Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
3 MAART 2005. - Milieuwetboek. - Boek 2 : Gecoordineerde Waterwetboek. - Regelgevend deel. (Vertaling) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 12-04-2005 en tekstbijwerking tot 28-02-2025)
Titre
3 MARS 2005. - Code de l'environnement. - Livre 2 : Code de l'Eau coordonné. - Partie réglementaire. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 12-04-2005 et mise à jour au 28-02-2025)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Boek II. - Water. DEEL EEN. - ALGEMEEN. TITEL I. - Beginselen. TITEL II. - Begripsomschrijvingen. TITEL III. - Adviesverlenende instanties. HOOFDSTUK I. HOOFDSTUK II. - Comité voor watercontrole. TITEL IV. - Terugvordering van de kosten van de... DEEL II. - GEINTEGREERD BEHEER VAN DE NATUURLIJ... TITEL 1. - Districten, stroomgebieden en onders... TITEL Ibis. [1 Oppervlaktewaterlichamen]1 TITEL II. - Beschrijvende toestand van het stro... TITEL III. - Milieudoelstellingen. HOOFDSTUK I. [1 - Bescherming van het grondwate... HOOFDSTUK II. [1 - Kwantitatieve toestand van g... TITEL IV. - Coördinatieactie. HOOFDSTUK I. [1 - Maatregelenprogramma en behee... HOOFDSTUK II. [1 - Riviercontracten.]1 Afdeling 1. [1 - Begripsomschrijvingen.]1 Afdeling 2. [1 - Organisatie van het riviercont... Afdeling 3. [1 - Geografisch toepassingsgebied.]1 Afdeling 4. [1 - Opdrachten van de riviercontra... Afdeling 5. [1 - Initialisering van het rivierc... Afdeling 6. [1 - Coördinator van het riviercont... Afdeling 7. [1 - Protocolakkoord.]1 Afdeling 8. [1 - Beoordeling van de actie van d... Afdeling 9. [1 - Financiering van de riviercont... TITEL V. - Waterlopen. HOOFDSTUK I. [1 - Algemeenheden]1 HOOFDSTUK II. [1 - Onbevaarbare Waterlopen]1 Afdeling 1. [1 - Indeling]1 Afdeling 2. [1 - Atlas]1 Afdeling 3. [1 - onderhouds- en kleine herstelw... Sectie 4. [1 - Procedure voor domaniale vergunn... Afdeling 5. [1 - Algemene bepalingen]1 HOOFDSTUK III [1 - Niet beschermde waterlopen.]1 Afdeling I. [1 - Onderhouds- en kleine herstelw... Sectie II. [1 - Werkzaamheden waarvoor voorafga... Hoofdstuk IV [1 - Overleg]1 HOOFDSTUK V [1 - Politiemaatregelen]1 Afdeling I. [1 - Politiemaatregelen van toepass... Afdeling II. [1 - Politiemaatregelen voor onbev... HOOFDSTUK VI. [1 - Subsidies]1 TITEL VI. - Wateringen. HOOFDSTUK 1. [1 - Algemene bepalingen]1 HOOFDSTUK II. [1 - Administratie van de Waterin... HOOFDSTUK III [1 - Door Wateringen uit te voere... TITEL VII. - Waterbescherming. HOOFDSTUK I. - Begripsomschrijvingen. HOOFDSTUK II. - Bescherming van het oppervlakte... Afdeling I. - Kwaliteitsdoelstellingen en besch... Onderafdeling I. - [1 Vaststelling van de norme... Onderafdeling 1bis. [1 - Bepaling van de milieu... Onderafdeling II. - Vaststelling van de algemen... Onderafdeling III. - (Onderafdeling 3 - Beheer ... Onderafdeling IV. - Vaststelling van de algemen... Onderafdeling V. - Aanwijzing van beschermingsz... Afdeling II. - Bescherming van het oppervlaktew... Onderafdeling I. - Toepassingsgebied en begrips... Onderafdeling II. - Bepaling van de relevante g... Onderafdeling III. Onderafdeling IV. Afdeling III. - Gecombineerde aanpak. Afdeling IV. [1 - Bescherming van de oppervlakt... HOOFDSTUK III. - Bescherming van grondwater en ... Afdeling I. [1 Begripsomschrijvingen]1 Afdeling 2. [1 - Oppervlaktewaterwinningen van ... Onderafdeling 1. [1 - Oppervlaktewaterwinningen... Onderafdeling 2. [1 - Voorkomingsgebied en toez... Afdeling 3. [1 - Grondwaterwinningen, waterwinn... Afdeling 4. [1 - Waterwinningen die zich buiten... Afdeling 5. [1 - Procedure voor de afbakening v... Onderafdeling 1. [1 - Voorlopige voorkomingsgeb... Onderafdeling 2. [1 - Voorkomingsgebied en toez... Afdeling 6. [1 - Beschermingsmaatregelen]1 Onderafdeling 1. [1 - Algemene bepalingen]1 Onderafdeling 2. [1 - Beschermingsmaatregelen v... Onderafdeling 3. [1 - Beschermingsmaatregelen v... Onderafdeling 4. [1 - Maatregelen voor bepaalde... Afdeling 7. [2 Oud Afdeling 4]2 [1 - Maatregele... Afdeling 5. [1 - Erkenning van de boorders]1 Onderafdeling 1. [1 - Algemeen]1 Onderafdeling 2. [1 - Erkenningsvoorwaarden]1 Onderafdeling 3. [1 - Erkenningsprocedure]1 Onderafdeling 4. [1 - Wijziging, opschorting en... Onderafdeling 5. [1 - Beroep]1 Onderafdeling 6. [1 - Modaliteiten betreffende ... Onderafdeling 7. [1 - Duur van de erkenning]1 Onderafdeling 8. [1 - Controle]1 Onderafdeling 9. [1 - Verlenging]1 HOOFDSTUK IV. - [1 Duurzaam beheer van stikstof... Afdeling 1. - [1 Definities en doelstellingen]1 Afdeling 2. - [1 Actieprogramma]1 Afdeling 3. - [1 Opslag en hantering van mestst... Afdeling 4. - [1 Voorwaarden en periodes van sp... Afdeling 5. - [1 Grondgebondenheidscijfer en sp... Afdeling 6. - [1 Kwetsbare gebieden en bijkomen... Onderafdeling 1. - [1 Kwetsbare gebieden]1 Onderafdeling 2. - [1 Grondgebondenheidscijfer ... Onderafdeling 3. - [1 Opvolging van de bedrijve... Onderafdeling 4. - [1 Andere bijkomende voorwaa... Afdeling 7. - [1 Afwijkingen]1 Afdeling 8. - [1 Evaluatie van de per dier voor... Afdeling 9. - [1 Informatieverstrekking]1 Afdeling 10. - [1 Begeleiding en coördinatie]1 Afdeling 11. - [1 Evaluatie en monitoring]1 TITEL VIII. - Financiering van het beheer van d... DEEL III. - BEHEER VAN DE ANTHROPISCHE WATERCYC... TITEL I. - Fasen van de anthropische watercyclus. HOOFDSTUK I. - Begripsomschrijvingen. HOOFDSTUK II. - Opdrachten en organisatie van h... Afdeling I. - Opdrachten van het Fonds. Afdeling II. - Procedure. Afdeling 3. - Rol en opdrachten van sommige per... Hoofdstuk 2bis. [1 - Beoordeling en beheer van ... Deel 1. [1 - Beoordeling en beheer van risico's... R. 251bis/1. [1 Deze afdeling is niet van toepa... R. 251bis/2. [1 § 1. De beoordeling van risico'... R. 251bis/3. [1 Op basis van de risicobeoordeli... Afdeling 3. [1 - Beoordeling en beheer van de r... R. 251bis/4. [1 Deze afdeling is niet van toepa... R. 251bis/5. [1 De beoordeling van de risico's ... R. 251bis/6. [1 In functie van de resultaten va... R. 251bis/7. [1 De risicobeoordeling in verband... R. 251bis/8. [1 Deze risicobeoordeling wordt do... HOOFDSTUK III. - Parameterwaarden geldend voor ... Afdeling I. - Voorwerp. Afdeling II. - Parameterwaarden. Afdeling III. - Controleprogramma. Afdeling IV. [1 - Afwijkingen van sommige param... HOOFDSTUK IV. - Procedure die gevolgd dient te ... HOOFDSTUK IVbis. - Voorwaarden voor de openbare... Afdeling 1- Toepassingsgebied Afdeling 2- Voorwaarden voor de aanleg van de a... Afdeling 3- Verandering van abonnee Afdeling 4- Openbare distributie Afdeling 5- Betalingsmodaliteiten en invorderin... Afdeling 6- Bescherming van de installaties Afdeling 7- Indexering Afdeling 8. [1 - Bedrag en modaliteiten van ber... Hoofdstuk IV/ter. [1 Informatie]1 R. 270bis-21. [1 § 1. Onverminderd artikel D.19... HOOFDSTUK V. - Prioritaire afwatering en financ... HOOFDSTUK VI. - Algemeen reglement voor de sane... Afdeling I. - Voorwerp en beginselen. Afdeling II. - Saneringsregelingen. Onderafdeling I. - Gemeenschappelijke sanerings... Onderafdeling II. - Autonome saneringsregeling. Onderafdeling III. - Voorlopige saneringsregeling. Afdeling III. - Saneringsplannen per hydrografi... Afdeling IV. - Maatregelen voor de vastlegging ... HOOFDSTUK VII. HOOFDSTUK VIII. - Behandeling van het stedelijk... HOOFDSTUK IX. [1 - Installatie en controle van ... Afdeling 1. [1 - Installatie en controle van de... Afdeling 1 bis. [1 - Certificering van de insta... Onderafdeling 1. [1 - Begripsomschrijvingen en ... Onderafdeling 2. [1 - Certificeringsvoorwaarden]1 Onderafdeling 3. [1 - Handvest van de installat... Onderafdeling 4. [1 - Toekenningsprocedure van ... Onderafdeling 5. [1 - Beroep]1 Onderafdeling 6. [1 - Wijziging, opschorting of... Onderafdeling 7. [1 - Dossierkosten]1 Onderafdeling 8. [1 - Bekendmaking van de gecer... Afdeling 2. [1 - Controles]1 Onderafdeling 1. [1 - Type van controles]1 Onderafdeling 2. [1 - Organisatie van de contro... Onderafdeling 3. [1 - Controlekosten]1 HOOFDSTUK IX/1. [1 - Onderhoud van de individue... Afdeling 1. [1 - Periodieke onderhoud]1 Afdeling 2. [1 - Lediging van het overtollige s... Art. R307/1 [1 § 1. Wanneer de exploitant van h... HOOFDSTUK X. [1 - Erfdienstbaarheden van openba... Afdeling 1. [1 - Definities.]1 Afdeling 2. [1 - Verklaring van openbaar nut.]1 Afdeling 3. [1 - Modaliteiten voor de berekenin... Afdeling 4. [1 - Verbodmaatregelen en voorschri... Afdeling 5. [1 - Aanvraag tot aankoop van het d... Afdeling 6. [1 - Slotbepalingen.]1 HOOFDSTUK XI. [1 - Certificering "Water" voor b... Afdeling 1. [1 - Definities]1 Afdeling 2. [1 - Inhoud van het CertIBEau]1 Afdeling 3. [1 - Procedure voor de aflevering v... Afdeling 4. [1 - Specifieke bepalingen voor lok... Afdeling 5. [1 - Specifieke bepalingen in geval... Afdeling 6. [1 - Databank en computerplatform]1 Afdeling 7. [1 - Erkenning van de CertIBEau-cer... Onderafdeling 1. [1 - Erkenningsvoorwaarden.]1 Onderafdeling 2. [1 - Erkenningsprocedure]1 Onderafdeling 3. [1 - Opleiding door erkende ce... Onderafdeling 4. [1 - Erkenning van opleidingsc... Onderafdeling 5. [1 - Controle van de certifice... Onderafdeling 6. [1 - Schorsing of intrekking v... Onderafdeling 7. [1 - Intrekking van de erkenni... Onderafdeling 8. [1 - Beroepsmogelijkheden]1 Afdeling 8. [1 - Tarief van het CertIBEau]1 TITEL II. - Financiering van het beheer van de ... HOOFDSTUK I. - Begripsomschrijvingen. HOOFDSTUK Ibis. - Gestandardiseerd boekhoudplan... Afdeling I. - Begripsomschrijvingen. Afdeling 2. - Algemene beginselen. Afdeling 3. - Boekhoudplan van de Watersector "... Onderafdeling 1. - Algemene beginselen. Onderafdeling 2- Evaluatieregels. Onderafdeling 3. - Analytische exploitatiereken... Onderafdeling 4. - Samenvattende exploitatierek... Afdeling 4. - Boekhoudplan van de Watersector "... Onderafdeling 1. - Algemene beginselen. Onderafdeling 2. - Evaluatieregels. Onderafdeling 3. - Analytische exploitatiereken... Onderafdeling 4. - Samenvattende exploitatierek... Afdeling 5. - Boekhoudplan van de Watersector "... Onderafdeling 1. - Algemene beginselen. Onderafdeling 2. - Evaluatieregels. Onderafdeling 3. - Exploitatierekeningen " Prod... Onderafdeling 4. - Exploitatierekeningen " Verd... Afdeling 6. - Uitvoering, bekendmaking en voorl... HOOFDSTUK II. - Sociaal Waterfonds. Afdeling I. - Voorwerp en beheersmodaliteiten. Afdeling II. - Modaliteiten inzake tegemoetkomi... HOOFDSTUK IIbis. [1 - Internationaal solidarite... Afdeling 1. [1 - Financieel mechanisme]1 Afdeling 2. [1 - Projectenoproep en -financieri... Afdeling 3. [1 - Selectie van de projecten]1 HOOFDSTUK III. - [1 Berekening en inning van de... HOOFDSTUK IV. - [1 Berekening van de heffing be... Afdeling 1. - [1 Begripsomschrijving]1 Afdeling 2. - [1 Berekening van de heffing betr... Afdeling 3. - [1 Berekening van de heffing betr... Onderafdeling 1. - [1 Aangifteformulier voor de... Onderafdeling 2. - [1 Technische modaliteiten v... A. [1 Monsterneming en toezichtcampagnes]1 B. [1 Bepaling van de waarden van de parameters]1 C. [1 Modaliteiten i.v.m. met het in aanmerking... Onderafdeling 3. - [1 Algemene bepalingen]1 HOOFDSTUK IVbis. [1 - Vaststelling van de koste... Afdeling 1. [1 - Algemeen]1 Afdeling 2. [1 - Monsternemingen, metingen en a... Afdeling 3. [1 - Vaststelling van de reële kost... HOOFDSTUK V. - [1 Milieulast veroorzaakt door d... Afdeling 1. - [1 Vaststelling van de belasting ... HOOFDSTUK VI. [1 - Voorwaarden voor de vrijstel... HOOFDSTUK VIbis. [1 - Modaliteiten tot vrijstel... HOOFDSTUK VIII. - [1 Ruiming van septische putt... Afdeling 1. - [1 Beginsel van de erkenning en a... Afdeling 2. - [1 Erkenningsvoorwaarden]1 Afdeling 3. - [1 Procedure tot indiening en beh... Afdeling 4. - [1 Wijziging van de erkenningsvoo... Afdeling 5. - [1 Plichten van de erkende ruimers]1 HOOFDSTUK IX. [1 - Installatie- of herstelpremi... Afdeling I. - Algemene bepalingen. Afdeling 1/1. [1 - Bedrag en aanvraag van de pr... Afdeling II. - Erkenning van de individuele zui... HOOFDSTUK X. - Financiering van het beheer en d... Afdeling I. - Drinkbaar water. Afdeling II. - Grondwater. HOOFDSTUK XI. Afdeling I. Afdeling II. TITEL III. HOOFDSTUK I. DEEL IV. - VASTSTELLING VAN DE OVERTREDINGEN EN... TITEL I. - Vaststelling van de overtredingen en... TITEL II. - Vaststelling van de overtredingen e... TITEL III. - Vaststelling van de overtredingen ... TITEL IV. - Vaststelling van de overtredingen e... TITEL V. - Vaststelling van de overtredingen en... TITEL VI. - Vaststelling van de overtredingen e... TITEL VII. - Vaststelling van de overtredingen ... TITEL VIII. - Vaststelling van de overtredingen... TITEL IX. - Vaststelling van de overtredingen e... DEEL V. - WIJZIGINGSBEPALINGEN. DEEL VI. - OVERGANGSBEPALINGEN. BIJLAGEN.
Inhoud
Livre II. - Eau. PARTIE PREMIERE. - GENERALITES. TITRE Ier. - Principes. TITRE II. - Définitions. TITRE III. - Instances consultatives. CHAPITRE Ier. CHAPITRE II. - Comité de contrôle de l'eau. TITRE IV. - Récupération des coûts des services... PARTIE II. - GESTION INTEGREE DU CYCLE NATUREL ... TITRE Ier. - Districts, bassins et sous-bassins... TITRE Ibis. - [1 Masses d'eau de surface]1 TITRE II. - Etat descriptif du bassin hydrograp... TITRE III. - Objectifs environnementaux. CHAPITRE Ier. [1 - Protection des eaux souterra... CHAPITRE II. [1 - Etat quantitatif des eaux sou... TITRE IV. - Action de coordination. CHAPITRE Ier. [1 - Programme de mesures et plan... CHAPITRE II. [1 - Contrats de rivière.]1 Section 1re. [1 - Définitions.]1 Section 2. [1 - Organisation du contrat de rivi... Section 3. [1 - Champ d'application géographiqu... Section 4. [1 - Missions des contrats de rivièr... Section 5. [1 - Initialisation du contrat de ri... Section 6. [1 - Coordinateur du contrat de rivi... Section 7. [1 - Protocole d'accord.]1 Section 8. [1 - Evaluation de l'action des cont... Section 9. [1 - Financement des contrats de riv... TITRE V. - Cours d'eau. CHAPITRE Ier. [1 - Généralités]1 CHAPITRE II [1 - Cours d'eau non navigables]1 Section 1ère. [1 - Classement]1 Section 2. [1 - Atlas]1 Section 3. [1 - Travaux d'entretien et de petit... Section 4. [1 - Procédure d'autorisation domani... Section 5. [1 - Dispositions générales]1 CHAPITRE III [1 - Cours d'eau non classés]1 Section Ire. [1 - Travaux d'entretien et de pet... Section II. [1 - Travaux soumis à autorisation ... Chapitre IV [1 - Concertation]1 CHAPITRE V [1 - Mesures de police]1 Section Ire. [1 - Mesures de police applicables... Section II. [1 - Mesures de police communes aux... CHAPITRE VI [1 - Subsides]1 TITRE VI. - Wateringues. CHAPITRE Ier. [1 - Dispositions générales]1 CHAPITRE II . [1 - Administration des wateringu... CHAPITRE III [1 - Travaux à exécuter par les Wa... TITRE VII. - Protection de l'eau. CHAPITRE Ier. - Définitions. CHAPITRE II. - Protection des eaux de surface. Section 1re. - Objectifs de qualité et zones de... Sous-section 1re. - [1 Etablissement des normes... Sous-section 1re. - [1Etablissement des normes ... Sous-section 2. - Fixation des normes générales... Sous-section 3. - (Gestion de la qualité des ea... Sous-section 4. - Fixation des normes générales... Sous-section 5. - Désignation des zones de prot... Section 2. - Protection des eaux de surface con... Sous-section 1re. - Champ d'application et défi... Sous-section 2. - Détermination des substances ... Sous-section 3. Sous-section 4. Section 3. - Approche combinée. Section 4. [1 - Protection des eaux de surface ... CHAPITRE III. - Protection des eaux souterraine... Section 1re. [1 Définitions]1 Section 2. [1 - Prises d'eau de surface potabil... Sous-section 1re. [1 - Prises d'eau de surface ... Sous-section 2. [1 - Zones de prévention et de ... Section 3. [1 - Prises d'eau souterraine, zones... Section 4. [1 - Prises d'eau situées en dehors ... Section 5. [1 - Procédure de délimitation des z... Sous-section 1re. [1 - Zones de prévention prov... Sous-section 2. [1 - Zones de prévention et de ... Section 6. [1 - Mesures de protection]1 Sous-section 1re [1 - Dispositions générales]1 Sous-section 2. [1 - Mesures de protection des ... Sous-section 3. [1 - Mesures de protection des ... Sous-section 4. [1 - Mesures relatives à certai... Section 7. [2 Ancienne Section 4.]2 [1 Mesures ... Section 5. [1 - Agrément des foreurs]1 Sous-section 1. [1 - Généralités]1 Sous-section 2. [1 - Conditions d'agrément]1 Sous-section 3. [1 - Procédure d'agrément]1 Sous-section 4. [1 - Modification, suspension e... Sous-section 5. [1 - Recours]1 Sous-section 6. [1 - Modalités d'envoi et calcu... Sous-section 7. [1 - Durée de l'agrément]1 Sous-section 8. [1 - Contrôle]1 Sous-section 9. [1 - Renouvellement]1 CHAPITRE IV. - [1 Gestion durable de l'azote en... Section 1re. - [1 Définitions et objectifs]1 Section 2. - [1 Programme d'action]1 Section 3. - [1 Stockage et manutention des fer... Section 4. - [1 Conditions et périodes d'épanda... Section 5. - [1 Taux de liaison au sol et contr... Section 6. - [1 Zones vulnérables et conditions... Sous-section 1re. - [1 Zones vulnérables]1 Sous-section 2. - [1 Taux de liaison au sol en ... Sous-section 3. - [1 Suivi des exploitations pa... Sous-section 4. - [1 Autres conditions suppléme... Section 7. - [1 Dérogations]1 Section 8. - [1 Evaluation des quantités d'azot... Section 9. - [1 Mise à disposition d'informatio... Section 10. - [1 Encadrement et coordination]1 Section 11. - [1 Evaluation et surveillance.]1 TITRE VIII. - Financement de la gestion du cycl... PARTIE III. - GESTION DU CYCLE ANTHROPIQUE DE L... TITRE Ier. - Phases du cycle anthropique de l'eau. CHAPITRE Ier. - Définitions. CHAPITRE II. - Missions et organisation du Fond... Section 1re. - Missions du fonds. Section 2. - Procédure. Section 3. - Rôles et missions de certains agen... Chapitre 2bis. [1 - Evaluation et gestion des r... Section 1. [1 - Evaluation et gestion des risqu... R. 251bis/1. [1 R. 251bis/1. La présente sectio... R. 251bis/2. [1 § 1er. L'évaluation des risques... R. 251bis/3. [1 Sur base de l'évaluation des ri... Section 2. [1 - Evaluation et gestion des risqu... R. 251bis/4. [1 La présente section ne s'appliq... R. 251bis/5. [1 L'évaluation des risques liés a... R. 251bis/6. [1 En fonction des résultats de l'... R. 251bis/7. [1 L'évaluation des risques liés a... R. 251bis/8. [1 Cette évaluation des risques es... CHAPITRE III. - Valeurs paramétriques applicabl... Section 1re. - Objet. Section 2. - Valeurs paramétriques. Section 3. - Programme de contrôle. Section 4. [1 - Dérogations à certaines valeurs... CHAPITRE IV. - Procédure à suivre en cas de sur... CHAPITRE IVBIS. - Conditions de la distribution... Section 1re. - Champ d'application Section 2. - Conditions d'implantation du racco... Section 3. - Changement d'abonné Section 4. - Distribution publique Section 5. - Modalités de paiement et de recouv... Section 6. - Protection des installations Section 7. - Indexation Section 7. [1 - Montant et modalités de calcul ... Art. R270bis-20. [1 Lorsque les travaux d'exten... Chapitre IV/ter. [1 Informations]1 R. 270bis-21. [1 § 1er. Sans préjudice de l'art... CHAPITRE V. - Egouttage prioritaire et modalité... CHAPITRE VI. - Règlement général d'assainisseme... Section 1re. - Objet et principes. Section 2. - Régimes d'assainissement. Sous-section 1re. - Régime d'assainissement col... Sous-section 2. - Régime d'assainissement auton... Sous-section 3. - Régime d'assainissement trans... Section 3. - Plans d'assainissement par sous-ba... Section 4. - Mesures visant à l'établissement d... CHAPITRE VII. CHAPITRE VIII. - Traitement des eaux urbaines r... CHAPITRE IX. [1 - Installation et contrôle des ... Section 1re. [1 - Installation des systèmes d'é... Section 1rebis. [1 - Certification d'installeur... Sous-section 1re. [1 - Définitions et généralit... Sous-section 2. [1 - Des conditions de certific... Sous-section 3. [1 - Charte de l'installation d... Sous-section 4. [1 - De la procédure d'octroi d... Sous-section 5. [1 - Du recours]1 Sous-section 6. [1 - De la modification, de la ... Sous-section 7. [1 - Des frais de dossier]1 Sous-section 8. [1 - De la connaissance des ins... Section 2. [1 - Contrôles]1 Sous-section 1re. [1 - Type de contrôles]1 Sous-section 2. [1 - Organisation du contrôle]1 Sous-section 3. [1 - Les frais des contrôles]1 CHAPITRE IX/1. [1 - Entretien des systèmes d'ép... Section 1re. [1 - Entretien périodique]1 Section 2. [1 - Vidange des boues excédentaires]1 CHAPITRE X. [1 - Servitudes d'utilité publique.]1 Section 1re. [1 - Définitions.]1 Section 2. [1 - Déclaration d'utilité publique.]1 Section 3. [1 - Modalités de calcul et d'indexa... Section 4. [1 - Interdictions et prescriptions ... Section 5. [1 - Demande d'achat du terrain occu... Section 6. [1 - Dispositions finales.]1 CHAPITRE XI. [1 - Certification Eau des immeubl... Section 1. [1 - Définitions]1 Section 2. [1 - Contenu du CertIBEau]1 Section 3. [1 - Procédure de délivrance du Cert... Section 4. [1 - Dispositions spécifiques aux lo... Section 5. [1 - Dispositions spécifiques en cas... Section 6. [1 - Base de données et plateforme i... Section 7. [1 - Agréments des certificateurs Ce... Sous-section 1. [1 - Conditions d'agrément]1 Sous-section 2. [1 - Procédure d'agrément]1 Sous-section 3. [1 - Formation par des centres ... Sous-section 4. [1 - Agrément des centres de fo... Sous-section 5. [1 - Contrôle des certificateur... Sous-section 6. [1 - Suspension ou retrait d'ag... Sous-section 7. [1 - Retrait d'agrément des cen... Sous-section 8. [1 - Recours]1 Section 8. [1 - Tarif du CertIBEau]1 TITRE II. - Financement de la gestion du cycle ... CHAPITRE Ier. - Définitions. CHAPITRE Ierbis. - Plan comptable uniformisé du... Section Ire. - Définitions. Section 2. - Principes généraux. Section 3. - Plan comptable de l'eau " Producte... Sous-section 1re. - Principes généraux. Sous-section 2. - Règles d'évaluation. Sous-section 3. - Compte d'exploitation analyti... Sous-section 4. - Compte d'exploitation récapit... Section 4. - Plan comptable de l'Eau " Distribu... Sous-section 1re. - Principes généraux. Sous-section 2. - Règles d'évaluation. Sous-section 3. - Compte d'exploitation analyti... Sous-section 4. - Compte d'exploitation récapit... Section 5. - Plan comptable de l'eau " Service ... Sous-section 1re. - Principes généraux. Sous-section 2. - Règles d'évaluation. Sous-section 3. - Comptes d'exploitation " Prod... Sous-section 4. - Comptes d'exploitation " Dist... Section 6. - Mise en oeuvre, publication et inf... CHAPITRE II. - Fonds social de l'eau. Section 1re. - Objet et modalités de gestion. Section 2. - Modalités d'intervention du fonds. CHAPITRE IIbis. [1 - Fonds de solidarité intern... Section 1re. [1 - Mécanisme financier]1 Section 2. [1 - Appel à projets et financement ... Section 3. [1 - Sélection des projets]1 CHAPITRE III. - [1 Etablissement et perception ... CHAPITRE IV. - [1 Etablissement de la taxe rela... Section 1re. - [1 Définitions]1 Section 2. - [1 Etablissement de la taxe relati... Section 3. - [1 Etablissement de la taxe relati... Sous-section 1re. - [1 Formule de déclaration à... Sous-section 2. - [1 Modalités techniques de dé... A. [1 Prélèvement d'échantillons et campagnes d... B. [1 Détermination des valeurs des paramètres]1 C. [1Modalités de prise en compte des paramètres]1 Sous-section 3. - [1 Dispositions générales]1 CHAPITRE IVbis. [1 - Etablissement du coût d'as... Section 1re. [1 - Généralités]1 Section 2. [1 - Echantillonnages, relevés et dé... Section 3. [1 - Etablissement du coût d'assaini... CHAPITRE V. - [1 Charge environnementale généré... Section 1re. - [1 Etablissement de la taxe sur ... CHAPITRE VI. [1 - Conditions d'exemption ou de ... CHAPITRE VIbis. [1 - Modalités d'exemption du C... CHAPITRE VIII. - [1 Vidange de fosses septiques... Section 1re. - [1 Principe de l'agrément et gén... Section 2. - [1 Conditions de l'agrément]1 Section 3. - [1 Procédure d'introduction et d'e... Section 4. - [1 De la modification des conditio... Section 5. - [1 Des obligations des vidangeurs ... CHAPITRE IX. [1 - Primes à l'installation ou la... Section 1re. - Dispositions générales. Section 1/1. [1 - Montant et demande des primes]1 Section 2. - Agrément des systèmes d'épuration ... CHAPITRE X. - Financement de la gestion et de l... Section 1re. - Eaux potabilisables. Section 2. - Eaux souterraines. CHAPITRE XI. Section 1re. Section 2. TITRE III. CHAPITRE Ier. PARTIE IV. - CONSTATATION DES INFRACTIONS ET SA... TITRE Ier. - Constatation des infractions et sa... TITRE II. - Constatation des infractions et san... TITRE III. - Constatation des infractions et sa... TITRE IV. - Constatation des infractions et san... TITRE V. - Constatation des infractions et sanc... TITRE VI. - Constatation des infractions et san... TITRE VII. - Constatation des infractions et sa... TITRE VIII. - Constatation des infractions et s... TITRE IX. - Constatation des infractions et san... PARTIE V. - DISPOSITIONS MODIFICATIVES. PARTIE VI. - DISPOSITIONS TRANSITOIRES. ANNEXES.
Tekst (1032)
Texte (1032)
Boek II. - Water.
Livre II. - Eau.
DEEL EEN. - ALGEMEEN.
PARTIE PREMIERE. - GENERALITES.
TITEL I. - Beginselen.
TITRE Ier. - Principes.
TITEL II. - Begripsomschrijvingen.
TITRE II. - Définitions.
Artikel R1. In de zin van dit boek dient te worden verstaan onder " decreetgevend deel " : de bepalingen van het decreetgevend deel van Boek II van het Milieuwetboek vervat in artikel 1 van het decreet van 27 mei 2004 betreffende Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt.
Article R1. Au sens du présent livre, il faut entendre par " partie décrétale ", les dispositions de la partie décrétale du livre II du Code de l'environnement contenues à l'article 1er du décret du 27 mai 2004 relatif au livre II du Code de l'environnement, contenant le Code de l'eau.
Art. R2.
Art. R2.
TITEL III. - Adviesverlenende instanties.
TITRE III. - Instances consultatives.
HOOFDSTUK I.
CHAPITRE Ier.
Art. R3.
Art. R3.
Art. R4.
Art. R4.
Art. R5.
Art. R5.
Art. R6.
Art. R6.
Art. R7.
Art. R7.
Art. R8.
Art. R8.
Art. R9.
Art. R9.
Art. R10.
Art. R10.
Art. R11.
Art. R11.
Art. R12.
Art. R12.
Art. R13.
Art. R13.
Art. R14.
Art. R14.
Art. R15.
Art. R15.
HOOFDSTUK II. - Comité voor watercontrole.
CHAPITRE II. - Comité de contrôle de l'eau.
Art. R16. In de zin van dit hoofdstuk wordt verstaan onder " comité " : het comité voor watercontrole opgericht krachtens dit hoofdstuk.
Art. R16. Au sens du présent chapitre, il faut entendre par " Comité " : le Comité de contrôle établi en application du présent chapitre.
Art. R17. Het comité voor watercontrole is een autonome openbare instelling die valt onder [1 deel 3 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]1 wordt verleend.
Zijn zetel is gevestigd rue du Vertbois 13c te Luik.
Art. R17. Le Comité de contrôle de l'eau est un établissement public autonome régi [1 par la partie 3 du Code des sociétés et des associations]1.
