Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
15 SEPTEMBER 2006. - Wet tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 06-10-2006 en tekstbijwerking tot 19-05-2009)
Titre
15 SEPTEMBRE 2006. - Loi réformant le Conseil d'Etat et créant un Conseil du Contentieux des Etrangers. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 06-10-2006 et mise à jour au 19-05-2009)
Documentinformatie
Numac: 2006000704
Datum: 2006-09-15
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2006000704
Date: 2006-09-15
Moniteur: Voir
Tekst (252)
Texte (253)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.
CHAPITRE Ier. - Disposition générale.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 77 de la Constitution.
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
CHAPITRE II. - Modifications des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973.
Art. 2. In artikel 7 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, worden de woorden "dient van beredeneerd advies of", geschrapt.
Art. 2. Dans l'article 7 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, les mots "donne des avis motivés ou" sont supprimés.
Art. 3. De artikelen 8, 9 en 10, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 9 augustus 1980 en 16 juni 1989, worden opgeheven.
Art. 3. Les articles 8, 9 et 10 des mêmes lois, modifiés par les lois des 9 août 1980 et 16 juin 1989, sont abrogés.
Art. 4. In artikel 14, § 1, van dezelfde wetten, vervangen bij wet van 25 mei 1999, worden de woorden "van de Raad van State en de administratieve rechtscolleges" ingevoegd tussen de woorden "van het Arbitragehof," en de woorden "evenals van organen van de rechterlijke macht".
Art. 4. A l'article 14, § 1er, des mêmes lois, modifiées par la loi du 25 mai 1999, les mots "du Conseil d'Etat et des juridictions administratives" sont insérés entre les mots "de la Cour d'arbitrage," et les mots "ainsi que des organes du pouvoir judiciaire".
Art. 5. Artikel 16, 2°, van dezelfde wetten, wordt opgeheven.
Art. 5. L'article 16, 2°, des mêmes lois est abrogé.
Art. 6. In artikel 17, van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 16 juni 1989 en gewijzigd bij de wetten van 19 juli 1991, 4 augustus 1996 en 25 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° In § 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in het eerste lid worden de woorden "artikel 14, § 1" vervangen door de woorden "artikel 14, §§ 1 en 3";
  b) de paragraaf wordt aangevuld met de volgende leden :
  " De verzoeker dient, wanneer hij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert, te opteren hetzij voor een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid, hetzij voor een gewone schorsing. Hij kan op straffe van niet-ontvankelijkheid noch gelijktijdig noch opeenvolgend hetzij opnieuw het derde lid toepassen, hetzij in zijn in § 3 bedoeld verzoekschrift andermaal de schorsing vorderen.
  In afwijking van het vijfde lid en onverminderd het bepaalde in § 3, belet de verwerping van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet dat de verzoeker nadien een vordering tot schorsing volgens de gewone procedure instelt, indien deze vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd verworpen omdat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet afdoende werd aangetoond. ";
  2° § 2, tweede lid, wordt aangevuld als volgt : "noch zijn vatbaar voor herziening. ";
  3° § 3, eerste lid, wordt vervangen als volgt :
  " Behoudens in het geval van uiterst dringende noodzakelijkheid moeten in één en dezelfde akte zowel de vordering tot schorsing als het beroep tot nietigverklaring worden ingesteld.
  In het opschrift van het verzoekschrift dient te worden vermeld dat hetzij een beroep tot nietigverklaring wordt ingesteld, hetzij een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring. Is aan deze pleegvorm niet voldaan, dan wordt het verzoekschrift geacht enkel een beroep tot nietigverklaring te bevatten.
  Eenmaal een beroep tot nietigverklaring is ingediend, is een navolgende vordering tot schorsing niet ontvankelijk, onverminderd de mogelijkheid in hoofde van de verzoeker om, indien de beroepstermijn nog niet is verstreken, een nieuw beroep tot nietigverklaring in te stellen waar een vordering tot schorsing is bijgevoegd op de wijze bepaald in dit artikel. ";
  4° § 4 wordt aangevuld als volgt :
  " De Koning bepaalt in de in artikel 30 bepaalde procedureregeling de gevallen waar, nadat bij tussenarrest over de vordering tot schorsing werd beslecht, het aangewezen lid van het Auditoraat geen nieuw verslag moet opstellen, alsook de nadere regels ter zake. ";
  5° in § 6, tweede lid, vervalt de tweede zin.
Art. 6. A l'article 17 des mêmes lois, inséré par la loi du 16 juin 1989 et modifié par les lois des 19 juillet 1991, 4 août 1996 et 25 mai 1999, sont apportées les modifications suivantes :
  1° Au § 1er, sont apportées les modifications suivantes :
  a) à l'alinéa 1er, les mots "article 14, § 1" sont remplacés par les mots "article 14, §§ 1er et 3";
  b) le paragraphe est complété par les alinéas suivants :
  " Lorsque le requérant demande la suspension de l'exécution, il doit opter soit pour une suspension en extrême urgence, soit pour une suspension ordinaire. Sous peine d'irrecevabilité, il ne peut, ni simultanément ni consécutivement, soit appliquer à nouveau l'alinéa 3, soit demander une nouvelle fois la suspension dans la requête visée au § 3.
  Par dérogation à l'alinéa 5 et sans préjudice de la disposition du § 3, le rejet de la demande de suspension selon la procédure d'extrême urgence n'empêche pas le requérant d'introduire ultérieurement une demande de suspension selon la procédure ordinaire, lorsque cette demande de suspension en extrême urgence a été rejetée au motif que l'extrême urgence n'est pas suffisamment établie. ";
  2° le § 2, alinéa 2 est complété comme suit : "et ne sont pas davantage susceptibles de révision. ";
  3° le § 3, alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " Sauf dans le cas d'extrême urgence, la demande de suspension et le recours en annulation doivent être introduits par un seul et même acte.
  Dans l'intitulé de la requête, il y a lieu de mentionner que soit un recours en annulation, soit une demande de suspension et un recours en annulation est introduit. Si cette formalité n'est pas satisfaite, il sera considéré que la requête ne comporte qu'un recours en annulation.
  Dès que le recours en annulation est introduit, une demande de suspension introduite ultérieurement n'est pas recevable, sans préjudice de la possibilité offerte au demandeur d'introduire, de la manière visée à cet article, un nouveau recours en annulation assorti d'une demande de suspension, si le délai de recours n'a pas encore expiré. ";
  4° le § 4 est complété par l'alinéa suivant :
  " Le Roi détermine dans le règlement de procédure visé à l'article 30, les cas où, après qu'il a été statué par arrêt interlocutoire sur la demande de suspension, le membre désigné de l'Auditorat ne doit pas établir de nouveau rapport, ainsi que les règles qui doivent être suivies à cet égard. ";
  5° au § 6, alinéa 2, la seconde phrase est supprimée.
Art. 7. In artikel 19 van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 24 maart 1994 en 25 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het tweede lid wordt aangevuld als volgt :
  " Indien aan die verplichting niet wordt voldaan dan nemen de verjaringstermijnen een aanvang vier maanden nadat de betrokkene in kennis werd gesteld van de akte of van de beslissing met individuele strekking. ";
  2° het artikel wordt aangevuld met het volgende lid :
  " Een cassatieberoep kan niet worden ingediend zonder de bijstand van een persoon bedoeld in het derde lid, die het verzoekschrift moet ondertekenen. ".
Art. 7. A l'article 19 des mêmes lois, modifié par les lois des 24 mars 1994 et 25 mai 1999, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 2 est complété comme suit :
  " Lorsque cette condition n'est pas remplie, les délais de prescription prennent cours quatre mois après que l'intéressé a pris connaissance de l'acte ou de la décision à portée individuelle. ";
  2° l'article est complété par l'alinéa suivant :
  " Un recours en cassation ne peut être introduit sans l'assistance d'une personne visée à l'alinéa 3, qui doit signer la requête. ".
Art. 8. Artikel 20 van dezelfde wetten, opgeheven bij wet van 24 maart 1994, wordt hersteld in de volgende lezing :
  " § 1. Het in artikel 14, § 2, bedoelde cassatieberoep wordt pas behandeld voor zover het toelaatbaar is verklaard met toepassing van § 2.
  § 2. Elk cassatieberoep wordt, zodra het op de rol is geplaatst, en op inzage van het verzoekschrift en het rechtsplegingsdossier, onmiddellijk onderworpen aan een procedure van toelating.
  Cassatieberoepen waarvoor de Raad van State niet bevoegd is of zonder rechtsmacht, of die zonder voorwerp of kennelijk onontvankelijk zijn, worden niet toelaatbaar verklaard.
  Worden slechts toelaatbaar verklaard, de cassatieberoepen waarvan de middelen een schending van de wet of een substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste aanvoeren, voor zover het erin aangevoerde middel niet kennelijk ongegrond is en dat die schending daadwerkelijk van die aard is dat ze tot cassatie van de bestreden beslissing kan leiden en de strekking van de beslissing kan hebben beïnvloed.
  Worden eveneens toelaatbaar verklaard, de cassatieberoepen waarvoor de Raad van State niet onbevoegd of zonder rechtsmacht is om het beroep in cassatie te berechten of die niet zonder voorwerp of kennelijk onontvankelijk zijn en waarvan het onderzoek door de afdeling noodzakelijk blijkt om te zorgen voor de eenheid van de rechtspraak.
  § 3. De eerste voorzitter, de voorzitter, de kamervoorzitter of de staatsraad die ten minste drie jaar graadanciënniteit heeft en die daartoe is aangewezen door de korpschef die de afdeling administratie onder zijn verantwoordelijkheid heeft, doet bij beschikking binnen de acht dagen vanaf de ontvangst van het dossier van het rechtscollege, uitspraak over de toelaatbaarheid van het cassatieberoep zonder terechtzitting en zonder dat de partijen worden gehoord. De hoofdgriffier vraagt onmiddellijk na ontvangst van het verzoekschrift het dossier van het rechtscollege op bij het administratief rechtscollege wiens beslissing met een cassatieberoep wordt bestreden. Dit rechtscollege bezorgt het dossier binnen de twee werkdagen na het verzoek tot mededeling aan de Raad van State.
  De beschikking waarbij de toelating wordt geweigerd, motiveert bondig de weigering.
  De beschikking wordt onmiddellijk ter kennis gebracht aan de partijen in cassatie volgens de modaliteiten bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Dit koninklijk besluit kan eveneens de gevallen bepalen waarin kan worden volstaan met een kennisgeving aan de in het geding zijnde administratieve overheden bedoeld in artikel 14, § 2, van het dispositief en het voorwerp, alsook de vorm waarin en de voorwaarden waaronder deze kennisgeving geschiedt en de wijze waarop deze beschikkingen voor deze partij integraal toegankelijk zijn.
  Tegen de krachtens deze bepaling uitgesproken beschikkingen kan geen verzet noch derdenverzet worden aangetekend noch zijn ze vatbaar voor herziening.
  § 4. De procedure in cassatie wordt aangevat indien het cassatieberoep met toepassing van deze bepaling toelaatbaar is. De kamer bij wie het beroep aanhangig is, doet binnen zes maanden na in de § 3 bedoelde beschikking uitspraak over het cassatieberoep.
  § 5. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de procedure met betrekking tot het in dit artikel bedoelde onderzoek van de toelaatbaarheid in cassatie. ".
Art. 8. L'article 20 des mêmes lois, abrogé par la loi du 24 mars 1994, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " § 1er. Le recours en cassation, visé à l'article 14, § 2, n'est traité que lorsqu'il est déclaré admissible en application du § 2.
  § 2. Chaque recours en cassation est, dès qu'il est porté au rôle, et sur le vu de la requête et du dossier de la procédure, immédiatement soumis à la procédure d'admission.
  Les recours en cassation pour lesquels le Conseil d'Etat est incompétent ou sans juridiction ou qui sont sans objet ou manifestement irrecevables ne sont pas déclarés admissibles.
  Sont seuls déclarés admissibles les recours en cassation qui invoquent une violation de la loi ou la violation d'une règle de forme, soit substantielle, soit prescrite à peine de nullité, pour autant que le moyen invoqué par le recours ne soit pas manifestement non fondé et que cette violation soit effectivement de nature telle qu'elle peut conduire à la cassation de la décision querellée et a pu influencer la portée de la décision.
  Sont également déclarés admissibles, les recours en cassation pour lesquels le Conseil d'Etat n'est pas incompétent ou sans pouvoir de juridiction pour statuer sur le recours en cassation ou qui ne sont pas sans objet ou manifestement irrecevables et dont l'examen par la section s'avère nécessaire pour assurer l'unité de la jurisprudence.
  § 3. Le premier président, le président, le président de chambre ou le conseiller d'Etat ayant au moins trois années d'ancienneté de grade, désigné par le chef de corps qui est responsable de la section d'administration, se prononce, par voie d'ordonnance, dans les huit jours à compter de la réception du dossier de la juridiction, sur l'admissibilité du recours en cassation, sans audience et sans entendre les parties. Aussitôt après réception de la requête, le greffier en chef demande communication du dossier de la juridiction à la juridiction administrative dont la décision est contestée par un recours en cassation. Cette juridiction communique le dossier dans les deux jours ouvrables suivant la demande de communication au Conseil d'Etat.
  L'ordonnance qui refuse l'admissibilité du recours motive succinctement le refus.
  L'ordonnance est directement signifiée aux parties en cassation selon les modalités fixées par un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres. Cet arrêté royal peut également déterminer les cas dans lesquels une notification aux autorités administratives en cause visées à l'article 14, § 2, du dispositif ainsi que de l'objet suffit, ainsi que la forme et les conditions selon lesquelles cette notification est faite et la manière dont ces ordonnances sont intégralement accessibles à cette partie.
  Aucune opposition, ni tierce opposition ne peut être formée contre les ordonnances prononcées en vertu de la présente disposition, lesquelles ne sont pas davantage susceptibles de révision.
  § 4. La procédure en cassation est engagée lorsque le recours en cassation est déclaré admissible en application de la présente disposition. La chambre devant laquelle le recours est pendant se prononce sur le recours en cassation dans un délai de six mois suivant l'ordonnance visée au § 3.
  § 5. Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, la procédure relative à l'examen de l'admissibilité en cassation visé dans le présent article. ".
Art. 9. In artikel 21, zesde lid, van dezelfde wetten, vervangen bij wet van 17 oktober 1990, worden de woorden "of bij de kennisgeving van het feit dat toepassing werd gemaakt van artikel 17, § 4, laatste lid" ingevoegd na de woorden "van het verslag van de auditeur".
Art. 9. A l'article 21, alinéa 6, des mêmes lois, remplacé par la loi du 17 octobre 1990, les mots "ou lors de la communication selon laquelle l'article 17, § 4, dernier alinéa, a été appliqué" sont insérés après les mots "du rapport de l'auditeur".
Art. 10. Artikel 21bis van dezelfde wetten, vervangen bij wet van 25 mei 1999, wordt aangevuld met de volgende § :
  " § 3. Indien degene die belang heeft bij de oplossing van de zaak, tussenkomt in het raam van een vordering tot schorsing die overeenkomstig artikel 17, § 3, eerste lid, werd ingediend in dezelfde akte als het verzoek tot nietigverklaring, geldt dit verzoek tot tussenkomst zowel voor de vordering tot schorsing als voor het beroep tot nietigverklaring. ".
Art. 10. L'article 21bis des mêmes lois, remplacé par la loi du 25 mai 1999, est complété par le § suivant :
  " § 3. Si celui qui a intérêt à la solution de l'affaire intervient dans le cadre d'une demande de suspension qui a été introduite, conformément à l'article 17, § 3, alinéa 1er, dans le même acte que le recours en annulation, cette requête en intervention vaut tant pour la demande de suspension que pour le recours en annulation. ".
Art. 11. Artikel 23, eerste lid, van dezelfde wetten, wordt vervangen als volgt :
  " De afdeling administratie voert rechtstreeks briefwisseling met alle overheden en besturen die zij nuttig acht. ".
Art. 11. L'article 23, alinéa 1er, des mêmes lois est remplacé par l'alinéa suivant :
  " La section d'administration correspond directement par courrier avec toutes les autorités et administrations qu'elle estime nécessaires. ".
Art. 12. In dezelfde wetten wordt artikel 24 van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 17 oktober 1990 en 4 augustus 1996 aangevuld als volgt :
  " Indien na toepassing van het tweede lid blijkt dat de conclusies van het verslag geen oplossing van het geschil bieden, kan de kamer in het arrest het Auditoraat gelasten, naar gelang het geval, met het onderzoek van één of meerdere welbepaalde middelen of excepties, of met het verder onderzoek van het beroep dan wel met een onderzoeksmaatregel die zij in het arrest vaststelt. ".
Art. 12. Dans les mêmes lois, l'article 24, modifié par les lois du 17 octobre 1990 et du 4 août 1996, est complété par l'alinéa suivant :
  " S'il apparaît, après application de l'alinéa 2, que les conclusions du rapport ne permettent pas de résoudre le litige, dans son arrêt, la chambre peut charger l'Auditorat, selon le cas, de l'examen d'un ou plusieurs moyens ou exceptions qu'elle précise, ou de l'examen ultérieur du recours assorti d'une mesure d'instruction qu'elle ordonne dans son arrêt. ".
Art. 13. In artikel 25, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 27 mei 1974, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  " Is er aanleiding tot onderzoek, dan beveelt de afdeling dat het wordt ingesteld, hetzij op haar terechtzitting, hetzij door het lid van de Raad van State, hetzij door het bevoegde lid van het Auditoraat dat wordt aangewezen door de auditeur-generaal. De auditeur-generaal of het door hem aangewezen lid van het Auditoraat, kan ambtshalve onderzoeksverrichtingen stellen. ";
  2° in het tweede lid, worden de woorden "of de auditeur-generaal" ingevoegd na de woorden "De Kamer";
  3° in het derde lid wordt het woord "frank" vervangen door het woord "euro".
Art. 13. A l'article 25 des mêmes lois, modifié par la loi du 27 mai 1974, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par l'alinéa suivant :
  " S'il y a lieu à enquête, la section ordonne qu'il y soit procédé soit à son audience, soit par le membre du Conseil d'Etat, soit par le membre compétent de l'Auditorat désigné par l'auditeur général. L'auditeur général ou le membre de l'Auditorat désigné par lui peut effectuer d'office des devoirs d'instruction. ";
  2° dans l'alinéa 2, les mots "ou l'auditeur général" sont insérés après les mots "La Chambre";
  3° dans l'alinéa 3, le mot "francs" est remplacé par le mot "euros".
Art. 14. Artikel 27 van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 4 augustus 1996 en 25 mei 1999, waarvan de eerste twee leden § 1 vormen, wordt aangevuld met de volgende paragraaf :
  " § 2. De voorzitter van de kamer van de Raad van State waarbij het cassatieberoep gericht tegen een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, aanhangig is of de door hem aangewezen staatsraad, kan ambtshalve of op verzoek van een van de partijen, bevelen dat de zaak met gesloten deuren wordt behandeld.
  Hij kan dat ook bevelen wanneer het administratieve dossier krachtens artikel 39/64 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen vertrouwelijk erkende stukken bevat.
  Dergelijke stukken mogen in geen enkele akte van de procedure worden vermeld, aangehaald of overgenomen op straffe van nietigheid van die akte. ".
Art. 14. L'article 27 des mêmes lois, modifié par les lois du 4 août 1996 et du 25 mai 1999, dont les deux premiers alinéas forment le paragraphe 1er, est complété par le paragraphe suivant :
  " § 2. Le président de la chambre du Conseil d'Etat auprès de laquelle le pourvoi en cassation contre un arrêt du Conseil du Contentieux des étrangers est pendant, ou le conseiller d'Etat désigné par lui, peut, d'office ou à la demande d'une des parties, ordonner que l'affaire soit examinée à huis clos.
  Il peut également l'ordonner lorsque le dossier administratif contient des pièces qui sont reconnues confidentielles en application de l'article 39/64 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
  De telles pièces ne peuvent être mentionnées, invoquées ou reprises dans aucun acte de la procédure, sous peine de nullité de celui-ci. ".
Art. 15. In artikel 28, van dezelfde wetten, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° Het tweede lid wordt vervangen als volgt :
  " Een tussen- of een eindarrest wordt aan de partijen ter kennis gebracht volgens de modaliteiten bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Dit koninklijk besluit kan eveneens de gevallen bepalen waarin kan worden volstaan met een kennisgeving aan de in het geding zijnde administratieve overheden bedoeld in artikel 14, van het dispositief en het voorwerp, alsook de vorm waarin en de voorwaarden waaronder deze beperkte kennisgeving geschiedt en de wijze waarop deze arresten voor deze partij in hun totaalversie toegankelijk zijn. ";
  2° in het derde lid worden de woorden "en de beschikkingen bedoeld in artikel 20, § 3" ingevoegd tussen de woorden "De arresten" en de woorden "van de Raad van State".
Art. 15. A l'article 28, des mêmes lois, sont apportées les modifications suivantes :
  1° L'alinéa 2 est remplacé par l'alinéa suivant :
  " L'arrêt interlocutoire ou définitif est porté à la connaissance des parties selon les modalités fixées par un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres. Cet arrêté royal peut également déterminer les cas dans lesquels une notification aux autorités administratives en cause visées à l'article 14, du dispositif et de l'objet de l'arrêt suffit, ainsi que la forme et les conditions selon lesquelles cette notification limitée aux parties peut avoir lieu et la manière dont ces arrêts sont accessibles à cette partie dans leur version intégrale. ";
  2° dans l'alinéa 3, les mots "et les ordonnances visées à l'article 20, § 3" sont insérés entre les mots "Les arrêts" et les mots "du Conseil d'Etat".
Art. 16. In artikel 29, eerste lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 4 augustus 1996 en 25 mei 1999 vervalt het getal "10,".
Art. 16. A l'article 29, alinéa 1er, des mêmes lois, modifié par les lois du 4 août 1996 et du 25 mai 1999, le chiffre "10," est supprimé.
Art. 17. In artikel 30 van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 18 april 2000 en 2 augustus 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, tweede lid, vervallen de woorden "alsmede de rechten van zegel en registratie";
  2° § 1, tweede lid, wordt aangevuld als volgt :
  " het bepaalt de modaliteiten om de kosten en uitgaven te voldoen; het bepaalt de gevallen waarin de partijen of hun advocaten gezamenlijk mogen besluiten dat de zaak niet in openbare terechtzitting moet worden behandeld.
  Indien met toepassing van het tweede lid, de zaak niet in openbare terechtzitting wordt behandeld, wordt er geen advies van het Auditoraat gegeven;
  ";
  3° § 1 wordt aangevuld als volgt :
  " In afwijking van het tweede lid, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad een kortere termijn van verjaring van het in artikel 14, § 2, bepaald cassatieberoep bepalen, zonder dat deze minder dan vijftien dagen mag bedragen. ";
  4° In § 2, eerste lid, worden de woorden ",kennelijk onontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond zijn" vervangen door de woorden "of die enkel korte debatten met zich meebrengen,";
  5° § 2, tweede lid, wordt opgeheven;
  6° § 3 wordt vervangen als volgt :
  " § 3. De afdeling administratie kan, volgens een versnelde rechtspleging vastgesteld bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de akte of het reglement nietig verklaren, indien de tegenpartij of degene die een belang heeft bij de beslechting van het geschil, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van 30 dagen die ingaat met de betekening van het verslag van de auditeur waarin de nietigverklaring wordt voorgesteld of, indien toepassing werd gemaakt van artikel 17, § 4, van de mededeling waarin de nietigverklaring wordt voorgesteld. ";
  7° het artikel wordt aangevuld met de volgende paragrafen :
  " § 5. Geven aanleiding tot de betaling van een zegelrecht van 175 euro :
  1° de verzoekschriften die een aanvraag inleiden tot vergoeding voor een buitengewone schade veroorzaakt door een administratieve overheid;
  2° de verzoekschriften die een beroep tot nietigverklaring inleiden tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden of die cassatieberoepen inleiden, alsook de vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een akte of een reglement van een administratieve overheid, onder de in het tweede lid bepaalde voorwaarden;
  3° de verzoekschriften tot verzet, tot derdenverzet of tot herziening.
  Wanneer de schorsing van de tenuitvoerlegging van een akte of een reglement van een administratieve overheid wordt gevorderd, wordt het recht, vastgesteld in het eerste lid, 2°, slechts onmiddellijk betaald voor de vordering tot schorsing. In dit geval is het recht van het verzoekschrift tot nietigverklaring slechts verschuldigd bij het instellen van een vordering tot voortzetting van de procedure, bedoeld bij artikel 17, § 4ter en wordt het gekweten door de persoon of de personen die de voortzetting van de procedure vorderen, onverminderd § 6.
  Wanneer een vordering tot schorsing en een verzoekschrift tot nietigverklaring aanhangig gemaakt worden bij de Raad van State, en wanneer de Raad van State krachtens de overeenkomstig § 2 bepaalde procedure van mening is dat de vordering doelloos is, of wanneer de vordering werd afgedaan met toepassing van de in § 2 bepaalde korte debatten procedure, dan geeft het verzoekschrift tot nietigverklaring geen aanleiding tot de kwijting van het recht.
  Wanneer een vordering tot schorsing en een verzoekschrift tot nietigverklaring aanhangig gemaakt worden bij de Raad van State, en wanneer de verzoeker zich in de loop van de schorsingsprocedure terugtrekt, of wanneer de aangeklaagde akte ingetrokken wordt zodat er geen uitspraak meer gedaan moet worden, kan de Raad van State in één en hetzelfde arrest uitspraak doen over de vordering tot schorsing en over het verzoekschrift tot nietigverklaring zonder dat de voortzetting van de procedure gevorderd kan worden, en is het recht dat daarmee verband houdt niet verschuldigd.
  In het geval van een collectief verzoekschrift tot nietigverklaring moeten de verzoekers die de schorsing niet gevorderd hebben, op straffe van onontvankelijkheid, onmiddellijk het recht kwijten dat verschuldigd is op het verzoekschrift tot nietigverklaring.
  § 6. De verzoekschriften tot tussenkomst welke ingediend worden ter zake van de geschillen voorzien bij § 5, eerste lid, 2°, geven aanleiding tot de betaling van een zegelrecht van 125 euro.
  Indien toepassing wordt gemaakt van artikel 21bis, § 3, dan dient het in het eerste lid bepaalde recht slechts eenmaal te worden gekweten. Dit recht wordt onmiddellijk betaald bij het indienen van het in artikel 21bis, § 3, bedoelde verzoek tot tussenkomst.
  Indien een persoon die belang heeft bij de oplossing van het geschil in het raam van de schorsingsprocedure werd toegelaten als tussenkomende partij in de vordering tot schorsing, dan geeft het indienen door deze partij van een vordering tot voortzetting van de procedure, bedoeld bij artikel 17, § 4ter, geen aanleiding tot het kwijten van een recht.
  § 7. Collectieve verzoekschriften geven aanleiding tot het betalen van zoveel malen het recht als er verzoekers zijn.
  § 8. Behoudens de betekeningen gedaan bij toepassing van het in de §§ 1 tot 3 bedoeld besluit, geeft de aflevering door de griffier van een uitgifte, van een afschrift of van een uittreksel, hetzij getekend of niet, aanleiding tot de betaling van een recht van 50 cent per bladzijde, te berekenen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 273 en 274 van het Wetboek der registratie-, griffie- en hypotheekrechten.
  § 9. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de wijze van inning van de in §§ 5 tot 7 en 9 bepaalde rechten. ".
Art. 17. A l'article 30 des mêmes lois, modifié par les lois du 18 avril 2000 et du 2 août 2002, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, alinéa 2, les mots "ainsi que les droits de timbre et d'enregistrement" sont supprimés;
  2° le § 1er, alinéa 2, est complété comme suit :
  " il fixe les modalités pour acquitter les frais et dépens; il détermine les cas dans lesquels les parties ou leurs avocats peuvent décider conjointement que la cause ne doit pas être traitée en séance publique.
  Si, en application de l'alinéa 2, la cause n'est pas traitée en séance publique, l'Auditorat ne rendra pas d'avis;
  ";
  3° le § 1er est complété par l'alinéa suivant :
  " Par dérogation à l'alinéa 2, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, fixer un délai plus court de prescription du recours en cassation visé par l'article 14, § 2, sans que celui-ci puisse compter moins de quinze jours. ";
  4° au § 2, alinéa 1er, les mots "manifestement irrecevable, manifestement non fondé ou manifestement fondé" sont remplacés par les mots "ou qui n'appellent que des débats succincts";
  5° le § 2, alinéa 2, est abrogé;
  6° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 3. La section d'administration peut, selon une procédure accélérée définie par un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, annuler l'acte ou le règlement si la partie adverse ou celui qui a un intérêt au règlement du litige n'introduit aucune demande de poursuite de la procédure dans un délai de 30 jours à compter de la notification du rapport de l'auditeur dans lequel l'annulation est proposée, ou, s'il est fait application de l'article 17, § 4, de la communication dans laquelle l'annulation est proposée. ";
  7° l'article est complété par les paragraphes suivants :
  " § 5. Donnent lieu au paiement d'un droit de timbre de 175 euros :
  1° les requêtes introductives d'une demande d'indemnité relative à la réparation d'un dommage exceptionnel occasionné par une autorité administrative;
  2° les requêtes introductives d'un recours en annulation contre les actes et règlements des diverses autorités administratives ou d'un recours en cassation, ainsi que les demandes de suspension de l'exécution d'un acte ou d'un règlement d'une autorité administrative, dans les conditions fixées par l'alinéa 2;
  3° les requêtes en opposition, en tierce opposition ou en révision.
  Lorsque la suspension de l'exécution d'un acte ou d'un règlement d'une autorité administrative est demandée, la taxe fixée à l'alinéa 1er, 2°, n'est payée immédiatement que pour la demande de suspension. Dans ce cas, la taxe pour la requête en annulation n'est due que lors de l'introduction d'une demande de poursuite de la procédure visée par l'article 17, § 4ter et est acquittée par la ou les personnes qui demandent la poursuite de la procédure, sans préjudice du § 6.
  Lorsque le Conseil d'Etat est saisi d'une demande de suspension et d'une requête en annulation, et qu'en application de la procédure visée au § 2, il estime que la demande est sans objet, ou lorsque la demande a été clôturée en application de la procédure des débats succincts visée au § 2, la requête en annulation ne donne pas lieu au paiement de la taxe.
  Lorsque le Conseil d'Etat est saisi d'une demande de suspension et d'une requête en annulation, et que au cours de la procédure de suspension, le requérant se désiste, ou lorsque l'acte attaqué est retiré de sorte qu'il n'y a plus lieu de statuer, le Conseil d'Etat peut se prononcer par un seul et même arrêt sur la demande de suspension et sur la requête en annulation sans qu'il y ait lieu d'introduire une demande de poursuite de la procédure, et la taxe y afférente n'est pas due.
  En cas de requête collective en annulation, ceux des requérants qui n'ont pas demandé la suspension doivent, sous peine d'irrecevabilité, acquitter immédiatement, le droit dû pour la requête en annulation.
  § 6. Donnent lieu au paiement d'un droit de timbre de 125 euros, les requêtes en intervention introduites concernant les litiges visés au § 5, alinéa 1er, 2°.
  S'il est fait application de l'article 21bis, § 3, la taxe visée à l'alinéa 1er ne doit être acquittée qu'une seule fois. Cette taxe est payée immédiatement lors de l'introduction de la requête en intervention visée à l'article 21bis, § 3.
  Si une personne ayant intérêt à la solution du litige dans le cadre de la procédure en suspension a été admise en tant que partie intervenante dans la demande de suspension, l'introduction par cette partie d'une demande de poursuite de la procédure telle que visée à l'article 17, § 4ter, ne donne pas lieu au paiement d'une taxe.
  § 7. Les requêtes collectives donnent lieu au paiement de la taxe autant de fois qu'il y a de requérants.
  § 8. Sauf les notifications faites en application de l'arrêté visé aux §§ 1er à 3, la délivrance par le greffier d'une expédition, d'une copie ou d'un extrait signé ou non signé, donne lieu au paiement d'une taxe de 50 cents par page, à calculer conformément aux dispositions des articles 273 et 274 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.
  § 9. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le mode de perception des taxes visées aux §§ 5 à 7 et 9. ".
Art. 18. In artikel 33 van dezelfde wetten worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden telkens de woorden "en de beschikkingen bedoeld in artikel 20, § 3" na de woorden "de arresten" ingevoegd;
  2° in het derde lid worden de woorden "of van de beschikking bedoeld in artikel 20, § 3. " na de woorden "het arrest" ingevoegd.
Art. 18. A l'article 33 des mêmes lois sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1er, les mots "et les ordonnances visées à l'article 20, § 3" sont chaque fois insérés après les mots "les arrêts";
  2° à l'alinéa 3, les mots "ou de l'ordonnance visée à l'article 20, § 3. " sont insérés après les mots "l'arrêt".
Art. 19. In artikel 37 van dezelfde wetten, hersteld bij de wet van 17 februari 2002, wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd :
  " Als, nadat een cassatieberoep in toepassing van artikel 20 niet toelaatbaar is verklaard, de Raad van State vindt dat de in het eerste lid bedoelde geldboete verantwoord kan zijn, bepaalt een ander lid van de Raad van State dan het lid van de Raad van State dat de beschikking van niet-toelaatbaarheid heeft genomen, daartoe een hoorzitting op een nabije datum. ".
Art. 19. A l'article 37 des mêmes lois, rétabli par la loi du 17 février 2002, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
  " Si le Conseil d'Etat estime, après qu'un recours en cassation a été déclaré inadmissible en application de l'article 20, que l'amende visée à l'alinéa 1er, se justifie, un autre membre du Conseil d'Etat que le membre du Conseil d'Etat ayant pris la décision de non-admissibilité fixe à cet effet une audience à une date proche. ".
Art. 20. Artikel 51 van dezelfde wetten en artikel 51bis van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 9 augustus 1980 en gewijzigd bij de wetten van 31 december 1983 en 16 juni 1989, worden opgeheven.
Art. 20. L'article 51 des mêmes lois et l'article 51bis des mêmes lois, inséré par la loi du 9 août 1980 et modifiés par les lois du 31 décembre 1983 et du 16 juin 1989, sont abrogés.
Art. 21. In artikel 53, eerste lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 25 mei 1999, vervallen de woorden "de verzoeken om advies" en het cijfer "10".
Art. 21. A l'article 53, alinéa 1er, des mêmes lois, modifié par la loi du 25 mai 1999, les mots "les demandes d'avis" et le chiffre "10" sont supprimés.
Art. 22. In artikel 63, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 16 juni 1989 en 4 augustus 1996, vervallen de woorden "De adviezen uitgebracht bij toepassing van artikel 10 en".
Art. 22. A l'article 63 des mêmes lois, modifié par les lois du 16 juin 1989 et du 4 août 1996, les mots "les avis émis en application de l'article 10 et" sont supprimés.
Art. 23. Artikel 66 van dezelfde wetten wordt aangevuld als volgt :
  " In afwijking van het eerste lid, moet op straffe van niet-ontvankelijkheid de kandidaat-vluchteling het verzoekschrift en de overige procedurestukken indienen in de taal die is bepaald bij het indienen van de asielaanvraag overeenkomstig artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. ".
Art. 23. L'article 66 des mêmes lois est complété par l'alinéa suivant :
  " Par dérogation à l'alinéa 1er, le candidat réfugié doit, sous peine d'irrecevabilité, introduire son recours et les autres pièces de procédure dans la langue déterminée lors de l'introduction de la demande d'asile conformément à l'article 51/4 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers. ".
Art. 24. In hoofdstuk I van titel VII van dezelfde wetten vormen de artikelen 69 tot 74, een afdeling 1, luidende :
  " Afdeling 1. Algemene bepalingen".
Art. 24. Dans le chapitre Ier du Titre VII des mêmes lois, les articles 69 à 74, forment une section 1, intitulée comme suit :
  " Section 1re. Dispositions générales".
Art. 25. In artikel 69 van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 18 april 2000, 14 januari 2003 en 2 april 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het 1° worden de cijfers "twaalf" en "dertig" vervangen door respectievelijk "veertien" en "achtentwintig";
  2° in het 4° vervallen de woorden "van wie een griffier-informaticus".
Art. 25. A l'article 69 des mêmes lois, modifié par les lois du 18 avril 2000, du 14 janvier 2003 et du 2 avril 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au 1°, les chiffres "douze" et "trente" sont remplacés respectivement par "quatorze" et "vingt-huit";
  2° au 4°, les mots "dont un greffier informaticien" sont supprimés.
Art. 26. In artikel 70 van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 17 oktober 1990, 24 maart 1994, 6 mei 1997, 8 september 1997 en 22 maart 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1 wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd :
  " De algemene vergadering van de Raad van State kan een selectieproef organiseren waarvan zij de modaliteiten bepaalt. ";
  2° § 1, achtste lid, dat het negende lid wordt, wordt aangevuld als volgt :
  " Onverminderd het bepaalde in het elfde lid, geschiedt de benoeming op basis van de lijst voorgedragen door de Raad van State indien de in dit lid gestelde termijn is verstreken. ";
  3° § 2, eerste lid, worden de woorden "doctor of licentiaat in de rechten" vervangen door de woorden "doctor, licentiaat of master in de rechten";
  4° § 2, eerste lid, 4°, wordt aangevuld met de volgende woorden : "dan wel lid is van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bedoeld in artikel 39/1 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
  ";
  5° § 3 wordt opgeheven;
  6° § 4 wordt vervangen als volgt :
  " § 4. De staatsraden worden voor het leven benoemd. De eerste voorzitter, de voorzitter en de kamervoorzitters worden in deze functies aangewezen uit de staatsraden onder de voorwaarden en op de wijze bij deze wetten bepaald. ".
Art. 26. A l'article 70 des mêmes lois, modifié par les lois du 17 octobre 1990, du 24 mars 1994, du 6 mai 1997, du 8 septembre 1997 et du 22 mars 1999, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1, l'alinéa suivant est inséré entre le premier et le deuxième alinéa :
  " L'assemblée générale du Conseil d'Etat peut organiser une épreuve de sélection selon les modalités qu'elle détermine. ";
  2° le § 1er, alinéa 8, qui devient l'alinéa 9, est complété comme suit :
  " Sans préjudice de la disposition de l'alinéa 11, la nomination est faite sur la base de la liste présentée par le Conseil d'Etat lorsque le délai visé à cet alinéa est venu à expiration. ";
  3° au § 2, alinéa 1er, les mots "docteur ou licencié en droit" sont remplacés par les mots "docteur, licencié ou master en droit";
  4° le § 2, alinéa 1er, 4°, est complété par les mots suivants : "ou être membre du Conseil du Contentieux des Etrangers visé à l'article 39/1 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
  ";
  5° le § 3 est abrogé;
  6° le § 4 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 4. Les conseillers d'Etat sont nommés à vie. Le premier président, le président et les présidents de chambre sont désignés dans ces fonctions parmi les conseillers d'Etat aux conditions et de la façon déterminées par les présentes lois. ".
Art. 27. In artikel 71, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 17 oktober 1990, 4 augustus 1996, 6 mei 1997 en 25 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste en het tweede lid van § 1 worden vervangen als volgt :
  " De adjunct-auditeurs en de adjunct-referendarissen worden door de Koning benoemd uit een lijst vermeldende hun rangschikking in een vergelijkend examen waarvan de Raad van State de voorwaarden bepaalt. De jury belast met het onderzoek van de kandidaten bestaat uit twee leden van de Raad van State, de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal en een door hem aangewezen eerste auditeur, alsmede een buiten de instelling staande persoon. De leden van de Raad van State en de buiten de instelling staande persoon worden aangewezen door de algemene vergadering van de Raad van State. De leden van het auditoraat worden aangewezen door de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal, naargelang het geval. De examenuitslag blijft drie jaar geldig.
  Om te worden toegelaten tot het examen bedoeld in het eerste lid, moet de kandidaat voor het vergelijkend examen ten volle 27 jaar oud zijn, moet hij doctor, licentiaat of master in de rechten zijn en moet hij na het verkrijgen van het diploma drie jaar nuttige juridische beroepservaring hebben opgedaan. In geval van betwisting beslist de examencommissie over de toelaatbaarheid tot het examen. ";
  2° in § 2 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in het eerste lid, sub a) worden de woorden "of de adjunct-auditeur-generaal naargelang het geval," ingevoegd tussen de woorden "de auditeur-generaal," en de woorden "de adjunct-auditeurs";
  b) in het eerste lid, sub b) worden de woorden "of de voorzitter naargelang het geval," ingevoegd tussen de woorden "de eerste voorzitter," en de woorden "de adjunct-referendarissen";
  c) in het tweede lid, worden de woorden "of de voorzitter naargelang het geval," ingevoegd tussen de woorden "de eerste voorzitter" en de woorden "of van de auditeur-generaal";
  3° in § 3, waarvan de bestaande tekst het eerste lid zal vormen, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in het eerste lid wordt in de inleidende zin het woord "worden" vervangen door het woord "kunnen" en wordt het woord "worden" tussen de woorden "de Koning" en "benoemd" gevoegd;
  b) de § wordt aangevuld met de volgende leden :
  " De in het eerste lid bedoelde benoeming geschiedt op éénsluidend advies van de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal, respectievelijk de korpschef die de afdeling wetgeving en het Coördinatiebureau onder zijn verantwoordelijkheid heeft.
  Kan niet worden benoemd, de auditeur of de referendaris die bij de laatste periodieke beoordeling voorafgaand aan het in het tweede lid bedoelde advies als definitieve eindbeoordeling "onvoldoende" heeft. ";
  4° de §§ 3bis, 3ter en 4 worden opgeheven;
  5° in § 5 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in het eerste lid worden de woorden "en de adjunct-auditeur-generaal" ingevoegd tussen het woord "auditeur-generaal" en het woord "kan" en wordt het woord "kan" vervangen door het woord "kunnen";
  b) in het tweede lid worden de woorden "of de adjunct-auditeur-generaal naargelang het geval" ingevoegd tussen het woord "auditeur-generaal" en de woorden "of de eerste voorzitter" en worden de woorden "of de voorzitter naargelang het geval" ingevoegd tussen de woorden "eerste voorzitter" en de woorden "door de Koning".
Art. 27. A l'article 71 des mêmes lois, modifié par les lois du 17 octobre 1990, du 4 août 1996, du 6 mai 1997 et du 25 mai 1999, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, les alinéas 1er et 2 sont remplacés par les dispositions suivantes :
  " Les auditeurs adjoints et les référendaires adjoints sont nommés par le Roi sur une liste indiquant l'ordre de leur classement à un concours dont le Conseil d'Etat détermine les conditions. Le jury chargé d'examiner les candidats comprend deux membres du Conseil d'Etat, l'auditeur général ou l'auditeur général adjoint et un premier auditeur désigné par lui ainsi qu'une personne étrangère à l'institution. Les membres du Conseil d'Etat et la personne étrangère à l'institution sont désignés par l'assemblée générale du Conseil d'Etat. Les membres de l'auditorat sont désignés par l'auditeur général ou l'auditeur général adjoint, selon le cas. La durée de validité du concours est de trois ans.
  Pour être admis au concours visé à l'alinéa 1er, le candidat doit avoir 27 ans accomplis, être docteur, licencié ou master en droit et avoir acquis ensuite une expérience professionnelle utile de nature juridique de trois ans. En cas de contestation, le jury décide de l'admission à l'examen. ";
  2° au § 2 sont apportées les modifications suivantes :
  a) à l'alinéa 1er, sous a), les mots "ou l'auditeur général adjoint selon le cas" sont insérés entre les mots "l'auditeur général," et les mots "les auditeurs adjoints";
  b) à l'alinéa 1er, sous b), les mots "ou le président selon le cas" sont insérés entre les mots "le premier président," et les mots "les référendaires adjoints";
  c) à l'alinéa 2, les mots "ou du président selon le cas" sont insérés entre les mots "du premier président," et les mots "ou de l'auditeur général";
  3° au § 3, dont le texte existant constituera l'alinéa 1er, sont apportées les modifications suivantes :
  a) à l'alinéa 1er, le mot "Sont" est remplacé par les mots "Peuvent être" dans la phrase introductive;
  b) le § est complété par les alinéas suivants :
  " La nomination visée à l'alinéa 1er est effectuée sur avis conforme, respectivement de l'auditeur général ou de l'auditeur général adjoint, du chef de corps responsable de la section de législation et du Bureau de Coordination.
  L'auditeur ou le référendaire qui, lors de la dernière appréciation périodique précédant l'avis visé à l'alinéa 2, s'est vu attribuer l'évaluation "insuffisant" à titre d'appréciation définitive finale, ne peut être nommé. ";
  4° les §§ 3bis, 3ter et 4 sont abrogés;
  5° au § 5 sont apportées les modifications suivantes :
  a) à l'alinéa 1er, les mots "et l'auditeur général adjoint" sont insérés entre les mots "auditeur général" et le mot "peut" et le mot "peut" est remplacé par le mot "peuvent";
  b) à l'alinéa 2, les mots "ou l'auditeur général adjoint selon le cas" sont insérés entre les mots "auditeur général" et les mots "ou du premier président" et les mots "ou le président selon le cas" sont insérés entre les mots "premier président" et le mot "respectivement".
Art. 28. In artikel 72 van de wetten, gewijzigd bij de wetten van 17 oktober 1990, 19 juli 1991, 4 augustus 1996 en 25 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1, tweede lid, 3°, wordt aangevuld met de woorden "of lid van de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bedoeld in artikel 39/4, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. ";
  2° § 1, vierde lid, wordt aangevuld met de woorden "of benoemd als lid van de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bedoeld in artikel 39/4, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. ";
  3° §§ 2 en 3 worden opgeheven.
Art. 28. A l'article 72 des mêmes lois, modifié par les lois du 17 octobre 1990, du 19 juillet 1991, du 4 août 1996 et du 25 mai 1999, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le § 1er, alinéa 2, 3°, est complété par les mots "ou membre du greffe du Conseil du Contentieux des Etrangers visé à l'article 39/4, alinéa 2, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers. ";
  2° le § 1er, alinéa 4, est complété par les mots "ou s'ils ont été nommés membres du greffe du Conseil du Contentieux des Etrangers visé à l'article 39/4, alinéa 2, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers";
  3° les §§ 2 et 3 sont abrogés.
Art. 29. In dezelfde wetten wordt na artikel 73 een artikel 73/1 ingevoegd, luidende :
  " Art. 73/1. De eerste voorzitter bepaalt, in overleg met de voorzitter, of hij de afdeling wetgeving en het Coördinatiebureau dan wel de afdeling administratie tot zijn verantwoordelijkheid neemt, derwijze dat een korpschef die het bewijs levert van het Nederlands en het Frans, steeds de afdeling wetgeving tot zijn verantwoordelijkheid heeft. De andere houder van het mandaat van korpschef heeft dan de verantwoordelijkheid over de andere afdeling. De beide korpschefs plegen met elkaar overleg indien de uitoefening van hun onderscheiden bevoegdheden terzake een weerslag hebben op elkaars bevoegdheden.
  De aanwijzing van de leden van het administratief personeel en de verdeling van de ter beschikking staande middelen geschiedt door de eerste voorzitter volgens zijn beleidsplan, in nauw overleg met de voorzitter en de korpschefs van het Auditoraat.
  De eerste voorzitter laat aan de Minister van Binnenlandse Zaken de met toepassing van deze bepaling bepaalde taakverdeling kennen. ".
Art. 29. Dans les mêmes lois, un article 73/1 est inséré après l'article 73, rédigé comme suit :
  " Art. 73/1. Le premier président détermine, en concertation avec le président, s'il prend la responsabilité de la section de législation et du Bureau de Coordination ou de la section d'administration, de façon à ce qu'un chef de corps justifiant de la connaissance de la langue française et néerlandaise ait toujours la responsabilité de la section de législation. L'autre titulaire du mandat de chef de corps a donc la responsabilité de l'autre section. Les deux chefs de corps se concertent pour déterminer si l'exercice de leurs compétences distinctes en la matière ont une influence sur leurs compétences respectives.
  La désignation des membres du personnel administratif ainsi que la répartition des moyens mis à disposition est réalisée par le premier président conformément à son plan de gestion, en étroite concertation avec le président et les chefs de corps de l'Auditorat.
  Le premier président communique au Ministre de l'Intérieur la répartition des tâches en application de cette disposition. ".
Art. 30. In Titel VII, Hoofdstuk I, van dezelfde wetten wordt na artikel 74 een afdeling 2 ingevoegd die de artikelen 74/1 tot 74/6 omvat, luidende :
  " Afdeling 2. De aanwijzing en uitoefening van mandaten
  Onderafdeling 1. - De mandaten
  Art. 74/1. De mandaten bij de Raad van State omvatten de mandaten van korpschef en de adjunct-mandaten.
  Oefenen het mandaat uit van korpschef, de titularissen van de mandaten van eerste voorzitter, van voorzitter, van auditeur-generaal en van adjunct-auditeur-generaal.
  Oefenen het adjunct-mandaat uit, de titularissen van de mandaten van kamervoorzitter, van eerste auditeur-afdelingshoofd, van eerste referendaris-afdelingshoofd en van hoofdgriffier.
  Art. 74/2. § 1. Om tot eerste voorzitter of voorzitter te worden aangewezen, moet de kandidaat ten minste elf jaar benoemd zijn als ambtsdrager in de zin van artikel 69, 1° tot 3°, waarvan minstens vijf jaar als staatsraad.
  Op het ogenblik dat het mandaat van korpschef daadwerkelijk openvalt moet de kandidaat ten minste vijf jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 104. Deze leeftijdsgrens geldt niet in het geval van een hernieuwing van het mandaat van korpschef.
  § 2. Niemand kan tot auditeur-generaal worden aangewezen, tenzij hij adjunct-auditeur-generaal, eerste auditeur-afdelingshoofd of eerste auditeur is.
  Niemand kan tot adjunct-auditeur-generaal worden aangewezen, tenzij hij eerste auditeur-afdelingshoofd of eerste auditeur is.
  Op het ogenblik dat het mandaat van korpschef daadwerkelijk openvalt moet de kandidaat ten minste vijf jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 104. Deze leeftijdsgrens geldt niet in het geval van een hernieuwing van het mandaat van korpschef.
  § 3. Om tot kamervoorzitter te worden aangewezen, moet de kandidaat ten minste drie jaar benoemd zijn als staatsraad.
  Op het ogenblik dat het adjunct-mandaat daadwerkelijk openvalt moet de kandidaat ten minste drie jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 104. Deze leeftijdsgrens geldt niet in het geval van een hernieuwing van het adjunct-mandaat.
  § 4. Onverminderd de toepassing van artikel 71, § 1, vijfde lid, worden de eerste auditeur-afdelingshoofden en de eerste referendaris-afdelingshoofden aangewezen onder de eerste auditeurs en eerste referendarissen.
  Op het ogenblik dat het adjunct-mandaat daadwerkelijk openvalt moet de kandidaat ten minste drie jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 104. Deze leeftijdsgrens geldt niet in het geval van een hernieuwing van het adjunct-mandaat.
  § 5. Om tot hoofdgriffier te worden aangewezen moet de kandidaat :
  1° volle dertig jaar oud zijn;
  2° geslaagd zijn voor één van de volgende examens :
  a) het vergelijkend examen van referendaris bij het Arbitragehof;
  b) het vergelijkend examen van referendaris bij het Hof van Cassatie;
  c) het vergelijkend examen van adjunct-auditeur of adjunct-referendaris bij de Raad van State;
  d) het bij artikel 259bis van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven examen inzake beroepsbekwaamheid;
  e) het vergelijkend toelatingsexamen voor de gerechtelijke stage bedoeld in artikel 259quater van het Gerechtelijk Wetboek;
  f) het examen voor de wervingsgraad van niveau 1, kwalificatie "jurist" voor de besturen van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten en voor de instellingen van openbaar nut die ervan afhangen evenals voor de diensten van het Arbitragehof en de diensten van de Raad van State;
  g) het examen voor de wervingsgraad van attaché, kwalificatie "jurist" voor de Wetgevende Kamers en de gemeenschaps- en gewestparlementen;
  3° een nuttige ervaring van ten minste drie jaar hebben.
  Op het ogenblik dat het adjunct-mandaat daadwerkelijk openvalt moet de kandidaat ten minste drie jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 104. Deze leeftijdsgrens geldt niet in het geval van een hernieuwing van het adjunct-mandaat.
  Onderafdeling II. Procedure van aanwijzing van mandaten
  Art. 74/3. § 1. De titularissen van de mandaten van korpschef worden door de Koning aangewezen voor een mandaat van vijf jaar dat eenmaal kan worden hernieuwd.
  Na het verstrijken van elke periode van tien jaar wordt het ambt van korpschef van rechtswege vacant verklaard. Op straffe van onontvankelijkheid kunnen uitsluitend hun kandidatuur indienen, de ambtsdragers die door hun diploma het bewijs leveren dat zij het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten hebben afgelegd in de andere taal, Nederlands of het Frans, dan die van de vorige zittende korpschef. De zittende korpschef kan meedingen voor het vacant verklaarde ambt van zijn taalrol.
  De eerste voorzitter en voorzitter nemen hun mandaat op dezelfde dag op. De in het tweede lid bedoelde periode van tien jaar gaat voor die mandaten op die dag in. Dezelfde regel is van toepassing op de mandaten van auditeur-generaal en adjunct-auditeur-generaal.
  § 2. Bij hun kandidaatstelling voegen de kandidaten een beleidsplan. De Koning kan het voorwerp van dit beleidsplan bepalen.
  De algemene vergadering van de Raad van State hoort de kandidaten ambtshalve.
  De algemene vergadering van de Raad van State doet, na de ontvankelijkheid van de kandidaturen te hebben onderzocht en de respectievelijke aanspraken en verdiensten van de kandidaten te hebben vergeleken, een uitdrukkelijk gemotiveerde voordracht van één kandidaat voor het vacante mandaat van korpschef. Zij deelt deze gemotiveerde voordracht, alsook alle kandidaturen en hun beoordeling mee aan de Minister van Binnenlandse Zaken.
  De kandidaat die door de algemene vergadering van de Raad van State wordt voorgedragen, kan door de Koning als korpschef worden aangewezen. De Koning neemt een beslissing binnen de twee maanden na ontvangst van de voordracht. In geval van weigering beschikt de algemene vergadering van de Raad van State vanaf de ontvangst van deze beslissing over een termijn van vijftien dagen om een nieuwe voordracht te doen overeenkomstig de hiervoor bepaalde regels.
  Volgt een tweede weigeringsbeslissing van de Koning binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van deze nieuwe voordracht, dan wordt gehandeld overeenkomstig het vierde lid, tenzij een zelfde kandidaat werd voorgedragen. In dit laatste geval dient de Raad van State een andere kandidaat voor te stellen dan wel te beslissen de benoemingsprocedure van voren af aan te herbeginnen.
  § 3. Tussen de derde en de tweede maand voor het beëindigen van het mandaat van korpschef kan de korpschef de algemene vergadering om een hernieuwing verzoeken van het mandaat. Hij voegt bij dit verzoek zijn beleidsplan alsook een rapport omtrent de uitoefening van het voorbije mandaat.
  De algemene vergadering van de Raad van State beoordeelt het verzoek tot hernieuwing en beslist of het mandaat wordt hernieuwd. De beslissing tot niet-hernieuwing houdt van rechtswege de vacantverklaring van het mandaat in.
  Betreft het een mandaat van korpschef in het auditoraat, dan wordt de in het eerste en tweede lid bedoelde vergadering de korpsvergadering genoemd. Voor de toepassing van deze paragraaf bestaat de korpsvergadering uit alle eerste-auditeursafdelingshoofden, eerste auditeurs en auditeurs van de taalrol waarin het mandaat moet worden hernieuwd.
  Bij niet-hernieuwing van het mandaat van korpschef neemt de betrokkene bij het verstrijken van zijn mandaat het ambt of het mandaat weer op waarin hij het laatst werd benoemd of aangewezen. In voorkomend geval geschiedt dit in overtal. Indien betrokkene niet is benoemd in het terug opgenomen mandaat, dan geldt deze heropneming als een aanwijzing voor de gehele termijn waarvoor het mandaat is verleend.
  Het mandaat van korpschef dat niet wordt hernieuwd of dat met toepassing van § 1, tweede lid van rechtswege vacant wordt verklaard, wordt evenwel slechts beëindigd op het ogenblik dat de nieuwe korpschef het mandaat opneemt, zonder dat deze termijn meer dan negen maanden mag bedragen te rekenen vanaf de betekening van de beslissing tot niet hernieuwing dan wel vanaf de datum van de vacantverklaring.
  Indien de mandaathouder tweemaal opeenvolgend het zelfde mandaat van korpschef heeft uitgeoefend, geniet hij gedurende de twee jaren volgend op de beëindiging van de tweede mandaattermijn de overeenkomstige wedde van korpschef met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen, tenzij hij een mandaat van korpschef opneemt waaraan een hogere wedde is verbonden.
  § 4. De mandaathouder kan zijn mandaat van korpschef voortijdig ter beschikking stellen bij ter post aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken.
  Het mandaat van korpschef wordt evenwel slechts beëindigd op het ogenblik dat de nieuwe korpschef het mandaat opneemt, zonder dat deze termijn meer dan negen maanden mag bedragen te rekenen vanaf de ontvangst van de terbeschikkingstelling. Deze termijn kan door de Koning, op gemotiveerd verzoek van betrokkene, worden ingekort.
  De bepalingen van § 3, derde lid, zijn van toepassing op de korpschef die zijn mandaat van korpschef voortijdig ter beschikking stelt.
  De mandaathouder die zijn mandaat van korpschef voortijdig ter beschikking stelt kan zich gedurende een termijn van twee jaar nadat hij zijn mandaat effectief neerlegde, niet opnieuw kandidaat stellen voor een mandaat van korpschef. Voor de toepassing van deze bepaling wordt niet beschouwd als een voortijdige ter beschikkingstelling van het mandaat van korpschef, de korpschef die aangewezen wordt voor een ander mandaat van korpschef.
  § 5. Indien het mandaat van korpschef openvalt vóór het verstrijken van de in § 1, tweede lid bepaalde termijn, dan kunnen, op straffe van onontvankelijkheid, uitsluitend diegenen die dezelfde taalrol hebben als de korpschef wiens mandaat van korpschef voortijdig een einde nam, hun kandidatuur indienen.
  De duur van het mandaat van korpschef van diegene die met toepassing van het eerste lid tot korpschef wordt aangewezen, is in afwijking van § 1, eerste lid beperkt tot de nog resterende duur van het mandaat dat voortijdig een einde nam.
  Indien op het ogenblik van het daadwerkelijk openvallen van het mandaat van eerste voorzitter of auditeur-generaal men nog minder dan een jaar is verwijderd van het einde van de in § 1, tweede lid bepaalde periode, dan vervangt de voorzitter of de adjunct-auditeur-generaal voor de nog resterende termijn van het lopende mandaat de eerste voorzitter of auditeur-generaal in de uitoefening van het mandaat.
  Heeft het in het vorig lid bedoelde daadwerkelijk openvallen van het mandaat betrekking op dat van voorzitter of adjunct-auditeur-generaal, dan wordt deze vervangen door de kamervoorzitter of de eerste auditeur-afdelingshoofd naar orde van dienstanciënniteit van dezelfde taalrol.
  De in het derde en vierde lid bedoelde vervanging neemt van rechtswege een einde bij het aanwijzen van een nieuwe mandaathouder.
  Art. 74/4. § 1. De titularissen van een adjunct-mandaat worden aangewezen als volgt :
  1° de kamervoorzitters worden aangewezen door de algemene vergadering uit haar leden;
  2° de eerste auditeurs-afdelingshoofden worden aangewezen door de Koning, op eensluidend advies van de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal, al naargelang het geval;
  3° de eerste referendarissen-afdelingshoofden worden aangewezen door de Koning, op eensluidend advies van de eerste voorzitter of de voorzitter, indien deze de afdeling wetgeving onder zijn verantwoordelijkheid heeft.
  4° de hoofdgriffier wordt aangewezen door de Koning, op advies van de eerste voorzitter en voorzitter.
  § 2. De aanwijzingen in de adjunct-mandaten gebeuren voor een termijn van drie jaar die kan worden hernieuwd na evaluatie. Na negen jaar ambtsvervulling worden de betrokken mandaathouders na evaluatie vast aangewezen door de benoemende overheid.
  Wordt toepassing gemaakt van artikel 71, § 1, vijfde lid, dan is in afwijking van het eerste lid, de duur van het adjunct-mandaat beperkt tot de nog resterende duur van het aangevatte mandaat.
  § 3. Bij niet-hernieuwing van het adjunct-mandaat neemt de betrokkene bij het verstrijken van zijn mandaat het ambt weer op waarin hij het laatst werd benoemd. In voorkomend geval geschiedt dit in overtal.
  Indien voor het mandaat van hoofdgriffier geen ambtsdrager werd aangewezen, dan wordt bij niet hernieuwing de betrokkene benoemd, in voorkomend geval in overtal, als griffier zonder dat artikel 72, § 1, van toepassing is.
