation ou de la remise au travail dans l'emploi concerné par les commissions de réaffectation.
  Si un membre du personnel en disponibilité est attribué, le pouvoir organisateur est tenu de l'engager.
  § 3. Si un pouvoir organisateur dispose de plusieurs vacances d'emploi dans "la même fonction", chaque réaffectation et chaque remise au travail doivent d'abord avoir lieu dans des emplois vacants et ensuite dans des emplois non vacants.
  Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue et par des membres du personnel désignés à titre intérimaire ou temporaire dans une fonction de sélection ou de promotion.
  L'attribution, pour des emplois vacants comme pour des emplois non vacants, a d'abord lieu dans un emploi non occupé par un membre du personnel temporaire désigné pour une durée ininterrompue.
  § 4. Les membres du personnel en disponibilité par défaut d'emploi doivent être réaffectés ou remis au travail, même s'ils ne sont pas immédiatement disponibles.
  § 5. Un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi qui est en fonction dans trois établissements et accomplit au moins les quatre cinquièmes d'une charge complète, ne doit pas être réaffecté ou remis au travail dans un autre établissement que les trois précités.
  § 6. Cette réaffectation dans la catégorie du personnel 'personnel de gestion et d'appui' s'effectue prioritairement dans un emploi ayant la même pondération que celle du membre du personnel mis en disponibilité et ensuite dans un emploi d'une autre pondération. ";
Art. 29. In hoofdstuk II van titel IV van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 22 september 1998, 31 augustus 1999 en 5 december 2003, wordt het opschrift " Afdeling 2. - Het buitengewoon basisonderwijs " geschrapt.
Art. 29. Dans le chapitre II du titre IV du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 22 septembre 1998, 31 août 1999 et 5 décembre 2003, l'intitulé "Section 2. - L'enseignement fondamental ordinaire" est supprimé.
Art. 30. Artikel 35, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 22 september 1998, 31 augustus 1999 en 5 december 2003, wordt opgeheven.
Art. 30. L'article 35 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 22 septembre 1998, 31 août 1999 et 5 décembre 2003, est abrogé.
Art. 31. In hoofdstuk III van titel IV van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 31 augustus 1999 en 5 december 2003, wordt het opschrift " Afdeling 1 - Het gewoon voltijds secundair onderwijs, het deeltijds secundair zeevisserijonderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs " geschrapt.
Art. 31. Dans le chapitre III du titre IV du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 31 août 1999 et 5 décembre 2003, l'intitulé "Section 1re - L'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, l'enseignement secondaire de pêche maritime à temps partiel et l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel" est supprimé.
Art. 32. In de plaats van artikel 36 van hetzelfde besluit, vernietigd bij het arrest 141.020 van 22 februari 2005 van de Raad van State, komt een nieuw artikel 36, dat luidt als volgt :
  " Art. 36. § 1. Dit artikel geldt niet voor de personeelsleden van het opvoedend hulppersoneel, het administratief personeel en het ondersteunend personeel.
  § 2. A. Instellingen die behoren tot een scholengemeenschap :
  Elke inrichtende macht is in volgende volgorde :
  1° a) Verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in " hetzelfde ambt " in een instelling of pedagogische entiteit van de inrichtende macht die tot dezelfde scholengemeenschap behoort, bij wijze van reaffectatie en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst te nemen in die instelling of pedagogische entiteit. Deze verplichting geldt eveneens voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur en voor personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt.
  b) Verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in " hetzelfde ambt " in een instelling van de inrichtende macht die tot dezelfde scholengemeenschap behoort, bij wijze van reaffectatie en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst te nemen in een instelling van de inrichtende macht die tot dezelfde scholengemeenschap behoort. Deze verplichting geldt eveneens voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur en voor personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt.
  Als de inrichtende macht en het personeelslid akkoord gaan, kan van deze volgorde worden afgeweken.
  Als het gaat om een wervingsambt wordt het personeelslid met de grootste dienstanciënniteit eerst in dienst geroepen. Bij gelijke dienstanciënniteit heeft het personeelslid met de grootste ambtsanciënniteit voorrang. Is de ambtsanciënniteit gelijk dan wordt aan het oudste personeelslid eerst een betrekking toegewezen.
  2° Vrij om één van de terbeschikkinggestelde personeelsleden van de instellingen van de inrichtende macht die tot dezelfde scholengemeenschap behoren, in dienst te nemen bij wijze van wedertewerkstelling binnen dezelfde categorie in een instelling van de inrichtende macht die tot dezelfde scholengemeenschap behoort. Deze wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het terbeschikkinggestelde personeelslid. Deze vrijwillige wedertewerkstelling kan ook plaatsvinden in een betrekking die wordt ingenomen door een personeelslid dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven.
  3° Verplicht om de terbeschikkinggestelde personeelsleden van de instellingen van de scholengemeenschap die door de reaffectatiecommissie van de scholengemeenschap worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling binnen dezelfde categorie, in dienst te nemen. Dat geldt niet als de betrekking die moet worden toegewezen een betrekking is van directeur of adjunct-directeur, op voorwaarde dat de inrichtende macht de betrekking toewijst aan één van haar personeelsleden.
  Deze verplichting geldt eveneens voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur en voor personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt, met uitzondering van de betrekkingen van directeur of adjunct-directeur die door de inrichtende macht zijn toegewezen aan één van haar personeelsleden.
  4° In volgende volgorde :
  a) vrij een mutatie of nieuwe affectatie door te voeren;
  b) verplicht een personeelslid in dienst te houden of aan te stellen dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven;
  c) vrij een ter beschikking gesteld personeelslid in dienst te nemen;
  d) vrij een personeelslid aan te stellen dat de voorwaarden vervult van artikel 2, § 2, 5°.
  5° Verplicht in het gemeenschapsonderwijs om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de reaffectatiecommissie van de scholengroep worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen.
  6° Verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de interprovinciale reaffectatiecommissie worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen.
  7° Verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de Vlaamse reaffectatiecommissie worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen.
  B. Instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren.
  Elke inrichtende macht is in volgende volgorde :
  1° a) Verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in " hetzelfde ambt " in een instelling of pedagogische entiteit van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoort, bij wijze van reaffectatie en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst te nemen in die instelling of pedagogische entiteit. Deze verplichting geldt eveneens voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur en voor personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt.
  b) Verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in " hetzelfde ambt " in een instelling van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoort of in een instelling van deze inrichtende macht die vóór 1 september 1999 werd gesloten, bij wijze van reaffectatie en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst te nemen in een instelling van deze inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoort. Deze verplichting geldt eveneens voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur en voor personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt.
  Als de inrichtende macht en het personeelslid akkoord gaan, kan van deze volgorde worden afgeweken.
  Als het gaat om een wervingsambt wordt het personeelslid met de grootste dienstanciënniteit eerst in dienst geroepen. Bij gelijke dienstanciënniteit heeft het personeelslid met de grootste ambtsanciënniteit voorrang. Is de ambtsanciënniteit gelijk dan wordt aan het oudste personeelslid eerst een betrekking toegewezen.
  2° Vrij om één van de terbeschikkinggestelde personeelsleden van de instellingen van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren, in dienst te nemen bij wijze van wedertewerkstelling binnen dezelfde categorie. Deze wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het terbeschikkinggestelde personeelslid. Deze vrijwillige wedertewerkstelling kan ook plaatsvinden in een betrekking die wordt ingenomen door een personeelslid dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven.
  3° Verplicht om de terbeschikkinggestelde personeelsleden die :
  a) door de reaffectatiecommissie van de scholengroep voor wat het gemeenschapsonderwijs betreft;
  b) door de interprovinciale reaffectatiecommissie voor wat het gesubsidieerd onderwijs, met uitzondering van het gesubsidieerd vrij niet-confessioneel onderwijs, betreft;
  c) door de Vlaamse reaffectatiecommissie voor wat het gesubsidieerd vrij niet-confessioneel onderwijs betreft;
  worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen. Dat geldt niet als de betrekking die moet worden toegewezen een betrekking is van directeur of adjunct-directeur, op voorwaarde dat de inrichtende macht de betrekking toewijst aan één van haar personeelsleden. Deze verplichting geldt eveneens voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur en voor personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt, met uitzondering van de betrekkingen van directeur of adjunct-directeur die door de inrichtende macht zijn toegewezen aan één van haar personeelsleden.
  4° In volgende volgorde :
  a) vrij een mutatie of nieuwe affectatie door te voeren;
  b) verplicht een personeelslid aan te stellen of in dienst te houden dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven;
  c) vrij een ter beschikking gesteld personeelslid in dienst te nemen;
  d) vrij een personeelslid aan te stellen dat de voorwaarden vervult van artikel 2, § 2, 5°.
  5° In het gemeenschapsonderwijs verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de interprovinciale reaffectatiecommissie worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen.
  6° Verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de Vlaamse reaffectatiecommissie worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen.
  C. Instellingen van netoverschrijdende scholengemeenschappen
  Elke inrichtende macht is in volgende volgorde :
  1° a) Verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in " hetzelfde ambt " in een instelling of pedagogische entiteit van de inrichtende macht die tot dezelfde scholengemeenschap behoort, bij wijze van reaffectatie en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst te nemen in die instelling of pedagogische entiteit. Deze verplichting geldt eveneens voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur en voor personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt.
  b) Verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in " hetzelfde ambt " in een instelling van de inrichtende macht die tot dezelfde scholengemeenschap behoort, bij wijze van reaffectatie en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst te nemen in een instelling van de inrichtende macht die tot dezelfde scholengemeenschap behoort. Deze verplichting geldt eveneens voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur en voor personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt.
  Als de inrichtende macht en het personeelslid akkoord gaan, kan van deze volgorde worden afgeweken.
  Als het gaat om een wervingsambt wordt het personeelslid met de grootste dienstanciënniteit eerst in dienst geroepen. Bij gelijke dienstanciënniteit heeft het personeelslid met de grootste ambtsanciënniteit voorrang. Is de ambtsanciënniteit gelijk dan wordt aan het oudste personeelslid eerst een betrekking toegewezen.
  2° Vrij om één van de terbeschikkinggestelde personeelsleden van de instellingen van de inrichtende macht die tot de scholengemeenschap behoren, in dienst te nemen bij wijze van wedertewerkstelling binnen dezelfde categorie. Deze wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het terbeschikkinggestelde personeelslid. Deze vrijwillige wedertewerkstelling kan ook plaatsvinden in een betrekking die wordt ingenomen door een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur.
  3° Verplicht om de terbeschikkinggestelde personeelsleden van de instellingen van de scholengemeenschap die door de reaffectatiecommissie van de scholengemeenschap worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling binnen dezelfde categorie, in dienst te nemen. Dat geldt niet als de betrekking die moet worden toegewezen een betrekking is van directeur of adjunct-directeur, op voorwaarde dat de inrichtende macht de betrekking toewijst aan één van haar personeelsleden. Deze verplichting geldt eveneens voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur en voor personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt, met uitzondering van de betrekkingen van directeur of adjunct-directeur die door de inrichtende macht zijn toegewezen aan één van haar personeelsleden.
  Als de instelling waar het terbeschikkinggestelde personeelslid geaffecteerd is, behoort tot een ander net dan de instelling waarnaar het personeelslid wordt gereaffecteerd of wedertewerkgesteld, is het personeelslid niet verplicht de reaffectatie of wedertewerkstelling te aanvaarden.
  4° In volgende volgorde :
  a) vrij een mutatie of nieuwe affectatie door te voeren;
  b) verplicht een personeelslid aan te stellen of in dienst te houden dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven;
  c) vrij een ter beschikking gesteld personeelslid in dienst te nemen;
  d) vrij een personeelslid aan te stellen dat de voorwaarden vervult van artikel 2, § 2, 5°.
  5° Verplicht in het gemeenschapsonderwijs om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de reaffectatiecommissie van de scholengroep worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen.
  6° Verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de interprovinciale reaffectatiecommissie worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen.
  7° Verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de Vlaamse reaffectatiecommissie worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen.
  § 3. Als aan de bepalingen in § 2 wordt voldaan, kan een inrichtende macht een wedde of een weddentoelage bekomen voor een tijdelijk aangesteld personeelslid dat een betrekking bekleedt die vatbaar is voor reaffectatie of wedertewerkstelling op voorwaarde dat de betrekking bij aangetekende brief aangegeven is aan de bevoegde reaffectatiecommissie, overeenkomstig de voorgeschreven procedure.
  Deze wedde of weddentoelage wordt verstrekt tot de ingangsdatum van de reaffectatie of wedertewerkstelling door de reaffectatiecommissies in deze betrekking.
  Als een ter beschikking gesteld personeelslid wordt toegewezen, moet de inrichtende macht dit personeelslid in dienst nemen.
  § 4. De wedde of weddentoelage wordt eveneens behouden van 1 september tot uiterlijk 15 september voor elke persoon die aangeworven is of in dienst wordt gehouden in een betrekking waarin een personeelslid ter beschikking gesteld in hetzelfde ambt in de scholengemeenschap of scholengroep ingevolge de bepalingen van dit besluit in dienst moest worden genomen.
  § 5. Als een inrichtende macht over meerdere vacatures in hetzelfde ambt beschikt, moet in principe elke reaffectatie en wedertewerkstelling eerst gebeuren in vacante betrekkingen, vervolgens in niet-vacante betrekkingen. In onderling akkoord tussen de inrichtende macht en het personeelslid kan hiervan worden afgeweken.
  Zowel bij vacante als bij niet-vacante betrekkingen gebeurt de toewijzing eerst in een betrekking die niet wordt ingenomen door een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur.
  § 6. De personeelsleden ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking, die een andere vorm van terbeschikkingstelling, een verlof of een afwezigheid genieten moeten, zelfs al zijn ze niet onmiddellijk beschikbaar, gereaffecteerd of wedertewerkgesteld worden.
  § 7. Een ter beschikking gesteld personeelslid dat reeds in drie instellingen fungeert en dat ten minste vier vijfden van een volledige opdracht vervult, moet niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld worden naar een andere instelling buiten deze drie instellingen.
  § 8. Voor de toepassing van dit artikel vormt de ingebouwde middenschool, bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit van 15 december 1982 tot vaststelling van de benaming en de structuur van de door de Staat georganiseerde inrichtingen voor secundair onderwijs, één instelling met de instelling waarmee zij één administratieve eenheid vormt. Dit geldt eveneens voor de pedagogische entiteit. ".
Art. 32. L'article 36 du même arrêté, annulé par l'arrêt 141.020 du 22 février 2005 du Conseil de l'Etat, est remplacé par un nouvel article 36, rédigé comme suit :
  " Art. 36. § 1er. Le présent article n'est pas applicable aux membres du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel administratif et du personnel d'appui.
  § 2. A. Etablissements appartenant à un centre d'enseignement :
  Tout pouvoir organisateur est, dans l'ordre suivant :
  1° a) tenu d'engager auprès du même établissement ou de la même unité pédagogique les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" dans un établissement ou une entité pédagogique du pouvoir organisateur appartenant au même centre d'enseignement, à titre de réaffectation et dans les limites des prestations pour lesquelles la mise en disponibilité a été prononcée. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue et les membres du personnel désignés à titre intérimaire ou temporaire dans une fonction de sélection ou de promotion.
  b) tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" dans un établissement du pouvoir organisateur appartenant au même centre d'enseignement, à titre de réaffectation et dans les limites des prestations pour lesquelles la mise en disponibilité a été prononcée, et ce dans un établissement du pouvoir organisateur appartenant au même centre d'enseignement. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue et les membres du personnel désignés à titre intérimaire ou temporaire dans une fonction de sélection ou de promotion.
  Lorsque le pouvoir organisateur et le membre du personnel sont d'accord, il peut être dérogé de cet ordre.
  Lorsqu'il s'agit d'une fonction de recrutement, le membre du personnel ayant la plus grande ancienneté de service est le premier appelé à la fonction. A ancienneté de service égale, le membre du personnel ayant la plus grande ancienneté de fonction a la priorité. A ancienneté de fonction égale, le membre du personnel le plus âgé est le premier désigné à une fonction.
  2° libre d'engager un des membres du personnel mis en disponibilité des établissements du pouvoir organisateur appartenant au même centre d'enseignement, à titre de remise au travail dans la même catégorie auprès d'un établissement du pouvoir organisateur appartenant au même centre d'enseignement. Cette remise au travail s'opère toujours avec le consentement du membre du personnel mis en disponibilité. Cette remise au travail volontaire peut également avoir lieu dans un emploi occupé par un membre du personnel ayant acquis le droit à une désignation à titre temporaire à durée ininterrompue;
  3° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité des établissements appartenant au centre d'enseignement qui sont attribués, à titre de réaffectation ou de remise au travail dans la même catégorie, par la commission de réaffectation du centre d'enseignement. Cette disposition ne s'applique pas si l'emploi devant être attribué est un emploi de directeur ou de directeur adjoint, à condition que le pouvoir organisateur attribue l'emploi à un de ses membres du personnel.
  Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue et les membres du personnel désignés à titre intérimaire ou temporaire dans une fonction de sélection ou de promotion, à l'exception des emplois de directeur ou de directeur adjoint que le pouvoir organisateur à attribues à un de ses membres du personnel;
  4° dans l'ordre suivant :
  a) libre de procéder à une mutation ou une nouvelle affectation;
  b) tenu de désigner ou de maintenir en service un membre du personnel ayant acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue;
  c) libre d'engager un membre du personnel mis en disponibilité;
  d) libre de désigner un membre du personnel répondant aux conditions de l'article 2, § 2, 5°;
  5° tenu, dans l'enseignement communautaire, d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et qui sont attribués, à titre de réaffectation ou de remise au travail, par la commission de réaffectation du groupe d'écoles;
  6° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et affectés par la commission interprovinciale de réaffectation, par voie de réaffectation ou de remise au travail;
  7° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et affectés par la commission flamande de réaffectation, par voie de réaffectation ou de remise au travail.
  B. Etablissements n'appartenant pas à un centre d'enseignement
  Tout pouvoir organisateur est, dans l'ordre suivant :
  1° a) tenu d'engager auprès du même établissement ou de la même unité pédagogique les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" dans un établissement ou une entité pédagogique du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement, à titre de réaffectation et dans les limites des prestations pour lesquelles la mise en disponibilité a été prononcée. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue et les membres du personnel désignés à titre intérimaire ou temporaire dans une fonction de sélection ou de promotion;
  b) tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" auprès d'un établissement du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement ou auprès d'un établissement de ce pouvoir organisateur ayant été fermé avant le 1er septembre 1999, à titre de réaffectation et dans les limites des prestations pour lesquelles la mise en disponibilité a été prononcée, auprès d'un établissement de ce pouvoir organisateur n'appartenant pas au même centre d'enseignement. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue et les membres du personnel désignés à titre intérimaire ou temporaire dans une fonction de sélection ou de promotion.
  Lorsque le pouvoir organisateur et le membre du personnel sont d'accord, il peut être dérogé de cet ordre.
  Lorsqu'il s'agit d'une fonction de recrutement, le membre du personnel ayant la plus grande ancienneté de service est le premier appelé à la fonction. A ancienneté de service égale, le membre du personnel ayant la plus grande ancienneté de fonction a la priorité. A ancienneté de fonction égale, le membre du personnel le plus âgé est le premier désigné à une fonction;
  2° libre d'engager un des membres du personnel mis en disponibilité des établissements du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement, à titre de remise au travail dans la même catégorie. Cette remise au travail s'opère toujours avec le consentement du membre du personnel mis en disponibilité. Cette remise au travail volontaire peut également avoir lieu dans un emploi occupé par un membre du personnel ayant acquis le droit à une désignation à titre temporaire à durée ininterrompue;
  3° tenu d'engager les membres du personnel qui sont attribués, à titre de réaffectation ou de remise au travail,
  a) par la commission de réaffectation du groupe d'écoles pour ce qui concerne l'enseignement communautaire;
  b) par la commission interprovinciale de réaffectation pour ce qui est de l'enseignement subventionné, à l'exception de l'enseignement libre non confessionnel subventionné;
  c) par la commission flamande de réaffectation pour ce qui est de l'enseignement libre non confessionnel subventionné.
  Cette disposition ne s'applique pas si l'emploi devant être attribué est un emploi de directeur ou de directeur adjoint, à condition que le pouvoir organisateur attribue l'emploi à un de ses membres du personnel. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue et les membres du personnel désignés à titre intérimaire ou temporaire dans une fonction de sélection ou de promotion, à l'exception des emplois de directeur ou de directeur adjoint que le pouvoir organisateur a attribués à un de ses membres du personnel;
  4° dans l'ordre suivant :
  a) libre de procéder à une mutation ou une nouvelle affectation;
  b) tenu de désigner ou de maintenir en service un membre du personnel ayant acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue;
  c) libre d'engager un membre du personnel mis en disponibilité;
  d) libre de désigner un membre du personnel répondant aux conditions de l'article 2, § 2, 5°;
  5° dans l'enseignement communautaire, tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et affectés par la commission interprovinciale de réaffectation, par voie de réaffectation ou de remise au travail;
  6° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et affectés par la commission flamande de réaffectation, par voie de réaffectation ou de remise au travail.
