Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
15 SEPTEMBER 2006. - Wet tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. (NOTA : raadpleging van vroegere versies vanaf 06-10-2006 en tekstbijwerking tot 28-12-2006)
Titre
15 SEPTEMBRE 2006. - Loi modifiant la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 06-10-2006 et mise à jour au 28-12-2006)
Documentinformatie
Numac: 2006000703
Datum: 2006-09-15
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2006000703
Date: 2006-09-15
Moniteur: Voir
Tekst (84)
Texte (84)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
Art. 2. Deze wet zet onder meer de richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging, de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale erkenning behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming, en de richtlijn 2004/81/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie, om in de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
Art. 2. La présente loi transpose entre autres, dans la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, la directive 2003/86/CE du Conseil de l'Union européenne du 22 septembre 2003 relative au droit au regroupement familial, la directive 2004/83/CE du Conseil de l'Union européenne du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants de pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts, et la directive 2004/81/CE du Conseil de l'Union européenne du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes.
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
CHAPITRE II. - Modifications de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
Art. 3. Artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij de wet van 15 juli 1996, wordt opgeheven.
Art. 3. L'article 9, alinéa 3, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, modifié par la loi du 15 juillet 1996, est abrogé.
Art. 4. In dezelfde wet wordt een artikel 9bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 9bis. § 1. In buitengewone omstandigheden en op voorwaarde dat de vreemdeling over een identiteitsdocument beschikt, kan de machtiging tot verblijf worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft. Deze maakt ze over aan de minister of aan diens gemachtigde. Indien de minister of diens gemachtigde de machtiging tot verblijf toekent, zal de machtiging tot verblijf in België worden afgegeven.
  De voorwaarde dat de vreemdeling beschikt over een identiteitsdocument is niet van toepassing op :
  - de asielzoeker wiens asielaanvraag niet definitief werd afgewezen of die tegen deze beslissing een overeenkomstig artikel 20 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, toelaatbaar cassatieberoep heeft ingediend en dit tot op het ogenblik waarop het beroep niet toelaatbaar wordt verklaard;
  - de vreemdeling die zijn onmogelijkheid om het vereiste identiteitsdocument te verwerven in België, op geldige wijze aantoont.
  § 2. Onverminderd de andere elementen van de aanvraag, kunnen niet aanvaard worden als buitengewone omstandigheden en worden onontvankelijk verklaard :
  1° elementen die reeds aangehaald werden ter ondersteuning van een asielaanvraag in de zin van de artikelen 50, 50bis, 50ter en 51 en die verworpen werden door de asieldiensten, met uitzondering van elementen die verworpen werden omdat ze vreemd zijn aan de criteria van de Conventie van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3, en aan de criteria voorzien in artikel 48/4 met betrekking tot de subsidiaire bescherming of omdat de beoordeling ervan niet behoort tot de bevoegdheid van die instanties;
  2° elementen die in de loop van de procedure ter behandeling van de asielaanvraag in de zin van artikel 50, 50bis, 50ter en 51 hadden moeten worden ingeroepen, aangezien zij reeds bestonden en gekend waren voor het einde van deze procedure;
  3° elementen die reeds ingeroepen werden bij een vorige aanvraag tot het bekomen van een machtiging tot verblijf in het Rijk;
  4° elementen die ingeroepen werden in het kader van een aanvraag tot het bekomen van een machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter."
Art. 4. Un article 9bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 9bis. § 1er. Lors de circonstances exceptionnelles et à la condition que l'étranger dispose d'un document d'identité, l'autorisation de séjour peut être demandée auprès du bourgmestre de la localité où il séjourne, qui la transmettra au ministre ou à son délégué. Quand le ministre ou son délégué accorde l'autorisation de séjour, celle-ci sera délivrée en Belgique.
  La condition que l'étranger dispose d'un document d'identité n'est pas d'application :
  - au demandeur d'asile dont la demande d'asile n'a pas fait l'objet d'une décision définitive ou qui a introduit un recours en cassation administrative déclaré admissible conformément à l'article 20 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, et ce jusqu'au moment où le recours est déclaré non admissible;
  - à l'étranger qui démontre valablement son impossibilité de se procurer en Belgique le document d'identité requis.
  § 2. Sans préjudice des autres éléments de la demande, ne peuvent pas être retenus comme circonstances exceptionnelles et sont déclarés irrecevables :
  1° les éléments qui ont déjà été invoqués à l'appui d'une demande d'asile au sens des articles 50, 50bis, 50ter et 51, et qui ont été rejetés par les instances d'asile, à l'exception des éléments rejetés parce qu'ils sont étrangers aux critères de la Convention de Genève tel que déterminé à l'article 48/3 et aux critères prévus à l'article 48/4 en matière de protection subsidiaire, ou parce qu'ils ne relèvent pas de la compétence de ces instances;
  2° les éléments qui auraient dû être invoqués au cours de la procédure de traitement de la demande d'asile au sens de l'article 50, 50bis, 50ter et 51, dans la mesure où ils existaient et étaient connus de l'étranger avant la fin de la procédure;
  3° les éléments qui ont déjà été invoqués lors d'une demande précédente d'autorisation de séjour dans le Royaume;
  4° les éléments qui ont été invoqués dans le cadre d'une demande d'obtention d'autorisation de séjour sur la base de l'article 9ter."
Art. 5. In dezelfde wet wordt een artikel 9ter ingevoegd, luidende :
  " Art. 9ter. § 1. De in België verblijvende vreemdeling die beschikt over een identiteitsdocument en die op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft, kan een machtiging tot verblijf in het Rijk aanvragen bij de minister of zijn gemachtigde.
  De vreemdeling dient alle nuttige inlichtingen aangaande zijn ziekte over te maken. De beoordeling van het bovenvermeld risico en van de mogelijkheden van behandeling in het land van oorsprong of het land waar hij verblijft, gebeurt door een ambtenaar-geneesheer die daaromtrent een advies verschaft. Hij kan zonodig de vreemdeling onderzoeken en een bijkomend advies inwinnen van deskundigen.
  De voorwaarde dat de vreemdeling beschikt over een identiteitsdocument is niet van toepassing op :
  - de asielzoeker wiens asielaanvraag niet het voorwerp van een definitieve beslissing heeft uitgemaakt of die een overeenkomstig artikel 20 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, toelaatbaar verklaard administratief cassatieberoep heeft ingediend en dit tot op het ogenblik waarop een verwerpingsarrest inzake het toegelaten beroep is uitgesproken;
  - de vreemdeling die zijn onmogelijkheid om het vereiste identiteitsdocument te verwerven in België, op geldige wijze aantoont.
  § 2. De in § 1 vermelde deskundigen worden benoemd door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  De Koning stelt de procedureregels vast bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en bepaalt eveneens de wijze van bezoldiging van de in het eerste lid vermelde deskundigen.
  § 3. De minister of zijn gemachtigde verklaart de ingeroepen elementen onontvankelijk in de gevallen opgesomd in artikel 9bis, § 2, 1° tot 3°, of wanneer de ingeroepen elementen ter ondersteuning van de aanvraag tot machtiging tot verblijf in het Rijk reeds werden ingeroepen in het kader van een vorige aanvraag tot het bekomen van een machtiging tot verblijf in het Rijk op grond van de huidige bepaling.
  § 4. De bedoelde vreemdeling wordt uitgesloten van het voordeel van deze bepaling, wanneer de minister of zijn gemachtigde van oordeel is dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de betrokkene handelingen gepleegd heeft bedoeld in artikel 55/4. "
Art. 5. Un article 9ter, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 9ter. § 1er. L'étranger qui séjourne en Belgique et qui dispose d'un document d'identité et souffre d'une maladie dans un état tel qu'elle entraîne un risque réel pour sa vie ou son intégrité physique ou un risque réel de traitement inhumain ou dégradant lorsqu'il n'existe aucun traitement adéquat dans son pays d'origine ou dans le pays où il séjourne, peut demander l'autorisation de séjourner dans le Royaume au ministre ou à son délégué.
  L'étranger doit transmettre tous les renseignements utiles concernant sa maladie. L'appréciation du risque précité et des possibilités de traitement dans le pays d'origine ou dans le pays où il séjourne est effectuée par un fonctionnaire médecin qui rend un avis à ce sujet. Il peut, si nécessaire, examiner l'étranger et demander l'avis complémentaire d'experts.
  La condition que l'étranger dispose d'un document d'identité n'est pas d'application :
  - au demandeur d'asile dont la demande d'asile n'a pas fait l'objet d'une décision définitive ou qui a introduit un recours en cassation administrative déclaré admissible conformément à l'article 20 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, et ce jusqu'au moment où un arrêt de rejet du recours admis est prononcé;
  - à l'étranger qui démontre valablement son impossibilité de se procurer en Belgique le document d'identité requis.
  § 2. Les experts visés au § 1er sont désignés par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres.
  Le Roi fixe les règles de procédure par arrêté délibéré en Conseil des ministres et détermine également le mode de rémunération des experts visés à l'alinéa 1er.
  § 3. Le ministre ou son délégué déclare les éléments invoqués irrecevables dans les cas visés à l'article 9bis, § 2, 1° à 3°, ou si des éléments invoqués à l'appui de la demande d'autorisation de séjour dans le Royaume ont déjà été invoqués dans le cadre d'une demande précédente d'autorisation de séjour dans le Royaume sur la base de la présente disposition.
  § 4. L'étranger visé est exclu du bénéfice de la présente disposition lorsque le ministre ou son délégué considère qu'il y a de motifs sérieux de considérer qu'il a commis des actes visés à l'article 55/4. "
Art. 6. Artikel 10 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 28 juni 1984 en gewijzigd bij de wetten van 6 augustus 1993 en 15 juli 1996, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 10. § 1. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikelen 9 en 12, zijn van rechtswege toegelaten om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven :
  1° de vreemdeling wiens recht op verblijf erkend wordt door een internationaal verdrag, door een wet of door een koninklijk besluit;
  2° de vreemdeling die de wettelijke voorwaarden vervult om de Belgische nationaliteit door nationaliteitskeuze te verkrijgen op grond van artikel 13, 1°, 3° en 4°, van het Wetboek van Nationaliteit, of om ze te herkrijgen, zonder dat evenwel vereist is dat hij gedurende de twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag om tot verblijf te worden toegelaten zijn hoofdverblijf in België moet hebben, noch dat hij naargelang het geval, een verklaring van nationaliteitskeuze of een verklaring met het oog op het herkrijgen van de Belgische nationaliteit hoeft te doen;
  3° de vrouw die de Belgische nationaliteit verloren heeft door haar huwelijk of ingevolge het verwerven van een vreemde nationaliteit door haar echtgenoot;
  4° de volgende familieleden van een vreemdeling die toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of gemachtigd is om er zich te vestigen :
  - de buitenlandse echtgenoot of de vreemdeling waarmee een geregistreerd partnerschap gesloten werd dat als gelijkwaardig beschouwd wordt met het huwelijk in België, die met hem komt samenleven, op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar. Deze minimumleeftijd wordt echter teruggebracht tot achttien jaar wanneer, naargelang het geval, de echtelijke band of dit geregistreerd partnerschap, reeds bestond vóór de vreemdeling die vervoegd wordt, in het Rijk aankwam;
  - hun kinderen, die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en alleenstaand zijn;
  - de kinderen van de vreemdeling die vervoegd wordt, van diens echtgenoot of van de geregistreerde partner bedoeld in het eerste streepje, die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en alleenstaand zijn, voorzover de vreemdeling die vervoegd wordt, zijn echtgenoot of de bedoelde geregistreerde partner over het recht van bewaring beschikt en de kinderen ten laste zijn van hem of diens echtgenoot of deze geregistreerde partner en, indien het recht van bewaring wordt gedeeld, op voorwaarde dat de andere houder van het recht van bewaring zijn toestemming heeft gegeven;
  5° de vreemdeling die door middel van een wettelijk geregistreerd partnerschap, verbonden is met een vreemdeling die toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of gemachtigd is om er zich te vestigen, en die met die vreemdeling een naar behoren geattesteerde duurzame en stabiele relatie onderhoudt van minstens een jaar, en die met hem komt samenleven, voorzover zij beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar en ongehuwd zijn en geen duurzame relatie hebben met een andere persoon, evenals de kinderen van deze partner, die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en alleenstaand zijn, voorzover hij over het recht van bewaring beschikt en de kinderen te zijnen laste zijn en, indien het recht van bewaring wordt gedeeld, op voorwaarde dat de andere houder van het recht van bewaring zijn toestemming heeft gegeven.
  De minimumleeftijd van de twee partners wordt teruggebracht tot achttien jaar, wanneer zij het bewijs leveren dat zij vóór de aankomst van de vreemdeling die vervoegd wordt in het Rijk, reeds ten minste een jaar samengewoond hebben;
  6° het alleenstaand gehandicapt kind dat ouder is dan achttien jaar, van een vreemdeling die toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of gemachtigd is om er zich te vestigen, of van zijn echtgenoot of van zijn partner zoals bedoeld in punt 4° of 5°, voorzover het kind een attest overlegt dat uitgaat van een door de Belgische diplomatieke of consulaire post erkende arts dat aantoont dat het omwille van zijn handicap niet in zijn eigen behoeften kan voorzien;
  7° de ouders van een vreemdeling die erkend werd als vluchteling in de zin van artikel 48/3, voor zover zij met hem komen samenleven en op voorwaarde dat hij jonger is dan achttien jaar en het Rijk binnengekomen is zonder begeleiding van een krachtens de wet verantwoordelijke meerderjarige vreemdeling en vervolgens niet daadwerkelijk onder de hoede van een dergelijke persoon gestaan heeft, of zonder begeleiding werd achtergelaten nadat hij het Rijk is binnengekomen.
  Het eerste lid, 4°, is niet van toepassing op de echtgenoot van een polygame vreemdeling, indien een andere echtgenoot van die persoon reeds in het Rijk verblijft, noch op de kinderen die in het kader van een polygaam huwelijk afstammen van een vreemdeling en een andere echtgenote dan deze die al in het Rijk verblijft.
  De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de gevallen waarbij een partnerschap dat geregistreerd werd op basis van een vreemde wet, moet beschouwd worden als gelijkwaardig met een huwelijk in België.
  De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de criteria inzake het stabiel karakter van de relatie tussen de partners.
  De bepalingen met betrekking tot de kinderen zijn van toepassing, tenzij een internationaal verdrag dat België bindt, meer voordelige bepalingen bevat.
  § 2. De in § 1, eerste lid, 2° en 3° bedoelde vreemdelingen moeten het bewijs aanbrengen dat ze beschikken over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen ten behoeve van zichzelf en om te voorkomen dat ze ten laste van de openbare overheden vallen.
  De in § 1, eerste lid, 4° tot 7°, bedoelde vreemdelingen moeten het bewijs aanbrengen dat de vreemdeling die vervoegd wordt over voldoende huisvesting beschikt om het familielid of de familieleden, die gevraagd heeft of hebben om zich bij hem te komen voegen, te herbergen en over een ziektekostenverzekering beschikt die de risico's in België voor hem en zijn familieleden dekt. De Koning bepaalt de gevallen waarbij de vreemdeling geacht wordt over voldoende huisvesting te beschikken.
  De vreemdeling bedoeld in § 1, eerste lid, 6°, moet het bewijs aanbrengen dat de vreemdeling die vervoegd wordt beschikt over toereikende, stabiele en regelmatige bestaansmiddelen ten behoeve van zichzelf en van zijn familieleden en om te voorkomen dat zij ten laste van de openbare overheden vallen.
  Het tweede lid is niet van toepassing op de in § 1, eerste lid, 4°, 5° en 7°, bedoelde familieleden van een als vluchteling erkende vreemdeling indien de bloed- of aanverwantschapsbanden of het geregistreerd partnerschap al bestonden vooraleer de vreemdeling het Rijk binnenkwam en voorzover de aanvraag tot verblijf op basis van artikel 10 werd ingediend in de loop van het jaar na de beslissing tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling van de vreemdeling die vervoegd wordt.
  De minister of zijn gemachtigde kan, door middel van een gemotiveerde beslissing, echter eisen dat de in het tweede lid bedoelde documenten worden overgelegd indien de gezinshereniging mogelijk is in een ander land, waarmee de vreemdeling die vervoegd wordt of diens familielid een bijzondere band heeft, waarbij rekening gehouden wordt met de feitelijke omstandigheden, de aan de gezinshereniging gestelde voorwaarden in dat ander land en de mate waarin de betrokken vreemdelingen deze voorwaarden kunnen vervullen.
  Alle in § 1 bedoelde vreemdelingen moeten bovendien het bewijs aanbrengen dat zij niet lijden aan één van de ziekten die de volksgezondheid in gevaar kunnen brengen en die worden opgesomd in punt A van de bijlage aan deze wet.
  § 3. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 11, § 2, kan een vreemdeling die met toepassing van § 1, eerste lid, 4° of 5°, toegelaten werd tot een verblijf in de hoedanigheid van echtgenoot of ongehuwde partner, na de inwerkingtreding van de huidige bepaling, zich slechts beroepen op het recht om zich te laten vervoegen op basis van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap indien hij kan bewijzen dat hij gedurende twee jaar regelmatig in het Rijk heeft verbleven.
  § 4.
  § 1, eerste lid, 1°, 4°, 5° en 6° is niet van toepassing op de familieleden van de vreemdeling die gemachtigd is in België te verblijven om er te studeren of die toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van beperkte duur ingevolge deze wet of ingevolge de bijzondere omstandigheden eigen aan de betrokkene of ingevolge de aard of de duur van zijn activiteiten in België. "
Art. 6. L'article 10 de la même loi, remplacé par la loi du 28 juin 1984 et modifié par les lois du 6 août 1993 et du 15 juillet 1996, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 10. § 1er. Sous réserve des dispositions des articles 9 et 12, sont de plein droit admis à séjourner plus de trois mois dans le Royaume :
  1° l'étranger dont le droit de séjour est reconnu par un traité international, par une loi ou par un arrêté royal;
  2° l'étranger qui remplit les conditions légales pour acquérir la nationalité belge par option en vertu de l'article 13, 1°, 3° et 4°, du Code de la nationalité belge, ou pour la recouvrer, sans qu'il soit toutefois requis qu'il ait eu sa résidence principale en Belgique durant les douze mois qui précèdent la demande d'admission au séjour et sans qu'il doive faire une déclaration, selon le cas, d'option ou de recouvrement de la nationalité belge;
  3° la femme qui, par son mariage ou à la suite de l'acquisition par son mari d'une nationalité étrangère, a perdu la nationalité belge;
  4° les membres de la famille suivants d'un étranger admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume pour une durée illimitée, ou autorisé à s'y établir :
  - son conjoint étranger ou l'étranger avec lequel il est lié par un partenariat enregistré considéré comme équivalent à un mariage en Belgique, qui vient vivre avec lui, à la condition que les deux personnes concernées soient âgées de plus de vingt et un ans. Cet âge minimum est toutefois ramené à dix-huit ans lorsque le lien conjugal ou ce partenariat enregistré, selon le cas, est préexistant à l'arrivée de l'étranger rejoint dans le Royaume;
  - leurs enfants, qui viennent vivre avec eux avant d'avoir atteint l'âge de dix-huit ans et sont célibataires;
  - les enfants de l'étranger rejoint, de son conjoint ou du partenaire enregistré visé au premier tiret, qui viennent vivre avec eux avant d'avoir atteint l'âge de dix-huit ans et sont célibataires, pour autant que l'étranger rejoint, son conjoint ou ce partenaire enregistré en ait le droit de garde et la charge et, en cas de garde partagée, à la condition que l'autre titulaire du droit de garde ait donné son accord;
  5° l'étranger lié, par un partenariat enregistré conformément à une loi, à un étranger admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume pour une durée illimitée ou autorisé à s'y établir, et qui a, avec celui-ci, une relation durable et stable d'au moins un an dûment établie, qui vient vivre avec lui, pour autant qu'ils soient tous deux âgés de plus de vingt et un ans et célibataires et n'aient pas une relation durable avec une autre personne, ainsi que les enfants de ce partenaire, qui viennent vivre avec eux avant d'avoir atteint l'âge de dix-huit ans et sont célibataires, pour autant qu'il en ait le droit de garde et la charge et, en cas de garde partagée, à la condition que l'autre titulaire du droit de garde ait donné son accord.
  L'âge minimum des deux partenaires est ramené à dix-huit ans lorsqu'ils peuvent apporter la preuve d'une cohabitation d'au moins un an avant l'arrivée de l'étranger rejoint dans le Royaume;
  6° l'enfant handicapé célibataire âgé de plus de dix-huit ans d'un étranger autorisé ou admis à séjourner dans le Royaume pour une durée illimitée ou autorisé à s'y établir, ou de son conjoint ou partenaire au sens du point 4° ou 5°, pour autant qu'il fournisse une attestation émanant d'un médecin agréé par le poste diplomatique ou consulaire belge indiquant qu'il se trouve, en raison de son handicap, dans l'incapacité de subvenir à ses propres besoins;
  7° le père et la mère d'un étranger reconnu réfugié au sens de l'article 48/3, qui viennent vivre avec lui, pour autant que celui-ci soit âgé de moins de dix-huit ans et soit entré dans le Royaume sans être accompagné d'un étranger majeur responsable de lui par la loi et n'ait pas été effectivement pris en charge par une telle personne par la suite, ou ait été laissé seul après être entré dans le Royaume.
  L'alinéa 1er, 4°, n'est pas applicable au conjoint d'un étranger polygame lorsqu'un autre conjoint de celui-ci séjourne déjà dans le Royaume, ni aux enfants issus, dans le cadre d'un mariage polygame, d'un étranger et d'une autre épouse que celle séjournant déjà dans le Royaume.
  Le Roi fixe, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, les cas dans lesquels un partenariat enregistré sur la base d'une loi étrangère doit être considéré comme équivalent à mariage en Belgique.
  Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les critères établissant la stabilité de la relation entre les partenaires.
  Les dispositions relatives aux enfants s'appliquent à moins qu'un accord international liant la Belgique ne prévoie des dispositions plus favorables.
  § 2. Les étrangers visés au § 1er, alinéa 1er, 2° et 3°, doivent apporter la preuve qu'ils disposent de moyens de subsistance stables, réguliers et suffisants pour subvenir à leurs propres besoins et ne pas devenir une charge pour les pouvoirs publics.
  Les étrangers visés au § 1er, alinéa 1er, 4° à 7°, doivent apporter la preuve que l'étranger rejoint dispose d'un logement suffisant pour recevoir le ou les membres de sa famille qui demandent à le rejoindre ainsi que d'une assurance maladie couvrant les risques en Belgique pour lui-même et les membres de sa famille. Le Roi fixe les cas dans lesquels l'étranger est considéré comme disposant d'un logement suffisant.
  L'étranger visé au § 1er, alinéa 1er, 6°, doit en outre apporter la preuve que l'étranger rejoint dispose de moyens de subsistance stables, réguliers et suffisants pour subvenir à ses propres besoins et à ceux des membres de sa famille et ne pas devenir une charge pour les pouvoirs publics.
  L'alinéa 2 n'est pas applicable aux membres de la famille d'un étranger reconnu réfugié visés au § 1er, alinéa 1er, 4°, 5° et 7°, lorsque les liens de parenté ou d'alliance ou le partenariat enregistré sont antérieurs à l'entrée de cet étranger dans le Royaume et pour autant que la demande de séjour sur la base de l'article 10 ait été introduite dans l'année suivant la décision reconnaissant la qualité de réfugié à l'étranger rejoint.
  Le ministre ou son délégué peut cependant exiger, par une décision motivée, la production des documents visés à l'alinéa 2 lorsque le regroupement familial est possible dans un autre pays avec lequel l'étranger rejoint ou le membre de sa famille a un lien particulier, en tenant compte des circonstances de fait, des conditions fixées dans cet autre pays en ce qui concerne le regroupement familial et de la mesure dans laquelle les étrangers concernés peuvent réunir celles-ci.
  Tous les étrangers visés au § 1er doivent en outre apporter la preuve qu'ils ne sont pas atteints d'une des maladies pouvant mettre en danger la santé publique, énumérées au point A de l'annexe à la présente loi.
  § 3. Sous réserve de l'application de l'article 11, § 2, lorsqu'un étranger a lui-même été admis à séjourner en application du § 1er, alinéa 1er, 4° ou 5°, en qualité de conjoint ou de partenaire non marié, après l'entrée en vigueur de la présente disposition, le droit de venir le rejoindre sur la base d'un mariage ou d'un partenariat enregistré, ne peut être invoqué que lorsqu'il peut faire la preuve de deux ans de séjour régulier dans le Royaume.
  § 4. Le § 1er, alinéa 1er, 1°, 4°, 5° et 6°, n'est pas applicable aux membres de la famille de l'étranger autorisé à séjourner en Belgique pour y faire des études ou admis ou autorisé à y séjourner pour une durée limitée, fixée par la présente loi ou en raison de circonstances particulières propres à l'intéressé ou en rapport avec la nature ou de la durée de ses activités en Belgique. "
Art. 7. Artikel 10bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 28 juni 1984 en gewijzigd bij de wet van 15 juli 1996, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 10bis. § 1. Wanneer de in artikel 10, § 1, 4°, 5°en 6° bedoelde familieleden van een tot een verblijf gemachtigde buitenlandse student een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden aanvragen, moet die machtiging worden toegekend indien de student of één van de betrokken familieleden het bewijs aanbrengt dat hij over stabiele, regelmatige en voldoende bestaansmiddelen beschikt om in zijn eigen behoeften en die van zijn familieleden te voorzien en om te voorkomen dat zij ten laste vallen van de openbare overheden, dat de student over voldoende huisvesting beschikt om het familielid of de familieleden, die gevraagd hebben om zich bij hem te komen voegen, te herbergen en dat hij over een ziektekostenverzekering beschikt die de risico's in België voor hem en zijn familieleden dekt, voorzover die zich niet in één der in artikel 3, eerste lid, 5° tot 8°, voorziene gevallen bevinden of lijden aan één van de ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren en die worden opgesomd in punt A van de bijlage aan deze wet.