  § 4. De mandaathouder kan zijn mandaat voortijdig ter beschikking stellen bij ter post aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken. Het mandaat wordt evenwel slechts beëindigd na negen maanden te rekenen vanaf de ontvangst van de terbeschikkingstelling. Deze termijn kan door de Koning, op gemotiveerd verzoek van betrokkene worden ingekort.
  De bepalingen van § 3 zijn van toepassing op de ambtsdrager die zijn mandaat voortijdig ter beschikking stelt en geen ander mandaat opneemt.
  Art. 74/5. De uitoefening van een mandaat van korpschef is onverenigbaar met de uitoefening van een adjunct-mandaat.
  Indien de houder van een adjunct-mandaat in de loop van zijn mandaat een mandaat van korpschef opneemt, dan valt diens adjunct-mandaat daadwerkelijk open op de dag waarop het mandaat van korpschef wordt opgenomen.
  Onderafdeling III. - Over de uitoefening van het mandaat
  Art. 74/6. § 1. De houder van een mandaat van korpschef is ermee belast jaarlijks een werkingsverslag op te stellen waarin inzonderheid de implementatie van zijn beleidsplan en de evaluatie ervan wordt uiteengezet. In voorkomend geval bevat dit verslag de nodige bijsturingen van het plan, wijst het de behoeften aan en bevat het voorstellen om de werking van de Raad te verbeteren en de gerechtelijke achterstand weg te werken. De eerste voorzitter bundelt deze verslagen tot één verslag en bezorgt het voor 1 oktober aan de Minister van Binnenlandse Zaken.
  De Koning kan nadere regels bepalen ter uitvoering van deze bepaling, alsook de nadere inhoud van dit werkingsverslag.
  § 2. De eerste voorzitter voegt bij zijn in § 1 bepaald werkingsverslag de volgende gegevens betreffende het voorbije gerechtelijke jaar :
  1° de statistieken per contentieux of de aard van de adviesaanvragen, waaruit blijkt hoeveel zaken in die periode zijn ingekomen alsook het aantal bij eindarrest of bij advies afgedane zaken in diezelfde periode. Het verslag geeft tevens het totale werkvolume van de afdelingen mee waarbij, de evolutie van die werkvoorraad eveneens wordt afgemeten aan het aantal neergelegde verslagen of gegeven adviezen van het Auditoraat;
  2° de evolutie van :
  - de hangende zaken en van de gerechtelijke achterstand met inbegrip van de toelaatbaarheidsprocedure van de cassatieberoepen;
  - de personeelsformatie en -bezetting;
  - de logistieke middelen;
  - de werklast;
  De in het eerste lid, 1°, bepaalde gegevens betreffende de eerste zes maanden van het lopende gerechtelijke jaar worden tevens aangereikt voor 1 april van het lopende gerechtelijke jaar.
  De Minister van Binnenlandse Zaken bepaalt het standaardformulier volgens welk de werkingsverslagen worden opgesteld. ".
Art. 30. Il est inséré dans le Titre VII, Chapitre Ier des mêmes lois, après l'article 74, une section 2, comprenant les articles 74/1 à 74/6, rédigée comme suit :
  " Section 2. La désignation et l'exercice des mandats
  Sous-section 1re. - Les mandats
  Art. 74/1. Les mandats de chef de corps et les mandats adjoints forment les mandats au Conseil d'Etat.
  Exercent le mandat de chef de corps, les titulaires du mandat de premier président, de président, d'auditeur général et d'auditeur général adjoint.
  Exercent le mandat adjoint, les titulaires du mandat de président de chambre, de premier auditeur chef de section, de premier référendaire chef de section et de greffier en chef.
  Art. 74/2. § 1er. Pour être désigné premier président ou président, le candidat doit être nommé depuis au moins onze ans comme titulaire de fonction au sens de l'article 69, 1° à 3°, dont au moins cinq ans comme conseiller d'Etat.
  Au moment de l'ouverture effective du mandat de chef de corps, le candidat doit avoir au moins cinq ans de moins que la limite d'âge visée à l'article 104. Cette limite d'âge n'est pas applicable en cas de renouvellement du mandat de chef de corps.
  § 2. Nul ne peut être nommé auditeur général à moins qu'il ne soit auditeur général adjoint, premier auditeur chef de section ou premier auditeur.
  Nul ne peut être nommé auditeur général adjoint à moins qu'il ne soit premier auditeur chef de section ou premier auditeur.
  Au moment de l'ouverture effective du mandat de chef de corps, le candidat doit avoir au moins cinq ans de moins que la limite d'âge visée à l'article 104. Cette limite d'âge n'est pas applicable en cas de renouvellement du mandat de chef de corps.
  § 3. Pour être désigné président de chambre, le candidat doit être nommé depuis au moins trois ans comme conseiller d'Etat.
  Au moment de l'ouverture effective du mandat adjoint, le candidat doit avoir au moins trois ans de moins que la limite d'âge visée à l'article 104. Cette limite d'âge n'est pas applicable en cas de renouvellement du mandat adjoint.
  § 4. Sans préjudice de l'application de l'article 71, § 1er, alinéa 5, les premiers auditeurs chefs de section et les premiers référendaires chefs de section sont désignés parmi les premiers auditeurs et les premiers référendaires.
  Au moment de l'ouverture effective du mandat adjoint, le candidat doit avoir au moins trois ans de moins que la limite d'âge visée à l'article 104. Cette limite d'âge n'est pas applicable en cas de renouvellement du mandat adjoint.
  § 5. Pour être nommé greffier en chef, le candidat doit :
  1° être âgé de trente ans accomplis;
  2° avoir réussi l'un des examens suivants :
  a) le concours de référendaire à la Cour d'arbitrage;
  b) le concours de référendaire à la Cour de cassation;
  c) le concours d'auditeur adjoint ou de référendaire adjoint au Conseil d'Etat;
  d) l'examen d'aptitude professionnelle prévu par l'article 259bis du Code judiciaire;
  e) le concours d'admission au stage judiciaire visé à l'article 259quater du Code judiciaire;
  f) l'examen au grade de recrutement de niveau 1, qualification "juriste", pour les administrations des autorités fédérales, des communautés et des régions et pour les organismes d'intérêt public qui en dépendent ainsi que pour les services de la Cour d'Arbitrage et les services du Conseil d'Etat;
  g) l'examen au grade de recrutement d'attaché, qualification "juriste", pour les Chambres législatives et les parlements de communauté et de région;
  3° avoir une expérience utile d'au moins trois ans.
  Au moment de l'ouverture effective du mandat adjoint, le candidat doit avoir au moins trois ans de moins que la limite d'âge visée à l'article 104. Cette limite d'âge n'est pas applicable en cas de renouvellement du mandat adjoint.
  Sous-section II. - Procédure de désignation des mandats
  Art. 74/3. § 1er. Les titulaires du mandat de chef de corps sont désignés par le Roi pour un mandat de cinq ans, qui peut être renouvelé une fois.
  Après l'expiration de chaque période de dix ans, la fonction de chef de corps est déclarée vacante de plein droit. Sous peine d'irrecevabilité, peuvent exclusivement introduire leur candidature, les titulaires de fonction qui apportent la preuve, par leur diplôme, qu'ils ont passé l'examen de docteur, de licencié ou de master en droit dans l'autre langue, le français ou le néerlandais, que celle du chef de corps siégeant précédemment. Le chef de corps siégeant peut concourir pour le mandat déclaré vacant de son rôle linguistique.
  Le premier président et le président prennent leur mandat le même jour. La période de dix ans visée à l'alinéa 2 prend cours ce jour. La même règle s'applique aux mandats d'auditeur général et d'auditeur général adjoint.
  § 2. Les candidats joignent un plan de gestion à leur acte de candidature. Le Roi peut fixer l'objet de ce plan.
  L'assemblée générale du Conseil d'Etat entend d'office les candidats.
  L'assemblée générale du Conseil d'Etat procède, après avoir examiné la recevabilité des candidatures et avoir comparé les titres et mérites respectifs des candidats, à la présentation motivée explicite d'un candidat pour le mandat vacant de chef de corps. Elle communique cette présentation motivée ainsi que toutes les candidatures et leur évaluation au Ministre de l'Intérieur.
  Le candidat présenté par l'assemblée générale du Conseil d'Etat peut être désigné par le Roi en tant que chef de corps. Le Roi prend sa décision dans un délai de deux mois à compter de la réception de la présentation. En cas de refus, l'assemblée générale du Conseil d'Etat dispose, dès la réception de cette décision, d'un délai de quinze jours pour faire une nouvelle présentation, conformément aux règles visées ci-dessus.
  Si, après la nouvelle présentation, le Roi prend une deuxième décision de refus dans un délai de deux mois à compter de la réception de cette nouvelle présentation, il est procédé conformément à l'alinéa 4, à moins que le même candidat ait été présenté. Dans ce dernier cas, le Conseil d'Etat doit présenter un autre candidat ou décider qu'il faut recommencer depuis le début la procédure de nomination.
  § 3. Entre le troisième et le deuxième mois précédant la fin du mandat de chef de corps, le chef de corps peut demander à l'assemblée générale de renouveler le mandat. Il joint à cette demande son plan de gestion ainsi qu'un rapport concernant l'exercice du mandat précédent.
  L'assemblée générale du Conseil d'Etat évalue la demande de renouvellement et décide si le mandat doit être renouvelé. La décision de non-renouvellement implique de plein droit la déclaration de vacance du mandat.
  S'il s'agit d'un mandat de chef de corps à l'Auditorat, la réunion visée aux alinéas 1er et 2 est dénommée réunion de corps. Pour l'application de ce paragraphe, la réunion de corps est composée des premiers auditeurs chefs de section, des premiers auditeurs et des auditeurs du rôle linguistique dans lequel le mandat doit être renouvelé.
  En cas de non-renouvellement du mandat de chef de corps, l'intéressé reprend, à l'expiration de celui-ci, l'exercice de la fonction ou du mandat auquel il a été nommé ou désigné en dernier lieu, le cas échéant, en surnombre. Lorsque l'intéressé n'a pas été nommé au mandat dont il reprend l'exercice, il est considéré comme ayant été désigné à cet effet pour l'entièreté du délai pour lequel le mandat avait été octroyé.
  Le mandat de chef de corps qui n'est pas renouvelé ou qui, en application du § 1er, alinéa 2, est déclaré vacant de plein droit, ne cesse toutefois qu'au moment où le nouveau chef de corps reprend le mandat sans que ce délai puisse excéder neuf mois à compter de la notification de la décision de non-renouvellement ou de la date de la déclaration de vacance.
  Si le titulaire du mandat a exercé deux fois de suite le même mandat de chef de corps, il bénéficie durant les deux années qui suivent la fin du deuxième terme du mandat de la rémunération allouée au chef de corps ainsi que des augmentations et avantages qui y sont liés, à moins qu'il ne reprenne un mandat de chef de corps auquel est lié un traitement plus élevé.
  § 4. Avant l'expiration du terme, le titulaire du mandat de chef de corps peut mettre son mandat à disposition par lettre recommandée à la poste ou contre accusé de réception, adressée au Ministre de l'Intérieur.
  Il n'est toutefois mis fin au mandat de chef de corps qu'au moment où le nouveau chef de corps reprend le mandat sans que ce délai puisse excéder neuf mois à compter de la réception de la mise à disposition. Ce délai peut être réduit par le Roi sur demande motivée de l'intéressé.
  Les dispositions du § 3, alinéa 3, sont d'application au chef de corps qui met son mandat de chef de corps à disposition de manière anticipée.
  Le titulaire du mandat de chef de corps qui le met à disposition avant l'expiration du terme ne peut plus poser sa candidature pour un mandat de chef de corps pendant un délai de deux ans à compter du jour où il a effectivement renoncé à son mandat. Pour l'application de la présente disposition, la désignation d'un chef de corps pour un autre mandat de chef de corps n'est pas considérée comme une mise à disposition anticipée du mandat de chef de corps.
  § 5. Lorsque le mandat de chef de corps est à pourvoir avant l'expiration du délai visé au § 1er, alinéa 2, seules les personnes qui appartiennent au même rôle linguistique que le chef de corps dont le mandat de chef de corps a pris fin anticipativement peuvent, sous peine d'irrecevabilité, présenter leur candidature.
  La durée du mandat de chef de corps de la personne qui, en application de l'alinéa 1er, est désignée chef de corps, est, par dérogation au § 1er, alinéa 1er, limitée à la durée restante du mandat qui a pris fin anticipativement.
  Si, au moment de la vacance effective du mandat de premier président ou d'auditeur général, moins d'une année doit encore s'écouler jusqu'à la fin de la période visée au § 1er, alinéa 2, le président ou l'auditeur général adjoint remplace le premier président ou l'auditeur général dans l'exercice de son mandat pour la période restante du mandat en cours.
  Si la vacance effective du mandat visé à l'alinéa précédent concerne le mandat de président ou d'auditeur général adjoint, il sera remplacé par le président de chambre ou par le premier auditeur chef de section en fonction de l'ordre d'ancienneté de service du même rôle linguistique.
  Le remplacement visé aux alinéas 3 et 4 prend fin de plein droit au moment de la désignation d'un nouveau titulaire de mandat.
  Art. 74/4. § 1er. Les titulaires d'un mandat adjoint sont désignés comme suit :
  1° les présidents de chambre sont désignés par l'assemblée générale parmi ses membres;
  2° les premiers auditeurs chefs de section sont désignés par le Roi sur avis conforme de l'auditeur général ou de l'auditeur général adjoint, selon le cas;
  3° les premiers référendaires chefs de section sont désignés par le Roi sur avis conforme du premier président ou du président si celui-ci est responsable de la section de législation.
  4° le greffier en chef est désigné par le Roi, sur avis du premier président et du président.
  § 2. Les désignations aux mandats adjoints sont valables pour une période de trois ans qui peut être renouvelée après évaluation. Après neuf ans d'exercice de la fonction, les titulaires de mandat concernés sont, après évaluation, désignés à titre définitif dans ce mandat par l'autorité investie du pouvoir de nomination.
  S'il est fait application de l'article 71, § 1er, alinéa 5, la durée du mandat adjoint est, par dérogation à l'alinéa 1er, limitée à la partie restante du mandat entamé.
  § 3. En cas de non-renouvellement du mandat adjoint, l'intéressé reprend, à l'expiration de celui-ci, l'exercice de la fonction à laquelle il a été nommé en dernier lieu, le cas échéant, en surnombre.
  Si aucun titulaire de fonction n'a été désigné au mandat de greffier en chef, en cas de non-renouvellement, l'intéressé est nommé en tant que greffier, le cas échéant en surnombre, sans que l'article 72, § 1er, soit d'application.
  § 4. Avant l'expiration du terme du mandat, le titulaire de celui-ci peut le mettre à disposition par lettre recommandée à la poste ou adressée au Ministre de l'Intérieur contre accusé de réception. Il n'est toutefois mis fin au mandat qu'à l'expiration d'un délai de neuf mois à compter de la réception de la mise à disposition. Ce délai peut être réduit par le Roi sur demande motivée de l'intéressé.
  Les dispositions du § 3 sont d'application pour le titulaire de fonction qui met son mandat à disposition avant l'expiration du terme et qui n'assume pas d'autre mandat.
  Art. 74/5. L'exercice d'un mandat de chef de corps est incompatible avec l'exercice d'un mandat adjoint.
  Si le titulaire d'un mandat adjoint reprend un mandat de chef de corps au cours de son mandat, son mandat adjoint devient effectivement vacant le jour de la reprise du mandat de chef de corps.
  Sous-section III. - De l'exercice du mandat
  Art. 74/6. § 1er. Le titulaire d'un mandat de chef de corps est tenu de rédiger annuellement un rapport d'activité dans lequel sont notamment exposées la mise en oeuvre de son plan de gestion et l'évaluation de celui-ci. - Le cas échéant, ce rapport contient les adaptations à apporter au plan, indique les besoins et formule des propositions en vue d'améliorer le fonctionnement du Conseil et de résorber l'arriéré judiciaire. Le premier président regroupe ces rapports dans un seul rapport et transmet celui-ci avant le 1er octobre au Ministre de l'Intérieur.
  Le Roi peut fixer les modalités d'application de la présente disposition, ainsi que le contenu de ce rapport d'activité.
  § 2. Le premier président joint à son rapport d'activité visé au § 1er, les données suivantes concernant l'année judiciaire écoulée :
  1° les statistiques par contentieux ou selon la nature des demandes d'avis, faisant apparaître le nombre d'affaires nouvelles pendant cette période ainsi que le nombre d'affaires réglées par arrêt final ou par avis durant la même période. Le rapport mentionne en outre le volume de travail total des sections, l'évolution de cette réserve de travail étant également mesurée en fonction du nombre de rapports déposés ou d'avis rendus par l'Auditorat;
  2° l'évolution :
  - des affaires pendantes et de l'arriéré judiciaire, y compris la procédure d'admissibilité des recours en cassation;
  - le cadre du personnel et l'occupation des effectifs;
  - les moyens logistiques;
  - la charge de travail;
  Les données visées à l'alinéa 1er, 1°, relatives aux six premiers mois de l'année judiciaire en cours sont en outre fournies avant le 1er avril de l'année judiciaire en cours.
  Le Ministre de l'Intérieur détermine le formulaire standardisé selon lequel les rapports d'activité doivent être rédigés. ".
Art. 31. In Titel VII, hoofdstuk I, van dezelfde wetten wordt een afdeling 3 ingevoegd, die de artikelen 74/7 tot 74/12 omvat, luidende :
  " Afdeling 3. - De evaluatie van de leden van de Raad, het Auditoraat en het Coördinatiebureau
  Onderafdeling I. - Algemene bepalingen
  Art. 74/7. § 1. Met uitzondering van de korpschefs worden de leden van de Raad, het Auditoraat en het Coördinatiebureau onderworpen aan een gemotiveerde schriftelijke en beschrijvende evaluatie, hetzij een periodieke evaluatie wanneer het een benoeming betreft, hetzij een evaluatie van het adjunct-mandaat.
  Deze evaluaties geschieden binnen dertig dagen na het verstrijken van de termijnen bepaald in deze afdeling.
  De periodieke evaluatie omvat geen eindvermelding, behalve in het geval dat de beoordelaar oordeelt dat de geëvalueerde de vermelding "onvoldoende" verdient. De evaluatie van de titularissen van een mandaat kan leiden tot een beoordeling "goed" of "onvoldoende".
  § 2. De evaluatie geschiedt op grond van criteria die betrekking hebben op de persoonlijkheid en de intellectuele, professionele en organisatorische capaciteiten met inbegrip van de kwaliteit van de gepresteerde prestaties zonder dat hierdoor afbreuk wordt gedaan aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de ambtsdrager.
  De Koning bepaalt, op gemotiveerd voorstel van de eerste voorzitter en de auditeur-generaal, elk wat hun bevoegdheden betreft, de algemene vergadering gehoord, de evaluatiecriteria rekening houdend met de eigenheid van de ambten en mandaten, en stelt nadere regels voor de toepassing van deze bepalingen op.
  § 3. De evaluatie wordt voorafgegaan door een planningsgesprek tussen de geëvalueerde en de beoordelaar. Tijdens de evaluatiecycli kunnen één of meerdere functioneringsgesprekken plaatsvinden.
  De beoordelaar maakt een ontwerp van beoordeling op die desgevallend reeds een voorstel van eindbeoordeling "onvoldoende" kan bevatten. Dit ontwerp wordt vóór het evaluatiegesprek bij gedagtekend ontvangstbewijs meegedeeld aan de geëvalueerde. Het kan eventueel nog worden aangepast in functie van het onderhoud. Na dit onderhoud stelt de beoordelaar een voorlopige beoordeling op.
  De eerste voorzitter of de auditeur-generaal naar gelang het een lid van de Raad of het Coördinatiebureau dan wel van het Auditoraat betreft, zendt bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs een afschrift van de voorlopige beoordeling aan de betrokkene. Formuleert deze binnen de in het vierde lid bepaalde termijn geen schriftelijke opmerkingen op de voorlopige beoordeling, dan wordt deze na het verstrijken van deze termijn definitief.
  De betrokkene kan op straffe van verval binnen een termijn van tien dagen te rekenen van de kennisgeving van de voorlopige beoordeling, zijn schriftelijke opmerkingen bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs bezorgen aan onderscheidenlijk de eerste voorzitter of de auditeur-generaal, die het origineel bij het evaluatiedossier voegt en er een afschrift van bezorgt aan de beoordelaar. Deze beoordelaar stelt binnen de dertig dagen na ontvangst van een afschrift van deze opmerkingen, een definitieve schriftelijke beoordeling op waarin hij deze opmerkingen schriftelijk beantwoordt. Binnen tien dagen na de ontvangst van de definitieve beoordeling, zendt de korpschef een afschrift ervan bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs aan de betrokkene.
  § 4. De betrokkene die toepassing heeft gemaakt van § 3, vierde lid, kan op straffe van verval binnen een termijn van tien dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van de definitieve beoordeling, beroep instellen tegen de definitieve beoordeling bij :
  1° een beoordelingscommissie bestaande uit de eerste voorzitter of de voorzitter naargelang het geval en de kamervoorzitters van dezelfde taalrol als de geëvalueerde die in eerste aanleg geen evaluatie hebben uitgebracht, wat de leden van de Raad en het Coördinatiebureau betreft;
  2° een beoordelingscommissie bestaande uit de auditeur-generaal of adjunct-auditeur-generaal naargelang het geval, en de eerste-auditeur-afdelingshoofden van dezelfde taalrol als de geëvalueerde die in eerste aanleg geen evaluatie hebben wat de leden van het Auditoraat betreft.
  Het beroep wordt bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs ingediend bij de eerste voorzitter, of wat de leden van het Auditoraat betreft, bij de auditeur-generaal. Een tijdig ingesteld beroep schorst de uitvoering van de definitieve beoordeling.
  De in het eerste lid bedoelde beoordelingscommissie hoort de betrokkene indien die daarom in zijn beroepsschrift heeft verzocht. Zij beschikt over zestig dagen vanaf de ontvangst door onderscheidenlijk de eerste voorzitter of de auditeur-generaal van het beroepsschrift, om een gemotiveerde eindbeslissing over de beoordeling te nemen.
  § 5. De evaluatiedossiers berusten bij de eerste voorzitter, wat de leden van de Raad en het Coördinatiebureau betreft en bij de auditeur-generaal wat de leden van het Auditoraat betreft. De evaluaties zijn vertrouwelijk en kunnen te allen tijde door de betrokkenen ingekeken worden. Ze worden gedurende ten minste tien jaar bewaard.
  Bij elke benoeming, bij elke voordracht of hernieuwing van een mandaat wordt het evaluatiedossier van de laatste zes jaar van de betrokkene gevoegd ter attentie van de benoemende overheid.
  § 6. De Koning kan de nadere procedureregels voor de toepassing van deze bepaling vaststellen.
  Onderafdeling II. - De periodieke evaluatie
  Art. 74/8. § 1. De periodieke evaluatie van een lid van de Raad, van het Auditoraat of van het Coördinatiebureau vindt de eerste maal plaats één jaar te rekenen van de eedaflegging in het ambt waarin hij moet beoordeeld worden en vervolgens om de drie jaar.
  § 2. Wat de leden van de Raad betreft, geschiedt de evaluatie door de kamervoorzitter van de kamer waarvoor betrokkene is aangewezen.
  De evaluatie van de overeenkomstig artikel 74/4, § 2, eerste lid, vast aangewezen kamervoorzitters geschiedt door de korpschef die de afdeling onder zijn verantwoordelijkheid heeft waarvan de geëvalueerde deel uitmaakt. Indien deze korpschef zijn diploma niet heeft behaald in de taal van de geëvalueerde en niet tweetalig is, dan laat hij zich bijstaan door een tweetalige kamervoorzitter die de oudste in graad is van diegenen die behoren tot de taalrol van de geëvalueerde.
  § 3. Wat de leden van het Auditoraat betreft, geschiedt de evaluatie door de eerste auditeur-afdelingshoofd.
  In afwijking van het eerste lid, geschiedt de evaluatie van de overeenkomstig artikel 74/4, § 2, eerste lid, vast aangewezen eerste auditeurs-afdelingshoofden door de auditeur-generaal of adjunct-auditeur-generaal.
  § 4. Wat de leden van het Coördinatiebureau betreft, geschiedt de evaluatie door de eerste referendaris-afdelingshoofd.
  In afwijking van het eerste lid, geschiedt de evaluatie van de overeenkomstig artikel 74/4, § 2, eerste lid, vast aangewezen eerste referendaris-afdelingshoofden door de eerste voorzitter of voorzitter indien die de afdeling wetgeving onder zijn verantwoordelijkheid heeft. Indien deze korpschef zijn diploma niet heeft behaald in de taal van de geëvalueerde en niet tweetalig is, dan laat hij zich bijstaan door een tweetalige houder van een adjunct-mandaat die de oudste in graad is van diegenen die behoren tot de taalrol van de geëvalueerde.
  § 5. Indien een lid van de Raad, van het Auditoraat of van het Coördinatiebureau bij een periodieke evaluatie de definitieve eindbeoordeling "onvoldoende" heeft verkregen, dan leidt dit met ingang van de eerste van de maand volgend op de kennisgeving van deze definitieve beoordeling gedurende zes maanden tot de inhouding van de laatste driejaarlijkse verhoging bedoeld in artikel 3, § 1, van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State en de magistraten en de leden van de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
  Onverminderd het eerste lid wordt voor de in het eerste lid bepaalde duur de met toepassing van het artikel 107, tweede lid, verleende afwijkingen van rechtswege opgeschort. Gedurende deze termijn wordt geen enkele nieuwe afwijking toegestaan.
  In geval van een beoordeling "onvoldoende" wordt de betrokkene opnieuw geëvalueerd na verloop van zes maanden. Leidt dit opnieuw tot een beoordeling "onvoldoende", is het eerste en tweede lid van toepassing gedurende een nieuwe periode van zes maanden.
  Onderafdeling III. - De evaluatie van adjunct-mandaten
  Art. 74/9. § 1. De evaluatie van de titularissen van een adjunct-mandaat vindt plaats op het einde van elke termijn waarvoor het mandaat is verleend en geschiedt uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de termijn.
  § 2. De evaluatie van de kamervoorzitters geschiedt door de korpschef die de afdeling onder zijn verantwoordelijkheid heeft waarvan de geëvalueerde deel uitmaakt. Indien deze korpschef zijn diploma niet heeft behaald in de taal van de geëvalueerde en niet tweetalig is, dan laat hij zich bijstaan door een tweetalige kamervoorzitter die de oudste in graad is van diegenen die behoren tot de taalrol van de geëvalueerde.
  § 3. De evaluatie van de houders van een mandaat van eerste auditeur-afdelingshoofd geschiedt door de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal.
  § 4. De evaluatie van de houders van een mandaat van eerste-referendaris-afdelingshoofd geschiedt door de eerste voorzitter of de voorzitter indien die de afdeling wetgeving onder zijn verantwoordelijkheid heeft. Indien deze korpschef zijn diploma niet heeft behaald in de taal van de geëvalueerde en niet tweetalig is, dan laat hij zich bijstaan door een tweetalige houder van een adjunct-mandaat die de oudste in graad is van diegenen die behoren tot de taalrol van de geëvalueerde.
  § 5. Krijgt de titularis van een mandaat de beoordeling "goed", dan wordt zijn mandaat hernieuwd. Is de beoordeling "onvoldoende" dan neemt de betrokkene bij het verstrijken van zijn mandaat het ambt weer op waarin hij het laatst werd benoemd. In voorkomend geval geschiedt dit in overtal. De eerste voorzitter zendt aan de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken een beschikking over waarin de verlenging of het einde van het mandaat wordt vastgesteld.
  De titularissen van een mandaat die na negen jaar vast aangewezen zijn, worden onderworpen aan een periodieke evaluatie.
  Afdeling 4. - De evaluatie van de leden van de griffie
  Onderafdeling I. - De evaluatie van de hoofdgriffier
  Art. 74/10. § 1. De evaluatie van het mandaat van hoofdgriffier vindt plaats op het einde van elke termijn waarvoor het mandaat is verleend en geschiedt uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de termijn.
  § 2. De evaluatie geschiedt gezamenlijk door de eerste voorzitter en de voorzitter volgens de procedure bepaald in artikel 74/12.
  De in het eerste lid bedoelde titularis die niet tweetalig is in de zin van artikel 73, § 2, wijst een tweetalige titularis van een adjunct-mandaat aan die zijn diploma heeft behaald in de taal van de geëvalueerde om hem bij te staan bij de evaluatie.
  § 3. De evaluatie geschiedt op grond van criteria die betrekking hebben op de persoonlijkheid en de intellectuele, professionele en organisatorische capaciteiten, met inbegrip van de kwaliteit van de geleverde prestaties.
  De Koning stelt op voorstel van de eerste voorzitter en de auditeur-generaal de evaluatiecriteria en de nadere regels vast voor de toepassing van deze bepaling.
  § 4. Krijgt de titularis van het mandaat de beoordeling "goed", dan wordt zijn mandaat hernieuwd. Is de beoordeling "onvoldoende" dan is de procedure bedoeld in het artikel 74/4, § 3 van toepassing. De eerste voorzitter zendt aan de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken een beschikking over waarin de verlenging of het einde van het mandaat wordt vastgesteld.
  § 5. De titularis van het mandaat van hoofdgriffier die na negen jaar vast aangewezen is, wordt onderworpen aan de in artikel 74/7 bedoelde periodieke evaluatie met inbegrip van de in artikel 74/8, § 5, voorziene gevolgen.
  Onderafdeling II. - De evaluatie van de griffiers
  Art. 74/11. § 1. Om de twee jaar wordt een beoordelingsstaat opgemaakt van alle griffiers.
  De hoofdgriffier en de kamervoorzitter geven gezamenlijk in de beoordelingsstaat hun mening te kennen omtrent de waarde en de houding van de griffier, met inbegrip van de kwaliteit van de geleverde prestaties, met behulp van beschrijvende formules overeenkomstig de aangebrachte aanduidingen.
  De beoordelaars, met uitsluiting van de hoofdgriffier, moeten door hun diploma het bewijs leveren dat zij het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten hebben afgelegd in dezelfde taal, Nederlands of Frans, als de geëvalueerde.
  De periodieke evaluatie omvat geen eindvermelding, behalve in het geval dat de beoordelaars oordelen dat de geëvalueerde de vermelding "onvoldoende" verdient.
  De Koning stelt nadere regels vast voor de toepassing van deze bepalingen.
  § 2. De beoordelingsstaat wordt voor de eerste maal opgemaakt tussen de negende en de twaalfde maand effectieve dienst.
  De beoordeling heeft betrekking op de voorbije periode sinds de vorige beoordelingsstaat.
  De griffier kan een nieuwe beoordeling aanvragen, ten vroegste één jaar na de opmaak van de vorige beoordeling.
  § 3. Indien een griffier bij een periodieke evaluatie de definitieve eindbeoordeling "onvoldoende" heeft verkregen, dan leidt dit met ingang van de eerste van de maand volgend op de kennisgeving van deze definitieve beoordeling gedurende zes maanden tot de inhouding van de laatste driejaarlijkse verhoging bedoeld in artikel 3, § 1, van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State en van de magistraten en leden van de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
  Onverminderd het eerste lid wordt voor de in het eerste lid bepaalde duur de met toepassing van artikel 107, tweede lid, verleende afwijkingen van rechtswege opgeschort. Gedurende deze termijn wordt geen enkele nieuwe afwijking toegestaan.
  In geval van een beoordeling "onvoldoende" wordt de betrokkene opnieuw geëvalueerd na verloop van zes maanden. Leidt dit opnieuw tot een beoordeling "onvoldoende", dan is het eerste en tweede lid opnieuw van toepassing.
  Onderafdeling 3. - De evaluatie procedure van de hoofdgriffier en de griffier
  Art. 74/12. § 1. De in deze afdeling bedoelde evaluatie wordt voorafgegaan door een planningsgesprek tussen de geëvalueerde en zijn beoordelaars. Tijdens de evaluatiecycli kunnen één of meerdere functioneringsgesprekken plaatsvinden.
  De beoordelaars maken gezamenlijk een ontwerp van beoordeling op die desgevallend reeds een voorstel van eindbeoordeling "onvoldoende" kan bevatten. Dit ontwerp wordt vóór het evaluatiegesprek bij gedagtekend ontvangstbewijs meegedeeld aan de geëvalueerde. Het kan eventueel nog worden aangepast in functie van het onderhoud. Na dit onderhoud stellen de beoordelaars gezamenlijk een voorlopige beoordeling op.
  De eerste voorzitter zendt bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs een afschrift van de voorlopige beoordeling aan de betrokkene. Formuleert deze binnen de in het vierde lid bepaalde termijn geen schriftelijke opmerkingen op de voorlopige beoordeling, dan wordt deze na het verstrijken van deze termijn definitief.
  De betrokkene kan op straffe van verval binnen een termijn van tien dagen te rekenen van de kennisgeving van de voorlopige beoordeling, zijn schriftelijke opmerkingen bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs bezorgen aan de eerste voorzitter, die het origineel bij het evaluatiedossier voegt en er een afschrift van bezorgt aan de beoordelaars. Deze stellen binnen de dertig dagen na ontvangst van een afschrift van deze opmerkingen, gezamenlijk een definitieve schriftelijke beoordeling op waarin ze deze opmerkingen schriftelijk beantwoorden. Binnen tien dagen na de ontvangst van de definitieve beoordeling, zendt de eerste voorzitter een afschrift ervan bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs aan de betrokkene.
  § 2. De betrokkene die toepassing heeft gemaakt van § 1, vierde lid kan op straffe van verval, binnen een termijn van tien dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van de definitieve beoordeling, beroep instellen tegen de definitieve beoordeling bij een beoordelingscommissie bestaande uit de eerste voorzitter, de voorzitter en de kamervoorzitters.
  Het beroep wordt bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs ingediend. Een tijdig ingesteld beroep schorst de uitvoering van de definitieve beoordeling.
  De in het eerste lid bedoelde beoordelingscommissie hoort de betrokkene indien die daarom in zijn beroepsschrift heeft verzocht. Zij beschikt over zestig dagen vanaf de ontvangst door de eerste voorzitter van het beroepsschrift, om een gemotiveerde eindbeslissing over de beoordeling te nemen.
  § 3. De evaluatiedossiers berusten bij de eerste voorzitter wat de hoofdgriffier betreft en bij de hoofdgriffier wat de griffiers betreft. De evaluaties zijn vertrouwelijk en kunnen te allen tijde door de betrokkenen worden ingekeken. Ze worden gedurende tenminste tien jaar bewaard.
  Bij elke benoeming, bij elke voordracht of hernieuwing van een mandaat wordt het evaluatiedossier van de laatste zes jaar van de betrokkene gevoegd ter attentie van de benoemende overheid.
  § 4. De Koning kan de nadere procedureregels voor de toepassing van deze bepaling vaststellen. ".
Art. 31. Il est inséré dans le Titre VII, chapitre Ier, des mêmes lois, une section 3, comprenant les articles 74/7 à 74/12, rédigée comme suit :
  " Section 3. - L'évaluation des membres du Conseil, de l'Auditorat et du Bureau de Coordination
  Sous-section Ire. - Dispositions générales
  Art. 74/7. § 1er. A l'exception des chefs de corps, les membres du Conseil, de l'Auditorat et du Bureau de Coordination sont soumis à une évaluation écrite, descriptive et motivée, qui est soit périodique lorsqu'il s'agit d'une nomination, soit une évaluation du mandat adjoint.
  Ces évaluations sont effectuées dans les trente jours suivant l'expiration des délais prévus dans la présente section.
  L'évaluation périodique ne comprend pas de mention finale, sauf si l'évaluateur estime que l'évalué mérite une mention "insuffisant". L'évaluation des titulaires de mandat peut donner lieu à une évaluation "bon" ou "insuffisant".
  § 2. L'évaluation est effectuée sur la base de critères portant sur la personnalité ainsi que sur les capacités intellectuelles, professionnelles et organisationnelles, en ce compris la qualité des prestations fournies et sans porter atteinte de ce fait à l'indépendance et à l'impartialité du titulaire de fonction.
  Le Roi détermine, sur proposition motivée du premier président et de l'auditeur général, chacun en ce qui concerne ses compétences, et l'assemblée générale ayant été entendue, les critères d'évaluation, compte tenu de la spécificité des fonctions et mandats, et définit les modalités d'application de ces dispositions.
  § 3. L'évaluation est précédée d'un entretien de planning entre l'évalué et l'évaluateur. Un ou plusieurs entretiens de fonctionnement peuvent avoir lieu durant les cycles d'évaluation.
  L'évaluateur rédige un projet d'évaluation, qui peut déjà comporter, le cas échéant, une proposition d'évaluation finale "insuffisant". Ce projet est, avant l'entretien d'évaluation, communiqué à l'évalué contre accusé de réception daté. Il peut éventuellement encore être adapté en fonction de cet entretien. A l'issue de celui-ci, l'évaluateur donne une mention provisoire.
  Le premier président ou l'auditeur général, selon qu'il s'agit d'un membre du Conseil, du Bureau de Coordination ou de l'Auditorat, envoie une copie de l'évaluation provisoire à l'intéressé contre accusé de réception daté ou par lettre recommandée par la poste avec accusé de réception. Si l'intéressé ne fait pas d'observations écrites concernant cette évaluation provisoire dans le délai fixé à l'alinéa 4, celle-ci devient définitive à l'expiration de ce délai.
  L'intéressé peut, sous peine de déchéance, dans un délai de dix jours à compter de la notification de l'évaluation provisoire, adresser ses remarques écrites, contre accusé de réception daté ou par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, respectivement au premier président ou à l'auditeur général, lequel joint l'original au dossier d'évaluation et en transmet une copie à l'évaluateur. Dans les trente jours de la réception de la copie de ces observations, celui-ci réalise une évaluation écrite et définitive dans laquelle il répond par écrit à ces observations. Dans les dix jours de la réception de l'évaluation définitive, le chef de corps en transmet une copie à l'intéressé contre accusé de réception daté ou par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception.
  § 4. L'intéressé qui a fait application du § 3, alinéa 4, peut introduire un recours contre l'évaluation définitive dans un délai de dix jours à compter de la notification de l'évaluation définitive, sous peine de déchéance, auprès :
  1° d'une commission d'évaluation composée du premier président ou du président selon le cas et des présidents de chambre du même rôle linguistique que l'intéressé qui, en première instance, n'ont pas procédé à l'évaluation relative aux membres du Conseil et du Bureau de Coordination;
  2° d'une commission d'évaluation composée de l'auditeur général ou de l'auditeur général adjoint selon le cas et des premiers auditeurs chefs de section du même rôle linguistique que l'intéressé qui, en première instance, n'ont pas procédé à l'évaluation relative aux membres de l'Auditorat.
  Le recours est déposé contre accusé de réception daté ou envoyé par lettre recommandée à la poste à l'attention du premier président ou, en ce qui concerne les membres de l'Auditorat, à l'attention de l'auditeur général. Un recours déposé en temps utile suspend l'exécution de l'évaluation définitive.
  La commission d'évaluation visée à l'alinéa 1er entend l'intéressé, si ce dernier en a formulé la demande dans son recours. Elle dispose d'un délai de soixante jours à partir de la réception du recours respectivement par le premier président ou l'auditeur général pour prendre une décision finale motivée sur l'évaluation.
  § 5. Les dossiers d'évaluation sont conservés par le premier président en ce qui concerne les membres du Conseil et du Bureau de Coordination, et par l'auditeur général en ce qui concerne les membres de l'Auditorat. Les évaluations sont confidentielles et peuvent être consultées à tout moment par les intéressés. Elles sont conservées pendant au moins dix ans.
  Lors de chaque nomination, présentation ou renouvellement de mandat, le dossier d'évaluation des six dernières années de l'intéressé est joint à l'attention de l'autorité investie du pouvoir de nomination.
  § 6. Le Roi peut fixer les modalités d'application de la présente disposition.
  Sous-section II. - L'évaluation périodique
  Art. 74/8. § 1er. L'évaluation périodique d'un membre du Conseil, de l'Auditorat ou du Bureau de Coordination a lieu, pour la première fois, un an après la prestation de serment dans la fonction où il doit être évalué et ensuite tous les trois ans.
  § 2. En ce qui concerne les membres du Conseil, l'évaluation est effectuée par le président de la chambre pour laquelle il est désigné.
  L'évaluation des présidents de chambre désignés à titre définitif conformément à l'article 74/4, § 2, alinéa 1er, est effectuée par le chef de corps responsable de la section dont fait partie l'évalué. Si ce chef de corps n'a pas obtenu son diplôme dans la langue de l'évalue et n'est pas bilingue, il est assisté par le président de chambre bilingue le plus ancien en grade de ceux qui appartiennent au rôle linguistique de l'évalué.
  § 3. En ce qui concerne les membres de l'Auditorat, l'évaluation est effectuée par le premier auditeur chef de section.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, l'évaluation des premiers auditeurs chefs de section désignés à titre définitif conformément à l'article 74/4, § 2, alinéa 1er, est effectuée par l'auditeur général ou l'auditeur général adjoint.
  § 4. En ce qui concerne les membres du Bureau de Coordination, l'évaluation est effectuée par le premier référendaire chef de section.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, l'évaluation des premiers référendaires chefs de section désignés a titre définitif conformément à l'article 74/4, § 2, alinéa 1er, est effectuée par le premier président ou le président s'il est responsable de la section de législation. Si ce chef de corps n'a pas obtenu son diplôme dans la langue de l'évalué et n'est pas bilingue, il est assisté par le titulaire de mandat adjoint bilingue le plus ancien en grade de ceux qui appartiennent au rôle linguistique de évalué
  § 5. Si un membre du Conseil, de l'Auditorat ou du Bureau de Coordination a obtenu, lors d'une évaluation périodique, l'évaluation finale et définitive "insuffisant", celle-ci entraîne, à compter du premier jour du mois suivant la notification de l'évaluation définitive, la perte durant six mois de la dernière majoration triennale visée à l'article 3, § 1, de la loi du 5 avril 1955 relative aux traitements des titulaires d'une fonction au Conseil d'Etat, des magistrats et des membres du greffe du Conseil du Contentieux des Etrangers.
  Sans préjudice de l'alinéa 1er, les dérogations obtenues sont suspendues de plein droit pour la durée fixée à l'alinéa 1er en application de l'article 107, alinéa 2. Aucune nouvelle dérogation ne peut être obtenue pendant cette période.
  En cas d'obtention de la mention "insuffisant", l'intéressé fait l'objet d'une nouvelle évaluation après un délai de six mois. S'il obtient une nouvelle évaluation "insuffisant", les alinéas 1er et 2 sont d'application pendant une nouvelle période de six mois.
  Sous-section III. - L'évaluation des mandats adjoints
  Art. 74/9. § 1er. L'évaluation des titulaires d'un mandat adjoint a lieu à la fin de chaque période pour laquelle le mandat a été accordé et au plus tard quatre mois avant l'expiration du délai.
  § 2. L'évaluation des présidents de chambre est effectuée par le chef de corps responsable de la section dont fait partie l'évalué. Si ce chef de corps n'a pas obtenu son diplôme dans la langue de l'évalué et n'est pas bilingue, il est assisté par le président de chambre bilingue le plus ancien en grade de ceux qui appartiennent au rôle linguistique de évalué
  § 3. L'évaluation des titulaires du mandat de premier auditeur chef de section est effectuée par l'auditeur général ou l'auditeur général adjoint.
  § 4. L'évaluation des titulaires d'un mandat de premier référendaire chef de section est effectué par le premier président ou le président s'il est responsable de la section de législation. Si ce chef de corps n'a pas obtenu son diplôme dans la langue de l'évalué et n'est pas bilingue, il est assisté par le titulaire de mandat adjoint bilingue le plus ancien en grade de ceux qui appartiennent au rôle linguistique de l'évalué.
  § 5. Si le titulaire du mandat obtient l'évaluation "bon", son mandat est renouvelé. S'il obtient l'évaluation "insuffisant", l'intéressé reprend, à l'expiration de son mandat, l'exercice de la fonction dans laquelle il a été nommé en dernier lieu, le cas échéant en surnombre. Le premier président transmet au Service Public Fédéral Intérieur une disposition par laquelle la prolongation ou la fin du mandat est établie.
  Les titulaires d'un mandat qui sont nommés à titre définitif après neuf ans sont soumis à une évaluation périodique.
  Section 4. - L'évaluation des membres du greffe
  Sous-section Ire. - L'évaluation du greffier en chef
  Art. 74/10. § 1er. L'évaluation du mandat de greffier en chef a lieu à la fin de chaque période pour laquelle le mandat a été accordé et au plus tard quatre mois avant l'expiration du délai.
  § 2. L'évaluation est effectuée conjointement par le premier président et le président selon la procédure fixée à l'article 74/12.
  Le titulaire visé à l'alinéa 1er qui n'est pas bilingue au sens de l'article 73, § 2, désigne un titulaire bilingue d'un mandat adjoint qui a obtenu son diplôme dans la langue de l'évalué, afin de l'assister dans l'évaluation.
  § 3. L'évaluation est effectuée sur la base de critères portant sur la personnalité ainsi que sur les capacités intellectuelles, professionnelles et organisationnelles, en ce compris la qualité des prestations fournies.
  Le Roi fixe, sur la proposition du premier président et de l'auditeur général, les critères d'évaluation et les modalités d'application de la présente disposition.
  § 4. Si le titulaire du mandat obtient l'évaluation "bon", son mandat est renouvelé. Si l'évaluation est "insuffisant", la procédure visée à l'article 74/4, § 3, est applicable. Le premier président transmet au Service Public Fédéral Intérieur une disposition par laquelle la prolongation ou la fin du mandat est établie.
  § 5. Le titulaire du mandat de greffier en chef qui est nommé à titre définitif après neuf ans est soumis à l'évaluation périodique visée à l'article 74/7, y compris les conséquences prévues à l'article 74/8, § 5.
  Sous-section II. - L'évaluation des greffiers
  Art. 74/11. § 1er. Tous les deux ans, un bulletin d'évaluation de tous les greffiers est établi.
  Dans le bulletin d'évaluation, le greffier en chef et le président de chambre expriment conjointement leur opinion quant à la valeur et au comportement du greffier, en ce compris la qualité des prestations fournies, au moyen de formules descriptives, conformément aux indications apportées.
  A l'exclusion du greffier en chef, les évaluateurs doivent justifier par leur diplôme qu'ils ont passé l'examen de docteur, de licencié ou de master en droit dans la même langue, le français ou le néerlandais, que l'évalué.
  L'évaluation périodique ne comprend pas d'évaluation finale, sauf si les évaluateurs estiment que l'évalué mérite la mention "insuffisant".
  Le Roi détermine les modalités d'application des présentes dispositions.
  § 2. Le bulletin d'évaluation est rédigé pour la première fois entre le neuvième et le douzième mois de service effectif.
  L'évaluation porte sur la période écoulée depuis le dernier bulletin d'évaluation.
  Le greffier peut demander une nouvelle évaluation, au plus tôt un an après la rédaction de l'évaluation précédente.
  § 3. Si un greffier a obtenu, lors d'une évaluation périodique, l'évaluation finale et définitive "insuffisant", celle-ci entraîne, à compter du premier jour du mois suivant la notification de l'évaluation définitive, la perte durant six mois de la dernière majoration triennale visée à l'article 3, § 1er, de la loi du 5 avril 1955 relative aux traitements des titulaires d'une fonction au Conseil d'Etat, des magistrats et des membres du greffe du Conseil du Contentieux des Etrangers.
  Sans préjudice de l'alinéa 1er, les dérogations obtenues en application de l'article 107, alinéa 2, sont suspendues de plein droit pour la durée fixée à l'alinéa 1er. Aucune nouvelle dérogation ne peut être obtenue pendant cette période.
  En cas d'évaluation "insuffisant", l'intéressé fait l'objet d'une nouvelle évaluation après un délai de six mois. S'il obtient une nouvelle évaluation "insuffisant", l'alinéa 1er et 2 sont à nouveau d'application.
  Sous-section 3. - La procédure d'évaluation du greffier en chef et du greffier
  Art. 74/12. § 1er. L'évaluation visée dans la présente section est précédée d'un entretien de planning entre l'évalué et ses évaluateurs. Un ou plusieurs entretiens de fonctionnement peuvent avoir lieu durant les cycles d'évaluation.
  Les évaluateurs rédigent conjointement un projet d'évaluation qui peut déjà comporter, le cas échéant, une proposition d'évaluation finale "insuffisant". Ce projet est transmis à l'évalué contre accusé de réception daté avant l'entretien d'évaluation et discuté avec l'évalué. Il peut éventuellement être adapté en fonction de l'entretien. Après cet entretien, les évaluateurs rédigent conjointement une évaluation provisoire.
  Le premier président communique une copie de l'évaluation provisoire à l'intéressé contre accusé de réception date ou par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception. Si l'intéressé ne formule pas de remarques écrites au sujet de l'évaluation provisoire dans le délai fixé à l'alinéa 4, celle-ci devient définitive, après expiration de ce délai.
  Sous peine de déchéance, l'intéressé peut, dans un délai de dix jours à compter de la notification de l'évaluation provisoire, adresser ses remarques écrites, contre accusé de réception date ou par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, au premier président, lequel joint l'original au dossier d'évaluation et en transmet une copie aux évaluateurs. Ceux-ci rédigent conjointement, dans les trente jours de la réception de ces remarques, une évaluation écrite définitive dans laquelle ils répondent par écrit aux remarques formulées. Dans les dix jours de la réception de l'évaluation définitive, le premier président en communique une copie à l'intéressé contre accusé de réception daté ou par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception.
  § 2. L'intéressé qui a fait application du § 1er, alinéa 4, peut, sous peine de déchéance, introduire un recours contre la décision définitive, dans un délai de dix jours à compter de la notification de l'évaluation définitive auprès d'une commission d'évaluation composée du premier président, du président et de présidents de chambres.
  Le recours est introduit contre accusé de réception daté ou par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception. Un recours introduit dans les délais suspend l'exécution de évaluation définitive.
  La commission d'évaluation visée à l'alinéa 1er entend l'intéressé, s'il en a formulé la demande dans son recours. Elle dispose d'un délai de soixante jours à compter de la réception du recours par le premier président pour prendre une décision finale motivée sur l'évaluation.
  § 3. Les dossiers d'évaluation sont conservés par le premier président en ce qui concerne le greffier en chef et par le greffier en chef en ce qui concerne les greffiers. Les évaluations sont confidentielles et peuvent être consultées à tout moment par les intéresses. Elles sont conservées pendant au moins dix ans.
  Lors de chaque nomination, présentation ou renouvellement de mandat, le dossier d'évaluation des six dernières années de l'intéressé est joint à l'attention de l'autorité investie du pouvoir de nomination.
  § 4. Le Roi peut déterminer les modalités de procédure pour l'application de la présente disposition. ".
Art. 32. De artikelen 75 en 76 van dezelfde wetten, vormen de afdeling 5, luidende :
  " Afdeling 5. - Bijzondere bepalingen betreffende het Auditoraat".
Art. 32. Les articles 75 et 76 des mêmes lois forment la section 5, intitulée comme suit :
  " Section 5. - Dispositions spécifiques concernant l'Auditorat".
Art. 33. In artikel 76, § 1, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 4 augustus 1996 en 2 april 2003, worden tussen het eerste en het tweede lid de volgende leden ingevoegd :
  " Onverminderd de bepalingen die voorzien in specifieke termijnen, onderzoeken de leden van het Auditoraat die deelnemen aan het onderzoek in de afdeling administratie bij voorrang de toelaatbaar verklaarde cassatieberoepen, alsook de beroepen tot nietigverklaring waarvan het beroep doelloos is, of waarvan afstand wordt gedaan of die dienen van de rol te worden afgevoerd.
  Wanneer blijkt dat het beroep slechts korte debatten vereist, behandelt het aangewezen lid van het auditoraat bij voorrang de ingeleide vordering.
  De auditeur-generaal en de adjunct-auditeur-generaal brengen in het in artikel 74/6 bedoelde werkingsverslag verslag uit van de toepassing van de in het tweede en derde lid bepaalde voorschriften.
  De leden van het Auditoraat nemen geen deel aan het onderzoek naar de toelaatbaarheid van de in artikel 20 bedoelde cassatieberoepen. ".
Art. 33. A l'article 76, § 1er, des mêmes lois, modifié par les lois des 4 août 1996 et 2 avril 2003, les alinéas suivants sont insérés entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2 :
  " Sans préjudice des dispositions prévoyant des délais spécifiques, les membres de l'Auditorat qui participent à l'instruction dans la section d'administration examinent prioritairement les recours en cassation déclarés admissibles ainsi que les recours en annulation lorsqu'ils sont sans objet, appellent un désistement ou doivent être rayés du rôle.
  Lorsqu'il apparaît que le recours ne requiert que des débats succincts, le membre désigné de l'Auditorat traite prioritairement la requête introduite.
  L'auditeur général et l'auditeur général adjoint rendent compte, dans le rapport d'activité visé a l'article 74/6, de l'application des prescriptions prévues aux alinéas 2 et 3.
  Les membres de l'Auditorat ne participent pas à l'examen de l'admissibilité des recours en cassation visés à l'article 20. ".
Art. 34. Artikel 77 van dezelfde wetten vormt de afdeling 6, luidende :
  " Afdeling 6. - Bijzondere bepaling betreffende het Coördinatiebureau".
Art. 34. L'article 77 des mêmes lois forme la section 6, intitulée comme suit :
  " Section 6. - Disposition spécifique concernant le Bureau de Coordination".
Art. 35. Artikel 77, tweede lid, van dezelfde wetten, vervangen bij wet van 4 augustus 1996 en gewijzigd bij de wetten van 25 mei 1999 en 2 april 2003, wordt aangevuld met de woorden "of de voorzitter indien die de afdeling wetgeving onder zijn verantwoordelijkheid heeft. ".
Art. 35. L'article 77, alinéa 2, des mêmes lois, remplacé par la loi du 4 août 1996 et modifié par les lois du 25 mai 1999 et du 2 avril 2003, est complété par les mots "ou le président s'il est responsable de la section de législation. ".
Art. 36. In dezelfde wetten wordt na artikel 77 een afdeling 7 ingevoegd, luidende :
  " Afdeling 7. - Bijzondere bepaling betreffende de leden van de griffie
  Art. 77/1. De hoofdgriffier is belast met de leiding van de griffie en staat daarbij onder leiding en toezicht van de eerste voorzitter en de voorzitter, elk wat zijn bevoegdheden betreft.
  De eerste voorzitter of voorzitter wijzen elke wat hun bevoegdheid betreft en na advies van de hoofdgriffier en de betrokken kamervoorzitter, de griffiers aan die de kamervoorzitter bijstaan. ".
Art. 36. Dans les mêmes lois, une section 7 est insérée après l'article 77, rédigée comme suit :
  " Section 7. - Disposition spécifique concernant les membres du greffe
  Art. 77/1. Le greffier en chef est chargé de la direction du greffe, sous la direction et le contrôle du premier président et du président, chacun en ce qui concerne ses compétences.
  Le premier président ou le président désigne, chacun en ce qui concerne ses compétences et après avis du greffier en chef et du président de chambre concerné, les greffiers qui assistent le président de chambre. ".
Art. 37. In dezelfde wetten wordt na artikel 77/1 een afdeling 8 ingevoegd, luidende :
  " Afdeling 8. - Bijzondere bepalingen".
Art. 37. Dans les mêmes lois, une section 8 est insérée après l'article 77/1, intitulée comme suit :
  " Section 8. - Dispositions spécifiques".
Art. 38. In dezelfde wetten wordt een artikel 78/1 ingevoegd, luidende :
  " Art. 78/1. De Koning stelt, na gemotiveerd advies van de eerste voorzitter en de auditeur-generaal, de wijze vast waarop de werklast van de ambtsdrager wordt geregistreerd, alsook de wijze waarop deze geregistreerde gegevens worden geëvalueerd. ".
Art. 38. Un article 78/1, rédigé comme suit, est inséré dans les mêmes lois :
  " Art. 78/1. Le Roi détermine, après avis motivé du premier président et de l'auditeur général, la manière dont la charge de travail du titulaire de fonction est enregistrée, ainsi que la manière dont ces données enregistrées sont évaluées. ".
Art. 39. In dezelfde wetten wordt een artikel 78/2 ingevoegd, luidende :
  " Art. 78/2. Indien de afwezigheid van een lid van de Raad, van het Auditoraat, van het Coördinatiebureau of van de griffie te wijten is aan ziekte, kan onderscheidenlijk de eerste voorzitter of de voorzitter, de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal of de hoofdgriffier, de regelmatigheid van deze afwezigheid afhankelijk stellen van een medische controle door de Administratieve gezondheidsdienst die deel uitmaakt van het Bestuur van de Medische Expertise zoals bepaald in het administratief reglement van die dienst. ".
Art. 39. Un article 78/2, rédigé comme suit, est inséré dans les mêmes lois :
  " Art. 78/2. Si l'absence d'un membre du Conseil, de l'Auditorat, du Bureau de Coordination ou du greffe est due à une maladie, la régularité de cette absence peut être subordonnée respectivement par le premier président ou le président, l'auditeur général ou l'auditeur général adjoint ou le greffier en chef, à un contrôle effectué par le Service de santé administratif, qui fait partie de l'Administration de l'expertise médicale, selon les modalités fixées dans le règlement administratif de ce service. ".
Art. 40. In artikel 79 van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1982 en 4 augustus 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  " De afdeling wetgeving is samengesteld uit twaalf leden van de Raad van State, en uit ten hoogste tien assessoren. Zij bestaat uit vier kamervoorzitters en acht staatsraden, in overleg met de voorzitter aangewezen door de eerste voorzitter, derwijze gekozen dat vier van hen het bewijs leveren van de kennis van het Nederlands, vier van de kennis van het Frans en vier van de kennis van het Nederlands en het Frans. ";
  2° in het tweede lid worden de woorden "De leden van de Raad van State die deel uitmaken van de afdeling administratie kunnen door de eerste voorzitter worden opgeroepen" vervangen door de woorden "De eerste voorzitter kan in overleg met de voorzitter leden van de Raad van State die deel uitmaken van de afdeling administratie, oproepen".
Art. 40. A l'article 79 des mêmes lois, modifié par les lois du 6 mai 1982 et du 4 août 1996, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par l'alinéa suivant :
  " La section de législation est composée de douze membres du Conseil d'Etat, et de dix assesseurs au maximum. Elle est composée de quatre présidents de chambre et de huit conseillers d'Etat, désignés par le premier président en concertation avec le président. Ils sont choisis de telle manière que quatre d'entre eux justifient de la connaissance de la langue française, quatre de la langue néerlandaise et quatre des langues française et néerlandaise. ";
  2° à l'alinéa 2, les mots "Les membres du Conseil d'Etat qui font partie de la section d'administration peuvent être appelés par le premier président" sont remplacés par les mots "Le premier président peut, en concertation avec le président, appeler des membres du Conseil d'Etat qui font partie de la section d'administration".
Art. 41. In artikel 81, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1982 en 25 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° In het tweede lid wordt de eerste zin vervangen als volgt :
  " De kamers worden voorgezeten door de kamervoorzitters die aangewezen zijn om deel uit te maken van de afdeling wetgeving. ";
  2° het artikel wordt aangevuld met het volgende lid :
  " De eerste voorzitter of de voorzitter indien die de afdeling wetgeving onder zijn verantwoordelijkheid heeft, houdt volgens de behoeften van de dienst zitting in een kamer van de afdeling, in welk geval hij deze voorzit. ".
Art. 41. A l'article 81, des mêmes lois, modifié par les lois du 6 mai 1982 et du 25 mai 1999, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 2, la première phrase est remplacée par la disposition suivante :
  " Les chambres sont présidées par les présidents de chambre qui ont été désignés pour faire partie de la section de législation. ";
  2° l'article est complété par l'alinéa suivant :
  " Le premier président ou le président, s'il est responsable de la section de législation, siège, selon les nécessités du service, dans une chambre de la section, qu'il préside. ".
Art. 42. In artikel 83, gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1982, 31 december 1983, 4 augustus 1996 en 2 april 2003, wordt de eerste zin vervangen als volgt :
  " De eerste voorzitter ontvangt de aanvragen waarvan sprake in de artikelen 2 tot 6 en regelt de verdeling ervan tussen de vier kamers, volgens een systeem omschreven in zijn beleidsplan. ".
Art. 42. A l'article 83, modifié par les lois des 6 mai 1982, 31 décembre 1983, 4 août 1996 et 2 avril 2003, la première phrase est remplacée par la disposition suivante :
  " Le premier président reçoit les demandes visées aux articles 2 à 6 et en règle la distribution entre les quatre chambres selon un système défini dans son plan de gestion. ".
