Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
17 MAART 2005. - Milieuwetboek - Boek 1 : Algemene en gemeenschappelijke bepalingen. - Regelgevend deel. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 04-05-2005 en tekstbijwerking tot 05-12-2025)
Titre
17 MARS 2005. - Code de l'environnement. - Livre 1er : Dispositions communes et générales. - Partie réglementaire. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 04-05-2005 et mise à jour au 05-12-2025)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
BOEK I. - Gemeenschappelijke en algemene bepali... DEEL I. - Rechtsbeginselen van het leefmilieure... TITEL I. - Beginselen. TITEL II. - Begripsbepalingen. DEEL II. DEEL III. - [1 Informatie, bewustmaking en insp... TITEL I. - Toegang tot leefmilieuinformatie. HOOFDSTUK I. - Type-document. HOOFDSTUK II. - Commissie van beroep HOOFDSTUK III. [1 - Bepalingen tot uitvoering v... TITEL II. [1 - Milieuinitiatie]1 Hoofdstuk 1. [1 - Algemene bepalingen]1 Hoofdstuk 2. [1 - Erkenning]1 Art. R. 34/1. [1 § 1. Elke VZW die voldoet aan ... Titel II/1. [1 - Erkenning en subsidiëring van ... Hoofdstuk 1. [1 - Algemene bepalingen]1 Hoofdstuk 2. [1 - Erkenning van verenigingen al... Afdeling 1. [1 - Procedure voor de erkenning va... Afdeling 2. [1 - Minimuminhoud van de erkenning... Hoofdstuk 3. [1 - Subsidiëring van de verenigin... Hoofdstuk 4. [1 - Monitoring en beoordeling]1 Afdeling 1. [1 - Controle]1 Afdeling 2. [1 - Schorsing en intrekking van er... Hoofdstuk 5. [1 - Beroep]1 Hoofdstuk 6. [1 - Begeleidingscomité]1 HOOFDSTUK IV. - [1 Controle en evaluatie]1 Afdeling 1. - [1 Controle]1 Afdeling 2. - [1 Opschorting en intrekking van ... HOOFDSTUK V. - [1 Beroep]1 HOOFDSTUK VI. - [1 Begeleidingscomité]1 HOOFDSTUK VII. - [1 Overgangs- en slotbepalingen]1 TITEL III. [1 - Inspraak van het publiek inzake... HOOFDSTUK I. [1 - Informatievergadering]1 HOOFDSTUK II. [1 - Bericht van openbaar onderzo... HOOFDSTUK III. [1 - Grensoverschrijdende effect... HOOFDSTUK IV. [1 - Vervangingsbevoegdheid]1 HOOFDSTUK V. [1 - Bekendmaking betreffende de b... HOOFDSTUK VI. [1 - Milieuadviseur]1 DEEL IV. - Milieuplanning in het kader van de d... DEEL V. - Milieueffectbeoordeling. HOOFDSTUK I. - Begripsomschrijvingen. HOOFDSTUK II. - Systeem voor de beoordeling van... Afdeling 1. - Openbaar onderzoek. Afdeling 2. - Grensoverschrijdende effecten. HOOFDSTUK III. [1 - Beoordeling van de effecten... Afdeling I. - Vorm en inhoud van de evaluatienota. Afdeling 2. - Projecten onderworpen aan een mil... Afdeling 3. - Vorm en inhoud van het milieueffe... HOOFDSTUK III. - Auteurs van milieueffectonderz... Afdeling 1. - Erkenning, schorsing en intrekkin... Onderafdeling 1. - Algemeen. Onderafdeling 2. - Erkenningscriteria. Onderafdeling 3. - Procedure voor de verlening ... Onderafdeling 4. - Schorsing of intrekking van ... Afdeling 2. - Keuze van de auteur van het milie... Afdeling 3. - Wraking van een persoon gekozen a... HOOFDSTUK IV. - Openbaar onderzoek voorafgaand ... Afdeling 4. [1 - Modaliteiten betreffende de ze... HOOFDSTUK VI. [1 - Advies betreffende een aan e... HOOFDSTUK VII. - Grensoverschrijdende effecten. HOOFDSTUK VII. - Wijzigings-, opheffings- en sl... DEEL VIII. [1 - Opsporing, vaststelling, vervol... TITEL 1. [1 - Algemene bepalingen.]1 HOOFDSTUK I. [1 - Begripsomschrijvingen en bere... HOOFDSTUK 2. [1 - Coördinatie van het repressie... Afdeling 1. [1 - Coördinatievergaderingen.]1 Afdeling 2. [1 - Het centraal bestand en de toe... HOOFDSTUK II. HOOFDSTUK III. Afdeling 1. Afdeling 2. TITEL 2. [1 - Verschillende interveniënten in h... HOOFDSTUK 1. [1 - Algemene bepalingen.]1 HOOFDSTUK 2. [1 - De vaststellende beambten, de... Afdeling 1. [1 - Gewestelijke vaststellende bea... Afdeling 1/1. [1 - Provinciale vaststellende be... Afdeling 3. Afdeling 2.[1 - Gemeentelijke vasts... HOOFDSTUK IV. Afdeling 3. [1 - Vaststellende beambten van de ... HOOFDSTUK V. Afdeling. 4. [1 - Deskundigen.]1 HOOFDSTUK VI. HOOFDSTUK VII. Afdeling 5. [1 - Gespecialiseerde onderzoekseen... HOOFDSTUK III. [1 - Sanctionerende ambtenaren.]1 Afdeling 1. [1 - Gewestelijke sanctionerende am... Afdeling 2. [1 - Gemeentelijke sanctionerende a... HOOFDSTUK IV. [1 - Opleidingen van de verschill... Afdeling 1. [1 - Opleidingen van de gewestelijk... Afdeling 2. [1 - Opleidingen van de plaatselijk... TITEL 3. [1 - Controles, opsporingen van de ove... HOOFDSTUK 1. [1 - Toezicht, controle, waarschuw... HOOFDSTUK 2. [1 - Onderzoeksmiddelen.]1 Afdeling 1. [1 - Monsterneming]1 Afdeling 2. [1 - Erkenning van de laboratoria.]1 Afdeling 3. [1 - Analyseprotocollen.]1 HOOFDSTUK 3. [1 - Veiligheids- en dwangmaatrege... Afdeling 1. [1 - Algemene bepalingen.]1 Afdeling 2. [1 - Beroep tegen de beslissingen g... Afdeling 3. [1 - Specifieke maatregelen.]1 Onderafdeling 1. [1 - Administratieve inbeslagn... Onderafdeling 2. [1 - Administratieve inbeslagn... TITEL 4. [1 - Mogelijk verval van de openbare s... TITEL 5. [1 - Strafrechtelijke vervolging van d... TITEL 6. [1 - Administratieve vervolging van de... HOOFDSTUK I. [1 - Gedeclasseerde inbreuken.]1 HOOFDSTUK II. [1 - Administratieve sancties en ... Afdeling 1. [1 - Algemene bepalingen.]1 Afdeling 2. [1 - Bemiddeling.]1 Afdeling 3. [1 - Burgerprestatie voor de meerde... Afdeling 4. [1 - Maatregelen van toepassing op ... TITEL 7. [1 - Fonds voor de Milieubescherming]1 TITEL 8. [1 - Teruggave van de vergunning voor ... DEEL VI. - Milieuovereenkomsten. BIJLAGEN.
Inhoud
LIVRE Ier. - Dispositions communes et générales. PARTIE Ire. - Principes du droit de l'environne... TITRE Ier. - Principes. TITRE II. - Définitions. PARTIE II. PARTIE III. - [1 Information, sensibilisation e... TITRE Ier. - Accès à l'information relative à l... CHAPITRE Ier. - Modèle de document. CHAPITRE II. - Commission de recours CHAPITRE III. [1 - Dispositions exécutant l'art... TITRE II. [1 - Initiation à l'environnement]1 Chapitre 1er. [1 - Disposition générale]1 Chapitre 1er. [1 Agrément]1 Art. R. 34/1. [1 § 1er. Toute ASBL qui répond a... Titre II/1. [1 - Reconnaissance et subventionne... Chapitre 1er. [1 - Disposition générale]1 Chapitre 2. [1 - Reconnaissance des association... Section 1re. [1 - Procédure de reconnaissance d... Section 2. [1 - Contenu minimal de la demande d... Chapitre 3. [1 - Subventionnement des associati... Chapitre 4. [1 - Contrôle et évaluation]1 Section 1re. [1 - Contrôle]1 Section 2. [1 - Suspension et retrait de la rec... Chapitre 5. [1 - Recours]1 Chapitre 6. [1 - Comité d'accompagnement]1 CHAPITRE IV. - [1 Contrôle et évaluation]1 Section 1re. - [1 Contrôle]1 Section 2. - [1 Suspension et retrait de la rec... CHAPITRE V. - [1 Recours]1 CHAPITRE VI. - [1 Comité d'accompagnement]1 CHAPITRE VII. - [1 Dispositions transitoires et... TITRE III. [1 - Participation du public en mati... CHAPITRE Ier. [1 - De la réunion d'information]1 CHAPITRE II. [1 De l'avis d'enquête publique.]1 CHAPITRE III. [1 Des incidences transfrontières.]1 CHAPITRE IV. [1 - Du pouvoir de substitution]1 CHAPITRE V. [1 - Publicité relative à la décisi... CHAPITRE VI. [1 - Du conseiller en environnement]1 PARTIE IV. - Planification environnementale dan... PARTIE V. - Evaluation des incidences sur l'env... CHAPITRE Ier. - Définitions. CHAPITRE II. - Système d'évaluation des inciden... Section 1re. - L'enquête publique. Section 2. - Incidences transfrontières. CHAPITRE III. [1 - Evaluation des incidences de... Section 1re. - Forme et contenu de la notice d'... Section 2. - Projets soumis à étude d'incidences. Section 3. - Forme et contenu de l'étude d'inci... CHAPITRE IV. - Auteurs d'études d'incidences. Section 1re. - Agrément, suspension et retrait ... Sous-section 1re. - Généralités. Sous-section 2. - Critères d'agrément. Sous-section 3. - Procédure d'octroi d'agrément. Sous-section 4. - Suspension ou retrait d'agrém... Section 2. - Choix de l'auteur d'étude. Section 3. - Récusation d'une personne choisie ... CHAPITRE V. - Consultation du public avant l'in... Section 4. [1 - Modalités d'envoi et calcul des... CHAPITRE VI. [1 - Avis portant sur un dossier s... CHAPITRE VII. - Incidences transfrontières. CHAPITRE VIII. - Dispositions abrogatoires et t... PARTIE VIII. [1 - Recherche, constatation, pour... TITRE Ier. [1 - Dispositions générales.]1 CHAPITRE Ier. [1 - Définitions et computation d... CHAPITRE II. [1 - Coordination de la politique ... Section 1re. [1 - Des réunions de coordination.]1 Section 2. [1 - Du Fichier central et de la tra... CHAPITRE II. CHAPITRE III. Section 1re. Section 2. TITRE 2. [1 - Les différents intervenants dans ... CHAPITRE Ier. [1 - Dispositions générales.]1 CHAPITRE II. [1 - Les agents constatateurs, Exp... Section 1re. [1 - Agents constatateurs régionau... Section 1/1. [1 - Agents constateurs provinciaux]1 Section 3. Section 2.[1 - Agents constatateurs ... CHAPITRE IV. Section 3. [1 - Agents constatateurs des organi... CHAPITRE V. Section. 4. [1 - Experts.]1 CHAPITRE VI. CHAPITRE VII. Section 5. [1 - Unité Spécialisée d'Investigati... CHAPITRE III. [1 - Fonctionnaires sanctionnateu... Section 1re. [1 - Fonctionnaire sanctionnateur ... Section 2. [1 - Fonctionnaires sanctionnateurs ... CHAPITRE IV. [1 - Des formations des différents... Section 1re. [1 - Formations des acteurs région... Section 2. [1 - Formations des acteurs locaux.]1 TITRE 3. [1 - Contrôles, recherches des infract... CHAPITRE Ier. [1 - Surveillances, contrôles, av... CHAPITRE II. [1 - Moyens d'investigation.]1 Section 1re. [1 - Prélèvement des échantillons.]1 Section 2. [1 - Agrément des laboratoires.]1 Section 3. [1 - Protocoles d'analyse.]1 Art. R.145. [1 Le laboratoire auquel un échanti... Art. R.146. [1 Lorsqu'un procès-verbal d'infrac... Art. R.147. [1 La personne à charge de qui les ... CHAPITRE III. [1 - Mesures de sécurité et de co... Section 1re. [1 - Dispositions générales.]1 Section 2. [1 - Recours contre les décisions pr... Section 3. [1 - Mesures spécifiques]1 Sous-section 1re. [1 - Saisie administrative d'... Sous-section 2. [1 - Saisie administrative d'ob... TITRE 4. [1 - Extinction éventuelle de l'action... TITRE 5. [1 - Poursuite pénale des infractions]1 TITRE 6. [1 - Poursuite administrative des infr... CHAPITRE Ier. [1 - Des infractions déclassées.]1 CHAPITRE II. [1 - Sanctions administratives et ... Section 1re. [1 - Dispositions générales.]1 Section 2. [1 - Médiation.]1 Section 3. [1 - Prestation citoyenne pour les m... Section 4. [1 - Mesures applicables aux mineurs... TITRE 7. [1 - Fonds pour la Protection de l'Env... TITRE 8. [1 - Restitution du permis de détentio... PARTIE VI. - Conventions environnementales. ANNEXES.
Tekst (377)
Texte (377)
BOEK I. - Gemeenschappelijke en algemene bepalingen.
LIVRE Ier. - Dispositions communes et générales.
DEEL I. - Rechtsbeginselen van het leefmilieurecht en algemene begripsbepalingen.
PARTIE Ire. - Principes du droit de l'environnement et définitions générales.
TITEL I. - Beginselen.
TITRE Ier. - Principes.
TITEL II. - Begripsbepalingen.
TITRE II. - Définitions.
Artikel R1. In de zin van dit boek dienen onder " decreetgevend deel " de bepalingen van het decreetgevend deel van Boek I van het Milieuwetboek te worden verstaan vervat in artikel 1 van het decreet van 27 mei 2004 betreffende Boek I van het Milieuwetboek.
Article R1. Au sens du présent livre, il faut entendre par " partie décrétale ", les dispositions de la partie décrétale du livre premier du Code de l'environnement contenues à l'article 1er du décret du 27 mai 2004 relatif au Livre Ier du Code de l'environnement.
Art. R2. In de zin van dit wetboek dient te worden verstaan onder :
" minister " : de minister die de bevoegdheden uitoefent bedoeld in artikel 6, § 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
" [1 D.G.A.R.N.E.]1 " : het Directoraat-generaal [2 Landbouw,]2 Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van het Ministerie van het Waalse Gewest.
Art. R2. Au sens du présent Code, il faut entendre par :
" Ministre " : le Ministre qui exerce les compétences visées à l'article 6, paragraphe 1er, II, de la loi spéciale de réformes institutionnelles du 8 août 1980;
" [1 D.G.A.R.N.E.]1 " : la Direction générale [2 de l'agriculture,]2 des Ressources naturelles et de l'Environnement du Ministère de la Région wallonne.
DEEL II.
PARTIE II.
Art. R3.
Art. R3.
Art. R4.
Art. R4.
Art. R5.
Art. R5.
Art. R6.
Art. R6.
Art. R7.
Art. R7.
Art. R8.
Art. R8.
Art. R9.
Art. R9.
Art. R10.
Art. R10.
Art. R11.
Art. R11.
Art. R12.
Art. R12.
Art. R13.
Art. R13.
Art. R14.
Art. R14.
Art. R15.
Art. R15.
Art. R16.
Art. R16.
DEEL III. - [1 Informatie, bewustmaking en inspraak van het publiek inzake het leefmilieu]1
PARTIE III. - [1 Information, sensibilisation et participation du public en matière d'environnement]1
TITEL I. - Toegang tot leefmilieuinformatie.
TITRE Ier. - Accès à l'information relative à l'environnement.
HOOFDSTUK I. - Type-document.
CHAPITRE Ier. - Modèle de document.
Art. R17. Om ontvangst te berichten van informatieaanvragen, van aanvragen tot schrapping van vergissingen of tot rechtzetting van gegevens, om termijnen voor toegang tot informatie te verlengen of om de mededeling van gegevens geheel of gedeeltelijk te weigeren, maken de openbare overheden gebruik van de documenten opgemaakt naar de modellen bedoeld in de bijlagen I tot IV.
Art. R17. Les documents à utiliser par les autorités publiques pour accuser réception des demandes d'information, de suppression des erreurs ou de correction des informations, pour prolonger les délais d'accès à l'information, ou pour refuser totalement ou partiellement la communication des données, sont établis conformément aux modèles visés respectivement aux annexes Ire à IV.
HOOFDSTUK II. - Commissie van beroep
CHAPITRE II. - Commission de recours
Art. R18. De leden van de commissie van beroep hebben recht op 57,60 euro presentiegeld.
De voorzitter en de leden van de commissie van beroep hebben recht op de terugbetaling van hun verplaatsingskosten overeenkomstig de modaliteiten bepaald in Boek IV, Titel II, hoofdstuk I, van het besluit van de Waalse Regering houdende de Waalse Ambtenarencode.
Art. R18. Les membres de la commission de recours ont droit à un jeton de présence de 57,60 euros.
Le président et les membres de la commission de recours ont droit au remboursement des frais de déplacement suivant les modalités prévues par le Livre IV, Titre II, chapitre Ier, de l'arrêté du Gouvernement wallon portant le Code de la Fonction publique wallonne.
HOOFDSTUK III. [1 - Bepalingen tot uitvoering van artikel D.20.16.]1
CHAPITRE III. [1 - Dispositions exécutant l'article D.20.16.]1
Art. R19. [1 Op het leefmilieuportaal van de website van het Waalse Gewest worden bekendgemaakt:
de milieugegevens bedoeld in artikel D. 20.16, eerste lid, h, door de inspecteur-generaal van het Departement Leefmilieu en Water van het Operationeel Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, of door zijn afgevaardigde;
een samenvatting van de maatregelen genomen door de exploitant bij de definitieve stopzetting van de activiteiten overeenkomstig artikel 19 van het besluit van de Waalse Regering van 16 januari 2014 tot bepaling van de sectorale voorwaarden betreffende sommige activiteiten met aanzienlijke milieueffecten;
voor de activiteiten bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 18 juli 2002 houdende sectorale voorwaarden voor installaties en/of activiteiten die oplosmiddelen verbruiken alsook in het besluit van de Waalse Regering van 21 februari 2013 tot bepaling van de sectorale voorwaarden betreffende afvalverbrandings- en afvalmeeverbrandingsinstallaties, een afschrift van de vergunning en alle bijwerkingen ervan, met uitzondering van de gegevens onttrokken aan het openbaar onderzoek overeenkomstig artikel D. 29-15, door de inspecteur-generaal van het Departement Vergunningen en Machtigingen van het Operationeel Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, of door zijn afgevaardigde;
voor de activiteiten bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 21 februari 2013 tot bepaling van de sectorale voorwaarden betreffende afvalverbrandings- en afvalmeeverbrandingsinstallaties, de lijst van de afvalverbrandings- en afvalmeeverbrandingsinstallaties waarvan de nominale capaciteit lager is dan twee ton per uur, door de inspecteur-generaal van het Departement Grond en Afvalstoffen van het Operationeel Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, of door zijn afgevaardigde [2 ;]2 ]1

[2 5° de documenten bedoeld in artikel D.20.16, b. en c. voor wat betreft de stroomgebiedbeheersplannen bedoeld in de artikelen D.24 en volgende van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt en voor wat betreft de tussenverslagen van vordering bedoeld in artikel D.30, § 3, van hetzelfde Boek.]2
Art. R19. [1 Sont publiés sur le portail Environnement du site Internet de la Région wallonne:
les informations environnementales visées à l'article D. 20.16, alinéa 1er, h, par l'inspecteur général du Département de l'Environnement et de l'Eau de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement ou son délégué;
un résumé des mesures prises par l'exploitant lors de la cessation définitive des activités conformément à l'article 19 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 16 janvier 2014 déterminant les conditions sectorielles relatives à certaines activités générant des conséquences importantes pour l'environnement;
pour les activités visées par l'arrêté du Gouvernement wallon du 18 juillet 2002 portant conditions sectorielles relatives aux installations et/ou activités consommant des solvants, ainsi que par l'arrêté du Gouvernement wallon du 21 février 2013 déterminant les conditions sectorielles relatives aux installations d'incinération et de coincinération de déchets, la copie du permis et toutes ses mises à jour ultérieures à l'exception des données soustraites à l'enquête publique conformément à l'article D. 29-15, par l'inspecteur général du Département des Permis et Autorisations de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, ou son délégué;
pour les activités visées par l'arrêté du Gouvernement wallon du 21 février 2013 déterminant les conditions sectorielles relatives aux installations d'incinération et de coincinération de déchets, la liste des installations d'incinération et de coincinération des déchets dont la capacité nominale est inférieure à deux tonnes par heure, par l'inspecteur général du Département du Sol et des Déchets de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement ou son délégué [2 ;]2 ]1

[2 5° les documents visés à l'article D. 20.16, b. et c. pour ce qui concerne les plans de gestion par bassin hydrographique visés aux articles D. 24 et suivants du Livre II du Code de l'Environnement contenant le Code de l'Eau et pour ce qui concerne les rapports intermédiaires d'avancement prévus à l'article D. 30, § 3, du même Livre.]2
Art. R20. [1 De installaties en activiteiten bedoeld in artikel D. 20.16, i. zijn die bedoeld in bijlage XXIII bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen tot uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, in het besluit van de Waalse Regering van 21 februari 2013 tot bepaling van de sectorale voorwaarden betreffende afvalverbrandings- en afvalmeeverbrandingsinstallaties en in het besluit van de Waalse Regering van 18 juli 2002 houdende sectorale voorwaarden voor installaties en/of activiteiten die oplosmiddelen verbruiken.]1
Art. R20. [1 Les installations et activités visées à l'article D. 20.16, i. sont celles de l'annexe XXIII de l'arrêté du Gouvernement du 4 juillet 2002 relatif à la procédure et à diverses mesures d'exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, celles visées par l'arrêté du Gouvernement wallon du 21 février 2013 déterminant les conditions sectorielles relatives aux installations d'incinération et de coincinération de déchets et celles visées par l'arrêté du Gouvernement wallon du 18 juillet 2002 portant conditions sectorielles relatives aux installations et/ou activités consommant des solvants.]1
Art. R21. [1 De beslissing tot het al dan niet opleggen van een milieueffectonderzoek van de overheid die moet nagaan of het aanvraagdossier volledig of ontvankelijk is, wordt bekendgemaakt door de bevoegde overheid waarbij de vergunningsaanvraag is ingediend.
Laatstgenoemde maakt de in het eerste lid bedoelde beslissing op haar website of via een ander elektronisch toegangspunt dat gemakkelijk toegankelijk is, bekend binnen 15 dagen na ontvangst ervan of na de zending ervan indien ze er de auteur van is.]1

Art. R21. [1 La décision d'imposer ou non une étude d'incidence de l'autorité chargée d'apprécier le caractère complet ou recevable du dossier de demande est publiée par l'autorité compétente auprès de laquelle la demande de permis a été introduite.
Celle-ci publie la décision visée à l'alinéa 1er sur son site internet ou par l'intermédiaire d'un autre point d'accès électronique aisément accessible, dans les 15 jours de sa réception ou de son envoi si elle en est l'auteur.]1

Art. R22. (Opgeheven)
Art. R22. (Abrogé)
Art. R23. (Opgeheven)
Art. R23. (Abrogé)
Art. R24. (Opgeheven)
Art. R24. (Abrogé)
Art. R25. (Opgeheven)
Art. R25. (Abrogé)
Art. R26. (Opgeheven)
Art. R26. (Abrogé)
Art. R27. (Opgeheven)
Art. R27. (Abrogé)
Art. R28. (Opgeheven)
Art. R28. (Abrogé)
Art. R29. (Opgeheven)
Art. R29. (Abrogé)
Art. R30. (Opgeheven)
Art. R30. (Abrogé)
Art. R31. (Opgeheven)
Art. R31. (Abrogé)
Art. R32. (Opgeheven)
Art. R32. (Abrogé)
Art. R33. (Opgeheven)
Art. R33. (Abrogé)
TITEL II. [1 - Milieuinitiatie]1
TITRE II. [1 - Initiation à l'environnement]1
Hoofdstuk 1. [1 - Algemene bepalingen]1
Chapitre 1er. [1 - Disposition générale]1
Art. R34. [1 § 1. In de zin van deze Titel wordt verstaan onder :
"het bestuur": de diensten aangewezen door de minister van Leefmilieu;
"CRIE": gewestelijk centrum voor milieu-initiatie;
"het begeleidingscomité": het begeleidingscomité bedoeld in artikel R. 40-15;;
"VZW" : een vereniging zonder winstoogmerk die is opgericht overeenkomstig het Wetboek van vennootschappen en verenigingen
§ 2 De in dit besluit bedoelde termijnen zijn dwingende termijnen.]1

Art. R34. [1 § 1er. Au sens du présent titre, l'on entend par :
" l'administration " : les services désignés par le Ministre qui a l'Environnement dans ses attributions;
" CRIE " : centre régional d'initiation à l'environnement;
" le comité d'accompagnement " : le comité d'accompagnement visé à l'article R. 40-15;;
" ASBL " : association sans but lucratif constituée conformément au Code des sociétés et des associations
§ 2. Les délais visés au présent arrêté sont des délais de rigueur.]1

Hoofdstuk 2. [1 - Erkenning]1
Chapitre 1er. [1 Agrément]1
Art. R. 34/1. [1 § 1. Elke VZW die voldoet aan de voorwaarden van artikel D. 25 kan erkenning aanvragen om het beheer van een "CRIE" over te nemen.
Art. R. 34/1. [1 § 1er. Toute ASBL qui répond aux conditions fixées par l'article D. 25 peut solliciter l'agrément relatif à la prise en charge de la gestion d'un CRIE.
Art. R35. [1 De Minister kan de goedkeuring te allen tijde intrekken, onder voorbehoud van het advies van het begeleidingscomité, bedoeld in artikel D.28-1, indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
de VZW voldoet niet meer aan de voorwaarden bepaald in artikel D. 25, paragraaf 3;
de opdracht werd niet uitgevoerd overeenkomstig haar doel zoals omschreven in de erkenning;
de houder van de erkenning heeft zich verzet tegen de controle van de administratie op de uitvoering van haar opdracht;
het algemeen verslag over de uitvoering van de activiteiten, het boekhoudkundig verslag of elk ander document dat moet worden meegedeeld, zijn niet door de houder van de toelating verstuurd binnen de termijn voorgeschreven door de erkenningsbeslissing;
de subsidies zijn niet toegewezen aan de uitgaven waarvoor ze bedoeld zijn;
De Minister brengt de VZW per aangetekende brief met ontvangstbevestiging op de hoogte van zijn beslissing om de erkenning in te trekken.]1

Art. R35. [1 Le Ministre peut procéder à tout moment au retrait de l'agrément moyennant l'avis du comité d'accompagnement visé à l'article D.28-1 lorsqu'une des conditions suivantes est rencontrée :
l'ASBL ne répond plus aux conditions fixées par l'article D. 25, alinéa 3;
la mission n'a pas été accomplie conformément à son objet tel que défini dans l'agrément;
le titulaire de l'agrément s'est opposé au contrôle par l'administration de l'accomplissement de sa mission;
le rapport général de mise en oeuvre d'activités, le rapport comptable, ou tout autre document qui doit être communiqué n'ont pas été transmis par le titulaire de l'agrément conformément au délai prescrit par la décision d'agrément;
les subventions n'ont pas été affectées aux dépenses qu'elles sont censées couvrir;
Le Ministre informe l'ASBL par lettre recommandée avec accusé de réception sa décision de retirer l'agrément.]1

Art. R36. [1 Onverminderd artikel R. 35 kan de Minister de erkenning na een periode van drie jaar verlengen.
Zes maanden voor het einde van de erkenningsperiode kan de VZW een nieuwe aanvraag indienen volgens de procedure van artikel R. 34/1.
De Minister neemt een beslissing binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek.]1

Art. R36. [1 Sans préjudice de l'article R. 35, le Ministre peut renouveler l'agrément après une période de trois ans.
Six mois avant la fin de l'agrément, l'ASBL peut introduire une nouvelle demande selon la procédure fixée à l'article R. 34/1.
Le Ministre statue dans les trois mois de la réception de la demande.]1

Art. R37. [1 § 1. De Minister verleent een jaarlijkse subsidie aan de erkende VZW om de werking van de "CRIE" te garanderen.
Werkingskosten worden berekend op basis van de volgende in aanmerking komende kosten:
de personeelskosten binnen de grenzen van de loonschalen die van toepassing zijn op de ambtenaren in het Waalse openbaar ambt, en
a) die nodig zijn om het milieuactieplan uit te voeren
b) die nodig zijn voor de werking van de VZW, d.w.z. ondersteunende en coördinerende functies;
de werkingskosten, die overeenkomen met 15van de totale subsidie;
specifieke werkingskosten in verband met de voorgestelde acties (verplaatsingen, specifieke communicatiekosten, publicatiekosten, enz;)
investeringskosten.
§ 2 De subsidie wordt als volgt betaald:
een eerste schijf van 50
bij de kennisgeving van de beslissing tot toekenning van de subsidie (jaar n);
een tweede schijf van 40
zes maanden na ontvangst van de subsidie, op basis van het advies van het opvolgingscomité;
een derde schijf van 10
op basis van een jaarlijks uitvoeringsverslag, een deugdelijk en onvergolden verklaarde schuldvordering en een nauwkeurige samenvattende staat van uitgaven en inkomsten, vergezeld van bewijsstukken in jaar n+1.]1

Art. R37. [1 § 1er. Le Ministre octroie à l'ASBL agréée une subvention annuelle qui permet d'assurer le fonctionnement du CRIE.
Les frais de fonctionnement sont calculés sur base des coûts éligibles suivants :
les frais de personnel dans la limite des échelles salariales applicables aux agents de la fonction publique wallonne et
a) nécessaires à la mise en place du plan d'actions environnementales
b) nécessaires au fonctionnement de l'ASBL, soit les fonctions d'appui et de coordination;
les frais de fonctionnement qui correspondent à quinze pour cent du montant total de la subvention;
les frais de fonctionnement spécifiques liés aux actions proposées (déplacement, frais de communication spécifiques, frais d'édition...);
les frais d'investissement.
§ 2. La subvention est liquidée selon les modalités suivantes :
une première tranche de 50
à la notification de la décision d'octroi de la subvention (année n);
une deuxième tranche de 40
six mois après la réception de la subvention sur la base de l'avis du comité de suivi;
une troisième tranche de 10
sur la base d'un rapport annuel de mise en oeuvre, d'une déclaration de créance certifiée sincère et véritable et d'un état récapitulatif exact des dépenses et des recettes, accompagné des pièces justificatives en année n+1.]1

Art. R38. [1 § 1. Het begeleidend comité bestaat uit twaalf gewone en plaatsvervangende leden en vijf waarnemers die erkende milieuverenigingen vertegenwoordigen en door de Regering zijn benoemd. Bij de samenstelling van het comité wordt rekening gehouden met de genderdimensie. De leden zijn :
een vertegenwoordiger van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, verantwoordelijk voor respectievelijk milieu, landbouw, natuur en bossen;
een vertegenwoordiger van de Waalse overheidsdienst Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Erfgoed en Energie die respectievelijk bevoegd is voor ruimtelijke ordening en energie;
een vertegenwoordiger van de Waalse Overheidsdienst Mobiliteit en Infrastructuur belast met mobiliteit;
een vertegenwoordiger van de Waalse Overheidsdienst, Directie Duurzame Ontwikkeling;
een vertegenwoordiger van de beleidsgroep "Leefmilieu";
vier vertegenwoordigers uit de academische wereld die gespecialiseerd zijn in milieubescherming, verbetering van de toestand van het milieu, milieueducatie, milieubewustzijn en/of verenigingsmanagement;
een vertegenwoordiger van de VZW's erkend als netwerkfederaties krachtens art. D 28-6;
een vertegenwoordiger van de als "CRIE" erkende VZW's.
§ 2. De Regering benoemt een voorzitter en een ondervoorzitter onder de leden van het begeleidingscomité.
De leden worden benoemd voor een periode van zes jaar.
De minimale inhoud van het huishoudelijk reglement, zoals bepaald in artikel 2, 19°, van het decreet van 6 november 2008 houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie, kan door de Regering worden aangevuld.
§ 3. De zetel van het begeleidingscomité is gevestigd bij het directoraat-generaal Landbouw, natuurlijke hulpbronnen en milieu. Het secretariaat wordt verzorgd door het directoraat-generaal Landbouw, natuurlijke hulpbronnen en milieu, en is verantwoordelijk voor de organisatie van de vergaderingen van het begeleidingscomité, de opstelling van een ontwerp voor het jaarlijkse activiteitenverslag en de opstelling van een ontwerp voor het huishoudelijk reglement.
§ 4 Elk jaar vóór 30 september zendt het begeleidingscomité aan de Regering een verslag over zijn activiteiten.]1

Art. R38. [1 § 1er. Le Comité d'accompagnement compte douze membres effectifs et suppléants ainsi que cinq observateurs représentant les associations environnementales reconnues, nommés par le Gouvernement. La composition du comité tient compte de la dimension genrée. Les membres sont :
un représentant du Service public de Wallonie Agriculture, Ressources naturelles et Environnement en charge respectivement des thématiques de l'environnement, l'agriculture et la nature et les forêts;
un représentant du Service public de Wallonie Territoire, Logement, Patrimoine et Energie en charge respectivement des thématiques de l'aménagement du territoire et de l'énergie;
un représentant du Service public de Wallonie Mobilité et Infrastructures en charge de la mobilité;
un représentant Service public de Wallonie Secrétariat général, Direction du Développement durable;
un représentant du pôle "Environnement ";
quatre représentants du monde académique spécialisé dans la protection de l'environnement, l'amélioration de l'état de l'environnement, l'éducation à l'environnement, la sensibilisation à l'environnement, et/ou le management associatif;
un représentant des ASBL reconnues comme fédération-réseau selon l'art. D 28-6;
un représentant des ASBL agréées en tant que CRIE.
§ 2. Le Gouvernement désigne parmi les membres du Comité d'accompagnement un président et un vice-président.
La durée du mandat des membres est fixée à six ans.
Le contenu minimal du règlement d'ordre intérieur, tel que défini par l'article 2, 19°, du décret du 6 novembre 2008 portant rationalisation de la fonction consultative peut être complété par le Gouvernement.
§ 3. Le siège du Comité d'accompagnement est situé au siège du Service public de Wallonie Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. Le secrétariat est assuré par le Service public de Wallonie Agriculture, Ressources naturelles et Environnement et a notamment pour mission d'organiser les réunions du Comité d'accompagnement, de préparer un projet de rapport annuel d'activités et un projet de règlement d'ordre intérieur.
§ 4. Chaque année, le Comité d'accompagnement adresse, avant le 30 septembre, au Gouvernement, un rapport d'activités.]1

Titel II/1. [1 - Erkenning en subsidiëring van milieuverenigingen]1
Titre II/1. [1 - Reconnaissance et subventionnement des associations environnementales]1
Hoofdstuk 1. [1 - Algemene bepalingen]1
Chapitre 1er. [1 - Disposition générale]1
Art. R39. [1 In de zin van deze Titel wordt verstaan onder :
"het bestuur": de diensten aangewezen door de minister van Leefmilieu;
"de VZW" : een vereniging zonder winstoogmerk die is opgericht overeenkomstig het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]1

Art. R39. [1 Au sens du présent titre, l'on entend par :
" l'administration " : les services désignés par le Ministre ayant l'Environnement dans ses attributions;
" l'ASBL " : association sans but lucratif constituée conformément au Code des sociétés et des associations]1

Hoofdstuk 2. [1 - Erkenning van verenigingen als milieuverenigingen]1
Chapitre 2. [1 - Reconnaissance des associations en tant qu'associations environnementales]1
Afdeling 1. [1 - Procedure voor de erkenning van verenigingen]1
Section 1re. [1 - Procédure de reconnaissance des associations]1
Art. R40. [1 § 1. Erkenning wordt voor een periode van zes jaar verleend door de minister voor een van de volgende categorieën:
federatie of netwerk;
regionale vereniging;
plaatselijke vereniging overeenkomstig artikel D.28-4.
Deze aanvraag wordt gedaan met behulp van een formulier dat uiterlijk 31 januari of uiterlijk 31 juli door de Minister van Leefmilieu wordt vastgesteld overeenkomstig artikel D. 28-9.
§ 2. De procedures voor het indienen van een erkenningsaanvraag via het in artikel D 28-10 bedoelde eenheidsloket worden bepaald door de Regering, die deze bevoegdheid kan delegeren aan de bevoegde minister. Binnen twintig werkdagen na ontvangst van de aanvraag wordt aan de aanvragende vereniging een brief gestuurd waarin een uitspraak wordt gedaan over de volledigheid en ontvankelijkheid van de aanvraag.
Als er binnen deze periode geen reactie is ontvangen, kan de vereniging een herinneringsbrief sturen.
De aanvraag wordt als onvolledig beschouwd als de informatie gedefinieerd in artikelen R. 40-3 en R. 40-4 ontbreekt.
Als de aanvraag onvolledig wordt verklaard, stuurt het bestuur de aanvragers een lijst met de ontbrekende informatie en geeft ze aan binnen welke termijn de ontbrekende documenten naar het bestuur moet worden gestuurd, uiterlijk binnen vijftien werkdagen na ontvangst van de lijst met ontbrekende informatie.
Als de aanvrager(s) de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn heeft (hebben) verzonden, wordt de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
Binnen twintig werkdagen na ontvangst van de ontbrekende informatie stuurt het bestuur haar beslissing naar de aanvragende vereniging, waarin wordt besloten of de aanvraag volledig en ontvankelijk is.]1

Art. R40. [1 § 1er. La reconnaissance est accordée pour une durée de six ans par le Ministre pour une des catégories suivantes :
fédération ou réseau;
association régionale;
association locale selon l'article D.28-4.
Cette demande est introduite au moyen d'un formulaire déterminé par le Ministre de l'Environnement au plus tard le 31 janvier ou au plus tard le 31 juillet selon l'article D. 28-9.
§ 2. Les modalités d'introduction d'une demande de reconnaissance via le guichet unique visé à l'art. D 28-10 seront déterminées par le Gouvernement qui pourra déléguer ce pouvoir au Ministre compétent. Un courrier statuant sur le caractère complet et recevable de la demande sera transmis à l'association demanderesse dans un délai de vingt jours ouvrables, à dater du jour qui suit celui de la réception de la demande.
Sans réponse dans ce délai, l'association pourra adresser une lettre de rappel.
La demande est considérée comme incomplète s'il manque les éléments définis aux articles R. 40-3, et R. 40-4.
Lorsque la demande est déclarée incomplète, l'administration envoie aux demandeurs la liste des éléments manquants et précise le délai endéans lequel les documents manquants lui sont transmis, et ce, au maximum dans un délai de quinze jours ouvrables, à dater de la réception de la liste des éléments manquants.
Si le ou les demandeurs n'ont pas envoyé les éléments demandés dans le délai imparti, la demande est déclarée irrecevable.
Dans les vingt jours ouvrables, à dater de la réception des éléments manquants, l'administration envoie sa décision qui statue sur le caractère complet et recevable de la demande à l'association demanderesse.]1

Art. R40 -1.[1 Erkenning wordt verleend vanaf 1 januari of 1 september, afhankelijk van de datum van aanvraag, voor een periode van zes jaar.]1
Art. R40 -1.[1 La reconnaissance est accordée à partir du premier janvier ou du premier septembre en fonction de la date d'introduction de demande pour une durée de six ans.]1
Art. R40 -2.[1 Uiterlijk zes maanden voordat de erkenning verloopt, dient de vereniging een aanvraag voor verlenging in bij het bestuur via het eenheidsloket waarnaar wordt verwezen in artikel D. 28-10.
De verlengingsaanvraag moet een bijgewerkte versie bevatten van de informatie waarnaar in afdeling 2 van dit hoofdstuk wordt verwezen.
De verlengingsprocedure wordt beschreven in artikel R.40 tot en met R. 40-2.]1

Art. R40 -2. [1 Au plus tard six mois avant la fin de la reconnaissance, l'association introduit une demande de renouvellement à l'administration via le guichet unique visé à l'article D. 28-10.
La demande de renouvellement comprend une actualisation des éléments visés à la section 2 du présent chapitre.
La procédure de renouvellement est celle prévue à l'article R.40 à R. 40-2.]1

Afdeling 2. [1 - Minimuminhoud van de erkenningsaanvraag]1
Section 2. [1 - Contenu minimal de la demande de reconnaissance]1
Art. R40 -3.[1 § 1. De erkenningsaanvraag kan door één of meer milieuverenigingen samen worden ingediend en moet voor elke aanvragende vereniging ten minste de volgende informatie bevatten, met gebruikmaking van het formulier bedoeld in artikel D. 40, § 1 :
identificatie van de categorie waarvoor de erkenningsaanvraag wordt ingediend;
het adres van het operatiecentrum en de contactgegevens van de vereniging;
een financieel overzicht met een samenvattende tabel van de inkomsten en uitgaven per post voor de drie jaren voorafgaand aan de aanvraag;
een nota waarin het hoofddoel en de strategische visie worden voorgesteld en waarin wordt uitgelegd hoe de acties van de vereniging beantwoorden aan opdrachten van algemeen belang, passen in het milieubeleid en inspelen op de grote milieu-uitdagingen waarmee de samenleving op lokaal, regionaal, nationaal en internationaal niveau wordt geconfronteerd;
een verslag over de activiteiten uitgevoerd tijdens de voorbije twee kalenderjaren, met een beschrijving van de activiteiten, de doelgroepen en de gemeenten en regio's waar de activiteiten werden uitgevoerd;
een verklaring op erewoord waaruit blijkt dat zij voldoet aan artikel D. 28-5, 3°;
het nummer van de verzekeringspolis burgerlijke aansprakelijkheid die alle schade dekt die voortvloeit uit haar activiteit of die van haar personeel of vrijwilligers.]1

Art. R. [1 § 1er. La demande de reconnaissance peut être introduite par une ou plusieurs associations environnementales conjointement comprend au minimum les éléments suivants pour chacune des associations demanderesses selon le formulaire prévu à l'article D. 40 § 1 :
l'identification de la catégorie pour laquelle la demande de reconnaissance est introduite;
l'adresse du centre d'opération, et les coordonnées de l'association;
un bilan financier qui comprend un tableau récapitulatif des recettes et des dépenses par poste des trois années précédant l'introduction de la demande;
une note qui présente son objet principal et sa vision stratégique et explique comment les actions de l'association correspondent à des missions d'intérêt général, s'intègrent dans les politiques environnementales et répondent aux défis environnementaux majeurs de la société au niveau local, régional, national, international;
un compte-rendu des activités réalisées lors des deux exercices civils précédents, qui mentionne une description des activités, les publics visés et indique les communes, et les régions, où ont été exercées les activités;
une déclaration sur l'honneur attestant du respect de l'article D. 28-5, 3°;
le numéro de la police d'assurance en responsabilité civile qui couvre l'ensemble des dommages qui résultent de son activité, de celui de son personnel ou de ses bénévoles.]1

Art. R40 -4.[1 Om erkend te worden als een "Federatie of Netwerk" moet de aanvraag voor erkenning zoals bedoeld in Artikel D. 28-6 de volgende aanvullende informatie bevatten:
de lijst van haar leden en de voorwaarden om lid te worden;
een lijst van de diensten die de vereniging aanbiedt aan haar leden en aan het publiek en een lijst van de diensten die effectief werden geleverd aan haar leden en aan het publiek in de twee voorgaande kalenderjaren;
de lijst van de organen waarin de vereniging haar leden vertegenwoordigt.]1

Art. R40 -4.[1 Pour être reconnue en tant que " Fédération ou Réseau ", la demande de reconnaissance visée à l'article D. 28-6 comprend les éléments complémentaires suivants :
la liste de ses membres ainsi que les conditions à remplir pour devenir membre;
la liste des services que l'association offre à ses membres et au public et la liste des services effectivement rendus à leurs membres et au public dans les deux exercices civils précédents;
la liste des instances dans lesquelles l'association représente ses membres.]1

Hoofdstuk 3. [1 - Subsidiëring van de verenigingen erkend als milieuverenigingen]1
Chapitre 3. [1 - Subventionnement des associations reconnues en tant qu'associations environnementales]1
Art. R40 -5.[1 § 1. Verenigingen die erkend zijn als milieuverenigingen kunnen een subsidie aanvragen op basis van een driejarig milieuactieplan.
Een dergelijk verzoek kan ook worden ingediend door een federatie of netwerk, hetzij namens zichzelf, hetzij namens de ledenverenigingen die als milieuverenigingen zijn erkend, op voorwaarde dat zij daarmee instemmen.
De Waalse regering kan dit bedrag jaarlijks indexeren.
§ 2. In het milieuactieplan van een vereniging die is erkend om een "CRIE" te beheren, worden met name de opdrachten beschreven die specifiek zijn voor "CRIE's", zoals beschreven in art. D. 24.
§ 3. De bedragen die in aanmerking komen voor subsidies worden bepaald op basis van het milieuactieplan van de vereniging, gevalideerd door het ondersteuningscomité, met inbegrip van het personeel (aantal voltijdse equivalenten) dat nodig is om de activiteiten uit te voeren.
§ 4 Een beoordelingsverslag over de subsidieaanvraag wordt opgesteld door het bestuur en toegezonden aan de betrokken Minister volgens de procedures bepaald in artikel R.40, § 2.
§ 5. De Minister stuurt zijn beslissing naar de aanvragende vereniging binnen een termijn van één maand vanaf de dag die volgt op de datum van ontvangst van het evaluatieverslag van het bestuur.]1

Art. R40 -5.[1 § 1er. L'association reconnue en tant qu'association environnementale peut introduire une demande de subvention sur base d'un plan d'actions environnementales prévu sur trois ans.
Cette demande peut également être introduite par une fédération ou un réseau soit pour lui-même, soit pour les associations reconnues en tant qu'associations environnementales qui la composent moyennant l'accord de celles-ci.
Le Gouvernement wallon peut indexer annuellement ce montant.
§ 2. Le Plan d'actions environnementales d'une association agréée comme gestionnaire d'un CRIE décrit notamment les missions spécifiques aux CRIE reprises dans l'art. D. 24.
§ 3. Les montants éligibles pour les subventions sont déterminés selon le plan d'actions environnementales de l'association, validé par le comité d'accompagnement, comprenant le personnel (nombre d'équivalents temps plein) nécessaire à la réalisation des activités.
§ 4. Un rapport d'évaluation de la demande de subventionnement est rédigé par l'administration et transmis au Ministre concerné selon les modalités reprises à l'article R.40 § 2.
§ 5. Le Ministre envoie sa décision à l'association demanderesse dans un délai d'un mois à dater du jour qui suit la date de réception du rapport d'évaluation de l'administration.]1

Art. R40 -6.[1 De subsidie wordt betaald volgens de voorwaarden en bepalingen in artikel D.28-13. Het in het tweede lid bedoelde bedrag wordt vastgesteld op 3.000 euro.
Voor subsidies van minder dan 3.000 euro zijn milieuverenigingen vrijgesteld van het opsturen van de bewijsstukken, vermeld in lid 1, 2° en 3°, en de bewijsstukken en betalingsbewijzen, vermeld in lid 1, 4°, op voorwaarde dat ze een verklaring op erewoord opsturen waarvan de inhoud bepaald wordt door de Regering. Milieuverenigingen die hun uitgaven rechtvaardigen door middel van een verklaring op erewoord, moeten de bewijsstukken gedurende vijf jaar bewaren. De Regering is gemachtigd het streefbedrag aan te passen en de voorwaarden met betrekking tot deze uitgaven te specificeren.]1

Art. R40 -6.[1 La subvention est payée selon les modalités reprises dans l'article D.28-13. Le montant visé au deuxième alinéa est fixé à 3.000 euros.
Pour les subventions inférieures à 3.000 euros, les associations environnementales sont dispensées de la transmission des justificatifs visés à l'alinéa 1er, 2° et 3°, et des pièces justificatives et preuves de paiement visées à l'alinéa 1er, 4°, moyennant la transmission d'une déclaration sur l'honneur dont le contenu est déterminé par le Gouvernement. L'association environnementale qui justifie ses dépenses via une déclaration sur l'honneur est tenue de conserver les pièces probantes pendant cinq ans. Le Gouvernement est habilité à adapter le montant visé et à préciser les modalités entourant cette dépense.]1

Art. R40 -7.[1 De subsidieaanvraag bedoeld in artikel R.40-5 bevat een milieuactieplan dat, naast de elementen opgesomd in artikel D.28-12, § 2, ten minste de volgende elementen bevat:
a) het activiteitenprogramma voor het eerste jaar, met een vooruitblik over drie jaar;
b) identificatie van de doelgroepen van de activiteiten;
c) de strategieën en methodologieën die de vereniging wil gebruiken om de doelstellingen van het actieplan voor milieubewustzijn te bereiken d) prestatie-indicatoren;
e) een beschrijving en toewijzing van de logistieke, personele en financiële middelen die nodig zijn om de doelstellingen van het activiteitenprogramma te verwezenlijken;
f) indien van toepassing, een evaluatierapport over het eerder voltooide actieplan voor milieubewustzijn.
De Minister stelt het aanvraagformulier vast.
Het bedrag van de aangevraagde subsidie wordt uitgesplitst in de in artikel R. 40-8 vermelde posten, de door de activiteit gegenereerde inkomsten en andere financieringsbronnen.]1

Art. R40 -7.[1 La demande de subvention visée à l'article R.40-5 comprend un plan d'actions environnementales qui, outre les éléments énumérés à l'article D.28-12, § 2 contient au minimum les éléments suivants :
a) le programme d'activités pour la première année avec une prospective sur trois ans;
b) l'identification des publics visés par les activités;
c) les stratégies et méthodologies que l'association entend mettre en oeuvre pour atteindre les objectifs fixés dans le plan d'actions de sensibilisation à l'environnement d) des indicateurs de résultat;
e) la description et l'affectation des ressources logistiques, humaines et financières nécessaires à la réalisation des objectifs fixés par le programme d'activités;
f) le cas échéant, un rapport d'évaluation du plan d'actions de sensibilisation à l'environnement échu réalisé préalablement.
Le Ministre fixe le formulaire de demande.
Le montant de la subvention sollicitée est ventilé selon les postes prévus à l'article R. 40-8 ainsi que les recettes découlant de l'activité et les autres sources de financement.]1

Art. R40 -8.[1 § 1 De Minister bepaalt de methode voor de berekening van de subsidie op forfaitaire basis, met dien verstande dat de subsidie de exploitatiekosten dekt die gepaard gaan met de uitvoering van een milieuactieplan.
§ 2. Werkingskosten worden berekend op basis van de volgende in aanmerking komende kosten:
de personeelskosten binnen de grenzen van de loonschalen die van toepassing zijn op de ambtenaren in het Waalse openbaar ambt, en
a) die nodig zijn om het actieplan inzake milieubewustzijn uit te voeren
b) die nodig zijn voor de werking van de VZW, d.w.z. ondersteunende en coördinerende functies;
de werkingskosten, die overeenkomen met 15 van de totale subsidie;
specifieke werkingskosten in verband met de voorgestelde acties (verplaatsingen, specifieke communicatiekosten, publicatiekosten, enz;)
investeringskosten.
§ 3 Op basis van redenen die naar behoren worden gemotiveerd aan het begeleidingscomité en gevalideerd door de administratie, mag de begunstigde een reserve voor sociale verplichtingen aanleggen tot maximaal dertig procent van de gesubsidieerde personeelskosten.]1

Art. R40 -8.[1 § 1er Le Ministre détermine le mode de calcul de la subvention et ce sur base forfaitaire, et étant entendu que la subvention couvre les frais de fonctionnement liés à la réalisation d'un plan d'actions environnementales.
§ 2 Les frais de fonctionnement sont calculés sur base des coûts éligibles suivants :
les frais de personnel dans la limite des échelles salariales applicables aux agents de la fonction publique wallonne et
a) nécessaires à la mise en place du plan d'action de sensibilisation à l'environnement
b) nécessaires au fonctionnement de l'ASBL, soit les fonctions d'appui et de coordination;
les frais de fonctionnement qui correspondent à quinze pour cent du montant total de la subvention;
Les frais de fonctionnement spécifiques liés aux actions proposées (déplacement, frais de communication spécifiques, frais d'édition...)
les frais d'investissement.
§ 3 Sur base de motivations dûment justifiées auprès du comité d'accompagnement et validées par l'administration le bénéficiaire pourra constituer une réserve pour passif social à hauteur de maximum trente pour cent des frais de personnel subventionnés.]1

Hoofdstuk 4. [1 - Monitoring en beoordeling]1
Chapitre 4. [1 - Contrôle et évaluation]1
Afdeling 1. [1 - Controle]1
Section 1re. [1 - Contrôle]1
Art. R40 -9.[1 De Minister controleert of de milieuvereniging voldoet aan de erkenningsvoorwaarden in de artikelen D. 28-5 tot en met D. 28-8.]1
Art. R40 -9.[1 Le Ministre contrôle le respect des conditions de reconnaissance visées aux articles D. 28-5 à D. 28-8 par l'association environnementale.]1
Art. R40 -10.[1 De vereniging bezorgt het bestuur een algemeen verslag over de uitvoering van haar activiteiten, via het eenheidsloket bedoeld in artikel D. 28-10, en dit ten laatste op 1 april van het volgende jaar voor de verenigingen erkend vanaf 1 januari, of op 1 oktober van het volgende jaar voor de verenigingen erkend vanaf 1 juli. Dit algemene verslag over de uitvoering van activiteiten moet vergezeld gaan van een schuldvorderingsverklaring en een overzichtstabel van inkomsten en uitgaven per begrotingspost, die het gebruik van de afgelopen termijn rechtvaardigen.
Het jaarlijkse activiteitenverslag wordt naar het bestuur gestuurd via het eenheidsloket waarnaar wordt verwezen in artikel D. 28-10.
In overeenstemming met artikel D.28-14, lid 2, wordt de boekhoudkundige balans van de vereniging bij het algemene verslag over de uitvoering van haar activiteiten gevoegd.]1

Art. R40 -10.[1 L'association transmet à l'administration, un rapport général de mise en oeuvre d'activités, via le guichet unique visé à l'article D. 28-10, au plus tard le 1er avril de l'année suivante, pour les associations reconnues à partir du 1er janvier ou le 1er octobre de l'année suivante pour les associations reconnues à partir du 1er juillet. Ce rapport général de mise en oeuvre des d'activités doit être accompagné d'une déclaration de créance et d'un tableau récapitulatif des recettes et des dépenses par poste budgétaire qui permettent de justifier l'utilisation de la tranche écoulée.
Le rapport annuel d'activités est transmis à l'administration via le guichet unique visé à l'article D. 28-10.
Conformément à l'article D.28-14, alinéa 2, le bilan comptable de l'association est joint au rapport général de mise en oeuvre d'activités.]1

Art. R40 -11.[1 In het algemeen verslag over de uitvoering van de activiteiten bedoeld in artikel D.28-15 wordt het milieuactieplan geëvalueerd.
De milieuvereniging, -federatie of -netwerk stuurt dit rapport zes maanden voor het einde van het milieuactieplan naar de overheid.
De Regering keurt het rapport binnen drie maanden na ontvangst goed of af.
De milieuvereniging, -federatie of -netwerk kan een herinneringsbrief sturen.]1

Art. R40 -11.[1 Le rapport général de mise en oeuvre d'activités visé à l'article D.28-15 fait le bilan du plan d'actions environnementales.
L'association environnementale ou la fédération ou réseau adresse au Gouvernement six mois avant le terme du plan d'actions environnementales ce rapport.
Le Gouvernement approuve ou refuse ce rapport dans les trois mois de la réception.
L'association environnementale ou la fédération ou réseau peut envoyer une lettre de rappel.]1

Afdeling 2. [1 - Schorsing en intrekking van erkenningen en subsidies]1
Section 2. [1 - Suspension et retrait de la reconnaissance et des subventions]1
Art. R40 -12.[1 § 1. Indien de minister op basis van een verslag met de notulen van de begeleidingscomités of andere informatie vaststelt dat een vereniging niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van een erkenning of subsidie, stuurt hij de vereniging per aangetekende brief of op een andere wijze die voorziet in een verzend- en ontvangstdatum een waarschuwing met vermelding van de termijn waarbinnen de vereniging moet voldoen aan de voorwaarden voor de toekenning van een erkenning en/of subsidie.
De minister kan de subsidieverlening gedurende deze periode opschorten.
De erkende vereniging wordt uitgenodigd om haar verdedigingsmiddelen te presenteren voordat een besluit tot schorsing wordt genomen.
§ 2. Als de vereniging niet binnen de gestelde termijn heeft voldaan, trekt de minister de erkenning of de subsidie in. Intrekking van de erkenning heeft intrekking van de structurele subsidie tot gevolg, onverminderd het bedrag van de reeds betaalde structurele subsidie. De erkende vereniging wordt uitgenodigd om haar verdedigingsmiddelen te presenteren voordat een besluit tot intrekking wordt genomen.
Het besluit tot intrekking van de erkenning of van de subsidie wordt aan de vereniging meegedeeld per aangetekende brief met ontvangstbewijs of op enige andere rechtsgeldige wijze, waarbij een bepaalde datum voor de verzending en de ontvangst van het document wordt vastgesteld.]1

Art. R40 -12.[1 § 1er. Lorsque le Ministre constate, sur base d'un rapport faisant état des procès-verbaux des comités d'accompagnement ou d'autres éléments, qu'une association ne respecte pas ou plus les conditions d'octroi de la reconnaissance ou du subventionnement, il adresse à l'association, par envoi recommandé ou par tout autre moyen donnant date certaine à l'envoi et à la réception, un avertissement et lui indique le délai endéans lequel elle doit satisfaire aux conditions d'octroi de reconnaissance et/ou du subventionnement.
Le Ministre peut suspendre l'octroi des subventions durant cette période.
L'association reconnue est invitée à faire valoir ses moyens de défense avant toute décision de suspension.
§ 2. Si à l'expiration du délai imparti l'association ne s'est pas conformée, le Ministre procède au retrait de la reconnaissance ou au retrait de la subvention. Le retrait de la reconnaissance engendre le retrait de la subvention structurelle sans préjudice du montant de la subvention structurelle déjà liquidé. L'association reconnue est invitée à faire valoir ses moyens de défense avant toute décision de retrait.
La décision portant retrait de la reconnaissance ou du subventionnement est notifiée à l'association par envoi recommandé avec accusé de réception ou tout autre moyen de droit donnant date certaine à l'envoi et à la réception de l'acte.]1

Hoofdstuk 5. [1 - Beroep]1
Chapitre 5. [1 - Recours]1
Art. R40 -13.[1 § 1. De verzoekende vereniging kan in de volgende gevallen in beroep gaan bij de regering:
tegen de beslissing betreffende de structurele subsidie bedoeld in de artikelen R.40-5, § 5;
tegen een beslissing tot weigering van de toekenning bedoeld in de artikelen R.34/1, § 2, R. 35;
in geval van weigering of intrekking van de erkenning bedoeld in de artikelen R. 34/1, § 2 en R. 35;
in geval van weigering van erkenning als bedoeld in artikel R. 40-1;
in geval van gehele of gedeeltelijke intrekking van een subsidie als bedoeld in artikel R. 40-12;
in geval van intrekking van erkenning als bedoeld in artikel R. 40-12;
Op straffe van niet-ontvankelijkheid moet het beroep worden ingesteld binnen dertig dagen na de dag volgend op die van :
de ontvangst van de beslissingen bedoeld in de artikelen R.34/1 § 2, R.35, R.36, R.40-1, R.40 § 5, R.40-12;
het verstrijken van de termijn voor het verzenden van de beslissing bedoeld in de artikelen R. 34/1, § 2, R. 36, R. 40, § 2, en R. 40-12, § 2.
Het beroep wordt naar het hoofdzetel van het begeleidingscomité gestuurd. Hierin staat op welke gronden de vereniging de beslissing aanvecht en of de vereniging gehoord wil worden.
§ 2. Het in Art. D. 28-1 bedoelde begeleidingscomité, stuurt binnen zestig werkdagen na ontvangst van het beroep een advies aan de Regering. De Regering stuurt haar beslissing binnen vijfenveertig werkdagen na ontvangst van het verslag met het advies van het begeleidingscomité of na het verstrijken van de termijn waarover het begeleidingscomité beschikt om haar voorstel voor een beslissing in te dienen.]1