  C. Etablissements de centres d'enseignement transréseaux
  Tout pouvoir organisateur est, dans l'ordre suivant :
  1° a) tenu d'engager auprès du même établissement ou de la même unité pédagogique les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" dans un établissement ou une entité pédagogique du pouvoir organisateur appartenant au même centre d'enseignement, à titre de réaffectation et dans les limites des prestations pour lesquelles la mise en disponibilité a été prononcée. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue et les membres du personnel désignes à titre intérimaire ou temporaire dans une fonction de sélection ou de promotion;
  b) tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" dans un établissement du pouvoir organisateur appartenant au même centre d'enseignement, à titre de réaffectation et dans les limites des prestations pour lesquelles la mise en disponibilité a été prononcée, et ce dans un établissement du pouvoir organisateur appartenant au même centre d'enseignement. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue et les membres du personnel désignés à titre intérimaire ou temporaire dans une fonction de sélection ou de promotion.
  Lorsque le pouvoir organisateur et le membre du personnel sont d'accord, il peut être dérogé de cet ordre.
  Lorsqu'il s'agit d'une fonction de recrutement, le membre du personnel ayant la plus grande ancienneté de service est le premier appelé à la fonction. A ancienneté de service égale, le membre du personnel ayant la plus grande ancienneté de fonction a la priorité. A ancienneté de fonction égale, le membre du personnel le plus âgé est le premier désigné a une fonction;
  2° libre d'engager un des membres du personnel mis en disponibilité des établissements du pouvoir organisateur appartenant au centre d'enseignement, à titre de remise au travail dans la même catégorie. Cette remise au travail s'opère toujours avec le consentement du membre du personnel mis en disponibilité. Cette remise au travail volontaire peut également avoir lieu dans un emploi occupé par un membre du personnel désigné à titre temporaire pour une durée ininterrompue;
  3° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité des établissements appartenant au centre d'enseignement qui sont attribués, à titre de réaffectation ou de remise au travail dans la même catégorie, par la commission de réaffectation du centre d'enseignement. Cette disposition ne s'applique pas si l'emploi devant être attribué est un emploi de directeur ou de directeur adjoint, à condition que le pouvoir organisateur attribue l'emploi à un de ses membres du personnel. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue et les membres du personnel désignés à titre intérimaire ou temporaire dans une fonction de sélection ou de promotion, à l'exception des emplois de directeur ou de directeur adjoint que le pouvoir organisateur a attribués à un de ses membres du personnel.
  Si l'établissement auquel le membre du personnel mis en disponibilité est affecté appartient à un autre réseau que l'établissement auquel le membre du personnel est réaffecté ou remis au travail, celui-ci n'est pas obligé d'accepter la réaffectation ou la remise au travail;
  4° dans l'ordre suivant :
  a) libre de procéder à une mutation ou une nouvelle affectation;
  b) tenu de désigner ou de maintenir en service un membre du personnel ayant acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue;
  c) libre d'engager un membre du personnel mis en disponibilité;
  d) libre de désigner un membre du personnel répondant aux conditions de l'article 2, § 2, 5°;
  5° tenu, dans l'enseignement communautaire, d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et qui sont attribués, à titre de réaffectation ou de remise au travail, par la commission de réaffectation du groupe d'écoles;
  6° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et affectés par la commission interprovinciale de réaffectation, par voie de réaffectation ou de remise au travail.
  7° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et affectés par la commission flamande de réaffectation, par voie de réaffectation ou de remise au travail;
  § 3. S'il est satisfait aux dispositions du § 2, un pouvoir organisateur peut obtenir un traitement ou une subvention-traitement pour un temporaire occupant un emploi susceptible de réaffectation ou de remise au travail, pourvu que l'emploi soit déclaré par lettre recommandée à la commission de réaffectation compétente, conformément à la procédure prescrite.
  Ce traitement ou cette subvention-traitement est accordé(e) jusqu'à la date initiale de la réaffectation ou de la remise au travail dans l'emploi concerné par les commissions de réaffectation.
  Si un membre du personnel en disponibilité est attribué, le pouvoir organisateur est tenu de l'engager.
  § 4. En outre, le traitement ou la subvention-traitement est maintenu(e) du 1er septembre au 15 septembre au plus tard pour toute personne recrutée ou maintenue en service dans un emploi dans lequel un membre du personnel en disponibilité dans la même fonction du centre d'enseignement ou du groupe d'écoles devait être engagé par application des dispositions du présent arrêté.
  § 5. Si un pouvoir organisateur dispose de plusieurs vacances d'emploi dans la même fonction, chaque réaffectation et chaque remise au travail doivent d'abord avoir lieu dans des emplois vacants et ensuite dans des emplois non vacants. Il peut en être dérogé de commun accord entre le pouvoir organisateur et le membre du personnel.
  L'attribution, pour des emplois vacants comme pour des emplois non vacants, a d'abord lieu dans un emploi non occupe par un membre du personnel temporaire désigné pour une durée ininterrompue.
  § 6. Les membres du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi qui bénéficient d'une autre forme de mise en disponibilité, d'un congé ou d'une absence doivent être réaffectés ou remis au travail, même s'ils ne sont pas immédiatement disponibles.
  § 7. Un membre du personnel en disponibilité qui est en fonction dans trois établissements et accomplit au moins les quatre cinquièmes d'une charge complète, ne doit pas être réaffecté ou remis au travail dans un autre établissement que les trois précités.
  § 8. Pour l'application du présent article, la "Middenschool" intégrée, visée à l'article 7 de l'arrêté royal du 15 décembre 1982 fixant les appellations et la structure des établissements d'enseignement secondaire de l'Etat, constitue un établissement unique avec l'établissement avec lequel elle forme une unité administrative. C'est également le cas pour l'entité pédagogique. "
Art. 33. In artikel 36 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 1. Dit artikel geldt niet voor de personeelsleden van het ondersteunend personeel. ";
  2° in § 2, A. 1° worden in de laatste zin de woorden "en voor personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn" vervangen door de woorden : "en door personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn";
  3° in § 2, A. 3° worden de woorden "en voor personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn" vervangen door de woorden : "en door personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn";
  4° in § 2, B. 3° worden in de laatste zin de woorden "en voor personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn" vervangen door de woorden : "en door personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn";
  5° in § 2, C. 1° en 3° worden de woorden "en voor personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn" vervangen door de woorden : "en door personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn";
  6° in § 5 worden in de eerste zin de woorden "in principe" en de tweede zin opgeheven;
  7° in § 6 worden de woorden "die een andere vorm van terbeschikkingstelling, een verlof of een afwezigheid genieten", geschrapt.
Art. 33. A l'article 36 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
  1° le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Le présent article n'est pas applicable aux membres du personnel d'appui. ";
  2° au § 2, A, 1°, a), les mots "et pour les membres du personnel désignés à titre intérimaire ou temporaire" sont remplacés par les mots "et par des membres du personnel désignés à titre intérimaire ou temporaire";
  3° au § 2, A, 3°, les mots "et pour les membres du personnel désignés à titre intérimaire ou temporaire" sont remplacés par les mots "et par des membres du personnel désignés à titre intérimaire ou temporaire";
  4° au § 2, B, 3°, les mots "et pour les membres du personnel désignés à titre intérimaire ou temporaire" sont remplacés par les mots "et par des membres du personnel désignés à titre intérimaire ou temporaire";
  5° au § 2, C, 1° et 3°, les mots "et pour les membres du personnel désignés à titre intérimaire ou temporaire" sont remplacés par les mots "et par des membres du personnel désignés à titre intérimaire ou temporaire";
  6° au § 5 sont supprimés les mots "en principe" figurant dans la première phrase, ainsi que la deuxième phrase.
  7° au § 6, les mots "qui bénéficient d'une autre forme de mise en disponibilité, d'un congé ou d'une absence" sont supprimés.
Art. 34. In artikel 36 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 2, A, 2° wordt in de eerste zin tussen de woorden " in een instelling van de inrichtende macht die tot dezelfde " en het woord " behoort " het woord " scholengemeenschap " ingevoegd
  2° in § 2, A, 4° wordt de eerste zin vervangen door wat volgt :
  " 4° En onverminderd de bepalingen van hetzij het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs hetzij het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, in volgende volgorde : ";
  3° in § 2, B, 2° worden aan de eerste zin de woorden " in een instelling van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoort " toegevoegd;
  4° in § 2, B, 4° wordt de eerste zin vervangen door wat volgt :
  " 4° En onverminderd de bepalingen van hetzij het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs hetzij het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, in volgende volgorde : ";
  5° in § 2, C, 2° worden aan de eerste zin de woorden " in een instelling van de inrichtende macht die tot dezelfde scholengemeenschap behoort " toegevoegd;
  6° in § 2, C, 4° wordt de eerste zin vervangen door wat volgt :
  " 4° En onverminderd de bepalingen van hetzij het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs hetzij het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, in volgende volgorde : ";
  7° in § 3 worden de woorden " bij aangetekende brief " geschrapt.
Art. 34. A l'article 36 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 2, A, 2°, première phrase, de la version néerlandaise, il y a lieu d'insérer le mot "scholengemeenschap" entre les mots "in een instelling van de inrichtende macht die tot dezelfde" et le mot "behoort".
  2° au § 2, A, 4°, la première phrase est remplacée par ce qui suit :
  " 4° Et sans préjudice des dispositions soit du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, soit du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves, dans l'ordre suivant :";
  3° au § 2, B, 2°, les mots "dans un établissement du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement" sont ajoutés en fin de la première phrase;
  4° au § 2, B, 4°, la première phrase est remplacée par ce qui suit :
  " 4° Et sans préjudice des dispositions soit du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, soit du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves, dans l'ordre suivant :";
  5° au § 2, C, 2°, les mots "dans un établissement du pouvoir organisateur appartenant au même centre d'enseignement" sont ajoutés en fin de la première phrase;
  6° au § 2, C, 4°, la première phrase est remplacée par ce qui suit :
  " 4° Et sans préjudice des dispositions soit du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, soit du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves, dans l'ordre suivant :";
  7° au § 3, les mots "par lettre recommandée" sont supprimés.
Art. 35. In de plaats van artikel 36bis van hetzelfde besluit, vernietigd bij het arrest 141.020 van 22 februari 2005 van de Raad van State, komt een nieuw artikel 36bis, dat luidt als volgt :
  " Art. 36bis. § 1. In afwijking van artikel 36 is dit artikel van toepassing op de personeelsleden van het opvoedend hulppersoneel, het administratief personeel en het ondersteunend personeel.
  § 2. Voor de toepassing van dit artikel worden de categorieën van het opvoedend hulppersoneel, het administratief personeel en het ondersteunend personeel bij wedertewerkstelling beschouwd als één categorie.
  § 3. A. Instellingen die tot een scholengemeenschap behoren
  Elke inrichtende macht, en in volgende volgorde :
  1° Kan in de instelling waar het personeelslid ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking, dit personeelslid bij wijze van tewerkstelling en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst houden voor zover zij in deze instelling in " hetzelfde ambt " een betrekking van tenminste 63 punten kan oprichten. Deze tewerkstelling wordt ten aanzien van het personeelslid beschouwd als een reaffectatie.
  De inrichtende macht moet de puntenwaarde van deze betrekking aanzuiveren met niet-aangewende punten tot ze de vereiste puntenwaarde van het terbeschikkinggestelde personeelslid bereikt. Deze verplichting geldt enkel voor zover de inrichtende macht over voldoende punten beschikt.
  Het personeelslid met de grootste dienstanciënniteit wordt eerst in dienst geroepen. Bij gelijke dienstanciënniteit heeft het personeelslid met de grootste ambtsanciënniteit voorrang. Is de ambtsanciënniteit gelijk dan heeft het oudste personeelslid voorrang;
  2° Is verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in " hetzelfde ambt " in een instelling van de inrichtende macht die tot de scholengemeenschap behoort, bij wijze van reaffectatie en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst te nemen in vacante betrekkingen in instellingen van de inrichtende macht die tot dezelfde scholengemeenschap behoren. Deze verplichting geldt eveneens voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  Deze reaffectatie gebeurt bij voorrang in een betrekking met dezelfde puntenwaarde als die van het terbeschikkinggestelde personeelslid, vervolgens in een betrekking met een andere puntenwaarde.
  Als het personeelslid wordt gereaffecteerd in een betrekking met een puntenwaarde die verschilt van die waarvoor hij werd ter beschikking gesteld, wordt volgend principe toegepast :
  a) is de puntenwaarde van de betrekking lager dan de puntenwaarde van het terbeschikkinggestelde personeelslid, dan moet de inrichtende macht de puntenwaarde van de betrekking aanzuiveren met niet-aangewende punten tot ze de vereiste puntenwaarde bereikt. Deze verplichting geldt enkel voorzover de inrichtende macht over voldoende punten beschikt;
  b) is de puntenwaarde van de betrekking hoger dan de puntenwaarde van het terbeschikkinggestelde personeelslid, dan moet de inrichtende macht de puntenwaarde van de betrekking verminderen tot ze de vereiste puntenwaarde bereikt;
  3° Is binnen " hetzelfde ambt " verplicht de resterende vacante betrekkingen aan te bieden aan de personeelsleden die in instellingen van de inrichtende macht die tot de scholengemeenschap behoren virtueel ter beschikking gesteld zijn, in toepassing van artikel 98, 5° van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. Tot deze vacante betrekkingen behoren eveneens de vacante betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  Het personeelslid kan deze vacante betrekking slechts opnemen voorzover zijn puntenwaarde overeenkomt met de puntenwaarde van de aangeboden betrekking. De instelling kan evenwel haar niet-aangewende punten gebruiken om de aangeboden betrekking aan te passen aan de puntenwaarde van het personeelslid. Het personeelslid dat de betrekking aanvaardt, wordt dadelijk aan de nieuwe instelling geaffecteerd;
  4° Is binnen " hetzelfde ambt " verplicht de resterende vacante betrekkingen aan te bieden aan de personeelsleden van instellingen van de inrichtende macht die tot de scholengemeenschap behoren, zoals bedoeld in artikel 60, § 2, 2° van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. Tot deze vacante betrekkingen behoren eveneens de vacante betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  Het personeelslid kan deze vacante betrekking slechts opnemen voorzover zijn puntenwaarde overeenkomt met de puntenwaarde van de aangeboden betrekking. De instelling kan evenwel haar niet-aangewende punten gebruiken om de aangeboden betrekking aan te passen aan de puntenwaarde van het personeelslid. Het personeelslid dat de betrekking aanvaardt, wordt dadelijk aan de nieuwe instelling geaffecteerd;
  5° Is vrij om één van de terbeschikkinggestelde personeelsleden van de instellingen van de inrichtende macht die tot de scholengemeenschap behoren, in dienst te nemen bij wijze van wedertewerkstelling binnen dezelfde categorie in een vacante betrekking. Deze wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het terbeschikkinggestelde personeelslid. Deze vrijwillige wedertewerkstelling kan ook plaatsvinden in een vacante betrekking die wordt ingenomen door een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur.
  Deze wedertewerkstelling gebeurt bij voorrang in een betrekking met dezelfde puntenwaarde als die van het terbeschikkinggestelde personeelslid, vervolgens in een betrekking met een andere puntenwaarde.
  Als het personeelslid wordt wedertewerkgesteld in een betrekking met een puntenwaarde die verschilt van die waarvoor hij werd ter beschikking gesteld, wordt volgend principe toegepast :
  a) is de puntenwaarde van de betrekking lager dan de puntenwaarde van het terbeschikkinggestelde personeelslid, dan moet de inrichtende macht de puntenwaarde van de betrekking aanzuiveren met niet-aangewende punten tot ze de vereiste puntenwaarde bereikt. Deze verplichting geldt enkel voorzover de inrichtende macht over voldoende punten beschikt;
  b) is de puntenwaarde van de betrekking hoger dan de puntenwaarde van het terbeschikkinggestelde personeelslid, dan moet de inrichtende macht de puntenwaarde van de betrekking verminderen tot ze de vereiste puntenwaarde bereikt;
  6° Is verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in " hetzelfde ambt " in een instelling van de inrichtende macht die tot de scholengemeenschap behoort, bij wijze van reaffectatie en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst te nemen in een niet-vacante betrekking. Deze verplichting geldt ook voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  7° Is vrij om één van de terbeschikkinggestelde personeelsleden van de instellingen van de inrichtende macht die tot de scholengemeenschap behoren, in dienst te nemen bij wijze van wedertewerkstelling binnen dezelfde categorie in een niet-vacante betrekking. Deze wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het terbeschikkinggestelde personeelslid. Deze vrijwillige wedertewerkstelling kan ook plaatsvinden in een niet-vacante betrekking die wordt ingenomen door een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur.
  8° Is verplicht om de terbeschikkinggestelde personeelsleden in " hetzelfde ambt " van de instellingen die tot de scholengemeenschap behoren en die door de reaffectatiecommissie van de scholengemeenschap worden toegewezen bij wijze van reaffectatie, in dienst te nemen in een vacante betrekking. Deze verplichting geldt ook voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  Deze reaffectatie gebeurt bij voorrang in een betrekking met dezelfde puntenwaarde als die van het terbeschikkinggestelde personeelslid, vervolgens in een betrekking met een andere puntenwaarde.
  Als het personeelslid wordt gereaffecteerd in een betrekking met een puntenwaarde die verschilt van die waarvoor hij werd ter beschikking gesteld, wordt volgend principe toegepast :
  a) is de puntenwaarde van de betrekking lager dan de puntenwaarde van het terbeschikkinggestelde personeelslid, dan moet de scholengemeenschap de puntenwaarde van de betrekking aanzuiveren met niet-aangewende punten tot ze de vereiste puntenwaarde bereikt. Deze verplichting geldt enkel voorzover de scholengemeenschap over voldoende punten beschikt;
  b) is de puntenwaarde van de betrekking hoger dan de puntenwaarde van het terbeschikkinggestelde personeelslid, dan moet de scholengemeenschap de puntenwaarde van de betrekking verminderen tot ze de vereiste puntenwaarde bereikt;
  9° Is verplicht om de terbeschikkinggestelde personeelsleden van de instellingen die tot de scholengemeenschap behoren en die door de reaffectatiecommissie van de scholengemeenschap worden toegewezen bij wijze van wedertewerkstelling binnen dezelfde categorie, in dienst te nemen in een vacante betrekking. Deze wedertewerkstelling kan ook plaatsvinden in een vacante betrekking die wordt ingenomen door een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur. Deze wedertewerkstelling gebeurt bij voorrang in een betrekking met dezelfde puntenwaarde als die van het terbeschikkinggestelde personeelslid, vervolgens in een betrekking met een andere puntenwaarde.
  Als het personeelslid wordt wedertewerkgesteld in een betrekking met een puntenwaarde die verschilt van die waarvoor hij werd ter beschikking gesteld, wordt volgend principe toegepast :
  a) is de puntenwaarde van de betrekking lager dan de puntenwaarde van het terbeschikkinggestelde personeelslid, dan moet de scholengemeenschap de puntenwaarde van de betrekking aanzuiveren met niet-aangewende punten tot ze de vereiste puntenwaarde bereikt. Deze verplichting geldt enkel voorzover de scholengemeenschap over voldoende punten beschikt;
  b) is de puntenwaarde van de betrekking hoger dan de puntenwaarde van het terbeschikkinggestelde personeelslid, dan moet de scholengemeenschap de puntenwaarde van de betrekking verminderen tot ze de vereiste puntenwaarde bereikt;
  10° Is verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in " hetzelfde ambt " in instellingen die tot de scholengemeenschap behoren en die door de reaffectatiecommissie van de scholengemeenschap worden toegewezen bij wijze van reaffectatie en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst te nemen in een niet-vacante betrekking. Deze verplichting geldt ook voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  11° Is verplicht om de terbeschikkinggestelde personeelsleden van de instellingen die tot de scholengemeenschap behoren en die door de reaffectatiecommissie van de scholengemeenschap worden toegewezen bij wijze van wedertewerkstelling binnen dezelfde categorie, in dienst te nemen in een niet-vacante betrekking. Deze wedertewerkstelling kan ook plaatsvinden in een niet-vacante betrekking die wordt ingenomen door een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur.
  12° Is binnen " hetzelfde ambt " verplicht de resterende vacante betrekkingen aan te bieden aan de personeelsleden die in instellingen van de scholengemeenschap virtueel ter beschikking gesteld zijn, in toepassing van artikel 98, 5°, van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. Tot deze vacante betrekkingen behoren eveneens de vacante betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  Het personeelslid kan deze vacante betrekking slechts opnemen voorzover zijn puntenwaarde overeenkomt met de puntenwaarde van de aangeboden betrekking. De instelling kan evenwel haar niet-aangewende punten gebruiken om de aangeboden betrekking aan te passen aan de puntenwaarde van het personeelslid. Het personeelslid dat de betrekking aanvaardt, wordt gemuteerd en aan de nieuwe instelling geaffecteerd;
  13° Is binnen " hetzelfde ambt " verplicht de resterende vacante betrekkingen aan te bieden aan de personeelsleden van instellingen van de scholengemeenschap, zoals bedoeld in artikel 60, § 2, 2° van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. Tot deze vacante betrekkingen behoren eveneens de vacante betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  Het personeelslid kan deze vacante betrekking slechts opnemen voorzover zijn puntenwaarde overeenkomt met de puntenwaarde van de aangeboden betrekking. De instelling kan evenwel haar niet-aangewende punten gebruiken om de aangeboden betrekking aan te passen aan de puntenwaarde van het personeelslid;
  14° Kan een nieuwe betrekking oprichten, als hierna de scholengemeenschap over nog voldoende niet-aangewende punten beschikt. In deze betrekking wordt één van de terbeschikkinggestelde personeelsleden van de instellingen die tot de scholengemeenschap behoren, in dienst genomen in eerste instantie bij wijze van reaffectatie en in tweede instantie bij wijze van wedertewerkstelling.