Son siège est établi à 4000 Liège, rue du Vertbois 13c.
Art. R18. Het comité moet ervoor zorgen dat de prijsevolutie van het water gebaseerd wordt op het algemeen belang en het waterbeleid van het Gewest.
Om zijn opdrachten te vervullen geniet het de ruimste autonomie.
Op eigen initiatief of op verzoek van de Minister of van de " SPGE " voert het onderzoeken uit, brengt het adviezen uit en formuleert het aanbevelingen betreffende het beleid van de waterprijzen.
Het controleert de prijs van het water krachtens artikel 4, § 3, van het decretale deel.
Het voorziet in de toepassing door de operatoren van de anthropogene watercyclus van de tarificatiestructuur.
Art. R18. Le Comité de contrôle a pour mission de veiller à ce que l'évolution du prix de l'eau soit orientée dans le sens de l'intérêt général et de la politique de l'eau de la Région.
Il bénéficie de l'autonomie la plus large dans l'intérêt de sa mission.
Il accomplit d'initiative ou sur demande du Ministre ou de la SPGE, des études, rend des avis et formule des recommandations relatifs à la politique des prix de l'eau.
Il assure le contrôle du prix de l'eau en vertu de l'article 4, § 3, de la partie décrétale.
Il assure l'application, par les opérateurs du cycle anthropique de l'eau, de la structure de tarification.
Art. R19. Om zijn opdrachten te vervullen kan het comité zich wat volgt zonder verplaatsing doen voorleggen :
- elk boekhouddocument waarvan de openbaarheid voorzien is bij of krachtens de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen;
- alle inlichtingen of verslagen die tot zijn bevoegdheid behoren, die afkomstig zijn van de instellingen, openbare organen of vennootschappen die een openbare opdracht vervullen ivm de productie, de voorziening, de verdeling, de opvang of de behandeling van het water.
Het comité kan met hetzelfde doel elk document raadplegen dat bedoeld is in artikel 1 van het decreet van 30 maart 1995 betreffende de openbaarheid van bestuur en in artikel 1 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur alsmede de informatie inzake leefmilieu en de gegevens van de openbare overheden in de zin van de artikelen 10 tot en met 20 van het decretale deel van boek één.
Met de instemming van de betrokken persoon, inrichting of instelling kan het comité hoorzittingen organiseren of zich andere documenten laten voorleggen.
Art. R19. Dans le but d'accomplir ses missions, le Comité peut se faire produire, sans déplacement :
tout document comptable dont la publicité est prévue par ou en vertu de la loi du 17 juillet 1975 relative à la comptabilité et aux comptes annuels des entreprises;
tout renseignement ou rapport relevant de sa compétence, qui émanent des institutions, organismes publics ou de sociétés accomplissant une mission de service public de production, d'adduction, de distribution, de collecte ou de traitement des eaux.
Le Comité peut, dans le même but, consulter tout document visé à l'article 1er du décret du 30 mars 1995 relatif à la publicité de l'administration, à l'article 1er de la loi du 11 avril 1994 relatif à la publicité de l'administration et les informations relatives à l'environnement et données détenues par les autorités publiques au sens des articles 10 à 20 de la partie décrétale du livre premier.
Il peut auditionner ou se faire produire d'autres documents avec le consentement de la personne, de l'organisme ou de l'institution concerné.
Art. R20. Het controlecomité bestaat uit veertien gewone en veertien plaatsvervangende leden waaronder :
twee gewone en twee plaatsvervangende leden voorgedragen door de Regering;
vier gewone en vier plaatsvervangende leden voorgedragen door de " Union des villes et communes de Wallonie " (Vereniging van Waalse Steden en Gemeenten);
twee gewone en twee plaatsvervangende leden voorgedragen door de centrale raad voor de consumptie;
zes gewone en zes plaatsvervangende leden voorgedragen door de Sociaal Economische raad van het Waalse Gewest.
De kandidaten worden aan de Minister voorgedragen op grond van een dubbeltal. Ze worden door de Regering benoemd en ontslagen.
Met uitzondering van de eerste oprichting van het comité worden de kandidaturen minstens drie maanden vóór het verstrijken van de mandaten van de leden medegedeeld aan de Regering. In voorkomend geval kan de Regering op eigen initiatief nieuwe vertegenwoordigers voordragen binnen de sector die ze vertegenwoordigen.
Art. R20. Le Comité se compose de quatorze membres effectifs et de quatorze membres suppléants dont :
deux membres effectifs et deux membres suppléants sont proposés par le Gouvernement;
quatre membres effectifs et quatre membres suppléants sont proposés par l'Union des Villes et Communes de Wallonie;
deux membres effectifs et deux membres suppléants sont proposés par le Conseil central de la consommation;
six membres effectifs et six membres suppléants sont proposés par le CESRW.
Les candidats sont proposés sur la base d'une liste double auprès du Ministre. Ils sont nommés et révoqués par le Gouvernement.
A l'exception de la première constitution du Comité, les candidatures sont communiquées au Ministre trois mois avant l'expiration des mandats des membres. A défaut, le Ministre peut, d'initiative, proposer les nouveaux représentants au sein du secteur qu'ils représentent.
Art. R21. Het mandaat van de leden geldt vier jaar. Dit mandaat kan verlengd worden voor een duur die de oorspronkelijke duur niet overschrijdt.
Art. R21. Le mandat des membres est d'une durée de 4 ans. Ce mandat peut être renouvelable pour une durée ne dépassant pas la durée initiale.
Art. R22. De hoedanigheid van lid van de raad van bestuur van de " SPGE " of van lid van het comité van de deskundigen is onverenigbaar met die van lid van het comité voor watercontrole.
Het huishoudelijk reglement kan andere onverenigbaarheden die voor de goede werking van het comité gerechtvaardigd zijn, vermelden.
Art. R22. La qualité de membre du Conseil d'administration de la SPGE ou de membre du Comité des experts est incompatible avec celle de membre du Comité de contrôle.
Le règlement d'ordre intérieur peut fixer d'autres incompatibilités justifiées pour des motifs de bon fonctionnement du Comité.
Art. R23. Elk lid is gehouden tot de vertrouwelijkheid van de handelingen, akten en documenten waarvan het kennis heeft in het kader van de uitoefening van de opdrachten van het comité.
Art. R23. Chaque membre est tenu à la confidentialité des faits, actes et documents dont il a connaissance dans le cadre de l'exécution des missions du Comité.
Art. R24. De leden van het comité voor watercontrole kunnen te allen tijde ontslagen worden in geval van onmogelijkheid hun ambt uit te oefenen of wegens grove tekortkoming of wanneer ze de hoedanigheid waarvoor ze zijn benoemd, verliezen.
Behalve overmacht moeten ze de Minister zo spoedig mogelijk verwittigen van het ontstaan van het voorval dat hen belet hun ambt uit te oefenen of waarbij ze de hoedanigheid waarvoor ze zijn benoemd, verliezen.
Bij het openvallen van het mandaat van het gewone lid vóór het verstrijken ervan voleindigt het plaatsvervangende lid het lopende mandaat.
Art. R24. Les membres du Comité de contrôle sont révocables, en tout temps en cas d'impossibilité d'exercice de leur fonction, pour faute grave ou lorsqu'ils perdent la qualité pour laquelle ils auraient été nommés.
Sauf cas de force majeure, ils sont tenus d'aviser, sans délai, le Ministre, de la survenance de l'événement les mettant dans l'impossibilité d'exercer leur fonction ou qui leur fait perdre la qualité pour laquelle ils ont été nommés.
En cas de vacance avant l'expiration du mandat effectif, le membre suppléant achève le mandat en cours.
Art. R25. De Minister wijst onder de leden van het comité zijn voorzitter en zijn ondervoorzitter aan.
Wanneer de voorzitter niet in staat is zijn ambten uit te oefenen, of bij ontslag of overlijden, neemt de ondervoorzitter het voorzitterschap tot het einde van het mandaat waar. Het comité wijst onmiddellijk een nieuwe ondervoorzitter aan.
Art. R25. Le Ministre désigne parmi les membres du Comité son président et son vice-président.
Lorsque le président se trouve dans l'impossibilité d'exercer ses fonctions ou en cas de démission ou de décès, le vice-président assure la présidence jusqu'au terme du mandat. Le Comité pourvoit sans retard à la désignation d'un nouveau vice-président.
Art. R26. Het secretariaat van het comité wordt waargenomen door het personeel van de Sociaal-economische Raad van het Waalse Gewest, overeenkomstig artikel 4, § 3 van het decreet tot wijziging van de kaderwet van 15 juli 1970 houdende organisatie van de planning en economische decentralisatie en tot oprichting van een Economische en Sociale Raad van het Waalse Gewest.
Een vertegenwoordiger van het secretariaat van het Comité vertegenwoordigt het Waalse Gewest bij de algemene inspectie van de prijzen en de mededinging.
Art. R26. Le secrétariat du Comité est assuré par le personnel du Conseil économique et social de la Région wallonne conformément à l'article 4, § 3, du décret du 25 mai 1983 modifiant la loi-cadre du 15 juillet 1970 portant organisation de la planification et de la décentralisation économique et instaurant un Conseil économique et social de la Région wallonne.
Un représentant du secrétariat du Comité représente la Région wallonne auprès de l'Inspection générale des prix et de la concurrence.
Art. R27. Het comité vergadert op initiatief van de voorzitter telkens als zijn opdracht het vereist. Elk lid wordt terwijl de termijn nog lopende is, bij brief of fax, of in spoedgevallen, bij het meest geschikte middel opgeroepen. Elk aanwezigheid wordt geacht regelmatig opgeroepen te zijn.
Elk verhinderd lid wordt vertegenwoordigd door zijn plaatsvervanger.
Art. R27. Le Comité se réunit, à l'initiative du président à chaque fois que sa mission l'exige. Chaque membre est convoqué, dans un délai utile, par lettre ou télécopie ou, en cas d'urgence, par le moyen le plus approprié. Chaque membre présent est réputé avoir été régulièrement convoqué.
Chaque membre empêché est représenté par son suppléant.
Art. R28. Twee vertegenwoordigers van de " SPGE " die aangewezen zijn door het directiecomité, twee vertegenwoordigers van de producenten en twee vertegenwoordigers van de (saneringsinstellingen) aangewezen door de in artikel 7, § 2, 4°, van het decretale deel bedoelde handelsvennootschap mogen de vergaderingen van het comité bijwonen. Ze nemen deel aan de debatten zonder nochtans beslissingen te nemen.
Daartoe worden deze vertegenwoordigers bij brief of fax door het comité opgeroepen minstens acht dagen vóór de datum van de vergadering. In spoedgevallen worden ze binnen de overeengekomen termijn en volgens de meest geschikte regels uitgenodigd.
Art. R28. Deux représentants de la SPGE désignés par le Comité de direction, deux représentants des producteurs et deux représentants des (organismes d'assainissement) désignés par la société commerciale visée à l'article 333, § 2, 4°, de la partie décrétale peuvent assister aux réunions du Comité. Ils participent aux débats sans toutefois prendre part aux décisions.
A cette fin, ces représentants sont convoqués par le Comité par lettre ou télécopie huit jours au moins avant la date de la réunion. En cas d'urgence, ils sont invités dans un délai et selon les modalités les plus appropriées.
Art. R29. De aanvragen om advies worden (bij eenvoudig schrijven) aan de voorzitter van het comité gericht.
Ze vermelden minstens :
de identiteit van de aanvrager;
het onderwerp waarop de aanvraag om advies betrekking heeft;
de gronden waarvoor het advies wordt aangevraagd;
de termijn na afloop waarvan het advies moet worden uitgebracht; deze termijn mag niet langer zijn dan 30 dagen te rekenen van de ontvangst van (de aanvraag).
Wanneer wegens de bijzonderheden van het dossier en van de analyse dat het inhoudt, de termijn van 30 dagen onvoldoende is, bepaalt de aanvraag de termijn waarbinnen het advies moet worden uitgebracht.
De kennisgevingen van dossiers betreffende de prijsverhoging van één van de bestanddelen van de waterprijs worden (bij eenvoudig schrijven) verzonden vóór de prijsverhoging plaatsvindt.
Ze vermelden minstens :
de identiteit van de aanvrager;
het bestanddeel van de prijsverhoging waarop de verhoging betrekking heeft;
een gedetailleerde motivering van de redenen van de verhoging;
de boekhouddocumenten en de inlichtingen waarop de motivering zich baseert;
de om tot de verhoging over te gaan geplande datum;
in voorkomend geval, het advies van de prijzencommissie, als erom vóór de kennisgeving is verzocht.
Art. R29. Les demandes d'avis sont adressées (par pli simple) au président du Comité.
Elles comportent au moins :
l'identité du demandeur;
l'objet sur lequel porte la demande d'avis;
les motifs pour lequel l'avis est sollicité;
fixe le délai à l'issue duquel l'avis est attendu lequel ne peut être supérieur à 30 jours à dater de la réception de (la demande).
Lorsque en raison des particularités du dossier et de l'analyse qu'il suppose le délai de 30 jours s'avère insuffisant, la demande fixe le délai dans lequel l'avis doit être rendu.
Les notifications de dossiers relatifs à l'augmentation d'un des éléments constitutifs du prix de l'eau sont adressées (par pli simple), avant que l'augmentation de prix intervienne.
Elles comportent au moins :
l'identité du demandeur;
l'élément constitutif du prix de l'eau sur lequel porte l'augmentation;
une motivation circonstanciée des raisons de l'augmentation;
les documents comptables et les renseignements sur lesquels se base la motivation;
la date envisagée pour procéder à l'augmentation;
le cas échéant, s'il a été sollicité préalablement à la notification, l'avis de la commission des prix.
Art. R30. Het comité maakt een jaarlijks verslag op over de evolutie van de waterprijs voor 31 maart van het jaar volgend op het bij het verslag betrokken jaar.
Het verslag :
vermeldt de verschillende verhogingen die gedurende het jaar per bestanddeel van de waterprijs plaats hebben gevonden;
beschrijft de samenhang tussen de evolutie van de waterprijs en het gewestelijke waterbeleid, met name het actieprogramma voor de kwaliteit van het water;
schat de socio-economische effecten van die evolutie;
maakt gewag van de convergenties inzake tarifering en rekening van de waterprijs;
brengt advies uit over de acties en initiatieven die moeten worden gevoerd om ervoor te zorgen dat de prijs van het water gebaseerd wordt op het algemeen belang en het waterbeleid;
herhaalt de beslissingen bedoeld in artikel 18, leden 3 en 4;
brengt voor elke operator verslag uit over de toepassing en de naleving van de voorwaarden bedoeld in de artikelen 2, 9°, 15°, 23°, 24°, 28°, 55°, 70°, 74°, 83°, 194° tot en met 209°, 228 tot en met 233, 417 tot en met 419, 443 en 444 van het decretale deel en in de regelgevende bepalingen die getroffen zijn krachtens voornoemde artikelen.
Art. R30. Le Comité établit un rapport annuel sur l'évolution du prix de l'eau pour le 31 mars de l'année qui suit l'année concernée par le rapport.
Le rapport :
reprend les différentes augmentations intervenues dans l'année, par élément constitutif du prix de l'eau;
décrit la cohérence entre l'évolution du prix de l'eau et la politique régionale de l'eau;
évalue les incidences socio-économiques de cette évolution;
rend compte des convergences en matière de tarification et de calcul du prix de l'eau;
rend un avis sur les actions et initiatives à poursuivre pour assurer que l'évolution du prix soit orientée dans le sens de l'intérêt général et de la politique de l'eau;
reprend les décisions visées à article 18, alinéas 3 et 4;
rend compte, pour chaque opérateur, de l'application et du respect des conditions visées aux articles 2, 9°, 15°, 23°, 24°, 28°, 55°, 70°, 74°, 83°, 194 à 209, 228 à 233, 417 à 419, 443 et 444 de la partie décrétale ainsi qu'aux dispositions réglementaires prises en vertu des articles précités.
Art. R31. De adviezen van het comité worden medegedeeld aan de Minister en aan de personen die erom hebben verzocht.
Het jaarlijkse verslag wordt gericht aan de Regering die het aan het Parlement overmaakt.
Art. R31. Les avis du Comité sont communiqués au Ministre et aux personnes qui les ont sollicités.
Le rapport annuel est adressé au Gouvernement qui le communique au Parlement.
Art. R32. Het comité maakt zijn huishoudelijk reglement op.
Het onderwerpt het aan de goedkeuring van de Regering.
Art. R32. Le Comité arrête son règlement d'ordre intérieur.
Il le soumet au Gouvernement pour approbation.
Art. R33. Het comité bepaalt jaarlijks zijn begroting voor 1 september van het jaar vóór het betrokken boekjaar en legt het ter goedkeuring voor aan de Minister.
De begroting wordt goedgekeurd door de Regering.
De begroting dekt de werkings-, reis- en secretariaatkosten, de vergoeding van de voorzitter en van de ondervoorzitter en de betaling van de presentiegelden.
Die is voor rekening van het Gewest.
Art. R33. Le Comité arrête annuellement son budget pour le 1er septembre de l'année qui précède l'exercice concerné.
Il le soumet au Ministre. Le budget est approuvé par le Gouvernement.
Le budget couvre les frais de fonctionnement, les frais de déplacement, les frais de secrétariat, l'indemnité du président et du vice-président et le payement des jetons de présence.
Il est pris en charge par la Région.
Art. R34. Alle personen die de vergaderingen van het comité bijwonen, hebben recht op de terugbetaling van hun reiskosten volgens de regels bedoeld in de koninklijke besluiten van 24 december 1963 en 18 januari 1965.
Ze komen in aanmerking voor een presentiegeld van 61,97 euro per zitting.
De voorzitter verdient een bijkomende vergoeding van 247,89 euro per maand.
De ondervoorzitter verdient een bijkomende vergoeding van 123,95 euro per maand.
Art. R34. Tous les participants aux réunions du Comité ont droit au remboursement de leur frais de déplacement selon les modalités prévues par les arrêtés royaux du 24 décembre 1963 et du 18 janvier 1965.
Ils bénéficient d'un jeton de présence d'un montant de 61,97 euros par séance;
Le président promérite d'une indemnité complémentaire de 247,89 euros par mois;
Le vice-président promérite d'une indemnité complémentaire de 123,95 euros par mois.
TITEL IV. - Terugvordering van de kosten van de dienstverlening verbonden aan het watergebruik.
TITRE IV. - Récupération des coûts des services liés à l'utilisation de l'eau.
DEEL II. - GEINTEGREERD BEHEER VAN DE NATUURLIJKE WATERCYCLUS.
PARTIE II. - GESTION INTEGREE DU CYCLE NATUREL DE L'EAU.
TITEL 1. - Districten, stroomgebieden en onderstroomgebieden.
TITRE Ier. - Districts, bassins et sous-bassins hydrographiques.
Art. R35. In de zin van dit besluit wordt verstaan onder :
Internationale commissie voor de bescherming van de Schelde, hierna " ICBS " genoemd : de Internationale commissie ingesteld bij het akkoord betreffende de bescherming van de Schelde;
Internationale commissie voor de bescherming van de Maas, hierna " ICBM " genoemd : de Internationale commissie ingesteld bij het akkoord betreffende de bescherming van de Maas.
Art. R35. Au sens du présent titre, il faut entendre par :
Commission internationale de l'Escaut, ci-après dénommée " CIE " : la Commission internationale instituée par l'accord international sur l'Escaut;
Commission internationale de la Meuse, ci-après dénommée " CIM " : la Commission internationale instituée par l'accord international sur la Meuse.
Art. R36. De afvaardiging van de Waalse Regering bij de " ICBS " en de afvaardiging van de Waalse Regering bij de " ICBM " bestaan elk uit 8 leden die door de Regering zijn aangewezen en gekozen op grond van hun bijzondere bekwaamheid inzake de aangelegenheden vervat in het internationale akkoord voor de bescherming van de Schelde en het internationale akkoord voor de bescherming van de Maas.
Elke afvaardiging bestaat uit :
drie vertegenwoordigers van de Regering;
één ambtenaar van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van het Ministerie van het Waalse Gewest;
één ambtenaar van het Directoraat-generaal Waterwegen van het Waals Ministerie van Uitrusting en Vervoer;
twee vertegenwoordigers van Aquawal;
één vertegenwoordiger van [1 de beleidsgroep "Leefmilieu", afdeling "Water"]1 ingesteld bij artikel 3 van het decreetgevende deel.
Minstens twee afgevaardigden moeten tegelijkertijd lid zijn van beide afvaardigingen.
Art. R36. La délégation du Gouvernement wallon à la CIE et la délégation du Gouvernement wallon à la CIM sont composées chacune de 8 membres, désignés par le Gouvernement et choisis pour leur compétence particulière dans les matières concernées par l'accord international sur l'Escaut et par l'accord international sur la Meuse.
Chaque délégation comprend :
trois représentants du Gouvernement;
un agent de la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement du Ministère de la Région wallonne;
un agent de la Direction générale des voies hydrauliques du Ministère de l'Equipement et des Transports;
deux représentants d'Aquawal;
un représentant [1 du pôle "Environnement", section "Eau"]1 instaurée par l'article 3 de la partie décrétale.
Deux délégués au minimum doivent être membres à la fois de la délégation à la CIE et de la délégation à la CIM.
Art. R37. De mandaten worden voor een periode van vijf jaar door de Regering toegekend en lopen vanaf de datum vermeld in het besluit tot benoeming van de leden van de afvaardiging. Ze zijn verlengbaar.
Indien het mandaat openvalt vóór verstrijken ervan, wijst de Regering een nieuwe afgevaardigde aan die het lopende mandaat beëindigt.
Het mandaat van een afgevaardigde verstrijkt van rechtswege als hij de bevoegdheid verliest die zijn benoeming heeft gerechtvaardigd.
De mandaten worden om niet uitgeoefend. Iedere persoon die vergaderingen van de " ICBS " of " ICBM " alsook vergaderingen van hun eventuele werkgroepen bijwoont, komt in aanmerking voor de terugbetaling van de reis- en verblijfkosten volgens de modaliteiten bepaald bij het koninklijk besluit van 24 december 1964 tot vaststelling van de vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan de leden van het personeel der ministeries en bij het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten. Voor de toepassing van voornoemde besluiten worden de leden van de afvaardiging met de ambtenaren van rang 15 gelijkgesteld.
Art. R37. Les mandats sont conférés par le Gouvernement pour une durée de cinq ans et prennent cours à la date prévue dans l'arrêté portant nomination des membres de la délégation. Les mandats sont renouvelables.
En cas de vacance avant l'expiration d'un mandat, le Gouvernement désigne un nouveau délégué, qui achève le mandat en cours.
Le mandat d'un délégué prend fin de plein droit lorsque celui-ci perd la qualité qui a justifié sa désignation.
Les mandats s'exercent à titre gratuit. Tout participant à des réunions de la CIE ou de la CIM, ainsi qu'à des réunions de leurs groupes de travail éventuels, bénéficie du remboursement des frais de déplacement et de séjour suivant les modalités prévues par les arrêtés royaux du 24 décembre 1964 fixant les indemnités pour frais de séjour des membres du personnel des ministères et du 18 janvier 1965 portant réglementation générale en matière de frais de parcours. Les membres de la délégation sont assimilés pour l'application des arrêtés précités aux agents de rang 15.
Art. R38. De Regering noemt een afvaardigingshoofd onder de leden van de afvaardiging bij de " ICBS " en een afvaardigingshoofd onder de leden van de afvaardiging bij de " ICBM ".
Art. R38. Le Gouvernement nomme un chef de délégation parmi les membres de la délégation à la CIE et nomme un chef de délégation parmi les membres de la délégation à la CIM.
Art. R39. Voor de periodes waarin het voorzitterschap van de " ICBS " of " ICBM " door een lid van de afvaardiging van de Waalse Regering wordt bekleed, wordt dat lid door de Regering aangewezen. Als het aangewezen lid afvaardigingshoofd is, wijst de Regering een ander lid van de afvaardiging aan om hem voor de duur van zijn mandaat als voorzitter te vervangen.
Art. R39. Pour les périodes pendant lesquelles la présidence de la CIE ou de la CIM est assurée par un membre de la délégation du Gouvernement wallon, le Gouvernement désigne un des membres de la délégation pour assurer la présidence. Si le membre désigné est le chef de délégation, le Gouvernement désigne un autre membre de délégation pour le remplacer pendant la durée de son mandat de président.
Art. R40. Het secretariaat van beide afvaardigingen wordt waargenomen door het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van het Ministerie van het Waalse Gewest.
Art. R40. La Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement assure le secrétariat de la délégation à la CIE et de la délégation à la CIM.
Art. R41. Beide afvaardigingen van de Regering stellen gezamenlijk hun werkingsreglement op alvorens het aan de goedkeuring van de Regering te onderwerpen. Van ambtswege vergaderen zij vóór elke plenaire vergadering en vergadering van de afvaardigingshoofden.
Art. R41. Les délégations du Gouvernement à la CIE et à la CIM élaborent en commun un règlement de fonctionnement des délégations qui est soumis à l'approbation du Gouvernement. Elles se réunissent d'office préalablement à toute assemblée plénière et réunion des chefs de délégation.
Art. R42. De minister van Externe Betrekkingen en de minister tot wiens bevoegdheden het waterbeleid behoort, zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van deze titel.
Art. R42. Le Ministre qui a les Relations extérieures dans ses attributions et le Ministre qui a la politique de l'eau dans ses attributions sont chargés, chacun pour ce qui le concerne, de l'exécution du présent titre.
TITEL Ibis. [1 Oppervlaktewaterlichamen]1
TITRE Ibis. - [1 Masses d'eau de surface]1
Art. R42 bis. [1 Alle op het grondgebied van het Waalse Gewest geïdentificeerde oppervlaktewaterlichamen behoren tot de categorie " rivier ".]1
Art. R42 bis. [1 Les masses d'eau de surface identifiées sur le territoire de la Région wallonne appartiennent toutes à la catégorie " rivière ".]1
Art. R42 ter. [1 De descriptoren die de identificatie van de soorten oppervlaktewaterlichamen mogelijk maken, overeenkomstig artikel D.17-1, § 1, 2° en 3°, en overeenkomstig bijlage V van het decretale gedeelte van dit Wetboek, worden nader bepaald in bijlage X, deel I.
De descriptoren die de identificatie van de soorten rivieren mogelijk maken, zijn van toepassing op alle in het Waalse Gewest geïdentificeerde oppervlaktewaterlichamen.
In afwijking van het tweede lid, zijn de descriptoren die de identificatie van meren mogelijk maken, van toepassing op de in het Waalse Gewest geïdentificeerde stuwdamreservoirs.]1