Art. R40 -13.[1 § 1. Un recours est ouvert à l'association demanderesse auprès du Gouvernement dans les cas suivants :
contre la décision relative au subventionnement structurel visé aux articles R.40-5 § 5;
contre une décision de refus d'octroi de la subvention visé aux articles R.34/1 § 2, R. 35;
en cas de refus et de retrait d'agrément visés aux articles R. 34/1 § 2 et R. 35;
en cas de refus de reconnaissance visé à l'article R. 40-1;
en cas de retrait total ou partiel de subvention visé à l'article R. 40-12;
en cas de retrait de reconnaissance visé à l'article R. 40-12.
Sous peine d'irrecevabilité, le recours est introduit dans un délai de trente jours à dater du jour qui suit celui de :
la réception des décisions visées aux articles R. 34/1 § 2, R.35, R. 36, R. 40-1, R. 40 § 5, R 40-12;
l'expiration du délai imparti pour l'envoi de la décision prévue aux articles R. 34/1 § 2, R. 36, R. 40 § 2, et R. 40-12, § 2.
Le recours est envoyé au siège du comité d'accompagnement. Il précise les éléments sur lesquels l'association se fonde pour contester la décision et si l'association souhaite être entendue.
§ 2. Le comité d'accompagnement, prévu à l'art. D. 28-1, transmet, dans un délai de soixante jours ouvrables, à dater de la réception du recours un rapport d'avis au Gouvernement. Le Gouvernement envoie sa décision dans un délai de quarante-cinq jours ouvrables, à dater de la réception du rapport d'avis du comité d'accompagnement ou à l'expiration du délai imparti au comité d'accompagnement pour transmettre sa proposition de décision.]1

Hoofdstuk 6. [1 - Begeleidingscomité]1
Chapitre 6. [1 - Comité d'accompagnement]1
Art. R40 -14.[1 De openbare oproep tot kandidaten bedoeld in artikel D. 28-17, § 4, wordt door het bestuur bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De openbare aanbesteding specificeert de volgende elementen :
de titel en het doel van het (de) mandaat(en);
de onverenigbaarheden;
het adres waarnaar de kandidatuurakte wordt gestuurd;
de uiterste datum waarop de kandidatuurakte moet worden verzonden om ontvankelijk te zijn.]1

Art. R40 -14.[1 L'appel public à candidature visé à l'article D. 28-17, § 4, est publié par l'administration au Moniteur belge. L'appel public à candidature précise les éléments suivants :
l'intitulé et l'objet du ou des mandats;
les incompatibilités;
l'adresse à laquelle l'acte de candidature est transmis;
le délai endéans lequel l'acte de candidature est envoyé pour être recevable.]1

Art. R40 -15.[1 Om als volledig te worden beschouwd, moet het in artikel 28-17, § 4, tweede lid, bedoelde kandidatuur ten minste het volgende bevatten:
- een curriculum vitae waaruit blijkt dat je een academicus bent;
- Alle elementen waarbij de specialisatie kan worden aangetoond in milieubescherming, verbetering van de toestand van het milieu, milieueducatie, milieubewustzijn en/of verenigingsmanagement.]1

Art. R40 -15.[1 Pour être considérée comme complète, la candidature visée à l'article 28-17, § 4, alinéa 2, contient à tout le moins :
- le curriculum vitae démontrant l'appartenance au monde académique;
- tous les éléments permettant de démontrer la spécialisation dans la protection de l'environnement, l'amélioration de l'état de l'environnement, l'éducation à l'environnement, la sensibilisation à l'environnement, et/ou le management associatif.]1

Art. R40 -16. [1 Naast de werkingskosten bedoeld in artikel R.40-15 komt de aflossing van zgn. vermogensgoederen met een geraamde gebruiksduur van meer dan één jaar in aanmerking voor het voordeel van de subsidie als werkingskosten, berekend volgens deze regels :
tien jaar voor het meubilair;
vijf jaar voor het bureaumaterieel;
drie jaar voor software.]1

Art. R40 -16. [1 Outre les frais de fonctionnement visés à l'article R. 40.15, l'amortissement de biens de type patrimonial qui ont une durée d'utilisation estimable de plus d'un an est admis au bénéfice de la subvention en qualité de frais de fonctionnement et calculé selon les règles suivantes :
dix ans pour le mobilier;
cinq ans pour le matériel de bureau;
trois ans pour les logiciels informatiques.]1

HOOFDSTUK IV. - [1 Controle en evaluatie]1
CHAPITRE IV. - [1 Contrôle et évaluation]1
Afdeling 1. - [1 Controle]1
Section 1re. - [1 Contrôle]1
Art. R40 -17. [1 Het bestuur kan nagaan of de in de artikelen D.28.5 tot D.28.7 bedoelde erkenningsvoorwaarden door de milieuvereniging worden nageleefd.]1
Art. R40 -17. [1 L'administration peut contrôler le respect des conditions de reconnaissance visées aux articles D.28.5 à D.28.7 par l'association environnementale.]1
Art. R40 -18. [1 § 1. De vereniging maakt het bestuur uiterlijk 15 februari van de jaren N+1 en N+2 via het in artikel D.28-10 bedoelde eenheidsloket een activiteitenverslag samen met een schuldvorderingverklaring en een samenvattende tabel van de ontvangsten en uitgaven per begrotingspost over, waarbij het gebruik van de afgelopen schijf bevestigd kan worden.
§ 2. Het jaarlijkse activiteitenverslag bedoeld in § 1 bestaat uit drie delen :
het eerste deel betreft de identificatie van de vereniging;
het tweede deel betreft de tijdens het overwogen jaar uitgevoerde activiteiten;
het derde deel betreft de thematieken besproken door de vereniging alsook de verrichting van de in het milieuactieplan bepaalde doelstellingen.
Het activiteitenverslag neemt de vorm aan van het door de Minister bepaalde elektronische formulier en gaat vergezeld van de schuldvorderingsverklaring en een samenvattende tabel van de ontvangsten en uitgaven per begrotingspost. Het formulier wordt aangevuld en overgemaakt aan het bestuur via het in artikel D.28.10 bedoelde eenheidsloket.
Als de Minister van Leefmilieu of zijn afgevaardigde vindt dat het bestuur sommige gegevens die nodig zijn voor de opmaking van het activiteitenverslag, rechtstreeks via authentieke bronnen in de zin van artikel 2, 1°, van het samenwerkingsakkoord van 23 mei 2013 tussen het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschap over het opstarten van een gemeenschappelijk initiatief om gegevens te delen en over het gemeenschappelijk beheer van dit initiatief, kan verkrijgen, stelt hij de aanvrager vrij van het verstrekken van deze gegevens aan het bestuur.]1

Art. R40 -18. [1 § 1er. L'association transmet à l'administration, via le guichet unique visé à l'article D.28-10, au plus tard le 15 février des années N+1 et N+2, un rapport d'activités accompagné d'une déclaration de créance et d'un tableau récapitulatif des recettes et des dépenses par poste budgétaire permettant de justifier l'utilisation de la tranche écoulée.
§ 2. Le rapport annuel d'activités visé au paragraphe 1er se compose de trois parties :
la première partie est relative à l'identification de l'association;
la deuxième partie est relative aux activités réalisées pendant l'année considérée;
la troisième partie est relative aux thématiques abordées par l'association ainsi que la réalisation des objectifs déterminés dans le plan d'actions environnementales.
Le rapport d'activités prend la forme du formulaire électronique déterminé par le Ministre auquel sont joints la déclaration de créance et un tableau récapitulatif des recettes et des dépenses par poste budgétaire. Le formulaire est complété et transmis à l'administration via le guichet unique visé à l'article D.28.10.
Dans le cas où le Ministre de l'Environnement ou son délégué estime que l'administration peut obtenir directement, auprès de sources authentiques au sens de l'article 2, 1° de l'accord de coopération du 23 mai 2013 entre la Région wallonne et la Communauté française portant sur le développement d'une initiative commune en matière de partage de données et sur la gestion conjointe de cette initiative, certaines données nécessaires à l'établissement du rapport d'activités, il dispense demandeur de les transmettre à l'administration.]1

Art. R40 -19. [1 § 1. De vereniging maakt het bestuur uiterlijk 31 maart van het jaar volgend op het einde van de toelage via het eenheidsloket een algemeen verslag over de uitvoering van het milieuactieplan of van het gecoördineerd milieuactieplan over samen met een schuldvorderingverklaring en een samenvattende tabel van de ontvangsten en uitgaven per begrotingspost voor het geheel van de periode van het milieuactieplan of van het gecoördineerd milieuactieplan.
§ 2. Het algemeen uitvoeringsverslag bedoeld in § 1 bestaat uit zes delen :
het eerste deel betreft de identificatie van de vereniging;
het tweede deel betreft een voorstelling van de door de vereniging uitgevoerde emblematische activiteiten;
het derde deel betreft de auto-evaluatie van de resultaten van de milieuvereniging ten opzichte van de algemene en operationele doelstellingen en van de indicatoren die ze wilde bereiken voor de uitvoering van het milieuactieplan;
het vierde deel betreft de personen die de diensten van de verenigingen genieten of doelpublieken;
het vijfde deel betreft de ontwikkelingsperspectieven van de vereniging;
het zesde deel betreft de opneming in de gewestelijke strategie inzake duurzame ontwikkeling.
Het neemt de vorm aan van het door het bestuur bepaalde elektronische formulier. Het wordt aangevuld en overgemaakt aan het bestuur via het eenheidsloket.
Als de Minister van Leefmilieu of zijn afgevaardigde acht dat het bestuur sommige gegevens die nodig zijn voor de opmaking van het activiteitenverslag, rechtstreeks via authentieke bronnen in de zin van artikel 2, 1°, van het samenwerkingsakkoord van 23 mei 2013 tussen het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschap over het opstarten van een gemeenschappelijk initiatief om gegevens te delen en over het gemeenschappelijk beheer van dit initiatief, kan verkrijgen, stelt hij de aanvrager vrij van het verstrekken van deze gegevens aan het bestuur.
§ 3. Het bestuur maakt het "Institut wallon de l'évaluation, de la prospective et de la statistique" (Waals Instituut voor evaluatie, toekomstverwachting en statistiek) het geheel van de gegevens die nodig zijn voor hun opdrachten bepaald in artikel D.28.17 over.]1

Art. R40 -19. [1 § 1er. L'association transmet à l'administration, via le Guichet unique, au plus tard le 31 mars de l'année suivant le terme de la subvention, un rapport général de mise en oeuvre du plan d'actions environnementales ou du plan d'actions environnementales coordonné accompagné d'une déclaration de créance et d'un tableau récapitulatif des recettes et des dépenses par poste pour l'ensemble de la période du plan d'actions environnementales ou du plan d'actions environnementales coordonné.
§ 2. Le rapport général de mise en oeuvre visé au paragraphe 1er se compose de six parties :
la première partie est relative à l'identification de l'association;
la deuxième partie est relative à une présentation des activités emblématiques réalisées par l'association;
la troisième partie est relative à l'auto-évaluation des résultats de l'association environnementale au regard des objectifs généraux et opérationnels et des indicateurs qu'elle s'était fixé pour la réalisation du plan d'actions environnementales;
la quatrième partie est relative aux destinataires des prestations de l'association ou publics-cible;
la cinquième partie est relative aux perspectives de développement de l'association;
la sixième partie est relative à l'inscription dans la stratégie régionale de développement durable.
Il prend la forme du formulaire électronique déterminé par l'administration. Il est complété et transmis à l'administration via le Guichet unique.
Dans le cas où le Ministre de l'Environnement ou son délégué estime que l'administration peut obtenir directement, auprès de sources authentiques au sens de l'article 2, 1°, de l'accord de coopération du 23 mai 2013 entre la Région wallonne et la Communauté française portant sur le développement d'une initiative commune en matière de partage de données et sur la gestion conjointe de cette initiative, certaines données nécessaires à l'établissement du rapport d'activités, il dispense le demandeur de les transmettre à l'administration.
§ 3. L'administration transmet à l'Institut wallon de l'évaluation, de la prospective et de la statistique l'ensemble des données nécessaires à leurs missions fixées à l'article D.28-17.]1

Afdeling 2. - [1 Opschorting en intrekking van de erkenning en van de toelage]1
Section 2. - [1 Suspension et retrait de la reconnaissance et de la subvention]1
Art. R40 -20. [1 § 1. Wanneer het bestuur vaststelt dat een vereniging de voorwaarden voor de toekenning van de erkenning of van de subsidiëring niet of niet meer naleeft, stuurt het een waarschuwing met vermelding van de termijn waarin ze voorwaarden voor de toekenning van de erkenning of van de subsidiëring moet vervullen en van zijn beslissing om, in voorkomend geval, de toekenning van de toelage tijdens de termijn op te schorten.
De opschorting van de toekenning van de toelagen kan alleen uitgevoerd worden nadat de vereniging haar verweermiddelen heeft kunnen doen gelden.
§ 2. Als de vereniging bij het verstrijken van de voorgeschreven termijn de voorwaarden voor de toekenning van de erkenning of van de subsidiëring niet naleeft, stelt het bestuur bedoelde vereniging in kennis van de mogelijkheid om de erkenning of de subsidiëring in te trekken. Het bestuur bepaalt :
de redenen die de overwogen maatregel rechtvaardigen;
de middelen waarover de vereniging beschikt om schriftelijk haar verweermiddelen uiteen te zetten binnen een termijn van twintig dagen te rekenen van de ontvangst van die informatie en dat ze bij die gelegenheid het recht heeft om het bestuur erom te verzoeken haar verweermiddelen mondeling voor te dragen.
Het bestuur maakt de Regering een voorstel van beslissing betreffende de intrekking binnen dertig dagen na het verstrijken van de in § 2, eerste lid, 2°, bedoelde termijn of na de datum van verhoor over. Wanneer het bestuur het voorstel aan de Regering stuurt, verwittigt het de vereniging daarvan.
Binnen vijfenveertig dagen na ontvangst van het voorstel van beslissing van het bestuur, stuurt de Regering haar beslissing aan de vereniging.
Indien de Regering binnen de in het derde lid bedoelde termijn de beslissing niet stuurt, wordt ze geacht overeen te stemmen met het voorstel van beslissing van het bestuur indien het binnen de in het tweede lid bedoelde termijn aan de Regering is gestuurd. Het bestuur stuurt de vereniging het in het tweede lid bedoelde voorstel van beslissing.
Indien de Regering binnen de in het derde lid bedoelde termijn de beslissing niet stuurt en indien het voorstel van beslissing van het bestuur niet binnen de in het tweede lid bedoelde termijn is gestuurd, wordt de eerste beslissing geacht bevestigd te zijn.]1

Art. R40 -20. [1 § 1er. Lorsque l'administration constate qu'une association ne respecte pas ou plus les conditions d'octroi de la reconnaissance ou du subventionnement, elle envoie un avertissement indiquant le délai endéans lequel elle a l'obligation de satisfaire aux conditions d'octroi de reconnaissance ou de subventionnement et sa décision, le cas échéant, de suspendre l'octroi de la subvention pendant le délai.
La suspension de l'octroi des subventions peut uniquement s'effectuer qu'après avoir donné la possibilité à l'association de faire valoir ses moyens de défense.
§ 2. Si à l'expiration du délai imparti l'association ne satisfait pas aux conditions d'octroi de la reconnaissance ou du subventionnement, l'administration informe l'association de la possibilité de retirer la reconnaissance ou le subventionnement. L'administration précise :
les motifs qui justifient la mesure envisagée;
les moyens dont l'association dispose pour exposer par écrit, ses moyens de défense, dans un délai de vingt jours à compter du jour de la réception de cette information, et qu'elle a, à cette occasion, le droit de demander à l'administration la présentation orale de sa défense.
L'administration transmet au Gouvernement une proposition de décision relative au retrait dans les trente jours à compter de l'expiration du délai visé au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°, ou à dater de la date d'audition. Le jour où l'administration envoie la proposition au Gouvernement, elle en avise l'association.
Dans les quarante-cinq jours de la réception de la proposition de décision de l'administration, le Gouvernement envoie sa décision à l'association.
A défaut d'envoi de la décision par le Gouvernement dans le délai prévu à l'alinéa 3, celle-ci est réputée conforme à la proposition de décision de l'administration si elle a été envoyée dans le délai prévu à l'alinéa 2 au Gouvernement. L'administration envoie à l'association la proposition de décision visée à l'alinéa 2.
A défaut d'envoi de la décision par le Gouvernement dans le délai prévu à l'alinéa 3 et si la proposition de décision de l'administration n'a pas été envoyée dans le délai prévu à l'alinéa 2, la décision de première instance est réputée confirmée.]1

HOOFDSTUK V. - [1 Beroep]1
CHAPITRE V. - [1 Recours]1
Art. R40 -21. [1 § 1. In geval van weigering van de erkenning, van gehele of gedeeltelijke weigering van de subsidiëring, van gehele of gedeeltelijke intrekking van de toelage, van intrekking van de erkenning, wordt een beroep door de verzoekende vereniging bij de Regering ingediend. Op straffe van onontvankelijkheid wordt het beroep ingediend binnen een termijn van 30 dagen te rekenen van de dag volgend op :
de ontvangst van de beslissing bedoeld in artikel R.40-3, § 5, in artikel R.40-10, § 4 en in artikel R.40-20, § 2, derde lid;
de ontvangst van de beslissing gestuurd binnen een termijn van 30 dagen te rekenen van de aanmaning bedoeld in artikel R.40-10, § 5.
de ontvangst van het voorstel van beslissing van het bestuur bedoeld in artikel R.40-20, § 2, vierde lid;
het verstrijken van de termijn voorgeschreven voor de zending van de beslissing bedoeld in artikel R.40-3, § 4, in artikel R.40-10, § 5, tweede lid en in artikel R.40-20, § 2, vijfde lid.
Het beroep wordt bij de zetel van het begeleidingscomité zoals bepaald bij de Minister van Leefmilieu gezonden. Bedoe Bedoeld beroep bepaalt de elementen waarop de vereniging rust om de beslissing te betwisten en of de vereniging wenst gehoord te worden.
§ 2. Het begeleidingscomité stuurt, in voorkomend geval na verhoor van de verzoekende vereniging, een adviesverslag aan de Regering binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het beroep. De Regering stuurt haar beslissing binnen een termijn van vijfenveertig dagen na ontvangst van het adviesverslag van het begeleidingscomité of bij het verstrijken van de termijn waarover het begeleidingscomité beschikt om zijn voorstel van beslissing over te maken. De termijn van vijfenveertig dagen wordt geschorst tussen 15 juli tot en met 31 augustus.
Als de beslissing niet verzonden wordt binnen de termijn bedoeld in het eerste lid, wordt de beslissing die het voorwerp uitmaakt van het beroep, bevestigd.]1

Art. R40 -21. [1 § 1er. En cas de refus de reconnaissance, de refus total ou partiel de subventionnement, de retrait total ou partiel de subvention, de retrait de reconnaissance, un recours est ouvert à l'association demanderesse auprès du Gouvernement. A peine d'irrecevabilité, le recours est introduit dans un délai de 30 jours à dater du jour qui suit celui de
la réception de la décision visée à l'article R.40-3, § 5, à l'article R.40-10, § 4 et à l'article R.40-20, § 2, alinéa 3;
la réception de la décision envoyée dans un délai de trente jours à dater de la lettre de rappel prévue à l'article R.40-10, § 5;
la réception de la proposition de décision de l'administration visée à l'article R.40-20, § 2, alinéa 4;
l'expiration du délai imparti pour l'envoi de la décision prévue à l'article R.40-3, § 4, à l'article R.40-10, § 5, alinéa 2 et à l'article R.40-20, § 2, alinéa 5.
Le recours est envoyé au siège du comité d'accompagnement tel que défini par le Ministre de l'Environnement. Il précise les éléments sur lesquels l'association se fonde pour contester la décision et si l'association souhaite être entendue.
§ 2. Le comité d'accompagnement transmet, le cas échéant après audition de l'association demanderesse, dans un délai de soixante jours à dater de la réception du recours un rapport d'avis au Gouvernement. Le Gouvernement envoie sa décision dans un délai de quarante-cinq jours à dater de la réception du rapport d'avis du comité d'accompagnement ou à l'expiration du délai imparti au comité d'accompagnement pour transmettre sa proposition de décision. Le délai de quarante-cinq jours est suspendu entre le 15 juillet et le 31 août inclus.
A défaut d'envoi de la décision dans le délai visé à l'alinéa 1er, la décision faisant l'objet du recours est confirmée.]1

HOOFDSTUK VI. - [1 Begeleidingscomité]1
CHAPITRE VI. - [1 Comité d'accompagnement]1
Art. R40 -22. [1 De openbare oproep tot de kandidaten bedoeld in artikel D.28-17, § 4, wordt door het bestuur in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
De openbare oproep tot de kandidaten bepaalt de volgende elementen :
het opschrift en het voorwerp van het(de) mandaat(aten);
de onverenigbaarheden;
de inhoud van de kandidatuurakte zodat bedoelde akte volledig kan worden geacht;
het adres waaraan de kandidatuurakte gericht wordt;
de termijn waarin de kandidatuurakte gezonden moet worden om ontvankelijk te zijn.]1

Art. R40 -22. [1 L'appel public à candidature visé à l'article D.28-17, § 4, est publié par l'administration au Moniteur belge.
L'appel public à candidature précise les éléments suivants :
l'intitulé et l'objet du ou des mandats;
les incompatibilités;
le contenu de l'acte de candidature pour que ce dernier soit considéré comme complet;
l'adresse à laquelle l'acte de candidature est transmis;
le délai endéans lequel l'acte de candidature est envoyé pour être recevable.]1

HOOFDSTUK VII. - [1 Overgangs- en slotbepalingen]1
CHAPITRE VII. - [1 Dispositions transitoires et finales]1
Art. R40 -23. [1 Behoudens andersluidende bepaling, gebeurt elke verzending :
hetzij bij ter post aangetekend schrijven met bericht van ontvangst;
hetzij via elke gelijksoortige formule die de verzend- en de ontvangstdatum van de akte waarborgen, ongeacht de dienst die de gebruikte post verdeelt;
hetzij door een akte tegen ontvangstbewijs in te dienen;
hetzij bij elektronisch aangetekende zending, waarbij het bewijs van de zending en van het moment van de zending alsook het bewijs van de identiteit van de afzender gekregen kunnen worden.]1

Art. R40 -23. [1 Sauf disposition contraire, l'envoi se fait :
soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception;
soit par recours à toute formule similaire permettant de donner date certaine à l'envoi et à la réception de l'acte, quel que soit le service de distribution du courrier utilisé;
soit par le dépôt d'un acte contre récépissé;
soit par recours à des procédés de recommandé électronique permettant d'obtenir la preuve de l'envoi et du moment de l'envoi ainsi que la preuve de l'identité de l'expéditeur.]1

Art. R40 -24.[1 § 1. In afwachting van de installatie van het in artikel D.28.10 bedoelde eenheidsloket worden de aanvragen tot erkenning en tot subsidiëring van de milieuverenigingen alsook de activiteitenverslagen en algemene verslagen m.b.t. de uitvoering van de milieuactieplannen ingediend op volgend adres : DGO3 (Département du développement), chaussée de Louvain 14, te 5000 Namen.
De verzoekende vereniging dient haar dossiers op twee dragers in, enerzijds, op papieren drager en anderzijds, d.m.v. een elektronisch formulier via een e-mail of alle andere digitale kanalen bepaald door het bestuur.
§ 2. In afwachting van de installatie van het eenheidsloket worden de termijnen van negentig dagen bedoeld in artikel R.40-13, § 3, en in artikel R.40-10, § 3, op honderd vijftig dagen gebracht. [2 De termijn van honderd vijfendertig dagen bedoeld in artikel R.40-3, § 4, wordt op tweehonderd dertig dagen gebracht. "De termijn van honderd vijfendertig dagen bedoeld in artikel R.40-10, § 4, wordt op honderd tachtig dagen gebracht.]2 ]1

Art. R40 -24.[1 § 1er. Dans l'attente de la mise en place du guichet unique visé à l'article D.28.10, les demandes de reconnaissance et de subventionnement des associations environnementales ainsi que les rapports d'activités et rapports généraux de mise en oeuvre des plan d'actions environnementales sont introduits à l'adresse suivante : DGO3 (Département du développement), chaussée de Louvain 14, à 5000 Namur.
L'association demanderesse introduit son dossier sous deux formats, d'une part, en format papier et d'autre part sous forme électronique via courrier électronique ou toutes voies numériques définies par l'administration.
§ 2. Dans l'attente de la mise en place du guichet unique, les délais de nonante jours mentionnés à l'article R.40-3, § 3, et à l'article R.40-10, § 3, sont portés à cent-cinquante jours. [2 Le délai de cent trente-cinq jours visé à l'article R.40-3, § 4, est porté à deux cent trente jours. Le délai de cent trente-cinq jours visé à l'article R.40-10, § 4, est porté à cent quatre-vingt jours.]2 ]1

Art. R40 -25. [1 Het eenheidsloket wordt uiterlijk op 1 januari 2017 opgestart.]1
Art. R40 -25. [1 Le guichet unique entre en fonction au plus tard le 1er janvier 2017.]1
TITEL III. [1 - Inspraak van het publiek inzake het leefmilieu]1
TITRE III. [1 - Participation du public en matière d'environnement]1
HOOFDSTUK I. [1 - Informatievergadering]1
CHAPITRE Ier. [1 - De la réunion d'information]1
Art. R41 -1.[1 De aanvrager maakt de informatie bedoeld in artikel D.29-5, § 3, eerste lid, 2°, bij gewoon schrijven over aan de overheid die moet nagaan of de aanvraag volledig en ontvankelijk is.
Binnen twintig dagen na ontvangst van deze informatie bepaalt deze overheid:
de gemeenten, met inbegrip van de gemeente of gemeenten waartoe het project zich uitstrekt, die door het project kunnen worden getroffen;
of het project aanzienlijke gevolgen kan hebben op het leefmilieu van een ander Gewest, van een andere Lidstaat van de Europese Unie of van een andere Staat die partij is bij het Verdrag van Espoo van 25 februari 1991 inzake milieueffectenverslag in grensoverschrijdend verband.
De overheid licht de aanvrager bij aangetekend schrijven erover in.]1

Art. R41 -1.[1 Le demandeur transmet par pli simple à l'autorité chargée d'apprécier le caractère complet et recevable de la demande les informations visées à l'article D.29-5, § 3, alinéa 1er, 2°.
Dans les vingt jours de la réception de ces informations, cette autorité détermine :
les communes, en ce compris la ou les communes auxquelles s'étend le projet, susceptibles d'être affectées par ledit projet;
si le projet est susceptible d'avoir des incidences notables sur l'environnement d'une autre Région, d'un autre Etat membre de l'Union européenne ou d'un autre Etat partie à la Convention d'Espoo du 25 février 1991 sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière.
L'autorité en informe le demandeur par envoi recommandé.]1

Art. R41 -2. [1 Het bericht bedoeld in artikel D.29-5, § 2, vierde lid, wordt in zwarte letters op gele achtergrond gedrukt en heeft een oppervlakte van minimum 35 d m2.]1
Art. R41 -2. [1 L'avis visé à l'article D.29-5, § 2, alinéa 4, est imprimé en lettres noires sur fond jaune et a une dimension d'au moins 35 d m2.]1
Art. R41 -3.[1 § 1. Wanneer de aanvrager de in artikel R.72, § 3, bedoelde beslissing ontvangt en als ze gunstig is, organiseert hij in de gemeente waar het project de grootste oppervlakte bestrijkt, de voorafgaande informatievergadering waarop de bevolking van de overeenkomstig artikel D.29-5, § 3, betrokken gemeente(n) wordt uitgenodigd overeenkomstig artikel D.29-5, § 3, evenals het Gewest, de Lidstaat van de Europese Unie of de Staat die partij is bij het Verdrag van Espoo van 25 februari 1991 inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, indien is vastgesteld dat het project een effect kan hebben op het leefmilieu van een andere Staat of een ander Gewest.
Indien de in het eerste lid bedoelde gemeente niet beschikt over een zaal die groot genoeg is om het verwachte publiek te ontvangen, organiseert de aanvrager ofwel:
verschillende informatievergaderingen in de gemeente;
een eenmalige informatievergadering in een andere betrokken gemeente of een naburige gemeente met een zaal die groot genoeg is voor het verwachte publiek.
De aanvrager nodigt voor de vergadering, of voor de verschillende vergaderingen als er meerdere zijn, ook de volgende personen uit die op de vergadering vertegenwoordigd kunnen zijn:
de persoon die de aanvrager heeft gekozen om het milieueffectonderzoek uit te voeren, als een dergelijk onderzoek wordt vereist;
de bevoegde overheid;
de Administratie Leefmilieu en de Administratie Ruimtelijke Ordening;
de beleidsgroep "Leefmilieu" en, volgens de gevallen bedoeld in artikel R.82, § 1, leden 2 tot 4, de gemeentelijke adviescommissie Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit en de beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening"; deze instanties kunnen er hoogstens twee leden afvaardigen;
de vertegenwoordigers van de overeenkomstig artikel D.29-5, § 3, betrokken gemeente(n);
de vertegenwoordigers van de betrokken overheid(en) van het Gewest, de Lidstaat van de Europese Unie of de Staat die partij is bij het Verdrag van Espoo van 25 februari 1991 inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband overeenkomstig artikel D.29-24-2, § 2, wanneer het project een aanzienlijk effect kan hebben op het leefmilieu van een naburige Staat of Gewest.
In het in 6° bedoelde geval en indien de vertegenwoordiger(s) gunstig heeft (hebben) geantwoord op de in artikel D.29-24-2, § 2, bedoelde kennisgeving, zorgt de aanvrager er eveneens voor:
dat de vertegenwoordiger of het publiek van het Gewest, van de Lidstaat van de Europese Unie en/of van de Staat die partij is bij het Verdrag van Espoo van 25 februari 1991 inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, uitgenodigd om deel te nemen, de uitwisselingen begrijpt;
dat een redelijke termijn in acht wordt genomen tussen het ogenblik waarop de vertegenwoordiger(s) gunstig heeft (hebben) geantwoord op de kennisgeving bedoeld in artikel D.29-24-2, § 2, en het houden van de voorafgaande informatievergadering of de eerste vergadering indien er meerdere zijn.
Met betrekking tot 1° moet de aanvrager op eigen kosten zorgen voor een tolkendienst die uitwisselingen kan vertalen in de taal van het betrokken publiek en omgekeerd.
§ 2. Naast de organisatie van de voorafgaande informatievergadering en de modaliteiten ervan die vastgesteld zijn in paragraaf 1, filmt de aanvrager de voorafgaande informatievergadering met video-opname, overeenkomstig artikel D.29-5, § 5.
Het bericht bedoeld in artikel D.29-5, § 3, vermeldt het internetadres waar de video-opname zal worden gehost.
Naast de modaliteiten van artikel D.29-5, § 3, vierde lid, wordt het bericht gepubliceerd op de website van de gemeente of gemeenten waarvoor het geplande project gevolgen kan hebben.
§ 3. Als de technische middelen voor elektronische communicatie niet toelaten dat de videoconferentie op hetzelfde tijdstip plaatsvindt als de fysieke vergadering of als er geen fysieke vergadering is, wordt de voorafgaande informatievergadering opgenomen en zal de aanvrager het publiek een internetlink ter beschikking stellen waarmee de opname op een later tijdstip kan worden bekeken. Het publiek kan opmerkingen maken overeenkomstig artikel R.41-4.
Behalve wanneer uitzonderlijke omstandigheden vereisen dat uitsluitend gebruik wordt gemaakt van elektronische communicatie, kan het niet houden van een voorafgaande informatievergadering per videoconferentie geen afbreuk doen aan de milieubeoordelingsprocedure of de vergunningsaanvraagprocedure, ongeacht of dit vrijwillig of onvrijwillig gebeurt, met name wegens technische problemen die het houden van de vergadering geheel of gedeeltelijk belemmeren.]1

Art. R41 -3.[1 § 1er. Lorsque le demandeur reçoit la décision visée à l'article R.72, § 3, et que celle-ci est favorable, le demandeur organise, dans la commune où se situe la plus grande superficie occupée par le projet, la réunion d'information préalable, à laquelle est invitée la population de la ou des communes concernées conformément à l'article D.29-5, § 3, ainsi que la Région, l'Etat membre de l'Union européenne ou l'Etat partie à la Convention d'Espoo du 25 février 1991 sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière si le projet a été identifié comme susceptible d'avoir des incidences sur l'environnement d'un autre Etat ou d'une autre Région.
Si la commune visée à l'alinéa premier ne dispose pas d'une salle assez grande pour accueillir le public attendu, le demandeur organise, soit :
plusieurs réunions d'information dans ladite commune;
une seule réunion d'information dans une autre commune concernée ou une commune limitrophe dotée d'une salle suffisamment grande pour accueillir le public attendu.
Le demandeur invite également à la réunion, ou aux différentes réunions en cas de pluralité, les personnes suivantes qui peuvent s'y faire représenter :
la personne choisie par le demandeur pour réaliser l'étude d'incidences, si une telle étude est requise;
l'autorité compétente;
l'administration de l'environnement et l'administration de l'aménagement du territoire;
le pôle " Environnement ", et, selon les cas visés à l'article R.82, § 1er, alinéas 2 à 4, la Commission consultative communale d'aménagement du territoire et de mobilité et le pôle " Aménagement du territoire "; ces instances peuvent y déléguer deux de leurs membres au plus;
les représentants de la ou des communes concernées conformément à l'article D.29-5, § 3 ;
les représentants de la ou des autorités concernées de la Région, de l'Etat membre de l'Union européenne ou de l'Etat partie à la Convention d'Espoo du 25 février 1991 sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière conformément à l'article D.29-24-2, § 2, dans le cas où le projet est susceptible d'impacter de façon notable l'environnement d'un Etat ou d'une Région limitrophe.
Dans le cas prévu au 6°, et si une réponse favorable a été apportée par le ou les représentants à la notification visée à l'article D.29-24-2, § 2, le demandeur s'assure également :
que le représentant ou le public de la Région, de l'Etat membre de l'Union européenne et ou de l'Etat partie à la Convention d'Espoo du 25 février 1991 sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, invité à participer, comprend les échanges;
qu'un délai raisonnable soit respecté entre le moment où une réponse favorable a été apportée par le ou les représentants à la notification visée à l'article D.29-24-2, § 2, et la tenue de la réunion d'information préalable ou de la première réunion en cas de pluralité.
En ce qui concerne le 1°, le demandeur prévoit, à ses frais, un service d'interprétariat qui puisse assurer la traduction des échanges vers la langue du public concerné et inversement.
§ 2. Complémentairement à l'organisation de la réunion d'information préalable et des modalités qui y sont fixées au paragraphe 1er, le demandeur filme la réunion d'information préalable avec enregistrement vidéo, conformément à l'article D.29-5, § 5.
L'avis visé à l'article D.29-5, § 3, mentionne l'adresse internet où sera hébergé l'enregistrement vidéo.
Complémentairement aux modalités de l'article D.29-5, § 3, alinéa 4, l'avis est publié sur le site internet de la ou des communes susceptibles d'être impactées par le projet envisagé.
§ 3. Si les moyens techniques de communication électronique ne permettent pas de réaliser la vidéo-conférence simultanément à la tenue de la réunion physique ou en l'absence de réunion physique, la réunion d'information préalable est enregistrée et le demandeur propose au public un lien Internet lui permettant d'assister, de façon différée, à son enregistrement. Le public peut formuler ses remarques et observations conformément à l'article R.41-4.
Sauf lorsque des circonstances exceptionnelles motivées imposent le recours aux seuls moyens de communications électroniques, le défaut de réunion d'information préalable par vidéo-conférence ne peut pas vicier la procédure d'évaluation environnementale ou celle de demande de permis, que ce défaut soit volontaire ou involontaire, notamment en raison de problèmes techniques affectant totalement ou partiellement sa tenue.]1

Art. R41 -4.[1 Iedereen kan binnen vijftien dagen, te rekenen van de datum van de informatievergadering [2 de datum van de laatste vergadering als er meer dan één is]2 opmerkingen en suggesties formuleren en erom verzoeken dat specifieke punten betreffende het project aan het licht gebracht worden, alsook technische alternatieven voorleggen die redelijkerwijs door de aanvrager overwogen kunnen worden opdat ze in overweging genomen worden bij de tenuitvoerlegging van het effectonderzoek, en ze indienen bij het gemeentecollege waar de informatievergadering heeft plaatsgevonden. Daarbij worden naam en adres opgegeven.
Een afschrift wordt overgemaakt aan de aanvrager, die het onmiddellijk doorstuurt naar de auteur van de studie als een dergelijke studie vereist is.]1

Art. R41 -4.[1 Toute personne peut, dans un délai de quinze jours à dater du jour de la tenue de la réunion d'information, [2 ou de la dernière réunion en cas de pluralité]2 émettre ses observations, suggestions et demandes de mise en évidence de points particuliers concernant le projet ainsi que présenter les alternatives techniques pouvant raisonnablement être envisagées par le demandeur afin qu'il en soit tenu compte lors de la réalisation de l'étude d'incidences, en les adressant par écrit au collège communal du lieu où s'est tenue ladite réunion, en y indiquant ses nom et adresse.
Elle en adresse une copie au demandeur, lequel la communique sans délai à l'auteur d'étude dans l'hypothèse où une telle étude est requise.]1

Art. R41 -5.[1 § 1. De minimale inhoud van de notulen [2 van de informatievergadering(en)]2 wordt in bijlage IV bepaald.
§ 2. De termijnen voorzien inzake de organisatie van de informatievergadering worden geschorst tussen 16 juli en 15 augustus en tussen 24 december en 1 januari.]1

[2 De minimuminhoud van het in artikel D.29-6 bedoelde attest opgenomen in bijlage IV/1.]2
Art. R41 -5.[1 § 1er. Le contenu minimal du procès-verbal [2 de la ou des réunions d'information]2 est déterminé à l'annexe IV.
§ 2. Les délais prévus en matière d'organisation de la réunion d'information sont suspendus entre le 16 juillet et le 15 août et entre le 24 décembre et le 1er janvier.]1

[2 Le contenu minimal de l'attestation visée à l'article D.29-6 est déterminé à l'annexe IV/1.]2
HOOFDSTUK II. [1 - Bericht van openbaar onderzoek]1
CHAPITRE II. [1 De l'avis d'enquête publique.]1
Art. R41 -6. [1 Het bericht van openbaar onderzoek bedoeld in artikel D.29-7 is in zwarte letters op gele achtergrond gedrukt en heeft een oppervlakte van minimum 35 d m2.]1
Art. R41 -6. [1 L'avis d'enquête publique visé à l'article D.29-7 est imprimé en lettres noires sur fond jaune et a une dimension d'au moins 35 d m2.]1
HOOFDSTUK III. [1 - Grensoverschrijdende effecten]1
CHAPITRE III. [1 Des incidences transfrontières.]1
Art. R41 -7.[1 § 1. Het plan- of programma-ontwerp bedoeld in artikel [2 D.29-24-2, § 1]2, wordt door de auteur ervan overgemaakt aan de bevoegde overheden van het Gewest, de lidstaat van de Europese Unie of de Staat die partij is bij het Verdrag van Espoo bedoeld in ditzelfde artikel.
Terwijl hij het dossier overmaakt, stelt de auteur van het plan of het programma de Regering en de gemeente(n) in kennis van de plaats waar een openbaar onderzoek wordt gevoerd.
§ 2. De beslissing tot aanneming of goedkeuring van een plan of programma, alsook de milieuaangifte en de vastgelegde opvolgingsmaatregelen wordt door de auteur van het plan of programma meegedeeld aan de bevoegde overheden van het Gewest, de lidstaat van de Europese Unie of de Staat die partij is bij het Verdrag van Espoo bedoeld in artikel [2 D.29-24-2, § 1]2.]1

Art. R41 -7.[1 § 1er. Le projet de plan ou de programme visé à l'article [2 D.29-24-2, § 1er]2, est transmis par l'auteur dudit plan ou programme aux autorités compétentes de la Région, de l'Etat membre de l'Union européenne ou de l'Etat partie à la Convention d'Espoo visés à ce même article.
En même temps qu'il transmet le dossier, l'auteur du plan ou du programme en informe le Gouvernement et la ou les communes où une enquête publique est organisée.
§ 2. La décision d'adoption ou d'approbation d'un plan ou programme, ainsi que la déclaration environnementale et les mesures arrêtées concernant le suivi, est notifiée par l'auteur dudit plan ou programme aux autorités compétentes de la Région, de l'Etat membre de l'Union européenne ou de l'Etat partie à la Convention d'Espoo visés à l'article [2 D.29-24-2, § 1er]2.]1

Art. R41 -8.[1 Als de Regering de in artikel [3 D.29-24-7]3, bedoelde informatie i.v.m. een plan of programma ontvangt, maakt ze die over aan :
de gemeentecolleges van de gemeenten waar het project effecten zou kunnen veroorzaken, die deze informatie ter inzage leggen van het publiek overeenkomstig de procedure van openbaar onderzoek bedoeld in Titel III van deel III van het decreetgevende deel, met de volgende aanpassingen :
a) de Regering of haar afgevaardigde bepaalt de gemeenten die het voorwerp kunnen uitmaken van het plan of programma en op het grondgebied waarvan een openbaar onderzoek uitgevoerd moet worden;
b) de bepalingen van onderafdeling 2 van hoofdstuk III zijn niet van toepassing;
c) het openbaar onderzoek duurt dertig dagen;
de [2 beleidsgroep "Leefmilieu"]2.
De instanties bedoeld in het eerste lid, 1°, zamelen de opmerkingen van het publiek in en verstrekken de Regering hun eventuele adviezen en ingezamelde opmerkingen binnen vijfenveertig dagen, te rekenen van de dag waarop het openbaar onderzoek bedoeld in het eerste lid afgesloten is. De [2 beleidsgroep "Leefmilieu"]2 verstrekt de Regering zijn eventueel advies binnen vijfenveertig dagen, te rekenen van de dag waarop hij de in het eerste lid bedoelde informatie heeft ontvangen.]1

Art. R41 -8.[1 Lorsque le Gouvernement reçoit des informations relatives à un plan ou programme, telles que visées à l'article [3 D.29-24-7]3, il les transmet :
aux collèges communaux des communes susceptibles d'être concernées, qui les mettent à la disposition du public conformément à la procédure d'enquête publique prévue au titre III de la partie III de la partie décrétale, moyennant les adaptations suivantes :
a) le Gouvernement ou son délégué précise les communes susceptibles d'être affectées par le plan ou programme et sur le territoire desquelles une enquête publique doit être réalisée;
b) les dispositions de la sous-section 2 du chapitre III ne sont pas applicables;
c) la durée de l'enquête publique est de trente jours;
au [2 pôle "Environnement"]2.
Les instances visées à l'alinéa 1er, 1°, recueillent les observations du public et transmettent au Gouvernement leurs avis éventuels et les observations qu'ils ont recueillies dans un délai de quarante-cinq jours à dater de la clôture de l'enquête publique visée à l'alinéa 1er. Le [2 Pôle ]2 transmet au Gouvernement son avis éventuel dans un délai de quarante-cinq jours à dater du jour où il a reçu les informations visées à l'alinéa 1er.]1

Art. R41 -9.[1 § 1. De overheid die belast is met de beoordeling van de volledigheid en de ontvankelijkheid van de aanvraag zendt aan de betrokken overheden van het Gewest, de Lidstaat van de Europese Unie of de Staat die partij is bij het Verdrag van Espoo, de in artikel D.29-24-2, § 2, bedoelde informatie waarover zij beschikt.
In overeenstemming met artikel D.29-24-2, § 2, lid 3 en § 4, kan het andere Gewest, de andere lidstaat of de andere staat die partij is bij het Verdrag van Espoo, in het geval van een positieve reactie op de kennisgeving, deelnemen aan de mogelijke voorafgaande scopingprocedure die door de opdrachtgever is aangevraagd op basis van artikel D.69, volgens de modaliteiten die zijn vastgelegd in artikel R.57, § 2 en § 4.
§ 2. De in artikel D.29-24-4, § 2 bedoelde informatie over het project wordt door de instantie die belast is met de beoordeling van de volledigheid en de ontvankelijkheid van de aanvraag doorgestuurd naar de bevoegde overheden van het Gewest, de lidstaat van de Europese Unie of de staat die partij is bij het Verdrag van Espoo, met vermelding van :
de bevoegde overheid en de termijn waarbinnen de beslissing moet worden genomen;
de modaliteiten voor de organisatie van het openbaar onderzoek betreffende de behandeling van de vergunningsaanvraag, meer bepaald de duur van het onderzoek, de vermoedelijke begindatum ervan en de overheid die de opmerkingen van het publiek in ontvangst zal nemen;
de informatie over de aard van de beslissing die genomen kan worden.
Ze geeft ook aan dat deze overheden wordt verzocht haar binnen zestig dagen na ontvangst van de informatie over het project hun standpunt mee te delen, evenals de opmerkingen die zij van het publiek hebben ontvangen in het kader van het openbaar onderzoek dat op het grondgebied van het Waals Gewest is georganiseerd of dat zij, in voorkomend geval, op hun eigen grondgebied hebben georganiseerd.
Tegelijk met de toezending van het dossier brengt ze de Regering en de bevoegde overheid op de hoogte van deze toezending.
§ 3. De modaliteiten voor de uitvoering van artikel D.29-24-5 met betrekking tot een specifieke raadplegingsprocedure voor grensoverschrijdende bevoegde overheden, met inbegrip van het vaststellen van de termijn voor raadpleging, worden gespecificeerd na overleg met de overheden, zodat het betrokken publiek en de overheden effectief kunnen deelnemen aan het besluitvormingsproces op milieugebied.
Deze procedure kan niet worden ingeleid na het verstrijken van de termijn van zestig dagen waarbinnen de betrokken overheid van het Gewest, de lidstaat van de Europese Unie of de staat die partij is bij het Verdrag van Espoo het in lid 2 bedoelde advies moet voorleggen.
§ 4. De bevoegde overheid zendt haar beslissing bij aangetekend schrijven naar de overheden bedoeld in paragraaf 2.
§ 5. Als de Regering omtrent een project de in artikel D.29-24-7, bedoelde gegevens ontvangt, maakt ze die over aan:
de gemeentecolleges van de gemeenten waar het project effecten zou kunnen veroorzaken, die deze informatie ter inzage van het publiek leggen overeenkomstig de procedure van openbaar onderzoek bedoeld in Titel III van deel III van dit Wetboek, met de volgende aanpassingen:
a) de directeur-generaal van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of zijn gemachtigde geeft de gemeenten aan die door het project kunnen worden getroffen en op wiens grondgebied een openbaar onderzoek moet worden uitgevoerd;
b) de bepalingen betreffende de informatievergadering zijn niet van toepassing;
c) de bepalingen van onderafdeling 2 van hoofdstuk III zijn niet van toepassing;
d) artikel D.29-10 is niet van toepassing;
e) het openbaar onderzoek duurt dertig dagen;
de Beleidsgroep "Leefmilieu"
De in het eerste lid, 1°, bedoelde instanties verzamelen de opmerkingen van het publiek en bezorgen de Regering hun eventuele adviezen en de opmerkingen die zij hebben verzameld binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop zij de in het eerste lid bedoelde informatie hebben ontvangen. De beleidsgroep "Leefmilieu" verstrekt de Regering zijn eventueel advies binnen dertig dagen, te rekenen van de dag waarop hij de in het eerste lid bedoelde informatie heeft ontvangen.
§ 6. Wanneer de Regering de beslissing met betrekking tot een project ontvangt van het Gewest, van de Lidstaat van de Europese Unie of van een Staat die partij is bij het Verdrag van Espoo, stuurt ze die onmiddellijk door naar de betrokken gemeente(n) van het Waalse Gewest, zodat die binnen de tien dagen na ontvangst een bericht kan aanplakken, overeenkomstig artikel D.29-22, § 2.]1

Art. R41 -9.[1 § 1er. L'autorité chargée d'apprécier le caractère complet et recevable de la demande transmet aux autorités concernées de la Région, de l'Etat membre de l'Union européenne ou de l'Etat partie à la Convention d'Espoo, les informations dont elle dispose visées à l'article D.29-24-2, § 2.
Conformément à l'article D.29-24-2, § 2, alinéa 3, et § 4, en cas de réponse positive à la notification par l'autre Région, l'autre Etat membre ou l'autre Etat partie à la Convention d'Espoo précitée, celui-ci peut participer à l'éventuelle procédure de cadrage préalable sollicitée par le maître d'ouvrage sur base de l'article D.69, selon modalités inscrites à l'article R.57, § 2 et § 4.
§ 2. Les informations relatives au projet visé à l'article D.29-24-4, § 2, sont transmises par l'instance chargée d'examiner le caractère complet et recevable de la demande aux autorités concernées de la Région, de l'Etat membre de l'Union européenne ou de l'Etat partie à la Convention d'Espoo, en indiquant :
l'autorité compétente et le délai endéans lequel sa décision doit être prise;
les modalités d'organisation de l'enquête publique afférente à l'instruction de la demande de permis et notamment la durée de l'enquête, la date probable de début de celle-ci, et l'autorité chargée de recevoir les observations du public;
les informations relatives à la nature de la décision susceptible d'être prise.
Elle indique également que ces autorités sont invitées à lui communiquer, dans un délai de soixante jours à compter de la réception des informations relatives au projet, leur avis ainsi que les remarques qu'elles ont reçu de leur public dans le cadre de l'enquête publique organisée sur le territoire de la Région wallonne ou qu'elles ont, le cas échéant, organisée sur leur propre territoire.
En même temps qu'elle transmet le dossier, elle informe le Gouvernement et l'autorité compétente de cette transmission.
§ 3. Les modalités de mise en oeuvre de l'article D.29-24-5 relatif à une procédure de consultation spécifique des autorités compétentes transfrontalières, y compris la fixation du délai pour la consultation, sont précisées après concertation avec les autorités, de façon à permettre au public concerné et aux autorités de participer de manière effective au processus décisionnel en matière d'environnement.
Cette procédure ne peut pas être diligentée après l'expiration du délai de soixante jours dont dispose l'autorité concernée de la Région, de l'Etat membre de l'Union européenne ou de l'Etat partie à la Convention d'Espoo pour remettre l'avis visé au paragraphe 2.
§ 4 L'autorité compétente envoie la décision visée à l'article D.29-24-6 par recommandé aux autorités concernées visées au paragraphe 2.
§ 5. Lorsque le Gouvernement reçoit, à propos d'un projet, des informations visées à l'article D.29-24-7, il les transmet :
aux collèges communaux des communes susceptibles d'être concernées qui les mettent à la disposition du public conformément à la procédure d'enquête publique prévue au titre III de la partie III du présent Code, moyennant les adaptations suivantes :
a) le directeur général du Service public de Wallonie Agriculture, Ressources Naturelles et Environnement ou son délégué précise les communes susceptibles d'être affectées par le projet et sur le territoire desquelles une enquête publique doit être réalisée;
b) les dispositions relatives à la réunion d'information ne sont pas applicables;
c) les dispositions de la sous-section 2 du chapitre III ne sont pas applicables;
d) l'article D.29-10 n'est pas applicable;
e) la durée de l'enquête publique est de trente jours;
au pôle "Environnement"
Les instances visées à l'alinéa 1er, 1°, recueillent les observations du public et transmettent au Gouvernement leurs avis éventuels et les observations qu'ils ont recueillies dans un délai de trente jours à dater du jour où ils ont reçu les informations visées à l'alinéa 1er. Le pôle "Environnement" transmet au Gouvernement son avis éventuel dans un délai de trente jours à dater du jour où il a reçu les informations visées à l'alinéa 1er.
§ 6. Lorsque le Gouvernement reçoit la décision relative à un projet de la Région, de l'Etat membre de l'Union européenne ou d'un Etat partie à la Convention d'Espoo, il la transmet sans délai à la ou aux communes de la Région wallonne concernées afin que celles-ci affichent, dans les dix jours de sa réception, un avis conformément à l'article D.29-22, § 2.]1

HOOFDSTUK IV. [1 - Vervangingsbevoegdheid]1
CHAPITRE IV. [1 - Du pouvoir de substitution]1
Art. R41 -10. [1 Voor de toepassing van artikel D.29-20 kan de Regering of de instantie die moet nagaan of de aanvraag volledig of ontvankelijk is, beroep doen op een gerechtsdeurwaarder van zijn keuze om het bericht van openbaar onderzoek aan te plakken.
De kosten i.v.m. de formaliteiten van het openbaar onderzoek worden gedragen door het in gebreke gebleven gemeentecollege.]1

Art. R41 -10. [1 Pour l'application de l'article D.29-20, le Gouvernement ou l'instance chargée d'apprécier le caractère complet et recevable du dossier peut avoir recours pour l'affichage de l'avis d'enquête publique à un huissier de justice de son choix.
Les frais inhérents à l'accomplissement des formalités d'enquête publique sont à charge du collège communal défaillant.]1

HOOFDSTUK V. [1 - Bekendmaking betreffende de beslissing]1
CHAPITRE V. [1 - Publicité relative à la décision]1
Art. R41 -11. [1 De beslissing tot aanneming of goedkeuring van een plan of programma van categorie B, alsook de milieuaangifte en de vastgelegde opvolgingsmaatregelen en de beslissing van de bevoegde overheid betreffende een project van categorie B of C worden meegedeeld aan elk orgaan waarvan de bevoegde overheid acht dat het onmiddellijk op de hoogte gebracht moet worden.]1
Art. R41 -11. [1 La décision d'adoption ou d'approbation d'un plan ou programme de catégorie B, ainsi que la déclaration environnementale et les mesures arrêtées concernant le suivi, et la décision de l'autorité compétente relative à un projet de catégorie B ou C, sont notifiées à tout organe que l'autorité compétente juge utile d'informer directement.]1
HOOFDSTUK VI. [1 - Milieuadviseur]1
CHAPITRE VI. [1 - Du conseiller en environnement]1
Art. R41 -12. [1 § 1. De toekenning van een subsidie voor de indienstneming of de handhaving van de indienstneming van een milieuadviseur bedoeld in artikel D.5-1 is aan de volgende voorwaarden onderworpen :
de gemeente, meerdere gemeenten of een vereniging van gemeenten nemen een milieuadviseur in dienst binnen zes maanden na de beslissing tot toekenning van de subsidie of kondigen binnen dezelfde termijn aan dat de milieuadviseur in functie blijft;
over een "lokale agenda 21" beschikken binnen drie jaar na de beslissing tot toekenning van de subsidie;
de milieuadviseur vervult de opdrachten die hem krachtens het decreetgevende deel worden toegewezen, o.a. :
a) de coördinatie van de verschillende milieuplanningen in de gemeente, met inbegrip van de "lokale agenda 21";
b) het beheer van de in de gemeente lopende milieudossiers en de bemiddeling in het domeinoverschrijdend beheer van deze dossiers;
c) de totstandbrenging van een dialoog met de bevolking om elke milieugunstige maatregel te promoten en toe te passen;
de milieuadviseur heeft de volgende opleiding gevolgd :
a) een opleiding van minstens 300 uur inzake leefmilieu, met een multidisciplinaire inhoud i.v.m. milieu- wetenschappen en technieken;
b) een inleiding van minstens 30 uur tot de methoden en technieken inzake communicatie en sociaal overleg. Deze inleiding kan worden opgenomen in de opleiding bedoeld in punt 3°, a) ;
de adviseur volgt een jaarlijkse opleiding die door het "Centre permanent de formation en environnement durable" (Centrum voor permanente vorming inzake duurzame ontwikkeling) wordt verzorgd.
§ 2. Om een opleiding van hoge kwaliteit te waarborgen, wordt het volgende jaarlijks door het centrum bedoeld in § 1, 5° aan de goedkeuring van de Minister van Leefmilieu onderworpen :
de inhoud en de duur van de voorgestelde opleiding;
een raming van de onderwerpen voor de komende jaren, rekening houdend met de actualiteit;
de wijze waarop de adviseurs worden beoordeeld.]1

Art. R41 -12. [1 § 1er. L'octroi d'une subvention pour l'engagement ou le maintien de l'engagement d'un conseiller en environnement visé à l'article D.5-1 est subordonné aux conditions suivantes :
la commune, plusieurs communes limitrophes ou une association de communes procèdent à l'engagement d'un conseiller en environnement dans les six mois de la décision d'octroi de la subvention ou déclarent le maintien du conseiller en environnement en fonction dans le même délai;
disposer d'un agenda 21 local dans les trois ans suivant la décision d'octroi de la subvention;
le conseiller en environnement assure les missions qui lui sont confiées en application de la partie décrétale et veille notamment à :
a) coordonner les diverses planifications environnementales mises en place au sein de la commune, en ce compris l'agenda 21 local;
b) gérer les dossiers environnementaux en cours dans la commune et constituer un relais dans leur gestion transversale;
c) créer un dialogue avec la population en vue d'assurer la promotion et la mise en oeuvre de toute mesure favorable à l'environnement;
le conseiller en environnement a suivi :
a) une formation d'un minimum de 300 heures dans le domaine de l'environnement, avec un contenu pluridisciplinaire portant sur les sciences et techniques relatives à l'environnement;
b) une initiation d'un minimum de 30 heures aux méthodes et techniques de communication et de concertation sociale. Cette initiation peut être incluse dans la formation visée au point 3°, a) ;
le conseiller suit une formation annuelle assurée par le centre permanent de formation en environnement et développement durable.
§ 2. Afin de garantir une qualité élevée de formation, le centre visé au § 1er, 5°, soumet annuellement à l'approbation du Ministre de l'Environnement :
le contenu et la durée de la formation proposée;
un programme prévisionnel de sujets pour les années suivantes, compte tenu des sujets d'actualité;
la manière dont l'évaluation des conseillers sera réalisée.]1

Art. R41 -13.[1 De aanvraag om subsidie voor de indienstneming of de handhaving van de indienstneming van een milieuadviseur wordt door het (de) gemeentecollege(s) gestuurd naar het [2 D.G.A.R.N.E.]2.
Het aanvraagdossier bevat :
een afschrift van de beraadslaging van de gemeenteraad van de betrokken gemeente of gemeenten waarbij het volgende beslist wordt :
a) de indienstneming van een personeelslid in een betrekking van de gemeentelijke personeelsformatie of
b) de indienstneming van een persoon op grond van een arbeidsovereenkomst van minstens één jaar of
c) het afsluiten van een opdracht voor aanneming van diensten van minstens één jaar, met hetzij een natuurlijke persoon die aan de vereiste voorwaarden voldoet, hetzij een rechtspersoon die op de diensten van één of meerdere milieuadviseurs beroep doet, voor zover de overeenkomst bepaalt dat de aan de gemeente verleende diensten uitgevoerd worden door personen die aan de gestelde voorwaarden voldoen;
een afschrift van het diploma bedoeld in artikel D.5-1, § 2, vergezeld van elk document waaruit blijkt dat hij de opleiding bedoeld in bovenvermeld artikel gevolgd heeft, of elk document waaruit blijkt dat hij beschikt over de beroepservaring bedoeld in datzelfde artikel, alsook een attest waaruit blijkt dat hij de in artikel R.41-12, § 1, 4°, bedoelde opleiding gevolgd heeft.]1