  15° Is in volgende volgorde :
  a) vrij een mutatie of nieuwe affectatie door te voeren;
  b) verplicht een personeelslid aan te stellen of in dienst te houden dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven;
  c) vrij een ter beschikking gesteld personeelslid in dienst te nemen;
  d) vrij een personeelslid aan te stellen dat de voorwaarden vervult van artikel 2, § 2, 5°;
  16° Is verplicht in het gemeenschapsonderwijs om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de reaffectatiecommissie van de scholengroep worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen;
  17° Is verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de interprovinciale reaffectatiecommissie worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen;
  18° Is verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de Vlaamse reaffectatiecommissie worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen.
  B. Instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren
  Elke inrichtende macht en in volgende volgorde :
  1° Kan in de instelling waar het personeelslid ter beschikking is gesteld in " hetzelfde ambt ", dit personeelslid bij wijze van tewerkstelling en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst houden voorzover ze in deze instelling een betrekking van tenminste 63 punten kan oprichten. Deze tewerkstelling wordt ten aanzien van het personeelslid beschouwd als een reaffectatie.
  De inrichtende macht moet de puntenwaarde van deze betrekking aanzuiveren met niet-aangewende punten tot ze de vereiste puntenwaarde van het terbeschikkinggestelde personeelslid bereikt. Deze verplichting geldt enkel voorzover de inrichtende macht over voldoende punten beschikt.
  Het personeelslid met de grootste dienstanciënniteit wordt eerst in dienst geroepen. Bij gelijke dienstanciënniteit heeft het personeelslid met de grootste ambtsanciënniteit voorrang. Is de ambtsanciënniteit gelijk dan heeft het oudste personeelslid voorrang;
  2° Is verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in " hetzelfde ambt " in een instelling van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoort of in een instelling van deze inrichtende macht die vóór 1 september 1999 werd gesloten, bij wijze van reaffectatie en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst te nemen in vacante betrekkingen in instellingen van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren.
  Deze verplichting geldt ook voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  Deze reaffectatie gebeurt bij voorrang in een betrekking met dezelfde puntenwaarde als die van het terbeschikkinggestelde personeelslid, vervolgens in een betrekking met een andere puntenwaarde.
  Als het personeelslid wordt gereaffecteerd in een betrekking met een puntenwaarde die verschilt van die waarvoor hij werd ter beschikking gesteld, wordt volgend principe toegepast :
  a) is de puntenwaarde van de betrekking lager dan de puntenwaarde van het terbeschikkinggestelde personeelslid, dan moet de inrichtende macht de puntenwaarde van de betrekking aanzuiveren met niet-aangewende punten tot ze de vereiste puntenwaarde bereikt. Deze verplichting geldt enkel voor zover de inrichtende macht over voldoende punten beschikt;
  b) is de puntenwaarde van de betrekking hoger dan de puntenwaarde van het terbeschikkinggestelde personeelslid, dan moet de inrichtende macht de puntenwaarde van de betrekking verminderen tot ze de vereiste puntenwaarde bereikt;
  3° Is binnen " hetzelfde ambt " verplicht de resterende vacante betrekkingen aan te bieden aan de personeelsleden die in instellingen van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren virtueel ter beschikking gesteld zijn, in toepassing van artikel 98, 5° van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. Tot deze vacante betrekkingen behoren eveneens de vacante betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  Het personeelslid kan deze vacante betrekking slechts opnemen voorzover zijn puntenwaarde overeenkomt met de puntenwaarde van de aangeboden betrekking. De instelling kan evenwel haar niet-aangewende punten gebruiken om de aangeboden betrekking aan te passen aan de puntenwaarde van het personeelslid. Het personeelslid dat de betrekking aanvaardt, wordt dadelijk aan de nieuwe instelling geaffecteerd;
  4° Is binnen " hetzelfde ambt " verplicht de resterende vacante betrekkingen aan te bieden aan de personeelsleden van instellingen van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren, zoals bedoeld in artikel 60, § 2, 2° van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. Tot deze vacante betrekkingen behoren eveneens de vacante betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  Het personeelslid kan deze vacante betrekking slechts opnemen voorzover zijn puntenwaarde overeenkomt met de puntenwaarde van de aangeboden betrekking. De instelling kan evenwel haar niet-aangewende punten gebruiken om de aangeboden betrekking aan te passen aan de puntenwaarde van het personeelslid. Het personeelslid dat de betrekking aanvaardt, wordt dadelijk aan de nieuwe instelling geaffecteerd;
  5° Is vrij om één van de terbeschikkinggestelde personeelsleden van de instellingen van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren of van een instelling van deze inrichtende macht die vóór 1 september 1999 werd gesloten, in dienst te nemen bij wijze van wedertewerkstelling binnen dezelfde categorie in een vacante betrekking. Deze wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het terbeschikkinggestelde personeelslid. Deze vrijwillige wedertewerkstelling kan ook plaatsvinden in een vacante betrekking die wordt ingenomen door een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur.
  Deze wedertewerkstelling gebeurt bij voorrang in een betrekking met dezelfde puntenwaarde als die van het terbeschikkinggestelde personeelslid, vervolgens in een betrekking met een andere puntenwaarde.
  Als het personeelslid wordt wedertewerkgesteld in een betrekking met een puntenwaarde die verschilt van die waarvoor hij werd ter beschikking gesteld, wordt volgend principe toegepast :
  a) is de puntenwaarde van de betrekking lager dan de puntenwaarde van het terbeschikkinggestelde personeelslid, dan moet de inrichtende macht de puntenwaarde van de betrekking aanzuiveren met niet-aangewende punten tot ze de vereiste puntenwaarde bereikt. Deze verplichting geldt enkel voor zover de inrichtende macht over voldoende punten beschikt;
  b) is de puntenwaarde van de betrekking hoger dan de puntenwaarde van het terbeschikkinggestelde personeelslid, dan moet de inrichtende macht de puntenwaarde van de betrekking verminderen tot ze de vereiste puntenwaarde bereikt;
  6° Is verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in " hetzelfde ambt " in een instelling van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoort of in een instelling van de inrichtende macht die vóór 1 september 1999 werd gesloten, bij wijze van reaffectatie en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst te nemen in niet-vacante betrekkingen. Deze verplichting geldt ook voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  7° Is vrij om één van de terbeschikkinggestelde personeelsleden van de instellingen van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren of van een instelling van deze inrichtende macht die vóór 1 september 1999 werd gesloten, in dienst te nemen bij wijze van wedertewerkstelling binnen dezelfde categorie in een niet-vacante betrekking. Deze wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het terbeschikkinggestelde personeelslid. Deze vrijwillige wedertewerkstelling kan ook plaatsvinden in een niet-vacante betrekking die wordt ingenomen door een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur.
  8° Is verplicht in het gemeenschapsonderwijs om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de reaffectatiecommissie van de scholengroep worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen. Deze verplichting geldt ook voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur;
  9° Is verplicht in het gesubsidieerd onderwijs, met uitzondering van het gesubsidieerd vrij niet-confessioneel onderwijs, om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de interprovinciale reaffectatiecommissie worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen. Deze verplichting geldt ook voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur;
  10° Is verplicht in het gesubsidieerd vrij niet-confessioneel onderwijs om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de Vlaamse reaffectatiecommissie worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen. Deze verplichting geldt ook voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur;
  11° Is in volgende volgorde :
  a) vrij een mutatie of nieuwe affectatie door te voeren;
  b) verplicht een personeelslid aan te stellen of in dienst te houden dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven;
  c) vrij een ter beschikking gesteld personeelslid in dienst te nemen;
  d) vrij een personeelslid aan te stellen dat de voorwaarden vervult van artikel 2, § 2, 5°;
  12° Is verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de Vlaamse reaffectatiecommissie worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen.
  C. Instellingen van netoverschrijdende scholengemeenschappen
  Elke inrichtende macht en in volgende volgorde :
  1° Kan in de instelling waar het personeelslid ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking, dit personeelslid bij wijze van tewerkstelling en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst houden voorzover ze in deze instelling in " hetzelfde ambt " een betrekking van tenminste 63 punten kan oprichten. Deze tewerkstelling wordt ten aanzien van het personeelslid beschouwd als een reaffectatie.
  De inrichtende macht moet de puntenwaarde van deze betrekking aanzuiveren met niet-aangewende punten tot ze de vereiste puntenwaarde van het terbeschikkinggestelde personeelslid bereikt. Deze verplichting geldt enkel voorzover de inrichtende macht over voldoende punten beschikt.
  Het personeelslid met de grootste dienstanciënniteit wordt eerst in dienst geroepen. Bij gelijke dienstanciënniteit heeft het personeelslid met de grootste ambtsanciënniteit voorrang. Is de ambtsanciënniteit gelijk dan heeft het oudste personeelslid voorrang;
  2° Is verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in " hetzelfde ambt " in een instelling van de inrichtende macht die tot de scholengemeenschap behoort, bij wijze van reaffectatie en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst te nemen in vacante betrekkingen in instellingen van de inrichtende macht die tot dezelfde scholengemeenschap behoren. Deze verplichting geldt ook voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  Deze reaffectatie gebeurt bij voorrang in een betrekking met dezelfde puntenwaarde als die van het terbeschikkinggestelde personeelslid, vervolgens in een betrekking met een andere puntenwaarde.
  Als het personeelslid wordt gereaffecteerd in een betrekking met een puntenwaarde die verschilt van die waarvoor hij werd ter beschikking gesteld, wordt volgend principe toegepast :
  a) is de puntenwaarde van de betrekking lager dan de puntenwaarde van het terbeschikkinggestelde personeelslid, dan moet de inrichtende macht de puntenwaarde van de betrekking aanzuiveren met niet-aangewende punten tot ze de vereiste puntenwaarde bereikt. Deze verplichting geldt enkel voorzover de inrichtende macht over voldoende punten beschikt;
  b) is de puntenwaarde van de betrekking hoger dan de puntenwaarde van het terbeschikkinggestelde personeelslid, dan moet de inrichtende macht de puntenwaarde van de betrekking verminderen tot ze de vereiste puntenwaarde bereikt;
  3° Is binnen " hetzelfde ambt " verplicht de resterende vacante betrekkingen aan te bieden aan de personeelsleden die in instellingen van de inrichtende macht die tot de scholengemeenschap behoren virtueel ter beschikking gesteld zijn, in toepassing van artikel 98, 5° van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. Tot deze vacante betrekkingen behoren eveneens de vacante betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  Het personeelslid kan deze vacante betrekking slechts opnemen voorzover zijn puntenwaarde overeenkomt met de puntenwaarde van de aangeboden betrekking. De instelling kan evenwel haar niet-aangewende punten gebruiken om de aangeboden betrekking aan te passen aan de puntenwaarde van het personeelslid. Het personeelslid dat de betrekking aanvaardt, wordt dadelijk aan de nieuwe instelling geaffecteerd;
  4° Is binnen " hetzelfde ambt " verplicht de resterende vacante betrekkingen aan te bieden aan de personeelsleden van instellingen van de inrichtende macht die tot de scholengemeenschap behoren, zoals bedoeld in artikel 60, § 2, 2° van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. Tot deze vacante betrekkingen behoren eveneens de vacante betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  Het personeelslid kan deze vacante betrekking slechts opnemen voorzover zijn puntenwaarde overeenkomt met de puntenwaarde van de aangeboden betrekking. De instelling kan evenwel haar niet-aangewende punten gebruiken om de aangeboden betrekking aan te passen aan de puntenwaarde van het personeelslid. Het personeelslid dat de betrekking aanvaardt, wordt dadelijk aan de nieuwe instelling geaffecteerd;
  5° Is vrij om één van de terbeschikkinggestelde personeelsleden van de instellingen van de inrichtende macht die tot de scholengemeenschap behoren, in dienst te nemen bij wijze van wedertewerkstelling binnen dezelfde categorie in een vacante betrekking. Deze wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het terbeschikkinggestelde personeelslid. Deze vrijwillige wedertewerkstelling kan ook plaatsvinden in een vacante betrekking die wordt ingenomen door een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur.
  Deze wedertewerkstelling gebeurt bij voorrang in een betrekking met dezelfde puntenwaarde als die van het terbeschikkinggestelde personeelslid, vervolgens in een betrekking met een andere puntenwaarde.
  Als het personeelslid wordt wedertewerkgesteld in een betrekking met een puntenwaarde die verschilt van die waarvoor hij werd ter beschikking gesteld, wordt volgend principe toegepast :
  a) is de puntenwaarde van de betrekking lager dan de puntenwaarde van het terbeschikkinggestelde personeelslid, dan moet de inrichtende macht de puntenwaarde van de betrekking aanzuiveren met niet-aangewende punten tot ze de vereiste puntenwaarde bereikt. Deze verplichting geldt enkel voorzover de inrichtende macht over voldoende punten beschikt;
  b) is de puntenwaarde van de betrekking hoger dan de puntenwaarde van het terbeschikkinggestelde personeelslid, dan moet de inrichtende macht de puntenwaarde van de betrekking verminderen tot ze de vereiste puntenwaarde bereikt;
  6° Is verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in " hetzelfde ambt " in een instelling van de inrichtende macht die tot de scholengemeenschap behoort, bij wijze van reaffectatie en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst te nemen in niet-vacante betrekkingen. Deze verplichting geldt ook voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  7° Is vrij om één van de terbeschikkinggestelde personeelsleden van de instellingen van de inrichtende macht die tot de scholengemeenschap behoren, in dienst te nemen bij wijze van wedertewerkstelling binnen dezelfde categorie in een niet-vacante betrekking. Deze wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het terbeschikkinggestelde personeelslid. Deze vrijwillige wedertewerkstelling kan ook plaatsvinden in een niet-vacante betrekking die wordt ingenomen door een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur.
  8° Is verplicht om de terbeschikkinggestelde personeelsleden in " hetzelfde ambt " van de instellingen die tot de scholengemeenschap behoren en die door de reaffectatiecommissie van de scholengemeenschap worden toegewezen bij wijze van reaffectatie, in dienst te nemen in een vacante betrekking. Deze verplichting geldt ook voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  Deze reaffectatie gebeurt bij voorrang in een betrekking met dezelfde puntenwaarde als die van het terbeschikkinggestelde personeelslid, vervolgens in een betrekking met een andere puntenwaarde.
  Als het personeelslid wordt gereaffecteerd in een betrekking met een puntenwaarde die verschilt van die waarvoor hij werd ter beschikking gesteld, wordt volgend principe toegepast :
  a) is de puntenwaarde van de betrekking lager dan de puntenwaarde van het terbeschikkinggestelde personeelslid, dan moet de scholengemeenschap de puntenwaarde van de betrekking aanzuiveren met niet-aangewende punten tot ze de vereiste puntenwaarde bereikt. Deze verplichting geldt enkel voorzover de scholengemeenschap over voldoende punten beschikt;
  b) is de puntenwaarde van de betrekking hoger dan de puntenwaarde van het terbeschikkinggestelde personeelslid, dan moet de scholengemeenschap de puntenwaarde van de betrekking verminderen tot ze de vereiste puntenwaarde bereikt.
  Als de instelling waar het terbeschikkinggestelde personeelslid geaffecteerd is, behoort tot een ander net dan de instelling waarnaar het personeelslid wordt gereaffecteerd, is het personeelslid niet verplicht de reaffectatie te aanvaarden;
  9° Is verplicht om de terbeschikkinggestelde personeelsleden van de instellingen die tot de scholengemeenschap behoren en die door de reaffectatiecommissie van de scholengemeenschap worden toegewezen bij wijze van wedertewerkstelling binnen dezelfde categorie, in dienst te nemen in een vacante betrekking. Deze wedertewerkstelling kan ook plaatsvinden in een vacante betrekking die wordt ingenomen door een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur.
  Deze wedertewerkstelling gebeurt bij voorrang in een betrekking met dezelfde puntenwaarde als die van het terbeschikkinggestelde personeelslid, vervolgens in een betrekking met een andere puntenwaarde.
  Als het personeelslid wordt wedertewerkgesteld in een betrekking met een puntenwaarde die verschilt van die waarvoor hij werd ter beschikking gesteld, wordt volgend principe toegepast :
  a) is de puntenwaarde van de betrekking lager dan de puntenwaarde van het terbeschikkinggestelde personeelslid, dan moet de scholengemeenschap de puntenwaarde van de betrekking aanzuiveren met niet-aangewende punten tot ze de vereiste puntenwaarde bereikt. Deze verplichting geldt enkel voorzover de scholengemeenschap over voldoende punten beschikt;
  b) is de puntenwaarde van de betrekking hoger dan de puntenwaarde van het terbeschikkinggestelde personeelslid, dan moet de scholengemeenschap de puntenwaarde van de betrekking verminderen tot ze de vereiste puntenwaarde bereikt.
  Als de instelling waar het ter beschikking gesteld personeelslid geaffecteerd is, behoort tot een ander net dan de instelling waarnaar het personeelslid wordt wedertewerkgesteld, is het personeelslid niet verplicht de wedertewerkstelling te aanvaarden;
  10° Is verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in " hetzelfde ambt " in instellingen die tot de scholengemeenschap behoren en die door de reaffectatiecommissie van de scholengemeenschap worden toegewezen bij wijze van reaffectatie en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst te nemen in niet-vacante betrekkingen. Deze verplichting geldt ook voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  Als de instelling waar het ter beschikking gesteld personeelslid geaffecteerd is, behoort tot een ander net dan de instelling waarnaar het personeelslid wordt gereaffecteerd, is het personeelslid niet verplicht de reaffectatie te aanvaarden;
  11° Is verplicht om de terbeschikkinggestelde personeelsleden van de instellingen die tot de scholengemeenschap behoren en die door de reaffectatiecommissie van de scholengemeenschap worden toegewezen bij wijze van wedertewerkstelling binnen dezelfde categorie, in dienst te nemen in een niet-vacante betrekking. Deze wedertewerkstelling kan ook plaatsvinden in een niet-vacante betrekking die wordt ingenomen door een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur.
  Als de instelling waar het ter beschikking gesteld personeelslid geaffecteerd is, behoort tot een ander net dan de instelling waarnaar het personeelslid wordt wedertewerkgesteld, is het personeelslid niet verplicht de wedertewerkstelling te aanvaarden.
  12° Is binnen " hetzelfde ambt " verplicht de resterende vacante betrekkingen aan te bieden aan de personeelsleden die in instellingen van de scholengemeenschap virtueel ter beschikking gesteld zijn, in toepassing van artikel 98, 5° van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. Tot deze vacante betrekkingen behoren eveneens de vacante betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  Het personeelslid kan deze vacante betrekking slechts opnemen voorzover zijn puntenwaarde overeenkomt met de puntenwaarde van de aangeboden betrekking. De instelling kan evenwel haar niet-aangewende punten gebruiken om de aangeboden betrekking aan te passen aan de puntenwaarde van het personeelslid. Het personeelslid dat de betrekking aanvaardt, wordt gemuteerd en aan de nieuwe instelling geaffecteerd;
  13° Is binnen " hetzelfde ambt " verplicht de resterende vacante betrekkingen aan te bieden aan de personeelsleden van instellingen van de scholengemeenschap, zoals bedoeld in artikel 60, § 2, 2° van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. Tot deze vacante betrekkingen behoren eveneens de vacante betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  Het personeelslid kan deze vacante betrekking slechts opnemen voorzover zijn puntenwaarde overeenkomt met de puntenwaarde van de aangeboden betrekking. De instelling kan evenwel haar niet-aangewende punten gebruiken om de aangeboden betrekking aan te passen aan de puntenwaarde van het personeelslid;
  14° Kan een nieuwe betrekking oprichten, als hierna de scholengemeenschap over nog voldoende niet-aangewende punten beschikt. In deze betrekking wordt één van de terbeschikkinggestelde personeelsleden van de instellingen die tot de scholengemeenschap behoren, in dienst genomen in eerste instantie bij wijze van reaffectatie en in tweede instantie bij wijze van wedertewerkstelling.