  De Koning bepaalt de gevallen waarbij de vreemdeling geacht wordt over voldoende huisvesting te beschikken.
  De bepalingen van artikel 12bis, § 6, zijn eveneens van toepassing.
  § 2. Wanneer de in artikel 10, § 1, 4° tot 6°, bedoelde familieleden van een vreemdeling die gemachtigd werd in België te verblijven voor een beperkte duur ingevolge deze wet of ingevolge de bijzondere omstandigheden eigen aan de betrokkene of ingevolge de aard of de duur van zijn activiteiten in België, een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden aanvragen, moet die machtiging toegekend worden indien zij het bewijs aanbrengen dat de vreemdeling die vervoegd wordt, over voldoende huisvesting beschikt om het familielid of de familieleden, die gevraagd hebben om zich bij hem te komen voegen, te herbergen en dat hij over een ziektekostenverzekering beschikt die de risico's in België voor hem en zijn familieleden dekt, voorzover die zich niet in één der in artikel 3, eerste lid, 5° tot 8° voorziene gevallen bevinden, of lijden aan één van de ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren en die worden opgesomd in punt A van de bijlage aan deze wet.
  Het familielid bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, moet bovendien het bewijs aanbrengen dat de vreemdeling die vervoegd wordt beschikt over stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen ten behoeve van zichzelf en van zijn familieleden en om te voorkomen dat zij ten laste van de openbare overheden vallen.
  De Koning bepaalt de gevallen waarbij de vreemdeling geacht wordt over voldoende huisvesting te beschikken.
  De bepalingen van artikel 12bis, § 6, zijn eveneens van toepassing. "
Art. 7. L'article 10bis de la même loi, inséré par la loi du 28 juin 1984 et modifié par la loi du 15 juillet 1996, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 10bis. § 1er. Lorsque les membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, 4°, 5° et 6°, d'un étudiant étranger autorisé au séjour introduisent une demande d'autorisation de séjour de plus de trois mois, cette autorisation doit être accordée si l'étudiant ou un des membres de sa famille en question apporte la preuve qu'il dispose de moyens de subsistance stables, réguliers et suffisants pour subvenir à ses propres besoins et à ceux des membres de sa famille et ne pas devenir une charge pour les pouvoirs publics, et que l'étudiant dispose d'un logement suffisant pour recevoir le ou les membres de sa famille qui demandent à le rejoindre ainsi que d'une assurance maladie couvrant les risques en Belgique pour lui-même et les membres de sa famille, et pour autant que celui-ci ou ceux-ci ne se trouvent pas dans un des cas visés à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 8°, ou ne sont pas atteints d'une des maladies pouvant mettre en danger la santé publique, énumérées au point A de l'annexe à la présente loi.
  Le Roi fixe les cas dans lesquels l'étranger est considéré comme disposant d'un logement suffisant.
  Les dispositions de l'article 12bis, § 6, s'appliquent également.
  § 2. Lorsque les membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, 4° à 6°, d'un étranger autorisé à séjourner en Belgique pour une durée limitée, fixée par la présente loi ou en raison de circonstances particulières propres à l'intéressé ou en rapport avec la nature ou la durée de ses activités en Belgique, introduisent une demande d'autorisation de séjour de plus de trois mois, cette autorisation doit être accordée s'ils apportent la preuve que l'étranger rejoint dispose d'un logement suffisant pour recevoir le ou les membres de sa famille qui demandent à le rejoindre ainsi que d'une assurance maladie couvrant les risques en Belgique pour lui-même et les membres de sa famille, et pour autant que celui-ci ou ceux-ci ne se trouvent pas dans un des cas visés à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 8°, ou ne sont pas atteints d'une des maladies pouvant mettre en danger la santé publique, énumérées au point A de l'annexe à la présente loi.
  Le membre de la famille visé à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, doit en outre apporter la preuve que l'étranger rejoint dispose de moyens de subsistance stables, réguliers et suffisants pour subvenir à ses propres besoins et à ceux des membres de sa famille et ne pas devenir une charge pour les pouvoirs publics.
  Le Roi fixe les cas dans lesquels l'étranger est considéré comme disposant d'un logement suffisant.
  Les dispositions de l'article 12bis, § 6, s'appliquent également. "
Art. 8. In dezelfde wet wordt een artikel 10ter ingevoegd, luidende :
  " Art. 10ter. § 1. De aanvraag tot machtiging tot verblijf wordt ingediend volgens de modaliteiten die worden voorzien door artikel 9 of 9bis.
  De datum voor het indienen van de in artikel 10bis bedoelde aanvraag is die waarop alle bewijzen, bedoeld in artikel 10bis, § 1, eerste lid, of § 2, eerste en tweede lid, overeenkomstig artikel 30 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht of de internationale overeenkomsten betreffende dezelfde materie, worden overgelegd, met inbegrip van een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document, indien de aanvrager ouder is dan 18 jaar, alsmede een medisch getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één van de in punt A van de bijlage aan deze wet opgesomde ziekten.
  § 2. De beslissing met betrekking tot de aanvraag tot het bekomen van een machtiging tot verblijf wordt zo snel mogelijk en ten laatste negen maanden na de datum waarop de aanvraag werd ingediend, zoals bepaald in § 1, getroffen en betekend.
  In bijzondere omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van de aanvraag, kan de minister of zijn gemachtigde deze termijn tweemaal, met een periode van drie maanden, verlengen. Dit wordt gedaan door middel van een gemotiveerde beslissing die ter kennis wordt gebracht van de aanvrager.
  Indien na het verstrijken van de termijn van negen maanden volgend op de datum waarop de aanvraag werd ingediend, die eventueel verlengd werd overeenkomstig het tweede lid, geen enkele beslissing getroffen werd, moet de machtiging tot verblijf verstrekt worden.
  In het kader van de onderzoek van de aanvraag wordt terdege rekening gehouden met het hoger belang van het kind.
  § 3. De minister of zijn gemachtigde kunnen beslissen om de aanvraag tot machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden te verwerpen, hetzij om dezelfde redenen als de redenen bedoeld in artikel 11, § 1, 1° tot 3°, hetzij indien de vreemdeling de andere voorwaarden van artikel 10bis niet of niet meer vervult, hetzij indien hij valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt heeft, fraude gepleegd heeft of onwettige middelen heeft gebruikt met het oog op het bekomen van die machtiging, hetzij indien vaststaat dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie uitsluitend afgesloten werden opdat hij het Rijk zou kunnen binnenkomen of er verblijven. "
Art. 8. Un article 10ter, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 10ter. § 1er. La demande d'autorisation de séjour est introduite selon les modalités prévues à l'article 9 ou 9bis.
  La date du dépôt de la demande visée à l'article 10bis est celle à laquelle toutes les preuves visées à l'article 10bis, § 1er, alinéa 1er, ou § 2, alinéas 1er et 2, conformément à l'article 30 de la loi du 16 juillet 2004 portant le Code de droit international privé ou aux conventions internationales portant sur la même matière, sont produites, en ce compris un extrait de casier judiciaire ou un document équivalent, si le demandeur est âgé de plus de 18 ans, et un certificat médical d'où il résulte que celui-ci n'est pas atteint d'une des maladies énumérées au point A de l'annexe à la présente loi.
  § 2. La décision relative à la demande d'autorisation de séjour est prise et notifiée dans les plus brefs délais et au plus tard dans les neuf mois suivant la date du dépôt de la demande définie au § 1er.
  Dans des cas exceptionnels liés à la complexité de l'examen de la demande et par une décision motivée, portée à la connaissance du demandeur, le ministre ou son délégué peut, à deux reprises, prolonger ce délai par période de trois mois.
  A l'expiration du délai de neuf mois suivant la date du dépôt de la demande, éventuellement prolongé conformément à l'alinéa 2, si aucune décision n'a été prise, l'autorisation de séjour doit être délivrée.
  Dans le cadre de l'examen de la demande, il est dûment tenu compte de l'intérêt supérieur de l'enfant.
  § 3. Le ministre ou son délégué peut décider de rejeter la demande d'autorisation de séjour de plus de trois mois soit pour les mêmes motifs que ceux visés à l'article 11, § 1er, 1° à 3°, soit lorsque l'étranger ne remplit pas ou plus les autres conditions de l'article 10bis, soit lorsqu'il a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou à d'autres moyens illégaux, en vue d'obtenir cette autorisation, soit lorsqu'il est établi que le mariage, le partenariat ou l'adoption a été conclu uniquement pour lui permettre d'entrer ou de séjourner dans le Royaume. "
Art. 9. Artikel 11 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 6 augustus 1993 en 15 juli 1996, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 11. § 1. De minister of zijn gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die verklaart dat hij zich in één der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, in één van de volgende gevallen niet het recht heeft het Rijk binnen te komen of in het Rijk te verblijven :
  1° de vreemdeling voldoet niet of niet meer aan één van de voorwaarden van artikel 10;
  2° de vreemdeling en de vreemdeling die vervoegd wordt, onderhouden niet of niet meer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven;
  3° met uitzondering van afwijkingen, die worden voorzien door een internationaal verdrag, bevindt de vreemdeling zich in één der gevallen voorzien in artikel 3, 5° tot 8°, of hij lijdt aan één van de ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren en die worden opgesomd in punt A van de bijlage aan deze wet;
  4° de vreemdeling heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt, of heeft fraude gepleegd of onwettige middelen gebruikt om te worden toegelaten tot een verblijf, of het staat vast dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie uitsluitend afgesloten werden opdat de betrokken vreemdeling het Rijk zou kunnen binnenkomen of er verblijven.
  In het geval van de familieleden van een erkende vluchteling, met wie de bloed- of aanverwantschapsbanden al bestonden vóór hij het Rijk betrad, mag de beslissing niet uitsluitend worden gebaseerd op het ontbreken van de officiële documenten die de bloed- of aanverwantschapsbanden aantonen, overeenkomstig artikel 30 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht of de internationale overeenkomsten betreffende dezelfde materie.
  In voorkomend geval vermeldt de beslissing de bepaling van artikel 3 die werd toegepast.
  § 2. De minister of zijn gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die op grond van artikel 10 toegelaten werd tot een verblijf in het Rijk in één van de volgende gevallen niet meer het recht heeft om in het Rijk te verblijven :
  1° de vreemdeling voldoet niet meer aan één van de voorwaarden van artikel 10;
  2° de vreemdeling en de vreemdeling die vervoegd werd, onderhouden niet of niet meer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven;
  3° de vreemdeling, die toegelaten werd tot een verblijf in het Rijk in de hoedanigheid van geregistreerde partner op grond van artikel 10, § 1, 4° of 5°, of de vreemdeling die vervoegd werd, is in het huwelijk getreden of heeft een duurzame relatie met een andere persoon;
  4° de vreemdeling heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt, of heeft fraude gepleegd of onwettige middelen gebruikt om te worden toegelaten tot een verblijf, of het staat vast dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie uitsluitend afgesloten werden opdat de betrokken vreemdeling het Rijk zou kunnen binnenkomen of er verblijven.
  De op het punt 1°, 2° of 3° gebaseerde beslissing mag enkel getroffen worden gedurende de periode waarin de vreemdeling toegelaten is tot een verblijf voor beperkte duur. In dit verband vormen de redenen vermeld in het punt 1°, 2° of 3° een voldoende motivering gedurende de eerste twee jaren na de afgifte van de verblijfstitel of, in de gevallen bedoeld in artikel 12bis, §§ 3 of 4, na de afgifte van het document dat bewijst dat de aanvraag werd ingediend. In de loop van het derde jaar na de afgifte van de verblijfstitel of in de gevallen bedoeld in artikel 12bis, §§ 3 of 4, na de afgifte van het document dat bewijst dat de aanvraag werd ingediend, volstaat deze motivering enkel indien zij aangevuld wordt met elementen die wijzen op een schijnsituatie.
  De minister of diens gemachtigde kan met het oog op een verlenging of vernieuwing van de verblijfstitel, controles verrichten of laten verrichten om na te gaan of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden van artikel 10. Hij kan op elk moment specifieke controles verrichten of laten verrichten in geval van gegronde vermoedens van fraude of dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie tot stand is gekomen om voor de betrokken persoon toegang tot of verblijf in het Rijk te bekomen.
  De minister of zijn gemachtigde houdt in het bijzonder rekening met de situatie van personen die het slachtoffer zijn van geweld in de familie, die het huishouden verlaten hebben en bescherming nodig hebben. In deze gevallen zal hij de betrokken persoon op de hoogte brengen van zijn beslissing om geen einde te stellen aan zijn verblijf, op basis van het eerste lid, 1°, 2° of 3°. "
Art. 9. L'article 11 de la même loi, modifié par les lois des 6 août 1993 et 15 juillet 1996, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 11. § 1er. Le ministre ou son délégué peut décider que l'étranger qui déclare se trouver dans un des cas prévus à l'article 10 n'a pas le droit d'entrer ou de séjourner dans le Royaume, dans un des cas suivants :
  1° cet étranger ne remplit pas ou ne remplit plus une des conditions de l'article 10;
  2° cet étranger et l'étranger rejoint n'entretiennent pas ou plus une vie conjugale ou familiale effective;
  3° sauf dérogations prévues par un traité international, cet étranger se trouve dans un des cas prévus à l'article 3, 5° à 8°, ou est atteint d'une des maladies pouvant mettre en danger la santé publique, énumérées au point A de l'annexe à la présente loi;
  4° cet étranger a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou à d'autres moyens illégaux, afin d'être admis au séjour, ou il est établi que le mariage, le partenariat ou l'adoption ont été conclu uniquement pour lui permettre d'entrer ou de séjourner dans le Royaume.
  Dans le cas des membres de la famille d'un réfugié reconnu dont les liens de parenté ou d'alliance sont antérieurs à l'entrée de celui-ci dans le Royaume, la décision ne peut pas être fondée uniquement sur le défaut de documents officiels prouvant le lien de parenté ou d'alliance conformes à l'article 30 de la loi du 16 juillet 2004 portant le Code de droit international privé ou aux conventions internationales portant sur la même matière.
  La décision indique, le cas échéant, la disposition de l'article 3 qui est appliquée.
  § 2. Le ministre ou son délégué peut décider que l'étranger qui a été admis à séjourner dans le Royaume sur la base de l'article 10 n'a plus le droit de séjourner dans le Royaume, dans un des cas suivants :
  1° cet étranger ne remplit plus une des conditions de l'article 10;
  2° cet étranger et l'étranger rejoint n'entretiennent pas ou plus une vie conjugale ou familiale effective;
  3° cet étranger, admis à séjourner dans le Royaume en tant que partenaire enregistré sur la base de l'article à10, § 1er, 4° ou 5°, ou l'étranger qu'il a rejoint, s'est marié ou a une relation durable avec une autre personne;
  4° cet étranger a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou à d'autres moyens illégaux, afin d'être admis au séjour, ou il est établi que le mariage, le partenariat ou l'adoption ont été conclu uniquement pour lui permettre d'entrer ou de séjourner dans le Royaume.
  La décision fondée sur le point 1°, 2° ou 3° ne peut être prise qu'au cours de l'admission au séjour pour une durée limitée. Dans ce cadre, le motif visé au point 1°, 2° ou 3° constituera une motivation suffisante au cours des deux premières années suivant la délivrance du titre de séjour ou, dans les cas visés à l'article 12bis, §§ 3 ou 4, suivant la délivrance du document attestant que la demande a été introduite. Au cours de la troisième année suivant la délivrance du titre de séjour ou, dans les cas visés à l'article 12bis, §§ 3 ou 4, suivant la délivrance du document attestant que la demande a été introduite, cette motivation ne sera suffisante que si elle est complétée par des éléments indiquant une situation de complaisance.
  Le ministre ou son délégué peut procéder ou faire procéder à des contrôles en vue de la prorogation ou du renouvellement du titre de séjour, afin de vérifier si l'étranger remplit les conditions de l'article 10. Il peut à tout moment procéder ou faire procéder à des contrôles spécifiques lorsqu'il existe des présomptions fondées de fraude ou que le mariage, le partenariat ou l'adoption a été conclu pour permettre à la personne concernée d'entrer ou de séjourner dans le Royaume.
  Le ministre ou son délégué prend particulièrement en considération la situation des personnes victimes de violences dans leur famille, qui ont quitté leur foyer et nécessitent une protection. Dans ces cas, il informera la personne concernée de sa décision de ne pas mettre fin, sur la base de l'alinéa 1er, 1°, 2° ou 3°, à son séjour. "
Art. 10. Artikel 12, vierde lid, van dezelfde wet, wordt vervangen als volgt :
  " De aanvraag tot inschrijving moet door de vreemdeling ingediend worden binnen acht werkdagen nadat hij het Rijk is binnengekomen indien hij de machtiging tot verblijf in het buitenland heeft verkregen of indien het recht op verblijf aan hem werd toegekend in het buitenland. Zij moet worden ingediend binnen acht werkdagen na de ontvangst van die machtiging of toelating, indien deze in het Rijk werd verkregen of toegekend. "
Art. 10. L'article 12, alinéa 4, de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
  " La demande d'inscription doit être introduite par l'étranger dans les huit jours ouvrables de son entrée dans le Royaume s'il a obtenu l'autorisation de séjour ou s'est vu reconnaître le droit au séjour, à l'étranger. Elle doit être introduite dans les huit jours ouvrables de la réception de cette autorisation ou admission, si celle-ci a été obtenue ou reconnue dans le Royaume. "
Art. 11. Artikel 12bis van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 6 augustus 1993 en gewijzigd door de wet van 15 juli 1996, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 12bis. § 1. De vreemdeling die verklaart dat hij zich in één der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, moet zijn aanvraag indienen bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger die bevoegd is voor zijn woonplaats of zijn verblijfplaats in het buitenland.
  In de volgende gevallen kan hij zijn aanvraag echter indienen bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats :
  1° indien hij al in een andere hoedanigheid toegelaten of gemachtigd werd tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk en indien hij vóór het einde van deze toelating of machtiging alle in § 2 bedoelde bewijzen overlegt;
  2° indien hij tot een verblijf van maximaal drie maanden is gemachtigd en vóór het einde van deze machtiging alle in § 2 bedoelde bewijzen overlegt;
  3° indien hij zich bevindt in uitzonderlijke omstandigheden die hem verhinderen terug te keren naar zijn land om het op grond van artikel 2 vereiste visum te vragen bij de bevoegde Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger en alle in § 2 bedoelde bewijzen overmaakt, evenals een bewijs van zijn identiteit.
  § 2. Indien de in § 1 bedoelde vreemdeling zijn aanvraag indient bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger die bevoegd is voor zijn woonplaats of zijn verblijfplaats in het buitenland, moeten samen met de aanvraag documenten worden overgelegd die aantonen dat hij voldoet aan de voorwaarden die worden bedoeld in artikel 10, §§ 1 tot 3, met name een medisch getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één van de in punt A van de bijlage aan deze wet opgesomde ziekten, evenals, indien hij ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document.
  De datum voor het indienen van de aanvraag is die waarop alle bewijzen, overeenkomstig artikel 30 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht of de internationale overeenkomsten betreffende dezelfde materie, worden overgelegd.
  De beslissing met betrekking tot de toelating tot verblijf wordt zo snel mogelijk en ten laatste negen maanden volgend op de datum van indiening van de aanvraag, zoals bepaald in het tweede lid, getroffen en betekend.
  In bijzondere omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van de aanvraag, kan de minister of zijn gemachtigde deze termijn tweemaal, met een periode van drie maanden, verlengen. Dit wordt gedaan door middel van een gemotiveerde beslissing die ter kennis wordt gebracht van de aanvrager.
  Indien geen enkele beslissing getroffen werd na het verstrijken van de termijn van negen maanden volgend op de datum waarop de aanvraag werd ingediend, die eventueel verlengd werd overeenkomstig het vierde lid, moet de toelating tot verblijf verstrekt worden.
  § 3. In de in § 1, tweede lid, 1° en 2°, bedoelde gevallen, wanneer de in § 1 bedoelde vreemdeling zich bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats aanbiedt en verklaart dat hij zich in één der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, wordt hij, na inzage van de documenten die vereist zijn voor zijn binnenkomst en verblijf en op voorwaarde dat alle bewijzen bedoeld in § 2 werden overgemaakt, ingeschreven in het vreemdelingenregister en in het bezit gesteld van een document waaruit blijkt dat de aanvraag werd ingediend, en van een document waaruit blijkt dat hij in het vreemdelingenregister werd ingeschreven.
  Het gemeentebestuur brengt de minister of zijn gemachtigde onverwijld op de hoogte van de aanvraag en verzekert zich van zijn akkoord.
  Indien de minister of zijn gemachtigde een gunstige beslissing neemt of indien binnen een periode van negen maanden volgend op de indiening van de aanvraag geen enkele beslissing ter kennis wordt gebracht van het gemeentebestuur, wordt de vreemdeling toegelaten tot een verblijf.
  In bijzondere omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van de aanvraag, kan de minister of zijn gemachtigde deze termijn met een periode van drie maanden verlengen. Dit wordt gedaan door middel van een gemotiveerde beslissing die ter kennis wordt gebracht van de aanvrager vóór afloop van de in het derde lid bepaalde termijn.
  § 4. In de gevallen bedoeld in § 1, tweede lid, 3°, wanneer de vreemdeling bedoeld in § 1 zich aanbiedt bij het gemeentebestuur van de plaats waar hij verblijft en verklaart dat hij zich bevindt in één van de in artikel 10 bedoelde gevallen, moet het gemeentebestuur zich onverwijld vergewissen van de ontvankelijkheid van de aanvraag bij de minister of zijn gemachtigde. Wanneer deze van oordeel is dat de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden van § 1, tweede lid, 3°, wordt dit medegedeeld aan het gemeentebestuur, dat de vreemdeling dan inschrijft in het vreemdelingenregister en hem in het bezit stelt van een document waaruit blijkt dat de aanvraag werd ingediend en van een document waaruit blijkt dat hij in het vreemdelingenregister werd ingeschreven.
  De beoordeling van de medische situatie die in voorkomend geval ingeroepen wordt door de vreemdeling, gebeurt door een ambtenaar-geneesheer die daaromtrent een advies verschaft. Hij kan zonodig de vreemdeling onderzoeken en een bijkomend advies inwinnen van deskundigen, aangeduid overeenkomstig artikel 9ter, § 2.
  De bepalingen van § 3, derde en vierde lid, zijn eveneens van toepassing.
  § 5. Wanneer het familielid of de familieleden van een als vluchteling erkende vreemdeling, met wie de bloed- of aanverwantschapsbanden al bestonden vóór hij het Rijk betrad, geen officiële documenten kunnen overleggen die aantonen dat zij voldoen aan de in artikel 10 bedoelde voorwaarden met betrekking tot de bloed- of aanverwantschapsband, wordt rekening gehouden met andere geldige bewijzen die in dit verband worden overgelegd. Bij gebrek hieraan, kunnen de in § 6 voorziene bepalingen worden toegepast.
  § 6. Indien wordt vastgesteld dat de vreemdeling de ingeroepen bloed- of aanverwantschapsbanden niet kan bewijzen door middel van officiële documenten, overeenkomstig artikel 30 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht of de internationale overeenkomsten betreffende dezelfde materie, kan de minister of zijn gemachtigde overgaan of laten overgaan tot een onderhoud met de vreemdeling en de vreemdeling die vervoegd wordt, of tot elk ander onderzoek dat noodzakelijk wordt geacht en in voorkomend geval voorstellen om een aanvullende analyse uit te laten voeren.
  § 7. In het kader van het onderzoek van de aanvraag wordt terdege rekening gehouden met het hoger belang van het kind. "
Art. 11. L'article 12bis de la même loi, inséré par la loi du 6 août 1993 et modifié par la loi du 15 juillet 1996, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 12bis. § 1er. L'étranger qui déclare se trouver dans un des cas visés à l'article 10 doit introduire sa demande auprès du représentant diplomatique ou consulaire belge compétent pour le lieu de sa résidence ou de son séjour à l'étranger.
  Il peut toutefois introduire sa demande auprès de l'administration communale de la localité où il séjourne dans les cas suivants :
  1° s'il est déjà admis ou autorisé à séjourner plus de trois mois dans le Royaume à un autre titre et présente toutes les preuves visées au § 2 avant la fin de cette admission ou autorisation;
  2° s'il est autorisé au séjour pour trois mois au maximum et présente toutes les preuves visées au § 2 avant la fin de cette autorisation;
  3° s'il se trouve dans des circonstances exceptionnelles qui l'empêchent de retourner dans son pays pour demander le visa requis en vertu de l'article 2 auprès du représentant diplomatique ou consulaire belge compétent, et présente toutes les preuves visées au § 2 ainsi qu'une preuve de son identité.
  § 2. Lorsque l'étranger visé au § 1er introduit sa demande auprès du représentant diplomatique ou consulaire belge compétent pour le lieu de sa résidence ou de son séjour à l'étranger, celle-ci doit être accompagnée des documents qui prouvent qu'il remplit les conditions visées à l'article 10, §§ 1er à 3, dont notamment un certificat médical d'où il résulte qu'il n'est pas atteint d'une des maladies énumérées au point A de l'annexe à la présente loi ainsi qu'un extrait de casier judiciaire ou un document équivalent, s'il est âgé de plus de dix-huit ans.
  La date du dépôt de la demande est celle à laquelle tous ces documents, conformes à l'article 30 de la loi du 16 juillet 2004 portant le Code de droit international privé ou aux conventions internationales portant sur la même matière, sont produits.
  La décision relative à l'admission au séjour est prise et notifiée dans les plus brefs délais et au plus tard dans les neuf mois suivant la date du dépôt de la demande définie à l'alinéa 2.
  Dans des cas exceptionnels liés à la complexité de l'examen de la demande et par une décision motivée, portée à la connaissance du demandeur, le ministre ou son délégué peut, à deux reprises, prolonger ce délai par période de trois mois.
  A l'expiration du délai de neuf mois suivant la date du dépôt de la demande, éventuellement prolongé conformément à l'alinéa 4, si aucune décision n'a été prise, l'admission au séjour doit être reconnue.