Art. 43. In artikel 85bis van dezelfde wetten, ingevoegd door de wet van 13 juni 1979 en gewijzigd door de wet van 6 mei 1982, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "de eerste voorzitter" worden door de woorden "de eerste voorzitter of de voorzitter indien die de afdeling wetgeving onder zijn verantwoordelijkheid heeft. " vervangen;
  2° het artikel wordt aangevuld met het volgende lid :
  " Wanneer de auditeur-generaal oordeelt dat toepassing moet worden gemaakt van het eerste lid, beveelt de eerste voorzitter of de voorzitter indien die de afdeling wetgeving onder zijn verantwoordelijkheid heeft, de verwijzing naar de verenigde kamers. ".
Art. 43. A l'article 85bis des mêmes lois, inséré par la loi du 13 juin 1979 et modifié par la loi du 6 mai 1982, sont apportées les modifications suivantes :
  1° les mots "le premier président" sont remplacés par les mots "le premier président ou le président, s'il est responsable de la section de législation";
  2° l'article est complété par l'alinéa suivant :
  " Lorsque l'auditeur général est d'avis que l'alinéa 1er trouve à s'appliquer, le premier président ou le président, s'il est responsable de la section de législation, ordonne le renvoi aux chambres réunies. ".
Art. 44. In artikel 86, tweede lid van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 18 april 2000, worden na de woorden "eerste voorzitter" de woorden "of de voorzitter indien die de afdeling administratie onder zijn verantwoordelijkheid heeft ingevoegd, en wordt het woord "kan" vervangen door het woord "kunnen".
Art. 44. Dans l'article 86, alinéa 2, des mêmes lois, modifié par la loi du 18 avril 2000, les mots "ou le président s'il est responsable de la section d'administration" sont insérés après les mots "premier président" et le mot "peut" est remplacé par le mot "peuvent".
Art. 45. In artikel 87 van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 4 augustus 1996, 8 september 1997 en 18 april 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het tweede en het derde lid worden vervangen als volgt :
  " Ten minste zes leden van de Raad, zijnde drie Nederlandstalige en drie Franstalige, onderzoeken bij voorrang de toelaatbaarheid van de cassatieberoepen bedoeld in artikel 20. De eerste voorzitter of de voorzitter indien die de afdeling administratie onder zijn verantwoordelijkheid heeft, kunnen dit aantal aanpassen naargelang de behoeften van de dienst, derwijze dat ten allen tijde de in artikel 20, § 3, bepaalde termijn wordt nageleefd.
  De eerste voorzitter of de voorzitter indien die de afdeling administratie onder zijn verantwoordelijkheid heeft, bepaalt maandelijks de gemiddelde behandelingstermijn van de in de voorbije maand behandelde toelaatbaarheidsonderzoeken. Zodra blijkt dat deze gemiddelde behandelingstermijn de in artikel 20, § 3 bepaalde termijn het dubbele van de termijn overschrijdt neemt de eerste voorzitter of de voorzitter indien die de afdeling administratie onder zijn verantwoordelijkheid heeft, de nodige maatregelen om hieraan te remediëren totdat blijkt dat de hiervoor bepaalde maandelijkse behandelingstermijn de in artikel 20, § 3, eerste lid, bepaalde termijn opnieuw heeft bereikt.
  Inzonderheid kan hij aanvullende kamers instellen en alle dan wel enkele leden van de afdeling administratie aanwijzen die geheel of gedeeltelijk, bij voorrang, dan wel voor alle andere zaken, worden belast met de behandeling van de beroepen in de procedure van toelating tot de cassatievoorziening. De bevoegde korpschef brengt verslag uit over de toepassing van deze bepaling aan de Minister van Binnenlandse Zaken en aan de algemene vergadering van de Raad van State.
  De ambtsdragers die met toepassing van het derde lid zijn aangewezen, dienen niet te voldoen aan de anciënniteitsvoorwaarde gesteld in artikel 20, § 3.
  De afdeling administratie behandelt bij voorrang de beroepen tot cassatie, alsook de beroepen tot vernietiging waarvan het beroep doelloos is, of de beroepen waarin het auditoraat van oordeel is dat zij slechts korte debatten vereisen, of waarvan afstand wordt gedaan of die dienen van de rol te worden afgevoerd. ";
  2° in het vijfde lid, dat het achtste lid wordt, worden de woorden "de eerste voorzitter indien die de afdeling administratie onder zijn verantwoordelijkheid heeft" ingevoegd tussen de woorden "samengesteld uit" en de woorden "en uit leden".
Art. 45. A l'article 87 des mêmes lois, modifié par les lois du 4 août 1996, du 8 septembre 1997 et du 18 avril 2000, sont apportées les modifications suivantes :
  1° les alinéas 2 et 3 sont remplacés par les dispositions suivantes :
  " Six membres du Conseil au moins, à savoir trois néerlandophones et trois francophones, examinent en priorité l'admissibilité des recours en cassation visés à l'article 20. Le premier président ou le président, s'il est responsable de la section d'administration, peut adapter ce nombre en fonction des besoins du service, de sorte que le délai visé à l'article 20, § 3, soit toujours respecté.
  Le premier président ou le président, s'il est responsable de la section d'administration, détermine chaque mois le délai de traitement moyen des examens d'admissibilité traités dans le mois écoulé. Dès qu'il apparaît que ce délai de traitement moyen dépasse le double du délai visé à l'article 20, § 3, le premier président ou le président, s'il est responsable de la section d'administration, prend les mesures nécessaires pour y remédier, jusqu'à ce que le délai moyen de traitement précédemment déterminé respecte à nouveau le délai visé à l'article 20, § 3, alinéa 1er.
  En particulier, il peut constituer des chambres supplémentaires et désigner tous les membres ou certains membres de la section d'administration qui sont chargés, exclusivement ou partiellement, en priorité sur les autres matières, du traitement des recours dans la procédure d'admission au pourvoi en cassation. Le chef de corps compétent fait rapport au Ministre de l'Intérieur ainsi qu'à l'assemblée générale du Conseil d'Etat de l'application de cette disposition.
  Les titulaires de fonction désignés en application de l'alinéa 3, ne doivent pas satisfaire à la condition d'ancienneté prévue à l'article 20, § 3.
  La section d'administration traite en priorité les recours en cassation ainsi que les recours en annulation sans objet, pour lesquels l'Auditorat estime qu'ils n'appellent que des débats succincts, ou qui contiennent un désistement ou qui doivent être rayés du rôle. ";
  2° à l'alinéa 5, qui devient l'alinéa 8, les mots "par le premier président s'il est responsable de la section de législation" sont insérés entre les mots "composée" et les mots "de membres".
Art. 46. Artikel 89, eerste lid, gewijzigd bij wet van 6 mei 1982, wordt vervangen als volgt :
  " De afdeling administratie bestaat uit de kamervoorzitters en staatsraden die niet zijn aangewezen om deel uit te maken van de afdeling wetgeving. De eerste voorzitter of de voorzitter houdt volgens de behoefte van de dienst zitting in een kamer van de afdeling, in welk geval hij deze voorzit. ".
Art. 46. L'article 89, alinéa 1er, modifié par la loi du 6 mai 1982, est remplacé par la disposition suivante :
  " La section d'administration se compose des présidents de chambre et des conseillers d'Etat, qui ne sont pas désignés pour faire partie de la section de législation. Le premier président ou le président siège, selon la nécessité du service, dans une chambre de la section, qu'il préside. ".
Art. 47. Artikel 90 van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 4 augustus 1996 en 25 mei 1999, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 90. § 1. De kamers van de afdeling administratie houden zitting met drie leden.
  Zij houden evenwel zitting met één lid :
  1° voor vorderingen tot schorsing en tot het bevelen van voorlopige maatregelen;
  2° inzake beroepen tot nietigverklaring en cassatieberoepen waarbij toepassing wordt gegeven aan de artikelen 17, §§ 4bis en 4ter, 21, tweede lid of 26, of wanneer het beroep doelloos is, de afstand van het geding toe te wijzen is of de zaak van de rol af te voeren is, of wanneer verzoekschriften worden behandeld die enkel korte debatten met zich meebrengen.
  In afwijking van het eerste lid, kan de kamervoorzitter ambtshalve bevelen dat een zaak wordt verwezen naar een kamer met één lid wanneer de juridische moeilijkheid of het belang van de zaak zich hiertegen niet verzetten.
  In afwijking van het tweede lid, kan de kamervoorzitter, als de verzoeker daarom op een gemotiveerde wijze vraagt in zijn verzoekschrift of ambtshalve, bevelen dat een zaak wordt verwezen naar een kamer met drie leden wanneer de juridische moeilijkheid of het belang van de zaak dan wel bijzondere omstandigheden daartoe grond opleveren.
  § 2. Bij het artikel 20 bedoelde onderzoek van de toelaatbaarheid van het cassatieberoep wordt steeds zitting gehouden met één lid.
  Wanneer de houder van een mandaat van kamervoorzitter oordeelt dat, om de eenheid van de rechtspraak in de kamer te verzekeren, een zaak met drie rechters dient te worden behandeld, beveelt hij de verwijzing naar een kamer met drie leden.
  De houder van een mandaat van kamervoorzitter deelt onverwijld aan de eerste voorzitter of voorzitter naar gelang het geval, de zaken mee die, naar zijn mening, door de verenigde kamers van de afdeling administratie dienen te worden behandeld ten einde de eenheid van de rechtspraak te verzekeren. ".
Art. 47. L'article 90 des mêmes lois, modifié par les lois du 4 août 1996 et du 25 mai 1999, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 90. § 1er. Les chambres de la section d'administration siègent à trois membres.
  Elles siègent toutefois à un membre :
  1° sur les demandes de suspension et de mesures provisoires;
  2° en matière de recours en annulation ou de recours en cassation pour lesquels il est fait application des articles 17, §§ 4bis et 4ter, 21, alinéa 2 ou 26, ou lorsque le recours doit être déclaré sans objet, ou qui appelle un désistement ou doit être rayé du rôle, ou lorsqu'il s'agit du traitement de requêtes qui n'entraînent que des débats succincts.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le président de chambre peut d'office, ordonner le renvoi d'une affaire à une chambre composée d'un membre lorsque la complexité juridique ou l'intérêt de l'affaire ne s'y oppose pas.
  Par dérogation à l'alinéa 2, le président de chambre peut, si le requérant l'a demandé de manière motivée dans sa requête ou d'office, ordonner le renvoi d'une affaire à une chambre composée de trois membres lorsque la complexité juridique ou l'intérêt de l'affaire ou des circonstances spécifiques le requièrent.
  § 2. Lors de l'examen de l'admissibilité du recours en cassation visé à l'article 20, le siège est toujours constitué d'un seul membre.
  Lorsque le titulaire d'un mandat de président de chambre estime que, pour assurer l'unité de la jurisprudence dans la chambre, une cause doit être traitée par trois juges, il ordonne le renvoi à une chambre composée de trois membres.
  Afin d'assurer l'unité de la jurisprudence, le titulaire d'un mandat de président de chambre informe immédiatement le premier président ou le président selon le cas, des affaires qui, selon lui, doivent être traitées par les chambres réunies de la section d'administration. ".
Art. 48. In artikel 92 van dezelfde wetten, vervangen bij de wet van 4 augustus 1996 waarvan de beide leden § 1 vormen, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° In het eerste lid worden de woorden "De eerste voorzitter" vervangen door de woorden "de eerste voorzitter of de voorzitter";
  2° het volgende lid wordt tussen het eerste en het tweede lid ingevoegd :
  " Indien de eerste voorzitter en de voorzitter het niet nodig achten de algemene vergadering bijeen te roepen, dan licht de kamervoorzitter zijn kamer in over deze zaak. Indien de kamer, na beraadslaging, om bijeenroeping van de algemene vergadering verzoekt, is de eerste voorzitter of de voorzitter indien die de afdeling administratie tot zijn verantwoordelijkheid heeft, gehouden daarop in te gaan. ";
  3° het artikel wordt aangevuld met de volgende § :
  " § 2. Wanneer de eerste voorzitter of voorzitter, na het advies te hebben ingewonnen van het lid van de Raad dat belast is met het onderzoek naar de toelaatbaarheid van het cassatieberoep in de zin van artikel 20, oordeelt dat, om de eenheid van de rechtspraak te verzekeren, het onderzoek van de toelaatbaarheid van het cassatieberoep door de verenigde kamers van de afdeling administratie behandeld dient te worden, beveelt hij de verwijzing naar de verenigde kamers. Indien hij meent dat het belang van de zaak dit vereist, kan hij in afwijking van het voorgaande, beslissen de zaak te verwijzen naar de algemene vergadering van de afdeling administratie.
  Indien de eerste voorzitter en de voorzitter het niet nodig achten de verenigde kamers bijeen te roepen, dan licht de kamervoorzitter zijn kamer in over deze zaak. Indien de kamer, na beraadslaging, om bijeenroeping van de verenigde kamers verzoekt, is de eerste voorzitter of de voorzitter indien die de afdeling administratie tot zijn verantwoordelijkheid heeft, gehouden daarop in te gaan. ".
Art. 48. A l'article 92 des mêmes lois, remplacé par la loi du 4 août 1996, dont les deux alinéas forment le § 1er, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots "Le premier président" sont remplacés par les mots "le premier président ou le président";
  2° l'alinéa suivant est inséré entre le premier et le deuxième alinéa :
  " Si le premier président et le président n'estiment pas nécessaire de convoquer l'assemblée générale, le président de chambre informe la chambre de l'affaire. Si la chambre, après délibération, demande la convocation de l'assemblée générale, le premier président ou le président s'il est responsable de la section d'administration, est tenu d'y donner suite. ";
  3° l'article est complété par le § suivant :
  " § 2. Lorsque le premier président ou le président, après avoir pris l'avis du membre du Conseil chargé de l'examen de l'admissibilité du recours en cassation au sens de l'article 20, estime que cet examen doit, pour assurer l'unité de la jurisprudence, être traité par les chambres réunies de la section d'administration, il en ordonne le renvoi aux chambres réunies. S'il estime que l'intérêt de l'affaire l'exige, il peut décider, par dérogation à ce qui précède, de renvoyer l'affaire à l'assemblée générale de la section d'administration.
  Si le premier président et le président n'estiment pas nécessaire de convoquer les chambres réunies, le président de chambre informe la chambre de l'affaire. Si la chambre, après délibération, demande la convocation des chambres réunies, le premier président ou le président s'il est responsable de la section d'administration, est tenu d'y donner suite. ".
Art. 49. Artikel 93 van dezelfde wetten, vervangen bij de wet van 16 juni 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996, wordt opgeheven.
Art. 49. L'article 93 des mêmes lois, remplacé par la loi du 16 juin 1989 et modifié par la loi du 4 août 1996, est abrogé.
Art. 50. In dezelfde wetten wordt een artikel 95bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 95bis. § 1. Voor de samenstelling van de verenigde kamers van de afdeling administratie bedoeld in artikel 92, § 2, wijst de eerste voorzitter of de voorzitter indien die de afdeling administratie tot zijn bevoegdheid heeft, elk jaar twee kamers met verschillende taal aan die belast zijn met de behandeling van cassatieberoepen, waarvan de zes leden de verenigde kamers van de afdeling administratie vormen.
  § 2. De in artikel 92, § 2, bedoelde verenigde kamers van de afdeling administratie worden voorgezeten door de oudstbenoemde kamervoorzitter of bij ontstentenis van een kamervoorzitter door de oudstbenoemde onder de aanwezige staatsraden.
  Onverminderd het eerste lid kunnen de eerste voorzitter en de voorzitter indien die de afdeling administratie tot zijn bevoegdheid heeft deel nemen aan de verenigde kamers van de afdeling administratie. In dit geval bekleedt hij het voorzitterschap. ".
Art. 50. Un article 95bis, rédigé comme suit, est inséré dans les mêmes lois :
  " Art. 95bis. § 1er. En ce qui concerne la composition des chambres réunies de la section d'administration visée à l'article 92, § 2, le premier président ou le président, s'il est responsable de la section d'administration, désignent chaque année deux chambres de langues différentes chargées du traitement des recours en cassation et dont les six membres représentent ainsi les chambres réunies de la section d'administration.
  § 2. Les chambres réunies de la section d'administration, visée à l'article 92, § 2, sont présidées par le président de chambre le plus ancien ou, à défaut, par un président de chambre désigné par le président de chambre le plus ancien parmi les conseillers d'Etats présents.
  Sans préjudice de l'alinéa 1er, le premier président et le président, s'il est responsable de la section d'administration, peuvent participer aux chambres réunies de la section d'administration. Dans ce cas, il en prend la présidence. ".
Art. 51. Artikel 97, eerste lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij wet van 16 juni 1989, wordt opgeheven.
Art. 51. L'article 97, alinéa 1er, des mêmes lois, modifié par la loi du 16 juin 1989, est abrogé.
Art. 52. In artikel 102bis van dezelfde wetten, ingevoegd bij wet van 4 augustus 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "voor een hernieuwbare periode van drie jaar" vervangen door de woorden "voor een hernieuwbare periode van vijf jaar";
  2° in het tweede lid worden de woorden "niveau 1" vervangen door de woorden "niveau A";
  3° het derde lid wordt vervangen door de volgende leden :
  " De beheerder is als mandaathouder, onder gezag van de eerste voorzitter en de auditeur-generaal elk wat diens bevoegdheden betreft, belast met het administratieve beheer van de Raad van State en zijn infrastructuur, met uitsluiting van de bevoegdheden die krachtens artikel 77/1 toekomen aan de hoofdgriffier. Hij oefent eveneens, wat deze bevoegdheden betreft, het dagelijks beheer uit.
  Onverminderd artikel 102, kan de eerste voorzitter de door hem bepaalde bevoegdheden inzake administratief beheer van het personeel aan de beheerder opdragen. De beheerder pleegt overleg met de hoofdgriffier indien de in het derde lid bepaalde bevoegdheden een weerslag kunnen hebben op de bevoegdheden van de laatstgenoemde.
  De beheerder stelt jaarlijks een werkingsverslag op waarin hij inzonderheid verslag doet van de in het vorig lid bepaalde bevoegdheden, alsook van de weerslag die de evolutie van de werkvoorraad heeft op de aan de Raad van State ter beschikking gestelde middelen.
  Dit verslag bevat bovendien een uiteenzetting van alle maatregelen die een budgettaire impact kunnen hebben. Hij bezorgt dit verslag aan de eerste voorzitter en de auditeur-generaal die hieraan hun opmerkingen kunnen toevoegen. De eerste voorzitter zendt dit verslag vóór 1 oktober over aan de Minister van Binnenlandse Zaken. ";
  4° In het vierde lid, dat het zevende lid wordt, worden de woorden "De wedde van beheerder wordt vastgesteld in de schaal 15/1" vervangen door de woorden "De Koning bepaalt het pecuniair statuut van de beheerder. ".
Art. 52. A l'article 102bis, des mêmes lois, inséré par la loi du 4 août 1996, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa 1er, les mots "pour une période renouvelable de trois ans" sont remplacés par les mots "pour une période renouvelable de cinq ans";
  2° à l'alinéa 2, les mots "niveau 1" sont remplacés par les mots "niveau A";
  3° l'alinéa 3 est remplacé par les alinéas suivants :
  " L'administrateur est dans sa qualité de titulaire de mandat, sous l'autorité du premier président et de l'auditeur général, chacun en ce qui concerne ses compétences, chargé de la gestion administrative du Conseil d'Etat et de son infrastructure, à l'exclusion des compétences qui relèvent du greffier en chef, en vertu de l'article 77/1. Il en assure également, en ce qui concerne ces compétences, la gestion quotidienne.
  Sans préjudice de l'article 102, le premier président peut confier à l'administrateur les compétences qu'il a fixées en matière de gestion administrative du personnel. L'administrateur se concerte avec le greffier en chef si les compétences déterminées à l'alinéa 3 peuvent avoir des incidences sur les compétences de ce dernier.
  L'administrateur dresse annuellement un rapport d'activité dans lequel il fait notamment mention des compétences précédentes, ainsi que de l'impact de l'évolution de la charge de travail sur les moyens mis à la disposition du Conseil d'Etat.
  Ce rapport contient en outre un exposé de toutes les mesures pouvant avoir un impact budgétaire. Il transmet ce rapport au premier président et à l'auditeur général qui peuvent y ajouter leurs remarques. Le premier président transmet ce rapport au Ministre de l'Intérieur avant le 1er octobre. ";
  4° à l'alinéa 4, qui devient l'alinéa 7, les mots "Le traitement de l'administrateur est fixé dans l'échelle 15/1. " sont remplacés par les mots "Le Roi détermine le statut pécuniaire de l'administrateur. ".
Art. 53. In dezelfde wetten wordt een artikel 102ter ingevoegd, luidende :
  " Art. 102ter. De Koning benoemt, na advies van de algemene vergadering van de Raad van State, de auditeur-generaal en de beheerder, de houder van het adjunct-mandaat van stafdirecteur personeel en organisatie en de houder van het adjunct-mandaat van stafdirecteur budget en beheer, voor een hernieuwbare periode van vijf jaar, die aanvat en een einde neemt gelijktijdig met de periode van het mandaat van de beheerder.
  De mandaathouder kan zijn mandaat voortijdig ter beschikking stellen bij ter post aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken. Het mandaat wordt evenwel slechts beëindigd op het ogenblik dat de nieuwe stafdirecteur het mandaat opneemt, zonder dat deze termijn meer dan negen maanden mag bedragen te rekenen van de ontvangst van de terbeschikkingstelling. De termijn kan door de Koning, op gemotiveerd verzoek van betrokkene, worden ingekort. De duur van het mandaat van degene die wordt benoemd in het vroegtijdig opengevallen mandaat, is, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, beperkt tot de nog resterende duur van het mandaat dat voortijdig een einde nam.
  Niemand kan worden benoemd in het adjunct-mandaat van stafdirecteur personeel en organisatie of van stafdirecteur budget en beheer indien hij :
  1° niet de leeftijd van 27 jaar heeft bereikt;
  2° geen houder is van een diploma dat toegang verleent tot de betrekkingen van niveau A in de Rijksbesturen;
  3° niet het bewijs levert van een nuttige beroepservaring op het vlak van de functionele inhoud van het adjunct-mandaat.
  De houders van de adjunct-mandaten van stafdirecteur personeel en organisatie en van stafdirecteur budget en beheer oefenen hun bevoegdheden uit onder het gezag en de leiding van de beheerder.
  Onverminderd de bepalingen van deze wet zijn de bepalingen tot regeling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van de Ministeries van toepassing op de adjunct-mandaten van stafdirecteur personeel en organisatie en van stafdirecteur budget en beheer. De Koning bepaalt het geldelijk statuut van de houders van deze adjunct-mandaten. De houders van deze adjunct-mandaten moeten het bewijs leveren van de kennis van de andere taal, Nederlands of Frans, dan die van hun diploma. De stafdirecteur dient het bewijs te leveren een diploma te hebben behaald in een ander taal, Nederlands of Frans, dan die van de andere stafdirecteur. ".
Art. 53. Un article 102ter, rédigé comme suit, est inséré dans les mêmes lois :
  " Art. 102ter. Le Roi, sur avis de l'assemblée générale du Conseil d'Etat, de l'auditeur général et de l'administrateur, nomme le titulaire du mandat-adjoint de directeur d'encadrement du personnel et de l'organisation et le titulaire du mandat-adjoint de directeur d'encadrement du budget et de la gestion, pour une période de cinq ans renouvelable, qui coïncide avec le début et la fin de la période durant laquelle l'administrateur exerce son mandat.
  Avant l'expiration du terme, le titulaire du mandat peut mettre son mandat à disposition par lettre recommandée à la poste ou contre accusé de réception, adressée au Ministre de l'Intérieur. Il n'est toutefois mis fin au mandat qu'au moment où le nouveau directeur d'encadrement reprend le mandat sans que ce délai puisse excéder neuf mois à compter de la réception de la mise à disposition. Ce délai peut être réduit par le Roi sur demande motivée de l'intéressé. La durée du mandat de la personne qui est désignée directeur d'encadrement dans le mandat qui a pris fin anticipativement, par dérogation aux dispositions du 1er alinéa, est limitée à la durée restante du mandat qui a pris fin anticipativement.
  Personne ne peut être nommé titulaire du mandat-adjoint de directeur d'encadrement du personnel et de l'organisation ou titulaire du mandat-adjoint de directeur d'encadrement du budget et de la gestion s'il :
  1° n'a pas 27 ans accomplis;
  2° n'est pas titulaire d'un diplôme donnant accès aux emplois de niveau A dans les administrations de l'Etat;
  3° ne justifie pas d'une expérience utile dans le domaine du contenu fonctionnel du mandat adjoint.
  Les titulaires des mandats-adjoints de directeur d'encadrement du personnel et de l'organisation et de directeur d'encadrement du budget et de la gestion exercent leurs attributions sous l'autorité et la direction de l'administrateur.
  Sans préjudice des dispositions de la présente loi, les dispositions réglant le régime administratif et pécuniaire du personnel des ministères sont applicables aux titulaires des mandats-adjoints de directeur d'encadrement du personnel et de l'organisation et de directeur d'encadrement du budget et de la gestion. Le Roi détermine leur statut pécuniaire. Les titulaires des mandats-adjoints doivent justifier de la connaissance de la langue néerlandaise ou française, autre que celle de leur diplôme. Le directeur d'encadrement doit justifier l'obtention d'un diplôme dans une autre langue, néerlandaise ou française, que celui de l'autre directeur d'encadrement. ".
Art. 54. In dezelfde wetten wordt een artikel 104/1 ingevoegd, luidende :
  " Art. 104/1. De leden van de Raad van State, van het Auditoraat, van het Coördinatiebureau en van de griffie die door een zware en blijvende gebrekkigheid niet meer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen en niet om hun inrustestelling hebben verzocht, worden bij ter post aangetekende brief ambtshalve of op verzoek van de auditeur-generaal gewaarschuwd door de eerste voorzitter. Betreft het de eerste voorzitter, dan waarschuwt de auditeur-generaal. ".
Art. 54. Un article 104/1, rédigé comme suit, est inséré dans les mêmes lois :
  " Art. 104/1. Les membres du Conseil d'Etat, de l'Auditorat, du Bureau de Coordination et du greffe qui ne sont plus à mêmes de remplir leur fonction en raison d'une infirmité grave et permanente, et qui n'ont pas demandé leur retraite, sont avertis par lettre recommandée à la poste, soit d'office, soit à la demande de l'auditeur général, par le premier président. En ce qui concerne le premier président, l'avertissement est donné par l'auditeur général. ".
Art. 55. In dezelfde wetten wordt een artikel 104/2 ingevoegd, luidende :
  " Art. 104/2. Heeft het lid van de Raad van State, van het Auditoraat, van het Coördinatiebureau of van de griffie binnen een maand na de waarschuwing niet om zijn inrustestelling verzocht, dan komt de Raad van State in de raadkamer in algemene vergadering bijeen om, de auditeur-generaal of wanneer het die betreft, de adjunct-auditeur-generaal, gehoord, uitspraak te doen over de inrustestelling van betrokkene.
  Ten minste vijftien dagen voor de datum waarop de algemene vergadering is vastgesteld, wordt aan betrokkene kennis gegeven van de dag en het uur van de zitting waarop hij zal worden gehoord en wordt hij tegelijk verzocht zijn opmerkingen schriftelijk naar voren te brengen.
  Die kennisgeving en dat verzoek worden hem toegezonden bij aangetekende brief met ontvangstmelding. ".
Art. 55. Un article 104/2, rédigé comme suit, est inséré dans les mêmes lois :
  " Art. 104/2. Si, dans le mois de l'avertissement, le membre du Conseil d'Etat, de l'Auditorat, du Bureau de Coordination ou du greffe n'a pas demandé sa retraite, le Conseil d'Etat se réunit en assemblée générale en chambre du conseil pour statuer, l'auditeur général ou, lorsqu'il s'agit de celui-ci, l'auditeur général adjoint entendu, sur la mise à la retraite de l'intéressé.
  Quinze jours au moins avant la date fixée pour l'assemblée générale, l'intéressé est informé du jour et de l'heure de la séance au cours de laquelle il sera entendu, et est invité par la même occasion à fournir ses observations par écrit.
  Cette information et cette demande lui sont envoyées par lettre recommandée avec accusé de réception. ".
Art. 56. In dezelfde wetten wordt een artikel 104/3 ingevoegd, luidende :
  " Art. 104/3. Van de beslissing wordt aan de betrokkene terstond kennis gegeven. Heeft deze zijn opmerkingen niet naar voren gebracht, dan gaat de beslissing eerst in kracht van gewijsde nadat daartegen binnen vijf dagen, te rekenen van de kennisgeving, niet in verzet is gekomen.
  Betrokkene kan geen verzet aantekenen in het geval waar hij door de algemene vergadering werd gehoord, maar geen schriftelijke opmerkingen heeft ingediend.
  Het verzet is slechts ontvankelijk zo dit geschiedt bij aangetekende brief. De akte van verzet bevat, op straffe van nietigheid, de middelen van de eiser in verzet.
  Wanneer de eiser in verzet een tweede maal verstek laat gaan, is een nieuw verzet niet meer ontvankelijk. ".
Art. 56. Un article 104/3, rédigé comme suit, est inséré dans les mêmes lois :
  " Art. 104/3. La décision est immédiatement notifiée à l'intéressé. Si celui-ci n'a pas formulé ses observations, la décision n'est passée en force de chose jugée que s'il n'a pas été formé opposition dans les cinq jours à dater de la notification.
  L'intéressé ne peut former opposition dans le cas où il a été entendu par l'assemblée générale mais n'a pas déposé d'observations écrites.
  L'opposition n'est recevable que si elle est introduite par lettre recommandée. L'acte d'opposition contient, sous peine de nullité, les moyens en opposition du requérant.
  Lorsque le demandeur en opposition fait défaut une deuxième fois, une nouvelle opposition n'est plus recevable. ".
Art. 57. In dezelfde wetten wordt een artikel 104/4 ingevoegd, luidende :
  " Art. 104/4. De beslissing gewezen op de opmerkingen van het betrokken lid van de Raad van State, van het Auditoraat, van het Coördinatiebureau of van de griffie, of op zijn verzet, is in laatste aanleg. ".
Art. 57. Un article 104/4, rédigé comme suit, est inséré dans les mêmes lois :
  " Art. 104/4. La décision rendue, soit sur les observations du membre concerné du Conseil d'Etat, de l'Auditorat, du Bureau de Coordination ou du greffe, ou sur son opposition, l'est en dernier ressort. ".
Art. 58. In dezelfde wetten wordt een artikel 104/5 ingevoegd, luidende :
  " Art. 104/5. De kennisgevingen worden gedaan door de hoofdgriffier, die daarvan bij proces-verbaal moet doen blijken. ".
Art. 58. Un article 104/5, rédigé comme suit, est inséré dans les mêmes lois :
  " Art. 104/5. Les notifications sont faites par le greffier en chef qui est tenu de les consigner par un procès-verbal. ".
Art. 59. In dezelfde wetten wordt een artikel 104/6 ingevoegd, luidende :
  " Art. 104/6. De beslissing bedoeld in artikel 104/4 wordt aan de Minister van Binnenlandse Zaken toegezonden binnen vijftien dagen nadat zij in kracht van gewijsde is gegaan. ".
Art. 59. Un article 104/6, rédigé comme suit, est inséré dans les mêmes lois :
  " Art. 104/6. La décision visée à l'article 104/4 est envoyée au Ministre de l'Intérieur dans les quinze jours après qu'elle est passée en force de chose jugée. ".
Art. 60. Artikel 105 van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 17 oktober 1990, wordt aangevuld met het volgende lid :
  " Voor de toepassing van artikel 8, § 1, tweede en vierde lid, van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en de kerkelijke pensioenen worden de in artikel 74/1 bedoelde aanwijzingen gelijkgesteld met vaste benoemingen. ".
Art. 60. L'article 105 des mêmes lois, modifié par la loi du 17 octobre 1990, est complété par l'alinéa suivant :
  " Pour l'application de l'article 8, § 1, alinéas 2 et 4, de la loi générale du 21 juillet 1844 sur les pensions civiles et ecclésiastiques, les désignations visées à l'article 74/1 sont assimilées à des nominations définitives. ".
Art. 61. Artikel 111 van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 24 maart 1994, wordt aangevuld met de volgende leden :
  " De houder van een mandaat bedoeld in artikel 74/1, tweede lid, kan niet worden gedetacheerd. De houder van een mandaat bedoeld in artikel 74/1, derde lid, kan worden gedetacheerd voor een beperkte periode die de termijn van één jaar niet mag overschrijden.
  Indien de beheerder een ambtsdrager is, geschiedt in afwijking van het tweede lid, de detachering voor de duur van het mandaat van beheerder.
  De aanwijzing van een ambtsdrager bij de Raad van State voor een mandaat bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overeenkomstig de bepalingen gesteld in de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, houdt van rechtswege de detachering in van de betrokken ambtsdrager voor de duur van het mandaat. Bij hernieuwing van het mandaat wordt deze detachering van rechtswege verlengd voor de duur van de hernieuwing. In afwijking van het vierde lid, eerste zin, genieten zij de wedde met inbegrip van de vergoedingen en verhogingen en weddebijslagen die aan het uitgeoefende mandaat zijn verbonden. ".
Art. 61. L'article 111 des mêmes lois, modifié par la loi du 24 mars 1994, est complété par les alinéas suivants :
  " Le titulaire d'un mandat visé à l'article 74/1, alinéa 2, ne peut être détaché. Le titulaire d'un mandat visé à l'article 74/1, alinéa 3, peut être détaché pour une période limitée qui ne peut excéder le délai d'un an.
  Si l'administrateur est titulaire de fonction, le détachement est effectué, par dérogation à l'alinéa 2, pour la durée du mandat de l'administrateur.
  La désignation d'un titulaire d'une fonction auprès du Conseil d'Etat à un mandat au Conseil du contentieux des étrangers, conformément aux dispositions prévues dans la loi du 15 décembre 1980 relative à l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, implique de plein droit le détachement du titulaire de fonction concerne pour la durée du mandat. En cas de renouvellement du mandat, ce détachement est reconduit de plein droit pour la durée du renouvellement. Par dérogation a l'alinéa 4, première phrase, ils jouissent du traitement, y compris, les indemnités et les augmentations et les compléments de salaire qui sont attachés au mandat exercé. ".
Art. 62. In artikel 112 van dezelfde wetten worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "De ambtsdragers bij de Raad van State kunnen" vervangen door de woorden "Met uitsluiting van de houders van een mandaat van korpschef bedoeld in artikel 74/1, kunnen de ambtsdragers bij de Raad van State";
  2° het artikel wordt aangevuld met het volgende lid :
  " In afwijking van het vierde lid, blijven de ambtsdragers bij de Raad van State die bij supranationale of internationale instellingen zijn gedetacheerd om er niet-bezoldigde functies uit te oefenen waardoor ze niet langer hun ambt bij de Raad van State kunnen waarnemen, de wedde ontvangen die aan hun ambt bij de Raad van State verbonden is. Artikel 111bis is op hen van toepassing. ".
Art. 62. A l'article 112, des mêmes lois, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots "les titulaires d'une fonction du Conseil d'Etat peuvent" sont remplacés par les mots "à l'exception des titulaires d'un mandat de chef de corps visés à l'article 74/1, les titulaires d'une fonction du Conseil d'Etat peuvent";
  2° l'article est complété par l'alinéa suivant :
  " Par dérogation à l'alinéa 4, les titulaires d'une fonction au Conseil d'Etat, détachés auprès d'institutions supranationales ou internationales pour exercer des fonctions non rémunérées ne leur permettant plus de s'acquitter de leurs fonctions au Conseil d'Etat, continuent à percevoir le traitement attaché a ces fonctions. L'article 111bis leur est applicable. ".
Art. 63. In artikel 113 van dezelfde wetten, gewijzigd bij wet van 6 mei 1982, wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd :
  " Alle ambtsdragers die voor een mandaat zijn aangewezen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overeenkomstig de bepalingen gesteld in de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kunnen niettegenstaande het in artikel 69 bepaalde aantal plaatsen worden vervangen. ".
Art. 63. A l'article 113 des mêmes lois, modifié par la loi du 6 mai 1982, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
  " Tous les titulaires de fonction désignés pour un mandat auprès du Conseil du Contentieux des étrangers conformément aux dispositions prévues dans la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, peuvent, nonobstant le nombre de places fixé à l'article 69, être remplacés. ".
Art. 64. In artikel 118 van dezelfde wetten worden de woorden "het Ministerie van Binnenlandse Zaken" vervangen door de woorden "de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken".
Art. 64. A l'article 118 des mêmes lois, les mots "du Ministère de l'Intérieur" sont remplacés pars les mots "du Service Public Fédéral Intérieur".
Art. 65. In artikel 120 van dezelfde wetten worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt opgeheven;
  2° in het tweede lid wordt het woord "Zij" vervangen door de woorden "De algemene vergadering van de Raad van State".
Art. 65. A l'article 120 des mêmes lois, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 1er est abrogé;
  2° dans l'alinéa 2, le mot "Elle" est remplacé par les mots "L'assemblée générale du Conseil d'Etat".
Art. 66. Het opschrift van titel VIII van dezelfde wetten wordt vervangen als volgt :
  " TITEL VIII. - DIVERSE BEPALINGEN".
Art. 66. L'intitulé du titre VIII des mêmes lois est remplacé par l'intitulé suivant :
  " TITRE VIII. - DISPOSITIONS DIVERSES".
Art. 67. Dezelfde wetten worden aangevuld met een artikel 121, luidende :
  " Art. 121. De Raad van State publiceert ieder gerechtelijk jaar een beknopt overzicht van de toepassing gedurende het voorbije gerechtelijke jaar van de toelaatbaarheidsprocedure bedoeld in artikel 20. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de vorm en de voorwaarden bepalen waaronder deze publicatie geschiedt. ".
Art. 67. Les mêmes lois sont complétées par un article 121, rédigé comme suit :
  " Art. 121. Le Conseil d'Etat publie, chaque année judiciaire, un aperçu succinct de l'application au cours de l'année judiciaire écoulée, de la procédure d'admissibilité visée a l'article 20. Le Roi peut, par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, déterminer la forme et les conditions de cette publication. ".
Art. 68. Dezelfde wetten worden aangevuld met een Titel IX met als opschrift :
  " TITEL IX. - MAATREGELEN TOT HET WEGWERKEN VAN DE GERECHTELIJKE ACHTERSTAND".
Art. 68. Les mêmes lois sont complétées par un Titre IX, intitulé comme suit :
  " TITEL IX. - MESURES EN VUE DE RESORBER LE RETARD JUDICIAIRE".
Art. 69. Dezelfde wetten worden aangevuld met een artikel 122, luidende :
  " Art. 122. § 1. Ten einde de achterstand in de afdeling administratie weg te werken, wordt het in artikel 69, 1° bepaalde cijfer van respectievelijk 44 tot 50 en van 28 tot 34 verhoogd, zijnde met drie staatsraden per taalrol.
  Deze ambtsdragers worden bij voorrang belast met de medewerking aan de wegwerking in de afdeling administratie van de achterstand in de rechtsdomeinen waarin de achterstand het grootst is en die door de eerste voorzitter of de voorzitter indien die de afdeling administratie tot zijn bevoegdheid heeft, worden aangewezen na overleg met de betrokken kamervoorzitters en in overeenstemming met het plan tot inhaling van de achterstand bedoeld in het vierde lid. Onverminderd de mogelijke toepassing van artikel 86, tweede lid, wijst de eerste voorzitter of de voorzitter indien die de afdeling administratie tot zijn bevoegdheid heeft deze ambtsdragers toe aan één of meer kamers in functie van de achterstand in deze kamers.
  De in het eerste lid bedoelde ambten worden vacant verklaard na goedkeuring door de Minister van Binnenlandse Zaken van een door de eerste voorzitter en in nauw overleg met de voorzitter opgesteld "plan tot inhaling van de achterstand". Dit plan bevat op concrete wijze hoe de in het eerste lid bedoelde ambtsdragers worden aangewend ter wegwerking van de achterstand in de rechtsbedeling bij de Raad van State.
  De in het eerste lid bedoelde tijdelijke verhoging houdt van rechtswege op te bestaan de laatste dag van het derde volledige gerechtelijke jaar na de installatie van de in het eerste lid bedoelde staatsraden. Deze maatregel kan eenmalig voor een periode van twee gerechtelijke jaren worden verlengd door de Koning na goedkeuring van een nieuw of aangepast "plan tot inhaling van de achterstand".
  § 2. De eerste voorzitter of voorzitter indien die de afdeling administratie tot zijn bevoegdheid heeft doen in hun jaarlijks werkingsverslag, verslag over de aanwending van de op grond van deze bepaling verhoogd aantal staatsraden en de vooruitgang in de wegwerking van de achterstand in de afdeling administratie.
  § 3. Zij aan wie met toepassing van dit artikel een ambt wordt begeven van staatsraad, worden in het ambt benoemd. Zij bezetten vanaf de datum bedoeld in § 1, vierde lid, het ambt in overtal. Van rechtswege bezetten zij de in artikel 69, 1°, bedoelde plaatsen naargelang zij vrijkomen en voor zover zij het bewijs leveren van de talenkennis die voor het bekleden van de vrijgekomen plaats vereist is.
  In functie van de noden van de dienst wijst de eerste voorzitter, in overleg met de voorzitter, de in overtal benoemde staatsraden aan voor de duur die hij bepaalt in een kamer in een van beide afdelingen van de Raad van State. Hij maakt hiervan melding in het in artikel 74/6 bepaalde werkingsverslag. ".
Art. 69. Les mêmes lois sont complétées par un article 122, rédigé comme suit :
  " Art. 122. § 1er. Afin de pouvoir résorber le retard dans la section d'administration, le chiffre fixé à l'article 69, 1°, est porté respectivement de 44 à 50 et de 28 à 34, soit augmenté de trois conseillers d'état par rôle linguistique.
  Ces titulaires de fonction sont prioritairement chargés de contribuer à la résorption du retard de la section d'administration dans les domaines juridiques où l'arriéré est le plus important et qui sont désignés par le premier président ou le président, s'il est responsable de la section administration, après concertation avec les présidents des chambres concernés et conformément au plan de résorption de l'arriéré visé à l'alinéa 4. Sans préjudice de l'application éventuelle de l'article 86, alinéa 2, le premier président ou le président, s'il est responsable de la section d'administration, affecte ces titulaires de fonction à une ou plusieurs chambres en fonction du retard dans ces chambres.
  Les fonctions visées à l'alinéa 1er, sont déclarées vacantes après l'approbation par le Ministre de l'Intérieur d'un "plan de résorption de l'arriéré" établi par le premier président en étroite concertation avec le président. Ce plan précise de manière concrète la manière dont les titulaires de fonction visés à l'alinéa 1er sont mis à l'oeuvre en vue de la résorption de l'arriéré dans le contentieux du Conseil d'Etat.
  Il est mis fin, de plein droit, à l'augmentation temporaire visée à l'alinéa 1er le dernier jour de la troisième année judiciaire complète suivant l'installation des conseillers visés à l'alinéa 1er. Cette mesure peut être reconduite par le Roi une seule fois, pour une période de deux années judiciaires, après approbation d'un "plan de résorption de l'arriéré" nouveau ou adapté.
  § 2. Le premier président ou le président, s'il est responsable de la section d'administration, font, dans leur rapport d'activité annuel, rapport sur la mise en oeuvre du nombre supplémentaire de conseillers visé dans cette disposition et du progrès accompli dans la résorption de l'arriéré dans la section d'administration.
  § 3. Les titulaires de la fonction de conseiller d'Etat, conférée par application de cet article, sont nommés dans la fonction. Ils occupent la fonction en surnombre à compter de la date visée au § 1er, alinéa 4. Ils accèdent de plein droit aux emplois vises à l'article 69, 1°, lorsque ceux-ci sont vacants, pour autant qu'ils démontrent la connaissance linguistique requise pour occuper l'emploi devenu vacant.
  En fonction des nécessités du service, le premier président désigne, en concertation avec le président, les conseillers d'Etat en surnombre pour la durée qu'il détermine dans une chambre d'une des deux sections du Conseil d'Etat. Il en fait mention dans le rapport d'activité prévu à l'article 74/6. ".
Art. 70. Dezelfde wetten worden aangevuld met een artikel 123, luidende :
  " Art. 123. § 1. Teneinde de achterstand in de afdeling administratie weg te werken, wordt het in artikel 69, 2° bepaalde cijfer van 64 tot 70 verhoogd, zijnde met drie eerste auditeurs, auditeurs of adjunct-auditeurs per taalrol.
  Deze ambtsdragers nemen bij voorrang deel aan het onderzoek in de afdeling administratie en worden belast met de medewerking aan de wegwerking in de afdeling administratie van de achterstand in de rechtsdomeinen waarin de achterstand het grootst is en die door de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal elk wat zijn bevoegdheid betreft, worden aangewezen na overleg met de betrokken eerste auditeurs-afdelingshoofden en in overeenstemming met het plan tot inhaling van de achterstand bedoeld in het derde lid.
  De in het eerste lid bedoelde ambten worden vacant verklaard na goedkeuring door de Minister van Binnenlandse Zaken van een door de auditeur-generaal en de adjunct-auditeur-generaal, ieder wat zijn bevoegdheden betreft, opgesteld "plan tot inhaling van de achterstand". Dit plan bevat op concrete wijze hoe de in het eerste lid bedoelde ambtsdragers worden aangewend ter wegwerking van de achterstand in de rechtsbedeling bij de Raad van State.
  De in het eerste lid bedoelde tijdelijke verhoging houdt van rechtswege op te bestaan de laatste dag van het derde volledige gerechtelijke jaar na de installatie van de in het eerste lid bedoelde leden van het auditoraat. Deze maatregel kan eenmalig voor een periode van twee gerechtelijke jaren worden verlengd door de Koning na goedkeuring van een nieuw of aangepast "plan tot inhaling van de achterstand".
  § 2. De auditeur-generaal en de adjunct-auditeur-generaal doen in hun jaarlijks werkingsverslag, verslag over de aanwending van de op grond van deze bepaling verhoogd aantal leden van het auditoraat en de vooruitgang in de wegwerking van de achterstand in de afdeling administratie.
  § 3. De ambtsdragers bedoeld in paragraaf 1 laatste lid bezetten het ambt in overtal. Zij aan wie met toepassing van dit artikel een ambt wordt toebedeeld van lid van het auditoraat, worden in het ambt benoemd. Zij bezetten in overtal vanaf de datum bedoeld in § 1, vierde lid. Van rechtswege bezetten zij de in artikel 69, 2°, bedoelde plaatsen naargelang deze vrijkomen en voor zover zij het bewijs leveren van de talenkennis die voor het bekleden van de vrijgekomen plaats vereist is.
  In functie van de noden van de dienst wijst de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal ieder wat hem betreft, de in overtal benoemde griffiers aan voor de duur die hij bepaalt in een kamer in een van beide afdelingen van de Raad van State. Hij maakt hiervan melding in het in artikel 74/6 bepaalde werkingsverslag. ".
Art. 70. Les mêmes lois sont complétées par un article 123, rédigé comme suit :
  " Art. 123. § 1er. Afin de pouvoir résorber le retard dans la section d'administration, le chiffre fixé à l'article 69, 2°, est porté de 64 à 70, soit augmenté de trois premiers auditeurs, auditeurs ou auditeurs adjoints par rôle linguistique.
  Ces titulaires de fonction participent prioritairement à l'instruction dans la section d'administration et sont chargés de contribuer à la résorption du retard de cette section dans les domaines juridiques où l'arriéré est le plus important et qui sont désignés par l'auditeur général ou l'auditeur général adjoint, chacun en ce qui concerne ses compétences, après concertation avec les premiers auditeurs-chefs de section concernés et conformément au plan de résorption de l'arriéré visé à l'alinéa 3.
  Les fonctions visées à l'alinéa 1er, sont déclarées vacantes après l'approbation par le Ministre de l'Intérieur d'un "plan de résorption de l'arriéré" établi par l'auditeur général et l'auditeur général adjoint, chacun en ce qui concerne ses compétences. Ce plan précise de manière concrète la manière dont les titulaires visés à l'alinéa 1er sont mis à l'oeuvre en vue de la résorption de l'arriéré dans le contentieux du Conseil d'Etat.
  Il est mis fin, de plein droit, à l'augmentation temporaire visée à l'alinéa 1er le dernier jour de la troisième année judiciaire complète suivant l'installation des membres de l'auditorat visés à l'alinéa 1er. Cette mesure peut être utilisée une seule fois pour une période de deux années judiciaires et reconduite par le Roi après approbation d'un "plan de résorption de l'arriéré" nouveau ou adapté.
  § 2. L'auditeur général ou l'auditeur général adjoint, font, dans leur rapport d'activités annuel, rapport sur la mise en oeuvre du nombre supplémentaire de membres de l'auditorat sur la base de cette disposition et du progrès accompli dans la résorption de l'arriéré dans la section d'administration.
  § 3. Les titulaires visés au paragraphe 1er, dernier alinéa, occupent la fonction en surnombre. Ceux à qui, conformément à cet article, une fonction de membre de l'auditorat est accordée, sont nommés dans la fonction. Ils occupent la fonction en surnombre à compter de la date visée au § 1er, alinéa 4. Ils accèdent de plein droit aux emplois visés à l'article 69, 2°, lorsque ceux-ci sont vacants, pour autant qu'ils apportent la preuve de la connaissance linguistique requise pour occuper l'emploi devenu vacant.
  En fonction des nécessités de service, l'auditeur général ou l'auditeur général adjoint, chacun en ce qui le concerne, désigne les greffiers nommés en surnombre pour la durée qu'il détermine dans une chambre d'une des deux sections du Conseil d'Etat. Il en fait mention dans le rapport d'activités prévu à l'article 74/6. ".
Art. 71. Dezelfde wetten worden aangevuld met een artikel 124, luidende :
  " Art. 124. § 1. Teneinde de achterstand in de afdeling administratie weg te werken, wordt het in artikel 69, 4° bepaalde cijfer van 25 tot 31 verhoogd, zijnde met drie griffiers per taalrol.
  De in het eerste lid bedoelde ambten worden vacant verklaard na goedkeuring door de Minister van Binnenlandse Zaken van het in artikel 61, § 1, derde lid vermelde "plan tot inhaling van de achterstand".
  De in het eerste lid bedoelde tijdelijke verhoging houdt van rechtswege op te bestaan de laatste dag van het derde volledige gerechtelijke jaar na de installatie van de in het eerste lid bedoelde griffiers. Deze maatregel kan eenmalig voor een periode van twee gerechtelijke jaren worden verlengd door de Koning na goedkeuring van een nieuw of aangepast "plan tot inhaling van de achterstand".
  § 2. Zij aan wie met toepassing van dit artikel een ambt wordt begeven van griffier, worden in het ambt benoemd. Zij bezetten vanaf de datum bedoeld in § 1, derde lid, het ambt in overtal. Van rechtswege bezetten zij de in artikel 69, 4°, bedoelde plaatsen naargelang zij vrijkomen en voor zover zij het bewijs leveren van de talenkennis die voor het bekleden van de vrijgekomen plaats vereist is.
  In functie van de noden van de dienst wijst de eerste voorzitter, in overleg met de voorzitter, de in overtal benoemde griffiers aan voor de duur die hij bepaalt in een kamer in een van beide afdelingen van de Raad van State. Hij maakt hiervan melding in het in artikel 74/6 bepaalde werkingsverslag. ".
Art. 71. Les mêmes lois sont complétées par un article 124, rédigé comme suit :
  " Art. 124. § 1er. Afin de pouvoir résorber le retard dans la section d'administration, le chiffre fixé à l'article 69, 4°, est porté de 25 à 31, soit augmenté de trois greffiers par rôle linguistique.
  Les fonctions visées a l'alinéa 1er, sont déclarées vacantes après l'approbation par le Ministre de l'Intérieur d'un "plan de résorption de l'arriéré" conformément à l'article 61, § 1er, alinéa 3.
  Il est mis fin, de plein droit, à l'augmentation temporaire visée à l'alinéa 1er le dernier jour de la troisième année judiciaire complète suivant l'installation des greffiers visés au premier alinéa. Cette mesure peut être reconduite par le Roi une seule fois, pour une période de deux années judiciaires, après approbation d'un "plan de résorption de l'arriéré" nouveau ou adapté.
  § 2. Les titulaires de la fonction de greffier, conférée par application de cet article, sont nommés dans la fonction. Ils occupent la fonction en surnombre à compter de la date visée au § 1er, alinéa 3. Ils accèdent de plein droit aux emplois visés à l'article 69, 4°, lorsque ceux-ci sont vacants, pour autant qu'ils démontrent la connaissance linguistique requise pour occuper l'emploi devenu vacant.
  En fonction des nécessités du service, le premier président désigne en concertation avec le président les greffiers en surnombre pour la durée qu'il détermine dans une chambre d'une des deux sections du Conseil d'Etat. Il en fait mention dans le rapport d'activité prévu à l'article 74/6. ".
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van de wet van 31 maart 1898 op de beroepsverenigingen.
CHAPITRE III. - Modifications de la loi du 31 mars 1898 sur les unions professionnelles.
Art. 72. In artikel 6 van de wet van 31 maart 1898 op de beroepsverenigingen, gewijzigd bij het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid en de inleidende zin van het tweede lid worden vervangen als volgt :
  " De statuten en de bijlagen worden ingediend bij de Minister die Middenstand onder zijn bevoegdheid heeft, die aan de directie van het Belgisch Staatsblad met het oog op de bekendmaking een akte toestuurt waarin wordt vermeld :
  ";
  2° in het vierde lid, dat het derde lid wordt, worden de woorden "de bekrachtiging" vervangen door de woorden "de toezending van de in het eerste lid bedoelde akte";
  3° het vijfde lid, dat het vierde lid wordt, wordt vervangen als volgt :
  " De vorm waarin en de voorwaarden waaronder de in het eerste lid bedoelde akte wordt bekendgemaakt en de statuten worden ingediend, worden vastgesteld bij koninklijk besluit. ";
  4° in het zesde lid, dat het vijfde lid wordt, worden de woorden "voorzien bij alinea 2 van dit artikel" vervangen door de woorden "bedoeld in het eerste lid".
Art. 72. A l'article 6 de la loi du 31 mars 1898 sur les unions professionnelles, modifié par l'arrêté du Régent du 23 août 1948, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 1er et la phrase liminaire de l'alinéa 2 sont remplacés par la disposition suivante :
  " Les statuts et leurs annexes sont déposés auprès du Ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions, lequel communique à la direction du Moniteur belge, aux fins de sa publication, un acte dans lequel il est fait mention :
  ";
  2° dans l'alinéa 4, qui devient l'alinéa 3, les mots "l'entérinement" sont remplacés par les mots "la transmission de l'acte visé à l'alinéa 1er";
  3° l'alinéa 5, qui devient l'alinéa 4, est remplacé par la disposition suivante :
  " La forme et les conditions de publication de l'acte visé à l'alinéa 1er et du dépôt des statuts sont déterminées par arrêté royal. ";
  4° dans l'alinéa 6, qui devient l'alinéa 5, les mots "à l'alinéa 2 du présent article" sont remplacés par les mots "à l'alinéa 1er".
Art. 73. In artikel 7 van dezelfde wet dient het woord "bekrachtigd" geschrapt te worden.
Art. 73. A l'article 7 de la même loi, le mot ", entérinés" est supprimé.
Art. 74. Artikel 8, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij besluit van de Regent van 23 augustus 1948, wordt opgeheven.
Art. 74. L'article 8, alinéa 2, de la même loi, inséré par l'arrêté du Régent du 23 août 1948, est abrogé.
Art. 75. In artikel 15, vierde lid, van dezelfde wet, worden de woorden "ter griffie van de Raad van State" vervangen door de woorden "bij de Minister die de Middenstand onder zijn bevoegdheid heeft".
Art. 75. Dans l'article 15, alinéa 4, de la même loi, les mots "au greffe du Conseil d'Etat" sont remplacés par les mots "auprès du Ministre qui a les Classes Moyennes dans ses attributions".
Art. 76. In artikel 16, derde lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij besluit van de Regent van 23 augustus 1948, wordt de tweede zin opgeheven.
Art. 76. A l'article 16, alinéa 3 de la même loi, modifiée par l'arrêté du Régent du 23 août 1948, la deuxième phrase est supprimée.
HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
CHAPITRE IV. - Modifications de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
Art. 77. In de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt na artikel 39, een titel Ibis ingevoegd, met het volgende opschrift :
  " Titel Ibis. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen".
Art. 77. Il est inséré dans la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, après l'article 39, un titre Ibis, intitulé comme suit :
  " Titre Ibis. Le Conseil du Contentieux des étrangers".
Art. 78. In titel Ibis van dezelfde wet wordt een hoofdstuk 1 ingevoegd, met het volgende opschrift :
  " Hoofdstuk 1. Instelling en rechtsmacht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen".
Art. 78. Dans le titre Ibis de la même loi, il est inséré un chapitre 1er, intitulé comme suit :
  " Chapitre 1er. Institution et juridiction du Conseil du Contentieux des étrangers".
Art. 79. In dezelfde wet wordt een artikel 39/1 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/1. § 1. Er is een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, verder "De Raad" genoemd.
  De Raad is een administratief rechtscollege en is als enige bevoegd om kennis te nemen van de beroepen die worden ingesteld tegen individuele beslissingen genomen met toepassing van de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
  § 2. De Koning bepaalt de zetel van de Raad die is gevestigd op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  De noodzakelijke kredieten voor de werking van de Raad worden ingeschreven op de begroting van Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken. ".
Art. 79. Un article 39/1, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/1. § 1er. Il est institué un Conseil du Contentieux des étrangers, appelé ci-après "Le Conseil".
  Le Conseil est une juridiction administrative, seule compétente pour connaître des recours introduits à l'encontre de décisions individuelles prises en application des lois sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
  § 2. Le Roi fixe le siège du Conseil qui se trouve sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale.
  Les crédits nécessaires au fonctionnement du Conseil sont inscrits au budget du Service Public Fédéral Intérieur. ".
Art. 80. In dezelfde wet wordt een artikel 39/2 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/2. § 1. De Raad doet uitspraak, bij wijze van arresten, op de beroepen die zijn ingesteld tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen.
  De Raad kan :
  1° de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bevestigen of hervormen;
  2° de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vernietigen hetzij omdat aan de bestreden beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die door de Raad niet kan worden hersteld, hetzij omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad niet kan komen tot de in 1° bedoelde bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moetenbevelen.
  In afwijking van het tweede lid, staat tegen de in artikel 57/6, eerste lid, 2° bedoelde beslissing enkel het in § 2 bepaalde annulatieberoep open.
  § 2. De Raad doet uitspraak, bij wijze van arresten als annulatierechter over de overige beroepen wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht. ".
Art. 80. Un article 39/2, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/2. § 1er. Le Conseil statue, par voie d'arrêts, sur les recours introduits à l'encontre des décisions du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides.
  Le Conseil peut :
  1° confirmer ou réformer la décision attaquée du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides;
  2° annuler la décision attaquée du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides soit pour la raison que la décision attaquée est entachée d'une irrégularité substantielle qui ne saurait être réparée par le Conseil, soit parce qu'il manque des éléments essentiels qui impliquent que le Conseil ne peut conclure à la confirmation ou à la réformation visée au 1° sans qu'il soit procédé à des mesures d'instruction complémentaires.
  Par dérogation à l'alinéa 2, la décision visée à l'article 57/6, alinéa 1er, 2° n'est susceptible que d'un recours en annulation visé au § 2.
  § 2. Le Conseil statue en annulation, par voie d'arrêts, sur les autres recours pour violation des formes soit substantielles, soit prescrites à peine de nullité, excès ou détournement de pouvoir. ".
Art. 81. In dezelfde wet wordt een artikel 39/3 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/3. Jaarlijks wordt door de Raad een activiteitenverslag van het voorbije gerechtelijk jaar opgemaakt en bekendgemaakt. Dit verslag bevat onder meer een overzicht van de stand van zaken die aanhangig zijn. ".
Art. 81. Un article 39/3, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/3. Le Conseil rédige et publie annuellement un rapport d'activité de l'année judiciaire précédente. Ce rapport comporte entre autres un aperçu des dossiers pendants. ".
Art. 82. In Titel Ibis van dezelfde wet worden een hoofdstuk 2 en een afdeling I ingevoegd, met het volgende opschrift :
  " Hoofdstuk 2. De inrichting van de Raad
  Afdeling I. - De samenstelling van de Raad".
Art. 82. Dans le Titre Ibis, de la même loi, il est inséré un chapitre 2 et une section Ire, intitulés comme suit :
  " Chapitre 2. De l'organisation du Conseil
Art. 83. In dezelfde wet wordt een artikel 39/4 ingevoegd luidende :
Section Ire. La composition du Conseil".
Art. 84. In dezelfde wet wordt een artikel 39/5 ingevoegd luidende als volgt :
  " Art. 39/5. De mandaten bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen omvatten het mandaat van korpschef en de adjunct-mandaten.
  Oefent het mandaat uit van korpschef, de titularis van het mandaat van eerste voorzitter.