  15° Is in volgende volgorde :
  a) vrij een mutatie of nieuwe affectatie door te voeren;
  b) verplicht een personeelslid aan te stellen of in dienst te houden dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven;
  c) vrij een ter beschikking gesteld personeelslid in dienst te nemen;
  d) vrij een personeelslid aan te stellen dat de voorwaarden vervult van artikel 2, § 2, 5°;
  16° Is verplicht in het gemeenschapsonderwijs om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de reaffectatiecommissie van de scholengroep worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen;
  17° Is verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de interprovinciale reaffectatiecommissie worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen;
  18° Is verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de Vlaamse reaffectatiecommissie worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen.
  § 4. Als aan de bepalingen in § 3 wordt voldaan, kan een inrichtende macht een wedde of een weddentoelage bekomen voor een tijdelijk aangesteld personeelslid dat een betrekking bekleedt die vatbaar is voor reaffectatie of wedertewerkstelling op voorwaarde dat de betrekking bij aangetekende brief aangegeven is aan de bevoegde reaffectatiecommissie, overeenkomstig de voorgeschreven procedure.
  Deze wedde of weddentoelage wordt verstrekt tot de ingangsdatum van de reaffectatie of wedertewerkstelling door de reaffectatiecommissies in deze betrekking.
  Als een ter beschikking gesteld personeelslid wordt toegewezen, moet de inrichtende macht dit personeelslid in dienst nemen.
  § 5. De wedde of weddentoelage wordt eveneens behouden van 1 september tot uiterlijk 15 september voor elke persoon die aangeworven is of in dienst wordt gehouden in een betrekking waarin een personeelslid ter beschikking gesteld in hetzelfde ambt in de scholengemeenschap of scholengroep ingevolge de bepalingen van dit besluit in dienst moest worden genomen.
  § 6. Zowel bij vacante als bij niet-vacante betrekkingen gebeurt de toewijzing eerst in een betrekking die niet wordt ingenomen door een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur.
  § 7. De personeelsleden ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking, die een andere vorm van terbeschikkingstelling, een verlof of een afwezigheid genieten moeten, zelfs al zijn ze niet onmiddellijk beschikbaar, gereaffecteerd of wedertewerkgesteld worden.
  § 8. Voor de toepassing van dit artikel vormt de ingebouwde middenschool, bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit van 15 december 1982 tot vaststelling van de benaming en de structuur van de door de Staat georganiseerde inrichtingen voor secundair onderwijs, één instelling met de instelling waarmee zij één administratieve eenheid vormt. ".
Art. 35. L'article 36bis du même arrêté, annulé par l'arrêt 141.020 du 22 février 2005 du Conseil de l'Etat, est remplacé par un nouvel article 36bis, rédigé comme suit :
  " Art. 36bis. § 1er. Par dérogation à l'article 36, le présent article s'applique aux membres du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel administratif et du personnel d'appui.
  § 2. Pour l'application du présent article, les catégories du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel administratif et du personnel d'appui sont considérées comme une seule catégorie lors d'une remise au travail.
  § 3. A. Etablissements appartenant à un centre d'enseignement
  Tout pouvoir organisateur est, dans l'ordre suivant :
  1° libre, dans l'établissement où le membre du personnel est mis en disponibilité par défaut d'emploi, de maintenir ce membre du personnel en service à titre de mise au travail et dans les limites des prestations pour lesquelles la mise en disponibilité a été prononcée, pour autant que le pouvoir organisateur puisse créer dans cet établissement et dans "la même fonction" un emploi d'au moins 63 points. A l'égard du membre du personnel, cette mise au travail est considérée comme une réaffectation.
  Le pouvoir organisateur doit apurer la pondération de cet emploi avec des points non utilisés jusqu'à ce que la pondération requise du membre du personnel en disponibilité soit atteinte. Cette obligation ne vaut que dans la mesure où le pouvoir organisateur dispose de suffisamment de points.
  Le pouvoir organisateur rappelle d'abord en service le membre du personnel qui a le plus d'ancienneté de service. A ancienneté de service égale, le membre du personnel ayant la plus grande ancienneté de fonction a la priorité. A ancienneté de fonction égale, il accorde la priorité au membre du personnel le plus âgé;
  2° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" dans un établissement du pouvoir organisateur appartenant au même centre d'enseignement, à titre de réaffectation et dans les limites des prestations pour lesquelles la mise en disponibilité a été prononcée, et ce en des emplois vacants dans des établissements du pouvoir organisateur appartenant au même centre d'enseignement. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue.
  Cette réaffectation s'effectue prioritairement dans un emploi ayant la même pondération que celle du membre du personnel mis en disponibilité et ensuite dans un emploi d'une autre pondération.
  Lorsque le membre du personnel est réaffecté dans un emploi ayant une pondération qui diffère de celle pour laquelle il a été mis en disponibilité, le principe suivant est appliqué :
  a) si la pondération de l'emploi est inférieure à la pondération du membre du personnel en disponibilité, le pouvoir organisateur doit apurer la pondération de l'emploi avec des points non utilisés jusqu'à ce que la pondération requise soit atteinte. Cette obligation ne vaut que dans la mesure où le pouvoir organisateur dispose de suffisamment de points;
  b) si la pondération de l'emploi est supérieure à la pondération du membre du personnel en disponibilité, le pouvoir organisateur doit réduire la pondération de l'emploi jusqu'à ce qu'elle corresponde à la pondération requise;
  3° tenu d'offrir, dans "la même fonction", les emplois vacants subsistants aux membres du personnel virtuellement mis en disponibilité auprès d'établissements du pouvoir organisateur appartenant au centre d'enseignement, par application de l'article 98, 5°, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. Les emplois vacants précités impliquent également les emplois vacants qui sont occupés par des temporaires désignés pour une durée ininterrompue.
  Le membre du personnel ne peut assumer cet emploi vacant qu'à condition que sa pondération corresponde à la pondération de l'emploi offert. L'établissement peut toutefois employer ses points non utilisés pour l'adaptation de l'emploi offert à la pondération du membre du personnel. Le membre du personnel qui accepte l'emploi est immédiatement affecté au nouvel établissement;
  4° tenu d'offrir, dans "la même fonction", les emplois vacants subsistants aux membres du personnel établissements du pouvoir organisateur appartenant au centre d'enseignement, tels que visés à l'article 60, § 2, 2°, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. Les emplois vacants précités impliquent également les emplois vacants qui sont occupés par des temporaires désignés pour une durée ininterrompue.
  Le membre du personnel ne peut assumer cet emploi vacant qu'à condition que sa pondération corresponde à la pondération de l'emploi offert. L'établissement peut toutefois employer ses points non utilisés pour l'adaptation de l'emploi offert à la pondération du membre du personnel. Le membre du personnel qui accepte l'emploi est immédiatement affecté au nouvel établissement;
  5° libre d'engager un des membres du personnel mis en disponibilité des établissements du pouvoir organisateur appartenant au centre d'enseignement, à titre de remise au travail dans la même catégorie à un emploi vacant. Cette remise au travail s'opère toujours avec le consentement du membre du personnel mis en disponibilité. Cette remise au travail volontaire peut également avoir lieu dans un emploi vacant occupé par un membre du personnel désigné à titre temporaire pour une durée ininterrompue.
  Cette remise au travail s'effectue prioritairement dans un emploi ayant la même pondération que celle du membre du personnel mis en disponibilité et ensuite dans un emploi d'une autre pondération.
  Lorsque le membre du personnel est remis au travail dans un emploi ayant une pondération qui diffère de celle pour laquelle il a été mis en disponibilité, le principe suivant est appliqué :
  a) si la pondération de l'emploi est inférieure à la pondération du membre du personnel en disponibilité, le pouvoir organisateur doit apurer la pondération de l'emploi avec des points non utilisés jusqu'à ce que la pondération requise soit atteinte. Cette obligation ne vaut que dans la mesure où le pouvoir organisateur dispose de suffisamment de points;
  b) si la pondération de l'emploi est supérieure à la pondération du membre du personnel en disponibilité, le pouvoir organisateur doit réduire la pondération de l'emploi jusqu'à ce qu'elle corresponde à la pondération requise;
  6° tenu d'engager à un emploi non vacant les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" auprès d'un établissement du pouvoir organisateur appartenant au centre d'enseignement, à titre de réaffectation et dans les limites des prestations pour lesquelles la mise en disponibilité a été prononcée. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue;
  7° libre d'engager un des membres du personnel mis en disponibilité des établissements du pouvoir organisateur appartenant au centre d'enseignement, à titre de remise au travail dans la même catégorie à un emploi non vacant. Cette remise au travail s'opère toujours avec le consentement du membre du personnel mis en disponibilité. Cette remise au travail volontaire peut également avoir lieu dans un emploi non vacant occupé par un membre du personnel désigné à titre temporaire pour une durée ininterrompue;
  8° tenu d'engager à un emploi vacant les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" des établissements appartenant au centre d'enseignement et qui sont attribués, à titre de réaffectation, par la commission de réaffectation du centre d'enseignement. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue.
  Cette réaffectation s'effectue prioritairement dans un emploi ayant la même pondération que celle du membre du personnel mis en disponibilité et ensuite dans un emploi d'une autre pondération.
  Lorsque le membre du personnel est réaffecté dans un emploi ayant une pondération qui diffère de celle pour laquelle il a été mis en disponibilité, le principe suivant est appliqué :
  a) si la pondération de l'emploi est inférieure à la pondération du membre du personnel en disponibilité, le centre d'enseignement doit apurer la pondération de l'emploi avec des points non utilisés jusqu'à ce que la pondération requise soit atteinte. Cette obligation ne vaut que dans la mesure où le centre d'enseignement dispose de suffisamment de points;
  b) si la pondération de l'emploi est supérieure à la pondération du membre du personnel en disponibilité, le centre d'enseignement doit réduire la pondération de l'emploi jusqu'à ce qu'elle corresponde à la pondération requise;
  9° tenu d'engager à un emploi vacant les membres du personnel mis en disponibilité des établissements appartenant au centre d'enseignement et qui sont attribués, à titre de remise au travail dans la même catégorie, par la commission de réaffectation du centre d'enseignement. Cette remise au travail peut également avoir lieu dans un emploi vacant occupé par un membre du personnel désigné à titre temporaire pour une durée ininterrompue. Cette remise au travail s'effectue prioritairement dans un emploi ayant la même pondération que celle du membre du personnel mis en disponibilité et ensuite dans un emploi d'une autre pondération.
  Lorsque le membre du personnel est remis au travail dans un emploi ayant une pondération qui diffère de celle pour laquelle il a été mis en disponibilité, le principe suivant est appliqué :
  a) si la pondération de l'emploi est inférieure à la pondération du membre du personnel en disponibilité, le centre d'enseignement doit apurer la pondération de l'emploi avec des points non utilisés jusqu'à ce que la pondération requise soit atteinte. Cette obligation ne vaut que dans la mesure où le centre d'enseignement dispose de suffisamment de points;
  b) si la pondération de l'emploi est supérieure à la pondération du membre du personnel en disponibilité, le centre d'enseignement doit réduire la pondération de l'emploi jusqu'à ce qu'elle corresponde à la pondération requise;
  10° tenu d'engager à un emploi non vacant les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" auprès d'établissements appartenant au centre d'enseignement et qui sont attribués par la commission de réaffectation du centre d'enseignement à titre de réaffectation et dans les limites des prestations pour lesquelles la mise en disponibilité a été prononcée. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue;
  11° tenu d'engager à un emploi non vacant les membres du personnel mis en disponibilité des établissements appartenant au centre d'enseignement et qui sont attribués, à titre de remise au travail dans la même catégorie, par la commission de réaffectation du centre d'enseignement. Cette remise au travail peut également avoir lieu dans un emploi non vacant occupé par un membre du personnel désigné à titre temporaire pour une durée ininterrompue;
  12° tenu d'offrir, dans "la même fonction", les emplois vacants subsistants aux membres du personnel virtuellement mis en disponibilité auprès d'établissements du centre d'enseignement, par application de l'article 98, 5°, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. Les emplois vacants précités impliquent également les emplois vacants qui sont occupés par des temporaires désignés pour une durée ininterrompue.
  Le membre du personnel ne peut assumer cet emploi vacant qu'à condition que sa pondération corresponde à la pondération de l'emploi offert. L'établissement peut toutefois employer ses points non utilisés pour l'adaptation de l'emploi offert à la pondération du membre du personnel. Le membre du personnel qui accepte l'emploi est muté et affecte au nouvel établissement;
  13° tenu d'offrir, dans "la même fonction", les emplois vacants subsistants aux membres du personnel d'établissements du centre d'enseignement, tels que visés à l'article 60, § 2, 2°, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. Les emplois vacants précités impliquent également les emplois vacants qui sont occupés par des temporaires désignés pour une durée ininterrompue.
  Le membre du personnel ne peut assumer cet emploi vacant qu'à condition que sa pondération corresponde à la pondération de l'emploi offert. L'établissement peut toutefois employer ses points non utilisés pour l'adaptation de l'emploi offert à la pondération du membre du personnel;
  14° peut créer un nouvel emploi si, après cela, le centre d'enseignement dispose encore de suffisamment de points non utilisés. Un des membres du personnel en disponibilité des établissements appartenant au centre d'enseignement est engagé à cet emploi, prioritairement à titre de réaffectation et en deuxième lieu à titre de remise au travail;
  15° dans l'ordre suivant :
  a) libre de procéder à une mutation ou une nouvelle affectation;
  b) tenu de désigner ou de maintenir en service un membre du personnel ayant acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue;
  c) libre d'engager un membre du personnel mis en disponibilité;
  d) libre de désigner un membre du personnel répondant aux conditions de l'article 2, § 2, 5°;
  16° tenu, dans l'enseignement communautaire, d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et qui sont attribués, à titre de réaffectation ou de remise au travail, par la commission de réaffectation du groupe d'écoles;
  17° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité qui sont attribues, à titre de réaffectation ou de remise au travail, par la commission interprovinciale de réaffectation;
  18° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et qui sont attribués, à titre de réaffectation ou de remise au travail, par la commission flamande de réaffectation.
  B. Etablissements n'appartenant pas à un centre d'enseignement
  Tout pouvoir organisateur est, dans l'ordre suivant :
  1° libre, dans l'établissement où le membre du personnel est mis en disponibilité dans "la même fonction", de maintenir ce membre du personnel en service à titre de mise au travail et dans les limites des prestations pour lesquelles la mise en disponibilité a été prononcée, pour autant que le pouvoir organisateur puisse créer dans cet établissement un emploi d'au moins 63 points. A l'égard du membre du personnel, cette mise au travail est considérée comme une réaffectation.
  Le pouvoir organisateur doit apurer la pondération de cet emploi avec des points non utilisés jusqu'à ce que la pondération requise du membre du personnel en disponibilité soit atteinte. Cette obligation ne vaut que dans la mesure où le pouvoir organisateur dispose de suffisamment de points.
  Le pouvoir organisateur rappelle d'abord en service le membre du personnel qui a le plus d'ancienneté de service. A ancienneté de service égale, le membre du personnel ayant la plus grande ancienneté de fonction a la priorité. A ancienneté de fonction égale, il accorde la priorité au membre du personnel le plus âgé;
  2° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" auprès d'un établissement du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement ou auprès d'un établissement de ce pouvoir organisateur ayant été fermé avant le 1er septembre 1999, à titre de réaffectation et dans les limites des prestations pour lesquelles la mise en disponibilité a été prononcée, à des emplois vacants auprès d'établissements du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement.
  Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue.
  Cette réaffectation s'effectue prioritairement dans un emploi ayant la même pondération que celle du membre du personnel mis en disponibilité et ensuite dans un emploi d'une autre pondération
  Lorsque le membre du personnel est réaffecté dans un emploi ayant une pondération qui diffère de celle pour laquelle il a été mis en disponibilité, le principe suivant est appliqué :
  a) si la pondération de l'emploi est inférieure à la pondération du membre du personnel en disponibilité, le pouvoir organisateur doit apurer la pondération de l'emploi avec des points non utilisés jusqu'à ce que la pondération requise soit atteinte. Cette obligation ne vaut que dans la mesure où le pouvoir organisateur dispose de suffisamment de points;
  b) si la pondération de l'emploi est supérieure à la pondération du membre du personnel en disponibilité, le pouvoir organisateur doit réduire la pondération de l'emploi jusqu'à ce qu'elle corresponde à la pondération requise;
  3° tenu d'offrir, dans "la même fonction", les emplois vacants subsistants aux membres du personnel virtuellement mis en disponibilité auprès d'établissements du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement, par application de l'article 98, 5°, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. Les emplois vacants précités impliquent également les emplois vacants qui sont occupés par des temporaires désignés pour une durée ininterrompue.
  Le membre du personnel ne peut assumer cet emploi vacant qu'à condition que sa pondération corresponde à la pondération de l'emploi offert. L'établissement peut toutefois employer ses points non utilisés pour l'adaptation de l'emploi offert à la pondération du membre du personnel. Le membre du personnel qui accepte l'emploi est immédiatement affecté au nouvel établissement;
  4° tenu d'offrir, dans "la même fonction", les emplois vacants subsistants aux membres du personnel d'établissements du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement, tels que visés à l'article 60, § 2, 2°, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. Les emplois vacants précités impliquent également les emplois vacants qui sont occupés par des temporaires désignés pour une durée ininterrompue.
  Le membre du personnel ne peut assumer cet emploi vacant qu'à condition que sa pondération corresponde à la pondération de l'emploi offert. L'établissement peut toutefois employer ses points non utilisés pour l'adaptation de l'emploi offert à la pondération du membre du personnel. Le membre du personnel qui accepte l'emploi est immédiatement affecté au nouvel établissement;
  5° libre d'engager un des membres du personnel mis en disponibilité des établissements du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement ou d'un établissement de ce pouvoir organisateur ayant été fermé avant le 1er septembre 1999, à titre de remise au travail dans la même catégorie à un emploi vacant. Cette remise au travail s'opère toujours avec le consentement du membre du personnel mis en disponibilité. Cette remise au travail volontaire peut également avoir lieu dans un emploi vacant occupé par un membre du personnel désigné à titre temporaire pour une durée ininterrompue.
  Cette remise au travail s'effectue prioritairement dans un emploi ayant la même pondération que celle du membre du personnel mis en disponibilité et ensuite dans un emploi d'une autre pondération.
  Lorsque le membre du personnel est remis au travail dans un emploi ayant une pondération qui diffère de celle pour laquelle il a été mis en disponibilité, le principe suivant est appliqué :
  a) si la pondération de l'emploi est inférieure a la pondération du membre du personnel en disponibilité, le pouvoir organisateur doit apurer la pondération de l'emploi avec des points non utilisés jusqu'à ce que la pondération requise soit atteinte. Cette obligation ne vaut que dans la mesure où le pouvoir organisateur dispose de suffisamment de points;
  b) si la pondération de l'emploi est supérieure à la pondération du membre du personnel en disponibilité, le pouvoir organisateur doit réduire la pondération de l'emploi jusqu'à ce qu'elle corresponde à la pondération requise;
  6° tenu d'engager à des emplois non vacants les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" auprès d'un établissement du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement ou auprès d'un établissement de ce pouvoir organisateur ayant été fermé avant le 1er septembre 1999, à titre de réaffectation et dans les limites des prestations pour lesquelles la mise en disponibilité a été prononcée. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue;
  7° libre d'engager un des membres du personnel mis en disponibilité des établissements du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement ou d'un établissement de ce pouvoir organisateur ayant été fermé avant le 1er septembre 1999, à titre de remise au travail dans la même catégorie à un emploi vacant. Cette remise au travail s'opère toujours avec le consentement du membre du personnel mis en disponibilité Cette remise au travail volontaire peut également avoir lieu dans un emploi non vacant occupé par un membre du personnel désigné à titre temporaire pour une durée ininterrompue;
  8° tenu, dans l'enseignement communautaire, d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et qui sont attribués, à titre de réaffectation ou de remise au travail, par la commission de réaffectation du groupe d'écoles. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue;
  9° tenu, dans l'enseignement subventionné, à l'exception de l'enseignement libre non confessionnel subventionné, d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et qui sont attribués, à titre de réaffectation ou de remise au travail, par la commission interprovinciale de réaffectation. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue;
  10° tenu, dans l'enseignement libre non confessionnel subventionné, d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et qui sont attribués, à titre de réaffectation ou de remise au travail, par la commission flamande de réaffectation. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue;
  11° dans l'ordre suivant :
  a) libre de procéder à une mutation ou une nouvelle affectation;
  b) tenu de désigner ou de maintenir en service un membre du personnel ayant acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue;
  c) libre d'engager un membre du personnel mis en disponibilité;
  d) libre de désigner un membre du personnel répondant aux conditions de l'article 2, § 2, 5°;
  12° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et qui sont attribués, à titre de réaffectation ou de remise au travail, par la commission flamande de réaffectation.
  C. Etablissements de centres d'enseignement transréseaux
  Tout pouvoir organisateur est, dans l'ordre suivant :
  1° libre, dans l'établissement où le membre du personnel est mis en disponibilité par défaut d'emploi, de maintenir ce membre du personnel en service à titre de mise au travail et dans les limites des prestations pour lesquelles la mise en disponibilité a été prononcée, pour autant que le pouvoir organisateur puisse créer dans cet établissement et dans "la même fonction" un emploi d'au moins 63 points. A l'égard du membre du personnel, cette mise au travail est considérée comme une réaffectation.