  § 3. Dans les cas visés au § 1er, alinéa 2, 1° et 2°, lorsque l'étranger visé au § 1er se présente à l'administration communale de la localité où il séjourne et déclare se trouver dans un des cas prévus à l'article 10, il est, au vu des documents requis pour son entrée et son séjour et à la condition que toutes les preuves visées au § 2 soient produites, inscrit au registre des étrangers et mis en possession d'un document attestant que la demande a été introduite et d'un document attestant qu'il est inscrit au registre des étrangers.
  L'administration communale informe sans délai le ministre ou son délégué de la demande et s'assure de son accord.
  En cas de décision favorable du ministre ou de son délégué ou, si dans un délai de neuf mois suivant la date d'introduction de la demande, aucune décision n'est portée à la connaissance de l'administration communale, l'étranger est admis à séjourner.
  Dans des cas exceptionnels liés à la complexité de l'examen de la demande et par une décision motivée, portée à la connaissance de l'administration communale avant l'expiration du délai prévu à l'alinéa 3, le ministre ou son délégué peut à deux reprises au maximum prolonger ce délai d'une période de trois mois.
  § 4. Dans les cas visés au § 1er, alinéa 2, 3°, lorsque l'étranger visé au § 1er se présente à l'administration communale de la localité où il séjourne et déclare se trouver dans un des cas prévus à l'article 10, celle-ci s'assure sans délai de la recevabilité de la demande auprès du ministre ou de son délégué. Lorsque celui-ci estime que l'étranger réunit les conditions du § 1er, alinéa 2, 3°, il le communique à l'administration communale qui inscrit alors l'étranger au registre des étrangers et le met en possession d'un document attestant que la demande a été introduite et d'un document attestant qu'il est inscrit au registre des étrangers.
  L'appréciation de la situation d'ordre médical le cas échéant invoquée par l'étranger est effectuée par un fonctionnaire médecin qui rend un avis à ce sujet et peut, si nécessaire, examiner l'étranger et demander l'avis complémentaire d'experts, désignés conformément à l'article 9ter, § 2.
  Les dispositions du § 3, alinéas 3 et 4, sont également d'application.
  § 5. Lorsque le ou les membres de la famille d'un étranger reconnu réfugié dont les liens de parenté ou d'alliance sont antérieurs à l'entrée de celui-ci dans le Royaume, ne peuvent fournir les documents officiels qui prouvent qu'ils remplissent les conditions relatives au lien de parenté ou d'alliance, visées à l'article 10, il est tenu compte d'autres preuves valables produites au sujet de ce lien. A défaut, les dispositions prévues au § 6 peuvent être appliquées.
  § 6. Lorsqu'il est constaté que l'étranger ne peut apporter la preuve des liens de parenté ou d'alliance invoqués, par des documents officiels conformes à l'article 30 de la loi du 16 juillet 2004 portant le Code de droit international privé ou aux conventions internationales portant sur la même matière, le ministre ou son délégué peut procéder ou faire procéder à des entretiens avec celui-ci et l'étranger rejoint ou à toute enquête jugée nécessaire, et proposer, le cas échéant, toute analyse complémentaire.
  § 7. Dans le cadre de l'examen de la demande, il est dûment tenu compte de l'intérêt supérieur de l'enfant. "
Art. 12. Artikel 13 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 juli 1992 en bij de wetten van 6 mei 1993 en 15 juli 1996, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 13. § 1. Behalve indien dit uitdrukkelijk anders wordt voorzien, wordt de machtiging tot verblijf verleend voor een beperkte tijd, ingevolge deze wet of ingevolge specifieke omstandigheden die betrekking hebben op de betrokkene of ingevolge de aard of de duur van zijn activiteiten in België.
  De machtiging tot verblijf die verstrekt wordt voor beperkte duur op grond van artikel 9ter, wordt van onbeperkte duur bij het verstrijken van een periode van vijf jaar nadat de aanvraag tot machtiging werd aangevraagd.
  De toelating tot verblijf krachtens artikel 10 wordt erkend voor een beperkte duur gedurende een periode van drie jaar volgend op de afgifte van de verblijfstitel of in de gevallen bedoeld in artikel 12bis, §§ 3 of 4, na de afgifte van het document dat bewijst dat de aanvraag werd ingediend. Na afloop van deze periode wordt de toelating tot verblijf voor onbeperkte duur.
  In afwijking op het derde lid, wordt op de familieleden van een vreemdeling die tot een verblijf van beperkte duur gemachtigd is, en op wie artikel 10, § 1, eerste lid, 1°, van toepassing is, de in het zesde lid voorziene bepaling toegepast.
  De verblijfstitel die wordt uitgereikt aan de vreemdeling die gemachtigd of toegelaten is tot een verblijf van beperkte duur, is geldig voor de duur van de machtiging of de toelating. Wanneer een verblijfstitel uitgereikt is aan een vreemdeling die toegelaten is tot een verblijf van beperkte duur overeenkomstig het derde lid en de toelating tot verblijf onbeperkt wordt tijdens de geldigheidsduur van deze verblijfstitel, blijft deze geldig tot aan zijn vervaldatum. De Koning bepaalt de geldigheidsduur van de verblijfstitel die wordt uitgereikt aan de vreemdeling die gemachtigd is of toegelaten is tot een verblijf van onbeperkte duur.
  De in artikel 10bis, §§ 1 en 2, bedoelde familieleden ontvangen een verblijfstitel met dezelfde geldigheidsduur als de verblijfstitel van de vreemdeling die vervoegd wordt.
  § 2. Op aanvraag van de betrokkene wordt de verblijfstitel door het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats verlengd of vernieuwd, op voorwaarde dat die aanvraag werd ingediend vóór het verstrijken van de titel en dat de minister of zijn gemachtigde de machtiging voor een nieuwe periode heeft verlengd of de toelating tot verblijf niet heeft beëindigd.
  De Koning bepaalt binnen welke termijnen en onder welke voorwaarden de vernieuwing of de verlenging van de verblijfsvergunningen moet worden aangevraagd.
  § 3. De minister of zijn gemachtigde kan in één van de volgende gevallen een bevel om het grondgebied te verlaten afgeven aan de vreemdeling die gemachtigd werd om voor een beperkte tijd in het Rijk te verblijven ingevolge deze wet of ingevolge de bijzondere omstandigheden eigen aan de betrokkene of ingevolge de aard of de duur van zijn activiteiten in België :
  1° indien hij langer dan deze beperkte tijd in het Rijk verblijft;
  2° indien hij niet meer voldoet aan de aan zijn verblijf gestelde voorwaarden;
  3° indien hij valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt, of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt om te worden gemachtigd tot een verblijf.
  § 4. De minister of zijn gemachtigde kan in één van de volgende gevallen dezelfde maatregel treffen ten opzichte van de in artikel 10bis, § 2 bedoelde familieleden :
  1° er wordt op basis van § 3 een einde gesteld aan het verblijf van de vreemdeling die vervoegd werd;
  2° de vreemdeling voldoet niet meer aan de aan zijn verblijf gestelde voorwaarden;
  3° de vreemdeling en de vreemdeling die vervoegd wordt, onderhouden geen of geen werkelijk huwelijks- of gezinsleven meer;
  4° de vreemdeling die gemachtigd werd tot een verblijf in het Rijk in de hoedanigheid van geregistreerde partner in de zin van artikel 10, § 1, 4° of 5°, of de vreemdeling die vervoegd wordt, is in het huwelijk getreden of heeft een duurzame relatie met een andere persoon;
  5° de vreemdeling heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt, of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt om te worden gemachtigd tot een verblijf, of het staat vast dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie uitsluitend afgesloten werden opdat de betrokken vreemdeling het Rijk zou kunnen binnenkomen of er verblijven.
  Onverminderd de toepassing van artikel 61, § 3, kan de minister of zijn gemachtigde dezelfde maatregel treffen ten opzichte van de in artikel 10bis, § 1, bedoelde familieleden.
  § 5. Gedurende een periode van tien jaar die volgen op de aanvraag tot machtiging tot verblijf, kunnen de minister of zijn gemachtigde een einde stellen aan het verblijf van de vreemdeling die gemachtigd werd tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk op grond van artikel 9ter en hem het bevel geven het grondgebied te verlaten, wanneer hij deze machtiging bekomen heeft op grond van feiten die hij verkeerd heeft weergegeven of achtergehouden of van valse verklaringen, of van valse of vervalste documenten die van doorslaggevend belang zijn geweest voor de toekenning van de machtiging.
  § 6. Het bevel om het grondgebied te verlaten vermeldt dat de bepalingen van dit artikel werden toegepast.
  De minister of diens gemachtigde kan met het oog op een verlenging of vernieuwing van de verblijfstitel, controles verrichten of laten verrichten, om na te gaan of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden van artikel 10. Hij kan op elk moment specifieke controles verrichten of laten verrichten in geval van gegronde vermoedens van fraude of dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie tot stand is gekomen om voor de betrokken persoon toegang tot of verblijf in het Rijk te bekomen. "
Art. 12. L'article 13 de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 13 juillet 1992 et par les lois des 6 mai 1993 et 15 juillet 1996, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 13. § 1er. Sauf prévision expresse inverse, l'autorisation de séjour est donnée pour une durée limitée, soit fixée par la présente loi, soit en raison de circonstances particulières propres à l'intéressé, soit en rapport avec la nature ou la durée des prestations qu'il doit effectuer en Belgique.
  L'autorisation de séjour donnée pour une durée limitée sur la base de l'article 9ter devient illimitée à l'expiration de la période de cinq ans suivant la demande d'autorisation.
  L'admission au séjour en vertu de l'article 10 est reconnue pour une durée limitée pendant la periode de trois ans suivant la délivrance du titre de séjour ou, dans les cas visés à l'article 12bis, §§ 3 ou 4, suivant la délivrance du document attestant que la demande a été introduite, à l'expiration de laquelle elle devient illimitée.
  Par dérogation à l'alinéa 3, les membres de la famille d'un étranger autorisé au séjour pour une durée limitée, auxquels l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 1°, est applicable, se voient appliquer la disposition prévue à l'alinéa 6.
  Le titre de séjour délivré à un étranger autorisé ou admis au séjour pour une durée limitée est valable jusqu'au terme de validité de l'autorisation ou de l'admission. Lorsqu'un titre de séjour a été delivré à un étranger admis au séjour pour une durée limitée conformément à l'alinéa 3 et que l'admission au séjour devient illimitée pendant la durée de validite de ce titre de séjour, celui-ci reste valable jusqu'a son terme de validité. Le Roi fixe la durée de validité du titre de séjour délivré à l'étranger autorisé ou admis au séjour pour une durée illimitée.
  Les membres de la famille visés à l'article 10bis, §§ 1er et 2, obtiennent un titre de séjour dont le terme de validité est identique à celui du titre de séjour de l'étranger rejoint.
  § 2. Le titre de séjour est prorogé ou renouvelé, à la demande de l'intéressé, par l'administration communale du lieu de sa résidence, à la condition que cette demande ait été introduite avant l'expiration du titre et que le ministre ou son délégué ait prorogé l'autorisation pour une nouvelle période ou n'ait pas mis fin à l'admission au séjour.
  Le Roi détermine les délais et les conditions dans lesquels le renouvellement ou la prorogation des titres de séjour doit être demandé.
  § 3. Le ministre ou son délégué peut donner l'ordre de quitter le territoire à l'étranger autorisé à séjourner dans le Royaume pour une durée limitée, fixée par la loi ou en raison de circonstances particulières propres à l'intéressé ou en rapport avec la nature ou la durée de ses activités en Belgique, dans un des cas suivants :
  1° lorsqu'il prolonge son séjour dans le Royaume au-delà de cette durée limitée;
  2° lorsqu'il ne remplit plus les conditions mises à son séjour;
  3° lorsqu'il a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou à d'autres moyens illégaux, afin d'être autorisé au séjour.
  § 4. Le ministre ou son délégué peut prendre la même mesure à l'égard des membres de la famille visés à l'article 10bis, § 2, dans un des cas suivants :
  1° il est mis fin au séjour de l'étranger rejoint sur la base du § 3;
  2° cet étranger ne remplit plus les conditions mises à son séjour;
  3° cet étranger et l'étranger rejoint n'entretiennent pas ou plus une vie conjugale ou familiale effective;
  4° l'étranger autorisé au séjour dans le Royaume en tant que partenaire enregistré au sens de l'article 10, § 1er, 4° ou 5°, ou l'étranger qu'il a rejoint, s'est marié ou a une relation durable avec une autre personne;
  5° cet étranger a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou a d'autres moyens illégaux, afin d'être autorisé au séjour, ou il est établi que le mariage, le partenariat ou l'adoption ont été conclu uniquement pour lui permettre d'entrer ou de séjourner dans le Royaume.
  Sans préjudice de l'application de l'article 61, § 3, le ministre ou son délégué peut prendre la même mesure à l'égard des membres de la famille visés à l'article 10bis, § 1er.
  § 5. Au cours des dix années suivant la demande d'autorisation de séjour, le ministre ou son délégué peut mettre fin au séjour de l'étranger autorisé au séjour de plus de trois mois sur la base de l'article 9ter et lui donner l'ordre de quitter le territoire lorsqu'il a obtenu cette autorisation sur la base de faits présentés de manière altérée ou qu'il a dissimulés, de fausses déclarations ou de documents faux ou falsifiés, qui ont été déterminants dans l'octroi de l'autorisation.
  § 6. L'ordre de quitter le territoire indique qu'il a été fait application des dispositions du présent article.
  Le ministre ou son délégué peut procéder ou faire procéder à des contrôles en vue de la prorogation ou du renouvellement du titre de séjour, afin de vérifier si l'étranger remplit les conditions de l'article 10. Il peut à tout moment procéder ou faire procéder à des contrôles spécifiques lorsqu'il existe des présomptions fondées de fraude ou que le mariage, le partenariat ou l'adoption a été conclu pour permettre à la personne concernée d'entrer ou de séjourner dans le Royaume. "
Art. 13. Artikel 14, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 6 augustus 1993 en 15 juli 1996, wordt vervangen als volgt :
  " Deze machtiging mag slechts gegeven worden aan de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk, voorzover deze toelating of machtiging geen tijdslimiet voorziet, ingevolge deze wet of ingevolge de bijzondere omstandigheden eigen aan de betrokkene of ingevolge de aard of de duur van zijn activiteiten in België. "
Art. 13. L'article 14, alinéa 2, de la même loi, modifié par les lois des 6 août 1993 et 15 juillet 1996, est remplacé par la disposition suivante :
  " Cette autorisation ne peut être accordée qu'à l'étranger qui est admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume pour plus de trois mois, pour autant que cette admission ou autorisation ne soit pas donnée pour une durée limitée, fixee par la présente loi ou en raison de circonstances particulières propres à l'intéressé ou en rapport avec la nature et la durée des activités en Belgique. "
Art. 14. Artikel 15 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 28 juni 1984, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 15. Onverminderd meer voordelige bepalingen vervat in een internationaal verdrag en behoudens wanneer de vreemdeling die erom verzoekt zich in één der in artikel 3, eerste lid, 5° tot 8° voorziene gevallen bevindt, moet de machtiging tot vestiging verleend worden aan :
  1° de in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 7°, bedoelde familieleden van een vreemdeling die gemachtigd is om zich in het Rijk te vestigen of diens familieleden op wie artikel 10, § 1, eerste lid, 1°, van toepassing is, voorzover deze, wat de echtgenoot of de partner betreft, samenleeft met die vreemdeling;
  2° de vreemdeling die bewijst dat hij gedurende vijf jaar regelmatig en ononderbroken in het Rijk heeft verbleven.
  De minister of diens gemachtigde kan controles verrichten of laten verrichten om na te gaan of de vreemdeling voldoet aan de gestelde voorwaarden. Hij kan op elk moment specifieke controles verrichten of laten verrichten in geval van gegronde vermoedens dat er gefraudeerd werd of dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie tot stand is gekomen om voor de betrokken persoon toegang tot of verblijf in het Rijk te bekomen. "
Art. 14. L'article 15 de la même loi, remplacé par la loi du 28 juin 1984, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 15. Sans préjudice de dispositions plus favorables contenues dans un traité international et sauf si l'étranger qui le demande se trouve dans un des cas prévus à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 8°, l'autorisation d'établissement doit être accordée :
  1° aux membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4 à 7°, ou auxquels l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 1°, est applicable, d'un étranger autorisé à s'établir dans le Royaume, pour autant, en ce qui concerne le conjoint ou le partenaire, qu'ils vivent avec ce dernier;
  2° à l'étranger qui justifie du séjour régulier et ininterrompu de cinq ans dans le Royaume.
  Le ministre ou son délégué peut procéder ou faire procéder à des controles, afin de vérifier si l'étranger remplit les conditions fixées. Il peut à tout moment procéder ou faire procéder à des contrôles spécifiques lorsqu'il existe des présomptions fondées de fraude ou que le mariage, le partenariat ou l'adoption a été conclu pour permettre à la personne concernée d'entrer ou de séjourner dans le Royaume. "
Art. 15. Artikel 16 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 15 juli 1996, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 16. De aanvraag om een machtiging tot vestiging wordt gericht aan het gemeentebestuur van de verblijfplaats, dat daarvan een ontvangstbewijs aflevert en de aanvraag doorstuurt naar de minister of zijn gemachtigde, voorzover de vreemdeling voldoet aan de in artikel 14 bedoelde voorwaarde. "
Art. 15. L'article 16 de la même loi, modifié par la loi du 15 juillet 1996, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 16. La demande d'autorisation d'établissement est adressée à l'administration communale du lieu de résidence, qui en délivre un accusé de réception et la transmet au ministre ou à son délégué, pour autant que l'étranger réponde à la condition visée a l'article 14. "
Art. 16. In artikel 18 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 15 juli 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de huidige bepaling wordt § 1;
  2° er wordt een § 2 ingevoegd, luidende :
  " § 2. De minister of zijn gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die op basis van artikel 14 gemachtigd werd om zich te vestigen in het Rijk, niet meer het recht heeft om in het Rijk te verblijven indien die vreemdeling valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt, of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt om te worden toegelaten of gemachtigd tot een verblijf. "
Art. 16. A l'article 18 de la même loi, modifié par la loi du 15 juillet 1996, sont apportées les modifications suivantes :
  1° la disposition actuelle devient le § 1er;
  2° il est inséré un § 2, rédigé comme suit :
  " § 2. Le ministre ou son délégué peut décider que l'étranger qui a été autorise a s'établir dans le Royaume sur la base de l'article 14 n'a plus le droit de séjourner dans le Royaume lorsque cet étranger a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou à d'autres moyens illégaux, afin d'être admis ou autorisé au séjour. "
Art. 17. Artikel 20, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 15 juli 1996 en 26 mei 2005, wordt aangevuld als volgt :
  " De Koning bepaalt de overige gevallen waarin de terugwijzing slechts bevolen mag worden na advies van de Commissie van Advies voor Vreemdelingen bij een in de Ministerraad overlegd besluit. "
Art. 17. L'article 20, alinéa 1er, de la même loi, modifié par les lois des 15 juillet 1996 et 26 mai 2005, est complété comme suit :
  " Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des Ministres les autres cas dans lesquels le renvoi ne pourra être ordonné qu'après l'avis de la Commission consultative des étrangers. "
Art. 18. In artikel 29, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1993 en 1 september 2004, vervallen de woorden ", termijn die eventueel vermeerderd wordt met de duur van het onderzoek van het verzoek tot herziening,".
Art. 18. A l'article 29, alinéa 1er, de la même loi, modifié par les lois des 6 mai 1993 et 1er septembre 2004, les mots ", délai augmenté éventuellement de la durée de l'examen de la demande en révision," sont supprimés.
Art. 19. In artikel 30bis, § 2, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004, worden in de punten 1° en 2° de woorden "artikel 10, eerste lid, 1° en 4°" vervangen door de woorden "artikel 10, § 1, eerste lid, 1° en 4° tot en met 7°".
Art. 19. A l'article 30bis, § 2, alinéa 1er, de la même loi, inséré par la loi du 27 décembre 2004, dans les points 1° et 2°, les mots "l'article 10, alinéa 1er, 1° et 4°" sont remplacés par les mots "l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 1° et 4° à 7°".
Art. 20. Artikel 44 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 15 juli 1996, wordt opgeheven.
Art. 20. L'article 44 de la même loi, modifié par la loi du 15 juillet 1996, est abrogé.
Art. 21. Artikel 44bis, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 juli 1996, wordt opgeheven.
Art. 21. L'article 44bis, alinéa 2, de la même loi, inséré par la loi du 15 juillet 1996, est abrogé.
Art. 22. In titel II van dezelfde wet wordt het opschrift van hoofdstuk II vervangen als volgt :
  "Hoofdstuk II. - Vluchtelingen en personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen".
Art. 22. Au titre II de la même loi, l'intitulé du chapitre II est remplacé par l'intitulé suivant :
  "Chapitre II. - Réfugiés et personnes pouvant bénéficier de la protection subsidiaire".
Art. 23. Het opschrift van afdeling 1, hoofdstuk II, Titel II, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 14 juli 1987, wordt vervangen als volgt :
  "Afdeling 1. - De vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus".
Art. 23. L'intitulé de la section première du chapitre II du Titre II de la même loi, inséré par la loi du 14 juillet 1987, est remplacé par l'intitulé suivant :
  "Section 1re. - Le statut de réfugié et le statut de protection subsidiaire".
Art. 24. In dezelfde wet wordt een artikel 48/2 ingevoegd, luidende :
  " Art. 48/2. Kan als vluchteling of als persoon die in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming worden erkend, de vreemdeling die voldoet aan de in artikel 48/3 of artikel 48/4 bedoelde voorwaarden. "
Art. 24. Un article 48/2, rédige comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 48/2. Peut être reconnu comme réfugié ou comme personne pouvant bénéficier de la protection subsidiaire, l'étranger qui satisfait aux conditions prévues par l'article 48/3 ou par l'article 48/4. "
Art. 25. In dezelfde wet wordt een artikel 48/3 ingevoegd, luidende :
  " Art. 48/3. § 1. De vluchtelingenstatus wordt toegekend aan de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 1 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen dat op 28 juli 1951 te Genève tot stand is gekomen, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967.
  § 2. Daden van vervolging in de zin van artikel 1 A van het Verdrag van Genève moeten :
  a) ofwel zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een schending vormen van de grondrechten van de mens, met name de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15.2, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;
  b) ofwel een samenstel zijn van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen als omschreven in punt a).
  De hierboven genoemde daden van vervolging kunnen onder meer de vorm aannemen van :
  a) daden van lichamelijk of geestelijk geweld, inclusief seksueel geweld;
  b) wettelijke, administratieve, politiële en/of gerechtelijke maatregelen die op zichzelf discriminerend zijn of op discriminerende wijze worden uitgevoerd;
  c) onevenredige of discriminerende vervolging of bestraffing;
  d) ontneming van de toegang tot rechtsmiddelen, waardoor een onevenredig zware of discriminerende straf wordt opgelegd;
  e) vervolging of bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen, in het bijzonder tijdens een conflict wanneer het vervullen van militaire dienst strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder de uitsluitingsgronden van artikel 55/2, § 1, vallen;
  f) daden van genderspecifieke of kindspecifieke aard.
  § 3. Er moet een verband zijn tussen de daden van vervolging en de gronden van vervolging.
  § 4. Bij de beoordeling van de gronden van vervolging moet rekening worden gehouden met volgende elementen :
  a) het begrip "ras" omvat onder meer de aspecten huidskleur, afkomst of het behoren tot een bepaalde etnische groep;
  b) het begrip "godsdienst" omvat onder meer theïstische, niet-theïstische en atheïstische geloofsovertuigingen, het deelnemen aan of het zich onthouden van formele erediensten in de particuliere of openbare sfeer, hetzij alleen of in gemeenschap met anderen, andere religieuze activiteiten of uitingen, dan wel vormen van persoonlijk of gemeenschappelijk gedrag die op een godsdienstige overtuiging zijn gebaseerd of daardoor worden bepaald;
  c) het begrip "nationaliteit" is niet beperkt tot staatsburgerschap of het ontbreken daarvan, maar omvat onder meer ook het behoren tot een groep die wordt bepaald door zijn culturele, etnische of linguïstische identiteit, door een gemeenschappelijke geografische of politieke oorsprong of door verwantschap met de bevolking van een andere staat;
  d) een groep moet worden geacht een specifieke sociale groep te vormen als onder meer :
  - leden van de groep een aangeboren kenmerk vertonen of een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden, of een kenmerk of geloof delen dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven, en
  - de groep in het betrokken land een eigen identiteit heeft omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd;
  e) het begrip "politieke overtuiging" houdt onder meer in dat de betrokkene een opvatting gedachte of mening heeft betreffende een aangelegenheid die verband houdt met de in artikel 48/5 genoemde actoren van vervolging en hun beleid of methoden, ongeacht of de verzoeker zich in zijn handelen door deze opvatting, gedachte of mening heeft laten leiden.
  § 5. Bij het beoordelen of de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is, doet het niet ter zake of de verzoeker in werkelijkheid de raciale, godsdienstige, nationale, sociale of politieke kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven. "
Art. 25. Un article 48/3, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 48/3. § 1er. Le statut de réfugié est accordé à l'étranger qui satisfait aux conditions prévues par l'article 1er de la Convention de Genève du 28 juillet 1951 relative au statut des réfugiés, modifiée par le protocole de New York du 31 janvier 1967.
  § 2. Les actes considérés comme une persécution au sens de l'article 1 A de la Convention de Genève doivent :
  a) être suffisamment graves du fait de leur nature ou de leur caractère répété pour constituer une violation des droits fondamentaux de l'homme, en particulier des droits auxquels aucune dérogation n'est possible en vertu de l'article 15.2 de la Convention Européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales; ou
  b) être une accumulation de diverses mesures, y compris des violations des droits de l'homme, qui soit suffisamment grave pour affecter un individu d'une manière comparable à ce qui est indique au point a).