Art. R42 ter. [1 Les descripteurs permettant l'identification des types de masses d'eau de surface, en application de l'article D.17-1, § 1er, 2° et 3°, et de l'annexe V de la partie décrétale du présent Code, sont précisés à l'annexe X, partie I.
Les descripteurs permettant l'identification des types de rivières sont applicables à l'ensemble des masses d'eau de surface identifiées en Région wallonne.
Par dérogation à l'alinéa 2, les descripteurs permettant l'identification des types de lacs sont applicables aux réservoirs de barrage identifiés en Région wallonne.]1

Art. R42 quater. [1 De overeenkomstig artikel R. 4ter van dit Wetboek geïdentificeerde oppervlaktewaterlichamen worden bepaald in bijlage X, deel II.]1
Art. R42 quater. [1 Les types de masses d'eau de surface identifiés conformément à l'article R.42ter du présent Code sont déterminés à l'annexe X, partie II.]1
Art. R42 quinquies. [1 Overeenkomstig de artikelen D.16 en D.17-1, § 1, zijn de afbakening, de categorie, de typologie en de natuurlijke, kunstmatige of sterk gewijzigde aard van de op het grondgebied van het Waalse Gewest geïdentificeerde oppervlaktewaterlichamen bepaald in bijlage X, deel III. ]1
Art. R42 quinquies. [1 Conformément aux articles D.16 et D.17-1, § 1er, la délimitation, la catégorie, la typologie et le caractère naturel, artificiel ou fortement modifié des masses d'eau de surface identifiés sur le territoire de la Région wallonne sont déterminés à l'annexe X, partie III.]1
TITEL II. - Beschrijvende toestand van het stroomgebied.
TITRE II. - Etat descriptif du bassin hydrographique.
Art. R42 sexies. (oud art. 42bis) [1 In de zin van dit deel wordt verstaan onder :
" aantoonbaarheidsgrens " : het uitgangssignaal of de concentratie waarboven met een vermeld betrouwbaarheidsniveau van minstens 95 % kan worden gesteld dat een monster verschilt van een blanco monster dat geen relevante te bepalen grootheid bevat;
[2 "bepalingsgrens": een vermeld veelvoud van de aantoonbaarheidsgrens bij een concentratie van de te bepalen grootheid die redelijkerwijs met een aanvaardbaar nauwkeurigheids- en precisieniveau kan worden bepaald. De bepalingsgrens kan met behulp van een geschikte standaard of een geschikt monster worden berekend en kan vanaf het laagste kalibratiepunt op de kalibratiecurve, met uitzondering van de blanco, worden verkregen. De bepalingsgrens wordt op een reële matrix geëvalueerd, namelijk een water representatief voor het toepassingsgebied van de methode, die het te meten element niet bevat. Indien het onmogelijk is, bereidt het laboratorium een synthetische oplossing voor, die zo representatief mogelijk is voor de betrokken matrix. De bepalingsgrens wordt geëvalueerd onder de toepassingsvoorwaarden voor de gebruikelijke methode en de veronderstelde waarde ervan wordt gecontroleerd ten opzichte van een aanvaardbare maximale relatieve afwijking van 60 %;]2
" meetgrootte " : hoeveelheid van een stof, concentratie van een grootheid of grootte die men wil meten;
[2 "meetonzekerheid": de absolute waarde van de parameter die de spreiding karakteriseert van de waarden die redelijkerwijs kunnen worden toegekend aan een meetgrootte met dien verstande dat :
a) de raming van de onzekerheid alle stappen van een analysemethode met inbegrip van de voorbereiding van de monsters in aanmerking moet nemen;
b) de berekening van de onzekerheid in de ISO-norm 11352 of in elke andere gelijkwaardige norm die op internationaal niveau erkend is, zoals de norm NBN ENV 13005, wordt bepaald en;
c) de onzekerheid met een verliesfactor k=2 wordt vermenigvuldigd zodat ongeveer 95 % van de aan de meetgrootte toegekende waarden gedekt worden door een interval rond de gemeten waarde.]2
]1

Art. R42 sexies (ancien R42bis) [1 Au sens de la présente partie, il faut entendre par :
" limite de détection " : le signal de sortie ou la valeur de concentration au-delà desquels il est permis d'affirmer avec un degré de confiance d'au moins 95 % qu'un échantillon est différent d'un échantillon témoin ne contenant pas l'analyte concerné;
[2 " limite de quantification " : un multiple donné de la limite de détection pour une concentration de l'analyte qui peut raisonnablement être déterminée avec un degré de précision et d'exactitude acceptable étant entendu que la limite de quantification peut être calculée à l'aide d'un étalon ou d'un échantillon appropriés, et peut être obtenue à partir du point le plus bas sur la courbe d'étalonnage, à l'exclusion du témoin. La limite de quantification est évaluée sur une matrice réelle, c'est-à-dire une eau représentative du domaine d'application de la méthode, ne contenant pas l'élément à mesurer. Si cela s'avère impossible, le laboratoire prépare une solution synthétique la plus représentative possible de la matrice considérée. La limite de quantification est évaluée dans les conditions d'application de la méthode en routine et sa valeur présupposée est vérifiée par rapport à un écart relatif maximal acceptable de 60 %;]2
" mesurande " : quantité d'une substance, concentration d'un analyte ou grandeur que l'on veut mesurer;
[2 "incertitude de la mesure" : la valeur absolue du paramètre caractérisant la dispersion des valeurs qui peuvent raisonnablement être attribuées à un mesurande, étant entendu que :
a) l'estimation de l'incertitude doit prendre en compte toutes les étapes d'une méthode d'analyse en incluant la préparation des échantillons;
b) le calcul de l'incertitude est précisé par la norme ISO 11352 ou toute norme équivalente reconnue à l'échelle internationale, telle la norme NBN ISO 5725, et;
c) l'incertitude est multipliée par un coefficient d'élargissement k = 2, de manière à couvrir environ 95 % des valeurs attribuées au mesurande par un intervalle autour de la valeur mesurée.]2
]1

Art. R43. De inhoud van de economische analyse van het watergebruik bedoeld in artikel D.17 ligt vast in bijlage II.
De inhoud van het register van de beschermde gebieden bedoeld in artikel D.18 ligt vast in bijlage III.
De monitoring van de toestand van het water wordt door het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Waterbeheer georganiseerd op basis van een monitoringsnetwerk waartoe de waterproducenten bijdragen overeenkomstig artikel D.168, derde lid.
De inhoud, de procedures en de technische bepalingen die nodig zijn voor het uitwerken van de monitoringsprogramma's bedoeld in artikel 19 liggen vast [1 in artikel R.43bis -4 en]1 in bijlage IV.
Op de voordracht van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Waterbeheer en met het oog op de uitvoering van het beheersplan bedoeld in artikel D.24 bepaalt de Minister de lijst van de controlelocaties van het hoofdnetwerk voor de monitoring die overeenstemmen met deze monitoringsprogramma's van de waterlichamen, alsook de inhoud van deze programma's.
Art. R43. Le contenu de l'analyse économique de l'utilisation de l'eau, visée à l'article D.17 est déterminé à l'annexe II.
Le contenu du registre des zones protégées visé à l'article D.18 est déterminé à l'annexe III.
La surveillance de l'état des eaux est organisée par la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau à partir d'un réseau de surveillance auquel contribuent les producteurs d'eau conformément en particulier à l'article D.168, alinéa 3.
Le contenu, les procédures et les dispositions techniques nécessaires à l'élaboration des programmes de surveillance visé à l'article D.19, sont déterminées [1 à l'article R.43bis -4 et]1 à l'annexe IV.
Sur proposition de la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau, et en vue de l'exécution du plan de gestion prévu à l'article D.24, le Ministre arrête la liste des sites de contrôle du réseau principal de surveillance correspondant à ces programmes de surveillance des masses d'eau, ainsi que le contenu de ces programmes.
Art. R43 bis. <INGEVOEGD bij BWG 2007-05-03/43, art. 3; Inwerkingtreding : 30-05-2007> Wat de monitoring van het grondwater betreft, bestaan er twee bronnen voor de noodzakelijke gegevens :
- het producentennetwerk, dat de controlelocaties verenigt waarvan de opvolging ten laste valt van sommige eigenaars van waterwinningen en waarvan de resultaten regelmatig aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Waterbeheer, worden overgemaakt, worden aan deze monitoring onderworpen, elke operationele winplaats van tot drinkwater verwerkbaar grondwater waarvan de geproduceerde jaarlijkse hoeveelheid de drempel van 36 500 m3 (dagelijks gemiddelde van 100 m3) overschrijdt en elke operationele winplaats van water dat niet tot drinkwater verwerkbaar is waarvan de geproduceerde jaarlijkse hoeveelheid hoger is dan de drempel van 365 000 m3 (dagelijks gemiddelde van 1 000 m3) overschrijdt. De verplichting tot uitvoering van analyses is van toepassing vanaf het jaar dat volgt op de overschrijding van de vorige drempel of van de hieronder vermelde drempel en het niet-afleveren van de milieuvergunning voor de waterwinning schort deze verplichting niet op;
- het patrimoniaal netwerk, dat controlelocaties verenigt waar piëzometers, bronnen of andere categorieën van waterwinningen dan die bedoeld in de vorige paragraaf gevestigd zijn; de opdracht tot exploitatie van het patrimoniaal netwerk kan, overeenkomstig artikel D.20, aan een instelling toevertrouwd worden op basis van een bestek bepaald door de Minister op de voordracht van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Waterbeheer.
Op basis van de beschikbare locaties en van de aldus ingezamelde gegevens wordt het hoofdnetwerk voor de monitoring, dat representatief is van de grondwaterlichamen, door de hydrogeologie-deskundigen zo opgezet dat :
- het een betrouwbaar beeld geeft van de kwantitatieve toestand van alle grondwaterlichamen of groepen grondwaterlichamen, met inbegrip van een beoordeling van de beschikbare grondwatervoorraad;
- een samenhangend totaalbeeld van de chemische toestand van het grondwater in elk stroomgebied wordt gegeven en door de mens veroorzaakte stijgende tendensen op lange termijn bij verontreinigende stoffen aan het licht treden.
Dit netwerk en de methodologie die voor het ontwerp ervan nodig is worden goedgekeurd door het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Waterbeheer.
De stroomgebiedsoverheid voegt bij het beheersplan één of meerdere kaarten die het hoofdnetwerk voor de monitoring van het grondwater aangeven.
De voor het hoofdnetwerk niet in aanmerking genomen controlelocaties worden gebruikt om bijkomende controles of onderzoeken uit te voeren, namelijk voor de evaluatie van de toestand van de beschermde gebieden, de waarneming van bijzondere plaatselijke toestanden en de monitoring van de beschermde inrichtingen.
Art. R43 bis. En ce qui concerne la surveillance des eaux souterraines, les données nécessaires comportent deux origines :
- le réseau des producteurs, qui réunit les sites de contrôle dont le suivi échoit à certains titulaires de prises d'eau et dont les résultats sont régulièrement transmis à la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau; sont sujettes à cette surveillance, toute prise d'eau souterraine potabilisable en activité et dont le volume annuel produit dépasse le seuil de 36 500 m3 (100 m3 en moyenne journalière), et toute prise d'eau non potabilisable en activité et dont le volume annuel produit dépasse le seuil de 365 000 m3 (1 000 m3 en moyenne journalière). L'obligation de réaliser des analyses s'applique dès l'année qui suit le dépassement du seuil précédent ou spécifié ci-dessous, et la non-délivrance du permis d'environnement relatif à la prise d'eau ne suspend pas cette obligation;
- le réseau patrimonial, qui réunit des sites de contrôle où sont implantés des piézomètres, des sources ou d'autres catégories de prises d'eau que celles visées au paragraphe précédent; conformément à l'article D.20, la mission d'exploitation du réseau patrimonial peut être confiée à un organisme sur base d'un cahier des charges fixé par le Ministre sur proposition de la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau.
A partir des sites disponibles et des données ainsi collectées, le réseau principal de surveillance, représentatif des masses d'eau souterraine, est conçu par les spécialistes en hydrogéologie de manière à :
- fournir une estimation fiable de l'état quantitatif de toutes les masses ou tous les groupes de masses d'eau souterraine, y compris une évaluation des ressources disponibles en eau souterraine;
- fournir une image cohérente et globale de l'état chimique des masses d'eau souterraine de chaque bassin hydrographique et permettre de détecter la présence de tendances à la hausse à long terme de la pollution induite par l'activité anthropique.
Ce réseau et la méthodologie nécessaire à sa conception sont approuvés par la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau.
L'autorité de bassin inclut, dans le plan de gestion une ou plusieurs cartes indiquant le réseau principal de surveillance de l'eau souterraine.
Les sites de contrôle non retenus pour le réseau principal sont utilisés en vue de contrôles additionnels ou d'enquête, notamment pour l'évaluation de l'état des zones protégées, l'observation de situations locales particulières et la surveillance des établissements classés.
Art. R43 bis-1. <INGEVOEGD bij BWG 2007-05-03/43, art. 3; Inwerkingtreding : 30-05-2007> Het is verboden op minder dan 50 meter van een locatie voor de kwantitatieve monitoring van het grondwater die overeenkomstig deze titel is aangewezen en die voor het patrimoniaal netwerk bestemd is een boring met het oog op de productie van grondwater uit te voeren waarbij voorzien wordt in een pomp met een capaciteit van meer dan 4 m3/u.
Art. R43 bis-1. Il est interdit de réaliser un forage destiné à la production d'eau souterraine et équipé d'une pompe d'une capacité de plus de 4 m3/h à moins de 50 mètres d'un site de surveillance quantitative des eaux souterraines désigné en application du présent titre et dédicacé au réseau patrimonial.
Art. R43 bis-2. <INGEVOEGD bij BWG 2007-05-03/43, art. 3; Inwerkingtreding : 30-05-2007> Elke exploitant van een waterwinning die deel uitmaakt van het patrimoniaal netwerk moet de administratie of de toezichthoudende instelling toegang tot die waterwinning verlenen om er het niveau op te meten of monsters te nemen.
Art. R43 bis-2. Tout exploitant d'une prise d'eau faisant partie du réseau patrimonial est tenu d'en permettre l'accès à l'administration ou l'organisme chargé de la surveillance afin d'y effectuer des relevés de niveau ou d'y prélever des échantillons.
Art. R43 bis-3. <INGEVOEGD bij BWG 2007-05-03/43, art. 3; Inwerkingtreding : 30-05-2007> De maatschappijen die drinkwater produceren moeten ook deelnemen in de monitoring van oppervlaktewater overeenkomstig artikel R.103.
Art. R43 bis-3. Les sociétés de production d'eau alimentaire contribuent également à la surveillance des eaux de surface conformément à l'article R.103.
Art. R43 bis-4.[1 § 1. De analyses van de fysisch-chemische en microbiologische parameters uitgevoerd in het kader van de watermonitoringsprogramma's worden toevertrouwd aan laboratoria die methoden voor kwaliteitszorgsystemen hanteren die in overeenstemming zijn met norm NBN EN ISO/IEC 17025 of andere gelijkwaardige op internationaal niveau erkende normen.
§ 2. Alle analysemethoden, met inbegrip van de laboratorium-, veld- en onlinemethoden die worden gebruikt met het oog op de programma's voor chemische monitoring van het water worden overeenkomstig de norm NBN EN ISO/IEC 17025 of andere gelijkwaardige op internationaal niveau erkende normen gevalideerd en gedocumenteerd.
§ 3. De laboratoria die de analyses van de fysische, fysisch-chemische en microbiologische parameters uitvoeren, tonen hun bekwaamheid in dat gebied aan door :
a) deel te nemen aan programma's voor geschiktheidsbeproeving waarin de in § 2 bedoelde analysemethoden worden bestreken;
b) beschikbare referentiematerialen te analyseren die representatief zijn voor verzamelde monsters die adequate concentratieniveaus bevatten in vergelijking met de in § 4 bedoelde relevante milieukwaliteitsnormen.
Deze beproevingsprogramma's worden georganiseerd door een organisatie die voldoet aan de eisen van norm ISO/IEC-17043-1 of van andere gelijkwaardige op internationaal niveau erkende norm.
De deelneming aan deze beproevingsprogramma's is volledig ten laste van de betrokken laboratoria. De resultaten van de deelname aan deze programma's moeten worden beoordeeld op basis van een scoringssysteem dat wordt vermeld in norm ISO/IEC-17043.
§ 4. De prestatie voor alle gebruikte analysemethoden van de chemische parameters gebruikt voor monitoringscontroles, de operationele controles en de aanvullende controles vereist voor de in bijlage IV bedoelde beschermde gebieden wordt gebaseerd op een meetonzekerheid van ten hoogste 50 % (k = 2), geschat op het niveau van relevante milieukwaliteitsnormen of van drempelwaarden, die met name bedoeld zijn in de bijlagen Xbis en XIV, en een bepalingsgrens van ten hoogste 30 % van laatstgenoemden.
§ 5. Wanneer er geen relevante milieukwaliteitsnormen voor een bepaalde parameter zijn of wanneer er geen analysemethode is die aan de in § 4 vermelde minimale prestatiekenmerken voldoet, wordt de monitoring uitgevoerd met behulp van de beste beschikbare technieken die geen buitensporige kosten met zich brengen.
§ 6. Wanneer de waarde van de fysisch-chemische of chemische te meten grootheden in een bepaald monster onder de bepalingsgrens ligt, wordt voor de berekening van de gemiddelde waarde het meetresultaat geschat op de helft van de waarde van de betrokken bepalingsgrens. In dit geval wordt deze waarde betiteld als lager dan de bepalingsgrens.
De in het eerste lid bedoelde berekeningsmethode is niet van toepassing op te meten grootheden die een totaal zijn van een bepaalde groep fysisch-chemische parameters of chemische te meten grootheden, met inbegrip van hun relevante metabolieten en afbraak- en reactieproducten. In die gevallen worden resultaten onder de bepalingsgrens van de individuele stoffen vastgesteld op nul.
§ 7. De monsters worden genomen onder het mom van daartoe geaccrediteerde instellingen. Voor zover mogelijk voldoet de monsterneming aan de norm ISO 56676.]1