  Le pouvoir organisateur doit apurer la pondération de cet emploi avec des points non utilisés jusqu'à ce que la pondération requise du membre du personnel en disponibilité soit atteinte. Cette obligation ne vaut que dans la mesure où le pouvoir organisateur dispose de suffisamment de points.
  Le pouvoir organisateur rappelle d'abord en service le membre du personnel qui a le plus d'ancienneté de service. A ancienneté de service égale, le membre du personnel ayant la plus grande ancienneté de fonction a la priorité. A ancienneté de fonction égale, il accorde la priorité au membre du personnel le plus âgé;
  2° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" dans un établissement du pouvoir organisateur appartenant au même centre d'enseignement, à titre de réaffectation et dans les limites des prestations pour lesquelles la mise en disponibilité a été prononcée, et ce en des emplois vacants dans des établissements du pouvoir organisateur appartenant au même centre d'enseignement. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue.
  Cette réaffectation s'effectue prioritairement dans un emploi ayant la même pondération que celle du membre du personnel mis en disponibilité et ensuite dans un emploi d'une autre pondération.
  Lorsque le membre du personnel est réaffecté dans un emploi ayant une pondération qui diffère de celle pour laquelle il a été mis en disponibilité, le principe suivant est appliqué :
  a) si la pondération de l'emploi est inférieure à la pondération du membre du personnel en disponibilité, le pouvoir organisateur doit apurer la pondération de l'emploi avec des points non utilisés jusqu'à ce que la pondération requise soit atteinte. Cette obligation ne vaut que dans la mesure où le pouvoir organisateur dispose de suffisamment de points;
  b) si la pondération de l'emploi est supérieure à la pondération du membre du personnel en disponibilité, le pouvoir organisateur doit réduire la pondération de l'emploi jusqu'à ce qu'elle corresponde à la pondération requise;
  3° tenu d'offrir, dans "la même fonction", les emplois vacants subsistants aux membres du personnel virtuellement mis en disponibilité auprès d'établissements du pouvoir organisateur appartenant au centre d'enseignement, par application de l'article 98, 5°, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. Les emplois vacants précités impliquent également les emplois vacants qui sont occupés par des temporaires désignés pour une durée ininterrompue.
  Le membre du personnel ne peut assumer cet emploi vacant qu'à condition que sa pondération corresponde à la pondération de l'emploi offert. L'établissement peut toutefois employer ses points non utilisés pour l'adaptation de l'emploi offert à la pondération du membre du personnel. Le membre du personnel qui accepte l'emploi est immédiatement affecté au nouvel établissement;
  4° tenu d'offrir, dans "la même fonction", les emplois vacants subsistants aux membres du personnel d'établissements du pouvoir organisateur appartenant au centre d'enseignement, tels que visés à l'article 60, § 2, 2°, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. Les emplois vacants précités impliquent également les emplois vacants qui sont occupés par des temporaires désignés pour une durée ininterrompue.
  Le membre du personnel ne peut assumer cet emploi vacant qu'à condition que sa pondération corresponde à la pondération de l'emploi offert. L'établissement peut toutefois employer ses points non utilisés pour l'adaptation de l'emploi offert à la pondération du membre du personnel. Le membre du personnel qui accepte l'emploi est immédiatement affecté au nouvel établissement;
  5° libre d'engager un des membres du personnel mis en disponibilité des établissements du pouvoir organisateur appartenant au centre d'enseignement, à titre de remise au travail dans la même catégorie à un emploi vacant. Cette remise au travail s'opère toujours avec le consentement du membre du personnel mis en disponibilité. Cette remise au travail volontaire peut également avoir lieu dans un emploi vacant occupé par un membre du personnel désigné à titre temporaire pour une durée ininterrompue.
  Cette remise au travail s'effectue prioritairement dans un emploi ayant la même pondération que celle du membre du personnel mis en disponibilité et ensuite dans un emploi d'une autre pondération.
  Lorsque le membre du personnel est remis au travail dans un emploi ayant une pondération qui diffère de celle pour laquelle il a été mis en disponibilité, le principe suivant est appliqué :
  a) si la pondération de l'emploi est inférieure à la pondération du membre du personnel en disponibilité, le pouvoir organisateur doit apurer la pondération de l'emploi avec des points non utilisés jusqu'à ce que la pondération requise soit atteinte. Cette obligation ne vaut que dans la mesure où le pouvoir organisateur dispose de suffisamment de points;
  b) si la pondération de l'emploi est supérieure à la pondération du membre du personnel en disponibilité, le pouvoir organisateur doit réduire la pondération de l'emploi jusqu'à ce qu'elle corresponde à la pondération requise;
  6° tenu d'engager à des emplois non vacants les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" auprès d'un établissement du pouvoir organisateur appartenant au centre d'enseignement, à titre de réaffectation et dans les limites des prestations pour lesquelles la mise en disponibilité a été prononcée. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue;
  7° libre d'engager un des membres du personnel mis en disponibilité des établissements du pouvoir organisateur appartenant au centre d'enseignement, à titre de remise au travail dans la même catégorie à un emploi non vacant. Cette remise au travail s'opère toujours avec le consentement du membre du personnel mis en disponibilité. Cette remise au travail volontaire peut également avoir lieu dans un emploi non vacant occupé par un membre du personnel désigné à titre temporaire pour une durée ininterrompue;
  8° tenu d'engager à un emploi vacant les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" des établissements appartenant au centre d'enseignement et qui sont attribués, à titre de réaffectation, par la commission de réaffectation du centre d'enseignement. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue.
  Cette réaffectation s'effectue prioritairement dans un emploi ayant la même pondération que celle du membre du personnel mis en disponibilité et ensuite dans un emploi d'une autre pondération.
  Lorsque le membre du personnel est réaffecté dans un emploi ayant une pondération qui diffère de celle pour laquelle il a été mis en disponibilité, le principe suivant est appliqué :
  a) si la pondération de l'emploi est inférieure à la pondération du membre du personnel en disponibilité, le centre d'enseignement doit apurer la pondération de l'emploi avec des points non utilisés jusqu'à ce que la pondération requise soit atteinte. Cette obligation ne vaut que dans la mesure où le centre d'enseignement dispose de suffisamment de points;
  b) si la pondération de l'emploi est supérieure à la pondération du membre du personnel en disponibilité, le centre d'enseignement doit réduire la pondération de l'emploi jusqu'à ce qu'elle corresponde à la pondération requise.
  Si l'établissement auquel le membre du personnel mis en disponibilité est affecté appartient à un autre réseau que l'établissement auquel le membre du personnel est réaffecté, celui-ci n'est pas obligé d'accepter la réaffectation;
  9° tenu d'engager à un emploi vacant les membres du personnel mis en disponibilité des établissements appartenant au centre d'enseignement et qui sont attribues, à titre de remise au travail dans la même catégorie, par la commission de réaffectation du centre d'enseignement. Cette remise au travail peut également avoir lieu dans un emploi vacant occupé par un membre du personnel désigné à titre temporaire pour une durée ininterrompue.
  Cette remise au travail s'effectue prioritairement dans un emploi ayant la même pondération que celle du membre du personnel mis en disponibilité et ensuite dans un emploi d'une autre pondération.
  Lorsque le membre du personnel est remis au travail dans un emploi ayant une pondération qui diffère de celle pour laquelle il a été mis en disponibilité, le principe suivant est appliqué :
  a) si la pondération de l'emploi est inférieure à la pondération du membre du personnel en disponibilité, le centre d'enseignement doit apurer la pondération de l'emploi avec des points non utilisés jusqu'à ce que la pondération requise soit atteinte. Cette obligation ne vaut que dans la mesure où le centre d'enseignement dispose de suffisamment de points;
  b) si la pondération de l'emploi est supérieure à la pondération du membre du personnel en disponibilité, le centre d'enseignement doit réduire la pondération de l'emploi jusqu'à ce qu'elle corresponde à la pondération requise.
  Si établissement auquel le membre du personnel mis en disponibilité est affecté appartient à un autre réseau que l'établissement auquel le membre du personnel est réaffecté, celui-ci n'est pas obligé d'accepter la réaffectation;
  10° tenu d'engager à des emplois non vacants les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" auprès d'établissements appartenant au centre d'enseignement et qui sont attribués par la commission de réaffectation du centre d'enseignement à titre de réaffectation et dans les limites des prestations pour lesquelles la mise en disponibilité a été prononcée. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue.
  Si l'établissement auquel le membre du personnel mis en disponibilité est affecté appartient à un autre réseau que l'établissement auquel le membre du personnel est réaffecté, celui-ci n'est pas obligé d'accepter la réaffectation;
  11° tenu d'engager à un emploi non vacant les membres du personnel mis en disponibilité des établissements appartenant au centre d'enseignement et qui sont attribués, à titre de remise au travail dans la même catégorie, par la commission de réaffectation du centre d'enseignement. Cette remise au travail peut également avoir lieu dans un emploi non vacant occupé par un membre du personnel désigné à titre temporaire pour une durée ininterrompue.
  Si l'établissement auquel le membre du personnel mis en disponibilité est affecté appartient à un autre réseau que l'établissement auquel le membre du personnel est réaffecté, celui-ci n'est pas obligé d'accepter la réaffectation;
  12° tenu d'offrir, dans "la même fonction", les emplois vacants subsistants aux membres du personnel virtuellement mis en disponibilité auprès d'établissements du centre d'enseignement, par application de l'article 98, 5°, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. Les emplois vacants précités impliquent également les emplois vacants qui sont occupés par des temporaires désignés pour une durée ininterrompue.
  Le membre du personnel ne peut assumer cet emploi vacant qu'à condition que sa pondération corresponde à la pondération de l'emploi offert. L'établissement peut toutefois employer ses points non utilisés pour l'adaptation de l'emploi offert à la pondération du membre du personnel. Le membre du personnel qui accepte l'emploi est muté et affecté au nouvel établissement;
  13° tenu d'offrir, dans "la même fonction", les emplois vacants subsistants aux membres du personnel d'établissements du centre d'enseignement, tels que visés à l'article 60, § 2, 2°, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. Les emplois vacants précités impliquent également les emplois vacants qui sont occupés par des temporaires désignés pour une durée ininterrompue.
  Le membre du personnel ne peut assumer cet emploi vacant qu'à condition que sa pondération corresponde à la pondération de l'emploi offert. L'établissement peut toutefois employer ses points non utilisés pour l'adaptation de l'emploi offert à la pondération du membre du personnel;
  14° peut créer un nouvel emploi si, après cela, le centre d'enseignement dispose encore de suffisamment de points non utilisés. Un des membres du personnel en disponibilité des établissements appartenant au centre d'enseignement est engagé à cet emploi, prioritairement à titre de réaffectation et en deuxième lieu à titre de remise au travail;
  15° dans l'ordre suivant :
  a) libre de procéder à une mutation ou une nouvelle affectation;
  b) tenu de désigner ou de maintenir en service un membre du personnel ayant acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue;
  c) libre d'engager un membre du personnel mis en disponibilité;
  d) libre de désigner un membre du personnel répondant aux conditions de l'article 2, § 2, 5°;
  16° tenu, dans l'enseignement communautaire, d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et qui sont attribués, à titre de réaffectation ou de remise au travail, par la commission de réaffectation du groupe d'écoles;
  17° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité qui sont attribués, à titre de réaffectation ou de remise au travail, par la commission interprovinciale de réaffectation;
  18° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et qui sont attribués, à titre de réaffectation ou de remise au travail, par la commission flamande de réaffectation.
  § 4. S'il est satisfait aux dispositions du § 3, un pouvoir organisateur peut obtenir un traitement ou une subvention-traitement pour un temporaire occupant un emploi susceptible de réaffectation ou de remise au travail, pourvu que l'emploi soit déclaré par lettre recommandée à la commission de réaffectation compétente, conformément à la procédure prescrite.
  Ce traitement ou cette subvention-traitement est accordé(e) jusqu'à la date initiale de la réaffectation ou de la remise au travail dans l'emploi concerné par les commissions de réaffectation.
  Si un membre du personnel en disponibilité est attribué, le pouvoir organisateur est tenu de l'engager.
  § 5. En outre, le traitement ou la subvention-traitement est maintenu(e) du 1er septembre au 15 septembre au plus tard pour toute personne recrutée ou maintenue en service dans un emploi dans lequel un membre du personnel en disponibilité dans la même fonction du centre d'enseignement ou du groupe d'écoles devait être engagé par application des dispositions du présent arrêté.
  § 6. L'attribution, pour des emplois vacants comme pour des emplois non vacants, a d'abord lieu dans un emploi non occupé par un membre du personnel temporaire désigné pour une durée ininterrompue.
  § 7. Les membres du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi qui bénéficient d'une autre forme de mise en disponibilité, d'un congé ou d'une absence doivent être réaffectés ou remis au travail, même s'ils ne sont pas immédiatement disponibles.
  § 8. Pour l'application du présent article, la "Middenschool" intégrée, visée à l'article 7 de l'arrêté royal du 15 décembre 1982 fixant les appellations et la structure des établissements d'enseignement secondaire de l'Etat, constitue un établissement unique avec l'établissement avec lequel elle forme une unité administrative. ".
Art. 36. Artikel 36bis van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 36bis. § 1. In afwijking van artikel 36 is dit artikel van toepassing op de personeelsleden van het ondersteunend personeel.
  § 2. A. Instellingen die tot een scholengemeenschap behoren
  Elke inrichtende macht, in de volgende volgorde :
  1° is verplicht om de ter beschikking gestelde personeelsleden in "hetzelfde ambt" van de instellingen die tot de scholengemeenschap behoren en die door de reaffectatiecommissie van de scholengemeenschap worden toegewezen bij wijze van reaffectatie, in dienst te nemen in een vacante of niet-vacante betrekking. De verplichting geldt ook voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  Als een personeelslid wordt gereaffecteerd in een vacante betrekking, moet die betrekking dezelfde puntenwaarde hebben als de puntenwaarde van het ter beschikking gestelde personeelslid. De scholengemeenschap kent aan de instelling hiervoor voldoende punten toe. Als de scholengemeenschap over onvoldoende punten beschikt, gebeurt de reaffectatie in een betrekking met een andere puntenwaarde;
  2° is verplicht om de ter beschikking gestelde personeelsleden in "hetzelfde ambt" van de instellingen die tot de scholengemeenschap behoren en die worden toegewezen bij wijze van wedertewerkstelling, in dienst te nemen in een vacante of niet-vacante betrekking. Deze verplichting geldt ook voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  Als een personeelslid wordt weder te werk gesteld in een vacante betrekking, moet deze betrekking dezelfde puntenwaarde hebben als de puntenwaarde van het ter beschikking gestelde personeelslid. De scholengemeenschap kent aan de instelling hiervoor voldoende punten toe. Als de scholengemeenschap over onvoldoende punten beschikt, gebeurt de wedertewerkstelling in een betrekking met een andere puntenwaarde;
  3° is binnen "hetzelfde ambt" verplicht de resterende vacante betrekkingen aan te bieden aan de personeelsleden van instellingen die tot de scholengemeenschap behoren, zoals bedoeld in artikel 60, § 2, 2°, van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. Tot deze vacante betrekkingen behoren eveneens de vacante betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  Het personeelslid kan deze vacante betrekking alleen opnemen als zijn puntenwaarde overeenkomt met de puntenwaarde van de aangeboden betrekking. De instelling kan evenwel haar niet-aangewende punten gebruiken om de aangeboden betrekking aan te passen aan de puntenwaarde van het personeelslid. Het personeelslid dat de betrekking aanvaardt, wordt dadelijk aan de nieuwe instelling geaffecteerd.
  Het personeelslid is niet verplicht om op dit aanbod in te gaan. De bepalingen van artikel 60, § 2, 2°, van voormeld decreet blijven dan van toepassing;
  4° is, onverminderd de bepalingen van hetzij het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs, of van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, in de volgende volgorde :
  a) vrij een mutatie of nieuwe affectatie door te voeren;
  b) verplicht een personeelslid aan te stellen of in dienst te houden dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven;
  c) vrij een ter beschikking gesteld personeelslid in dienst te nemen;
  d) vrij een personeelslid aan te stellen dat de voorwaarden vervult van artikel 2, § 2, 5°.
  De ter beschikking gestelde personeelsleden in ambten van het ondersteunend personeel van de instellingen die behoren tot dezelfde scholengemeenschap, die na de verplichting, bepaald in 1° tot en met 3°, geen reaffectatie of wedertewerkstelling hebben verkregen, worden beschouwd als gereaffecteerd in een niet-vacante betrekking. Zij worden door de reaffectatiecommissie van de scholengemeenschap ingezet in een instelling van de scholengemeenschap.
  B. Instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren
  Elke inrichtende macht, in de volgende volgorde :
  1° is verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in "hetzelfde ambt" in een instelling van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoort of in een instelling van deze inrichtende macht die voor 1 september 1999 werd gesloten, bij wijze van reaffectatie en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst te nemen in vacante betrekkingen in instellingen van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren.
  Deze verplichting geldt ook voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  Deze reaffectatie gebeurt bij voorrang in een betrekking met dezelfde puntenwaarde als die van het ter beschikking gestelde personeelslid, vervolgens in een betrekking met een andere puntenwaarde;
  2° is verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in "hetzelfde ambt" in een instelling van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoort of in een instelling van de inrichtende macht die vóór 1 september 1999 werd gesloten, bij wijze van wedertewerkstelling en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst te nemen in vacante betrekkingen in instellingen van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren.
  Deze verplichting geldt ook voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  Deze wedertewerkstelling gebeurt bij voorrang in een betrekking met dezelfde puntenwaarde als die van het ter beschikking gestelde personeelslid, vervolgens in een betrekking met een andere puntenwaarde;
  3° is binnen "hetzelfde ambt" verplicht de resterende vacante betrekkingen aan te bieden aan de personeelsleden van instellingen van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren, zoals bedoeld in artikel 60, § 2, 2°, van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. Tot deze vacante betrekkingen behoren eveneens de vacante betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  Het personeelslid kan deze vacante betrekking alleen opnemen als zijn puntenwaarde overeenkomt met de puntenwaarde van de aangeboden betrekking. De instelling kan evenwel haar niet-aangewende punten gebruiken om de aangeboden betrekking aan te passen aan de puntenwaarde van het personeelslid. Het personeelslid dat de betrekking aanvaardt, wordt dadelijk aan de nieuwe instelling geaffecteerd.
  Het personeelslid is niet verplicht om op dit aanbod in te gaan. De bepalingen van artikel 60, § 2, 2°, van voormeld decreet blijven dan van toepassing;
  4° is verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in "hetzelfde ambt" in een instelling van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoort of in een instelling van de inrichtende macht die vóór 1 september 1999 werd gesloten, bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst te nemen in niet-vacante betrekkingen.
  Deze verplichting geldt ook voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur;
  5° is verplicht in het gemeenschapsonderwijs om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de reaffectatiecommissie van de scholengroep worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen. Deze verplichting geldt ook voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur;
  6° is verplicht in het gesubsidieerd onderwijs, met uitzondering van het gesubsidieerd vrij niet-confessioneel onderwijs, om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de interprovinciale reaffectatiecommissie worden toegewezen, bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen. Deze verplichting geldt ook voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur;
  7° is verplicht in het gesubsidieerd vrij niet-confessioneel onderwijs om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de Vlaamse reaffectatiecommissie worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen. Deze verplichting geldt ook voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur;
  8° is, onverminderd de bepalingen van hetzij het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs, of van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, in de volgende volgorde :
  a) vrij een mutatie of nieuwe affectatie door te voeren;
  b) verplicht een personeelslid aan te stellen of in dienst te houden dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven;
  c) vrij een ter beschikking gesteld personeelslid in dienst te nemen;
  d) vrij een personeelslid aan te stellen dat de voorwaarden vervult van artikel 2, § 2, 5°;
  9° is verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de interprovinciale reaffectatiecommissie worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen;
  10° is verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de Vlaamse reaffectatiecommissie worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen.
  C. Instellingen van netoverschrijdende scholengemeenschappen
  Elke inrichtende macht, in de volgende volgorde :
  1° is verplicht om de ter beschikking gestelde personeelsleden in "hetzelfde ambt" van de instellingen die tot de scholengemeenschap behoren en die door de reaffectatiecommissie van de scholengemeenschap worden toegewezen bij wijze van reaffectatie, in dienst te nemen in een vacante of niet-vacante betrekking. Deze verplichting geldt ook voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  Als de instelling waar het ter beschikking gestelde personeelslid geaffecteerd is, behoort tot een ander net dan de instelling waarnaar het personeelslid wordt gereaffecteerd, is het personeelslid niet verplicht de reaffectatie te aanvaarden.
  Als een personeelslid wordt gereaffecteerd in een vacante betrekking, moet deze betrekking dezelfde puntenwaarde hebben als de puntenwaarde van het ter beschikking gestelde personeelslid. De scholengemeenschap kent aan de instelling hiervoor voldoende punten toe.