  Les actes de persécution précités peuvent entre autres prendre les formes suivantes :
  a) violences physiques ou mentales, y compris les violences sexuelles;
  b) mesures légales, administratives, de police et/ou judiciaires qui sont discriminatoires en soi ou mises en oeuvre d'une manière discriminatoire;
  c) poursuites ou sanctions disproportionnées ou discriminatoires;
  d) refus d'un recours juridictionnel se traduisant par une sanction disproportionnée ou discriminatoire;
  e) poursuites ou sanctions pour refus d'effectuer le service militaire, en particulier en cas de conflit lorsque le service militaire supposerait de commettre des crimes ou d'accomplir des actes relevant des clauses d'exclusion visées à l'article 55/2, § 1er;
  f) actes dirigés contre des personnes en raison de leur sexe ou contre des enfants.
  § 3. Il doit y avoir un lien entre les actes de persécution et les motifs de persécution.
  § 4. Dans le cadre de l'appreciation des motifs de persécution, les éléments suivants doivent être pris en considération :
  a) la notion de "race" recouvre, entre autres, des considérations de couleur, d'origine ou d'appartenance à un groupe ethnique déterminé;
  b) la notion de "religion" recouvre, entre autres, le fait d'avoir des convictions theistes, non théistes ou athées, la participation à des cérémonies de culte privées ou publiques, seul ou en communauté, ou le fait de ne pas y participer, les autres actes religieux ou expressions d'opinions religieuses ainsi que les formes de comportement personnel ou communautaire fondées sur des croyances religieuses ou imposées par celles-ci;
  c) la notion de "nationalité" ne se limite pas à la citoyenneté ou à l'inexistence de celle-ci, mais recouvre, entre autres, l'appartenance à un groupe soudé par son identité culturelle, ethnique ou linguistique, par ses origines géographiques ou politiques communes, ou par sa relation avec la population d'un autre Etat;
  d) un groupe doit être considéré comme un certain groupe social lorsque, entre autres :
  - ses membres partagent une caractéristique innee ou des racines communes qui ne peuvent être modifiées, ou encore une caractéristique ou croyance à ce point essentielle pour l'identité ou la conscience qu'il ne devrait pas être exigé d'une personne qu'elle y renonce, et
  - ce groupe a une identité propre dans le pays en question parce qu'il est perçu comme étant different par la société environnante;
  e) la notion "d'opinions politiques" recouvre, entre autres, les opinions, les idées ou les croyances dans un domaine lié aux acteurs de persécution visés à l'article 48/5 et a leurs politiques ou méthodes, que ces opinions, idées ou croyances se soient ou non traduites par des actes de la part du demandeur.
  § 5. Dans le cadre de l'évaluation du caractère fondé de la crainte de persécution du demandeur, il est indifférent qu'il possède effectivement la caractéristique liée à la race, à la religion, à la nationalité, à l'appartenance à un groupe social déterminé ou aux opinions politiques à l'origine de la persécution, pour autant que ces caractéristiques lui soient attribuées par l'acteur de persécution. "
Art. 26. In dezelfde wet wordt een artikel 48/4 ingevoegd, luidende :
  " Art. 48/4. § 1. De subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend aan de vreemdeling, die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt en die geen beroep kan doen op artikel 9ter, en ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade zoals bepaald in paragraaf 2 en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen en niet onder de uitsluitingsgronden zoals bepaald in artikel 55/4, valt.
  § 2. Ernstige schade bestaat uit :
  a) doodstraf of executie; of,
  b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of,
  c) ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. "
Art. 26. Un article 48/4, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 48/4. § 1er. Le statut de protection subsidiaire est accordé à l'étranger qui ne peut être considéré comme un réfugié et qui ne peut pas bénéficier de l'article 9ter, et à l'égard duquel il y a de sérieux motifs de croire que, s'il était renvoyé dans son pays d'origine ou, dans le cas d'un apatride, dans le pays dans lequel il avait sa résidence habituelle, il encourrait un risque réel de subir les atteintes graves visées au paragraphe 2, et qui ne peut pas ou, compte tenu de ce risque, n'est pas disposé à se prévaloir de la protection de ce pays et ce, pour autant qu'il ne soit pas concerné par les clauses d'exclusion visées à l'article 55/4.
  § 2. Sont considérées comme atteintes graves :
  a) la peine de mort ou l'exécution; ou
  b) la torture ou les traitements ou sanctions inhumains ou dégradants du demandeur dans son pays d'origine; ou
  c) les menaces graves contre la vie ou la personne d'un civil en raison d'une violence aveugle en cas de conflit armé interne ou international. "
Art. 27. In dezelfde wet wordt een artikel 48/5 ingevoegd, luidende :
  " Art. 48/5. § 1. Vervolging in de zin van artikel 48/3 of ernstige schade in de zin van artikel 48/4 kan uitgaan van of veroorzaakt worden door :
  a) de Staat;
  b) partijen of organisaties die de Staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen;
  c) niet-overheidsactoren, indien kan worden aangetoond dat de actoren als bedoeld in a) en b), inclusief internationale organisaties, geen bescherming als bedoeld in § 2 kunnen of willen bieden tegen vervolging of ernstige schade.
  § 2. Bescherming kan worden geboden door :
  a) de Staat, of
  b) partijen of organisaties, inclusief internationale organisaties, die de Staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen.
  Bescherming, in de zin van de artikelen 48/3 en 48/4 wordt in het algemeen geboden wanneer de bedoelde actoren omschreven in het eerste lid redelijke maatregelen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade treffen, onder andere door de instelling van een doeltreffend juridisch systeem voor opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing van handelingen die vervolging of ernstige schade vormen, en wanneer de verzoeker toegang tot een dergelijke bescherming heeft.
  Bij het beoordelen of een internationale organisatie een Staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheerst en bescherming verleent, in de zin van de artikelen 48/3 en 48/4, wordt onder meer rekening gehouden met de richtsnoeren die worden gegeven in toepasselijke Europese regelgeving.
  § 3. Er is geen behoefte aan bescherming indien er in een deel van het land van herkomst geen gegronde vrees bestaat voor vervolging of geen reëel risico op ernstige schade, en indien van de verzoeker redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij in dat deel van het land blijft.
  Er wordt rekening gehouden met de algemene omstandigheden in het land en met de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen. "
Art. 27. Un article 48/5, rédigé comme suit, est inseré dans la même loi :
  " Art. 48/5. § 1er. Une persécution au sens de l'article 48/3 ou une atteinte grave au sens de l'article 48/4 peut émaner ou être causée par :
  a) l'Etat;
  b) des partis ou organisations qui controlent l'Etat ou une partie importante de son territoire;
  c) des acteurs non étatiques, s'il peut être demontré que les acteurs visés aux points a) et b), y compris les organisations internationales, ne peuvent pas ou ne veulent pas accorder la protection prévue au § 2 contre les persécutions ou les atteintes graves.
  § 2. La protection peut être accordée par :
  a) l'Etat, ou
  b) des partis ou organisations, y compris des organisations internationales, qui contrôlent l'Etat ou une partie importante de son territoire.
  La protection, au sens des articles 48/3 et 48/4, est généralement accordée lorsque les acteurs visés à l'alinéa 1er prennent des mesures raisonnables pour empêcher les persécutions ou les atteintes graves, entre autres lorsqu'ils disposent d'un système judiciaire effectif permettant de déceler, de poursuivre et de sanctionner les actes constitutifs de persécution ou d'atteinte grave, et lorsque le demandeur a accès à cette protection.
  Pour déterminer si une organisation internationale contrôle un Etat ou une partie importante de son territoire et y fournit une protection, au sens des articles 48/3 et 48/4, il est tenu compte, entre autres, de la réglementation européenne prise en la matière.
  § 3. Il n'y a pas lieu d'accorder la protection internationale lorsque, dans une partie du pays d'origine, il n'y a aucune raison de craindre d'être persécuté ni aucun risque réel de subir des atteintes graves et qu'on peut raisonnablement attendre du demandeur qu'il reste dans cette partie du pays.
  Dans ce cas, l'autorité compétente doit tenir compte, au moment où elle statue sur la demande, des conditions générales prévalant dans le pays et de la situation personnelle du demandeur. "
Art. 28. Artikel 49 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 14 juli 1987 en gewijzigd bij de wet van 15 juli 1996, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 49. § 1. Als vluchteling in de zin van deze wet wordt beschouwd en tot een verblijf in het Rijk toegelaten :
  1° de vreemdeling die krachtens de internationale akkoorden van vóór het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchteling, en van de Bijlagen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, in België de hoedanigheid van vluchteling bezat vóór de inwerkingtreding van de wet van 26 juni 1953 houdende goedkeuring van genoemd verdrag;
  2° de vreemdeling die als vluchteling is erkend door de Minister van Buitenlandse Zaken of door de internationale overheid waaraan de minister zijn bevoegdheid heeft overgedragen;
  3° de vreemdeling die als vluchteling wordt erkend door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen;
  4° de vreemdeling die als vluchteling is erkend door de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen;
  5° de vreemdeling die als vluchteling wordt erkend door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
  6° de vreemdeling die, nadat hij als vluchteling werd erkend terwijl hij zich op het grondgebied bevond van een andere Staat, verdragsluitende partij bij het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, door de minister of diens gemachtigde tot verblijf of vestiging in het Rijk is toegelaten, op voorwaarde dat zijn hoedanigheid van vluchteling bevestigd wordt door de overheid bedoeld in 2° of 3°.
  § 2. Tijdens de eerste tien jaar verblijf, te rekenen vanaf de datum van de indiening van de asielaanvraag, kan de minister of zijn gemachtigde ten allen tijde aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen vragen de vluchtelingenstatus die aan een vreemdeling werd erkend, in te trekken overeenkomstig artikel 57/6, eerste lid, 7°.
  De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen neemt in dat geval binnen een termijn van zestig werkdagen een met redenen omklede beslissing.
  § 3. Tijdens de eerste tien jaar verblijf, te rekenen vanaf de datum van de indiening van de asielaanvraag, kan de minister of zijn gemachtigde een vreemdeling, wiens hoedanigheid van vluchteling door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen werd ingetrokken overeenkomstig artikel 57/6, 7°, het bevel geven om het grondgebied te verlaten. "
Art. 28. L'article 49 de la loi, remplacé par la loi du 14 juillet 1987 et modifié par la loi du 15 juillet 1996, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art 49. § 1er. Sont considérés comme réfugiés au sens de la présente loi et admis au séjour dans le Royaume :
  1° l'étranger qui, en vertu des accords internationaux antérieurs à la Convention internationale relative au statut des réfugiés, et des Annexes, signées à Genève, le 28 juillet 1951, possédait en Belgique la qualité de réfugié avant l'entrée en vigueur de la loi du 26 juin 1953 portant approbation de ladite convention;
  2° l'étranger auquel la qualité de réfugié a été reconnue par le ministre des Affaires étrangères ou par l'autorité internationale a laquelle le ministre a délégué sa compétence;
  3° l'étranger auquel la qualité de réfugié est reconnue par le Commissaire genéral aux réfugiés et aux Apatrides;
  4° l'étranger auquel la qualité de réfugié a été reconnue par la Commission permanente de recours des étrangers;
  5° l'étranger auquel la qualité de réfugié est reconnue par le Conseil du Contentieux des étrangers.
  6° l'étranger qui, après avoir été reconnu comme réfugié alors qu'il se trouvait sur le territoire d'un autre Etat partie contractante à la Convention internationale relative au statut des réfugiés, a été autorisé par le ministre ou son délégué, à séjourner ou à s'établir dans le Royaume, à condition que sa qualité de réfugié soit confirmée par l'autorité visée au 2° ou 3°.
  § 2. Le ministre ou son délégué peut, au cours des dix premières années de séjour à compter à partir de la date de l'introduction de la demande d'asile, à tout moment demander au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides de retirer le statut de réfugié reconnu à un étranger, conformément à l'article 57/6, alinéa 1er, 7°.
  Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides rend dans ce cas une décision motivée dans un délai de soixante jours ouvrables.
  § 3. Au cours des dix premières années de séjour, à compter à partir de la date de l'introduction de la demande d'asile, le ministre ou son délégué peut donner l'ordre de quitter le territoire à l'étranger dont la qualité de réfugié a été retiree par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides en application de l'article 57/6, 7°. "
Art. 29. In dezelfde wet wordt een artikel 49/2 ingevoegd, luidende :
  " Art. 49/2. § 1. Als genieter van de subsidiaire beschermingsstatus wordt beschouwd en tot een verblijf van beperkte duur in het rijk toegelaten : de vreemdeling aan wie de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de status bepaald in artikel 48/4 toekent.
  § 2. De verblijfstitel die de toelating tot een verblijf van beperkte duur vaststelt, is geldig gedurende één jaar en hernieuwbaar.
  § 3. Na vijf jaar, te rekenen vanaf de indiening van de asielaanvraag wordt de vreemdeling aan wie de subsidiaire beschermingstatus is toegekend tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk toegelaten.
  § 4. De minister of zijn gemachtigde kan, gedurende het verblijf van beperkte duur van de vreemdeling, te allen tijde aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen vragen de subsidiaire beschermingsstatus die aan een vreemdeling werd toegekend, op te heffen of in te trekken overeenkomstig artikel 57/6, 4° of 6°. Tijdens de eerste tien jaar verblijf, te rekenen vanaf de datum van de indiening van de asielaanvraag, kan de minister of zijn gemachtigde tevens aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen vragen de subsidiaire beschermingstatus in te trekken overeenkomstig artikel 57/6, eerste lid, 7°.
  De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen neemt in dat geval binnen een termijn van zestig werkdagen een met redenen omklede beslissing.
  De toekenning van het onbeperkte verblijfsrecht zoals voorzien in § 3, wordt in voorkomend geval gedurende een jaar geschorst in afwachting van een definitieve beslissing.
  § 5. Tijdens het verblijf van beperkte duur, kan de minister of zijn gemachtigde, indien de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een beslissing tot opheffing of intrekking van de subsidiaire beschermingstatus overeenkomstig artikel 57/6, 4° of 6° heeft genomen, de vreemdeling het bevel geven om het grondgebied te verlaten. Wanneer de subsidiaire beschermingstatus wordt ingetrokken overeenkomstig artikel 57/6, 6°, verstrekt de Commissaris-generaal in zijn beslissing een advies over de vraag of een verwijderingmaatregel naar het land van herkomst van de betrokkene in overeenstemming is met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
  Tijdens de eerste tien jaar verblijf, te rekenen vanaf de datum van de indiening van de asielaanvraag, kan de minister of zijn gemachtigde een vreemdeling, wiens subsidiaire beschermingstatus door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen werd ingetrokken overeenkomstig artikel 57/6, 7°, het bevel geven om het grondgebied te verlaten.
  § 6. Indien ten aanzien van een vreemdeling die de subsidiaire beschermingstatus geniet, ernstige redenen bestaan hem te beschouwen als een gevaar voor de openbare of de nationale veiligheid, kan de minister, naar gelang van het geval, besluiten dat hij er niet of niet meer mag verblijven of er zich niet mag vestigen in die hoedanigheid. De minister neemt dit besluit overeenkomstig de bepalingen van artikelen 20 en 21. "
Art. 29. Un article 49/2, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 49/2. § 1er. Est considéré comme bénéficiant de la protection subsidiaire et admis au séjour pour une durée limitée dans le Royaume : l'étranger auquel le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou le Conseil du contentieux des étrangers accorde le statut prévu à l'article 48/4.
  § 2. Le titre de séjour qui constate l'admission au séjour pour une durée limitée est valable pour une durée d'un an, prorogeable et renouvelable.
  § 3. A l'expiration d'une période de cinq ans à compter à partir de la date de l'introduction de la demande d'asile l'étranger auquel ce statut a été reconnu est admis au séjour pour une durée illimitée.
  § 4. Le ministre ou son délégué peut, au cours du séjour limité de l'étranger, à tout moment demander au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides d'abroger ou de retirer le statut de protection subsidiaire accorde à l'étranger, conformément à l'article 57/6, 4° ou 6°. Il peut également, pendant les dix premières années de séjour de l'étranger à compter de la date de la demande d'asile, demander au Commissaire général de lui retirer le statut de protection subsidiaire, conformément à l'article 57/6, 7°.
  Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides rend dans ce cas une décision motivée dans un délai de soixante jours ouvrables.
  Dans l'attente d'une décision définitive, l'octroi d'un droit de séjour d'une durée illimitée prévu au § 3 est, le cas échéant, suspendu, pendant un an au maximum.
  § 5. Pendant le séjour limité, le ministre ou son délégué peut, lorsque le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides a pris une décision d'abrogation ou de retrait du statut de protection subsidiaire conformément à l'article 57/6, 4° ou 6°, donner l'ordre de quitter le territoire à l'étranger. Lorsque le statut de protection subsidiaire est retiré conformément à l'article 57/6, 6°, le Commissaire général donne, dans le cadre de sa décision, un avis quant à la conformité d'une mesure d'éloignement de l'intéressé vers son pays d'origine à l'article 3 de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales.
  Au cours des dix premières années du séjour de l'étranger, à compter de la date de l'introduction de la demande d'asile, le ministre ou son délégué peut donner l'ordre de quitter le territoire à l'étranger auquel le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides a retiré le statut de protection subsidiaire conformément à l'article 57/6, 7°.
  § 6. S'il existe à l'égard d'un étranger qui bénéficie du statut de protection subsidiaire, de sérieuses raisons permettant de le considérer comme un danger pour l'ordre public ou la sécurité nationale, le ministre peut, selon le cas, décider qu'il ne peut pas ou ne peut plus séjourner sur le territoire, ni s'y établir en cette qualité. Le ministre prend cette décision conformément aux dispositions des articles 20 et 21. "
Art. 30. In dezelfde wet wordt een artikel 49/3 ingevoegd, luidende :
  " Art. 49/3. Een aanvraag om erkenning van de vluchtelingenstatus of de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus, neemt de vorm aan van een asielaanvraag.
  Deze asielaanvraag wordt ambtshalve bij voorrang onderzocht in het kader van het Verdrag van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3, en vervolgens in het kader van artikel 48/4. "
Art. 30. Un article 49/3, rédigé comme suit, est inseré dans la même loi :
  " Art. 49/3. Une demande de reconnaissance du statut de réfugié ou d'octroi du statut de protection subsidiaire se fait sous la forme d'une demande d'asile.
  Cette demande d'asile est d'office examinée en priorité dans le cadre de la Convention de Genève, tel que déterminé à l'article 48/3, et ensuite dans le cadre de l'article 48/4. "
Art. 31. In artikel 49bis, ingevoegd bij de wet van 15 juli 1996, dat artikel 49/4 wordt, worden de woorden "internationale overeenkomsten" vervangen door de woorden "Europese regelgeving" en wordt het woord "binden" vervangen door het woord "bindt".
Art. 31. A l'article 49bis de la même loi, inseré par la loi du 15 juillet 1996, qui devient l'article 49/4, les mots "des conventions internationales" sont remplacés par les mots "de la réglementation européenne" et le mot "relatives" est remplacé par le mot "relative".
Art. 32. In artikel 50 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 14 juli 1987 en gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1993 en 15 juli 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " De vreemdeling die het Rijk binnenkomt of binnengekomen is zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden en die de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus wenst te verkrijgen, moet op het ogenblik dat hij binnenkomt of, althans binnen acht werkdagen nadat hij is binnengekomen, een asielaanvraag indienen. De Koning wijst de overheden aan waarbij de vreemdeling een asielaanvraag kan indienen. ";
  2° in het tweede lid wordt het woord "de verklaring" vervangen door het woord "aanvraag".
Art. 32. A l'article 50 de la même loi, remplacé par la loi du 14 juillet 1987 et modifié par les lois du 6 mai 1993 et du 15 juillet 1996, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " L'étranger qui entre ou est entré dans le Royaume sans satisfaire aux conditions fixées à l'article 2 et qui désire obtenir le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire doit, lors de son entrée ou du moins dans les huit jours ouvrables qui suivent celle-ci, introduire une demande d'asile. Le Roi désigne les autorités auprès desquelles l'étranger peut introduire une demande d'asile. ";
  2° à l'alinéa 2, le mot "déclaration" est remplacé par le mot "demande".
Art. 33. In artikel 50bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "een verklaring afleggen of een aanvraag om erkenning van zijn hoedanigheid van vluchteling richten tot" vervangen door de woorden "een asielaanvraag indienen bij";
  2° in het tweede lid, worden de woorden "moet zijn verklaring afleggen of zijn aanvraag om erkenning van de hoedanigheid van vluchteling richten tot" vervangen door de woorden "of de subsidiaire beschermingsstatus wenst te verkrijgen, moet zijn asielaanvraag indienen bij";
  3° in het derde lid worden de woorden "De overheid waarvoor de in het eerste of tweede lid bedoelde vreemdeling zijn verklaring aflegt" vervangen door de woorden "De overheid waarbij de in het eerste of tweede lid bedoelde vreemdeling zijn asielaanvraag indient".
Art. 33. A l'article 50bis de la même loi, inséré par la loi du 18 février 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1er, les mots "faire une déclaration ou adresser une demande de reconnaissance de sa qualite de réfugié à" sont remplacés par les mots "introduire une demande d'asile auprès de";
  2° à l'alinéa 2, les mots "doit faire sa déclaration ou adresser sa demande de reconnaissance de la qualité de réfugié, a" sont remplaces par les mots "ou le statut de protection subsidiaire, doit introduire une demande d'asile auprès de";
  3° à l'alinéa 3, les mots "L'autorité à laquelle l'étranger visé à l'alinéa 1er ou 2, fait sa déclaration" sont remplacés par les mots "L'autorité auprès de laquelle l'étranger visé à l'alinéa 1er ou 2, introduit sa demande d'asile".
Art. 34. In dezelfde wet wordt een artikel 50ter ingevoegd, luidende :
  " Art. 50ter. De vreemdeling die het Rijk tracht binnen te komen zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden, moet een asielaanvraag indienen bij de met de grenscontrole belaste overheden op het ogenblik dat deze nadere toelichting vragen over zijn motief om naar België te reizen. "
Art. 34. Un article 50ter, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 50ter. L'étranger qui tente d'entrer dans le Royaume sans satisfaire aux conditions fixées à l'article 2, doit introduire sa demande d'asile auprès des autorités chargées du contrôle aux frontières, au moment où celles-ci l'interrogent sur les raisons de sa venue en Belgique. "
Art. 35. In artikel 51 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 14 juli 1987 en gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1993 en 15 juli 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste en het tweede lid worden vervangen door de volgende bepalingen :
  " De vreemdeling die regelmatig het Rijk binnengekomen is in het kader van een verblijf van maximaal drie maanden zonder de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus te bezitten en die deze wenst te verkrijgen, moet binnen acht werkdagen nadat hij het Rijk is binnengekomen, zijn asielaanvraag indienen bij één der door de Koning ter uitvoering van artikel 50, eerste lid, aangewezen overheden.
  De vreemdeling die gemachtigd of toegelaten is tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk of om er zich te vestigen, die de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus wenst te verkrijgen, moet zijn asielaanvraag indienen bij een van de in het eerste lid bepaalde overheden, voordat er einde gesteld wordt aan deze machtiging of toelating tot verblijf. ";
  2° in het derde lid worden de woorden "De overheid waarvoor de vreemdeling zijn verklaring aflegt" vervangen door de woorden "De overheid waarbij de vreemdeling zijn asielaanvraag indient".
Art. 35. A l'article 51 de la même loi, remplacé par la loi du 14 juillet 1987 et modifié par les lois du 6 mai 1993 et du 15 juillet 1996, sont apportées les modifications suivantes :
  1° les alinéas 1er et 2 sont remplacés par les dispositions suivantes :
  " L'étranger qui est entré régulièrement dans le Royaume dans le cadre d'un séjour de trois mois au maximum sans avoir le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire et qui désire l'obtenir, doit introduire sa demande d'asile auprès de l'une des autorités désignées par le Roi en exécution de l'article 50, alinéa 1er, dans les huit jours ouvrables suivant son entrée dans le Royaume.
  L'étranger admis ou autorisé à séjourner plus de trois mois dans le Royaume ou à s'y établir, qui désire obtenir le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire, doit introduire sa demande d'asile auprès de l'une des autorités prévues à l'alinéa 1er, avant qu'il soit mis fin à son autorisation ou à son droit de séjour. ";
  2° a l'alinéa 3, les mots "L'autorité à laquelle l'étranger fait sa déclaration" sont remplacés par les mots "L'autorité auprès de laquelle l'étranger introduit sa demande d'asile".
Art. 36. In artikel 51/2 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 juli 1991 en gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1993, 15 juli 1996 en 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "bij zijn verklaring als of bij zijn aanvraag tot erkenning van zijn status als vluchteling" vervangen door de woorden "bij zijn asielaanvraag";
  2° in het tweede lid worden de woorden "die zich in het Rijk vluchteling verklaart" vervangen door de woorden "die een asielaanvraag indient";
  3° in het derde lid worden de woorden "die zich vluchteling verklaart" vervangen door de woorden "die een asielaanvraag indient".
Art. 36. A l'article 51/2 de la même loi, inséré par la loi du 18 juillet 1991 et modifié par les lois du 6 mai 1993, du 15 juillet 1996 et du 22 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1er, les mots "Lors de sa déclaration ou de sa demande de reconnaissance de la qualité de réfugié" sont remplacés par les mots "Lors de sa demande d'asile";
  2° à l'alinéa 2, les mots "qui se déclare réfugié" sont remplaces par les mots "qui introduit une demande d'asile";
  3° à l'alinéa 3, les mots "qui se déclare réfugié" sont remplacés par les mots "qui introduit une demande d'asile".
Art. 37. In artikel 51/3 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 juli 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1, 1° tot 3°, wordt vervangen als volgt :
  " 1° de vreemdeling die aan de grens of in het Rijk een asielaanvraag indient;
  2° de vreemdeling die België verplicht is over te nemen of opnieuw over te nemen krachtens Europese regelgeving betreffende de vaststelling van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag, die België bindt;
  3° de vreemdeling voor wie er aanwijzingen bestaan dat hij reeds een asielaanvraag heeft ingediend;";
  2° in § 2, 2° worden de woorden "de internationale overeenkomsten die België binden" vervangen door de woorden "Europese regelgeving die België bindt";
  3° in § 3 worden de woorden "van een officier van gerechtelijke politie" vervangen door de woorden "van een officier van de bestuurlijke politie".