  Oefenen het adjunct-mandaat uit, de titularissen van de mandaten van voorzitter, kamervoorzitter, hoofdgriffier. ".
Art. 83. Un article 39/4, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/4. Le Conseil est composé de trente-deux membres, à savoir un premier président, un président, quatre présidents de chambre et vingt-six juges au contentieux des étrangers.
  Le Conseil comporte un greffe, qui est tenu par un greffier en chef, assisté de huit greffiers.
  Au Conseil, il y a un administrateur et du personnel administratif. ".
Art. 85. In dezelfde wet wordt een artikel 39/6 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/6. § 1. De eerste voorzitter oefent het mandaat van korpschef uit. Hij staat in voor het opmaken van een beleidsplan.
  De eerste voorzitter verdeelt, in nauw overleg met de voorzitter, de taken en de werkzaamheden tussen de voorzitter en hemzelf volgens hetgeen is bepaald in zijn beleidsplan.
  De aanwijzing van de in artikel 39/4 bepaalde personen en de verdeling van de ter beschikking staande middelen geschiedt door de eerste voorzitter volgens zijn beleidsplan, doch in nauw overleg met de voorzitter.
  De voorzitter oefent een mandaat uit. Hij vervangt de eerste voorzitter wanneer die verhinderd is. De voorzitter zit de kamer voor waarvan hij deel uitmaakt en oefent ter zake alle bevoegdheden van een houder van een mandaat van kamervoorzitter uit.
  Bij achterstand in de behandeling van zaken, geeft de eerste voorzitter aan een of meer kamers opdracht om de vijftien dagen of om de tijdspanne die hij bepaalt, buiten de gewone zittingen een bijkomende zitting te houden. Achterstand bestaat zodra de in artikel 39/76, § 3 en artikel 39/77, § 2 bepaalde termijn is overschreden.
  Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de eerste voorzitter een deel van de aan een kamer toegewezen zaken onder de andere kamers verdelen.
  De eerste voorzitter en de voorzitter waken er over dat de eenheid van de rechtspraak wordt gevrijwaard en nemen de nodige maatregelen om hierin te voorzien.
  § 2. De eerste voorzitter bepaalt de samenstelling van de kamers.
  De kamers worden voorgezeten door een kamervoorzitter of door de voorzitter wat zijn kamer betreft. Bij zijn ontstentenis wordt het voorzitterschap waargenomen door het, naar rang van eedaflegging, oudste aanwezige lid van de Raad. De eerste voorzitter houdt volgens de behoeften van de dienst zitting in de kamers in welk geval hij deze voorzit.
  § 3. De kamervoorzitter oefent een mandaat uit. Hij neemt de leiding van en is belast met de organisatie van de kamer. Hij brengt hierover geregeld verslag uit bij de eerste voorzitter of voorzitter naar gelang het geval.
  De kamervoorzitter waakt er over dat de eenheid van de rechtspraak wordt gevrijwaard en neemt de nodige maatregelen om hierin te voorzien.
  Wanneer hij oordeelt dat, om de eenheid van de rechtspraak in de kamer te verzekeren, een zaak met drie rechters dient te worden behandeld, beveelt hij de verwijzing naar een aldus samengestelde zetel.
  Hij deelt onverwijld aan de eerste voorzitter en voorzitter de zaken mee die, naar zijn mening, door de algemene vergadering dienen te worden behandeld teneinde de eenheid van de rechtspraak te verzekeren. ".
Art. 84. Un article 39/5, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/5. Le mandat de chef de corps et les mandats adjoints forment les mandats au Conseil du Contentieux des Etrangers.
  Le titulaire du mandat de premier président exerce le mandat de chef de corps.
  Les titulaires du mandat de président, président de chambre, greffier en chef exercent le mandat adjoint. ".
Art. 86. In dezelfde wet wordt een artikel 39/7 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/7. De hoofdgriffier is belast met de leiding van de griffie en staat daarbij onder leiding en toezicht van de eerste voorzitter. De eerste voorzitter wijst, in nauw overleg met de voorzitter en na advies van de hoofdgriffier en de betrokken kamervoorzitter, de leden van de griffie aan die de kamervoorzitter bijstaan. ".
Art. 85. Un article 39/6, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/6. § 1er. Le premier président exerce le mandat de chef de corps. Il est chargé de l'élaboration du plan de gestion.
  Le premier président répartit, en étroite concertation avec le président, les tâches et activités entre le président et lui-même en fonction de son plan de gestion.
  Le premier président désigne les personnes visées à l'article 39/4 et répartit les moyens disponibles conformément à son plan de gestion et en étroite concertation avec le président.
  Le président exerce un mandat. Il remplace le premier président lorsque celui-ci est empêché. Le président préside la chambre dont il fait partie et exerce toutes les compétences du titulaire du mandat de président de chambre.
  En cas d'arriéré dans le traitement des affaires, le premier président donne instruction à une ou plusieurs chambres de tenir en dehors des séances ordinaires, une séance extraordinaire dans les quinze jours ou dans la période qu'il détermine. Il y a arriéré lorsque le délai fixé à l'article 39/76, § 3 et à l'article 39/77, § 2 est dépassé.
  Lorsque les besoins du service le justifient, le premier président peut répartir une partie des affaires attribuées à une chambre, parmi les autres chambres.
  Le premier président et le président veillent à préserver l'unité de la jurisprudence et prennent les mesures nécessaires à cet effet.
  § 2. Le premier président détermine la composition des chambres.
  Les chambres sont présidées par un président de chambre ou le président en ce qui concerne sa chambre. En cas d'absence, la présidence est exercée par le membre du Conseil présent le plus ancien en fonction de l'ordre de prestation de serment. Le premier président siège dans les chambres selon les besoins du service, auquel cas ils les préside.
  § 3. Le président de chambre exerce un mandat. Il est chargé de l'organisation de la chambre et prend sa direction. Il en fait régulièrement rapport au premier président ou au président, selon le cas.
  Le président de chambre veille à la préservation de l'unité de la jurisprudence et prend les mesures nécessaires à cet effet.
  Lorsqu'il estime que, afin d'assurer l'unité de jurisprudence dans la chambre, une affaire doit être traitée par trois juges, il ordonne le renvoi à un tel siège.
  Il communique sans délai au premier président et au président les affaires qui, selon lui, doivent être traitées par l'assemblée générale afin d'assurer l'unité de la jurisprudence. ".
Art. 87. In dezelfde wet wordt een artikel 39/8 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/8. De beheerder is, onder het gezag en leiding van de eerste voorzitter, belast met het administratieve beheer van de Raad en zijn infrastructuur, met uitsluiting van de bevoegdheden die krachtens artikel 39/7 toekomen aan de hoofdgriffier. Hij oefent eveneens, wat deze bevoegdheden betreft, het dagelijks beheer uit. Onverminderd deze bevoegdheid kan de eerste voorzitter de door hem bepaalde bevoegdheden inzake het administratief beheer van het personeel aan hem opdragen.
  De beheerder pleegt overleg met de hoofdgriffier indien de in het eerste lid bepaalde bevoegdheden een weerslag kunnen hebben op de bevoegdheden van de laatstgenoemde.
  De beheerder stelt jaarlijks een werkingsverslag op waarin hij inzonderheid verslag doet van de in het tweede lid bepaalde bevoegdheden, alsook van de weerslag die de evolutie van de werkvoorraad heeft op de aan de Raad ter beschikking gestelde middelen. Dit verslag bevat bovendien een uiteenzetting van alle maatregelen die een budgettaire impact kunnen hebben. Hij bezorgt dit verslag aan de eerste voorzitter en de voorzitter die hieraan hun opmerkingen kunnen toevoegen. De eerste voorzitter zendt dit verslag vóór 1 oktober over aan de Minister. ".
Art. 86. Un article 39/7, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/7. Le greffier en chef est chargé de la direction du greffe et est placé sous la direction et le contrôle du premier président. Le premier président désigne, en étroite concertation avec le président et après avis du greffier en chef et du président de chambre concerné, les membres du greffe qui assistent le président de chambre. ".
Art. 88. In Titel Ibis, hoofdstuk 2, van dezelfde wet wordt een afdeling II ingevoegd, met het volgende opschrift :
  " Afdeling II. - De kamers".
Art. 87. Un article 39/8, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/8. Sous l'autorité et la direction du premier président, l'administrateur est chargé de la gestion administrative du Conseil et de son infrastructure, à l'exception des compétences qui incombent au greffier en chef en vertu de l'article 39/7. Il en assure également, en ce qui concerne ces compétences, la gestion quotidienne. Sans préjudice de cette compétence, le premier président peut lui confier les compétences qu'il a déterminées en matière de gestion administrative du personnel.
  L'administrateur se concerte avec le greffier en chef lorsque les compétences déterminées dans l'alinéa 1er peuvent avoir une incidence sur les compétences de ce dernier.
  L'administrateur dresse annuellement un rapport d'activité dans lequel il fait notamment rapport sur les compétences déterminées à l'alinéa 2, ainsi que sur l'impact de l'évolution de la charge de travail sur les moyens mis à la disposition du Conseil. Ce rapport contient en outre un exposé de toutes les mesures qui peuvent avoir un impact budgétaire. Il transmet ce rapport au premier président et au président qui peuvent y ajouter leurs remarques. Le premier président transmet ce rapport au Ministre avant le 1er octobre. ".
Art. 89. In dezelfde wet wordt een artikel 39/9 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/9. § 1. Er zijn in de Raad zes kamers, waarvan één wordt voorgezeten door de voorzitter, twee kennis nemen van de zaken in het Nederlands, twee van de zaken in het Frans en één van de tweetalige zaken.
  De eerste voorzitter kan aanvullende kamers samenstellen indien het aantal ingediende zaken dit vereist.
  De Nederlandstalige kamers, samengesteld uit leden die bewijzen het Nederlands machtig te zijn, nemen kennis van alle zaken die in het Nederlands moeten worden behandeld. De Franstalige kamers, samengesteld uit leden die bewijzen het Frans machtig te zijn, nemen kennis van alle zaken die in het Frans moeten worden behandeld. De tweetalige kamer, samengesteld uit leden die bewijzen het Nederlands en het Frans machtig te zijn, neemt kennis van de zaken die artikel 39/15 haar speciaal opdraagt.
  De kamer van de voorzitter, die bestaat uit leden die het bewijs leveren dat zij het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten hebben afgelegd in dezelfde taal, Nederlands of Frans, als de voorzitter neemt kennis van de zaken die in de taal van zijn diploma moeten worden behandeld.
  Elke kamer bestaat uit ten minste drie leden.
  De eerste voorzitter wijst de leden aan die deel uitmaken van de tweetalige kamer, na nauw overleg met de voorzitter.
  In de kamer die op grond van het in § 2 bepaalde reglement van orde kennis neemt van zaken in het Duits, houdt een rechter zitting die overeenkomstig het artikel 39/21, § 3, het bewijs levert van een voldoende kennis van het Duits.
  § 2. Het reglement van orde dat door de algemene vergadering wordt vastgesteld en door de Koning wordt goedgekeurd, bepaalt inzonderheid de bevoegdheid van elke kamer en het aantal rechters in vreemdelingenzaken dat er aan verbonden is. Het bepaalt tevens welke kamer kennis neemt van zaken in het Duits of van tweetalige zaken alsook hun samenstelling.
  Het reglement ligt ter inzage op de griffie en wordt bekendgemaakt op de wijze bepaald door de Koning. ".
Art. 88. Dans le Titre Ibis, chapitre 2, de la même loi, il est inséré une section II, intitulée comme suit :
  " Section II. - Les chambres".
Art. 90. In dezelfde wet wordt een artikel 39/10 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/10. De kamers houden zitting met één lid.
  Zij houden evenwel zitting met drie leden :
  1° in de zaken die aan de tweetalige kamer zijn opgedragen;
  2° wanneer de Raad geroepen wordt om zaken die na cassatie verwezen zijn, te berechten;
  3° wanneer de kamervoorzitter om de eenheid van rechtspraak te verzekeren, toepassing maakt van artikel 39/6, § 3, derde lid.
  De kamervoorzitter kan, als de verzoeker daarom op gemotiveerde wijze vraagt in zijn verzoekschrift of ambtshalve, bevelen dat een zaak wordt verwezen naar een kamer met drie leden wanneer de juridische moeilijkheid of het belang van de zaak dan wel bijzondere omstandigheden daartoe grond opleveren. ".
Art. 89. Un article 39/9, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/9. § 1er. Le Conseil est composé de six chambres dont une est présidée par le président, deux prennent connaissance des affaires en langue néerlandaise, deux des affaires en langue française et une des affaires bilingues.
  Le premier président peut composer des chambres supplémentaires si le nombre d'affaires introduites le requiert.
  Les chambres francophones, composées de membres justifiant de la connaissance de la langue française, prennent connaissance de toutes les affaires qui doivent être traitées en français. Les chambres néerlandophones, composées de membres justifiant de la connaissance de la langue néerlandaise, ont connaissance de toutes les affaires qui doivent être traitées en néerlandais. La chambre bilingue, composée de membres justifiant de la connaissance des langues française et néerlandaise, prend connaissance des affaires que l'article 39/15 lui confie en particulier.
  La chambre du président, composée de membres qui apportent la preuve qu'ils ont passé l'examen de docteur, de licencié ou de master en droit dans la même langue que le président, soit le français ou le néerlandais, prend connaissance des affaires qui doivent être traitées dans la langue de son diplôme.
  Chaque chambre est composée d'au moins trois membres.
  Après étroite concertation avec le président, le premier président désigne les membres qui composent la chambre bilingue.
  Dans la chambre qui, sur la base du règlement d'ordre visé au § 2, prend connaissance des affaires en allemand, siège un juge qui, conformément à l'article 39/21, § 3, fournit la preuve d'une connaissance suffisante de l'allemand.
  § 2. Le règlement d'ordre fixé par l'assemblée générale et approuvé par le Roi, détermine notamment la compétence de chaque chambre et le nombre de juges au contentieux des étrangers qui y est attaché. Il détermine également la chambre qui a connaissance des affaires en langue allemande ou des affaires bilingues ainsi que sa composition.
  Le règlement peut être consulté au greffe et est publié selon le mode déterminé par le Roi. ".
Art. 91. In Titel Ibis, hoofdstuk 2, van dezelfde wet wordt een afdeling III ingevoegd, met het volgende opschrift :
  " Afdeling III. - De algemene vergadering".
Art. 90. Un article 39/10, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/10. Les chambres siègent à un seul membre.
  Toutefois, elles siègent à trois membres :
  1° dans les affaires qui sont attribuées à la chambre bilingue;
  2° lorsque le Conseil est appelé a se prononcer sur des affaires renvoyées après cassation;
  3° lorsque le président de chambre, afin d'assurer l'unité de jurisprudence, fait application de l'article 39/6, § 3, alinéa 3.
  Le président de chambre peut, lorsque le requérant le demande de manière motivée dans sa requête ou d'office, ordonner que l'affaire soit attribuée à une chambre siégeant à trois membres lorsque la difficulté juridique, l'importance de l'affaire ou des circonstances particulières le requièrent. ".
Art. 92. In dezelfde wet wordt een artikel 39/11 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/11. De algemene vergadering van de Raad is samengesteld uit de leden van de Raad dewelke zijn vermeld in artikel 39/4, eerste lid.
  De algemene vergadering wordt voorgezeten door de eerste voorzitter of, bij ontstentenis, door de voorzitter. Bij ontstentenis van beiden wordt het voorzitterschap waargenomen door de oudst aangewezen kamervoorzitter of, in voorkomend geval, door de oudstbenoemde onder de aanwezige rechters in vreemdelingenzaken.
  Met uitzondering van de zittingen bedoeld in 39/12, woont de beheerder de algemene vergaderingen bij telkens wanneer onderwerpen met betrekking tot zijn bevoegdheden op de agenda voorkomen. Wat deze onderwerpen betreft, heeft hij adviserende stem. ".
Art. 91. Dans le Titre Ibis, chapitre 2, de la même loi, il est inséré une section III, intitulée comme suit :
  " Section III. - L'assemblée générale".
Art. 93. In dezelfde wet wordt een artikel 39/12 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/12. Wanneer de eerste voorzitter of de voorzitter, na het advies te hebben ingewonnen van de rechter in vreemdelingenzaken belast met het ter terechtzitting te geven verslag, oordeelt dat, om de eenheid van de rechtspraak te verzekeren, een zaak door de algemene vergadering behandeld dient te worden, beveelt hij de verwijzing naar deze vergadering.
  Indien de eerste voorzitter en de voorzitter het niet nodig achten de algemene vergadering bijeen te roepen, dan licht de kamervoorzitter zijn kamer in. Indien de kamer, na beraadslaging, om bijeenroeping van de algemene vergadering verzoekt, is de eerste voorzitter gehouden daarop in te gaan.
  De algemene vergadering houdt in dit geval terechtzitting in even getal en met ten minste zes leden, de voorzitter daaronder begrepen.
  Ze bestaat uit een gelijk aantal leden van de Raad die door hun diploma bewezen hebben dat zij het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten enerzijds in het Nederlands en anderzijds in het Frans hebben afgelegd.
  Bij staking van stemmen is de stem van degene die de algemene vergadering voorzit beslissend. ".
Art. 92. Un article 39/11, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/11. L'assemblée générale du Conseil est composée des membres du Conseil cités à l'article 39/4, alinéa 1er.
  L'assemblée générale est présidée par le premier président ou, en cas d'absence, par le président. S'ils sont tous deux absents, la présidence est exercée par le président de chambre présentant le plus d'ancienneté, ou, le cas échéant, par le juge au contentieux des étrangers présent, qui présente le plus d'ancienneté.
  A l'exception des audiences visées à l'article 39/12, l'administrateur assiste aux assemblées générales chaque fois que des sujets ayant trait à ses compétences figurent à l'ordre du jour. En ce qui concerne ces sujets, il a une voix consultative. ".
Art. 94. In Titel Ibis, hoofdstuk 2, van dezelfde wet, worden een afdeling IV en een onderafdeling 1 ingevoegd met het volgende opschrift :
  " Afdeling IV. - Het taalgebruik
  Onderafdeling 1. - Gebruik van de talen in de diensten van de Raad".
Art. 93. Un article 39/12, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/12. Lorsque le premier président ou le président, après avoir recueilli l'avis du juge au contentieux des étrangers chargé du rapport d'audience, estime que, pour garantir l'unité de la jurisprudence, une affaire doit être traitée par l'assemblée générale, il en ordonne le renvoi vers cette assemblée.
  Si le président et le premier président n'estiment pas nécessaire de convoquer l'assemblée générale, le président de chambre en informe la chambre. Si la chambre, après délibération, demande la convocation de assemblée générale, le premier président est tenu d'y donner suite.
  L'assemblée générale tient dans ce cas une audience en nombre pair et avec au moins six membres, y compris le président.
  Elle est composée d'un nombre égal de membres du Conseil qui ont apporté la preuve par leur diplôme qu'ils ont passé l'examen de docteur, licencié ou master en droit d'une part, en langue française, d'autre part, en langue néerlandaise.
  En cas de parité de voix, la voix de celui qui préside l'assemblée générale est prépondérante. ".
Art. 95. In dezelfde wet wordt een artikel 39/13 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/13. De administratieve werkzaamheden van de Raad en de organisatie van zijn diensten zijn onderworpen aan de bepalingen van de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken, die gelden voor de diensten waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt. ".
Art. 94. Dans le Titre Ibis, chapitre 2, de la même loi, il est inséré une section IV et une sous-section 1re, intitulées comme suit :
  " Section IV. - L'emploi des langues
  Sous-section 1re. - L'emploi des langues dans les services du Conseil".
Art. 96. In Titel Ibis, hoofdstuk 2, afdeling IV, van dezelfde wet, wordt een onderafdeling 2 ingevoegd met het volgende opschrift :
  " Onderafdeling 2. - Gebruik van de talen door de organen van de Raad betrokken bij de rechtspleging".
Art. 95. Un article 39/13, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/13. Les activités administratives du Conseil et l'organisation de ses services sont régies par les dispositions de la législation sur l'emploi des langues en matière administrative qui sont applicables aux services dont l'activité s'étend à tout le pays. ".
Art. 97. In dezelfde wet wordt een artikel 39/14 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/14. Behoudens wanneer de taal van de procedure is bepaald overeenkomstig artikel 51/4, worden de beroepen behandeld in de taal die de diensten waarvan de werking het ganse land bestrijkt krachtens de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken, moeten gebruiken in hun binnendiensten.
  Indien die wetgeving het gebruik van een bepaalde taal niet voorschrijft, geschiedt de behandeling in de taal van de akte waarbij de zaak bij de Raad werd ingediend. ".
Art. 96. Dans le Titre Ibis, chapitre 2, section IV, de la même loi, il est inséré une sous-section 2, intitulée comme suit :
  " Sous-section 2. - L'emploi des langues par les organes du Conseil concernés par la procédure".
Art. 98. In dezelfde wet wordt een artikel 39/15 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/15. Naar de tweetalige kamer bedoeld bij artikel 39/9, § 1, worden de verknochte zaken verwezen waarvan de behandeling in een verschillend taalstelsel moet geschieden.
  Wanneer de zaak naar de tweetalige kamer wordt verwezen, moeten de geschreven akten uitgaande van de organen van de Raad in het Nederlands en in het Frans gesteld zijn. De uitspraken worden in die twee talen verleend. ".
Art. 97. Un article 39/14, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/14. A moins que la langue de la procédure ne soit déterminée conformément à l'article 51/4, les recours sont traités dans la langue dont la législation sur l'emploi des langues en matière administrative impose l'emploi dans leurs services intérieurs aux services dont l'activité s'étend à tout le pays.
  Si cette législation n'impose pas l'emploi d'une langue déterminée, l'affaire sera traitée dans la langue de l'acte par lequel elle a été introduite devant le Conseil. ".
Art. 99. In Titel Ibis, hoofdstuk 2, afdeling IV, van dezelfde wet, wordt een onderafdeling 3 ingevoegd met het volgende opschrift :
  " Onderafdeling 3. - Gebruik van de talen door de partijen die voor de Raad verschijnen".
Art. 98. Un article 39/15, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/15. Sont dévolues a la chambre bilingue visée à l'article 39/9, § 1er, les affaires connexes dont l'une requiert pour la traiter une langue différente de celle qui est requise pour les autres.
  Lorsque l'affaire est dévolue à la chambre bilingue, les actes écrits émanant des organes du Conseil doivent être établis en langue française et en langue néerlandaise. Les décisions sont rendues dans ces deux langues. ".
Art. 100. In dezelfde wet wordt een artikel 39/16 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/16. De partijen die onderworpen zijn aan de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gebruiken voor hun akten en verklaringen de taal welke hun opgelegd is door die wetgeving in hun binnendiensten. ".
Art. 99. Dans le Titre Ibis, chapitre 2, section IV, de la même loi, il est inséré une sous-section 3, intitulée comme suit :
  " Sous-section 3. - L'emploi des langues par les parties qui comparaissent devant le Conseil".
Art. 101. In dezelfde wet wordt een artikel 39/17 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/17. Nietig is ieder verzoekschrift dat en iedere memorie die door een aan de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken onderworpen partij aan de Raad is gericht in een andere taal dan die haar bij die wetgeving is opgelegd.
  De nietigheid wordt ambtshalve uitgesproken.
  De nietige akte stuit echter de termijnen van de verjaring en van de procedure; deze termijnen lopen niet gedurende de instantie. ".
Art. 100. Un article 39/16, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/16. Les parties soumises à la législation sur l'emploi des langues en matière administrative font usage dans leurs actes et déclarations de la langue dont l'emploi leur est imposé par cette législation dans leurs services intérieurs. ".
Art. 102. In dezelfde wet wordt een artikel 39/18 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/18. De partijen die niet onderworpen zijn aan de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken, mogen voor hun akten en verklaringen de taal gebruiken welke zij verkiezen.
  Zo nodig, en inzonderheid op verzoek van een der partijen, wordt beroep gedaan op een vertaler; de kosten van vertaling zijn ten laste van de Staat.
  In afwijking van het eerste lid, moet op straffe van niet-ontvankelijkheid, de kandidaat-vluchteling het verzoekschrift en de overige procedurestukken indienen in de taal die is bepaald bij het indienen van de asielaanvraag overeenkomstig artikel 51/4. ".
Art. 101. Un article 39/17, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/17. Sont nuls, toute requête et tout mémoire adressés au Conseil par une partie soumise à la législation sur l'emploi des langues en matière administrative dans une autre langue que celle dont l'emploi lui est imposé par cette législation.
  La nullité est prononcée d'office.
  Toutefois, l'acte frappé de nullité interrompt les délais de prescription et de procédure; ces délais ne courent pas durant l'instance. ".
Art. 103. In Titel Ibis van dezelfde wet worden een hoofdstuk 3 en een afdeling I ingevoegd met het volgende opschrift :
  " Hoofdstuk 3. - Het ambt
  Afdeling I. - De benoemingsvoorwaarden voor de leden van de Raad en van de griffie".
Art. 102. Un article 39/18, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/18. Les parties qui ne sont pas soumises à la législation sur l'emploi des langues en matière administrative peuvent établir leurs actes et déclarations dans la langue de leur choix.
  Au besoin et notamment à la demande de l'une des parties, il est fait appel à un traducteur; les frais de traduction sont à charge de l'Etat.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le candidat réfugié doit, sous peine d'irrecevabilité, introduire la requête et les autres pièces de procédure dans la langue déterminée au moment de l'introduction de la demande d'asile conformément à l'article 51/4. ".
Art. 104. In dezelfde wet wordt een artikel 39/19 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/19. § 1. De rechters in vreemdelingenzaken worden door de Koning benoemd uit een uitdrukkelijk gemotiveerde lijst met drie namen, voorgedragen door de Raad, nadat hij de ontvankelijkheid van de kandidaturen heeft onderzocht en de respectieve aanspraken en verdiensten van de kandidaten heeft vergeleken.
  De algemene vergadering van de Raad kan een selectieproef organiseren waarvan zij de modaliteiten bepaalt. Zij beslist vooraf of er een reserve van geslaagden wordt aangelegd. De geldigheid van de wervingsreserve wordt bepaald op twee jaar.
  De algemene vergadering van de Raad hoort de kandidaten ambtshalve of op hun verzoek. Als een selectieproef wordt georganiseerd, dan wordt dit horen beperkt tot de geslaagde kandidaten. Zij kan daartoe ten minste drie van haar leden aanwijzen, die bij haar verslag uitbrengen over het horen van de kandidaten.
  De Raad deelt zijn voordracht alsook alle kandidaturen en de beoordeling hiervan mee aan de Minister.
  De kandidaat die door de algemene vergadering van de Raad eenparig als eerste is voorgedragen, kan tot rechter in vreemdelingenzaken worden benoemd, tenzij de Minister weigert omdat niet aan de in § 2 vastgestelde voorwaarden voldaan is.
  In geval van weigering van de Minister doet de algemene vergadering van de Raad een nieuwe voordracht.
  Indien er geen eenparigheid van stemmen is bij een voordracht, kan de rechter in vreemdelingenzaken enkel worden benoemd uit de personen die voorkomen op de voorgedragen lijst.
  De Minister maakt, op initiatief van de Raad, de vacante betrekkingen bekend in het Belgisch Staatsblad.
  In de bekendmaking worden het aantal vacante betrekkingen vermeld, de benoemingsvoorwaarden, de termijn voor het indienen van de kandidaturen, die ten minste een maand bedraagt en de overheid waaraan deze moeten worden gezonden.
  Iedere voordracht wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt; de benoeming mag niet vroeger dan vijftien dagen na die bekendmaking geschieden.
  § 2. Niemand kan tot rechter in vreemdelingenzaken worden benoemd tenzij hij Belg, volle vijfendertig jaar oud en doctor, licentiaat of master in de rechten is, en een nuttige juridische beroepservaring van tenminste 5 jaar kan doen gelden.
  § 3. Onverminderd de mogelijkheid tot ontslag wegens beroepsongeschiktheid bedoeld in artikel 39/29 worden de rechters in vreemdelingenzaken voor het leven benoemd.
  De eerste voorzitter en de voorzitter en de kamervoorzitters worden in deze functies aangewezen onder de voorwaarden en op de wijze bij deze wet bepaald. ".
Art. 103. Dans le Titre Ibis, de la même loi, il est inséré un chapitre 3 et une section Ire, intitulées comme suit :
  " Chapitre 3. - La fonction
  Section Ire. - Les conditions de nomination des membres du Conseil et du greffe".
Art. 105. In dezelfde wet wordt een artikel 39/20 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/20. De griffiers worden door de Koning benoemd uit twee lijsten van twee kandidaten, onderscheidenlijk voorgedragen door de algemene vergadering van de Raad en de hoofdgriffier.
  Niemand kan tot griffier worden benoemd tenzij hij :
  1° ten volle 25 jaar oud is;
  2° houder is van minimum een graad van niveau B;
  3° getuigt van ten minste vijf jaar nuttige ervaring.
  In afwijking van de in het tweede lid, 3/, bepaalde voorwaarden, kan de griffier die overeenkomstig artikel 39/21, § 3, het bewijs moet leveren van een voldoende kennis van de Duitse taal, worden benoemd indien hij :
  1° getuigt van ten minste één jaar nuttige ervaring;
  2° het bewijs kan leveren van een voldoende kennis van de Duitse taal. ".
Art. 104. Un article 39/19, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/19. § 1er. Les juges au contentieux des étrangers sont nommés par le Roi sur une liste de trois noms formellement motivée, présentée par le Conseil, après que celui-ci a examiné la recevabilité des candidatures et comparé les titres et mérites respectifs des candidats.
  L'assemblée générale du Conseil peut organiser une épreuve de sélection selon les modalités qu'elle détermine. Elle décide préalablement si une réserve de lauréats doit être constituée. La validité de la réserve de recrutement est fixée à deux ans.
  L'assemblée générale du Conseil entend les candidats d'office ou à leur demande. Si une épreuve de sélection est organisée, cette audition est limitée aux seuls lauréats. Elle peut, a cette fin, désigner au moins trois membres qui lui feront rapport sur l'audition de ces candidats.
  Le Conseil communique sa présentation ainsi que l'ensemble des candidatures et l'appréciation de celles-ci, au Ministre.
  Le candidat présenté en premier à l'unanimité par l'assemblée générale du Conseil, peut être nommé juge au contentieux des étrangers, sauf si le Ministre refuse cette présentation parce que les conditions fixées au § 2 ne sont pas respectées.
  En cas de refus du Ministre, l'assemblée générale du Conseil procède à une nouvelle présentation.
  En l'absence d'unanimité lors d'une présentation, le juge au contentieux des étrangers ne peut être nommé que parmi les personnes qui figurent sur la liste présentée.
  Le Ministre publie les vacances au Moniteur belge, à l'initiative du Conseil.
  La publication mentionne le nombre de places vacantes, les conditions de nomination, le délai d'introduction des candidatures, d'un mois au moins, et l'autorité à laquelle celles-ci doivent être adressées.
  Toute présentation est publiée au Moniteur belge; : il ne peut être procédé à la nomination que quinze jours après cette publication.
  § 2. Nul ne peut être nommé juge au contentieux des étrangers, s'il n'a trente-cinq ans accomplis, s'il n'est Belge, docteur, licencié ou master en droit, et s'il ne peut justifier d'une expérience professionnelle utile de nature juridique de cinq ans au moins.
  § 3. Sans préjudice de la possibilité de licenciement pour inaptitude professionnelle visée à l'article 39/29, les juges au contentieux des étrangers sont nommés à vie.
  Le premier président et le président et les présidents de chambre sont désignés dans ces fonctions sous les conditions et selon le mode déterminé par cette loi. ".
Art. 106. In dezelfde wet wordt een artikel 39/21 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/21. § 1. De voorzitter moet door zijn diploma het bewijs leveren dat hij het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten heeft afgelegd in de andere taal, Nederlands of Frans, dan die van de eerste voorzitter.
  De helft van de kamervoorzitters en de helft van de rechters in vreemdelingenzaken moeten door hun diploma het bewijs leveren dat zij het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten in het Nederlands hebben afgelegd; de andere helft van elke groep dat zij het in het Frans hebben afgelegd.
  De helft van de griffiers moeten behoren tot de Nederlandse taalrol, de andere helft tot de Franse taalrol.
  § 2. Ten minste drie leden van de Raad, de hoofdgriffier van de Raad en ten minste twee griffiers dienen het bewijs te leveren van de kennis van de andere taal dan die waarin hun diploma is gesteld. Bij het opleggen van de kennis van de andere taal dan die waarin het diploma gesteld is, dient er over te worden gewaakt dat niet allen tot dezelfde taalgroep behoren.
  Het bewijs van de kennis van de andere taal wordt geleverd overeenkomstig artikel 73, § 2, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
  De leden van de Raad, van de griffie, de beheerder, alsook de personeelsleden van de Raad kunnen dat bewijs ook leveren hetzij door te slagen in het in artikel 73, § 2, vijfde lid van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 bedoelde examen, hetzij door te slagen voor een bijzonder examen. Dat examen wordt afgelegd voor een commissie die wordt voorgezeten door een lid van de Raad. De Koning regelt de samenstelling van deze commissie, de organisatie van het examen en bepaalt de examenstof met inachtneming van de eigen behoeften van de werkzaamheden van de Raad. Dit examen wordt gelijkgesteld met het in artikel 73, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 bedoelde examen.
  § 3. Een rechter in vreemdelingenzaken en een lid van de griffie moeten bovendien het bewijs leveren van een voldoende kennis van de Duitse taal. Het bewijs van de kennis van deze taal wordt geleverd op de wijze bepaald in artikel 73 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, dan wel door te slagen voor een bijzonder examen dat overeenkomstig § 2, laatste lid is georganiseerd. Dit examen wordt gelijkgesteld met het in artikel 73, § 3, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 bedoelde examen. ".
  Indien geen griffier van de Raad voldoet aan artikel 39/20, derde lid, wordt dit ambt uitgeoefend door de griffier van de Raad van State die het bewijs levert van een voldoende kennis van de Duitse taal. Deze wordt aangewezen door de eerste voorzitter van de Raad van State die dit meedeelt aan de eerste voorzitter van de Raad. ".
Art. 105. Un article 39/20, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/20. Les greffiers sont nommés par le Roi sur deux listes de deux candidats, présentées respectivement par l'assemblée générale du Conseil et par le greffier en chef.
  Personne ne peut être nommé greffier s'il :
  1° n'a 25 ans accomplis;
  2° n'est titulaire d'un grade de niveau B au moins;
  3° ne fait la preuve d'une expérience utile de cinq ans au moins.
  Par dérogation à la condition fixée à l'alinéa 2, 3/, le greffier qui doit fournir, conformément à l'article 39/21, § 3, la preuve d'une connaissance suffisante de la langue allemande, peut être nommé s'il :
  1° a apporté la preuve d'au moins un an d'expérience utile;
  2° peut fournir la preuve d'une connaissance suffisante de la langue allemande. ".
Art. 107. In dezelfde wet wordt een artikel 39/22 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/22. De eerste voorzitter legt, in persoon of schriftelijk, in handen van de Eerste voorzitter van de Raad van State de eed af die voorgeschreven is bij het decreet van 20 juli 1831.
  De overige leden van de Raad en van de griffie leggen die eed af in handen van de eerste voorzitter. ".
Art. 106. Un article 39/21, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/21. § 1er. Le président doit justifier par son diplôme qu'il a passé l'examen de docteur, de licencié ou de master en droit dans la langue, française ou néerlandaise, autre que celle du premier président.
  La moitié des présidents de chambre et la moitié des juges au contentieux des étrangers doivent justifier, par leur diplôme, qu'ils ont passé l'examen de docteur, licencié ou master en droit en langue française : l'autre moitié de chaque groupe, en langue néerlandaise.
  La moitié des greffiers doivent appartenir au rôle linguistique français et l'autre moitie au rôle linguistique néerlandais.
  § 2. Trois membres du Conseil au moins, le greffier en chef du Conseil et deux greffiers au moins, doivent justifier de la connaissance de la langue autre que celle de leur diplôme. Lorsque la connaissance de la langue autre que celle du diplôme est imposée, il doit être veillé à ce qu'ils n'appartiennent pas tous au même rôle linguistique.
  La justification de la connaissance de cette langue est apportée conformément à l'article 73, § 2, alinéa 4, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973.
  Les membres du Conseil, du greffe, l'administrateur et les membres du personnel administratif du Conseil peuvent également fournir cette preuve soit en réussissant l'examen visé à l'article 73, § 2, alinéa 5, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, soit en réussissant un examen spécial. Cet examen est passé devant une commission qui est présidée par un membre du Conseil. Le Roi règle la composition de cette commission, l'organisation de l'examen et en détermine la matière en tenant compte des exigences propres des activités du Conseil. Cet examen est assimilé à l'examen visé à l'article 73, § 2, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973.
  § 3. Un juge au contentieux des étrangers et un membre du greffe doivent en outre justifier de la connaissance suffisante de la langue allemande. La preuve de la connaissance de cette langue est apportée selon le mode déterminé à l'article 73 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, ou en réussissant un examen spécial organisé conformément au § 2, dernier alinéa. Cet examen est assimilé a l'examen visé à l'article 73, § 3, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973. ".
  Lorsqu'aucun greffier du Conseil ne satisfait à ce qui est prévu dans l'article 39/20, alinéa 3, cette fonction est exercée par le greffier du Conseil d'Etat qui fournit la preuve d'une connaissance suffisante de la langue allemande. Ce dernier est désigné par le premier président du Conseil d'Etat, qui communique sa décision au premier président du Conseil. ".
Art. 108. In Titel Ibis, hoofdstuk 3 van dezelfde wet worden een afdeling II en een onderafdeling 1 ingevoegd met het volgende opschrift :
  " Afdeling II. - De aanwijzing en uitoefening van mandaten
  Onderafdeling 1. - De mandaten".
Art. 107. Un article 39/22, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/22. Le premier président prête entre les mains du Premier président du Conseil d'Etat, en personne ou par écrit, le serment prescrit par le décret du 20 juillet 1831.
  Les autres membres du Conseil et du greffe prêtent ce serment entre les mains du premier président. ".
Art. 109. In dezelfde wet wordt een artikel 39/23 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/23. § 1. De eerste voorzitter en voorzitter worden aangewezen uit de leden van de Raad die tenminste vijf jaar benoemd zijn als rechter in vreemdelingenzaken of uit de ambtsdragers van de Raad van State bedoeld in artikel 69, 1° tot 3°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, die ten minste vijf jaar benoemd zijn in voornoemde hoedanigheid.
  Op het ogenblik dat het mandaat van korpschef of het adjunct-mandaat van voorzitter daadwerkelijk openvalt moet de kandidaat ten minste vijf jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 39/38. Deze leeftijdsgrens geldt niet in het geval van een hernieuwing van het mandaat of van het adjunct-mandaat. "
  § 2. De kamervoorzitters worden aangewezen uit de leden van de Raad die tenminste drie jaar benoemd zijn als rechter in vreemdelingenzaken.
  Op het ogenblik dat het adjunct-mandaat daadwerkelijk openvalt moet de kandidaat ten minste drie jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 39/38. Deze leeftijdsgrens geldt niet in het geval van een hernieuwing van het adjunct-mandaat.
  § 3. De hoofdgriffier wordt aangewezen uit de griffiers van de Raad die tenminste drie jaar benoemd zijn als griffier of uit de griffiers van de Raad van State bedoeld in artikel 69, 4°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, die ten minste drie jaar benoemd zijn in voornoemde hoedanigheid.
  Op het ogenblik dat het adjunct-mandaat daadwerkelijk openvalt moet de kandidaat ten minste drie jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 39/38. Deze leeftijdsgrens geldt niet in het geval van een hernieuwing van het adjunct-mandaat. ".
Art. 108. Dans le Titre Ibis, chapitre 3, de la même loi, il est inséré une section II et une sous-section 1re, intitulées comme suit :
  " Section II. - La désignation et l'exercice des mandats
  Sous-section 1re. - Les mandats".
Art. 110. In Titel Ibis, hoofdstuk 3, afdeling II, van dezelfde wet, wordt een onderafdeling 2 ingevoegd met het volgende opschrift :
  " Onderafdeling 2. - Procedure van aanwijzing van mandaten".
Art. 109. Un article 39/23, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/23. § 1er. Le premier président et le président sont désignés parmi les membres du Conseil nommés depuis cinq ans au moins en tant que juge au contentieux des étrangers ou parmi les titulaires de fonction au Conseil d'Etat visés à l'article 69, 1° a 3°, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, nommés depuis cinq ans au moins dans la qualité précitée.
  Au moment de la vacance effective du mandat de chef de corps ou du mandat adjoint de président, le candidat doit avoir au moins cinq ans de moins que la limite d'âge visée à l'article 39/38. Cette limite d'âge ne s'applique pas en cas de renouvellement du mandat ou du mandat adjoint. "
  § 2. Les présidents de chambre sont désignés parmi les membres du Conseil nommés depuis trois ans au moins en tant que juge au contentieux des étrangers.
  Au moment de la vacance effective du mandat adjoint, le candidat doit avoir au moins trois ans de moins que la limite d'âge visée à l'article 39/38. Cette limite d'âge ne s'applique pas en cas de renouvellement du mandat adjoint.
  § 3. Le greffier en chef est désigné parmi les greffiers du Conseil nommés depuis trois ans au moins en tant que greffiers ou parmi les greffiers du Conseil d'Etat visés à l'article 69, 4°, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, nommés depuis trois ans au moins dans la qualité précitée.
  Au moment de la vacance effective du mandat adjoint, le candidat doit avoir au moins trois ans de moins que la limite d'âge visée à l'article 39/38. Cette limite d'âge ne s'applique pas en cas de renouvellement du mandat adjoint. ".
Art. 111. In dezelfde wet wordt een artikel 39/24 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/24. § 1. De titularis van het mandaat van korpschef en van het adjunct-mandaat van voorzitter wordt door de Koning aangewezen voor een mandaat van vijf jaar dat eenmaal kan worden hernieuwd.
  Na het verstrijken van elke periode van tien jaar wordt het ambt van korpschef en van voorzitter van rechtswege vacant verklaard. Op straffe van onontvankelijkheid kunnen uitsluitend hun kandidatuur indienen, de kandidaten die door hun diploma het bewijs leveren dat zij het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten hebben afgelegd in de andere taal, Nederlands of het Frans, dan die van naargelang het geval de vorige zittende korpschef of de voorzitter. De zittende korpschef of voorzitter kan meedingen voor het vacant verklaarde ambt van zijn taalrol.
  De eerste voorzitter en de voorzitter nemen hun mandaat dezelfde dag op. De in het tweede lid bedoelde periode van tien jaar gaat voor die mandaten op die dag in.
  § 2. Bij hun kandidaatstelling voegen de kandidaten voor het mandaat van eerste voorzitter een beleidsplan. De Koning kan het voorwerp van dit beleidsplan bepalen.
  De algemene vergadering van de Raad hoort de kandidaten ambtshalve.
  De algemene vergadering van de Raad doet, na de ontvankelijkheid van de kandidaturen te hebben onderzocht en de respectievelijke aanspraken en verdiensten van de kandidaten te hebben vergeleken, een uitdrukkelijk gemotiveerde voordracht van één kandidaat voor het vacante mandaat. Zij deelt deze gemotiveerde voordracht, alsook alle kandidaturen en hun beoordeling mee aan de Minister.
  De kandidaat die door de algemene vergadering van de Raad wordt voorgedragen, kan door de Koning als korpschef worden aangewezen.
  De Koning neemt een beslissing binnen de twee maanden na ontvangst van de voordracht. In geval van weigering beschikt de algemene vergadering van de Raad vanaf de ontvangst van deze beslissing over een termijn van vijftien dagen om een nieuwe voordracht te doen overeenkomstig de hiervoor bepaalde regels.
  Volgt een tweede weigeringsbeslissing van de Koning binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van deze nieuwe voordracht, dan wordt gehandeld overeenkomstig het vorige lid, tenzij een zelfde kandidaat werd voorgedragen. In dit laatste geval dient de Raad een andere kandidaat voor te stellen dan wel te beslissen de benoemingsprocedure van voren af aan te herbeginnen.
  § 3. Tussen de derde en de tweede maand voor het beëindigen van het mandaat van korpschef of van het adjunct-mandaat van voorzitter kan de korpschef of voorzitter de algemene vergadering om een hernieuwing verzoeken van het mandaat. De korpschef voegt bij dit verzoek zijn beleidsplan alsook een rapport omtrent de uitoefening van het voorbije mandaat. De houder van het mandaat van voorzitter voegt een rapport omtrent de uitoefening van het voorbije mandaat.
  De algemene vergadering van de Raad beoordeelt het verzoek tot hernieuwing en beslist of het mandaat van korpschef of van het adjunct-mandaat van voorzitter wordt hernieuwd. De beslissing tot niet hernieuwing houdt van rechtswege de vacantverklaring van het mandaat in.
  Bij niet-hernieuwing van het mandaat van korpschef of van het adjunct-mandaat van voorzitter neemt de betrokkene bij het verstrijken van zijn mandaat het ambt of het mandaat weer op waarin hij het laatst werd benoemd of aangewezen. In voorkomend geval geschiedt dit in overtal. Indien betrokkene niet is benoemd in het terug opgenomen mandaat, dan geldt deze heropneming als een aanwijzing voor de gehele termijn waarvoor het mandaat is verleend.
  Betreft het een ambtsdrager van de Raad van State, dan neemt deze zijn ambt in de Raad van State terug op, ongeacht het aantal plaatsen bepaald in artikel 69 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Op zijn uitdrukkelijk schriftelijk verzoek uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van het mandaat, kan hij evenwel, in voorkomend geval in overtal, worden benoemd in de Raad zonder dat artikel 39/19, § 1, van toepassing is. Deze benoeming houdt van rechtswege het ontslag in de Raad van State in. Hij behoudt in dit geval de wedde, de verhogingen, de weddebijslagen en de vergoedingen die aan het ambt van ambtsdrager van de Raad van State zijn verbonden tenzij aan het ambt dat hij opneemt een hogere wedde is verbonden.
  Het mandaat van korpschef of het adjunct-mandaat van voorzitter dat niet wordt hernieuwd of dat met toepassing van § 1, tweede lid van rechtswege vacant wordt verklaard, wordt evenwel slechts beëindigd op het ogenblik dat de eerste voorzitter of voorzitter het mandaat opneemt, zonder dat deze termijn meer dan negen maanden mag bedragen te rekenen vanaf de betekening van de beslissing tot niet hernieuwing dan wel vanaf de datum van de vacantverklaring.
  Indien de mandaathouder tweemaal opeenvolgend het zelfde mandaat van korpschef of van voorzitter heeft uitgeoefend, geniet hij gedurende de twee jaren volgend op de beëindiging van de tweede mandaattermijn de overeenkomstige wedde van korpschef of voorzitter met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen, tenzij hij een mandaat opneemt waaraan een hogere wedde is verbonden.
  § 4. De mandaathouder kan zijn mandaat van korpschef of zijn adjunct-mandaat van voorzitter voortijdig ter beschikking stellen bij ter post aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs gericht aan de Minister.
  Het mandaat van korpschef of het adjunct-mandaat van voorzitter wordt evenwel slechts beëindigd op het ogenblik dat de nieuwe korpschef of voorzitter het mandaat opneemt, zonder dat deze termijn meer dan negen maanden mag bedragen te rekenen vanaf de ontvangst van de terbeschikkingstelling.
  De bepalingen van § 3, derde lid en vierde lid, zijn van toepassing op de korpschef of de voorzitter die zijn mandaat voortijdig ter beschikking stelt.
  De korpschef of de voorzitter die zijn mandaat voortijdig ter beschikking stelt kan zich gedurende een termijn van twee jaar nadat hij zijn mandaat effectief neerlegde, niet opnieuw kandidaat stellen voor een mandaat van korpschef of een adjunct-mandaat van voorzitter. Voor de toepassing van deze bepaling wordt niet beschouwd als een voortijdige ter beschikkingstelling van het adjunct-mandaat, de voorzitter die aangewezen wordt voor een mandaat van korpschef.
  § 5. Indien het mandaat van korpschef of het adjunct-mandaat van voorzitter openvalt vóór het verstrijken van de in § 1, tweede lid bepaalde termijn, dan kunnen, op straffe van onontvankelijkheid, uitsluitend diegenen die voldoen aan dezelfde taalvoorwaarden als naar gelang het geval de korpschef of de voorzitter wiens mandaat voortijdig een einde nam, hun kandidatuur indienen.
  De duur van het mandaat van diegene die met toepassing van het eerste lid tot korpschef of voorzitter wordt aangewezen, is in afwijking van § 1 beperkt tot de nog resterende duur van het mandaat dat voortijdig een einde nam.
  Indien op het ogenblik van het daadwerkelijk openvallen van het mandaat van korpschef men nog minder dan een jaar is verwijderd van het einde van de in § 1, eerste lid bepaalde periode, dan vervangt de voorzitter de eerste voorzitter voor de nog resterende termijn van het lopende mandaat.
  Heeft het in het vorig lid bedoelde daadwerkelijk openvallen van het mandaat betrekking op dat van voorzitter, dan wordt deze vervangen door de kamervoorzitter van dezelfde taalrol, naar orde van dienstanciënniteit. De vervanging neemt van rechtswege een einde bij het aanwijzen van een nieuwe mandaathouder.
  De in het derde en vierde lid bedoelde vervanging neemt van rechtswege een einde bij het aanwijzen van een nieuwe mandaathouder. ".
Art. 110. Dans le Titre Ibis, chapitre 3, section II, de la même loi, il est inséré une sous-section 2, intitulée comme suit :
  " Sous-section 2. - Procédure de désignation des mandats".
Art. 112. In dezelfde wet wordt een artikel 39/25 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/25. § 1. De titularissen van een adjunct-mandaat worden aangewezen als volgt :
  1° de kamervoorzitters door de algemene vergadering;
  2° de hoofdgriffier wordt aangewezen door de Koning, op advies van de eerste voorzitter en voorzitter.
  § 2. De aanwijzingen in de in § 1 bepaalde adjunct-mandaten gebeuren voor een termijn van drie jaar die kan worden hernieuwd na evaluatie. Na negen jaar ambtsvervulling worden de betrokken mandaathouders na evaluatie vast aangewezen door de benoemende overheid.
  § 3. Bij niet-hernieuwing van het adjunct-mandaat neemt de betrokkene bij het verstrijken van zijn mandaat het ambt weer op waarin hij het laatst werd benoemd. In voorkomend geval geschiedt dit in overtal.
  § 4. De mandaathouder kan zijn adjunct-mandaat voortijdig ter beschikking stellen bij ter post aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs gericht aan de Minister. Het mandaat wordt evenwel slechts beëindigd na negen maanden te rekenen vanaf de ontvangst van de terbeschikkingstelling. Deze termijn kan door de Koning, op gemotiveerd verzoek van betrokkene worden ingekort.
  De bepalingen van § 3 zijn van toepassing op de mandaathouder die zijn mandaat voortijdig ter beschikking stelt en geen ander mandaat opneemt. ".
Art. 111. Un article 39/24, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/24. § 1er. Le titulaire de mandat de chef de corps et du mandat adjoint de président sont désignés par le Roi pour un mandat de cinq ans qui peut être renouvelé une fois.
  Après l'expiration de chaque période de dix ans, les fonctions de chef de corps et de président sont déclarées vacantes de plein droit. Sous peine d'irrecevabilité, peuvent exclusivement introduire leur candidature, les candidats qui ont apporté la preuve, par leur diplôme, qu'ils ont passé l'examen de docteur, licencié ou master en droit dans l'autre langue, le français ou le néerlandais, que celle du chef de corps siégeant précédemment ou du président, selon le cas. Le chef de corps ou le président siégeant peut concourir pour le mandat déclaré vacant de son rôle linguistique.
  Le premier président et le président entament leur mandat le même jour. La période de dix ans visée dans l'alinéa 2 prend cours, pour ces mandats, ce jour-là.
  § 2. Le candidat au mandat de premier président joint un plan de gestion à sa candidature. Le Roi peut fixer l'objet de ce plan de gestion.
  L'assemblée générale du Conseil entend les candidats d'office.
  L'assemblée générale du Conseil procède, après avoir examiné la recevabilité des candidatures et avoir comparé les droits et mérites respectifs des candidats, à la présentation motivée explicite d'un seul candidat pour le mandat vacant. Elle communique cette présentation motivée ainsi que toutes les candidatures et leur évaluation au Ministre.
  Le candidat présenté par l'assemblée générale du Conseil, peut être désigné par le Roi en tant que chef de corps.
  Le Roi prend une décision dans les deux mois après la réception de la présentation. En cas de refus, l'assemblée générale du Conseil dispose, dès la réception de cette décision, d'un délai de quinze jours pour faire une nouvelle présentation, conformément aux règles visées ci-dessus.
  Si le Roi prend une deuxième décision de refus dans le délai de deux mois à compter de la réception de cette nouvelle présentation, il est procédé conformément à l'alinéa précédent, à moins que le même candidat ait été présenté. Dans ce dernier cas, le Conseil doit présenter un autre candidat ou décider de recommencer la procédure de nomination depuis le début.
  § 3. Entre le troisième et le deuxième mois avant la fin du mandat de chef de corps ou du mandat adjoint de président, le chef de corps ou le président peut demander à l'assemblée générale de renouveler le mandat. Le chef de corps joint à cette demande son plan de gestion ainsi qu'un rapport concernant l'exercice du mandat précédent. Le titulaire du mandat de président joint un rapport sur l'exercice du mandat écoulé.
  L'assemblée générale du Conseil évalue la demande de renouvellement et décide si le mandat du chef de corps ou du mandat adjoint de président doit être renouvelé. La décision de non-renouvellement implique de plein droit la déclaration de vacance du mandat.
  En cas de non renouvellement du mandat de chef de corps ou du mandat adjoint de président, l'intéressé reprend, à l'expiration de celui-ci, l'exercice de sa fonction ou du mandat auquel il a été nommé ou désigné en dernier lieu, le cas échéant, en surnombre. Lorsque l'intéressé n'a pas été nommé au mandat dont il reprend l'exercice, il est censé avoir été désigné à cet effet pour l'entièreté du délai pour lequel le mandat avait été octroyé.
  S'il s'agit d'un titulaire d'une fonction au Conseil d'Etat, il reprend sa fonction au Conseil d'Etat, peu importe le nombre de postes prévus dans l'article 69 des lois coordonnées sur le Conseil d'Etat. Sur demande écrite expresse au plus tard deux mois avant l'expiration du mandat, il peut néanmoins, le cas échéant en surnombre, être nommé au Conseil sans que l'article 39/19, § 1er, soit d'application. Cette nomination implique de plein droit la démission au Conseil d'Etat. Dans ce cas, il conserve le traitement, les augmentations, les compléments de traitement et les indemnités liés à la fonction de titulaire de fonction au Conseil d'Etat, à moins qu'il ne reprenne une fonction à laquelle est liée un traitement plus élevé.
  Le mandat de chef de corps ou le mandat adjoint de président qui n'est pas renouvelé ou qui, en application du § 1er, alinéa 2, est déclaré vacant de plein droit, ne cesse toutefois qu'au moment où le premier président ou le président reprend le mandat sans que ce délai puisse compter plus de neuf mois, à compter de la notification de la décision de non-renouvellement ou de la date de la déclaration de vacance.
  Si le titulaire du mandat a exercé le mandat de chef de corps ou celui de président à deux reprises, il bénéficie durant les deux années qui suivent la fin du deuxième terme du mandat, de la rémunération allouée au chef de corps ou au président, en ce compris les augmentations et avantages qui y sont liés, à moins qu'il ne reprenne un mandat auquel est lié un traitement plus élevé.
  § 4. Avant l'expiration du terme, le titulaire du mandat peut mettre son mandat de chef de corps ou son mandat adjoint de président à disposition par lettre recommandée à la poste ou contre accusé de réception, adressée au Ministre.
  Il n'est toutefois mis fin au mandat de chef de corps ou au mandat adjoint de président qu'au moment où le nouveau chef de corps ou président reprend le mandat sans que ce délai puisse excéder neuf mois à compter de la réception de la mise à disposition.
  Les dispositions du § 3, alinéas 3 et 4, sont d'application au chef de corps ou au président qui met son mandat a disposition de manière anticipée.
  Le chef de corps ou le président qui met son mandat à disposition avant l'expiration du terme ne peut plus poser sa candidature pour un mandat de chef de corps ou un mandat adjoint de président pendant un délai de deux ans à compter du jour où il a effectivement renoncé à son mandat. Pour l'application de la présente disposition, la désignation d'un président pour un mandat de chef de corps n'est pas considérée comme une mise à disposition anticipée du mandat adjoint.
  § 5. Lorsque le mandat de chef de corps ou le mandat adjoint de président est à pourvoir avant l'expiration du délai fixé au § 1er, alinéa 2, seules les personnes qui répondent aux mêmes conditions linguistiques que le chef de corps ou le président, selon le cas, dont le mandat a pris fin anticipativement, peuvent, sous peine d'irrecevabilité, présenter leur candidature.
  La durée du mandat de la personne qui, en application de l'alinéa 1er, est désignée chef de corps ou président, est, par dérogation au § 1er, limitée à la durée restante du mandat qui a pris fin avant l'expiration du terme.
  Si, au moment de la vacance effective du mandat de chef de corps, moins d'une année doit encore s'écouler jusqu'à la fin de la période visée au § 1er, alinéa 1er, le président remplace le premier président dans l'exercice de son mandat pour la période restante du mandat en cours.
  S'il s'agit de la vacance effective du mandat de président, il sera remplacé par le président de chambre appartenant au même rôle linguistique, par ordre d'ancienneté de service. Le remplacement prend fin de plein droit lors de la désignation d'un nouveau titulaire de mandat.
  Le remplacement visé aux alinéas 3 et 4 prend fin de plein droit lors de la désignation d'un nouveau titulaire de mandat. ".
Art. 113. In dezelfde wet wordt een artikel 39/26 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/26. De uitoefening van een mandaat van korpschef is onverenigbaar met de uitoefening van een adjunct-mandaat. De uitoefening van het adjunct-mandaat van voorzitter is onverenigbaar met de uitoefening van het adjunct-mandaat van kamervoorzitter.
  Indien de houder van een adjunct-mandaat in de loop van zijn mandaat een mandaat van korpschef of van voorzitter opneemt, dan valt diens adjunct-mandaat daadwerkelijk open op de dag waarop het mandaat van korpschef of voorzitter wordt opgenomen. ".
Art. 112. Un article 39/25, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/25. § 1er. Les titulaires d'un mandat adjoint sont désignés comme suit :
  1° les présidents de chambre sont désignés par l'assemblée générale;
  2° le greffier en chef est désigné par le Roi, sur avis du premier président et du président.
  § 2. Les désignations aux mandats adjoints visés au § 1er sont valables pour une période de trois ans qui peut être renouvelée après évaluation. Après neuf ans d'exercice de fonction, les titulaires de mandat concernés sont désignés à titre définitif dans ce mandat par l'autorité investie du pouvoir de nomination.
  § 3. En cas de non renouvellement du mandat adjoint, l'intéressé reprend à l'expiration de celui-ci l'exercice de la fonction à laquelle il a été nommé en dernier lieu, le cas échéant, en surnombre.
  § 4. Avant l'expiration du terme du mandat adjoint, le titulaire de mandat peut le mettre à disposition par lettre recommandée à la poste ou contre accusé de réception adressée au Ministre. Il n'est toutefois mis fin au mandat qu'à l'expiration d'un délai de neuf mois à compter de la réception de la mise à disposition. Ce délai peut être réduit par le Roi sur demande motivée de l'intéressé.
  Les dispositions du § 3 sont d'application au titulaire de mandat qui met son mandat à disposition avant l'expiration du terme et qui n'assume pas d'autre mandat. ".
Art. 114. In Titel Ibis, hoofdstuk 3, afdeling II, van dezelfde wet wordt een onderafdeling 3 ingevoegd, met het volgende opschrift :
  " Onderafdeling 3. - Over de uitoefening van het mandaat".
Art. 113. Un article 39/26, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/26. L'exercice d'un mandat de chef de corps est incompatible avec l'exercice d'un mandat adjoint. L'exercice du mandat adjoint de président est incompatible avec l'exercice du mandat adjoint de président de chambre.
  Si le titulaire d'un mandat adjoint accède, au cours de son mandat, à un mandat de chef de corps ou de président, son mandat adjoint devient effectivement vacant le jour de la reprise du mandat de chef de corps ou de président. ".
Art. 115. In dezelfde wet wordt een artikel 39/27 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/27. § 1. De houder van een mandaat van korpschef is ermee belast jaarlijks een werkingsverslag op te stellen waarin inzonderheid de implementatie van zijn beleidsplan en de evaluatie ervan wordt uiteengezet. In voorkomend geval bevat dit verslag, in nauw overleg met de voorzitter wat diens bevoegdheden betreft, de nodige bijsturingen van het plan, wijst het de behoeften aan en bevat het voorstellen om de werking van de Raad te verbeteren en de gerechtelijke achterstand weg te werken. De eerste voorzitter bezorgt het voor 1 oktober aan de Minister van Binnenlandse Zaken.