  Indien de scholengemeenschap over onvoldoende punten beschikt, gebeurt de reaffectatie in een betrekking met een andere puntenwaarde;
  2° is verplicht om de ter beschikking gestelde personeelsleden in "hetzelfde ambt" van de instellingen die tot de scholengemeenschap behoren en die door de reaffectatiecommissie van de scholengemeenschap worden toegewezen bij wijze van wedertewerkstelling, in dienst te nemen in een vacante of niet-vacante betrekking. Deze verplichting geldt ook voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  Als de instelling waar het ter beschikking gestelde personeelslid geaffecteerd is, behoort tot een ander net dan de instelling waar het personeelslid wordt weder te werk gesteld, is het personeelslid niet verplicht de wedertewerkstelling te aanvaarden.
  Als een personeelslid wordt weder te werk gesteld in een vacante betrekking, moet deze betrekking dezelfde puntenwaarde hebben als de puntenwaarde van het ter beschikking gestelde personeelslid. De scholengemeenschap kent aan de instelling hiervoor voldoende punten toe. Als de scholengemeenschap over onvoldoende punten beschikt, gebeurt de wedertewerkstelling in een betrekking met een andere puntenwaarde;
  3° is binnen "hetzelfde ambt" verplicht de resterende vacante betrekkingen aan te bieden aan de personeelsleden van instellingen die tot de scholengemeenschap behoren, zoals bedoeld in artikel 60, § 2, 2°, van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. Tot deze vacante betrekkingen behoren eveneens de vacante betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.
  Het personeelslid kan deze vacante betrekking slechts opnemen voorzover zijn puntenwaarde overeenkomt met de puntenwaarde van de aangeboden betrekking. De instelling kan evenwel haar niet-aangewende punten gebruiken om de aangeboden betrekking aan te passen aan de puntenwaarde van het personeelslid. Het personeelslid dat de betrekking aanvaardt, wordt dadelijk aan de nieuwe instelling geaffecteerd.
  Het personeelslid is niet verplicht om op dit aanbod in te gaan. De bepalingen van artikel 60, § 2, 2° van voormeld decreet blijven dan van toepassing;
  4° is, onverminderd de bepalingen van hetzij het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs, of van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, in de volgende volgorde :
  a) vrij een mutatie of nieuwe affectatie door te voeren;
  b) verplicht een personeelslid aan te stellen of in dienst te houden dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven;
  c) vrij een ter beschikking gesteld personeelslid in dienst te nemen;
  d) vrij een personeelslid aan te stellen dat de voorwaarden vervult van artikel 2, § 2, 5°.
  De ter beschikking gestelde personeelsleden in ambten van het ondersteunend personeel van de instellingen die behoren tot dezelfde scholengemeenschap die na de verplichtingen bepaald in 1° tot en met 3°, geen reaffectatie of wedertewerkstelling hebben verkregen, worden beschouwd als gereaffecteerd in een niet-vacante betrekking. Zij worden door de reaffectatiecommissie ingezet in een instelling van de scholengemeenschap.
  Deze bepaling geldt evenwel niet voor het personeelslid dat een reaffectatie of wedertewerkstelling heeft geweigerd in een instelling van een ander net. Dit personeelslid wordt gemeld aan de eerstvolgende bevoegde reaffectatiecommissie.
  § 3. Als aan de bepalingen in § 2 wordt voldaan, kan een inrichtende macht een wedde of een weddentoelage verkrijgen voor een tijdelijk aangesteld personeelslid dat een betrekking bekleedt die vatbaar is voor reaffectatie of wedertewerkstelling, op voorwaarde dat de betrekking met een aangetekende brief aangegeven is aan de bevoegde reaffectatiecommissie, overeenkomstig de voorgeschreven procedure.
  Deze wedde of weddentoelage wordt verstrekt tot de ingangsdatum van de reaffectatie of wedertewerkstelling door de reaffectatiecommissies in deze betrekking.
  Als een ter beschikking gesteld personeelslid wordt toegewezen, moet de inrichtende macht dit personeelslid in dienst nemen.
  § 4. De wedde of weddentoelage wordt eveneens behouden van 1 september tot uiterlijk 15 september voor elke persoon die aangeworven is of in dienst wordt gehouden in een betrekking waarin een personeelslid, ter beschikking gesteld in hetzelfde ambt in de scholengemeenschap of scholengroep, ingevolge de bepalingen van dit besluit in dienst moest worden genomen.
  § 5. Zowel bij vacante als bij niet-vacante betrekkingen gebeurt de toewijzing eerst in een betrekking die niet wordt ingenomen door een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur.
  § 6. De personeelsleden, ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking, moeten, zelfs als ze niet onmiddellijk beschikbaar zijn, gereaffecteerd of wedertewerkgesteld worden.
  § 7. Voor de toepassing van dit artikel vormt de ingebouwde middenschool, bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit van 15 december 1982 tot vaststelling van de benaming en de structuur van de door de Staat georganiseerde inrichtingen voor secundair onderwijs, één instelling met de instelling waarmee ze één administratieve eenheid vormt. Dit geldt eveneens voor de pedagogische entiteit.
Art. 36. L'article 36bis du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 36bis. § 1er. Par dérogation à l'article 36, le présent article s'applique aux membres du personnel d'appui.
  § 2. A. Etablissements appartenant à un centre d'enseignement
  Tout pouvoir organisateur est, dans l'ordre suivant :
  1° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" des établissements appartenant au centre d'enseignement et qui sont attribués, à titre de réaffectation, par la commission de réaffectation du centre d'enseignement, à un emploi vacant ou non vacant. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue.
  Lorsqu'un membre du personnel est réaffecté dans un emploi vacant, la pondération de cet emploi doit être égal à la pondération du membre du personnel mis en disponibilité. A cet effet, le centre d'enseignement accorde suffisamment de points à établissement Lorsque le nombre de points dont dispose le centre d'enseignement ne suffit pas, la réaffectation s'effectue dans un emploi ayant une autre pondération;
  2° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" des établissements appartenant au centre d'enseignement et qui sont attribués, à titre de remise au travail, à un emploi vacant ou non vacant. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue.
  Lorsqu'un membre du personnel est remis au travail dans un emploi vacant, la pondération de cet emploi doit être égale à la pondération du membre du personnel mis en disponibilité. A cet effet, le centre d'enseignement accorde suffisamment de points à l'établissement. Lorsque le nombre de points dont dispose le centre d'enseignement ne suffit pas, la remise au travail s'effectue dans un emploi ayant une autre pondération;
  3° tenu d'offrir, dans "la même fonction", les emplois vacants subsistants aux membres du personnel d'établissements appartenant au centre d'enseignement, tels que visés à l'article 60, § 2, 2°, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. Les emplois vacants précités impliquent également les emplois vacants qui sont occupés par des temporaires désignés pour une durée ininterrompue.
  Le membre du personnel ne peut assumer cet emploi vacant qu'à condition que sa pondération corresponde à la pondération de l'emploi offert. L'établissement peut toutefois employer ses points non utilisés pour l'adaptation de l'emploi offert à la pondération du membre du personnel. Le membre du personnel qui accepte l'emploi est immédiatement affecté au nouvel établissement.
  Le membre du personnel n'est pas obligé d'accepter cette offre. Les dispositions de l'article 60, § 2, 2°, du décret précité restent alors applicables;
  4° sans préjudice des dispositions soit du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, soit du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves, dans l'ordre suivant :
  a) libre de procéder à une mutation ou une nouvelle affectation;
  b) tenu de désigner ou de maintenir en service un membre du personnel ayant acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue;
  c) libre d'engager un membre du personnel mis en disponibilité;
  d) libre de désigner un membre du personnel répondant aux conditions de l'article 2, § 2, 5°.
  Les membres du personnel mis en disponibilité dans des fonctions du personnel d'appui des établissements qui appartiennent au même centre d'enseignement, qui, après l'obligation fixée aux points 1° à 3° inclus, n'ont pas reçu de réaffectation ou de remise au travail, sont considérés comme étant réaffectés dans un emploi non vacant. Ils sont engagés par la commission de réaffectation du centre d'enseignement auprès d'un établissement du centre d'enseignement.
  B. Etablissements n'appartenant pas à un centre d'enseignement
  Tout pouvoir organisateur est, dans l'ordre suivant :
  1° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" auprès d'un établissement du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement ou auprès d'un établissement de ce pouvoir organisateur ayant été fermé avant le 1er septembre 1999, à titre de réaffectation et dans les limites des prestations pour lesquelles la mise en disponibilité a été prononcée, à des emplois vacants auprès d'établissements du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement.
  Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue.
  Cette réaffectation s'effectue prioritairement dans un emploi ayant la même pondération que celle du membre du personnel mis en disponibilité et ensuite dans un emploi d'une autre pondération;
  2° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" auprès d'un établissement du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement ou auprès d'un établissement de ce pouvoir organisateur ayant été fermé avant le 1er septembre 1999, à titre de remise au travail et dans les limites des prestations pour lesquelles la mise en disponibilité a été prononcée, à des emplois vacants auprès d'établissements du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement.
  Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue.
  Cette remise au travail s'effectue prioritairement dans un emploi ayant la même pondération que celle du membre du personnel mis en disponibilité et ensuite dans un emploi d'une autre pondération;
  3° tenu d'offrir, dans "la même fonction", les emplois vacants subsistants aux membres du personnel d'établissements du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement, tels que visés à l'article 60, § 2, 2°, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. Les emplois vacants précités impliquent également les emplois vacants qui sont occupés par des temporaires désignés pour une durée ininterrompue.
  Le membre du personnel ne peut assumer cet emploi vacant qu'à condition que sa pondération corresponde a la pondération de l'emploi offert. L'établissement peut toutefois employer ses points non utilisés pour l'adaptation de l'emploi offert à la pondération du membre du personnel. Le membre du personnel qui accepte l'emploi est immédiatement affecte au nouvel établissement.
  Le membre du personnel n'est pas obligé d'accepter cette offre. Les dispositions de l'article 60, § 2, 2°, du décret précité restent alors applicables;
  4° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" auprès d'un établissement du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement ou auprès d'un établissement de ce pouvoir organisateur ayant été fermé avant le 1er septembre 1999, à titre de réaffectation ou de remise au travail et dans les limites des prestations pour lesquelles la mise en disponibilité a été prononcée, à des emplois non vacants.
  Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue;
  5° tenu, dans l'enseignement communautaire, d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et qui sont attribués, à titre de réaffectation ou de remise au travail, par la commission de réaffectation du groupe d'écoles. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue;
  6° tenu, dans l'enseignement subventionné, à l'exception de l'enseignement libre non confessionnel subventionné, d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et qui sont attribués, à titre de réaffectation ou de remise au travail, par la commission interprovinciale de réaffectation. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue;
  7° tenu, dans l'enseignement libre non confessionnel subventionné, d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et qui sont attribués, à titre de réaffectation ou de remise au travail, par la commission flamande de réaffectation. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue;
  8° sans préjudice des dispositions soit du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, soit du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves, dans l'ordre suivant :
  a) libre de procéder à une mutation ou une nouvelle affectation;
  b) tenu de désigner ou de maintenir en service un membre du personnel ayant acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue;
  c) libre d'engager un membre du personnel mis en disponibilité;
  d) libre de désigner un membre du personnel répondant aux conditions de l'article 2, § 2, 5°;
  9° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité qui sont attribués, à titre de réaffectation ou de remise au travail, par la commission interprovinciale de réaffectation;
  10° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et qui sont attribués, à titre de réaffectation ou de remise au travail, par la commission flamande de réaffectation.
  C. Etablissements de centres d'enseignement transréseaux
  Tout pouvoir organisateur est, dans l'ordre suivant :
  1° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" des établissements appartenant au centre d'enseignement et qui sont attribués, à titre de réaffectation, par la commission de réaffectation du centre d'enseignement, à un emploi vacant ou non vacant. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue.
  Si l'établissement auquel le membre du personnel mis en disponibilité est affecté appartient à un autre réseau que l'établissement auquel le membre du personnel est réaffecté, celui-ci n'est pas obligé d'accepter la réaffectation.
  Lorsqu'un membre du personnel est réaffecté dans un emploi vacant, la pondération de cet emploi doit être égal à la pondération du membre du personnel mis en disponibilité. A cet effet, le centre d'enseignement accorde suffisamment de points à l'établissement.
  Lorsque le nombre de points dont dispose le centre d'enseignement ne suffit pas, la réaffectation s'effectue dans un emploi ayant une autre pondération;
  2° tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité dans "la même fonction" des établissements appartenant au centre d'enseignement et qui sont attribués, à titre de remise au travail, par la commission de réaffectation du centre d'enseignement, à un emploi vacant ou non vacant. Cette obligation concerne également les emplois occupés par des membres du personnel temporaires désignés pour une durée ininterrompue.
  Si l'établissement auquel le membre du personnel mis en disponibilité est affecté appartient à un autre réseau que l'établissement auquel le membre du personnel est remis au travail, celui-ci n'est pas obligé d'accepter la remise au travail.
  Lorsqu'un membre du personnel est remis au travail dans un emploi vacant, la pondération de cet emploi doit être égale à la pondération du membre du personnel mis en disponibilité. A cet effet, le centre d'enseignement accorde suffisamment de points à l'établissement. Lorsque le nombre de points dont dispose le centre d'enseignement ne suffit pas, la remise au travail s'effectue dans un emploi ayant une autre pondération;
  3° tenu d'offrir, dans "la même fonction", les emplois vacants subsistants aux membres du personnel d'établissements appartenant au centre d'enseignement, tels que visés à l'article 60, § 2, 2°, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. Les emplois vacants précités impliquent également les emplois vacants qui sont occupés par des temporaires désignés pour une durée ininterrompue.
  Le membre du personnel ne peut assumer cet emploi vacant qu'à condition que sa pondération corresponde à la pondération de l'emploi offert. L'établissement peut toutefois employer ses points non utilisés pour l'adaptation de l'emploi offert à la pondération du membre du personnel. Le membre du personnel qui accepte l'emploi est immédiatement affecté au nouvel établissement.
  Le membre du personnel n'est pas obligé d'accepter cette offre. Les dispositions de l'article 60, § 2, 2), du décret précité restent alors applicables;
  4° sans préjudice des dispositions soit du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, soit du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves, dans l'ordre suivant :
  a) libre de procéder à une mutation ou une nouvelle affectation;
  b) tenu de désigner ou de maintenir en service un membre du personnel ayant acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue;
  c) libre d'engager un membre du personnel mis en disponibilité;
  d) libre de désigner un membre du personnel répondant aux conditions de l'article 2, § 2, 5°.
  Les membres du personnel mis en disponibilité dans des fonctions du personnel d'appui des établissements qui appartiennent au même centre d'enseignement, qui, après l'obligation fixée aux points 1° à 3° inclus, n'ont pas reçu de réaffectation ou de remise au travail, sont considérés comme étant réaffectés dans un emploi non vacant. Ils sont engagés par la commission de réaffectation auprès d'un établissement du centre d'enseignement.
  Cette disposition ne vaut toutefois pas pour le membre du personnel ayant refusé une réaffectation ou remise au travail dans un établissement d'un autre réseau. Ce membre du personnel est signalé à la suivante commission de réaffectation compétente.
  § 3. S'il est satisfait aux dispositions du § 2, un pouvoir organisateur peut obtenir un traitement ou une subvention-traitement pour un temporaire occupant un emploi susceptible de réaffectation ou de remise au travail, pourvu que l'emploi soit déclaré par lettre recommandée à la commission de réaffectation compétente, conformément à la procédure prescrite.
  Ce traitement ou cette subvention-traitement est accordé(e) jusqu'à la date initiale de la réaffectation ou de la remise au travail dans l'emploi concerné par les commissions de réaffectation.
  Si un membre du personnel en disponibilité est attribué, le pouvoir organisateur est tenu de l'engager.
  § 4. En outre, le traitement ou la subvention-traitement est maintenu(e) du 1er septembre au 15 septembre au plus tard pour toute personne recrutée ou maintenue en service dans un emploi dans lequel un membre du personnel en disponibilité dans la même fonction du centre d'enseignement ou du groupe d'écoles devait être engagé par application des dispositions du présent arrêté.
  § 5. L'attribution, pour des emplois vacants comme pour des emplois non vacants, a d'abord lieu dans un emploi non occupé par un membre du personnel temporaire désigné pour une durée ininterrompue.
  § 6. Les membres du personnel en disponibilité par défaut d'emploi doivent être réaffectés ou remis au travail, même s'ils ne sont pas immédiatement disponibles.
  § 7. Pour l'application du présent article, la "Middenschool" intégrée, visée à l'article 7 de l'arrêté royal du 15 décembre 1982 fixant les appellations et la structure des établissements d'enseignement secondaire de l'Etat, constitue un établissement unique avec l'établissement avec lequel elle forme une unité administrative. C'est également le cas pour l'entité pédagogique.
Art. 37. In artikel 36bis van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 2, A, 1° wordt tussen het eerste en tweede lid twee leden ingevoegd, die luiden als volgt :
  " Als de reaffectatiecommissie over meerdere vacatures beschikt, moet zij een ter beschikking gesteld personeelslid bij voorrang toewijzen in een vacature in de eigen instelling of pedagogische entiteit of in een vacature in een instelling van de inrichtende macht die hem heeft ter beschikking gesteld.
  Als de inrichtende macht en het personeelslid akkoord gaan, kan van deze volgorde worden afgeweken.
  Het personeelslid met de grootste dienstanciënniteit wordt eerst toegewezen.
  Bij gelijke dienstanciënniteit heeft het personeelslid met de grootste ambtsanciënniteit voorrang. Is de ambtsanciënniteit gelijk dan wordt aan het oudste personeelslid eerst een vacature toegewezen. ";
  2° in § 2, A, 2° wordt tussen het eerste en tweede lid twee leden ingevoegd, die luiden als volgt :
  " Als de reaffectatiecommissie over meerdere vacatures beschikt, moet zij een ter beschikking gesteld personeelslid bij voorrang toewijzen in een vacature in de eigen instelling of pedagogische entiteit of in een vacature in een instelling van de inrichtende macht die hem heeft ter beschikking gesteld.
  Als de inrichtende macht en het personeelslid akkoord gaan, kan van deze volgorde worden afgeweken.
  Het personeelslid met de grootste dienstanciënniteit wordt eerst toegewezen.
  Bij gelijke dienstanciënniteit heeft het personeelslid met de grootste ambtsanciënniteit voorrang. Is de ambtsanciënniteit gelijk dan wordt aan het oudste personeelslid eerst een vacature toegewezen. ";
  3° in § 2, B, 1° worden de woorden " in " hetzelfde " ambt in een instelling van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoort " vervangen door de woorden " in " hetzelfde " ambt in een instelling of pedagogische entiteit van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoort ";
  4° in § 2, B, 1° wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " Het personeelslid met de grootste dienstanciënniteit wordt eerst toegewezen.
  Bij gelijke dienstanciënniteit heeft het personeelslid met de grootste ambtsanciënniteit voorrang. Is de ambtsanciënniteit gelijk dan wordt aan het oudste personeelslid eerst een vacature toegewezen. ";
  5° in § 2, B, 2° worden de woorden " in " hetzelfde " ambt in een instelling van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoort " vervangen door de woorden " in " hetzelfde " ambt in een instelling of pedagogische entiteit van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoort ";
  6° in § 2, B, 2° wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " Het personeelslid met de grootste dienstanciënniteit wordt eerst toegewezen.
  Bij gelijke dienstanciënniteit heeft het personeelslid met de grootste ambtsanciënniteit voorrang. Is de ambtsanciënniteit gelijk dan wordt aan het oudste personeelslid eerst een vacature toegewezen. ";
  7° in § 2, C, 1° wordt tussen het eerste en tweede lid twee leden ingevoegd, die luiden als volgt :
  " Als de reaffectatiecommissie over meerdere vacatures beschikt, moet zij een ter beschikking gesteld personeelslid bij voorrang toewijzen in een vacature in de eigen instelling of pedagogische entiteit of in een vacature in een instelling van de inrichtende macht die hem heeft ter beschikking gesteld.
  Als de inrichtende macht en het personeelslid akkoord gaan, kan van deze volgorde worden afgeweken.
  Het personeelslid met de grootste dienstanciënniteit wordt eerst toegewezen.
  Bij gelijke dienstanciënniteit heeft het personeelslid met de grootste ambtsanciënniteit voorrang. Is de ambtsanciënniteit gelijk dan wordt aan het oudste personeelslid eerst een vacature toegewezen. ";
  8° in § 2, C, 2° wordt tussen het eerste en tweede lid twee leden ingevoegd, die luiden als volgt :
  " Als de reaffectatiecommissie over meerdere vacatures beschikt, moet zij een ter beschikking gesteld personeelslid bij voorrang toewijzen in een vacature in de eigen instelling of pedagogische entiteit of in een vacature in een instelling van de inrichtende macht die hem heeft ter beschikking gesteld.
  Als de inrichtende macht en het personeelslid akkoord gaan, kan van deze volgorde worden afgeweken.
  Het personeelslid met de grootste dienstanciënniteit wordt eerst toegewezen.
  Bij gelijke dienstanciënniteit heeft het personeelslid met de grootste ambtsanciënniteit voorrang. Is de ambtsanciënniteit gelijk dan wordt aan het oudste personeelslid eerst een vacature toegewezen. ";
  9° in § 3 worden de woorden " met een aangetekende brief " geschrapt.