  4° § 5 wordt aangevuld met de volgende woorden : "of wanneer hem de subsidiaire beschermingsstatus werd toegekend overeenkomstig artikel 49/2. "
Art. 37. A l'article 51/3 de la même loi, inséré par la loi du 15 juillet 1996, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le § 1er, 1° à 3°, est remplace par les dispositions suivantes :
  " 1° l'étranger qui introduit une demande d'asile à la frontière ou à l'intérieur du Royaume;
  2° l'étranger dont la prise ou la reprise en charge incombe à l'Etat belge, en vertu de la reglementation européenne liant la Belgique relative à la détermination de l'Etat responsable de l'examen des demandes d'asile;
  3° l'étranger pour lequel existent des indices qu'il a déjà introduit une demande d'asile;";
  2° au § 2, 2°, les mots "des conventions internationales liant la Belgique" sont remplacés par les mots "de la réglementation européenne liant la Belgique";
  3° au § 3, les mots "d'un sous-officier de la gendarmerie" sont remplacés par les mots "d'un officier de la police administrative";
  4° le § 5 est complété par les mots "ou lorsque le statut de protection subsidiaire lui est accordé conformément à l'article 49/2. "
Art. 38. In artikel 51/4 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 10 juli 1996 en gewijzigd bij de wet van 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, eerste lid, worden de woorden "Het onderzoek van de in de artikelen 50 en 51 bedoelde verklaring of aanvraag" vervangen door de woorden "Het onderzoek van de in de artikelen 50, 50bis, 50ter en 51 bedoelde asielaanvraag";
  2° in § 2 worden de woorden "bedoeld in de artikelen 50, 50bis of 51" vervangen door de woorden "bedoeld in de artikelen 50, 50bis, 50ter of 51";
  3° § 3 wordt vervangen als volgt :
  " § 3. Bij de procedures voor de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en voor de Raad van State alsmede indien de vreemdeling tijdens de behandeling van de asielaanvraag of binnen een termijn van zes maanden na afloop van de asielprocedure verzoekt om het toekennen van een machtiging tot verblijf op grond van de artikelen 9bis of 9ter, wordt de taal gebruikt die overeenkomstig paragraaf 2 is gekozen of bepaald.
  Paragraaf 1, tweede lid, is van toepassing. "
Art. 38. A l'article 51/4 de la même loi, inséré par la loi du 10 juillet 1996 et modifié par la loi du 22 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, alinéa 1er, les mots "L'examen de la déclaration ou de la demande visées aux articles 50 et 51" sont remplacés par les mots "L'examen de la demande d'asile visée aux articles 50, 50bis, 50ter et 51";
  2° au § 2, les mots "visé à l'article 50, 50bis ou 51" sont remplacés par les mots "visé à l'article 50, 50bis, 50ter ou 51".
  3° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 3. Dans les procédures devant le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, le Conseil du Contentieux des Etrangers et le Conseil d'Etat, ainsi que si l'étranger demande, durant le traitement de sa demande d'asile ou dans un délai de six mois suivant la cloture de la procédure d'asile, l'octroi d'une autorisation de séjour sur la base de l'article 9bis ou 9ter, il est fait usage de la langue choisie ou déterminée conformément au paragraphe 2.
  Le paragraphe 1er, deuxième alinéa, est applicable. "
Art. 39. In artikel 51/5 van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 15 juli 1996 en gewijzigd bij de wetten van 18 februari 2003 en 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in het eerste lid worden de woorden "Zodra de vreemdeling zich aan de grens of in het Rijk, overeenkomstig artikel 50, 50bis of 51 vluchteling verklaart" vervangen door de woorden "Zodra de vreemdeling aan de grens of in het Rijk, overeenkomstig artikel 50, 50bis, 50ter of 51, een asielaanvraag indient" en worden de woorden "de internationale overeenkomsten die België binden" vervangen door de woorden "Europese regelgeving die België bindt";
  b) het tweede lid wordt vervangen door de volgende leden :
  " Te dien einde kan in een welbepaalde plaats worden vastgehouden voor de tijd die hiervoor strikt noodzakelijk is, zonder dat de duur van de vasthouding of de opsluiting een maand te boven mag gaan :
  1° de vreemdeling die beschikt over een verblijfsvergunning of een reisdocument houdende een visum of een visumverklaring, waarvan de geldigheidsduur verstreken is, uitgereikt door een Staat die gebonden is aan Europese regelgeving betreffende het vaststellen van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, of
  2° de vreemdeling die niet beschikt over de in artikel 2 bedoelde binnenkomstdocumenten en die volgens eigen verklaringen verbleven heeft in een dergelijke Staat, of;
  3° de vreemdeling die niet beschikt over de in artikel 2 bedoelde binnenkomstdocumenten en waarbij de afname van vingerafdrukken overeenkomstig artikel 51/3 erop wijzen dat hij in een dergelijke Staat verbleven heeft.
  Wanneer wordt aangetoond dat de behandeling van een verzoek tot overname of terugname van een asielzoeker buitengewoon complex is, kan de termijn van vasthouding of opsluiting door de minister of zijn gemachtigde verlengd worden met een periode van een maand. ";
  c) in het derde lid, dat het vierde lid wordt, worden de woorden "en het tweede" geschrapt en worden de woorden "de minister of zijn gemachtigde" vervangen door de woorden "de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen";
  d) een vijfde lid wordt toegevoegd, luidende :
  " Indien de vreemdeling binnen de vijftien dagen na verzending geen gevolg geeft aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen, wordt hij geacht afstand gedaan te hebben van zijn asielaanvraag. ";
  2° In § 2 wordt voor de bestaande zin, de volgende zin toegevoegd :
  " Zelfs wanneer krachtens de criteria van Europese regelgeving die België bindt, België niet verplicht is het verzoek in behandeling te nemen, kan de minister of zijn gemachtigde op elk ogenblik beslissen dat België verantwoordelijk is om het verzoek te behandelen. ";
  3° in § 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in het eerste lid worden de woorden "de internationale overeenkomsten die België binden" vervangen door de woorden "Europese regelgeving die België bindt";
  b) in het vierde lid worden de woorden "twee maanden" vervangen door de woorden "één maand";
  c) het vierde lid, wordt aangevuld als volgt :
  " Er wordt geen rekening gehouden met de duur van de in § 1, tweede lid, bedoelde vasthouding of opsluiting. "
Art. 39. A l'article 51/5 de la même loi, inséré par la loi du 15 juillet 1996 et modifié par les lois du 18 février 2003 et du 22 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, sont apportées les modifications suivantes :
  a) à l'alinéa 1er, les mots "Dès que l'étranger se declare réfugié à la frontière ou à l'intérieur du Royaume, conformément à l'article 50, 50bis ou 51" sont remplaces par les mots "Dès que l'étranger introduit une demande d'asile à la frontière ou à l'intérieur du Royaume, conformément à l'article 50, 50bis, 50ter ou 51" et les mots "des conventions internationales liant la Belgique" sont remplacés par les mots "de la réglementation européenne liant la Belgique";
  b) l'alinéa 2 est remplacé par les alinéas suivants :
  " A cette fin, peut être maintenu dans un lieu déterminé le temps strictement nécessaire, sans que la durée de ce maintien ou de cette détention puisse excéder un mois :
  1° l'étranger qui dispose d'un titre de séjour ou d'un document de voyage, revêtu d'un visa ou d'une attestation tenant lieu de visa, dont la durée de validité est expirée, délivre par un Etat tenu par la réglementation européenne relative à la détermination de l'Etat responsable du traitement de la demande d'asile, ou
  2° l'étranger qui ne dispose pas des documents d'entrée visés à l'article 2 et qui, d'après ses propres dires, a séjourné dans un tel Etat, ou;
  3° l'étranger qui ne dispose pas des documents d'entrée visés a l'article 2 et dont la prise d'empreintes digitales conformément à l'article 51/3 indique qu'il a séjourné dans un tel Etat.
  Lorsqu'il est demontré que le traitement d'une demande de prise ou de reprise en charge d'un demandeur d'asile est particulierement complexe, le délai de maintien ou de détention peut être prolongé par le ministre ou son délégué d'une période d'un mois. ";
  c) à l'alinéa 3, qui devient l'alinéa 4, les mots "Nonobstant les alinéas 1er et 2" sont remplacés par les mots "Nonobstant l'alinéa 1er" et les mots "le ministre ou son délégué" sont remplacés par les mots "le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides";
  d) il est inséré un alinéa 5, rédigé comme suit :
  " Si l'étranger ne donne pas suite à une convocation ou à une demande de renseignements dans les quinze jours de l'envoi de celle-ci, il est présumé avoir renoncé à sa demande d'asile. ";
  2° Dans le § 2, la phrase suivante est insérée avant la phrase existante :
  " Même si en vertu des critères de la réglementation européenne, liant la Belgique, le traitement de la demande n'incombe pas à la Belgique, le ministre ou son délégué peut à tout moment décider que la Belgique est responsable pour l'examen de la demande. ";
  3° au § 3, sont apportées les modifications suivantes :
  a) dans l'alinéa 1er, les mots "les conventions internationales liant la Belgique" sont remplacés par les mots "la réglementation européenne liant la Belgique";
  b) dans l'alinéa 4, les mots "deux mois" sont remplacés par les mots "un mois";
  c) l'alinéa 4 est complété comme suit :
  " Il n'est pas tenu compte de la durée du maintien ou de la détention visé au § 1er, alinéa 2. "
Art. 40. In artikel 51/6, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 juli 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "die zich aan de grens of in het Rijk vluchteling heeft verklaard" worden vervangen door de woorden "die aan de grens of in het Rijk een asielaanvraag heeft ingediend";
  2° de woorden "de internationale overeenkomsten die België binden" worden vervangen door de woorden "Europese regelgeving die België bindt";
  3° de woorden "de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen" worden vervangen door de woorden "de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen".
Art. 40. A l'article 51/6, alinéa 1er, de la même loi, inséré par la loi du 15 juillet 1996, sont apportées les modifications suivantes :
  1° les mots "Lorsque l'étranger qui s'est déclaré réfugié" sont remplacés par les mots "Lorsque l'étranger ayant introduit une demande d'asile";
  2° les mots "des conventions internationales" sont remplacés par les mots "de la réglementation européenne";
  3° les mots "la Commission permanente de recours des réfugiés" sont remplacés par les mots "le Conseil du Contentieux des étrangers".
Art. 41. In artikel 51/7 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 juli 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "de internationale overeenkomsten die België binden" vervangen door de woorden "Europese regelgeving die België bindt";
  2° in het vierde lid worden de woorden "het verzoek" vervangen door de woorden "de asielaanvraag".
Art. 41. A l'article 51/7 de la même loi, inséré par la loi du 15 juillet 1996, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1er, les mots "des conventions internationales" sont remplacés par les mots "de la réglementation européenne".
  2° à l'alinéa 4, les mots "d'asile" sont insérés entre les mots "L'examen de la demande" et les mots "doit être entamé".
Art. 42. De eerste zin van artikel 51/8, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1993 en 15 juli 1996, wordt vervangen door de volgende zin :
  " De minister of diens gemachtigde kan beslissen de asielaanvraag niet in aanmerking te nemen wanneer de vreemdeling voorheen reeds dezelfde aanvraag heeft ingediend bij een door de Koning aangeduide overheid in uitvoering van artikel 50, eerste lid, en hij geen nieuwe gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Verdrag van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3, of ernstige aanwijzingen bestaan van een reëel risico op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4. ".
Art. 42. La première phrase de l'article 51/8, alinéa 1er, de la même loi, modifié par les lois des 6 mai 1993 et 15 juillet 1996, est remplacee par la phrase suivante :
  " Le ministre ou son délégué peut décider de ne pas prendre la demande d'asile en considération lorsque l'étranger a déjà introduit auparavant la même demande d'asile auprès d'une des autorités désignées par le Roi en exécution de l'article 50, alinéa 1er, et qu'il ne fournit pas de nouveaux éléments qu'il existe, en ce qui le concerne, de sérieuses indications d'une crainte fondée de persécution au sens de la Convention de Genève, tel que definie à l'article 48/3 ou de sérieuses indications d'un risque réel d'atteintes graves tels que définis à l'article 48/4. ".
Art. 43. In dezelfde wet wordt een artikel 51/10 ingevoegd, luidende :
  " Art. 51/10. De minister of zijn gemachtigde neemt de asielaanvraag die ingediend werd bij de in artikel 50, eerste lid, bedoelde overheden in ontvangst en neemt een verklaring af van de vreemdeling met betrekking tot diens identiteit, herkomst en reisweg, en verstrekt de vreemdeling een vragenlijst waarin hij uitgenodigd wordt om de redenen uiteen te zetten die hem ertoe aanzetten om een asielaanvraag in te dienen en waarin de mogelijkheden tot terugkeer naar het land waaruit hij gevlucht is worden verduidelijkt.
  Deze verklaring moet worden ondertekend door de vreemdeling. Indien deze dit weigert, wordt hiervan melding gemaakt op de verklaring evenals, in voorkomend geval, van de redenen waarom hij weigert om dit te ondertekenen. Deze verklaring wordt onmiddellijk overgemaakt aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen.
  Tegelijkertijd stelt de minister of zijn gemachtigde vast of de vreemdeling regelmatig in het Rijk verblijft of niet. "
Art. 43. Un article 51/10, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 51/10. Le ministre ou son délégué accuse réception de la demande d'asile introduite auprès des autorités visées à l'article 50, alinéa 1er, et consigne les déclarations de l'étranger relatives à son identité, son origine et son itinéraire, et remet à l'étranger un questionnaire dans lequel celui-ci est invité à exposer les motifs qui l'ont conduit à introduire une demande d'asile ainsi que les possibilités de retour dans le pays qu'il a fui.
  Cette déclaration doit être signée par l'étranger. S'il refuse de signer, il en est fait mention sur la déclaration et, le cas échéant, il est également fait mention des raisons pour lesquelles il refuse de signer. Cette déclaration est immédiatement transmise au Commissaire général aux réfugies et aux apatrides.
  Le ministre ou son délégué constate en même temps si l'étranger séjourne de manière régulière dans le Royaume ou non. "
Art. 44. In artikel 52 van dezelfde wet, vervangen bij de wet 18 juli 1991 en gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1993, 15 juli 1996 en 18 februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de inleidende zin wordt vervangen als volgt :
  " De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen kan beslissen om de vluchtelingenstatus niet te erkennen of de subsidiaire beschermingsstatus niet toe te kennen aan de vreemdeling wanneer deze het Rijk probeert binnen te komen zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden, aan de grens een asielaanvraag indient en :";
  b) in punt 2° b), worden de woorden "van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen" vervangen door de woorden "van het Verdrag van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3, noch met de criteria vermeld in artikel 48/4 inzake subsidiaire bescherming";
  c) in de punten 4° en 5°, worden de woorden "van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951" vervangen door de woorden "van het Verdrag van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3, en zonder dat er zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat hij een reëel risico loopt op het lijden van ernstige schade, zoals bepaald in artikel 48/4";
  d) in punt 7° worden de woorden "van het voormelde Internationaal Verdrag" vervangen door de woorden "van het Verdrag van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3, of zwaarwegende gronden aanbrengt die wijzen op een reëel risico op het lijden van ernstige schade, zoals bepaald in artikel 48/4";
  2° in § 2 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de inleidende zin wordt vervangen als volgt :
  " De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen kan beslissen om de vluchtelingenstatus niet te erkennen of de subsidiaire beschermingsstatus niet toe te kennen aan de vreemdeling wanneer deze het Rijk binnengekomen is zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden, een asielaanvraag indient en vraagt als dusdanig erkend te worden en :";
  b) in punt 1° wordt het woord "aanvraag" vervangen door het woord "asielaanvraag";
  c) punt 4° wordt vervangen als volgt :
  " 4° wanneer de vreemdeling zich niet aanmeldt op de in de oproeping vastgestelde datum en hiervoor binnen de vijftien dagen na het verstrijken van deze datum geen geldige reden opgeeft of wanneer de vreemdeling geen gevolg geeft aan een verzoek om inlichtingen binnen de maand na de verzending van dit verzoek en hiervoor geen geldige reden opgeeft;";
  d) in punt 5° worden de woorden "één maand" vervangen door de woorden "vijftien dagen";
  3° in § 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de inleidende zin wordt vervangen als volgt :
  " De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen kan beslissen om de vluchtelingenstatus niet te erkennen of de subsidiaire beschermingsstatus niet toe te kennen aan de vreemdeling wanneer deze regelmatig het Rijk binnengekomen is, een asielaanvraag indient en vraagt als dusdanig erkend te worden en :";
  b) in punt 1° worden de woorden "zijn aanvraag zonder verantwoording ingediend heeft nadat het verblijf opgehouden heeft regelmatig te zijn" vervangen door de woorden "zijn asielaanvraag zonder verantwoording ingediend heeft na afloop van de termijn voorzien in artikel 51, eerste lid";
  4° in § 4 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de inleidende zin wordt vervangen als volgt :
  " De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen kan beslissen om de vluchtelingenstatus niet te erkennen of de subsidiaire beschermingsstatus niet toe te kennen aan de vreemdeling wanneer deze gemachtigd of toegelaten is langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven of er zich te vestigen, die een asielaanvraag indient :";
  b) in punt 1° worden de woorden "zijn aanvraag heeft ingediend nadat het verblijf of de vestiging opgehouden heeft regelmatig te zijn" vervangen door de woorden "zijn asielaanvraag heeft ingediend na de afloop van de termijn vastgesteld bij artikel 50bis, tweede lid, en bij artikel 51, tweede lid";
  5° § 5 wordt vervangen als volgt :
  " In de in §§ 1 tot 4 bedoelde gevallen beslist de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen bij voorrang en binnen een termijn van twee maanden nadat de minister of zijn gemachtigde ter kennis gebracht heeft dat België verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag of de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus al dan niet moet toegekend worden aan de vreemdeling. "
Art. 44. A l'article 52 de la même loi, remplacée par la loi du 18 juillet 1991 et modifiée par les lois du 6 mai 1993, du 15 juillet 1996 et du 18 février 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, sont apportées les modifications suivantes :
  a) la phrase introductive est remplacée comme suit :
  " Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides peut décider de ne pas reconnaître le statut de réfugié ou de ne pas octroyer le statut de protection subsidiaire à un étranger lorsque celui-ci tente de pénétrer dans le Royaume sans satisfaire aux conditions fixées à l'article 2, introduit une demande d'asile à la frontière et :";
  b) au point 2°, b), les mots "de la Convention internationale relative au statut des réfugiés, signée à Genève le 28 juillet 1951, ni a d'autres critères justifiant l'octroi de l'asile" sont remplacés par les mots "de la Convention de Genève tel que déterminé à l'article 48/3, ni aux critères prévus à l'article 48/4 en matière de protection subsidiaire";
  c) aux points 4° et 5°, les mots "de la Convention internationale relative au statut des refugiés, signée à Geneve le 28 juillet 1951" sont remplacés par les mots "de la Convention de Genève, tel que déterminé à l'article 48/3, et sans qu'il y ait des motifs sérieux de croire qu'il court un risque réel de subir une atteinte grave, telle que déterminée à l'article 48/4";
  d) au point 7°, les mots "de la Convention internationale précitée" sont remplaces par les mots "de la Convention de Genève, tel que déterminé à l'article 48/3 ou n'invoque pas des motifs sérieux qui prouvent le risque réel qu'il subisse une atteinte grave telle que déterminée à l'article 48/4";
  2° au § 2, sont apportées les modifications suivantes :
  a) la phrase introductive est remplacée comme suit :
  " Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides peut décider de ne pas reconnaître le statut de réfugié ou de ne pas octroyer le statut de protection subsidiaire à un étranger lorsque celui-ci est entré dans le Royaume sans satisfaire aux conditions fixées à l'article 2, et introduit une demande d'asile :";
  b) au point 1°, le mot "demande" est remplacé par les mots "demande d'asile";
  c) le point 4° est remplacé comme suit :
  " 4° si l'étranger ne se présente pas à la date fixee dans une convocation et ne fournit pas de motif valable à ce sujet dans les quinze jours suivant cette date, ou si l'étranger ne donne pas suite, sans motif valable, à une demande de renseignements dans le mois de son envoi;";
  d) au point 5°, les mots "un mois" sont remplacés par les mots "quinze jours";
  3° au § 3, sont apportées les modifications suivantes :
  a) la phrase introductive est modifiée comme suit :
  " Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides peut décider de ne pas reconnaître le statut de réfugié ou de ne pas octroyer le statut de protection subsidiaire à un étranger lorsque celui-ci est entré dans le Royaume de manière régulière, et introduit une demande d'asile :";
  b) au point 1°, les mots "a, sans justification, présenté sa demande lorsque le séjour a cessé d'être régulier" sont remplacés par les mots "a, sans justification, présenté sa demande d'asile après l'expiration du délai prévu à l'article 51, alinéa 1er";
  4° au § 4, sont apportées les modifications suivantes :
  a) la phrase introductive est modifiée comme suit :
  " Le Commissaire genéral aux réfugies et aux apatrides peut décider de ne pas reconnaître le statut de réfugié ou de ne pas octroyer le statut de protection subsidiaire a un étranger autorisé ou admis à séjourner plus de trois mois dans le Royaume ou à s'y établir, qui introduit une demande d'asile :";
  b) au point 1°, les mots "sa demande lorsque le séjour ou l'établissement a cessé d'être regulier" sont remplacés par les mots "sa demande d'asile après l'expiration du délai fixé à l'article 50bis, alinéa 2, et à l'article 51, alinéa 2";
  5° le § 5 est remplacé par la disposition suivante :
  " Dans les cas visés aux §§ 1er à 4, le Commissaire général aux réfugies et aux apatrides décide, en priorité et dans un délai de deux mois après que le ministre ou son délégué lui a notifié que la Belgique est responsable du traitement de la demande d'asile, si le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire doit ou non être reconnu à l'étranger. "
Art. 45. In dezelfde wet wordt een artikel 52/2 ingevoegd, luidende :
  " Art. 52/2. § 1. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen beslist eveneens bij voorrang en binnen een termijn van twee maanden nadat de minister of zijn gemachtigde ter kennis gebracht heeft dat België verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, of de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus al dan niet moet erkend of toegekend worden aan de vreemdeling, indien de vreemdeling zich bevindt in een in artikel 74/6, § 1bis, 8° tot 15°, bedoeld geval.
  § 2. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen beslist voor alle andere zaken en binnen de vijftien dagen nadat de minister of zijn gemachtigde ter kennis gebracht heeft dat België verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, of de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus al dan niet moet toegekend worden aan de vreemdeling indien :
  1° de vreemdeling zich bevindt in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in artikel 74/8, § 1, of het voorwerp uitmaakt van een veiligheidsmaatregel zoals bedoeld in artikel 68;
  2° de vreemdeling zich bevindt in een strafrechtelijke instelling;
  3° de minister of zijn gemachtigde de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen verzoekt om de aanvraag van de betrokken vreemdeling bij voorrang te behandelen;
  4° er aanwijzingen zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. "
Art. 45. Un article 52/2, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 52/2. § 1er. Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides décide egalement, en priorité et dans un délai de deux mois après que le ministre ou son délegué lui a notifié que la Belgique est responsable du traitement de la demande d'asile, si le statut de réfugié ou de protection subsidiaire doit ou non être reconnu ou octroyé à l'étranger lorsque celui-ci se trouve dans un cas visé à l'article 74/6, § 1erbis, 8° à 15°.
  § 2. Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides décide, avant toutes les autres affaires et dans un délai de quinze jours après que le ministre ou son délégué lui a notifié que la Belgique est responsable du traitement de la demande d'asile, si le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire doit ou non être reconnu ou octroyé à l'étranger, lorsque :
  1° l'étranger se trouve dans un lieu déterminé visé à l'article 74/8, § 1er, ou fait l'objet d'une mesure de sûreté visée à l'article 68;
  2° l'étranger se trouve dans un établissement pénitentiaire;
  3° le ministre ou son délégué demande au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides de traiter en priorité la demande de l'étranger concerné;
  4° il y a des indications que l'étranger représente un danger pour l'ordre public ou pour la sécurité nationale. "
Art. 46. In dezelfde wet wordt een artikel 52/3 ingevoegd, luidende :
  " Art. 52/3. § 1. Indien de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen de vluchtelingenstatus weigert te erkennen of de subsidiaire beschermingsstatus weigert toe te kennen aan een vreemdeling en de vreemdeling onregelmatig in het Rijk verblijft, beslist de minister of zijn gemachtigde onverwijld dat de vreemdeling valt onder de in artikel 7, eerste lid, 1° tot 11° of de in artikel 27, § 1, eerste lid, en § 3, bedoelde gevallen. Deze beslissing wordt ter kennis gebracht van de betrokkene overeenkomstig het bepaalde in artikel 51/2.
  § 2. In de in artikel 74/6, § 1bis, bedoelde gevallen beslist de minister of zijn gemachtigde onmiddellijk bij het indienen van de asielaanvraag dat de vreemdeling valt onder de in artikel 7, eerste lid, 1° tot 11°, of de in artikel 27, § 1, eerste lid, en § 3, bedoelde gevallen. In het in artikel 50ter bedoelde geval beslist de minister of zijn gemachtigde eveneens onmiddellijk bij het indienen van de asielaanvraag dat de vreemdeling niet toegelaten wordt tot het grondgebied en dat hij wordt teruggedreven.
  Deze beslissingen worden betekend op de plaats waar de vreemdeling wordt vastgehouden. ".
Art. 46. Un article 52/3, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 52/3. § 1er. Lorsque le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides refuse de reconnaître le statut de réfugié ou d'octroyer le statut de protection subsidiaire à l'étranger et que celui-ci sejourne de manière irrégulière dans le Royaume, le ministre ou son délégué décide sans délai que l'étranger tombe dans les cas visés à l'article 7, alinéa 1er, 1° à 11° ou à l'article 27, § 1er, alinéa 1er et § 3. Cette décision est notifiée à l'intéressé conformément à l'article 51/2.