Art. R41 -13.[1 La demande de subvention pour l'engagement ou le maintien de l'engagement d'un conseiller en environnement est envoyée par le(s) collège(s) communal(aux) à la [2 D.G.A.R.N.E.]2.
Le dossier de demande contient :
une copie de la délibération du conseil communal de la commune ou des communes concernées décidant :
a) l'engagement d'un agent dans un emploi du cadre du personnel communal ou
b) l'engagement d'une personne dans les liens d'un contrat de travail pour une durée d'un an au moins ou
c) la conclusion d'un marché de service, d'une durée d'au moins un an, avec soit une personne physique répondant aux conditions requises, soit une personne morale recourant aux services d'un ou de plusieurs conseillers en environnement, pour autant que le contrat prévoie que toutes les prestations dont bénéficiera la commune seront exécutées par des personnes répondant aux conditions requises;
une copie du diplôme visé à l'article D.5-1, § 2, accompagnée de tout document attestant du suivi de la formation visée à l'article précité, ou tout document attestant de l'expérience professionnelle visée à ce même article, ainsi qu'une attestation de suivi de la formation visée à l'article R.41-12, § 1er, 4°.]1

Art. R41 -14.[1 [2 Binnen de perken van de beschikbare kredieten wordt het bedrag van de jaarlijkse subsidie forfaitair op maximum 20.000 euro vastgelegd in geval van voltijdse betrekking.]2
Bij deeltijdse arbeid wordt het bedrag van de subsidie in verhouding tot de duur van de arbeid verminderd.
Ze wordt niet toegekend als het jaarlijkse aantal diensturen lager is dan 468.]1

Art. R41 -14.[1 [2 Dans la limite des crédits budgétaires disponibles, le montant de la subvention annuelle est fixé forfaitairement à un maximum de 20.000 euros en cas d'emploi à temps plein.]2
En cas d'emploi à temps partiel, le montant de la subvention est diminué au prorata du temps presté.
Elle ne peut être octroyée si le nombre d'heures de service annuel est inférieur à 468.]1

Art. R41 -15. [1 Een eerste schijf die 50 % van de jaarlijkse subsidie bedraagt, wordt als voorschot uitbetaald op grond van een aangifte van schuldvordering die vanaf de toekenningsbeslissing door de gemeente of een vereniging van gemeenten wordt ingediend in het geval van de handhaving van de indienstneming van een milieuadviseur of vanaf de indienstneming van een nieuwe milieuadviseur.]1
Art. R41 -15. [1 La liquidation d'une première tranche de 50 % du montant de la subvention annuelle a lieu, à titre d'avance, sur base d'une déclaration de créance introduite par la commune ou l'association de communes à partir de la décision d'octroi dans l'hypothèse du maintien en fonction d'un conseiller en environnement ou à partir de l'entrée en fonction d'un nouveau conseiller en environnement.]1
Art. R41 -16.[1 Het saldo wordt uitbetaald op het einde van het afgelopen kalenderjaar en op grond van de volgende stukken :
een aangifte van schuldvordering met het verantwoordingsstuk voor de uitgaven, met, meer bepaald, de loonlast van de milieuadviseur en de werkingskosten voor zijn opdrachten;
het activiteitenverslag betreffende de opdrachten die de milieuadviseur uitgevoerd heeft;
het attest waaruit blijkt dat hij de jaarlijkse opleiding bedoeld in artikel R.41-12, § 1, 4° gevolgd heeft.
Het (de) gemeentecollege(s) richt(en) de aanvraag tot uitbetaling van de subsidie samen met de stukken bedoeld in het eerste lid aan de "[2 D.G.A.R.N.E.]2" uiterlijk 31 maart van het jaar volgend op het voor subsidie in aanmerking komende kalenderjaar. De aanvraag tot uitbetaling geldt als aanvraag voor de verlenging van de subsidie, behoudens andersluidend advies van de gemeente.
Het verslag bedoeld in het eerste lid, 2°, van dit artikel heeft o.a. betrekking op :
de stand van vordering van de "lokale agenda 21" vastgesteld in de vorm van een situatie-overzicht waarop de doelstellingen, de ingezette middelen en de beoordeling van de resultaten worden vermeld.
het aantal bestaande plannen in hun gemeente en hun ontwikkeling;
het aantal behandelde milieudossiers en hun hoofddoelstelling;
het aantal gevoerde sensibiliseringsacties.]1

Art. R41 -16.[1 Le paiement du solde est effectué au terme de l'année civile écoulée, au prorata des prestations effectuées et sur la base des documents suivants :
une déclaration de créance accompagnée du justificatif des dépenses qui comprennent, notamment, la charge salariale du conseiller en environnement et les frais de fonctionnement relatifs à ses missions;
le rapport d'activités relatif aux missions effectuées par le conseiller en environnement;
l'attestation de suivi de la formation annuelle visée à l'article R.41-12, § 1er, 4°.
Le(s) collège(s) communal(aux) adresse(nt) la demande de liquidation de la subvention, accompagnée des documents visés à l'alinéa 1er, à la [2 D.G.A.R.N.E.]2 au plus tard le 31 mars qui suit l'année civile pour laquelle la subvention a été octroyée. La demande de liquidation vaut demande de renouvellement de la subvention, sauf avis contraire de la commune.
Le rapport visé à l'alinéa 1er, 2°, du présent article porte notamment sur :
l'état d'avancement de l'agenda 21 local établi sous forme d'un tableau de bord reprenant les objectifs fixés, les moyens mis en oeuvre et l'évaluation des résultats;
le nombre de plans existants dans leur commune ainsi que leur évolution;
le nombre de dossiers environnementaux traités ainsi que leur objet principal;
le nombre d'actions de sensibilisation entreprises.]1

DEEL IV. - Milieuplanning in het kader van de duurzame ontwikkeling.
PARTIE IV. - Planification environnementale dans le cadre du développement durable.
Art. R42. [1 De raadpleging, zoals bedoeld in artikel D.42 wordt overeenkomstig de regelgevende bepalingen geregeld.]1
Art. R42. [1 La consultation prévue à l'article D.42 est organisée conformément aux présentes dispositions réglementaires.]1
Art. R43. [1 ...]1 De krachtens artikel 42 van het decreetgevende deel verplicht geraadpleegde personen en instanties en die welke de Minister van Leefmilieu beslist te raadplegen, doen hem hun met redenen omklede adviezen binnen dertig dagen na afsluiting van de terinzagelegging toekomen.
Art. R43. [1 ...]1 Les personnes et instances consultées obligatoirement en vertu de l'article 42 de la partie décrétale et celles que le Ministre décide de consulter transmettent leurs avis motivés au Ministre endéans les trente jours de la clôture de l'enquête publique.
Art. R44. [1 Tijdens de duur van de aanplakking van het bericht van openbaar onderzoek kan de gemeentelijke overheid beslissen het ontwerp-plan of -programma voor advies voor te leggen aan de door haar ingestelde overlegcommissies, waarvan de bevoegdheden op de ter inzage gelegde tekst betrekking hebben. Over het (de) uitgebrachte advies (adviezen) wordt schriftelijk gerapporteerd.
Binnen dertig dagen na afsluiting van de terinzagelegging doet het gemeentebestuur de Minister, samen met de eventuele synthesenota's en het met redenen omklede advies van de gemeenteraad, een afschrift toekomen van de door de bevolking en/of de in het eerste lid bedoelde overlegcommissies uitgebrachte adviezen.]1

Art. R44. [1 Pendant la durée d'affichage de l'avis d'enquête publique, les autorités communales peuvent décider de soumettre le projet de plan ou programme à l'avis des commissions consultatives qu'elles ont instituées, et dont les compétences touchent des matières abordées dans le texte soumis à enquête. Un compte-rendu du ou des avis émis est réalisé par écrit.
Dans les trente jours de la clôture de l'enquête publique, les autorités communales adressent au Ministre une copie des avis émis par la population et/ou les commissions citées à l'alinéa 1er, auxquels sont joints les éventuels rapport de synthèse et avis motivé du conseil communal.]1

Art. R45. De Regering dient geen rekening te houden met adviezen die worden ingediend na afloop [1 van de in de artikelen 43 en 44, tweede lid,]1 gestelde termijnen.
Art. R45. Le Gouvernement n'est pas tenu de prendre en considération les avis rentrés en dehors des délais fixés [1 aux articles 43 et 44, alinéa 2]1.
DEEL V. - Milieueffectbeoordeling.
PARTIE V. - Evaluation des incidences sur l'environnement.
HOOFDSTUK I. - Begripsomschrijvingen.
CHAPITRE Ier. - Définitions.
Art. R46. Voor de toepassing van dit deel wordt verstaan onder :
" Bestuur Ruimtelijke Ordening " : de Directeur-generaal van [1 DGO4]1 of diens afgevaardigde(n);
" Bestuur Leefmilieu " : de Directeur-generaal van het [2 D.G.A.R.N.E.]2 of diens afgevaardigde(n);
[3 " auteur van een milieueffectonderzoek " : 1° de erkende persoon die de aanvrager heeft gekozen om een milieueffectonderzoek uit te voeren]3;
[3 ...]3;
[1 "C.C.A.T.M." : Commission consultative communale d'aménagement du territoire et de mobilité (Gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening en mobiliteit);]1
[1 Pôle " Aménagement du territoire " (Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening) : de Pôle "Aménagement du territoire" (Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening) bedoeld in artikel D.I.4 van het Wetboek.]1
Art. R46. Pour l'application de la présente partie, on entend par :
" administration de l'aménagement du territoire " : le Directeur général de la [1 DGO4]1, son ou ses délégués;
" administration de l'environnement " : le Directeur général de la [2 D.G.A.R.N.E.]2, son ou ses délégués;
[3 auteur d'étude : la personne agréée choisie par le demandeur pour la réalisation d'une étude d'incidences sur l'environnement]3;
[3 ...]3;
[1 " C.C.A.T.M. " : la Commission consultative communale d'aménagement du territoire et de mobilité;]1
[1 Pôle " Aménagement du territoire " : le Pôle " Aménagement du territoire " visé à l'article D.I.4 du CoDT.]1
HOOFDSTUK II. - Systeem voor de beoordeling van de milieueffecten van plannen en programma's.
CHAPITRE II. - Système d'évaluation des incidences des plans et programmes sur l'environnement.
Art. R47. De lijst der plannen en programma's bedoeld in artikel 53, § 1, van het decreetgevende deel is bepaald in bijlage V.
Art. R47. La liste des plans et programmes visé à l'article 53, paragraphe 1er, de la partie décrétale est déterminé à l'annexe V.
Art. R47 /1. [1 De minimale inhoud van de milieueffectenrapporten bedoeld in de artikelen D.55 en D.56 van Boek I van het Milieuwetboek wordt, wat de gemeentelijke plannen voor handelsontwikkeling bedoeld in de artikelen 16 en volgende van het decreet van 5 februari 2015 betreffende de handelsvestigingen betreft, gezamenlijk bepaald door:
de Minister bevoegd voor handelsvestigingen;
de Minister van Leefmilieu.]1

Art. R47 /1. [1 Le contenu minimal du rapport sur les incidences environnementales visé aux articles D.55 et D.56 du Livre Ier du Code de l'Environnement est, pour les schémas communaux de développement commercial visés aux articles 16 et suivants du décret du 5 février 2015 relatif aux implantations commerciales, déterminé conjointement par :
le Ministre qui a les implantations commerciales dans ses attributions;
le Ministre de l'Environnement.]1

Afdeling 1. - Openbaar onderzoek.
Section 1re. - L'enquête publique.
Art. R48.
Art. R48.
Art. R49. [1 ...]1 Bij het afsluiten van het openbaar onderzoek wordt er een afschrift door het college van burgemeester en schepenen gericht aan de ontwerper van het plan of het programma.
Art. R49. [1 ...]1 A la clôture de l'enquête publique, une copie est adressée par le collège des bourgmestre et échevins à l'auteur du plan ou du programme.
Afdeling 2. - Grensoverschrijdende effecten.
Section 2. - Incidences transfrontières.
Art. R50.
Art. R50.
Art. R51.
Art. R51.
HOOFDSTUK III. [1 - Beoordeling van de effecten van de projecten op het leefmilieu]1
CHAPITRE III. [1 - Evaluation des incidences des projets sur l'environnement]1
Art. R52. [1 De afgifte of de aanneming van de volgende administratieve akten wordt ondergeschikt gemaakt aan de toepassing van de artikelen D.62 tot D.78:
de mijnconcessie vereist krachtens het decreet van 7 juli 1988 op de mijnen;
de afwijking en de vergunning vereist krachtens artikel 28, § 4, van de jacht van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
de vergunningen vereist krachtens de [2 artikel D.40 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt]2;
de beslissingen over de oprichting of de wijziging van een gemeenteweg, genomen krachtens het decreet van 6 februari 2014 betreffende de gemeentewegen.]1

Art. R52. [1 La délivrance ou l'adoption des actes administratifs suivants est subordonnée à l'application des articles D.62 à D.78 :
la concession de mines requise en vertu du décret du 7 juillet 1988 sur les mines;
la dérogation et l'autorisation requises en vertu de l'article 28, § 4, de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature.
les autorisations requises en vertu [2 de l'article D.40 du Livre II du Code de l'Environnement constituant le Code de l'Eau]2;
les décisions sur la création ou la modification d'une voirie communale, prises en application du décret du 6 février 2014 relatif à la voirie communale.]1

Art. R53. [1 Aan de uitvoering van een milieueffectenonderzoek wordt onderworpen, elk project bedoeld in artikel D.64 dat het voorwerp uitmaakt van een verzoek om minstens één van de administratieve akten bedoeld in artikel D.49, zodra het verzoek betrekking heeft op één van de volgende voorwerpen:
de totstandbrenging van een nieuw project;
de verlenging van een vergunning betreffende een bestaande installatie of activiteit;
de verbouwing of de uitbreiding van een bestaande of in uitvoering zijnde installatie, activiteit of project waardoor één van de drempels bedoeld in de overeenkomstig artikel D.64 opgemaakte lijst bereikt of overschreden wordt;
de verbouwing of de uitbreiding van een installatie, activiteit of project bedoeld in de overeenkomstig artikel D.64 opgemaakte lijst met als gevolg een vermeerdering met meer dan 25 % van de waarde die vastligt in de vergunning verleend op basis van het laatste milieueffectonderzoek voor de parameter die in aanmerking komt voor de bepaling van de drempels op grond waarvan beslist wordt welke projecten het voorwerp uitmaken van een milieueffectonderzoek;
de verbouwing of de uitbreiding van een installatie, activiteit of project bedoeld in de overeenkomstig artikel D.64 opgemaakte lijst die/dat onderworpen wordt aan een milieueffectenonderzoek zonder drempelvoorwaarde en die/dat de verhoging van meer dan 25 % van de capaciteit toegelaten door de op basis van het laatste milieueffectenonderzoek afgegeven vergunning, als gevolg heeft.]1

Art. R53. [1 Est soumis à la réalisation d'une étude d'incidences, tout projet visé à l'article D.64 et faisant l'objet d'une demande d'au moins un des actes administratifs visés à l'article D.49, dès que la demande a trait à l'un des objets suivants :
la création d'un nouveau projet;
le renouvellement d'un permis relatif à une installation ou activité existante;
la transformation ou l'extension d'une installation ou d'une activité ou d'un projet existant ou en cours de réalisation qui atteint ou entraîne le dépassement d'un des seuils visés dans la liste établie conformément à l'article D.64;
la transformation ou l'extension d'une installation ou d'une activité ou d'un projet visé dans la liste établie conformément à l'article D.64 et qui a pour conséquence d'augmenter de plus de vingt-cinq pour cent la valeur autorisée par le permis délivré sur base de la dernière étude d'incidences pour le paramètre pris en considération pour la définition des seuils déterminant les projets soumis à étude d'incidences;
la transformation ou l'extension d'une installation ou d'une activité ou d'un projet visé dans la liste établie conformément à l'article D.64 qui sont soumis à étude d'incidences sans condition de seuil et qui a pour conséquence l'augmentation de plus de vingt-cinq pour cent de la capacité autorisée par le permis délivré sur base de la dernière étude d'incidences.]1

Art. R54. [1 § 1. Onverminderd het tweede lid wordt de minimale inhoud van de milieueffectbeoordeling aangevuld overeenkomstig bijlage VI.
Het dossier m.b.t. de vergunningsaanvraag vormt de milieueffectbeoordeling voor de globale vergunning of voor de milieuvergunning vereist krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning.
§ 2. Voordat de vergunningsaanvraag ingediend wordt, kan de aanvrager de overheid die moet nagaan of het aanvraagdossier volledig of ontvankelijk is, raadplegen over de informatie die moet worden verstrekt in de milieueffectbeoordeling.
De overheid die moet nagaan of het aanvraagdossier volledig of ontvankelijk is, brengt advies aan de aanvrager uit binnen een termijn van vijfenveertig dagen na ontvangst van de informatieaanvraag. Indien laatstgenoemde geen advies heeft uitgebracht binnen de voorgeschreven termijn, stelt de aanvrager de milieueffectbeoordeling op basis van de in bijlage VI bedoelde minimale inhoud op.]1

Art. R54. [1 § 1er. Sans préjudice de l'alinéa 2, le contenu minimal de la notice d'évaluation des incidences est complété conformément à l'annexe VI.
Le dossier de demande de permis constitue la notice d'évaluation des incidences sur l'environnement pour le permis unique ou pour le permis d'environnement, requis en vertu du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement.
§ 2. Le demandeur peut consulter l'autorité chargée d'apprécier le caractère complet ou recevable du dossier de demande relativement aux informations à fournir dans la notice d'évaluation des incidences sur l'environnement, avant que la demande de permis soit déposée.
L'autorité chargée d'apprécier le caractère complet ou recevable du dossier de demande rend son avis au demandeur dans un délai de quarante-cinq jours à dater de la réception de la demande d'informations. A défaut pour celle-ci d'avoir rendu son avis dans le délai imparti, le demandeur réalise la notice d'évaluation des incidences sur l'environnement sur base du contenu minimum visé à l'annexe VI.]1

Afdeling I. - Vorm en inhoud van de evaluatienota.
Section 1re. - Forme et contenu de la notice d'évaluation.
Art. R55. [1 De vorm en de minimale inhoud van het milieueffectenonderzoek worden overeenkomstig bijlage VII aangevuld.
Wanneer het project een opvallende geluidshinder kan hebben, omvat het milieueffectenonderzoek een akoestisch onderzoek uitgevoerd door een laboratorium of een instelling erkend overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 1 juli 2010 betreffende de voorwaarden en modaliteiten tot erkenning van de laboratoria of instellingen inzake geluidshinder.
De Minister kan het minimale patroon van een akoestisch onderzoek vaststellen.
De Minister kan reglementaire methodologische handleidingen vaststellen voor de uitvoering van milieueffectenonderzoeken.]1

Art. R55. [1 La forme et le contenu minimum de l'étude d'incidences sont complétés conformément à l'annexe VII.
Lorsque le projet est susceptible d'avoir un impact sonore notable, l'étude d'incidences comporte une étude acoustique effectuée par un laboratoire ou organisme agréé, conformément à l'arrêté du Gouvernement wallon du 1er juillet 2010 relatif aux conditions et modalités d'agrément des laboratoires ou organismes en matière de bruit.
Le Ministre peut fixer le canevas minimum d'une étude acoustique.
Le Ministre peut établir des guides méthodologiques réglementaires pour l'élaboration d'études d'incidences.]1

Afdeling 2. - Projecten onderworpen aan een milieueffectonderzoek.
Section 2. - Projets soumis à étude d'incidences.
Art. R56. [1 Als de verwezenlijking van een project verschillende vergunningen nodig voor de goede afloop van het project en als één of meerdere van die vergunningen een milieueffectenonderzoek vereist, worden alle vergunningen aan één enkel milieueffectenonderzoek onderworpen en maken ze het voorwerp uit van:
één enkele voorafgaande informatievergadering;
raadplegingen bedoeld in artikel D.71;
een openbaar onderzoek van 30 dagen volgens de modaliteiten van Titel III van Deel III van het decreetgevend gedeelte van dit Wetboek, met uitzondering van elke andere regel van openbaarmaking bedoeld in de wetten, decreten en reglementen bedoeld in artikel D.49.]1

Art. R56. [1 Lorsque la mise en oeuvre d'un projet requiert plusieurs permis indispensables à la bonne fin du projet et que l'un ou plusieurs de ces permis requiert une étude d'incidences, tous les permis sont soumis à une seule étude d'incidences et font l'objet :
d'une seule réunion d'information préalable;
des consultations prévues à l'article D.71;
d'une enquête publique de 30 jours selon les modalités du Titre III de la Partie III de la Partie décrétale du présent Code, à l'exclusion de toute autre mesure de publicité visée par les lois, décrets et règlements visés à l'article D.49.]1

Afdeling 3. - Vorm en inhoud van het milieueffectonderzoek.
Section 3. - Forme et contenu de l'étude d'incidences.
Art. R57. [1 § 1. Voordat de vergunningsaanvraag ingediend wordt en indien de aanvrager de overheid die moet nagaan of het aanvraagdossier volledig of ontvankelijk is, raadpleegt over de informatie die moet worden verstrekt in de milieueffectbeoordeling, voegt hij de volgende gegevens bij zijn aanvraag:
een beschrijving van het project en van de ligging ervan;
de lijst van de impacten van het project.
§ 2. De in § 1 bedoelde overheid raadpleegt "de beleidsgroep "Leefmilieu" en, volgens de gevallen bedoeld in artikel R. 82, § 1, lid 2 tot 4, de gemeentelijke adviescommissie Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit en de beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening". Naast deze verplichte adviezen [2 raadpleegt ze de diensten of commissies waarvoor ze acht dat ze geraadpleegd moeten worden]2.
De in het eerste lid geraadpleegde instanties brengen advies uit aan de in § 1 bedoelde overheid binnen een termijn van vijfenveertig dagen na ontvangst van de aanvraag en maken er een afschrift van over aan de aanvrager.
§ 3. De in § 1 bedoelde overheid brengt advies uit aan de aanvrager binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van de informatieaanvraag. [2 Dit advies is opgenomen in het effectenonderzoek.]2 Indien deze overheid geen advies heeft uitgebracht binnen de voorgeschreven termijn, werkt de aanvrager het milieueffectenonderzoek uit op basis van de adviezen overgemaakt door de geraadpleegde instanties en, bij gebreke daarvan, op basis van de in bijlage VII bedoelde minimale inhoud.]1

[2 § 4. De in paragraaf 1 bedoelde overheid deelt de in paragraaf 3 bedoelde informatie mee aan elke overheid of instantie die op grond van paragraaf 2 wordt geraadpleegd.
In het kader van de inspraak en raadpleging van het publiek na de indiening van de vergunningsaanvraag stuurt ze deze informatie, samen met het effectenonderzoek, ook naar alle overheden die ze raadpleegt.]2

Art. R57. [1 § 1er. Avant le dépôt de la demande de permis, si le demandeur consulte l'autorité chargée d'apprécier le caractère complet ou recevable du dossier de demande relativement aux informations à fournir dans l'étude d'incidences sur l'environnement, il joint à sa demande:
une description du projet et de sa localisation;
la liste des impacts du projet.
§ 2. L'autorité visée au paragraphe 1er consulte le pôle " Environnement " et, selon les cas visés à l'article R. 82, § 1er, alinéas 2° à 4°, la C.C.A.T.M. et le pôle " Aménagement du territoire ". Outre ces avis obligatoires, elle peut consulter les services ou commissions qu'elle juge utile de consulter.
Les instances consultées visées à l'alinéa 1er rendent leur avis à l'autorité visée au paragraphe 1er dans un délai de quarante-cinq jours à dater de la réception de la demande et en transmettent copie au demandeur.
§ 3. L'autorité visée au paragraphe 1er rend son avis au demandeur dans un délai de soixante jours à dater de la réception de la demande d'informations. [2 Cet avis est reproduit dans l'étude d'incidences.]2 A défaut pour cette autorité d'avoir rendu son avis dans le délai imparti, le demandeur élabore l'étude d'incidences sur l'environnement sur base des avis transmis par les instances consultées et, à défaut, sur base du contenu minimum visé à l'annexe VII.]1

[2 § 4. L'autorité visée au paragraphe 1er transmet les informations visées au paragraphe 3 à toute autorité ou instance consultée en application du paragraphe 2.
Dans le cadre de la participation du public et des consultations réalisées à la suite de l'introduction de la demande de permis, elle transmet également ces informations, ainsi que l'étude d'incidences à toute autorité qu'elle consulte.]2

HOOFDSTUK III. - Auteurs van milieueffectonderzoeken.
CHAPITRE IV. - Auteurs d'études d'incidences.
Afdeling 1. - Erkenning, schorsing en intrekking van de erkenning van auteurs van milieueffectonderzoeken.
Section 1re. - Agrément, suspension et retrait d'agrément des auteurs d'études d'incidences.
Onderafdeling 1. - Algemeen.
Sous-section 1re. - Généralités.
Art. R58. De erkenning van auteurs van milieueffectonderzoeken wordt verleend voor één of meer van de volgende categorieën van projecten :
ruimtelijke ordening, stedenbouw (projecten bedoeld in rubriek 70.11 van het besluit van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten), handelsactiviteiten (projecten bedoeld in rubriek 52.1 van het besluit van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten) en vrijetijdsactiviteiten (projecten bedoeld in de rubrieken 92.1 tot 92.7; 52.22; 52.23 van het besluit van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten);
infrastructuurprojecten (projecten bedoeld in rubrieken 45.23; 45.24; 63.21; 70.19 van het besluit van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten), met inbegrip van vervoer (projecten bedoeld in de rubrieken 60.10 tot 60.30; 61.20; 62.00 van het besluit van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten) en communicatie;
mijnen en steengroeven;
industriële processen i.v.m. energie;
industriële processen i.v.m. stoffenverwerking;
afvalbeheer;
waterbeheer (winning, zuivering, voorziening en verwerking);
landbouwvergunningen.
Art. R58. L'agrément des auteurs d'études d'incidences est octroyé pour une ou plusieurs des catégories de projets suivants :
aménagement du territoire, urbanisme (projets visés par la rubrique 70.11 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et des activités classées), activités commerciales (projets visés par la rubrique 52.1 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et des activités classées) et de loisirs (projets visés par les rubriques 92.1 à 92.7; 55.22; 55.23 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et des activités classées);
projets d'infrastructure (projets visés par les rubriques 45.23; 45.24; 63.21; 70.19 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et des activités classées) en ce y compris le transport (projets visés par les rubriques 60.10 à 60.30; 61.20; 62.00 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et des activités classées) et communications;
mines et carrières;
processus industriels relatifs à l'énergie;
processus industriels de transformation de matières;
gestion des déchets;
gestion de l'eau (captage, épuration, distribution et traitement);
permis liés à l'exploitation agricole.
Onderafdeling 2. - Erkenningscriteria.
Sous-section 2. - Critères d'agrément.
Art. R59. [1 § 1. Voor elk van de aangevraagde erkenningscategorieën beschikt de aanvrager van een erkenning over de vereiste bevoegdheden om:
het project te onderzoeken, te bedrijven en te beschrijven;
het milieueffectonderzoek te coördineren;
bestekken op te stellen voor eventuele onderaannemers;
alle resultaten op kritische wijze te exploiteren, ook die van de onderaanneming;
alle verkregen resultaten te integreren om aparte en synergetische effecten van het project op de in artikel D.62, § 2, bedoelde factoren vast te stellen.
§ 2. Voor elk van de aangevraagde erkenningscategorieën beschikt de aanvrager uit zijn midden of via onderaannemers over de bevoegdheden en middelen die nodig zijn om de analyse van de gevolgen van het project op het leefmilieu te beheersen.
§ 3. De aanvrager van een erkenning beschikt over de technische middelen die nodig zijn voor het vervullen van zijn opdrachten.
§ 4. In geval van vernieuwing van een erkenning levert de aanvrager het bewijs dat hij tijdens de laatste erkenningstermijn:
milieueffectonderzoeken heeft uitgevoerd;
als onderaannemer aan milieueffectonderzoeken heeft meegewerkt;
gevraagd werd om milieueffectonderzoeken uit te voeren of eraan deel te nemen.]1

Art. R59. [1 § 1er. Le demandeur d'agrément a, en son sein pour chacune des catégories d'agrément sollicitées, les compétences nécessaires pour :
étudier, comprendre et décrire le projet;
coordonner l'étude d'incidences;
rédiger des cahiers des charges à l'intention des sous-traitants éventuels;
exploiter de manière critique tous les résultats, y compris ceux de la sous-traitance;
intégrer l'ensemble des résultats obtenus en vue de déterminer les impacts singuliers et synergiques du projet sur les facteurs précisés à l'article D. 62, § 2.
§ 2. Le demandeur a, en son sein ou via des sous-traitants, pour chacune des catégories d'agrément sollicitées, les compétences et les outils nécessaires pour maîtriser l'analyse des incidences du projet sur l'environnement.
§ 3. Le demandeur d'agrément dispose des moyens techniques nécessaires à l'accomplissement de ses missions.
§ 4. Dans le cas d'un renouvellement d'agrément, le demandeur démontre que pendant la dernière période d'agrément il a soit :
réalisé des études d'incidences;
participé à des études d'incidences en qualité de sous-traitant;
été sollicité pour la réalisation ou la participation à des études d'incidences.]1

Onderafdeling 3. - Procedure voor de verlening van de erkenning.
Sous-section 3. - Procédure d'octroi d'agrément.
Art. R60. [1 § 1. Met uitzondering van de zending van de erkenningsaanvraag langs elektronische weg, wordt ze in drie exemplaren aan de administratie overgemaakt.
De Minister kan het model van de erkenningsaanvrager bepalen en de lijst van de processen vaststellen die hij erkent als processen waarmee de elektronische verzending kan worden geauthenticeerd.
§ 2. In geval van vernieuwing van een erkenning wordt de erkenningsaanvraag zes maanden voor het verstrijken van de lopende erkenning ingediend.]1

Art. R60. [1 § 1er. A l'exception de l'envoi de la demande d'agrément par voie électronique, celle-ci est introduite en trois exemplaires auprès de l'administration de l'environnement.
Le Ministre peut fixer le modèle de la demande d'agrément et déterminer la liste des procédés qu'il reconnaît comme permettant d'authentifier l'envoi par voie électronique.
§ 2. Dans le cas d'un renouvellement d'agrément, la demande d'agrément est introduite six mois avant le terme de l'agrément en cours.]1

Art. R61. [1 De erkenningsaanvraag bevat de volgende gegevens:
de naam en het adres van de aanvrager;
als het gaat om een rechtspersoon, een afschrift van de eventuele statuten en de lijst van de bestuurders of beheerders;
de titels, kwalificaties en referenties van de aanvrager of van de medewerkers die door een arbeidsovereenkomst aan de aanvrager zijn verbonden;
de titels, kwalificaties en referenties en technische middelen van de eventuele onderaannemers;
de technische middelen waarover de aanvrager beschikt;
de categorieën projecten bedoeld in artikel 58 waarvoor de aanvrager milieueffectonderzoeken kan uitvoeren.
In de aldus gevormde aanvraag wordt bevestigd dat de aanvrager van een erkenning uit zijn midden of via zijn onderaannemers over alle bevoegdheden en middelen bedoeld in artikel R. 59, §§ 1 tot 3, beschikt.
Als de aanvraag een vernieuwing van erkenning betreft, gaat ze bovendien vergezeld van de lijsten van:
de milieueffectonderzoeken die de aanvrager heeft uitgevoerd;
de milieueffectenonderzoeken waaraan hij als onderaannemer heeft meegewerkt;
de verzoeken om milieueffectonderzoeken uit te voeren of eraan deel te nemen, waarop hij heeft geantwoord en waaraan gevolg is gegeven;
de waarschuwingen en/of wrakingen die eventueel zijn verstuurd sinds het vorige besluit tot erkenning.]1

Art. R61. [1 La demande d'agrément comporte les indications suivantes :
les nom et adresse du demandeur;
s'il s'agit d'une personne morale, une copie des statuts ainsi que la liste des administrateurs ou des gérants;
les titres, qualifications et références du demandeur ou des collaborateurs liés au demandeur par un contrat d'emploi;
les titres, qualifications, références et moyens techniques des sous-traitants éventuels;
les moyens techniques dont le demandeur dispose;
les catégories de projets définies à l'article R. 58 pour lesquelles le demandeur est susceptible de réaliser des études d'incidences.
La demande ainsi formée atteste que le demandeur d'agrément dispose en son sein ou via ses sous-traitants de l'ensemble des compétences et moyens visés à l'article R. 59 paragraphes 1er à 3.
Au cas où la demande a trait à un renouvellement d'agrément, elle est, en outre, accompagnée des listes :
des études d'incidences que le demandeur a réalisées;
des études d'incidences auxquelles il a participé en qualité de sous-traitant;
des sollicitations pour la réalisation ou la participation à des études d'incidences auxquelles il a répondu et la suite qui y a été donnée :
des avertissements et/ou récusations éventuellement adressés depuis la précédente décision d'agrément.]1

Art. R62. De aanvraag is onvolledig als krachtens artikel 61 vereiste gegevens of stukken ontbreken.
De aanvraag is niet-ontvankelijk :
als ze in overtreding van artikel 60 wordt ingediend;
als ze tweemaal onvolledig wordt verklaard;
als de aanvrager de gevraagde gegevens niet verstrekt binnen de termijn bedoeld in artikel 63, tweede lid.
Art. R62. La demande est incomplète s'il manque des renseignements ou des documents requis en vertu de l'article 61.
La demande est irrecevable :
si elle a été introduite en violation de l'article 60;
si elle est déclarée incomplète à deux reprises;
si le demandeur ne fournit pas les renseignements demandés dans le délai prévu par l'article 63, alinéa 2.
Art. R63. [1 Het Bestuur van Leefmilieu bezorgt de aanvrager zijn beslissing waarbij het de aanvraag als volledig en ontvankelijk beschouwt, binnen vijftien dagen na ontvangst van de aanvraag bedoeld in artikel 60]1.
[1 Als de aanvraag onvolledig is, wijst het Bestuur van Leefmilieu de aanvrager op de ontbrekende stukken. De aanvrager beschikt dan over dertig dagen na ontvangst van de aanvraag om het Bestuur van Leefmilieu de ontbrekende gegevens toe te sturen]1.
Binnen vijftien dagen na ontvangst van de ontbrekende stukken geeft het Bestuur van Leefmilieu de aanvrager kennis van zijn beslissing waarbij het de aanvraag als volledig en ontvankelijk beschouwt. Als de aanvraag een tweede keer onvolledig wordt geacht door het Bestuur van Leefmilieu, wordt ze niet-ontvankelijk verklaard.
Als de aanvraag niet ontvankelijk is, deelt het Bestuur van Leefmilieu de motieven van niet-ontvankelijkheid mee aan de aanvrager onder de voorwaarden en binnen de termijn bedoeld in het eerste lid of, in voorkomend geval, binnen de termijn bedoeld in het derde lid.
Art. R63. [1 L'administration de l'environnement envoie au demandeur sa décision statuant sur le caractère complet et recevable de la demande dans un délai de quinze jours à dater de la réception de la demande visée à l'article R. 60]1.
[1 Si la demande est incomplète, l'administration de l'environnement indique les documents manquants. Le demandeur dispose alors de trente jours à dater de la réception de la demande pour fournir à l'administration de l'environnement les compléments demandés]1.
Dans les quinze jours suivant la réception des compléments, l'administration de l'environnement envoie au demandeur sa décision sur le caractère complet et recevable de la demande. Si l'administration de l'environnement estime une seconde fois que la demande est incomplète, elle la déclare irrecevable.
Si la demande est irrecevable, l'administration de l'environnement indique au demandeur, dans les conditions et délai prévus à l'alinéa 1er, ou, le cas échéant, dans le délai prévu à l'alinéa 3, les motifs de l'irrecevabilité.
Art. R64. Als het Bestuur van Leefmilieu de aanvrager geen enkele beslissing heeft toegestuurd onder de voorwaarden en binnen de termijn bedoeld in artikel 63, wordt de aanvraag als ontvankelijk beschouwd.
In dat geval stuurt de aanvrager een afschrift van het aanvraagdossier naar de Minister.
Art. R64. Si l'administration de l'environnement n'a envoyé au demandeur aucune décision dans les conditions et délais prévus à l'article 63, la demande est considérée comme recevable.
Dans ce cas, le demandeur envoie une copie du dossier de la demande au Ministre.
Art. R65. Zodra een aanvraag ontvankelijk wordt verklaard of als dusdanig wordt geacht te zijn, wordt ze door het Bestuur van Leefmilieu voor advies overgemaakt :
aan de [2 beleidsgroep "Leefmilieu"]2;
[1 ...]1
aan het Bestuur van Ruimtelijke Ordening.
De adviezen van het Bestuur van Ruimtelijke Ordening, van de "[1 ...]1 en van de [2 beleidsgroep "Leefmilieu"]2 worden overgemaakt aan het Bestuur van Leefmilieu [3 ...]3 binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvraag om advies. Bij gebreke daarvan worden ze geacht gunstig te zijn.
[3 ...]3.
Art. R65. Dès qu'une demande est déclarée ou réputée recevable, l'administration de l'environnement la soumet pour avis :
au [2 pôle "Environnement"]2;
[1 ...]1
à l'administration de l'aménagement du territoire.
L'avis de l'administration de l'aménagement du territoire, [1 ...]1 et du [2 pôle "Environnement"]2 sont transmis à l'administration de l'environnement [3 ...]3, dans un délai de trente jours à dater de la réception de la demande d'avis. A défaut, ceux-ci sont réputés favorables.
[3 ...]3.
Art. R66. Het Bestuur van Leefmilieu bezorgt de Minister zijn voorstel van beslissing samen met de adviezen bedoeld in artikel 65 binnen 50 dagen na de beslissing waarbij het dossier als volledig en ontvankelijk wordt beschouwd.
[1 ...]1.
Art. R66. L'administration de l'environnement envoie sa proposition de décision accompagnée des avis visés à l'article 65 au Ministre dans les 50 jours de sa décision sur le caractère complet et recevable du dossier.
[1 ...]1.
Art. R67. De Minister bezorgt de aanvrager zijn besluit over de aanvraag om erkenning binnen dertig dagen na ontvangst van het advies van het Bestuur van Leefmilieu.
Het besluit tot erkenning wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art. R67. Le Ministre envoie au demandeur sa décision sur la demande d'agrément, dans les trente jours de la réception de l'avis de l'administration de l'environnement.
La décision d'agrément est publiée par extrait au Moniteur belge.
Art. R68. Het besluit over de aanvraag om erkenning vermeldt de duur van de erkenning en de categorieën van de projecten bedoeld in [1 artikel R58]1 waarvoor de begunstigde milieueffectonderzoeken zou kunnen uitvoeren.
De erkenning geldt hoogstens 5 jaar.
Art. R68. La décision statuant sur la demande d'agrément fixe la durée de celui-ci et les catégories de projets définies à [1 l'article R. 58]1 pour lesquelles le bénéficiaire est susceptible de réaliser des études d'incidences.
La durée d'agrément ne peut excéder 5 ans.
Art. R69. [1 In geval van wijziging van één van de gegevens vermeld in de erkenningsaanvraag overeenkomstig artikel R. 61, verwittigt de auteur van het milieueffectenonderzoek onmiddellijk het Bestuur van Leefmilieu. Indien ze oordeelt dat de vermelde wijzigingen van dien aard zijn dat ze een wijziging, een opschorting of een intrekking van de erkenning rechtvaardigen, geeft ze de erkende auteur kennis daarvan binnen dertig dagen.
De auteur beschikt met ingang van de datum van ontvangst van deze informatie over een termijn van zestig dagen om het Bestuur van Leefmilieu kennis te geven van de maatregelen die hij overweegt te nemen om gevolg te geven aan haar opmerkingen.]1

Art. R69. [1 En cas de modification d'un des éléments indiqués dans la demande d'agrément conformément à l'article R. 61, l'auteur d'études informe immédiatement l'administration de l'environnement. Si celle-ci juge que les modifications indiquées sont de nature à justifier une modification, une suspension ou un retrait de l'agrément, elle en informe, dans les trente jours, l'auteur agréé.
L'auteur agréé dispose, à dater de la réception de cette information, d'un délai de soixante jours pour informer l'administration de l'environnement les mesures qu'il envisage de prendre pour donner suite aux observations de celle-ci.]1

Art. R70. [1 Op eigen initiatief of op voorstel van de beleidsgroep "Leefmilieu", van de overheid die bevoegd is om over de vergunningsaanvraag te beslissen en volgens de gevallen bedoeld in artikel R. 82, § 1, leden 2 tot 4, van de "C.C.A.T.M." of de Beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening", kan de Minister een waarschuwing richten aan de auteur van het onderzoek.]1
Art. R70. [1 D'initiative ou sur proposition du pôle "Environnement", de l'autorité compétente pour statuer sur la demande de permis et, selon les cas visés à l'article R. 82, § 1er, alinéas 2 à 4, de la C.C.A.T.M. et du pôle " Aménagement du territoire ", le Ministre peut, lorsqu'il juge une ou plusieurs études d'incidences insuffisantes ou incomplètes, adresser à l'auteur d'étude un avertissement.]1
Onderafdeling 4. - Schorsing of intrekking van de erkenning.
Sous-section 4. - Suspension ou retrait d'agrément.
Art. R71. Tijdens de geldigheidsduur van de erkenning kan de Minister, na de auteur van het milieueffectonderzoek te hebben verzocht verantwoording af te leggen, de erkenning geheel of gedeeltelijk wijzigen, schorsen of intrekken :
in het geval bedoeld in artikel 69 als de auteur het Bestuur geen maatregel heeft meegedeeld om gevolg te geven aan zijn opmerkingen of als de overwogen maatregelen onvoldoende worden geacht;
na een waarschuwing bedoeld in artikel 70.
Het besluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art. R71. Le Ministre peut, pendant la durée de l'agrément, et après avoir invité l'auteur d'étude à faire valoir ses explications, modifier, suspendre ou retirer l'agrément de manière partielle ou totale :
dans le cas visé à l'article 69, lorsque l'auteur d'etudes n'a pas notifié à l'administration de mesure destinée à donner suite à ses observations ou lorsque les mesures envisagées sont estimées insuffisantes;
après un avertissement visé à l'article 70.
La décision est publiée par extrait au Moniteur belge.
Afdeling 2. - Keuze van de auteur van het milieueffectonderzoek.
Section 2. - Choix de l'auteur d'étude.
Art. R72. [1 § 1. De aanvrager kiest de auteur van het onderzoek onder de personen, erkend in de hoedanigheid van auteurs van effectenonderzoeken voor de categorie(ën) waarbij zijn project overeenkomstig artikel R.58 is ondergebracht.
§ 2. [2 ...]2 [2 De aanvrager geeft kennis van zijn keuze]2 van de auteur van het effectenonderzoek aan de Directie Voorkoming van Verontreinigingen, bij het Departement Leefmilieu en Water van het Operationeel directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst, hierna het Bestuur Leefmilieu.
De aanvrager maakt gebruik van het formulier, vastgesteld door de Minister, om de kennisgeving bedoeld in lid 1 te verrichten.
§ 3. Het Bestuur Leefmilieu geeft binnen de vijftien werkdagen, te rekenen van de ontvangst van de kennisgeving bedoeld in paragraaf 2, kennis van zijn beslissing aan de aanvrager, betreffende de keuze van de persoon als erkend auteur van effectenonderzoeken, rekening houdend met de aard van het project.
Binnen dezelfde termijn geeft het Bestuur Leefmilieu kennis van de keuze van de auteur van het onderzoek en zijn beslissing :
[2 ...]2;
aan de bevoegde overheid;
aan het Bestuur Ruimtelijke Ordening;
aan de overheid belast met het onderzoek naar de volledigheid en de ontvankelijkheid van het aanvraagdossier;
[2 aan de Beleidsgroep Leefmilieu]2;
[2 ...]2;
[2 aan de "C.C.A.T.M." in de gevallen bedoeld in artikel R. 82, § 1]2.
§ 4. [2 ...]2.
§ 5. [2 ...]2.]1

Art. R72. [1 § 1er. Le demandeur choisit l'auteur d'étude parmi les personnes agréées en qualité d'auteurs d'études d'incidences, pour la ou les catégories à laquelle ou auxquelles son projet se rattache conformément à l'article R.58.
§ 2. [2 ...]2, le demandeur notifie son choix d'auteur d'études à la Direction de la Prévention des Pollutions, du Département de l'Environnement et de l'Eau, de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources Naturelles et Environnement, du Service public de Wallonie, ci-après l'Administration de l'Environnement.
Le demandeur utilise le formulaire arrêté par le Ministre pour réaliser la notification visée à l'alinéa 1er.
§ 3. L'Administration de l'Environnement notifie au demandeur sa décision relative au choix de la personne choisie en qualité d'auteur d'études d'incidences agréée compte tenu de la nature du projet, dans les 15 jours ouvrables à dater de la réception de la notification visée au paragraphe 2.
Dans le même délai, l'Administration de l'Environnement notifie le choix de l'auteur d'études et sa décision :
[2 ...]2;
à l'autorité compétente;
à l'Administration de l'Aménagement du Territoire;
à l'autorité chargée d'examiner le caractère complet ou recevable du dossier de demande;
[2 au pôle " Environnement "]2;
[2 ...]2;
[2 à la C.C.A.T.M dans les cas visés à l'article R. 82, § 1er]2.
§ 4. [2 ...]2.
§ 5. [2 ...]2.]1

Art. R72 bis.
Art. R72 bis.
Afdeling 3. - Wraking van een persoon gekozen als auteur van een milieueffectonderzoek.
Section 3. - Récusation d'une personne choisie en qualité d'auteur d'étude d'incidences.
Art. R73. Elke persoon gekozen als auteur van een milieueffectonderzoek kan gewraakt worden als hij verkeert in één van de toestanden die het zelfstandig uitoefenen van zijn opdracht in het gedrang zou kunnen brengen.
Art. R73. Toute personne choisie en qualité d'auteur d'étude d'incidences peut être récusée si elle se trouve dans des conditions susceptibles de mettre en cause l'indépendance de l'exercice de sa mission.
Art. R74. [1 § 1. De overheid, bevoegd om te beslissen over de vergunningsaanvraag, het Bestuur Leefmilieu of het Bestuur Ruimtelijke Ordening kan de Minister voorstellen om een persoon, gekozen in de hoedanigheid van auteur van effectenonderzoeken te wraken.
[2 ...]2.
§ 2. De initiatiefnemer voor de wrakingsprocedure motiveert en geeft de als auteur van het onderzoek gekozen persoon kennis van zijn voornemen om tot wraking over te gaan, bij aangetekend schrijven met bericht van ontvangst.
Het voornemen om tot wraking over te gaan wordt eveneens gericht aan de aanvrager en aan de instanties bedoeld in artikel R.72, § 3, lid 3, volgens een wijze van mededeling bedoeld in artikel [2 R. 76, § 1]2.
§ 3. De persoon gekozen als auteur van het onderzoek kan zijn verweermiddelen te gelde maken bij de initiatiefnemer voor de wrakingsprocedure. Op straffe van onontvankelijkheid legt zij haar verweermiddelen schriftelijk neer, volgens een wijze van mededeling bedoeld in artikel [2 R. 76, § 1]2, binnen de tien werkdagen te rekenen van de ontvangst van het voorstel tot wraking.
In haar aanvraag maakt de persoon, gekozen als auteur van effectenonderzoeken, duidelijk of ze gehoort wenst te worden. In dat geval wordt de hoorzitting door de initiatiefnemer voor de wrakingsprocedure vastgesteld uiterlijk binnen de vijftien dagen na ontvangst van de verweermiddelen van de persoon gekozen als auteur van effectenonderzoeken. Hij licht de aanvrager van de machtiging, evenals de instanties bedoeld in artikel R.72, § 3, lid 2, voor de hoorzitting opgeroepen, er volgens een wijze van mededeling bedoeld in artikel [2 R. 76, § 1]2, over in.
§ 4. De initiatiefnemer voor de wrakingsprocedure onderzoekt de verweermiddelen van de persoon gekozen als auteur van het onderzoeken en geeft aan laatstgenoemde kennis van zijn voorstel tot beslissing binnen de tien werkdagen te rekenen van de ontvangst van de verweermiddelen overeenkomstig § 3, lid 1, of, in voorkomend geval, te rekenen van de hoorzitting van belanghebbende. Het voorstel tot beslissing wordt binnen dezelfde termijn aan de Minister gericht. De kennisgevingen worden schriftelijk verstuurd, volgens een wijze van mededeling bedoeld in artikel [2 R. 76, § 1]2.
§ 5. Wanneer de persoon gekozen als auteur van effectenonderzoeken afziet van het indienen van verweermiddelen en/of van het aanvragen van een hoorzitting binnen de termijnen vastgesteld in § 1, richt de initiatiefnemer voor de wrakingsprocedure zijn gemotiveerd voorstel tot wraking aan de Minister binnen de twintig werkdagen te rekenen van de kennisgeving van zijn voornemen tot het overgaan tot wraking bedoeld in artikel R.74, § 2.]1

Art. R74. [1 § 1er. L'autorité compétente pour statuer sur la demande de permis, l'Administration de l'Environnement ou l'Administration de l'Aménagement du Territoire peut proposer au Ministre la récusation d'une personne choisie en qualité d'auteur d'études d'incidences.
[2 ...]2.
§ 2. L'initiateur de la procédure de récusation motive et notifie à la personne choisie en qualité d'auteur de l'étude son intention de procéder à la récusation, par pli recommandé avec accusé de réception.
L'intention de procéder à la récusation est également adressée au demandeur et aux instances visées à l'article R.72, § 3, alinéa 2, selon un mode de communication visé à l'article [2 R. 76, § 1er]2.
§ 3. La personne choisie en qualité d'auteur de l'étude peut faire valoir ses moyens de défense auprès de l'initiateur de la procédure de récusation. Sous peine d'irrecevabilité, elle adresse ses moyens de défense par écrit selon un mode de communication visé à l'article [2 R. 76, § 1er]2, dans les dix jours ouvrables à dater de la réception de la proposition de récusation.
Dans sa demande, la personne choisie en qualité d'auteur d'études d'incidences précise si elle souhaite être entendue. Dans ce cas, l'audition est fixée par l'initiateur de la procédure de récusation au plus tard dans les quinze jours de la réception des moyens de défense de la personne choisie en qualité d'auteur d'études d'incidences. Il en informe le demandeur d'autorisation ainsi que les instances visées à l'article R.72, § 3, alinéa 2, invités à l'audition, selon un mode de communication visé à l'article [2 R. 76, § 1er]2.
§ 4. L'initiateur de la procédure de récusation procède à l'examen des moyens de défense de la personne choisie en qualité d'auteur de l'étude et notifie à celle-ci sa proposition de décision dans les dix jours ouvrables à dater de la réception des moyens de défense conformément au § 3, alinéa 1er ou, le cas échéant, à dater de l'audition de l'intéressée. La proposition de décision est adressée au Ministre dans le même délai. Les notifications sont adressées par écrit selon un mode de communication visé à l'article [2 R. 76, § 1er]2.
§ 5. Lorsque la personne choisie en qualité d'auteur d'études d'incidences s'abstient de présenter ses moyens de défense et/ou de demander une audition dans les délais fixés au paragraphe 1er, l'initiateur de la procédure de récusation envoie sa proposition de récusation motivée au Ministre dans les 20 jours ouvrables à dater de la notification de son intention de procéder à la récusation visée à l'article R.74, § 2.]1

Art. R75. [1 De Minister beslist binnen de vijftien werkdagen, te rekenen van de kennisgeving van het voorstel tot wraking bedoeld in artikel 74, § 4 of § 5. De beslissing van de Minister wordt zowel aan de auteur van effectenonderzoeken als aan de aanvrager medegedeeld volgens een wijze van mededeling bedoeld in artikel [2 R. 76, § 1]2.
Een afschrift wordt gericht aan de instanties bedoeld in artikel R.72, § 3, lid 2.]1

Art. R75. [1 Le Ministre statue dans les quinze jours ouvrables à dater de la notification de la proposition de récusation visée à l'article 74, § 4 ou § 5. La décision du Ministre est notifiée à l'auteur d'études d'incidences ainsi qu'au demandeur, selon un mode de communication visé à l'article [2 R. 76, § 1er]2.
Une copie est adressée aux instances visées à l'article R.72, § 3, alinéa 2.]1

HOOFDSTUK IV. - Openbaar onderzoek voorafgaand aan de milieueffectonderzoek.
CHAPITRE V. - Consultation du public avant l'introduction de la demande de permis.
Afdeling 4. [1 - Modaliteiten betreffende de zendingen en de berekening van de termijnen]1
Section 4. [1 - Modalités d'envoi et calcul des délais]1
Art. R76. [1 § 1. De in dit hoofdstuk bedoelde zendingen worden verricht
bij aangetekend schrijven met ontvangstbericht;
via elke soortgelijke formule waarmee vaste datum aan de verzending en aan de ontvangst van de akte gegeven kan worden, ongeacht de distributiedienst ;
via neerlegging tegen ontvangstbewijs;
langs elektronische weg.
§ 2. De berekeningsmodaliteiten voor de termijnen zijn de volgende tenzij een bepaling in een andere specifieke termijn voorziet:
de verzending moet uiterlijk op de vervaldatum plaatsvinden;
de vervaldatum wordt in de termijn meegeteld, behalve als die dag een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, dan wordt de vervaldatum evenwel naar de volgende werkdag verschoven;
de dag van ontvangst van een akte die de begindatum van een termijn is, wordt niet meegerekend.
De in dit hoofdstuk bedoelde termijnen worden geschorst tussen 16 juli en 15 augustus en tussen 24 december en 1 januari.]1

Art. R76. [1 § 1er les envois visés au présent chapitre sont réalisés soit par :
lettre recommandée avec accusé de réception;
le recours à toute formule similaire permettant de conférer une date certaine à l'envoi et à la réception de l'acte, quel que soit le service de distribution du courrier utilisé;
le dépôt contre récépissé;
voie électronique.
§ 2. Les modalités de calcul des délais sont les suivantes, sauf si une disposition prévoit un autre délai spécifique :
l'envoi doit se faire au plus tard le jour de l'échéance;
le jour de l'échéance est compté dans le délai, sauf lorsque le jour d'envoi est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, où il est reporté au jour ouvrable suivant;
le jour de la réception de la notification qui est le point de départ du délai n'y est pas inclus.
Les délais visés au présent chapitre sont suspendus du 16 juillet au 15 août et entre le 24 décembre et le 1er janvier.]1

Art. R77.
Art. R77.
Art. R78.
Art. R78.
Art. R79.
Art. R79.
Art. R80.
Art. R80.
HOOFDSTUK VI. [1 - Advies betreffende een aan een milieueffectonderzoek onderworpen dossier en openbaarmaking van de beslissing]1
CHAPITRE VI. [1 - Avis portant sur un dossier soumis à étude d'incidences sur l'environnement et publicité de la décision]1
Art. R81. [1 In dezelfde tijd als ze de aanvrager meedeelt dat de vergunningsaanvraag volledig en/of ontvankelijk is of als ze het aanvraagdossier aan de bevoegde overheid overmaakt, richt de instantie die deze kennisgeving of deze overmaking heeft verricht, de volgende stukken voor advies aan de beleidsgroep "Leefmilieu" en volgens de gevallen bedoeld in artikel R. 82, § 1, leden 2 tot 4, de " C.C.A.T.M." en de beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening":
de vergunningsaanvraag;
het milieueffectenonderzoek;
de gezamenlijke opmerkingen en voorstellen ingediend overeenkomstig artikel R. 41-4.]1

Art. R81. [1 En même temps qu'elle notifie au demandeur le caractère complet et/ou recevable de la demande de permis ou qu'elle transmet le dossier de demande à l'autorité compétente, l'instance qui a procédé à cette notification ou à cette transmission transmet pour avis au pôle "Environnement" et, selon les cas visés à l'article R. 82, § 1er, alinéas 2 à 4, à la C.C.A.T.M. et au pôle " Aménagement du territoire " :
la demande de permis;
l'étude d'incidences;
l'ensemble des observations et suggestions adressées conformément à l'article R. 41-4.]1