Art. 37. A l'article 36bis du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 2, A, 1°, deux nouveaux alinéas rédigés comme suit sont insérés entre le premier et le deuxième alinéa :
  " Si la commission de réaffectation dispose de plusieurs vacances d'emploi, elle doit désigner par priorité un membre du personnel en disponibilité à un emploi vacant soit dans le propre établissement ou la propre entité pédagogique, soit dans un établissement du pouvoir organisateur l'ayant mis en disponibilité.
  Lorsque le pouvoir organisateur et le membre du personnel sont d'accord, il peut être dérogé de cet ordre.
  Le membre du personnel qui a le plus d'ancienneté de service est le premier désigné.
  A ancienneté de service égale, le membre du personnel ayant la plus grande ancienneté de fonction a la priorité. A ancienneté de fonction égale, le membre du personnel le plus âgé est le premier désigné à un emploi vacant. ";
  2° au § 2, A, 2°, deux nouveaux alinéas rédigés comme suit sont insérés entre le premier et le deuxième alinéa :
  " Si la commission de réaffectation dispose de plusieurs vacances d'emploi, elle doit désigner par priorité un membre du personnel en disponibilité à un emploi vacant soit dans le propre établissement ou la propre entité pédagogique, soit dans un établissement du pouvoir organisateur l'ayant mis en disponibilité.
  Lorsque le pouvoir organisateur et le membre du personnel sont d'accord, il peut être dérogé de cet ordre.
  Le membre du personnel qui a le plus d'ancienneté de service est le premier désigné.
  A ancienneté de service égale, le membre du personnel ayant la plus grande ancienneté de fonction a la priorité. A ancienneté de fonction égale, le membre du personnel le plus âgé est le premier désigné à un emploi vacant. ";
  3° au § 2, B, 1°, les mots "dans "la même fonction" auprès d'un établissement du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement" sont remplacés par les mots "dans "la même fonction" dans un établissement ou une entité pédagogique du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement";
  4° le § 2, B, 1°, est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
  " Le membre du personnel qui a le plus d'ancienneté de service est le premier désigné.
  A ancienneté de service égale, le membre du personnel ayant la plus grande ancienneté de fonction a la priorité. A ancienneté de fonction égale, le membre du personnel le plus âgé est le premier désigné à un emploi vacant. ";
  5° au § 2, B, 2°, les mots "dans "la même fonction" auprès d'un établissement du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement" sont remplacés par les mots "dans "la même fonction" dans un établissement ou une entité pédagogique du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement";
  6° le § 2, B, 2°, est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
  " Le membre du personnel qui a le plus d'ancienneté de service est le premier désigne.
  A ancienneté de service égale, le membre du personnel ayant la plus grande ancienneté de fonction a la priorité. A ancienneté de fonction égale, le membre du personnel le plus âgé est le premier désigné à un emploi vacant. ";
  7° au § 2, C, 1°, deux nouveaux alinéas rédigés comme suit sont insérés entre le premier et le deuxième alinéa :
  " Si la commission de réaffectation dispose de plusieurs vacances d'emploi, elle doit désigner par priorité un membre du personnel en disponibilité à un emploi vacant soit dans le propre établissement ou la propre entité pédagogique, soit dans un établissement du pouvoir organisateur l'ayant mis en disponibilité.
  Lorsque le pouvoir organisateur et le membre du personnel sont d'accord, il peut être dérogé de cet ordre.
  Le membre du personnel qui a le plus d'ancienneté de service est le premier désigné.
  A ancienneté de service égale, le membre du personnel ayant la plus grande ancienneté de fonction a la priorité. A ancienneté de fonction égale, le membre du personnel le plus âgé est le premier désigné à un emploi vacant. ";
  8° au § 2, C, 2°, deux nouveaux alinéas rédigés comme suit sont insérés entre le premier et le deuxième alinéa :
  " Si la commission de réaffectation dispose de plusieurs vacances d'emploi, elle doit désigner par priorité un membre du personnel en disponibilité à un emploi vacant soit dans le propre établissement ou la propre entité pédagogique, soit dans un établissement du pouvoir organisateur l'ayant mis en disponibilité.
  Lorsque le pouvoir organisateur et le membre du personnel sont d'accord, il peut être dérogé de cet ordre.
  Le membre du personnel qui a le plus d'ancienneté de service est le premier désigné.
  A ancienneté de service égale, le membre du personnel ayant la plus grande ancienneté de fonction a la priorité. A ancienneté de fonction égale, le membre du personnel le plus âgé est le premier désigné à un emploi vacant. ";
  9° au § 3, les mots "par lettre recommandée" sont supprimés.
Art. 38. In hoofdstuk III van titel IV van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 31 augustus 1999 en 5 december 2003, wordt het opschrift " Afdeling 2 - Het buitengewoon secundair onderwijs " geschrapt.
Art. 38. Dans le chapitre III du titre IV du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 31 août 1999 et 5 décembre 2003, l'intitulé "Section 2. - L'enseignement secondaire spécial" est supprimé.
Art. 39. Artikel 37 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 31 augustus 1999 en 5 december 2003, opgeheven.
Art. 39. L'article 37 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 31 août 1999 et 5 décembre 2003, est abrogé.
Art. 40. In artikel 38, § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 december 1994 en 5 december 2003, worden de woorden " bij aangetekend schrijven " geschrapt.
Art. 40. A l'article 38, § 2, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 décembre 1994 et 5 décembre 2003, les mots "par lettre recommandée" sont supprimés.
Art. 41. In artikel 39 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, A, 1 °, a, wordt na de eerste zin de volgende zin toegevoegd :
  " In het modulair georganiseerd onderwijs geldt die verplichting t.a.v. elke nieuwe aanstelling in elke module die in de loop van het schooljaar wordt ingericht. ";
  2° in § 1, A, 1°, b, wordt na de eerste zin de volgende zin toegevoegd :
  " In het modulair georganiseerd onderwijs geldt die verplichting t.a.v. elke nieuwe aanstelling in elke module die in de loop van het schooljaar wordt ingericht. ";
  3° in § 1, A, 2° wordt na de eerste zin de volgende zin toegevoegd :
  " In het modulair georganiseerd onderwijs geldt die vrijwillige wedertewerkstelling t.a.v. elke nieuwe aanstelling in elke module die in de loop van het schooljaar wordt ingericht. ";
  4° in § 1, B, 1°, a, wordt na de eerste zin de volgende zin toegevoegd :
  " In het modulair georganiseerd onderwijs geldt die verplichting t.a.v. elke nieuwe aanstelling in elke module die in de loop van het schooljaar wordt ingericht; ";
  5° in § 1, B, 1°, b, wordt na de eerste zin de volgende zin toegevoegd :
  " In het modulair georganiseerd onderwijs geldt die verplichting t.a.v. elke nieuwe aanstelling in elke module die in de loop van het schooljaar wordt ingericht; ";
  6° in § 1, B wordt een 1bis ° ingevoegd die luidt als volgt :
  " 1bis ° vrij om een van de ter beschikking gestelde personeelsleden van de centra voor volwassenenonderwijs van de inrichtende macht in dienst te nemen bij wijze van wedertewerkstelling binnen dezelfde categorie. Die wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het ter beschikking gestelde personeelslid. In het modulair georganiseerd onderwijs geldt die vrijwillige wedertewerkstelling t.a.v. elke nieuwe aanstelling in elke module die tijdens het schooljaar wordt ingericht. Die vrijwillige wedertewerkstelling kan ook plaatsvinden in een betrekking die wordt ingenomen door een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur; ";
  7° in § 2 worden de woorden " met een aangetekende brief " geschrapt;
  8° in § 3 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
  " Als een inrichtende macht over meerdere vacatures in hetzelfde ambt beschikt, moet elke reaffectatie en wedertewerkstelling eerst gebeuren in vacante betrekkingen, en vervolgens in niet-vacante betrekkingen, waarbij niet-vacante betrekkingen voor de duur van een schooljaar of voor de duur van een module voorrang hebben op niet-vacante betrekkingen van kortere duur. "
Art. 41. A l'article 39 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, A, 1°, a, la phrase suivante est ajoutée après le première phrase :
  " Dans l'enseignement du régime modulaire, cette obligation s'applique à toute nouvelle désignation dans chaque module qui est créée au cours de l'année scolaire. ";
  2° au § 1er, A, 1°, b, la phrase suivante est ajoutée après le première phrase :
  " Dans l'enseignement du régime modulaire, cette obligation s'applique à toute nouvelle désignation dans chaque module qui est créée au cours de l'année scolaire. ";
  3° au § 1er, A, 2°, la phrase suivante est ajoutée après le première phrase :
  " Dans l'enseignement du régime modulaire, cette remise au travail volontaire s'applique à toute nouvelle désignation dans chaque module qui est créée au cours de l'année scolaire. ";
  4° au § 1er, B, 1°, a, la phrase suivante est ajoutée après le première phrase :
  " Dans l'enseignement du régime modulaire, cette obligation s'applique à toute nouvelle désignation dans chaque module qui est créée au cours de l'année scolaire;";
  5° au § 1er, B, 1°, b, la phrase suivante est ajoutée après le première phrase :
  " Dans l'enseignement du régime modulaire, cette obligation s'applique à toute nouvelle désignation dans chaque module qui est créée au cours de l'année scolaire;";
  6° au § 1er, B, est inséré un point 1bis °, rédigé comme suit :
  " 1bis ° libre d'engager un des membres du personnel en disponibilité des centres d'éducation des adultes du pouvoir organisateur, par voie de remise au travail dans la même catégorie. Cette remise au travail s'effectue toujours moyennant le consentement du membre du personnel mis en disponibilité. Dans l'enseignement du régime modulaire, cette remise au travail volontaire s'applique à toute nouvelle désignation dans chaque module qui est créée au cours de l'année scolaire. Cette remise au travail volontaire peut également avoir lieu dans un emploi occupé par un membre du personnel désigné à titre temporaire pour une durée ininterrompue;";
  7° au § 2, les mots "par lettre recommandée" sont supprimés;
  8° au § 3, le premier alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " Si un pouvoir organisateur dispose de plusieurs vacances d'emploi dans la même fonction, chaque réaffectation et chaque remise au travail doivent d'abord avoir lieu dans les emplois vacants et ensuite dans les emplois non vacants. Les emplois non vacants pour la durée d'une année scolaire ou pour la durée d'un module ont la priorité sur les emplois non vacants de courte durée. "
Art. 42. In artikel 40 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 31 augustus 1999 en 5 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, 2, c, worden de woorden " in artikel 19, § 3 " vervangen door de woorden " in artikel 19, § 4 ";
  2° in § 1 wordt punt 3 opgeheven;
  3° aan § 1 worden een punt 5, 6 en 7 toegevoegd, die luiden als volgt :
  " 5. verplicht om in het gemeenschaponderwijs personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de reaffectatiecommissie van de scholengroep worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen.
  6. verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de interprovinciale reaffectatiecommissie worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen.
  7. verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de Vlaamse reaffectatiecommissie worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen. ";
  4° in § 2 wordt de eerste zin vervangen door wat volgt :
  " Mits naleving van de verplichtingen in § 1, 1 kan een inrichtende macht een wedde of weddentoelage bekomen voor een tijdelijk personeelslid dat een betrekking bekleedt die vatbaar is voor reaffectatie of wedertewerkstelling op voorwaarde dat de betrekking aangegeven is overeenkomstig de voorgeschreven procedure. "
Art. 42. A l'article 40 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 31 août 1999 et 5 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, 2, c, les mots "l'article 19, § 3" sont remplacés par les mots "l'article 19, § 4";
  2° au § 1er, le point 3° est abrogé;
  3° au § 1er sont ajoutés les points 5, 6 et 7, rédigés comme suit :
  " 5. tenu, dans l'enseignement communautaire, d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et qui sont attribués, à titre de réaffectation ou de remise au travail, par la commission de réaffectation du groupe d'écoles.
  6. tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et affectés par la commission interprovinciale de réaffectation, par voie de réaffectation ou de remise au travail.
  7. tenu d'engager les membres du personnel mis en disponibilité et affectés par la commission flamande de réaffectation, par voie de réaffectation ou de remise au travail. ";
  4° au § 2, la première phrase est remplacée par ce qui suit :
  " Si les obligations visées au § 1er sont observées, un pouvoir organisateur peut obtenir un traitement ou une subvention-traitement pour un membre du personnel temporaire occupant un emploi susceptible de réaffectation ou de remise au travail, pourvu que l'emploi soit déclaré conformément à la procédure prescrite. "
Art. 43. In artikel 42, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 1999, wordt punt 3° opgeheven.
Art. 43. A l'article 42, § 1er, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 août 1999, le point 3° est abrogé.
Art. 44. In artikel 43, § 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003, worden tussen de woorden " de verplichtingen van de inrichtende macht " en de woorden " wordt aangeduid door " de woorden " of dat " ingevoegd.
Art. 44. Dans la version néerlandaise de l'article 43, § 2, du même arrêté, modifié par arrêté du Gouvernement flamand du 5 décembre 2003, les mots "of dat" sont insérés entre les mots "de verplichtingen van de inrichtende macht" et "wordt aangeduid door".
Art. 45. In artikel 44, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 1999, wordt punt 3° opgeheven.
Art. 45. A l'article 44, § 1er, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 août 1999, le point 3° est abrogé.
Art. 46. In artikel 45 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 31 augustus 1999 en 5 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in punt 6 worden telkens de woorden " van het secundair onderwijs " geschrapt;
  2° in punt 7 worden telkens de woorden " in het secundair onderwijs " geschrapt;
  3° in punt 11 worden telkens de woorden " van het secundair onderwijs " geschrapt.
Art. 46. A l'article 45 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 31 août 1999 et 5 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au point 6, les mots "de l'enseignement secondaire" sont supprimés à chaque fois;
  2° au point 7, les mots "de l'enseignement secondaire" sont supprimés à chaque fois;
  3° au point 11, les mots "de l'enseignement secondaire" sont supprimés à chaque fois.
Art. 47. In de plaats van artikel 47 van hetzelfde besluit, vernietigd bij het arrest 139.971 van 1 februari 2005 van de Raad van State, komt een nieuw artikel 47, dat luidt als volgt :
  " Art. 47. § 1. De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op de personeelsleden, die ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking aan een van de volgende onderwijsinstellingen :
  1° onderwijsinstellingen van het Technisch Instituut van het Kempens Bekken;
  2° de School voor Moderne Beroepen in Kortrijk;
  3° het Hof ter Linden in Evergem;
  4° het Instituut voor Secundair Beroepsonderwijs in Zelzate;
  5° de Vrije Beroepsschool voor Beenhouwers-Charcutiers in Brussel;
  6° de gesubsidieerde vrije niet-confessionele scholen die gesloten zijn;
  7° de gesubsidieerde vrije lagere school in Horebeke, Abraham Hansstraat 1;
  8° de gesubsidieerde vrije basisschool in Boechout, Lange Kroonstraat 1;
  9° de gesloten scholen en instellingen en de scholen en instellingen die werden of worden overgedragen naar een inrichtende macht die behoort tot een ander net voorzover ze ervoor opteren om niet mee over te gaan naar een school of instelling van het overnemende net, voorzover er voor die gesloten scholen en instellingen enkel de Vlaamse reaffectatiecommissie bestaat.
  § 2. Met betrekking tot de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking aan een van de onderwijsinstellingen, vermeld in § 1 gelden de volgende bijzondere bepalingen, zonder rekening te houden met het net en het karakter :
  1° de Vlaamse reaffectatiecommissie reaffecteert en stelt de personeelsleden weder te werk in de onderwijsinstellingen van de verschillende netten of buiten het onderwijs of de centra zoals bepaald in artikel 46;
  2° de personeelsleden zijn verplicht een reaffectatie of wedertewerkstelling van de Vlaamse reaffectatiecommissie te aanvaarden. De bepalingen van artikel 45 zijn op hen van toepassing;
  3° de inrichtende machten zijn verplicht de personeelsleden die hen toegewezen worden bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling in dienst te nemen.
  De personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn aan een van de onderwijsinstellingen, vermeld in § 1, kunnen hun voorkeur voor een reaffectatie of wedertewerkstelling in een bepaald net kenbaar maken aan de voorzitter van de Vlaamse reaffectatiecommissie.
  Bij het begin van elk schooljaar kan het personeelslid die keuze wijzigen als het nog niet werd gereaffecteerd of wedertewerkgesteld of na het regelmatig beëindigen van een reaffectatie of wedertewerkstelling in het gekozen net. Als artikel 41 van toepassing is, geldt deze bepaling niet.
  § 3. Zowel de inrichtende macht als het personeelslid kan eveneens tegen deze toewijzingen een bezwaarschrift indienen bij de voorzitter van de Vlaamse reaffectatiecommissie met het verzoek de toewijzing opnieuw in overweging te nemen. ".
Art. 47. L'article 47 du même arrêté, annulé par l'arrêt 139.971 du 1er février 2005 du Conseil de l'Etat, est remplacé par un nouvel article 47, rédigé comme suit :
  " Art. 47. § 1er. Les dispositions du présent titre s'appliquent aux membres du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi auprès d'un des établissements d'enseignement suivants :
  1° établissements d'enseignement du "Technisch Instituut van het Kempens Bekken";
  2° "School voor Moderne Beroepen" à Courtrai;
  3° "Hof ter Linden" à Evergem;
  4° "Instituut voor Secundair Beroepsonderwijs" à Zelzate;
  5° "Vrije Beroepsschool voor Beenhouwers-Charcutiers" à Bruxelles;
  6° les écoles libres non confessionnelles subventionnées qui sont fermées;
  7° l'école primaire libre subventionnée à Horebeke, Abraham Hansstraat 1;
  8° l'école fondamentale libre subventionnée à Boechout, Lange Kroonstraat 1;
  9° les écoles et établissements fermés et les écoles et établissements ayant été ou étant transférés à un pouvoir organisateur appartenant à un autre réseau, dans la mesure où ils choisissent de ne pas passer à une école ou un établissement du réseau absorbant, dans la mesure où il n'existe que la commission flamande de réaffectation pour ces écoles et établissements fermés.
  § 2. Les dispositions particulières suivantes s'appliquent aux membres du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi auprès des établissements d'enseignement visés au § 1er, quel que soit le réseau et le caractère :
  1° la commission flamande de réaffectation procède à la réaffectation et à la remise au travail des membres du personnel dans les établissements d'enseignement des différents réseaux ou en dehors de l'enseignement ou des centres, tel qu'il est défini à l'article 46;
  2° les membres du personnel sont obligés d'accepter une réaffectation ou remise au travail proposée par la commission flamande de réaffectation. Les dispositions de l'article 45 leur sont applicables;
  3° les pouvoirs organisateurs sont obligés d'engager les membres du personnel qui leurs sont attribués par voie de réaffectation ou de remise au travail.
  Les membres du personnel mis en disponibilité dans un des établissements d'enseignement visés au § 1er, peuvent faire connaître au président de la commission flamande de réaffectation leur préférence pour une réaffectation ou remise au travail dans un réseau déterminé.
  Au début de chaque année scolaire, le membre du personnel peut modifier ce choix s'il n'a pas encore été réaffecté ou remis au travail ou après avoir terminé d'une manière régulière la réaffectation ou la remise au travail dans le réseau choisi. Lorsque l'article 41 s'applique, cette disposition n'est pas valable.
  § 3. Le pouvoir organisateur comme le membre du personnel peuvent introduire auprès du président de la commission flamande de réaffectation une réclamation contre ces attributions, avec la demande de reconsidérer l'attribution en question. "
Art. 48. Artikel 52, van hetzelfde besluit, opgeheven door het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
  " Art. 52. § 1. Met ingang van 1 juli 2005 en tot een door de Vlaamse Regering te bepalen datum wordt, voor de toepassing van dit besluit, de werking van de in artikel 14 vermelde interprovinciale reaffectatiecommissie opgeschort.
  § 2. Tijdens de periode, vermeld in § 1, worden alle verplichtingen opgeschort die de inrichtende machten, instellingen, personeelsleden en de in dit besluit vermelde reaffectatiecommissies in toepassing van dit besluit hebben ten aanzien van de in artikel 14 vermelde reaffectatiecommissie.
  Voor de inrichtende machten, instellingen en personeelsleden die de in artikel 14 vermelde reaffectatiecommissie als eerste bevoegde reaffectatiecommissie hebben, wordt de Vlaamse reaffectatiecommissie de eerste bevoegde reaffectatiecommissie.
  Voor de in dit besluit vermelde reaffectatiecommissies die de in artikel 14 vermelde interprovinciale reaffectatiecommissie als eerste daaropvolgende bevoegde commissie hebben, wordt de Vlaamse reaffectatiecommissie de eerste daaropvolgende commissie.
  § 3. Tijdens de periode, vermeld in § 1, worden de bepalingen van artikel 17, § 1 opgeschort.
  Tijdens voormelde periode heeft de Vlaamse reaffectatiecommissie volgende bevoegdheden :
  1. In eerste orde het reaffecteren van personeelsleden per kamer en in elke kamer per onderwijsniveau. In het gesubsidieerd onderwijs gebeuren deze reaffectaties daarenboven per karakter.