Art. R43 bis-4.[1 § 1er. Les analyses des paramètres chimiques, physico-chimiques et microbiologiques effectuées dans le cadre des programmes de surveillance des eaux sont confiées à des laboratoires qui appliquent des systèmes de gestion de la qualité conformes à la norme NBN EN ISO/IEC-17025, ou à toute autre norme équivalente reconnue à l'échelle internationale.
§ 2. Toutes les méthodes d'analyse, y compris les méthodes de laboratoire, de terrain et en ligne, utilisées dans le cadre des programmes de surveillance de l'état chimique des eaux sont validées et attestées conformément à la norme NBN EN ISO/IEC-17025, ou à toute autre norme équivalente reconnue à l'échelle internationale.
§ 3. Les laboratoires auxquels sont confiées des analyses chimiques, physico-chimiques ou micro-biologiques apportent la preuve de leur compétence dans ce domaine de la manière suivante :
a) par leur participation à des programmes d'essais d'aptitude couvrant les méthodes d'analyse, visées au paragraphe 2;
b) par l'analyse de matériaux de référence disponibles, représentatifs des échantillons prélevés et contenant des niveaux de concentration appropriés au regard des normes de qualité environnementale applicables visées au paragraphe 4.
Ces programmes d'essais sont organisés par une organisation répondant aux exigences mentionnées dans la norme ISO/CEI-17043 ou à toute autre norme équivalente reconnue à l'échelle internationale.
La participation à ces programmes d'essai est entièrement à charge des laboratoires concernés. Les résultats de la participation à ces programmes d'essai sont évalués par un système de notation établi dans la norme ISO/CEI-17043.
§ 4. La performance des méthodes d'analyse des paramètres chimiques utilisées pour les contrôles de surveillance, les contrôles opérationnels, et les contrôles additionnels requis pour les zones protégées visés à l'annexe IV est fondée sur une incertitude de la mesure inférieure ou égale à 50 % (k = 2) estimée au niveau des normes de qualité environnementales applicables ou des valeurs seuils, notamment prévues aux annexes Xbis et XIV, ainsi que sur une limite de quantification inférieure ou égale à 30 % de la valeur de celles-ci.
§ 5. En l'absence de norme de qualité environnementale appropriée pour un paramètre donné ou en l'absence de méthode d'analyse répondant aux critères de performance minimaux visés au paragraphe 4, la surveillance est effectuée à l'aide des meilleures techniques disponibles n'entraînant pas de coûts excessifs.
§ 6. Lorsque les valeurs des mesurandes physico-chimiques ou chimiques d'un échantillon donné sont inférieures à la limite de quantification, le résultat de la mesure est estimé à la moitié de la limite de quantification concernée pour le calcul des valeurs moyennes. Il est, dans ce cas, indiqué que la valeur est inférieure à la limite de quantification.
La méthode de calcul énoncée à l'alinéa premier ne s'applique pas aux mesurandes qui correspondent à la somme d'un groupe donné de paramètres physico-chimiques ou de mesurandes chimiques, y compris leurs métabolites et produits de dégradation et de réaction. En pareil cas, les résultats inférieurs à la limite de quantification des substances individuelles sont remplacés par zéro.
§ 7. Les prélèvements d'échantillons sont effectués sous couvert d'organismes accrédités pour cette activité. Dans toute la mesure du possible, le prélèvement des échantillons répond à la norme ISO 5667.]1

Art. R43 bis-5.
Art. R43 bis-5.
TITEL III. - Milieudoelstellingen.
TITRE III. - Objectifs environnementaux.
HOOFDSTUK I. [1 - Bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand.]1
CHAPITRE Ier. [1 - Protection des eaux souterraines contre la pollution et la détérioration.]1
Art. R43 ter-1. [1 Bij dit hoofdstuk worden specifieke maatregelen ter voorkoming en beheersing van grondwaterverontreiniging vastgesteld. Deze maatregelen omvatten met name :
a) criteria voor de beoordeling van de goede chemische toestand van het grondwater; en
b) criteria voor het vaststellen van significante en aanhoudende stijgende trends en de omkering daarvan, en voor het bepalen van de beginpunten voor omkeringen in trends.]1

Art. R43 ter-1. [1 Le présent chapitre établit des mesures spécifiques visant à prévenir et à contrôler la pollution des eaux souterraines. Ces mesures comprennent en particulier :
a) des critères pour l'évaluation du bon état chimique des eaux souterraines; et
b) des critères pour l'identification et l'inversion des tendances à la hausse significatives et durables, ainsi que pour la définition des points de départ des inversions de tendances.]1

Art. R43 ter-2. [1 Voor de toepassing van Titel III en volgende gelden de volgende definities :
"goede chemische toestand van een grondwater", de chemische toestand van een grondwaterlichaam die aan de volgende voorwaarden voldoet :
* de veranderingen van geleidbaarheid wijzen niet op intrusies van zout of andere stoffen in het grondwaterlichaam;
* de chemische samenstelling, die op de verschillende meetpunten van het voornamelijke monitoringsnetwerk bedoeld in artikel R. 43bis -1 gemeten worden, is zodanig dat de concentraties van verontreinigende stoffen de criteria van artikel R. 43ter -3 naleven, onder voorbehoud van de bepalingen van bijlage XIV deel C;
* de chemische samenstelling van het grondwaterlichaam is zodanig dat de concentraties van verontreinigende stoffen niet verhinderen de milieudoelstellingen van artikel D.22 voor bijbehorende oppervlaktewateren te bereiken, dat ze geen significante vermindering van de ecologische of chemische kwaliteit van de bijbehorende oppervlaktewaterlichamen veroorzaken en dat ze geen significante schade toebrengen aan bijbehorende landecosystemen die rechtstreeks van het grondwaterlichaam afhangen;
"grondwaterkwaliteitsnorm", een milieukwaliteitsnorm uitgedrukt als de concentratie van een bepaalde verontreinigende stof, groep verontreinigende stoffen of indicator van verontreiniging in grondwater die ter bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu niet mag worden overschreden;
"drempelwaarde", een grondwaterkwaliteitsnorm bepaald door de stroomgebiedsoverheid overeenkomstig artikel R. 43ter -3, met het oog op de bescherming van grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand;
"significante en aanhoudende stijgende trends", elke statistisch en uit milieuoogpunt significante toename van de concentratie van een verontreinigende stof, groep verontreinigende stoffen of indicator van verontreiniging in het grondwater waarvoor een omkering van de trend als noodzakelijk wordt beschouwd overeenkomstig artikel R 43ter -5;
"inbreng van verontreinigende stoffen in het grondwater", het als gevolg van menselijke activiteiten direct en indirect inbrengen van verontreinigende stoffen in het grondwater;
"achtergrondniveau", de concentratie van een stof of de waarde van een indicator in een grondwaterlichaam die overeenkomt met onbestaande, of zeer geringe, antropogene alteraties of alleen met heel kleine alteraties in vergelijking met niet verstoorde omstandigheden; in het bijzonder, de concentratie van de natuurlijke geochemische achtergrond in het diepe grondwater of vlakbij ertshoudende afzettingen.
"basislijnniveau", de gemiddelde waarde die tenminste is gemeten gedurende de referentiejaren 2007 en 2008 op grond van de volgens artikel D.19 ingestelde monitoringsprogramma's of, in geval van stoffen die na deze referentiejaren ontdekt zijn, gedurende de eerste periode waarvoor een representieve reeks van monitoringsgegevens bestaat.]1

Art. R43 ter-2. [1 Pour l'application des Titres III et suivants, les définitions suivantes sont d'application :
"bon état chimique d'une eau souterraine", l'état chimique d'une masse d'eau souterraine qui répond aux conditions suivantes :
* les changements de conductivité n'indiquent pas d'invasion d'eau salée ou autre dans la masse d'eau souterraine;
* la composition chimique, mesurée aux différents points du réseau principal de surveillance défini à l'article R43bis -1, est telle que les concentrations de polluants respectent les critères retenus à l'article R43ter -3, sous réserve des dispositions de l'annexe XIV, partie C;
* la composition chimique de la masse d'eau souterraine est telle que les concentrations de polluants n'empêchent pas d'atteindre les objectifs environnementaux de l'article D.22 pour les eaux de surface associées, n'entraînent pas une diminution importante de la qualité écologique ou chimique des masses d'eau de surface associées et n'occasionnent pas de dommages importants aux écosystèmes terrestres qui dépendent directement de la masse d'eau souterraine;
"norme de qualité d'une eau souterraine", une norme de qualité environnementale exprimée par la concentration d'un polluant, d'un groupe de polluants ou d'un indicateur de pollution dans une eau souterraine, qui ne doit pas être dépassée, afin de protéger la santé humaine et l'environnement;
"valeur seuil", une norme de qualité d'une eau souterraine fixée par l'autorité de bassin conformément à l'article R43ter -3, en vue de protéger les eaux souterraines contre la pollution et la détérioration;
"tendance significative et durable à la hausse", toute augmentation significative, sur les plans statistique et environnemental, de la concentration d'un polluant, d'un groupe de polluants ou d'un indicateur de pollution dans les eaux souterraines, pour lequel une inversion de tendance est considérée comme nécessaire conformément à l'article R43ter -5;
"introduction de polluants dans les eaux souterraines", l'introduction directe ou indirecte de polluants dans les eaux souterraines par suite de l'activité humaine;
"concentration de référence", la concentration d'une substance ou la valeur d'un indicateur dans une masse d'eau souterraine correspondant à une absence de modification anthropique, ou seulement à des modifications très mineures, par rapport à des conditions non perturbées; en particulier, la concentration du fond géochimique naturel rencontré en nappe profonde ou à proximité de gisements métallifères.
"point de départ de l'identification", la concentration moyenne mesurée au moins au cours des années de référence 2007 et 2008 sur la base des programmes de surveillance établis conformément à l'article D.19 ou, dans le cas de substances détectées après ces années de référence, durant la première période pour laquelle une série représentative de données de contrôle existe.]1

Art. R43 ter-3.[1 Voor de beoordeling van de chemische toestand van een grondwaterlichaam of een groep grondwaterlichamen overeenkomstig artikel R. 43ter -2, 1°, worden de volgende criteria aangehouden
grondwaterkwaliteitsnormen als bedoeld in bijlage XIV, [2 deel A]2;
drempelwaarden [2 ...]2, worden vermeld en die overeenkomstig de in bijlage XIV, deel B I en II, omschreven procedure vastgesteld worden voor de verontreinigende stoffen, de groepen verontreinigende stoffen en de indicatoren van verontreiniging die herkend zijn als stoffen die ertoe bijdragen dat grondwaterlichamen of groepen grondwaterlichamen als risicovol worden beschouwd, rekening houdend met tenminste de lijst van bijlage XIV, deel B III. [2 Als die drempelwaarden niet vastgelegd worden door de stroomgebiedsautoriteit, worden ze geacht identiek te zijn aan de criteriawaarden opgesomd in bijlage XIV, deel B I.]2 ]1

Art. R43 ter-3.[1 Aux fins de l'évaluation de l'état chimique d'une masse d'eau souterraine ou d'un groupe de masses d'eau souterraine conformément à l'article R43ter -2, 1°, les critères suivants sont retenus :
normes de qualité des eaux souterraines énoncées à l'annexe XIV, [2 partie A]2;
valeurs seuils [2 ...]2 fixées conformément à la procédure décrite à l'annexe XIV, partie B I. et II., pour les polluants, groupes de polluants et indicateurs de pollution qui ont été identifiés comme contribuant à caractériser les masses ou groupes de masses d'eau souterraine comme étant à risque, compte tenu au moins de la liste figurant à l'annexe XIV, partie B III. [2 A défaut, pour l'autorité de bassin, de fixer ces valeurs seuils, elles sont réputées identiques aux valeurs de critères énoncées à l'annexe XIV, partie B I.]2 ]1

Art. R43 ter-4. [1 § 1. De procedure omschreven in bijlage XIV, deel C I en II, wordt gebruikt om de chemische toestand van een grondwaterlichaam te beoordelen. In voorkomend geval kunnen de grondwaterlichamen bijeengebracht worden overeenkomstig bijlage IV, punt II, 2).
§ 2. De punten voor grondwatermonitoring moeten worden gekozen volgens de vereisten van artikel R. 43bis en bijlage IV, punt II, 2).
§ 3. Een samenvatting van de beoordeling van de chemische toestand van het grondwater verschijnt in de beheersplannen van stroomgebiedsdistrict overeenkomstig artikel D.24.
In deze samenvatting, die wordt opgesteld op het niveau van het stroomgebiedsdistrict of van het deel van het internationaal stroomgebiedsdistrict dat op het grondgebied van het Waalse Gewest ligt, wordt ook toegelicht op welke wijze de overschrijdingen van de grondwaterkwaliteitsnormen of de drempelswaarden bij afzonderlijke monitoringspunten bij de eindbeoordeling in aanmerking zijn genomen.]1

Art. R43 ter-4.[1 § 1er. La procédure décrite à l'annexe XIV, partie C I. et II. est utilisée pour évaluer l'état chimique d'une masse d'eau souterraine. Le cas échéant, les masses d'eau souterraine peuvent être regroupées conformément à l'annexe IV, point II, 2).
§ 2. Le choix des sites de contrôle des eaux souterraines doit satisfaire aux exigences de l'article R43bis et l'annexe IV, point II, 2).
§ 3. Un résumé de l'évaluation de l'état chimique des eaux souterraines est publié dans les plans de gestion de district hydrographique conformément à l'article D.24.
Ce résumé, établi au niveau du district hydrographique ou de la partie du district hydrographique international située sur le territoire de la Région wallonne, comprend également l'explication de la manière dont les dépassements des normes de qualité des eaux souterraines ou des valeurs seuils constatés en certains points de surveillance ont été pris en compte dans l'évaluation finale.]1

Art. R43 ter-5.[1 § 1. De significante en aanhoudende stijgende trends van de concentraties van verontreinigende stoffen, groepen van verontreinigende stoffen of indicatoren van verontreiniging waargenomen in grondwaterlichamen of groepen van grondwaterlichamen die als risicovol worden beschouwd, worden herkend en het startpunt van de omkering van deze trends wordt bepaald op basis van de vastgestelde tendens en haar bijbehorende milieurisico's, overeenkomstig bijlage XIV, deel D.
§ 2. Overeenkomstig [2 bijlage XIV, deel B II]2 , worden de trends die een significant risico vertonen voor de kwaliteit van de aquatische of terrestrische ecosystemen, de menselijke gezondheid of het rechtmatig gebruik, reël of potentieel, van het aquatische milieu omgekeerd aan de hand van het maatregelenprogramma bedoeld in artikel D.23 om de verontreiniging van het grondweter geleidelijk te verminderen en de achteruitgang van zijn toestand te voorkomen.
§ 3. De beheersplannen van stroomgebiedsdistrict die overeenkomstig artikel D.24 opgesteld worden vatten samen :
de manier waarop de beoordeling van de tendens die op basis van verschillende monitoringspunten in een grondwaterlichaam of een groep grondwaterlichamen verricht is tot het vaststellen heeft bijgedragen, overeenkomstig bijlage XIV, deel E, dat deze lichamen op een significante en aanhoudende manier een stijgende tendens van de concentraties van een of ander verontreinigende stof of de omkering van zulke tendens ondergaan; en
de redenen waarop de startpunten bepaald overeenkomstig paragraaf 1 gebaseerd zijn.
§ 4. Als het nodig is om de impact te beoordelen van de vervuilende lagen in grondwaterlichamen die het uitvoeren van de doelstellingen van artikel D.22 zouden kunnen bedreigen, en in het bijzonder lagen die uit plaatselijke verontreinigingsbronnen en besmette gronden voortvloeien, worden bijkomende tendensbeoordelingen voor de vastgestelde verontreinigende stoffen verricht op basis van een onderzoekscontrole om te controleren dat de lagen uit besmette locaties zich niet uibreiden, de chemische toestand van het grondwaterlichaam of de groep van grondwaterlichamen niet beschadigen en geen risico voorstellen noch voor de menselijke gezondheid noch voor het milieu. De resultaten van deze beoordelingen worden samengevat in de beheersplannen van stroomgebiedsdistrict die overeenkomstig artikel D.24 opgesteld worden.]1

Art. R43 ter-5.[1 § 1er. Les tendances à la hausse significatives et durables des concentrations de polluants, groupes de polluants ou d'indicateurs de pollution observées dans les masses ou groupes de masses d'eau souterraine classés à risque sont identifiées et le point de départ de l'inversion de ces tendances est défini, sur base de la tendance identifiée et des risques environnementaux associés à cette tendance, conformément à l'annexe XIV, partie D.
§ 2. Conformément à [2 l'annexe XIV, partie B II ]2 , les tendances qui présentent un risque significatif d'atteinte à la qualité des écosystèmes aquatiques ou terrestres, à la santé humaine ou aux utilisations légitimes, qu'elles soient réelles ou potentielles, de l'environnement aquatique sont inversées au moyen du programme de mesures visé à l'article D23, afin de réduire progressivement la pollution des eaux souterraines et de prévenir la détérioration de l'état de celles-ci.
§ 3. Les plans de gestion de district hydrographique établis conformément à l'article D24 résument :
la manière dont l'évaluation de tendance effectuée à partir de certains points de surveillance au sein d'une masse ou d'un groupe de masses d'eau souterraine a contribué à établir, conformément à l'annexe XIV partie E, que ces masses subissent d'une manière significative et durable une tendance à la hausse des concentrations d'un polluant quelconque ou le renversement d'une telle tendance; et
les raisons sous-tendant les points de départ définis conformément au paragraphe 1er.
§ 4. Lorsque cela est nécessaire pour évaluer l'impact des panaches de pollution constatés dans les masses d'eau souterraine et susceptibles de menacer la réalisation des objectifs énoncés à l'article D.22, et en particulier des panaches résultant de sources ponctuelles de pollution et de terres contaminées, des évaluations de tendance supplémentaires pour les polluants identifiés sont effectuées sur base de contrôles d'enquête, afin de vérifier que les panaches provenant de sites contaminés ne s'étendent pas, ne dégradent pas l'état chimique de la masse ou du groupe de masses d'eau souterraine et ne présentent pas de risque pour la santé humaine ni pour l'environnement. Les résultats de ces évaluations sont résumés dans les plans de gestion de district hydrographique établis conformément à l'article D24.]1

HOOFDSTUK II. [1 - Kwantitatieve toestand van grondwater]1
CHAPITRE II. [1 - Etat quantitatif des eaux souterraines]1
Art. R43 ter-6. [1 Overeenkomstig artikel D.22, § 3, tweede lid, wordt de goede kwantitatieve toestand van een grondwaterlichaam bereikt wanneer het piëzometrisch niveau van het grondwaterlichaam zodanig is dat het jaarlijks winningsgemiddelde op lange termijn de beschikbare bronnen van het grondwaterlichaam niet overschrijdt. Bijgevolg wordt het niveau van het grondwater niet onderworpen aan dergelijke antropogene wijzigingen dat ze :
het bereiken van milieudoelstellingen in de zin van artikel D.22 voor bijbehorende oppervlaktewateren zouden kunnen verhinderen;
de toestand van deze wateren ernstig zouden verslechteren;
geen significante schade zouden toebrengen aan landecosystemen die rechtstreeks van het grondwaterlichaam afhangen;
geen rationeel gebruik van of conflicten in verband met het gebruik van grondwater zouden teweegbrengen;
intrusies van zout of andere stoffen in het grondwaterlichaam zouden veroorzaken, en zelfs duurzame wijzigingen van afvloeiingen die dergelijke intrusies zouden kunnen veroorzaken.]1

Art. R43 ter-6. [1 En application de l'article D.22, § 2, alinéa 2, le bon état quantitatif d'une masse d'eau souterraine est atteint lorsque le niveau piézométrique de la masse d'eau souterraine est tel que le taux annuel moyen de captage à long terme ne dépasse pas la ressource disponible de la masse d'eau souterraine. En conséquence, le niveau de l'eau souterraine n'est pas soumis à des modifications anthropogéniques telles qu'elles :
empêcheraient d'atteindre les objectifs environnementaux au titre de l'article D.22 pour les eaux de surfaces associées;
entraîneraient une détérioration importante de l'état de ces eaux;
occasionneraient des dommages importants aux écosystèmes terrestres qui dépendent directement de la masse d'eau souterraine;
induiraient une utilisation non rationnelle ou des conflits d'usage de l'eau souterraine;
occasionneraient l'invasion d'eau salée ou autre, voire des modifications durables des écoulements susceptibles d'entraîner de telles invasions.]1