Art. R82. [1 § 1. Het advies van de beleidsgroep "Leefmilieu" wordt aangevraagd voor elk project onderworpen aan een milieueffectenonderzoek.
Het advies van de "C.C.A.T.M." of, bij gebreke daarvan, van de Beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening" wordt aangevraagd wanneer de aanvraag betrekking heeft op één van de volgende vergunningen onderworpen aan een milieueffectenonderzoek:
vergunningen vereist krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning;
de stedenbouwkundige vergunningen of de bebouwingsvergunningen of de stedenbouwkundige attesten nr. 2 bedoeld bij het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling;
de geïntegreerde vergunningen vereist voor geïntegreerde projecten in de zin van artikel 1, 5°, a) en c) van het decreet van 5 februari 2015 betreffende de handelsvestigingen.
In afwijking van het tweede lid worden de adviezen van de "C.C.A.T.M." en van de beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening" aangevraagd als het gaat om windturbineprojecten.
Het advies van de "C.C.A.T.M. " wordt aangevraagd als het gaat om beslissingen onderworpen aan een milieueffectenonderzoek:
over de oprichting of de wijziging van een gemeenteweg, genomen krachtens het decreet van 6 februari 2014 betreffende de gemeentewegen;
over de mijnconcessie, genomen overeenkomstig het decreet van 7 juli 1988 op de mijnen;
over de vergunningen voor de ontsluiting van de steenbergen, vereist krachtens het decreet van 9 mei 1985 met betrekking tot de ontsluiting van steenbergen.
[2 De diensten of commissies die geraadpleegd worden in toepassing van artikel R.57, § 2, worden eveneens uitgenodigd om een advies over het project in te dienen binnen de termijn bepaald in paragraaf 1, vijfde lid.]2
De adviezen worden binnen vijfendertig dagen te rekenen van de datum van ontvangst van het volledige dossier betreffende de adviesaanvraag overgemaakt; zoniet worden de adviezen geacht gunstig te zijn.
§ 2. [2 De overeenkomstig paragraaf 1 geraadpleegde instanties kunnen de aanvrager of de opsteller ervan om aanvullende informatie over het effectenonderzoek verzoeken]2]1
.
Art. R82. [1 § 1er. L'avis du pôle " Environnement " est sollicité pour tout projet soumis à étude d'incidences.
L'avis de la C.C.A.T.M. ou, à défaut, du pôle " Aménagement du territoire " est sollicité lorsque la demande porte sur un des permis soumis à étude d'incidences suivants :
les permis uniques requis en vertu du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement;
les permis d'urbanisme ou d'urbanisation ou les certificats d'urbanisme n° 2 visés par le CoDT;
les permis intégrés requis pour des projets intégrés au sens de l'article 1er, 5°, a) et c), du décret du 5 février 2015 relatif aux implantations commerciales.
Par dérogation à l'alinéa 2, les avis de la C.C.A.T.M. et du pôle " Aménagement du territoire " sont sollicités lorsqu'il s'agit de projets éoliens.
L'avis de la C.C.A.T.M. est sollicité lorsqu'il s'agit de décisions soumises à étude d'incidences :
sur la création ou la modification d'une voirie communale, prises en application du décret du 6 février 2014 relatif à la voirie communale;
sur les concessions de mines, prises en application du décret du 7 juillet 1988 sur les mines;
sur les permis de valorisation de terril requis en vertu du décret 9 mai 1985 concernant la valorisation de terrils.
[2 Les services ou commissions consultées en application de l'article R.57, § 2, sont également invités à remettre un avis sur le projet endéans le délai fixé par l'alinéa 5 du paragraphe 1er.]2
Les avis sont transmis dans les quarante-cinq jours, à partir de la date de réception du dossier de demande d'avis complet; à défaut, les avis sont réputés favorables.
§ 2. [2 Les instances consultées en vertu du paragraphe 1er peuvent requérir des informations complémentaires sur l'étude d'incidence auprès du demandeur ou de son auteur]2]1
.
HOOFDSTUK VII. - Grensoverschrijdende effecten.
CHAPITRE VII. - Incidences transfrontières.
Art. R83.
Art. R83.
Art. R84.
Art. R84.
Art. R85.
Art. R85.
HOOFDSTUK VII. - Wijzigings-, opheffings- en slotbepalingen.
CHAPITRE VIII. - Dispositions abrogatoires et transitoires.
Art. R86. Het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 31 oktober 1991 houdende uitvoering van het decreet van 11 september 1985 tot organisatie van de milieueffectbeoordeling in het Waalse Gewest wordt opgeheven.
In afwijking van het eerste lid kan de aanvrager tot en met 3 juni 2007 de auteur van het onderzoek kiezen uit de personen die erkend zijn als auteurs van milieueffectonderzoeken krachtens artikel 16 van het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 31 oktober 1991 houdende uitvoering van het decreet van 11 september 1985 tot organisatie van de milieueffectbeoordeling in het Waalse Gewest voor de categorie(ën) waartoe zijn project behoort overeenkomstig artikel 10 van bedoeld besluit. Indien het project evenwel enkel het waterbeheer betreft in de zin van artikel 58, 7°, kiest de aanvrager de auteur uit de als auteur van milieueffectonderzoeken erkende personen :
ofwel voor de categorieën " ruimtelijke ordening, middelgrote projecten en in het bijzonder de uitrustingen en landelijke en procreatie-inrichtingen " en " industriële verwerkingsprocessen van stoffen ";
ofwel voor de categorieën " ruimtelijke ordening, stedenbouw " en " industriële verwerkingsprocessen van stoffen ".
Indien lid 2 wordt toegepast, wordt de keuze van de auteur bekendgemaakt overeenkomstig artikel 72, leden 2 en 3.
Art. R86. L'arrêté de l'Exécutif régional wallon du 31 octobre 1991 portant exécution du décret du 11 septembre 1985 organisant l'évaluation des incidences sur l'environnement en Région wallonne est abrogé.
Par dérogation à l'alinéa premier, jusqu'au 3 juin 2007, le demandeur peut choisir l'auteur d'étude, parmi les personnes agréées en qualité d'auteurs d'étude d'incidences en vertu de l'article 16 de l'arrête de l'Exécutif régional wallon du 31 octobre 1991 portant exécution du décret du 11 septembre 1985 organisant l'évaluation des incidences sur l'environnement dans la Région wallonne pour la ou les catégories à laquelle ou auxquelles son projet se rattache conformément à l'article 10 de l'arrêté précité. Toutefois, lorsque le projet concerne la gestion de l'eau au sens de l'article 58, 7°, le demandeur choisit l'auteur parmi les personnes agréées en qualité d'auteur d'études d'incidences :
soit pour les catégories " aménagement du territoire, projets de dimension moyenne en particulier les équipements et aménagements ruraux et de loisirs " et " processus industriels de transformation de matières ";
soit pour les catégories " aménagement du territoire, urbanisme " et " processus industriels de transformation de matières ".
Lorsqu'il est fait application de l'alinéa 2, le choix de l'auteur est notifié conformément à l'article 72, alinéas 2 et 3.
DEEL VIII. [1 - Opsporing, vaststelling, vervolging en beteugeling van milieuovertredingen en schadevergoedingsmaatregelen.]1
PARTIE VIII. [1 - Recherche, constatation, poursuite, répression et mesures de réparation des infractions en matière d'environnement.]1
TITEL 1. [1 - Algemene bepalingen.]1
TITRE Ier. [1 - Dispositions générales.]1
HOOFDSTUK I. [1 - Begripsomschrijvingen en berekening van de termijnen.]1
CHAPITRE Ier. [1 - Définitions et computation des délais]1
Art. R87. [1 § 1. Voor de toepassing van dit deel wordt verstaan onder:
Administratie: de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu;
de plaatselijk vaststellende beambte : elk overeenkomstig de artikelen D.149 en D.152 aangewezen vaststellende beambte;
het centraal bestand: het centraal bestand inzake milieudelicten, aangelegd krachtens de artikelen D.144 en D.145 ;
de opvangplaats : de gepaste opvangplaats bedoeld in artikel D.170, § 1;
de Minister: de Minister die voor Leefmilieu bevoegd is ;
de Eenheid Dierenwelzijn : de Eenheid bestaande uit de gewestelijke vaststellende beambten van de dienst Politie en Controle van de Waalse Overheidsdienst, Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu aangewezen door de Directeur-generaal om specifiek overtredingen inzake dierenwelzijn te onderzoeken en te controleren.
§ 1. De door de Regering overeenkomstig de artikelen D.169, § 4, eerste, derde, vierde, vijfde en zevende lid, D.185, § 1, eerste lid, D.185, § 2, D.187, eerste lid, D.189, § 1, eerste lid, D.191, eerste en tweede lid, D.195, § 1, vierde lid, D.202, § 2, tweede lid, D.209, derde lid, 1°, D.212, eerste lid, D.214, eerste lid en D.217, eerste lid, 2°, aangewezen persoon is de directeur-generaal van de Administratie of diens afgevaardigde.
De dienst die door de Regering wordt aangewezen overeenkomstig de artikelen D.143, § 1, eerste lid, D.145, § 2, tweede lid, 5°, D.169, § 1, eerste lid, 7°, en D.197, § 3, derde lid, is de Administratie.]1

Art. R87. [1 § 1er. Pour l'application de la présente partie, l'on entend par :
l'Administration : le Service public de Wallonie Agriculture, Ressources naturelles et Environnement ;
l'agent constatateur local : tout agent constatateur désigné en vertu des articles D.149 et D.152 ;
le Fichier central : le Fichier central de la délinquance environnementale établi en vertu des articles D.144 et D.145 ;
le lieu d'accueil : le lieu d'accueil approprié, visé à l'article D.170, § 1er ;
le Ministre : le Ministre qui a l'environnement dans ses attributions ;
l'Unité du Bien-être Animal : l'Unité regroupant les agents constatateurs régionaux du Département de la Police et Contrôle du Service public de Wallonie, Agriculture, Ressources Naturelles et Environnement désignés par le Directeur général pour rechercher et contrôler spécifiquement les infractions au Bien-être animal.
§ 2. La personne désignée par le Gouvernement en vertu des articles D.169, § 4, alinéas 1er, 3, 4, 5 et 7, D.185, § 1er, alinéa 1er, D.185, § 2, D.187, alinéa 1er, D.189, § 1er, alinéa 1er, D.191, alinéas 1er et 2, D.195, § 1er, alinéa 4, D.202, § 2, alinéa 2, D.209, alinéa 3, 1°, D.212, alinéa 1er, D.214, alinéa 1er, et D.217, alinéa 1er, 2°, est le Directeur général de l'Administration ou son délégué.
Le service désigné par le Gouvernement en vertu des articles D.143, § 1er, alinéa 1er, D.145, § 2, alinéa 2, 5°, D.169, § 1er, alinéa 1er, 7°, et D.197, § 3, alinéa 3, est l'Administration.]1

Art. R88. [1 De wijzen van verzending die een vaste datum in de zin van de artikelen D.207, D.208 en D.209 verlenen, zijn:
het bij ter post aangetekend schrijven;
verzendingen door particuliere bedrijven die het tijdstip van verzending kunnen bevestigen;
de indiening van een akte tegen gedagtekend ontvangstbewijs.]1

Art. R88. [1 Les modalités d'envoi conférant date certaine au sens des articles D.207, D.208 et D.209 sont :
le recommandé postal ;
les envois par des sociétés privées pouvant attester du moment de l'envoi ;
le dépôt d'un acte contre récépissé daté.]1

HOOFDSTUK 2. [1 - Coördinatie van het repressieve milieubeleid.]1
CHAPITRE II. [1 - Coordination de la politique répressive environnementale.]1
Afdeling 1. [1 - Coördinatievergaderingen.]1
Section 1re. [1 - Des réunions de coordination.]1
Art. R89. [1 Naast de personen bedoeld in artikel D.143, § 1, 1° tot 3°, worden ook de volgende personen uitgenodigd om deel te nemen aan de vergaderingen voor de gecoördineerde uitvoering van het repressieve milieubeleid
de Minister van Leefmilieu of diens vertegenwoordiger;
de Minister die bevoegd is voor natuur of diens vertegenwoordiger;
de Minister bevoegd voor landbouw of diens vertegenwoordiger;
de Minister bevoegd voor dierenwelzijn of diens vertegenwoordiger;
de Minister bevoegd voor bossen of diens vertegenwoordiger.]1

Art. R89. [1 Outre les personnes visées à l'article D.143, § 1er, 1° à 3°, les personnes suivantes sont également invitées à participer aux réunions de mise en oeuvre coordonnée de la politique répressive environnementale :
le Ministre de l'Environnement ou son représentant ;
le Ministre qui a la nature dans ses attributions ou son représentant ;
le Ministre qui a l'agriculture dans ses attributions ou son représentant ;
le Ministre du qui a le bien-être des animaux dans ses attributions ou son représentant ;
le Ministre qui a la forêt dans ses attributions ou son représentant.]1

Art. R89 bis.
Art. R89 bis.
Afdeling 2. [1 - Het centraal bestand en de toezending van informatie.]1
Section 2. [1 - Du Fichier central et de la transmission des informations.]1
Art. R90. [1 De Administratie zorgt voor het beheer en de werking van het centraal register.
Voor de uitvoering van de in lid 1 bedoelde opdrachten wijst de directeur-generaal van de Administratie een of meer personen binnen de Administratie aan als operatoren. Een van deze operatoren wordt ook aangewezen als contactpersoon voor het gebruik van het centrale register.]1

Art. R90. [1 L'Administration assure la gestion et le fonctionnement du Fichier central.
Pour assurer les missions prévues à l'alinéa 1er, le Directeur général de l'Administration désigne un ou plusieurs personnes au sein de l'Administration comme opérateurs. L'un de ces opérateurs est en outre désigné comme personne de contact pour l'utilisation du Fichier central.]1

Art. R91. [1 § 1. Onverminderd artikel D.145 stelt de Minister de minimale inhoud van het protocol vast voor wat betreft de technische methoden voor het gebruik en de overdracht van gegevens binnen het centraal bestand, met inbegrip van de methoden voor de verbetering van gegevens, overeenkomstig de IT-ontwikkelingen van het centraal bestand.
De inhoud van lid 1 maakt het mogelijk de traceerbaarheid van raadplegingen in het kader van een bestand in elektronische vorm te garanderen. Naast de informatie bedoeld in artikel D.145, § 2, alinea 3°, wordt in het bestand ook de voorafgaande reden voor de raadpleging vermeld.
Het in lid 2 bedoelde bestand is toegankelijk voor de in artikel R.90, lid 2, bedoelde operatoren. De persoon van wie de gegevens zijn geraadpleegd, de gegevensbeschermingsautoriteit en de Procureur des Konings kunnen op eerste verzoek inzage krijgen in de inhoud van dit bestand.
§ 2. Elk protocol vermeldt in zijn inleiding de verplichting tot eerbiediging van met name:
de bepalingen van Verordening (EG) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens;
de bepalingen van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens
de bepalingen met betrekking tot boek I van het Milieuwetboek, en meer bepaald tot artikel D.19 en de artikelen D.138 en volgende;
de geheimhouding van de inlichtingen bedoeld in artikel 28quinquies van het Wetboek van Strafvordering en het onderzoek bedoeld in artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering.]1

Art. R91. [1 § 1er. Sans préjudice de l'article D.145, le Ministre détermine, au gré des développements informatiques du Fichier central, le contenu minimal du protocole en ce qui concerne les modalités techniques d'utilisation et de transfert des données au sein du Fichier central, en ce compris les modalités de rectification des données.
Le contenu fixé à l'alinéa 1er permet de garantir la traçabilité des consultations effectuées dans le cadre d'un registre sous format électronique. Outre les informations, visées à l'article D.145, § 2, alinéa, 3°, le registre comprend également le motif préalable de la consultation.
Le registre, visé à l'alinéa 2, est accessible aux opérateurs, visés à l'article R.90, alinéa 2. La personne dont les informations ont été consultées, l'Autorité de protection des données et le procureur du Roi peuvent prendre connaissance du contenu de ce registre à première demande.
§ 2. Chaque protocole mentionne en préambule l'obligation de respecter, notamment :
les dispositions du Règlement UE 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données ;
les dispositions de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel ;
les dispositions relatives au livre Ier du Code de l'Environnement et, plus particulièrement, à l'article D.19 et aux articles D.138 et suivants ;
le secret de l'information, visé par l'article 28quinquies du Code d'instruction criminelle, et l'instruction, visé par l'article 57 du Code d'Instruction criminelle.]1

Art. R92. [1 De in artikel D.145 bedoelde referentiebronnen verstrekken de Administratie de in artikel D.144, § 1 bedoelde gegevens. Deze overmaking is gemaakt hetzij :
door middel van rechtstreekse inschrijving in het centraal bestand ;
door overmaking van ruwe gegevens die rechtstreeks in het centraal bestand kunnen worden opgenomen;
door de overmaking van gedigitaliseerde gegevens die binnen het centraal register toegankelijk kunnen worden gemaakt.
Afhankelijk van de vaststelling en ontwikkeling van technische protocollen kan de Minister de in het eerste lid bedoelde wijzen van overmaking afschaffen, wijzigen of aanvullen.]1

Art. R92. [1 Les sources de référence visées à l'article D.145 fournissent à l'Administration les données visées à l'article D.144, § 1er. Cette transmission est effectuée soit :
par le biais d'un encodage direct au sein du Fichier central ;
par la transmission de données brutes pouvant directement être encodées au sein du Fichier central ;
par la transmission de données numérisées pouvant être rendues accessibles au sein du Fichier central.
Suivant l'adoption et l'évolution des protocoles techniques, le Ministre peut supprimer, modifier ou compléter les modes de transmission, visés à l'alinéa 1er.]1

Art. R93. [1 § 1. Wanneer de eerste registratie van een overtreder in het centraal bestand plaatsvindt wanneer een waarschuwing of een proces-verbaal wordt opgenomen, wordt de overtreder daarvan in kennis gesteld door middel van een informatie die bij de schriftelijke waarschuwing respectievelijk het proces-verbaal wordt gevoegd wanneer dit wordt toegezonden.
Wanneer de in het eerste lid bedoelde eerste registratie plaatsvindt bij de invoeging van een ander dan het in artikel D.144, § 1, eerste lid, bedoeld gegeven, wordt hij daarvan binnen tien dagen na de registratie in kennis gesteld door middel van een brief die deze gegevens bevat.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde informatie wordt door de Administratie verstrekt.
De Minister kan een model van inlichtingen opstellen dat de inhoud van artikel D.144, § 3, bevat.]1

Art. R93. [1 § 1er. Lorsque le premier enregistrement d'un contrevenant au sein du Fichier central intervient à l'occasion de l'insertion d'un avertissement ou d'un procès-verbal, celui-ci en est averti par le biais d'une information jointe respectivement à l'avertissement écrit ou au procès-verbal lors de sa transmission.
Lorsque le premier enregistrement, visé à l'alinéa 1er, intervient à l'occasion de l'insertion d'une autre donnée reprise à l'article D.144, § 1er, que celle visée à l'aliéna 1er, il en est informé par le biais d'un courrier reprenant l'information dans les dix jours de l'enregistrement.
§ 2. L'information visée au paragraphe 1er est transmise par l'Administration. . la source de référence qui a généré le premier enregistrement.
Le Ministre peut établir un modèle d'information reprenant le contenu de l'article D.144, § 3.]1

Art. R93 bis.
Art. R93 bis.
Art. R93 ter.
Art. R93 ter.
Art. R93 quater.
Art. R93 quater.
Art. R93 quater(bis).
Art. R93 quater(bis).
Art. R93 quinquies.
Art. R93 quinquies.
HOOFDSTUK II.
CHAPITRE II.
Art. R94. [1 Elke persoon die optreedt als administratieve ondersteuning voor een persoon die rechtstreeks recht heeft op toegang tot het centraal bestand overeenkomstig artikel D.144, § 2, kan een verzoek om toegang tot het centraal bestand indienen. Dit verzoek wordt gericht aan de directeur-generaal van de Administratie, hetzij uitsluitend door de rechtstreeks gemachtigde persoon, hetzij gezamenlijk door de persoon die om toegang verzoekt en de rechtstreeks gemachtigde persoon.
De in lid 1 bedoelde aanvraag moet bevatten :
de volledige identiteit en de contactgegevens van de persoon die toegang vraagt tot het centraal bestand;
de volledige identiteit en de contactgegevens van de persoon die gemachtigd is om toezicht te houden op de persoon die toegang vraagt;
een nauwkeurige omschrijving van de opdrachten die worden uitgevoerd door de personen bedoeld in 1° en 2° ;
de verbintenis van de persoon die om toegang verzoekt om de gegevens uit het centraal bestand uitsluitend in het kader van zijn opdrachten te raadplegen en te gebruiken, en om deze toegang niet langer te gebruiken wanneer zijn functie wordt beëindigd;
de verbintenis van de persoon die rechtstreeks gemachtigd is en van de persoon die toegang vraagt om de Administratie in kennis te stellen van elke wijziging in hun respectieve functies;
een formele verbintenis van de persoon voor wie toegang tot het centraal bestand wordt gevraagd om de vertrouwelijkheid van de informatie te eerbiedigen;
de handtekening van de rechtstreeks gemachtigde en die van de persoon die om toegang verzoekt.
De directeur-generaal van de Administratie deelt zijn beslissing binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag mee. Indien binnen deze termijn geen antwoord is ontvangen, kan een nieuwe aanvraag worden ingediend.
Wanneer de directeur-generaal van de Administratie toegang tot het centraal bestand verleent, stelt hij de in artikel R.90, lid 2, bedoelde operatoren daarvan in kennis, zodat de toegang zo spoedig mogelijk operationeel wordt.
De directeur-generaal van de Administratie kan de toegang tot het centraal bestand van een naar behoren gemachtigde persoon schorsen wanneer die persoon langer dan een maand afwezig is.
Overeenkomstig de verbintenis bedoeld in paragraaf 2, 4°, staakt de persoon die toegang heeft op grond van deze bepaling en die ofwel niet langer dezelfde functie uitoefent als die op grond waarvan hij toegang heeft verkregen, ofwel gedurende een periode van meer dan een maand afwezig is, onmiddellijk elk gebruik of elke raadpleging van het centraal bestand. De betrokken persoon en zijn of haar hiërarchische meerdere stellen de directeur-generaal van de Administratie of de operator rechtstreeks per e-mail van deze wijzigingen in kennis.
Lid 6 is eveneens van toepassing wanneer de nieuwe functies van de betrokkene persoon rechtvaardigen dat onder dezelfde voorwaarden toegang wordt verleend. In dat geval moet overeenkomstig dit artikel een nieuwe aanvraag worden ingediend.]1

Art. R94. [1 Toute personne intervenant en tant que support administratif auprès d'une personne directement habilitée à avoir accès au Fichier central conformément à l'article D.144, § 2, peut introduire une demande d'accès au Fichier central. Cette demande est adressée au Directeur général de l'Administration, soit exclusivement par la personne directement habilitée, soit conjointement par la personne sollicitant l'accès et la personne directement habilitée.
La demande, visée à l'alinéa 1er, contient :
l'identité complète et les coordonnées de la personne sollicitant l'accès au Fichier central ;
l'identité complète et les coordonnées de la personne habilitée à superviser la personne sollicitant l'accès ;
la description précise des missions menées par les personnes reprises aux 1° et 2° ;
un engagement de la personne sollicitant l'accès à consulter et utiliser les données issues du Fichier central dans le cadre exclusif de ses missions, et à ne plus utiliser cet accès lorsqu'il est mis fin à ses fonctions ;
un engagement de la personne directement habilitée et de la personne sollicitant l'accès à signaler à l'Administration tout changement qui interviendrait dans leurs fonctions respectives ;
un engagement formel de la personne pour laquelle l'accès est sollicité au Fichier central de respecter la confidentialité des informations ;
la signature de la personne directement habilitée et celle de la personne sollicitant l'accès.
Le Directeur général de l'Administration notifie sa décision dans les trente jours à compter de la réception de la demande. A défaut de réponse endéans ce délai, une nouvelle demande peut alors être introduite.
Lorsque le Directeur général de l'Administration accorde l'accès au Fichier central, il en informe les opérateurs, visés à l'article R.90, alinéa 2, afin que l'accès soit rendu opérationnel dans les meilleurs délais.
Le Directeur général de l'Administration peut suspendre l'accès au Fichier central d'une personne dûment autorisée, lorsque celle-ci est absente pour une durée supérieure à un mois.
Conformément à l'engagement, visé à l'alinéa 2, 4°, la personne qui dispose d'un accès en vertu de la présente disposition et qui, soit n'exerce plus les mêmes fonctions que celles qui lui ont permis d'obtenir ledit accès, soit est absente pour une durée supérieure à un mois, interrompt sans délai toute utilisation ou consultation du Fichier central. La personne concernée ainsi que son supérieur hiérarchique notifient par courriel ces changements au Directeur général de l'Administration ou directement à l'opérateur renseigné.
L'alinéa 6 est également applicable lorsque les nouvelles fonctions de la personne concernée justifient l'octroi de cet accès dans les mêmes conditions. Dans ce cas, une nouvelle demande est introduite conformément au présent article.]1

HOOFDSTUK III.
CHAPITRE III.
Afdeling 1.
Section 1re.
Art. R95. [1 Wanneer de procureur des Konings of de sanctionerende ambtenaar voornemens is, op eigen initiatief of op verzoek van een personeelslid, bepaalde gegevens in het centraal bestand ontoegankelijk te maken, stelt hij de directeur-generaal van de administratie en de operator hiervan in kennis.
De in lid 1 bedoelde informatie bevat :
de precieze identificatie van de gegevens die ontoegankelijk moeten worden gemaakt voor alle personen die toegang hebben tot het centraal bestand;
de identificatie, in voorkomend geval, van de personeelsleden of andere personen die verder toegang kunnen hebben tot de betrokken gegevens;
de periode gedurende dewelke deze gegevens ontoegankelijk worden gemaakt.
Binnen vierentwintig uur na ontvangst van de informatie van de procureur des Konings maken de in artikel R.90 bedoelde operatoren de betrokken gegevens ontoegankelijk in overeenstemming met de aanvraag.
Een maand voor de door de procureur des Konings of de sanctionerende ambtenaar overeenkomstig het tweede lid, 3°, vastgestelde termijn, stelt de directeur-generaal van de administratie of de gemachtigde operator de procureur des Konings of de sanctionerende ambtenaar ervan in kennis dat de betrokken gegevens binnenkort toegankelijk zullen worden gemaakt. De procureur des Konings of de sanctionerende ambtenaar kan verzoeken om verlenging van de maatregel met een door hem te bepalen termijn. Bij gebreke van een dergelijke aanvraag worden de gegevens toegankelijk gemaakt de dag na de geplande termijn.
Wanneer de in dit artikel bedoelde gegevens weer toegankelijk worden, wordt in het centraal bestand vermeld dat de toegang tot die gegevens gedurende een beperkte periode beperkt is geweest.
Mits zij daartoe vooraf toestemming hebben gekregen van de procureur des Konings of van de sanctionerende ambtenaar, behouden de betrokkenen van de ontoegankelijk gemaakte gegevens de mogelijkheid van toegang tot hun gegevens overeenkomstig artikel R.98.
Indien de procureur des Konings of de sanctionerende ambtenaar van oordeel is dat de persoon op wie de ontoegankelijk gemaakte informatie betrekking heeft, geen toegang meer kan krijgen tot die informatie, stelt de directeur-generaal van de administratie hem binnen zeven dagen in kennis van de beperking van zijn toegangsrecht, tenzij de procureur des Konings of de sanctionerende ambtenaar van oordeel is en met redenen omkleedt dat die informatie afbreuk kan doen aan het lopende onderzoek.]1

Art. R95. [1 Lorsque le procureur du Roi ou le fonctionnaire sanctionnateur entend, d'initiative ou sur demande d'un agent, rendre inaccessibles certains contenus au sein du Fichier central, il en informe le Directeur général de l'Administration et l'opérateur renseigné.
L'information, visée à l'alinéa 1er, contient :
l'identification précise des données qu'il convient de rendre inaccessible à toutes les personnes disposants d'un accès au Fichier central ;
l'identification, le cas échéant, des agents ou autres personnes qui peuvent continuer à avoir accès aux données visées ;
la durée pour laquelle ces données sont rendues inaccessibles.
Endéans les vingt-quatre heures de la réception de l'information du procureur du Roi ou du fonctionnaire sanctionnateur, les opérateurs, visés à l'article R.90, rendent les données visées inaccessibles conformément à la demande.
Un mois avant l'échéance fixée par le procureur du Roi ou le fonctionnaire sanctionnateur conformément à l'alinéa 2, 3°, le Directeur général de l'Administration ou l'opérateur habilité averti le procureur du Roi ou le fonctionnaire sanctionnateur que les données visées vont prochainement être rendues accessibles. Le procureur du Roi ou le fonctionnaire sanctionnateur peut solliciter une prolongation de la mesure pour la durée qu'il détermine. A défaut d'une telle demande, les données sont rendues accessibles au lendemain de l'échéance prévue.
Lorsque les données, visées au présent article, redeviennent accessibles, le Fichier central porte une mention suivant laquelle ces données ont fait l'objet d'un accès restreint pour une durée limitée.
Pour autant qu'elles disposent de l'autorisation préalable du procureur du Roi ou du Fonctionnaire sanctionnateur, les personnes concernées par les données rendues inaccessibles conservent la possibilité d'accéder à leurs données conformément à l'article R.98.
Si le procureur du Roi ou le fonctionnaire sanctionnateur estime que la personne concernée par les informations rendues inaccessibles ne peut plus y avoir accès, le Directeur général de l'Administration l'informe, endéans les sept jours, de la limitation de son droit d'accès, à moins que le procureur du Roi ou le fonctionnaire sanctionnateur considère et motive le fait qu'une telle information risque de nuire au processus d'enquête en cours.]1

Art. R96. [1 De automatische verwijdering van gegevens uit het centraal bestand overeenkomstig artikel D.144, § 1, vijfde lid, geschiedt in één keer voor alle gegevens waarop dezelfde inbreukcyclus betrekking heeft, wanneer de laatste gegevens die in het kader van hetzelfde dossier zijn verkregen tien jaar oud zijn, en vormt een afsluiting van de zaak of een document waaruit de uitvoering van een beslissing van de rechter of van een sanctionerende ambtenaar blijkt.]1
Art. R96. [1 L'effacement automatique des données du Fichier central en application de l'article D.144, § 1er, alinéa 5, est opéré, en une seule opération, pour l'ensemble des données concernées par un même cycle infractionnel lorsque la dernière donnée acquise dans le cadre de ce même dossier atteint dix ans, et constitue un classement sans suite ou une pièce démontrant l'exécution d'une décision rendue soit par les cours et tribunaux ou soit par un fonctionnaire sanctionnateur.]1
Art. R97. [1 Voor de toepassing van dit deel wordt een bekeuring als foutief beschouwd indien zij is afgegeven aan een overtreder die onjuist is geïdentificeerd, hetzij :
wegens een materiële vergissing bij het lezen of begrijpen van zijn identificatiedocumenten ;
ten gevolge van een materiële vergissing bij het lezen of het begrijpen van een nummerplaat van een voertuig.
Wanneer een persoon die toegang heeft tot het centraal bestand, de in lid 1 bedoelde vergissing opmerkt, stelt hij de ambtenaar die het proces-verbaal heeft opgemaakt of diens hiërarchieke meerdere hiervan in kennis. De ambtenaar of zijn hiërarchische meerdere stelt een van de in artikel R.90 bedoelde operatoren op de hoogte. In dat geval wordt het onjuiste proces-verbaal uit het centraal bestand geschrapt voor wat betreft de persoon die ten onrechte is geïdentificeerd. Het wordt echter op dezelfde wijze opnieuw ingevoerd met betrekking tot de persoon die nu correct is geïdentificeerd. De ambtenaar stelt een nieuw verslag op met de informatie over deze correcties. Dit is bij het opnieuw geplaatste proces-verbaal gevoegd.
Wanneer de ten onrechte geïdentificeerde persoon in overeenstemming met artikel R.93 op de hoogte is gebracht van het effect van de registratie van het onjuiste proces-verbaal, wordt hij of zij op de hoogte gebracht van de materiële fout en wordt het onjuiste proces-verbaal uit het centraal bestand verwijderd.]1

Art. R97. [1 Au sens de la présente partie, un procès-verbal est considéré comme erroné lorsqu'il est dressé à l'encontre d'un contrevenant mal identifié soit :
en raison d'une erreur matérielle survenue dans la lecture ou la compréhension de ses documents d'identification ;
en raison d'une erreur matérielle survenue dans la lecture ou la compréhension d'une plaque d'immatriculation d'un véhicule.
Lorsqu'une personne ayant accès au fichier central constate l'erreur, visée à l'alinéa 1er, elle en informe l'agent rédacteur dudit procès-verbal ou son supérieur hiérarchique. L'agent ou son supérieur hiérarchique en informe un des opérateurs, visés à l'article R.90. Dans ce cas, le procès-verbal erroné est retiré du Fichier central en ce qui concerne la personne mal identifiée. Il fait néanmoins l'objet d'une réinsertion, à l'identique, en ce qui concerne la personne désormais correctement identifiée. L'agent dresse un nouveau procès-verbal reprenant l'information de ces corrections intervenues. Celui-ci est joint au procès-verbal réinséré.
Lorsque la personne mal identifiée a été informée conformément à l'article R.93 par l'effet de l'enregistrement du procès-verbal erroné, elle fait l'objet d'une information précisant l'erreur matérielle et que le procès-verbal erroné fait l'objet d'un retrait du Fichier central.]1

Art. R98. [1 § 1. Elke persoon kan, zonder dat hij enig bijzonder belang hoeft aan te tonen, verzoeken om toegang tot de hem betreffende gegevens in het centraal bestand. Daartoe zendt hij een uitdrukkelijke aanvraag, per aangetekende brief, aan de Directeur-generaal van de Administratie of rechtstreeks aan de aangegeven operator.
De in lid 1 bedoelde aanvraag bevat een kopie van een identiteitsbewijs en de contactgegevens van de persoon die om toegang tot zijn gegevens verzoekt.
Een voogd of ouder kan verzoeken om toegang tot gegevens over de persoon die onder voogdij staat of over het betrokken kind in het centraal bestand. Daartoe moet de aanvrager aantonen dat hij de ouderlijke macht heeft of dat hij momenteel als voogd is aangesteld, en moet hij de aanvraag uitdrukkelijk per aangetekend schrijven richten aan de directeur-generaal van de Administratie of aan de aangegeven operator.
De in lid 3 bedoelde aanvraag moet bevatten :
een kopie van het identiteitsbewijs van de aanvrager ;
de contactgegevens van de persoon die toegang vraagt tot deze gegevens, met name het postadres en het e-mailadres;
het document waaruit blijkt dat de aanvrager de voogd of de verwant is van de persoon van wie hij de gegevens in het centraal bestand wenst te raadplegen.
Wanneer de directeur-generaal van de Administratie het verzoek ontvangt, stelt hij de in artikel R.90, lid 2, bedoelde operatoren daarvan in kennis. Binnen tien dagen na ontvangst van de informatie van de directeur-generaal van de administratie zenden de exploitanten de aanvrager de lijst van de gevraagde gegevens in het centraal bestand toe, alsmede een kopie van elk gegeven.
§ 2. Elke persoon, ongeacht of zij al dan niet overeenkomstig paragraaf 1 toegang heeft gehad tot haar eigen gegevens, kan verzoeken dat haar gegevens worden rechtgezet. Zij kan ook verzoeken dat zijn gegevens worden gewist onder de in artikel D.144, § 1, vijfde lid, genoemde voorwaarden. Daartoe dienen zij een uitdrukkelijke aanvraag, per aangetekende brief, te richten aan de directeur-generaal van de Administratie of rechtstreeks aan de betrokken operator.
De in lid 1 bedoelde aanvraag moet bevatten :
een kopie van het identiteitsbewijs en de contactgegevens van de persoon die de rechtzetting van zijn gegevens vraagt;
de identificatie van de gegevens die het voorwerp uitmaken van de aanvraag tot rechtzetting ;
elk nuttig element dat de rechtzetting van de gegevens rechtvaardigt.
De Directeur-generaal van de Administratie controleert de aanvraag tot rechtzetting uitsluitend ten aanzien van de documenten waarop de vermeende onjuistheid is gebaseerd en de in artikel D.144, § 1, vijfde lid, bedoelde termijn. Hij deelt zijn antwoord mee binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvraag om rechtzetting.
Indien binnen deze termijn geen antwoord is ontvangen, kan een nieuwe aanvraag worden ingediend.
Wanneer de directeur-generaal van de Administratie rechtzetting van de gegevens in kwestie nodig en passend acht, verzoekt hij een van de operatoren de referentiebronnen waarop de gegevens in kwestie betrekking hebben, daarvan in kennis te stellen volgens de in het protocol vastgelegde procedures. De referentiebronnen rectificeren vervolgens de gegevens binnen tien dagen na ontvangst van de aanvraag tot rechtzetting en stellen de Administratie daarvan in kennis.
De inhoud van het centraal bestand bevat een verklaring dat de betrokken gegevens zijn rechtgezet.]1

Art. R98. [1 § 1er. Toute personne peut, sans devoir justifier d'un intérêt particulier, solliciter l'accès à toutes données qui la concerne au sein du Fichier central. Pour ce faire, elle en adresse la demande expresse, par courrier recommandé, au Directeur général de l'Administration ou directement à l'opérateur renseigné.
La demande, visée à l'alinéa 1er, contient une copie d'une pièce d'identité et les coordonnées de la personne sollicitant l'accès à ses données.
Un tuteur ou un parent peut solliciter l'accès aux données qui concerne la personne sous tutelle ou l'enfant concerné au sein du Fichier central. Pour ce faire, le demandeur justifie de son autorité parentale ou de sa désignation actuelle comme tuteur, et adresse la demande expresse, par courrier recommandé, au Directeur général de l'Administration ou à l'opérateur renseigné.
La demande, visée à l'alinéa 3, contient :
une copie de la pièce d'identité du demandeur ;
les coordonnées de la personne sollicitant l'accès à ces données, à savoir l'adresse postale ainsi que l'adresse électronique ;
le titre prouvant que le demandeur est tuteur ou parent de la personne dont elle sollicite la consultation des données au sein du Fichier central.
Lorsque le Directeur général de l'Administration réceptionne la demande, il en informe les opérateurs, visés à l'article R.90, alinéa 2. Endéans les dix jours de la réception de l'information du Directeur général de l'Administration, les opérateurs adressent au demandeur la liste des données demandées reprises au sein du Fichier central, ainsi qu'une copie de chaque donnée.
§ 2. Toute personne, qu'elle ait eu accès à ses propres données conformément au paragraphe 1er ou non, peut solliciter la rectification de ses données. Elle peut également solliciter l'effacement de ses données dans les conditions fixées à l'article D.144, § 1er, alinéa 5. Pour ce faire, elle en adresse la demande expresse, par courrier recommandé, au Directeur général de l'Administration ou directement à l'opérateur renseigné.
La demande, visée à l'alinéa 1er, contient :
une copie de la pièce d'identité et les coordonnées de la personne sollicitant la rectification de ses données ;
l'identification des données qui font l'objet de la demande de rectification ;
tout élément utile justifiant la rectification des données.
Le Directeur général de l'Administration vérifie la demande de rectification exclusivement au regard des documents fondant l'inexactitude alléguée et du délai, visé à l'article D.144, § 1er, alinéa 5. Il notifie sa réponse dans les trente jours à compter de la réception de la demande de rectification.
A défaut de réponse endéans le délai, une nouvelle demande peut être introduite.
Lorsque le Directeur général de l'Administration juge nécessaire et pertinent de rectifier les données visées, il demande à l'un des opérateurs d'en informer les sources de référence concernées par les données visées, et ce, selon les modalités établies dans le protocole. Les sources de référence procèdent alors à la rectification des données endéans les dix jours de la réception de la demande de rectification et en informent l'Administration.
Dans son contenu, le Fichier central porte une mention suivant laquelle les données concernées ont fait l'objet d'une rectification.]1

Art. R99. [1 De informatie tussen vaststellende beambten betreffende een strafbaar feit waarvoor een van hen uit hoofde van zijn functie, zijn prioriteiten of een overeenkomstig artikel D.143, § 2 gesloten protocol niet verantwoordelijk is, wordt verstrekt in een van de in artikel D.141, § 2, derde lid, bedoelde formulieren of via het centraal bestand volgens de in het in artikel D.143, § 2 bedoelde samenwerkingsprotocol vastgelegde procedures.
De in lid 1 bedoelde informatie bevat :
de precieze identiteit van de geïdentificeerde persoon of een vermelding dat hij niet kan worden geïdentificeerd ;
de geconstateerde overtredingen en hun precieze locatie;
elk nuttig element dat een ander personeelslid in staat stelt een controle uit te voeren of te zoeken om het genoemde strafbare feit vast te stellen.]1

Art. R99. [1 L'information entre agents constatateurs concernant une infraction qu'il ne revient pas à l'un d'entre eux de constater en vertu de ses missions, de ses priorités d'action ou d'un protocole conclu conformément à l'article D.143, § 2, est réalisée sous l'une des formes, visées à l'article D.141, § 2, alinéa 3, ou par le biais du Fichier central selon les modalités arrêtées dans le protocole de collaboration prévu à l'article D.143, § 2.
L'information, visée à l'alinéa 1er, reprend :
l'identité précise de la personne identifiée ou l'indication qu'elle ne peut pas être identifiée ;
les faits infractionnels observés et leur localisation précise ;
tout élément utile permettant à un autre agent de mener un contrôle ou de rechercher ladite infraction afin de la constater.]1

Art. R100. [1 § 1. Het uittreksel uit het centraal bestand bedoeld in artikel D.144, § 2, is dertig dagen geldig.
§ 2. Het in artikel D.144, § 2, bedoelde uittreksel uit het centraal bestand bevat ten minste de volgende gegevens:
de datum van vervaardiging;
de naam, voornaam en rijksregisternummer van de aanvrager;
het al dan niet bestaan van een geldend verbod op het houden van dieren, de betrokken dieren of hun aantal;
het al dan niet bestaan van een lopende intrekking van een vergunning voor het houden van dieren.
§ 3. Om een dier aan te kopen of te adopteren, moeten personen die niet in Wallonië gedomicilieerd zijn en die overeenkomstig artikel D.144, § 2, tweede lid, een uittreksel uit het centraal bestand moeten voorleggen, een aanvraag per aangetekend schrijven richten aan de directeur-generaal van de Administratie.
De directeur-generaal van de Administratie zendt het uittreksel uit het centraal bestand binnen vijftien dagen na ontvangst van de aanvraag aan de aanvrager toe.]1

Art. R100. [1 § 1er. L'extrait de fichier central, visé à l'article D.144, § 2, est valable trente jours.
§ 2. L'extrait de Fichier central, visé à l'article D.144, § 2, contient au minimum les informations suivantes :
la date de sa production ;
le nom, prénom et le numéro de registre national du demandeur ;
l'existence ou l'absence d'une interdiction de détention d'animal en cours, les animaux visés ou leur nombre ;
l'existence ou l'absence d'un retrait de permis de détention d'un animal en cours.
§ 3. En vue de l'achat ou de l'adoption d'un animal, les personnes n'ayant pas de domicile en Wallonie et qui doivent présenter un extrait de fichier central conformément à l'article D.144, § 2, alinéa 2, en adresse la demande par courrier recommandé au Directeur général de l'Administration.
Le Directeur général de l'Administration adresse l'extrait du Fichier central au demandeur dans un délai de quinze jours à compter de la réception de la demande.]1

Afdeling 2.
Section 2.
TITEL 2. [1 - Verschillende interveniënten in het kader van de milieudelicten.]1
TITRE 2. [1 - Les différents intervenants dans le cadre de la délinquance environnementale.]1
HOOFDSTUK 1. [1 - Algemene bepalingen.]1
CHAPITRE Ier. [1 - Dispositions générales.]1
Art. R101. [1 De overeenkomstig de artikelen D.146, D.149 en D.152 aangewezen vaststellende beambten, de overeenkomstig artikel D.148 aangewezen deskundigen en de overeenkomstig de artikelen D.156 en D.157 aangewezen sanctionerende ambtenaren maken van de hun ter beschikking gestelde middelen en prerogatieven een strikt gebruik in het kader van hun opdracht. Zij verkrijgen geen voordelen voor zichzelf of voor een derde die niet van hen zijn.
Hun gedrag laat zich nooit leiden door persoonlijke of familiebelangen, filosofische of religieuze overtuigingen of politieke druk.
De in lid 1 bedoelde personen onthouden zich van iedere willekeurige handeling waardoor personen worden benadeeld, alsmede van iedere voorkeursbehandeling om welke reden dan ook. Zij moeten objectief zijn en vermijden dat de onpartijdigheid die de burgers van hen verwachten, wordt ondermijnd door de wijze waarop zij optreden of door het doel van hun optreden. Zij vermijden elke handeling of houding die deze onpartijdigheid kan ondermijnen.
De in lid 1 bedoelde personen mogen alleen beroepsactiviteiten uitoefenen indien deze hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid niet in gevaar brengen. Anders mogen zij op geen enkele wijze deelnemen aan het beheer van een dossier dat verband kan houden met hun beroepsactiviteiten. Zij mogen niet deelnemen aan de besluitvorming in een dossier waarin zij reeds eerder zijn opgetreden in een andere hoedanigheid of waarin zij een direct of indirect belang hebben.
De krachtens de artikelen D.146, D.149, D.152 en D.157 aangewezen vaststellende beambten en de krachtens artikel D.148 aangewezen deskundigen mogen hun functie niet uitoefenen ten aanzien van personen met wie zij verwant zijn tot in de tweede graad van het bloedverwantschap of het huwelijk.]1

Art. R101. [1 Les agents constatateurs désignés en vertu des articles D.146, D.149, et D.152, les experts désignés en vertu de l'article D.148 et les fonctionnaires sanctionnateurs désignés en vertu des articles D.156 et D.157 font usage des moyens et des prérogatives mis à leur disposition dans le cadre stricte de leurs missions. Ils ne se procurent pas, pour eux-mêmes ou pour une tierce personne, des avantages qui ne leur reviennent pas.
Leur conduite n'est jamais guidée par des intérêts personnels, familiaux, des convictions philosophiques ou religieuse ou par des pressions politiques.
Les personnes, visées à l'alinéa 1er, s'abstiennent de toute action arbitraire qui lèse les personnes, ainsi que de tout traitement préférentiel pour quelque raison que ce soit. Ils font preuve d'objectivité et évitent de porter atteinte, dans leur manière d'intervenir ou en raison de l'objet de leur intervention, à l'impartialité que les citoyens attendent d'eux. Ils évitent tout acte ou attitude de nature à ébranler cette impartialité.
Les personnes, visées à l'alinéa 1er, peuvent cumuler des activités professionnelles uniquement si celles-ci ne mettent pas en péril leur indépendance ni leur impartialité. A défaut, elles ne prennent pas part de quelle que manière que ce soit à la gestion d'un dossier qui peut être mis en lien avec leurs activités professionnelles. Ils ne peuvent pas prendre part à des décisions dans un dossier dans lequel elles sont déjà intervenus dans une autre qualité ou dans lequel elles ont des intérêts directs ou indirects.
Les fonctions des agents constatateurs désignés en vertu des articles D.146, D.149, D.152 et D.157 et des experts désignés en vertu de l'article D.148 ne peuvent pas être exercées à l'égard de personnes avec lesquelles ils ont un lien de parenté jusqu'au deuxième degré de parenté ou d'alliance.]1

HOOFDSTUK 2. [1 - De vaststellende beambten, deskundigen en speciale onderzoekseenheid.]1
CHAPITRE II. [1 - Les agents constatateurs, Experts et Unité spécialisée d'Investigation.]1
Afdeling 1. [1 - Gewestelijke vaststellende beambten.]1
Section 1re. [1 - Agents constatateurs régionaux.]1
Art. R102. [1 § 1. Het "Département de la Police et des Contrôles" (Departement Handhaving en Controles) van de Administratie ziet toe op en controleert de naleving van de in artikel D.138 bedoelde wetgeving en de uitvoeringsbesluiten daarvan. Hij onderzoekt en stelt strafbare feiten vast die verband houden met deze wetten, met uitzondering van
de jachtwet van 28 februari 1882;
de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
het Boswetboek;
het decreet van 27 maart 2014 betreffende de riviervisserij, het visbeleid en de visserijstructuren;
het decreet van 2 mei 2019 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten;
het decreet van 20 mei 2020 betreffende de toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik.
Het in lid 1 bedoelde Departement ziet tevens toe op en controleert de naleving van de Europese milieuverordeningen en -besluiten betreffende de in of krachtens artikel D.184 bedoelde bepalingen, alsmede de bescherming en het welzijn van dieren en de landbouw. Het Departement onderzoekt en stelt de overtredingen van deze bepalingen vast.
In het kader van zijn opdrachten worden het in lid 1 bedoelde Departement en de overeenkomstig lid 4 aangewezen personeelsleden de "Milieupolitie" genoemd.
Onverminderd lid 4 worden de personeelsleden die zijn aangesteld voor de functie van "SOS Environnement-Natuur" wacht gelijkgesteld met de personeelsleden van het "Département de la Police et des Contrôles".
§ 2. Het Departement Natuur en Bossen van de Administratie ziet toe op en controleert de naleving van de bepalingen van de hierna volgende wetten en besluiten, alsmede van hun uitvoeringsbesluiten, en onderzoekt en stelt de inbreuken op deze bepalingen vast:
de jachtwet van 28 februari 1882;
de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, uitsluitend met betrekking tot artikel 7;
het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning
het Milieuwetboek, met inbegrip van Boek I en van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt;
het Boswetboek;
het decreet van 10 juli 2013 tot invoering van een kader om te komen tot een pesticidengebruik dat verenigbaar is met duurzame ontwikkeling en tot wijziging van Boek I van het Milieuwetboek, Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen en het decreet van 12 juli 2001 betreffende de beroepsopleiding in de landbouw ;
het decreet van 27 maart 2014 betreffende de riviervisserij, het visbeleid en de visserijstructuren;
het decreet van 2 mei 2019 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten;
10° het decreet van 20 mei 2020 betreffende de toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik.
11° het Waalse Dierenwelzijnwetboek, met betrekking tot dieren van wilde diersoorten, ook wanneer deze in gevangenschap geboren of gefokt zijn, met uitzondering van hoofdstuk 8 betreffende proefdieren.
Het in lid 1 bedoelde Departement is ook verantwoordelijk voor het toezicht en de controle op de naleving van de bepalingen van Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten bedoeld in artikel 63, derde lid, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud. Het Departement onderzoekt en stelt de overtredingen van deze bepalingen vast.
§ 3 De in bijlage VIII genoemde diensten van de Administratie zien toe op en controleren de naleving van de in bijlage VIII genoemde wetgeving of bepalingen en hun uitvoeringsbesluiten, en onderzoeken en stellen inbreuken op deze bepalingen vast.
§ 4. De directeur-generaal van de Administratie wijst onder de personeelsleden van de in de §§ 1 tot 3 bedoelde diensten de regionale vaststellende beambten bij naam aan. Na hun benoeming en beëdiging hebben deze personeelsleden de hoedanigheid van agent van de gerechtelijke politie.
De in lid 1 bedoelde aanwijzing vermeldt de rechterlijke hoedanigheid van de agent en de aangelegenheden waarvoor hij krachtens dit artikel bevoegd is.
De Minister kan een model voor het verstrekken van opdrachten vaststellen.]1

Art. R102. [1 § 1er. Le Département de la Police et des Contrôles de l'Administration surveille et contrôle le respect des législations, visées à l'article D.138, ainsi que leurs arrêtés d'exécution. Il recherche et constate les infractions liées à ces législations, à l'exception :
de la loi du 28 février 1882 sur la chasse ;
de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature ;
du Code forestier ;
du décret du 27 mars 2014 relatif à la pêche fluviale, à la gestion piscicole et aux structures halieutiques ;
du décret du 2 mai 2019 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes ;
du décret du 20 mai 2020 relatif à l'accès aux ressources génétiques et au partage juste et équitable des avantages découlant de leur utilisation.
Le Département, visé à l'alinéa 1er, surveille et contrôle également le respect des règlements et décisions européens en matière d'environnement concernant les dispositions, visées par ou en vertu de l'article D.184, ainsi qu'en matière de protection et de bien-être des animaux, et en matière d'agriculture. Le Département recherche et de constate les infractions à ces dispositions.
Dans le cadre de ses missions, le Département, visé à l'alinéa 1er, ainsi que les agents désignés conformément au paragraphe 4 portent le titre de " Police de l'Environnement ".
Sans préjudice au paragraphe 4, les agents affectés au rôle de garde SOS Environnement-Nature sont assimilés aux agents du Département de la Police et des Contrôles.
§ 2. Le Département de la Nature et des Forêts de l'Administration surveille et contrôle le respect des dispositions des lois et décrets suivants, ainsi que leurs arrêtés d'exécution, il recherche et de constate les infractions à ces dispositions :
de la loi du 28 février 1882 sur la chasse ;
de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature ;
du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets, en ce qui concerne exclusivement l'article 7 ;
du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ;
du Code de l'Environnement, en ce compris le Livre Ier et le Livre II du Code de l'Environnement contenant le Code de l'Eau ;
du Code forestier ;
au décret du 10 juillet 2013 instaurant un cadre pour parvenir à une utilisation des pesticides compatible avec le développement durable et modifiant le Livre Ier du Code de l'Environnement, le Livre II du Code de l'Environnement contenant le Code de l'Eau, la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables et le décret du 12 juillet 2001 relatif à la formation professionnelle en agriculture ;
du décret du 27 mars 2014 relatif à la pêche fluviale, à la gestion piscicole et aux structures halieutiques ;
du décret du 2 mai 2019 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes ;
10° du décret du 20 mai 2020 relatif à l'accès aux ressources génétiques et au partage juste et équitable des avantages découlant de leur utilisation ;
10° du Code wallon du bien-être des animaux, en ce qui concerne les animaux d'espèces sauvages, y compris lorsque ces animaux sont nés ou élevés en captivité, à l'exception du chapitre 8 relatif aux animaux d'expérience.
Le Département, visé à l'alinéa 1er, est également chargé de surveiller et contrôler le respect des dispositions du Règlement (UE) n° 1143/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes, visées à l'article 63, alinéa 3, de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature. Le Département recherche et constate les infractions à ces dispositions.
§ 3. Les services de l'Administration repris à l'annexe VIII surveillent et contrôlent le respect des législations ou dispositions identifiées à l'annexe VIII ainsi que de leurs arrêtés d'exécution, ils recherchent et constatent les infractions à ces dispositions.
§ 4. Parmi les agents des services, visés aux paragraphes 1er à 3, le Directeur général de l'Administration désigne nommément les agents constatateurs régionaux. Dès lors qu'ils ont été nommément désignés et qu'ils ont prêté serment, ces agents disposent de la qualité d'agent de police judiciaire.
La désignation, visée à l'alinéa 1er, précise la qualité judiciaire de l'agent et les matières pour lesquelles il est compétent en vertu du présent article.
Le Ministre peut établir un modèle de commissionnement.]1

Art. R103. [1 Het lid van het statutair of contractueel personeel van de Waalse overheidsdiensten die boswachter is in toepassing van artikel 56 van het Boswetboek van 15 juli 2008, alsook de houtvesters, directeurs en de inspecteur-generaal, hebben de hoedanigheid van officier van de gerechtelijke politie voor de uitoefening van de opdrachten bedoeld in artikel R.102, § 2. Zij worden dienovereenkomstig aangesteld en leggen de eed af.]1
Art. R103. [1 Le membre du personnel statutaire ou contractuel des services du Gouvernement wallon qui a la qualité de garde forestier en application de l'article 56 du Code forestier du 15 juillet 2008 ainsi que les chefs de cantonnement, les directeurs et l'inspecteur général disposent de la qualité d'officier de police judiciaire pour l'exercice des missions, visées à l'article R.102, § 2. Ils sont commissionnés et prêtent serment en conséquence.]1
Art. R104. [1 De personeelsleden van het "Département de la Police et des Contrôles" die door de directeur-generaal worden aangewezen om hun taak op te nemen in de speciale onderzoekseenheid, hebben de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie voor de uitoefening van de opdrachten bedoeld in artikel R.102, § 1. Zij worden dienovereenkomstig aangesteld en beëdigd.]1
Art. R104. [1 Les agents du Département de la Police et des Contrôles de l'Administration qui sont désignés par le Directeur général pour prendre fonction au sein de l'Unité spécialisée d'investigation disposent de la qualité d'officier de police judiciaire pour l'exercice des missions, visées à l'article R.102, § 1er. Ils sont commissionnés et prêtent serment en conséquence.]1
Art. R105. [1 § 1. Om hun hoedanigheid te bewijzen, moeten de overeenkomstig deze afdeling aangestelde vaststellende beambten een legitimatiekaart bij zich hebben waarvan de gegevens ten minste in bijlage IX, deel 1, zijn vermeld.
§ 2. Bij de uitoefening van hun taak kunnen de overeenkomstig deze afdeling aangewezen vaststellende beambten onderscheidingstekens dragen. De Minister kan een lijst van deze onderscheidingstekens opstellen.
§ 1. De houder van een legitimatiekaart mag deze slechts in de uitoefening van zijn functie gebruiken. Hij kan deze spontaan overhandigen aan eenieder tot wie hij zich in de uitoefening van zijn ambt richt. Hij moet het op verzoek overleggen.
Het feit dat de legitimatiekaart niet door de houder wordt overgelegd, doet niet af aan de geldigheid van de door de houder genomen maatregelen.
§ 4. De legitimatiekaart wordt zo spoedig mogelijk aan de directeur-generaal van de Administratie of zijn afgevaardigde teruggegeven wanneer :
de kaart versleten is ;
één of meerdere gegevens gewijzigd zijn of indien de gelijkenis op de foto niet meer voldoende treffend is ;
de houder definitief zijn functie verlaat.
De reden voor het terugsturen van de kaart wordt vermeld in een brief die de kaart vergezelt en die vervolgens wordt vernietigd.
Wanneer de houder geschorst of uit zijn functie ontheven wordt, trekt de directeur-generaal van de Administratie of zijn afgevaardigde de legitimatiekaart tijdelijk in. De kaart wordt aan de houder teruggegeven zodra hij zijn werkzaamheden hervat.
Verlies, diefstal of vernietiging van de kaart moet onmiddellijk aan de directeur-generaal van de Administratie of zijn afgevaardigde worden gemeld.
Verlies en diefstal worden door de kaarthouder bij de politie aangegeven.
Indien de kaart na hernieuwing wordt teruggevonden, wordt zij onmiddellijk aan de directeur-generaal van de Administratie of zijn afgevaardigde teruggezonden, met vermelding van de reden van terugzending. De kaart wordt dan vernietigd.]1

Art. R105. [1 § 1er. Afin de justifier de leur qualité, les agents constatateurs désignés conformément à la présente section sont porteurs d'une carte de légitimation dont les informations minimales sont reprises dans l'annexe IX, partie 1.
§ 2. Dans l'exercice de leur fonction, les agents constatateurs désignés conformément à la présente section peuvent être porteurs de signes distinctifs. Le Ministre peut établir la liste de ces signes distinctifs.
§ 3. Le titulaire d'une carte de légitimation l'utilise uniquement dans l'exercice de ses fonctions. Il peut la présenter spontanément à toute personne à laquelle il s'adresse dans l'exercice de ses fonctions. Il la présente lorsqu'elle est sollicitée.
L'absence de présentation de la carte de légitimation par son titulaire ne remet pas en question la validité des mesures entreprises par son titulaire.
§ 4. La carte de légitimation est restituée au Directeur général de l'Administration ou à son délégué dans les meilleurs délais lorsque :
la carte est détériorée ;
une ou plusieurs données sont modifiées ou lorsque la photographie n'est plus suffisamment ressemblante ;
le titulaire quitte définitivement ses fonctions.
Le motif du renvoi de la carte est mentionné dans un courrier l'accompagnant, la carte est ensuite détruite.
Lorsque le titulaire est suspendu ou écarté de ses fonctions, le Directeur général de l'Administration ou son délégué lui retire temporairement la carte de légitimation. La carte est restituée au titulaire dès la reprise de ses fonctions.
La perte, le vol ou la destruction de la carte sont à signaler immédiatement au Directeur général de l'Administration ou à son délégué.
La perte et le vol font l'objet d'une plainte déposée dans un service de police par le titulaire de la carte.
Si la carte est retrouvée après son renouvellement, elle est renvoyée immédiatement au Directeur général de l'Administration ou à son délégué avec mention du motif du renvoi. La carte est ensuite détruite.]1

Afdeling 1/1. [1 - Provinciale vaststellende beambten]1
Section 1/1. [1 - Agents constateurs provinciaux]1
Art. R105 /1.. [1 § 1. De provincieraad kan provinciale vaststellende beambten aanwijzen die zijn belast met het toezicht en de controle op de naleving van de bepalingen bedoeld in titel V van deel II van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, en de bepalingen die op grond daarvan zijn vastgesteld, en met het onderzoek naar en de vaststelling van de overtredingen van de artikelen D.408 en R.83 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt.
Deze vaststellende beambten voldoen aan de volgende voorwaarden:
niet bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing veroordeeld zijn voor een misdrijf of een overtreding van eerste of tweede categorie in de zin van deel VIII van boek I van het Milieuwetboek;
beschikken over minstens:
a) een getuigschrift van het hoger middelbaar onderwijs;
b) een getuigschrift van het lager middelbaar onderwijs en een nuttige ervaring voor de uitoefening van de functie (vijf jaar) in dienst van een gemeente of een intercommunale;
de opleiding overeenkomstig § 2 met succes hebben voltooid.
De bevoegdheden van gerechtelijke politie kunnen slechts door beëdigde provinciale vaststellende beambten uitgeoefend worden. De beambten leggen de eed af voor de rechtbank van eerste aanleg van hun administratieve standplaats.
De hoofdgriffier maakt een afschrift van de machtiging en van de akte van eedaflegging over aan zijn collega's van de rechtbanken van eerste aanleg die bevoegd zijn voor het Waalse grondgebied.
§ 2. Alvorens zijn functie van vaststellende beambte op te nemen, volgt de provinciale vaststellende beambte de eerste sessie van de basisopleiding bedoeld in artikel R.124, § 1, aangevuld, in het jaar van zijn indiensttreding, met de opleiding bedoeld in artikel R.124, § 2.
Voor het volgen van de in lid 1 bedoelde opleiding wordt na het volledig doorlopen van de cursus een aanwezigheidscertificaat afgegeven waarop de exacte inhoud van de opleiding en het aantal gevolgde uren vermeld staan.
Elk jaar kan de provinciale vaststellende beambte die overeenkomstig artikel R.128 op de hoogte werd gebracht, verzoeken om deel te nemen aan de bijscholingscursus die overeenkomstig artikel R.127 wordt georganiseerd. Daartoe moet hij ten minste dertig dagen voor de dag van de opleiding een verzoek indienen bij de administratie.
§ 3. De provinciale vaststellende beambten oefenen hun bevoegdheden uit onder voorwaarden die hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid waarborgen. Zij beslissen zelfstandig en ontvangen geen andere instructies dan algemene instructies op dit gebied.
De Minister stelt de voorwaarden vast, waarbij de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de provinciale vaststellende beambten wordt gewaarborgd.]1