  § 2. Dans les cas visés à l'article 74/6, § 1erbis, le ministre ou son délégué décide immédiatement lors de l'introduction de la demande d'asile que l'étranger tombe dans les cas visés à l'article 7, alinéa 1er, 1° à 11°, ou à l'article 27, § 1, alinéa 1er, et § 3. Dans le cas visé à l'article 50ter, le ministre ou son délégué décide également immédiatement lors de l'introduction de la demande d'asile que l'étranger n'est pas admis à entrer sur le territoire et qu'il est refoulé.
  Ces décisions sont notifiées à l'endroit où l'étranger est maintenu. ".
Art. 47. In artikel 52bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 6 mei 1993 en gewijzigd bij de wet van 15 juli 1996, dat artikel 52/4 wordt, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "die vraagt of heeft gevraagd als vluchteling te worden erkend" vervangen door de woorden "die een asielaanvraag heeft ingediend overeenkomstig de artikelen 50, 50bis, 50ter of 51";
  2° in het tweede lid worden de woorden "over de vraag of de verklaring van betrokkene dat hij vluchteling is, zijn vraag om als dusdanig erkend te worden en de verwijderingsmaatregelen die ten aanzien van hem zijn genomen, in overeenstemming zijn met het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, en met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950" vervangen door de woorden "over de asielaanvraag en de verwijderingsmaatregelen die ten aanzien van hem zijn genomen, met de vraag of deze in overeenstemming zijn met het Verdrag van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3, en de subsidiaire bescherming, zoals bepaald in artikel 48/4".
Art. 47. A l'article 52bis de la même loi, inséré par la loi du 6 mai 1993 et modifié par la loi du 15 juillet 1996, qui devient l'article 52/4, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1er, les mots "qui demande ou a demandé la reconnaissance de la qualité de réfugié" sont remplaces par les mots "qui a introduit une demande d'asile conformément aux articles 50, 50bis, 50ter ou 51";
  2° à l'alinéa 2, les mots "de la conformité a la de la Convention internationale relative au statut des réfugiés, signée à Genève le 28 juillet 1951, et à l'article 3 de la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, signée à Rome le 4 novembre 1950, de la déclaration faite par l'intéressé qu'il est réfugié ou de sa demande à être reconnu comme tel et des mesures d'éloignement prises à son égard" sont remplacés par les mots "de la demande d'asile et des mesures d'éloignement prises à son égard avec la question de savoir si celles-ci sont en conformité avec la Convention de Genève, tel que déterminé à l'article 48/3 et avec la protection subsidiaire tel que déterminé à l'article 48 /4".
Art. 48. In artikel 53 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 14 juli 1987 en gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1993 en 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "die de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling vraagt of gevraagd heeft overeenkomstig artikel 50, 50bis of artikel 51" worden vervangen door de woorden "die een asielaanvraag heeft ingediend overeenkomstig de artikelen 50, 50bis, 50ter of 51";
  2° de woorden "artikel 52 of artikel 52bis" worden vervangen door de woorden "artikel 52/3, § 2, of artikel 52/4".
Art. 48. A l'article 53 de la même loi, remplacé par la loi du 14 juillet 1987 et modifié par les lois du 6 mai 1993 et du 22 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° les mots "qui demande ou a demandé la reconnaissance de la qualité de réfugié conformément à l'article 50, 50bis ou à l'article 51" sont remplacés par les mots "qui a introduit une demande d'asile conformément aux articles 50, 50bis, 50ter ou 51";
  2° les mots "l'article 52 ou de l'article 52bis" sont remplacés par les mots "l'article 52/3, § 2, ou de l'article 52/4".
Art. 49. In artikel 53bis van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 14 juli 1987 en gewijzigd door het koninklijk besluit van 13 juli 1992 en door de wetten van 18 juli 1991, 6 mei 1993 en 15 juli 1996, worden de woorden "artikel 52bis" vervangen door de woorden "artikel 52/4".
Art. 49. A l'article 53bis de la même loi, inséré par la loi du 14 juillet 1987 et modifié par l'arrêté royal du 13 juillet 1992 et par les lois du 18 juillet 1991, du 6 mai 1993 et du 15 juillet 1996, les mots "article 52bis" sont remplacés par les mots "article 52/4".
Art. 50. In artikel 54 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 6 mei 1993 en gewijzigd bij de wetten van 24 mei 1994, van 15 juli 1996, van 9 maart 1998, van 7 mei 1999, van 18 februari 2003, van 22 december 2003 en van 27 december 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in punt 1° worden de woorden "die de hoedanigheid van vluchteling hebben aangevraagd" vervangen door de woorden "die een asielaanvraag hebben ingediend";
  b) in punt 2° worden de woorden "die zich vluchteling verklaard hebben" vervangen door de woorden "die een asielaanvraag hebben ingediend";
  c) in punt 3° worden de woorden "de hoedanigheid van vluchteling hebben aangevraagd" vervangen door de woorden "een asielaanvraag hebben ingediend";
  d) in punt 4° worden de woorden "zich vluchteling hebben verklaard" vervangen door de woorden "een asielaanvraag hebben ingediend";
  2° in § 1, tweede lid, worden de woorden "beslissing tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling" vervangen door de woorden "beslissing van erkenning van de vluchtelingenstatus of van toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus";
  3° in § 2, eerste lid, worden de woorden "die de hoedanigheid van vluchteling heeft aangevraagd" vervangen door de woorden "die een asielaanvraag heeft ingediend";
  4° in § 3, eerste lid, worden de woorden "die de verklaring of de aanvraag bedoeld in de artikelen 50, 50bis en 51 heeft afgelegd" vervangen door de woorden "die een asielaanvraag bedoeld in de artikelen 50, 50bis of 51 heeft ingediend";
  5° in § 3, tweede lid, worden de woorden "artikel 52" vervangen door de woorden "artikel 52/3", en worden de woorden "of wanneer de minister of diens gemachtigde of de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of een van zijn adjuncten hebben beslist dat een onderzoek ten gronde van de asielaanvraag noodzakelijk is" vervangen door de woorden "of wanneer de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of een van zijn adjuncten of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan de vreemdeling de vluchtelingenstatus in de zin van artikel 48/3 erkent of de subsidiaire beschermingsstatus, in de zin van artikel 48/4, toekent".
Art. 50. A l'article 54 de la même loi, remplacé par la loi du 6 mai 1993 et modifié par les lois du 24 mai 1994, du 15 juillet 1996, du 9 mars 1998, du 7 mai 1999, du 18 février 2003, du 22 décembre 2003 et du 27 décembre 2004, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, alinéa 1er, les modifications suivantes sont apportées :
  a) au point 1°, les mots "ont demandé la qualité de réfugié" sont remplacés par les mots "ont introduit une demande d'asile";
  b) au point 2°, les mots "se déclarent réfugiés" sont remplaces par les mots "ont introduit une demande d'asile";
  c) au point 3°, les mots "qui ont demandé la qualité de réfugié" sont remplacés par les mots "qui ont introduit une demande d'asile";
  d) au point 4°, les mots "qui se sont déclarés réfugiés" sont remplacés par les mots "qui ont introduit une demande d'asile";
  2° au § 1er, alinéa 2, les mots "décision de reconnaissance de la qualité de réfugié" sont remplacés par les mots "décision de reconnaissance du statut de réfugié ou de l'octroi du statut de protection subsidiaire";
  3° au § 2, alinéa 1er, les mots "qui a demandé la qualité de réfugié" sont remplacés par les mots "qui a introduit une demande d'asile";
  4° au § 3, alinéa 1er, les mots "qui a fait la déclaration ou la demande visées aux articles 50, 50bis et 51" sont remplacés par "qui a introduit une demande d'asile visées aux articles 50, 50bis ou 51";
  5° au § 3, alinéa 2, les mots "l'article 52" sont remplacés par les mots "l'article 52/3" et les mots "ou lorsque le ministre ou son délégué ou le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou un de ses adjoints décident qu'un examen au fond de la demande d'asile s'impose" sont remplacés par les mots "ou lorsque le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou un de ses adjoints, ou le Conseil du Contentieux des Etrangers reconnaît à l'étranger le statut de réfugié au sens de l'article 48/3 ou octroie le statut de protection subsidiaire au sens de l'article 48/4".
Art. 51. In artikel 55 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 15 juli 1996, hersteld bij de wet van 22 december 2003 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° In § 1, eerste lid, worden de woorden "De verklaring of de aanvraag bedoeld in de artikelen 50, 50bis en 51" vervangen door de woorden "De asielaanvraag bedoeld in de artikelen 50, 50bis en 51", en worden de woorden "zijn verklaring of aanvraag" vervangen door de woorden "zijn asielaanvraag".
  2° In § 2 worden de woorden "een verklaring of een aanvraag overeenkomstig de artikelen 50, 50bis of 51" vervangen door de woorden "een asielaanvraag overeenkomstig de artikelen 50, 50bis of 51".
Art. 51. A l'article 55 de la même loi, abrogé par la loi du 15 juillet 1996, rétabli par la loi du 22 décembre 2003 et modifié par la loi du 27 décembre 2004, sont apportées les modifications suivantes :
  1° Au § 1er, 1er alinéa, les mots "la déclaration ou la demande visées aux articles 50, 50bis et 51" sont remplacés par les mots "La demande d'asile visée aux articles 50, 50bis et 51" et les mots "sa déclaration ou demande" sont remplacés par "sa demande d'asile".
  2° Au § 2, les mots "une déclaration ou demande faite sur la base des articles 50, 50bis ou 51" sont remplacés par "une demande d'asile sur la base des articles 50, 50bis ou 51".
Art. 52. In dezelfde wet wordt een artikel 55/2 ingevoegd, luidende :
  " Art. 55/2. Een vreemdeling wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer hij valt onder artikel 1 D, E of F van het Verdrag van Genève. Dit is van ook toepassing op personen die wetens en willens aanzetten tot of anderszins deelnemen aan de in artikel 1 F van het Verdrag van Genève genoemde misdrijven of daden. ".
Art. 52. Un article 55/2, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 55/2. Un étranger est exclu du statut de réfugié lorsqu'il relève de l'article 1er, section D, E ou F de la Convention de Genève. Tel est également le cas des personnes qui sont les instigatrices des crimes ou des actes énumérés à l'article 1 F de la Convention de Genève, ou qui y participent de quelque autre manière. ".
Art. 53. In dezelfde wet wordt een artikel 55/3 ingevoegd, luidende :
  " Art. 55/3. Een vreemdeling houdt op vluchteling te zijn wanneer hij valt onder artikel 1 C van het Verdrag van Genève. Bij toepassing van artikel 1 C (5) en (6) van voormeld verdrag dient te worden nagegaan of de verandering van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om de gegronde vrees van de vluchteling voor vervolging weg te nemen. "
Art. 53. Un article 55/3, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 55/3. Un étranger cesse d'être réfugié lorsqu'il relève de l'article 1 C de la Convention de Genève. En application de l'article 1 C (5) et (6) de cette Convention, il convient d'examiner si le changement de circonstances est suffisamment significatif et non provisoire pour que la crainte du réfugié d'être persécuté ne puisse plus être considérée comme fondée. "
Art. 54. In dezelfde wet wordt een artikel 55/4 ingevoegd, luidende :
  " Art. 55/4. Een vreemdeling wordt uitgesloten van de subsidiaire beschermingsstatus wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat :
  a) hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven;
  b) hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties als vervat in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties;
  c) hij een ernstig misdrijf heeft gepleegd;
  Het eerste lid is van toepassing op personen die aanzetten tot of anderszins deelnemen aan de hierboven genoemde misdrijven of daden. "
Art. 54. Un article 55/4, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 55/4. Un étranger est exclu du statut de protection subsidiaire lorsqu'il existe des motifs sérieux de considérer :
  a) qu'il a commis un crime contre la paix, un crime de guerre ou un crime contre l'humanité tels que définis dans les instruments internationaux visant à sanctionner de tels crimes;
  b) qu'il s'est rendu coupable d'agissements contraires aux buts et aux principes des Nations unies tels qu'ils sont énoncés dans le préambule et aux articles 1 et 2 de la Charte des Nations unies;
  c) qu'il a commis un crime grave;
  L'alinéa 1er s'applique aux personnes qui sont les instigatrices des crimes ou des actes précités, ou qui y participent de quelque autre manière. "
Art. 55. In dezelfde wet wordt een artikel 55/5 ingevoegd, luidende :
  " Art. 55/5. De subsidiaire beschermingsstatus die werd toegekend aan een vreemdeling wordt opgeheven wanneer de omstandigheden op grond waarvan de subsidiaire beschermingsstatus werd verleend, niet langer bestaan of zodanig zijn gewijzigd dat deze bescherming niet langer nodig is. Er dient hierbij te worden nagegaan of de verandering van de omstandigheden die hebben geleid tot het toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om het reële risico op ernstige schade weg te nemen. "
Art. 55. Un article 55/5, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 55/5. Le statut de protection subsidiaire qui est accordé à un étranger cesse lorsque les circonstances qui ont justifié l'octroi de cette protection cessent d'exister ou ont évolué dans une mesure telle que cette protection n'est plus nécessaire. Il convient à cet égard d'examiner si le changement de circonstances qui ont conduit à l'octroi du statut de protection subsidiaire est suffisamment significatif et non provisoire pour écarter tout risque réel d'atteintes graves. "
Art. 56. Artikel 56 van dezelfde wet, opgeheven door de wet van 26 mei 2005, wordt hersteld in de volgende lezing :
  " Art. 56. De vreemdeling aan wie de subsidiaire beschermingsstatus is toegekend, kan slechts uit het Rijk verwijderd worden bij een na advies van de Commissie van advies voor vreemdelingen genomen terugwijzingsbesluit of bij een uitzettingsbesluit, beide genomen overeenkomstig de artikelen 20 tot 26 van deze wet.
  In geen geval mag de vreemdeling aan wie de subsidiaire beschermingsstatus werd toegekend, verwijderd worden naar het land dat hij ontvlucht is omdat zijn leven of zijn vrijheid er bedreigd was. "
Art. 56. L'article 56 de la même loi, abrogé par la loi du 26 mai 2005, est rétabli dans la version suivante :
  " Art. 56. L'étranger auquel le statut de protection subsidiaire est accordé ne peut être éloigné du Royaume que par un arrêté de renvoi pris après avis de la Commission consultative des étrangers ou par un arrêté d'expulsion, l'un et l'autre pris conformément aux articles 20 à 26 de la présente loi.
  En aucun cas, l'étranger auquel le statut de protection subsidiaire a été accordé ne peut être éloigné vers le pays qu'il a fui parce que sa vie ou sa liberté y était menacee. "
Art. 57. Artikel 57 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 15 juli 1996, wordt opgeheven.
Art. 57. L'article 57 de la même loi, remplacé par la loi du 15 juillet 1996, est abrogé.
Art. 58. Artikel 57/6, ingevoegd bij de wet van 14 juli 1987 en gewijzigd bij de wet van 15 juli 1996, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 57/6. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen is bevoegd :
  1° om aan de vreemdeling bedoeld in artikel 53, de vluchtelingenstatus, in de zin van artikel 48/3, te erkennen of weigeren te erkennen of de subsidiaire beschermingsstatus, in de zin van artikel 48/4, toe te kennen of weigeren toe te kennen;
  2° om de aanvraag tot het bekomen van de vluchtelingenstatus in de zin van artikel 48/3 of de subsidiaire beschermingsstatus in de zin van artikel 48/4 die ingediend wordt door een onderdaan van een Lidstaat van de Europese Gemeenschappen of door een onderdaan van een Staat die partij is bij een Toetredingsverdrag tot de Europese Unie, dat nog niet in werking is getreden, niet in overweging te nemen wanneer uit zijn verklaring niet duidelijk blijkt dat er, wat hem betreft, een gegronde vrees voor vervolging bestaat in de zin van het internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, zoals bepaald in artikel 48/3 of dat er zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat hij een reëel risico loopt op het lijden van ernstige schade, zoals bepaald in artikel 48/4;
  3° om de vluchtelingenstatus in hoofde van de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 49, § 1, 6°, te bevestigen of weigeren te bevestigen;
  4° om de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus op basis van de artikelen 55/3, en 55/5, op te heffen;
  5° om de vreemdeling bedoeld in artikel 53 van de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus uit te sluiten op basis van de artikelen 55/2 en artikel 55/4;
  6° om de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus in te trekken ten aanzien van de vreemdeling die, op grond van de artikelen 55/2 en 55/4, uitgesloten had moeten zijn;
  7° om de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus in te trekken ten aanzien van de vreemdeling die als vluchteling is erkend of aan wie de subsidiaire beschermingsstatus werd toegekend op grond van feiten die hij verkeerd heeft weergegeven of achtergehouden, of van valse verklaringen, of van valse of vervalste documenten, die doorslaggevend zijn geweest voor de erkenning van de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus, alsmede ten aanzien van de vreemdeling wiens persoonlijk gedrag later erop wijst dat hij geen vervolging vreest;
  8° om aan de vreemdelingen en de staatlozen de documenten te verstrekken welke bedoeld zijn in artikel 25 van het internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève, op 28 juli 1951, en in artikel 25 van het Verdrag betreffende de status van staatlozen, ondertekend te New-York, op 28 september 1954.
  De in de punten 1° tot 7° bedoelde beslissingen worden met redenen omkleed met vermelding van de omstandigheden van de zaak.
  De in het eerste lid, 2°, bedoelde beslissing moet getroffen worden binnen een termijn van vijf werkdagen. "
Art. 58. L'article 57/6, inséré par la loi du 14 juillet 1987 et modifié par la loi du 15 juillet 1996, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 57/6. Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides est compétent :
  1° pour reconnaître ou refuser de reconnaitre la qualité de réfugie, au sens de l'article 48/3 ainsi que d'octroyer ou refuser d'octroyer le statut de protection subsidiaire défini par l'article 48/4, à l'étranger visé à l'article 53;
  2° pour ne pas prendre en considération la demande de reconnaissance du statut de réfugié au sens de l'article 48/3 ou d'obtention du statut de protection subsidiaire au sens de l'article 48/4, introduite par un étranger ressortissant d'un Etat membre des Communautés européennes ou par un étranger ressortissant d'un Etat partie à un traité d'adhésion à l'Union européenne qui n'est pas encore entré en vigueur, lorsqu'il ne ressort pas clairement de sa déclaration qu'il existe, en ce qui le concerne, une crainte fondée de persécution au sens de la Convention internationale relative au statut des réfugiés, signée à Genève le 28 juillet 1951, tel que déterminé à l'article 48/3, ou des motifs sérieux de croire qu'il court un risque réel de subir une atteinte grave telle que déterminée à l'article 48/4;
  3° pour confirmer ou refuser de confirmer le statut de réfugié à l'étranger qui satisfait aux conditions prévues par l'article 49, § 1er, 6°;
  4° pour abroger le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire sur la base des articles 55/3 et 55/5;
  5° pour exclure l'étranger visé à l'article 53 du bénéfice du statut de réfugié ou du statut de protection subsidiaire sur la base des articles 55/2 et 55/4;
  6° pour retirer le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire à l'étranger qui aurait dû être exclu sur la base des articles 55/2 et 55/4;
  7° pour retirer le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire à l'étranger auquel la qualité de réfugié a été reconnue ou à qui la protection subsidiaire a été octroyée sur la base de faits qu'il a présentés de manière altérée ou qu'il a dissimulés, de fausses déclarations ou de documents faux ou falsifiés qui ont été déterminants dans l'octroi des dits statuts, ainsi qu'à l'étranger dont le comportement personnel démontre ultérieurement l'absence de crainte de persécution dans son chef.
  8° pour délivrer aux réfugiés et aux apatrides les documents visés à l'article 25 de la Convention internationale relative au statut des réfugiés, signée à Genève le 28 juillet 1951, et à l'article 25 de la Convention relative au statut des apatrides, signée à New York, le 28 septembre 1954.
  Les décisions visées aux points 1° à 7° sont motivées, en indiquant les circonstances de la cause.
  La décision visée à l'alinéa 1er, 2°, doit être prise dans un délai de cinq jours ouvrables. "
Art. 59. In artikel 57/8 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 14 juli 1987, gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1993 en 15 juli 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  " Onverminderd een kennisgeving aan de persoon zelf, kunnen de oproepingen en de aanvragen om inlichtingen door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of zijn gemachtigde worden verstuurd naar de in artikel 51/2 bedoelde gekozen woonplaats bij een ter post aangetekende zending of per bode tegen ontvangstbewijs. Wanneer de vreemdeling woonplaats gekozen heeft bij zijn raadsman, kunnen de oproepingen en aanvragen om inlichtingen ook geldig worden verstuurd per faxpost. ";
  2° het derde lid wordt vervangen als volgt :
  " De beslissingen worden door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid ter kennis gebracht van de belanghebbende. ";
  3° het vierde lid wordt opgeheven.
Art. 59. A l'article 57/8 de la même loi, insére par la loi du 14 juillet 1987 et modifié par les lois du 6 mai 1993 et du 15 juillet 1996 sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " Sans préjudice d'une notification a personne, les convocations et les demandes de renseignements peuvent être envoyées par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou son délégué, au domicile elu visé à l'article 51/2, sous pli recommandé à la poste ou par porteur contre accusé de réception. Lorsque l'etranger a élu domicile chez son conseil, les convocations et les demandes de renseignements peuvent également être valablement envoyées par télécopieur. ";
  2° l'alinéa 3 est remplace par la disposition suivante :
  " Les décisions sont notifiées à l'intéressé par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides conformément à l'alinéa 1er. ";
  3° l'alinéa 4 est abrogé.
Art. 60. In artikel 57/9 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 14 juli 1987, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° In het eerste lid worden de woorden "1° tot 3°" vervangen door de woorden "1° tot 7°".
  2° In het tweede lid worden de woorden "artikel 57/6, 4°" vervangen door de woorden "artikel 57/6, 8°".
Art. 60. A l'article 57/9 de la même loi, inséré par la loi du 14 juillet 1987, sont apportées les modifications suivantes :
  1° A l'alinéa 1er, les mots "1° à 3°" sont remplacés par les mots "1° à 7°".
  2° A l'alinéa 2, les mots "l'article 57/6, 4°" sont remplacés par les mots "l'article 57/6, 8°".
Art. 61. Artikel 57/10 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 14 juli 1987, wordt vervangen als volgt :
  " De erkenning of de bevestiging van de vluchtelingenstatus of de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus kan worden geweigerd aan de vreemdeling die niet voldoet aan de verplichting om in België woonplaats te kiezen of wanneer de vreemdeling zich niet aanmeldt op de in de oproeping vastgestelde datum en hiervoor binnen de vijftien dagen na het verstrijken van deze datum geen geldige reden opgeeft of wanneer de vreemdeling geen gevolg geeft aan een verzoek om inlichtingen binnen de maand na de verzending van dit verzoek en hiervoor geen geldige reden opgeeft. "
Art. 61. L'article 57/10 de la même loi, inséré par la loi du 14 juillet 1987, est remplace par la disposition suivante :
  " La reconnaissance ou la confirmation du statut de réfugié ou l'octroi du statut de protection subsidiaire peut être refusée à l'étranger qui ne satisfait pas à l'obligation d'élire domicile en Belgique, ou qui ne se présente pas à la date fixée dans la convocation et ne donne pas de motif valable à ce sujet dans les quinze jours suivant cette date ou ne donne pas suite a une demande de renseignements dans le mois suivant l'envoi de celle-ci et ne donne pas de motif valable à ce sujet. "
Art. 62. Artikel 58, derde lid, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  " De machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven kan door de vreemdeling in het Rijk aangevraagd worden overeenkomstig de door de Koning bepaalde modaliteiten in uitvoering van artikel 9, tweede lid. "
Art. 62. L'article 58, alinéa 3, de la même loi, est remplacé par la disposition suivante :
  " L'autorisation de séjourner plus de trois mois dans le Royaume peut être demandée par l'étranger selon les modalités fixées par le Roi en exécution de l'article 9, alinéa 2. "
Art. 63. In artikel 61, § 2, 3°, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 15 juli 1996, worden de woorden "artikel 10bis, eerste lid" vervangen door de woorden "artikel 10bis, § 1".
Art. 63. A l'article 61, § 2, 3°, de la même loi, remplacé par la loi du 15 juillet 1996, les mots "article 10bis, alinéa 1er" sont remplacés par les mots "article 10bis, § 1er".
Art. 64. In Titel II van dezelfde wet wordt een Hoofdstuk IV ingevoegd die de artikelen 61/2 tot 61/5 omvat, met de volgende titel :
  " Hoofdstuk IV. - Vreemdelingen die het slachtoffer zijn van het misdrijf mensenhandel in de zin van artikel 433quinquies van het Strafwetboek, of die het slachtoffer zijn van het misdrijf mensensmokkel in de zin van artikel 77bis in de omstandigheden bedoeld in artikel 77quater, 1°, uitsluitend voor wat de niet begeleide minderjarigen betreft, tot en met 5°, en die met de autoriteiten samenwerken. "
Art. 64. Il est inséré dans le Titre II de la même loi, un Chapitre IV, comprenant les articles 61/2 à 61/5, intitulé comme suit :
  " Chapitre IV. - Des étrangers qui sont victimes de l'infraction de traite des êtres humains au sens de l'article 433quinquies du Code pénal ou qui sont victimes, dans les circonstances visées à l'article 77quater, 1°, en ce qui concerne uniquement les mineurs non accompagnés, a 5°, de l'infraction de trafic des êtres humains au sens de l'article 77bis, et qui coopèrent avec les autorités. "
Art. 65. In dezelfde wet wordt een artikel 61/2, ingevoegd, luidende :
  " Art. 61/2. § 1. Indien de politie- of de inspectiediensten over aanwijzingen beschikken dat een vreemdeling het slachtoffer is van het misdrijf bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of het misdrijf bedoeld in artikel 77bis onder de omstandigheden bepaald in artikel 77quater, 1°, uitsluitend voor wat de niet begeleide minderjarigen betreft, tot 5°, verwittigen zij onmiddellijk de minister of zijn gemachtigde, brengen zij de vreemdeling op de hoogte van de mogelijkheid om een verblijfstitel te verkrijgen in ruil voor samenwerking met de autoriteiten die belast zijn met het onderzoek naar of de vervolging van deze misdrijven en brengen zij hem in contact met een door de bevoegde overheid erkend centrum dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers van deze misdrijven.