  De Koning kan nadere regels bepalen ter uitvoering van deze bepaling, alsook de nadere inhoud van dit werkingsverslag.
  § 2. De eerste voorzitter voegt bij zijn in § 1 bepaald werkingsverslag de volgende gegevens betreffende het voorbije gerechtelijke jaar :
  1° de statistieken per contentieux, waaruit blijkt hoeveel zaken in die periode zijn ingekomen alsook het aantal bij eindbeslissing beslechte zaken in diezelfde periode. Het verslag geeft tevens het totale werkvolume;
  2° de evolutie van :
  - de hangende zaken en van de gerechtelijke achterstand;
  - de personeelsformatie en -bezetting;
  - de logistieke middelen;
  - de werklast.
  De in het eerste lid, 1°, bepaalde gegevens betreffende de eerste zes maanden van het lopende gerechtelijke jaar worden tevens aangereikt voor 1 april van het lopende gerechtelijke jaar.
  De Minister bepaalt het standaardformulier volgens welk de werkingsverslagen worden opgesteld. ".
Art. 114. Dans le Titre Ibis, chapitre 3, section II, de la même loi, il est inséré une sous-section 3, intitulée comme suit :
  " Sous-section 3. - De l'exercice du mandat".
Art. 116. In Titel Ibis, hoofdstuk 3, van dezelfde wet worden een afdeling III en een onderafdeling 1 ingevoegd met het volgende opschrift :
  " Afdeling III. - De evaluatie van de leden van de Raad
  Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen".
Art. 115. Un article 39/27, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/27. § 1er. Le titulaire d'un mandat de chef de corps est tenu de rédiger annuellement un rapport d'activité dans lequel sont notamment précisées la mise en oeuvre de son plan de gestion et l'évaluation de celui-ci. - Le cas échéant, ce rapport établi en étroite concertation avec le président en ce qui concerne les compétences de celui-ci, contient les adaptations nécessaires à apporter au plan, indique les besoins et formule des propositions en vue d'améliorer le fonctionnement du Conseil et de résorber le retard juridique. Le premier président transmet celui-ci avant le 1er octobre au Ministre de l'Intérieur.
  Le Roi peut fixer les modalités d'application de la présente disposition, ainsi que le contenu de ce rapport d'activité.
  § 2. Le premier président joint à son rapport activité visé au § 1er, les données suivantes concernant l'année judiciaire écoulée :
  1° les statistiques par contentieux faisant apparaître le nombre d'affaires nouvelles pendant cette période ainsi que le nombre d'affaires réglées par décision finale dans la même période. Le rapport mentionne en outre le volume de travail;
  2° l'évolution :
  - des affaires en suspens et de l'arriéré judiciaire;
  - du cadre du personnel et l'occupation des effectifs;
  - des moyens logistiques;
  - de la charge de travail.
  Les données visées à l'alinéa 1, 1°, relatives au six premiers mois de l'année judiciaire en cours sont en outre fournies avant le 1er avril de l'année judiciaire en cours.
  Le Ministre détermine le formulaire standardisé sur la base duquel les rapports de fonctionnement doivent être rédigés. ".
Art. 117. In dezelfde wet wordt een artikel 39/28 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/28. § 1. Met uitzondering van de houders van het mandaat van korpschef of van voorzitter, worden de leden van de Raad onderworpen aan een gemotiveerde schriftelijke en beschrijvende evaluatie, hetzij een periodieke evaluatie wanneer het een benoeming betreft, hetzij een evaluatie van het adjunct-mandaat van kamervoorzitter en hoofdgriffier.
  Deze evaluaties geschieden binnen dertig dagen na het verstrijken van de termijnen bepaald in deze afdeling.
  De periodieke evaluatie omvat geen eindvermelding, behalve in het geval dat de beoordelaar oordeelt dat de geëvalueerde de vermelding "onvoldoende" verdient. De evaluatie van de titularissen van een mandaat kan leiden tot een beoordeling "goed" of "onvoldoende".
  § 2. De evaluatie geschiedt op grond van criteria die betrekking hebben op de persoonlijkheid en de intellectuele, professionele en organisatorische capaciteiten met inbegrip van de kwaliteit van de gepresteerde prestaties zonder dat hierdoor afbreuk wordt gedaan aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het lid van de Raad.
  De Koning bepaalt, op gemotiveerd voorstel van de eerste voorzitter en van de voorzitter, elk wat hun bevoegdheden betreft, de algemene vergadering gehoord, de evaluatiecriteria rekening houdend met de eigenheid van de ambten en mandaten, en stelt nadere regels voor de toepassing van deze bepalingen op.
  Elke overschrijding van de termijn bedoeld in de artikelen 39/82, § 4, tweede lid en 39/85, tweede lid wordt opgenomen in het evaluatiedossier van het betrokken lid van de Raad met vermelding van de rechtvaardiging.
  § 3. De evaluatie wordt voorafgegaan door een planningsgesprek tussen de geëvalueerde en de beoordelaar. Tijdens de evaluatiecycli kunnen één of meerdere functioneringsgesprekken plaatsvinden.
  De beoordelaar maakt een ontwerp van beoordeling op die desgevallend reeds een voorstel van eindbeoordeling "onvoldoende" kan bevatten. Dit ontwerp wordt vóór het evaluatiegesprek bij gedagtekend ontvangstbewijs meegedeeld aan de geëvalueerde. Het kan nog worden aangepast in functie van het onderhoud. Na dit onderhoud stelt de beoordelaar een voorlopige beoordeling op.
  De eerste voorzitter zendt bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs een afschrift van de voorlopige beoordeling aan de betrokkene. Formuleert deze binnen de in het vierde lid bepaalde termijn geen schriftelijke opmerkingen op de voorlopige beoordeling, dan wordt deze na het verstrijken van deze termijn definitief.
  De betrokkene kan op straffe van verval binnen een termijn van tien dagen te rekenen van de kennisgeving van de voorlopige beoordeling, zijn schriftelijke opmerkingen bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs bezorgen aan de eerste voorzitter of de voorzitter, naargelang het geval, die het origineel bij het evaluatiedossier voegt en er een afschrift van bezorgt aan de beoordelaar. Deze beoordelaar stelt binnen de dertig dagen na ontvangst van een afschrift van deze opmerkingen, een definitieve schriftelijke beoordeling op waarin hij deze opmerkingen schriftelijk beantwoordt. Binnen tien dagen na de ontvangst van de definitieve beoordeling, zendt de korpschef een afschrift ervan bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs aan de betrokkene.
  § 4. De betrokkene die toepassing heeft gemaakt van § 3, vierde lid, kan op straffe van verval, binnen een termijn van tien dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van de definitieve beoordeling, beroep instellen tegen de definitieve beoordeling bij :
  1° een beoordelingscommissie bestaande uit de korpschef en de voorzitter wat de leden van de Raad betreft;
  2° een beoordelingscommissie bestaande uit de korpschef, de voorzitter en de andere kamervoorzitters van dezelfde taalrol als de geëvalueerde, wat de kamervoorzitters betreft.
  Het beroep wordt bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs ingediend bij de eerste voorzitter. Een tijdig ingesteld beroep schorst de uitvoering van de definitieve beoordeling.
  De in het eerste lid bedoelde beoordelingscommissie hoort de betrokkene indien die daarom in zijn beroepsschrift heeft verzocht. Zij beschikt over zestig dagen vanaf de ontvangst door de eerste voorzitter van het beroepsschrift, om een gemotiveerde eindbeslissing over de beoordeling te nemen.
  § 5. De evaluatiedossiers berusten bij de eerste voorzitter. Een afschrift van de definitieve beoordelingen wordt bewaard gedurende ten minste tien jaar. De evaluaties zijn vertrouwelijk en kunnen te allen tijde door de betrokkenen ingekeken worden.
  Bij elke benoeming, bij elke voordracht of hernieuwing van een mandaat wordt het evaluatiedossier van de laatste zes jaar van de betrokkene gevoegd ter attentie van de benoemende overheid.
  § 6. De Koning kan de nadere procedureregels voor de toepassing van deze bepaling vaststellen. ".
Art. 116. Dans le Titre Ibis, chapitre 3, de la même loi, il est inséré une section III et une sous-section 1re, intitulées comme suit :
  " Section III. - L'évaluation des membres du Conseil
  Sous-section 1re. - Dispositions générales".
Art. 118. In Titel Ibis, hoofdstuk 3, afdeling III, van dezelfde wet, wordt een onderafdeling 2 ingevoegd met het volgende opschrift :
  " Onderafdeling 2. - De periodieke evaluatie".
Art. 117. Un article 39/28, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/28. § 1er. A l'exception des titulaires du mandat de chef de corps ou de président, les membres du Conseil sont soumis à une évaluation descriptive, motivée et écrite, soit une évaluation périodique lorsqu'il s'agit d'une nomination, soit une évaluation du mandat adjoint de président de chambre et de greffier en chef.
  Ces évaluations sont effectuées dans les trente jours à compter de l'expiration des délais prévus dans la présente section.
  L'évaluation périodique ne comprend pas de mention finale, sauf si l'évaluateur estime que l'évalué mérite une mention "insuffisant". L'évaluation des titulaires d'un mandat peut donner lieu à une mention "bon" ou "insuffisant".
  § 2. L'évaluation est effectuée sur la base de critères portant sur la personnalité ainsi que sur les capacités intellectuelles, professionnelles et organisationnelles, en ce compris la qualité des prestations, sans porter atteinte à l'indépendance et à l'impartialité du membre du Conseil.
  Le Roi détermine, sur la proposition motivée du premier président et du président, chacun en ce qui concerne ses compétences, l'assemblée générale entendue, les critères d'évaluation, compte tenu de la spécificité des fonctions et mandats, et il détermine les modalités d'application de ces dispositions.
  Tout dépassement du délai visé aux articles 39/82, § 4, alinéa 2 et 39/85, alinéa 2, est mis dans le dossier d'évaluation du membre concerné du Conseil avec la mention de la justification.
  § 3. évaluation est précédée d'un entretien de planning entre la personne évaluée et l'évaluateur. Un ou plusieurs entretiens de fonctionnement peuvent avoir lieu durant les cycles d'évaluation.
  L'évaluateur rédige un projet d'évaluation, qui peut déjà comporter, le cas échéant, une proposition d'évaluation finale "insuffisant". Ce projet est, avant l'entretien d'évaluation, communiqué contre accusé de réception daté, à l'évalué. Il peut encore être adapté en fonction de cet entretien. A l'issue de celui-ci, l'évaluateur rédige une évaluation provisoire.
  Le premier président communique une copie de l'évaluation provisoire à l'intéressé contre accusé de réception daté ou par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception. Si l'intéressé ne fait pas d'observation écrite concernant cette évaluation provisoire dans le délai fixé à l'alinéa 4, celle-ci devient définitive à l'expiration de ce délai.
  L'intéressé peut, sous peine de déchéance, dans un délai de dix jours à compter de la notification de l'évaluation provisoire, adresser ses remarques écrites, contre accusé de réception daté ou par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, au premier président et le président, chacun en ce qui concerne ses compétences, lequel joint l'original au dossier d'évaluation et en transmet une copie à l'évaluateur. Dans les trente jours de la réception de la copie de ces observations, cet évaluateur établit une évaluation écrite et définitive dans laquelle il répond par écrit à ces observations. Dans les dix jours de la réception de l'évaluation définitive, le chef de corps en communique une copie à l'intéressé contre accusé de réception daté ou par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception.
  § 4. L'intéressé qui a fait application du § 3, alinéa 4, peut, sous peine de déchéance, dans un délai de dix jours à compter de la prise de connaissance de l'évaluation définitive, interjeter appel de celle-ci auprès :
  1° d'une commission d'évaluation composée du chef de corps et du président en ce qui concerne les membres du Conseil;
  2° d'une commission d'évaluation composée du chef de corps, du président et des autres présidents de chambre du même rôle linguistique que évalué, en ce qui concerne les présidents de chambre.
  Le recours est introduit auprès du premier président, par accusé de réception daté ou par envoi recommandé à la poste avec accusé de réception. Un recours introduit en temps utile suspend l'exécution de l'évaluation définitive.
  La commission d'évaluation visée à l'alinéa 1er entend l'intéressé, si ce dernier l'a requis dans son recours. Elle dispose d'un délai de soixante jours à partir de la réception de l'appel par le premier président, pour prendre une décision finale motivée sur l'évaluation.
  § 5. Les dossiers d'évaluation sont conservés par le premier président. Une copie des évaluations définitives est conservée pendant au moins dix ans. Les évaluations sont confidentielles et peuvent être consultées à tout moment par les intéressés.
  Lors de chaque nomination, lors de chaque proposition ou renouvellement de mandat, le dossier d'évaluation des six dernières années de l'intéressé est joint à l'attention de l'autorité investie du pouvoir de nomination.
  § 6. Le Roi peut fixer les modalités d'application de la présente disposition. ".
Art. 119. In dezelfde wet wordt een artikel 39/29 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/29. § 1. De periodieke evaluatie vindt de eerste maal plaats één jaar te rekenen van de eedaflegging in het ambt waarin hij moet beoordeeld worden en vervolgens om de drie jaar.
  § 2. De evaluatie geschiedt door de voorzitter van de kamer waarvan de geëvalueerde deel uitmaakt.
  De evaluatie van de overeenkomstig artikel 39/25, § 2 vast aangewezen kamervoorzitters geschiedt door eerste voorzitter die, indien deze niet het bewijs levert dat hij het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten heeft afgelegd in dezelfde taal, Nederlands of het Frans, als de beoordeelde, wordt bijgestaan door de voorzitter of door een tweetalig lid van de Raad die de oudste in graad is van diegenen die behoren tot de taalrol van de geëvalueerde.
  § 3. Indien een lid van de Raad bij een periodieke evaluatie de definitieve eindvermelding "onvoldoende" heeft verkregen, dan leidt dit met ingang van de eerste van de maand volgend op de kennisgeving van de definitieve beoordeling gedurende zes maanden tot de inhouding van de laatste driejaarlijkse verhoging bedoeld in artikel 3 van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State en de magistraten en de leden van de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
  Onverminderd het eerste lid wordt voor de in het eerste lid bepaalde duur de met toepassing van artikel 39/45 verleende afwijkingen van rechtswege opgeschort. Gedurende deze termijn wordt geen enkele nieuwe afwijking toegestaan.
  In geval van een beoordeling "onvoldoende" wordt de betrokkene opnieuw geëvalueerd na verloop van één jaar.
  § 4. Heeft een lid van de Raad twee opeenvolgende vermeldingen "onvoldoende" gekregen, dan komt op verzoek van de eerste voorzitter van de Raad de Raad van State in raadkamer in algemene vergadering bijeen om, op advies van de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal, uitspraak te doen bij arrest over het ontslag wegens beroepsongeschiktheid van betrokkene.
  Voor de in het eerste lid bepaalde vordering tot ontslag wegens beroepsongeschiktheid adieert de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal de Raad van State ambtshalve of op verzoek van de eerste voorzitter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De vordering wordt uitgeoefend door de auditeur-generaal of door de adjunct-auditeur-generaal overeenkomstig artikel 75, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. De Raad doet uitspraak binnen de zes maanden na het adiëren van de Raad van State.
  De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de bijzondere regels voor de versnelde rechtspleging voor de Raad van State inzake de in het eerste lid bedoelde vordering tot ontslag wegens beroepsongeschiktheid, zo nodig in afwijking van de artikelen 14, 17, 18, 21, 21bis, 24, en 28 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, met uitzondering wat deze laatste bepaling betreft, van de verplichting om het arrest met redenen te omkleden.
  Aan het bij arrest wegens beroepsongeschiktheid ontslagen lid van de Raad wordt een vergoeding wegens ontslag toegekend. Deze vergoeding is gelijk aan twaalfmaal de laatste maandbezoldiging van het lid van de raad indien het ten minste twintig jaar dienst heeft, aan acht maal of zes maal deze bezoldiging naargelang het lid tien jaar dienst of minder dan tien jaar dienst heeft.
  Voor de toepassing van deze § moet onder "bezoldiging" worden verstaan, die welke is bepaald met toepassing van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State en de magistraten en de leden van de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
  § 5. Betreft het een overeenkomstig artikel 39/25, § 2 vast aangewezen kamervoorzitter, dan komt de Raad van State in raadkamer in algemene vergadering bijeen om, op advies van de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal, uitspraak te doen bij arrest over het ontslag wegens beroepsongeschiktheid van betrokkene uit zijn adjunct-mandaat.
  Voor de in het voorgaande lid bepaalde vordering adieert de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal de Raad van State ambtshalve of op verzoek van de eerste voorzitter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De vordering wordt uitgeoefend door de auditeur-generaal of door de adjunct-auditeur-generaal overeenkomstig artikel 75, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De Raad doet uitspraak binnen de zes maanden na het adiëren van de Raad van State.
  De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de bijzondere regels voor de versnelde rechtspleging voor de Raad van State inzake de in het eerste lid bedoelde vordering tot ontslag wegens beroepsongeschiktheid uit het adjunct-mandaat, zo nodig in afwijking van de artikelen 14, 17, 18, 21, 21bis, 24, en 28 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, met uitzondering wat deze laatste bepaling betreft, van de verplichting om het arrest met redenen te omkleden.
  Het betrokken lid wiens adjunct-mandaat is ontnomen wordt herplaatst en neemt terug zijn rangorde onder de leden van de Raad in. ".
Art. 118. Dans le Titre Ibis, chapitre 3, section III, de la même loi, il est inséré une sous-section 2, intitulée comme suit :
  " Sous-section 2. - De l'évaluation périodique".
Art. 120. In Titel Ibis, hoofdstuk 3, afdeling III, van dezelfde wet, wordt een onderafdeling 3 ingevoegd met het volgende opschrift :
  " Onderafdeling 3. - De evaluatie van de mandaten van kamervoorzitter".
Art. 119. Un article 39/29, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/29. § 1er. L'évaluation périodique a lieu la première fois un an après la prestation de serment dans la fonction où il doit être évalué et ensuite tous les trois ans.
  § 2. L'évaluation est effectuée par le président de la chambre dont l'évalué fait partie.
  L'évaluation des présidents de chambre désignés à titre définitif conformément à l'article 39/25, § 2, est effectuée par le premier président qui, s'il n'apporte pas la preuve qu'il a passé l'examen de docteur, licencié ou de master en droit dans la même langue que l'évalué, soit le néerlandais ou le français, est assisté par le président ou le membre bilingue du Conseil le plus ancien en grade parmi ceux qui appartiennent au rôle linguistique de évalué
  § 3. Si un membre du Conseil, a obtenu, lors de l'évaluation périodique, la mention finale définitive "insuffisant", celle-ci entraîne à compter du premier jour du mois suivant la communication de la mention définitive, la perte pendant six mois de la dernière majoration triennale visée à l'article 3 de la loi du 5 avril 1955 relative aux traitements des titulaires d'une fonction au Conseil d'Etat, et des magistrats et des membres du greffe du Conseil du Contentieux des étrangers.
  Sans préjudice de l'alinéa 1er, les dérogations obtenues en application de l'article 39/45 sont suspendues d'office durant la duré fixée a l'alinéa 1er. Aucune nouvelle dérogation n'est obtenue pendant cette période.
  En cas d'évaluation "insuffisant", l'intéressé fait l'objet d'une nouvelle évaluation après un délai d'un an.
  § 4. Lorsqu'un membre du Conseil obtient deux évaluations "insuffisant" successives, à la demande du premier président du Conseil, le Conseil d'Etat se réunit en assemblée générale en chambre du conseil, pour, sur l'avis de l'auditeur général ou de l'auditeur général adjoint, se prononcer par voie d'arrêt, sur le licenciement pour inaptitude professionnelle de l'intéressé.
  En ce qui concerne la demande en licenciement pour inaptitude professionnelle visée à l'alinéa 1er, l'auditeur général ou l'auditeur général adjoint saisit le Conseil d'Etat, d'office ou à la demande du premier président du Conseil du Contentieux des Etrangers. L'action est exercée par l'auditeur général ou l'auditeur général adjoint conformément à l'article 75, alinéa 2, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973. Le Conseil se prononce dans les six mois après la saisine du Conseil d'Etat.
  Le Roi définit par arrêté délibéré en Conseil des Ministres les règles spéciales pour la procédure accélérée devant le Conseil d'Etat concernant l'action en licenciement pour inaptitude professionnelle visée à l'alinéa premier, si nécessaire, contrairement aux articles 14, 17, 18, 21, 21bis, 24 et 28 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, à l'exception, en ce qui concerne cette dernière disposition, de l'obligation de motiver l'arrêt.
  Une indemnité de départ est accordée au membre du Conseil licencié, par arrêt, pour inaptitude professionnelle. Cette indemnité est égale à douze fois la dernière rémunération mensuelle du membre du Conseil lorsque celui-ci compte au moins vingt années de service, ou à huit fois ou à six fois cette rémunération selon que le membre compte dix ans de service ou moins.
  Pour l'application du présent §, il faut entendre par "rémunération ", celle fixée en application de la loi du 5 avril 1995 relative aux traitements des titulaires d'une fonction au Conseil d'Etat, des magistrats et des membres du greffe et du Conseil du Contentieux des Etrangers.
  § 5. S'il s'agit d'un président de chambre désigné de manière définitive conformément à l'article 39/25, § 2, le Conseil d'Etat se réunit en chambre du conseil, en assemblée générale, pour se prononcer, par arrêt, sur l'avis de l'auditeur général ou de l'auditeur général adjoint, sur le licenciement pour inaptitude professionnelle de l'intéressé de son mandat adjoint.
  Pour l'action visée à l'alinéa précédent, l'auditeur général ou l'auditeur général adjoint saisit le Conseil d'Etat d'office ou à la demande du premier président du Conseil du Contentieux des étrangers. L'action est exécutée par l'auditeur général ou l'auditeur général adjoint conformément à l'article 75, alinéa 2, des lois coordonnées sur le Conseil d'Etat. Le Conseil se prononce dans les six mois après la saisine du Conseil d'Etat.
  Le Roi définit par arrêté délibéré en Conseil des Ministres les règles spéciales pour la procédure accélérée devant le Conseil d'Etat concernant l'action en licenciement du mandat adjoint pour inaptitude professionnelle visé à l'alinéa 1er, si nécessaire, contrairement aux articles 14, 17, 18, 21, 21bis, 24 et 28 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, à l'exception, en ce qui concerne cette dernière disposition, de l'obligation de motiver l'arrêt.
  Le membre concerné dont le mandat adjoint a été retiré est replacé et reprend son ordre de rang parmi les membres du Conseil. ".
Art. 121. In dezelfde wet wordt het artikel 39/30 ingevoegd, luidende :
  " Art 39/30. § 1. De evaluatie van de titularissen van een adjunct-mandaat van kamervoorzitter vindt plaats op het einde van elke termijn waarvoor het mandaat is verleend en geschiedt uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de termijn.
  § 2. De evaluatie van de kamervoorzitters geschiedt door de eerste voorzitter die, indien deze niet het bewijs levert dat hij het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten heeft afgelegd in dezelfde taal, Nederlands of Frans, als de beoordeelde, wordt bijgestaan door de voorzitter of door een tweetalig lid van de Raad die de oudste in graad is van diegenen die behoren tot de taalrol van de geëvalueerde.
  § 3. Krijgt de titularis van een adjunct-mandaat de beoordeling "goed", dan wordt zijn mandaat hernieuwd. Is de beoordeling "onvoldoende" dan neemt de betrokkene bij het verstrijken van zijn mandaat het ambt weer op waarin hij het laatst werd benoemd. In voorkomend geval geschiedt dit in overtal. De eerste voorzitter zendt aan de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken een beschikking over waarin de verlenging of het einde van het mandaat wordt vastgesteld.
  De titularissen van een adjunct-mandaat van kamervoorzitter, die na negen jaar vast aangewezen zijn, worden onderworpen aan een periodieke evaluatie. ".
Art. 120. Dans le Titre Ibis, chapitre 3, section III, de la même loi, il est inséré une sous-section 3, intitulée comme suit :
  " Sous-section 3. - L'évaluation des mandats de président de chambre".
Art. 122. In Titel Ibis, hoofdstuk 3, van dezelfde wet worden een afdeling IV en een onderafdeling 1 ingevoegd met het volgende opschrift :
  " Afdeling IV. - De evaluatie van de leden van de griffie
  Onderafdeling 1. - De evaluatie van de hoofdgriffier".
Art. 121. Un article 39/30, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art 39/30. § 1er. L'évaluation des titulaires d'un mandat adjoint de président de chambre a lieu à la fin de chaque période pour laquelle le mandat a été accordé et au plus tard quatre mois avant l'expiration du délai.
  § 2. L'évaluation des présidents de chambre s'effectue par le premier président qui, s'il n'apporte pas la preuve qu'il a réussi l'examen de docteur, licencié ou de master en droit dans la même langue que l'évalué, soit le néerlandais ou le français, est assisté par le président ou par le membre bilingue du Conseil le plus ancien en grade de ceux qui appartiennent au rôle linguistique de l'évalué.
  § 3. Si le titulaire du mandat adjoint obtient la mention "bon", son mandat est renouvelé. Si la mention est "insuffisant", l'intéressé reprend, à l'expiration de son mandat, la fonction pour laquelle il a été nommé en dernier lieu. Dans ce cas, cela se produit en surnombre. Le premier président transmet au Service Public Fédéral Intérieur une disposition par laquelle la prolongation ou la fin du mandat est établie.
  Les titulaires d'un mandat adjoint de président de chambre qui sont nommés à titre définitif après neuf ans, sont soumis à une évaluation périodique. ".
Art. 123. In dezelfde wet wordt een artikel 39/31 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/31. § 1. De evaluatie van het adjunct-mandaat van hoofdgriffier vindt plaats op het einde van elke termijn waarvoor het mandaat is verleend en geschiedt uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de termijn.
  § 2. De evaluatie geschiedt door de eerste voorzitter volgens de procedure bepaald in artikel 39/29. Indien deze niet het bewijs levert dat hij het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten heeft afgelegd in dezelfde taal, Nederlands of Frans, als de beoordeelde, dan wordt hij bijgestaan door de voorzitter of door een tweetalig lid van de Raad die de oudste in graad is van diegenen die behoren tot de taalrol van de geëvalueerde.
  § 3. De evaluatie geschiedt op grond van criteria die betrekking hebben op de persoonlijkheid en de intellectuele, professionele en organisatorische capaciteiten met inbegrip van de kwaliteit van de geleverde prestaties
  De Koning stelt op voorstel van de eerste voorzitter en de voorzitter de evaluatiecriteria en de nadere regels vast voor de toepassing van deze bepaling.
  § 4. Krijgt de titularis van het adjunct-mandaat de beoordeling "goed", dan wordt zijn mandaat hernieuwd. Is de beoordeling "onvoldoende" dan neemt de betrokkene bij het verstrijken van zijn mandaat het ambt weer op waarin hij het laatst werd benoemd. In voorkomend geval geschiedt dit in overtal. De eerste voorzitter zendt aan de Federale Overheidsdienst van Binnenlandse Zaken een beschikking over waarin de verlenging of het einde van het mandaat wordt vastgesteld.
  § 5. De titularis van het adjunct-mandaat van hoofdgriffier die na negen jaar vast aangewezen is, wordt onderworpen aan de in artikel 39/29 bedoelde periodieke evaluatie met inbegrip van de aldaar in §§ 3 en 5 voorziene maatregelen bij een eerste of tweede vermelding van "onvoldoende". ".
Art. 122. Dans le Titre Ibis, chapitre 3, de la même loi, il est inséré une section IV et une sous-section 1re, intitulées comme suit :
  " Section IV. - L'évaluation des membres du greffe
  Sous-section 1re. - L'évaluation du greffier en chef".
Art. 124. In Titel Ibis, hoofdstuk 3, afdeling IV, van dezelfde wet, wordt, onder een onderafdeling 2 "De evaluatie van de griffiers", een artikel 39/32 ingevoegd, luidende :
  Onderafdeling 2. - De evaluatie van de griffiers
  " Art. 39/32. § 1. Om de twee jaar wordt een beoordelingsstaat opgemaakt van alle griffiers.
  De hoofdgriffier en de kamervoorzitter geven gezamenlijk in de beoordelingsstaat hun mening te kennen omtrent de waarde en de houding van de griffier, met inbegrip van de kwaliteit van de geleverde prestaties, met behulp van beschrijvende formules overeenkomstig de aangebrachte aanduidingen.
  De beoordelaars, met uitsluiting van de hoofdgriffier, moeten door hun diploma het bewijs leveren dat zij het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten hebben afgelegd in dezelfde taal, Nederlands of Frans, als de beoordeelde.
  De periodieke evaluatie omvat geen eindvermelding, behalve in het geval dat de beoordelaars oordelen dat de geëvalueerde de vermelding "onvoldoende" verdient.
  De Koning stelt nadere regels vast voor de toepassing van deze bepalingen.
  § 2. De beoordelingsstaat wordt voor de eerste maal opgemaakt tussen de negende en de twaalfde maand effectieve dienst.
  De beoordeling heeft betrekking op de voorbije periode sinds de vorige beoordelingsstaat.
  De griffier kan een nieuwe beoordeling aanvragen, ten vroegste één jaar na de opmaak van de vorige beoordeling.
  § 3. Indien een griffier bij een periodieke evaluatie de definitieve eindbeoordeling "onvoldoende" heeft verkregen, dan leidt dit met ingang van de eerste van de maand volgend op de kennisgeving van deze definitieve beoordeling gedurende zes maanden tot de inhouding van de laatste driejaarlijkse verhoging bedoeld in artikel 3 van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State en de magistraten en de leden van de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
  Onverminderd het eerste lid wordt voor de in het eerste lid bepaalde duur de met toepassing van de artikelen 39/45 verleende afwijkingen van rechtswege opgeschort. Gedurende deze termijn kunnen geen nieuwe afwijkingen worden toegestaan.
  In geval van een beoordeling "onvoldoende" wordt de betrokkene opnieuw geëvalueerd na verloop van één jaar.
  § 4. Na twee opeenvolgende vermeldingen "onvoldoende", wordt door de korpschef een voorstel tot ontslag gedaan aan de benoemende overheid.
  Het betrokken lid van de griffie kan een beroep instellen tegen dit voorstel overeenkomstig het bepaalde in artikel 39/33. Het beroep is opschortend.
  Tot het ontslag wegens beroepsongeschiktheid wordt besloten door de benoemende overheid.
  Aan het wegens beroepsongeschiktheid ontslagen lid van de griffie wordt een vergoeding wegens ontslag toegekend. Deze vergoeding is gelijk aan twaalfmaal de laatste maandbezoldiging van het lid van de griffie indien het ten minste twintig jaar dienst heeft, aan acht maal of zes maal deze bezoldiging naargelang het lid tien jaar dienst of minder dan tien jaar dienst heeft.
  Voor de toepassing van deze § moet onder "bezoldiging" worden verstaan, die welke is bepaald met toepassing van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State en de leden van de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. ".
Art. 123. Un article 39/31, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/31. § 1er. L'évaluation du mandat adjoint de greffier en chef a lieu à la fin de chaque période pour lequel le mandat a été accordé et au plus tard quatre mois avant l'expiration du délai.
  § 2. L'évaluation a lieu par le premier président selon la procédure fixée dans l'article 39/29. S'il n'apporte pas la preuve qu'il a réussi l'examen de docteur, licencié ou de master en droit dans la même langue que l'évalué, soit le néerlandais ou le français, il est assisté par le président ou par le membre bilingue du Conseil le plus ancien en grade parmi ceux qui appartiennent au rôle linguistique de l'évalué.
  § 3. L'évaluation est effectuée sur la base de critères portant sur la personnalité ainsi que sur les capacités intellectuelles, professionnelles et organisationnelles, en ce compris la qualité des prestations fournies.
  Le Roi fixe, sur proposition du premier président et du président, les critères d'évaluation et les modalités d'application de cette disposition.
  § 4. Si le titulaire du mandat adjoint obtient la mention "bon", son mandat est renouvelé. Au cas où cette mention est "insuffisant", l'intéressé reprend, à l'expiration de son mandat, la fonction pour laquelle il a été nommé en dernier lieu. Dans ce cas, cela se produit en surnombre. Le premier président transmet au Service Public Fédéral Intérieur une disposition fixant la prolongation ou la fin du mandat.
  § 5. Le titulaire d'un mandat adjoint de greffier en chef qui est nommé à titre définitif après neuf ans, est soumis a évaluation périodique visée dans l'article 39/29, en ce compris les mesures prévues aux §§ 3 et 5 en cas d'une première ou seconde mention "insuffisant". ".
Art. 125. In dezelfde wet wordt een artikel 39/33 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/33. § 1. De in deze afdeling bedoelde evaluatie wordt voorafgegaan door een planningsgesprek tussen de geëvalueerde en zijn beoordelaars. Tijdens de evaluatiecycli kunnen één of meerdere functioneringsgesprekken plaatsvinden.
  De beoordelaars maken gezamenlijk een ontwerp beoordeling op die desgevallend reeds een voorstel van eindbeoordeling "onvoldoende" kan bevatten. Dit ontwerp wordt vóór het evaluatiegesprek bij gedagtekend ontvangstbewijs meegedeeld aan de geëvalueerde. Het kan eventueel nog worden aangepast in functie van het onderhoud. Na dit onderhoud stellen de beoordelaars gezamenlijk een voorlopige beoordeling op.
  De eerste voorzitter zendt bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs een afschrift van de voorlopige beoordeling aan de betrokkene. Formuleert deze binnen de in het vierde lid bepaalde termijn geen schriftelijke opmerkingen op de voorlopige beoordeling, dan wordt deze na het verstrijken van deze termijn definitief.
  De betrokkene kan op straffe van verval binnen een termijn van tien dagen te rekenen van de kennisgeving van de voorlopige beoordeling, zijn schriftelijke opmerkingen bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs bezorgen aan de eerste voorzitter of de voorzitter, naargelang het geval, die het origineel bij het evaluatiedossier voegt en er een afschrift van bezorgt aan de beoordelaars. Deze stellen binnen de dertig dagen na ontvangst van een afschrift van deze opmerkingen, gezamenlijk een definitieve schriftelijke beoordeling op waarin ze deze opmerkingen schriftelijk beantwoorden. Binnen tien dagen na de ontvangst van de definitieve beoordeling, zendt de eerste voorzitter, een afschrift ervan bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs aan de betrokkene.
  § 2. De betrokkene die toepassing heeft gemaakt van § 1, vierde lid kan op straffe van verval, binnen een termijn van tien dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van de definitieve beoordeling, beroep instellen tegen de definitieve beoordeling bij :
  1° een beoordelingscommissie bestaande uit de korpschef, de voorzitter en alle kamervoorzitters wat de hoofdgriffier betreft;
  2° een beoordelingscommissie bestaande uit de korpschef en de voorzitter, wat de griffiers betreft.
  Het beroep wordt bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs ingediend bij de eerste voorzitter. Een tijdig ingesteld beroep schorst de uitvoering van de definitieve beoordeling.
  De in het eerste lid bedoelde beoordelingscommissie hoort de betrokkene indien die daarom in zijn beroepsschrift heeft verzocht. Zij beschikt over zestig dagen vanaf de ontvangst door de eerste voorzitter van het beroepsschrift, om een gemotiveerde eindbeslissing over de beoordeling te nemen.
  § 3. De evaluatiedossiers berusten bij de eerste voorzitter wat de hoofdgriffier betreft en bij de hoofdgriffier wat de griffiers betreft. De evaluaties zijn vertrouwelijk en kunnen te allen tijde door de betrokkenen worden ingekeken. Ze worden gedurende tenminste tien jaar bewaard.
  Bij elke benoeming, bij elke voordracht of hernieuwing van een mandaat wordt het evaluatiedossier van de laatste zes jaar van de betrokkene gevoegd ter attentie van de benoemende overheid.
  § 4. De Koning kan de nadere procedureregels voor de toepassing van deze bepaling vaststellen. ".
Art. 124. Dans le Titre Ibis, chapitre 3, section IV, de la même loi, il est inséré, sous une sous-section 2 "L'évaluation des greffiers", un article 39/32, rédigé comme suit :
  Sous-section 2. - L'évaluation des greffiers
  " Art. 39/32. § 1er. Tous les deux ans, un bulletin d'évaluation de tous les greffiers est établi.
  Dans le bulletin évaluation, le greffier en chef et le président de chambre expriment conjointement leur opinion quant à la valeur et au comportement du greffier, en ce compris la qualité des prestations, au moyen de formules descriptives, conformément aux indications mentionnées.
  A l'exclusion du greffier en chef, les évaluateurs doivent justifier par leur diplôme qu'ils ont passé l'examen de docteur, de licencié ou de master en droit dans la même langue, le français ou le néerlandais, que l'évalué.
  L'évaluation périodique ne comprend pas de mention finale, sauf si les évaluateurs estiment que l'évalué mérite une mention "insuffisant".
  Le Roi détermine les modalités d'application des présentes dispositions.
  § 2. Le bulletin d'évaluation est rédigé pour la première fois entre le neuvième et le douzième mois de service effectif.
  L'évaluation porte sur la période écoulée depuis le dernier bulletin d'évaluation.
  Le greffier peut demander une nouvelle évaluation, au plus tôt un an après la rédaction de l'évaluation précédente.
  § 3. Si un greffier a obtenu, lors d'une évaluation périodique, l'évaluation finale et définitive "insuffisant", celle-ci entraîne, à compter du premier jour du mois suivant la notification de l'évaluation définitive, la perte durant six mois de la dernière majoration triennale visée à l'article 3 de la loi du 5 avril 1955 relative aux traitements des titulaires d'une fonction au Conseil d'Etat et des magistrats et des membres du greffe et du Conseil du Contentieux des étrangers.
  Sans préjudice de l'alinéa 1er, les dérogations obtenues sont suspendues d'office pour la durée fixée à l'alinéa 1er en application de l'article 39/45 Aucune nouvelle dérogation n'est obtenue pendant cette période.
  En cas d'évaluation "insuffisant", l'intéressé fait l'objet d'une nouvelle évaluation après un délai d'un an.
  § 4. Après deux évaluations successives "insuffisant", le chef de corps fait une proposition de licenciement à l'autorité investie du pouvoir de nomination.
  Le membre du greffe concerné peut introduire un recours contre cette proposition, conformément à l'article 39/33. Ce recours est suspensif.
  Le licenciement pour inaptitude professionnelle est prononcé par l'autorité qui est investie du pouvoir de nomination.
  Une indemnité de départ est accordée au membre du greffe licencié pour inaptitude professionnelle. Cette indemnité est égale à douze fois la dernière rémunération mensuelle du membre du greffe lorsque celui-ci compte au moins vingt années de service, ou à huit fois ou à six fois cette rémunération selon que le membre compte dix ans de service ou moins.
  Pour l'application du présent §, il faut entendre par "rémunération" celle fixée en application de la loi du 5 avril 1955 relative aux traitements des titulaires d'une fonction au Conseil d'Etat, des magistrats et des membres du greffe du Conseil du Contentieux des étrangers. ".
Art. 126. In Titel Ibis, hoofdstuk 3, van dezelfde wet wordt een afdeling V ingevoegd met het volgende opschrift :
  " Afdeling V. - Uitoefening van het ambt".
Art. 125. Un article 39/33, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/33. § 1er. L'évaluation visée dans la présente section est précédée d'un entretien de planning entre l'évalué et ses évaluateurs. Un ou plusieurs entretiens de fonctionnement peuvent avoir lieu durant les cycles d'évaluation.
  Les évaluateurs rédigent conjointement un projet d'évaluation qui peut, le cas échéant, déjà comprendre une proposition d'évaluation finale "insuffisant". Ce projet est communiqué à l'évalué avant l'entretien d'évaluation, contre accusé de réception daté. Il peut être éventuellement adapté en fonction de l'entretien. Après cet entretien, les évaluateurs rédigent conjointement une évaluation provisoire.
  Le premier président communique une copie de l'évaluation provisoire à l'intéressé par accusé de réception daté ou par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception. Si l'intéressé ne formule pas de remarques écrites sur l'évaluation provisoire, dans le délai fixé à l'alinéa 4, celle-ci devient définitive, après l'expiration de ce délai.
  Sous peine de déchéance, l'intéressé peut, dans un délai de dix jours à compter de la notification de l'évaluation provisoire, adresser ses remarques écrites, contre accusé de réception daté ou par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, au premier président ou au président, selon le cas, lequel joint l'original au dossier d'évaluation et en transmet une copie aux évaluateurs. Ces évaluateurs rédigent conjointement, dans les trente jours de la réception de ces remarques, une évaluation écrite définitive dans laquelle ils répondent par écrit aux remarques. Dans les dix jours de la réception de l'évaluation définitive, le premier président en communique une copie à l'intéressé, contre accusé de réception daté ou par courrier recommandé avec accusé de réception.
  § 2. L'intéressé qui a fait application du § 1er, alinéa 4, peut, sous peine de déchéance, interjeter appel contre la décision définitive, dans un délai de dix jours à compter de la notification de l'évaluation définitive auprès :
  1° d'une commission d'évaluation composée du chef de corps, du président et de tous les présidents de chambre en ce qui concerne le greffier en chef;
  2° d'une commission évaluation composée du chef de corps et du président, en ce qui concerne les greffiers.
  Le recours est introduit auprès du premier président contre accusé de réception daté ou par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception. Un recours déposé dans les délais suspend l'exécution de l'évaluation définitive.
  La commission d'évaluation visée à l'alinéa 1er entend l'intéresse, s'il en a formulé la demande dans son recours. Elle dispose d'un délai de soixante jours à compter de la réception du recours par le premier président, pour prendre une décision finale motivée sur l'évaluation.
  § 3. Les dossiers d'évaluation sont conservés par le premier président en ce qui concerne le greffier en chef et par le greffier en chef en ce qui concerne les greffiers. Les évaluations sont confidentielles et peuvent être consultées à tout moment par les intéressés. Elles sont conservées pendant au moins dix ans.
  Lors de chaque nomination, lors de chaque proposition ou renouvellement de mandat, le dossier d'évaluation des six dernières années de l'intéressé est joint à l'attention de l'autorité investie du pouvoir de nomination.
  § 4. Le Roi peut fixer les règles de procédure plus précises pour l'application de cette disposition. ".
Art. 127. In dezelfde wet wordt een artikel 39/34 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/34. De Koning stelt, na gemotiveerd advies van de eerste voorzitter, de wijze vast waarop de werklast van de ambtsdrager wordt geregistreerd, alsook de wijze waarop deze geregistreerde gegevens worden geëvalueerd. ".
Art. 126. Dans le Titre Ibis, chapitre 3, de la même loi, il est inséré une section V, intitulée comme suit :
  " Section V. - L'exercice de la fonction".
Art. 128. In dezelfde wet wordt een artikel 39/35 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/35. Indien de afwezigheid van een lid van de Raad of van de griffie te wijten is aan ziekte, kan onderscheidenlijk de eerste voorzitter of de voorzitter, of de hoofdgriffier, de regelmatigheid van deze afwezigheid afhankelijk stellen van een medische controle door de Administratieve gezondheidsdienst die deel uitmaakt van het Bestuur van de Medische Expertise zoals bepaald in het administratief reglement van die dienst. ".
Art. 127. Un article 39/34, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/34. Le Roi détermine, après avis motivé du premier président, la manière dont est enregistrée la charge de travail du titulaire d'une fonction, ainsi que la manière dont ces données enregistrées sont évaluées. ".
Art. 129. In dezelfde wet wordt een artikel 39/36 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/36. De Koning bepaalt de ambtskledij die de leden van de Raad en van de griffie bij het uitoefenen van hun ambt en op openbare plechtigheden dragen.
  De Koning regelt de voorrang en eerbewijzen. ".
Art. 128. Un article 39/35, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/35. Si l'absence d'un membre du Conseil ou du greffe est due à la maladie, la régularité de cette absence peut être subordonnée par le premier président ou le président, ou le greffier en chef à un contrôle effectué par le Service de santé administratif qui fait partie de l'Administration de l'expertise médicale selon les modalités fixées dans le règlement administratif de ce service. ".
Art. 130. In Titel Ibis, hoofdstuk 3, van dezelfde wet wordt een afdeling VI ingevoegd met het volgende opschrift :
  " Afdeling VI. - Wedden, inrustestelling en pensioenen".
Art. 129. Un article 39/36, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/36. Le Roi prescrit le costume porté aux audiences et dans les cérémonies officielles par les membres du Conseil et du greffe.
  Le Roi règle la préséance et les honneurs. ".
Art. 131. In dezelfde wet wordt een artikel 39/37 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/37. De wedden, verhogingen en vergoedingen, toe te kennen aan de leden van de Raad en van de griffie worden bij de wet vastgesteld. ".
Art. 130. Dans le Titre Ibis, chapitre 3, de la même loi, il est inséré une section VI, intitulée comme suit :
  " Section VI. - Traitements, retraite et pensions".
Art. 132. In dezelfde wet wordt een artikel 39/38 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/38. § 1. De leden van de Raad worden in ruste gesteld wanneer zij wegens zware en blijvende gebrekkigheid niet meer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen of wanneer zij de leeftijd van zevenenzestig jaar hebben bereikt.
  De artikelen 391, 392, 393, 395, 396 en 397 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op de leden van de Raad.
  § 2. De leden van de griffie worden in ruste gesteld wanneer zij wegens zware en blijvende gebrekkigheid niet meer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen of wanneer zij 65 jaar oud zijn. De algemene wet op de burgerlijke pensioenen is op hen toepasselijk.
  De griffiers die bij het bereiken van de leeftijd van volle 65 jaar niet de wettelijke voorwaarden inzake dienst vervullen om een rustpensioen te verkrijgen, worden in disponibiliteit geplaatst volgens de regelen die voor het rijkspersoneel gelden. Zij die geen vijf jaar dienst tellen, worden echter in dienst gehouden, tot zij de wettelijke minimumdiensttijd hebben.
  § 3. De griffiers kunnen, op voorstel van de Raad bij uitzondering in dienst worden gehouden boven de § 2 gestelde grens, ingeval de Raad bij hun verdere medewerking bijzonder belang heeft en zij, als zij in ruste werden gesteld, zouden moeten vervangen worden.
  De Koning beslist over het in dienst houden van leden van de griffie, op advies van de in Raad vergaderde Ministers.
  De indiensthouding geldt slechts voor één jaar; zij kan worden vernieuwd.
  § 4. Voor de toepassing van het tweede en vierde lid van artikel 8, § 1, van de algemene wet van 21 juni 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen worden de in artikel 39/23 bedoelde aanwijzingen gelijkgesteld met vaste benoemingen. ".
Art. 131. Un article 39/37, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/37. Une loi fixe les traitements, majorations et indemnités alloués aux membres du Conseil et du greffe. ".
Art. 133. In dezelfde wetten wordt een artikel 39/39 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/39. De leden van de Raad en van de griffie die door een zware en blijvende gebrekkigheid niet meer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen en niet om hun inrustestelling hebben verzocht, worden bij ter post aangetekende brief ambtshalve gewaarschuwd door de eerste voorzitter. Betreft het de eerste voorzitter dan waarschuwt de voorzitter of omgekeerd. ".
Art. 132. Un article 39/38, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/38. § 1er. Les membres du Conseil sont mis à la retraite si, en raison d'une infirmité grave et permanente, ils ne sont plus à même de remplir dûment leur fonction, ou s'ils ont atteint l'âge de soixante-sept ans.
  Les articles 391, 392, 393, 395, 396 et 397 du Code judiciaire sont applicables aux membres du Conseil.
  § 2. Les membres du greffe sont mis à la retraite lorsqu'une infirmité grave et permanente ne leur permet plus de remplir convenablement leurs fonctions ou lorsqu'ils ont atteint l'âge de 65 ans. La loi générale sur les pensions civiles leur est applicable.
  Les greffiers qui, à l'âge de soixante-cinq ans accomplis, ne réunissent pas les conditions légales de service pour obtenir une pension de retraite, sont placés dans la position de disponibilité selon le même régime que celui qui est prévu pour les agents de l'Etat. Ceux qui n'ont pas cinq années de service, sont maintenus en activité jusqu'à ce qu'ils aient atteint l'ancienneté de service minimale légalement requise.
  § 3. Les greffiers peuvent, sur la proposition du Conseil, être exceptionnellement maintenus en activité au-delà des limites fixées au § 2, dans le cas où le Conseil a un intérêt particulier à conserver leur concours, alors qu'ils devraient être remplacés s'ils étaient mis à la retraite.
  Le Roi statue sur le maintien en activité des greffiers sur avis des Ministres réunis en Conseil.
  Le maintien en activité n'a effet que pour un an; il peut être renouvelé.
  § 4. Pour l'application des aliènes 2 et 4 de l'article 8, § 1er, de la loi générale du 21 juillet 1844 sur les pensions civiles et ecclésiastiques, les désignations visées à l'article 39/23 sont assimilées à des nominations définitives. ".
Art. 134. In dezelfde wetten wordt een artikel 39/40 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/40. Heeft het lid van de Raad of van de griffie dat binnen een maand na de waarschuwing niet om zijn inrustestelling verzocht, dan komt de Raad in de raadkamer in algemene vergadering bijeen om uitspraak te doen over de inrustestelling van betrokkene.
  Ten minste vijftien dagen voor de datum waarop de algemene vergadering van de Raad is vastgesteld, wordt aan betrokkene kennis gegeven van de dag en het uur van de zitting waarop hij zal worden gehoord en wordt hij tegelijk verzocht zijn opmerkingen schriftelijk naar voren te brengen
  Die kennisgeving en dat verzoek worden hem toegezonden bij aangetekende brief met ontvangstmelding. ".
Art. 133. Un article 39/39, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/39. Les membres du Conseil et du greffe qui, atteints d'une infirmité grave et permanente, ne sont plus en mesure de remplir convenablement leur fonction et qui n'ont pas demandé leur retraite, sont avertis par lettre recommandé à la poste, à la demande du premier président. S'il s'agit du premier président, l'avertissement est donné par le président, ou l'inverse. ".
Art. 135. In dezelfde wetten wordt een artikel 39/41 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/41. Van de beslissing wordt aan de betrokkene terstond kennis gegeven. Heeft deze zijn schriftelijke opmerkingen niet naar voren gebracht, dan gaat de beslissing eerst in kracht van gewijsde nadat daartegen binnen vijf dagen, te rekenen van de kennisgeving, niet in verzet is gekomen.
  Betrokkene kan geen verzet aantekenen in het geval waar hij door de algemene vergadering van de Raad werd gehoord, maar geen schriftelijke opmerkingen heeft ingediend.
  Het verzet is slechts ontvankelijk zo dit geschiedt bij aangetekende brief. De akte van verzet bevat, op straffe van nietigheid, de middelen van de eiser in verzet.
  Wanneer de eiser in verzet een tweede maal verstek laat gaan, is een nieuw verzet niet meer ontvankelijk. ".
Art. 134. Un article 39/40, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/40. Si, dans le mois de l'avertissement, le membre du Conseil ou du greffe n'a pas demandé sa retraite, le Conseil se réunit en assemblée générale en chambre du conseil pour statuer sur la mise à la retraite de l'intéressé.
  Quinze jours au moins avant la date qui a été fixée pour l'assemblée générale du Conseil, l'intéressé est informé du jour et l'heure de la séance lors de laquelle il sera entendu et est en même temps invité à soumettre ses observations par écrit.
  Cette information et cette demande lui sont envoyées par lettre recommandée avec accusé de réception. ".
Art. 136. In dezelfde wetten wordt een artikel 39/42 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/42. De beslissing gewezen op de opmerkingen van het betrokken lid van de Raad of van de griffie, of op zijn verzet, is in laatste aanleg. ".
Art. 135. Un article 39/41, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/41. La décision est immédiatement notifiée à l'intéressé. Si celui-ci n'a pas fourni d'observations par écrit, la décision ne passe en force de chose jugée que s'il n'a pas été formé d'opposition dans les cinq jours à dater de la notification.
  L'intéressé ne peut pas faire opposition lorsqu'il a été entendu par l'assemblée générale du Conseil mais n'a pas fourni d'observations par écrit.
  L'opposition n'est recevable que si elle est introduite par lettre recommandée. L'acte d'opposition contient, sous peine de nullité, les moyens du demandeur en opposition.
  Lorsque le demandeur en opposition fait défaut une seconde fois, une nouvelle opposition n'est plus recevable. ".
Art. 137. In dezelfde wetten wordt een artikel 39/43 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/43. De kennisgevingen worden gedaan door de hoofdgriffier van de Raad, die daarvan bij proces-verbaal moet doen blijken. ".
Art. 136. Un article 39/42, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/42. La décision rendue soit, sur les observations du membre concerné du Conseil ou du greffe, soit sur son opposition, est en dernière instance. ".
Art. 138. In dezelfde wetten wordt een artikel 39/44 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/44. De beslissing bedoeld in artikel 39/42 wordt aan de Minister toegezonden binnen vijftien dagen nadat zij in kracht van gewijsde is gegaan. ".
Art. 137. Un article 39/43, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/43. Les notifications sont faites par le greffier en chef du Conseil qui est tenu de les constater par un procès-verbal. ".
Art. 139. In Titel Ibis, hoofdstuk 3, van dezelfde wet wordt een afdeling VII ingevoegd met het volgende opschrift :
  " Afdeling VII. Onverenigbaarheden en tucht".
Art. 138. Un article 39/44, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/44. La décision visée à l'article 39/42, lorsqu'elle est passée en force de chose jugée, est envoyée dans les quinze jours au Ministre. ".
Art. 140. In dezelfde wetten wordt een artikel 39/45 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/45. De ambten van lid van de Raad en van de griffie zijn onverenigbaar met de rechterlijke ambten, met de uitoefening van een bij verkiezing verleend openbaar mandaat, met enige bezoldigde openbare functie of openbaar ambt van politieke of administratieve aard, met het ambt van notaris of van gerechtsdeurwaarder, met het beroep van advocaat, met de militaire stand en met de geestelijke stand.
  Van het eerste lid kan worden afgeweken :
  1° wanneer het gaat om de uitoefening van het ambt van hoogleraar of leraar, docent, lector of assistent in een inrichting voor hoger onderwijs, voorzover dat ambt gedurende niet meer dan vijf uur per week en gedurende niet meer dan twee halve dagen per week wordt uitgeoefend;
  2° wanneer het gaat om de uitoefening van het ambt van lid van een examencommissie;
  3° wanneer het gaat om de deelneming aan een commissie, een raad of comité van advies, voor zover het aantal bezoldigde opdrachten of ambten beperkt blijft tot twee en het geheel van de bezoldiging niet hoger is dan het tiende deel van de jaarlijkse brutowedde van het hoofdambt in de Raad.
  Deze afwijkingen worden door de Koning of door de Minister toegestaan, naargelang het gaat om een afwijking bepaald in het 1/ dan wel in het 2/ en het 3/. Zij worden toegestaan na eensluidend advies van de eerste voorzitter. ".
Art. 139. Dans le Titre Ibis, chapitre 3, de la même loi, il est inséré une section VII, intitulée comme suit :
  " Section VII. - Des incompatibilités et de la discipline".
Art. 141. In dezelfde wetten wordt een artikel 39/46 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/46. De leden van de Raad en van de griffie, mogen niet voor enige andere openbare dienst worden opgevorderd, behoudens de gevallen die de wet bepaalt. ".
Art. 140. Un article 39/45, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/45. Les fonctions de membre du Conseil et du greffe sont incompatibles avec les fonctions judiciaires, avec l'exercice d'un mandat public conféré par élection, avec toute fonction ou charge publique rémunérée d'ordre politique ou administratif, avec les charges de notaire et d'huissier de justice, avec la profession d'avocat, avec l'état militaire et l'état ecclésiastique.
  Il peut être dérogé à l'alinéa 1er :
  1° lorsqu'il s'agit de l'exercice de fonctions de professeur, chargé de cours, maître de conférence ou assistant dans les établissements d'enseignement supérieur, pour autant que ces fonctions ne s'exercent pas pendant plus de cinq heures par semaine ni plus de deux demi-journées par semaine;
  2° lorsqu'il s'agit de l'exercice de fonctions de membre d'un jury d'examen;
  3° lorsqu'il s'agit de la participation à une commission, à un Conseil ou comité consultatif, pour autant que le nombre de charges ou fonctions rémunérées soit limité à deux et que l'ensemble de leurs rémunérations ne soit pas supérieur au dixième du traitement brut annuel de la fonction principale au Conseil.
  Ces dérogations sont accordées par le Roi ou par le Ministre, selon qu'elles sont prévues au 1/ ou aux 2/ et 3/. Elles sont accordées sur avis conforme du premier président. ".
Art. 142. In dezelfde wetten wordt een artikel 39/47 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/47. Het is hun verboden :
  1° mondeling of schriftelijk de verdediging van de belanghebbenden te voeren of hun consult te geven;
  2° in een scheidsgerecht op te treden tegen bezoldiging;
  3° hetzij persoonlijk, hetzij door een tussenpersoon, enige handel te drijven, als zaakwaarnemer op te treden, deel te nemen aan de leiding of het beheer van of aan het toezicht op handelsvennootschappen of nijverheids- of handelsverrichtingen.
  In afwijking van het eerste lid, 3/, kan de Koning, in bijzondere gevallen, de deelneming in het toezicht op industriële vennootschappen of inrichtingen toestaan. ".
Art. 141. Un article 39/46, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/46. Les membres du Conseil et du greffe ne peuvent être requis pour aucun autre service public, sauf les cas prévus par la loi. ".
Art. 143. In dezelfde wetten wordt een artikel 39/48 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/48. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de leden van de Raad en van de griffie voor wat de inlichtingen betreft waarvan zij in de uitoefening van hun ambt kennis krijgen. ".
Art. 142. Un article 39/47, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/47. Ils ne peuvent :
  1° assumer la défense des intéressés, ni verbalement, ni par écrit, ni leur donner des consultations;
  2° faire d'arbitrage rémunéré;
  3° soit personnellement, soit par personne interposée, n'exercer aucune espèce de commerce, être agent d'affaires, participer à la direction, à l'administration ou à la surveillance de sociétés commerciales ou d'établissements industriels ou commerciaux.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, 3/, le Roi peut, dans des cas particuliers, autoriser la participation à la surveillance de sociétés ou d'établissements industriels. ".
Art. 144. In dezelfde wetten wordt een artikel 39/49 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/49. De leden van de Raad en van de griffie kunnen met hun instemming en op het advies van de eerste voorzitter door de Koning tijdelijk belast worden met het vervullen van een opdracht of het uitoefenen van een ambt bij een nationale instelling. Indien de taken die hun aldus worden opgedragen hun niet meer toelaten hun ambt in de Raad te vervullen, worden zij gedetacheerd.
  De detachering mag voor niet langer dan één jaar worden toegestaan. Onder de in het eerste lid bepaalde voorwaarden kan de detachering evenwel telkens voor ten hoogste één jaar worden verlengd, zonder dat de totale duur van de detachering zes jaar mag overtreffen.
  Indien betrokkene bij het verstrijken van de detacheringstermijn zijn ambt in de Raad niet opnieuw heeft opgenomen, wordt hij geacht ontslag te hebben genomen.
  De gedetacheerde leden behouden hun plaats op de ranglijst. De in de stand van detachering doorgebrachte tijd wordt als een periode van werkelijke dienst beschouwd. Zij blijven de aan hun ambt in de Raad verbonden wedde genieten. Geen enkele aanvullende bezoldiging, noch vergoeding mag hun worden verleend, buiten diegene welke de werkelijke lasten verbonden aan de toevertrouwde opdrachten of ambten dekken en diegene welke door de Koning in ieder bijzonder geval worden bepaald.
  De houder van een mandaat van korpschef of van een adjunct-mandaat van voorzitter kan niet worden gedetacheerd. De houder van een adjunct-mandaat van kamervoorzitter of hoofdgriffier kan worden gedetacheerd voor een beperkte periode die de termijn van een jaar niet mag overschrijden.
  Indien de beheerder een lid van de Raad of van de griffie is, geschiedt in afwijking van het tweede lid, de detachering voor de duur van het mandaat van beheerder.
  Niet meer dan vier leden van de Raad of de griffie mogen worden gedetacheerd. Niet meer dan drie van de gedetacheerde leden mogen tot dezelfde taalrol behoren. ".
Art. 143. Un article 39/48, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/48. L'article 458 du Code pénal est applicable aux membres du Conseil et du greffe en ce qui concerne les renseignements dont ils ont connaissance dans l'exercice de leur fonction. ".
Art. 145. In dezelfde wetten wordt een artikel 39/50 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/50. Met uitsluiting van de houder van een mandaat van korpschef kunnen de leden van de Raad en van de griffie, op het advies van de eerste voorzitter, door de Koning worden gemachtigd om een opdracht te vervullen of een ambt uit te oefenen, bij supranationale, internationale of vreemde instellingen.
  Ingeval de hun aldus toegewezen taak hen in de onmogelijkheid stelt hun ambt bij de Raad uit te oefenen worden zij buiten kader gesteld.