Art. R105 /1.. [1 § 1er. Le Conseil provincial peut désigner des agents constatateurs provinciaux qui seront chargés de surveiller et de contrôler le respect des dispositions visées au titre V de la partie II du livre II du Code de l'environnement constituant le Code de l'eau et aux dispositions prises en vertu de celui-ci, et de rechercher et constater les infractions aux articles D.408 et R.83 du Livre II du Code de l'Environnement constituant Code de l'Eau.
Ces agents constatateurs remplissent les conditions suivantes :
n'avoir subi aucune condamnation pénale du chef d'un crime à raison d'une décision de justice coulée en force de chose jugée, d'un délit ou d'une infraction de première ou deuxième catégorie au sens de la partie VIII du Livre Ier du Code de l'Environnement ;
disposer au moins, soit :
a) d'un certificat d'enseignement secondaire supérieur ;
b) d'un certificat d'enseignement secondaire inférieur et d'une expérience utile pour l'exercice de la fonction de cinq ans au service d'une province ou d'une intercommunale ;
avoir suivi avec succès la formation, conformément au § 2.
Les compétences de police judiciaire peuvent être exercées uniquement par des agents constatateurs provinciaux ayant prêté serment. Les agents prêtent serment devant le tribunal de première instance de leur résidence administrative.
Le greffier en chef communique à ses collègues des tribunaux de première instance compétents sur le territoire de la Région wallonne, copie de la commission et de l'acte de prestation de serment.
§ 2. Préalablement à son entrée en fonction en tant qu'agent constatateur, l'agent constatateur provincial suit la première session de la formation de base prévue à l'article R.124, § 1er, et complétée, dans l'année de son entrée en fonction, de la formation, visée à l'article R.124, § 2.
La participation à la session de formation, visée à l'alinéa 1er, donne lieu à la délivrance, lorsque celle-ci a été intégralement suivie, d'une attestation de suivi, laquelle mentionne le contenu précis de la formation et le nombre d'heures suivies.
Chaque année, l'agent constatateur provincial informé conformément à l'article R.128, peut solliciter sa participation à la session de recyclage organisée conformément à l'article R.127. A cet effet, il en formule la demande à l'Administration au moins trente jours avant le jour de la tenue de la formation.
§ 3. Les agents constatateurs provinciaux exercent leurs pouvoirs dans des conditions garantissant leur indépendance et leur impartialité. Ils décident en toute autonomie et ne reçoivent d'instructions autres que générales à cet égard.
Le Ministre fixe les conditions permettant d'assurer l'indépendance et l'impartialité des agents constatateurs provinciaux.]1

Art. R105 /2. [1 § 1. Om hun status te bewijzen, dragen de overeenkomstig deze afdeling aangewezen vaststellende beambten een legitimatiekaart bij zich, waarvan de minimale gegevens in bijlage IX, deel 1/1, zijn vermeld.
§ 2. Bij het uitoefenen van hun taken kunnen de overeenkomstig deze afdeling aangewezen vaststellende beambten onderscheidingstekens dragen. De Minister en de Minister die verantwoordelijk is voor de Plaatselijke Besturen kunnen een lijst van onderscheidende tekens opstellen.
§ 3. De houders van een legitimatiekaart mogen de kaart enkel in de uitoefening van hun ambt gebruiken. Ze moeten de kaart op eenvoudig verzoek en desnoods spontaan aan iedere persoon vertonen tot wie ze zich wenden in de uitoefening van hun ambt. Ze presenteren het op verzoek.
Als de houder de legitimatiekaart niet kan overleggen, wordt de geldigheid van de door de houder genomen maatregelen niet in twijfel getrokken.
§ 4. De legitimatiekaart wordt zo snel mogelijk teruggestuurd naar de bevoegde instantie van de provincie wanneer :
de kaart versleten is ;
één of meerdere gegevens gewijzigd zijn of indien de gelijkenis op de foto niet meer voldoende treffend is ;
de houder definitief zijn functie neerlegt.
De reden voor het terugsturen van de kaart wordt vermeld en vervolgens wordt de kaart onbruikbaar gemaakt.
Als de houder wordt geschorst of uit zijn functie wordt ontheven, trekt de bevoegde instantie van de provincie of haar gedelegeerde de legitimatiekaart tijdelijk in. De kaart wordt aan de houder teruggegeven zodra deze weer in zijn ambt treedt.
Verlies, diefstal of vernietiging van de kaart moeten onmiddellijk aan de bevoegde instantie van de provincie of haar afgevaardigde medegedeeld worden.
In geval van verlies of diefstal moet de kaarthouder aangifte doen bij de politie.
Als de kaart na verlenging wordt teruggevonden, wordt ze onmiddellijk teruggestuurd naar de bevoegde instantie van de provincie of haar afgevaardigde, met vermelding van de reden voor de terugzending. De kaart wordt dan vernietigd.
Art. R.105/3. § 1. Het besluit van provincieraad over de benoeming van een provinciale vaststellende beambte overeenkomstig artikel D.146, § 6, wordt naar de Administratie gestuurd met behulp van het formulier in bijlage X. Een kopie van de afgelegde eed is bijgevoegd.
De beëindiging van de functie van de in lid 1 bedoelde provinciale vaststellende beambte wordt onverwijld ter kennis van de Administratie gebracht met gebruikmaking van het formulier in bijlage X.
§ 2. De in het paragraaf 1 bedoelde stukken worden toegezonden in een van de in artikel D.141, § 2, derde lid, bedoelde vormen.]1

Art. R105 /2. [1 § 1er. Afin de justifier de leur qualité, les agents constatateurs désignés conformément à la présente section sont porteurs d'une carte de légitimation dont les informations minimales sont reprises dans l'annexe IX, partie 1/1.
§ 2. Dans l'exercice de leur fonction, les agents constatateurs désignés conformément à la présente section peuvent être porteurs de signes distinctifs. Le Ministre et le Ministre qui a les pouvoirs locaux dans ses attributions peuvent établir la liste des signes distinctifs peut établir la liste de ces signes distinctifs.
§ 3. Le titulaire d'une carte de légitimation l'utilise uniquement dans l'exercice de ses fonctions. Il peut la présenter spontanément à toute personne à laquelle il s'adresse dans l'exercice de ses fonctions. Il la présente lorsqu'elle est sollicitée.
L'absence de présentation de la carte de légitimation par son titulaire ne remet pas en question la validité des mesures entreprises par son titulaire.
§ 4. La carte de légitimation est restituée à l'organe compétent de la Province dans les meilleurs délais lorsque :
la carte est détériorée ;
une ou plusieurs données sont modifiées ou lorsque la photographie n'est plus suffisamment ressemblante ;
le titulaire quitte définitivement ses fonctions.
Le motif du renvoi de la carte est mentionné dans un courrier l'accompagnant, la carte est ensuite détruite.
Lorsque le titulaire est suspendu ou écarté de ses fonctions, l'organe compétent de la Province ou son délégué lui retire temporairement la carte de légitimation. La carte est restituée au titulaire dès la reprise de ses fonctions.
La perte, le vol ou la destruction de la carte sont à signaler immédiatement l'organe compétent de la Province ou son délégué.
La perte et le vol font l'objet d'une plainte déposée dans un service de police par le titulaire de la carte.
Si la carte est retrouvée après son renouvellement, elle est renvoyée immédiatement à l'organe compétent de la Province ou à son délégué avec mention du motif du renvoi. La carte est ensuite détruite.
Art. R.105/3. § 1er. La décision du Conseil provincial portant sur la désignation d'un agent constatateur provincial conformément à l'article D.146, § 6, est transmise à l'Administration au moyen du formulaire repris en annexe X. Une copie de la prestation de serment est jointe à l'envoi.
La fin de fonction de l'agent constatateur provincial, visé à l'alinéa 1er, est, sans délai, notifiée à l'Administration au moyen du formulaire repris en annexe X.
§ 2. Les documents repris au paragraphe 1er sont envoyés sous l'une des formes, visées à l'article D.141, § 2, alinéa 3.]1

Afdeling 3. Afdeling 2.[1 - Gemeentelijke vaststellende beambten.]1
Section 3. Section 2.[1 - Agents constatateurs communaux.]1
Art. R106. [1 § 1. De beslissing van de gemeenteraad om overeenkomstig artikel D.149 een vaststellende beambte aan te wijzen, wordt aan de Administratie toegezonden met gebruikmaking van het formulier in bijlage X. Een kopie van de eed is bijgevoegd.
De beëindiging van de functie van de in lid 1 bedoelde vaststellende beambte wordt onverwijld ter kennis van de Administratie gebracht met gebruikmaking van het formulier in bijlage X.
§ 2. De in de eerste paragraaf bedoelde stukken worden toegezonden in een van de in artikel D.141, § 2, derde lid, bedoelde vormen.]1

Art. R106. [1 § 1er. La décision du Conseil communal portant sur la désignation d'un agent constatateur conformément à l'article D.149 est transmise à l'Administration au moyen du formulaire repris en annexe X. Une copie de la prestation de serment est jointe à l'envoi.
La fin de fonction de l'agent constatateur, visé à l'alinéa 1er, est, sans délai, notifiée à l'Administration au moyen du formulaire repris en annexe X.
§ 2. Les documents repris au paragraphe 1er sont envoyés sous l'une des formes, visées à l'article D.141, § 2, alinéa 3.]1

Art. R107. [1 § 1. De Regering kan, binnen de grenzen van de beschikbare kredieten, een subsidie van ten hoogste 8.000 euro toekennen voor de aanwerving of de verdere aanwerving van een vaststellende beambte bedoeld in artikel D.151.
Indien de beschikbare begrotingskredieten de subsidiëring van het maximale forfaitaire bedrag van één vaststellende beambte voor alle gemeenten die daarom verzoeken, niet toelaten, wordt het bedrag van de in lid 1 bedoelde subsidie naar evenredigheid verlaagd om alle gemeenten die om deze subsidie hebben verzocht, in staat te stellen ervan te profiteren.
In afwijking van het eerste lid kan de Minister, binnen de grenzen van de beschikbare begrotingskredieten, een subsidie verlenen voor de volledige kostprijs van de aanwerving van een vaststellende beambte wanneer, wegens het gebruik van talen, de toepassing van deel VIII van boek I van het Milieuwetboek niet uitsluitend door regionale vaststellende beambten kan worden verzekerd.
§ 2. De toekenning van de subsidie is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
de gemeente of de vereniging van gemeenten neemt binnen zes maanden na de beslissing tot toekenning van de subsidie de vaststellende beambte in dienst of verklaart dat de vaststellende beambte in dienst zal blijven;
de gemeente beschikt over een plan ter bestrijding van milieucriminaliteit of een lokaal plan voor openbare netheid waarin de prioriteiten en de methodologie zijn opgenomen, alsook een beschrijving van de prioritaire opdrachten van de vaststellende beambte voor wie zij de subsidie aanvraagt, en voegt dit plan bij haar aanvraag;
de gemeente voert ten minste twee sensibiliseringscampagnes voor het milieu uit tijdens het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;
de gemeente is ondertekenaar van het samenwerkingsprotocol bedoeld in artikel D.143, § 2 ;
de gesubsidieerde vaststellende beambte oefent zijn functie daadwerkelijk voltijds uit. Zo nodig kan de subsidie worden toegekend indien twee vaststellende beambten hun taken halftijds verrichten, op voorwaarde dat de verrichte taken daadwerkelijk voltijdse arbeid vormen;
de gesubsidieerde vaststellende beambte moet ten minste acht dagen per volle maand veldonderzoek verrichten, ongeacht de vakantieperiodes.
§ 3. De subsidieaanvraag voor de aanwerving of de verdere aanwerving van een of meer vaststellende beambten wordt door het gemeentebestuur of de vereniging van gemeenten gericht aan de directeur-generaal van de Administratie.
Het aanvraagdossier bevat:
een afschrift van de beraadslagging van de gemeenteraad van de betrokken gemeente of vereniging van gemeenten om een of meer vaststellende beambten in dienst te nemen;
een kopie van het diploma bedoeld in artikel D.149, § 1, tweede lid, 2° en van het document waaruit blijkt dat de opleiding bedoeld in artikel D.149, § 1, tweede lid, 3° is voltooid voor de vaststellende beambte voor wie de subsidie wordt aangevraagd;
elk document dat bewijst dat aan de in paragraaf 2 bedoelde voorwaarden is voldaan.
§ 4. De subsidie wordt aan het einde van het voorafgaande kalenderjaar uitbetaald naar rato van de gepresteerde maanden, met een maximum van twaalf prestatiemaanden.
Een maand wordt geacht te zijn gepresteerd zodra het gesubsidieerde personeelslid ten minste één dag in die maand heeft gewerkt.
Indien tijdens de door de subsidie gedekte periode de prestaties van de vaststellende beambte voor wie de subsidie wordt aangevraagd, om welke reden dan ook, worden onderbroken, wordt het bedrag van de subsidie berekend pro rata van de maanden die overeenkomstig lid 2 werkelijk geacht worden te zijn gepresteerd.
Om voor de betaling van de subsidie in aanmerking te komen, moet de gemeente of de vereniging van gemeenten de volgende documenten overleggen
een schuldvorderingsverklaring vergezeld van een bewijs van de loonkosten van de vaststellende beambte ;
een bewijs van tewerkstelling met vermelding van het arbeidsregime, de begindatum en eventueel de einddatum van de tewerkstelling van de vaststellende beambte;
een activiteitenverslag met :
a) details van de door de vaststellende beambte uitgevoerde opdrachten ;
b) het aantal uitgevoerde controlecampagnes, de beschrijving ervan met een tijdschema van de prestaties en de verantwoording van de naleving van paragraaf 3, 5° ;
c) het aantal gegeven waarschuwingen ;
d) het aantal opgestelde processen-verbaal;
e) de aangelegenheden en de wetgeving waarop de waarschuwingen en processen-verbaal betrekking hebben;
f) een beschrijving van de door de gemeente of vereniging van gemeenten georganiseerde sensibiliseringsactiviteiten op milieugebied;
g) alle andere door de gemeente of vereniging van gemeenten relevant geachte informatie.
Het gemeentecollege of de vereniging van gemeente richt de aanvraag tot uitbetaling van de subsidie per aangetekend schrijven samen met de stukken bedoeld in het vierde lid aan de Directeur generaal van de Administratie uiterlijk 1 maart van het jaar volgend op het voor subsidie in aanmerking komende kalenderjaar. Elk verzoek om betaling dat na 1 maart wordt verzonden, wordt als nietig beschouwd.
§ 5. Het bedrag van de subsidie bedoeld in paragraaf 1 kan worden verhoogd met een forfaitair bedrag van 2.000 euro indien de gemeente het bewijs levert dat zij ook beschikt over een milieuadviseur bedoeld in artikel D.5-1, een referentiepersoon dierenwelzijn bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 3 september 2020 tot vaststelling van een steunregeling voor gemeenten in het kader van het dierenwelzijn en over een gemeentelijke of provinciale sanctionerende ambtenaar.
§ 6. Met het oog op de controle van de subsidie kan de Administratie de gemeente verzoeken om overlegging van elk document dat nuttig is om de realiteit van de door de vaststellende beambte verleende prestaties na te gaan en om kruiscontroles van de informatie mogelijk te maken. De gemeente beschikt over een termijn van één maand vanaf de ontvangst van de aanvraag van de administratie om de gevraagde documenten te verstrekken. Indien de documenten niet binnen deze termijn worden verstrekt, zal de subsidieaanvraag als nietig worden beschouwd.]1

Art. R107. [1 § 1er. Le Gouvernement peut octroyer une subvention d'un montant maximum de 8.000 euros pour l'engagement ou le maintien de l'engagement d'un agent constateur, visé à l'article D.151, et, ce dans les limites des crédits disponibles.
Si les crédits budgétaires disponibles ne permettent pas le subventionnement au forfait maximum d'un agent constatateur pour toutes les communes qui en font la demande, le montant de la subvention, visé à l'alinéa 1er, est réduit de façon proportionnelle en vue de permettre à toutes les communes ayant sollicité ladite subvention de pouvoir en bénéficier.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le Ministre peut, dans la limite des crédits budgétaires disponibles, octroyer une subvention visant à couvrir la totalité du coût d'engagement d'un agent constatateur lorsque, en raison de l'emploi des langues, l'application de la Partie VIII du Livre Ier du Code de l'Environnement ne peut pas être exclusivement assurée par les agents constatateurs régionaux.
§ 2. L'octroi de la subvention est subordonné aux conditions suivantes :
la commune ou l'association de communes procède à l'engagement de l'agent constatateur dans les six mois de la décision d'octroi de la subvention ou déclare le maintien de l'agent constatateur en fonction ;
la commune dispose et joint à sa demande un plan de lutte contre la délinquance environnementale ou un plan local de propreté publique fixant les priorités et la méthodologie ainsi qu'un descriptif des missions prioritaires de l'agent constateur pour lequel elle sollicite la subvention ;
la commune procède au minimum à deux campagnes de sensibilisation à l'environnement dans le courant de l'année pour laquelle la subvention est demandée ;
la commune est signataire du protocole de collaboration, visé à l'article D.143, § 2 ;
l'agent constatateur communal subventionné exerce réellement sa fonction à temps plein. Le cas échéant la subvention peut être accordée si deux agents constateurs exercent leurs missions à mi-temps pour autant que les missions exercées constituent effectivement un temps plein ;
l'agent constatateur communal subventionné réalise au minimum huit jours de contrôle de terrain par mois complet presté indépendamment des périodes de congés.
§ 3. La demande de subvention pour l'engagement ou le maintien de l'engagement d'un ou plusieurs agents constatateurs est envoyée par le collège communal ou par l'association de communes au Directeur général de l'Administration.
Le dossier de demande contient :
une copie de la délibération du conseil communal de la commune ou de l'association de communes concernée décidant de l'engagement d'un, ou plusieurs, agents constatateurs ;
une copie du diplôme, visé à l'article D.149, § 1er, alinéa 2, 2°, et du document attestant du suivi de la formation, visée à l'article D.149, § 1er, alinéa 2, 3°, pour l'agent constatateur pour lequel la subvention est sollicitée ;
tout document permettant de justifier le respect des conditions visées au paragraphe 2.
§ 4. La liquidation de la subvention est effectuée au terme de l'année civile écoulée, au prorata des mois prestés, avec un maximum de douze mois de prestation.
Un mois est considéré comme presté dès que l'agent subventionné a presté un jour au moins au cours de ce mois.
Si durant la période couverte par la subvention, les prestations de l'agent constatateur pour lequel la subvention est demandée, sont interrompues, et ce quelle qu'en soit la cause, le montant de la subvention est calculé au prorata des mois réellement considérés comme prestés au regard de l'alinéa 2.
Pour bénéficier de la liquidation de la subvention la commune ou l'association de communes communique les documents suivants :
une déclaration de créance accompagnée du justificatif de la charge salariale de l'agent constatateur ;
une attestation d'emploi mentionnant le régime de travail, la date de début et éventuellement la date de fin d'occupation de l'agent constatateur ;
un rapport d'activités comprenant :
a) le détail des missions effectuées par l'agent constatateur ;
b) le nombre de campagnes de contrôles réalisées, leur description avec un calendrier des prestations réalisées et justifiant le respect du paragraphe 3, 5° ;
c) le nombre d'avertissements adressés ;
d) le nombre de procès-verbaux dressés ;
e) les matières et les législations auxquelles les avertissements et les procès-verbaux se rapportent ;
f) un descriptif des activités de sensibilisation à la protection de l'environnement organisées par la commune ou l'association de communes ;
g) toute autre information jugée pertinente par la commune ou l'association de communes.
Le collège communal ou l'association de communes envoie par courrier recommandé la demande de liquidation de la subvention, accompagnée des documents, visés à l'alinéa 4, au Directeur général de l'Administration au plus tard le 1er mars qui suit l'année civile pour laquelle la subvention a été octroyée. Toute demande de liquidation envoyée après le 1er mars est considérée comme nulle et non avenue.
§ 5. Le montant de la subvention, visée au paragraphe 1er, peut être augmentée d'un montant forfaitaire de 2.000 euros dans le cas où la commune apporte la preuve qu'elle dispose également d'un conseiller en environnement, visé à l'article D.5-1, d'un référent en bien-être animal visé par l'arrêté du Gouvernement wallon du 3 septembre 2020 établissant un régime d'aide aux communes dans le cadre du bien-être animal et d'un fonctionnaire sanctionnateur communal ou provincial.
§ 6. En vue du contrôle de la subvention, l'Administration peut demander à la commune la production de tout document utile à la vérification de la réalité des prestations de l'agent constatateur subventionné et permettant de croiser les informations. La commune dispose d'un délai d'un mois à partir de la réception de la demande de l'Administration pour communiquer les documents sollicités. A défaut de la communication des documents dans le délai, la demande de subvention sera considérée comme nulle et non avenue.]1

Art. R108. [1 § 1. Om hun hoedanigheid te bewijzen, moeten de overeenkomstig deze afdeling aangewezen vaststellende beambten een legitimatiekaart bij zich hebben waarop de in bijlage IX, deel 2, vermelde minimuminformatie staat.
§ 2. Bij de uitoefening van hun taken kunnen de overeenkomstig deze afdeling aangewezen vaststellende beambten onderscheidingstekens dragen. De Minister en de Minister bevoegd voor de plaatselijke besturen kunnen een lijst van onderscheidingstekens opstellen.
§ 3. De houder van een kaart mag deze slechts in de uitoefening van zijn functie gebruiken. Hij kan de kaart spontaan aan iedere persoon vertonen tot wie hij zich wendt in de uitoefening van zijn ambt. Hij legt ze voor wanneer hem daarom wordt verzocht.
Het feit dat de legitimatiekaart niet door de houder wordt overgelegd, doet niet af aan de geldigheid van de door de houder ondernomen acties.
§ 4. De identificatiekaart wordt zo spoedig mogelijk aan de burgemeester van de gemeente in kwestie terugbezorgd indien:
de kaart versleten is;
één of meerdere gegevens gewijzigd zijn of indien de gelijkenis op de foto niet meer voldoende treffend is ;
de houder zijn ambt definitief neerlegt.
De reden voor de teruggave van de kaart wordt vermeld in een brief die de kaart vergezelt en die vervolgens wordt vernietigd.
Wanneer de houder geschorst of uit zijn ambt ontzet is, trekt de burgemeester van de betrokken gemeente of zijn afgevaardigde hem tijdelijk de legitimatiekaart in. De kaart wordt aan de houder teruggegeven zodra deze weer in zijn ambt treedt.
Verlies, diefstal of vernieling van de kaart moet onmiddellijk aan de burgemeester van de betrokken gemeente of zijn afgevaardigde worden gemeld.
Verlies en diefstal zijn het onderwerp van een klacht die door de kaarthouder bij een politiedienst wordt ingediend.
Indien de kaart wordt teruggevonden nadat zij is vernieuwd, wordt zij onmiddellijk teruggezonden aan de burgemeester van de betrokken gemeente of aan diens gemachtigde, met vermelding van de reden van terugzending. De kaart wordt dan vernietigd.]1

Art. R108. [1 § 1er. Afin de justifier de leur qualité, les agents constatateurs désignés conformément à la présente section sont porteurs d'une carte de légitimation dont les informations minimales sont reprises à l'annexe IX, partie 2.
§ 2. Dans l'exercice de leur fonction, les agents constatateurs désignés conformément à la présente section peuvent être porteurs de signes distinctifs. Le Ministre et le Ministre qui a les pouvoirs locaux dans ses attributions peuvent établir la liste des signes distinctifs.
§ 3. Le titulaire d'une carte l'utilise uniquement dans l'exercice de ses fonctions. Il peut la présenter spontanément à toute personne à laquelle il s'adresse dans l'exercice de ses fonctions. Il la présente lorsqu'elle est sollicitée.
L'absence de présentation de la carte de légitimation par son titulaire ne remet pas en question la validité des mesures entreprises par son titulaire.
§ 4. La carte d'identification est restituée au bourgmestre de la commune visée dans les meilleurs délais lorsque :
la carte est détériorée ;
une ou plusieurs données sont modifiées ou lorsque la photographie n'est plus suffisamment ressemblante ;
le titulaire quitte définitivement ses fonctions.
Le motif du renvoi de la carte est mentionné dans un courrier l'accompagnant, la carte est ensuite détruite.
Lorsque le titulaire est suspendu ou écarté de ses fonctions, le bourgmestre de la commune visée ou son délégué lui retire temporairement la carte de légitimation. La carte est restituée au titulaire dès la reprise de ses fonctions.
La perte, le vol ou la destruction de la carte sont à signaler immédiatement au bourgmestre de la commune visée ou son délégué.
La perte et le vol font l'objet d'une plainte déposée dans un service de police par le titulaire de la carte.
Si la carte est retrouvée après son renouvellement, elle est renvoyée immédiatement au bourgmestre de la commune visée ou à son délégué avec mention du motif du renvoi. La carte est ensuite détruite.]1

HOOFDSTUK IV.
CHAPITRE IV.
Afdeling 3. [1 - Vaststellende beambten van de instellingen van openbaar nut en van de intercommunales.]1
Section 3. [1 - Agents constatateurs des organismes d'intérêt public et des intercommunales.]1
Art. R109. [1 § 1. Wanneer een instelling van openbaar nut of een intercommunale overweegt een van haar gemachtigden aan te wijzen als vaststellende beambten in de zin van artikel D.152, dient zij bij de Minister een verzoek in bij aangetekend schrijven.
Dit verzoek bevat:
de naam of firmanaam van de instelling van openbaar nut of van de intercommunale, de rechtsvorm ervan, het adres van de zetel en de naam, voornaam, adres en hoedanigheid van de persoon van wie de benoeming wordt overwogen;
de identificatie van het maatschappelijk doel van de instelling van openbaar nut of intercommunale;
elk element dat toelaat om vast te stellen dat het maatschappelijk doel bedoeld in 2° verenigbaar is met opdrachten van controle, onderzoek naar inbreuken en vaststelling van deze inbreuken op het gebied van het milieu of het dierenwelzijn;
het bewijs dat de bedoelde beambte geen strafrechtelijke veroordeling voor een misdaad, wanmisdrijf of overtreding van de eerste of tweede categorie heeft opgelopen;
het bewijs dat de betrokken beambte houder is van een diploma van hoger middelbaar onderwijs of van lager middelbaar onderwijs en vijf jaar ervaring heeft in de dienst van de administratie, van een gemeente of van een intercommunale;
de omvang van de voor de betrokken beambte aangevraagde materiële en territoriale bevoegdheid, alsmede elk element dat dit verzoek kan rechtvaardigen;
de verbintenis van de betrokken beambte om de opleidingen te volgen waarin dit deel voorziet;
een verzoek en een motivering om de ambtenaar bevoegd te maken voor andere wetgeving dan die bedoeld in artikel R.111.
§ 2. De Minister neemt zijn beslissing binnen de negentig dagen na ontvangst van de aanvraag. De beslissing wordt ter kennis gebracht van de instelling van openbaar nut of de intercommunale, met een afschrift voor de Administratie.
In geval van een gunstige beslissing als bedoeld in het eerste lid en voor zover hij niet is vrijgesteld omdat hij reeds eerder een dergelijke opleiding heeft gevolgd, volgt de beambte op wie het overeenkomstig lid 1 ingediende verzoek betrekking heeft, de in artikel R.129 bedoelde opleidingen. Na afloop van de opleidingen, wanneer deze met succes zijn afgerond, zendt de instelling van openbaar nut of de intercommunale de Minister een afschrift van het in dit kader afgegeven certificaat van voltooiing.
Binnen twintig dagen na ontvangst van het attest bedoeld in het tweede lid bevestigt de Minister de aanwijzing van de beambte als vaststellende beambte overeenkomstig artikel D.152. Naast de uitdrukkelijke aanwijzing worden in de beslissing de voorwaarden voor interventie overeenkomstig de artikelen R.111 en R.112 vastgesteld.]1

Art. R109. [1 § 1er. Lorsqu'un organisme d'intérêt public ou une intercommunale envisage la désignation d'un de ses agents en qualité d'agents constatateurs conformément à l'article D.152, il en introduit une demande, par courrier recommandé, auprès du Ministre.
Cette demande contient :
la dénomination ou la raison sociale de l'organisme d'intérêt public ou de l'intercommunale, sa forme juridique, l'adresse du siège social ainsi que les nom, prénom, adresse et qualité de la personne dont la désignation est envisagée ;
l'identification de l'objet social de l'organisme d'intérêt public ou de l'intercommunale ;
tout élément permettant d'établir que l'objet social, visé au 2°, est compatible avec des missions de contrôle, de recherche des infractions et de constatation de celles-ci dans le domaine de l'environnement ou du bien-être animal ;
la preuve que l'agent visé n'a subi aucune condamnation pénale du chef d'un crime, d'un délit ou d'une infraction de première ou de deuxième catégorie ;
la preuve que l'agent visé est porteur d'un certificat d'enseignement secondaire supérieur ou d'un certificat d'enseignement secondaire inférieur et d'une expérience utile pour l'exercice de la fonction de cinq ans au service de l'Administration, d'une commune ou d'une intercommunale ;
l'étendue de la compétence matérielle et territoriale sollicitée pour l'agent visé, ainsi que tout élément permettant de justifier cette demande ;
un engagement dans le chef de l'agent visé à suivre les formations prévues en vertu de la présente partie ;
une demande et un justificatif pour que l'agent soit rendu compétent pour d'autres législations que celles visées à l'article R.111.
§ 2. Le Ministre prend sa décision dans les nonante jours de la réception de la demande. La décision est notifiée à l'organisme d'intérêt public ou à l'intercommunale, une copie est réservée pour l'Administration.
Lorsque la décision, visée à l'alinéa 1er, est favorable, et pour autant qu'il n'en soit pas dispensé en raison du fait qu'il aurait déjà suivi précédemment ce type de formations, l'agent visé par la demande introduite conformément au paragraphe 1er suit les formations fixées à l'article R.129. A l'issue des formations, lorsqu'elles ont été suivies avec succès, l'organisme d'intérêt public ou l'intercommunale transmet au Ministre copie de l'attestation de réussite délivrée dans ce cadre.
Dans les vingt jours de la réception de l'attestation, visée à l'alinéa 2, le Ministre confirme la désignation de l'agent en qualité d'agent constatateur conformément à l'article D.152. Outre la désignation expresse, la décision fixe les conditions d'intervention conformément aux articles R.111 et R.112.]1

Art. R110. [1 De Koninklijke Schenking volgt de procedure bedoeld in artikel R.109 om de benoeming van de vaststellende beambten voor te stellen.]1
Art. R110. [1 La donation royale respecte la procédure, visée à l'article R.109, en vue de proposer la désignation d'agents constatateurs.]1
Art. R111. [1 § 1. In de aanwijzingsbeslissing, bedoeld in artikel R.109, bepaalt de Minister de omvang van de bevoegdheden van de aangewezen vaststellende beambte. Daartoe kan hij hem de bevoegdheid verlenen om toezicht te houden op en controle uit te oefenen op de naleving van sommige of alle bepalingen van de volgende wetten en decreten, alsmede van de uitvoeringsbesluiten daarvan, en om schendingen van deze bepalingen te onderzoeken en vast te stellen:
de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging;
de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder;
het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen;
het Milieuwetboek, met inbegrip van Boek I en van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt;
het Waalse Dierenwelzijnwetboek met uitzondering van hoofdstuk VIII ervan;
het decreet van 1 maart 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering;
het decreet van 17 januari 2019 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging gebonden aan het verkeer van de voertuigen;
het decreet van 31 januari 2019 betreffende de kwaliteit van de binnenlucht.
Op uitdrukkelijk verzoek van de instelling aan de Minister, en wanneer het maatschappelijk doel van de instelling van openbaar nut of de intercommunale dit rechtvaardigt, kan de Minister van Leefmilieu de beambte bevoegd verklaren voor andere wetgeving, vermeld in artikel D.138 en niet bedoeld in het eerste lid. Hij kan nooit de bevoegdheid verlenen voor de jachtwet van 28 februari 1882 en voor het bosbouwwetboek.
§ 2. Onverminderd § 1 bepaalt de Minister in zijn aanwijzingsbeslissing de territoriale reikwijdte van de bevoegdheid van de overeenkomstig de in deze paragraaf vastgelegde regels aangewezen vaststellende beambte.
Wanneer de instelling van openbaar belang in het kader van haar in haar maatschappelijk doel omschreven activiteiten binnen één gemeente optreedt, is de territoriale reikwijdte van de aangewezen vaststellende beambte beperkt tot uitsluitend deze gemeente. Wanneer de interventie plaatsvindt op het grondgebied van verschillende gemeenten binnen dezelfde provincie, is de territoriale reikwijdte van de aangewezen vaststellende beambte beperkt tot de gehele provincie. Wanneer de interventie plaatsvindt binnen verschillende gemeenten uit verschillende provincies, is de territoriale reikwijdte van de aangewezen vaststellende beambte het hele grondgebied van het Waalse Gewest.
De territoriale reikwijdte van een vaststellende beambte van een intercommunale is beperkt tot het grondgebied van de gemeenten van deze intercommunale.]1

Art. R111. [1 § 1er. Dans la décision de désignation, visée à l'article R.109, le Ministre détermine l'étendue des compétences de l'agent constatateur désigné. A cette fin, il peut le rendre compétent afin de surveiller et contrôler le respect d'une partie ou de toutes les dispositions des lois et décrets suivants, ainsi que leurs arrêtés d'exécution, et de rechercher et de constater les infractions à ces dispositions :
la loi du 28 décembre 1964 relative à la lutte contre la pollution atmosphérique ;
la loi du 18 juillet 1973 relative à la lutte contre le bruit ;
le décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets ;
le Code de l'Environnement, en ce compris le Livre Ier et le Livre II du Code de l'Environnement contenant le Code de l'Eau ;
le Code wallon du Bien-être des animaux à l'exception de son chapitre VIII ;
le décret du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols ;
le décret du 17 janvier 2019 relatif à la lutte contre la pollution atmosphérique liée à la circulation des véhicules ;
le décret du 31 janvier 2019 relatif à la qualité de l'air intérieur.
Sur demande expresse formulée par l'organisme au Ministre, et lorsque l'objet social de l'organisme d'intérêt public ou de l'intercommunale le justifie, le Ministre de l'Environnement peut rendre l'agent compétent pour d'autres législations reprises à l'article D.138 et qui ne sont pas visées à l'alinéa 1er. Il ne peut jamais accorder une compétence pour la loi du 28 février 1882 sur la chasse et pour le Code forestier.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, le Ministre détermine dans sa décision de désignation, l'étendue territoriale des compétences de l'agent constatateur désigné selon les règles fixées au présent paragraphe.
Lorsque l'organisme d'intérêt public intervient dans le cadre de ses activités décrites dans son objet social au sein d'une seule commune, l'étendue territoriale de l'agent constatateur désigné est limitée à cette seule commune. Lorsque l'intervention a lieu sur le territoire de plusieurs communes au sein de la même province, l'étendue territoriale de l'agent constatateur désigné est limitée à l'ensemble de la province. Lorsque l'intervention a lieu au sein de plusieurs communes issues de plusieurs provinces, l'étendue territoriale de l'agent constatateur désigné est l'ensemble du territoire de la Région wallonne.
L'étendue territoriale d'un agent constatateur issu d'une Intercommunale est limité au seul territoire des communes de cette intercommunale.]1

Art. R112. [1 De in artikel D.152 bedoelde instelling van openbaar nut stelt de overeenkomstig artikel D.152 aangewezen vaststellende beambte in de gelegenheid zijn standpunt kenbaar te maken voordat een beslissing tot beëindiging van zijn functie wordt genomen.
De beëindiging van de functie van de overeenkomstig artikel D.152 aangewezen vaststellende beambte wordt onverwijld ter kennis van de Administratie gebracht met gebruikmaking van het formulier in bijlage X.
Het in het tweede lid bedoelde stuk wordt toegezonden in een van de in artikel D.141, § 2, derde lid, bedoelde vormen.]1

Art. R112. [1 L'organisme d'intérêt public, visé à l'article D.152, donne la possibilité à l'agent constateur désigné en vertu de l'article D.152 de faire valoir son point de vue préalablement à toute décision de fin de fonction.
La fin de fonction de l'agent constatateur désigné conformément à l'article D.152 est notifiée, sans délai, à l'Administration au moyen du formulaire repris en annexe X.
Le document, visé à l'alinéa 2, est envoyé sous l'une des formes, visées à l'article D.141, § 2, alinéa 3.]1

Art. R112 bis.
Art. R112 bis.
Art. R113. [1 § 1. De Regering kan een subsidie verlenen voor de indienstneming of het behoud van de indienstneming van een beambte als bedoeld in artikel D.152. Deze subsidie kan slechts worden toegekend aan één vaststellende beambte, aangeworven op basis van een voltijds equivalent, per intercommunale of per instelling van openbaar nut.
§ 2. Binnen de perken van de beschikbare kredieten wordt het bedrag van de jaarlijkse subsidie forfaitair op maximum 5000 euro per jaar en per beambte vastgelegd.
Indien de beschikbare begrotingskredieten de subsidiëring van het maximumaantal vaststellende beambten voor alle intercommunales en instellingen van openbaar nut die erom verzoeken, niet toelaten, wordt het bedrag van de subsidie proportioneel verminderd om alle intercommunales en instellingen van openbaar nut die om de subsidie verzoeken, in staat te stellen ervan te profiteren.
§ 3. De toekenning van de subsidie is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
de intercommunale of de instelling van openbaar nut werft een beambte aan binnen zes maanden na de beslissing tot toekenning van de subsidie of verklaart dat de beambte binnen diezelfde termijn in dienst zal blijven;
de intercommunale of de instelling van openbaar nut voegt bij de subsidieaanvraag een plan voor de preventie en de opsporing van strafbare feiten die onder de bevoegdheid van de vaststellende beambte vallen, zoals bepaald in artikel D.152. Dit plan bevat de prioriteiten en de methodologie, alsmede een beschrijving van de prioritaire taken van de vaststellende beambte waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;
de vaststellende beambte oefent zijn functie daadwerkelijk op voltijdse basis uit;
de vaststellende beambte voert minstens acht dagen terreininspecties uit per volledige gewerkte maand.
§ 4. De aanvraag voor een subsidie voor de indienstneming of het behoud van de indienstneming van een beambte wordt door de intercommunale of de instelling van openbaar nut gericht aan de directeur-generaal van de Administratie.
Het aanvraagdossier bevat:
een afschrift van de beraadslaging van de intercommunale of de instelling van openbaar nut die beslist over de indienstneming van een voltijdse beambte;
een afschrift van het diploma bedoeld in artikel D.152, § 1, tweede lid, 2° en van het document waaruit blijkt dat de opleiding bedoeld in artikel D.152, § 1, tweede lid, 3°, werd voltooid;
elk document dat bewijst dat aan de in paragraaf 2 bedoelde voorwaarden is voldaan.
§ 5. De subsidie wordt uitbetaald aan het einde van het voorafgaande kalenderjaar, naar rato van de gepresteerde maanden, met een maximum van twaalf dienstmaanden.
Een maand wordt geacht te zijn gepresteerd zodra de gesubsidieerde vaststellende beambte ten minste één dag in die maand werkt.
Indien tijdens de door de subsidie gedekte periode de diensten van de vaststellende beambte voor wie de subsidie wordt aangevraagd, om welke reden ook, worden onderbroken, wordt het bedrag van de subsidie berekend pro rata van de maanden die overeenkomstig lid 2 werkelijk als gepresteerd worden beschouwd.
Om voor de afrekening van de subsidie in aanmerking te komen, moet de intercommunale of de instelling van openbaar nut de volgende documenten voorleggen:
een aangifte van schuldvordering vergezeld van een bewijs van de loonkosten van de vaststellende beambte;
een bewijs van tewerkstelling met vermelding van het arbeidsregime, de begindatum en eventueel de einddatum van de tewerkstelling van de vaststellende beambte;
een activiteitenverslag met:
a) bijzonderheden over de door de vaststellende beambte uitgevoerde opdrachten;
b) het aantal uitgevoerde controlecampagnes, de beschrijving ervan met een tijdschema van de geleverde prestaties en de verantwoording van de naleving van paragraaf 3, 5° ;
c) het aantal gegeven waarschuwingen;
d) het aantal gesloten transacties;
e) het aantal uitgevaardigde dwangsommen;
f) de aangelegenheden en de wetgeving waarop de waarschuwingen en de notulen betrekking hebben;
g) alle andere door de intercommunale of de instelling van openbaar nut relevant geachte informatie.
De intercommunale of de instelling van openbaar nut zendt de aanvraag tot vereffening van de subsidie, samen met de documenten bedoeld in lid 4, per aangetekend schrijven aan de directeur-generaal van de Administratie, uiterlijk op 1 maart volgend op het kalenderjaar waarvoor de subsidie werd toegekend. Elk verzoek om betaling dat na 1 maart wordt verzonden, wordt als nietig beschouwd.
§ 6. Met het oog op de controle van de subsidie kan de Administratie aan de intercommunale of aan de instelling van openbaar nut vragen om elk document voor te leggen dat nuttig is om de realiteit van de prestaties van de gesubsidieerde vaststellende beambte na te gaan en dat het mogelijk maakt de inlichtingen te vergelijken.
De intercommunale of de instelling van openbaar nut beschikt over een termijn van één maand vanaf de ontvangst van het verzoek van de Administratie om de gevraagde documenten mee te delen. Indien de documenten niet binnen de gestelde termijn worden ingediend, wordt de subsidieaanvraag als nietig beschouwd.]1

Art. R113. [1 § 1er. Le Gouvernement peut octroyer une subvention pour l'engagement ou le maintien de l'engagement d'un agent, visé à l'article D.152. Cette subvention ne bénéficie qu'à un seul agent constatateur engagé dans le cadre d'un équivalent temps plein, par intercommunale ou par organisme d'intérêt public.
§ 2. Dans la limite des crédits budgétaires disponibles, le montant de la subvention annuelle est fixé à un forfait maximum de 5.000 euros par an et par agent.
Si les crédits budgétaires disponibles ne permettent pas le subventionnement au forfait maximum d'agents constatateurs pour toutes les intercommunales et les organismes d'intérêt public en faisant la demande, le montant de la subvention est réduit de façon proportionnelle en vue de permettre à toutes les intercommunales et tous les organismes d'intérêt public ayant sollicités ladite subvention, d'en bénéficier.
§ 3. L'octroi de la subvention est subordonné aux conditions suivantes :
l'intercommunale ou l'organisme d'intérêt public procède à l'engagement d'un agent dans les six mois de la décision d'octroi de la subvention ou déclare le maintien de l'agent en fonction dans le même délai ;
l'intercommunal ou l'organisme d'intérêt public joint à la demande de subvention un plan visant à prévenir et rechercher des infractions relevant de l'étendue des compétences de l'agent constatateur fixée conformément à l'article D.152. Ce plan fixe les priorités et la méthodologie ainsi qu'un descriptif des missions prioritaires de l'agent constateur pour lequel elle sollicite la subvention ;
l'agent constatateur subventionné exerce réellement sa fonction à temps plein ;
l'agent constatateur subventionné réalise au minimum huit jours de contrôle de terrain par mois complet presté.
§ 4. La demande de subvention pour l'engagement ou le maintien de l'engagement d'un agent est envoyée par l'intercommunale ou par l'organisme d'intérêt public au Directeur général de l'Administration.
Le dossier de demande contient :
une copie de la délibération de l'intercommunale ou de l'organisme d'intérêt public décidant de l'engagement d'un agent constateur à temps plein ;
une copie du diplôme, visé à l'article D.152, § 1er, alinéa 2, 2°, et du document attestant du suivi et de la réussite de la formation, visée à l'article D.152, § 1er, alinéa 2, 3° ;
tout document permettant de justifier le respect des conditions, visées au paragraphe 2.
§ 5. La liquidation de la subvention est effectuée au terme de l'année civile écoulée, au prorata des mois prestés, avec un maximum de douze mois de prestation.
Un mois est considéré comme presté dès que l'agent constatateur subventionné preste un jour au moins au cours de ce mois.
Si durant la période couverte par la subvention, les prestations de l'agent constatateur pour lequel la subvention est demandée sont interrompues et ce, quelle qu'en soit la cause, le montant de la subvention est calculé au prorata des mois réellement considéré comme presté au regard de l'alinéa 2.
Pour bénéficier de la liquidation de la subvention l'intercommunale ou l'organisme d'intérêt public communique les documents suivants :
une déclaration de créance accompagnée du justificatif de la charge salariale de l'agent constatateur ;
une attestation d'emploi mentionnant le régime de travail, la date de début et éventuellement la date de fin d'occupation de l'agent constatateur ;
un rapport d'activités comprenant :
a) le détail des missions effectuées par l'agent constatateur ;
b) le nombre de campagnes de contrôles réalisées, leur description avec un calendrier des prestations réalisées et justifiant le respect du paragraphe 3, 5° ;
c) le nombre d'avertissements adressés ;
d) le nombre de transactions conclues ;
e) le nombre de procès-verbaux dressés ;
f) les matières et les législations auxquelles les avertissements et les procès-verbaux se rapportent ;
g) tout autre information jugée pertinente par l'intercommunale ou l'organisme d'intérêt public.
L'intercommunale ou l'organisme d'intérêt public envoi par courrier recommandé la demande de liquidation de la subvention, accompagnée des documents, visés à l'alinéa 4, au Directeur général de l'Administration au plus tard le 1er mars qui suit l'année civile pour laquelle la subvention a été octroyée. Toute demande de liquidation envoyée après le 1er mars est considérée comme nulle et non avenue.
§ 6. En vue du contrôle de la subvention l'Administration peut demander à l'intercommunale ou à l'organisme d'intérêt public la production de tout document utile à la vérification de la réalité des prestations de l'agent constatateur subventionné et permettant de croiser les informations.
L'intercommunale ou l'organisme d'intérêt public dispose d'un délai d'un mois à partir de la réception de la demande de l'Administration pour communiquer les documents sollicités. A défaut de la communication des documents dans le délai, la demande de subvention est considérée comme nulle et non avenue.]1

HOOFDSTUK V.
CHAPITRE V.
Art. R114. [1 § 1. Om hun hoedanigheid te bewijzen, moeten de overeenkomstig deze afdeling aangewezen vaststellende beambten een legitimatiekaart bij zich hebben waarop de in bijlage IX, deel 3, vermelde minimuminformatie staat.
§ 2. Bij de uitoefening van hun taken kunnen de overeenkomstig deze afdeling aangewezen vaststellende beambten onderscheidingstekens dragen. De Minister kan de lijst van de onderscheidingstekens bepalen.
§ 3. De houder van een kaart mag deze slechts in de uitoefening van zijn functie gebruiken. Hij kan de kaart spontaan aan iedere persoon vertonen tot wie hij zich wendt in de uitoefening van zijn ambt. Hij legt ze in ieder geval voor wanneer hem daarom wordt verzocht.
Het feit dat de legitimatiekaart niet door de houder wordt overgelegd, doet niet af aan de geldigheid van de door de houder ondernomen acties.
§ 4. De identificatiekaart wordt zo spoedig mogelijk aan de instelling van openbaar nut of aan de intercommunale terugbezorgd indien:
de kaart versleten is;
één of meerdere gegevens gewijzigd zijn of indien de gelijkenis op de foto niet meer voldoende treffend is ;
de houder zijn ambt definitief neerlegt.
De reden voor de teruggave van de kaart wordt vermeld in een brief en de kaart wordt vervolgens vernietigd.
Wanneer de houder geschorst of uit zijn ambt ontzet is, trekt de instelling van openbaar nut of de intercommunale hem tijdelijk de legitimatiekaart in. De kaart wordt aan de houder teruggegeven zodra deze weer in zijn ambt treedt.
Het verlies, de diefstal of de vernietiging van de kaart moet onmiddellijk worden gemeld aan de instelling van openbaar nut of aan de intercommunale.
Verlies en diefstal zijn het onderwerp van een klacht die door de kaarthouder bij een politiedienst wordt ingediend.
Indien de kaart wordt teruggevonden nadat zij is vernieuwd, wordt zij onmiddellijk teruggezonden aan de instelling van openbaar nut of aan de intercommunale met vermelding van de reden van terugzending. De kaart wordt dan vernietigd.]1

Art. R114. [1 § 1er. Afin de justifier de leur qualité, les agents constatateurs désignés conformément à la présente section sont porteurs d'une carte de légitimation dont les informations minimales sont reprises à l'annexe IX, partie 3.
§ 2. Dans l'exercice de leur fonction, les agents constatateurs désignés conformément à la présente section peuvent être porteurs de signes distinctifs. Le Ministre peut établir la liste des signes distinctifs.
§ 3. Le titulaire d'une carte ne peut l'utiliser que dans l'exercice de ses fonctions. Il peut la présenter spontanément à toute personne à laquelle il s'adresse dans l'exercice de ses fonctions. A tout le moins, il la présente lorsqu'elle est sollicitée.
L'absence de présentation de la carte de légitimation par son titulaire ne remet pas en question la validité des mesures que son titulaire a entreprises.
§ 4. La carte d'identification est restituée à l'organisme d'intérêt public ou à l'intercommunale dans les meilleurs délais lorsque :
la carte est détériorée ;
une ou plusieurs données sont modifiées ou la photographie n'est plus suffisamment ressemblante ;
le titulaire quitte définitivement ses fonctions.
Le motif du renvoi de la carte est mentionné dans un courrier et la carte est ensuite détruite.
Lorsque le titulaire est suspendu ou écarté de ses fonctions, l'organisme d'intérêt public ou l'intercommunale lui retire temporairement la carte de légitimation. La carte est restituée au titulaire dès la reprise de ses fonctions.
La perte, le vol ou la destruction de la carte sont à signaler immédiatement à l'organisme d'intérêt public ou à l'intercommunale.
La perte et le vol font l'objet d'une plainte déposée dans un service de police par le titulaire de la carte.
Si la carte est retrouvée après son renouvellement, elle est renvoyée immédiatement à l'organisme d'intérêt public ou à l'intercommunale avec mention du motif du renvoi. La carte est ensuite détruite.]1

Afdeling. 4. [1 - Deskundigen.]1
Section. 4. [1 - Experts.]1
Art. R115. [1 Een specifiek examen of een specifieke test kan aan een deskundige worden toegewezen wanneer een bijzondere behoefte wordt vastgesteld of wanneer het examen of de test een hoog niveau van technische bekwaamheid op een bepaald gebied vereist.
Een of meer deskundigen kunnen, binnen het kader van hun respectieve bevoegdheden, worden aangewezen door :
de Minister van Leefmilieu :
de Minister bevoegd voor het Natuurbehoud;
de Minister bevoegd voor Landbouw;
de Minister bevoegd voor het Dierenwelzijn.
Onder dezelfde voorwaarden als in lid 1 kan de directeur-generaal van de Administratie de benoeming van een of meerdere deskundigen aan de betrokken Minister voorstellen.
Wanneer het door het onderzoek of de controle bestreken gebied betrekking heeft op aangelegenheden die onder de bevoegdheid van verschillende Ministers vallen, geschiedt de aanwijzing gezamenlijk.
Indien de Minister geen beslissing tot benoeming van de deskundige heeft genomen, wordt de Minister door de functionele Minister die de benoeming heeft verricht, in kennis gesteld van de procedure voor de benoeming van de deskundige.]1

Art. R115. [1 Un examen ou un contrôle spécifique peut être confié à un expert quand un besoin particulier est identifié ou que l'examen ou le contrôle nécessite un niveau élevé de compétences techniques dans un domaine particulier.
Un ou plusieurs experts peuvent être désignés, dans le cadre de leurs compétences respectives, par :
le Ministre de l'Environnement ;
le Ministre qui a la nature dans ses attributions ;
le Ministre qui a l'agriculture dans ses attributions ;
le Ministre qui a le bien-être des animaux dans ses attributions.
Dans les mêmes conditions qu'à l'alinéa 1er, le Directeur général de l'Administration peut proposer la désignation d'un ou de plusieurs experts au Ministre concerné.
Lorsque le domaine visé par l'examen ou le contrôle concerne des matières relevant de compétences de Ministres distincts, la désignation est réalisée conjointement.
Lorsqu'il n'a pas lui-même pris la décision de désigner l'expert, le Ministre est informé de la procédure de désignation de l'expert par le Ministre fonctionnel ayant procédé à la désignation.]1

HOOFDSTUK VI.
CHAPITRE VI.
Art. R116. [1 Bij de benoeming van een deskundige bepaalt de Minister, bedoeld in artikel R.115, in zijn benoemingsbeslissing:
de redenen die de vervulling van de voorwaarden, bedoeld in artikel R.115, eerste lid, rechtvaardigen ;
de uitvoerige lijst van overtredingen en bepalingen van de wetgeving bedoeld in artikel D.138 en de uitvoeringsbesluiten waarvoor de deskundige een onderzoek of een controle kan uitvoeren;
de uitvoerige lijst van onderzoeken en controles die kunnen worden uitgevoerd door de deskundige die is aangewezen om de in 1° bedoelde onderzoeken of controles uit te voeren;
de onder 2° en 3° vereiste competenties die bepalend zijn geweest voor de keuze van de aangewezen deskundige;
de eventuele tegenprestatie voor de opdracht die door de deskundige wordt uitgevoerd;
de datum van de aanstelling van de deskundige en de duur van de aanstelling;
de identificatie van de dienst of de gewestelijke verbalisant die toezicht houdt op de aangestelde deskundige.]1

Art. R116. [1 Lorsqu'il procède à la désignation d'un expert, le Ministre, visé à l'article R.115 détermine dans sa décision de désignation :
les motifs justifiant la réunion des conditions, visées à l'article R.115, alinéa 1er ;
la liste exhaustive des infractions et dispositions des législations reprises à l'article D.138, et des arrêtés d'exécution, pour lesquelles l'expert peut exercer un examen ou un contrôle ;
la liste exhaustive des examens et contrôles pouvant être accomplis par l'expert désigné pour mener les examens ou contrôles, visés au 1° ;
les compétences requises en vertu des 2° et 3° qui ont déterminé le choix de l'expert désigné ;
l'éventuelle contrepartie pour la mission effectuée par l'expert ;
la date de la désignation de l'expert ainsi que la durée de cette désignation ;
l'identification du service ou de l'agent constatateur régional qui supervise l'expert désigné.]1

HOOFDSTUK VII.
CHAPITRE VII.
Art. R.117. [1 De krachtens deze afdeling aangestelde deskundigen volgen de instructies van de dienst of van de in artikel R.116, eerste lid, 7°, bedoelde gewestelijke vaststellende beambte, die het doel van de aan de deskundigen toevertrouwde opdrachten eerbiedigen. De gewestelijke vaststellende beambte doet een beroep op de deskundige met inachtneming van de delegaties waarin is voorzien bij het besluit van de Waalse Regering van 23 mei 2019 betreffende de overdrachten van bevoegdheden in de Waalse Overheidsdienst.
Onverminderd lid 1 voeren de deskundigen de hun toevertrouwde taken onafhankelijk en onpartijdig uit. Zij onthouden zich van iedere willekeurige handeling ten nadele van personen, alsmede van iedere voorkeursbehandeling om welke reden dan ook. Hun gedrag wordt nooit geleid door persoonlijke of familiebelangen.
Deskundigen zijn gebonden door een plicht tot discretie en vertrouwelijkheid met betrekking tot de hun toevertrouwde taken.
In geen geval mogen deskundigen niet optreden als vaststellende beambte of de prerogatieven van een dergelijke beambte uitoefenen.]1

Art. R.117. [1 Les experts désignés en vertu de la présente section suivent les instructions du service ou de l'agent constatateur régional, visé à l'article R.116, alinéa 1er, 7°, lesquelles respectent l'objet des missions confiés aux experts. L'agent constateur régional fait appel à l'expert en respectant les délégations prévues par l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 mai 2019 relatif aux délégations de pouvoirs au Service public de Wallonie.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, les experts exercent les missions qui leurs sont confiées de manière indépendante et impartiale. Ils s'abstiennent de toute action arbitraire qui lèse les personnes, ainsi que de tout traitement préférentiel pour quelque raison que ce soit. Leur conduite n'est jamais guidée par des intérêts personnels ou familiaux.
Les experts sont tenus de respecter un devoir de discrétion et de confidentialité relatif aux missions confiées.
Les experts ne peuvent en aucun cas se présenter en qualité d'agent constatateur ou en exercer les prérogatives.]1

Art. R.118. [1 Wanneer de deskundige niet langer voldoet aan de regels en voorwaarden van zijn aanwijzing of wanneer hij in gebreke is gebleven bij de uitvoering van zijn taken zoals beschreven in artikel R.117, kan de Administratie zijn aanwijzing onmiddellijk schorsen.
Indien de deskundige niet langer het statuut of het criterium van afhankelijkheid van een Belgische openbare overheid heeft dat zijn aanwijzing rechtvaardigt, wordt de aanwijzing van de deskundige geacht van rechtswege te zijn geschorst. De deskundige licht de Administratie daar onverwijld over in.
Tegelijk met de ontvangst van een schorsing of informatie overeenkomstig lid 2, brengt de Administratie de Minister en, in voorkomend geval, de Minister die de deskundige heeft aangewezen, op de hoogte en deelt zij de redenen voor de schorsing mee.
Binnen vijftien dagen na de in lid 3 bedoelde kennisgeving stelt de Minister die de deskundige heeft aangewezen, hem in kennis van zijn voornemen om zijn benoeming te beëindigen. De kennisgeving wordt gestuurd in een van de vormen bedoeld in artikel D.141, § 2, derde lid.
De deskundige kan zijn verdediging voorleggen aan de Administratie. Op straffe van niet-ontvankelijkheid moet hij zijn verweer schriftelijk indienen binnen dertig dagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving. De deskundige geeft aan of hij wenst te worden gehoord. In dat geval wordt de hoorzitting door de Administratie gepland binnen vijftien werkdagen na ontvangst van het verweerschrift van de deskundige.
De Minister die de aanwijzing heeft verricht, beslist, op voorstel van de Administratie, binnen zestig dagen na de in lid 3 bedoelde kennisgeving, hetzij dat de aanwijzing wordt ingetrokken, hetzij dat de schorsing krachtens lid 1 wordt opgeheven. De beslissing wordt ter kennis gebracht van de deskundige en van de Minister.]1

Art. R.118. [1 Lorsque l'expert ne respecte plus les règles et conditions de sa désignation ou lorsqu'il a manqué à ses devoirs tels que décrits à l'article R.117, l'Administration peut immédiatement suspendre sa désignation.
Dans le cas où l'expert ne dispose plus de la qualité ou du critère de dépendance avec une autorité publique belge qui justifie sa désignation, la désignation de l'expert est réputée suspendue de plein droit. L'expert en informe l'Administration sans délai.
Concomitamment à toute suspension ou information reçue conformément à l'alinéa 2, l'Administration en informe le Ministre et, le cas échéant, le Ministre qui a procédé à la désignation de l'expert, et communique les motifs de cette suspension.
Dans les quinze jours de l'information, visée à l'alinéa 3, le Ministre qui a procédé à la désignation de l'expert, notifie à celui-ci son intention de mettre fin à sa désignation. La notification est envoyée sous l'une des formes, visées à l'article D.141, § 2, alinéa 3.
L'expert peut faire valoir ses moyens de défense auprès de l'Administration. Sous peine d'irrecevabilité, il adresse ses moyens de défense par écrit, dans les trente jours à dater de la date de réception de la notification. L'expert précise s'il souhaite être entendu. Dans ce cas, l'audition est fixée par l'Administration au plus tard dans les quinze jours ouvrables de la réception des moyens de défense de l'expert.
Le Ministre qui a procédé à la désignation, statue, sur proposition de l'Administration, dans les soixante jours de l'information, visée à l'alinéa 3 en indiquant soit que la désignation est retirée, soit que la suspension intervenue en vertu de l'alinéa 1er est levée. La décision est notifiée à l'expert et au Ministre.]1

Art. R.119. [1 § 1. Om hun hoedanigheid te bewijzen, moeten de overeenkomstig deze afdeling aangewezen vaststellende deskundigen een legitimatiekaart bij zich hebben waarop de in bijlage IX, deel 4, vermelde minimuminformatie staat.
§ 2. De houder van een kaart mag deze slechts in de uitoefening van zijn functie gebruiken. Hij kan de kaart spontaan aan iedere persoon vertonen tot wie hij zich wendt in de uitoefening van zijn ambt. Hij legt ze voor wanneer hem daarom wordt verzocht.
Het feit dat de legitimatiekaart niet door de houder wordt overgelegd, doet niet af aan de geldigheid van de door de houder ondernomen acties.
§ 3. De identificatiekaart wordt zo spoedig mogelijk teruggegeven aan de directeur-generaal van de Administratie of zijn gemachtigde wanneer :
de kaart versleten is;
één of meerdere gegevens gewijzigd zijn of indien de gelijkenis op de foto niet meer voldoende treffend is ;
de houder zijn ambt definitief neerlegt.
De reden voor de teruggave van de kaart wordt vermeld in een brief die de kaart vergezelt en die vervolgens wordt vernietigd.
Wanneer de houder geschorst of uit zijn ambt ontzet is, trekt de Directeur-generaal van de Administratie of zijn afgevaardigde hem tijdelijk de legitimatiekaart in. De kaart wordt aan de houder teruggegeven zodra deze weer in zijn ambt treedt.
Verlies, diefstal of vernieling van de kaart moet onmiddellijk aan de Directeur-generaal van de Administratie of zijn afgevaardigde worden gemeld.
Verlies en diefstal zijn bovendien het onderwerp van een klacht die door de kaarthouder bij een politiedienst wordt ingediend.
Indien de kaart wordt teruggevonden nadat zij is vernieuwd, wordt zij onmiddellijk teruggezonden aan de Directeur-generaal van de Administratie of aan diens gemachtigde, met vermelding van de reden van terugzending. De kaart wordt dan vernietigd.
De legitimatiekaart is tien jaar geldig vanaf de datum van afgifte.]1