TITEL IV. - Coördinatieactie.
TITRE IV. - Action de coordination.
HOOFDSTUK I. [1 - Maatregelenprogramma en beheersplan]1
CHAPITRE Ier. [1 - Programme de mesures et plan de gestion]1
Art. R44. De maatregelen bedoeld in artikel 23, § 3, 1°, van het decreetgevende deel, worden bepaald in bijlage (V), deel A.
De maatregelen bedoeld in artikel 23, § 4, van het decreetgevende deel, worden bepaald in bijlage (V), deel B.
De inhoud van het beheersplan van het Waalse stroomgebied, bedoeld in artikel 24 van het decreetgevende deel, wordt bepaald in bijlage (VI).
Art. R44. Les mesures, visé à l'article 23, § 3, 1°, de la partie décrétale, sont déterminées à l'annexe (V), partie A.
Les mesures visées à l'article 23, § 4, de la partie décrétale, sont déterminées à l'annexe (V), partie B.
Le contenu du plan de gestion du bassin hydrographique wallon, visé à l'article 24 de la partie décrétale, est déterminé à l'annexe (VI).
Art. R44 bis. <INGEVOEGD bij BWG 2007-02-15/53, art. 1; Inwerkingtreding : 29-03-2007> Er wordt een coördinatieplatform voor de uitvoering van de bepalingen van Boek II van het Milieuwetboek benoemd "platform voor geïntegreerd waterbeheer" (afgekort : P.G.I.E.) opgericht.
Art. R44 bis. Il est constitué une plate-forme de coordination pour la mise en oeuvre des dispositions du Livre II du Code de l'Environnement dénommée "plate-forme pour la gestion intégrée de l'eau" (en abrégé : P.G.I.E.).
Art. R44 bis1. <INGEVOEGD bij BWG 2007-02-15/53, art. 1; Inwerkingtreding : 29-03-2007> Het P.G.I.E. is ermee belast bij te dragen tot een coherente aanpak van het geïntegreerd en globaal waterbeheer door de verschillende overheden van het Waalse Gewest.
Art. R44 bis1. La P.G.I.E. est chargée de contribuer à la cohérence des approches menées par les différentes administrations de la Région wallonne concernées par la gestion intégrée et globale de l'eau.
Art. R44 bis2. <INGEVOEGD bij BWG 2007-02-15/53, art. 1; Inwerkingtreding : 29-03-2007> Onder de diverse aspecten van het waterbeleid ziet het P.G.I.E. inzonderheid toe op de versterking van de verbindingen tussen de kwantiteits- en kwaliteitsaspecten zowel wat betreft gebieden en bodems, grond- en oppervlaktewater met het oog op het behoud van de fysische en biologische milieus van de waterlopen, watervlakken en waterrijke gebieden als wat betreft de bescherming van de goederen en de burgers tegen overstromingen en de droogte.
Art. R44 bis2. Dans les divers aspects de la politique de l'eau la P.G.I.E. veille plus spécialement à renforcer les liaisons entre les aspects "quantité" et "qualité" tant en ce qui concerne les espaces et les sols, l'eau souterraine et l'eau de surface dans les perspectives de conservation des milieux physiques et biologiques des cours d'eau, plan d'eau et zones humides ainsi que la protection des biens et des citoyens contre les inondations et la sécheresse.
Art. R44 bis3. <INGEVOEGD bij BWG 2007-02-15/53, art. 1; Inwerkingtreding : 29-03-2007> Het P.G.I.E. ziet tevens toe op de voortgang van de acties ondernomen door het Waalse Gewest in het kader van het communautaire beleid bepaald bij Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid.
Art. R44 bis3. La P.G.I.E. veille également à l'avancement des actions entreprises par la Région wallonne dans le cadre de la politique communautaire définie par la Directive 2000/60/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2000 établissant un cadre pour l'action communautaire dans le domaine de l'eau.
Art. R44 bis4. <INGEVOEGD bij BWG 2007-02-15/53, art. 1; Inwerkingtreding : 29-03-2007> Het P.G.I.E. bekrachtigt zijn functioneel reglement.
Art. R44 bis4. La P.G.I.E. approuve son règlement fonctionnel.
Art. R44 bis5. <INGEVOEGD bij BWG 2007-02-15/53, art. 1; Inwerkingtreding : 29-03-2007> Het P.G.I.E. is samengesteld uit :
- 1 vertegenwoordiger van de Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, die er het voorzitterschap van waarneemt;
- 1 vertegenwoordiger van de Minister van Begroting, Financiën, Uitrusting en Patrimonium, die er het ondervoorzitterschap van waarneemt;
- 1 vertegenwoordiger van de Minister-President;
- 1 vertegenwoordiger van de Minister van Economie, Tewerkstelling en Buitenlandse Handel;
- 1 vertegenwoordiger van de Minister van Binnenlandse Aangelegenheden en Ambtenarenzaken;
- 1 vertegenwoordiger van de Minister van Huisvesting, Vervoer en Ruimtelijke Ontwikkeling;
- 1 vertegenwoordiger van de Minister van Wetenschappelijk Onderzoek, Nieuwe Technologieën en Buitenlandse Betrekkingen;
- 1 vertegenwoordiger van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu;
- 1 vertegenwoordiger van het Directoraat-generaal Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Patrimonium;
- 1 vertegenwoordiger van het Directoraat-generaal Waterwegen;
- 1 vertegenwoordiger van het Directoraat-generaal Plaatselijke besturen;
- 1 vertegenwoordiger van het Directoraat-generaal Landbouw;
- 2 vertegenwoordigers van Aquawal;
- 1 vertegenwoordiger van het "Institut scientifique de service public" (Openbaar wetenschappelijk instituut).
Art. R44 bis5. La P.G.I.E. est composée comme suit :
- 1 représentant du Ministre de l'Agriculture, de la Ruralité, de l'Environnement et du Tourisme, qui en assume la présidence;
- 1 représentant du Ministre du Budget, des Finances, de l'Equipement et du Patrimoine, qui en assume la vice-présidence;
- 1 représentant du Ministre-Président;
- 1 représentant du Ministre de l'Economie de l'Emploi et du Commerce extérieur;
- 1 représentant du Ministre des Affaires intérieures et de la Fonction publique;
- 1 représentant du Ministre du Logement, des Transports et du Développement territorial;
- 1 représentant du Ministre de la Recherche, des Technologies nouvelles et des Relations extérieures;
- 1 représentant de la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement;
- 1 représentant de la Direction générale de l'Aménagement du Territoire, du Logement et du Patrimoine;
- 1 représentant du Direction générale des Voies hydrauliques;
- 1 représentant de la Direction générale des Pouvoirs locaux;
- 1 représentant de la Direction générale de l'Agriculture;
- 2 représentants d'Aquawal;
- 1 représentant de l'Institut scientifique de service public.
Art. R44 bis6. <INGEVOEGD bij BWG 2007-02-15/53, art. 1; Inwerkingtreding : 29-03-2007> Het P.G.I.E. kan de wetenschappelijke deskundigheid van de betrokken universiteiten, faculteiten, onderzoekscentra en professionele sectoren inwinnen.
Art. R44 bis6. La P.G.I.E. peut solliciter l'expertise scientifique des universités, des facultés, des centres de recherche et des secteurs professionnels concernés.
Art. R44 bis7. <INGEVOEGD bij BWG 2007-02-15/53, art. 1; Inwerkingtreding : 29-03-2007> Het secretariaat van het P.G.I.E. wordt waargenomen door een afgevaardigde van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpstoffen en Leefmilieu.
Art. R44 bis7. Le secrétariat de la P.G.I.E. est assuré par un délégué de la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement.
Art. R44 bis8. <INGEVOEGD bij BWG 2007-02-15/53, art. 1; Inwerkingtreding : 29-03-2007> Elke in artikel R44bis5 bedoelde instelling draagt een kandidaat-titularis en een plaatsvervangende kandidaat voor.
Art. R44 bis8. Chacune des institutions visées à l'article R44bis5 présente un candidat effectif et un candidat suppléant.
Art. R44 bis9. <INGEVOEGD bij BWG 2007-02-15/53, art. 1; Inwerkingtreding : 29-03-2007> De Minister bevoegd voor het Waterbeleid legt de lijst van voornoemde personen vast, evenals hun plaatsvervanger.
Hij keurt bovendien het huishoudelijk reglement van het P.G.I.E. goed.
Art. R44 bis9. Le Ministre qui a la Politique de l'Eau dans ses attributions arrête la liste des personnes précitées, ainsi que leur suppléant.
Il approuve en outre le règlement d'ordre intérieur de la P.G.I.E.
Art. R44 bis10. <INGEVOEGD bij BWG 2007-02-15/53, art. 1; Inwerkingtreding : 29-03-2007> De mandaten worden voor een periode van vier jaar opgedragen. Ze lopen vanaf de datum van inwerkingtreding van het benoemingsbesluit.
Bij verhindering wordt het werkelijk lid vervangen door het plaatsvervangend lid.
Bij vacature vóór het verstrijken van een gewoon mandaat voleindigt het plaatsvervangend lid het lopende mandaat.
Aan het einde van de periode van vier jaar wordt het P.G.I.E. vernieuwd overeenkomstig de in de artikelen R44bis5 tot en met R44bis9 bepaalde voorwaarden.
De in artikel R44bis5 bedoelde instellingen worden verzocht hun kandidaten minstens drie maanden vóór het verstrijken van de termijn voor te stellen.
De leden worden door de Minister bevoegd voor het Waterbeleid benoemd uiterlijk op het verstrijken van de hierboven bedoelde periode.
Art. R44 bis10. Les mandats sont conférés pour une période de quatre ans. Ils prennent cours à la date de l'arrêté de nomination.
En cas d'empêchement, le membre suppléant remplace le membre effectif.
En cas de vacance avant l'expiration d'un mandat effectif, le membre suppléant achève le mandat en cours.
Au terme de la période de quatre ans, la P.G.I.E. est renouvelée aux conditions fixées aux articles R44bis5 à R44bis9.
Les institutions visées à l'article R44bis5 sont invitées à présenter leurs candidats trois mois au moins avant l'expiration du terme.
Le Ministre qui a la Politique de l'Eau dans ses attributions nomme les membres au plus tard à la fin de la période susvisée.
Art. R44 bis11. <INGEVOEGD bij BWG 2007-02-15/53, art. 1; Inwerkingtreding : 29-03-2007> Het P.G.I.E. vergadert op initiatief van de voorzitter, op schriftelijke uitnodiging ondertekend door de voorzitter.
Art. R44 bis11. La P.G.I.E. se réunit à l'initiative du président, sur convocation écrite signée par le président.
Art. R44 bis12. <INGEVOEGD bij BWG 2007-02-15/53, art. 1; Inwerkingtreding : 29-03-2007> Een jaarverslag wordt doorgezonden naar de Waalse Regering.
Art. R44 bis12. Un rapport annuel est transmis au Gouvernement wallon.
HOOFDSTUK II. [1 - Riviercontracten.]1
CHAPITRE II. [1 - Contrats de rivière.]1
Afdeling 1. [1 - Begripsomschrijvingen.]1
Section 1re. [1 - Définitions.]1
Art. R45. [1 Voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk dient te worden verstaan onder :
" bestuur " : het operationele Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst, Departement Leefmilieu en Water;
" bevoegde besturen " : Departement Leefmilieu van het operationele Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, het Departement Natuur en Bossen van het operationele Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, het operationele Directoraat-generaal Plaatselijke Besturen, Sociale Actie en Gezondheid, het operationele Directoraat-generaal Ruimtelijke Ordening, Wonen, Erfgoed en Energie, het Commissariaat-generaal voor Toerisme, het operationele Directoraat-generaal Mobiliteit en Waterwegen;
" riviercomité " : algemene vergadering van het riviercontract;
" riviercontract " : vereniging van personen, opgericht als rechtspersoon met de rechtspersoonlijkheid die op vrijwillige basis alle actoren samenbrengt die betrokken zijn bij het duurzame waterbeheer in het betrokken stroomgebied en waaraan vorm wordt gegeven via een protocolakkoord;
" coördinator " : natuurlijke persoon die aangewezen en in dienst genomen is door het riviercontract om het protocolakkoord neer te schrijven en erover te waken dat het wordt uitgevoerd;
" voorbereidend dossier voor het riviercontract " : dossier dat samengesteld moet worden door de initiatiefnemer en die onontbeerlijk is voor de erkenning van het riviercontract door de Minister, waarbij de doelstellingen uiteengezet worden die de betrokken partijen vooropstellen met de oprichting van het riviercontract en waarbij de middelen om dat doel te bereiken uiteengezet worden. Het bevat meer bepaald de verbintenis van elke betrokken gemeente en provincie om de fase van uitwerking van het protocolakkoord gedurende de gehele duur ervan te financieren;
" werkgroepen " : themagroepen bestaande uit de bevoegde besturen, vrijwilligers en vertegenwoordigers van verenigingen van burgers, gemeenten en intercommunales die voorstellen willen uitwerken over specifieke vraagstukken;
" initiatiefnemer " : natuurlijke of rechtspersoon (-personen) die een ontwerp-riviercontract neerschrijft (-schrijven) en die één of meer plaatselijke besturen kunnen zijn, interveniënten in de watercyclus of verenigingen;
" Minister " : de Minister bevoegd voor Waterbeleid;
10° " protocolakkoord " : document, neergeschreven door de projectcoördinator in samenwerking met de werkgroepen, en in overleg met elke instelling die in het riviercontract vertegenwoordigd is en dat goedgekeurd wordt door het riviercomité, met vaststelling van de doelstellingen waartoe elkeen zich verbindt in een periode van drie jaar en waarbij de veelvuldige functies en gebruiken van de waterloop, de oevers en de watervoorraden van het betrokken onderstroomgebied met elkaar verzoend worden. Het bevat meer bepaald de verbintenis van elke betrokken gemeente en provincie en van het Waalse Gewest om de fase van uitwerking van het protocolakkoord gedurende de gehele duur ervan te financieren. Het protocolakkoord goedgekeurd door de Minister wordt gezamenlijk ondertekend door de vakministers van de bevoegde besturen en door alle leden van het riviercomité.]1

Art. R45. [1 Pour l'application des dispositions du présent chapitre, il faut entendre par :
" administration " : la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement du Service public de Wallonie, Département de l'Environnement et de l'Eau;
" administrations compétentes " : Département de l'Environnement de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, le Département de la Nature et des Forêts de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, la Direction générale opérationnelle Pouvoirs locaux, Action sociale et Santé, la Direction générale opérationnelle Aménagement du Territoire, Logement, Patrimoine et Energie, le Commissariat général au Tourisme, la Direction générale opérationnelle Mobilité et Voies hydrauliques;
" comité de rivière " : assemblée générale du contrat de rivière;
" contrat de rivière " : association de personnes constituée sous la forme d'une personne morale dotée de la personnalité juridique, rassemblant, sur base volontaire, tous les acteurs concernés par la gestion durable de l'eau dans le sous-bassin hydrographique concerné et matérialisée au travers d'un protocole d'accord;
" coordinateur " : personne physique désignée et engagée par le contrat de rivière aux fins d'élaborer le protocole d'accord et de veiller à son exécution;
" dossier préparatoire au contrat de rivière " : dossier à constituer par l'initiateur, indispensable à la reconnaissance du contrat de rivière par le Ministre, qui expose les objectifs que les parties concernées se proposent d'atteindre par le biais de la création du contrat de rivière et esquissent les moyens à mettre en place pour y parvenir. Il contient notamment l'engagement de chaque commune et province concernée de financer la phase d'élaboration du protocole d'accord pendant toute la durée de celle-ci.
" groupes de travail " : groupes thématiques constitués des administrations compétentes, de bénévoles et de représentants d'associations citoyennes, de communes et d'intercommunales appelés à formuler des propositions sur des problématiques spécifiques;
" initiateur " : personne(s) physique(s) ou morale(s), qui élabore(nt) un projet de contrat de rivière et pouvant être un ou des pouvoirs locaux, opérateurs du cycle de l'eau ou associations;
" Ministre " : le Ministre qui a la Politique de l'Eau dans ses attributions;
10° " protocole d'accord " : document élaboré par le coordinateur de projet en collaboration avec les groupes de travail, et en concertation avec chaque organisme représenté au contrat de rivière et approuvé par le comité de rivière, fixant les objectifs que chacun s'engage à réaliser dans une période de trois années, visant à concilier les multiples fonctions et usages des cours d'eau, de leurs abords et des ressources en eau du sous-bassin hydrographique concerné. Il contient l'engagement de chaque commune, de chaque province concernée et de la Région wallonne de financer la phase d'exécution du protocole d'accord pendant toute la durée de celle-ci. Le protocole d'accord approuvé par le Ministre est signé conjointement par les Ministres fonctionnels des administrations compétentes et par tous les membres du comité de rivière.]1

Afdeling 2. [1 - Organisatie van het riviercontract.]1
Section 2. [1 - Organisation du contrat de rivière.]1
Art. R46. [1 Elk riviercontract wordt opgericht in een vorm die de toekenning van de rechtspersoonlijkheid mogelijk maakt waarvan het het enige maatschappelijke doel is.
Het riviercontract strekt ertoe nieuwe leden op te nemen en wordt zo georganiseerd dat de aansluiting of de actieve deelname van personen, betrokken bij het duurzame waterbeheer op het geografische grondgebied van het riviercontract, mogelijk wordt gemaakt.
Het riviercomité vergadert minstens twee keer per jaar.
Onder de leden van het riviercomité wordt de raad van bestuur representatief en proportioneel samengesteld uit de groepen waarvan sprake in artikel D.32., § 1, lid 2, evenals uit de coördinator zodra deze aangewezen is volgens de procedure waarvan sprake in artikel R.49, § 2.
De coördinator is de afgevaardigd bestuurder voor het dagelijks bestuur en is belast met de vertegenwoordiging van het riviercontract ten opzichte van derden, desnoods in het bureau.]1

Art. R46. [1 Chaque contrat de rivière est constitué dans une forme qui permet l'octroi de la personnalité juridique, dont il est l'unique objet social.
Le contrat de rivière a vocation à accueillir de nouveaux membres et est organisé de manière à permettre l'adhésion ou la participation active de personnes concernées par la gestion durable de l'eau au sein du territoire géographique couvert par le contrat de rivière.
Le comité de rivière se réunit au moins deux fois l'an.
Le conseil d'administration est composé de manière représentative et proportionnelle, parmi les membres du comité de rivière, des groupes visés à l'article D.32., § 1er, alinéa 2, ainsi que, dès sa désignation selon la procédure prévue à l'article R.49, § 2, du coordinateur.
Le coordinateur est l'administrateur délégué à la gestion journalière, et chargé de la représentation du contrat de rivière vis-à-vis des tiers, au besoin au sein d'un bureau.]1

Afdeling 3. [1 - Geografisch toepassingsgebied.]1
Section 3. [1 - Champ d'application géographique.]1
Art. R47. [1 Het bevoegdheidsgebied van een riviercontract beantwoordt aan de geografische grenzen van één van de vijftien onderstroomgebieden waarvan sprake in artikel D.7.]1
Art. R47. [1 L'aire de compétences d'un contrat de rivière s'étend aux limites géographiques de l'un des quinze sous-bassins hydrographiques visés à l'article D.7.]1
Afdeling 4. [1 - Opdrachten van de riviercontracten.]1
Section 4. [1 - Missions des contrats de rivière.]1
Art. R48. [1 § 1. In het kader van hun taak bestaande uit het neerschrijven en het uitvoeren van het protocolakkoord waarvan sprake in artikel D.32 en via overleg, sensibilisering en informatieverlening aan alle gebruikers van de rivier zijn de riviercontracten verantwoordelijk voor :
de organisatie en de bijwerking van een terreininventaris;
het bijdragen tot het kenbaar maken van de doelstellingen waarvan sprake in de artikelen D.1 en D.22 en de deelname aan de verwezenlijking van die doelstellingen;
de bijdrage tot de uitvoering van de beheersplannen per stroomgebied;
de vlottere overschakeling op acties door de actiegroepen waarvan sprake in artikel R.52, § 2;
de deelname aan de georganiseerde raadpleging van het publiek in het kader van de uitwerking en de uitvoering van de beheersplannen per stroomgebied en bedoeld in de artikelen D.1 en D.22;
de informatieverlening aan en de sensibilisering van de plaatselijke actoren en van de bevolking die verblijft binnen de geografische grenzen van het riviercontract, meer bepaald via evenementen en publicaties;
de bijdrage, op beslissing van de Regering, met het oog op een deelname aan het geïntegreerde beheer van de watercyclus, aan de uitvoering van specifieke technische taken volgens werkwijzes van het Waalse Gewest, zoals het register van de beschermde gebieden waarvan sprake in artikel D.18, de plaatselijke agenda 21, de gemeentelijke plannen voor het leefmilieu en het natuurbeheer waarvan sprake in artikel D.48 van Boek I van het Milieuwetboek, het plan ter voorkoming en bestrijding van de overstromingen en hun gevolgen op de slachtoffers (plan PLUIES), aangenomen door de Waalse Regering op 9 januari 2003, de actieve beheersregeling waarvan sprake in artikel 26 van de wet van 12 juli 1973 over het natuurbehoud;
de opvolging van de acties waarvan sprake in het protocolakkoord.
§ 2. In hun sensibiliseringsarbeid handelen de riviercontracten samen met de andere erkende sensibiliseringsinstrumenten, meer bepaald de regionale centra voor initiatie tot het leefmilieu waarvan sprake in de artikelen D.21 en volgende van Boek I van het Milieuwetboek en de natuurparken bepaald bij het decreet van 16 juli 1985 betreffende de natuurparken.]1

Art. R48. [1 § 1er. Dans le cadre de leur mission d'élaboration et d'exécution du protocole d'accord visé à l'article D.32, et par le biais de la concertation, de la sensibilisation et de l'information de tous les utilisateurs de la rivière, les contrats de rivière :
organisent et tiennent à jour un inventaire de terrain;
contribuent à faire connaître les objectifs visés aux articles D.1er et D.22 et participent à la réalisation de ces objectifs;
contribuent à la mise en oeuvre des plans de gestion par bassin hydrographique;
favorisent la détermination d'actions par les groupes de travail visés à l'article R.52, § 2;
participent à la consultation du public organisée dans le cadre de l'élaboration et la mise en oeuvre des plans de gestion par bassins hydrographiques et visées aux articles D.1er et D.22;
assurent l'information et la sensibilisation des acteurs locaux et de la population qui réside dans les limites géographiques du contrat de rivière, notamment par le biais d'événements et de publications;
contribuent, sur décision du Gouvernement, en vue d'une participation à la gestion intégrée du cycle de l'eau, à la réalisation de tâches techniques spécifiques selon les méthodologies élaborées par la Région wallonne, tels le registre des zones protégées visé à l'article D.18, l'agenda 21 local, les plans communaux d'environnement et de gestion de la nature visés à l'article D.48 du Livre Ier du Code de l'Environnement, le plan de prévention et de lutte contre les inondations et leurs effets sur les sinistrés (plan PLUIES) adopté par le Gouvernement wallon le 9 janvier 2003, le régime de gestion active prévu à l'article 26 de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
assurent le suivi des actions visées dans le protocole d'accord.
§ 2. Dans leur travail de sensibilisation, les contrats de rivière agissent en synergie avec les autres outils de sensibilisation agréés, notamment les Centres régionaux d'Initiation à l'Environnement (CRIE) prévus aux articles D.21 et suivants du Livre Ier du Code de l'Environnement et les parcs naturels visés par le décret du 16 juillet 1985 relatif aux parcs naturels.]1

Afdeling 5. [1 - Initialisering van het riviercontract.]1
Section 5. [1 - Initialisation du contrat de rivière.]1
Art. R51. [1 § 1. Plaatselijke besturen, interveniënten in de watercyclus of verenigingen kunnen een initiatiefnemer aanwijzen die belast is met de uitwerking van een ontwerp-riviercontract en het voorleggen van een voorstel aan de betrokken gemeenten en provincies van het onderstroomgebied om bij dat project aan te sluiten.
De initiatiefnemer stelt vervolgens een voorbereidend dossier voor het riviercontract samen waarvan de minimuminhoud vastgesteld is in bijlage LV, punt A. Dat dossier neemt de relevante gegevens van de omschrijving van het onderstroomgebied waarvan sprake in artikel D.17 op.
§ 2. Indien meerdere gemeenten en de betrokken provincie(s) ingestemd hebben met het voorbereidend dossier, dient de initiatiefnemer dat dossier in bij het bestuur.
Na advies van [2 de beleidsgroep "Leefmilieu", afdeling "Water"]2 en op voorstel van het Bestuur keurt de Minister in voorkomend geval het voorbereidend dossier en de oprichting van het riviercontract goed.
In dat geval stemt hij in met de toekenning van een subsidie voor het neerschrijven van het protocolakkoord waarvan sprake in de artikelen R.52 en R.53 binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten en voor zover de voorwaarden waarvan sprake in de artikelen R.55 en R.56 vervuld zijn.
Hij geeft kennis van zijn dossier aan de initiatiefnemer.
§ 3. Onmiddellijk na ontvangst van de kennisgeving van de beslissing van de Minister voert de initiatiefnemer de formaliteiten uit voor de oprichting van de rechtspersoon gevormd door het riviercontract waarvan het statuut naast de bevoegdheden die het inzonderheid toegewezen krijgt overeenkomstig de bepalingen waaronder de gekozen rechtspersoon valt, de opdrachten moet vernoemen waarvan sprake in artikel R.48. Het riviercomité stelt zijn huishoudelijk reglement vast en wijst de coördinator aan volgens de werkwijze bedoeld in artikel R.49.]1

Art. R51. [1 § 1er. Des pouvoirs locaux, des opérateurs du cycle de l'eau ou des associations peuvent désigner un initiateur chargé d'élaborer un projet de contrat de rivière et de proposer aux communes et provinces concernées du sous-bassin hydrographique d'adhérer à ce projet.
L'initiateur constitue ensuite un dossier préparatoire au contrat de rivière, dont le contenu minimal est fixé à l'annexe LV, point A. Ce dossier reprend les éléments pertinents de l'état descriptif du sous-bassin hydrographique visé à l'article D.17.
§ 2. Lorsque plusieurs communes et la ou les province(s) concernée(s) ont marqué leur accord sur le dossier préparatoire, l'initiateur introduit celui-ci auprès de l'administration.
Après avis [2 du pôle "Environnement", section "Eau"]2, et sur proposition de l'administration, le Ministre approuve, le cas échéant, le dossier préparatoire et la création du contrat de rivière.
Dans ce cas, il marque son accord sur l'octroi d'un subside pour la phase d'élaboration du protocole d'accord visée aux articles R.52 et R.53, dans les limites des crédits budgétaires disponibles et pour autant que les conditions visées aux articles R.55 et R.56 soient remplies.
Il notifie sa décision à l'initiateur.
§ 3. Dès réception de la notification de la décision du Ministre, l'initiateur procède aux formalités constitutives de la personne morale que constitue le contrat de rivière, dont les statuts doivent prévoir, outre les compétences qui lui sont spécialement dévolues par les dispositions régissant la forme de la personne morale choisie, les missions visées à l'article R.48. Le comité de rivière arrête son règlement d'ordre intérieur et procède à la désignation du coordinateur selon les modalités visées à l'article R.49.]1