  De totale duur van de buitenkaderstelling mag niet langer zijn dan de periode van werkelijke dienst bij de Raad.
  De betrokkenen die buiten kader gesteld zijn, ontvangen niet langer de wedde die aan hun ambt bij de Raad verbonden is en komen niet meer in aanmerking voor bevorderingen. Zij behouden hun recht om wederopgenomen te worden in hun vroeger ambt bij de Raad ongeacht het aantal plaatsen bepaald in artikel 39/4.
  Indien de betrokkenen bij het verstrijken van de duur van de buitenkaderstelling hun ambt in de Raad niet opnieuw hebben opgenomen, worden zij geacht ontslag te hebben genomen.
  De personen bedoeld in het tweede lid mogen de duur van hun opdracht doen gelden voor de berekening van hun pensioen, voor zover deze niet reeds voor die berekening in aanmerking is genomen. Het aldus berekend pensioen wordt verminderd met het netto bedrag van het pensioen dat aan de betrokkene uit hoofde van zijn opdracht wordt toegekend door de buitenlandse regering, het buitenlandse bestuur of de supranationale of internationale instelling waarbij hij ze heeft vervuld. Die vermindering wordt slechts toegepast op de pensioenverhoging voortvloeiend uit de tenlasteneming door de Schatkist van de duur van die opdracht. ".
Art. 144. Un article 39/49, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/49. Les membres du Conseil ou du greffe peuvent moyennant leur consentement et sur avis du premier président être chargés temporairement par le Roi d'accomplir des missions ou d'exercer des fonctions auprès d'institutions nationales. Au cas où les tâches qui leur sont attribuées ne leur permettent plus de s'acquitter de leurs fonctions au Conseil, ils font l'objet d'une mesure de détachement.
  La durée du détachement ne peut excéder un an. Des prorogations peuvent toutefois être accordées aux conditions fixées à l'alinéa 1er, pour des périodes d'un an au plus, sans que la durée totale du détachement puisse excéder six ans.
  Si, à l'expiration du détachement, l'intéressé n'a pas repris ses fonctions au Conseil, il est réputé démissionnaire.
  Les titulaires détachés conservent leur place sur la liste de rang. Le temps qu'ils passent dans la position de détachement est considéré comme une période de service effectif. Ils continuent à percevoir le traitement attaché à leurs fonctions au Conseil. Aucune rétribution complémentaire ne peut leur être accordée, ni aucune indemnité en dehors de celles qui couvrent des charges réelles inhérentes aux missions ou aux fonctions confiées et de celles qui sont fixées par le Roi dans chaque cas particulier.
  Le titulaire d'un mandat de chef de corps ou d'un mandat adjoint de président ne peut être détache. Le titulaire d'un mandat adjoint de président de chambre ou de greffier en chef peut être détaché pour une période limitée, qui ne peut excéder un an.
  Si l'administrateur est un membre du Conseil ou du greffe, le détachement est effectué, par dérogation à l'alinéa 2, pour la durée du mandat de l'administrateur.
  Ne peuvent pas être détachés plus de quatre membres du Conseil ou du greffe. Pas plus de trois des membres détachés ne peuvent appartenir au même rôle linguistique. ".
Art. 146. In dezelfde wetten wordt een artikel 39/51 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/51. De leden van de Raad of van de griffie die gedetacheerd zijn of buiten kader zijn gesteld, kunnen niettegenstaande het in artikel 39/4, bepaalde aantal plaatsen worden vervangen, maar dan tot ten hoogste twee leden van de Raad en één lid van de griffie.
  Voor de toepassing van artikel 39/4 worden benoemingen om in een vervanging te voorzien als benoemingen in nieuwe plaatsen beschouwd.
  Zij aan wie een ambt wordt begeven om in een vervanging te voorzien, worden vast benoemd. Van rechtswege bezetten zij de in artikel 39/4 bedoelde plaatsen naargelang deze vrijkomen en voor zover zij het bewijs leveren van de talenkennis die voor het bekleden van de vrijgekomen plaats vereist is. ".
Art. 145. Un article 39/50, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/50. A l'exception du titulaire d'un mandat de chef de corps les membres du Conseil ou du greffe peuvent être autorisés par le Roi, moyennant l'avis du premier président, a accomplir des missions ou à exercer des fonctions auprès d'institutions supranationales, internationales ou étrangères.
  Au cas où les tâches qui leur sont ainsi attribuées ne leur permettent plus de s'acquitter de leur fonction au Conseil, ils sont placés hors cadre.
  La durée totale de la mise hors cadre ne peut excéder les périodes d'exercice effectif de fonctions au Conseil.
  Les intéressés mis hors cadre cessent de percevoir le traitement attaché à leurs fonctions au Conseil et de participer à l'avancement. Ils conservent le droit de réintégrer leurs fonctions antérieures au Conseil nonobstant le nombre de places fixé par l'article 39/4.
  Si, à l'expiration de la durée de la mise hors cadre, les intéressés n'ont pas réintégré leur fonction au Conseil, ils sont réputés démissionnaires.
  Les personnes visées à l'alinéa 2 sont autorisées à compter la durée de leur mission dans le calcul de leur pension, pour autant qu'elle n'ait pas déjà été prise en considération pour ce calcul. La pension ainsi calculée est diminuée du montant net de la pension octroyée à l'intéressé, du chef de la mission lui attribuée par le gouvernement étranger, l'administration étrangère ou l'organisme supranational ou international auprès duquel il l'a accomplie. Cette réduction ne s'applique qu'à l'accroissement de pension résultant de la prise en charge, par le Trésor, de la durée de cette mission. ".
Art. 147. In dezelfde wetten wordt een artikel 39/52 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/52. De bloed- en aanverwanten, tot en met de graad van oom en neef, mogen, tenzij de Koning dit verbod heeft opgeheven, niet tegelijkertijd van de Raad deel uitmaken; zij mogen niet tegelijkertijd zetelen, behalve op de algemene vergaderingen. ".
Art. 146. Un article 39/51, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/51. Les membres du Conseil ou du greffe qui sont détachés ou placés hors cadre peuvent être remplacés nonobstant le nombre de places fixé par l'article 39/4, tout au plus à raison de deux membres du Conseil et d'un membre du greffe.
  Pour l'application de l'article 39/4 les nominations faites en vue d'assurer des remplacements sont considérées comme des nominations à de nouvelles places.
  Les titulaires des fonctions conférées pour assurer des remplacements sont nommés définitivement. Ils accèdent de plein droit, au fur et à mesure des vacances, aux places prévues par l'article 39/4, pour autant qu'ils justifient des connaissances linguistiques requises pour la place devenue vacante. ".
Art. 148. In dezelfde wetten wordt een artikel 39/53 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/53. Ieder lid van de Raad dat tekort gekomen is aan de waardigheid van zijn ambt of aan de plichten van zijn staat, kan, volgens het geval, van zijn ambt vervallen verklaard of daarin geschorst worden, bij een arrest dat door de Raad van State, in algemene vergadering, op advies van de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal naargelang het geval wordt uitgesproken.
  De leden van de griffie kunnen door de Koning om dezelfde redenen worden geschorst en ontslagen, de Raad gehoord. ".
Art. 147. Un article 39/52, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/52. Les parents et alliés, jusqu'au degré d'oncle et de neveu inclus, ne peuvent être membres du Conseil simultanément sans une dispense du Roi; ils ne peuvent siéger simultanément, sauf aux assemblées générales. ".
Art. 149. In Titel Ibis, van dezelfde wet, wordt een hoofdstuk 4 ingevoegd met het volgende opschrift :
  " Hoofdstuk 4. De beheerder en het administratief personeel. "
Art. 148. Un article 39/53, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/53. Tout membre du Conseil qui a manque à la dignité de ses fonctions ou aux devoirs de son état peut, suivant le cas, être déclaré déchu ou suspendu de ses fonctions par arrêt rendu en assemblée générale par le Conseil d'Etat sur avis de l'auditeur général ou de l'auditeur général adjoint selon le cas.
  Les membres du greffe peuvent être suspendus et révoqués pour les mêmes motifs par le Roi, le Conseil entendu. ".
Art. 150. In dezelfde wet wordt een artikel 39/54 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/54. De Minister stelt aan de Raad het personeel en de middelen ter beschikking die nodig zijn voor het vervullen van hun opdracht.
  De vaste en de tijdelijke personeelsformatie van de Raad, ingedeeld bij het centraal bestuur van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken, wordt door de Koning vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd besluit. ".
Art. 149. Dans le Titre Ibis, de la même loi, il est inséré un chapitre 4, intitulé comme suit :
  " Chapitre 4. L'administrateur et le personnel administratif. "
Art. 151. In dezelfde wet wordt een artikel 39/55 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/55. De Koning benoemt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de algemene vergadering van de Raad, een beheerder voor een hernieuwbare periode van vijf jaar.
  Niemand kan benoemd worden tot beheerder indien hij :
  1° niet de leeftijd van 30 jaar heeft bereikt;
  2° geen houder is van een diploma dat toegang verleent tot de betrekkingen van niveau A in de Rijksbesturen of een dergelijke betrekking uitoefent;
  3° niet het bewijs levert van ten minste 3 jaar ervaring in het domein van de te begeven functie.
  Onverminderd de bepalingen van deze wet zijn de bepalingen tot regeling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van de Ministeries van toepassing op de beheerder. De Koning bepaalt de weddenschaal van het personeel van niveau A van de federale overheidsdiensten die aan de beheerder wordt toegekend, zonder dat die hoger mag zijn dan die welke is toegekend aan de beheerder van de Raad van State. De beheerder moet het bewijs leveren van de kennis van de andere taal, Nederlands of Frans, dan die van zijn diploma. ".
Art. 150. Un article 39/54, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/54. Le Ministre met à la disposition du Conseil le personnel et les moyens nécessaires à la réalisation de sa mission.
  La composition permanente et temporaire du personnel du Conseil incorporé dans l'administration centrale du Service Public Fédéral Intérieur, est fixée par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des Ministres. ".
Art. 152. In Titel Ibis, van dezelfde wet worden een hoofdstuk 5 en een afdeling I ingevoegd met het volgende opschrift :
  " Hoofdstuk 5. - De rechtspleging
  Afdeling I. - Gemeenschappelijke bepalingen. ".
Art. 151. Un article 39/55, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  Art. 39/55. Le Roi nomme, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avis de l'assemblée générale du Conseil, un administrateur pour une période de cinq ans renouvelable :
  Personne ne peut être nommé administrateur s'il :
  1° n'a pas 30 ans accomplis;
  2° n'est pas titulaire d'un diplôme donnant accès aux emplois de niveau A dans les administrations de l'Etat ou qui exerce un tel emploi;
  3° ne justifie pas d'une expérience de 3 ans au moins dans le domaine de la fonction à conférer.
  Sans préjudice des dispositions de la présente loi, les dispositions réglant le régime administratif et pécuniaire du personnel des ministères sont applicables à l'administrateur. Le Roi fixe l'échelle barémique du personnel de niveau A des services publics fédéraux qui est affecté à l'administrateur, sans que celui-ci puisse être plus élevé celui affecté à l'administrateur du Conseil d'Etat. L'administrateur doit justifier de la connaissance de l'autre langue, française ou néerlandaise, que celle de son diplôme. ".
Art. 153. In dezelfde wet wordt een artikel 39/56, ingevoegd luidende :
  " Art. 39/56. De beroepen bedoeld in artikel 39/2 kunnen voor de Raad worden gebracht door de vreemdeling die doet blijken van een benadeling of van een belang.
  De Minister of diens gemachtigde kan een beroep instellen tegen een beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die hij strijdig acht met de wet of met de koninklijke besluiten die ermee in verband staan.
  De partijen mogen zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door advocaten die ingeschreven zijn op de tabel van de Orde der Advocaten of op de lijst van de stagiairs, alsook, volgens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, door de onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie die gerechtigd zijn om het beroep van advocaat uit te oefenen.
  Onverminderd deze mogelijkheid, wordt bij een beroep tegen een beslissing van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, deze partij vertegenwoordigd door de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, door een van de adjuncten of door een door de Commissaris-Generaal aangewezen gemachtigde. ".
Art. 152. Dans le Titre Ibis, de la même loi, il est inséré un chapitre 5 et une section Ire, intitules comme suit :
  " Chapitre 5. - La procédure
  Section Ire. - Dispositions communes. ".
Art. 154. In dezelfde wet wordt een artikel 39/57 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/57. Het beroep tegen een beslissing bedoeld in artikel 39/2, § 1, eerste lid, met uitzondering van de beslissingen bedoeld in het derde lid van dezelfde paragraaf, moet worden ingesteld met een verzoekschrift binnen de vijftien dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen het is gericht.
  Het in artikel 39/2, §§ 1, derde lid, en 2, bedoeld beroep tot nietigverklaring moet worden ingesteld met een verzoekschrift binnen de dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen het is gericht. ".
Art. 153. Un article 39/56, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art.39/56. Les recours visés à l'article 39/2 peuvent être portés devant le Conseil par l'étranger justifiant d'une lésion ou d'un intérêt.
  Le Ministre ou son délégué peut introduire un recours à l'encontre d'une décision du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, s'il l'estime contraire à la loi ou aux arrêtés royaux qui y sont afférents.
  Les parties peuvent se faire représenter ou assister par des avocats inscrits au tableau de l'Ordre des Avocats ou sur la liste des stagiaires ainsi que, selon les dispositions du Code judiciaire, par les ressortissants d'un Etat membre de l'Union européenne qui sont habilités à exercer la profession d'avocat.
  Sans préjudice de cette possibilité, lorsqu'un recours est introduit contre une décision du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, cette partie est représentée par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, par un des adjoints ou par un délégué que le Commissaire général désigne à cette fin. ".
Art. 155. In dezelfde wet wordt een artikel 39/58. ingevoegd luidende :
  " Art. 39/58. Degenen, met inbegrip van de tussenkomende partij, die een beroep of vordering instellen als bedoeld in dit hoofdstuk, moeten in België woonplaats kiezen.
  De keuze van woonplaats die vastgelegd wordt in de eerste proceshandeling geldt voor de latere handelingen, behoudens kennisgeving aan de griffier bij aangetekende brief van een uitdrukkelijke wijziging.
  Onverminderd de mogelijkheid tot uitdrukkelijke wijziging in de loop van de procedure op de wijze bepaald in het tweede lid, geldt de keuze van woonplaats die is vastgelegd in de akte bevattende de vordering tot nietigverklaring en tot schorsing zowel in de procedure tot schorsing als in die tot vernietiging.
  Elke kennisgeving wordt door de griffier geldig ter gekozen woonplaats gedaan. ".
Art. 154. Un article 39/57, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/57. Le recours contre une décision visée à l'article 39/2, § 1er, alinéa 1er, à l'exception des décisions visées à l'alinéa 3 du même paragraphe, doit être introduit par requête dans les quinze jours suivant la notification de la décision contre laquelle il est dirigé.
  Le recours en annulation visé à l'article 39/2, §§ 1er, alinéa 3, et 2, doit être intenté à l'aide d'une requête dans un délai de trente jours après notification de la décision contre laquelle elle est dirigée. ".
Art. 156. In dezelfde wet wordt een artikel 39/59 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/59. § 1. Wanneer de verwerende partij het administratief dossier niet binnen de vastgestelde termijn toestuurt, worden de door de verzoekende partij aangehaalde feiten als bewezen geacht.
  Dit vermoeden is niet van toepassing in het geval van tussenkomst bedoeld in artikel 39/72, § 2.
  De nota ingediend door de verwerende partij wordt ambtshalve uit de debatten geweerd wanneer zij niet is ingediend binnen de termijn bepaald in artikel 39/72.
  § 2. Alle partijen verschijnen ter terechtzitting of zijn er vertegenwoordigd.
  Wanneer de verzoekende partij noch verschijnt noch vertegenwoordigd is, wordt het beroep verworpen. De andere partijen die niet zijn verschenen of niet vertegenwoordigd zijn, worden geacht in te stemmen met de vordering of het beroep. In elke kennisgeving van een beschikking tot vaststelling van de rechtsdag wordt melding gemaakt van deze paragraaf. ".
Art. 155. Un article 39/58 rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/58. Quiconque, y compris la partie intervenante, introduit un recours ou une demande visé dans le présent chapitre, est tenu d'élire domicile en Belgique.
  L'élection de domicile qui est faite dans le premier acte de la procédure, vaut pour les actes subséquents, sauf notification au greffier d'une modification expresse, par lettre recommandée.
  Sans préjudice de la possibilité de modification expresse, de la manière prévue à l'alinéa 2, dans le cours des procédures, l'élection de domicile faite dans l'acte contenant le recours en annulation et la demande en suspension, vaut tant pour la procédure de suspension que pour celle d'annulation.
  Toute signification est valablement faite par le greffier au domicile élu. ".
Art. 157. In dezelfde wet wordt een artikel 39/60 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/60. De procedure is schriftelijk.
  De partijen en hun advocaat mogen ter terechtzitting hun opmerkingen mondeling voordragen. Geen andere middelen mogen worden aangevoerd dan die welke in het verzoekschrift of in de nota uiteengezet zijn. ".
Art. 156. Un article 39/59, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/59. § 1er. Lorsque la partie défenderesse ne transmet pas le dossier administratif dans le délai fixé, les faits invoqués par la partie requérante sont réputés prouvés.
  Cette présomption ne s'applique pas en cas d'intervention sur la base de l'article 39/72, § 2.
  La note introduite par la partie défenderesse est écartée d'office des débats lorsqu'elle n'est pas introduite dans le délai fixé dans l'article 39/72.
  § 2. Toutes les parties comparaissent ou sont représentées à l'audience.
  Lorsque la partie requérante ne comparaît pas, ni n'est représentée, la requête est rejetée. Les autres parties qui ne comparaissent ni ne sont représentées sont censées acquiescer à la demande ou au recours. Toute signification d'une ordonnance de fixation d'audience fait mention du présent paragraphe. ".
Art. 158. In dezelfde wet wordt een artikel 39/61 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/61. De partijen en hun advocaat kunnen gedurende de in de beschikking tot vaststelling van de rechtsdag bepaalde termijn ter griffie inzage nemen van het dossier. ".
Art. 157. Un article 39/60 rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/60. La procédure est écrite.
  Les parties et leur avocat peuvent exprimer leurs remarques oralement à l'audience. Il ne peut être invoque d'autres moyens que ceux exposés dans la requête ou dans la note. ".
Art. 159. In dezelfde wet wordt een artikel 39/62 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/62. De Raad voert rechtstreeks briefwisseling met de partijen.
  Hij is gerechtigd alle bescheiden en inlichtingen omtrent de zaken waarover hij zich uit te spreken heeft, door deze partijen te doen overleggen. ".
Art. 158. Un article 39/61, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/61. Les parties et leurs avocats peuvent consulter le dossier au greffe durant le délai fixé dans l'ordonnance de fixation d'audience. ".
Art. 160. In dezelfde wet wordt een artikel 39/63 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/63. Wanneer de Raad een beroep doet op de hulp van een tolk, legt deze de eed af in de volgende termen : "Ik zweer getrouwelijk de gezegden te vertolken welke aan personen die verschillende talen spreken, moeten overgezegd worden". ".
Art. 159. Un article 39/62, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/62. Le Conseil correspond directement avec les parties.
  Il est habilité à se faire remettre par ces parties toutes les pièces et informations concernant les affaires sur lesquelles il doit se prononcer. ".
Art. 161. In dezelfde wet wordt een artikel 39/64 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/64. De terechtzittingen van de Raad zijn openbaar.
  Indien deze met toepassing van artikel 39/77, § 1, eerste lid gehouden worden op de welbepaalde plaats waar de vreemdeling zich bevindt of op de plaats waar hij ter beschikking gesteld wordt van de Regering, is er openbaarheid binnen de perken dat de plaatsgesteldheid dit toelaat.
  De kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken kan ambtshalve of op verzoek van een van de partijen bevelen dat de zaak met gesloten deuren wordt behandeld.
  Hij kan dat eveneens bevelen wanneer het administratief dossier stukken bevat die hij, ambtshalve of op vraag van een van de partijen, als vertrouwelijk heeft erkend. ".
Art. 160. Un article 39/63, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/63. Lorsque le Conseil fait appel à l'assistance d'un interprète, celui-ci prête serment dans les termes suivants : "Je jure de traduire fidèlement les discours à transmettre entre ceux qui parlent des langages différents". ".
Art. 162. In dezelfde wet wordt een artikel 39/65 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/65. De uitspraken van de Raad zijn met redenen omkleed. Ze worden ondertekend door de voorzitter en een lid van de griffie.
  Een tussen- of een einduitspraak wordt aan de partijen ter kennis gebracht volgens de modaliteiten bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Dit koninklijk besluit kan eveneens de gevallen bepalen waarin kan worden volstaan met een kennisgeving aan de in het geding zijnde administratieve overheden van het dispositief en het voorwerp, alsook de vorm waarin en de voorwaarden waaronder deze beperkte kennisgeving geschiedt en de wijze waarop deze uitspraken voor deze partij in hun totaalversie toegankelijk zijn.
  De uitspraken van de Raad zijn toegankelijk voor het publiek in de gevallen, in de vorm en onder de voorwaarden bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  De Raad zorgt voor de publicatie ervan in de gevallen, in de vorm en onder de voorwaarden bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. ".
Art. 161. Un article 39/64, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/64. Les audiences du Conseil sont publiques.
  Lorsque celles-ci se tiennent en application de l'article 39/77, § 1er, alinéa 1er à l'endroit déterminé où l'étranger se trouve ou à l'endroit où il est mis à la disposition du Gouvernement, la publicité est garantie dans les limites permises par la disposition des lieux.
  Le président de chambre ou le juge au contentieux des étrangers peut ordonner d'office ou à la demande d'une des parties que l'audience ait lieu à huis clos.
  Il peut également ordonner le huis clos lorsque le dossier administratif contient des pièces dont il a reconnu, d'office ou à la demande des parties, le caractère confidentiel. ".
Art. 163. In dezelfde wet wordt een artikel 39/66 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/66. Artikel 258 van het Strafwetboek betreffende de rechtsweigering is toepasselijk op de leden van de Raad.
  De beginselen die de wraking van rechters en raadsleden van de rechterlijke orde regelen, zijn toepasselijk op de leden van de Raad. ".
Art. 162. Un article 39/65, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/65. Les décisions du Conseil sont motivées. Elles sont signées par le président et un membre du greffe.
  La décision interlocutoire ou définitive est portée à la connaissance des parties selon les modalités fixées par un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres. Cet arrêté royal peut également déterminer les cas dans lesquels une notification du dispositif et de l'objet de la décision aux autorités administratives à la cause suffit, ainsi que la forme et les conditions selon lesquelles cette notification limitée peut avoir lieu et la manière dont ces décisions sont accessibles à cette partie en version intégrale.
  Les décisions du Conseil sont accessibles au public dans les cas, la forme et selon les conditions fixés par un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
  Le Conseil en assure la publication dans les cas, la forme et les conditions fixés par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres. ".
Art. 164. In dezelfde wet wordt een artikel 39/67 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/67. De uitspraken van de Raad zijn niet vatbaar voor verzet, derdenverzet of herziening. Ze zijn enkel vatbaar voor het cassatieberoep voorzien bij artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. ".
Art. 163. Un article 39/66, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/66. L'article 258 du Code pénal relatif au déni de justice est applicable aux membres du Conseil.
  Les principes régissant la récusation des juges et conseillers de l'ordre judiciaire sont applicables aux membres du Conseil. ".
Art. 165. In dezelfde wet wordt een artikel 39/68 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/68. De rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt vastgesteld bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  Dit koninklijk besluit bepaalt onder meer de verjaringstermijnen die niet minder dan de in deze wet bepaalde termijnen mogen bedragen; het tarief der kosten en uitgaven alsook de modaliteiten om deze te voldoen; het voorziet in het verlenen van het voordeel van het pro deo aan de onvermogenden. Het kan bijzondere procedureregels vaststellen voor de behandeling van de verzoekschriften die doelloos zijn, alsook voor de behandeling van de verzoekschriften die enkel korte debatten met zich meebrengen. ".
Art. 164. Un article 39/67, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/67. Les décisions du Conseil ne sont susceptibles ni d'opposition, ni de tierce opposition, ni de révision. Elles sont uniquement susceptibles du pourvoi en cassation prévu à l'article 14, § 2, des lois coordonnées sur le Conseil d'Etat. ".
Art. 166. In Titel Ibis, hoofdstuk 5, van dezelfde wet worden een afdeling II en een onderafdeling 1 ingevoegd met het volgende opschrift :
  " Afdeling II. - Specifieke bepalingen die gelden voor de beroepen met volle rechtsmacht tegen beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen
  Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen van toepassing op de gewone en op de versnelde procedure. "
Art. 165. Un article 39/68, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/68. La procédure devant le Conseil du Contentieux des étrangers est fixée par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
  Cet arrêté royal détermine notamment les délais de prescription, qui ne peuvent être inférieurs aux délais fixés dans la présente loi; le montant des frais et dépens ainsi que les modalités pour s'en acquitter; l'octroi du bénéfice du pro deo aux personnes insolvables. Il peut fixer des règles de procédure particulières pour l'examen des requêtes sans objet, ainsi que pour l'examen des requêtes qui ne nécessitent que débats succincts. ".
Art. 167. In dezelfde wet wordt een artikel 39/69 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/69. § 1. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de partij of door een advocaat die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 39/56.
  Het verzoekschrift moet op straffe van nietigheid :
  1° de naam, nationaliteit, woonplaats van de verzoekende partij, en het kenmerk van haar dossier bij de verwerende partij zoals vermeld op de bestreden beslissing bevatten;
  2° de keuze van woonplaats in België bevatten;
  3° de beslissing vermelden waartegen het beroep gericht is;
  4° een uiteenzetting van de feiten en de middelen bevatten die ter ondersteuning van het beroep worden ingeroepen en tevens, wanneer nieuwe gegevens als bepaald in artikel 39/76, § 1, vierde lid worden aangebracht, dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, of dat hij een reëel risico zou lopen op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4, de redenen waarom deze niet op het gepaste ogenblik aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen konden meegedeeld worden;
  5° de taal voor het overeenkomstig artikel 39/60 horen ter terechtzitting vermelden;
  6° ingediend worden in het Nederlands of het Frans, afhankelijk van de taal van de behandeling zoals bepaald met toepassing van artikel 51/4;
  7° ondertekend zijn door de verzoeker of zijn advocaat.
  Op de rol worden niet geplaatst :
  1° beroepen zonder afschrift van de bestreden akte of van het stuk waarbij de handeling ter kennis is gebracht van de verzoekende partij;
  2° beroepen waarbij geen zes afschriften ervan gevoegd zijn;
  3° de beroepen waarvoor het geheven rolrecht niet is gekweten.
  § 2. In de gevallen dat de verzoeker ter beschikking gesteld wordt van de regering of zich bevindt in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in artikel 74/8, kan het verzoekschrift ook worden ingediend door afgifte ervan, ter plaatse, aan de directeur van de strafinrichting of aan de directeur van de welbepaalde plaats waar hij zich bevindt, of aan een van hun gemachtigden, die op het verzoekschrift de datum vermeldt waarop het werd ingediend, een ontvangstbewijs ervan aan de verzoeker of zijn advocaat afgeeft en het onmiddellijk overzendt aan de Raad.
  § 3. De hoofdgriffier of de door hem aangewezen griffier geeft onmiddellijk op de door de Koning in een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalde wijze, na ontvangst van de beroepen die op de rol worden ingeschreven, kennis ervan aan de Minister of zijn gemachtigde, behalve wanneer het beroep is afgegeven aan de gemachtigde van de Minister met toepassing van § 2. ".
Art. 166. Dans le Titre Ibis, chapitre 5, de la même loi, il est inséré une section II et une sous-section 1re, intitulées comme suit :
  " Section II. - Dispositions spécifiques applicables aux recours de pleine juridiction contre les décisions du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides
  Sous-section 1re. - Dispositions générales applicables à la procédure ordinaire et à la procédure accélérée. "
Art. 168. In dezelfde wet wordt een artikel 39/70 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/70. Behoudens mits toestemming van betrokkene, kan tijdens de voor het indienen van het beroep vastgestelde termijn en tijdens het onderzoek van dit beroep, ten aanzien van de vreemdeling geen enkele maatregel tot verwijdering van het grondgebied of terugdrijving gedwongen worden uitgevoerd. ".
Art. 167. Un article 39/69, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/69. § 1er. La requête est signée par la partie ou par un avocat qui satisfait aux conditions fixées dans l'article 39/56.
  La requête doit contenir, sous peine de nullité :
  1° le nom, nationalité, domicile de la partie requérante et la référence de son dossier auprès de la partie adverse, indiquée sur la décision contestée;
  2° l'élection de domicile en Belgique;
  3° l'indication de la décision contre laquelle le recours est introduit;
  4° l'exposé des faits et des moyens invoqués à l'appui du recours ainsi que, lorsque de nouveaux éléments, au sens de l'article 39/76, § 1er, alinéa 4 sont invoqués, selon lesquels il existe, en ce qui le concerne, de sérieuses indications d'une crainte fondée de persécution au sens de la Convention internationale sur le statut des réfugiés, signée à Genève le 28 juillet 1951, ou un risque réel d'atteinte grave comme visé à l'article 48/4, les raisons pour lesquelles ces éléments n'ont pas pu être communiqués en temps utile au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides;
  5° la langue déterminée pour l'audition à l'audience selon l'article 39/60;
  6° être introduite en langue néerlandaise ou française, selon la langue de la procédure déterminée en application de l'article 51/4;
  7° être signée par le requérant ou son avocat.
  Ne sont pas inscrits au rôle :
  1° les recours non accompagnés d'une copie de l'acte attaque ou du document qui l'a porté à la connaissance de la partie requérante;
  2° les recours non accompagnés de six copies de ceux-ci;
  3° les recours pour lesquels le droit de rôle impose n'est pas acquitté.
  § 2. Dans les cas où le requérant est mis à la disposition du gouvernement ou se trouve dans un lieu déterminé visé à l'article 74/8, la requête peut également être introduite par sa remise, sur place, au directeur de l'établissement pénitentiaire ou au directeur du lieu déterminé dans lequel il se trouve, ou à un de leurs délégués, qui mentionne sur la requête la date à laquelle celle-ci a été introduite, en délivre un accusé de réception au requérant ou à son avocat et la transmet immédiatement au Conseil.
  § 3. Après réception des recours inscrits au rôle, le greffier en chef ou le greffier désigné par celui-ci, les porte immédiatement à la connaissance du Ministre ou de son délégué, selon les modalités déterminées par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, sauf lorsque le recours a été remis au délégué du Ministre en application du § 2. ".
Art. 169. In Titel Ibis, hoofdstuk 5, afdeling II, van dezelfde wet wordt een onderafdeling 2 ingevoegd met het volgende opschrift :
  " Onderafdeling 2. De gewone procedure. "
Art. 168. Un article 39/70, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/70. Sauf accord de l'intéressé, aucune mesure d'éloignement du territoire ou de refoulement ne peut être exécutée de manière forcée à l'égard de l'étranger pendant le délai fixé pour l'introduction du recours et pendant l'examen de celui-ci. ".
Art. 170. In dezelfde wet wordt een artikel 39/71 ingevoegd luidende :
  " De griffier zendt onverwijld een afschrift van het beroep aan de verwerende partij en, indien het een beroep betreft dat door de Minister werd aanhangig gemaakt, aan de vreemdeling die een belang heeft bij de beslechting van de zaak en aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de wijze van kennisgeving. ".
Art. 169. Dans le Titre Ibis, chapitre 5, section II, de la même loi, il est inséré une sous-section 2, intitulée comme suit :
  " Sous-section 2. La procédure ordinaire. "
Art. 171. In dezelfde wet wordt een artikel 39/72 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/72. § 1. De verwerende partij bezorgt de griffier binnen acht dagen na de kennisgeving van het beroep het administratief dossier, waarbij ze een nota met opmerkingen kan voegen.
  Indien de vreemdeling in zijn verzoekschrift nieuwe gegevens aanbrengt, dan wordt de in het eerste lid bepaalde termijn op vijftien dagen gebracht.
  § 2. De vreemdeling aan wie kennis wordt gegeven van een beroep door de Minister tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, kan binnen vijftien dagen na die kennisgeving een verzoek tot tussenkomst indienen. Bij ontstentenis van kennisgeving, kan de kamer waarbij de zaak aanhangig is, een latere tussenkomst toelaten.
  Indien voor het verzoek tot tussenkomst een recht dient te worden betaald, wordt het pas onderzocht als dit recht is voldaan. ".
Art. 170. Un article 39/71, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Le greffier transmet sans délai une copie du recours a la partie défenderesse et, lorsqu'il s'agit d'un recours introduit par le Ministre a l'étranger qui a intérêt au jugement de l'affaire et au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le mode de signification. ".
Art. 172. In dezelfde wet wordt een artikel 39/73 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/73. § 1. Onmiddellijk na ontvangst van het verzoekschrift onderzoekt de aangewezen kamervoorzitter of rechter bij voorrang de beroepen waarvan het beroep doelloos, kennelijk onontvankelijk, of waarvan afstand wordt gedaan of die dienen van de rol te worden afgevoerd.
  De kamervoorzitter of de aangewezen rechter roept de verzoekende partij, de verwerende partij en in voorkomend geval de vreemdeling die bij de beslechting van de zaak een belang heeft indien het een beroep betreft dat is ingediend door de Minister of zijn gemachtigde, op om op korte termijn voor hem te verschijnen. In de beschikking wordt melding gemaakt van deze bepaling en wordt bondig de grond weergegeven.
  Het verzoek tot tussenkomst vanwege de belanghebbende vreemdeling kan worden ingediend op de terechtzitting.
  § 2. Ter terechtzitting zet de kamervoorzitter of de rechter in zijn beknopt verslag uiteen om welke reden de afstand van het geding kan worden uitgesproken, de Raad kennelijk niet bevoegd is of het beroep zonder voorwerp of kennelijk onontvankelijk is.
  Na de partijen te hebben gehoord in hun replieken die beperkt zijn tot de in de § 1, tweede lid aangehaalde reden, doet de kamervoorzitter of de rechter onverwijld uitspraak. Besluit hij niet tot de afstand of de verwerping van het beroep om de reden aangehaald in het tweede lid, dan wordt de procedure overeenkomstig de navolgende artikelen voortgezet. ".
Art. 171. Un article 39/72, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/72. § 1er. La partie défenderesse transmet au greffier, dans les huit jours suivant la notification du recours, le dossier administratif auquel elle peut joindre une note d'observation.
  Lorsque l'étranger invoque de nouveaux éléments dans sa requête, le délai fixé à l'alinéa 1er est porté à quinze jours.
  § 2. L'étranger auquel est signifié un recours du Ministre contre une décision du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, peut introduire une demande d'intervention dans les quinze jours suivant cette signification. A défaut de signification, la chambre saisie de l'affaire peut admettre une intervention ultérieure.
  Lorsqu'un droit doit être acquitté pour la demande d'intervention, celle-ci n'est examinée que lorsque cette taxe est acquitté. ".
Art. 173. In dezelfde wet wordt een artikel 39/74 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/74. Indien artikel 39/73 niet wordt toegepast, dan bepaalt de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter bij beschikking de dag en het uur van de terechtzitting waarop het beroep zal worden behandeld. ".
Art. 172. Un article 39/73, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/73. § 1er. Dès réception de la requête, le président de chambre ou juge désigné examine en priorité les recours sans objet, manifestement irrecevables, qui font l'objet d'un désistement ou qui doivent être rayés du rôle.
  Le président de chambre ou le juge désigné convoque les parties requérante, défenderesse et, le cas échéant, l'étranger qui a intérêt au jugement de l'affaire dans le cas d'un recours introduit par le Ministre ou son délégué, afin de comparaître dans les meilleurs délais devant lui. Il est fait mention de la présente disposition dans l'ordonnance et le motif y est succinctement décrit.
  La demande d'intervention de l'étranger qui y a intérêt peut être introduite à l'audience.
  § 2. A l'audience, le président de chambre ou le juge expose dans son rapport succinct, la raison pour laquelle le désistement d'instance peut être prononce, pour laquelle le Conseil est manifestement incompétent ou pour laquelle le recours est sans objet ou manifestement irrecevable.
  Après avoir entendu les répliques des parties, limitées aux motifs invoqués au § 1er, alinéa 2, le président de chambre ou le juge se prononce sans délai. S'il ne conclut pas au désistement ou au rejet du recours pour le motif invoqué à l'alinéa 2, la procédure se poursuit conformément aux articles suivants. ".
Art. 174. In dezelfde wet wordt een artikel 39/75 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/75. De hoofdgriffier of de door deze aangewezen griffier geeft onverwijld kennis van de beschikking waarbij de rechtsdag wordt bepaald aan de partijen in het geding.
  De partijen worden ten minste acht dagen op voorhand van de datum van de terechtzitting in kennis gesteld.
  De processtukken die partijen nog niet zouden hebben ontvangen, worden gevoegd bij de oproeping. In de kennisgeving wordt in voorkomend geval vermeld of het administratief dossier is ingediend. ".
Art. 173. Un article 39/74, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/74. Lorsqu'il n'est pas fait application de l'article 39/73, le président de chambre ou le juge qu'il a désigné, fixe par ordonnance le jour et l'heure de l'audience à laquelle le recours sera examiné. ".
Art. 175. In dezelfde wet wordt een artikel 39/76 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/76. § 1. De geadieerde kamervoorzitter of de aangewezen rechter in vreemdelingenzaken onderzoekt steeds of hij de bestreden beslissing kan bevestigen of hervormen.
  De geadieerde kamervoorzitter of de aangewezen rechter in vreemdelingenzaken onderzoekt slechts de nieuwe gegevens als aan twee voorwaarden is voldaan :
  1° deze nieuwe gegevens zijn opgenomen in het oorspronkelijk verzoekschrift of, indien met toepassing van artikel 39/72, § 1, een verzoek tot tussenkomst wordt ingediend, in het verzoekschrift tot tussenkomst;
  2° de verzoeker of de tussenkomende partij in het geval bedoeld in artikel 39/72, § 2, moet aantonen dat hij deze gegevens niet vroeger heeft kunnen inroepen in de administratieve procedure.
  In afwijking van het tweede lid en desgevallend van artikel 39/60, tweede lid, kan de Raad met het oog op een goede rechtsbedeling, beslissen om elk nieuw gegeven in aanmerking te nemen dat hem ter kennis wordt gebracht door de partijen, met inbegrip van hun verklaringen ter terechtzitting, onder de cumulatieve voorwaarden dat :
  1° deze gegevens steun vinden in het rechtsplegingsdossier;
  2° ze van die aard zijn dat ze op een zekere wijze het gegrond of ongegrond karakter van het beroep kunnen aantonen;
  3° de partij aannemelijk maakt dat zij deze nieuwe gegevens niet eerder in de procedure kon meedelen.
  Zijn nieuwe gegevens in de zin van deze bepaling die welke betrekking hebben op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de administratieve procedure waarin de gegevens hadden kunnen worden aangebracht en alle eventuele nieuwe elementen en/of nieuwe bewijzen of elementen ter ondersteuning van de tijdens de administratieve behandeling weergegeven feiten of redenen.
  De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan op eigen initiatief of op verzoek van een van de partijen, de met toepassing van het derde lid aangebrachte nieuwe gegevens onderzoeken en hierover schriftelijk verslag uitbrengen binnen de door de geadieerde kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken verleende termijn, tenzij deze laatste oordeelt dat hij voldoende is ingelicht om te besluiten.
  Een schriftelijk verslag dat niet binnen de gestelde termijn is ingediend, wordt ambtshalve uit de debatten geweerd. De verzoekende partij dient, binnen de door de rechter bepaalde termijn, een replieknota op dit schriftelijk verslag in te dienen op straffe van dat anders de door de verzoekende partij aangevoerde nieuwe gegevens uit de debatten worden geweerd.
  § 2. Kan de geadieerde kamervoorzitter of rechter in vreemdelingenzaken om de reden bepaald in artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2°, de zaak niet ten gronde onderzoeken, dan motiveert hij dit in zijn beslissing en vernietigt hij de bestreden beslissing. In dit geval zendt de hoofdgriffier of de door deze aangewezen griffier de zaak onmiddellijk terug naar de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen.
  § 3. De geadieerde kamervoorzitter of rechter in vreemdelingenzaken neemt een beslissing binnen de drie maanden na de ontvangst van het beroep.
  Betreft het een beroep in een zaak die de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen overeenkomstig artikel 52, § 5, 52/2, § 1 of § 2, 3°, 4° of 5° met voorrang heeft behandeld, dan worden deze beroepen eveneens bij voorrang behandeld door de Raad. De in het eerste lid bepaalde termijn wordt ingekort tot twee maanden. ".
Art. 174. Un article 39/75, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/75. Le greffier en chef ou le greffier qu'il a désigné notifie sans délai l'ordonnance fixant le jour de l'audience aux parties à l'instance.
  Les parties sont averties au moins huit jours à l'avance de la date de l'audience.
  Les pièces de la procédure non encore communiquées aux parties, sont jointes à la convocation. Le cas échéant, il est mentionné dans la notification si le dossier administratif a été introduit. ".
Art. 176. In Titel Ibis, hoofdstuk 5, afdeling II, van dezelfde wet, wordt een onderafdeling 3 ingevoegd met het volgende opschrift :
  " Onderafdeling 3. - De versnelde procedure "
Art. 175. Un article 39/76, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/76. § 1er. Le président de chambre saisi ou le juge au contentieux des étrangers désigné examine s'il peut confirmer ou réformer la décision attaquée.
  Le président de chambre saisi ou le juge au contentieux des étrangers désigné examine uniquement les nouveaux éléments quand il a été satisfait aux deux conditions :
  1° ces nouveaux éléments sont repris dans la requête initiale ou, en cas d'introduction d'une demande d'intervention, en application de l'article 39/72, § 1er, dans cette dernière requête;
  2° le requérant ou la partie intervenante dans le cas prévu à l'article 39/72, § 2 doit démontrer qu'il n'a pas pu invoquer ces éléments dans une phase antérieure de la procédure administrative.
  Par dérogation à l'alinéa 2 et, le cas échéant, à l'article 39/60, alinéa 2, le Conseil peut, en vue d'une bonne administration de la justice, décider de tenir compte de tout nouvel élément qui est porté à sa connaissance par les parties, en ce compris leurs déclarations à l'audience, aux conditions cumulatives que :
  1° ces éléments trouvent un fondement dans le dossier de procédure;
  2° qu'ils soient de nature à démontrer d'une manière certaine le caractère fondé ou non fondé du recours;
  3° la partie explique d'une manière plausible le fait de ne pas avoir communiqué ces nouveaux éléments dans une phase antérieure de la procédure.
  Sont de nouveaux éléments au sens de la présente disposition, ceux relatifs à des faits ou des situations qui se sont produits après la dernière phase de la procédure administrative au cours de laquelle ils auraient pu être fournis ainsi que tous les nouveaux éléments et/ou preuves éventuels ou éléments appuyant les faits ou raisons invoqués durant le traitement administratif.
  Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides peut examiner de sa propre initiative ou à la demande d'une des parties, les nouveaux éléments apportés en application de l'alinéa 3 et rédiger un rapport écrit à ce sujet dans le délai accordé par le président de chambre saisi ou le juge au contentieux des étrangers, à moins que ce dernier juge qu'il dispose de suffisamment d'informations pour statuer.
  Un rapport écrit non déposé dans le délai fixe est exclu des débats. La partie requérante doit déposer une note en réplique au sujet de ce rapport écrit dans le délai fixé par le juge, sous peine d'exclusion des débats des nouveaux éléments qu'elle a invoqués.
  § 2. Si le président de chambre ou le juge au contentieux des étrangers saisi ne peut examiner l'affaire au fond pour la raison prévue à l'article 39/2, § 1er, alinéa 2, 2°, il le motive dans sa décision et annule la décision attaquée. Dans ce cas, le greffier en chef ou le greffier désigné par lui renvoie immédiatement l'affaire au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides.
  § 3. Le président de chambre ou le juge au contentieux des étrangers saisi prend une décision dans les trois mois suivant la réception du recours.
  S'il s'agit d'un recours relatif à une affaire que le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides a examinée en priorité conformément à l'article 52, § 5, 52/2, § 1er ou § 2, 3° 4° ou 5°, ce recours est également examiné en priorité par le Conseil. Le délai fixé à l'alinéa 1er est réduit à deux mois. ".
Art. 177. In dezelfde wet wordt een artikel 39/77 ingevoegd luidende :
  " Art. 39/77. § 1. Indien het een beroep betreft ingediend door een vreemdeling die zich bevindt in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in artikel 74/8 of die ter beschikking is gesteld van de Regering, dan zendt de hoofdgriffier of de door hem aangewezen griffier onmiddellijk en ten laatste binnen de werkdag zijnde geen zaterdag, zondag of feestdag, na de ontvangst van het beroep dat op de rol mag worden ingeschreven, een afschrift ervan aan de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Deze griffier verzoekt hem om het dossier ter griffie neer te leggen binnen de door hem gestelde termijn die ten hoogste drie werkdagen bedraagt, te rekenen vanaf de kennisgeving.
  Bij de neerlegging van het administratief dossier of, indien geen is neergelegd binnen de gestelde termijn, stelt de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter in vreemdelingenzaken dit beroep onmiddellijk vast en roept de partijen op om voor hem te verschijnen binnen ten hoogste vijf dagen volgend op de dag van de ontvangst van de dagstelling.
  De kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter kan de partijen bij beschikking eventueel op de welbepaalde plaats zoals bedoeld in artikel 74/8 waar de vreemdeling zich bevindt of op de plaats waar hij ter beschikking gesteld wordt van de regering, oproepen, op de door hem bepaalde dag en uur, zelfs op zon- en feestdagen.
  De oproeping bepaalt de dag vanaf wanneer het administratief dossier ter griffie kan worden ingezien door de partijen en hun advocaat.
  Indien de verwerende partij het administratief dossier niet van te voren tijdig heeft overgezonden, overhandigt ze het ter terechtzitting aan de voorzitter die de nodige maatregelen neemt om aan de overige partijen in het geding de gelegenheid te geven er inzage van te nemen.
  § 2. De kamervoorzitter of de aangewezen rechter in vreemdelingenzaken beslist overeenkomstig artikel 39/76, §§ 1 en 2.
  De geadieerde kamervoorzitter of rechter in vreemdelingenzaken neemt een beslissing binnen de vijf werkdagen die volgen op de sluiting van de debatten. Hij kan de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing bevelen.
  § 3 Het aanhangige beroep ten aanzien van een vreemdeling die in de loop van de procedure wordt opgenomen in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in artikel 74/8 of die ter beschikking is gesteld van de regering wordt van rechtswege afgehandeld volgens de versnelde procedure. Tenzij het beroep reeds is vastgesteld, verloopt in dat geval de procedure overeenkomstig dit artikel ongeacht de stand waarin die zich bevindt met dien verstande dat de in § 1, vijfde lid, bepaalde termijn ten minste drie werkdagen bedraagt.
  § 4. De overeenkomstig artikel 74/5, § 6 van rechtswege gelijkgestelde beslissing wordt behandeld overeenkomstig de in deze onderafdeling bepaalde versnelde procedure. ".
Art. 176. Dans le Titre Ibis, chapitre 5, section II, de la même loi, il est inséré une sous-section 3, intitulée comme suit :
  " Sous-section 3. - La procédure accélérée "
Art. 178. In Titel Ibis, hoofdstuk 5, van dezelfde wet worden een afdeling III en een onderafdeling 1 ingevoegd met het volgende opschrift :
  " Afdeling III. - Het annulatieberoep
  Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen. "
Art. 177. Un article 39/77, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/77. § 1er. Lorsque le recours est introduit par un étranger qui se trouve dans un lieu déterminé visé à l'article 74/8 ou qui est mis à la disposition du gouvernement, le greffier en chef ou le greffier qu'il désigne en envoie copie, immédiatement et au plus tard dans le jour ouvrable c'est-à-dire ni un samedi, ni un dimanche, ni un jour férie, suivant la réception du recours qui peut être inscrit au rôle, au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides. Celui-ci lui demande de déposer le dossier au greffe, dans le délai qu'il fixe et qui ne peut dépasser trois jours ouvrables, à partir de la signification.
  Lors du dépôt du dossier administratif ou si celui-ci n'est pas déposé dans le délai fixé, le président de chambre ou le juge au contentieux des étrangers qu'il a désigné fixe immédiatement l'affaire et convoque les parties à comparaître devant lui dans les cinq jours ouvrables au plus tard qui suivent la date de réception de la fixation.
  Le président de chambre ou le juge qu'il a désigné peut convoquer éventuellement, par ordonnance, les parties au lieu déterminé visé à l'article 74/8 où l'étranger se trouve ou au lieu où il est mis à la disposition du gouvernement, au jour et à l'heure qu'il fixe, même le dimanche ou un jour férié.
  La convocation fixe le jour à partir duquel le dossier administratif peut être consulté au greffe par les parties et par leur avocat.
  Si la partie défenderesse n'a pas transmis le dossier administratif à temps antérieurement, celui-ci est remis à l'audience au président, qui prend les mesures nécessaires pour permettre aux autres parties à l'instance de le consulter.
  § 2. Le président de chambre ou le juge au contentieux des étrangers désigné se prononce conformément à l'article 39/76, §§ 1er et 2.
  Le président de chambre ou le juge au contentieux des étrangers saisi se prononce dans les cinq jours ouvrables qui suivent la clôture des débats. Il peut ordonner l'exécution immédiate de la décision.
  § 3. Dans le cas d'un étranger qui est placé, au cours de la procédure, dans un lieu déterminé visé a l'article 74/8 ou qui est mis à la disposition du gouvernement, le recours pendant est examiné de plein droit suivant la procédure accélérée. Sauf si le recours est déjà fixé, la procédure se déroule dans ce cas conformément au présent article, quel que soit son état, étant entendu que le délai fixé au § 1er, alinéa 5, s'élève au moins à trois jours ouvrables.
  § 4. La décision assimilée de plein droit, conformément à l'article 74/5, § 6, est traitée conformément à la procédure accélérée visée dans la présente sous-section. ".
Art. 179. In dezelfde wet wordt een artikel 39/78 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/78. Het beroep wordt ingediend op de wijze bepaald in artikel 39/69 met dien verstande dat het bepaalde in artikel 39/69, § 1 tweede lid, 4° wat het aanvoeren van nieuwe gegevens betreft en 6° geen toepassing vindt.
  Onverminderd het bepaalde in artikel 39/69, § 1, derde lid, worden niet op de rol geplaatst, vorderingen waarvoor een recht is vereist dat niet is betaald. ".
Art. 178. Dans le Titre Ibis, chapitre 5, de la même loi, il est inséré une section III et une sous-section 1re, intitulées comme suit :
  " Section III. - Le recours en annulation
  Sous-section 1re. - Dispositions générales. "
Art. 180. In dezelfde wet wordt een artikel 39/79 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/79. § 1. Behalve mits toestemming van betrokkene, kan tijdens de voor het indienen van het beroep vastgestelde termijn en tijdens het onderzoek van dit beroep, gericht tegen de in het tweede lid bepaalde beslissingen, ten aanzien van de vreemdeling geen enkele maatregel tot verwijdering van het grondgebied gedwongen worden uitgevoerd en mogen geen zodanige maatregelen ten opzichte van de vreemdeling worden genomen wegens feiten die aanleiding hebben gegeven tot de beslissing waartegen dat beroep is ingediend.
  De in het eerste lid bedoelde beslissingen zijn :
  1° de beslissing tot weigering van de machtiging tot verblijf van de in artikel 10 bis bedoelde vreemdelingen, op voorwaarde dat de vreemdeling die vervoegd werd, nog steeds in het Rijk verblijft, niet langer in het Rijk verblijft dan de beperkte duur van zijn machtiging tot verblijf of niet het voorwerp uitmaakt van een bevel om het grondgebied te verlaten;
  2° de beslissing tot weigering van de erkenning van het recht op verblijf of die een einde maakt aan het recht op verblijf, genomen in toepassing van artikel 11, §§ 1 en 2;
  3° het bevel om het grondgebied te verlaten, afgeleverd aan de in artikel 10bis, § 2, bedoelde familieleden op basis van artikel 13, § 4, eerste lid, of aan de in artikel 10bis, § 1, bedoelde familieleden, om dezelfde redenen, op voorwaarde dat de vreemdeling die vervoegd werd, nog steeds in het Rijk verblijft, niet langer in het Rijk verblijft dan de beperkte duur van zijn machtiging tot verblijf of niet het voorwerp uitmaakt van een bevel om het grondgebied te verlaten";
  4° de terugwijzing, voor zover deze beslissing overeenkomstig artikel 20, eerste lid, niet reeds het voorwerp is geweest van een advies van de Commissie van advies voor vreemdelingen;
  5° het verwerpen van een aanvraag om machtiging tot vestiging;
  6° de beslissing waarin de vreemdeling, in toepassing van artikel 22, ertoe verplicht wordt bepaalde plaatsen te verlaten, ervan verwijderd te blijven of in een bepaalde plaats te verblijven;
  7° elke beslissing tot weigering van erkenning van een verblijfsrecht aan een EU-vreemdeling op grond van toepasselijke Europese regelgeving alsmede iedere beslissing waarbij een einde gemaakt wordt aan het verblijf van de EU-student op basis van artikel 44bis;
  8° elke beslissing tot verwijdering van een EU-vreemdeling die vrijgesteld is van de verplichting een verblijfsvergunning te bekomen verschillend aan het document dat zijn binnenkomst op het Belgisch grondgebied mogelijk heeft gemaakt;
  9° de beslissing tot weigering van de machtiging tot verblijf, die wordt aangevraagd op basis van artikel 58, door een vreemdeling die in België wenst te studeren.
  § 2. De EU-vreemdeling zal bij een betwisting bedoeld in § 1, tweede lid, 6° en 7° desgevallend gemachtigd worden door de Minister of zijn gemachtigde om zijn verdediging in persoon te voeren, behalve wanneer zijn verschijning kan leiden tot ernstige verstoring van de openbare orde of de openbare veiligheid of wanneer het beroep betrekking heeft op een weigering van de toegang tot het grondgebied.
  Deze bepaling is eveneens van toepassing voor de Raad van State, optredend als cassatierechter tegen een uitspraak van de Raad. ".
Art. 179. Un article 39/78, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/78. Le recours est introduit selon les modalités déterminées à l'article 39/69, étant entendu que les dispositions prévues à l'article 39/69, § 1er, alinéa 2, 4°, en ce qui concerne l'invocation de nouveaux éléments, et 6°, ne sont pas applicables.
  Sans préjudice de l'article 39/69, § 1er, alinéa 3, ne sont pas inscrites au rôle les demandes pour lesquelles le droit exigé n'a pas été acquitté. ".
Art. 181. In dezelfde wet wordt een artikel 39/80 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/80. Indien een beroep tot nietigverklaring van een beslissing tot toegang of tot verblijf samenhangt met een beroep tegen een beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, heeft de behandeling van het laatstgenoemde beroep voorrang. In voorkomend geval kan de Raad evenwel in het belang van een goede rechtsbedeling beslissen dat hetzij beide beroepen samen worden behandeld en afgedaan, hetzij beslissen dat het onderzoek van het beroep tot nietigverklaring wordt opgeschort totdat een definitieve beslissing over het beroep in volle rechtsmacht is genomen. ".
Art. 180. Un article 39/79, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/79. Sauf accord de l'intéressé, aucune mesure d'éloignement du territoire ne peut être exécutée de manière forcée à l'égard de l'étranger pendant le délai fixé pour l'introduction du recours introduit contre les décisions visées à l'alinéa 2 ni pendant l'examen de celui-ci, et de telles mesures ne peuvent être prises à l'égard de l'étranger en raison de faits qui ont donné lieu à la décision attaquée.
  Les décisions visées à l'alinéa 1er sont :
  1° la décision refusant l'autorisation de séjour aux étrangers visés à l'article 10bis, pour autant que l'étranger rejoint réside toujours dans le Royaume, n'y prolonge pas son séjour au-delà de la durée limitée de son autorisation de séjour ou ne fasse pas l'objet d'un ordre de quitter le territoire;
  2° la décision refusant de reconnaître le droit de séjour ou mettant fin à celui-ci, prise en application de l'article 11, §§ 1er et 2;
  3° l'ordre de quitter le territoire délivré aux membres de la famille visés à l'article 10bis, § 2, sur la base de l'article 13, § 4, alinéa 1er, ou aux membres de la famille visés à l'article 10bis, § 1er, pour les mêmes motifs, pour autant que l'étranger rejoint réside toujours dans le Royaume, n'y prolonge pas son séjour au-delà de la durée limitée de son autorisation de séjour ou ne fasse pas l'objet d'un ordre de quitter le territoire;
  4° le renvoi, sauf lorsque celui-ci a déjà fait l'objet d'un avis de la Commission consultative des étrangers, conformément à l'article 20, alinéa 1er;
  5° le rejet d'une demande d'autorisation d'établissement;
  6° la décision enjoignant à l'étranger, en application de l'article 22, de quitter des lieux déterminés, d'en demeurer éloigné ou de résider en un lieu déterminé;
  7° toute décision de refus de reconnaissance du droit de séjour à un étranger UE, sur la base de la réglementation européenne applicable, ainsi que toute décision mettant fin au séjour de l'étranger UE sur la base de l'article 44bis;
  8° toute décision d'éloignement d'un étranger UE dispensé de l'obligation d'obtenir un titre de séjour distinct du document qui a permis son entrée sur le territoire belge;
  9° la décision refusant l'autorisation de séjour demandée sur la base de l'article 58 à un étranger qui désire faire des études en Belgique.
  § 2. Le cas échéant, en cas de contestation visée au § 1er, alinéa 2, 6° et 7°, l'étranger UE sera autorisé par le Ministre ou son délégué à présenter en personne ses moyens de défense, sauf lorsque sa comparution risque de perturber sérieusement l'ordre public ou la sécurité publique ou lorsque le recours a trait à un refus d'accès au territoire.
  Cette disposition est également d'application pour le Conseil d'Etat, agissant en tant que juge en cassation contre une décision du Conseil. ".
Art. 182. In Titel Ibis, hoofdstuk 5, afdeling III, van dezelfde wet wordt een onderafdeling 2 ingevoegd met het volgende opschrift :
  " Onderafdeling 2. - De annulatieprocedure. "
Art. 181. Un article 39/80, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/80. Lorsqu'un recours en annulation d'une décision relative à l'entrée ou au séjour est lié à un recours contre une décision du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, l'examen de ce dernier recours est prioritaire. Le cas échéant, le Conseil peut toutefois, dans l'intérêt d'une bonne administration de la justice, décider soit que les deux recours seront examinés et clôturés simultanément, soit que l'examen du recours en annulation sera suspendu jusqu'à la décision définitive sur le recours de pleine juridiction. ".
Art. 183. In dezelfde wet wordt een artikel 39/81 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/81. De annulatieprocedure verloopt op dezelfde wijze als bepaald in de artikelen :
  - 39/71;
  - 39/72, § 1, eerste lid;
  - 39/73, § 1, eerste en tweede lid en § 2;
  - 39/74;
  - 39/75;
  - 39/76, § 3 eerste lid;
  - 39/77. ".
Art. 182. Dans le Titre Ibis, chapitre 5, section III, de la même loi, il est inséré une sous-section 2, intitulée comme suit :
  " Sous-section 2. - La procédure en annulation. "
Art. 184. In Titel Ibis, hoofdstuk 5, afdeling III, van dezelfde wet worden een onderafdeling 3 en een paragraaf 1 ingevoegd met het volgende opschrift :
  " Onderafdeling 3. - Het administratief kort geding
  § 1. De schorsing. "
Art. 183. Un article 39/81, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/81. La procédure en annulation se déroule de la manière prévue dans les articles :
  - 39/71;
  - 39/72, § 1er, alinéa 1er;
  - 39/73, § 1er, alinéas 1er et 2, et § 2;
  - 39/74;
  - 39/75;
  - 39/76, § 3, alinéa 1er;
  - 39/77. ".
Art. 185. In dezelfde wet wordt een artikel 39/82 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/82. § 1.
  Wanneer een akte van een administratieve overheid vatbaar is voor vernietiging krachtens artikel 39/2, dan kan de Raad als enige de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan bevelen.
  Nadat de partijen gehoord zijn of behoorlijk opgeroepen, wordt de schorsing bevolen bij gemotiveerde uitspraak van de voorzitter van de geadieerde kamer of van de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst.
  In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan de schorsing bij voorraad worden bevolen, zonder dat de partijen of sommige van hen zijn gehoord.
  De verzoeker dient, wanneer hij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert, te opteren hetzij voor een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid, hetzij voor een gewone schorsing. Hij kan op straffe van niet-ontvankelijkheid noch gelijktijdig noch opeenvolgend hetzij opnieuw toepassing maken van het derde lid, hetzij in zijn in § 3 bedoeld verzoekschrift andermaal de schorsing vorderen.