Art. R.119. [1 § 1er. Afin de justifier de leur qualité, les experts désignés conformément à la présente section sont porteurs d'une carte de légitimation dont les informations minimales sont reprises à l'annexe IX, partie 4.
§ 2. Le titulaire d'une carte l'utilise uniquement dans l'exercice de ses fonctions. Il peut la présenter spontanément à toute personne à laquelle il s'adresse dans l'exercice de ses fonctions. Il la présente lorsqu'elle est sollicitée.
L'absence de présentation de la carte de légitimation par son titulaire ne remet pas en question la validité des mesures entreprises par son titulaire.
§ 3. La carte d'identification est restituée au Directeur général de l'Administration ou à son délégué dans les meilleurs délais lorsque :
la carte est détériorée ;
une ou plusieurs données sont modifiées ou la photographie n'est plus suffisamment ressemblante ;
le titulaire quitte définitivement ses fonctions.
Le motif du renvoi de la carte est mentionné dans un courrier l'accompagnant et la carte est ensuite détruite.
Lorsque le titulaire est suspendu ou écarté de ses fonctions, le Directeur général de l'Administration ou à son délégué lui retire temporairement la carte de légitimation. La carte est restituée au titulaire dès la reprise de ses fonctions.
La perte, le vol ou la destruction de la carte sont à signaler immédiatement au Directeur général de l'Administration ou à son délégué.
La perte et le vol font en outre l'objet d'une plainte déposée dans un service de police par le titulaire de la carte.
Si la carte est retrouvée après son renouvellement, elle est renvoyée immédiatement au Directeur général de l'Administration ou à son délégué avec mention du motif du renvoi. La carte est ensuite détruite.
La carte de légitimation est valable dix ans à dater de son établissement.]1

Afdeling 5. [1 - Gespecialiseerde onderzoekseenheid.]1
Section 5. [1 - Unité Spécialisée d'Investigation.]1
Art. R.120. [1 De politiedeskundige bedoeld in artikel D.155, § 2, wordt door de Minister op basis van een verslag van de Administratie aangewezen. Dit met redenen omkleed verslag bevat een beoordeling van elk van de kandidaten en een voorstel voor een beslissing.]1
Art. R.120. [1 L'expert-police, visé à l'article D.155, § 2, est désigné par le Ministre sur la base d'un rapport de l'Administration. Ce rapport motivé comprend l'évaluation de chacun des candidats ainsi qu'une proposition de décision.]1
HOOFDSTUK III. [1 - Sanctionerende ambtenaren.]1
CHAPITRE III. [1 - Fonctionnaires sanctionnateurs.]1
Afdeling 1. [1 - Gewestelijke sanctionerende ambtenaren.]1
Section 1re. [1 - Fonctionnaire sanctionnateur régionaux]1
Art. R.121. [1 De in artikel D.156 bedoelde gewestelijke sanctionerende ambtenaren worden door de Minister benoemd op basis van een gemotiveerd voorstel van de Directeur-generaal van de Administratie, voor alle overeenkomstig dit deel vastgestelde overtredingen.]1
Art. R.121. [1 Les fonctionnaires sanctionnateurs régionaux, visés à l'article D.156 sont désignés, par le Ministre sur proposition motivée du Directeur général de l'Administration, pour l'ensemble des infractions constatées conformément à la présente partie.]1
Afdeling 2. [1 - Gemeentelijke sanctionerende ambtenaren.]1
Section 2. [1 - Fonctionnaires sanctionnateurs communaux.]1
Art. R.122. [1 § 1. De beslissing van de gemeenteraad inzake de aanwijzing van een gemeentelijke sanctionerende ambtenaard overeenkomstig artikel D.157 wordt aan de Administratie toegezonden met gebruikmaking van het formulier in bijlage X.
De beëindiging van de functie van de in lid 1 bedoelde gemeentelijke sanctionerende ambtenaar wordt onverwijld ter kennis van de Administratie gebracht met gebruikmaking van het formulier in bijlage X.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde stukken worden toegezonden in een van de in artikel D.141, § 2, derde lid, bedoelde vormen.]1

Art. R.122. [1 § 1er. La décision du Conseil communal portant sur la désignation d'un fonctionnaire sanctionnateur communal conformément à l'article D.157 est transmise à l'Administration au moyen du formulaire repris à l'annexe X.
La fin de fonction du fonctionnaire sanctionnateur communal, visé à l'alinéa 1er, est, sans délai, notifiée à l'Administration au moyen du formulaire repris à l'annexe X.
§ 2. Les documents repris au paragraphe 1er sont envoyés sous l'une des formes, visées à l'article D.141, § 2, alinéa 3.]1

HOOFDSTUK IV. [1 - Opleidingen van de verschillende interveniënten in het kader van de milieucriminaliteit.]1
CHAPITRE IV. [1 - Des formations des différents intervenants dans le cadre de la délinquance environnementale.]1
Art. R.123. [1 De Administratie organiseert en verstrekt de in dit hoofdstuk bedoelde opleidingen door gebruik te maken van externe diensten of in partnerschap.
Overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk geniet elke beambte of ambtenaar die opdrachten uitvoert in het kader van dit deel :
gedurende de eerste jaren van hun tewerkstelling, een gemeenschappelijke basisopleiding die, in voorkomend geval, voor bepaalde beambten of ambtenaren, wordt aangevuld met een specifieke basisopleiding;
in de loop van de jaren waarin zij hun functie uitoefenen, opleidingen ter verdieping en actualisering van hun kennis in de vorm van bijscholingscursussen.
De in de artikelen D.146, D.149, D.152, D.156 en D.157 bedoelde personen volgen een opleiding in verband met het centraal register in overeenstemming met de Algemene verordening gegevensbescherming. Deze opleiding is bedoeld om hen bewust te maken van het beheer van persoonsgegevens en de geheimhoudingsplicht. Deze opleiding wordt gegeven voordat de betrokkene recht van toegang heeft tot het centrale register.]1

Art. R.123. [1 L'Administration organise et dispense les formations reprises au présent chapitre en recourant à des prestations externes ou menées en partenariat.
Conformément aux dispositions du présent chapitre, tout agent ou fonctionnaire exerçant des missions dans le cadre de la présente partie bénéficie :
dans les premières années de son entrée en fonction, d'une formation de base commune, le cas échéant complétée, pour ce qui concerne certains agents ou fonctionnaires, par une formation de base spécifique ;
au cours des années d'exercice de ses missions, des formations permettant l'approfondissement et l'actualisation des connaissances sous forme de sessions de recyclage.
Les personnes, visées aux articles D.146, D.149, D.152, D.156 et D.157, suivent une formation relative au Fichier central conformément au règlement général de la protection des données. Cette formation vise à les sensibiliser sur la gestion des données à caractère personnels et au devoir de confidentialité. Cette formation est suivie avant que la personne ne dispose de son droit d'accès au fichier central.]1

Afdeling 1. [1 - Opleidingen van de gewestelijke actoren.]1
Section 1re. [1 - Formations des acteurs régionaux]1
Art. R.124. [1 § 1. In het jaar waarin zij in functie treden, volgen de gewestelijke vaststellende beambte en de gewestelijke sanctionerende ambtenaar de eerste sessie van een basisopleiding van ten minste zesendertig uur.
Deze sessie heeft betrekking op:
de algemene beginselen van het strafrecht;
de gerechtelijke organisatie;
de inleiding tot de strafvordering;
de inleiding tot het milieustrafrecht;
de vaststelling van overtredingen en het opmaken van processen-verbaal;
het bewustzijn van de economische actoren.
Deze sessie wordt ten minste tweemaal per jaar georganiseerd.
§ 2. In het jaar volgend op de voltooiing van de eerste sessie, bedoeld in paragraaf 1, volgen de gewestelijke vaststellende beambte en de gewestelijke sanctionerende ambtenaar de tweede sessie van een basisopleiding van ten minste dertig uur.
Deze sessie heeft betrekking op:
het beheer van conflicten.
de basisbeginselen van de milieuwetgeving, met inbegrip van boek I van het Milieuwetboek, de wetgeving inzake dierenwelzijn en de wetgeving inzake landbouw;
de methoden en technieken van het horen.
Dit gebeurt in de vorm van praktijksituaties.
§ 3. Voor elke volledig gevolgde opleiding als bedoeld in de paragrafen 1 en 2 wordt door de instantie die de opleiding heeft verzorgd een bewijs van deelname afgegeven, waarop de precieze inhoud van de opleiding en het aantal gevolgde uren worden vermeld.
§ 4. De Minister kan de inhoud van de in de eerste en tweede paragrafen bedoelde cursussen wijzigen of aanvullen.]1

Art. R.124. [1 § 1er. Dans l'année de leur entrée en fonction, l'agent constatateur régional et le fonctionnaire sanctionnateur régional suivent la première session d'une formation de base portant sur un volume de minimum trente-six heures.
Cette session porte sur :
les principes généraux du droit pénal ;
l'organisation judiciaire ;
l'introduction à la procédure pénale ;
l'introduction au droit pénal environnemental ;
la réalisation de constat d'infractions et la rédaction de procès-verbaux.
la sensibilisation aux acteurs économiques.
Cette session est organisée au moins à deux reprises au cours de l'année.
§ 2. Dans l'année de l'achèvement de la première session, visée au paragraphe 1er, l'agent constatateur régional et le fonctionnaire sanctionnateur régional suivent la deuxième session d'une formation de base portant sur un volume de minimum trente heures.
Cette session porte sur :
la gestion de conflits ;
les bases des législations environnementales, en ce compris le Livre Ier du Code de l'Environnement, des législations relatives au bien-être animal et des législations en matière agricole ;
les méthodes et techniques d'audition.
Celle-ci se déroule sous la forme de mise en situations pratiques.
§ 3. La participation à chaque session de formation, visée aux paragraphes 1er et 2, suivie intégralement donne lieu à la délivrance par l'organisme qui a donné la formation, d'une attestation de suivi, laquelle mentionne le contenu précis de la formation ainsi que le nombre d'heures suivies.
§ 4. Le Ministre peut modifier ou compléter le contenu des sessions, visées aux paragraphes 1er et 2.]1

Art. R.125. [1 § 1. Naast de in artikel R.124 bedoelde basisopleiding volgen de gewestelijke vaststellende beambten die deel uitmaken van de in artikel D.155 bedoelde gespecialiseerde onderzoekseenheid, een specifieke sessie in het kader van hun basisopleiding. Deze specifieke sessie moet worden gevolgd binnen een jaar na de voltooiing van de sessie bedoeld in artikel R.124, § 2, en moet een minimum van achttien uur beslaan.
Deze sessie heeft betrekking op:
diepgaande studie van het strafrecht en het strafprocesrecht;
de politiepraktijken;
diepgaande studie van het sectorale milieurecht;
het gebruik van informaticahulpmiddelen;
voorstelling van de diensten bevoegd of betrokken bij de repressie van milieumisdrijven.
De in het eerste lid bedoelde sessie wordt ten minste één keer per jaar georganiseerd.
De Minister kan:
de inhoud van de in lid 1 bedoelde sessie wijzigen of aanvullen;
de organisatie van een specifieke opleiding bepalen en het aantal uren, de inhoud van de opleiding en de beambten of diensten waarvoor de opleiding bestemd is, vastleggen, teneinde in een specifieke en welbepaalde behoefte te voorzien.
§ 2. Naast de basisopleiding bedoeld in artikel R.124 volgen de gewestelijke vaststellende beambten die bevoegd zijn voor de bewaking, de controle, het onderzoek en de vaststelling van overtredingen op het gebied van dierenwelzijn, een specifieke sessie in het kader van hun basisopleiding. Deze specifieke sessie moet worden gevolgd binnen een jaar na de voltooiing van de sessie bedoeld in artikel R.124, § 2, en moet een minimum van achttien uur beslaan.
Deze sessie heeft betrekking op:
diepgaande studie van de wetgeving inzake dierenwelzijn ;
kennis van de ethologische basisbehoeften van dieren, die van honden, katten, paarden en nieuwe gezelschapsdieren, alsook het herkennen van signalen van dierenmishandeling;
de praktijk van administratieve inbeslagneming van dieren;
de gerechtelijke en administratieve sancties die specifiek zijn voor het welzijn van dieren;
de verschillende actoren die kunnen optreden wanneer er dieren in het spel zijn;
de operationele en veilige omgang met dieren.
De in het eerste lid bedoelde sessie wordt ten minste één keer per jaar georganiseerd.
De Minister bevoegd voor het dierenwelzijn kan de inhoud van de in lid 1 bedoelde sessie wijzigen of aanvullen.
§ 3. Voor elke volledig gevolgde opleiding als bedoeld in de paragrafen 1 en 2 wordt, wanneer de sessie volledig is gevolgd, door de instantie die de opleiding heeft verzorgd een bewijs van deelname afgegeven, waarop de precieze inhoud van de opleiding en het aantal gevolgde uren worden vermeld.]1

Art. R.125. [1 § 1er. Outre la formation de base, visée à l'article R.124, les agents constatateurs régionaux composant l'Unité spécialisée d'investigation, visée à l'article D.155 suivent une session spécifique dans le cadre de leur formation de base. Cette session spécifique est suivie dans l'année de l'achèvement de la session, visée à l'article R.124, § 2, et porte sur un volume de minimum dix-huit heures.
Cette session porte sur :
des approfondissements en droit pénal et en droit de la procédure pénale ;
les pratiques policières ;
des approfondissements en droit sectoriel de l'environnement ;
l'utilisation d'outils informatiques ;
la présentation des services compétents ou concernés par la répression des infractions environnementales.
La session, visée à l'alinéa 1er, est organisée au moins à une reprise au cours de l'année.
Le Ministre peut :
modifier ou compléter le contenu de la session, visée à l'alinéa 1er ;
fixer l'organisation d'une formation spécifique dont il détermine le volume d'heure, le contenu de la formation et les agents ou services auxquels cette formation est destinée, de manière à répondre à un besoin ponctuel et déterminé.
§ 2. Outre la formation de base, visée à l'article R.124, les agents constatateurs régionaux compétents pour surveiller, contrôler, rechercher et constater des infractions en matière de bien-être animal suivent une session spécifique dans le cadre de leur formation de base. Cette session spécifique est suivie dans l'année de l'achèvement de la session, visée à l'article R.124, § 2, et porte sur un volume de minimum dix-huit heures.
Cette session porte sur :
des approfondissements en matière de législation relative au bien-être animal ;
la connaissance des besoins éthologiques de base des animaux, ceux relatifs aux chiens, chats, chevaux et nouveaux animaux de compagnie ainsi que la reconnaissance des signes de maltraitance animale ;
la pratique des saisies administratives d'animaux ;
les sanctions judiciaires et administratives spécifiques à la matière du bien-être animal ;
les différents acteurs susceptibles d'intervenir lorsque des animaux sont impliqués ;
la prise en charge opérationnelle et sûre des animaux.
La session, visée à l'alinéa 1er est organisée au moins à une reprise au cours de l'année.
Le Ministre qui a le bien-être des animaux dans ses attributions peut modifier ou compléter le contenu de la session, visée à l'alinéa 1er.
§ 3. La participation à chaque session de formation, visée aux paragraphes 1er et 2, donne lieu à la délivrance par l'organisme qui a donné la formation, lorsque celle-ci a été intégralement suivie, d'une attestation de suivi, laquelle mentionne le contenu précis de la formation et le nombre d'heures suives.]1

Art. R.126. [1 Naast de in artikel R.124 bedoelde basisopleiding volgen de gewestelijke sanctionerende ambtenaren in het kader van hun basisopleiding een specifieke sessie. Deze specifieke sessie moet worden gevolgd binnen een jaar na de voltooiing van de sessie bedoeld in artikel R.124, § 2, en moet een minimum van dertig uur beslaan.
De in het eerste lid bedoelde sessie heeft betrekking op:
de diepgaande studie van de rechtshandhaving;
de verhoormethoden;
een grondige studie van het strafrecht en het strafprocesrecht;
de administratieve repressie;
het gebruik van informaticahulpmiddelen;
het beheer van de procedure voor de administratieve sanctie.
Voor elke volledig gevolgde opleiding als bedoeld in het eerste lid wordt, wanneer de sessie volledig is gevolgd, door de instantie die de opleiding heeft verzorgd een bewijs van deelname afgegeven, waarop de precieze inhoud van de opleiding en het aantal gevolgde uren worden vermeld.
De Minister kan de inhoud van de in lid 1 bedoelde sessie wijzigen of aanvullen.
Om in een specifieke behoefte te voorzien, kan de Minister een specifieke opleiding voor de gewestelijke sanctionerende ambtenaren te organiseren, waarvoor hij het aantal uren en de inhoud van de opleiding vaststelt.]1

Art. R.126. [1 Outre la formation de base, visée à l'article R.124, les fonctionnaires sanctionnateurs régionaux suivent une session spécifique dans le cadre de leur formation de base. Cette session spécifique est suivie dans l'année de l'achèvement de la session, visée à l'article R.124, § 2, et porte sur un volume de minimum trente heures.
La session, visée à l'alinéa 1er, porte sur :
l'approfondissement de la répression ;
les méthodes d'audition ;
un approfondissement du droit pénal et du droit de la procédure pénale ;
la répression administrative ;
l'utilisation d'outils informatiques ;
la gestion de la procédure de sanction administrative.
La participation à la session de formation, visée à l'alinéa 1er, suivie intégralement, donne lieu à la délivrance, par l'organisme qui a donné la formation, lorsque celle-ci a été intégralement suivie, d'une attestation de suivi, laquelle mentionne le contenu précis de la formation et le nombre d'heures suivies.
Le Ministre peut modifier ou compléter le contenu de la session, visée à l'alinéa 1er.
De manière à répondre à un besoin ponctuel et déterminé, le Ministre peut fixer l'organisation d'une formation spécifique à destination des fonctionnaires sanctionnateurs régionaux dont il détermine le volume d'heure et le contenu de la formation.]1

Art. R.127. [1 Jaarlijks wordt ten minste één opleiding ter verdieping en actualisering van de kennis van de in artikel D.138 genoemde wetgeving en de uitvoeringsbesluiten daarvan georganiseerd, in de vorm van een bijscholing, voor alle beambten en ambtenaren die reeds de in de artikelen R.124 tot en met R.126 bedoelde basisopleidingen hebben gevolgd of van het volgen van deze opleidingen zijn vrijgesteld. Deze opleiding kan face-tot-face, op afstand worden georganiseerd of door gebruik te maken van een geregistreerde inhoud waartoe de beambte of de ambtenaar op elk moment toegang heeft.
De Minister of zijn afgevaardigde kan jaarlijks de inhoud vaststellen van de in lid 1 bedoelde bijscholing, die ten minste zes uur moet omvatten. Deze sessie is mede gericht op de nieuwe ontwikkelingen op de gebieden waarop de taken van de beambten en ambtenaren betrekking hebben, en biedt de gelegenheid om ervaringen uit te wisselen.
Voor elke volledig gevolgde bijscholing als bedoeld in het eerste lid wordt, wanneer de sessie volledig is gevolgd, door de instantie die de opleiding heeft verzorgd een bewijs van deelname afgegeven, waarop de precieze inhoud van de opleiding wordt vermeld.]1

Art. R.127. [1 Chaque année, au moins une formation permettant l'approfondissement et l'actualisation des connaissances des législations reprises à l'article D.138 ainsi qu'à leurs arrêtés d'exécution est organisée, sous la forme d'une session de recyclage, pour tous les agents et fonctionnaires ayant déjà suivis les formations de base prévue aux articles R.124 à R.126 ou ayant été dispensé de suivre celles-ci. Cette formation peut être organisée en présentiel, à distance ou en recourant à un contenu enregistré auquel l'agent ou le fonctionnaire peut avoir accès à tout moment.
Annuellement, le Ministre ou son délégué peut fixer le contenu de la session de recyclage, visée à l'alinéa 1er, qui porte sur un volume de six heures minimums. Cette session vise en partie les nouveautés développées dans les domaines concernés par les missions des agents et fonctionnaires, et propose des moments d'échanges d'expérience.
La participation à la session de recyclage, visée à l'alinéa 1er, donne lieu à la délivrance par l'organisme qui a donné la formation, lorsque celle-ci a été intégralement suivie, d'une attestation de suivi, laquelle mentionne le contenu précis de la formation suivie.]1

Art. R.128. [1 De datum waarop een overeenkomstig deze afdeling georganiseerde opleiding zal plaatsvinden, wordt ten minste dertig dagen voordat zij daadwerkelijk plaatsvindt, bekendgemaakt op de portaalsite Leefmilieu van het Waals Gewest. In de aankondiging worden ook de gegevens vermeld van de contactpersoon die gemachtigd is verzoeken om deelneming aan de genoemde opleiding in ontvangst te nemen.
De bevoegde procureurs des Konings en de vertegenwoordigers van de hoven en rechtbanken die wensen deel te nemen aan een van de overeenkomstig het eerste lid aangekondigde opleidingen, richten een verzoek tot de in de aankondiging genoemde contactpersoon. Hun deelname wordt gewaarborgd voor zover er plaatsen beschikbaar zijn.]1

Art. R.128. [1 La date à laquelle une formation organisée conformément à la présente section est organisée fait l'objet d'une annonce publiée sur le portail Environnement du site Internet de la Région wallonne au moins trente jours avant sa tenue effective. L'annonce précise en outre les coordonnées de la personne de contact qui est habilitée à réceptionner les demandes de participation à ladite formation.
Les procureurs du Roi compétents ainsi que les représentants des cours et tribunaux qui souhaitent participer à une des formations annoncées conformément à l'alinéa 1er en adresse une demande à la personne de contact identifiée dans l'annonce. Leur participation est assurée dans la mesure des places disponibles.]1

Afdeling 2. [1 - Opleidingen van de plaatselijke actoren.]1
Section 2. [1 - Formations des acteurs locaux.]1
Art. R.129. [1 § 1. Vóór zijn ambtsaanvaarding als vaststellende beambte moet de vaststellende beambte de eerste sessie van de basisopleiding, bedoeld in artikel R.124, § 1, volgen en binnen het jaar na zijn ambtsaanvaarding de opleiding, bedoeld in artikel R.124, § 2, voltooien.
Voor elke volledig gevolgde opleidingssessie als bedoeld in het eerste lid wordt, wanneer de sessie volledig is gevolgd, door de instantie die de opleiding heeft verzorgd een bewijs van deelname afgegeven, waarop de precieze inhoud van de opleiding en het aantal gevolgde uren worden vermeld.
§ 2. Elk jaar kan de overeenkomstig artikel R.128 ingelichte plaatselijke vaststellende beambte verzoeken om de overeenkomstig artikel R.127 georganiseerde bijscholing te mogen volgen. Daartoe dient hij ten minste dertig dagen vóór de dag van de opleiding een verzoek in bij de Administratie.
§ 3. Op de coördinatievergaderingen bedoeld in artikel D.143, § 1, kan elke gemeente alle nuttige opmerkingen formuleren betreffende de organisatie van de opleidingen bedoeld in deze afdeling en de inhoud ervan.
§ 4. De Minister of zijn afgevaardigde valideert de inhoud van de opleidingen.]1

Art. R.129. [1 § 1er. Préalablement à son entrée en fonction en tant qu'agent constatateur, l'agent constatateur local suit la première session de la formation de base prévue à l'article R.124, § 1er, et complétée, dans l'année de son entrée en fonction, de la formation, visée à l'article R.124, § 2.
La participation à la session de formation, visée à l'alinéa 1er, donne lieu à la délivrance, lorsque celle-ci a été intégralement suivie, d'une attestation de suivi, laquelle mentionne le contenu précis de la formation et le nombre d'heures suivies.
§ 2. Chaque année, l'agent constatateur local informé conformément à l'article R.128, peut solliciter sa participation à la session de recyclage organisée conformément à l'article R.127. A cet effet, il en formule la demande à l'Administration au moins trente jours avant le jour de la tenue de la formation.
§ 3. A l'occasion des réunions de coordination, visée à l'article D.143, § 1er, toute commune peut faire part de toute remarque utile concernant l'organisation des formations, visées à la présente section, ainsi que sur leur contenu.
§ 4. Le Ministre ou son délégué valide le contenu des formations.]1

Art. R.130. [1 § 1. In het jaar waarin hij als sanctionerende ambtenaar in functie treedt, volgt de gemeentelijke sanctionerend ambtenaar de basisopleiding voorzien in artikel R.124, alsook de specifieke basisopleiding voorzien in artikel R.126.
Voor elke volledig gevolgde opleidingssessies als bedoeld in het eerste lid wordt, wanneer de sessie volledig is gevolgd, door de instantie die de opleiding heeft verzorgd een bewijs van deelname afgegeven, waarop de precieze inhoud van de opleiding wordt vermeld.
§ 2. Elk jaar kan de overeenkomstig artikel R.128 ingelichte gemeentelijke sanctionerende ambtenaar verzoeken om de overeenkomstig artikel R.127 georganiseerde bijscholing te mogen volgen. Daartoe dient hij ten minste dertig dagen vóór de dag van de opleiding een verzoek in bij de Administratie.
§ 3. Op de coördinatievergaderingen bedoeld in artikel D.143, § 1, kan elke gemeente alle nuttige opmerkingen formuleren betreffende de organisatie van de opleidingen bedoeld in deze afdeling en de inhoud ervan.
§ 4. De Minister of zijn afgevaardigde valideert de inhoud van de opleidingen.]1

Art. R.130. [1 § 1er. Dans l'année de son entrée en fonction en tant que fonctionnaire sanctionnateur, le fonctionnaire sanctionnateur communal suit la formation de base prévue à l'article R.124, ainsi que la formation de base spécifique prévue à l'article R.126.
La participation aux sessions de formation, visées à l'alinéa 1er, suivie intégralement, donne lieu à la délivrance par l'organisme qui a donné la formation d'une attestation de suivi, laquelle mentionne le contenu précis de la formation suivie.
§ 2. Chaque année, le fonctionnaire sanctionnateur communal informé conformément à l'article R.128, peut solliciter sa participation à la session de recyclage organisée conformément à l'article R.127. A cet effet, il en formule la demande à l'Administration au moins trente jours avant le jour de la tenue de la formation.
§ 3. A l'occasion des réunions de coordination, visée à l'article D.143, § 1er, toute commune peut faire part de toute remarque utile concernant l'organisation des formations, visées à la présente section, ainsi que sur leur contenu.
§ 4. Le Ministre ou son délégué valide le contenu des formations.]1

TITEL 3. [1 - Controles, opsporingen van de overtredingen en dwangmaatregelen.]1
TITRE 3. [1 - Contrôles, recherches des infractions et mesures de contrainte.]1
HOOFDSTUK 1. [1 - Toezicht, controle, waarschuwing en vaststelling van de overtredingen.]1
CHAPITRE Ier. [1 - Surveillances, contrôles, avertissements et constatations des infractions.]1
Art. R.131. [1 Wanneer de beambte daartoe de toestemming heeft gekregen van de personen die daadwerkelijk over een woonplaats beschikken in de zin van artikel 15 van de Grondwet, legt hij de uitdrukkelijke voorafgaande toestemming van deze personen vast in een document waarvan het model in bijlage XI is opgenomen. De geïdentificeerde personen ondertekenen het.
Wanneer een proces-verbaal wordt opgemaakt, wordt het in lid 1 bedoelde ondertekende document daaraan toegevoegd.
De Minister kan de in lid 1 bedoelde bijlage aanvullen, wijzigen of vervangen.]1

Art. R.131. [1 Lorsqu'il en est autorisé par les personnes qui ont la jouissance effective d'un domicile au sens de l'article 15 de la Constitution, l'agent retranscrit le consentement exprès et préalable de ces personnes au sein d'un document dont le modèle est fixé à l'annexe XI. Les personnes identifiées y apposent leur signature.
Lorsqu'un procès-verbal est dressé, le document signé, visé à l'alinéa 1er, y est annexé.
Le Ministre peut compléter, modifier, ou remplacer l'annexe, visée à l'alinéa 1er.]1

Art. R.132. [1 Wanneer de beambte een overtreding vaststelt overeenkomstig artikel D.165, bevat het proces-verbaal ten minste de rubrieken vastgesteld in bijlage XII - deel 1, waarvan de vorm facultatief is.
De inhoud van het proces-verbaal vermeldt ten minste:
de identiteit van de vaststellende beambte alsook zijn precieze hoedanigheid en de naam van de dienst waartoe hij behoort;
de bepaling krachtens welke de in 1° bedoelde beambte bevoegd is;
de plaats en datum van de vaststelling van de overtreding;
indien bekend, de datum waarop de overtreding gepleegd is;
de identiteit van de vermoedelijke dader en de betrokken personen;
de wettelijke bepaling die overtreden is;
een gedetailleerde en nauwkeurige uiteenzetting van de feiten in verband met de gepleegde overtredingen;
de datum en plaats waarop het proces-verbaal opgesteld is.
Bij de afsluiting ervan wordt het proces-verbaal ondertekend door de beambte die persoonlijk heeft gehandeld, met vermelding van de datum van afsluiting.
Indien het proces-verbaal verscheidene bladzijden bevat, worden deze gepagineerd.
De Minister kan de in lid 1 bedoelde bijlage aanvullen, wijzigen of vervangen.]1

Art. R.132. [1 Lorsque l'agent constate une infraction conformément à l'article D.165, le procès-verbal comporte au moins les rubriques fixées à l'annexe XII - partie 1, dont la forme est facultative.
Le contenu du procès-verbal mentionne au moins :
l'identité de l'agent constatateur ainsi que sa qualité exacte et la dénomination du service auquel il appartient ;
la disposition en vertu de laquelle l'agent, visé au 1°, est compétent ;
le lieu et la date de la constatation de l'infraction ;
si elle est connue, la date à laquelle l'infraction a été commise ;
l'identité de l'auteur présumé et des personnes intéressées ;
la disposition légale violée ;
un exposé détaillé et précis des faits en rapport avec les infractions commises ;
les date et lieu de rédaction du procès-verbal.
A sa clôture, le procès-verbal est revêtu de la signature de l'agent qui a agi personnellement et de la date de la clôture.
Lorsque le procès-verbal comporte plusieurs feuillets, ceux-ci font l'objet d'une pagination.
Le Ministre peut compléter, modifier ou remplacer l'annexe, visée à l'alinéa 1er.]1

Art. R.133. [1 § 1. Het proces-verbaal kan rechtsgeldig in elektronisch formaat worden opgesteld en in die vorm worden bewaard wanneer het overeenkomstig artikel R.132 is opgesteld en door de opsteller(s) ervan elektronisch is ondertekend door middel van een gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12. van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.
De Minister kan bepalen dat het proces-verbaal door de opsteller ervan elektronisch wordt ondertekend door middel van een ander systeem, indien dat systeem het mogelijk maakt de identiteit van de ondertekenaar en de integriteit van het ondertekende proces-verbaal met voldoende waarborgen vast te stellen.
§ 2. Het proces-verbaal dat overeenkomstig paragraaf 1 elektronisch door de opsteller ervan is ondertekend, wordt gelijkgesteld met een proces-verbaal dat met een handgeschreven handtekening ondertekend is.
§ 3. De waarschuwing kan rechtsgeldig in elektronisch formaat worden opgesteld en in die vorm worden bewaard wanneer deze door de opsteller(s) ervan elektronisch is ondertekend door middel van een gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12. van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG of door middel van elk ander systeem dat overeenkomstig paragraaf 1, lid 2, is vastgesteld.
De waarschuwing die overeenkomstig het eerste lid elektronisch door de opsteller(s) ervan is ondertekend, wordt gelijkgesteld met een waarschuwing die met een handgeschreven handtekening ondertekend is.]1

Art. R.133. [1 § 1er. Le procès-verbal peut être valablement dressé en format électronique et conservé sous cette forme lorsqu'il a été dressé conformément à l'article R.132 et qu'il est signé par son auteur ou ses auteurs de manière électronique au moyen d'une signature électronique qualifiée au sens de l'article 3.12. du Règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la Directive 1999/93/CE.
Le Ministre peut prévoir que le procès-verbal peut être signé par son auteur de manière électronique au moyen d'un autre système, si ce système permet de déterminer l'identité du signataire et l'intégrité du procès-verbal signé avec des garanties suffisantes.
§ 2. Le procès-verbal qui a été signé de manière électronique par son auteur, conformément au paragraphe 1er, est assimilé à un procès-verbal signé au moyen d'une signature manuscrite.
§ 3. L'avertissement peut être valablement dressé sous format électronique et conservé sous cette forme lorsqu'il est signé par son auteur ou ses auteurs de manière électronique au moyen d'une signature électronique qualifiée au sens de l'article 3.12. du Règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la Directive 1999/93/CE ou par tout autre système arrêté conformément au paragraphe 1er, alinéa 2.
L'avertissement qui a été signé de manière électronique par son auteur ou ses auteurs, conformément à l'alinéa 1er, est assimilé à un avertissement signé au moyen d'une signature manuscrite.]1

HOOFDSTUK 2. [1 - Onderzoeksmiddelen.]1
CHAPITRE II. [1 - Moyens d'investigation.]1
Afdeling 1. [1 - Monsterneming]1
Section 1re. [1 - Prélèvement des échantillons.]1
Art. R.134. [1 Bij elke bemonstering wordt een proces-verbaal opgesteld, dat ten minste de in het model in bijlage XII - deel 2 - vermelde gegevens bevat, waarvan de vorm facultatief is.
De Minister kan de in lid 1 bedoelde bijlage aanvullen, wijzigen of vervangen.]1

Art. R.134. [1 Lors de chaque échantillonnage, un procès-verbal est dressé, celui-ci comporte au moins les informations reprises dans le modèle qui figure en annexe XII - partie 2, dont la forme est facultative.
Le Ministre est habilité à compléter, modifier, ou remplacer l'annexe, visée à l'alinéa 1er.]1

Art. R.135. [1 De personen tegen wie de resultaten van de metingen weerhouden worden, helpen bij de monsterneming. In voorkomend geval stellen ze de nodige technische middelen ter beschikking voor het verrichten van metingen of monsternemingen.
De in lid 1 bedoelde vordering kan betrekking hebben op de technische middelen die nodig zijn voor de monsterneming, alsook voor het vervoer en de bewaring van de monsters.]1

Art. R.135. [1 Les personnes à charge desquelles les résultats des mesures sont retenus prêtent leur concours au prélèvement des échantillons. Le cas échéant, ils mettent à disposition les moyens techniques nécessaires pour effectuer les mesures ou prélever des échantillons.
La réquisition, visée à l'alinéa 1er peut porter sur les moyens techniques nécessaires pour procéder à l'échantillonnage, transporter et conserver les échantillons.]1

Art. R.136. [1 Het soort en de hoeveelheid van de monsters worden bepaald door de behoeften van de handelingen die in het laboratorium uitgevoerd moeten worden.
De monsters worden in minstens twee exemplaren genomen.
De monsters worden, al naar gelang van het geval, in vaten, zakken of omhulsels verzameld. Zij worden door de vaststellende beambte belast met de monsterneming of door de technische deskundige die hem begeleidt, geëtiketteerd, omwikkeld en verzegeld op zulke wijze dat vervanging, onttrekking of toevoeging op enigerlei wijze wordt voorkomen.]1

Art. R.136. [1 La nature et la quantité des échantillons sont déterminées par les besoins des opérations à exécuter en laboratoire.
Les échantillons sont prélevés en deux exemplaires.
Les échantillons sont recueillis, selon le cas, dans des récipients, des sacs ou des enveloppes. Ils sont étiquetés, enveloppés et scellés par l'agent constatateur qui a procédé au prélèvement ou par l'expert technique dont il est accompagné, de façon à éviter toute substitution, soustraction ou addition de manière quelconque.]1

Art. R.137. [1 Op het etiket van elk monster komen de volgende gegevens voor:
een volgordenummer;
de plaats, de datum en het uur van de monsterneming;
de naam en de handtekening van de vaststellende beambte die de monsterneming heeft uitgevoerd;
de aard van de bemonsterde stoffen;
in voorkomend geval, de naam en de handtekening van de technische deskundige die de vaststellende beambte begeleid heeft.]1

Art. R.137. [1 L'étiquetage de chaque échantillon comporte au moins les indications suivantes :
un numéro d'ordre ;
le lieu, la date et l'heure de prélèvement ;
le nom et la signature de l'agent constatateur qui a procédé à l'échantillonnage ;
la nature des matières prélevées ;
s'il échet, le nom et la signature de l'expert technique qui a accompagné l'agent constatateur.]1

Art. R.138. [1 De persoon die de bemonstering heeft uitgevoerd, verzoekt de uitbater of de vermoedelijke overtreder, indien aanwezig, de exemplaren van het monster op een zodanige wijze te markeren dat deze niet kunnen worden gewijzigd of vervangen.
In voorkomend geval wordt dit in het proces-verbaal opgenomen.]1

Art. R.138. [1 La personne qui a procédé à l'échantillonnage invite l'exploitant ou l'auteur présumé de l'infraction, lorsque celui-ci est présent, à apposer une marque quelconque sur l'étiquette des exemplaires de l'échantillon afin que ceux-ci ne fassent pas l'objet d'une altération ou d'un remplacement.
Le cas échéant, il en est fait mention dans le procès-verbal.]1

Art. R.139. [1 De persoon die de bemonstering heeft verricht, bewaart een exemplaar van het monster voor analyse door een erkend laboratorium.
Hij overhandigt het andere exemplaar van het monster aan de personen tegen wie de resultaten van de metingen weerhouden kunnen worden, met het oog op een eventuele tegenexpertise als bedoeld in artikel R.147. Indien de uitbater of de vermoedelijke overtreder afwezig of onbekend is, wordt dit andere exemplaar hem binnen een wetenschappelijk verantwoorde termijn ter beschikking gesteld, zodat de kwaliteit van het onderzoek kan worden gegarandeerd door de persoon die de bemonstering heeft uitgevoerd.]1

Art. R.139. [1 La personne qui a procédé à l'échantillonnage conserve un exemplaire de l'échantillon aux fins d'analyses par un laboratoire agréé.
Il remet l'autre exemplaire de l'échantillon aux personnes à charge desquelles les résultats des mesures pourront être retenus, aux fins d'une éventuelle contre-expertise telle que prévue à l'article R.147. Dans le cas où l'exploitant ou l'auteur présumé de l'infraction est absent ou inconnu, cet autre exemplaire est tenu à sa disposition dans un délai scientifiquement valable pour assurer la qualité de l'analyse par la personne qui a procédé à l'échantillonnage.]1

Afdeling 2. [1 - Erkenning van de laboratoria.]1
Section 2. [1 - Agrément des laboratoires.]1
Art. R.140. [1 Onverminderd andere erkenningen verleent de Minister de erkenning aan de laboratoria die overeenkomstig dit deel de genomen monsters analyseren.
Elke beslissing met betrekking tot een erkenning wordt op het leefmilieuportaal van de website van het Waalse Gewest bekendgemaakt.]1

Art. R.140. [1 Sans préjudice d'autres agréments, le Ministre agrée les laboratoires qui analysent les échantillons prélevés conformément à la présente partie.
Toute décision d'agrément est publiée sur le portail Environnement du site Internet de la Région wallonne.]1

Art. R.141. [1 Wat water betreft zijn er drie erkenningscategorieën:
categorie A: fysisch-chemische analyses;
categorie B: hydrobiologische en microbiologische analyses, hetzij bacteriologische en virologische analyses;
categorie C: specifieke organische en toxicologische analyses.
Bijlage XIII bevat een lijst van de analyses die in die categorieën ingedeeld zijn.]1

Art. R.141. [1 En matière d'eau, il y a trois catégories d'agréments :
catégorie A : analyses physico-chimiques ;
catégorie B : analyses hydrobiologiques et microbiologiques, soit bactériologiques et virologiques ;
catégorie C : analyses organiques spécifiques et toxicologiques.
Une liste des analyses qui composent ces catégories est reprise à l'annexe XIII.]1

Art. R.142. [1 De erkenningsaanvraag dient per aangetekend schrijven aan de Administratie worden gericht.
De in lid 1 bedoelde aanvraag vermeldt het volgende:
de naam, de statuten of het beroep, alsook de maatschappelijke zetel of de woonplaats van de natuurlijke of rechtsperso(o)n(en) die het laboratorium uitba(a)t(en);
de naam, het beroep en de functie van de persoon die de effectieve directie van het laboratorium waarneemt, alsook van zijn bestuurders indien het om een rechtspersoon gaat.
De erkenningsaanvraag gaat gepaard met de stukken waaruit blijkt dat:
de aanvrager beschikt over de lokalen, het materieel alsook de apparatuur en de documentatie die nodig zijn voor de uitvoering van de analyses bedoeld in dit deel;
de aanvrager beschikt over het technisch personeel dat geschikt is voor de aard en het belang van genoemde analyses.]1

Art. R.142. [1 La demande d'agrément est adressée à l'Administration par courrier recommandé.
La demande, visée à l'alinéa 1er, mentionne :
le nom, les statuts ou la profession, ainsi que le siège social ou le domicile de la ou des personnes morales ou physiques exploitant le laboratoire ;
le nom, la profession et la fonction de la personne qui assure la direction effective du laboratoire, ainsi que de ses administrateurs s'il s'agit d'une personne morale.
La demande d'agrément est accompagnée des pièces permettant d'établir que :
le demandeur dispose des locaux, du matériel ainsi que de l'appareillage et de la documentation scientifique nécessaire afin d'exécuter les analyses prévues conformément à la présente partie ;
le demandeur dispose du personnel technique adapté à la nature et à l'importance desdites analyses.]1

Art. R.143. [1 Wat betreft de analyses uitgevoerd overeenkomstig artikelen D. 162 en D. 163, zorgt elk erkend laboratorium voor het volgende:
een register van de analyses bijhouden, waarin melding wordt gemaakt van de verrichte handelingen en behaalde resultaten;
gescheiden boeken betreffende de verrichte analyses bijhouden;
de vaststellende beambten toegang verlenen tot de lokalen van het laboratorium en hen inzage geven in alle documenten in verband met de analyses, met inbegrip van de boekhouding;
de door de Minister of de Administratie vastgelegde richtlijnen volgen, wat betreft de analysevoorwaarden en -methodes en het opstellen van analyseprotocollen die daarop betrekking hebben.]1

Art. R.143. [1 En ce qui concerne les analyses effectuées en application des articles D.162 et D.163, tout laboratoire agréé :
tient à jour un registre des analyses mentionnant les opérations effectuées ainsi que les résultats obtenus ;
tient à jour une comptabilité séparée relative aux analyses effectuées ;
permet aux agents constatateurs d'accéder aux locaux du laboratoire et de consulter tous les documents se rapportant aux analyses, y compris la comptabilité ;
suit les règles fixées par le Ministre ou par l'Administration, en ce qui concerne les conditions et méthodes d'analyse et la rédaction des protocoles d'analyses s'y rapportant.]1

Art. R.144. [1 De erkenning kan door de Minister geheel of gedeeltelijk ingetrokken of opgeschort worden indien de erkenningsvoorwaarden niet meer vervuld zijn of indien de Administratie oordeelt dat de kwaliteit van de prestaties van de houder van de erkenning ruim onvoldoende is.
Vóór elke in lid 1 bedoelde beslissing wordt de houder van de erkenning erom verzocht zijn verweermiddelen te laten gelden.
De opschorting of intrekking van de erkenning wordt op het leefmilieuportaal van de website van het Waalse Gewest bekendgemaakt.]1

Art. R.144. [1 L'agrément peut être retiré ou suspendu, en tout ou en partie, par le Ministre si les conditions d'agrément ne sont plus remplies ou si les prestations fournies par le titulaire de l'agrément sont considérées par l'Administration comme de qualité manifestement insuffisante.
Le titulaire de l'agrément est invité à faire valoir ses moyens de défense avant toute décision, visée à l'alinéa 1er.
La suspension ou le retrait de l'agrément est publié sur le portail Environnement du site Internet de la Région wallonne.]1

Afdeling 3. [1 - Analyseprotocollen.]1
Section 3. [1 - Protocoles d'analyse.]1
Art. R.145. [1 Het laboratorium waaraan een monster is afgegeven, voert de analyse uit binnen de termijn voorgeschreven door de Minister of de vaststellende beambte.
Art. R.145. [1 Le laboratoire auquel un échantillon a été remis procède à son analyse dans le délai requis par le Ministre ou par l'agent constatateur.
Art. R.146. [1 Wanneer een proces-verbaal van een overtreding naar aanleiding van een overeenkomstig dit hoofdstuk verrichte analyse wordt opgemaakt, wordt dit proces-verbaal overeenkomstig artikel D.166 overgemaakt door de vaststellende beambte die het heeft opgesteld. De beambte voegt daaraan het analyseprotocol toe.]1
Art. R.146. [1 Lorsqu'un procès-verbal d'infraction est dressé à la suite d'une analyse réalisée conformément au présent chapitre, ce procès-verbal est expédié conformément à l'article D.166 par l'agent constatateur qui l'a dressé. L'agent y joint le protocole d'analyse.]1
Art. R.147. [1 De persoon tegen wie de resultaten van de metingen weerhouden worden kan op eigen kosten een tegenanalyse op het andere exemplaar van het bewaarde monster door een ander erkend laboratorium laten uitvoeren. Deze tegenanalyse wordt uitgevoerd op een naar behoren bewaard monster en binnen een wetenschappelijk verantwoord termijn, om de kwaliteit van de analyse te waarborgen. Zij stelt de vaststellende beambte in kennis van de aanvraag van tegenanalyse.
Art. R.147. [1 La personne à charge de qui les résultats des mesures sont retenus peut faire procéder, à ses propres frais, à une contre-analyse effectuée par un autre laboratoire agréé sur l'autre exemplaire de l'échantillon conservé. Cette contre-analyse est réalisée sur un échantillon correctement conservé et dans un délai scientifiquement valable pour assurer la qualité de l'analyse. Elle informe l'agent constatateur de la demande de cette contre-analyse.
HOOFDSTUK 3. [1 - Veiligheids- en dwangmaatregelen.]1
CHAPITRE III. [1 - Mesures de sécurité et de contrainte.]1
Afdeling 1. [1 - Algemene bepalingen.]1
Section 1re. [1 - Dispositions générales.]1
Art. R.148. [1 Wanneer een veiligheids- en dwangmaatregel aan een overtreder is opgelegd overeenkomstig artikel D.169 en de overtreder na het verstrijken van de gestelde termijn in gebreke blijft met betreking tot deze maatregel, kan de Minister, onverminderd artikel D.169, § 4, het initiatief nemen om ambtshalve over te gaan tot de tenuitvoerlegging van de opgelegde veiligheids- en dwangmaatregel. Hij stelt de burgemeester en de directeur-generaal van de Administratie op voorhand in kennis daarvan.
De burgemeester kan de Minister verzoeken om gehoord te worden over de uitvoering van de veiligheids- en dwangmaatregel. De burgemeester richt zijn verzoek om een hoorzitting aan de Minister binnen drie dagen na ontvangst van de in lid 1 bedoelde informatie.]1

Art. R.148. [1 Lorsqu'une mesure de sécurité et de contrainte est imposée à un contrevenant conformément à l'article D.169 et que ce contrevenant reste, à l'échéance du délai fixé, en défaut d'exécution de ladite mesure, le Ministre peut, sans préjudice de l'article D.169, § 4, prendre l'initiative de procéder d'office à l'exécution de la mesure de sécurité et de contrainte imposée. Il en informe préalablement le bourgmestre et le Directeur général de l'Administration.
Le bourgmestre peut demander à être entendu par le Ministre sur l'exécution de la mesure de sécurité et de contrainte. Le bourgmestre adresse sa demande d'audition au Ministre dans les trois jours de la réception de l'information, visée à l'alinéa 1er.]1

Afdeling 2. [1 - Beroep tegen de beslissingen genomen krachtens artikel D.169.]1
Section 2. [1 - Recours contre les décisions prises en vertu de l'article D.169.]1
Art. R.149. [1 § 1. Het in artikel D.172 bedoelde beroep wordt ingediend bij de directeur-generaal van de Administratie.
§ 2. Het beroep wordt door de verzoeker of zijn raadsman gedateerd en ondertekend en bevat de volgende gegevens:
de naam, voornaam en het adres van de verzoeker of, indien de verzoeker een rechtspersoon is, zijn benaming of handelsnaam, zijn rechtsvorm, het adres van de bedrijfszetel alsook de naam, voornaam, het adres en de hoedanigheid van de persoon die gemachtigd is om het beroep in te dienen;
de referenties, het voorwerp en de datum van de omstreden beslissing, alsook een afschrift daarvan;
de verweermiddelen die ingezet worden tegen de omstreden beslissing;
zijn voornemen om al dan niet een mondelinge verdediging bij een hoorzitting te verzoeken.
§ 3. De verzoeker kan binnen twintig dagen na de indiening van zijn beroep zijn verweermiddelen schriftelijk aanvullen. De hoorzitting van de verzoeker kan niet vóór het verstrijken van deze termijn plaatsvinden en moet uiterlijk dertig dagen vanaf de eerste dag na ontvangst van het beroep worden gehouden.
In het kader van haar onderzoek en alvorens de verzoeker te horen, kan de Administratie het advies inwinnen van de instanties, administraties en overheden die zij nodig acht. Indien de beslissing bedoeld in artikel D.169 door een burgemeester wordt genomen, wordt ambtshalve diens advies ingewonnen.
De geraadpleegde instanties, administraties en overheden beschikken over een termijn van zeven dagen, te rekenen vanaf de dag volgend op de verzendingsdatum van het verzoek om advies. Na ontvangst van het advies bezorgt de Administratie de verzoeker een afschrift ervan en geeft hem tien dagen de tijd om het advies te bestuderen en in voorkomend geval zijn verweermiddelen bekend te maken. De hoorzitting wordt ten vroegste twee dagen na ontvangst van de aanvullende stukken gehouden.
§ 4. De Administratie richt het ingediende beroep aan de Minister, samen met een ontwerp-beslissing, binnen vijfenveertig dagen vanaf de eerste dag volgend op de ontvangst van het beroep.
§ 5. Tegelijk met de kennisgeving van de beslissing richt de Minister een afschrift van zijn beslissing:
aan de Administratie;
aan de overheden en administraties die tijdens de beroepsprocedure een advies hebben uitgebracht;
aan de procureur des Konings en de bevoegde sanctionerende beambte;
aan de vaststellende beambte die het verslag op grond van artikel D.169 heeft opgesteld;
aan de burgemeester wanneer deze de maatregel op grond van artikel D.169 heeft aangenomen.]1

Art. R.149. [1 § 1er. Le recours, visé à l'article D.172, est introduit auprès du Directeur général de l'Administration.
§ 2. Le recours est daté et signé par le requérant ou son conseil, et comprend les informations suivantes :
les nom, prénom et adresse du requérant ou, si le requérant est une personne morale, sa dénomination ou sa raison sociale, sa forme juridique, l'adresse du siège social ainsi que les nom, prénom, adresse et qualité de la personne mandatée pour introduire le recours ;
les références, l'objet et la date de la décision attaquée ainsi qu'une copie de celle-ci ;
les moyens de défense développés à l'encontre de la décision attaquée ;
son intention de solliciter ou non la présentation orale de sa défense dans le cadre d'une audition.
§ 3. Le requérant peut, dans les vingt jours de l'introduction de son recours, compléter ses moyens de défense par écrit. L'audition du requérant ne peut pas être organisée avant cette échéance et se tient au plus tard trente jours à dater du premier jour suivant la réception du recours.
Dans le cadre de son instruction, et avant l'audition du requérant, l'Administration peut solliciter l'avis des instances, administrations et autorités qu'elle juge nécessaire. Dans le cas où la décision,visée à l'article D.169, émane d'un bourgmestre, son avis est d'office sollicité.
Les instances, administrations, et autorités consultées disposent d'un délai de sept jours pour rendre leur avis à compter du lendemain de la date d'envoi de la demande d'avis. Dès la réception de l'avis émis, l'Administration en transmet copie au requérant et lui accorde un nouveau délai de dix jours pour en prendre connaissance et, le cas échéant, pour communiquer ses moyens de défense. L'audition est organisée au plus tôt deux jours après la réception des compléments.
§ 4. L'Administration envoie au Ministre le recours introduit, ainsi qu'un projet de décision dans un délai de quarante-cinq jours à dater du premier jour suivant la réception du recours.
§ 5. Simultanément à la notification de la décision au requérant, le Ministre envoie une copie de sa décision :
à l'Administration ;
aux autorités et administrations qui ont émis un avis au cours de la procédure de recours ;
au procureur du Roi et au fonctionnaire sanctionnateur compétents ;
à l'agent constatateur qui a établi le rapport sur base de l'article D.169 ;
au bourgmestre lorsque c'est celui-ci qui a adopté la mesure sur base de l'article D.169.]1

Afdeling 3. [1 - Specifieke maatregelen.]1
Section 3. [1 - Mesures spécifiques]1
Onderafdeling 1. [1 - Administratieve inbeslagneming van dieren.]1
Sous-section 1re. [1 - Saisie administrative d'animaux.]1
Art. R.150. [1 Voor de toepassing van deze onderafdeling is de bevoegde dienst op gewestelijk niveau inzake administratieve inbeslagneming van dieren in de zin van artikel D. 170, § 2, de "Unité du Bien-être animal du Département de la Police et des Contrôles de l'Administration", hierna de Dienst" genoemd.
De processen-verbaal en afschriften van beslissingen die aan deze dienst moeten worden overgemaakt, worden hem binnen vijftien dagen toegestuurd in een van de vormen bedoeld in artikel D.141, § 2, derde lid, of via het Centraal bestand volgens de modaliteiten die zijn vastgesteld in een protocol dat overeenkomstig artikel D.145 is gesloten.]1

Art. R.150. [1 Pour l'application de la présente sous-section, le service compétent au niveau de la Région en matière de saisie administrative d'animaux au sens de l'article D. 170, § 2, est l'Unité du Bien-être animal du Département de la Police et des Contrôles de l'Administration, ci-après dénommée " le Service ".
Les procès-verbaux et copies de décisions qui doivent être transmis à ce service, lui sont envoyés endéans les quinze jours sous l'une des formes, visées à l'article D.141, § 2, alinéa 3, ou par le biais du Fichier central selon les modalités arrêtées dans un protocole conclu conformément à l'article D.145.]1

Art. R.151. [1 § 1. De opvangplaats waar het in beslag genomen dier tijdelijk wordt ondergebracht en de nodige verzorging krijgt is:
een dierenasiel;
een vereniging die erkend is voor hulp en bijstand aan mishandelde dieren;
een dierentuin, indien de in beslag genomen diersoort dit vereist.
Wanneer de beambte of de burgemeester geen opvangplaats als bedoeld in lid 1 kan vinden, kan hij het dier op een ander verblijfplaats onderbrengen, mits deze geschikt is en de verantwoordelijke van het onderkomen over voldoende bekwaamheid en kennis beschikt om het dier op te vangen.
§ 2. De beambte die de inbeslagneming uitvoert of de burgemeester die de inbeslagneming eist, bepaalt de opvangplaats op grond van:
de gezondheidstoestand van het dier en de dringendheid om het te plaatsen;
de afstand tussen de plaats van inbeslagneming en de opvangplaats;
de huisvestingscapaciteit van de opvangplaats in functie van de betrokken soort;
de mogelijkheid om het dier binnen de door de beambte of de burgemeester vastgestelde termijn te vervoeren, voor zover een vervoer vereist is.]1

Art. R.151. [1 § 1er. Le lieu d'accueil dans lequel l'animal saisi est hébergé provisoirement et où il reçoit des soins appropriés est soit :
un refuge pour animaux ;
une association reconnue pour l'aide et l'assistance aux animaux en situation de maltraitance ;
un parc zoologique, si l'espèce de l'animal saisi le requiert.
Lorsque l'agent ou le bourgmestre est dans l'incapacité de trouver un lieu d'accueil, tel que visé à l'alinéa 1er, il peut placer l'animal dans un autre lieu d'hébergement pour autant qu'il soit adapté et que le responsable du lieu présente les capacités et les connaissances suffisantes pour accueillir l'animal.
§ 2. L'agent qui procède à la saisie ou le bourgmestre qui ordonne la saisie détermine le lieu d'accueil en fonction :
de l'état de santé de l'animal et de l'urgence à le placer ;
de la distance entre le lieu de saisie et le lieu d'accueil ;
de la capacité d'hébergement du lieu d'accueil selon l'espèce concernée ;
de la capacité à procéder au transport de l'animal dans les délais fixés par l'agent ou par le bourgmestre, pour autant que le transport soit requis.]1

Art. R.152. [1 De verantwoordelijke van de opvangplaats laat een veterinair verslag opmaken over de gezondheidstoestand van het in beslag genomen dier. Dit verslag wordt overgemaakt aan de Dienst, bedoeld in artikel R.150, derde lid, of aan de burgemeester indien deze het initiatief van de inbeslagneming heeft genomen. Dit verslag wordt uiterlijk zeven dagen vanaf de daadwerkelijke opvang van het in beslag genomen dier overgemaakt.
Binnen dertig dagen vanaf de daadwerkelijke inbeslagneming van het dier, verzendt de verantwoordelijke van de opvangplaats, op verzoek van dezelfde Dienst of van de burgemeester, indien deze het initiatief van de inbeslagneming heeft genomen, een ontwikkelingsrapport dat ten minste een of meer van de volgende elementen bevat:
een veterinair verslag over de fysieke en psychische gezondheidstoestand van het dier en de ontwikkeling daarvan,
een contextueel verslag over het gedrag van het dier, het eventuele gedrag van de verantwoordelijke tegenover zijn dier, en nuttige informatie over de mogelijke bestemming van het dier.
In geval van dood of noodzakelijke euthanasie van het in beslag genomen dier, stelt de verantwoordelijke van de opvangplaats de Dienst hiervan onverwijld in kennis, of de burgemeester indien deze het initiatief van de inbeslagneming heeft genomen.
Ook in geval van euthanasie verstrekt de verantwoordelijke van de opvangplaats een afschrift van de veterinaire rechtvaardiging waaruit blijkt dat het onmiddellijk doden noodzakelijk is.
De Dienst of de burgemeester deelt de in dit artikel bedoelde informatie binnen zeven dagen aan de bevoegde sanctionerende beambte mee.]1

Art. R.152. [1 Le responsable du lieu d'accueil fait réaliser un rapport vétérinaire sur l'état de santé de l'animal saisi. Ce rapport est communiqué au Service, visé à l'article R.150, alinéa 3, ou au bourgmestre si ce dernier est à l'initiative de la saisie. Ce rapport est transmis, au plus tard, sept jours à compter de la prise en charge effective de l'animal saisi.
Dans les trente jours à compter de la prise en charge effective de l'animal, le responsable du lieu d'accueil adresse à la demande du même Service ou au bourgmestre, si ce dernier est à l'initiative de la saisie, un rapport d'évolution contenant au minimum un ou plusieurs éléments suivants :
un rapport vétérinaire informant sur l'état de santé physique et psychique de l'animal ainsi que son évolution ;
un rapport contextuel informant sur le comportement de l'animal, l'éventuel comportement du responsable de l'animal à son égard, les informations utiles quant à sa possible destination.
En cas de mort ou d'euthanasie nécessaire de l'animal saisi, le responsable du lieu d'accueil en informe sans délai le Service ou le bourgmestre si ce dernier est à l'initiative de la saisie.
De la même manière, en cas d'euthanasie, le responsable du lieu d'accueil communique une copie de la justification vétérinaire démontrant la nécessité de recourir à la mise à mort sans délai.
Le service ou le bourgmestre communique les informations, visées au présent article, endéans les sept jours au Fonctionnaire sanctionnateur compétent.]1