Afdeling 6. [1 - Coördinator van het riviercontract.]1
Section 6. [1 - Coordinateur du contrat de rivière.]1
Art. R49. [1 § 1. De coördinator is minstens houder van een universitair diploma van de tweede cyclus of van het hoger niet-universitair onderwijs van het lange type, waarbij elk van die opleidingen bestaat uit of aangevuld is met een theoretische opleiding van minstens 300 uur in het vakgebied leefmilieu met een pluridisciplinaire inhoud met betrekking tot de leefmilieuwetenschappen of -technieken.
Hij wordt in dienst genomen op een gemotiveerde beslissing van het riviercontract voor het neerschrijven en de uitvoering van het protocolakkoord. De coördinator wordt in dienst genomen onder een arbeidsovereenkomst in de zin van de wet van 3 juli 1978 over de arbeidsovereenkomsten.
§ 2. De raad van bestuur bestaat uit een jury, representatief samengesteld uit de leden van het riviercomité waaronder het bestuur, om de coördinator en de eventuele adjunct-coördinatoren aan te wijzen. De jury bepaalt het gewenste profiel van de coördinator en doet een oproep tot het indienen van kandidaturen. De jury verricht een eerste selectie op grond van de curricula vitae van de kandidaten en de ontvangen motivatieschrijven en eventueel op grond van een schriftelijk examen gevolgd door een tweede selectie op grond van een mondeling onderhoud. Het riviercomité spreekt zich uit over de rangschikking van de geselecteerde kandidaten, vastgesteld door de jury en voorgedragen door de raad van bestuur; hij wijst de coördinator en de eventuele adjunct-coördinator(en) aan.]1

Art. R49. [1 § 1er. Le coordinateur est titulaire au minimum d'un diplôme universitaire de deuxième cycle ou d'enseignement supérieur non universitaire de type long, chacun comprenant ou complété par une formation théorique d'un minimum de 300 heures dans le domaine de l'environnement, avec un contenu pluridisciplinaire portant sur les sciences et techniques relatives à l'environnement.
Il est engagé sur décision motivée par le contrat de rivière pour l'élaboration et pour l'exécution du protocole d'accord. Le coordinateur est engagé dans les liens d'un contrat de travail au sens de la loi du 3 juillet 1978 sur les contrats de travail.
§ 2. Le conseil d'administration constitue un jury, composé de manière représentative des membres du comité de rivière dont l'administration, afin de procéder à la désignation du coordinateur et des éventuels coordinateurs adjoints. Le jury détermine le profil souhaité du coordinateur et lance un appel à candidature. Le jury opère une première sélection sur la base des curriculum vitae des candidats et lettres de motivation reçues, et éventuellement d'un examen écrit, suivie d'une deuxième sélection sur la base d'un entretien oral. Le comité de rivière se prononce sur le classement des candidats sélectionnés établi par le jury et proposé par le conseil d'administration; il désigne le coordinateur et le ou les éventuel(s) coordinateur(s) adjoint(s).]1

Art. R50. [1 § 1. De coördinator schrijft het protocolakkoord neer volgens de werkwijze waarvan sprake in artikel R.52 en voorziet in de uitvoering ervan door alle ondertekenende partijen.
§ 2. De coördinator voorziet in de uitvoering van de opdrachten die vallen onder het riviercontract en waarvan sprake in artikel R.48. Hij heeft daarnaast als specifieke opdracht :
de organisatie en de uitvoering van de terreininventaris;
de deelname van het riviercontract aan de acties waarin het partner is;
de coördinatie en de opvolging van de acties gevoerd in het raam van het riviercontract en de informatieverstrekking aan de leden over de voortgang in de uitvoering van die acties;
de verbinding en de aansporing tot een vlottere dialoog tussen alle leden van het riviercontract, meer bepaald via overleg en informatievergaderingen;
zich ervan vergewissen dat de diverse betrokken actoren regelmatig ingelicht worden door hun vertegenwoordiger in het riviercontract;
het totstandbrengen van een arbeidsdynamiek door de animatie van de werkgroepen;
zoeken naar nieuwe leden en ze ertoe aansporen bij het riviercontract aan te sluiten;
het riviercontract verspreiden, alsook de acties ervan, met name door minstens elk kwartaal een nieuwsbrief te verspreiden en de relaties met de pers verzorgen;
de administratieve taken op zich nemen.
§ 3. Het bestuur brengt de coördinatoren van de riviercontracten om de drie maanden bijeen om hun opdrachten te begeleiden en te coördineren, meer bepaald wat betreft de uitvoering van de doelstellingen waarvan sprake in artikels D.1 en D.22 en de uitwerking en de herziening van de beheersplannen per stroomgebied waarvan sprake in artikel D.24.]1

Art. R50. [1 § 1er. Le coordinateur élabore le protocole d'accord selon les modalités prévues à l'article R.52 et en organise l'exécution par chacun des signataires.
§ 2. Le coordinateur organise l'exécution des missions dévolues au contrat de rivière visées à l'article R.48. Il a en outre pour mission spécifique :
d'organiser et d'assurer la réalisation de l'inventaire de terrain;
d'assurer la participation du contrat de rivière aux actions dans lesquelles il est partenaire;
d'assurer la coordination et le suivi des actions menées au sein du contrat de rivière et d'informer les membres de l'état d'avancement de la réalisation de ces actions;
d'assurer la liaison et de favoriser le dialogue entre tous les membres du contrat de rivière, notamment par des concertations et des réunions d'information;
de s'assurer que les divers acteurs engagés soient régulièrement informés par leur représentant au comité de rivière;
d'assurer une dynamique de travail par l'animation des groupes de travail;
de rechercher et favoriser l'adhésion de nouveaux membres au contrat de rivière;
de faire connaître le contrat de rivière et ses actions, notamment par un bulletin de liaison au minimum trimestriel, et d'assurer les relations avec la presse;
d'assurer les tâches administratives.
§ 3. L'administration réunit les coordinateurs des contrats de rivière tous les trois mois afin d'encadrer et de coordonner leurs missions notamment concernant la mise en oeuvre des objectifs visés aux articles D.1er et D.22, et l'élaboration et la révision des plans de gestion par bassin hydrographique visés à l'article D.24.]1

Afdeling 7. [1 - Protocolakkoord.]1
Section 7. [1 - Protocole d'accord.]1
Art. R52. [1 § 1. De uitwerking van het protocolakkoord, met inbegrip van de ondertekening ervan, duurt maximum drie jaar te rekenen van de kennisgeving van de beslissing van de Minister waarvan sprake in artikel R.51, § 2.
§ 2. Op voorstel van de coördinator stelt het riviercomité werkgroepen samen op grond van welbepaalde thema's die afgesteld zijn op de behoeften van het onderstroomgebied betrokken bij het riviercontract of verenigen welbepaalde actoren. De administraties nemen deel aan elk van die werkgroepen.
§ 3. De coördinator stelt een terreininventaris op volgens de methode bepaald door het Bestuur.
De terreininventaris omvat minstens :
een vaststelling van verloederingen op het deel van het stroomgebied bepaald bij beslissing van het riviercomité;
de oplijsting van de prioritaire gegevens waarvan de inventaris is opgemaakt op het deel van het betrokken stroomgebied en goedgekeurd door het riviercomité;
de informatieverstrekking aan het publiek over de resultaten van de inventaris.
Tijdens de fase waarin de terreininventaris wordt opgemaakt, verstrekken de riviercontracten het bestuur op diens eerste verzoek de brutogegevens die zijn ingezameld in het kader van de terreininventaris om de krachtens artikel D.20.15 van Boek I van het Milieuwetboek voor het publiek toegankelijke gegevensbanken en relevante kaartdocumenten voor het beheer van de waterlopen aan te vullen.
De coördinator kan bijgestaan worden door vrijwilligers of één of meerdere deskundigen aangewezen door het riviercomité.
De terreininventaris wordt in het protocolakkoord opgenomen.
§ 4. Het bestuur neemt de prioritaire gegevens van de terreininventaris op in de omschrijving van het onderstroomgebied waarvan sprake in artikel D.17 en houdt er rekening mee bij de opstelling of de herziening van het beheersplan per onderstroomgebied waarvan sprake in artikel D.24, § 2, en van het maatregelenprogramma waarvan sprake in artikel D.23.
Op basis van het voorbereidingsdossier, de terreininventaris en de gegevens opgenomen in het beheersplan per onderstroomgebied waarvan sprake in artikel D.24, § 2, stelt de coördinator een ontwerp van protocolakkoord op waarin :
- gewezen wordt op de verschillende plaatselijke gebruiksvormen van de waterloop en de oevers, alsook op de belangen die verweven zijn met die gebruiksvormen;
- een opsomming wordt gegeven van de waardevolle elementen verbonden aan het aquatisch milieu en aan de omgeving ervan in het overwogen gebied;
- de gezamenlijke voorstellen worden gemaakt, in overleg aangenomen in de bestrijding (verhelpen van de bestaande hinder) en in de preventie (instandhouding en bescherming van de waardevolle elementen). Die voorstellen worden opgenomen in het maatregelenprogramma vastgesteld in het beheersplan per stroomgebied;
- de lijst wordt opgemaakt, in overleg met elke instelling die in het riviercontract vertegenwoordigd is, van de acties waarover overeenstemming is bereikt, met voor elk ervan : het schriftelijk akkoord van elke bouwheer, de nagestreefde doelstelling(en), de noodzakelijke middelen (onder meer menselijke, technologische en regelgevende), de financiële behoeften, de financieringsverbintenissen, de planning en het dringend karakter;
- een programma opgenomen is voor de sensibilisering van het publiek en de schoolinstellingen, met name wat betreft de rechten en plichten van elkeen in verband met de beoogde doelstellingen;
- de participatiemethodes en de te volgen algemene methodologie omschreven worden;
- de activiteitsgebieden omschreven worden waarop het actieprogramma betrekking zal hebben;
- het Waalse stroomgebied, het onderstroomgebied en de oppervlaktewaterlichamen, de ondergrondse waterlichamen en het register van de beschermde gebieden waarvan sprake in artikel D.18 als referentiële werk- en beoordelingsschaal worden beschouwd;
- de begrotingsposten in detail opgenomen worden, gebonden aan de werking van het riviercontract voor de uitvoering van het protocolakkoord, evenals het jaarlijks bedrag van de verbintenis van elke betrokken gemeente en provincie en het jaarlijks bedrag van de subsidie van het Waalse Gewest in de participatie aan de financiering ervan.
§ 5. De coördinator maakt het riviercomité jaarlijks, uiterlijk 30 juni, een tussentijds verslag over waarin de evolutie in de uitvoering van het protocolakkoord en de gerezen problemen in detail worden aangegeven.
De werkgroepen worden betrokken bij de uitwerking en de uitvoering van de terreininventaris en het protocolakkoord onder de dynamische leiding van de coördinator.]1

Art. R52. [1 § 1er. L'élaboration du protocole d'accord, en ce compris sa signature, dure au maximum trois ans à dater de la notification de la décision du Ministre visée à l'article R.51, § 2.
§ 2. Sur la proposition du coordinateur, le comité de rivière constitue des groupes de travail sur des thématiques ciblées appropriées aux besoins du sous-bassin hydrographique concerné par le contrat de rivière ou rassemblent des acteurs déterminés. Les administrations compétentes participent à chacun de ces groupes de travail.
§ 3. Le coordinateur réalise un inventaire de terrain selon la méthodologie précisée par l'Administration.
L'inventaire de terrain comprend au minimum :
un constat des dégradations sur la partie du réseau hydrographique déterminée par décision du comité de rivière;
l'identification et la hiérarchisation des données prioritaires inventoriées sur la partie du réseau hydrographique concerné et approuvés par le comité de rivière;
l'information du public des résultats de l'inventaire.
Durant la phase de réalisation de l'inventaire de terrain, les contrats de rivière fournissent à l'administration, à première demande, les données brutes collectées dans le cadre de l'inventaire de terrain, afin de compléter les banques de données et les documents cartographiques pertinents pour la gestion des cours d'eau, accessibles au public en vertu de l'article D.20.15 du Livre Ier du Code de l'Environnement.
Le coordinateur peut être assisté de bénévoles ou d'un ou plusieurs expert(s) désignés par le Comité de rivière.
L'inventaire de terrain est intégré au protocole d'accord.
§ 4. L'administration intègre les données prioritaires de l'inventaire de terrain dans l'état descriptif du sous-bassin hydrographique visé à l'article D.17 et en tient compte lors de l'établissement ou de la révision du plan de gestion par sous-bassin hydrographique visé à l'article D.24, § 2, et du programme de mesures visé à l'article D.23.
Sur la base du dossier préparatoire, de l'inventaire de terrain et des données reprises dans le plan de gestion par sous-bassin hydrographique visé à l'article D.24, § 2, le coordinateur établit un projet de protocole d'accord qui :
- rappelle les différents usages locaux du cours d'eau et de ses abords, ainsi que les intérêts représentatifs de ces usages;
- énonce les éléments de valeur liés au milieu aquatique et à son environnement dans la zone considérée;
- énonce l'ensemble des propositions adoptées en concertation tant dans le domaine curatif (solutions aux nuisances existantes) que dans le domaine préventif (maintien et protection des éléments de valeur). Ces propositions s'intègrent dans le programme de mesures établi dans le plan de gestion par bassin hydrographique;
- établit, en concertation avec chaque organisme représenté au contrat de rivière, la liste des actions pour lesquelles des accords ont pu être dégagés, avec pour chacune d'elles : l'accord écrit de chaque maître d'oeuvre, le ou les objectif(s) poursuivi(s), les moyens nécessaires (notamment humains, technologiques et réglementaires), les besoins financiers, les engagements de financement, le planning et le degré d'urgence;
- comprend un programme de sensibilisation du public et des institutions scolaires, notamment en ce qui concerne les droits et devoirs de chacun en rapport avec les objectifs visés;
- précise les méthodes de participation et la méthodologie générale qui sera suivie;
- définit les domaines d'activité sur lesquels portera le programme d'actions;
- considère comme échelles de travail et d'évaluation de référence le bassin hydrographique wallon, le sous-bassin hydrographique ainsi que les masses d'eau de surface, les masses d'eau souterraines et le registre des zones protégées visé à l'article D.18;
- reprend le détail des postes budgétaires liés au fonctionnement du contrat de rivière pour l'exécution du protocole d'accord, le montant annuel de l'engagement de chaque commune et de chaque province concernée et le montant annuel de la subvention de la Région wallonne dans la participation au financement de celui-ci.
§ 5. Le coordinateur remet annuellement au comité de rivière, au plus tard le 30 juin, un rapport intermédiaire relatant l'évolution de la réalisation du protocole d'accord et le détail des problèmes rencontrés.
Les groupes de travail sont associés à l'élaboration et à la réalisation de l'inventaire de terrain et du protocole d'accord, sous la conduite dynamique du coordinateur.]1

Art. R53. [1 § 1. De coördinator legt het ontwerp van protocolakkoord ter goedkeuring voor aan het riviercomité en maakt het goedgekeurde ontwerp over aan het bestuur in vier exemplaren binnen de 32 maanden na de kennisgeving van de beslissing van de Minister waarvan sprake in artikel R.51, § 2.
Op grond van het advies gegeven door het bestuur keurt de Minister in voorkomend geval het protocolakkoord goed binnen de dertig dagen na ontvangst van het ontwerp van protocolakkoord door het bestuur. Hij geeft kennis van zijn beslissing aan het betrokken riviercontract.
§ 2. Het protocolakkoord, goedgekeurd door de Minister, wordt gezamelijk ondertekend door de Minister en door alle leden van het riviercomité; laatstgenoemden verbinden zich ertoe alle middelen in te zetten om de doelstellingen te bereiken vastgesteld in de termijnen geraamd door het protocolakkoord.
Als het riviercontract het ontwerp van protocolakkoord niet aan het bestuur heeft voorgelegd binnen de maximumtermijn waarvan sprake in artikel R.53, § 1, en het protocolakkoord om die reden niet door de Minister goedgekeurd is kunnen worden binnen de termijn van drie jaar waarvan sprake in artikel R.52, § 1, wordt de duur van de geldigheid van het protcol-akkoord waarvan sprake in § 3, met de overschreden duurtijd verminderd. De gewestelijke subsidie waarvan sprake in artikel R.55 wordt verhoudingsgewijs verminderd, waarbij een aangevangen maand evenwel volledig afgetrokken wordt.
§ 3. Het protocolakkoord heeft een geldigheidsduur van drie jaar te rekenen van de kennisgeving door de Minister, waarvan sprake in § 1, na afloop waarvan het verlengd kan worden met eenzelfde termijn.
§ 4. De coördinator zorgt voor de bekendmaking en de verspreiding van het protocolakkoord in het gehele betrokken onderstroomgebied. Inlichtingen in verband met de riviercontracten, met inbegrip van met name het protocolakkoord van elk riviercontract, wordt op de portaalsite Leefmilieu van het Waalse Gewest en, in voorkomend geval, op de websites van het riviercontract bekend gemaakt.]1

Art. R53. [1 § 1er. Le coordinateur soumet le projet de protocole d'accord à l'approbation du comité de rivière et remet le projet approuvé à l'administration, en quatre exemplaires, dans les 32 mois de la notification de la décision du Ministre visée à l'article R.51, § 2.
Sur base de l'avis donné par l'administration, le Ministre approuve le cas échéant le protocole d'accord dans les 30 jours de la réception du projet de protocole d'accord par l'administration. Il notifie sa décision au contrat de rivière concerné.
§ 2. Le protocole d'accord approuvé par le Ministre est signé conjointement par le Ministre et par tous les membres du comité de rivière; ces derniers s'engagent ainsi à mettre tous les moyens en oeuvre pour atteindre les objectifs fixés dans les délais estimés par le protocole d'accord.
Si le contrat de rivière n'a pas présenté le projet de protocole d'accord à l'administration dans le délai maximal visé à l'article R.53, § 1er, et que pour cette raison le protocole d'accord n'a pas pu être approuvé par le Ministre dans le délai de trois ans visé au à l'article R.52, § 1er, la durée de validité du protocole d'accord visée au § 3, est réduite de la durée excédentaire. La subvention régionale visée à l'article R.55 est réduite dans la même proportion, un mois commencé étant cependant déduit en entier.
§ 3. Le protocole d'accord a une durée de validité de trois ans à dater de la notification par le Ministre prévue au § 1er, au terme desquels il peut être reconduit pour une durée identique.
§ 4. Le coordinateur assure la publicité et la diffusion du protocole d'accord dans l'ensemble du sous-bassin concerné. Des informations relatives aux contrats de rivière, comprenant notamment le protocole d'accord de chaque contrat de rivière, sont diffusées sur le site Internet Portail environnement de la Région wallonne et, le cas échéant, sur ceux des membres du contrat de rivière.]1

Afdeling 8. [1 - Beoordeling van de actie van de riviercontracten en verlenging van het protocolakkoord.]1
Section 8. [1 - Evaluation de l'action des contrats de rivière et reconduction du protocole d'accord.]1
Art. R54. [1 § 1. De coördinator stelt een jaarlijks activiteitenverslag op overeenkomstig bijlage LV, punt B, en legt het ter goedkeuring voor aan het riviercomité. Alle riviercontracten die deel uitmaken van eenzelfde onderstroomgebied werken een gecoördineerd activiteitenverslag uit. Het goedgekeurde verslag wordt uiterlijk 31 maart van het volgende jaar aan het bestuur overgemaakt.
§ 2. Gedurende het derde jaar van uitvoering van het protocolakkoord beoordeelt de coördinator de acties en stelt ze bij; daarnaast werkt hij de terreininventaris bij waarvan sprake in artikel R.52, §§ 3 en 4, en bereidt een ontwerp voor ter verlenging van het protocolakkoord dat een bijwerking van de terreininventaris bevat. De raad van bestuur legt dat ontwerp ter goedkeuring voor aan het riviercomité.
§ 3. Het goedgekeurde project wordt uiterlijk 22 augustus van het derde jaar van rechtsgeldigheid van het protocolakkoord aan het bestuur voorgelegd. Het bestuur beoordeelt de daden van het riviercontract volgens volgende criteria :
- de concrete resultaten van het optreden van de riviercontracten op de kwaliteit van het water en het leefmilieu van en in de betrokken waterlopen;
- de dynamiek van de werkgroepen en de balans van hun daden;
- het aantal en de omvang van de geprogrammeerde acties en het aantal en de omvang van de verwezenlijkte acties;
- de kwaliteit van de terreininventaris;
- het nagaan of er een daadwerkelijke representativiteit is van elkeen van de groepen waarvan sprake in artikel D.32 in het riviercomité en in de raad van bestuur, en of geen enkele groep de anderen overheerst;
het in acht nemen van het profiel en de selectieprocedure van de coördinator waarvan sprake in artikel R.49.
Op de voordracht van het bestuur verleent de Minister in voorkomend geval zijn instemming met de verlenging van het protocolakkoord; hij geeft kennis van zijn beslissing aan het betrokken riviercontract. Als de Minister zijn instemming verleent, wordt het protocolakkoord verlengd te rekenen vanaf 22 december van het betrokken jaar.
De protocolakkoorden worden verlengd tot 22 december 2010, daarna om de drie jaar vanaf die datum.]1

Art. R54. [1 § 1er. Le coordinateur dresse un rapport annuel d'activités conformément à l'annexe LV, point B, et le soumet à l'approbation du comité de rivière. Les contrats de rivière existants au sein d'un même sous-bassin hydrographique élaborent un rapport d'activité coordonné. Le rapport approuvé est transmis à l'administration au plus tard le 31 mars de l'année suivante.
§ 2. Durant la troisième année d'exécution du protocole d'accord, le coordinateur procède à l'évaluation des actions et leur mise à jour ainsi qu'à la réactualisation de l'inventaire de terrain visé à l'article R.52, §§ 3 et 4, et prépare un projet de reconduction du protocole d'accord comportant une mise à jour de l'inventaire de terrain. Le conseil d'administration soumet ce projet à l'approbation du comité de rivière.
§ 3. Le projet approuvé est soumis à l'administration au plus tard le 22 août de la troisième année de validité du protocole d'accord. L'administration procède à l'évaluation de l'action du contrat de rivière selon les critères suivants :
- les résultats concrets de l'action des contrats de rivière sur la qualité de l'eau et de l'environnement des cours d'eau concernés;
- la dynamique des groupes de travail et le bilan de leur action;
- le nombre et l'importance des actions programmées et le nombre et l'importance des actions réalisées;
- la qualité de l'inventaire de terrain;
- la vérification que la représentativité de chacun des groupes visés à l'article D.32 au sein du Comité de rivière et du Conseil d'administration est effective, et qu'aucun groupe n'a de prédominance sur les autres;
- le respect du profil et de la procédure de sélection du coordinateur visés à l'article R.49.
Sur proposition de l'administration, le Ministre marque le cas échéant son accord sur la reconduction du protocole d'accord; il notifie sa décision au contrat de rivière concerné. Si le Ministre marque son accord, le protocole d'accord est reconduit à dater du 22 décembre de l'année concernée.
Les protocoles d'accord sont reconduits au 22 décembre 2010, puis de trois ans en trois ans à partir de cette date.]1

Afdeling 9. [1 - Financiering van de riviercontracten en voorwaarden voor de toekenning van de subsidies.]1
Section 9. [1 - Financement des contrats de rivière et conditions d'octroi des subsides.]1
Art. R55. [1 § 1. De financiering van de werking van de riviercontracten kan worden overgenomen door :
- het Waalse Gewest;
- de provincie(s);
- de gemeenten;
- elke andere partner die de acties van het riviercontract financieel wil ondersteunen.
§ 2. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten kan de Minister de riviercontracten een jaarlijkse subsidie verlenen waarbij hun werking gewaarborgd wordt, waarvan het maximumbedrag per onderstroomgebied vastgesteld wordt in bijlage LV, punt C. De berekening van de subsidie is een optelsom van een forfaitair bedrag van euro 60 000 en van een variabel bedrag dat om de drie jaar herzien kan worden, berekend aan de hand van een ratio inwoners/oppervlakte van het grondgebied vallend onder het riviercontract van 50 %/50 %.
Het maximumbedrag waarvan sprake in vorig lid wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex, met als referentie de gezondheidsindex van januari 2008 : 107,85 (basis 2004 = 100).
De werkingskosten omvatten :
de personeelskosten, waaronder de wedde van de coördinator en in voorkomend geval de raadpleging van deskundigen;
de kosten voor consumptie en benodigdheden met betrekking tot de uitvoering van de opdrachten waarvan sprake in de artikelen R.48 en R.50, § 2, en meer bepaald de sensibilisering van het publiek;
de lasten die verbonden zijn aan de bezetting van de infrastructuren.
§ 3. Om in aanmerking te komen voor de toekenning van een subsidie wordt een riviercontract opgericht in de vorm van een vereniging zonder winstgevend doel in de zin van [2 deel 3 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]2.
De subsidie waarvan sprake in § 2 kan een eerste keer toegekend worden voor het neerschrijven van het protocolakkoord waarvan de duur bepaald is in artikel R.52, § 1. De Minister neemt het besluit tot toekenning van de subsidie binnen de dertig dagen na de bekendmaking van de statuten van de rechtspersoon gevormd door het riviercontract in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad.
De subsidie wordt vervolgens toegekend voor de duur van de uitvoering van het protocolakkoord waarvan sprake in artikel R.53, § 2, lid 3. De Minister neemt het besluit tot toekenning van de subsidie en keurt tegelijk het protocolakkoord goed overeenkomstig artikel R.53, § 2.
§ 4. Het percentage van de jaarlijkse subsidie wordt vastgesteld op 70 % van de kosten waarvan sprake in § 2 ten laste van het Waalse Gewest en op 30 % ten laste van de betrokken gemeenten en provincie(s).
Het gewestelijk subsidie-aandeel is verbonden aan de voorwaarde dat de betrokken gemeenten of provincie(s) hun betalingen uitvoeren.
De Minister deelt het maximumbedrag van de werkingssubsidie per onderstroomgebied in voorkomend geval op tussen de riviercontracten van éénzelfde onderstroomgebied en kent dat bedrag geheel of gedeeltelijk toe afhankelijk van het aandeel van elk betrokken riviercontract dat geraamd wordt in functie van de bevolking en de oppervlakte die het contract bestrijkt.
§ 5. De riviercontracten kunnen in aanmerking komen voor tegemoetkomingen bovenop hun werkingssubsidie voor de uitvoering van acties in verband met de opdrachten omschreven in de artikelen R.48 en R.50, §§ 1 en 2. Die aanvullende financieringen kunnen afkomstig zijn van de privé- of de openbare sector, met inbegrip van de Europese medefinancieringen.
§ 6. De gewestelijke subsidie wordt jaarlijks op volgende wijze vereffend :
een eerste schijf, met een maximumbedrag van 50 % van de subsidie bij de kennisgeving van de beslissing tot toekenning van de subsidie op voorlegging van een oprecht en waarachtig verklaarde schuldvorderingsaangifte;
een tweede schijf, met een maximumbedrag van 30 % van de subsidie, uiterlijk 30 september van het gesubsidieerde jaar na voorlegging van een oprecht en waarachtig verklaarde schuldvorderingsaangifte die tegelijk met het tussentijds activiteitenverslag, een boekhoudkundig verslag en afschriften van het betalingsbewijs van de deelnemende gemeenten en/of de provincies wordt ingediend;
het saldo van de subsidie wordt uiterlijk vereffend op 31 maart van het jaar volgend op het jaar van de subsidie, na voorlegging van een oprecht en waarachtig verklaarde schuldvorderingsaangifte die tegelijk met de bewijsstukken van de subsidie, het jaarlijks activiteitenverslag en de jaarrekeningen wordt ingediend overeenkomstig bijlage LV, punt B. Het verslag en de jaarrekeningen moeten door het riviercomité goedgekeurd worden.
§ 7. In het geval waarvan sprake in artikel R.53, § 3, lid 2, wordt het bedrag van de gewestelijke subsidie teruggebracht in verhouding tot de vermindering van de geldigheidsduur van het eerste protocolakkoord.]1