  In afwijking van het vierde lid en onverminderd het bepaalde in § 3, belet de verwerping van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet dat de verzoeker nadien een vordering tot schorsing volgens de gewone procedure instelt indien deze vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd verworpen omdat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet afdoende werd aangetoond.
  § 2. De schorsing van de tenuitvoerlegging kan alleen worden bevolen als ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte kunnen verantwoorden en op voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
  De uitspraken waarbij de schorsing is bevolen, kunnen worden ingetrokken of gewijzigd op verzoek van de partijen.
  § 3. Behoudens in het geval van uiterst dringende noodzakelijkheid moeten in één en dezelfde akte zowel de vordering tot schorsing al het beroep tot nietigverklaring worden ingesteld.
  In het opschrift van het verzoekschrift dient te worden vermeld dat hetzij een beroep tot nietigverklaring wordt ingesteld, hetzij een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring. Is aan deze pleegvorm niet voldaan, dan wordt het verzoekschrift geacht enkel een beroep tot nietigverklaring te bevatten.
  Eenmaal een beroep tot nietigverklaring is ingediend, is een navolgende vordering tot schorsing niet ontvankelijk, onverminderd de mogelijkheid in hoofde van de verzoeker om, indien de beroepstermijn nog niet is verstreken, een nieuw beroep tot nietigverklaring in te stellen waar een vordering tot schorsing is bijgevoegd op de wijze bepaald als hiervoor.
  De vordering bevat een uiteenzetting van de middelen en de feiten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing of, in voorkomend geval, van voorlopige maatregelen rechtvaardigen.
  De schorsing en de andere voorlopige maatregelen die zouden zijn bevolen voor het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring van de akte wordt door de voorzitter van de kamer of door de rechter in vreemdelingenzaken die hij aanwijst die ze heeft uitgesproken onmiddellijk opgeheven als hij vaststelt dat binnen de in de procedureregeling vastgestelde termijn geen enkel verzoekschrift tot nietigverklaring is ingediend waarin de middelen worden aangevoerd die ze gerechtvaardigd hadden.
  § 4. De voorzitter van de kamer of de rechter in vreemdelingenzaken die hij aanwijst doet binnen dertig dagen uitspraak over de vordering tot schorsing. Indien de schorsing is bevolen, wordt binnen vier maanden na de uitspraak van de rechterlijke beslissing uitspraak gedaan over het verzoekschrift tot nietigverklaring.
  Indien de vreemdeling het voorwerp is van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging ervan imminent is, en heeft hij nog geen vordering tot schorsing ingeleid, dan kan hij de schorsing van deze beslissing vorderen bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Heeft de vreemdeling met toepassing van deze bepaling binnen de vierentwintig uren na de betekening van de beslissing een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingeleid, dan wordt deze afgedaan binnen de achtenveertig uren na de ontvangst door de Raad van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Komt de geadieerde kamervoorzitter of rechter in vreemdelingenbetwistingen niet binnen deze termijn tot een uitspraak, dan moet hij daarvan de eerste voorzitter of voorzitter op de hoogte brengen. Deze neemt de nodige maatregelen opdat er ten laatste binnen de 72 uur na de ontvangst van het verzoekschrift een uitspraak wordt gewezen. Inzonderheid kan hij daartoe de zaak evoceren en er zelf uitspraak over doen. Indien de Raad zich evenwel niet heeft uitgesproken binnen de voormelde 72 uur of indien de schorsing niet werd toegestaan, dan wordt de dwanguitvoering van de maatregel opnieuw mogelijk.
  § 5. De Raad kan, volgens een versnelde rechtspleging vastgesteld door de Koning, de akte nietig verklaren waarvan de schorsing gevorderd wordt, indien de tegenpartij binnen acht dagen te rekenen van de kennisgeving van de uitspraak waarbij de schorsing bevolen wordt, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging heeft ingediend.
  § 6. Ten aanzien van de verzoekende partij geldt een vermoeden van afstand van geding wanneer de verzoekende partij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement afgewezen is, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van acht dagen die ingaat met de kennisgeving van de uitspraak.
  § 7. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de procedure betreffende de in dit artikel bedoelde vorderingen. Voor het behandelen van kennelijk onontvankelijke en kennelijk ongegronde vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging kunnen specifieke regels worden bepaald. Voor de gevallen waarin de schorsing van de tenuitvoerlegging is bevolen kan eveneens in een specifieke procedure voor de behandeling ten gronde worden voorzien.
  In het geval dat de schorsing van de tenuitvoerlegging wordt bevolen wegens machtsafwending, wordt de zaak verwezen naar de algemene vergadering van de Raad.
  Indien de algemene vergadering de akte waartegen het beroep is gericht niet vernietigt, houdt de schorsing onmiddellijk op gevolg te hebben. In dit geval wordt de zaak voor de behandeling van eventuele andere middelen verwezen naar de kamer waarbij zij oorspronkelijk werd ingeleid.
  § 8. Indien de kamer die bevoegd is om uitspraak te doen over de grond van de zaak, de akte waartegen het beroep gericht is niet vernietigt, kan ze de bevolen schorsing opheffen of intrekken. ".
Art. 184. Dans le Titre Ibis, chapitre 5, section III, de la même loi, il est inséré une sous-section 3 et un paragraphe 1er, intitulés comme suit :
  " Sous-section 3. - Le référé administratif
  § 1er. La suspension. "
Art. 186. In dezelfde wet wordt een artikel 39/83 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/83. Behalve mits toestemming van betrokkene, zal ten aanzien van een vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, slechts tot gedwongen uitvoering van deze maatregel worden overgegaan ten vroegste vierentwintig uren na de betekening van de maatregel. ".
Art. 185. Un article 39/82, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/82. § 1er. Lorsqu'un acte d'une autorité administrative est susceptible d'annulation en vertu de l'article 39/2, le Conseil est seul compétent pour ordonner la suspension de son exécution.
  La suspension est ordonnée, les parties entendues ou dûment convoquées, par décision motivée du président de la chambre saisie ou du juge au contentieux des étrangers qu'il désigne à cette fin.
  En cas d'extrême urgence, la suspension peut être ordonnée à titre provisoire sans que les parties ou certaines d'entre elles aient été entendues.
  Lorsque le requérant demande la suspension de l'exécution, il doit opter soit pour une suspension en extrême urgence, soit pour une suspension ordinaire. Sous peine d'irrecevabilité, il ne peut ni simultanément, ni consécutivement, soit faire une nouvelle fois application de l'alinéa 3, soit demander une nouvelle fois la suspension dans la requête visée au § 3.
  Par dérogation à l'alinéa 4 et sans préjudice du § 3, le rejet de la demande de suspension selon la procédure d'extrême urgence n'empêche pas le requérant d'introduire ultérieurement une demande de suspension selon la procédure ordinaire, lorsque cette demande de suspension en extrême urgence a été rejetée au motif que l'extrême urgence n'est pas suffisamment établie.
  § 2. La suspension de l'exécution ne peut être ordonnée que si des moyens sérieux susceptibles de justifier l'annulation de l'acte contesté sont invoqués et à la condition que l'exécution immédiate de l'acte risque de causer un préjudice grave difficilement réparable.
  Les arrêts par lesquels la suspension a été ordonnée sont susceptibles d'être rapportés ou modifiés à la demande des parties.
  § 3. Sauf en cas d'extrême urgence, la demande de suspension et la requête en annulation doivent être introduits par un seul et même acte.
  Dans l'intitulé de la requête, il y a lieu de mentionner qu'est introduit soit un recours en annulation soit une demande de suspension et un recours en annulation. Si cette formalité n'est pas remplie, il sera considéré que la requête ne comporte qu'un recours en annulation.
  Une fois que le recours en annulation est introduit, une demande de suspension introduite ultérieurement n'est pas recevable, sans préjudice de la possibilité offerte au demandeur d'introduire, de la manière visée ci-dessus, un nouveau recours en annulation assorti d'une demande de suspension, si le délai de recours n'a pas encore expiré.
  La demande comprend un exposé des moyens et des faits qui, selon le requérant, justifient que la suspension ou, le cas échéant, des mesures provisoires soient ordonnées.
  La suspension et les autres mesures provisoires qui auraient été ordonnées avant l'introduction de la requête en annulation de l'acte seront immédiatement levées par le président de la chambre ou par le juge au contentieux des étrangers qu'il désigne, qui les a prononcées, s'il constate qu'aucune requête en annulation invoquant les moyens qui les avaient justifiées n'a été introduite dans le délai prévu par le règlement de procédure.
  § 4. Le président de la chambre ou le juge au contentieux des étrangers qu'il désigne statue dans les trente jours sur la demande de suspension. Si la suspension est ordonnée, il est statue sur la requête en annulation dans les quatre mois du prononcé de la décision juridictionnelle.
  Si l'étranger fait l'objet d'une mesure d'éloignement ou de refoulement dont l'exécution est imminente, et n'a pas encore introduit une demande de suspension, il peut demander la suspension de cette décision en extrême urgence. Si l'étranger a introduit un recours en extrême urgence en application de la présente disposition dans les vingt-quatre heures suivant la notification de la décision, ce recours est examiné dans les quarante-huit heures suivant la réception par le Conseil de la demande en suspension de l'exécution en extrême urgence. Si le président de la chambre ou le juge au contentieux des étrangers saisi ne se prononce pas dans ce délai, il doit en avertir le premier président ou le président. Celui-ci prend les mesures nécessaires pour qu'une décision soit rendue au plus tard septante-deux heures suivant la réception de la requête. Il peut notamment évoquer l'affaire et statuer lui-même. Si le Conseil ne s'est pas prononcé dans le délai précité de septante-deux heures ou si la suspension n'a pas été accordée, l'exécution forcée de la mesure est à nouveau possible.
  § 5. Le Conseil peut, suivant une procédure accélérée fixée par le Roi, annuler l'acte dont la suspension est demandée si, dans les huit jours à compter de la notification de l'arrêt qui ordonne la suspension, la partie adverse n'a pas introduit de demande de poursuite de la procédure.
  § 6. Il existe dans le chef de la partie requérante une présomption de désistement d'instance lorsque, la demande de suspension d'un acte ou d'un règlement ayant été rejetée, celle-ci n'introduit aucune demande de poursuite de la procédure dans un délai de huit jours à compter de la notification de la décision.
  § 7. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, la procédure relative aux demandes visées par le présent article. Des règles spécifiques peuvent être fixées concernant l'examen des demandes de suspension de l'exécution manifestement irrecevables et manifestement non fondées. Une procédure spécifique pour l'examen au fond des cas dans lesquels la suspension de l'exécution est ordonnée, peut également être fixée.
  Dans le cas où la suspension de l'exécution serait ordonnée pour détournement de pouvoir, l'affaire est renvoyée à l'assemblée générale du Conseil.
  Si l'assemblée générale n'annule pas l'acte qui fait l'objet du recours, la suspension cesse immédiatement de produire ses effets. Dans ce cas, l'affaire est renvoyée, pour examen d'autres moyens éventuels, à la chambre qui en était initialement saisie.
  § 8. Si la chambre compétente pour statuer au fond n'annule pas l'acte qui fait l'objet du recours, elle peut lever ou rapporter la suspension ordonnée. ".
Art. 187. In Titel Ibis, hoofdstuk 5, afdeling III, onderafdeling 3, van dezelfde wet wordt een paragraaf 2 ingevoegd met het volgende opschrift :
  " § 2. De voorlopige maatregelen. "
Art. 186. Un article 39/83, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/83. Sauf accord de l'intéressé, il ne sera procédé à l'exécution forcée de la mesure d'éloignement ou de refoulement dont l'étranger fait l'objet, qu'au plus tôt vingt-quatre heures après la notification de la mesure. ".
Art. 188. In dezelfde wet wordt een artikel 39/84 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/84. Wanneer bij de Raad overeenkomstig artikel 39/82 een vordering tot schorsing van een akte aanhangig wordt gemaakt, kan hij als enige, bij voorraad en onder de in artikel 39/82, § 2, eerste lid, bepaalde voorwaarden, alle nodige maatregelen bevelen om de belangen van de partijen of van de personen die belang hebben bij de oplossing van de zaak veilig te stellen, met uitzondering van de maatregelen die betrekking hebben op de burgerlijke rechten.
  Die maatregelen worden, nadat de partijen gehoord zijn of behoorlijk zijn opgeroepen, bij een gemotiveerde uitspraak bevolen door de voorzitter van de kamer die bevoegd is om uitspraak ten gronde te doen of van de rechter in vreemdelingenbetwistingen die hij daartoe aanwijst.
  In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kunnen voorlopige maatregelen worden bevolen, zonder dat de partijen of sommige van hen gehoord, worden.
  Artikel 39/82, § 2, tweede lid, vindt toepassing op de krachtens dit artikel uitgesproken rechterlijke beslissingen.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de procedure met betrekking tot de in dit artikel bedoelde maatregelen. ".
Art. 187. Dans le Titre Ibis, chapitre 5, section III, sous-section 3, de la même loi, il est inséré un paragraphe 2, intitulé comme suit :
  " § 2. Les mesures provisoires. "
Art. 189. In dezelfde wet wordt een artikel 39/85 ingevoegd, luidende :
  " Art. 39/85. Indien de vreemdeling het voorwerp is van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel en wordt de tenuitvoerlegging ervan imminent, dan kan de vreemdeling die reeds een vordering tot schorsing heeft ingediend en voor zover de Raad zich nog niet over de vordering tot schorsing heeft uitgesproken, bij wege van voorlopige maatregelen in de zin van artikel 39/84 verzoeken dat de Raad zijn schorsingverzoek zo snel mogelijk behandelt.
  De vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen en de vordering tot schorsing worden samen behandeld en afgedaan binnen de achtenveertig uren na de ontvangst door de Raad van de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen. Komt de geadieerde kamervoorzitter of rechter in vreemdelingenbetwistingen niet binnen deze termijn tot een uitspraak, dan moet hij daarvan de eerste voorzitter of voorzitter op de hoogte brengen. Deze neemt de nodige maatregelen opdat er ten laatste binnen de 72 uur na de ontvangst van het verzoekschrift een uitspraak wordt gewezen. Inzonderheid kan hij daartoe de zaak evoceren en er zelf uitspraak over doen.
  Vanaf de ontvangst van de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen kan niet tot dwanguitvoering van de verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel worden overgegaan tot op het ogenblik dat de Raad uitspraak heeft gedaan over de vordering, dan wel indien hij de vordering heeft verworpen. Indien de Raad zich niet heeft uitgesproken binnen de in het tweede lid bedoelde 72 uur of indien de schorsing niet werd toegestaan, wordt de dwanguitvoering van de maatregel opnieuw mogelijk.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de inhoud van de in dit artikel bedoelde vordering, de wijze waarop ze moet worden ingediend en de procedure. ".
Art. 188. Un article 39/84, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/84. Lorsque le Conseil est saisi d'une demande de suspension d'un acte conformément à l'article 39/82, il est seul compétent, au provisoire et dans les conditions prévues à l'article 39/82, § 2, alinéa 1er, pour ordonner toutes les mesures nécessaires à la sauvegarde des intérêts des parties ou des personnes qui ont intérêt à la solution de l'affaire, à l'exception des mesures qui ont trait à des droits civils.
  Ces mesures sont ordonnées, les parties entendues ou dûment convoquées, par arrêt motivé du président de la chambre compétente pour se prononcer au fond ou par le juge au contentieux des étrangers qu'il désigne à cette fin.
  En cas d'extrême urgence, des mesures provisoires peuvent être ordonnées sans que les parties ou certaines d'entre elles aient été entendues.
  L'article 39/82, § 2, alinéa 2, s'applique aux arrêts prononcés en vertu du présent article.
  Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, la procédure relative aux mesures visées par le présent article. ".
Art. 190. In artikel 51/3, § 3, van dezelfde wet vervallen de woorden ", van de voorzitter of een gemachtigd bijzitter van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen,".
Art. 189. Un article 39/85, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 39/85. Si l'étranger fait l'objet d'une mesure d'éloignement ou de refoulement dont l'exécution est imminente, l'étranger qui a déjà introduit une demande de suspension, peut, à condition que le Conseil ne se soit pas encore prononcé sur cette demande, demander, par voie de mesures provisoires au sens de l'article 39/84, que le Conseil examine sa demande de suspension dans les meilleurs délais.
  La demande de mesures provisoires et la demande de suspension sont examinées conjointement et traitées dans les quarante-huit heures suivant la réception par le Conseil de la demande de mesures provisoires. Si le président de la chambre ou le juge au contentieux des étrangers saisi ne se prononce pas dans ce délai, il doit en avertir le premier président ou le président. Celui-ci prend les mesures nécessaires pour qu'une décision soit rendue au plus tard dans les septante- deux heures suivant la réception de la requête. Il peut notamment évoquer l'affaire et statuer lui-même.
  Des la réception de la demande de mesures provisoires, il ne peut être procédé à l'exécution forcée de la mesure d'éloignement ou de refoulement jusqu'à ce que le Conseil se soit prononcé sur la demande ou qu'il ait rejeté la demande. Si le Conseil ne s'est pas prononcé dans le délai de septante-deux heures visé à l'alinéa 2 ou si la suspension n'a pas été accordée, l'exécution forcée de la mesure est à nouveau possible.
  Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le contenu de la demande visée dans le présent article, la façon dont elle doit être introduite ainsi que la procédure. ".
Art. 191. Artikel 51/4, § 3, eerste lid, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  " § 3. Bij de procedures voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en voor de Raad van State wordt de taal gebruikt die overeenkomstig paragraaf 2 is gekozen of bepaald. ".
Art. 190. A l'article 51/3, § 3, de la même loi, les mots ", du président ou d'un assesseur délégué de la Commission permanente de recours des réfugiés," sont supprimés.
Art. 192. In artikel 51/8, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden "de Raad van State" vervangen door de woorden "de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen".
Art. 191. L'article 51/4, § 3, alinéa 1er, de la même loi, est remplace par l'alinéa suivant :
  " § 3. Dans les procédures devant le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, le Conseil du Contentieux des étrangers et le Conseil d'Etat, il est fait usage de la langue choisie ou déterminée conformément au paragraphe 2. ".
Art. 193. In artikel 55 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 december 2003, en gewijzigd bij de wet van 27 december 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1 worden de woorden "wanneer zij nog in behandeling is bij de Minister of zijn gemachtigde, bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen" vervangen door de woorden "wanneer zij nog in behandeling is bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen";
  2° in § 2 worden de woorden "De Raad van State verklaart het beroep dat werd ingesteld tegen een beslissing genomen ingevolge een verklaring of een aanvraag overeenkomstig de artikelen 50, 50bis of 51 zonder voorwerp" vervangen door de woorden "De Raad van State verklaart het beroep dat werd ingesteld tegen een beslissing genomen door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zonder voorwerp".
Art. 192. Dans l'article 51/8, alinéa 2, de la même loi, les mots "le Conseil d'Etat" sont remplacés par les mots "le Conseil du Contentieux des étrangers".
Art. 194. De artikelen 57/11 tot 57/23 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 14 juli 1987 en gewijzigd bij de wetten van 18 juli 1991, 6 mei 1993, 15 juli 1996, 9 maart 1998 en 16 maart 2005, worden opgeheven.
Art. 193. A l'article 55 de la même loi, inséré par la loi du 22 décembre 2003, et modifié par la loi du 27 décembre 2004, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le § 1er, les mots "lorsqu'elle est encore examinée par le Ministre ou son délégué, par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou par la Commission permanente de recours des réfugiés" sont remplacés par les mots "lorsqu'elle est encore examinée par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou par le Conseil du Contentieux des étrangers";
  2° dans le § 2, les mots "Le Conseil d'Etat déclare sans objet le recours introduit contre une décision prise à la suite d'une déclaration ou d'une demande faite sur base des articles 50, 50bis ou 51" sont remplacés par les mots "Le Conseil d'Etat déclare sans objet le recours introduit contre une décision prise par le Conseil du Contentieux des étrangers".
Art. 195. In artikel 57/23 bis van dezelfde wet, ingevoegd bij wet van 6 mei 1993 en gewijzigd bij wet van 15 juli 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "mits de asielzoeker daarmee instemt" ingevoegd tussen de woorden "diens gemachtigde" en de woorden "kan alle stukken";
  2° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
  " Hij kan een mondeling of schriftelijk advies verstrekken aan de Minister in zoverre dat advies de bevoegdheid betreft om te bepalen welke Staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek of om een latere asielaanvraag te verwerpen, aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, uit eigen beweging of op diens verzoek. Hij kan eveneens uit eigen beweging een schriftelijk advies verstrekken aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. ";
  3° in het derde lid worden de woorden "een overheid" vervangen door de woorden "de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen".
Art. 194. Les articles 57/11 à 57/23 de la même loi, insères par la loi du 14 juillet 1987 et modifiés par les lois des 18 juillet 1991, 6 mai 1993, 15 juillet 1996, 9 mars 1998 et 16 mars 2005, sont abrogés.
Art. 196. In artikel 57/24 van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 14 juli 1987 en gewijzigd bij de wet van 15 juli 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid vervallen de woorden "en de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen";
  2° in het tweede lid vervallen de woorden "en de eerste voorzitters van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen" en wordt het woord "stellen" vervangen door het woord "stelt".
Art. 195. A l'article 57/23 bis de la même loi, inséré par la loi du 6 mai 1993 et modifié par la loi du 15 juillet 1996, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots "à condition que le demandeur d'asile soit d'accord" sont insérés entre les mots "son délégué" et les mots "peut consulter toutes les pièces";
  2° l'alinéa 2 est remplacé par l'alinéa suivant :
  " Il peut donner un avis, écrit ou oral, au Ministre pour autant que cet avis concerne la compétence de déterminer quel Etat est responsable du traitement de la demande d'asile ou de rejeter une demande d'asile ultérieure, au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, de sa propre initiative ou à sa demande. Il peut également, de sa propre initiative, donner un avis écrit au Conseil du Contentieux des étrangers ";
  3° dans l'alinéa 3, les mots "une autorité" sont remplacés par les mots "le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides".
Art. 197. In artikel 57/25 van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 14 juli 1987 en gewijzigd bij de wet van 15 juli 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid vervallen de woorden "en de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen";
  2° het derde lid wordt opgeheven.
Art. 196. A l'article 57/24 de la même loi, inséré par la loi du 14 juillet 1987 et modifié par la loi du 15 juillet 1996, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1er, les mots "et la Commission permanente de recours des réfugiés" sont supprimés et les mots "ainsi que leur fonctionnement" sont remplacés par les mots "ainsi que son fonctionnement";
  2° à l'alinéa 2, les mots "et les premiers présidents de la Commission permanente de recours des réfugiés" sont supprimés et le mot "rédigent" est remplacé par le mot "rédige".
Art. 198. In artikel 57/26 van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 14 juli 1987 en vervangen bij de wet van 6 mei 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1 vervallen de woorden "en van de vaste voorzitters en bijzitters van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen";
  2° §§ 2, 4 en 5 worden opgeheven.
Art. 197. A l'article 57/25 de la même loi, inséré par la loi du 14 juillet 1987 et modifié par la loi du 15 juillet 1996, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1er, les mots "et de la Commission permanente de recours des réfugies" sont supprimés et les mots "de leur mission" sont remplacés par les mots "de sa mission";
  2° l'alinéa 3 est supprimé.
Art. 199. In artikel 57/27 van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 14 juli 1987, vervallen de woorden "en op de leden van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen".
Art. 198. A l'article 57/26 de la même loi, inséré par la loi du 14 juillet 1987 et remplacé par la loi du 6 mai 1993, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le § 1er, les mots ", de ses adjoints ainsi que des présidents et assesseurs permanents de la Commission permanente de recours des réfugiés" sont remplacés par les mots "et de ses adjoints";
  2° les §§ 2, 4 et 5 sont abrogés.
Art. 200. In artikel 63 van dezelfde wet, gewijzigd door de wetten van 14 juli 1987, 18 juli 1991, 6 mei 1993 en 18 februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  " De administratieve beslissingen zijn vatbaar ofwel voor een verzoek tot opheffing van veiligheidsmaatregelen, ofwel voor een beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, of nog voor beroep bij de rechterlijke macht, overeenkomstig hetgeen hierna is bepaald. ";
  2° in het tweede lid vervallen de woorden "en van titel III, hoofdstuk Ibis".
Art. 199. Dans l'article 57/27 de la même loi, inséré par la loi du 14 juillet 1987, les mots ", à ses adjoints et aux membres de la Commission permanente de recours des réfugiés" sont remplacés par les mots "et à ses adjoints".
Art. 201. Artikel 66, derde lid, van dezelfde wet, wordt opgeheven.
Art. 200. A l'article 63 de la même loi, modifié par les lois du 14 juillet 1987, du 18 juillet 1991, du 6 mai 1993 et du 18 février 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par l'alinéa suivant :
  " Les décisions administratives peuvent donner lieu soit à une demande de levée de mesure de sûreté, soit à un recours auprès du Conseil du Contentieux des étrangers, soit à un recours au pouvoir judiciaire, conformément aux dispositions ci-après. ";
  2° à l'alinéa 2, les mots "et du titre III, chapitre Ierbis" sont supprimés.
Art. 202. In titel III van dezelfde wet wordt hoofdstuk 4, omvattende de artikelen 69, zoals vervangen bij de wet van 10 juli 1996, en 69bis, zoals laatst gewijzigd bij de wet van 15 juli 1996, opgeheven.
Art. 201. L'article 66, alinéa 3, de la même loi, est abrogé.
Art. 203. In artikel 71 van dezelfde wet, gewijzigd door de wetten van 6 mei 1993, 15 juli 1996, 9 maart 1998, 18 februari 2003 en 1 september 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid vervalt de verwijzing naar artikel 63/5, derde lid, en artikel 67 en worden de woorden "51/5, § 3, vierde lid" vervangen door de woorden "51/5, § 1, tweede lid, en § 3, vierde lid";
  2° in het derde lid worden de woorden "de betrokkene kan" vervangen door de woorden "Onverminderd de toepassing van de artikelen 74/5, § 3, vijfde lid en 74/6, § 2, vijfde lid, kan de betrokkene".
Art. 202. Dans le titre III de la même loi, le chapitre 4, contenant les articles 69, modifié par la loi du 10 juillet 1996, et 69bis, tel que modifié en dernier lieu par la loi du 15 juillet 1996, est abrogé.
Art. 204. In artikel 72 van dezelfde wet, gewijzigd door de wetten van 28 juni 1984 en 10 juli 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden ", de Minister, zijn gemachtigde of zijn advocaat" gevoegd tussen de woorden "of zijn advocaat" en de woorden "in hun middelen" en vervalt de tweede zin;
  2° in het derde lid vervallen de woorden ", in het door artikel 74 bedoelde geval,".
Art. 203. A l'article 71 de la même loi, modifié par les lois du 6 mai 1993, du 15 juillet 1996, du 9 mars 1998, du 18 février 2003 et du 1er septembre 2004, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1er, la référence à l'article 63/5, alinéa 3, et à l'article 67 est supprimée et les mots "51/5, § 3, alinéa 4" sont remplacés par les mots "51/5, § 1er, alinéa 2, et § 3, alinéa 4";
  2° dans l'alinéa 3, les mots "L'intéressé" sont remplacés par les mots "Sans préjudice de l'application des articles 74/5, § 3, alinéa 5 et 74/6, § 2, alinéa 5, l'intéressé".
HOOFDSTUK V. - Wijziging van het Wetboek van strafvordering.
Art. 204. A l'article 72 de la même loi, modifié par les lois des 28 juin 1984 et 10 juillet 1996, sont apportées les modifications suivantes :
Art. 205. In de artikelen 479 en 483 van het Wetboek van Strafvordering, vervangen bij wet van 10 oktober 1967 en gewijzigd bij de wetten van 3 juni 1971, 28 juni 1983 en 6 mei 1997, worden de woorden "de leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen," ingevoegd tussen de woorden "een referendaris bij dat Hof" en de woorden "een generaal". (NOTA van Justel : de onderhavige beschikking houdt er geen rekening mee dat de wijzigingsbeschikking W 2003-04-10/59, art. 86, het woord "generaal" heeft laten verdwijnen.)
CHAPITRE V. - Modification du Code d'instruction criminelle.
HOOFDSTUK VI. - Wijzigingen van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State.
Art. 205. Aux articles 479 et 483 du Code d'instruction criminelle, remplacés par la loi du 10 octobre 1967 et modifiés par les lois du 3 juin 1971, du 28 juin 1983 et du 6 mai 1997, les mots "les membres du Conseil du Contentieux des étrangers" sont insérés entre les mots "un référendaire près cette Cour," et les mots "un général". (NOTE de Justel : la présente disposition ne prend pas en compte que la disposition modificative L 2003-04-10/59, art. 86, a fait disparaître le mot "général".)
Art. 206. Het opschrift van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers van de Raad van State wordt vervangen als volgt :
CHAPITRE VI. - Modifications de la loi du 5 avril 1955 relative aux traitements des titulaires d'une fonction au Conseil d'état.
Art. 207. In artikel 1 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 3 april 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1 wordt vanaf 1 oktober 2002 vervangen als volgt :
  " § 1. De wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State worden vastgesteld als volgt (in euro) :
  - Eerste Voorzitter 66 755
  - Auditeur-generaal 64 989
  - Voorzitter 64 915
  - Adjunct-auditeur-generaal 63 196
  - Kamervoorzitter 57 778
  - Eerste auditeur-afdelingshoofd en eerste referendaris-afdelingshoofd 56 012
  - Staatsraad 53 511
  - Eerste auditeur en eerste referendaris 53 511
  - Auditeur en referendaris 44 091
  - Adjunct-auditeur en adjunct-referendaris 33 790
  - Hoofdgriffier 53 511
  - Griffier 25 549".
  2° een § 1bis wordt ingevoegd, luidende :
  " Vanaf de datum bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wordt de wedde van griffier bij de Raad van State vastgesteld als volgt (in euro) :
  - Griffier 29 125,71";
  3° een § 1ter wordt ingevoegd, luidende :
  " § 1ter. De wedden van de leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en van de leden van de griffie ervan worden vastgesteld als volgt (in euro) :
  - Eerste Voorzitter 62 000
  - Voorzitter 59 616
  - Kamervoorzitter 56 010
  - Rechter in vreemdelingenzaken 45 000
  - Hoofdgriffier 30 612
  - Griffier 20 252
  De ambtsdragers van de Raad van State die aangewezen worden voor het ambt van eerste voorzitter of voorzitter, genieten de in het eerste lid bepaalde wedde met inbegrip van de bij deze wet voorziene vergoedingen verhogingen en weddenbijslagen.
  4° In § 2, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de inleidende zin worden de woorden "op 897 073 frank" vervangen door de woorden "op 22 238 euro" en vervallen de woorden "(in franken)";
  b) de bedragen "94 979" en "71 234" worden vervangen door respectievelijk "2 354" en "1 766".
  5° In § 3, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de inleidende zin worden de woorden "op 1 363 072 frank" vervangen door de woorden "op 33 790 euro" en vervallen de woorden "(in franken)";
  b) de bedragen "94 979" en "71 234" worden vervangen door respectievelijk "2 354" en "1 766".
Art. 206. L'intitulé de la loi du 5 avril 1955 relative aux traitements des titulaires d'une fonction au Conseil d'Etat est remplacé par l'intitulé suivant :
  " Loi du 5 avril 1955 relative aux traitements des titulaires d'une fonction au Conseil d'Etat et des magistrats et membres du greffe du Conseil du Contentieux des étrangers".
Art. 208. In artikel 3 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 3 juni 1971, 2 augustus 1974, 6 januari 1989, 17 oktober 1990, 3 april 1997 en 25 mei 1999 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1, 1° wordt vanaf 1 oktober 2002 vervangen als volgt :
  " 1° voor de eerste voorzitter, de voorzitter, de kamervoorzitters, de staatsraden, de auditeur-generaal, de adjunct-auditeur-generaal, de eerste auditeurs-afdelingshoofden, de eerste referendarissen-afdelingshoofden, de eerste auditeurs, de eerste referendarissen en de hoofdgriffier : acht opeenvolgende verhogingen, waarvan de eerste drie 2 354 euro, de volgende vier van 1 766 euro en de laatste volgens de volgende voorwaarden (in euro) :
  - Eerste voorzitter 3 306
  - Auditeur-generaal 5 072
  - Voorzitter 3 232
  - Adjunct-auditeur-generaal 4 998
  - Kamervoorzitter 2 894
  - Eerste auditeur-afdelingshoofd
  en eerste referendaris
  afdelingshoofd 4 660
  - Staatsraad 2 776
  - Eerste auditeur en eerste
  referendaris 2 776
  - Hoofdgriffier 2 776";
  2° § 1, 2° tot 4° wordt vervangen als volgt :
  " 2° Voor de auditeurs, de referendarissen, de adjunct-auditeurs en de adjunct-referendarissen : acht opeenvolgende verhogingen tot 22 074 euro in het geheel, waarvan de eerste drie 2 943 euro en de overige vijf 2 649 euro bedragen;
  3° voor de griffiers : acht opeenvolgende verhogingen tot 20 470,31 euro in het geheel, waarvan de eerste drie 3 411,72 euro en de overige vijf 2 047,03 euro bedragen;
  4° Voor de assessoren van de afdeling wetgeving : zeven opeenvolgende verhogingen tot 7 063 euro in het geheel, waarvan de eerste drie 1 177 euro en de overige vier 883 euro bedragen. ";
  3° een § 1bis wordt ingevoegd, luidende :
  " § 1bis. De wedden en vergoedingen, bedoeld in de artikelen 1 en 2, worden wat de leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft, na iedere periode van drie jaar ambtsuitoefening bij de voornoemde raad verhoogd. Die verhogingen worden als volgt gespreid :
  1° Voor de eerste voorzitter, de voorzitter en de kamervoorzitters : acht opeenvolgende verhogingen, waarvan de eerste drie 2 354 euro, de volgende vier van 1 766 euro en de laatste volgens de volgende voorwaarden (in euro) :
  - Eerste voorzitter 3 232
  - Voorzitter 2 894
  - Kamervoorzitter 2 776.
  2° Voor de rechters in vreemdelingenzaken : acht opeenvolgende verhogingen tot 22 074 euro in het geheel, waarvan de eerste drie 2 943 euro en de overige vijf 2 649 euro bedragen;
  3° Voor de hoofdgriffier en de griffiers : acht opeenvolgende verhogingen tot 11 037 euro in het geheel, waarvan de eerste drie 1 839 euro en de overige vijf 1 104 euro bedragen. ";
  4° in § 2 worden de woorden "en de leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen" ingevoegd na de woorden "bij de Raad van State" en wordt het getal "23 744" telkens vervangen door de woorden "589 euro";
  5° in § 3 worden de woorden "van de Raad van State en de leden van de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen" ingevoegd na de woorden "aan de griffiers" en wordt het getal "29 680" telkens vervangen door de woorden "738 euro";
  6° een § 3bis wordt ingevoegd, luidende :
  " § 3bis. Onverminderd de overige in dit artikel bedoelde verhogingen, genieten de in artikel 69, 1° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, bedoelde leden van de Raad, die geen mandaat uitoefenen, en die ten minste elf jaar graadanciënniteit hebben, op formeel gemotiveerd gunstig advies van de korpschef, en voor zover zij bij hun periodieke beoordeling, niet de vermelding onvoldoende gekregen hebben, een verhoging van 1 487 euro. Onder dezelfde voorwaarden genieten ook de eerste auditeurs en de eerste referendarissen die ten minste elf jaar benoemd zijn in de graad van eerste auditeur of eerste referendaris, deze verhoging.
  Indien een navolgende periodieke evaluatie leidt tot de voornoemde eindvermelding "onvoldoende", dan verliest de in het eerste lid bedoelde ambtsdrager deze verhoging de eerste van de maand volgend op de kennisgeving van de definitieve beoordeling.
  Deze bepaling vindt geen toepassing vooraleer de bepalingen betreffende de periodieke evaluatie van ambtsdragers van de Raad van State, in werking zijn getreden. ";
  7° in § 4, tweede lid, worden de woorden "en de leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen" ingevoegd tussen de woorden "De ambtsdragers bij de Raad van State" en de woorden "blijven het";
  8° in § 5, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de inleidende zin worden de woorden "en voor de leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen" ingevoegd tussen de woorden "ambtsdragers" en de woorden "rekening gehouden";
  b) in 3° worden na de woorden "dezelfde regels" de woorden "alsook de duur van de diensten gepresteerd als griffier bij de Raad van State of lid van de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op voorwaarde dat hij in die hoedanigheid houder is van het diploma van doctor, licentiaat of master in de rechten en dit volgens dezelfde regels", toegevoegd;
  c) het wordt aangevuld als volgt :
  " 4° De periode gedurende dewelke het ambt van lid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is uitgeoefend wat de ambtsdragers van de Raad van State betreft en van ambtsdrager bij de Raad van State wat de leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft";
  9° in § 5, tweede lid dat het derde lid is geworden, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de inleidende zin worden de woorden "bij de Raad van State en de leden van de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen" ingevoegd tussen de woorden "griffiers" en "betreft";
  b) in het 3° worden na de woorden "Raad van State", de woorden "of van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gepresteerd in niveau A of B en dit in dezelfde mate en volgens dezelfde regels als in het statuut bepaald", toegevoegd;
  c) in 4°, wordt het getal "2" vervangen door "A of B";
  10° in § 5, wordt tussen het tweede en het derde lid, het volgende lid ingevoegd :
  " Behalve wanneer de nieuwe berekening voordeliger is, behouden alle griffiers van de Raad van State die op datum van inwerkingtreding van deze bepaling benoemd zijn de op die datum vastgestelde berekening van de periodieke verhoging. ";
  11° in § 6 worden de woorden "of tot lid van de Raad of van de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen" ingevoegd tussen de woorden "Raad van State" en de woorden "reeds een ambt";
  12° § 7 wordt aangevuld als volgt :
  " Voor de berekening van de periodieke verhogingen wordt rekening gehouden met de periodes gedurende welke een lid van de Raad of van de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met toepassing van artikel 39/51 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, buiten kader werd geplaatst. ".
Art. 207. A l'article 1er de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
  1° Le § 1er est, à partir du 1er octobre 2002, remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Les traitements des titulaires d'une fonction au Conseil d'Etat sont fixés comme suit (en euros) :
  - Premier président 66 755
  - Auditeur général 64 989
  - Président 64 915
  - Auditeur général adjoint 63 196
  - Président de chambre 57 778
  - Premier auditeur chef de section et Premier référendaire chef de section 56 012.
  - Conseiller d'Etat 53 511
  - Premier auditeur et premier référendaire 53 511
  - Auditeur et référendaire 44 091
  - Auditeur adjoint et référendaire adjoint 33 790
  - Greffier en chef 53 511
  - Greffier 25 549".
  2° un § 1erbis est inséré, rédigé comme suit :
  " A compter de la date fixée par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le traitement de greffier auprès du Conseil d'Etat est fixé comme suit (en euros) :
  - Greffier 29 125,71";
  3° Un § 1erter est inséré, rédige comme suit :
  " § 1erter. Les traitements des membres du Conseil du Contentieux des étrangers et des membres du greffe de ce dernier sont fixes comme suit (en euros) :
  - Premier président 62 000
  - Président 59 616
  - Président de chambre 56 010
  - Juge au contentieux des étrangers 45 000
  - Greffier en chef 30 612
  - Greffier 20 252
  Les titulaires de fonction du Conseil d'Etat qui sont désignés pour la fonction de premier président ou de président jouissent du traitement fixé à l'alinéa 1er, y compris des indemnités des augmentations et des compléments de salaire prévus dans cette loi.
  4° Au § 2, sont apportées les modifications suivantes :
  a) dans la phrase liminaire, les mots "à 897 073 francs" sont remplacés par les mots "à 22 238 euros" et les mots "(en francs)" sont supprimés;
  b) les montants "94 979" et 71 234" sont remplacés respectivement par "2 354" et "1 766".
  5° Au § 3, sont apportées les modifications suivantes :
  a) dans la phrase liminaire, les mots "à 1 363 072 francs" sont remplacés par les mots "à 33 790 euros" et les mots "(en francs)" sont supprimés;
  b) les montants "94 979" et "71 234" sont remplacés respectivement par "2 354" et "1766".
Art. 209. Artikel 3bis van dezelfde wet, vervangen door de wet van 3 april 1997, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 3bis. De ambtsdrager van de Raad van State of het lid van de Raad of van de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die geroepen wordt om, gedurende ten minste drie opeenvolgende maanden, de eerste voorzitter, de auditeur-generaal, de voorzitter, de adjunct-auditeur-generaal, de kamervoorzitter, de eerste auditeur-afdelingshoofd, de eerste referendaris-afdelingshoofd, de hoofdgriffier of de griffier in de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de uitoefening van zijn mandaat te vervangen, ontvangt de helft van het verschil tussen zijn wedde en de wedde die aan het voorlopig uitgeoefende mandaat is verbonden op voorwaarde dat hij voldoet aan de voorwaarden om in dat mandaat te worden aangesteld. ".
Art. 208. A l'article 3 de la même loi, modifié par les lois du 3 juin 1971, du 2 août 1974, du 6 janvier 1989, du 17 octobre 1990, du 3 avril 1997 et du 25 mai 1999, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le § 1er, 1° est, à partir du 1er octobre 2002, remplacé par la disposition suivante :
  " 1° En ce qui concerne le premier président, le président, les présidents de chambre, les conseillers d'Etat, l'auditeur général, l'auditeur général adjoint, les premiers auditeurs chefs de section, les premiers référendaires chefs de section, les premiers auditeurs, les premiers référendaires et le greffier en chef : huit majorations successives, dont les trois premières de 2 354 euros, les quatre suivantes de 1 766 euros et la dernière selon les conditions suivantes (en euros) :
  - Premier président 3 306
  - Auditeur général 5 072
  - Président 3 232
  - Auditeur général adjoint 4 998
  - Président de chambre 2 894
  - Premier auditeur chef de section et premier référendaire chef de section 4 660.
  - Conseiller d'Etat 2 776
  - Premier auditeur et
  premier référendaire 2 776
  - Greffier en chef 2 776";
  2° le § 1er, 2° a 4°, est remplace par la disposition suivante :
  " 2° En ce qui concerne les auditeurs, les référendaires, les auditeurs adjoints et les référendaires adjoints : huit majorations successives d'un montant global de 22 074 euros, dont les trois premières s'élèvent à 2 943 euros et les cinq autres à 2 649 euros;
  3° en ce qui concerne les greffiers : huit majorations successives d'un montant global de 20 470,31 euros, dont les trois premières s'élèvent à 3 411,72 euros et les cinq autres à 2 047,03 euros;
  4° En ce qui concerne les assesseurs de la section de législation : sept majorations successives d'un montant global de 7 063 euros, dont les trois premières s'élèvent à 1 177 euros et les quatre autres à 883 euros. ";
  3° un § 1erbis est inséré, rédigé comme suit :
  " § 1erbis. Les traitements et indemnités, visés aux articles 1er et 2, sont majorés, en ce qui concerne les membres du Conseil du Contentieux des étrangers, après chaque période de trois années de fonctions au Conseil précité. Ces majorations se répartissent comme suit :
  1° En ce qui concerne le premier président, le président et les présidents de chambre : huit majorations successives, dont les trois premières de 2 354 euros, les quatre suivantes de 1 766 euros et la dernière selon les conditions suivantes (en euros) :
  - Premier président 3 232
  - Président 2 894
  - Président de chambre 2 776.
  2° En ce qui concerne les juges au contentieux des étrangers : huit majorations successives d'un montant global de 22 074 euros, dont les trois premières s'élèvent à 2 943 euros et les cinq autres à 2 649 euros;
  3° En ce qui concerne le greffier en chef et les greffiers : huit majorations successives d'un montant global de 11 037 euros, dont les trois premières s'élèvent à 1 839 euros et les cinq autres à 1 104 euros. ";
  4° au § 2, les mots "et aux membres du Conseil du Contentieux des étrangers" sont insérés après les mots "au Conseil d'Etat" et le chiffre "23 744" est à chaque fois remplacé par les mots "589 euros";
  5° au § 3, les mots "du Conseil d'Etat et les membres du greffe du Conseil du Contentieux des étrangers" sont insérés après les mots "les greffiers" et le chiffre "29 680" est à chaque fois remplacé par les mots "738 euros";
  6° un § 3bis est inséré, rédigé comme suit :
  " § 3bis. Sans préjudice des autres majorations visées dans le présent article, les membres du Conseil visés à l'article 69, 1° des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, qui n'exercent pas de mandat, et qui ont au moins onze ans d'ancienneté de grade, bénéficient, sur avis favorable et formellement motivé du chef de corps et pour autant qu'ils n'aient pas obtenu, lors de leur évaluation périodique, l'évaluation "insuffisant", d'une majoration de 1 487 euros. Aux mêmes conditions, les premiers auditeurs et les premiers référendaires qui sont nommés depuis au moins 11 ans dans le grade de premier auditeur ou premier référendaire bénéficient également de cette majoration.
  Si une évaluation périodique ultérieure donne lieu à l'évaluation "insuffisant" précitée, le titulaire de la fonction visé à l'alinéa 1er perd cette majoration qui lui a été octroyée le premier du mois suivant la notification de l'évaluation définitive.
  La présente disposition ne s'applique pas tant que les dispositions relatives à l'évaluation périodique des titulaires de fonction du conseil d'état, ne sont pas entrées en vigueur. ";
  7° au § 4, alinéa 2, les mots "et les membres du Conseil du Contentieux des étrangers" sont insérés entre les mots "Les titulaires d'une fonction au Conseil d'Etat" et les mots "reste acquis";
  8° au § 5, alinéa 1er, sont apportées les modifications suivantes :
  a) dans la phrase liminaire, les mots "et pour les membres du Conseil du Contentieux des étrangers" sont insérés entre les mots "titulaires de fonctions" et les mots "compte tenu";
  b) au 3°, sont ajoutés, après les mots "les mêmes modalités" les mots "ainsi que de la durée des services prestés en tant que greffier au Conseil d'Etat ou en tant que membre du greffe du Conseil du Contentieux des Etrangers, à condition qu'il soit, en cette qualité, titulaire du diplôme de docteur, de licencié ou de master en droit, et ce suivant les mêmes modalités";
  c) l'alinéa est complété comme suit :
  " 4° La période pendant laquelle la fonction de membre du Conseil du Contentieux des étrangers a été exercée en ce qui concerne les titulaires d'une fonction au Conseil d'Etat et pendant laquelle la fonction de titulaire d'une fonction au Conseil d'Etat a été exercée en ce qui concerne les membres du Conseil du Contentieux des étrangers";
  9° au § 5, alinéa 2, devenu l'alinéa 3, sont apportées les modifications suivantes :
  a) dans la phrase liminaire, les mots "au Conseil d'Etat et les membres du greffe du Conseil du Contentieux des étrangers" sont insérés entre les mots "les greffiers" et "concernant";
  b) au 3°, sont ajoutés, après les mots "Conseil d'Etat", les mots "ou du Conseil du Contentieux des étrangers prestés au niveau A ou B et ceci au même degré et selon les mêmes modalités que ceux déterminés dans le statut. ";
  c) au 4°, le chiffre "2" est remplacé par "A ou B";
  10° dans le § 5, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
  " Sauf lorsque le nouveau calcul est plus avantageux, tous les greffiers du Conseil d'Etat nommés à la date de l'entrée en vigueur de cette disposition, conservent le calcul de l'augmentation périodique fixé à cette date. ";
  11° au § 6, les mots "ou comme membre du Conseil ou du greffe du Conseil du Contentieux des étrangers" sont insérés entre les mots "Conseil d'Etat" et les mots "déjà une fonction";
  12° le § 7 est complété par l'alinéa suivant :
  " Pour le calcul des augmentations périodiques, il est tenu compte des périodes durant lesquelles le membre du Conseil ou du greffe du Conseil du Contentieux des étrangers a été placé hors cadre, en application de l'article 39/51 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers. ".
Art. 210. In artikel 3ter van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 25 mei 1999, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 3ter. Aan de in artikel 1 bedoelde ambtsdragers bij de Raad van State, de griffiers uitgezonderd, en aan de leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die wachtdienst hebben, wordt een weddenbijslag van 3 223 euro toegekend. ".
  Aan de griffiers van de Raad van State en aan de leden van de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die wachtdienst hebben wordt een weddenbijslag van 2 231 euro toegekend. ".
Art. 209. L'article 3bis de la même loi, modifié par la loi du 3 avril 1997, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 3bis. Le titulaire de fonction au Conseil d'Etat ou le membre du Conseil ou du greffe du Conseil du Contentieux des étrangers appelé à remplacer, durant trois mois consécutifs au moins, le premier président, l'auditeur général, le président, l'auditeur général adjoint, le président de chambre, le premier auditeur chef de section, le premier référendaire chef de section, le greffier en chef ou le greffier au Conseil du Contentieux des étrangers dans l'exercice de son mandat, touche la moitie de la différence entre son traitement et celui qui est attaché au mandat exercé provisoirement, à condition qu'il réponde aux critères pour être désigné pour ce mandat. ".
Art. 211. In artikel 3quater, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 25 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "60 000 frank" telkens vervangen door de woorden "1 487 euro";
  2° het wordt aangevuld als volgt :
  " Dezelfde weddenbijslagen worden toegekend aan de leden van de Raad en van de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volgens de onderscheiden gemaakt in het eerste en het tweede lid.
  De ambtsdrager die met toepassing van artikel 39/20, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, het ambt van griffier uitoefent, wordt bijkomend de helft van de in het tweede lid bepaalde weddenbeslag toegekend voor de periode gedurende dewelke hij dit ambt uitoefent. ".
Art. 210. L'article 3ter de la même loi, modifié par la loi du 25 mai 1999, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 3ter. Les titulaires de fonction au Conseil d'Etat, à l'exception des greffiers, et les membres du Conseil du Contentieux des étrangers visés à l'article 1er, qui sont en service de garde, bénéficient d'un supplément de traitement de 3 223 euros. ".
  Les greffiers du Conseil d'Etat et les membres du greffe du Conseil du Contentieux des étrangers qui sont en service de garde, bénéficient d'un supplément de traitement de 2 231 euros. ".
Art. 212. In artikel 4 van dezelfde wet, vervangen bij wet van 2 augustus 1974, worden de woorden "en van de leden van de Raad en van de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen" ingevoegd tussen de woorden "Raad van State" en de woorden "worden gekoppeld".
Art. 211. A l'article 3quater de la même loi, modifié par la loi du 25 mai 1999, sont apportées les modifications suivantes :
  1° les mots "60 000 francs" sont à chaque fois remplacés par les mots "1 487 euros";
  2° l'article est complété par les alinéas suivants :
  " Les mêmes suppléments de traitement sont octroyés aux membres du Conseil et du greffe du Conseil du Contentieux des étrangers selon les distinctions établies aux alinéas 1er et 2.
  Le titulaire de fonction qui, en application de l'article 39/20, alinéa 3, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, exerce la fonction de greffier, reçoit en complément la moitié du supplément de traitement, visé à l'alinéa 2, pour la période pendant laquelle il exerce cette fonction. ".
Art. 213. In artikel 5 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° In het eerste lid worden de woorden "en de leden van de Raad en van de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen" ingevoegd tussen de woorden "ambtsdragers" en de woorden "bedoeld in";
  2° het tweede lid wordt aangevuld als volgt :
  " en aan de leden van de Raad en van de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen".
Art. 212. A l'article 4 de la même loi, modifié par la loi du 2 août 1974, les mots "et des membres du Conseil et du greffe du Conseil du Contentieux des étrangers" sont insérés entre les mots "Conseil d'Etat" et les mots "sont liés".
HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen.
Art. 213. A l'article 5 de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
Afdeling I. - Slotbepalingen inzake de Raad van State.
CHAPITRE VII. - Dispositions finales.
Art. 214. De Raad van State blijft bevoegd voor de op het ogenblik van inwerkingtreding van deze wet bij de Raad aanhangige adviesaanvragen in de zin van de artikelen 8 en 9 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Zij worden verder behandeld overeenkomstig de daags voor de datum van inwerkingtreding van deze bepaling geldende bepalingen. De artikelen 51 en 51bis van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, blijven op deze adviezen van toepassing.
Section Ire. - Dispositions finales relatives au Conseil d'Etat.
Art. 215. De Raad van State blijft bevoegd voor de behandeling van de op het ogenblik van inwerkingtreding van deze wet bij de Raad aanhangige zaken betreffende de bevoegdheden van de Mijnraad in de zin van artikel 10 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Zij worden verder behandeld overeenkomstig de daags voor de datum van inwerkingtreding van deze bepaling geldende bepalingen.
Art. 214. Le Conseil d'Etat demeure compétent pour les demandes d'avis au sens des articles 8 et 9 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, pendantes auprès du Conseil au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi. Elles sont traitées conformément aux dispositions en vigueur la veille de l'entrée en vigueur de la présente disposition. Les articles 51 et 51bis des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, demeurent d'application à ces avis.
  Sans préjudice de l'alinéa 1er, le membre compétent de l'auditorat demande, selon l'état de la procédure relative à la demande d'avis, si la chambre saisie ou l'autorité compétente maintient sa demande d'avis. A défaut de maintien explicite de celle-ci dans les trois mois suivant la demande de maintien, la demande d'avis est clôturée d'office comme irrecevable.
Art. 216. De bepalingen van artikel 17, § 1, vijfde en zesde lid, § 3, eerste lid, van dezelfde wetten, zoals gewijzigd bij artikel 6, 3° van deze wet, zijn van toepassing op de beroepen die worden aanhangig gemaakt na de inwerkingtreding van deze bepaling.
  De bepalingen van artikel 17, § 4, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, ingevoegd bij artikel 6, 4°, van deze wet, zijn van toepassing op de beroepen waarin op de datum van inwerkingtreding van deze bepaling nog geen verslag van het bevoegde lid van het auditoraat is opgesteld.
Art. 215. Le Conseil d'Etat demeure compétent pour le traitement des affaires afférentes aux compétences du Conseil des mines au sens de l'article 10 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, pendantes auprès du Conseil au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi. Elles sont traitées conformément aux dispositions en vigueur la veille de l'entrée en vigueur de la présente disposition.
Art. 217. De termijn van acht dagen bedoeld in artikel 20, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, zoals hersteld bij artikel 8 van deze wet, treedt in werking op een door de Koning te bepalen datum.
  Tot aan die datum bedraagt die termijn één maand.
  Een jaar na de inwerkingtreding van artikel 20, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, zoals hersteld bij artikel 8 van deze wet, evalueert de Ministerraad de in voornoemd artikel 20, § 2, tweede tot vierde lid, bepaalde toelaatbaarheidsgronden.
Art. 216. Les dispositions de l'article 17, § 1er, alinéas 5 et 6, § 3, alinéa 1er, des mêmes lois, telles que modifiées par l'article 6, 3° de la présente loi, sont d'application aux recours introduits après l'entrée en vigueur de la présente disposition.
  Les dispositions de l'article 17, § 4, alinéa 2, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, insérées par l'article 6, 4°, de la présente loi, sont d'application aux recours pour lesquels aucun rapport du membre concerné de l'auditorat a été rédigé au moment de l'entrée en vigueur de la présente disposition.
Art. 218. Artikel 21bis, § 3, en artikel 30, § 6, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, zoals ingevoegd bij artikel 10 en 17 van deze wet, zijn van toepassing op de beroepen die worden ingediend na de inwerkingtreding van deze bepaling.
  Voor de beroepen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze bepaling geven de verzoekschriften tot tussenkomst welke ingediend worden ter zake van de geschillen voorzien in artikel 30, § 5, eerste lid, 2°, zoals ingevoegd bij deze wet, aanleiding tot de betaling van een zegelrecht van 125 euro. Indien een persoon die vrijwillig tussenkomt in een schorsingsprocedure, twee verzoekschriften tot tussenkomst indient waarvan het ene voor de schorsingsprocedure en het andere voor de annulatieprocedure, wordt het recht slechts gekweten voor de tussenkomst in de schorsingsprocedure en wordt het in debet begroot voor de annulatieprocedure.
Art. 217. Le délai de huit jours visé à l'article 20 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, tel que restauré à l'article 8 de la présente loi, entre en vigueur a une date déterminée par le Roi.
  Jusqu'à cette date, le délai est fixé à un mois.
  Un an après l'entrée en vigueur de l'article 20, § 2, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, tel qu'il est rétabli par l'article 8 de la présente loi, le Conseil des Ministres évalue les motifs d'admissibilité définis à l'article 20, § 2, alinéas 2 à 4, précité.
Art. 219. Artikel 30, § 3, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, ingevoegd bij artikel 17, 6°, van deze wet, is van toepassing op de aanhangige zaken waar op datum van inwerkingtreding van artikel 30, § 3, het verslag van het bevoegde lid van het auditoraat nog niet is betekend.
Art. 218. L'article 21bis, § 3, et l'article 30, § 6, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, insérées par les articles 10 et 17 de la présente loi, sont applicables aux recours introduits après l'entrée en vigueur de la présente disposition.
  Pour les recours introduits avant l'entrée en vigueur de la présente disposition, les demandes d'intervention introduites en matière de différends visés à l'article 30, § 5, alinéa premier, 2°, tel qu'inséré par la présente loi, donnent lieu au paiement d'un droit de timbre de 125 euros. Si une personne intervenant volontairement dans une procédure en suspension introduit deux demandes d'intervention, dont l'une pour la procédure en suspension et l'autre pour la procédure en annulation, ce droit est uniquement acquitté pour l'intervention dans la procédure en suspension et est comptabilise en débet pour la procédure en annulation.
Art. 220. De op het ogenblik van inwerkingtreding van artikel 25, 2°, benoemde griffier-informaticus bij de Raad van State kan binnen de vier maanden na de bekendmaking van het in het derde lid bepaalde koninklijk besluit verzoeken vast benoemd te worden als lid van het administratief personeel in een graad en betrekking die evenwaardig is aan die van griffier-informaticus. Deze benoeming geschiedt in voorkomend geval in overtal.
  Met ingang van zijn benoeming als lid van het administratief personeel verliest hij de hoedanigheid van lid van de griffie. Hij blijft evenwel te persoonlijken titel gemachtigd om de titel van griffier-informaticus te dragen.
  De Koning bepaalt, op advies van de eerste voorzitter, deze evenwaardige betrekking en de nadere regels voor de overgang naar het administratief personeel.
  Tot aan de in het tweede lid bedoelde benoeming, of in voorkomend geval, tot op de dag van het verstrijken van de in het eerste lid bepaalde termijn, blijft het ambt van griffier-informaticus bestaan. Indien betrokkene geen toepassing maakt van de mogelijkheid voorzien in het eerste lid, wordt hij aangewezen voor de griffie, in voorkomend geval in overtal. Hij blijft evenwel te persoonlijken titel gemachtigd om de titel van griffier-informaticus te dragen.
Art. 219. L'article 30, § 3, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, inséré par l'article 17, 6°, de la présente loi, est d'application aux affaires pendantes pour lesquelles le rapport du membre compétent de l'auditorat n'a pas encore été notifié à la date de l'entrée en vigueur de l'article 30, § 3.
Art. 221. Artikel 71, § 3 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, zoals gewijzigd bij artikel 27 van deze wet, is van toepassing op de benoeming van de ambtsdragers van de Raad van State die daadwerkelijk elf jaar dienst tellen na de inwerkingtreding van het voornoemd artikel 71, § 3, en dit onverminderd het bepaalde in artikel 74/8.
Art. 220. Le greffier informaticien nommé au Conseil d'Etat à la date d'entrée en vigueur de l'article 25, 2°, peut, dans les quatre mois suivant la publication de l'arrêté royal visé à l'alinéa 3, demander d'être nommé à titre définitif en tant que membre du personnel administratif à un grade et dans un emploi équivalent à celui de greffier informaticien. Cette nomination a lieu, le cas échéant, en surnombre.
  A compter de sa nomination comme membre du personnel administratif, il perd la qualité de membre du greffe. Il demeure toutefois autorisé, à titre personnel, à porter le titre de greffier informaticien.
  Le Roi détermine, sur avis du premier président, cet emploi équivalent ainsi que les modalités du passage dans le personnel administratif.
  Jusqu'à la nomination visée à l'alinéa 2 ou, le cas échéant, jusqu'au jour où prend fin le délai prévu à l'alinéa 1er, la fonction de greffier informaticien est maintenue. Si l'intéressé ne fait pas usage de la possibilité prévue à l'alinéa 1er, il est désigné au greffe, le cas échéant en surnombre. Il demeure toutefois autorisé, à titre personnel, à porter le titre de greffier informaticien.
Art. 222. De procedures tot invulling van voor de inwerkingtreding van deze bepaling daadwerkelijk opengevallen vacatures voor benoemingen in de Raad van State die na de inwerkingtreding van deze bepaling zullen moeten worden begeven bij mandaat en die zijn aangevat voor de inwerkingtreding van dit artikel, worden voortgezet overeenkomstig de daags voor de datum van de inwerkingtreding van deze bepaling geldende voorschriften.