Art. R.153. [1 § 1. Wanneer de restitutie van het dier uitgesloten is wegens de ernst van de feiten, de herhaling ervan, het gebrek aan belangstelling van de verantwoordelijke of diens onvermogen om levensomstandigheden te bieden die recht doen aan de fysiologische en ethologische behoeften van zijn dier, en het dier niet is geëuthanaseerd wegens de noodzaak van zijn toestand, geldt de aangewezen opvangplaats als de plaats van bestemming van het dier. In dat geval voorziet de beslissing omtrent de bestemming in de kosteloze overbrenging in volle eigendom van het in beslag genomen dier naar de opvangplaats.
In afwijking van het eerste lid kan de beslissing over de bestemming van het in beslag genomen dier voorzien in een andere bestemming dan de opvangplaats, wanneer de verantwoordelijke van de opvangplaats stelt dat hij het dier na afloop van de termijn bedoeld in artikel D.170, § 5, niet langer kan huisvesten. In dat geval brengt de verantwoordelijke van de opvangplaats een advies uit over de beoogde bestemming en kan hij op eigen initiatief een bestemming voor het dier voorstellen. In de beslissing over de bestemming kan de Minister bevoegd voor het dierenwelzijn of zijn afgevaardigde, ofwel de burgemeester, het in beslag genomen dier kosteloos in volle eigendom en onder de door hem opgelegde voorwaarden overdragen aan elke persoon die over voldoende capaciteiten en kennis beschikt om het dier op te vangen.
§ 2. De in paragraaf1 bedoelde beslissing over de bestemming kan specifieke voorwaarden opleggen voor het houden, de diergeneeskundige verzorging of de activiteiten van het betrokken dier.
§ 3. Wanneer de beslissing over de bestemming tot doel heeft het in beslag genomen dier aan de oorspronkelijke eigenaar te restitueren, wordt er daarbij systematisch voorwaarden opgelegd om het welzijn van het dier te waarborgen. Deze voorwaarden kunnen de in paragraaf 2 bedoelde voorwaarden omvatten, alsook voorwaarden betreffende de kennis en vaardigheden van de verantwoordelijke van het dier of voorwaarden waarbij de verantwoordelijke van het dier het binnen een bepaalde termijn aan een derde moet overdragen, krachtens de vastgestelde modaliteiten.
§ 4. De dood of euthanasie van het in beslag genomen dier, vóór of tijdens het verblijf van het dier op de opvangplaats, maakt een einde aan de administratieve inbeslagnemingsprocedure. In dat geval is de bevoegde overheid vrijgesteld van het nemen van een beslissing over de bestemming, onverminderd de kosten van de genomen maatregelen, die overeenkomstig artikel D ten laste komen van de verantwoordelijke van het dier. 170, § 6.]1

Art. R.153. [1 § 1er. Lorsque la restitution de l'animal est écartée en raison de la gravité des faits, de la récurrence de ceux-ci, du désintérêt de son responsable ou de son incapacité à offrir des conditions de vie respectueuses des besoins physiologiques et éthologiques à son animal, et que l'animal n'a pas été euthanasié en raison de la nécessité de son état, le lieu d'accueil désigné constitue le lieu de destination de l'animal. Dans ce cas, la décision de destination prévoit de céder l'animal saisi gratuitement en pleine propriété au lieu d'accueil.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la décision de destination concernant l'animal saisi peut prévoir une autre destination que le lieu d'accueil, lorsque ce dernier déclare être dans l'impossibilité de continuer à héberger l'animal à l'issue du délai, visé à l'article D.170, § 5. Dans ce cas, le responsable du lieu d'accueil rend un avis sur la destination envisagée et peut, d'initiative, proposer une destination pour l'animal. Dans la décision de destination, le Ministre qui a le bien-être des animaux dans ses attributions ou son délégué, ou le bourgmestre peut alors céder l'animal saisi en pleine propriété, gratuitement et aux conditions qu'il impose, à toute personne disposant des capacités et connaissances suffisantes pour accueillir l'animal.
§ 2. La décision de destination, telle que visée au paragraphe 1er, peut imposer des conditions propres à la détention, au suivi vétérinaire ou aux activités de l'animal visé.
§ 3. Lorsque la décision de destination vise à restituer l'animal saisi à son responsable initial, elle impose d'office des conditions visant à assurer le bien-être de l'animal. Ces conditions peuvent reprendre des conditions, visées au paragraphe 2, et des conditions relatives aux connaissances et compétences du responsable de l'animal ou des conditions imposant au responsable de l'animal de céder l'animal dans un délai déterminé à une tierce personne, selon les modalités précisées.
§ 4. La mort ou l'euthanasie de l'animal saisi, avant ou durant l'hébergement de l'animal dans le lieu d'accueil met fin à la procédure de saisie administrative. Dans ce cas, l'autorité compétente est dispensée d'adopter une décision de destination, sans préjudice des frais liés aux mesures prises qui sont mis à charge du responsable de l'animal conformément à l'article D. 170, § 6.]1

Art. R.154. [1 Wanneer de inbeslagneming op initiatief van een vaststellende beambte of elke andere beambte wordt uitgevoerd, bepaalt de Minister bevoegd voor dierenwelzijn of zijn afgevaardigde de bestemming van het dier overeenkomstig artikel R.153.
Wanneer de inbeslagneming op initiatief van de burgemeester wordt uitgevoerd, beslist deze over de bestemming van het dier overeenkomstig artikel R.153.
Om een beslissing te kunnen nemen over de bestemming van een dier of voor de tenuitvoerlegging daarvan kan de Minister bevoegd voor dierenwelzijn, zijn afgevaardigde of de burgemeester een beroep doen op een dierenarts of elke andere persoon wiens deskundigheid nuttig wordt geacht.]1

Art. R.154. [1 Lorsque la saisie est réalisée à l'initiative d'un agent constatateur ou de tout autre agent, le Ministre qui a le Bien-être des animaux dans ses attributions ou son délégué fixe la destination de l'animal conformément à l'article R.153.
Lorsque la saisie est réalisée à l'initiative du bourgmestre, ce dernier décide de la destination de l'animal conformément à l'article R.153.
Pour prendre une décision de destination concernant un animal ou pour sa mise en application, le Ministre qui a le Bien-être des animaux dans ses attributions, son délégué, ou le Bourgmestre peut faire appel à un médecin-vétérinaire ou à toute autre personne dont l'expertise est jugée utile.]1

Art. R.155. [1 De verantwoordelijke van de opvangplaats moet zich schikken naar de eventuele bevelen van de beambte, naar de overeenkomstig artikel R.154 genomen beslissing over de bestemming en naar de termijnen vastgesteld bij de kennisgeving van deze beslissing.
Indien de verantwoordelijke van de opvangplaats zich niet schikt naar de in lid 1 bedoelde beslissing of indien hij de in artikel R.152, eerste lid, bedoelde verplichting niet nakomt, en onverminderd andere toepasselijke sancties, wordt het in artikel R.158 bedoelde voorschot op de kostenvergoeding niet toegekend.]1

Art. R.155. [1 Le responsable du lieu d'accueil se conforme aux injonctions éventuelles de l'agent, à la décision de destination prise en vertu de l'article R.154 et aux délais fixés lors de la notification de cette décision.
Si le responsable du lieu d'accueil ne se conforme pas à la décision, visée à l'alinéa 1er, ou s'il ne respecte pas l'obligation, visée au premier alinéa de l'article R.152, et sans préjudice d'autres sanctions applicables, l'avance sur le remboursement des frais, visée à l'article R.158, n'est pas octroyée.]1

Art. R.156. [1 Bij gebreke van een beslissing binnen de gestelde termijn stelt de Minister bevoegd voor het dierenwelzijn, zijn afgevaardigde of de burgemeester, indien deze het initiatief tot de inbeslagneming heeft genomen, de verantwoordelijke van het dier alsook de opvangplaats, in kennis van de opheffing van de inbeslagneming en van de mogelijkheid het dier in bezit te nemen op het adres waar het gehuisvest is.]1
Art. R.156. [1 En l'absence de décision dans le délai fixé, le Ministre qui a le Bien-être des animaux dans ses attributions, son délégué, ou le bourgmestre si ce dernier est à l'initiative de la saisie notifie, au responsable de l'animal ainsi qu'au lieu d'accueil, la levée de la saisie et la possibilité de prendre possession de l'animal à l'adresse où il est hébergé.]1
Art. R.157. [1 Wanneer tot inbeslagneming is besloten door een in artikel D.170 bedoelde bevoegde beambte, kan de verantwoordelijke van de opvangplaats de Administratie verzoeken om een voorschot op de kostenvergoeding in verband met de huisvesting van de in beslag genomen dieren.]1
Art. R.157. [1 Lorsque la saisie est décidée par un agent compétent, visé à l'article D.170, le responsable du lieu d'accueil peut solliciter auprès de l'Administration une avance sur le remboursement des frais liés à l'hébergement des animaux saisis.]1
Art. R.158. [1 § 1. Het maximumbedrag van het voorschot voor de huisvestingskosten van de in beslag genomen dieren is vastgesteld overeenkomstig bijlage XIV.
De in bijlage XIV vastgestelde maximumbedragen worden ten minste om de vijf jaar geëvalueerd.
De Minister bevoegd voor het dierenwelzijn kan bijlage XIV aanvullen, wijzigen of vervangen.
§ 2. Indien een diersoort die niet in bijlage XIV is vermeld, wordt opgevangen, stelt de verantwoordelijke van de opvangplaats de Minister bevoegd voor het dierenwelzijn een dagelijks bedrag voor dat overeenstemt met de huisvestingskosten voor deze diersoort. Hij verstrekt elk bewijsstuk ter ondersteuning van het voorstel. Binnen vijftien dagen na ontvangst van dit voorstel stelt de Minister bevoegd voor het dierenwelzijn het maximumbedrag van het voorschot voor deze diersoort vast via een wijziging van bijlage XIV.]1

Art. R.158. [1 § 1er. Le plafond de l'avance relative aux frais occasionnés par l'hébergement des animaux saisis est fixé conformément à l'annexe XIV.
Les plafonds déterminés dans l'annexe XIV sont revus à minima tous les cinq ans.
Le Ministre qui a le bien-être des animaux dans ses attributions peut compléter, modifier, ou remplacer l'annexe XIV.
§ 2. En cas de prise en charge d'une espèce non reprise à l'annexe XIV, le responsable du lieu d'accueil propose au Ministre qui a le bien-être des animaux dans ses attributions un montant journalier correspondant aux frais d'hébergement pour ladite espèce. Il communique tout élément probant permettant de justifier la proposition. Dans un délai de quinze jours à dater de la réception de cette proposition, le Ministre qui a le bien-être des animaux dans ses attributions fixe le plafond de l'avance applicable à cette espèce en modifiant l'annexe XIV.]1

Art. R.159. [1 § 1. Om voor het in artikel R.158 bedoelde voorschot op de vergoeding in aanmerking te komen, moet de verantwoordelijke van de opvangplaats binnen een termijn van ten hoogste zes maanden vanaf de eerste dag waarop het dier daadwerkelijk opgevangen is, een aangifte van schuldvordering bij aangetekend schrijven bij de Administratie indienen, overeenkomstig het model in bijlage XV.
§ 2. De verantwoordelijke van het dier is verplicht de kosten van de inbeslagneming te vergoeden op grond van een eenvoudige staat opgemaakt door de overheid die deze kosten heeft voorgeschoten of vergoed in toepassing van artikelen R.157 en R.158.
Het voorschot op de vergoeding doet geen afbreuk aan het recht van de verantwoordelijke van de opvangplaats om van de verantwoordelijke van het dier de terugbetaling te eisen van het gedeelte dat niet gedekt wordt door het in artikel R.156 bedoelde voorschot van de overeenkomstig artikel R.157 bepaalde huisvestingskosten, beperkt tot het in bijlage XIV vastgestelde maximumbedrag betreffende de huisvestingskosten, eventueel vermeerderd met de in artikel R.157, lid 3, bedoelde veterinaire kosten.]1

Art. R.159. [1 § 1er. Pour bénéficier de l'avance sur le remboursement prévu à l'article R.158, le responsable du lieu d'accueil introduit par courrier recommandé auprès de l'Administration, selon le modèle de l'annexe XV, une déclaration de créance, dans un délai maximal de six mois à dater du premier jour de la prise en charge effective de l'animal.
§ 2. Le responsable de l'animal est contraint au remboursement des frais liés à la saisie sur simple état dressé par l'autorité qui aura procédé à l'avance ou au remboursement de ces frais en application des articles R.157 et R.158.
L'avance sur le remboursement ne porte pas atteinte au droit du responsable du lieu d'accueil de réclamer auprès du responsable de l'animal le remboursement de la partie non couverte par l'avance prévue à l'article R.156 des frais d'hébergement déterminés en vertu de l'article R.157, limitée au plafond fixé à l'annexe XIV en ce qui concerne les frais d'hébergement, à laquelle peuvent s'ajouter les frais vétérinaires, visés à l'alinéa 3 de l'article R.157.]1

Onderafdeling 2. [1 - Administratieve inbeslagneming van voorwerpen.]1
Sous-section 2. [1 - Saisie administrative d'objets.]1
Art. R.160. [1 § 1. Wanneer een vaststellende beambte een inbreuk vaststelt en hij wordt geconfronteerd met een voorwerp dat de bron van een inbreuk in de zin van dit deel kan zijn, kan hij, met instemming van de sanctionerende beambte, het betrokken voorwerp in beslag nemen teneinde het te onttrekken aan de vrije beschikking van de eigenaar, bezitter of houder.
§ 2. Tijdens de administratieve inbeslagneming uitgevoerd overeenkomstig paragraaf 1 wordt de beslagene in kennis gesteld van de redenen waarom het voorwerp administratief in beslag is genomen.
De inbeslagneming en de redenen waarom de voorwerpen in beslag zijn genomen, met inbegrip van de vermelding van de geschonden wetgeving, worden in een proces-verbaal opgenomen. In een bijlage bij dit proces-verbaal worden de in beslag genomen voorwerpen beschreven en wordt er een inventaris opgemaakt. In deze bijlage wordt in voorkomend geval vermeld dat de beslagene afstand doet van zijn goed. Deze bijlage wordt ondertekend door de beslagene, indien aanwezig. De beslagene ontvangt een afschrift daarvan, onmiddellijk of uiterlijk binnen tien dagen vanaf de dag waarop de betrokken administratieve inbeslagneming is uitgevoerd.
De in lid 2 bedoelde bijlage vermeldt het volgende:
de identificatie van de personen die gemachtigd zijn het voorwerp in te leveren, overeenkomstig artikel R.160;
de vermelding dat het in beslag genomen voorwerp in voorkomend geval verbeurd kan worden verklaard overeenkomstig artikelen D.189, § 2, en D.198, § 3;
de inhoud van de artikelen van deze onderafdeling:
§ 3. Voor zover mogelijk wordt het in beslag genomen voorwerp door de vaststellende beambte geëtiketteerd, omwikkeld en bewaard in een verzegelde zak zodat elke vervanging, verwijdering of toevoeging op enigerlei wijze wordt voorkomen.
Wanneer al deze handelingen inhoudelijk onmogelijk zijn rekening houdend met de aard van het voorwerp, voert de vaststellende beambte de handelingen uit die wel kunnen worden verricht en bewaart hij het voorwerp op een veilige plaats en zorgt hij ervoor dat het voorwerp getraceerd kan worden met betrekking tot de verrichte vaststellingen.]1

Art. R.160. [1 § 1er. Lorsqu'une infraction est constatée par un agent constatateur et que celui-ci est confronté à un objet pouvant être source d'une infraction au sens de la présente partie, il peut, moyennant l'accord du fonctionnaire sanctionnateur, procéder à la saisie de l'objet visé afin de le soustraire à la libre disposition du propriétaire, du possesseur ou du détenteur.
§ 2. Au cours de la saisie administrative opérée, conformément au paragraphe 1er, le saisi est informé des motifs pour lesquels l'objet est saisi administrativement.
La saisie et les motifs pour lesquels les objets ont été saisis, en ce compris la référence à la législation transgressée, sont actées dans un procès-verbal. Une annexe de ce procès-verbal dresse une description des objets saisis et en fixe l'inventaire. Cette annexe mentionne, le cas échéant, que le saisi fait abandon de son bien. Cette annexe est signée par le saisi s'il est présent. Le saisi en reçoit copie soit immédiatement soit, au plus tard, dans les dix jours à compter du jour où a été exécuté la saisie administrative visée.
L'annexe, visée à l'alinéa 2, mentionne :
l'identification des personnes autorisées à restituer l'objet conformément à l'article R.160 ;
la mention que l'objet saisi peut, le cas échéant, être confisqué en vertu des articles D.189, § 2, et D.198, § 3 ;
le contenu des articles de la présente sous-section.
§ 3. Dans la mesure du possible et sauf en cas de destruction immédiate conformément à l'article R. 162, l'objet saisi est étiqueté, enveloppé et conservé dans un sac scellé par l'agent constatateur de manière à éviter toute substitution, soustraction ou addition de manière quelconque.
Lorsque l'ensemble de ces manipulations ne sont matériellement pas possible compte tenu de la nature de l'objet, l'agent constatateur accomplit celles qui peuvent être réalisées et conserve l'objet dans un endroit sécurisé en assurant la traçabilité de l'objet par rapport aux constatations dressées.]1

Art. R.161. [1 § 1. Het in beslag genomen voorwerp wordt in de griffie van de administratie ingeschreven tot het einde van de strafrechtelijke of administratieve vervolging. De griffie zorgt voor de bewaring van het in beslag genomen goed en beslist over de plaats van bewaring.
§ 2. Indien de procureur des Konings de sanctionerende beambte daarom verzoekt, wordt het in beslag genomen voorwerp hem toegestuurd binnen dertig dagen vanaf ontvangst van het verzoek. De procureur des Konings bericht ontvangst daarvan binnen 48 uur. Vanaf dat moment wordt de administratieve inbeslagneming van rechtswege opgeheven.
Indien de procureur des Konings niet om de overdracht van het in beslag genomen voorwerp verzoekt, maar de sanctionerende beambte in kennis heeft gesteld dat een informatie of een onderzoek is ingesteld overeenkomstig artikel D.166, § 3, moet de sanctionerende beambte het in beslag genomen voorwerp inleveren. Indien de overtreder het hem teruggegeven voorwerp niet binnen zes maanden in ontvangst neemt, kan de sanctionerende beambte beslissen over de bestemming van het in beslag genomen goed.
§ 3. Wanneer de bevoegde sanctionerende beambte de administratieve vervolgingen wordt voorgelegd, of in de in paragraaf 2, tweede lid, bedoelde situatie, kan hij besluiten om:
het in beslag genomen goed in te leveren;
het goed in beslag te nemen overeenkomstig artikel D.198, § 3.]1

Art. R.161. [1 § 1er. L'objet saisi est enregistré au greffe administratif jusqu'à l'issue des poursuites pénales ou des poursuites administratives. Le greffe assure la conservation du bien saisi et décide de son lieu de préservation.
§ 2. Si le procureur du Roi en formule la demande au fonctionnaire sanctionnateur, l'objet saisi lui est transmis dans un délai de trente jours à partir de la réception de la demande. Le procureur du Roi en accuse réception endéans les 48 heures. Dès cet instant, la saisie administrative est levée de plein droit.
Dans le cas où le procureur du Roi ne sollicite pas la transmission de l'objet saisi, mais qu'il a informé le fonctionnaire sanctionnateur qu'une information ou une instruction a été ouverte conformément à l'article D.166, § 3, le fonctionnaire sanctionnateur restitue le bien saisi. A défaut pour le contrevenant de reprendre dans un délai de six mois le bien qui lui est restitué, le fonctionnaire sanctionnateur peut décider de la destination du bien saisi.
§ 3. Lorsque le fonctionnaire sanctionnateur compétent est saisi des poursuites administratives, ou dans la situation, visée au paragraphe 2, alinéa 2, il peut décider de :
restituer le bien saisi ;
confisquer le bien conformément à l'article D.198, § 3.]1

Art. R.162. [1 In geval van inbeslagneming van een inheemse plantensoort kan de in artikel D.146 bedoelde vaststellende beambte die het voorwerp in beslag neemt overeenkomstig artikel R.160, besluiten de genoemde soort te herplanten in de geschikte habitat, na voorafgaande toestemming van de sanctionerende beambte, die de in beslag genomen soort zal vrijgeven.
In geval van inbeslagneming van een invasieve uitheemse soort wordt deze beheerd overeenkomstig het decreet van 2 mei 2019 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten.
Voor de toepassing van dit artikel is artikel R.160, § 2, van toepassing.]1

Art. R.162. [1 § 1er. En cas de saisie d'une espèce végétale indigène, l'agent constatateur, visé à l'article D.146, qui saisit l'objet conformément à l'article R .160, peut décider de replanter ladite espèce dans le milieu adéquat moyennant l'accord préalable du Fonctionnaire sanctionnateur donnant main levée sur l'espèce saisie.
En cas de saisie d'une espèce exotique envahissante, celle-ci est gérée conformément au décret du 2 mai 2019 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes.
Pour l'exécution du présent article l'article R.160, § 2, est applicable.]1

Art. R.163. [1 § 1. De kosten van de administratieve inbeslagneming, met inbegrip van de kosten van bewaring van het in beslag genomen voorwerp, komen ten laste van de overtreder:
hetzij wanneer deze uiteindelijk schuldig is bevonden aan de vastgestelde inbreuk, hetzij als gevolg van een strafrechtelijke of administratieve vervolging;
tot de datum waarop hij vrijwillig afstand gedaan heeft van de voorwerpen.
In andere gevallen worden de kosten gedragen door de Administratie.
§ 2. De kosten voor het nemen en bewaren van het monster of van een foto- of video-opname kunnen ten laste van de overtreder worden gebracht, zelfs wanneer hij afstand doet van het voorwerp.]1

Art. R.163. [1 § 1er. Les frais inhérents à la saisie administrative en ce compris les frais de conservation de l'objet saisi sont portés à charge du contrevenant soit :
lorsque celui-ci est finalement reconnu coupable de l'infraction constatée, soit à l'issue des poursuites pénales ou des poursuites administratives ;
jusqu'à la date à laquelle il a fait abandon volontaire des objets.
Dans les autres cas, les frais sont pris en charge par l'Administration.
§ 2. Les frais inhérents à la prise et à la conservation de l'échantillon ou à un enregistrement photographique ou vidéo peuvent être mis à charge du contrevenant et ce même s'il fait abandon de l'objet.]1

TITEL 4. [1 - Mogelijk verval van de openbare strafvordering door middel van een onmiddellijke inning]1
TITRE 4. [1 - Extinction éventuelle de l'action publique moyennant une perception immédiate]1
Art. R.164. [1 § 1. Het bedrag van de onmiddellijke inning in de zin van artikel D.174, § 5, wordt overeenkomstig bijlage XVI vastgesteld.
Wanneer de vaststellende beambte een onmiddellijke inning voorstelt, vult hij in voorkomend geval elektronisch het formulier in dat overeenkomstig het model in bijlage XVII opgesteld is. Het formulier wordt gevoegd bij het proces-verbaal van de vaststelling van de inbreuk, waarvan het integraal deel uitmaakt.
Wanneer de vastgestelde feiten betrekking hebben op verschillende inbreuken bedoeld in artikel D.174, § 2, ten laste van dezelfde overtreder, worden de bedragen van de onmiddellijke inning bedoeld in lid 1 samengeteld en vermeldt de beambte alle inbreuken op hetzelfde formulier bedoeld in lid 2.
§ 2. In geval van een overduidelijke inbreuk kan het betalingsformulier onmiddellijk aan de overtreder worden overhandigd. De beambte bewaart een afschrift ervan. Bij gebreke daarvan wordt het exemplaar van het formulier samen met het proces-verbaal naar zijn huisadres verstuurd.]1

Art. R.164. [1 § 1er. Le montant de la perception immédiate au sens de l'article D.174, § 5, est fixé conformément à l'annexe XVI.
Lorsqu'il propose une perception immédiate, l'agent constatateur remplit, le cas échéant de manière électronique, le formulaire établi conformément au modèle de l'annexe XVII. Le formulaire est annexé au procès-verbal de constat de l'infraction, dont il fait partie intégrante.
Lorsque les faits constatés concernent plusieurs infractions, visées à l'article D.174, § 2, à charge d'un même contrevenant, les montants de la perception immédiate tels que prévus à l'alinéa 1er s'additionnent et l'agent notifie toutes les infractions sur le même formulaire, visé à l'alinéa 2.
§ 2. En cas d'infraction flagrante, le formulaire de paiement peut être remis immédiatement au contrevenant. L'agent en conserve une copie. A défaut, l'exemplaire du formulaire est envoyé à son domicile concomitamment au procès-verbal.]1

Art. R.165. [1 De onmiddellijke inning kan via bankoverschrijving of elektronisch worden betaald.
Wanneer de onmiddellijke inning in geval van overduidelijke inbreuk wordt voorgesteld, kan de betaling per elektronische betaalterminal aan eenieder worden voorgesteld. Bij betaling met kredietkaart wordt het bedrag van de onmiddellijke inning verhoogd met een forfaitair bedrag van 2,00 euro om de bijkomende bankkosten te dekken.
Wanneer de in leden 1 en 2 bedoelde betalingswijzen niet kunnen worden gebruikt, kan de onmiddellijke inning door de overtreder onmiddellijk en tegen ontvangstbewijs in contanten worden betaald in handen van de vaststellende beambte. In dit geval wordt deze betalingswijze in het proces-verbaal vermeld. Binnen vijf werkdagen vanaf de dag van betaling van de onmiddellijke inning stort de vaststellende beambte het ontvangen bedrag bij een bankinstelling overeenkomstig de voorziene bestemmingen.]1

Art. R.165. [1 La perception immédiate peut être payée par virement bancaire ou par voie électronique.
Lorsque la perception immédiate est proposée en cas d'infraction flagrante, le paiement par terminal de paiement électronique peut être proposé à toute personne. En cas de paiement par carte de crédit, le montant de la perception immédiate est majoré d'un montant forfaitaire de 2,00 euros afin de couvrir les frais de perception bancaires supplémentaires.
Lorsque les moyens de paiement envisagés aux alinéas 1er et 2 ne peuvent pas être mis en oeuvre, la perception immédiate peut être payée, immédiatement et contre récépissé, en argent liquide par le contrevenant entre les mains de l'agent constatateur. Dans ce cas, le procès-verbal fait mention de cette modalité de paiement. Dans un délai de cinq jours ouvrables à compter du jour du paiement de la perception immédiate, l'agent constatateur dépose le montant reçu auprès d'un organisme bancaire conformément aux affectations prévues.]1

Art. R.166. [1 Naast de registratie van de vereiste gegevens in het Centrale bestand wordt het in deze titel bedoelde formulier genummerd en tien jaar lang bewaard in de kantoren van de Administratie waaronder de beambte ressorteert die de onmiddellijke inning heeft verricht.]1
Art. R.166. [1 Outre l'enregistrement des données requises au sein du Fichier central, le formulaire, visé par le présent titre, est numéroté et conservé pendant dix ans dans les bureaux de l'Administration dont relève l'agent ayant procédé à cette perception immédiate.]1
Art. R.167. [1 Wanneer blijkt dat de persoon die overeenkomstig deze titel de voorgestelde onmiddellijke inning heeft betaald, uiteindelijk strafrechtelijk of administratief is vervolgd en uiteindelijk is vrijgesproken van de feiten waarvan hij was beschuldigd, kan hij bij de Administratie een verzoek indienen tot terugbetaling van het bedrag van de onmiddellijke inning.
Het verzoek gaat vergezeld van het betalingsbewijs van de onmiddellijke inning en van het arrest of vonnis of de administratieve beslissing houdende vrijspraak.
Het bedrag betaald voor de onmiddellijke inning wordt binnen hoogstens negentig dagen terugbetaald.]1

Art. R.167. [1 Lorsqu'il apparait que la personne qui a procédé au paiement de la perception immédiate proposée conformément au présent titre a finalement fait l'objet de poursuites pénales ou administratives, et qu'elle a finalement été acquittée des faits qui lui étaient reprochés, elle peut introduire auprès de l'Administration, une demande de restitution du montant de la perception immédiate.
La demande est accompagnée de la preuve de paiement de la perception immédiate et de l'arrêt ou du jugement ou de la décision administrative portant acquittement.
La restitution du montant payé pour la perception immédiate est opérée dans un délai de maximum nonante jours.]1

TITEL 5. [1 - Strafrechtelijke vervolging van de overtredingen]1
TITRE 5. [1 - Poursuite pénale des infractions]1
Art. R.168. [1 Binnen de in artikel D.166 bedoelde termijnen stelt de procureur des Konings de bevoegde sanctionerende beambte door middel van het formulier in bijlage XVIII in kennis van zijn voornemen een gerechtelijk onderzoek in te stellen of van het feit dat een onderzoek is ingesteld, dan wel van zijn voornemen om het dossier te seponeren en het aan de sanctionerende beambte terug te sturen.
De Minister is bevoegd om de in lid 1 bedoelde bijlage aan te vullen, te wijzigen of te vervangen.]1

Art. R.168. [1 Dans les délais fixés à l'article D.166, le procureur du Roi informe, par le biais du formulaire repris à l'annexe XVIII, le fonctionnaire sanctionnateur compétent de son intention d'ouvrir une information judiciaire ou de ce qu'une instruction a été ouverte ou de son intention de procéder à un classement sans suite du dossier et de le renvoyer au fonctionnaire sanctionnateur.
Le Ministre est habilité à compléter, modifier ou remplacer l'annexe, visée à l'alinéa 1er.]1

Art. R.169. [1 Wanneer de procureur des Konings van oordeel is dat geen strafrechtelijke vervolging dient te worden ingesteld of wanneer de in artikel D.166, § 3 bedoelde termijn verstrijkt zonder beslissing van de procureur des Konings, en wanneer strafrechtelijk in beslag genomen voorwerpen of stukken in het bezit van de bevoegde griffie blijven, wordt de sanctionerende beambte binnen zestig dagen vanaf de in artikel R.168 bedoelde kennisgeving of, bij gebreke daarvan, na het verstrijken van de in artikel D.166, § 3 bedoelde termijn, in kennis gesteld van het bestaan van deze voorwerpen of stukken. In voorkomend geval kan deze informatie worden opgenomen in het formulier bedoeld in artikel R.168.
Vanaf de ontvangst van de in lid 1 bedoelde informatie beschikt de sanctionerende beambte over een termijn van zestig dagen om te beslissen over de eventuele overbrenging van de in beslag genomen voorwerpen of stukken binnen zijn dienst.
Wanneer de sanctionerende beambte uitdrukkelijk te kennen geeft dat hij de in beslag genomen voorwerpen of stukken niet wenst over te dragen of wanneer hij binnen de in lid 2 gestelde termijn geen standpunt inneemt, kan de bevoegde griffie vrij beschikken over de in beslag genomen voorwerpen of stukken overeenkomstig de geldende bestemmingen.
Wanneer de sanctionerende beambte te kennen geeft dat hij de in beslag genomen voorwerpen of stukken onmiddellijk binnen zijn dienst wenst over te dragen, geschiedt de overdracht overeenkomstig de modaliteiten die zijn vastgesteld in het samenwerkingsprotocol dat de Regering met de bevoegde procureurs des Konings heeft gesloten. Bij gebreke van vaste modaliteiten geschiedt de overdracht krachtens de modaliteiten die in overleg vastgesteld zijn tussen de bevoegde griffie en de dienst van de sanctionerende beambte.]1

Art. R.169. [1 Lorsque le procureur du Roi estime ne pas devoir engager les poursuites pénales ou lorsque le délai fixé à l'article D.166, § 3, échoit sans décision du procureur du Roi, et que des objets ou des pièces saisis pénalement restent en possession du greffe compétent, le fonctionnaire sanctionnateur est avisé de l'existence de ces objets ou pièces dans les soixante jours à compter de l'envoi de l'information, visée à l'article R.168 ou, à défaut, à compter de l'échéance du délai, visé à l'article D.166, § 3. Le cas échéant, cette information peut être reprise au sein du formulaire, visé à l'article R.168.
A compter de la réception de l'information, visée à l'alinéa 1er, le fonctionnaire sanctionnateur dispose du délai de soixante jours pour se positionner sur l'éventuel transfert de ces objets ou pièces saisis au sein de son service.
Lorsque le fonctionnaire sanctionnateur indique expressément renoncer au transfert de ces objets ou pièces saisis ou lorsqu'il n'émet pas de position endéans le délai fixé à l'alinéa 2, le greffe compétent peut disposer librement des objets ou pièces saisis conformément aux destinations qui sont d'application.
Lorsque le fonctionnaire sanctionnateur indique souhaiter le transfert immédiat des objets ou pièces saisis au sein de son service, le transfert est opéré conformément aux modalités fixées au protocole de collaboration conclu par le Gouvernement avec les procureurs du Roi compétents. A défaut de modalités fixées, le transfert est opéré selon les modalités fixées de commun accord entre le greffe compétent et le service du fonctionnaire sanctionnateur.]1

Art. R.170. [1 Naast de in de artikelen D.185 en D.189 bedoelde personen kunnen ook de inspecteur-generaal van het Departement Politie en Controles voor wat de in artikel R.102, § 1 bedoelde bevoegdheden betreft, en de inspecteur-generaal van het Departement Natuur en Bossen voor wat de in artikel R.102, § 2 bedoelde bevoegdheden betreft, de rechter verzoeken een van de in artikel D.185, § 1 bedoelde teruggavemaatregelen of een in artikel D.189 bedoelde maatregel uit te spreken. In dat geval moeten zij de aard, de reikwijdte en de te bereiken doelstellingen specifiëren.
Het verzoek wordt tegelijkertijd gericht aan de overtreder, het openbaar Ministerie en alle andere partijen die bij de procedure betrokken zijn.]1

Art. R.170. [1 Outre les personnes visées aux articles D.185 et D.189, l'Inspecteur général du Département de la Police et des Contrôles en ce qui concerne les compétences reprises à l'article R.102, § 1er, et l'Inspecteur général du Département de la Nature et des Forêts en ce qui concerne les compétences reprises à l'article R.102, § 2, peuvent demander au juge qu'il prononce une des mesures de restitution, visée aux articles D.185, § 1er, ou une mesure, visée à l'article D.189. Dans ce cas, ils en précisent la nature, la portée ainsi que les objectifs à atteindre.
La demande est adressée concomitamment au contrevenant, au ministère public et aux autres parties éventuellement impliquées dans la procédure.]1

TITEL 6. [1 - Administratieve vervolging van de inbreuken]1
TITRE 6. [1 - Poursuite administrative des infractions]1
HOOFDSTUK I. [1 - Gedeclasseerde inbreuken.]1
CHAPITRE Ier. [1 - Des infractions déclassées.]1
Art. R.171. [1 De lijst gedeclasseerde inbreuken in de zin van artikel D.192, § 2, is opgenomen als bijlage XIX.
In het kader van elke Waalse beleidsstrategie inzake het bestraffen in milieuzaken bedoeld in artikel D.142, evalueert de Minister de lijst bedoeld in lid 1.]1

Art. R.171. [1 La liste des infractions déclassées au sens de l'article D.192, § 2, est reprise à l'annexe XIX.
Dans le cadre de chaque stratégie wallonne de politique répressive environnementale, visée à l'article D.142, le Ministre évalue la liste, visée à l'alinéa 1er.]1

HOOFDSTUK II. [1 - Administratieve sancties en alternatieve maatregelen.]1
CHAPITRE II. [1 - Sanctions administratives et des mesures alternatives.]1
Afdeling 1. [1 - Algemene bepalingen.]1
Section 1re. [1 - Dispositions générales.]1
Art. R.172. [1 § 1. Wanneer de gezondheidsvoorwaarden vereisen dat een publieke overheid het personenverkeer verbiedt of streng inperkt, kunnen de sanctionerend ambtenaar, de overtreder en de andere bij de procedure betrokken partijen samen en op elk tijdstip van de procedure beslissen een beroep te doen op een schriftelijke procedure overeenkomstig paragraaf 2.
Wanneer de gezondheidsvoorwaarden vereisen dat een publieke overheid het personenverkeer verbiedt of streng inperkt en één van de bij de procedure betrokken partijen weigert een beroep te doen op een schriftelijke procedure overeenkomstig paragraaf 2, wordt de procedure opgeschort, alsmede de termijn bedoeld in artikel D.195. De procedure en de termijn gaan opnieuw in te rekenen van de dag waarop de hoorzittingen opnieuw in aanwezigheid van de partijen georganiseerd kunnen worden of waarop de partijen aanvaarden om een beroep te doen op een communicatiewijze vanop afstand.
§ 2. In het geval van een schriftelijke procedure overeengekomen door alle partijen overeenkomstig paragraaf 1, dienen de partijen achtereenvolgens, volgens een door de partijen overeengekomen kalender, hun vooraf overgemaakte, gebundelde en geïnventariseerde memories, nota's, stukken en conclusies bij de diensten van de sanctionerend ambtenaar in. De dienst van de sanctionerend ambtenaar bericht bij eenvoudig schrijven of bij e-mail het in goede orde ontvangen daarvan.
De memories, nota's, stukken en conclusies worden bij aangetekend schrijven of bij e-mail aan de sanctionerend ambtenaar overgemaakt.
Binnen een termijn van zestig dagen te rekenen van de indiening van de dossiers overeenkomstig lid één, kan de sanctionerend ambtenaar schriftelijk nadere uitleg vragen bij de punten die hij vernoemt. Daartoe wordt door hem een datum vastgesteld, zodat de beoogde partij haar antwoord mede kan delen overeenkomstig deze paragraaf.
Wanneer de sanctionerend ambtenaar het dossier op grond van de ingediende schriftelijke documenten zonder voorafgaandelijke hoorzitting in beraad neemt, licht hij de overtreder en de andere betrokken partijen daarover in.
De memories, nota's, stukken en conclusies, ingediend na ontvangst van deze informatie door de overtreder, worden van ambtswege uit de debatten geweerd.
§ 3. Wanneer de gezondheidsvoorwaarden bedoeld in paragraaf 1 in de loop van de schriftelijke procedure niet meer verenigd zijn en als het dossier nog niet in beraad is genomen door de sanctionerend ambtenaar, kunnen de overtreder en de bij de procedure betrokken partijen vragen om in het kader van een hoorzitting, georganiseerd door de sanctionerend ambtenaar, te worden gehoord.
§ 4. Wanneer de sanctionerend ambtenaar voorstelt om gebruik te maken van een mondelinge presentatie van de verweermiddelen via een door de overtreder aanvaarde videoconferentie, is iedere persoon die bij de hoorzitting tussenkomt, overeenkomstig artikel D.195, § 1, lid 2, duidelijk identificeerbaar en zichtbaar, en maakt, voordat de hoorzitting plaatsvindt, een afschrift van zowel voor- als achterkant van een identiteitsbewijs aan de sanctionerend ambtenaar over.]1

Art. R.172. [1 § 1er. Lorsque les conditions sanitaires nécessitent qu'une autorité publique interdise ou restreigne fortement la circulation des personnes, le fonctionnaire sanctionnateur, le contrevenant et les autres parties impliquées dans la procédure peuvent, conjointement et à tout moment de la procédure, décider de recourir à une procédure écrite conformément au paragraphe 2.
Lorsque les conditions sanitaires nécessitent qu'une autorité publique interdise ou restreigne fortement la circulation des personnes, et que l'une des parties impliquées dans la procédure refuse de recourir à une procédure écrite conformément au paragraphe 2, la procédure est suspendue ainsi que le délai prévu à l'article D.195. La procédure et le délai reprend à compter du jours où les auditions peuvent à nouveau être organisées en présence des parties ou que toutes les parties acceptent de recourir à un mode de communication à distance.
§ 2. Dans le cas d'une procédure écrite convenue par l'ensemble des parties conformément au paragraphe 1er, les parties déposent successivement auprès des services du fonctionnaire sanctionnateur, suivant un calendrier convenu entre les parties, leurs mémoires, notes, pièces et conclusions préalablement communiqués, enliassés et inventoriés. Le service du Fonctionnaire Sanctionnateur en accusé réception par courrier simple ou par courrier électronique.
Les mémoires, notes, pièces et conclusions sont transmis au fonctionnaire sanctionnateur par courrier recommandé ou par courrier électronique.
Dans un délai de soixante jours à partir du dépôt des dossiers conformément à l'alinéa 1er, le fonctionnaire sanctionnateur peut solliciter, par écrit, des explications sur les points qu'il indique. A cette fin, une date est fixée par lui afin que la partie visée puisse communiquer sa réponse conformément au présent paragraphe.
Lorsque le fonctionnaire sanctionnateur prend le dossier en délibéré sur la base des documents écrits déposés, sans audition préalable, il en informe le contrevenant et les autres parties impliquées.
Les mémoires, notes, pièces et conclusions déposés après la réception par le contrevenant de cette information sont d'office écartés des débats.
§ 3. Lorsque les conditions sanitaires, visées au paragraphe 1er, ne sont plus réunies au cours de la procédure écrite, et si le dossier n'a pas encore été pris en délibéré par le fonctionnaire sanctionnateur, le contrevenant et les parties impliquées dans la procédure peuvent demander à être entendues dans le cadre d'une audition organisée par le fonctionnaire sanctionnateur.
§ 4. En application de l'article D.195, paragraphe § 1er, alinéa 2, lorsque le fonctionnaire sanctionnateur propose de recourir à une présentation orale des moyens de défense par vidéoconférence, acceptée par le contrevenant, chaque personne intervenant dans l'audition est clairement identifiable et visible, elle communique au Fonctionnaire sanctionnateur, préalablement à l'audition, une copie recto verso d'une pièce d'identité.]1

Art. R.173. [1 Naast de personen bedoeld in artikel R.102 kunnen de inspecteur-generaal van het Departement Politie en Controles wat betreft de bevoegdheden vermeld in artikel R.102, § 1, en de inspecteur-generaal van het Departement Natuur en Bossen wat betreft de bevoegdheden vermeld in artikel R.102, § 2, de sanctionerend ambtenaar vragen dat hij één van de teruggavemaatregelen uit te spreken bedoeld in artikel D.201. In dat geval geven zij de aard, de draagwijdte en de na te streven doelen nader op.
Het verzoek wordt tegelijk aan de overtreder en aan de andere eventueel bij de procedure betrokken partijen gericht.]1

Art. R.173. [1 Outre les personnes, visées à l'article D.201, l'Inspecteur général du Département de la Police et des Contrôles en ce qui concerne les compétences reprises à l'article R.102, § 1er, et l'Inspecteur général du Département de la Nature et des Forêts en ce qui concerne les compétences reprises à l'article R.102, § 2, peuvent demander au fonctionnaire sanctionnateur qu'il prononce une des mesures de restitution, visée à l'article D.201. Dans ce cas, ils en précisent la nature, la portée ainsi que les objectifs à atteindre.
La demande est adressée concomitamment au contrevenant et aux autres parties éventuellement impliquées dans la procédure.]1

Art. R.174. [1 Wanneer de bijzondere voorwaarden door de sanctionerend ambtenaar zijn vastgesteld in het kader van het probatie-uitstel overeenkomstig artikel D.200, § 2, wijst de sanctionerend ambtenaar, indien hij dit passend acht, een persoon aan voor de begeleiding en de opvolging van de overtreder tot aan het verstrijken van het uitstel.
De aangewezen persoon ontmoet de overtreder minstens twee keer tot aan het einde van het uitstel.
Als de sanctionerend ambtenaar het passend acht, kan hij in een periodiciteit voorzien waarbij een hoger aantal dan twee ontmoetingen vastgesteld wordt.
De aangewezen persoon brengt na afloop van elke ontmoeting verslag uit bij de sanctionerend ambtenaar.
De persoon bedoeld in lid 1 gaat na of de voorwaarden vastgesteld door de sanctionerend ambtenaar worden nageleefd. Door genoemd persoon wordt de overtreder begeleid, geadviseerd, ingelicht en begeleid om de voorwaarden van het uitstel na te leven.]1

Art. R.174. [1 Lorsque des conditions particulières sont fixées par le fonctionnaire sanctionnateur dans le cadre du sursis probatoire conformément à l'article D.200, § 2, le fonctionnaire sanctionnateur désigne, s'il l'estime opportun, une personne afin qu'elle effectue un travail de guidance et suive le contrevenant jusqu'à l'échéance du sursis.
La personne désignée rencontre le contrevenant au moins deux fois jusqu'à la fin du sursis.
Si le fonctionnaire sanctionnateur l'estime opportun, il peut prévoir une périodicité portant le nombre de rencontre à plus de deux.
La personne désignée fait rapport au fonctionnaire sanctionnateur à l'issue de chaque rencontre.
La personne, visée à l'alinéa 1er, vérifie le respect des conditions fixées par le fonctionnaire sanctionnateur. Elle guide, conseille, informe et accompagne le contrevenant afin qu'il respecte les conditions du sursis.]1

Art. R.175. [1 De nadere regels voor de controle op het probatie-uitstel voor de uitvoering van de administratieve sancties in hun geheel of deel ervan kunnen bestaan uit:
het voorleggen van ieder document;
de deelname aan vergaderingen en ontmoetingen;
het voorleggen van een verslag.
De controle op het probatie-uitstel voor de uitvoering van de administratieve sancties in hun geheel of deel ervan vindt minstens na verstrijken van de helft van de duur
Wanneer de sanctionerend ambtenaar het nuttig acht, kan hij in één of meerdere bijkomende controleperiodes voorzien. Wanneer de sanctionerend ambtenaar probatie-uitstelmaatregelen toekent voor de uitvoering van de administratieve sancties in hun geheel of deel ervan, bepaalt hij in zijn beslissing zowel een of meerdere in lid 1 bedoelde nadere controleregels die in de loop van het uitstel dienen te worden verricht als de periodiciteit van deze controles overeenkomstig lid 2.]1

Art. R.175. [1 Les modalités du contrôle du sursis probatoire à l'exécution, de tout ou partie des sanctions administratives, peuvent consister en :
la production de tout document ;
la participation à des réunions et rencontres ;
la production d'un rapport.
Le contrôle du sursis probatoire à l'exécution de tout ou partie des sanctions administratives est effectué à minima à la moitié de la durée du sursis et à la fin du sursis. Si le fonctionnaire sanctionnateur l'estime opportun, il peut prévoir une ou plusieurs période(s) supplémentaire(s) de contrôle.
Lorsqu'il accorde des mesures de sursis probatoire à l'exécution de tout ou partie des sanctions administratives, le fonctionnaire sanctionnateur détermine dans sa décision une ou plusieurs des modalités du contrôle à opérer au cours du sursis, visées à l'alinéa 1er, ainsi que la périodicité de ces contrôles conformément à l'alinéa 2.]1

Art. R.176. [1 De controle op het probatie-uitstel volgens de nadere regels bepaald in de beslissing van de sanctionerend ambtenaar wordt rechtstreeks door laatstgenoemde uitgeoefend. Daarvoor kan hij een vaststellend ambtenaar of een daartoe krachtens artikel D.148 aangewezen deskundige belasten met het verrichten van een controle-opdracht ter plaatse, daaronder inbegrepen de uitvoering van het herstel in oorspronkelijke staat wanneer dit als voorwaarde is vastgelegd overeenkomstig artikel D.200, § 2.]1
Art. R.176. [1 Le contrôle du sursis probatoire suivant les modalités déterminées dans la décision du fonctionnaire sanctionnateur est directement exercé par celui-ci. Pour ce faire, il peut charger un agent constatateur ou un expert désigné à cet effet en vertu de l'article D.148 d'opérer une mission de contrôle sur le terrain, en ce compris de vérifier la réalisation d'une remise en état lorsque celle-ci est érigée en condition conformément à l'article D.200, § 2.]1
Art. R.177. [1 § 1. Met het oog op de uitoefening van de bevoegdheden hem toegewezen krachtens de artikelen D.198 en R.169 kan de sanctionerend ambtenaar een vaststellend personeelslid bevelen om beslag te leggen op een door hem bepaald goed.
§ 2. Wanneer de sanctionerend ambtenaar bijkomend een beslissing tot verbeurdverklaring neemt overeenkomstig artikel D.198, § 3, en als de administratie of de gemeente niet in het bezit zijn van het bij de verbeurdverklaring beoogde voorwerp of stuk, verzoekt hij de persoon op wie de beslissing betrekking heeft om binnen de dertig dagen na ontvangst van de beslissing genoemd voorwerp of stuk bij de administratieve griffie neer te leggen.
Wordt het voorwerp of stuk niet neergelegd overeenkomstig lid 1, laat de sanctionerend ambtenaar, wanneer de beslissing tot verbeurdverklaring uitvoerend is, overgaan tot het verbeurdverklaren van het voorwerp of het stuk.
Wanneer het voorwerp of het stuk, verbeurdverklaard bij een beslissing van de sanctionerend ambtenaar nog steeds bij de griffie van de rechtbank ligt op het ogenblik van de uitspraak van de beslissing tot verbeurdverklaring, doet de sanctionerend ambtenaar de aanvraag tot overbrenging ervan bij de administratieve griffie, overeenkomstig artikel R.169.
§ 2. Het verbeurdverklaard voorwerp of stuk, neergelegd bij de administratieve griffie van de sanctionerend ambtenaar overeenkomstig paragraaf 1, lid 1, wordt bewaard tot aan het vervallen van de beroepstermijn vastgesteld in artikel D.217. Als er bij het vervallen van de termijn geen enkel beroep rechtsgeldig is ingediend, kan het voorwerp of het stuk de bestemming toegewezen krijgen als bepaald door de sanctionerend ambtenaar in diens beslissing, overeenkomstig paragraaf 3.
Wanneer er een beroep rechtsgeldig is ingediend overeenkomstig artikel D.217 tegen de beslissing van de sanctionerend ambtenaar, met inbegrip van de beslissing tot verbeurdverklaring, wordt het verbeurdverklaard voorwerp of stuk door de dienst van de sanctionerend ambtenaar bewaard totdat het arrest of het vonnis over het beroep in kracht van gewijsde is getreden.
§ 3. Verbeurdverklaarde voorwerpen of stukken kunnen:
het voorwerp uitmaken aan een openbare verkoop volgens de nadere regels vastgesteld door de Minister;
bewaard worden in de administratie of om niet worden afgestaan aan een vereniging tot didactische, sensibiliserings-, opvoedkundige of wetenschappelijk onderzoeksgebonden doeleinden;
vernietigd worden, enkel als dat voorwerp, indien het opnieuw in het verkeer wordt gebracht, een inbreuk vormt op één van de wetgevingen bedoeld in artikel D.138.]1

Art. R.177. [1 § 1er. En vue d'exercer les pouvoirs qui lui sont dévolus en vertu des articles D.198 et R.169 le fonctionnaire sanctionnateur compétent peut ordonner à un agent constatateur de procéder à la saisie d'un bien qu'il détermine.
§ 2. Lorsque le fonctionnaire sanctionnateur prend une décision accessoire de confiscation conformément à l'article D.198, § 3, et si l'Administration ou la commune n'en est pas en possession, il invite la personne faisant l'objet de la décision à venir déposer, endéans les trente jours de la réception de la décision, l'objet visé ou la pièce visée par la confiscation au greffe administratif.
A défaut de dépôt conformément à l'alinéa 1er, lorsque la décision de confiscation est exécutoire, le fonctionnaire sanctionnateur fait procéder à la saisie de l'objet ou de la pièce.
Lorsque l'objet ou la pièce confisquée par une décision du fonctionnaire sanctionnateur est toujours détenu par le greffe du tribunal au moment du prononcé de la décision de confiscation, le fonctionnaire sanctionnateur en sollicite le transfert au greffe administratif conformément à l'article R.169.
§ 3. L'objet ou la pièce confisqué déposé au greffe administratif du fonctionnaire sanctionnateur conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, est conservé jusqu'à l'échéance du délai de recours fixé à l'article D.217. Si à l'échéance de ce délai, aucun recours n'a été introduit valablement, l'objet ou la pièce confisqué peut être affecté à la destination déterminée par le fonctionnaire sanctionnateur dans sa décision conformément au paragraphe 3.
Lorsqu'un recours a été valablement introduit, conformément à l'article D.217, contre la décision du fonctionnaire sanctionnateur en ce compris la décision de confiscation, l'objet ou la pièce confisqué détenu par le service de fonctionnaire sanctionnateur est conservée jusqu'à ce que l'arrêt ou le jugement sur recours soit coulé en force de chose jugée.
§ 4. Les objets ou pièces confisquées peuvent :
faire l'objet d'une vente publique suivant les modalités fixées par le Ministre ;
être conservés au sein de l'Administration ou cédés, à titre gratuit, à une association, à des fins didactiques, de sensibilisation, d'éducation ou de recherche scientifique.
faire l'objet d'une destruction, uniquement si cet objet, s'il est remis en circulation, constitue une infraction à l'une des législations, visées à l'article D.138.]1

Art. R.178. [1 Binnen de dertig dagen na aanneming ervan door het gemeentecollege maakt de gemeente een afschrift van de gemeentelijke verordening, genomen overeenkomstig artikel D.197, § 3, aan de gewestelijke sanctionerend ambtenaar over. Dat afschrift wordt in één van de vormen bedoeld in artikel D.141, § 2, derde lid, ten behoeve van de dienst van de gewestelijke sanctionerend ambtenaar overgemaakt.]1
Art. R.178. [1 Dans les trente jours de son adoption par le Collège communal, la commune transmet au fonctionnaire sanctionnateur régional une copie du règlement communal pris en application de l'article D.197, § 3. Cette copie est transmise via l'une des formes, visées à l'article D.141, § 2, alinéa 3, à l'attention du service du fonctionnaire sanctionnateur régional.]1
Art. R.179. [1 § 1. De beslissing van de sanctionerend ambtenaar kan rechtsgeldig worden opgemaakt in elektronisch formaat en onder deze vorm worden opgeslagen wanneer zij door de uitvaardigend sanctionerend ambbtenaar elektronisch wordt ondertekend middels een gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12 van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.
De Minister kan bepalen dat de beslissing van de sanctionerend ambtenaar door de nemer ervan elektronisch kan worden ondertekend middels een ander systeem als de identiteit van de ondertekenaar bepaald en de integriteit van de ondertekende beslissing gewaarborgd kan worden.
§ 2. De beslissing van de sanctionerend ambtenaar, elektronisch ondertekend door de sanctionerend ambtenaar overeenkomstig paragraaf 1, wordt gelijkgesteld met een beslissing van de sanctionerend ambtenaar die op een papieren informatiehouder, ondertekend met een handtekening, uitgevaardigd wordt.]1

Art. R.179. [1 § 1er. La décision du fonctionnaire sanctionnateur peut être valablement dressée sous format électronique et conservée sous cette forme lorsqu'elle est signée par le fonctionnaire sanctionnateur qui l'a émise, de manière électronique au moyen d'une signature électronique qualifiée au sens de l'article 3.12. du Règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la Directive 1999/93/CE.
Le Ministre peut prévoir que la décision du fonctionnaire sanctionnateur puisse être signée par son auteur de manière électronique au moyen d'un autre système, s'il permet de déterminer l'identité du signataire et garantit l'intégrité de la décision signée.
§ 2. La décision du fonctionnaire sanctionnateur signée de manière électronique par le fonctionnaire sanctionnateur, conformément au paragraphe 1er, est assimilé à une décision du fonctionnaire sanctionnateur émise sur support papier signé au moyen d'une signature manuscrite.]1

Art. R.180. [1 De beslissing van de sanctionerend ambtenaar, bedoeld in artikel D.209, wordt geacht rechtsgeldig te zijn overgemaakt aan de directeur-generaal van de administratie of diens gemachtigde of aan de burgemeester overeenkomsig artikel D.209, derde lid, wanneer de beoogde beslissing beschikbaar wordt gesteld in het centraal bestand.
In afwijking van het eerste lid worden de beslissingen bedoeld in het eerste lid, tot aan een datum bepaald door de Minister, uitsluitend via één van de vormen bedoeld in artikel D.141, § 2, derde lid, aan de directeur-generaal van de administratie of aan diens gemachtigde of aan de burgemeester overgemaakt.]1

Art. R.180. [1 La décision du fonctionnaire sanctionnateur, visée à l'article D.209 est réputée avoir été valablement transmise au Directeur général de l'Administration ou à son délégué ou au Bourgmestre, conformément à l'article D.209, alinéa 3, lorsque la décision visée est rendue disponible au sein du Fichier central.
Par dérogation à l'alinéa 1er, jusqu'à une date déterminée par le Ministre, les décisions visées à l'alinéa 1er sont exclusivement transmises au Directeur général de l'Administration ou à son délégué ou au Bourgmestre via l'une des formes, visées à l'article D.141, § 2, alinéa 3.]1

Afdeling 2. [1 - Bemiddeling.]1
Section 2. [1 - Médiation.]1
Art. R.181. [1 § 1. De bemiddeling wordt uitgeoefend in de geest van de volgende beginselen:
vrije instemming: meerderjarigen beslissen vrij gebruik te maken van de bemiddelingsprocedure en de keuze om gevolg te geven aan het voorstel tot bemiddeling behoort elkeen der partijen toe. Zij kunnen in iedere fase van de bemiddelingsprocedure beslissen deze te beëindigen;
vertrouwelijkheid: de bemiddelaar maakt op passende wijze en in overleg met partijen gebruik van de informatie die bij een bemiddeling vrijkomt;
transparantie: de partijen wordt gewezen op de mogelijkheden en beperkingen van de bemiddelingsprocedure in hun juridische context;
neutraliteit en onafhankelijkheid : de bemiddelaar waakt over een evenwicht bij de partijen in bemiddeling en houdt rekening met wat ze hebben uiteengezet.
§ 2. De bemiddelaar oefent alle taken uit die eigen zijn aan de functie van bemiddelaar, op een wijze die strikt onafhankelijk is van de sanctionerende ambtenaar. De bemiddelaar staat niet onder de leiding van de sanctionerend ambtenaar.
In het kader van zijn functies oefent de bemiddelaar volgende taken uit:
uitwerken en opvolgen van alle stappen in de bemiddelingsprocedures, na opdracht van de sanctionerend ambtenaar;
opstellen van activiteitenverslagen op eigen initiatief of op vraag van de sanctionerend ambtenaar;
opvolgen van acties, initiatieven en reglementeringen die een impact hebben op zijn opdrachten.]1

Art. R.181. [1 § 1er. L'exercice de la médiation s'inspire des principes suivants :
le libre consentement : les majeurs décident librement de recourir à la procédure de médiation et le choix de donner suite à la proposition de médiation appartient entièrement aux parties. Celles-ci peuvent, dans toutes les phases de la procédure de médiation, décider d'y mettre fin ;
la confidentialité : le médiateur utilise, d'une manière adéquate et en concertation avec les parties, les informations qui apparaissent lors d'une médiation ;
la transparence : les possibilités et limites de la procédure de médiation sont indiquées aux parties dans leur contexte juridique ;
la neutralité et l'indépendance : le médiateur veille à un équilibre entre les parties à la médiation et tient compte de leurs exposés.
§ 2. Le médiateur exerce toutes les tâches propres à la fonction de médiateur de manière strictement indépendante du fonctionnaire sanctionnateur. Le médiateur ne se trouve pas sous la direction du fonctionnaire sanctionnateur.
Dans le cadre de ses fonctions, le médiateur exerce les tâches suivantes :
l'élaboration et le suivi de toutes les étapes des procédures de médiation, sur mission du fonctionnaire sanctionnateur ;
la rédaction de rapports d'activités de sa propre initiative ou sur demande du fonctionnaire sanctionnateur ;
le suivi d'actions, d'initiatives et de réglementations qui ont un impact sur ses missions.]1