Art. R55. [1 § 1er. Le financement du fonctionnement des contrats de rivière peut être pris en charge par :
- la Région wallonne;
- la (les) province(s);
- les communes;
- tout autre partenaire désireux de soutenir financièrement les actions du contrat de rivière.
§ 2. Dans la limite des crédits budgétaires disponibles, le Ministre peut octroyer aux contrats de rivière une subvention annuelle permettant d'assurer leur fonctionnement dont le montant maximum par sous-bassin hydrographique est fixé à l'annexe LV, point C. Le calcul de la subvention additionne un montant forfaitaire de euro 60 000 et un montant variable, révisable tous les trois ans, calculé au moyen d'un ratio habitants/superficie du territoire couvert par le contrat de rivière de 50 %/50 %.
Le montant maximum visé à l'alinéa précédent est adapté annuellement à l'évolution de l'indice-santé, avec pour référence l'indice-santé de janvier 2008 : 107,85 (base 2004 = 100).
Les coûts de fonctionnement comprennent :
les dépenses relatives au personnel, dont le traitement du coordinateur, et le cas échéant à la consultation d'experts;
les coûts de consommation et fournitures relatifs à la réalisation des missions visées aux articles R.48 et R.50, § 2, et notamment la sensibilisation du public;
les charges inhérentes à l'occupation des infrastructures.
§ 3. Pour être éligible à l'octroi d'une subvention, un contrat de rivière est constitué sous la forme d'une association sans but lucratif au sens [2 de la partie 3 du Code des sociétés et des associations]2.
La subvention visée au § 2 peut être allouée une première fois pour l'élaboration du protocole d'accord dont la durée est fixée à l'article R.52, § 1er. Le Ministre prend l'arrêté d'octroi de subvention dans les 30 jours de la publication aux annexes du Moniteur belge des statuts de la personne morale que constitue le contrat de rivière.
La subvention est ensuite allouée pour la durée de l'exécution du protocole d'accord visée à l'article R53, § 2, alinéa 3. Le Ministre prend l'arrêté d'octroi de subvention en même temps qu'il approuve le protocole d'accord conformément à l'article R.53, § 2.
§ 4. Le taux de la subvention annuelle est fixé à 70 % des coûts concernés au § 2 à charge de la Région wallonne et à 30 % à charge des communes et de la ou des province(s) concernée(s).
La part de la subvention régionale est conditionnée aux paiements des communes et de la ou des province(s) concernée(s).
Le Ministre divise, le cas échéant entre les contrats de rivière d'un même sous-bassin hydrographique, le montant maximal de la subvention de fonctionnement par sous-bassin hydrographique et alloue tout ou partie de ce montant au prorata de l'importance de chaque contrat de rivière concerné, estimée en fonction de la population et de la superficie couverte par celui-ci.
§ 5. Les contrats de rivière peuvent bénéficier d'aides complémentaires à leur subvention de fonctionnement pour la réalisation d'actions en relation avec les missions décrites aux articles R.48 et R.50, §§ 1er et 2. Ces financements complémentaires peuvent provenir du secteur privé ou public en ce compris les co-financements européens.
§ 6. La subvention régionale est liquidée annuellement selon les modalités suivantes :
une première tranche, d'un montant maximum égal à 50 % de la subvention, à la notification de la décision d'octroi de la subvention sur présentation d'une déclaration de créance certifiée sincère et véritable;
une deuxième tranche, d'un montant maximum égal à 30 % de la subvention, au plus tard le 30 septembre de l'année subventionnée sur présentation d'une déclaration de créance certifiée sincère et véritable et accompagnée d'un rapport d'activités intermédiaire, d'un rapport comptable et des copies de la preuve de paiement des communes engagées et/ou des provinces;
le solde de la subvention est liquidée au plus tard le 31 mars de l'année qui suit l'année subventionnée, sur présentation d'une déclaration de créance certifiée sincère et véritable, accompagnée des pièces justificatives de la subvention, du rapport annuel d'activités et des comptes annuels conformément à l'annexe LV, point B. Le rapport et les comptes annuels doivent être approuvés par le comité de rivière.
§ 7. Dans le cas visé à l'article R.53, § 3, alinéa 2, le montant de la subvention régionale est réduit au prorata de la réduction de la durée de validité du premier protocole d'accord.]1

Art. R56. [1 De verlenging van het protocolakkoord en van de subsidie wordt ondergeschikt gemaakt aan de beoordeling waarvan sprake in artikel R.54. Bij een negatieve beoordeling kan de Minister beslissen dat de financiering van het betrokken riviercontract voor een door hem bepaalde periode verminderd of geschrapt wordt. De subsidie kan enkel verlengd worden op voorwaarde dat het ontwerp van verlenging van het protocolakkoord bij het bestuur uiterlijk is ingediend op de datum bepaald in artikel R.54, § 3.]1
Art. R56. [1 La reconduction du protocole d'accord et de la subvention est subordonnée à l'évaluation prévue à l'article R.54. En cas d'évaluation négative, le Ministre peut décider de réduire, pour une période qu'il détermine, ou de supprimer le financement du contrat de rivière concerné. La subvention ne peut être reconduite qu'à la condition que le projet de reconduction du protocole d'accord ait été introduit à l'administration à la date fixée à l'article R.54, § 3, au plus tard.]1
TITEL V. - Waterlopen.
TITRE V. - Cours d'eau.
HOOFDSTUK I. [1 - Algemeenheden]1
CHAPITRE Ier. [1 - Généralités]1
Art. R57. [1 De lijst van de vissoorten waarvan het vrij rondzwemmen in het Waalse Gewest is gewaarborgd, is opgenomen in bijlage LVIII.]1
Art. R57. [1 La liste des espèces piscicoles dont la libre circulation est assurée en Région wallonne figure à l'annexe LVIII.]1
HOOFDSTUK II. [1 - Onbevaarbare Waterlopen]1
CHAPITRE II [1 - Cours d'eau non navigables]1
Afdeling 1. [1 - Indeling]1
Section 1ère. [1 - Classement]1
Art. R58. [1 De punten waarop onbevaarbare waterlopen in de eerste categorie worden ingedeeld, worden voor elk daarvan bepaald door de aanwijzingen in bijlage LIX.]1
Art. R58. [1 Les points à partir desquels les cours d'eau non navigables sont classés en première catégorie sont déterminés pour chacun d'eux, par les indications qui figurent à l'annexe LIX.]1
Afdeling 2. [1 - Atlas]1
Section 2. [1 - Atlas]1
Art. R59. [1 Afhankelijk van de beschikbare gegevens kan de Atlas van onbevaarbare waterlopen als bedoeld in artikel D. 36 van dit boek het volgende bevatten:
de punten waar de afmetingen werden gemeten ;
de breedte van de kruin en het plafond;
de diepte onder de oevers;
de helling ;
het traject van de bestreken waterlopen en hun toegangspunten ;
de gegevens voor de niet-beschermde waterlopen.]1

Art. R59. [1 En fonction des données disponibles, l'Atlas des cours d'eau non navigables visé à l'article D. 36 du présent livre peut contenir :
les points où les dimensions ont été relevées ;
la largeur relevée en crête et au plafond ;
la profondeur constatée en contrebas des berges ;
la pente ;
le tracé des cours d'eau recouverts et leurs points d'accès ;
les données relatives aux cours d'eau non classés.]1

Afdeling 3. [1 - onderhouds- en kleine herstelwerken.]1
Section 3. [1 - Travaux d'entretien et de petite réparation]1
Art. R60. [1 Het onderhoud en de kleine herstellingen die moeten worden uitgevoerd aan een waterloop of een deel van een waterloop van de tweede categorie die de grens van twee provincies vormt, worden uitgevoerd door de provincie op het grondgebied waarvan de waterloop stroomt, onmiddellijk stroomopwaarts van het punt vanwaar zij de grens vormt, en, indien het begin van het grensgedeelte samenvalt met de oorsprong van de waterloop, door de provincie die is aangewezen door de Regering die bevoegd is om die oorsprong vast te stellen.]1
Art. R60. [1 Les travaux d'entretien et de petite réparation à faire à un cours d'eau ou partie de cours d'eau de deuxième catégorie qui forme la limite de deux provinces sont exécutés par la province sur le territoire de laquelle coule le cours d'eau, immédiatement en amont du point à partir duquel il devient limitrophe, et, si le début de la partie limitrophe coïncide avec l'origine du cours d'eau, par la province désignée par le Gouvernement qui est compétent pour fixer cette origine.]1
Art. R61. [1 Beheerders inspecteren onbevaarbare waterlopen minstens om de zes jaar. De inspectie heeft als doel:
de waterlopen of delen van waterlopen te bepalen waar onderhoud en kleine herstellingen worden uitgevoerd;
het type werk bepalen dat moet worden uitgevoerd;
het type werk bepalen dat moet worden uitgevoerd;
de werken identificeren die veroorzaakt of verergerd worden door het gebruik van de waterloop door privaat- of publiekrechtelijke personen of door de aanwezigheid van werken die toebehoren aan privaat- of publiekrechtelijke personen.]1

Art. R61. [1 Les gestionnaires procèdent au moins une fois tous les six ans à la visite des cours d'eau non navigables. La visite a pour objet de :
déterminer les cours d'eau ou parties de cours d'eau sur lesquels des travaux d'entretien et de petite réparation sont à exécuter ;
déterminer le type de travaux à exécuter ;
planifier les travaux à exécuter ;
identifier les travaux qui sont occasionnés ou aggravés soit par l'usage du cours d'eau par des personnes de droit privé ou public, soit par la présence d'ouvrages appartenant à des personnes de droit privé ou public.]1

Art. R62. [1 De beheerders stellen tijdig plannen op voor onderhoud en kleine herstellingen en bepalen hoe deze moeten worden uitgevoerd. Beheerders kunnen beslissen dat onderhoud en kleine herstellingswerken moeten worden uitgevoerd op een specifieke waterloop of op het geheel of een deel van een specifiek stroomgebied of deelstroomgebied.
Voordat de werkzaamheden worden uitgevoerd, overleggen de beheerders met de afdeling Natuur en Bos van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, overeenkomstig de artikelen R. 79 en volgende.
Onderhoud en kleine herstellingen staan onder toezicht en leiding van de beheerders.]1

Art. R62. [1 Les gestionnaires établissent en temps utile les projets de travaux d'entretien et de petite réparation et en déterminent le mode d'exécution. Les gestionnaires peuvent décider que les travaux d'entretien et de petite réparation sont à exécuter pour un cours d'eau déterminé ou pour tout ou partie d'un bassin ou d'un sous-bassin hydrographique déterminé.
Les gestionnaires se concertent préalablement à la réalisation des travaux avec le Département de la Nature et des Forêts du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, conformément aux articles R. 79 et suivants.
La surveillance et la direction des travaux d'entretien et de petite réparation sont assurées par les gestionnaires.]1

Art. R63. [1 § 1. Het volgende onderhoud en kleine herstellingen mogen worden uitgevoerd door andere personen dan beheerders:
het verzamelen van puin, takken, houtwallen en grofvuil;
het onderhoud en de verwijdering van de vegetatie op de oevers van onbevaarbare waterlopen, in het bijzonder het verwijderen van takken, kreupelhout, struiken en planten van alle soorten die op de oevers groeien, zonder de kleine bedding van deze waterlopen te wijzigen, en het verwijderen van invasieve planten;
§ 2. De aangifte bedoeld in artikel D.37, § 3, van dit boek wordt in tweevoud opgesteld volgens het formulier vastgesteld door de Minister bevoegd voor de onbevaarbare waterlopen.
§ 3. Als de aangifte ontvankelijk is, stuurt de beheerder een kopie van de aangifte naar het departement Natuur en Bos van de Waalse Overheidsdienst, Landbouw, Natuurlijke hulpbronnen en Leefmilieu of naar elke instantie die hij nuttig acht om te raadplegen, voor een advies over het eventueel opleggen van bijkomende uitvoeringsvoorwaarden. Op verzoek van de beheerder of het "DNF" kan een gezamenlijk bezoek ter plaatse worden georganiseerd. De instanties sturen hun advies binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen van de datum van aanhangigmaking. Bij ontstentenis wordt het advies geacht gunstig te zijn.]1

Art. R63. [1 § 1er. Les travaux d'entretien et de petite réparation suivants peuvent être exécutés par d'autres personnes que les gestionnaires :
la collecte de débris, de branchages, d'embâcles et de matériaux encombrants ;
l'entretien et l'évacuation de la végétation située sur les berges des cours d'eau non navigables, notamment l'enlèvement des branches, broussailles, buissons et plantes quelconques croissant sur les berges, sans modifier le lit mineur de ces cours d'eau, et l'élimination des plantes invasives ;
§ 2. La déclaration visée à l'article D.37, § 3, du présent livre, est établie en deux exemplaires au moyen du formulaire arrêté par le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions.
§ 3. Si la déclaration est recevable, le gestionnaire transmet une copie de la déclaration au Département de la Nature et des Forêts du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement ou à toute instance qu'il juge utile de consulter, pour avis sur l'éventuelle imposition de conditions complémentaires d'exécution. Une visite préalable de terrain en commun peut être organisée à la demande du gestionnaire ou du DNF. Les instances envoient leur avis motivé dans les quinze jours à dater de leur saisine. A défaut, l'avis est réputé favorable.]1

Sectie 4. [1 - Procedure voor domaniale vergunning van de beheerder]1
Section 4. [1 - Procédure d'autorisation domaniale du gestionnaire]1
Art. R64. [1 Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
"Openbaar domein": de kleine bedding van een onbevaarbare waterloop als bedoeld in artikel D. 34 van dit boek en als gedefinieerd in artikel D. 2, 56 bis van dit boek;
"Vergunninghouder": de houder van een domaniale vergunning.]1

Art. R64. [1 Pour l'application de la présente section, l'on entend par :
" Domaine public " : le lit mineur d'un cours d'eau non navigable tel que visé à l'article D. 34 du présent livre et tel que défini à l'article D. 2, 56 bis du présent livre ;
" Permissionnaire " : détenteur d'une autorisation domaniale.]1

Art. R65. [1 § 1. De aanvraag voor een domaniale vergunning in de vorm van een eenzijdige rechtshandeling wordt in tweevoud opgesteld met gebruikmaking van het formulier dat is vastgesteld door de Minister die verantwoordelijk is voor onbevaarbare waterlopen. Afhankelijk van de categorie van onbevaarbare waterlopen waar het project zich bevindt, wordt de aanvraag per werk naar de betrokken beheerder gestuurd, per aangetekende post of op een andere manier die een zekere datum oplevert of door afgifte tegen ontvangstbewijs.
§ 2. De beheerder stuurt de aanvrager binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvraag een ontvangstbevestiging waarin staat of de aanvraag volledig is.
Indien de aanvraag onvolledig is, zendt de beheerder de aanvrager de lijst van de ontbrekende stukken en wijst erop dat de procedure hervat wordt met ingang van de datum van ontvangst van het volledige dossier. De beheerder kan ook de overlegging eisen van bijkomende documenten die hij nodig acht voor het onderzoek van het verzoek en bepaalt dat de procedure opnieuw start vanaf de datum van ontvangst van deze documenten. Binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvullende informatie stuurt de beheerder een ontvangstbevestiging waarin staat of de aanvraag volledig is.
Als de beheerder de aanvrager niet binnen dertig dagen een ontvangstbevestiging stuurt, wordt de aanvraag als volledig beschouwd en wordt de procedure voortgezet.
§ 3. Voor het onderzoek van de aanvraag, overleggen de beheerders met het Departement Natuur en Bos van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, overeenkomstig de artikelen R. 79 en volgende.
§ 4. De beslissing tot toekenning van de vergunning vermeldt minstens:
de identiteit van de aanvrager;
de toestand, de identificatie en de beschrijving van de toegelaten werken;
de datum waarop de toekenning ingaat, en in voorkomend geval, de duur ervan;
4° eventuele bijzondere voorwaarden verbonden aan de toekenning;
de termijn waarin de vergunning moet worden uitgevoerd;
de maatregelen tot bekendmaking van het besluit;
de beroepsmodaliteiten;
§ 5. Tegelijkertijd met de verzending van de beslissing aan de aanvrager per aangetekende post of op een andere wijze die een zekere datum oplevert, stuurt de beheerder ook een kopie van zijn beslissing:
aan de overheden die tijdens de procedure binnen de voorgeschreven termijn een advies hebben uitgebracht;
aan de gemeente(n) op het grondgebied waarvan het project gevestigd wordt;
De vergunninghouder zal gedurende twintig dagen voor het begin van de uitvoering van de domaniale vergunning een bericht plaatsen in de buurt van de locatie waar het project zal worden uitgevoerd, vóór de weg en leesbaar vanaf de weg. Deze kennisgeving vermeldt het doel van de beslissing, waar deze kan worden geraadpleegd en hoe er beroep tegen kan worden aangetekend.
Deze kennisgeving wordt ook gedurende twintig dagen opgehangen op de gebruikelijke plaatsen in de gemeente of gemeenten op het grondgebied waarvan het project zich bevindt. Na afloop van de aanplaktermijn maakt de burgemeester een attest op ter bevestiging van de aanplakking.
De beslissing tot verlening van de vergunning is uitvoerbaar vanaf de dag volgend op het verstrijken van de beroepstermijn voorzien in artikel D. 46 van dit Boek, of vanaf de dag nadat deze is verzonden naar de vergunninghouder indien de vergunning in beroep is verleend.]1

Art. R65. [1 § 1er. La demande d'autorisation domaniale délivrée sous forme d'un acte unilatéral est établie en deux exemplaires au moyen du formulaire arrêté par le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions. En fonction de la catégorie du cours d'eau non navigable où est situé le projet, la demande est envoyée au gestionnaire concerné par les travaux, par recommandé ou par tout envoi conférant date certaine ou remise contre récépissé.
§ 2. Le gestionnaire envoie au demandeur un accusé de réception, statuant sur le caractère complet de la demande, dans un délai de trente jours à dater du jour où il reçoit la demande.
Si la demande est incomplète, le gestionnaire envoie au demandeur la liste des documents manquants et précise que la procédure recommence à dater de leur réception. Le gestionnaire peut également exiger la production de documents complémentaires qu'il juge nécessaire à l'instruction de la demande et précise que la procédure recommence à dater de leur réception. Dans les trente jours de la réception des compléments, le gestionnaire envoie un accusé de réception, statuant sur le caractère complet de la demande.
Si le gestionnaire n'envoie pas au demandeur d'accusé de réception au terme du délai de trente jours, la demande est considérée comme complète et la procédure est poursuivie.
§ 3. Lors de l'instruction de la demande, le gestionnaire se concerte préalablement avec le Département de la Nature et des Forêts du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, conformément aux articles R. 79 et suivants.
§ 4. La décision accordant l'autorisation mentionne au minimum :
l'identité du demandeur ;
la situation, l'identification et la description des travaux autorisés ;
la date de délivrance de l'autorisation, et le cas échéant sa durée ;
le cas échéant, les conditions particulières assortissant sa délivrance ;
le délai dans lequel l'autorisation doit être mise en oeuvre ;
les mesures de publicité de la décision ;
les modalités de recours.
§ 5. Simultanément à l'envoi de la décision au demandeur par recommandé ou par tout envoi conférant date certaine, le gestionnaire envoie également une copie de sa décision :
aux instances qui ont émis un avis dans le délai imparti au cours de la procédure ;
à la ou les communes sur le territoire de laquelle ou desquelles le projet s'implante.
Un avis indiquant que l'autorisation domaniale a été délivrée est affiché à proximité du lieu où le projet doit être implanté, à front de voirie et lisible à partir de celle-ci, par les soins du permissionnaire, durant vingt jours avant le début de la mise en oeuvre de l'autorisation domaniale. Cet avis mentionne l'objet de la décision, l'endroit où elle peut être consultée, ainsi que les modalités de recours.
Cet avis est également affiché durant vingt jours aux endroits habituels d'affichage dans la ou les communes sur le territoire de laquelle ou desquelles le projet s'implante. A la fin du délai d'affichage, le bourgmestre établit une attestation certifiant cet affichage.
La décision accordant l'autorisation est exécutoire à partir du jour suivant l'expiration du délai de recours prévu à l'article D. 46 du présent livre, ou du lendemain de l'envoi qui en est fait au permissionnaire si l'autorisation est délivrée sur recours.]1

Art. R66. [1 Bij het afgeven van de domaniale vergunning, in de vorm van een eenzijdige rechtshandeling of een contract, kan de beheerder speciale voorwaarden stellen. Als een vergunning voor bepaalde tijd wordt verleend, wordt de geldigheidsperiode in de vergunning vermeld.
De domaniale vergunning vervalt als deze niet binnen drie jaar na de datum van afgifte is geïmplementeerd. Op verzoek van de vergunninghouder kan deze periode echter met een jaar worden verlengd. Dit verzoek moet per aangetekende post of op een andere wijze die een zekere datum oplevert, dertig dagen voor het verstrijken van de termijn worden gedaan. De verlenging wordt toegestaan door de beheerder.
De vergunninghouder kan afstand doen van de domaniale vergunning door een aangetekende brief te sturen of op een andere manier die een bepaalde datum oplevert.
Wanneer de domaniale vergunning eindigt kan de beheerder het herstel van de plaats eisen tegen de voorwaarden die hij bepaalt.]1

Art. R66. [1 Lors de la délivrance de l'autorisation domaniale, délivrée sous forme d'un acte unilatéral ou d'un contrat, le gestionnaire peut déterminer des conditions particulières. En cas d'octroi d'une autorisation à durée déterminée, il fixe dans l'autorisation la durée de validité de celle-ci.
L'autorisation domaniale est périmée si elle n'a pas été mise en oeuvre dans un délai de trois ans à dater de sa délivrance. Toutefois, à la demande du permissionnaire, elle peut être prorogée d'un an. Cette demande est introduite, par recommandé ou toute autre modalité conférant date certaine, trente jours avant l'expiration du délai de péremption. La prorogation est accordée par le gestionnaire.
Le permissionnaire peut renoncer à l'autorisation domaniale moyennant l'envoi d'un recommandé ou par toute autre modalité conférant date certaine.
Lorsque l'autorisation domaniale prend fin, le gestionnaire peut exiger la remise en état des lieux aux conditions qu'il détermine.]1