  De titularissen van een mandaat die met toepassing van het eerste lid na de inwerkingtreding van deze regeling nog overeenkomstig de oude procedure werden benoemd, worden op het ogenblik van hun benoeming geacht te zijn aangewezen als houder van het overeenstemmende mandaat.
  De procedures tot invulling van vacatures van een mandaat die nog niet zijn afgehandeld voor de eerste dag van de vierde maand volgend op de inwerkingtreding van deze bepaling, worden ab initio hernomen overeenkomstig de bepalingen van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, die op dat ogenblik van kracht zijn.
Art. 221. L'article 71, § 3, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, tel que modifié par l'article 27 de la présente loi, est d'application à la nomination des titulaires de fonction du Conseil d'Etat qui comptent effectivement onze années de service depuis l'entrée en vigueur de l'article 71, § 3, précité et ce, sans préjudice de ce qui est prévu à l'article 74/8.
Art. 223. De korpschefs van de Raad van State die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit artikel zijn benoemd, worden vanaf de eerste dag van de vierde maand volgend op de inwerkingtreding van deze bepaling, geacht in de functie van korpschef te zijn aangewezen.
  Zij kunnen :
  1° hetzij hun functie van korpschef binnen een maand ter beschikking stellen. In dit geval wordt volgens de procedure bedoeld in de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, een nieuwe korpschef aangewezen. De uittredende korpschef oefent zijn functie uit tot de aanwijzing van de nieuwe korpschef;
  2° hetzij hun functie van korpschef voor een termijn van vijf jaar verder uitoefenen. Zij leggen hiertoe binnen de maand na het verstrijken van de in het eerste lid bepaalde termijn een beleidsplan voor dat beantwoordt aan de voorschriften van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Bij het verstrijken van de termijn kan hun mandaat worden hernieuwd overeenkomstig de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
  Voor de toepassing van dit artikel vangt de in artikel 74/3, § 1, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, bedoelde periode van tien jaar aan op de datum bepaald door de Koning.
  Na de ter beschikking stelling van de functie van korpschef blijven zij onder persoonlijke titel de hieraan verbonden wedde en weddenverhogingen genieten tot de dag van hun inrustestelling, hun ontslag, hun afzetting of in voorkomend geval, hun benoeming of aanwijzing in een ander ambt of mandaat en dit gedurende ten hoogste twee jaar. In voorkomend geval nemen zij in overtal het adjunct-mandaat op van, al naargelang het geval, kamervoorzitter of eerste auditeur-afdelingshoofd, waarin ze vast benoemd worden geacht en behouden ten persoonlijke titel hun graad. In voorkomend geval verdwijnt het overtal bij het openvallen van een adjunct-mandaat.
Art. 222. Les procédures destinées à pourvoir aux vacances réelles déclarées avant l'entrée en vigueur de la présente disposition pour des nominations au Conseil d'Etat qui devront, après l'entrée en vigueur de cette disposition, être conférées par mandat et qui sont entamées avant l'entrée en vigueur du présent article, sont poursuivies conformément aux règles en vigueur la veille de l'entrée en vigueur de cette disposition.
  Les titulaires d'un mandat qui, en application de l'alinéa 1er, ont encore été nommés suivant l'ancienne procédure après l'entrée en vigueur du présent règlement, sont, au moment de leur nomination, considérés comme ayant été désignés comme titulaires du mandat correspondant.
  Les procédures destinées à pourvoir aux vacances d'un mandat qui ne sont pas finalisées avant le premier jour du quatrième mois suivant l'entrée en vigueur de la présente disposition sont reprises ab initio, conformément aux dispositions des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, en vigueur à ce moment.
Art. 224. De titularissen van een adjunct-mandaat in de Raad van State worden vanaf het ogenblik van de inwerkingtreding van dit artikel, geacht te zijn aangewezen in hun adjunct-mandaat. De termijn van negen jaar begint te lopen vanaf de initiële benoeming in het ambt.
Art. 223. Les chefs de corps du Conseil d'Etat qui sont nommés au moment de l'entrée en vigueur du présent article sont réputés être désignés dans la fonction de chef de corps à partir du premier jour du quatrième mois suivant l'entrée en vigueur de la présente disposition.
  Ils peuvent :
  1° soit mettre à disposition leur fonction de chef de corps dans le mois. Dans ce cas, un nouveau chef de corps est désigné selon la procédure prévue par les lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973. Le chef de corps sortant continue à exercer sa fonction jusqu'à la désignation du nouveau chef de corps;
  2° soit continuer à exercer leur fonction de chef de corps pendant une durée de cinq ans. Ils présentent à cette fin, dans le mois qui suit l'expiration du délai prévu à l'alinéa 1er, un plan de gestion répondant aux prescriptions des lois coordonnées sur le Conseil d'Etat. A l'expiration du terme, leur mandat peut être renouvelé conformément aux lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973.
  Pour l'application du présent article, la période de dix ans visée à l'article 74/3, § 1er, alinéa 2 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, prend cours a la date déterminée par le Roi.
  Après la mise à disposition de la fonction de chef de corps, ils continuent à percevoir à titre personnel le traitement et les augmentations y afférents, et ce jusqu'au jour de leur mise à la retraite, de leur démission, de leur révocation ou, le cas échéant, de leur nomination ou désignation dans une autre fonction ou mandat, et ce pendant deux ans au maximum. Le cas échéant, ils exercent, en surnombre, selon le cas, le mandat adjoint de président de chambre ou de premier auditeur chef de section, dans lequel ils sont réputés être nommés à titre définitif et conservent à titre personnel leur grade. Le cas échéant, le surnombre disparaît lors de la déclaration de vacance d'un mandat adjoint.
Art. 225. De eerste periodieke evaluatie of beoordelingsstaat van de ambtsdragers van de Raad van State wordt opgemaakt tussen de zesde en de twaalfde maand nadat deze bepaling drie jaar in werking is getreden.
  Onverminderd andersluidende bepalingen, vinden de bepalingen inzake het statuut van de ambtsdragers van de Raad van State waar vereisten inzake de periodieke beoordeling of beoordelingsstaat worden gesteld, toepassing achttien maanden nadat deze bepaling drie maanden in werking is getreden.
Art. 224. A compter de l'entrée en vigueur du présent article, les titulaires d'un mandat adjoint au Conseil d'Etat sont réputés être désignés dans leur mandat adjoint. Le délai de neuf ans prend cours à partir de la nomination initiale dans la fonction.
Art. 226. Artikel 111, zesde lid en 112 van de van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, gewijzigd bij respectievelijk de artikelen 61 en 62 van deze wet zijn niet van toepassing op de ambtsdragers die op de datum van inwerkingtreding van deze bepaling van rechtswege aangewezen worden geacht in een adjunct-mandaat en die op deze datum zijn gedetacheerd of buiten kader zijn gesteld en dit voor de duur van hun detachering of buitenkaderstelling, met inbegrip van een hernieuwing ervan.
Art. 225. La première évaluation périodique ou le premier bulletin d'évaluation des titulaires de fonction au Conseil d'Etat est établie entre le sixième et le douzième mois après que la présente disposition est entrée en vigueur depuis trois ans.
  Sans préjudice de dispositions contraires, les dispositions relatives au statut des titulaires de fonction au Conseil d'Etat pour lesquels des exigences sont posées en matière d'évaluation périodique ou de bulletin d'évaluation, sont d'application dix-huit mois après que la présente disposition est entrée en vigueur depuis trois mois.
Art. 227. Op de door de Koning bepaalde datum worden in de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, de woorden "afdeling administratie" vervangen door de woorden "afdeling bestuursrechtspraak".
  De Koning wordt gemachtigd de in het eerste lid bepaalde naamswijziging door te voeren in alle bestaande wetten waar wordt verwezen naar de afdeling "administratie".
Art. 226. Les articles 111, alinéa 6 et 112 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, modifiés respectivement par les articles 61 et 62 de la présente loi, ne s'appliquent pas aux titulaires de fonction qui, à la date de l'entrée en vigueur de la présente disposition, sont réputés être désignés de droit dans un mandat adjoint et qui, à cette date, sont détachés ou ont été mis hors cadre, et ce pour la durée de leur détachement ou de leur mise hors cadre, renouvellement compris.
Art. 228. De Koning kan de bepalingen van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, coördineren met de bepalingen die daarin uitdrukkelijke of stilzwijgende wijzigingen hebben aangebracht tot het tijdstip van de coördinatie.
  Te dien einde kan Hij :
  1° de te coördineren bepalingen anders inrichten, inzonderheid opnieuw ordenen en vernummeren;
  2° de verwijzingen in de te coördineren bepalingen dienovereenkomstig vernummeren;
  3° de te coördineren bepalingen met het oog op onderlinge overeenstemming en eenheid van terminologie herschrijven, zonder te raken aan de erin neergelegde beginselen.
  De coördinatie krijgt het volgende opschrift : "Wetten op de Raad van State, gecoördineerd op... ".
Art. 227. A la date fixée par le Roi, dans les lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, les mots "section d'administration" sont remplacés par les mots "section du contentieux administratif".
  Le Roi est habilité à introduire la nouvelle dénomination visée à l'alinéa 1er dans toutes les lois existantes faisant référence à la section "d'administration".
Art. 229. Tot op de dag van de inwerkingtreding van deze bepaling blijft de wedde van de adjunct-auditeur-generaal bij de Raad van State, bedoeld in artikel 1, § 1, van wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers, zoals gewijzigd bij artikel 207 van deze wet, vastgesteld op 59 618 euro.
Art. 228. Le Roi peut coordonner les dispositions des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, et les dispositions qui y auraient, jusqu'au moment de la coordination, expressément ou implicitement apporté des modifications.
  A cette fin, Il peut :
  1° organiser autrement les dispositions à coordonner, notamment en les ordonnant ou numérotant autrement;
  2° renumérotéer en conséquence les renvois contenus dans les dispositions à coordonner;
  3° réécrire les dispositions à coordonner en vue de leur concordance et de leur uniformité, sans porter atteinte aux principes qui y sont inscrits.
  La coordination sera intitulée de la manière suivante : "Lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le... ".
Afdeling II. - Slotbepalingen inzake de inplaatsstelling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Art. 229. Jusqu'au jour de l'entrée en vigueur de la présente disposition, le traitement de l'auditeur général adjoint près du Conseil d'Etat, visé à l'article 1er, § 1er, de la loi du 5 avril 1955 relative aux traitements des titulaires d'une fonction, tel que modifié par l'article 207 de la présente loi, reste fixé à 59 618 euros.
Art. 230. § 1. De met toepassing van artikel 64 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ingediende verzoeken tot herziening die op de datum bepaald bij artikel 231 aanhangig zijn bij de Minister van Binnenlandse zaken, worden van rechtswege zonder voorwerp. De Minister of zijn gemachtigde meldt dit aan de verzoeker in herziening en laat hem weten dat hij, op straffe van verval, binnen de dertig dagen die ingaat met de betekening van deze mededeling, zijn verzoek tot herziening kan omzetten in een (beroep tot nietigverklaring) van de beslissing waarvan de herziening wordt gevraagd.
Section II. - Dispositions finales concernant la mise en place du Conseil du Contentieux des étrangers.
Art. 231. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en uiterlijk één jaar na de bekendmaking van deze wet, de datum waarop de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bevoegd is om kennis te nemen van de in artikel 39/1 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bepaalde beroepen.
Art. 230. § 1er. Les demandes en révision introduites en application de l'article 64 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers qui sont pendantes auprès du Ministre de l'Intérieur à la date visée à l'article 231 deviennent d'office sans objet. Le Ministre ou son délégué communique cet état de fait au requérant en révision et lui fait savoir que, à peine de déchéance, il peut, dans les trente jours suivant la notification de cette communication, convertir sa demande de révision en (recours en annulation) de la décision dont la révision est demandée. <L 2006-12-27/33, art. 147, 1°, 002; En vigueur : 01-12-2006>
  Sauf si le requérant a introduit, en application de l'article 69, alinéa 2, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, tel qu'il était d'application à la veille de la date visée à l'article 231, un recours direct auprès du Conseil d'Etat contre la décision dont la révision est demandée, le requérant peut, à peine de déchéance, dans un délai de trente jours suivant la notification (de la communication visée à l'alinéa 1er), introduire une demande d'annulation auprès du Conseil du Contentieux des étrangers contre la décision initiale dont il a demandé la révision. <L 2006-12-27/33, art. 14, 2°, 002; En vigueur : 01-12-2006>
  Sauf accord de l'étranger, aucune mesure d'éloignement du territoire ne peut être exécutée de force à l'égard de l'étranger pendant le délai fixé conformément à l'alinéa 2 pour l'introduction du recours ni pendant l'examen de ce recours par le Conseil du Contentieux des étrangers, recours visant la décision initiale dont la révision a été demandée, et de telles mesures ne peuvent pas être prises à l'égard de l'étranger en raison de faits qui ont donné lieu à la décision qui fait l'objet du recours.
  § 2. Le Conseil d'Etat reste compétent pour les recours en annulation au sens de l'article 69, alinéa 2, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers qui étaient pendants à la date visée à l'article 231, étant entendu que le motif de suspension visé à l'article 69, alinéa 3, de la loi du 15 décembre 1980 cesse d'avoir effet.
  Jusqu'à ce qu'un arrêt final soit rendu par le Conseil d'Etat concernant le recours, l'étranger qui a introduit un recours en annulation en application de l'article 69, alinéa 2, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers peut se prévaloir du bénéfice visé au § 1er, alinéa 3.
Art. 232. De Raad van State blijft bevoegd om op grond van de bepalingen die van toepassing zijn daags voor de in artikel 231 bepaalde datum, kennis te nemen van de beroepen tot nietigverklaring en tot schorsing inzake individuele beslissingen die genomen zijn met toepassing van de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
  Deze beroepen worden verder behandeld overeenkomstig de bepalingen die gelden daags voor de in artikel 231 bepaalde datum.
Art. 231. Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et au plus tard un an après la publication de la présente loi, la date à laquelle le Conseil du Contentieux des étrangers est compétent pour connaître des recours visés à l'article 39/1 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
Art. 233. Tot zolang de achterstand in de rechtsbedeling op de Raad van State betreffende beroepen tot nietigverklaring en tot schorsing inzake individuele beslissingen die genomen zijn met toepassing van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen niet is weggewerkt, nemen ten minste twee Nederlandstalige en twee Franstalige kamers en ten minste negen leden van het Auditoraat bij voorrang kennis van deze vorderingen.
  In functie van de geregistreerde gegevens betreffende de werklast van de ambtsdragers en van de evolutie van hangende zaken en van de gerechtelijke achterstand, kunnen de korpschefs elk wat hun bevoegdheden betreft, beslissen dat een of meer leden van deze kamers of van het Auditoraat, geheel of gedeeltelijk, dan wel bij voorrang worden ingezet in het overige contentieux voor de duur en de aard van het contentieux dat zij aanwijzen. Zij maken hiervan melding in het werkingsverslag bedoeld in artikel 74/6 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, ingevoegd bij artikel 30 van deze wet.
  Indien na drie gerechtelijke jaren de gerechtelijke achterstand in de in het eerste lid bedoelde zaken niet is weggewerkt, brengen de korpschefs hierover verslag uit in de algemene vergadering en nemen ze de nodige maatregelen om hieraan te remediëren. Ze lichten die toe in het in artikel 74/6 bedoelde werkingsverslag.
Art. 232. Le Conseil d'Etat reste compétent pour connaître, sur la base des dispositions qui s'appliquent à la veille de la date visée à l'article 231, des recours en annulation et en suspension introduits contre les décisions individuelles qui sont prises en application des lois sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
  Ces recours sont traités conformément aux dispositions en vigueur à la veille de la date visée à l'article 231.
Art. 234. § 1. De beroepen die bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen aanhangig zijn op de datum bepaald overeenkomstig artikel 231 worden van rechtswege geacht aanhangig te zijn bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
  De zaken die op het tijdstip bepaald in het eerste lid, in beraad zijn genomen, worden uitgesproken binnen de maand na het in het eerste lid bepaalde tijdstip. Indien de debatten moeten worden heropend, worden zij voortgezet voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overeenkomstig de bevoegdheden en de procedure zoals die van toepassing waren op het ogenblik van het sluiten van de debatten.
  De eerste voorzitter en de voorzitter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, bijgestaan door de hoofdgriffier en de beheerder, maken een inventaris op van de zaken die met toepassing van deze bepaling worden overgedragen.
  § 2. Behalve wanneer in een beroep de eerste voorzitter of een door hem aangewezen lid van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen toepassing heeft gemaakt van artikel 235, § 3, vraagt de eerste voorzitter of de voorzitter elk wat zijn bevoegdheden betreft, of de door hem aangewezen rechter, in de zaken bedoeld in § 1 aan de verzoekende partij om het geding voort te zetten en het aanhangige verzoekschrift te vervolledigen derwijze dat het voldoet aan de procedurele voorschriften die gelden voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
  Het verzoekschrift tot voortzetting bevattende een aanvulling van het initiële verzoekschrift dient op straffe van onontvankelijkheid te beantwoorden aan de vereisten bepaald in artikel 39/69, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. In afwijking van artikel 39/69, § 1, tweede lid, 4°, is de aldaar gestelde vereiste niet voorgeschreven op straffe van onontvankelijkheid;
  Ten aanzien van de verzoekende partij geldt een vermoeden van afstand wanneer zij, binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het in het eerste lid bepaalde verzoek, bij aangetekende brief geen verzoek tot voortzetting bevattende de aanvulling van het initiële verzoekschrift indient. Het beroep wordt in dat geval behandeld overeenkomstig artikel 39/73 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen zoals gewijzigd bij deze wet.
  De hoofdgriffier maakt melding van dit voorschrift op de kennisgeving van de in het eerste lid bepaalde verzoek.
  Wanneer de verzoekende partij (binnen de in het derde lid gestelde termijn) een verzoek tot voortzetting bevattende de aanvulling van het initiële verzoekschrift indient, wordt de procedure voortgezet overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen zoals gewijzigd bij deze wet. <W 2006-12-27/33, art. 148, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
Art. 233. Tant que l'arriéré juridictionnel au Conseil d'Etat concernant les recours en annulation et en suspension contre les décisions individuelles qui sont prises en application de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers n'est pas résorbé, au moins deux chambres francophones et deux chambres néerlandophones et au moins neuf membres de l'Auditorat connaissent prioritairement de ces recours.
  En fonction des données enregistrées concernant la charge de travail des titulaires de fonction et de l'évolution des affaires pendantes et de l'arriéré juridictionnel, les chefs de corps peuvent, chacun en ce qui concerne ses compétences, décider qu'un ou plusieurs membres de ces chambres ou de l'Auditorat sont affectés, en tout ou en partie, ou bien en priorité aux autres contentieux pour la durée et pour le type de contentieux qu'ils déterminent. Ils en font mention dans le rapport d'activité visé à l'article 74/6 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, inséré par l'article 30 de la présente loi.
  Si, après trois années judiciaires, l'arriéré juridictionnel dans les affaires visées à l'alinéa 1er n'est pas résorbé, les chefs de corps en font rapport devant l'assemblée générale et prennent les mesures nécessaires pour y remédier. Ils expliquent celles-ci dans le rapport d'activité visé à l'article 74/6.
Art. 235. § 1. De Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen blijft bevoegd om kennis te nemen van de in artikel 57/11 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bepaalde beroepen tot daags voor de datum bepaald in artikel 231.
  Vanaf de door de Koning te bepalen datum tot daags voor de datum bepaald in artikel 231, wordt tijdens deze periode inzake de aanhangige beroepen tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de bevoegdheid van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen uitgebreid tot de bevoegdheid om te onderzoeken of de verzoekende vreemdeling voldoet aan de in artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen voorziene voorwaarden. (NOTA : de datum bedoeld in artikel 235, § 1, tweede lid, is 10 oktober 2006; zie KB 2006-10-03/30, art. 3)
  § 2. (Inzake beroepen die op de datum vastgesteld in artikel 243, derde lid, aanhangig zijn en waarvoor nog geen rechtsdag bepaald is, evenals voor beroepen die ingediend zijn vanaf deze datum, heeft de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dezelfde bevoegdheid als die welke bij deze wet aan de Raad voor Vreemdelingen betwistingen wordt toegekend.) <W 2006-12-27/33, art. 149, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  Inzonderheid kan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen :
  1° de bestreden beslissing bevestigen of hervormen;
  2° de bestreden beslissing vernietigen hetzij omdat aan de bestreden beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet kan worden hersteld, hetzij omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet kan komen tot de in 1° bedoelde bevestigen of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moeten bevelen.
  Deze beroepen worden behandeld overeenkomstig de procedure en de bepalingen bepaald bij de artikelen (39/10), 39/17, 39/18, 39/56 tot 39/67, 39/69 tot 39/77 van de wet van 15 december 1980, zoals ingevoegd bij deze wet, met dien verstande dat telkens de woorden "De raad" dienen te worden begrepen als "De Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen". <W 2006-12-27/33, art. 149, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  (In afwachting van de eerste aanwijzing van de eerste voorzitter en van de voorzitter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, blijven de eerste voorzitters en de voorzitters van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen op grond van artikel 236 hun bevoegdheden uitoefenen voor wat betreft de verdeling van de zaken en de leiding van de dienst. Zij worden vervangen door de eerste voorzitter en de voorzitter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op de datum van de eerste aanwijzing van dezen overeenkomstig artikel 236, § 1.) <W 2006-12-27/33, art. 149, 3°, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  § 3. (Inzake beroepen die op de datum vastgesteld in artikel 243, derde lid, aanhangig zijn en waarvoor nog geen rechtsdag bepaald is, vraagt de eerste voorzitter of het door hem aangewezen lid bovendien, bij aangetekend schrijven, aan de verzoekende partij of zij wenst het geding voort te zetten en, in voorkomend geval, het aanhangige verzoekschrift te vervolledigen opdat het voldoet aan de procedurele voorschriften die gelden voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen). <W 2006-12-27/33, art. 149, 4°, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  Het verzoekschrift tot voortzetting bevattende een aanvulling van het initiële verzoekschrift dient op straffe van onontvankelijkheid te beantwoorden aan de vereisten bepaald in artikel 39/69, § 1, van de wet van 15 december 1980. In afwijking van artikel 39/69, § 1, tweede lid, 4°, van de wet van 15 december 1980 is de aldaar gestelde vereiste niet op straffe van onontvankelijkheid voorgeschreven.
  Ten aanzien van de verzoekende partij geldt een vermoeden van afstand wanneer zij, binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het in het eerste lid bepaalde verzoek, bij aangetekende brief geen verzoek tot voortzetting bevattende de aanvulling van het initiële verzoekschrift indient.
  De kennisgeving van het in (het eerste lid) bepaalde verzoek maakt melding van dit vermoeden. <W 2006-12-27/33, art. 149, 5°, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  Wanneer de verzoekende partij binnen de in (het derde lid) gestelde termijn een verzoek tot voortzetting bevattende de aanvulling van het initiële verzoekschrift indient, wordt de procedure hernomen overeenkomstig de in § 2, derde lid, aangehaalde bepalingen. <W 2006-12-27/33, art. 149, 6°, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  § 4. De beroepen, die met toepassing van deze bepaling aanhangig zijn en waarvoor een rechtsdag is bepaald, worden afgedaan volgens de voorschriften die gelden daags voor de inwerkingtreding van deze bepaling.
  De beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zijn slechts vatbaar voor een cassatieberoep bij de Raad van State. Artikel 57/23 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals dit gold daags voor de opheffing ervan bij deze wet, is op deze cassatieberoepen van toepassing.
  Artikel 20 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 is van toepassing op de cassatieberoepen tegen beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, ingediend na de inwerkingtreding van deze bepaling.
Art. 234. § 1er. Les recours qui sont pendants devant la Commission permanente de recours des réfugiés à la date fixée conformément à l'article 231 sont réputés de plein droit pendants devant le Conseil du Contentieux des étrangers.
  Les décisions concernant les affaires qui sont prises en délibéré à la date visée à l'alinéa 1er sont prononcées dans le mois qui suit la date indiquée à l'alinéa 1er. Si les débats doivent être rouverts, ces affaires sont poursuivies devant le Conseil du Contentieux des étrangers conformément aux compétences et à la procédure qui étaient d'application au moment de la clôture des débats.
  Le premier président et le président du Conseil du Contentieux des étrangers, assistés par le greffier en chef et par l'administrateur, dressent un inventaire des affaires qui sont transférées en application de la présente disposition.
  § 2. Sauf si dans un recours, le premier président ou le membre désigné par lui de la Commission permanente de recours des réfugiés a fait application de l'article 235, § 3, le premier président ou le président, chacun en ce qui concerne ses compétences, ou le juge délégué par lui, demande dans les recours visés au § 1er à la partie requérante de poursuivre la procédure et de compléter la requête pendante en sorte qu'elle satisfasse aux règles procédurales qui prévalent devant le Conseil du Contentieux des étrangers.
  La demande de poursuite complétant la requête initiale doit, à peine d'irrecevabilité, satisfaire aux conditions visées à l'article 39/69, § 1er, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers. En dérogation à l'article 39/69, § 1er, alinéa 2, 4°, cette dernière règle n'est pas prescrite à peine d'irrecevabilité.
  La partie requérante est présumée se désister si elle n'introduit pas par pli recommandé dans les trente jours à dater de la notification de la demande visée à l'alinéa 1er, une demande de poursuite de la procédure complétant la requête initiale. Dans ce cas la requête sera traitée conformément a l'article 39/73 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers telle que modifiée par la présente loi.
  Le greffier en chef fait mention de cette présomption dans la notification de la demande visée à l'alinéa 1er.
  Si la partie requérante introduit (dans le délai visé à l'alinéa 3) une demande de poursuite de la procédure complétant la demande initiale, la procédure est poursuivie conformément aux dispositions de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers telle que modifiée par la présente loi. <L 2006-12-27/33, art. 148, 1°, 002; En vigueur : 01-12-2006>
Art. 236. § 1. De eerste aanwijzing bij de oprichting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van de eerste voorzitter en voorzitter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gebeurt door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder de kandidaten die ten minste vijf jaar benoemd zijn als hetzij :
  1° lid van de Raad van State bedoeld in artikel 69, 1° tot 3° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2° vast lid van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen die voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 39/19, § 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals ingevoegd bij deze wet.
  Op de dag van de in § 2, eerste lid bedoelde bekendmaking in het Belgisch Staatsblad moet de kandidaat ten minste vijf jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 39/38 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
  Een lid van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen die tot eerste voorzitter of voorzitter wordt aangewezen, wordt gelijktijdig in de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen benoemd. Bij het beëindigen van het mandaat wordt betrokkene benoemd, in voorkomend geval in overtal, in het ambt van rechter in vreemdelingenzaken.
  Hij neemt in dit geval rang in op de datum waarop hij bij zijn aanwijzing in het mandaat van eerste voorzitter of voorzitter werd benoemd.
  Indien een ambtsdrager van de Raad van State tot eerste voorzitter of voorzitter wordt aangewezen, en betrokkene heeft bij de beëindiging van het mandaat met toepassing van artikel 39/24, § 3, vierde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gevraagd om in de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te worden benoemd, dan houdt dit een benoeming, in voorkomend geval in overtal, in het ambt van rechter in vreemdelingenzaken in. De betrokkene neemt in dit geval rang in op de datum waarop hij bij zijn aanwijzing in het mandaat van eerste voorzitter of voorzitter werd benoemd.
  § 2. De Minister van Binnenlandse Zaken maakt de in het eerste lid bepaalde vacante betrekkingen bekend in het Belgisch Staatsblad. In de bekendmaking worden de vacante betrekkingen vermeld, de aanwijzingsvoorwaarden, de termijn voor het indienen van de kandidaturen die ten minste een maand bedraagt en de overheid waaraan deze moeten worden gezonden.
  Bij hun kandidaatstellingen voegen de kandidaten bij hun kandidaatstelling voor het mandaat van eerste voorzitter of voorzitter hun curriculum vitae en een visieplan waarin ze hun visie uiteenzetten over de inplaatsstelling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen alsook over de werkingsmodaliteiten van deze eenmaal de Raad met toepassing van artikel 231 zijn bevoegdheden uitoefent.
  § 3. De in artikel 39/24, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (...) bepaalde periode van tien jaar en termijn van vijf jaar gaat in op de datum bepaald bij artikel 231. <W 2006-12-27/33, art. 150, 002; Inwerkingtreding : 06-10-2006>
  De eerste voorzitter legt binnen de maand na de datum bepaald in artikel 231 een beleidsplan voor dat beantwoordt aan de voorschriften van artikel 39/24, § 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
Art. 235. § 1er. La Commission permanente de recours des réfugiés reste compétente pour connaître des recours visés à l'article 57/11 de la loi du 15 décembre sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, jusqu'à la veille de la date visée à l'article 231.
  A partir de la date à déterminer par le Roi, jusqu'à la veille de la date visée à l'article 231, en qui concerne les recours contre les décisions du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides qui sont pendants durant cette période, la compétence de la Commission permanente de recours des réfugiés est élargie à la compétence d'examiner si l'étranger requérant satisfait aux conditions visées à l'article 48/4 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers. (NOTE : la date visée à l'article 235, § 1er, alinéa 2, est le 10 octobre 2006; voir AR 2006-10-03/30, art. 3)
  § 2. (Concernant les recours qui sont pendants à la date fixée à l'article 243, alinéa 3, et pour lesquels aucune date d'audience n'est encore fixée, ainsi que les recours qui sont introduits à partir de cette date, la Commission permanente de recours des réfugiés a les mêmes compétences que celles qui sont attribuées par la présente loi au Conseil du Contentieux des Etrangers.) <L 2006-12-27/33, art. 149, 1°, 002; En vigueur : 01-12-2006>
  La Commission permanente de recours des réfugiés peut en particulier :
  1° confirmer ou reformer la décision attaquée;
  2° annuler la décision attaquée soit parce que la décision attaquée est entachée d'une irrégularité substantielle qui ne saurait être réparée par la Commission permanente de recours des réfugiés, soit parce qu'il manque des éléments essentiels qui impliquent que la Commission permanente de recours des réfugiés ne peut conclure à la confirmation ou à la réformation visée au 1° sans qu'il soit procédé à des mesures d'instruction complémentaires.
  Ces recours sont traités conformément à la procédure et aux conditions fixées par les articles (39/10), 39/17, 39/18, 39/56 à 39/67, 39/69 à 39/77 de la loi du 15 décembre 1980, tels qu'insérés par la présente loi, étant entendu que les mots "Le Conseil" doivent à chaque fois être compris comme "La Commission permanente de recours des réfugiés". <L 2006-12-27/33, art. 149, 2°, 002; En vigueur : 01-12-2006>
  (Dans l'attente de la première désignation du premier président et du président du Conseil du Contentieux des Etrangers, sur la base de l'article 236, les premiers présidents et présidents de la Commission permanente de recours des réfugiés continuent d'exercer leurs compétences pour ce qui est de la distribution des affaires et de la direction du service. Ils sont remplacés par les premier président et président du Conseil du Contentieux des Etrangers à la date de la première désignation de ceux-ci conformément à l'article 236, § 1er.) <L 2006-12-27/33, art. 149, 3°, 002; En vigueur : 01-12-2006>
  § 3. (En outre, concernant les recours qui sont pendants à la date fixée à l'article 243, alinéa 3, et pour lesquels aucune date d'audience n'est encore fixée, le premier président ou le membre désigné par lui demande, par pli recommandé, à la partie requérante si elle souhaite poursuivre la procédure et, le cas échéant, de compléter la requête pendante afin qu'elle satisfasse aux règles procédurales qui prévalent devant le Conseil du Contentieux des Etrangers.) <L 2006-12-27/33, art. 149, 4°, 002; En vigueur : 01-12-2006>
  La demande de poursuite complétant la requête initiale doit, à peine d'irrecevabilité, satisfaire aux conditions visées à l'article 39/69, § 1er, de la loi du 15 décembre 1980. En dérogation à l'article 39/69, § 1er, alinéa 2, 4 °, de la loi du 15 décembre 1980 cette dernière règle n'est pas prescrite à peine d'irrecevabilité.
  La partie requérante est présumée se désister si elle n'introduit pas par pli recommandé dans les trente jours à dater de la notification de la demande visée à l'alinéa 1er une demande de poursuite de la procédure complétant la requête initiale.
  La notification de la demande visée à l'(alinéa 1er) fait mention de cette présomption. <L 2006-12-27/33, art. 149, 4°, 002; En vigueur : 01-12-2006>
  Si la partie requérante introduit dans le délai visé à l'(alinéa 3, une demande de poursuite de la procédure complétant la demande initiale, la procédure est poursuivie conformément aux dispositions citées au § 2, alinéa 3. <L 2006-12-27/33, art. 149, 5°, 002; En vigueur : 01-12-2006>
  § 4. Les recours qui sont pendants en application de la présente disposition et pour lesquels une date d'audience est fixée, sont traités conformément aux dispositions qui prévalent à la veille de l'entrée en vigueur de cette disposition.
  Les décisions de la Commission permanente de recours des réfugiés ne sont susceptibles que d'un pourvoi en cassation auprès du Conseil d'Etat. L'article 57/23 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, tel qu'il était en vigueur à la veille de son abrogation par la présente loi, s'applique à ces pourvois en cassation.
  L'article 20 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973 s'applique aux pourvois en cassation contre les décisions de la Commission permanente de recours des réfugiés, introduits après l'entrée en vigueur de la présente disposition.
Art. 237.   § 1. De eerste aanwijzing bij de oprichting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van de hoofdgriffier bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gebeurt door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder de kandidaten die ten minste drie jaar hetzij :
  1° benoemd zijn als lid van de griffie van de Raad van State bedoeld in artikel 69, 4° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 of het ambt uitoefenen van toegevoegd griffier bij de Raad van State;
  2° benoemd zijn in het ambt van hoofdgriffier, griffier-hoofd van dienst, griffier of adjunct-griffier bij de hoven en rechtbanken;
  3° houder zijn van een diploma dat toegang verleent tot de betrekkingen van niveau A in de Rijksbesturen of een dergelijke betrekking uitoefenen en het bewijs leveren van ten minste drie jaar nuttige ervaring.
  § 2. De Minister van Binnenlandse Zaken maakt de in § 1 bepaalde vacante betrekkingen bekend in het Belgisch Staatsblad. In de bekendmaking worden de vacante betrekkingen vermeld, de aanwijzingsvoorwaarden, de termijn voor het indienen van de kandidaturen die ten minste een maand bedraagt en de overheid waaraan deze moeten worden gezonden.
  Tenzij de kandidaat het bewijs levert van de taalkennis overeenkomstig artikel 242, dient het bewijs van de kennis van de andere taal bedoeld in artikel 39/21, § 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen te worden geleverd [1 ten laatste bij de vaste benoeming]1.
  De in artikel 39/25, § 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bepaalde termijn van drie jaar gaat in op datum bepaald bij artikel 231.
  
Art. 236. § 1er. La première désignation, dans le cadre de la création du Conseil du Contentieux des étrangers, du premier président et du président du Conseil du Contentieux des étrangers se fait par le Roi, par voie d'arrêté délibéré en Conseil des Ministres, parmi les candidats qui sont, depuis au moins cinq ans, soit :
  1° membre du Conseil d'Etat visé à l'article 69, 1° à 3° inclus, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973;
  2° membre permanent de la Commission permanente de recours des réfugiés qui satisfont aux conditions visées à l'article 39/19, § 2, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, tel qu'inséré par la présente loi.
  Au jour de la publication au Moniteur belge visée au § 2, alinéa 1er, le candidat doit être éloigné d'au moins cinq ans de la limite d'âge visée à l'article 39/38 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
  Un membre de la Commission permanente de recours des réfugiés qui est désigné comme premier président ou président, est en même temps nommé au Conseil du Contentieux des étrangers. A la fin du mandat, l'intéressé est nommé, le cas échéant en surnombre, dans la fonction de juge au contentieux des étrangers.
  Dans ce cas, il prend rang à la date où il a été nommé premier président ou président dans le cadre de sa désignation.
  Si un titulaire de fonction du Conseil d'Etat est désigné comme premier président ou président et que l'intéressé a demandé, à la fin du mandat, d'être nommé, en application de l'article 39/24, § 3, alinéa 4 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, au Conseil du Contentieux des étrangers, cela implique une nomination, le cas échéant en surnombre, à la fonction de juge au contentieux des étrangers. Dans ce cas, l'intéressé prend rang à la date où il a été nommé premier président ou président dans le cadre de sa désignation.
  § 2. Le Ministre de l'Intérieur publie au Moniteur belge le vacances visées au § 1er. La publication mentionne les vacances, les conditions de désignation, le délai pour l'introduction des candidatures qui est d'au moins un mois et l'autorité à laquelle celle-ci doivent être envoyées.
  Les candidats au mandat de premier président ou de président joignent à leur candidature leur curriculum vitae et un plan prospectif dans lequel ils exposent leur vision sur la mise en place du Conseil du Contentieux des étrangers et sur les modalités de travail de celui-ci dès que le Conseil exercera ses fonctions en applications de l'article 231.
  § 3. La période de dix ans et le délai de cinq ans visés à l'article 39/24, § 1er, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers prennent cours à la date visée à l'article 231.
  Le premier président soumet dans le mois qui suit la date visée à l'article 231 un plan de gestion qui répond au prescrit de l'article 39/24, § 2 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
Art. 238.   § 1. De eerste benoeming bij de oprichting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van de beheerder bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gebeurt door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder de kandidaten die voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 39/55 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
  § 2. De Minister van Binnenlandse Zaken maakt de in § 1 bepaalde vacante betrekking bekend in het Belgisch Staatsblad. In de bekendmaking worden de vacante betrekking vermeld, de aanwijzingsvoorwaarden, de termijn voor het indienen van de kandidaturen die ten minste een maand bedraagt en de overheid waaraan deze moeten worden gezonden.
  Het bewijs van de kennis van de andere taal bedoeld in artikel 39/55, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen dient te worden geleverd [1 ten laatste op het einde van de tweede termijn van vijf jaar]1.
  De in artikel 39/55, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bepaalde termijn van vier jaar gaat in op datum bepaald bij artikel 231.
  
Art. 237.   § 1er. La première désignation dans le cadre de la création du Conseil du Contentieux des étrangers d'un greffier en chef au Conseil du Contentieux des étrangers (est faite par le Roi, par arrêté) délibéré en Conseil des Ministres, parmi les candidats qui sont, depuis au moins trois ans, soit : <L 2006-12-27/33, art. 151, 002; En vigueur : 06-10-2006>
  1° nommés en tant que membre du greffe du Conseil d'Etat visé à l'article 69, 4° des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973 ou exercent la fonction de greffier assumé au Conseil d'Etat;
  2° nommés à la fonction de greffier en chef, greffier chef de service, greffier ou greffier adjoint près des cours et tribunaux;
  3° titulaires d'un diplôme donnant accès aux fonctions de niveau A dans les administrations publiques ou exercent une telle fonction et fournissent la preuve d'une expérience utile d'au moins trois ans.
  § 2. Le Ministre de l'Intérieur publie au Moniteur belge les vacances visées au § 1er. La publication mentionne les vacances, les conditions de désignation, le délai pour l'introduction des candidatures qui est d'au moins un mois et l'autorité à laquelle celles-ci doivent être envoyées.
  A moins que le candidat ne fournisse la preuve de la connaissance de l'autre langue conformément à l'article 242, la preuve de la connaissance de l'autre langue visée à l'article 39/21, § 2, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers doit être fournie [1 au plus tard lors de la nomination définitive]1.
  Le délai de trois ans visé à l'article 39/25, § 2 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers commence à courir à la date déterminée à l'article 231.
  
Art. 239. § 1. De eerste benoeming bij de oprichting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van rechters in vreemdelingenzaken gebeurt door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder de kandidaten die voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 39/19, § 2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en die geschikt bevonden zijn overeenkomstig § 2, op gemotiveerde gezamenlijke voordracht van de eerste voorzitter en voorzitter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, nadat zij de ontvankelijkheid van de kandidaturen hebben onderzocht en de respectieve aanspraken en verdiensten van de kandidaten heeft vergeleken.
  Voor de toepassing van dit artikel moeten bij de eerste benoeming bij de oprichting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de vaste leden van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen die zich kunnen beroepen op de toepassing van artikel 3 van de wet van 16 maart 2005 tot wijziging van artikel 57/12 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen niet voldoen aan de vereiste van doctor, licentiaat of master in de rechten.
  Indien de eerste voorzitter noch de voorzitter het bewijs van de kennis van de andere taal leveren overeenkomstig artikel 39/21 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen of overeenkomstig artikel 242 van deze wet, dan worden zij ambtshalve bijgestaan door een daartoe door de eerste voorzitter van de Raad van State aangewezen tweetalig lid van de Raad van State bedoeld in artikel 69, 1° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, die behoort tot de taalrol van de kandidaat.
  § 2. Op initiatief van de eerste voorzitter van de Raad voor vreemdelingenbetwistingen maakt de Minister van Binnenlandse Zaken de in § 1 bepaalde vacante betrekkingen bekend in het Belgisch Staatsblad. In de bekendmaking worden de vacante betrekkingen vermeld, de benoemingsvoorwaarden, de termijn voor het indienen van de kandidaturen die ten minste een maand bedraagt en de overheid waaraan deze moeten worden gezonden.
  De Minister van Binnenlandse Zaken organiseert een selectieproef waarvan hij de inhoud en de modaliteiten bepaalt.
  Zijn vrijgesteld van de in het tweede lid bepaalde selectieproef, de kandidaten die op het ogenblik van hun kandidaatstelling het ambt uitoefenen van hetzij referendaris in het Arbitragehof, hetzij ambtsdrager bedoeld in artikel 69, 1° tot 3°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, hetzij werkende rechter of raadsheer in de rechterlijke orde, hetzij vast lid van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen.
  § 3. De eerste voorzitter en de voorzitter delen hun gemotiveerde gezamenlijke voordracht alsook alle kandidaturen en de beoordeling hiervan mee aan de Minister van Binnenlandse Zaken.
Art. 238.   § 1er. La première nomination dans le cadre de la création du Conseil du Contentieux des étrangers de l'administrateur du Conseil du Contentieux des étrangers, (est faite par le Roi, par arrête) délibéré en Conseil des Ministres, parmi les candidats qui remplissent les conditions visées à l'article 39/55 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, au séjour, à l'établissement et à l'éloignement des étrangers. <L 2006-12-27/33, art. 151, 002; En vigueur : 06-10-2006>
  § 2. Le Ministre de l'Intérieur publie au Moniteur belge la vacance visée au § 1er. La publication mentionne la vacance, les conditions de désignation, le délai pour l'introduction des candidatures qui est d'au moins un mois et l'autorité à laquelle celles-ci doivent être envoyées.
  La preuve de la connaissance de l'autre langue visée à l'article 39/55, alinéa 3 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers doit être fournie [1 au plus tard avant la fin du deuxième délai de cinq ans]1
  (Le délai de cinq ans) visé à l'article 39/55 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers commence à courir à la date déterminée à l'article 231. <L 2006-12-27/33, art. 152, 3°, 002; En vigueur : 06-10-2006>
  
Art. 240. § 1. De eerste aanwijzing van de kamervoorzitters geschiedt door de algemene vergadering van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onder de leden van de Raad die het bewijs leveren dat ze ten minste drie jaar een rechterlijk ambt hebben uitgeoefend of uit de ambtsdragers van de Raad van State bedoeld in artikel 69, 1° tot 3° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, die ten minste drie jaar benoemd zijn in voornoemde hoedanigheid.
  Op de dag van de in § 2, eerste lid bedoelde bekendmaking in het Belgisch Staatsblad moet de kandidaat ten minste drie jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 39/38 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
  § 2. De Minister van Binnenlandse Zaken maakt, op initiatief van de eerste voorzitter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, de in § 1 bepaalde vacante betrekkingen bekend in het Belgisch Staatsblad. In de bekendmaking worden de vacante betrekkingen vermeld, de benoemingsvoorwaarden, de termijn voor het indienen van de kandidaturen die ten minste een maand bedraagt en de overheid waaraan deze moeten worden gezonden.
  De eerste aanwijzing geschiedt door de algemene vergadering, bestaande uit de eerste voorzitter en de voorzitter en de overeenkomstig artikel 239 benoemde leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, ten vroegste nadat ten minste twintig rechters in vreemdelingenzaken de eed hebben afgelegd.
  § 3. Indien met toepassing van § 1 een ambtdrager van de Raad van State wordt aangewezen voor het adjunct-mandaat van kamervoorzitter, dan kan hij overeenkomstig artikel 39/25 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen na negen jaar ambtsvervulling na evaluatie vast aangewezen worden door de benoemende overheid.
  De vaste aanwijzing in de Raad voor Vreemdelingenzaken houdt gelijktijdig de benoeming in overtal in van betrokkene in het ambt van rechter in vreemdelingenzaken. Hij neemt in dit geval rang in op de datum van zijn eerste aanwijzing in het adjunct-mandaat. Deze benoeming houdt van rechtswege het ontslag in de Raad van State in. Hij behoudt in dit geval de wedde, de verhogingen, de weddebijslagen en de vergoedingen die aan het ambt van ambtsdrager van de Raad van State zijn verbonden tenzij aan het ambt dat hij opneemt een hogere wedde is verbonden.
  Op uitdrukkelijk schriftelijk verzoek uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van het adjunct-mandaat, kan hij evenwel verzaken aan het voordeel bedoeld in het tweede lid. In dat geval neemt hij bij het einde van het adjunct-mandaat zijn mandaat of ambt terug op waarin hij het laatst werd benoemd of aangewezen. In voorkomend geval geschiedt dit in overtal. Indien betrokkene niet is benoemd in het mandaat dat hij terug opneemt, dan wordt hij geacht aangewezen te zijn voor de periode waarvoor het mandaat wordt verleend.
Art. 239. § 1er. La première nomination dans le cadre de la création du Conseil du Contentieux des étrangers des juges au contentieux des étrangers (est faite par le Roi, par arrêté) délibéré en Conseil des Ministres, parmi les candidats qui remplissent les conditions visées à l'article 39/19, § 2 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers et qui ont été jugés aptes conformément au § 2, et ce sur proposition conjointe motivée du premier président et du président du Conseil du Contentieux des étrangers, après qu'ils ont examiné la recevabilité des candidatures et comparé les titres et mérites des candidats. <L 2006-12-27/33, art. 153, 1°, 002; En vigueur : 06-10-2006>
  Pour l'application du présent article, les membres permanents de la Commission permanente de recours des réfugiés qui peuvent se prévaloir de l'application de l'article 3 de la loi du 16 mars 2005 modifiant l'article 57/12 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, ne doivent pas satisfaire à l'exigence d'être porteur d'un diplôme de docteur, de licencié ou de master en droit lors de la première nomination au moment de la création du Conseil du Contentieux des Etrangers.
  Si ni le premier président ni le président ne fournissent la preuve de la connaissance de l'autre langue conformément à l'article 39/21 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ou conformément à l'article 242 de la présente loi, ils sont assistés d'office par un membre du Conseil d'Etat bilingue au sens de l'article 69, 1° des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973. Ce membre bilingue est désigné à cet effet par le premier président du Conseil d'Etat et appartient au même rôle linguistique que le candidat.
  § 2. A l'initiative du premier président du Conseil du Contentieux des Etrangers, le Ministre de l'Intérieur publie au Moniteur belge les vacances visées au § 1er. La publication mentionne les vacances, les conditions de désignation, le délai pour l'introduction des candidatures qui est d'au moins un mois et l'autorité à laquelle celles-ci doivent être envoyées.
  Le Ministre de l'Intérieur organise une épreuve de sélection dont il détermine le contenu et les modalités.
  Sont dispensés de l'épreuve de sélection visée à l'alinéa 2 : les candidats qui, au moment où ils se portent candidat, exercent la fonction soit de référendaire à la Cour d'Arbitrage, soit de titulaire de fonction visé à l'article 69, 1° à 3° des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, soit de juge ou conseiller en exercice de l'ordre judiciaire, soit de membre permanent de la Commission permanente de recours des réfugiés.
  § 3. Le premier président et le président présentent leur proposition conjointe motivée ainsi que toutes les candidatures et (l'appréciation de celles-ci) au Ministre de l'Intérieur. <L 2006-12-27/33, art. 153, 2°, 002; En vigueur : 06-10-2006>
Art. 241. § 1. De eerste benoeming van griffiers bij de oprichting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gebeurt door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, uit twee lijsten van twee kandidaten onderscheidenlijk voorgedragen door enerzijds de eerste voorzitter en de voorzitter en anderzijds de hoofdgriffier, onder de kandidaten die voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 39/20, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en die geschikt bevonden zijn overeenkomstig § 2.
  § 2. Op initiatief van de eerste voorzitter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen maakt de Minister van Binnenlandse Zaken de in § 1 bepaalde vacante betrekkingen bekend in het Belgisch Staatsblad. In de bekendmaking worden de vacante betrekkingen vermeld, de benoemingsvoorwaarden, de termijn voor het indienen van de kandidaturen die ten minste een maand bedraagt en de overheid waaraan deze moeten worden gezonden.
  De Minister van Binnenlandse Zaken organiseert een selectieproef waarvan hij inhoud en de modaliteiten bepaalt.
  Zijn vrijgesteld van de in het tweede lid bepaalde selectieproef, de kandidaten die op het ogenblik van hun kandidaatstelling ten minste vijf jaar het ambt uitoefenen van lid van de griffie van de Raad van State bedoeld in artikel 69, 4° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 of van toegevoegd griffier bij de Raad van State, of van hoofdgriffier, griffier-hoofd van dienst, griffier of adjunct-griffier bij de hoven en rechtbanken.
Art. 240. § 1er. La première désignation des présidents de chambre (est faite par) l'assemblée générale du Conseil du Contentieux des étrangers parmi les membres du Conseil qui fournissent la preuve qu'ils ont exercé pendant au moins trois ans une fonction juridictionnelle, ou parmi les titulaires de fonction du Conseil d'Etat visés à l'article 69, 1° à 3° des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, qui sont nommés depuis au moins trois ans dans la qualité susmentionnée. <L 2006-12-27/33, art. 154, 1°, 002; En vigueur : 06-10-2006>
  à la date de la publication au Moniteur belge visée au § 2, alinéa 1er, le candidat doit être éloigné d'au moins trois ans de la limite d'âge prévue à l'article 39/38 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
  § 2. Le Ministre de l'Intérieur publie au Moniteur belge, à l'initiative du premier président du Conseil du Contentieux des étrangers, les vacances prévues au § 1er. La publication mentionne les vacances, les conditions de désignation, le délai pour l'introduction des candidatures qui est d'au moins un mois et l'autorité à laquelle celles-ci doivent être envoyées.
  La première désignation se fait par l'assemblée générale composée du premier président et du président et des membres du Conseil du Contentieux des étrangers nommés conformément à l'article 239, pour autant que vingt juges au contentieux des étrangers aient (au moins) prêté serment. <L 2006-12-27/33, art. 154, 2°, 002; En vigueur : 06-10-2006>
  § 3. Si en application du § 1er un titulaire de fonction du Conseil d'Etat est désigné au mandat adjoint de président de chambre, il peut après évaluation être désigné de manière définitive, conformément à l'article 39/25 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, par l'autorité de nomination après avoir exercé sa fonction pendant neuf ans.
  La désignation définitive au Conseil du Contentieux des Etrangers implique en même temps la nomination en surnombre de l'intéressé à la fonction de juge au contentieux des étrangers. Dans ce cas, il prend rang à la date de sa première désignation au mandat adjoint. Cette nomination implique la démission de plein droit du Conseil d'Etat. Dans ce cas, il conserve le traitement, les augmentations, les compléments de salaire et les indemnités liés à la fonction de titulaire de fonction au Conseil d'Etat à moins qu'un traitement plus élevé ne soit lié à la fonction qu'il reprend.
  Sur demande écrite expresse introduite au moins deux mois avant l'expiration du mandat adjoint, il peut renoncer à sa désignation définitive, visée à l'alinéa 2. Dans ce cas, il reprend, à la fin du mandat adjoint, le mandat ou la fonction auquel il a été nommé ou désigné en dernier lieu. Le cas échéant, cela se fait en surnombre. Lorsque l'intéressé n'est pas nommé dans le mandat dont il reprend l'exercice, il est réputé être désigné pour la période pour laquelle le mandat est octroyé.
Art. 242. § 1. De bij de artikelen 236 tot 241 bepaalde leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die op de datum van hun aanwijzing of benoeming het bewijs leveren van de in artikel 43, § 3, derde lid van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 18 juli 1966 of van de in de artikelen 5 en 7 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger, bedoelde kennis van de Nederlandse of Franse taal, worden geacht de kennis te hebben geleverd van de in artikel 39/21, § 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals ingevoegd bij artikel 106 bedoelde kennis van de andere taal dan die waarin hun diploma is gesteld.
  § 2. De bij de artikelen 236 tot 241 bepaalde leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die op de datum van hun aanwijzing of benoeming het bewijs leveren van de door artikel 15, § 1, derde lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 18 juli 1966, bepaalde kennis van de Duitse taal voor het niveau A, of die aantonen dat ze, om te worden benoemd tot ambtenaar, overeenkomstig artikel 43, § 4, derde lid, van de voornoemde wetten hun toelatingsexamen tot dit ambt, in het Duits aflegden, worden geacht de kennis te hebben geleverd van de in artikel 39/21, § 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bedoelde kennis van de Duitse taal.
  Indien bij de eerste aanwijzing of benoeming geen van de rechters noch van de mandaathouders het bewijs leveren van een voldoende kennis van de Duitse taal in de zin van het eerste lid van het artikel 39/21, § 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, beslist de eerste voorzitter of het onderzoek van een zaak die in het Duits is ingediend, in het Nederlands dan wel in het Frans wordt gevoerd. In dit geval worden de stukken ten behoeve van de Raad vertaald in het Nederlands of het Frans naargelang het geval. De mondelinge verklaringen geschieden in het Nederlands of het Frans naargelang het geval, of in het Duits met simultaanvertaling. Het arrest wordt in het Duits uitgesproken.
Art. 241. § 1er. La première désignation des greffiers dans le cadre de la création du Conseil du Contentieux des étrangers (est faite par le Roi, par arrêté) délibéré en Conseil des Ministres, sur la base de deux listes de deux candidats proposés d'une part par le premier président et le président et d'autre part par le greffier en chef, parmi les candidats qui remplissent les conditions visées à l'article 39/20, alinéa 2, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers et qui ont été jugés aptes conformément au § 2. <L 2006-12-27/33, art. 155, 002; En vigueur : 06-10-2006>
  § 2. à l'initiative du premier président du Conseil du Contentieux des Etrangers, le Ministre de l'Intérieur publie au Moniteur belge les vacances visées au § 1er. La publication mentionne les vacances, les conditions de désignation, le délai pour l'introduction des candidatures, qui est d'au moins un mois, et l'autorité à laquelle celles-ci doivent être envoyées.
  Le Ministre de l'Intérieur organise une épreuve de sélection dont il détermine le contenu et les modalités.
  Sont dispensés de l'épreuve de sélection visée l'alinéa 2 : les candidats qui, au moment où ils se portent candidats, exercent depuis au moins cinq ans la fonction de membre du greffe du Conseil d'Etat visé à l'article 69, 4° des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, ou de greffier assumé au Conseil d'Etat ou de greffier en chef, de greffier chef de service, greffier ou greffier adjoint près les cours et les tribunaux.
Art. 243. Dit artikel en de artikelen 235, § 1, tweede lid, 236 tot 242 treden in werking de dag van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
  De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van de artikelen 6, 3°; 6, 4°, 17, 1° tot 6°; 25, 2°; 52, 4°; 216; 219 en 220.
  De overige artikelen treden in werking op de eerste dag van de tweede maand na die waarin deze wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  (NOTA : inwerkingtreding van art. 17, 2° tot 4° vastgesteld op 01-12-2006 wat betreft de beroepen bedoeld in artikel 14, § 2 van de gecoördineerde wetten door KB 2006-11-30/31, art. 52)
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 52, 4°, vastgesteld op 17-04-2007 door KB 2007-04-01/37, art. 2)
  (NOTE : Inwerkingtreding van artikelen 6, 3° en 4°, 216 en 219 vastgesteld op 01-06-2007 door KB 2007-04-25/32, art. 98)
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 17, 1°, 2°, 4°, en 6°, behalve in de mate dat artikel 52 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State van toepassing is, vastgesteld op 01-06-2007 par KB 2007-04-25/32, art. 98)
  (NOTA : Inwerkingtreding van art. 220 vastgesteld op 01-07-2007 door KB 2007-12-20/18, art. 2)
  Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
  Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 15 september 2006.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Vice-eerste Minister en Minister van Binnenlandse zaken,
  P. DEWAEL
  De Vice-eerste Minister en Minister van Justitie,
  Mevr. L. ONKELINX
  De Minister van Middenstand en Landbouw,
  Mevr. S. LARUELLE
  De Minister van Leefmilieu en Pensioenen,
  B. TOBBACK
  Met 's Lands zegel gezegeld :
  De Minister van Justitie,
  Mevr. L. ONKELINX.
Art. 242. § 1er. Les membres du Conseil du Contentieux des Etrangers visés aux articles 236 à 241 qui à la date de leur désignation ou nomination fournissent la preuve de la connaissance des langues française ou néerlandaise visée à l'article 43, § 3, alinéa 3, des lois sur l'emploi des langues en matière administrative coordonnées par l'arrêté royal du 18 juillet 1966 ou aux articles 5 et 7 de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée, sont censés avoir prouvé la connaissance de l'autre langue que celle dans laquelle leur diplôme a été établi, visée à l'article 39/21, § 2, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers inséré par l'article 106.
  § 2. Les membres du Conseil du Contentieux des Etrangers visés aux articles 236 à 241 qui à la date de leur désignation ou nomination, fournissent la preuve de la connaissance de la langue allemande pour le niveau A visée à l'article 15, § 1, alinéa 3, des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées par l'arrêté royal du 18 juillet 1966, ou qui prouvent que pour être nommé fonctionnaire, ils ont fait en allemand leur examen d'accès à cette fonction conformément à l'article 43, § 4, alinéa 3, des lois susmentionnées, sont censés avoir prouvé la connaissance de la langue allemande visée à l'article 39/21, § 3, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
  Si lors de la première désignation ou nomination aucun des juges ni (des titulaires de mandat) ne fournit la preuve d'une connaissance suffisante de la langue allemande dans le sens de l'alinéa 1er de l'article 39/21, § 3, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, le premier président décide si l'examen d'un cas qui a été introduit en allemand, est traité en français ou en néerlandais. Dans ce cas, les documents à l'usage du Conseil sont traduits selon le cas en français ou en néerlandais. Les interventions orales ont lieu en français ou en néerlandais selon le cas ou en allemand avec traduction simultanée. L'arrêt est prononce en allemand. <L 2006-12-27/33, art. 156, 002; En vigueur : 06-10-2006>
-
Art. 243. Le présent article et les articles 235, § 1er, alinéa 2, 236 à 242 entrent en vigueur le jour de leur publication au Moniteur belge.
  Le Roi détermine la date d'entrée en vigueur des articles 6, 3°; 6, 4°, 17, 1° à 6°; 25, 2°; 52, 4°; 216; 219 et 220.
  Les autres articles entrent en vigueur le premier jour du deuxième mois qui suit celui au cours duquel la présente loi aura été publiée au Moniteur belge.
  (NOTE : entrée en vigueur de l'art. 17, 2° à 4° fixée au 01-12-2006 en ce qui concerne les recours visés à l'article 14, § 2, des lois coordonnées par AR 2006-11-30/31, art. 52)
  (NOTE : Entrée en vigueur de l'article 52, 4°, fixée au 17-04-2007 par AR 2007-04-01/37, art. 2)
  (NOTE : Entrée en vigueur des articles 6, 3° et 4°, 216 et 219 fixée au 01-06-2007 par AR 2007-04-25/32, art. 98)
  (NOTE : Entrée en vigueur de l'article 17, 1°, 2°, 4°, et 6°, dans la mesure où s'applique l'article 52 de l'arrêté royal du 30 novembre 2006 déterminant la procédure en cassation devant le Conseil d'Etat, fixée au 01-06-2007 par AR 2007-04-25/32, art. 98)
  (NOTE : Entrée en vigueur de l'article 220 fixée au 01-07-2007 par AR 2007-12-20/18, art. 2)
  Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
  Donné à Châteauneuf-de-Grasse, le 15 septembre 2006.
  ALBERT
  Par le Roi :
  Le Vice-Premier Ministre et Ministre de l'Intérieur,
  P. DEWAEL
  La Vice-Première Ministre et Ministre de la Justice,
  Mme L. ONKELINX
  La Ministre des Classes moyennes et de l'Agriculture,
  Mme S. LARUELLE
  Le Ministre de l'Environnement et des Pensions,
  B. TOBBACK
  Scellé du sceau de l'Etat :
  La Ministre de la Justice,
  Mme L. ONKELINX.