Art. R.182. [1 § 1. Om gemachtigd te worden tot het uitvoeren van een bemiddeling in de zin van dit deel van het Wetboek, neemt de bemiddelaar volgende voorwaarden in acht:
in voorkomend geval schikt hij zich naar het Wetboek van vennootschappen en verenigingen;
hij heeft de bemiddeling opgenomen in zijn maatschappelijk doel;
hij telt in zijn midden geen sanctionerend ambtenaar in de zin van dit deel, bevoegd op het grondgebied van het Waals Gewest;
hij telt in zijn midden één of meerdere werknemers die voldoen aan de criteria bepaald in paragraaf 2 en vertrouwt de uitoefening van de bemiddeling aan deze werknemers toe;
hij heeft een omstandige raming opgemaakt van de kostprijs voor het uitoefenen van de bemiddeling en van de middelen die hij daarvoor ter beschikking heeft, hij verantwoordt en bezit de materiële, menselijke en financiële middelen nodig voor het uitoefenen daarvan;
hij zendt de gewestelijk sanctionerend ambtenaar uiterlijk tegen jaarlijks 31 maart een activiteitenverslag over waarin minstens worden omschreven het aantal behandelde dossiers, de gedetailleerde afhandeling ervan, de moeilijkheden gerezen bij de dossierbehandeling, de suggesties tot verbetering in de dossiers en in de betrekkingen.
§ 2. De bemiddelaar voldoet aan de volgende voorwaarden:
niet veroordeeld geweest zijn, zelfs niet met uitstel, tot een correctionele of criminele straf bestaande uit een boete, een werkstraf of gevangenisstraf, behoudens veroordelingen wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer andere dan die bestaande uit het verval van het recht tot sturen van een gemotoriseerd voertuig uitgesproken op andere gronden van het fysieke onvermogen;
houder zijn van een diploma van licentiaat, master, arts, doctor, apotheker, geaggregeerde van het onderwijs, ingenieur, industrieel ingenieur, architect, meester (basisopleiding van de tweede cyclus), erkend en uitgereikt door de Belgische universiteiten en de instellingen voor hoger onderwijs van het lange type, voor zover de studies ten minste vier jaar hebben omvat, of door een door de Staat of een van de Gemeenschappen ingestelde examencommissies, ofwel getuigschrift uitgereikt aan de laureaten van de Koninklijke Militaire School en die gerechtigd zijn tot het voeren van de titel van burgerlijk ingenieur of van licentiaat/master; of van gelijkwaardige diploma's en certificaten die als zodanig zijn erkend en die in het buitenland werden behaald, met name in een andere Lidstaat van de Europese Unie of de EER;
bovendien, ten laatste twee jaar na hun aanwijzing de eerste zitting van de opleiding bedoeld in artikel R.124 te hebben gevolgd. In voorkomend geval kan de bemiddelaar bij de administratie een vrijstelling aanvragen voor de opleidingsonderdelen waarvoor hij bewijst dat hij reeds een gelijkwaardige cursus heeft gevolgd;
indien hij niet beantwoordt aan het criterium betreffende het diploma geformuleerd onder 2° : beschikken over een relevante professionele ervaring gelijkwaardig aan drie voltijdse jaren als bemiddelaar erkend door de federale bemiddelingscommissie.
§ 3. De machtigingsaanvraag wordt bij schrijven aan de administratie gericht, samen met de bewijzen dat de voorwaarden bedoeld in paragraaf 2 nageleefd zijn.
Nadat door de administratie nagegaan is of de machtigingsvoorwaarden nageleefd zijn, kan de Minister de machtiging toekennen.
De beslissing van de Minister wat de machtigingsaanvraag betreft wordt schriftelijk gericht en geldt voor een maximumduur van vijf jaar. De machtiging kan na een nieuwe aanvraag worden verlengd.
In afwijking van de leden 1 tot 3 en in afwijking van de voorwaarden verwoord in de paragrafen 1 en 2 wordt de bemiddelingsdienst die over een geldige erkenning beschikt, verstrekt overeenkomstig de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties wordt geacht over een machtiging overeenkomstig dit dele van het Wetboek te beschikken. Deze gelijkwaardigheid geldt voor de duur van de erkenning verstrekt overeenkomstig de wet van 24 juni 2013.
§ 4. De Minister kan de machtiging intrekken als blijkt dat één of meerdere voorwaarden niet meer verenigd zijn. Deze beslissing tot intrekking wordt schriftelijk medegedeeld na de gemachtigde persoon te hebben gehoord.
§ 5. Er kan tussen het Waalse Gewest of de gemeente en de gemachtigde persoon een samenwerkingsovereenkomst worden gesloten. Er wordt in een vergoeding voorzien voor de bemiddelingsdiensten die worden geleverd, evenals in de betaalwijze ervan.]1

Art. R.182. [1 § 1er. Pour être habilité à effectuer une médiation au sens de la présente partie du Code, le médiateur respecte les conditions suivantes :
le cas échéant, il se conforme au Code des sociétés et des associations ;
il a fait figurer la médiation dans son objet social ;
il ne comprend pas, en son sein, un fonctionnaire sanctionnateur au sens de la présente partie compétent sur le territoire de la Région wallonne ;
il comprend, en son sein, un ou des travailleurs qui répondent aux critères définis au paragraphe 2 et confie l'exercice de la médiation à ces travailleurs ;
il a effectué une estimation détaillée du coût engendré par l'exercice de la médiation et des moyens à sa disposition pour y faire face, il justifie et possède les ressources matérielles, humaines et financières nécessaires à cet exercice ;
il envoie au fonctionnaire sanctionnateur régional, au plus tard pour le 31 mars de chaque année, un rapport d'activités décrivant au minimum le nombre de dossiers traités, le détail de ce traitement, les difficultés rencontrées dans le traitement des dossiers, des suggestions d'amélioration quant aux dossiers et aux relations.
§ 2. Le médiateur satisfait aux conditions suivantes :
n'avoir subi aucune condamnation, même avec sursis, à une peine correctionnelle ou criminelle consistant en une peine d'amende, de travail ou de prison, à l'exception des condamnations pour infractions à la réglementation relative à la police de la circulation routière autres que celles consistant en une déchéance du droit de conduire un véhicule à moteur prononcée pour d'autres motifs que pour incapacité physique ;
être titulaire d'un diplôme de licencié, master, docteur, pharmacien, agrégé, ingénieur, ingénieur industriel, architecte, maître soit un diplôme de base du deuxième cycle reconnu et délivré par les universités belges et les établissements d'enseignement supérieur de type long, après au moins quatre ans d'études ou par un jury de l'Etat ou l'une des Communautés, ou encore de certificats délivrés aux lauréats de l'Ecole royale militaire qui peuvent porter le titre d'ingénieur civil ou de licencié, master ou des diplômes et certificats équivalents ou reconnus comme tels, obtenus à l'étranger, au sein d'un autre Etat membre de l'Union européenne ou de l'EEE ;
avoir en outre suivi, au plus tard deux ans après leur désignation, la première session de formation, visée à l'article R.124. Le cas échéant, le médiateur peut solliciter auprès de l'Administration une dispense pour les modules de formation pour lesquels il prouve avoir déjà suivi un cursus équivalent ;
s'il ne répond pas au critère en matière de diplôme énoncé au 2°, avoir eu une expérience professionnelle en qualité de médiateur agréé par la Commission fédérale de médiation pendant minimum trois ans à temps plein.
§ 3. La demande d'habilitation est adressée par courrier à l'Administration, accompagnée des preuves du respect des conditions, visées au paragraphe 2.
Après vérification du respect des conditions d'habilitation par l'Administration, le Ministre peut octroyer l'habilitation.
La décision du Ministre quant à la demande d'habilitation est adressée par écrit et est valable pour une durée maximale de cinq ans. L'habilitation pourra être renouvelée après une nouvelle demande.
Par dérogation aux alinéas 1er à 3, et par dérogation aux conditions énoncées aux paragraphes 1er et 2, le service de médiation qui dispose d'un agrément délivré conformément à la loi du 24 juin 2013 relative aux sanctions administratives communales en cours de validité est réputé disposer d'une habilitation conformément à la présente partie du Code. Cette équivalence vaut pour la durée de l'agrément délivré conformément à la loi du 24 juin 2013.
§ 4. Le Ministre peut retirer l'habilitation s'il apparaît qu'une ou plusieurs conditions ne sont plus réunies. Cette décision de retrait est notifiée par écrit après avoir entendu la personne habilitée.
§ 5. Une convention de collaboration entre la Région wallonne ou la commune et la personne habilitée peut être conclue. Elle prévoit une rémunération pour les prestations du service de médiation ainsi que le mode de paiement de celle-ci.]1

Art. R.183. [1 Wanneer de sanctionerend ambtenaar de Directeur-generaal van de administratie of diens gemachtigde of het gemeentecollege van de gemeente op het grondgebied waarvan de inbreuk is gepleegd over het houden van een bemiddelingsprocedure overeenkomstig artikel D.202, § 2, lid, inlicht, verzoekt hij ze in het kader van dezelfde informatie om binnen de dertig dagen te rekenen van de ontvangst van deze informatie over te gaan tot de aanwijzing van een persoon die hun belangen zal verdedigen in het kader van de bemiddelingsprocedure. De directeur-generaal van de administratie of diens gemachtigde of het gemeentecollege van de gemeente op het grondgebied waarvan de inbreuk is gepleegd deelt dan de identiteit en de adresgegevens van de aangewezen persoon mee aan de sanctionerend ambtenaar, evenals aan de aangewezen bemiddelaar.
Wanneer, vijf dagen voor het verstrijken van de termijn van dertig dagen bepaald in het eerste lid, de sanctionerend ambtenaar en de bemiddelaar niet ingelicht zijn over de aanwijzing van één of andere vertegenwoordiger voor de directeur-generaal of diens gemachtigde of het gemeentecollege van de gemeente op het grondgebied waarvan de inbreuk is gepleegd, wordt de in gebreke blijvende partij onherroepelijk geacht geen vertegenwoordiger te willen aanwijzen in de ingeleide bemiddelingsprocedure.]1

Art. R.183. [1 Lorsque le fonctionnaire sanctionnateur informe le Directeur général de l'Administration ou son délégué ou le collège communal de la commune sur le territoire de laquelle l'infraction a été commise de l'organisation d'une procédure de médiation conformément à l'article D.202, § 2, alinéa 1er, il les invite dans le cadre de la même information à procéder, endéans les trente jours à compter de la réception de cette information, à la désignation d'une personne qui va représenter leurs intérêts dans le cadre de la procédure de médiation. Le Directeur général de l'Administration ou son délégué ou le collège communal de la commune sur le territoire de laquelle l'infraction a été commise communique alors l'identité et les coordonnées de la personne désignée au fonctionnaire sanctionnateur ainsi qu'au médiateur désigné.
Lorsque, cinq jours avant l'échéance du délai de trente jours prévus à l'alinéa 1er, le fonctionnaire sanctionnateur et le médiateur n'ont pas été informé de la désignation d'un quelconque représentant pour le Directeur général de l'Administration ou son délégué ou le collège communal de la commune sur le territoire de laquelle l'infraction, celui qui est en défaut est réputé de manière irréfragable ne pas vouloir désigner de représentant dans le cadre de la procédure de médiation engagée.]1

Art. R.184. [1 § 1. De sanctionerend ambtenaar wijst een persoon aan, belast met de controle over de uitvoering en de voltooiing van het bemiddelingsakkoord.
De persoon bedoeld in het eerste lid kan:
een ambtenaar zijn van de Waalse Overheidsdienst;
een bemiddelaar zijn.
§ 2. De facultatieve nadere regels voor de controle over de bemiddeling bestaan uit ofwel:
het opstellen van een verslag;
het voorleggen van een document waaruit blijkt dat de bemiddeling is uitgevoerd.
Wanneer overgegaan wordt tot de homologatie van de overeenkomst uit de bemiddelingsprocedure, bepaalt de sanctionerend ambtenaar, in voorkomend geval, in zijn beslissing de nadere regels van de uit te voeren controle in de loop van een duurtijd die hij bepaalt onder die, welk in lid 2 omschreven zijn. Daarvoor houdt hij rekening met de overeenkomsten die de partijen hebben bereikt en met elk gegeven waarvan hij door de bemiddelaar wordt ingelicht.
§ 3. In voorkomend geval kan de sanctionerend ambtenaar, wanneer een maatregel voortvloeiend uit het bemiddelingsakkoord tussen de partijen bij de bemiddelingsprocedure overeengekomen is, een vaststellend ambtenaar of een daartoe aangewezen deskundige belasten met het uitvoeren van een controle-opdracht ter plaatse met het oog op het nagaan of het herstel in de oorspronkelijke staat is uitgevoerd.]1

Art. R.184. [1 § 1er. Le fonctionnaire sanctionnateur désigne une personne chargée du contrôle de l'exécution et de l'aboutissement de l'accord de médiation.
La personne, visée à l'alinéa 1er, peut être :
un fonctionnaire du Service public de Wallonie ;
un médiateur.
§ 2. Les modalités facultatives de contrôle de la médiation consistent soit en :
la rédaction d'un rapport ;
la production de document justifiant la réalisation de la médiation.
Lorsqu'il procède à l'homologation de la convention issue de la procédure de médiation, le fonctionnaire sanctionnateur détermine, s'il échet, dans sa décision les modalités du contrôle à opérer au cours d'une durée qu'il détermine parmi celles décrites à l'alinéa 2. Pour ce faire, il tient compte de l'accord conclu entre les parties, et de tout élément porté à sa connaissance par le médiateur.
§ 3 Le cas échéant, lorsqu'une mesure résultant de l'accord de médiation est convenue entre les parties à la procédure de médiation, le fonctionnaire sanctionnateur peut charger un agent constatateur ou un expert désigné à cet effet d'opérer une mission de contrôle sur le terrain visant à vérifier la réalisation de la remise en état.]1

Afdeling 3. [1 - Burgerprestatie voor de meerderjarigen.]1
Section 3. [1 - Prestation citoyenne pour les majeurs.]1
Art. R.185. [1 § 1. De verenigingen of organismen die de begeleiding van burgerprestaties wensen voor te stellen dienen een dossier bij de administratie in, omvattende:
de benaming of de firmanaam, de rechtsvorm ervan, het adres van de maatschappelijke zetel evenals de naam, de voornaam en de hoedanigheid van de persoon wier aanwijzing overwogen wordt;
de identificatie van het maatschappelijk doel van de publieke instelling of de intercommunale;
de identiteit van één of meerdere contactpersonen die rechtstreeks belast zijn met de begeleiding van de overtreder;
de lijst van de activiteiten of prestaties die voorgesteld kunnen worden in het kader van de burgerprestatie;
het jaarlijks minimale uurvolume dat het organisme zich ertoe moet verbinden, af te werken;
de verzekeringspolis waarover het organisme beschikt om de overtreders te dekken.
De administratie gaat de informatie na, medegedeeld door de vereniging of het organisme, en onderzoekt het passend karakter van de activiteiten, voorgesteld met het doel van de burgerprestatie, namelijk de leefmilieu-overtreding herstellen of sensibiliseren voor de milieubescherming of het dierenwelzijn.
In functie van het onderzoek uitgevoerd overeenkomstig lid 2, sluit de directeur-generaal van de administratie een overeenkomst met het organisme belast met de begeleiding. Deze overeenkomst stelt het jaarlijkse minimale uurvolume vast dat in het kader van de burgerprestatie aangeboden wordt voor de begeleiding van de overtreders, en de vergoeding voor deze dienstverlening.
De gemeenten kunnen eveneens de overtreders bij hun burgerprestaties ontvangen en begeleiden. Zij nemen evenwel niet deel aan de oproep tot de kandidaten vermeld in lid 1, maar lichten de administratie in over hun voorstel tot ontvangst en begeleiding van de overtreders in hun burgerprestatie met nadere bepalingen inzake:
de lijst van de activiteiten of prestaties die voorgesteld kunnen worden in het kader van de burgerprestatie;
het jaarlijks minimale uurvolume dat het organisme zich ertoe moet verbinden, af te werken;
de verzekeringspolis waarover het organisme beschikt om de overtreders te dekken.
De gemeenten krijgen geen enkele vergoeding van het Waals Gewest voor de begeleiding van de burgerprestatie.
§ 2. Mits instemming van de gewestelijke sanctionerend ambtenaar kan elke gemeentelijke sanctionerend ambtenaar gebruik maken van de lijst overeenkomstig paragraaf 1.
In dat geval neemt de gemeente rechtstreeks de betaling van de vergoeding, vastgesteld krachtens paragraaf 1, lid 3, over.
Onverminderd lid 1 kan de gemeente eveneens een gemeentelijke lijst met begeleidingsorganismen opstellen. Daarvoor neemt de gemeente de nadere regels vastgesteld in paragraaf 1 in acht. De gemeente sluit een overeenkomst met elk begeleidingsorganisme vermeld op de lijst bedoeld in lid 1. Deze overeenkomst stelt het jaarlijkse minimale uurvolume vast dat in het kader van de burgerprestatie aangeboden wordt voor de begeleiding van de overtreders, en de vergoeding voor deze dienstverlening.
§ 3. De sanctionerende ambtenaren stellen in hun beslissingen de nadere regels vast voor elke burgerprestatie, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de aangewezen begeleidingsorganismen, met het type voorgestelde prestaties en het beschikbaar jaarlijks uurvolume.
§ 4. Wanneer het begeleidingsorganisme in gebreke blijft ten opzichte van zijn verbintenissen of zijn plichten in het kader van de burgerprestatie, kan voorzien worden in een tijdelijke of definitieve schrapping van de lijst, aangenomen overeenkomstig dit artikel. Deze intrekking wordt door de Minister uitgesproken, en in voorkomend geval samen met de Minister bevoegd voor dierenwelzijn, op voorstel van de administratie.]1

Art. R.185. [1 § 1er. Les associations ou organisme souhaitant proposer l'encadrement des prestations citoyennes introduisent un dossier à l'Administration comprenant :
la dénomination ou la raison sociale, sa forme juridique, l'adresse du siège social ainsi que les nom, prénom, adresse et qualité de la personne dont la désignation est envisagée ;
l'identification de l'objet social de l'organisme d'intérêt public ou de l'intercommunale ;
l'identité d'une ou plusieurs personnes de contact qui sont directement chargées de l'encadrement du contrevenant ;
la liste des activités ou prestations qui peuvent être proposées dans le cadre de la prestation citoyenne ;
le volume horaire annuel minimum sur lequel l'organisme est prêt à s'engager ;
les police d'assurance dont dispose l'organisme pour couvrir les contrevenants.
L'Administration vérifie les informations communiquées par l'association ou l'organisme et examine l'adéquation des activités proposées avec l'objectif de la prestation citoyenne à savoir la réparation de l'infraction environnementale ou la sensibilisation à la protection de l'environnement ou du bien-être animal.
En fonction de l'examen réalisé conformément à l'alinéa 2, le Directeur général de l'Administration conclut une convention avec l'organisme d'encadrement. Cette convention fixe le volume horaire annuel minimum offert à l'encadrement de contrevenants dans le cadre de la prestation citoyenne et la rémunération de ces services.
Les communes peuvent également proposer d'accueillir et d'accompagner les contrevenants dans leurs prestations citoyennes. Cependant, elles ne participent pas à l'appel à candidature mentionné à l'alinéa 1er mais informent l'Administration de leur proposition d'accueillir et d'accompagner les contrevenants dans leur prestation citoyenne en précisant :
la liste des activités ou prestations qui peuvent être proposées dans le cadre de la prestation citoyenne ;
le volume horaire annuel minimum sur lequel l'organisme est prêt à s'engager ;
les police d'assurance dont dispose l'organisme pour couvrir les contrevenant.
Les communes ne bénéficient d'aucune rémunération de la Région wallonne pour l'encadrement de la prestation citoyenne.
§ 2. Moyennant l'accord du fonctionnaire sanctionnateur régional, chaque fonctionnaire sanctionnateur communal peut recourir à la liste adoptée conformément au paragraphe 1er.
Dans ce cas, la commune assure directement le paiement de la rémunération fixée en vertu du paragraphe 1er, alinéa 3.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, la commune peut également mettre en place une liste communale d'organismes d'encadrement. Pour ce faire, la commune respecte les modalités fixées au paragraphe 1er. La commune conclut une convention avec chaque organisme d'encadrement repris sur la liste, visée à l'alinéa 1er. Cette convention fixe le volume horaire annuel minimum offert à l'encadrement de contrevenants dans le cadre de la prestation citoyenne et la rémunération de ces services.
§ 3. Les fonctionnaires sanctionnateurs fixent, dans leurs décisions, les modalités de chaque prestation citoyenne en tenant compte des spécificités des organismes d'encadrement désignés, du type de prestations proposées et du volume horaire annuel disponible.
§ 4. Lorsque l'organisme d'encadrement manque à ses engagements ou à ses devoirs dans le cadre de la prestation citoyenne, il peut faire l'objet d'un retrait temporaire ou définitif de la liste adopté conformément au présent article. Ce retrait est prononcé par le Ministre, et le cas échéant conjointement par le Ministre qui a le bien-être des animaux dans ses attributions, sur proposition de l'Administration.]1

Art. R.186. [1 Om de controle over de goede uitvoering van de burgerprestatie mogelijk te maken, deelt het begeleidingsorganisme aan het einde van de begeleiding een verslag mee aan de sanctionerend ambtenaar. De sanctionerend ambbtenaar kan in zijn beslissing bijkomende nadere regels bepalen met het oog op de controle van de burgerprestatie.
Over de gehele duurtijd van de prestaties gaat het begeleidingsorganisme na of elke nadere bepaling en elke voorwaarde, bepaald door de sanctionerend ambtenaar in zijn genomen beslissing, door de overtreder worden nageleefd. In voorkomend geval licht hij de sanctionerend ambtenaar rechtstreeks in.]1

Art. R.186. [1 Afin de permettre le contrôle de la bonne réalisation de la prestation citoyenne, l'organisme d'encadrement communique à la fin de celle-ci un rapport au fonctionnaire sanctionnateur. Le fonctionnaire sanctionnateur peut déterminer dans sa décision des modalités supplémentaires en vue de contrôler la prestation citoyenne.
Tout au long des prestations, l'organisme d'encadrement vérifie que chaque modalité et chaque condition déterminées par le fonctionnaire sanctionnateur dans sa décision prise sont respectées par le contrevenant. Le cas échéant, il en informe directement le fonctionnaire sanctionnateur.]1

Art. R.187. [1 Het verslag van het begeleidingsorganisme waarin vastgesteld wordt dat de burgerprestatie niet is uitgevoerd overeenkomstig de beslissing van de sanctionerend ambtenaar of dat ze niet volledig is uitgevoerd binnen de termijn wordt vastgesteld overeenkomstig het formulier vermeld in bijlage XX.]1
Art. R.187. [1 Le rapport de l'organisme d'encadrement constatant que la prestation citoyenne n'a pas été exécutée conformément à la décision du fonctionnaire sanctionnateur ou qu'elle n'a pas été complètement exécutée endéans le délai est établi conformément au formulaire repris à l'annexe XX.]1
Afdeling 4. [1 - Maatregelen van toepassing op minderjarigen van veertien jaar oud en ouder.]1
Section 4. [1 - Mesures applicables aux mineurs de quatorze ans et plus.]1
Art. R.188. [1 Onverminderd de eerste mededeling gedaan krachtens artikel D.208, § 2, wordt iedere mededeling die tijdens de administratieve procedure door de sanctionerend ambtenaar gericht wordt aan een minderjarige die de volle leeftijd van veertien jaar heeft bereikt op het ogenblik van de feiten, tegelijk aan zijn ouders, voogd of personen belast met het toezicht gericht, evenals in voorkomend geval aan zijn advocaat.
Uitgezonderd de procedure van ouderlijke betrokkenheid, kan geen enkele bespreking of hoorzitting gevoerd worden met de minderjarige die de volle leeftijd van veertien jaar heeft bereikt op het ogenblik van de feiten, zonder dat zijn in voorkomend geval overeenkomstig artikel D.208 aangewezen advocaat vereist wordt. Afwijkend kunnen de minderjarige en de advocaat in onderlinge overeenstemming overeenkomen dat laatstgenoemde niet aan de bespreking of hoorzitting deelneemt.]1

Art. R.188. [1 Sans préjudice de la première communication assurée en vertu de l'article D.208, § 2, toute autre communication adressée, en cours de procédure administrative, par le fonctionnaire sanctionnateur à un mineur ayant atteint l'âge de quatorze ans accomplis au moment des faits est simultanément adressée à ses père et mère, tuteur ou personnes qui en ont la garde, ainsi que, le cas échéant, à son avocat.
A l'exception de la procédure d'implication parentale, aucune discussion ou audition ne peut être menée avec le mineur ayant atteint l'âge de quatorze ans accomplis au moment des faits, sans que la présence de son avocat désigné le cas échéant conformément à l'article D.208 ne soit requise. Par dérogation, le mineur et l'avocat peuvent convenir de commun accord que ce dernier ne participera pas à la discussion ou audition.]1

TITEL 7. [1 - Fonds voor de Milieubescherming]1
TITRE 7. [1 - Fonds pour la Protection de l'Environnement]1
Art. R. [1 De administratie zorgt voor de werking en het beheer van het Fonds voor de Milieubescherming.]1
Art. R.189. [1 L'Administration assure le fonctionnement et la gestion du Fonds pour la protection de l'environnement.]1
TITEL 8. [1 - Teruggave van de vergunning voor het houden van een dier]1
TITRE 8. [1 - Restitution du permis de détention d'un animal]1
Art. R.190. [1 § 1. Een persoon die vervallen zou zijn verklaard van zijn vergunning tot het houden van een duur, van een duur langer dan tien jaar, kan een aanvraag bij de administratie indienen opdat de administratie de gepastheid van de teruggave kan onderzoeken. Om aanspraak te maken op de teruggave van de vergunning tot het houden van dieren, moeten alle volgende voorwaarden samengevoegd worden vervuld:
alle gerechtskosten en eventuele geldboetes zijn volledig betaald;
alle eventuele burgerlijke partijen zijn volledig vergoed, in overeenstemming met de besluiten, vonnissen en beslissingen;
de overtreder is niet definitief veroordeeld door een rechter of een sanctionerend ambtenaar wegens het plegen van een inbreuk inzake dierenwelzijn sinds de beslissing tot intrekking van zijn vergunning tot het houden van dieren;
een minimumtermijn van tien jaar is verstreken sinds de intrekking van zijn vergunning tot het houden van dieren;
de overtreder heeft een vorming gevolgd, dan wel deelgenomen aan sensibiliseringsacties in verband met de gepleegde inbreuk.
De aanvraag tot teruggave van de vergunning voor het houden van een dier wordt bij de administratie ingediend, samen met:
de gegevens die bewijzen dat de voorwaarden als bedoeld in lid 1 zijn nageleefd;
een schrijven waarin de reden wordt uitgelegd waarom de persoon zijn vergunning voor het houden van een dier terug wenst te krijgen;
ieder ander nuttig document om zijn aanvraag te wettigen;
een afschrift van het vonnis of de administratieve beslissing waarbij de intrekking van de vergunning tot het houden van een dier is uitgesproken.
Wanneer de persoon vervallen is verklaard van zijn vergunning tot het houden van een dier in het kader van een beroepsactiviteit, kan geen enkele aanvraag tot teruggave van de vergunning voor het houden van een dier worden ingediend.
§ 2. De administratie meldt ontvangst van de aanvraag binnen een termijn van twintig dagen te rekenen van de dag van ontvangst van de aanvraag. Als de aanvraag onvolledig is, richt de administratie de lijst met de ontbrekende stukken aan de aanvrager en geeft aan dat de procedure opnieuw ingaat te rekenen van de ontvangst van de ontbrekende stukken. Als de aanvraag onontvankelijk is, wordt de aanvrager daar door de aanvrager in dezelfde termijn over ingelicht.
De administratie richt aan de Minister bevoegd voor dierenwelzijn een advies over de aanvraag, evenals een ontwerp-beslissing binnen een termijn van zestig dagen te rekenen van de dag waarop van de aanvraag ontvangst is gemeld.
De Minister bevoegd voor dierenwelzijn beslist binnen een termijn van vijfenveertig dagen te rekenen van de zending van het advies en van de ontwerp-beslissing bedoeld in lid 2.]1

Art. R.190. [1 § 1er. Une personne qui aurait été déchue de son permis de détention d'un animal pour une durée supérieure à dix ans peut introduire une demande auprès de l'Administration afin qu'elle analyse l'opportunité de le lui restituer. Pour prétendre à la restitution de son permis de détention les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
tous les frais de justice et éventuelles amendes sont intégralement payés ;
toutes les éventuelles parties civiles sont intégralement indemnisées conformément aux arrêtés, jugements et décisions ;
le contrevenant n'a plus été condamné définitivement par un juge ou par un fonctionnaire sanctionnateur pour avoir commis d'infraction en matière de bien-être animal depuis la décision de retrait de son permis de détention ;
un délai minimum de dix ans s'est écoulé depuis le retrait de son permis de détention ;
le contrevenant a suivi une formation ou des activités de sensibilisation en rapport avec l'infraction commise.
La demande de restitution du permis de détention d'un animal est introduite auprès de l'administration et est accompagnée :
des éléments justifiant du respect des conditions, visées à l'alinéa 1er ;
d'un courrier expliquant la raison pour laquelle la personne souhaite récupérer son permis de détention d'un animal ;
de tout autre document utile à légitimer sa demande ;
d'une copie du jugement ou de la décision administrative prononçant le retrait du permis de détention d'un animal.
Lorsque la personne a été déchue de son permis de détention d'un animal dans un cadre professionnel, aucune demande de restitution du permis de détention ne peut être introduite.
§ 2. L'Administration accuse réception de la demande dans un délai de vingt jours à dater du jour de la réception de la demande. Si la demande est incomplète, l'Administration envoie au demandeur la liste des documents manquants et précise que la procédure recommence à dater de la réception des documents manquants. Si la demande est irrecevable l'Administration en informe le demandeur dans le même délai.
L'administration envoie au Ministre qui a le bien-être des animaux dans ses attributions un avis sur la demande, ainsi qu'un projet de décision dans un délai de soixante jours à compter du jour où elle a accusé réception de la demande.
Le Ministre qui a le bien-être des animaux dans ses attributions statue dans un délai de quarante-cinq jours à compter de l'envoi de l'avis et du projet de décision, visé à l'alinéa 2.]1

DEEL VI. - Milieuovereenkomsten.
PARTIE VI. - Conventions environnementales.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage I. BERICHT VAN ONTVANGST.
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 04-05-2005, p. 21195). (vervangen bij BWG 2006-07-13/70, art. 2; Inwerkingtreding : 16-09-2006)
Art. N1. Annexe I. ACCUSE DE RECEPTION.
(Formulaire non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 04-05-2005, p. 21195). (remplacé par : ARW 2006-07-13/70, art. 2; En vigueur : 16-09-2006)
Art. N2. Bijlage II. - VERLENGING VAN DE TERMIJN.
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 04-05-2005, p. 21295). (vervangen bij BWG 2006-07-13/70, art. 2; Inwerkingtreding : 16-09-2006)
Art. N2. Annexe II. PROLONGATION DES DELAIS.
(Formulaire non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 04-05-2005, p. 21196). (remplacé par : ARW 2006-07-13/70, art. 2; En vigueur : 16-09-2006)
Art. N3. Bijlage III. WEIGERING.
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 04-05-2005, p. 21296). (vervangen bij BWG 2006-07-13/70, art. 2; Inwerkingtreding : 16-09-2006)
Art. N3. Annexe III. - REFUS.
(Formulaire non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 04-05-2005, p. 21197). (remplacé par : ARW 2006-07-13/70, art. 2; En vigueur : 16-09-2006)
Art. N4. Bijlage IV. - [1 Minimale inhoud van de notulen van de informatievergadering
De notulen van de informatievergadering bedoeld in artikel D.29-5 bevatten minstens de volgende gegevens :
1. de datum, het uur en de plaats van de vergadering;
2. de identiteit en personalia van de voorzitter van de vergadering;
3. de naam van de personen zoals vermeld op de lijst der aanwezigen op de laatste vergadering;
4. een samenvatting van de verschillende besproken punten, meer bepaald :
- de voorstelling van het project door de aanvrager;
- de opmerkingen en voorstellen i.v.m. het project (met melding van de identiteit van de personen die het woord genomen hebben);
- als een milieueffectstudie wordt voorgeschreven :
° de bijzondere punten die aan het licht zijn gebracht om in het kader van de milieueffectstudie besproken te worden;
° de overgelegde technische alternatieven die redelijkerwijs door de aanvrager overwogen kunnen worden.]1

[2 5. een verslag over de kwaliteit van de video-opname.]2
Art. N4. Annexe IV. - [1 Contenu minimal du procès-verbal de la réunion d'information
Le procès-verbal de la réunion d'information visée à l'article D.29-5 contient au minimum les informations suivantes :
1. la date, l'heure et le lieu de la réunion;
2. l'identité et les coordonnées du président de la réunion;
3. le nom des personnes tel que renseigné par la liste des présences à la réunion;
4. un résumé des différents points abordés, et notamment :
- la présentation du projet réalisée par le demandeur;
- les observations et suggestions émises concernant le projet (avec indication de l'identité des personnes ayant pris la parole);
- si une étude d'incidences est prescrite :
° les points particuliers qui ont été mis en évidence afin d'être abordés dans l'étude d'incidences;
° les alternatives techniques présentées comme pouvant raisonnablement être envisagées par le demandeur]1
;
[2 5. un compte-rendu de la bonne tenue de l'enregistrement vidéo]2.
Art.N4/1. [1 - Minimuminhoud van het in artikel D.29-6 bedoelde attest
Het in artikel D.29, § -6, bedoelde attest bevat minstens de volgende informatie:
1. de opname bevat een audio- en video-opname van de tussenkomsten:
a) van de aanvrager;
b) van de vertegenwoordigers van de gemeente op het grondgebied waarvan het project wordt gepland en adviseurs inzake leefmilieu
de opname bevat een audio-opname van alle overige tussenkomsten.]1

Art.N4/1. [1 - Contenu minimal de l'attestation visée à l'article D.29-6
L'attestation visée à l'article D.29-6 contient au minimum les informations suivantes :
1. l'enregistrement comporte une captation audio et vidéo des interventions :
a) du demandeur;
b) des représentants de la commune sur le territoire de laquelle le projet est envisagé et des conseillers en environnement.
l'enregistrement comporte une captation audio de toutes les autres interventions.]1

Art. N5. Bijlage V. Lijst I van de plannen en programma's bedoeld in artikel 53, § 1, van het decreetgevend deel
Krachtens artikel 53, § 1, lid 1, van het decreetgevend deel worden volgende plannen en programma's onderworpen aan de milieueffectbeoordeling :
1. [2 het [4 landinrichtingsplan]4 bedoeld in artikel D.286 van het Waalse Landbouwwetboek;]2
2. [2 [4 Het situatieplan van het openbaar domein bedoeld in de artikelen D.295/1, D.324 en D.349/1]4]2;
3. [2 Het voorlopige inrichtingsplan bedoeld in artikel D.320 van het Waalse Landbouwwetboek;]2
4. [4 Het voorlopige inrichtingsplan bedoeld in artikel D.346 van het Waalse landbouwwetboek]4
5. [4 Het landinrichtingsplan bedoeld in artikel D.273 van het Waalse landbouwwetboek]4
6. [2 ...]2
7. [2 ...]2
8. Het afvalstoffenplan bedoeld in artikel 24, § 1, van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen;
9. Het maatregelenprogramma bedoeld in artikel 23 van het decreetgevend deel van boek II van het Milieuwetboek;
10. Het beheersplan van het hydrografisch bekken bedoeld in artikel 24 van het decreetgevend deel van boek II van het Milieuwetboek;
11. Het saneringsplan per hydrografisch onderbekken bedoeld in artikel 218 van het decreetgevend deel van boek II van het Milieuwetboek;
12. Het programma van de rioleringswerken bedoeld in artikel 219 van het decreetgevend deel van boek II van het Milieuwetboek;
13. De programmering van de te verrichten ruimings- en baggerwerken bedoeld in artikel 3 van het besluit van de Waalse Regering van 30 november 1995 betreffende het beheer van stoffen die d.m.v. bagger- of ruimingswerken uit de bedding en de oevers van waterlopen en watervlakken verwijderd worden;
14. [5 ...]5;
15. Het milieuplan voor de duurzame ontwikkeling bedoeld in artikel 37 van het decreetgevend deel;
16. Het actieprogramma voor de luchtkwaliteit bedoeld in artikel 46 van het decreetgevend deel;
17. Het actieprogramma voor de bodemkwaliteit bedoeld in artikel 46 van het decreetgevend deel;
18. Het actieprogramma voor de natuurbescherming bedoeld in artikel 46 van het decreetgevend deel;
19. Het gemeentelijk plan voor het leefmilieu en de ontwikkeling van de natuur bedoeld in artikel 48 van het decreetgevend deel;
20. Het per zone of agglomeratie geïntegreerde actieplan [1 bedoeld in artikel 24, § 2, van het besluit van de Waalse Regering van 15 juli 2010 betreffende de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit]1;
21. Het besluit tot classificatie van de steenbergen bedoeld in artikel 3 van het decreet van 9 mei 1985 betreffende de valorisatie van de steenbergen;
[1 22. Het kortetermijnactieplan bedoeld in artikel 24, § 5, van het besluit van de Waalse Regering van 15 juli 2010 betreffende de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit;]1
[3 23. het gewestelijk plan voor handelsontwikkeling, bedoeld in artikel 10, 1°, van het decreet van 5 februari 2015 betreffende de handelsvestigingen;
24. het gemeentelijk plan voor handelsontwikkeling, bedoeld in artikel 10, 2°, van het decreet van 5 februari 2015 betreffende de handelsvestigingen.]3

Art. N5. Annexe V. Liste I des plans et programmes visés à l'article 53, paragraphe 1er, de la partie décrétale.
Sont soumis à évaluation des incidences sur l'environnement, en vertu de l'article 53, paragraphe 1er, alinéa 1er, de la partie décrétale, les plans et programmes suivants :
1. [2 Le plan [4 d'aménagement foncier]4 visé à l'article D.286 du Code wallon de l'Agriculture;]2
2. [2 [4 Le plan de situation du domaine public visé aux articles D.295/1, D.324 et D.349/1]4]2;
3. [2 Le plan d'aménagement transitoire visé à l'article D.320 du Code wallon de l'Agriculture;]2
4. [4 Le plan d'aménagement amiable visé à l'article D.346 du Code wallon de l'Agriculture]4;
5. [4 Le programme d'aménagement foncier visé à l'article D.273 du Code wallon de l'Agriculture]4;
6. [2 ...]2
7. [2 ...]2
8. Le plan relatif à la gestion des déchets visé à l'article 24, paragraphe 1er, du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets;
9. Le programme de mesures visé à l'article 23 de la partie décrétale du livre II du Code de l'environnement;
10. Le plan de gestion du bassin hydrographique visé à l'article 24 de la partie décrétale du livre II du Code de l'environnement;
11. Le plan d'assainissement par sous-bassin hydrographique visé à l'article 218 de la partie décrétale du livre II du Code de l'environnement;
12. Le programme des travaux d'égouttage visé à l'article 219 de la partie décrétale du livre II du Code de l'environnement;
13. La programmation des travaux de curage et de dragage à effectuer visée à l'article 3 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 30 novembre 1995 relatif à la gestion des matières enlevées du lit et des berges des cours et plans d'eau du fait de travaux de dragage ou de curage;
14. [5 ...]5;
15. Le plan d'environnement pour le développement durable visé à l'article 37 de la partie décrétale;
16. Le programme d'action pour la qualité de l'air visé à l'article 46 de la partie décrétale;
17. Le programme d'action pour la qualité des sols visé à l'article 46 de la partie décrétale;
18. Le programme d'action pour la protection de la nature visé à l'article 46 de la partie décrétale;
19. Le plan communal d'environnement et de développement de la nature visé à l'article 48 de la partie décrétale;
20. Le plan d'action intégré par zone ou agglomération [1 visé à l'article 24, § 2, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 15 juillet 2010 relatif à l'évaluation et la gestion de la qualité de l'air ambiant]1;
21. L'arrêté de classification des terrils visé à l'article 3 du décret du 9 mai 1985 concernant la valorisation des terrils;
[1 22. Le plan d'action à court terme visé à l'article 24, § 5, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 15 juillet 2010 relatif à l'évaluation et la gestion de la qualité de l'air ambiant;]1
[3 23. le schéma régional de développement commercial visé à l'article 10, 1°, du décret du 5 février 2015 relatif aux implantations commerciales;
24. le schéma communal de développement commercial visé à l'article 10, 2°, du décret du 5 février 2015 relatif aux implantations commerciales.]3

Art. N6. Bijlage VI. - Vorm en minimale inhoud van de nota inzake milieueffectbeoordeling bedoeld in artikel 67, § 2, van het decreetgevend deel.
Aanvrager
- Naam ...
- Voornaam ...
- Hoedanigheid ...
- Woonplaats ...
- Telefoon ...
- [2 E-mailadres]2 ...
- Datum van de aanvraag ...
Project
- Voor elke fase, het project omschrijven naar gelang van de geplande inrichtingen en constructies, met opgave van de voornaamste kenmerken (oppervlakte, afmetingen, enz.).
- Lijst van de verschillende werken die ermee gepaard gaan (ontbossing, excavatie, ophoging, enz.).
- Vermelding van de operatie- of exploitatiemodaliteiten (fabricageproces, werkplaatsen, opslag, c).
- Alle stukken bijvoegen voor een beter overzicht van de kenmerken van het project (schets, doorsnede, enz.);
bestaande rechtstoestand inzake ruimtelijke ordening, stedenbouw en patrimonium
- De bestemming en/of perimeter van het terrein in overdruk aangeven op het gewestplan.
- De bestemming van het terrein vermelden op het [1 plaatselijk beleidsontwikkelingsplan (SOL)]1.
- Ligging van het terrein :
* in een niet vervallen [1 bebouwingsvergunning]1. JA - NEE;
* in een beschermingsperimeter en/of is het opgenomen op een beschermingslijst. JA - NEE;
* dichtbij [1 ...]1 een beschermd onroerend goed, een archeologische vindplaats. JA - NEE;
* binnen een beschermingsperimeter bedoeld in de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, gewijzigd o.a. bij het decreet van 6 december 2001 betreffende de natuur- of bosreservaten en Natura 2000-gebieden;
* in de nabijheid van een beschermingsperimeter bedoeld in de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, gewijzigd o.a. bij het decreet van 6 december 2001 betreffende de natuur- of bosreservaten en Natura 2000-gebieden;
beschrijving van de site vóór de uitvoering van het project.
- Bodemreliëf en helling van het natuurlijk terrein (minder dan 6%, tussen 6 en 15%, meer dan 15%).
- Aard van de bodem.
- Andere grondbezetting dan bestaande constructies (braakland, onbebouwd terrein, tuin, teelt, grasland, bos, heide, ven, vochtig gebied...).
- Aanwezigheid van grondwater en winningspunten.
- Richting en lozingspunten in het hydrografisch netwerk voor het afvloeiingswater.
- Waterlopen, vijvers, bronnen, eventuele winningspunten.
- Beknopte evaluatie van de biologische kwaliteit van de site.
- Beknopte evaluatie van de biologische kwaliteit van de Natura 2000-site, van de natuur- of bosreservaten.
- Aansluiting op een uitgerust wegennet (weg, riolering, water, elektriciteit, aardgas, ...).
- Aanwezigheid van een beschermd gebied of van een gebied dat op een beschermingslijst staat. JA - NEE.
- Aanwezigheid van een archeologische vindplaats. JA - NEE.
- Aanwezigheid van een Natura 2000-site, van natuur- of bosreservaten. JA - NEE.
Milieueffecten van het project.
a) Zal het project aanleiding geven tot emissies van gassen, stoom, stof of aërosols.
- in de lucht : JA -NEE
Vermeld
* het soort
* het debiet.
b) Zal het project aanleiding geven tot vloeibare lozingen.
- in het oppervlaktewater : JA - NEE.
- in het rioolstelsel : JA - NEE.
- boven- of ondergronds : JA - NEE.
Vermeld
* het soort (koelwater, industrieel water, regenwater, slib, ...);
* het debiet of de hoeveelheid.
Het dossier gaat vergezeld van een plan met de plaats(en) waar in het riolenstelsel of in de waterlopen wordt geloosd.
c) Voorziet het project in winningen.
- voor oppervlaktewater :
* plaats;
* hoeveelheid;
- voor grondwater :
* benaming van het winningspunt;
* hoeveelheid.
d) Beschrijving van de aard en hoeveelheid van de bijproducten en afvalstoffen voortgebracht door het project, alsmede van de wijze waarop ze verwijderd en/of vervoerd worden.
e) Kan het project geluidshinder veroorzaken voor de omwoners. JA - NEE :
* van welke aard;
* voortdurend of af en toe.
f) Voorziene vervoermiddelen en toegangswegen :
* voor het vervoer van producten;
* voor het vervoer van personen;
* lokalisatie van de parkeerplaatsen;
* lokalisatie van de eventuele pijpleidingen.
g) Zal het project het gebied schade toebrengen op esthetisch vlak. JA - NEE
h) Zal het project aanleiding geven tot erosieverschijnselen. JA - NEE
i) Integratie in het bebouwde en onbebouwde kader : gevaar voor een breukeffect in het natuurlijk landschap of ten aanzien van de kenmerken van het traditionele woonmilieu van de streek of van de wijk (bovenmatige of onvoldoende dichtheid, verschillen ten aanzien van de vestiging, de oriëntatie, het profiel, de samenstelling van de voorgevels, de bouwstoffen en de overige architecturale kenmerken van de naburige constructies vermeld op het vestigingsplan).
j) Verenigbaarheid van het project met de omgeving (aanwezigheid van een school, ziekenhuis, Natura 2000-gebied, natuurreservaat, bosreservaat, enz).
k) Gevaar voor andere mogelijke hinder.
l) Aanzienlijke wijziging van het bodemreliëf. Maximale denivellering ten aanzien van het natuurlijk terrein.
m) Bebossing en/of ontbossing.
n) Aantal parkeerplaatsen.
o) Weerslag op de natuur.
p) Wegenbouw of -inrichting.
q) Individuele zuivering.
Verantwoording van de keuzen en van de efficiëntie van de eventuele palliatieve of beschermingsmaatregelen of van het gebrek aan dergelijke maatregelen.
Maatregelen om de negatieve milieueffecten te voorkomen of te beperken
- lozingen in de lucht;
- lozingen in het water;
- productieafval;
- geuren;
- lawaai;
- verkeer;
- weerslag op het natuurlijk patrimonium;
- weerslag op het landschap.
Art. N6. Annexe VI. Forme et contenu minimum de la notice d'évaluation des incidences sur l'environnement visés à l'article 67, paragraphe 1er, de la partie décrétale.
Demandeur
Nom ...
Prénom ...
Qualité ...
Domicile ...
Numéro de téléphone ...
[2 Adresse email]2 ...
Date de la demande ...
Presentation du projet
- Pour chacune des phases, décrire le projet selon les aménagements et constructions prévus en indiquant les principales caractéristiques de ceux-ci (superficie, dimensions, etc).
Mention des divers travaux s'y attachant (deboisement, excavation, remblayage, etc.).
Mention des modalités d'opération ou d'exploitation (procédés de fabrication, ateliers, stockage, ...).
Joindre tous les documents permettant de mieux cerner les caractéristiques du projet (croquis, vue en coupe, etc).
Situation existante de droit en aménagement du territoire, urbanisme et patrimoine.
- Indiquer en surimpression sur le plan de secteur la destination et/ou périmètre du terrain.
- Indiquer la destination du terrain au [1 schéma d'orientation local (SOL)]1.
- Le terrain est-il situé :
* dans un [1 permis d'urbanisation]1 non périme. OUI - NON;
* dans un périmètre de protection et/ou inscrit sur une liste de sauvegarde. OUI - NON;
* à proximité [1 ...]1 d'un bien immobilier classé, d'un site archéologique. OUI - NON;
* dans un périmètre de protection visé par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, modifiée notamment par le décret du 6 décembre 2001 relatif aux réserves naturelles ou forestières, sites Natura 2000.
* à proximité d'un périmètre de protection visé par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, modifiée notamment par le décret du 6 décembre 2001 relatif aux réserves naturelles ou forestières, sites Natura 2000;
Description du site avant la mise en oeuvre du projet.
- Relief du sol et pente du terrain naturel (inférieure à 6 %, entre 6 et 15 %, supérieure à 15 %).
Nature du sol.
Occupation du sol autre que les constructions existantes (friche, terrain vague, jardin, culture, prairie, forêt, lande, fagnes, zone humide...).
Présence de nappes phréatiques, de points de captage.
Direction et points de rejets d'eau dans le réseau hydrographique des eaux de ruissellement.
Cours d'eau, étangs, sources, captages éventuels.
Evaluation sommaire de la qualité biologique du site.
Evaluation sommaire de la qualité du site Natura 2000, des réserves naturelles ou forestières.
Raccordement à une voirie équipée (route, égout, eau, électricité, gaz naturel, ...).
Présence d'un site classé ou situé sur une liste de sauvegarde. OUI - NON.
Présence d'un site archéologique. OUI - NON.
Présence d'un site Natura 2000, reserves naturelles ou réserves forestières.
Effets du projet sur l'environnement.
a) Le projet donnera-t-il lieu à des rejets de gaz, de vapeur d'eau, de poussières ou d'aérosols.
- dans l'atmosphère : OUI - NON
- indiquez en
* la nature;
* le débit.
b) Le projet donnera-t-il lieu à des rejets liquides.
dans les eaux de surface : OUI - NON.
dans les égouts : OUI - NON.
sur ou dans le sol : OUI - NON.
- indiquez en
* la nature (eaux de refroidissement, industrielles, pluviales, boues, ...);
* le débit ou la quantité.
Un plan indiquant le(s) point(s) de déversement dans les égouts ou dans les cours d'eau doit être joint au dossier.
c) Le projet supposera-t-il des captages.
- en eau de surface :
* lieu;
* quantité;
- en eaux souterraines :
* dénomination du point de captage;
* quantité.
d) Description de la nature, de la quantité, du mode d'élimination et/ou de transport choisis pour les sous-produits et dechets produits par le projet envisagé.
e) Le projet pourra-t-il provoquer des nuisances sonores pour le voisinage. OUI - NON :
* de quel type;
* de façon permanente ou épisodique.
f) Modes de transport prévus et les voies d'accès et de sortie :
* pour le transport de produits;
* pour le transport de personnes;
* localisation des zones de parking;
* localisation des pipe-line, s'il y en a.
Le projet portera-t-il atteinte à l'esthétique général du site. OUI - NON
Le projet donnera-t-il lieu à des phénomènes d'érosion. OUI - NON
i) Intégration au cadre bâti et non bati : risques d'un effet de rupture dans le paysage naturel ou par rapport aux caractéristiques de l'habitat traditionnel de la région ou du quartier (densité excessive ou insuffisante, différences par rapport à l'implantation, l'orientation, le gabarit, la composition des façades, les matériaux et autres caractéristiques architecturales des constructions environnantes mentionnées au plan d'implantation).
j) Compatibilité du projet avec les voisinages (présence d'une école, d'un hôpital, d'un site Natura 2000, d'une réserve naturelle, d'une réserve forestière, etc).
Risques d'autres nuisances éventuelles.
Modification sensible du relief du sol. Dénivellation maximale par rapport au terrain naturel.
Boisement et/ou déboisement.
Nombre d'emplacements de parkings.
Impact sur la nature.
Construction ou aménagement de voirie.
Epuration individuelle.
Justification des choix et de l'efficacité des mesures palliatives ou protectrices éventuelles ou de l'absence de ces mesures.
Mesures prises en vue d'éviter ou de réduire les effets négatifs sur l'environnement
- les rejets dans l'atmosphère;
- les rejets dans les eaux;
- les déchets de production;
- les odeurs;
- le bruit;
- la circulation;
- impact sur le patrimoine naturel;
- l'impact paysager.
Art. N7. Bijlage VII. - Vorm en minimale inhoud van de effectstudie bedoeld in artikel 67, § 2, van het decreetgevend deel.
1) Auteur van de studie
Erkend studiebureau.
Externe medewerkers verenigd om de studie uit te voeren.
2) Bestudeerd project
Aanvrager
Exploitatiezetel (Exacte gegevens van de vestigingsplaats van het project, Lambert-coördinaten).
Beschrijving van de plaats en omgeving (beschrijving van de elementen waarop het voorgestelde project betrekking kan hebben, met inbegrip van o.a. de bevolking, de fauna, de flora, de bodem, het water, de lucht, de klimaatfactoren, de materiële goederen, het architecturaal en archeologisch patrimonium, het landschap, alsook de interactie tussen die factoren).
Soort inrichting.
Het project :
- Activiteitensector;
- Beknopte beschrijving;
- Uitvoerige beschrijving (lijst van de installaties, activiteiten en opslagplaatsen, aard van de gebruikte of voortgebrachte energieën, duur van de aangevraagde vergunning, approximatief kalender van de tenuitvoerlegging van de vergunning, lijst van de binnenkomende, intermediaire en uitgaande stoffen).
Beschrijving van de belangrijke effecten die het project rechtstreeks en onrechtstreeks op het leefmilieu kan hebben (o.a. op de bevolking, de fauna, de flora, de bodem, het water, de lucht, de klimaatfactoren, de materiële goederen, het architecturaal en archeologisch patrimonium, het landschap, alsook op de interactie tussen die factoren), met de juiste indicatie van de gekozen prognosetechnieken en basishypothesen, alsook van de gebruikte relevante milieugegevens.
De Minister van Leefmilieu kan bepalen welke databanken nuttig zijn voor de berekening van de verspreiding van afvalgassen en voor de modelvorming van de effecten van de bronnen bedoeld in dit besluit. Het dossier betreffende de effectstudie bevat minstens een schatting van de verontreinigingsniveaus op grond van bovenbedoelde gegevens.
Beschrijving van de milieueffecten in een andere lidstaat van de Europese Unie, in een Staat die partij is bij het Verdrag van Espoo inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, in een ander gewest, in een naburige provincie of gemeente.
3) Oplossingen en maatregelen om milieueffecten te voorkomen
Synthese van de opmerkingen geformuleerd in het kader van de in artikel 31 van dit besluit bedoelde bevolkingsraadpleging die aan de effectstudie voorafgaat.
Overzicht van de voornaamste technisch uitvoerbare alternatieven die door de opdrachtgever werden onderzocht en opgave van de voornaamste redenen voor zijn keuze, rekening houdende met de milieueffecten.
Beschrijving van de geplande maatregelen om de voornaamste schadelijke milieueffecten te voorkomen, te beperken, en, voor zover mogelijk, te compenseren.
4) Commentaar van de auteur van de studie
Overzicht van de eventuele moeilijkheden (technische leemten of gebrekkige kennis) die de auteur van de studie heeft ondervonden bij het inzamelen van de vereiste gegevens.
Voorstellen en aanbevelingen van de auteur van de studie.
5) Niet-technische samenvatting van de gegevens vermeld in de bovenstaande rubrieken
Deze rubriek 5 wordt gedrukt op A4-bladzijden en moet leesbaar zijn na eventueel zwart-wit fotokopiëren, met uitzondering van de grafieken. "
Bijlage vervangen door:
Art. N7. Annexe VII. - Forme et contenu minimum de l'étude d'incidences visés à l'article 67, paragraphe 2, de la partie décrétale.
Auteur de l'étude
Bureau d'étude agréé.
Collaborateurs extérieurs associés pour l'étude.
Projet étudié
Demandeur.
Siège d'exploitation (Coordonnées précises du site d'implantation du projet, coordonnées Lambert).
Description des lieux et des abords (description des éléments susceptibles d'être affectés par le projet proposé, y compris notamment la population, la faune, la flore, le sol, l'eau, l'air, les facteurs climatiques, les biens matériels, le patrimoine architectural et archéologique, le paysage ainsi que l'interaction entre les facteurs précités).
Type d'établissement.
Présentation du projet :
- Secteur d'activites;
- Description succincte;
- Description détaillée (liste des installations et activités et des dépôts, nature des énergies utilisées ou produites, durée du permis sollicité, calendrier approximatif de la mise en oeuvre du permis, liste des matières entrantes, intermédiaires et sortantes).
Description des effets importants directs et indirects que le projet est susceptible d'avoir sur l'environnement (y compris notamment sur la population, la faune, la flore, le sol, l'eau, l'air, les réserves naturelles et les réserves forestières, les sites Natura 2000, les facteurs climatiques, les biens matériels, le patrimoine architectural et archéologique, le paysage ainsi que l'interaction entre les facteurs précités) comportant une indication précise des méthodes de prévision et des hypothèses de base retenues ainsi que des données environnementales pertinentes utilisées.
Le Ministre peut arrêter les bases de données utiles à la réalisation des calculs de dispersion de polluants gazeux et à la modélisation des effets des sources visées par les articles 52 à 86. Le dossier d'étude d'incidences comprendra au moins une évaluation des niveaux de pollution utilisant les donnees dont question ci-dessus.
Description des incidences sur l'environnement d'un autre Etat membre de l'Union européenne, d'un Etat partie à la convention d'Espoo du 25 février 1991 sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, d'une autre region, d'une province ou d'une commune voisine.
Solutions et mesures pour éviter et réduire les effets sur l'environnement :
Synthèse des observations formulées dans le cadre de la consultation du public avant l'étude d'incidences, prévue à l'article 78.
Esquisse des principales solutions de substitution techniquement réalisables examinees par le maître de l'ouvrage et indication des principales raisons de son choix, eu égard aux effets sur l'environnement.
Description des mesures envisagées pour éviter, réduire et si possible compenser les effets négatifs importants sur l'environnement.
Commentaires de l'auteur de l'étude :
Aperçu des difficultés éventuelles (lacunes techniques ou manques dans les connaissances) rencontrées par l'auteur de l'étude dans la compilation des informations requises.
Propositions et recommandations de l'auteur de l'étude.
Résumé non technique des informations reprises aux rubriques ci-dessus :
Cette rubrique 5 est imprimée sur des pages de format A4 et doit être lisible après photocopie éventuelle en noir et blanc à l'exception des expressions cartographiques. "
Annexe remplacé par:
Art. N8. [1 Bijlage VIII.]1
Art. N8. [1 Annexe VIII.]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-06-2022, p. 53308)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 28-06-2022, p. 53248)
Art. N9. [1 Bijlage IX.]1
Art. N9. [1 Annexe IX.]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-06-2022, p. 53311)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 28-06-2022, p. 53251)
Art. N10. [1 Bijlage X.]1
Art. N10. [1 Annexe X.]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-06-2022, p. 53313)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 28-06-2022, p. 53253)
Art. N11. [1 Bijlage XI.]1
Art. N11. [1 Annexe XI.]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-06-2022, p. 53317)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 28-06-2022, p. 53257)
Art. N12. [1 Bijlage XII.]1
Art. N12. [1 Annexe XII.]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-06-2022, p. 53319)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 28-06-2022, p. 53259)
Art. N13. [1 Bijlage XIII.]1
Art. N13. [1 Annexe XIII.]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-06-2022, p. 53324)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 28-06-2022, p. 53264)
Art. N14. [1 Bijlage XIV.]1
Art. N14. [1 Annexe XIV.]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-06-2022, p. 53327)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 28-06-2022, p. 53267)
Gewijzigd door:
Modifiée par:
Art. N15. [1 Bijlage XV.]1
Art. N15. [1 Annexe XV.]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-06-2022, p. 53329)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 28-06-2022, p. 53269)
Art. N16. [1 Bijlage XVI.]1
Art. N16. [1 Annexe XVI.]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-06-2022, p. 53332)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 28-06-2022, p. 53272)
Art. N17. [1 Bijlage XVI.]1
Art. N17. [1 Annexe XVII.]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-06-2022, p. 53335)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 28-06-2022, p. 53274)
Art. N18. [1 Bijlage XVIII.]1
Art. N18. [1 Annexe XVIII.]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-06-2022, p. 53340)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 28-06-2022, p. 53278)
Art. N19. [1 Bijlage XIX.]1
Art. N19. [1 Annexe XIX.]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-06-2022, p. 53342)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 28-06-2022, p. 53280)
Art. N20. [1 Bijlage XX.]1
Art. N20. [1 Annexe XX.]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-06-2022, p. 53344)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 28-06-2022, p. 53282)