  § 2. De minister of zijn gemachtigde stelt de in § 1 bedoelde vreemdeling, die niet beschikt over een verblijfstitel en die begeleid wordt door een door de overheid erkend centrum dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers, in het bezit van een bevel om het grondgebied te verlaten met een termijn van 45 dagen ten einde hem de kans te geven een klacht in te dienen of verklaringen af te leggen met betrekking tot de personen of de netwerken die zich schuldig zouden gemaakt hebben aan het misdrijf bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of het misdrijf voorzien in artikel 77bis onder de omstandigheden bepaald in artikel 77quater, 1°, uitsluitend voor wat de niet begeleide minderjarigen betreft, tot 5°.
  De in het eerste lid bedoelde vreemdeling, die jonger is dan achttien jaar en het Rijk is binnengekomen zonder begeleiding van een krachtens de wet verantwoordelijke meerderjarige vreemdeling en vervolgens niet daadwerkelijk onder de hoede van een dergelijke persoon gestaan heeft, hetzij zonder begeleiding werd achtergelaten nadat hij het Rijk is binnengekomen, wordt dadelijk in het bezit gesteld van het in artikel 61/3, § 1, voorziene tijdelijk verblijfsdocument. Tijdens de hele procedure wordt naar behoren rekening gehouden met het hoger belang van het kind.
  Indien de in eerste lid bedoelde vreemdeling onmiddellijk een klacht heeft ingediend of verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot de personen of de netwerken die zich schuldig zouden gemaakt hebben aan het misdrijf bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of het misdrijf bedoeld in artikel 77bis onder de omstandigheden bepaald in artikel 77quater, 1°, uitsluitend voor wat de niet begeleide minderjarigen betreft, tot 5°, kan het gespecialiseerd onthaalcentrum dat hem begeleidt aan de minister of zijn gemachtigde vragen om hem dadelijk in het bezit te stellen van het in artikel 61/3, § 1, voorziene tijdelijk verblijfsdocument.
  § 3. De minister of zijn gemachtigde kan op elk moment beslissen om de in § 2 voorziene termijn te beëindigen indien wordt vastgesteld dat de vreemdeling actief, vrijwillig en uit eigen beweging opnieuw contact heeft opgenomen met de vermoedelijke plegers van de misdrijven bedoeld in 433quinquies van het Strafwetboek of artikel 77bis alsmede indien hij wordt beschouwd als een mogelijk gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid. "
Art. 65. Un article 61/2, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 61/2. § 1er. Lorsque les services de police ou d'inspection disposent d'indices qu'un étranger est victime de l'infraction visée à l'article 433quinquies du Code pénal ou victime, dans les circonstances visées à l'article 77quater, 1°, en ce qui concerne uniquement les mineurs non accompagnés, à 5°, de l'infraction au sens de l'article 77bis, ils en informent immédiatement le ministre ou son délégué et ils informent l'étranger de la possibilité d'obtenir un titre de séjour en coopérant avec les autorités compétentes chargées de l'enquête ou des poursuites concernant ces infractions et le mettent en contact avec un centre reconnu par les autorités compétentes, spécialisé dans l'accueil des victimes de ces infractions.
  § 2. Le ministre ou son délégué délivre, à l'étranger visé au § 1er, qui ne dispose pas d'un titre de séjour et qui est accompagné par un centre spécialisé dans l'accueil des victimes, reconnu par les autorités compétentes, un ordre de quitter le territoire avec un délai de 45 jours afin de lui donner la possibilité d'introduire une plainte ou de faire des declarations concernant les personnes ou les réseaux qui se seraient rendus coupables de l'infraction visée à l'article 433 quinquies du Code pénal ou, dans les circonstances visées à l'article 77quater, 1°, en ce qui concerne uniquement les mineurs non accompagnés, à 5°, de l'infraction au sens de l'article 77bis.
  L'étranger visé à l'alinéa 1er, qui est âgé de moins de dix-huit ans et qui est arrivé dans le Royaume sans être accompagné d'un étranger majeur responsable de lui par la loi et n'ait pas été effectivement pris en charge par une telle personne par la suite, ou ait été laissé seul après être entré dans le Royaume, est mis en possession du document provisoire de séjour prévu à l'article 61/3, § 1er. Il est dûment tenu compte de l'intérêt supérieur de l'enfant pendant l'ensemble de la procédure.
  Si l'étranger visé à l'alinéa 1er, a immédiatement introduit une plainte ou fait des déclarations concernant les personnes ou les réseaux qui se seraient rendus coupables de l'infraction visée à l'article 433quinquies du Code penal ou, dans les circonstances visées à l'article 77quater, 1°, en ce qui concerne uniquement les mineurs non accompagnés, à 5°, de l'infraction au sens de l'article 77bis, le centre d'accueil spécialisé qui assure son accompagnement peut demander au ministre ou à son délégué de lui délivrer le document provisoire de séjour visé à l'article 61/3,§ 1er.
  § 3. Le ministre ou son délégué peut, à tout moment, décider de mettre fin, au délai prévu au § 2, s'il est établi que l'étranger a activement, volontairement et de sa propre initiative, renoué un lien avec les auteurs présumés de l'infraction visée à l'article 433quinquies du Code pénal ou de l'infraction de trafic des êtres humains au sens de l'article 77bis, ou s'il est considéré comme pouvant compromettre l'ordre public ou à la sécurite nationale. "
Art. 66. In dezelfde wet wordt een artikel 61/3 ingevoegd, luidende :
  " Art. 61/3. § 1. De minister of zijn gemachtigde stelt de in artikel 61/2, § 1, bedoelde vreemdeling die, tijdens de in artikel 61/2, § 2, eerste lid, bepaalde termijn, een klacht heeft ingediend of verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot de personen of de netwerken die zich schuldig zouden gemaakt hebben aan het misdrijf bedoeld in 433quinquies van het Strafwetboek of het misdrijf bedoeld in artikel 77bis onder de omstandigheden bepaald in artikel 77quater, 1°, uitsluitend voor wat de niet begeleide minderjarigen betreft, tot 5°, in het bezit van een verblijfsdocument met een geldigheidsduur van maximaal drie maanden.
  De Koning bepaalt het model van het tijdelijk verblijfsdocument.
  § 2. De minister of zijn gemachtigde verzoekt de procureur des Konings of de arbeidsauditeur hem voor het verstrijken van de geldigheidsduur van het overeenkomstig § 1 afgegeven verblijfsdocument mee te delen of betrokken vreemdeling nog kan beschouwd worden als een slachtoffer van het misdrijf bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of het misdrijf bedoeld in artikel 77bis onder de omstandigheden bepaald in artikel 77quater, of het onderzoek of de gerechtelijke procedure nog loopt, hij blijk geeft van bereidheid tot medewerking en hij alle banden met de vermoedelijke daders van deze misdrijven heeft verbroken.
  De in het eerste lid voorziene verblijfsdocument kan voor één enkele nieuwe periode van maximaal drie maanden worden verlengd indien dit nodig is voor het onderzoek of indien de minister of zijn gemachtigde, rekening houdend met de elementen van het dossier, van oordeel is dat dit opportuun is.
  § 3. De minister of zijn gemachtigde kan op elk moment beslissen om de machtiging tot verblijf te beëindigen indien wordt vastgesteld dat de vreemdeling actief, vrijwillig en uit eigen beweging opnieuw contact heeft opgenomen met de vermoedelijke plegers van de misdrijven bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of artikel 77bis alsmede indien hij wordt beschouwd als een mogelijk gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
  § 4. De vreemdeling moet proberen zijn identiteit te bewijzen door zijn paspoort of daarmee gelijkgestelde reistitel of door zijn nationale identiteitskaart over te leggen. "
Art. 66. Un article 61/3, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 61/3. § 1er. Le ministre ou son délégué délivre un document de séjour pour une durée de validité de trois mois au maximum, à l'étranger visé à l'article 61/2, § 1er, qui a introduit, au cours du délai fixé à l'article 61/2,§ 2, alinéa 1er, une plainte ou une déclaration concernant les personnes ou les réseaux qui se seraient rendus coupables de l'infraction visée à l'article 433quinquies du Code pénal ou, dans les circonstances visées à l'article 77quater, 1°, en ce qui concerne uniquement les mineurs non accompagnés, à 5°, de l'infraction au sens de l'article 77bis.
  Le Roi détermine le modèle du document provisoire de séjour.
  § 2. Le ministre ou son délégué demande au procureur du Roi ou à l'auditeur du travail de l'informer, avant l'expiration de la durée de validité du document de séjour délivré conformément au § 1er, que l'étranger concerné peut toujours être considéré comme une victime de l'infraction visée à l'article 433quinquies du Code pénal ou, dans les circonstances visées à l'article 77quater, de l'infraction au sens de l'article 77bis, que l'enquête ou la procédure judiciaire est toujours en cours, que l'étranger concerné manifeste une volonté claire de coopération et qu'il a rompu tout lien avec les auteurs présumés de cette infraction.
  Le document provisoire de séjour visé à l'alinéa 1er, peut être prolongée pour une seule nouvelle période de trois mois au maximum, si l'enquête le nécessite ou si le ministre ou son délégué l'estime opportun en tenant compte des éléments du dossier.
  § 3. Le ministre ou son délégué peut, à tout moment, décider de mettre fin à cette autorisation de séjour s'il est établi que l'étranger a activement, volontairement et de sa propre initiative, renoué un lien avec les auteurs présumés de l'infraction visée à l'article 433quinquies du Code pénal ou à l'article 77bis, ou s'il est considéré comme pouvant compromettre l'ordre public ou à la sécurité nationale.
  § 4. L'étranger doit essayer de prouver son identité en présentant son passeport ou un titre de voyage en tenant lieu ou sa carte d'identité nationale. "
Art. 67. In dezelfde wet wordt artikel 61/4 ingevoegd, luidende :
  " Art. 61/4. § 1. De minister of diens gemachtigde machtigt de in artikel 61/3, § 1, bedoelde vreemdeling tot een verblijf voor een periode van zes maanden indien de procureur des Konings of de arbeidsauditeur hem bevestigen dat het onderzoek of de gerechtelijke procedure nog loopt, dat de vreemdeling blijk geeft van zijn bereidheid tot medewerking en op voorwaarde dat de vreemdeling alle banden met de vermoedelijke plegers van de misdrijven voorzien in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of artikel 77bis heeft verbroken en hij geen gevaar uitmaakt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
  De inschrijving in het vreemdelingenregister en de afgifte van de verblijfstitel die dit bewijst gebeuren in overeenstemming met de bepalingen van artikel 12. De geldigheidsduur van de verblijfstitel en de verlenging of vernieuwing van de verblijfstitel worden vastgesteld door artikel 13, tweede lid.
  § 2. Tijdens de geldigheidsduur van de verblijfstitel of bij de verlenging of vernieuwing ervan kan de minister of zijn gemachtigde het verblijf van de vreemdeling beëindigen en hem, indien dat nodig is, het bevel geven om het grondgebied te verlaten indien hij vaststelt dat :
  1° de vreemdeling actief, vrijwillig en uit eigen beweging opnieuw contact heeft opgenomen met de vermoedelijke plegers van het misdrijf bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of het misdrijf bedoeld in artikel 77bis;
  2° de vreemdeling niet meer meewerkt;
  3° de gerechtelijke autoriteiten besloten hebben om de procedure te beëindigen.
  Het eerste lid is eveneens van toepassing indien de minister of zijn gemachtigde de vreemdeling als een mogelijk gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid beschouwt of, in samenwerking met de gerechtelijke autoriteiten, van oordeel is dat de medewerking van de vreemdeling bedrieglijk is of dat zijn klacht bedrieglijk of ongegrond is. ".
Art. 67. Un article 61/4, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 61/4. § 1er. Le ministre ou son délégué autorise l'étranger visé à l'article 61/3, § 1er, au séjour pour une durée de six mois, lorsque le Procureur du Roi ou l'auditeur du travail lui a confirmé que l'enquête ou la procédure judiciaire est toujours en cours, que l'étranger manifeste une volonté claire de coopération et pour autant que celui-ci a rompu tout lien avec les auteurs présumés de l'infraction visée à l'article 433quinquies du Code pénal ou à l'article 77bis, et n'est pas considéré comme pouvant compromettre l'ordre public ou à la sécurité nationale.
  L'inscription au registre des étrangers et la délivrance du titre de séjour faisant foi de celle-ci ont lieu conformément aux dispositions de l'article 12. La durée de validité du titre de séjour ainsi que sa prorogation ou son renouvellement sont fixés par l'article 13, alinéa 2.
  § 2. Pendant la durée de validite du titre de séjour ou lors de sa prorogation ou de son renouvellement, le ministre ou son délégué peut mettre fin au séjour de l'étranger et, le cas échéant, lui donner l'ordre de quitter le territoire, s'il constate que :
  1° l'étranger a activement, volontairement et de sa propre initiative, renoué un lien avec les auteurs présumés de l'infraction visée à l'article 433quinquies du Code pénal ou à l'article 77bis;
  2° l'étranger a cessé de coopérer;
  3° les autorités judiciaires ont décidé de mettre fin à la procédure.
  L'alinéa 1er est également applicable lorsque le ministre ou son délégué considère l'étranger comme pouvant compromettre l'ordre public ou à la sécurité nationale ou estime, en coopération avec les autorités judiciaires, que la coopération de l'étranger est frauduleuse ou que sa plainte est frauduleuse ou non fondée. ".
Art. 68. In dezelfde wet wordt een artikel 61/5 ingevoegd, luidende :
  " Art. 61/5. De minister of zijn gemachtigde kan de vreemdeling die het slachtoffer is van het misdrijf bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of het misdrijf bedoeld in artikel 77bis in de omstandigheden bepaald in artikel 77quater, 1°, uitsluitend voor wat de niet begeleide minderjarigen betreft, tot 5°, tot een verblijf van onbepaalde duur machtigen indien diens klacht of verklaring heeft geleid tot een veroordeling, of indien de procureur des Konings of de arbeidsauditeur in zijn vorderingen de tenlastelegging van mensenhandel of mensensmokkel onder de verzwarende omstandigheid voorzien in artikel 77quater heeft weerhouden. "
Art. 68. Un article 61/5, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 61/5. Le ministre ou son délégué peut autoriser au séjour pour une durée illimitée l'étranger victime de l'infraction visée à l'article 433quinquies du Code penal ou victime, dans les circonstances visées à l'article 77quater, 1°, en ce qui concerne uniquement les mineurs non accompagnés, à 5°, de l'infraction au sens de l'article 77bis, lorsque sa déclaration ou sa plainte a abouti à une condamnation ou si le Procureur du Roi ou l'auditeur du travail a retenu dans ses réquisitions la prévention de traite des êtres humains ou de trafic des êtres humains sous les circonstances aggravantes prévues à l'article 77quater. "
Art. 69. Hoofdstuk Ibis van dezelfde wet, houdende de artikelen 63/2 tot 63/5, wordt opgeheven.
Art. 69. Le chapitre Ierbis, de la même loi, contenant les articles 63/2 à 63/5, est abrogé.
Art. 70. De artikelen 64, 65, 66, eerste en tweede lid, en 67, van dezelfde wet, worden opgeheven.
Art. 70. Les articles 64, 65, 66, alinéas 1er et 2, et 67, de la même loi, sont abroges.
Art. 71. In artikel 68, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1993, 15 juli 1996 en 18 februari 2003, worden de woorden "52bis, derde lid" vervangen door de woorden "52/4, derde lid" en wordt de verwijzing naar artikel 63/5, derde lid, en artikel 67 geschrapt.
Art. 71. A l'article 68, alinéa 1er, de la même loi, modifié par les lois des 6 mai 1993, 15 juillet 1996 et 18 fevrier 2003, les mots "52bis, alinéa 3", sont remplacés par les mots "52/4, alinéa 3" et la référence à l'article 63/5, alinéa 3, et à l'article 67 est supprimée.
Art. 72. Artikel 74/4bis, § 2, gewijzigd bij de wetten van 15 juli 1996 en 18 februari 2003, wordt vervangen als volgt :
  " § 2. Het bedrag van de administratieve geldboete wordt teruggegeven indien de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de hoedanigheid van vluchteling erkent of de subsidiaire beschermingsstatus toekent aan de vreemdeling die niet in het bezit is van de in artikel 2 voorziene documenten en die aan de grens een asielaanvraag heeft ingediend.
  Het bedrag van de administratieve geldboete wordt eveneens teruggegeven indien de betrokken vreemdeling tijdelijke bescherming geniet overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk IIbis. "
Art. 72. L'article 74/4bis, § 2, modifié par les lois du 15 juillet 1996 et du 18 février 2003, est remplacé par la disposition suivante :
  " § 2. Le montant de l'amende administrative est remboursé lorsque le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou le Conseil du Contentieux des étrangers reconnaît la qualité de réfugié ou octroie le statut de protection subsidiaire à l'étranger qui n'est pas en possession des documents requis à l'article 2 et qui a introduit une demande d'asile à la frontière.
  Le montant de l'amende administrative est également remboursé si l'intéressé jouit de la protection temporaire conformément aux dispositions du chapitre IIbis. "
Art. 73. In artikel 74/5 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 juli 1991 en gewijzigd bij de wetten van 15 juli 1996, 9 maart 1998 en 29 april 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, 2°, worden de woorden "die zich vluchteling verklaart en aan de grens vraagt als dusdanig erkend te worden" vervangen door de woorden "en die aan de grens een asielaanvraag heeft ingediend".
  2° in § 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in het eerste lid worden in punt 1° de woorden ", een uitvoerbare beslissing tot weigering van toegang tot het grondgebied of een uitvoerbare bevestigende beslissing tot weigering van toegang tot het grondgebied" opgeheven;
  b) in het eerste lid worden in punt 2° de woorden "de beslissing of" opgeheven;
  c) een vijfde lid wordt toegevoegd, luidende :
  " De duur van de vasthouding wordt van rechtswege opgeschort gedurende de aangewende termijn om een verzoekschrift in te dienen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zoals bedoeld in artikel 39/57. Indien overeenkomstig artikel 39/76, § 1, voorlaatste lid, een onderzoekstermijn wordt verleend aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen om de nieuwe gegevens te onderzoeken, wordt de duur van de vasthouding eveneens van rechtswege opgeschort gedurende een termijn van maximaal een maand. "
  3° in § 4 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in punt 1° worden de woorden "beslissing of" opgeheven;
  b) in punt 2° worden de woorden "beslissing of" opgeheven;
  c) een punt 4° wordt toegevoegd, luidend als volgt :
  " 4° de vreemdeling die als vluchteling erkend wordt of aan wie de subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend. ";
  4° § 5, tweede lid, wordt vervangen als volgt :
  " De beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus overeenkomstig artikel 52, § 1, getroffen ten aanzien van de vreemdeling bedoeld in § 1, 2°, die toegelaten wordt het Rijk binnen te komen, wordt van rechtswege gelijkgesteld met een beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus in de zin van artikel 52, § 2. ";
  5° in § 5, derde lid, worden de woorden "of aan de beslissing tot weigering van verblijf" opgeheven;
  6° § 6 wordt vervangen als volgt :
  " § 6. Wanneer de vreemdeling bedoeld in § 1, 2°, de plaats waar hij wordt vastgehouden, zonder toestemming verlaat tijdens de termijn waarbinnen een beroep kan worden ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen of tijdens de duur van het onderzoek van dat beroep, wordt de beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus overeenkomstig artikel 52, § 1, van rechtswege gelijkgesteld met een beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus in de zin van artikel 52, § 2.
  In alle gevallen wordt de beslissing tot weigering van toegang tot het grondgebied van rechtswege gelijkgesteld met een beslissing tot weigering van verblijf. "
Art. 73. A l'article 74/5 de la même loi, inséré par la loi du 18 juillet 1991 et modifié par les lois des 15 juillet 1996, du 9 mars 1998 et du 29 avril 1999, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, 2°, les mots "qui se déclare réfugié et demande, à la frontière, à être reconnu comme tel" sont remplacés par les mots "et qui introduit une demande d'asile à la frontière".
  2° au § 3, sont apportées les modifications suivantes :
  a) à l'alinéa 1er, au point 1°, les mots "d'une décision de refus d'entrée executoire ou d'une décision confirmative de refus d'entrée exécutoire" sont supprimés;
  b) à l'alinéa 1er, au point 2°, les mots "de la décision ou" sont supprimés;
  c) il est inseré un alinéa 5, rédigé comme suit :
  " La durée du maintien est suspendue d'office pendant le délai utilisé pour introduire un recours auprès du Conseil du contentieux des étrangers, tel que prévu à l'article 39/57. Lorsque un délai d'examen est octroyé au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides pour examiner les nouveaux éléments, conformément à l'article 39/76, § 1er, avant-dernier alinéa, la durée du maintien est également suspendue d'office pendant un délai d'un mois au maximum. "
  3° au § 4, sont apportées les modifications suivantes :
  a) au point 1°, les mots "d'aucune décision ou" sont supprimés;
  b) au point 2°, les mots "d'une décision ou" sont supprimés;
  c) il est inséré un point 4°, rédigé comme suit :
  " 4° l'étranger qui est reconnu réfugié ou auquel le statut de protection subsidiaire est accordé. ";
  4° le § 5, alinéa 2, est remplacé comme suit :
  " La décision de refus du statut de réfugié ou du statut de protection subsidiaire prise, conformément a l'article 52, § 1er, à l'encontre de l'étranger visé au § 1er, 2°, qui est admis à entrer dans le Royaume, est assimilée de plein droit à une décision de refus du statut de réfugié au sens de l'article 52, § 2. ";
  5° au § 5, alinéa 3, les mots "ou la décision de refus de séjour" sont supprimes;
  6° le § 6 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 6. Si l'étranger visé au § 1er, 2°, quitte l'endroit où il est maintenu, sans autorisation, durant le délai pendant lequel un recours peut être introduit auprès du Conseil du Contentieux des étrangers ou durant la période de l'examen de ce recours, la décision de refus du statut de réfugié ou du statut de protection subsidiaire prise conformément à l'article 52, § 1er, est de plein droit assimilée à une décision de refus du statut de réfugié ou du statut de protection subsidiaire au sens de l'article 52, § 2.