  2. In tweede orde het weder te werk stellen van personeelsleden per kamer en in elke kamer per onderwijsniveau. In het gesubsidieerd onderwijs gebeuren deze wedertewerkstellingen daarenboven per karakter.
  3. In derde orde het reaffecteren en weder tewerkstellen van personeelsleden over de onderwijsniveaus heen.
  4. Het beslechten van bezwaarschriften en het beslissen over de moeilijkheden met betrekking tot de reaffectaties, de wedertewerkstellingen en de tewerkstellingen zoals bedoeld in § 5.
  5. Na toepassing van de procedure in dit besluit kan de Vlaamse reaffectatiecommissie vastbenoemde personeelsleden die geheel of gedeeltelijk ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking en voor wie geen reaffectatie of wedertewerkstelling mogelijk is, beschikbaar stellen als administratieve ondersteuning van een scholengemeenschap onder volgende voorwaarden.
  a) de personeelsleden kunnen alleen tewerkgesteld worden onder de voorwaarden, bepaald in artikel 45, 1, van dit besluit;
  b) de ter beschikking gestelde personeelsleden worden zo gelijkmatig mogelijk verdeeld over de scholengemeenschappen;
  c) een personeelslid kan maar aan één instelling van de scholengemeenschap worden toegewezen.
  De personeelsleden die reeds als administratieve hulp of ondersteuning in het basisonderwijs tewerkgesteld waren voor 1 september 2005, blijven tewerkgesteld in deze functie tenzij artikel 41, § 2 van toepassing is.
  De tewerkstelling met toepassing van dit besluit is een wedertewerkstelling zoals bepaald in artikel 11, § 2.
  In deze betrekkingen is geen vaste benoeming mogelijk.
  De tewerkstelling als administratieve ondersteuning in een scholengemeenschap wordt opgeschort door een reaffectatie of een wedertewerkstelling.
  Wanneer er binnen de Vlaamse reaffectatiecommissie geen consensus bestaat over een mogelijke beslissing, legt de voorzitter een voorstel ter stemming neer. Bij staking van stemmen beslist de voorzitter.
  § 4. Tijdens de periode, vermeld in § 1, en in afwijking op artikel 28, § 2, gaan de reaffectaties en wedertewerkstelling uitgesproken door de Vlaamse reaffectatiecommissie in op 1 oktober of op een latere te bepalen datum.
  § 5. Tijdens de periode, vermeld in § 1, worden de bepalingen van artikel 34, § 1, A, 7° tot en met 8°, artikel 34, § 1, C, 7° tot en met 8°, artikel 36, § 2, A, 5° tot en met 6° en artikel 36, § 2, C, 5° tot en met 6° opgeschort.
  De terbeschikkinggestelde personeelsleden die behoren tot een scholengemeenschap en die na de bepalingen van artikel 34, § 1, A, 1° tot en met 5°, artikel 34, § 1, C, 1° tot en met 5°, artikel 36, § 2, A, 1° tot en met 3° of artikel 36, § 2, C, 1° tot en met 3°, geen reaffectatie of wedertewerkstelling hebben verkregen, worden door de reaffectatiecommissie van de scholengemeenschap toegewezen aan bij voorkeur één of aan meerdere instellingen van de scholengemeenschap. Zulke toewijzingen gebeuren steeds in niet-organieke betrekkingen in het ambt waarin de desbetreffende personeelsleden ter beschikking gesteld zijn.
  Met het oog op de toewijzingen zoals bedoeld in vorig lid worden voor de nog niet gereaffecteerde of wedertewerkgestelde personeelsleden voorstellen besproken in de reaffectatiecommissie. Een personeelslid dat op basis van deze voorstellen een betrekking toegewezen krijgt die als " hetzelfde ambt " kan aangezien worden, is verplicht deze betrekking te aanvaarden.
  Wanneer een toewijzing in " hetzelfde ambt " niet mogelijk is, kan de reaffectatiecommissie aan het betrokken terbeschikkinggestelde personeelslid een betrekking in dezelfde categorie toewijzen die niet als " hetzelfde ambt " kan aangezien worden. Het personeelslid kan deze toewijzing weigeren. In dat geval wordt het door de reaffectatiecommissie tewerkgesteld als administratieve ondersteuning van de scholengemeenschap, met de daarbij behorende prestatie- en vakantieregeling.
  Iedere toewijzing conform deze paragraaf houdt maximaal rekening met de arbeidsomstandigheden van het betrokken personeelslid. Artikel 45 van dit besluit is ook van toepassing op de toewijzingen conform deze paragraaf.
  De toewijzingen zoals bedoeld in deze paragraaf worden beschouwd als een reaffectatie in een niet vacante betrekking, maar ze schorten de reaffectatieverplichtingen van de inrichtende machten in de scholengemeenschap niet op. Tijdens periodes van reaffectatie in een organieke betrekking wordt de toewijzing zoals bedoeld in deze paragraaf opgeschort.
  De bepalingen van deze paragraaf gelden niet voor personeelsleden die in een netoverschrijdende scholengemeenschap in toepassing van artikel 34, § 1, C, 5° of artikel 36, § 2, C, 3° een reaffectatie of wedertewerkstelling weigeren bij een instelling van een ander net van dezelfde scholengemeenschap. Deze personeelsleden moeten verplicht worden gemeld aan de eerstvolgende reaffectatiecommissie.
  § 6. Een ter beschikking gesteld personeelslid dat een reaffectatie in een organieke betrekking verkiest boven een wedertewerkstelling of een toewijzing zoals bedoeld in § 5 kan daartoe een vraag richten aan de reaffectatiecommissie van de eigen scholengroep in het gemeenschapsonderwijs en/of aan de Vlaamse reaffectatiecommissie.
  Een ter beschikking gesteld personeelslid dat een wedertewerkstelling in een organieke betrekking verkiest boven een toewijzing zoals bedoeld in § 5 kan daartoe een vraag richten aan de reaffectatiecommissie van de eigen scholengroep in het gemeenschapsonderwijs en/of aan de Vlaamse reaffectatiecommissie.
  De reaffectatiecommissie van de scholengroep in het gemeenschapsonderwijs en/of de Vlaamse reaffectatiecommissie is verplicht om op de vraag van het personeelslid in te gaan. Als de reaffectatiecommissie van de scholengroep in het gemeenschapsonderwijs een vacature heeft, wijst zij deze vacature toe aan voormeld personeelslid na toepassing van artikel 34, § 1, A, 6°, artikel 34, § 1, B, 6°, b, artikel 34, § 1, C, 6°, artikel 36, § 2, A, 4°, artikel 36, § 2, B, 4°, b of artikel 36, § 2, C, 4°. In afwachting van zulke reaffectatie of wedertewerkstelling door de reaffectatiecommissie van de scholengroep in het gemeenschapsonderwijs of zulke reaffectatie of wedertewerkstelling door de Vlaamse reaffectatiecommissie blijft de beslissing genomen door de reaffectatiecommissie van de scholengemeenschap van kracht.
  § 7. Tijdens de periode, vermeld in § 1, en in afwijking van de bepalingen van artikel 34 tot en met 40, moet in het gesubsidieerd onderwijs een inrichtende macht voor haar instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren steeds haar verplichtingen nakomen ten aanzien van de Vlaamse reaffectatiecommissie voordat zij de bepalingen vermeld in artikel 34, § 1, B, 6°, artikel 36, § 2, B, 4°, artikel 36bis, § 2, B, 8°, artikel 38, § 1, B, 2°, artikel 39, § 1, B, 4° en artikel 40, § 1, 2 mag toepassen.
  § 8. Tijdens de periode, vermeld in § 1, worden de bepalingen van artikel 47bis opgeschort.
  § 9. Tijdens de periode, vermeld in § 1, en in afwijking van artikel 25, § 2, 1, artikel 25bis, § 4, a en artikel 25ter, § 4, a, moeten de in voormelde artikelen bedoelde gegevens voor het basisonderwijs met betrekking tot het schooljaar 2005-2006 worden meegedeeld vóór 15 augustus.
  Deze afwijking geldt ook bij een wijziging van de samenstelling van een scholengemeenschap vanaf het schooljaar 2006-2007.
  § 10. Tijdens de periode, vermeld in § 1, en in afwijking op de bepalingen van dit besluit moet de inrichtende macht voor haar instellingen die behoren tot de scholengemeenschap in het gesubsidieerd onderwijs en de reaffectatiecommissie van de scholengroep in het gemeenschapsonderwijs voor wat betreft instellingen die behoren tot een scholengemeenschap, volgende gegevens meedelen aan de Vlaamse reaffectatiecommissie :
  1. de personeelsleden die nog niet volledig gereaffecteerd of wedertewerkgesteld zijn en die in toepassing van § 6 een reaffectatie of een wedertewerkstelling vragen aan de Vlaamse reaffectatiecommissie;
  2. de vacatures in de scholengemeenschap die worden ingenomen door personeelsleden die nog niet vrij zijn van reaffectatie en wedertewerkstelling.
  § 11. Tijdens de periode, vermeld in § 1, en in afwijking op de bepalingen van dit besluit moet de inrichtende macht voor wat betreft instellingen van het basisonderwijs, het gewoon voltijds secundair onderwijs, het deeltijds secundair zeevisserijonderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs die niet tot een scholengemeenschap behoren, van het deeltijds kunstonderwijs of van het onderwijs voor sociale promotie, volgende gegevens meedelen aan de Vlaamse reaffectatiecommissie :
  1. de personeelsleden die nog niet volledig gereaffecteerd of wedertewerkgesteld zijn;
  2. alle vacatures in de desbetreffende instellingen van de inrichtende macht die niet behoren tot een scholengemeenschap die worden ingenomen door tijdelijke personeelsleden, al dan niet vrij van reaffectatie of wedertewerkstelling. ".
Art. 48. L'article 52 du même arrêté, abrogé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 décembre 2003, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " Art. 52. § 1er. A partir du 1er juillet 2005 et jusqu'à une date à fixer par le Gouvernement flamand, le fonctionnement de la commission interprovinciale de réaffectation visée à l'article 14 est suspendu pour l'application du présent arrêté.
  § 2. Pendant la période visée au § 1er, toutes les obligations que les pouvoirs organisateurs, les établissements, les membres du personnel et les commissions de réaffectation visées par le présent arrêté ont, par application du présent arrêté, à l'égard de la commission de réaffectation visée à l'article 14, sont suspendues.
  Pour les pouvoirs organisateurs, les établissements et les membres du personnel ayant comme commission de réaffectation la première compétente celle visée à l'article 14, la commission flamande de réaffectation devient la commission de réaffectation la première compétente.
  Pour les commissions de réaffectation visées par le présent arrêté ayant la commission interprovinciale de réaffectation visée à l'article 14 comme suivante commission de réaffectation compétente, la commission flamande de réaffectation devient la commission suivante.
  § 3. Pendant la période visée au § 1er, les dispositions de l'article 17, § 1er sont suspendues.
  Pendant la période précitée, la commission flamande de réaffectation a les compétences suivantes :
  1. En premier lieu, la réaffectation de membres du personnel par chambre et dans chaque chambre par niveau d'enseignement. Dans l'enseignement subventionné, ces réaffectations s'effectuent en plus par caractère.
  2. En deuxième lieu, la remise au travail de membres du personnel par chambre et dans chaque chambre par niveau d'enseignement. Dans l'enseignement subventionné, ces remises au travail s'effectuent en plus par caractère.
  3. En troisième lieu, la réaffectation et la remise au travail de membres du personnel à travers les niveaux d'enseignement.
  4. Le règlement des réclamations et les décisions quant aux difficultés relatives aux réaffectations, remises au travail et embauchages tels que visés au § 5.
  5. Après application de la procédure fixée dans le présent arrêté, les membres du personnel nommés à titre définitif étant, entièrement ou partiellement, mis en disponibilité par défaut d'emploi et pour lesquels aucune réaffectation ou remise au travail n'est possible, peuvent être mis à disposition, par la commission flamande de réaffectation, comme aide administratif d'un centre d'enseignement aux conditions suivantes.
  a) les membres du personnel ne peuvent être occupés qu'aux conditions visées à l'article 45, 1, du présent arrêté;
  b) les membres du personnel mis en disponibilité sont répartis aussi régulièrement que possible entre les centres d'enseignement;
  c) un membre du personnel ne peut être affecté qu'à un seul établissement du centre d'enseignement.
  Les membres du personnel qui étaient déjà occupés comme aide administratif dans l'enseignement fondamental avant le 1er septembre 2005, maintiennent cette fonction, à moins que l'article 41, § 2, s'applique.
  L'occupation par application du présent arrêté est une remise au travail telle que visée à l'article 11, § 2.
  Une nomination définitive n'est pas possible dans ces emplois.
  L'occupation comme aide administratif dans un centre d'enseignement est suspendue par une réaffectation ou une remise au travail.
  Faute de consensus dans la commission flamande de réaffectation sur une solution éventuelle, le président soumet une proposition au vote. En cas de partage des voix, la voix du président est prépondérante.
  § 4. Pendant la période visée au § 1er et par dérogation à l'article 28, § 2, les réaffectations et remises au travail prononcées par la commission flamande de réaffectation prennent cours le 1er octobre ou à une date ultérieure à fixer.
  § 5. Pendant la période visée au § 1er, les dispositions des articles 34, § 1er, A, 7° à 8° inclus, 34, § 1er, C, 7° à 8° inclus, 36, § 2, A, 5° à 6° inclus et 36, § 2, C, 5° à 6° inclus sont abrogés.
  Les membres du personnel mis en disponibilité appartenant à un centre d'enseignement et n'ayant pas obtenu de réaffectation ou de remise au travail après application des dispositions de l'article 34, § 1er, A, 1° à 5° inclus, 34, § 1er, C, 1° à 5° inclus, 36, § 2, A, 1° à 3° inclus ou 36, § 2, C, 1° à 3° inclus, sont attribués, par la commission de réaffectation du centre d'enseignement, de préférence a un ou plusieurs établissements du centre d'enseignement. De telles attributions s'effectuent toujours dans des emplois non organiques dans la fonction, dans laquelle les membres du personnel concernés sont mis en disponibilité.
  Pour les membres du personnel pas encore réaffectés ou remis au travail, des propositions sont discutées dans la commission de réaffectation, en vue des attributions visées à l'alinéa précédent. Un membre du personnel auquel est attribué, sur la base de ces propositions, un emploi pouvant être considéré comme "la même fonction", est obligé d'accepter cet emploi.
  Lorsqu'une attribution dans "la même fonction" n'est pas possible, le commission de réaffectation peut attribuer au membre du personnel mis en disponibilité concerné un emploi dans la même catégorie, qui ne peut être considéré comme "la même fonction". Le membre du personnel peut refuser cette attribution. Dans ce cas, la commission de réaffectation l'occupera comme aide administratif auprès du centre d'enseignement, avec le régime de prestations et le régime de vacances y afférents.
  Toute attribution conformément au présent paragraphe tient compte au maximum des conditions de travail du membre du personnel concerné. L'article 45 du présent arrêté s'applique également aux attributions faites conformément au présent paragraphe.
  Les attributions visées au présent paragraphe sont considérées comme une réaffectation dans un emploi non vacant, mais elles ne suspendant pas les obligations de réaffectation des pouvoirs organisateurs dans les centres d'enseignement. Pendant les périodes de réaffectation dans un emploi organique, l'attribution telle que visée dans le présent paragraphe est suspendue.
  Les dispositions du présent paragraphe ne s'appliquent pas aux membres du personnel qui, dans un centre d'enseignement transréseaux, refusent une réaffectation ou remise au travail auprès d'un établissement d'un autre réseau du même centre d'enseignement, par application de l'article 34, § 1er, C, 5° ou de l'article 36, § 2, C, 3°. Ces membres du personnel doivent obligatoirement être signalés à la prochaine commission de réaffectation.
  § 6. Un membre du personnel en disponibilité qui préfère une réaffectation dans un emploi organique a une remise au travail ou une affectation telle que visée au § 5, peut en faire la demande auprès de la commission de réaffectation du propre groupe d'écoles dans l'enseignement communautaire et/ou auprès de la commission flamande de réaffectation.
  Un membre du personnel en disponibilité qui préfère une réaffectation dans un emploi organique à une remise au travail ou une affectation telle que visée au § 5, peut en faire la demande auprès de la commission de réaffectation du propre groupe d'écoles dans l'enseignement communautaire et/ou auprès de la commission flamande de réaffectation.
  La commission de réaffectation du groupe d'écoles dans l'enseignement communautaire et/ou la commission flamande de réaffectation sont obligées d'accéder a la demande du membre du personnel. Si la commission de réaffectation du groupe d'écoles dans l'enseignement communautaire dispose d'une vacance d'emploi, elle la confère au membre du personnel précité, après application de l'article 34, § 1er, A, 6°, 34, § 1er, B, 6°, b, 34, § 1er, C, 6°, 36, § 2, A, 4°, 36, § 2, B, 4°, b ou 36, § 2, C, 4°. Dans l'attente d'une telle réaffectation ou remise au travail par la commission de réaffectation du groupe d'écoles dans l'enseignement communautaire ou d'une telle réaffectation ou remise au travail par la commission flamande de réaffectation, la décision prise par la commission de réaffectation du groupe d'écoles reste en vigueur.
  § 7. Pendant la période visée au § 1er, et par dérogation aux dispositions de l'article 34 à 40 inclus, un pouvoir organisateur dans l'enseignement subventionné doit, pour ses établissements qui n'appartiennent pas à un centre d'enseignement, à tout moment remplir ses obligations à l'égard de la commission flamande de réaffectation, avant de pouvoir appliquer les dispositions visées aux articles 34, § 1er, B, 6°, 36, § 2, B, 4°, 36bis, § 2, B, 8°, 38, § 1er, B, 2°, 39, § 1er, B, 4° et 40, § 1er, 2.
  § 8. Pendant la période visée au § 1er, les dispositions de l'article 47bis sont suspendues.
  § 9. Pendant la période visée au § 1er, et par dérogation aux articles 25, § 2, 1, 25bis, § 4, a et 25ter, § 4, a, les données mentionnées aux articles précités doivent, pour ce qui concerne l'année scolaire 2005-2006 de l'enseignement fondamental, être communiquées avant le 15 août.
  Cette dérogation s'applique également en cas d'une modification de la composition d'un centre d'enseignement à partir de l'année scolaire 2006-2007.
  § 10. Pendant la période visée au § 1er, et par dérogation aux dispositions du présent arrêté, le pouvoir organisateur doit, pour ses établissements qui appartiennent au centre d'enseignement dans l'enseignement subventionné, et la commission de réaffectation du groupe d'écoles dans l'enseignement communautaire doit, pour ce qui concerne les établissements qui appartiennent à un centre d'enseignement, communiquer les données suivantes à la commission flamande de réaffectation :
  1. les membres du personnel n'étant pas encore complètement réaffectés ou remis au travail et qui, par application du § 6, demandent une réaffectation ou une remise au travail à la commission flamande de réaffectation;
  2. les vacances d'emploi auprès du centre d'enseignement qui sont occupées par des membres du personnel n'étant pas encore exempts de réaffectation et de remise au travail.
  § 11. Pendant la période visée au § 1er, et par dérogation aux dispositions du présent arrêté, le pouvoir organisateur doit, pour ce qui concerne l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, l'enseignement secondaire de la pêche maritime à temps partiel, l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et l'enseignement secondaire spécial n'appartenant pas à un centre d'enseignement, l'enseignement artistique à temps partiel ou l'enseignement de promotion sociale, communiquer les données suivantes à la commission flamande de réaffectation :
  1. les membres du personnel n'étant pas encore complètement réaffectés ou remis au travail;
  2. toutes les vacances d'emploi dans les établissements concernés du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement, qui sont occupées par des membres du personnel temporaires exempts ou non de réaffectation ou de remise au travail."
Art. 49. In artikel 54 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003, worden de woorden " onderwijs en Ambtenarenzaken " vervangen door de woorden " het onderwijs, ".
Art. 49. A l'article 54 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 décembre 2003, les mots "de l'Enseignement et de la Fonction publique" sont remplacés par les mots "de l'enseignement,".
Art. 50. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 juni 2005, met uitzondering van :
  - artikelen 17, 1°, 32, 35 en 47 die uitwerking hebben met ingang van 1 augustus 1999;
  - artikel 17, 2° en 3°, 33 en 36 die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2001.
Art. 50. Le présent arrêté produit ses effets le 1er juin 2005, à l'exception :
  - des articles 17, 1°, 32, 35 et 47, qui produisent leurs effets le 1er août 1999;
  - des articles 17, 2° et 3°, 33 et 36 qui produisent leurs effets le 1er septembre 2001.
Art. 51. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Brussel, 23 september 2005.
  De minister-president van de Vlaamse Regering,
  Y. LETERME
  De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
  F. VANDENBROUCKE.
Art. 51. Le Ministre flamand qui a l'Enseignement dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
  Bruxelles, le 23 septembre 2005.
  Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
  Y. LETERME
  Le Ministre flamand de l'Emploi, de l'Enseignement et de la Formation,
  F. VANDENBROUCKE.