  Dans tous les cas, la décision de refus d'entrée sur le territoire est assimilée de plein droit à une décision de refus de séjour. "
Art. 74. In artikel 74/6 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 6 mei 1993 en gewijzigd bij de wetten van 15 juli 1996 en 29 april 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1 worden de woorden "en aan wie de toegang tot 's lands grondgebied of de toelating om in de hoedanigheid van kandidaat-vluchteling in het Rijk te verblijven werd ontzegd krachtens artikel 52" vervangen door de woorden "en aan wie de vluchtelingenstatus of subsidiaire beschermingsstatus geweigerd werd door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen krachtens artikel 52";
  2° er wordt een § 1bis ingevoegd, luidende :
  " § 1bis. De vreemdeling die het Rijk binnengekomen is zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden of wiens verblijf opgehouden heeft regelmatig te zijn en die een asielaanvraag indient, kan door de minister of zijn gemachtigde in een welbepaalde plaats worden vastgehouden teneinde de effectieve verwijdering van het grondgebied van de vreemdeling te waarborgen indien :
  1° de vreemdeling sedert minder dan tien jaar uit het Rijk teruggewezen of uitgezet werd, zo de maatregel niet opgeschort of ingetrokken werd; of
  2° de vreemdeling, na zijn land verlaten te hebben of na het feit dat hem ertoe gebracht heeft ervan verwijderd te blijven, langer dan drie maanden in een ander land verbleven heeft en dit heeft verlaten, zonder vrees in de zin van artikel 1, A (2), van het Verdrag van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3, en zonder dat er zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat hij een reëel risico loopt op het lijden van ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4; of
  3° de vreemdeling, na zijn land verlaten te hebben of na het feit dat hem ertoe gebracht heeft ervan verwijderd te blijven, gedurende een totale duur van langer dan drie maanden in verschillende andere landen verbleven heeft, en het laatste van die landen verlaten heeft zonder vrees in de zin van artikel 1, A (2), van het Verdrag van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3, en zonder dat er zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat hij een reëel risico loopt op het lijden van ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4; of
  4° de vreemdeling in het bezit is van een geldig vervoerbewijs voor een ander land, op voorwaarde dat hij reisdocumenten bij zich heeft waarmee hij naar dat land kan doorreizen; of
  5° de vreemdeling zijn aanvraag zonder verantwoording ingediend heeft na het verstrijken van de in artikel 50, eerste lid, 50bis, tweede lid of 51, eerste lid of tweede lid, bepaalde termijn of, zonder verantwoording overeenkomstig artikel 51/6, eerste lid, of artikel 51/7, tweede lid, niet aan de meldingsplicht voldaan heeft; of
  6° de vreemdeling zich vrijwillig onttrokken heeft aan een bij de grens ingezette procedure; of
  7° de vreemdeling bedoeld in artikel 54, § 1, eerste lid, zich gedurende minstens vijftien dagen onttrekt aan de meldingsplicht waarvan de nadere regels bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit worden bepaald; of
  8° de vreemdeling zijn aanvraag niet ingediend heeft op het ogenblik dat de met grenscontrole belaste autoriteiten nadere toelichting vragen over zijn motief om naar België te reizen, en daarvoor geen verantwoording heeft verstrekt; of
  9° de vreemdeling reeds een andere asielaanvraag ingediend heeft; of
  10° de vreemdeling weigert zijn identiteit of nationaliteit mee te delen of valse informatie verstrekt met het oog op het vaststellen van zijn identiteit of nationaliteit of valse of vervalste identiteits- of reisdocumenten verstrekt; of
  11° de vreemdeling een identiteits- of reisdocument dat ertoe kon bijdragen dat zijn identiteit of nationaliteit werd vastgesteld, heeft vernietigd of zich daarvan ontdaan heeft; of
  12° de vreemdeling een asielaanvraag indient teneinde de uitvoering van een eerdere of van een op handen zijnde beslissing die tot zijn verwijdering zou leiden, uit te stellen of te verijdelen; of
  13° de vreemdeling de in artikel 51/3 bedoelde afname van vingerafdrukken bemoeilijkt; of
  14° de vreemdeling bij het indienen van zijn asielaanvraag niet aangegeven heeft dat hij reeds een asielaanvraag in een ander land heeft ingediend; of
  15° de vreemdeling weigert de in artikel 51/10, eerste lid, bedoelde verklaring af te leggen. "
  3° In § 2 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in het eerste lid, wordt het woord "§ 1" vervangen door de woorden "§§ 1 en 1bis", worden de woorden "of van een uitvoerbare bevestigende beslissing tot weigering van verblijf" opgeheven en worden de woorden "nadat de beslissing tot weigering van verblijf uitvoerbaar is geworden" ingevoegd tussen de woorden "binnen zeven werkdagen" en ", wanneer zij worden voortgezet met de vereiste zorgvuldigheid";
  b) een vijfde lid wordt toegevoegd, luidende :
  " De duur van de vasthouding wordt van rechtswege opgeschort gedurende de aangewende termijn om een verzoekschrift in te dienen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zoals bedoeld in artikel 39/57. Indien overeenkomstig artikel 39/76, § 1, laatste lid, een onderzoekstermijn wordt verleend aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen om de nieuwe gegevens te onderzoeken, wordt de duur van de vasthouding eveneens van rechtswege opgeschort gedurende een termijn van maximaal een maand. "
Art. 74. A l'article 74/6 de la même loi, inséré par la loi du 6 mai 1993 et modifié par les lois des 15 juillet 1996 et 29 avril 1999, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, les mots "et qui, en vertu de l'article 52, se voit refuser l'accès au territoire national ou l'autorisation de séjourner dans le Royaume en tant que candidat réfugié," sont remplacés par les mots "et qui, en vertu de l'article 52, se voit refuser le statut de refugié ou le statut de protection subsidiaire par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides";
  2° il est inséré un § 1erbis, rédigé comme suit :
  " § 1erbis. L'étranger qui est entré dans le Royaume sans satisfaire aux conditions fixées à l'article 2 ou dont le séjour a cessé d'être régulier, et qui introduit une demande d'asile, peut être maintenu par le ministre ou son délégué dans un lieu déterminé afin de garantir l'éloignement effectif du territoire, lorsque :
  1° l'étranger a été renvoyé ou expulsé du Royaume depuis moins de 10 ans et cette mesure n'a pas été suspendue ou rapportée; ou
  2° l'étranger a, après avoir quitté son pays ou après le fait l'ayant amené à en demeurer éloigné, résidé plus de trois mois dans un pays tiers, sans crainte au sens de l'article 1er, A(2), de la Convention de Genève, tel que déterminé à l'article 48/3 et sans motifs sérieux qui prouvent le risque réel qu'il subisse une atteinte grave telle que déterminée à l'article 48/4; ou
  3° l'étranger a, après avoir quitté son pays ou après le fait l'ayant amené à en demeurer éloigné, résidé dans plusieurs pays tiers pendant une durée totale supérieure à trois mois, sans crainte au sens de l'article 1er, A (2), de la Convention de Genève, tel que déterminé à l'article 48/3 et sans motifs sérieux qui prouvent le risque réel qu'il subisse une atteinte grave telle que déterminée à l'article 48/4;ou
  4° l'étranger est en possession d'un titre de transport valable à destination d'un pays tiers, à la condition qu'il dispose des documents de voyage lui permettant de poursuivre son trajet vers ledit pays; ou
  5° l'étranger a, sans justification, présenté sa demande après l'expiration du délai fixé à l'article 50, alinéa 1er, 50bis, alinéa 2 ou 51, alinéa 1er ou 2, ou n'a pas satisfait, sans justification, à l'obligation de présentation conformément à l'article 51/6, alinéa 1er, ou 51/7, alinéa 2; ou
  6° l'étranger s'est soustrait volontairement à une procédure entamée à la frontière; ou
  7° l'étranger visé à l'article 54, § 1er, alinéa 1er, se soustrait, pendant au moins quinze jours, à l'obligation de présentation dont les modalités sont déterminées par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres; ou
  8° l'étranger n'a pas introduit sa demande au moment où les autorités chargées du contrôle aux frontières l'interrogent sur les raisons de sa venue en Belgique et n'a pas apporté de justification à ce sujet; ou
  9° l'étranger a déjà introduit une autre demande d'asile; ou
  10° l'étranger refuse de communiquer son identité ou sa nationalité, fournit de fausses informations pour établir son identité ou sa nationalité, ou a présenté des documents de voyage ou d'identité faux ou falsifiés; ou
  11° l'étranger a détruit ou s'est débarrassé d'un document de voyage ou d'identité qui pouvait contribuer à constater son identité ou sa nationalité; ou
  12° l'étranger introduit une demande d'asile dans le but de reporter ou de déjouer l'exécution d'une décision précédente ou imminente devant conduire à son éloignement; ou
  13° l'étranger entrave la prise d'empreintes digitales visée à l'article 51/3; ou
  14° l'étranger a omis de déclarer qu'il avait déjà introduit une demande d'asile dans un autre pays lorsqu'il introduit sa demande d'asile; ou
  15° l'étranger refuse de déposer la déclaration visée à l'article 51/10, alinéa 1er. "
  3° Au § 2, sont apportées les modifications suivantes :
  a) à l'alinéa 1er, le mot "§ 1" est remplacé par les mots "§§ 1er et 1bis", les mots "ou d'une décision confirmative de refus de séjour exécutoire," sont supprimés et les mots "après que la décision de refus de séjour est devenue exécutoire" sont insérés entre les mots "dans les sept jours ouvrables" et les mots ", qu'elles sont poursuivies avec toute la diligence requise";
  b) il est inséré un alinéa 5, rédigé comme suit :
  " La durée du maintien est suspendue d'office pendant le délai utilisé pour introduire un recours auprès du Conseil du contentieux des étrangers, tel que prévu à l'article 39/57. Lorsqu'un délai d'examen est octroyé au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides pour examiner les nouveaux éléments, conformément à l'article 39/76, § 1er, dernier alinéa, la durée du maintien est également suspendue d'office pendant un délai d'un mois au maximum. "
Art. 75. In artikel 74/8 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 juli 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1 worden de woorden "74/6, § 1" vervangen door de woorden "74/6, §§ 1 en 1bis";
  2° in § 4, tweede lid, worden de woorden "van het koninklijk besluit nr. 34 van 20 juli 1967 betreffende de tewerkstelling van werknemers van vreemde nationaliteit" vervangen door de woorden "van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers".
Art. 75. A l'article 74/8 de la même loi, inséré par la loi du 15 juillet 1996, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, les mots "74/6, § 1er" sont remplacés par les mots "74/6, §§ 1er et 1erbis";
  2° au § 4, alinéa 2, les mots "ainsi qu'à l'arrêté royal n° 34 du 20 juillet 1967 relatif à l'occupation des travailleurs de nationalité étrangère" sont remplacés par les mots "ainsi qu'à la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation de travailleurs étrangers".
HOOFDSTUK III. - Overgangsbepalingen.
CHAPITRE III. - Dispositions transitoires.
Art. 76. § 1. Vanaf haar inwerkingtreding is deze wet van toepassing op alle bij haar bepalingen bedoelde toestanden.
  § 2. In de hierna volgende gevallen wordt evenwel afgeweken van het principe vermeld onder § 1 :
  1° De artikelen 9bis en 9ter van de wet van 15 december 1980 zijn van toepassing op de aanvragen die ingediend worden na de inwerkingtreding van de wet.
  2° Met uitzondering van zijn punt 4° is artikel 11, § 2, van de wet van 15 december 1980, ingevoegd door artikel 9 van deze wet, van toepassing op de vreemdelingen die na de datum van de inwerkingtreding van deze wet tot een verblijf worden toegelaten.
  3° De artikelen 13 en 14 van deze wet zijn van toepassing op de vreemdelingen die na de datum van de inwerkingtreding van deze wet een machtiging tot vestiging aanvragen.
Art. 76. § 1er. A partir de son entrée en vigueur, la présente loi est d'application à toutes les situations visées par ses dispositions.
  § 2. Il est toutefois dérogé au principe mentionné au § 1er dans les cas suivants :
  1° Les articles 9bis et 9ter de la loi du 15 décembre 1980 sont d'application aux demandes introduites après l'entrée en vigueur de la loi.
  2° A l'exception de son point 4°, l'article 11, § 2, de la loi du 15 décembre 1980, inséré par l'article 9 de la présente loi, est applicable aux étrangers admis au séjour après la date d'entrée en vigueur de la présente loi.
  3° Les articles 13 et 14 de la présente loi sont applicables aux etrangers qui demandent l'autorisation d'établissement après la date d'entrée en vigueur de la présente loi.
Art. 76bis. <INGEVOEGD bij W 2006-12-27/32, art. 363; Inwerkingtreding : 10-10-2006; in werking tot daags voor de datum van inwerkingtreding van artikel 5 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen> § 1. In afwachting van de inwerkingtreding van artikel 5, moet de vreemdeling die niet beschouwd kan worden als vluchteling en die medische elementen inroept, een aanvraag voor een machtiging tot verblijf richten aan de minister of zijn gemachtigde op basis van artikel 9, eerste en derde lid, van de wet van 15 december 1980, behalve indien hij reeds vroeger een aanvraag op basis van deze elementen heeft ingediend.
  De betrokken vreemdeling kan zich op geen enkel moment beroepen op artikel 48/4 van dezelfde wet, tenzij hij een reëel risico loopt op andere ernstige schade in zin van artikel 48/4, § 2.
  § 2. Wanneer de minister of zijn gemachtigde een machtiging tot verblijf verleent aan de vreemdeling bedoeld in § 1, eerste lid, omdat hij van oordeel is dat deze op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft, wordt deze machtiging verleend voor beperkte duur en wordt deze onbeperkt bij het verstrijken van een periode van vijf jaar nadat de aanvraag tot machtiging werd aangevraagd.
  De minister of zijn gemachtigde kan, gedurende het verblijf van beperkte duur van de vreemdeling, te allen tijde een einde stellen aan het verblijf van deze krachtens artikel 55/5 van de wet van 15 december 1980, en hem het bevel geven het land te verlaten.
  De minister of zijn gemachtigde kan bovendien, gedurende een periode van tien jaar die volgen op de aanvraag tot machtiging tot verblijf, een einde stellen aan het verblijf van de vreemdeling en hem het bevel geven het grondgebied te verlaten, wanneer hij deze machtiging bekomen heeft op grond van feiten die hij verkeerd heeft weergegeven of achtergehouden of van valse verklaringen, of van valse of vervalste documenten die van doorslaggevend belang zijn geweest voor de toekenning van de machtiging.
Art. 76bis. § 1er. Dans l'attente de l'entrée en vigueur de l'article 5, l'étranger qui ne peut être considéré comme un réfugié et qui invoque des éléments médicaux doit adresser une demande d'autorisation de séjour au ministre ou à son délégué sur la base de l'article 9, alinéas 1er et 3, de la loi du 15 décembre 1980, sauf s'il a déjà introduit une demande basée sur ces éléments antérieurement.
  L'étranger concerné ne peut à aucun moment se prévaloir de l'article 48/4 de la même loi, sauf s'il invoque un risque réel d'une autre atteinte grave au sens de l'article 48/4, § 2.
  § 2. Lorsque le ministre ou son délégué octroie une autorisation de séjour à l'étranger visé au § 1er, alinéa 1er, parce qu'il estime que celui-ci souffre d'une maladie dans un état tel qu'elle entraîne un risque réel pour sa vie ou son intégrité physique ou un risque réel de traitement inhumain ou dégradant lorsqu'il n'existe aucun traitement adéquat dans son pays d'origine ou dans le pays où il séjourne, cette autorisation est donnée pour une durée limitée et devient illimitée à l'expiration de la période de cinq ans suivant la demande d'autorisation de séjour.
  Le ministre ou son délégué peut, au cours du sejour limité de l'étranger, mettre fin à tout moment au séjour de celui-ci en vertu de l'article 55/5 de la loi du 15 décembre 1980 et lui donner l'ordre de quitter le territoire.
  Le ministre ou son délégué peut en outre, au cours des dix années suivant la demande d'autorisation de séjour, mettre fin au séjour de l'étranger et lui donner l'ordre de quitter le territoire, lorsque celui-ci a obtenu l'autorisation de séjour sur la base de faits présentés de manière altérée ou qu'il a dissimulés, de fausses declarations ou de documents faux ou falsifiés, qui ont été déterminants dans l'octroi de l'autorisation.
Art. 76ter. <INGEVOEGD bij W 2006-12-27/32, art. 364, 002; Inwerkingtreding : 07-01-2007> De vreemdeling die op het ogenblik van de inwerkingtreding van artikel 6 gemachtigd wordt tot een verblijf voor beperkte duur met toepassing van de criteria bepaald in de omzendbrief van 30 september 1997 betreffende het verlenen van een verblijfsmachtiging op basis van samenwoonst in het kader van een duurzame relatie, wordt vanaf dat ogenblik beschouwd als zijnde toegelaten tot een verblijf voor beperkte duur op grond van artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, en artikel 13, § 1, derde lid, van de wet van 15 december 1980 indien de partner die geen onderdaan is van een Lidstaat van de Europese Unie, die hij is komen vervoegen, in het Rijk verblijft voor onbeperkte duur of als zijnde gemachtigd tot een verblijf voor beperkte duur op grond van artikel 10bis, § 2, en artikel 13, § 1, zesde lid, van de wet van 15 december 1980, indien de partner die geen onderdaan is van een Lidstaat van de Europese Unie, die hij is komen vervoegen, in het Rijk verblijft voor een beperkte duur.
  Voordat er drie jaren verstreken zijn sedert de afgifte van de eerste verblijfstitel aan de betrokken vreemdeling, kan de minister of zijn gemachtigde een einde stellen aan diens verblijf, in het eerste geval op grond van artikel 11, § 2, eerste lid, 1°, indien er een einde gesteld wordt aan het geregistreerd partnerschap of indien het samenlevingscontract wordt opgezegd, 2° of 3°, of, in het tweede geval, op grond van artikel 13, § 4, eerste lid, 1° of 2°, indien er een einde gesteld wordt aan het geregistreerd partnerschap of indien het samenlevingscontract wordt opgezegd, 3° of 4°, van de wet van 15 december 1980.
  Na het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn, wordt de betrokken partner van de vreemdeling die voor onbeperkte duur in het Rijk verblijft, toegelaten tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk overeenkomstig artikel 13, § 1, derde lid, van de wet van 15 december 1980, en wordt de vreemdeling die de partner is van een vreemdeling die voor beperkte duur in het Rijk verblijft, gemachtigd tot een verblijf voor onbeperkte duur, dit in afwijking van artikel 13, § 1, zesde lid, van dezelfde wet.
Art. 76ter. L'étranger autorisé au séjour pour une durée limitée, en application des critères décrits dans la circulaire du 30 septembre 1997 relative à l'octroi d'une autorisation de séjour sur la base de la cohabitation dans le cadre d'une relation durable, au moment de l'entrée en vigueur de l'article 6, est considéré à partir de ce moment comme admis au séjour limité sur la base de l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 5°, et de l'article 13, § 1er, alinéa 3, de la loi du 15 décembre 1980, si le partenaire non ressortissant d'un Etat membre de l'Union européenne qu'il est venu rejoindre séjourne pour une durée illimitée dans le Royaume, ou comme autorisé au séjour limité sur la base de l'article 10bis, § 2, et de l'article 13, § 1er, alinéa 6, de la loi du 15 décembre 1980, si le partenaire non ressortissant d'un Etat membre de l'Union européenne qu'il est venu rejoindre séjourne pour une durée limitée dans le Royaume.
  Pendant le délai restant sur la période de trois ans suivant la délivrance du premier titre de séjour à l'étranger visé, le ministre ou son délégué peut mettre fin au séjour de celui-ci sur la base, dans le premier cas, de l'article 11, § 2, alinéa 1er, 1°, s'il est mis fin au partenariat enregistré ou si le contrat de vie commune est denoncé, 2° ou 3°, ou, dans le second cas, de l'article 13, § 4, alinéa 1er, 1° ou 2°, s'il est mis fin au partenariat enregistré ou si le contrat de vie commune est dénoncé, 3° ou 4°, de la loi du 15 décembre 1980.
  Après l'expiration du délai visé à l'alinéa 2, le partenaire visé d'un étranger en séjour illimité dans le Royaume est admis au séjour illimité dans le Royaume conformément à l'article 13, § 1er, alinéa 3, de la loi du 15 décembre 1980, et, par dérogation à l'article 13, § 1er, alinéa 6, de la même loi, le partenaire visé d'un étranger en séjour limité dans le Royaume est autorisé au séjour pour une durée illimitée dans le Royaume.
Art. 77. § 1. Vanaf de datum vast te leggen bij koninklijk besluit, zijn de bepalingen inzake de subsidiaire beschermingsstatus van toepassing op alle asielverzoeken die in behandeling zijn of die ingediend worden bij de minister of zijn gemachtigde en de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, met dien verstande dat deze asielverzoeken behandeld worden volgens de procedure die van toepassing is voor de inwerkingtreding van deze wet. Indien de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen vaststelt dat de voorwaarden vervuld zijn aangaande de subsidiaire beschermingsstatus zoals bedoeld in artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980, kent hij deze status toe.
  (NOTA : de datum bedoeld in artikel 77, § 1, is 10 oktober 2006; zie KB 2006-10-03/30, art. 2)
  § 2. Indien de asielprocedure van een vreemdeling afgesloten werd voor de in § 1 bepaalde datum, kan Richtlijn 2004/83/EG alsmede de omzetting van deze richtlijn naar Belgisch recht, niet als een nieuw element, in de zin van artikel 51/8 van de wet van 15 december 1980, ingeroepen worden door de betrokken vreemdeling, tenzij de aanvraag gebaseerd is op elementen die aanleiding kunnen geven tot de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus zoals voorzien in (artikel 48/4) van de wet van 15 december 1980. <W 2006-12-27/32, art. 365, 002; Inwerkingtreding : 10-10-2006>
  § 3. De vreemdeling ten aanzien van wie de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, overeenkomstig artikel 63/5, vierde lid, van de wet van 15 december 1980 een advies heeft verstrekt voor de datum bepaald in § 1 waaruit blijkt dat de terugleiding naar de grens van het land dat de vreemdeling is ontvlucht een gevaar voor zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid oplevert of de vreemdeling ten aanzien van wie de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen in het kader van een beslissing tot weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling op grond van artikel 57/6, eerste lid, 1°, van de wet van 15 december 1980 een gelijkaardig advies heeft verstrekt, wordt vanaf de in § 1 bedoelde datum, na vaststelling van zijn identiteit en op zijn verzoek door de minister of zijn gemachtigde, in het bezit gesteld van een verblijfsdocument overeenkomstig artikel 49/2, § 2 van de wet van 15 december 1980, als genieter van de subsidiaire beschermingsstatus, op voorwaarde dat hij het Belgisch grondgebied niet verlaten heeft na het beëindigen van de asielprocedure, het gevaar bij een terugleiding nog actueel is en de vreemdeling geen gevaar oplevert voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
  De vreemdeling kan bij gebreke aan identiteitsstukken opteren voor een door de minister of zijn gemachtigde uit te voeren vergelijking van zijn vingerafdrukken met de vingerafdrukken die overeenkomstig artikel 51/3 van de wet van 15 december 1980 werden genomen.
  Indien de minister of zijn gemachtigde twijfels heeft inzake de actualiteit van het overeenkomstig artikel 63/5, vierde lid, van de wet van 15 december 1980, verstrekte advies of van het gelijkaardig advies dat verstrekt werd in het kader van een beslissing tot weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling op grond van artikel 57/6, eerste lid, 1°, van de wet van 15 december 1980 moet hij de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen dienaangaande om een advies verzoeken.
  Betrokken vreemdeling dient zijn verzoek te richten tot de burgemeester van de plaats waar hij verblijft, deze zendt de aanvraag over aan de minister of aan diens gemachtigde, die, nadat hij heeft vastgesteld dat de gestelde voorwaarden werden vervuld, opdracht geeft tot afgifte van het overeenkomstig artikel 49/2, § 2, van de wet van 15 december 1980 voorziene verblijfsdocument.
Art. 77. § 1er. A partir de la date à fixer par arrêté royal, les dispositions relatives au statut de protection subsidiaire sont applicables à toutes les demandes d'asile en cours de traitement ou qui sont introduites auprès du ministre ou de son délégué et du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, étant entendu que ces demandes d'asile sont traitées selon la procédure applicable avant l'entrée en vigueur de la présente loi. Lorsque le Commissaire général aux réfugiés constate que les conditions relatives au statut de protection subsidiaire visé à l'article 48/4 de la loi du 15 décembre 1980, sont remplies, il octroie ce statut.
  (NOTE : la date visée à l'article 77, § 1er est le 10-10-2006, voir AR 2006-10-03/30, art. 2)
  § 2. L'étranger dont la procédure d'asile a été clôturée avant la date fixée conformément au § 1er ne peut invoquer la directive 2004/83/CE ainsi que sa transposition dans le droit belge, en tant qu'élément nouveau au sens de l'article 51/8 de la loi du 15 décembre 1980, que si la demande est basée sur des éléments susceptibles de donner lieu à l'octroi de la protection subsidiaire au sens de (l'article 48/4) de la loi du 15 décembre 1980. <L 2006-12-27/32, art. 365, 002; En vigueur : 10-10-2006>
  § 3. L'étranger à l'égard duquel le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides a rendu, avant la date fixée au § 1er, conformément à l'article 63/5, alinéa 4, de la loi du 15 décembre 1980, un avis selon lequel la reconduite de cet étranger à la frontière du pays qu'il a fui entraînerait un danger pour sa vie, son intégrité physique ou sa liberté, ou l'étranger à l'égard duquel le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides a rendu un avis similaire dans le cadre d'une décision de refus de reconnaissance de la qualité de réfugié sur la base de l'article 57/6, alinéa 1er, 1°, de la loi du 15 décembre 1980, est, à partir de la date visée au § 1er, après constatation de son identité et à sa demande, mis en possession d'un titre de séjour en tant que bénéficiaire du statut de protection subsidiaire, conformément à l'article 49/2, § 2, de la loi du 15 décembre 1980, a la condition qu'il n'ait pas quitté le territoire belge après la fin de la procédure d'asile, que le danger en cas de reconduite soit toujours actuel et que l'étranger ne présente pas de risque pour l'ordre public ou pour la sécurité nationale.
  A défaut de pièces d'identité, l'étranger peut opter pour la réalisation, par le ministre ou son délégué, d'une comparaison de ses empreintes digitales avec celle prises conformément à l'article 51/3 de la loi du 15 décembre 1980.
  Lorsque le ministre ou son délégué a des doutes quant à l'actualité de l'avis rendu conformément à l'article 63/5, alinéa 4, de la loi du 15 décembre 1980, ou d'un avis similaire rendu dans le cadre d'une décision de refus de reconnaissance de la qualité de réfugié sur la base de l'article 57/6, alinéa 1er, 1°, de la loi du 15 décembre 1980 il doit demander au Commissaire genéral aux réfugiés et aux apatrides de lui rendre un avis à ce sujet.
  L'étranger concerné doit adresser sa demande au bourgmestre du lieu de sa résidence, qui la transmettra au ministre ou à son délégué. Après avoir constaté que les conditions fixées sont remplies, celui-ci donnera l'instruction de délivrer le titre de séjour prévu à l'article 49/2, § 2, de la loi du 15 décembre 1980 à l'étranger concerné.
HOOFDSTUK IV. - Inwerkingtreding.
CHAPITRE IV. - Entrée en vigueur.
Art. 78. Met uitzondering van dit artikel, treden de overige bepalingen van deze wet in werking op de door de Koning te bepalen data en uiterlijk op de eerste dag van de dertiende maand na die waarin zij in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 77 vastgesteld op 10-10-2006 door KB 2006-10-03/30, art. 1)
  (NOTA van Justel : de datum van inwerkingtreding van art. 5 bepaalt de duur van uitwerk van art. 76bis. Zie W 2006-12-27/32, art. 366.)
  (NOTA : Inwerkingtreding vastgesteld op 01-06-2007 door KB 2007-04-27/58, art. 1, met uitzondering van artikelen 51, 2°, 76bis, ingevoegd bij de wet van 27 december 2006, en 77, gewijzigd bij de wet van 27 december 2006)
  Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
  Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 15 september 2006.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Vice-Eerste Minister en de Minister van Binnenlandse zaken,
  P. DEWAEL
  De Minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen,
  C. DUPONT
  Met 's Lands zegel gezegeld :
  De Minister van Justitie,
  Mevr. L. ONKELINX.
Art. 78. A l'exception du présent article, les autres dispositions de la présente loi entrent en vigueur aux dates fixées par le Roi et au plus tard le premier jour du treizième mois qui suit celui au cours duquel elle aura été publiée au Moniteur belge.
  (NOTE : entrée en vigueur de l'art. 77 fixée au 10-10-2006 par AR 2006-10-03/30, art.1)
  (NOTE de Justel : la date d'entrée en vigueur de l'art. 5 déterminera la date d'expiration de l'art. 76bis. Voir L 2006-12-27/32, art. 366.)
  (NOTE : Entrée en vigueur fixée au 01-06-2007 par AR 2007-04-27/58, art. 1, à l'exception des articles 51, 2°, 76bis, inséré par la loi du 27 décembre 2006, et 77, modifié par la loi du 27 décembre 2006)
  Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
  Donné à Châteauneuf-de-Grasse, le 15 septembre 2006.
  ALBERT
  Par le Roi :
  Le Vice-Premier Ministre et Ministre de l'Intérieur,
  P. DEWAEL
  Le Ministre de la Fonction publique, de l'Intégration sociale, de la Politique des Grandes Villes et de l'Egalité des Chances,
  C. DUPONT
  Scellé du sceau de l'Etat :
  La Ministre de la Justice,
  Mme L. ONKELINX.