Art. R67. [1 De vergunninghouder moet de beheerder onmiddellijk op de hoogte brengen van elke wijziging van de gegevens in de domaniale vergunning die in de vorm van een eenzijdige handeling of in de vorm van een contract is afgegeven.
Wanneer een domaniale vergunning aan verschillende vergunninghouders wordt verleend, worden laatstgenoemden hoofdelijk en ondeelbaar gehouden tot het vervullen van alle verplichtingen die voortvloeien uit deze vergunning.
Elk schade veroorzaakt aan het openbaar domein moet de vergunninghouder zo spoedig mogelijk aan de beheerder melden.
De vergunninghouder treft de gepaste maatregelen om de veiligheid van de gebruikers op het openbaar domein te garanderen. In geen geval zal het de belangrijkste functies van de onbevaarbare waterloop waarnaar wordt verwezen in artikel D. 33/1 van dit boek belemmeren.
De domaniale vergunning wordt verleend onder voorbehoud en zonder afbreuk te doen aan de rechten van derden. De vergunninghouder kan geen aanspraak maken op enige schadevergoeding of schadeloosstelling indien, op welk moment dan ook, de beheerder het noodzakelijk acht om in het kader van het beheer van het openbaar domein maatregelen te nemen die de vergunninghouder de voordelen die voortvloeien uit de vergunning geheel of gedeeltelijk ontnemen.
De vergunninghouder stelt de beheerder tien dagen voor het begin van de uitvoering van de domaniale vergunning op de hoogte per aangetekende brief of op een andere manier die een zekere datum oplevert. De vergunninghouder moet samenwerken met de beheerder en, indien van toepassing, met het Departement Natuur en Bossen van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, om hen in staat te stellen toezicht te houden op de specifieke voorwaarden die in de domaniale vergunning worden opgelegd. Dit toezicht houdt alleen de controle van de naleving van de opgelegde voorwaarden in, zonder dat de beheerder van het openbaar domein de verantwoordelijkheid op zich neemt.
De samenwerking met de beheerder kan betekenen dat de beheerder toegang moet krijgen tot de installaties van de vergunninghouder. De beheerder kan op elk moment toegang krijgen.
De vergunninghouder mag zich in geen geval beroepen op zakelijke rechten of ze verkrijgen op het openbaar domein, noch andere rechten laten gelden dan de rechten die uitdrukkelijk worden vermeld in de domaniale vergunning.
De werken die krachtens de domaniale vergunning tot stand zijn gekomen, blijven eigendom van de vergunninghouder.]1

Art. R67. [1 Le permissionnaire informe sans délai le gestionnaire de tout changement des données reprises dans l'autorisation domaniale délivrée sous la forme d'un acte unilatéral ou sous forme d'un contrat.
Lorsqu'une autorisation domaniale est délivrée à plusieurs permissionnaires, ceux-ci sont tenus solidairement et indivisiblement de toutes les obligations découlant de l'autorisation.
Le permissionnaire signale au plus tôt au gestionnaire tout dommage causé au domaine public.
Le permissionnaire prend les mesures adéquates afin d'assurer la sécurité des usagers sur le domaine public. En aucun cas, il ne porte atteinte aux principales fonctions du cours d'eau non navigable visées à l'article D. 33/1 du présent livre.
L'autorisation domaniale est délivrée sous réserve et sans préjudice du droit des tiers. Le permissionnaire ne peut prétendre à aucune indemnité, ni dédommagement quelconque si, à quelque époque que ce soit, le gestionnaire reconnaît nécessaire de prendre, dans le cadre de la gestion du domaine public, des mesures qui le privent de tout ou partie des avantages résultant de l'autorisation.
Le permissionnaire avertit le gestionnaire, par recommandé ou toute autre modalité conférant date certaine, du début de la mise en oeuvre de l'autorisation domaniale, dix jours avant son commencement. Le permissionnaire collabore avec le gestionnaire, et le cas échéant avec le Département de la Nature et des Forêts du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, en vue de permettre le contrôle par ceux-ci des conditions particulières imposées dans l'autorisation domaniale. Cette surveillance implique uniquement le contrôle du respect des conditions particulières imposées, sans que le gestionnaire du domaine public n'en assume la responsabilité.
La collaboration avec le gestionnaire peut impliquer l'accès du gestionnaire aux installations du permissionnaire. L'accès est accordé à tout moment au gestionnaire.
Le permissionnaire ne peut en aucun cas se prévaloir ou obtenir des droits réels sur le domaine public, ni faire valoir d'autres droits que ceux qui sont explicitement stipulés dans l'autorisation domaniale.
Les ouvrages établis en vertu de l'autorisation domaniale restent la propriété du permissionnaire.]1

Art. R68. [1 De beheerder heeft het recht om toegestane werken te wijzigen of te verwijderen, eenzijdig of contractueel, in de volgende gevallen:
indien de voorwaarden voor de toekenning van de subsidies bedoeld in artikel 15, § 66, niet meer nageleefd worden;
in geval van ernstig gevaar voor de menselijke gezondheid of in geval van schade of schaderisico voor het leefmilieu.
wanneer deze werken een ernstige bedreiging vormen voor de openbare veiligheid of om overstromingsgevaar te voorkomen;
wanneer deze werken een ernstige bedreiging vormen voor het aquatische milieu, en in het bijzonder wanneer dit laatste onderhevig is aan kritieke hydromorfologische omstandigheden die onverenigbaar zijn met de bescherming, de verbetering of het herstel ervan;
wanneer de vergunninghouder de bepalingen van deze titel overtreedt;
De beheerder brengt de vergunninghouder hiervan op de hoogte per aangetekende brief of op een andere manier met vermelding van een bepaalde datum, ten minste vijftien dagen voordat hij begint met de uitvoering van de werkzaamheden. De kosten voor het aanpassen van de installatie worden gedragen door de betrokken vergunninghouder.]1

Art. R68. [1 Le gestionnaire a le droit de faire modifier ou supprimer les ouvrages autorisés, par acte unilatéral ou par contrat, dans les cas suivants :
lorsque les conditions particulières fixées en vertu de l'article R. 66 ne sont plus remplies ;
lorsque survient un danger grave pour la santé de l'homme ou un préjudice ou un risque de préjudice à l'environnement ;
lorsque ces ouvrages présentent une menace grave pour la sécurité publique ou pour prévenir le risque d'inondations ;
lorsque ces ouvrages présentent une menace grave pour le milieu aquatique, et notamment lorsque celui-ci est soumis à des conditions hydromorphologiques critiques incompatibles avec sa protection, son amélioration ou sa restauration ;
lorsque le permissionnaire contrevient aux dispositions du présent titre.
Le gestionnaire en informe le permissionnaire par recommandé ou par toute autre modalité conférant date certaine au moins quinze jours avant de commencer l'exécution des travaux. Les frais inhérents à la modification de l'ouvrage sont à charge du permissionnaire concerné.]1

Art. R69. [1 § 1. De domaniale vergunning die is afgegeven in de vorm van een unilaterale akte kan te allen tijde worden gewijzigd, opgeschort of ingetrokken, zonder dat de vergunninghouder aanspraak kan maken op schadevergoeding.
§ 2. In dit geval zal de beheerder de vergunninghouder per aangetekende brief of op een andere manier met vermelding van een bepaalde datum op de hoogte brengen van de mogelijkheid om de verleende domaniale vergunning te wijzigen, op te schorten of in te trekken. In het schrijven worden de volgende punten benadrukt :
de redenen die de overwogen maatregel rechtvaardigen;
dat de vergunninghouder de mogelijkheid heeft om schriftelijk zijn verweermiddelen uiteen te zetten binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van de waarschuwing en dat hij bij die gelegenheid het recht heeft om de beheerder erom te verzoeken zijn verweermiddelen mondeling voor te dragen;
hij heeft het recht om zich te laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman;
het feit dat de vergunninghouder het recht heeft om zijn dossier in te kijken.
De beheerder bepaalt, in voorkomend geval, de dag waarop de vergunninghouder erom verzocht wordt zijn verweermiddelen mondeling voor te dragen.
Als het advies van een bepaalde instantie is gevraagd in het kader van de procedure voor het verlenen van de vergunning, legt de beheerder het dossier voor advies voor aan deze instantie op het moment dat hij de vergunninghouder informeert. Als de instantie haar advies niet binnen dertig dagen na de datum van aanhangigmaking stuurt, wordt haar advies geacht overeen te komen met dat van de beheerder.
§ 3. De beslissing tot intrekking, schorsing of wijziging van de domaniale vergunning wordt aan de vergunninghouder betekend binnen honderdtwintig dagen na het verstrijken van de in paragraaf 2, 2°, bedoelde termijn, bij aangetekende brief of op een andere wijze die een zekere datum oplevert.]1

Art. R69. [1 § 1er. L'autorisation domaniale délivrée sous la forme d'un acte unilatéral peut à tout moment être modifiée, suspendue ou retirée, sans que le permissionnaire puisse prétendre de ce chef à une quelconque indemnisation.
§ 2. Dans ce cas, le gestionnaire informe le permissionnaire, par recommandé ou par toute autre modalité conférant date certaine, de la possibilité de modifier, suspendre ou retirer l'autorisation domaniale octroyée. Il précise :
les motifs qui justifient la mesure envisagée ;
que le permissionnaire a la possibilité d'exposer par écrit ses moyens de défense, dans un délai de trente jours à compter du jour de la réception de cette information, et qu'il a, à cette occasion, le droit de demander au gestionnaire la présentation orale de sa défense ;
que le permissionnaire a le droit de se faire assister ou représenter par un conseil ;
que le permissionnaire a le droit de consulter son dossier.
Le gestionnaire détermine, le cas échéant, le jour où le permissionnaire est invité à exposer oralement sa défense.
Si l'avis d'une instance particulière a été requis dans le cadre de la procédure de délivrance de l'autorisation, le gestionnaire lui soumet le dossier pour avis en même temps qu'elle en informe le permissionnaire. Si l'instance n'envoie pas son avis dans un délai de trente jours à dater de sa saisine, son avis est réputé conforme à celui du gestionnaire.
§ 3. La décision de retrait, de suspension ou de modification de l'autorisation domaniale est notifiée dans les cent vingt jours à compter de l'expiration du délai visé au paragraphe 2, 2°, au permissionnaire par recommandé ou par toute autre modalité conférant date certaine.]1

Afdeling 5. [1 - Algemene bepalingen]1
Section 5. [1 - Dispositions générales]1
Art. R70. [1 § 1. In de gevallen bedoeld in artikel D. 45 van dit boek, of in geval van een bijzonder gerechtvaardigde noodsituatie, informeert de beheerder de eigenaar per aangetekende brief of op een andere manier die een zekere datum oplevert, dat hij de naleving van bepaalde voorwaarden, de uitvoering van werken of de verwijdering van de bestaande installatie of installaties vraagt. In het schrijven worden de volgende punten benadrukt :
de redenen die de overwogen maatregel rechtvaardigen;
dat de eigenaar de mogelijkheid heeft om schriftelijk zijn verweermiddelen uiteen te zetten binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van de waarschuwing en dat hij bij die gelegenheid het recht heeft om de beheerder erom te verzoeken zijn verweermiddelen mondeling voor te dragen;
de eigenaar heeft het recht om zich te laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman;
het feit dat de eigenaar het recht heeft om zijn dossier in te kijken.
De beheerder bepaalt, in voorkomend geval, de dag waarop de eigenaar erom verzocht wordt zijn verweermiddelen mondeling voor te dragen.
§ 2. De beslissing van de beheerder wordt aan de eigenaar betekend binnen honderdtwintig dagen na het verstrijken van de in paragraaf 1, 2°, bedoelde termijn, bij aangetekende brief of op een andere wijze die een zekere datum oplevert.]1

Art. R70. [1 § 1er. Dans les cas visés à l'article D. 45 du présent livre, or le cas d'urgence spécialement motivée, le gestionnaire informe le propriétaire, par recommandé ou par toute autre modalité conférant date certaine, qu'il sollicite le respect de certaines conditions, l'exécution de travaux ou la suppression du ou des ouvrages existants. Il précise :
les motifs qui justifient la mesure ;
que le propriétaire a la possibilité d'exposer par écrit ses moyens de défense, dans un délai de trente jours à compter du jour de la réception de cette information, et qu'il a, à cette occasion, le droit de demander au gestionnaire la présentation orale de sa défense ;
que le propriétaire a le droit de se faire assister ou représenter par un conseil ;
que le propriétaire a le droit de consulter son dossier.
Le gestionnaire détermine, le cas échéant, le jour où le propriétaire est invité à exposer oralement sa défense.
§ 2. La décision du gestionnaire est notifiée dans les cent vingt jours à compter de l'expiration du délai visé au paragraphe1er, 2°, au propriétaire par recommandé ou par toute autre modalité conférant date certaine.]1

Art. R71. [1 § 1. Op straffe van onontvankelijkheid en onverminderd de verzending langs elektronische weg, wordt het beroep bij de Regering bedoeld in artikel D. 46 van dit Boek per aangetekende brief of op een andere wijze die een zekere datum oplevert, gericht aan de Minister bevoegd voor de onbevaarbare waterlopen, op het adres van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, met gebruikmaking van het door de Minister bevoegd voor de onbevaarbare waterlopen vastgestelde formulier.
§ 2. Als het advies van een specifieke instantie is gevraagd als onderdeel van de procedure in eerste aanleg, legt de beroepsinstantie het dossier voor advies voor aan deze instantie. Als deze instantie niet binnen dertig dagen na de datum van aanhangigmaking advies uitbrengt, wordt de zaak buiten beschouwing gelaten.
§ 3. Tegelijk met de verzending van de beslissing aan de aanvrager per aangetekende brief of op een andere wijze die een zekere datum oplevert, stuurt de Minister bevoegd voor onbevaarbare waterlopen of zijn afgevaardigde ook een kopie van zijn beslissing:
aan de betrokken beheerder;
aan de instanties die binnen de voorgeschreven termijn een advies hebben uitgebracht;]1

Art. R.71. [1 § 1er. Sous peine d'irrecevabilité, et sans préjudice de l'envoi par voie électronique, le recours au Gouvernement prévu à l'article D. 46 du présent livre est adressé au Ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions, à l'adresse du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement par recommandé ou par toute autre modalité conférant date certaine, au moyen du formulaire arrêté par le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions.
§ 2. Si l'avis d'une instance particulière a été requis dans le cadre de la procédure de première instance, l'autorité de recours lui soumet le dossier pour avis. A défaut pour cette instance d'envoyer son avis dans un délai de trente jours à dater de sa saisine, il est passé outre.
§ 3. Simultanément à l'envoi de la décision au requérant par recommandé ou par tout envoi conférant date certaine, le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions ou son délégué envoie également une copie de sa décision :
au gestionnaire concerné ;
aux instances qui ont émis un avis dans le délai imparti au cours de la procédure.]1

HOOFDSTUK III [1 - Niet beschermde waterlopen.]1
CHAPITRE III [1 - Cours d'eau non classés]1
Afdeling I. [1 - Onderhouds- en kleine herstelwerken.]1
Section Ire. [1 - Travaux d'entretien et de petite réparation]1
Art. R72. [1 Onverminderd artikel 3.65 van het Burgerlijk Wetboek voert de eigenaar op wiens grondgebied de niet-beschermde waterloop stroomt, de volgende onderhouds- en kleine herstellingswerken uit, enkel wanneer de veiligheid van goederen en personen dit vereist, waarbij hij ervoor zorgt dat de goede toestand of het goede ecologische potentieel van de niet-beschermde waterloop niet wordt aangetast:
het verwijderen van takken, struiken, kreupelhout en planten van alle soorten die in de kleine bedding groeien, wanneer zij de natuurlijke waterstroom belemmeren en zonder de bedding van de waterloop te wijzigen, alsook het verwijderen van invasieve planten ;
het verwijderen van stortplaatsen, afzettingen van welke aard dan ook of vreemde voorwerpen, evenals aardverschuivingen, zonder de kleine bedding te wijzigen;
reiniging onder bruggen en boogsecties;
het herstellen en beschermen van ingestorte oevers en dijken met geschikte materialen, alsook het terugsnoeien van struiken en heesters die er groeien wanneer ze de natuurlijke waterstroom belemmeren.
Het werk mag geen inbreuk maken op het gewone afwateringskanaal en wordt uitgevoerd op kosten van de eigenaar.
De werken waarnaar wordt verwezen in lid 1 worden uitgevoerd door oevereigenaars langs hun respectieve erven en over de halve breedte van niet beschermde waterlopen waar de waterloop twee eigendommen scheidt, op eigen kosten.]1

Art. R72. [1 Sans préjudice de l'article 3.65 du Code Civil, le propriétaire, sur le fond de qui le cours d'eau non classé s'écoule, exécute les travaux d'entretien et de petite réparation suivants, uniquement lorsque la sécurité des biens et des personnes l'exige, en veillant à ne pas endommager le bon état ou le bon potentiel écologique du cours d'eau non classé :
l'enlèvement des, branches, buissons, broussailles et plantes quelconques croissant dans le lit mineur, lorsqu'ils entravent l'écoulement naturel des eaux et sans modifier le lit de ce cours d'eau, ainsi que l'élimination des plantes invasives ;
l'enlèvement des atterrissements, dépôts quelconques ou tout objet étranger, ainsi que les terres éboulées, sans modification du lit mineur ;
le curage sous les ponts et les parties voûtées ;
la réparation et la protection des berges affaissées et des digues au moyen de matériaux appropriés, ainsi que le recépage des buissons et arbustes y croissant lorsqu'ils entravent l'écoulement naturel des eaux.
Les travaux ne peuvent pas avoir pour effet d'empiéter sur le chenal ordinaire d'écoulement et sont réalisés aux frais du propriétaire.
Les travaux visés à l'alinéa 1er sont réalisés par les propriétaires riverains le long de leurs héritages respectifs et sur la moitié de la largeur des cours d'eau non classés dans le cas où le cours d'eau fait la séparation entre deux fonds, à leur frais.]1

Art. R73. [1 De speciale verplichtingen die worden opgelegd door het gewoonterecht of door titels of overeenkomsten, worden gehandhaafd en uitgevoerd onder leiding van de beheerder die verantwoordelijk is voor onbevaarbare waterlopen van de tweede categorie.
Alle werken onder, in of over de kleine bedding van een niet beschermwaterloop worden onderhouden en hersteld door de eigenaars ervan.]1

Art. R73. [1 Les obligations spéciales imposées, soit par l'usage, soit par des titres ou des conventions, sont maintenues et sont exécutées sous la direction du gestionnaire en charge des cours d'eau non navigables de deuxième catégorie.
Tous les ouvrages présents sous, dans ou au-dessus du lit mineur d'un cours d'eau non classé, sont entretenus et réparés par ceux à qui ils appartiennent.]1

Art. R74. [1 Eigenaars zijn verplicht om de bevelen op te volgen die hen door de beheerder van onbevaarbare waterlopen van de tweede categorie worden gegeven met betrekking tot het in goede staat houden van niet-beschermde waterlopen.]1
Art. R74. [1 Les propriétaires sont tenus d'obtempérer aux injonctions qui leur sont données par le gestionnaire des cours d'eau non navigables de deuxième catégorie en ce qui concerne le maintien en bon état des cours d'eau non classés.]1
Art. R75. [1 Als de eigenaar de artikelen R. 72 tot en met R. 74 niet naleeft, kan de beheerder van onbevaarbare waterlopen van de tweede categorie de eigenaar formeel aanmanen om binnen een bepaalde termijn onderhouds- en herstellingswerken uit te voeren. Deze ingebrekestelling wordt per aangetekende brief of door elk middel dat vaste datum verleent verzonden en vermeldt de termijn waarbinnen de overtreder zich hieraan moet houden. Bij gebrek aan uitvoering binnen de voorgeschreven termijn kan de beheerder dit zelf uitvoeren of laten uitvoeren.
In geval van dringende noodzakelijkheid kan de beheerder de onderhouds- en herstelwerken aan kunstwerken die niet van hem zijn, uitvoeren zonder de eigenaar hiervoor vooraf in gebreke te stellen.
In dit geval worden de kosten van het werk op de eigenaar verhaald op overlegging van een gewone staat opgemaakt door de beheerder die de werken heeft uitgevoerd.]1

Art. R75. [1 Si le propriétaire ne se conforme pas aux articles R. 72 à R. 74, le gestionnaire en charge des cours d'eau non navigables de deuxième catégorie peut mettre en demeure le propriétaire d'exécuter les travaux d'entretien et de réparation endéans un délai déterminé. Cette mise en demeure est adressée par recommandé ou par tout envoi conférant date certaine et précise le délai imparti au contrevenant pour s'exécuter. En l'absence d'exécution dans le délai imparti, le même gestionnaire peut y procéder lui-même ou y faire procéder.
En cas d'extrême urgence, le même gestionnaire peut exécuter les travaux d'entretien et de réparation, sans au préalable mettre en demeure le propriétaire à cet effet.
Dans tous les cas, le coût des travaux est récupéré à charge du propriétaire sur simple état dressé par le gestionnaire qui aura procédé à l'exécution des travaux.]1

Sectie II. [1 - Werkzaamheden waarvoor voorafgaande vergunning vereist is]1
Section II. [1 - Travaux soumis à autorisation préalable]1
Art. R76. [1 § 1. De voorafgaande en schriftelijke domaniale vergunning van de beheerder aangewezen krachtens artikel D. 35 is vereist voor alle werken zoals verdieping, verbreding, herstel en in het algemeen alle wijzigingen onder, in of boven de zomerbedding van de onbevaarbare waterloop of de daarin gevestigde kunstwerken, alsook de verwijdering of aanleg van dergelijke waterlopen.
§ 2. De bepalingen van de artikelen R. 65 en R. 66 zijn van toepassing op aanvragen met betrekking tot werken waarvoor een voorafgaande vergunning vereist is en die betrekking hebben op niet beschermde waterlopen.
§ 3. De beheerder verantwoordelijk voor onbevaarbare waterlopen van de tweede categorie stuurt zijn beslissing naar de aanvrager en naar elke geraadpleegde instantie binnen honderdtwintig dagen vanaf de eerste dag na ontvangst van de aanvraag.
De vergunning wordt geacht geweigerd te zijn als de beslissing niet wordt verzonden binnen de termijn bedoeld in artikel 1:
§ 4. In geval van afwezigheid of overtreding van de vergunning afgegeven krachtens paragraaf 1 of krachtens voorgaande wetgeving, maant de beheerder van onbevaarbare waterlopen van de tweede categorie de overtreder formeel aan om een einde te maken aan de onregelmatigheid door werken uit te voeren en, indien nodig, de kleine bedding van de onbevaarbare waterloop of de daarin aangelegde werken te herstellen of te laten herstellen. Deze ingebrekestelling wordt per aangetekende brief of door elk middel dat vaste datum verleent verzonden en vermeldt de termijn waarbinnen de overtreder zich hieraan moet houden. Bij gebrek aan het in overeenstemming brengen of herstelling binnen de voorgeschreven termijn kan de beheerder dit zelf uitvoeren of laten uitvoeren.
§ 5. In afwijking van paragraaf 4 mag de beheerder van een onbevaarbare waterloop van de tweede categorie ambtshalve werkzaamheden (laten) uitvoeren of de waterloopbedding herstellen of laten herstellen zonder de overtreder daartoe eerst aan te manen, indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan :
in geval van noodsituaties;
indien het om dwingende technische, milieu- of veiligheidsredenen niet raadzaam is om de overtreder toe te staan de waterloop zelf te herstellen of te laten herstellen
indien de overtreder niet gemakkelijk te identificeren is en niet gemakkelijk kan worden geïdentificeerd.
§ 6. In alle gevallen is de overtreder gedwongen tot de terugbetaling van alle uitvoeringskosten op overlegging van een gewone staat opgemaakt door de beheerder die voor de uitvoering heeft gezorgd of laten zorgen.]1

Art. R76. [1 § 1er. L'autorisation préalable écrite du gestionnaire en charge des cours d'eau non navigables de deuxième catégorie est requise pour tous travaux tels qu'approfondissement, élargissement, rectification, prise d'eau permanente et généralement toutes modifications sous, dans ou au-dessus du lit mineur du cours d'eau non classé ou des ouvrages y établis, ainsi que la suppression ou la création de tels cours d'eau.
§ 2. Les prescriptions des articles R. 65 et R. 66 sont applicables aux demandes relatives à des travaux soumis à autorisation préalable qui concernent les cours d'eau non classés.
§ 3. Le gestionnaire en charge des cours d'eau non navigables de deuxième catégorie envoie sa décision au demandeur, ainsi qu'à chaque instance consultée dans les cent vingt jours qui courent à dater du premier jour suivant la réception de la demande.
La décision est censée être refusée à défaut d'envoi dans le délai prévu à l'alinéa 1er.
§ 4. En cas d'absence ou de violation de l'autorisation délivrée en vertu du paragraphe 1er ou en vertu d'une législation antérieure, le gestionnaire en charge des cours d'eau non navigables de deuxième catégorie met en demeure le contrevenant de mettre fin à l'irrégularité par l'exécution de travaux et, si nécessaire, de remettre ou faire remettre le lit mineur du cours d'eau non classé ou les ouvrages y établis en état. Cette mise en demeure est adressée par recommandé ou par tout envoi conférant date certaine et précise le délai imparti au contrevenant pour s'exécuter. En l'absence de mise en conformité ou de remise en état dans le délai imparti, le gestionnaire peut y procéder lui-même ou y faire procéder.
§ 5. Par dérogation au paragraphe 4, le gestionnaire en charge des cours d'eau non navigables de deuxième catégorie peut d'office exécuter ou faire exécuter des travaux ou remettre ou faire remettre le lit mineur du cours d'eau en état, sans au préalable mettre en demeure le contrevenant à cet effet, si l'une des conditions suivantes est rencontrée :
en cas d'extrême urgence ;
s'il est contre-indiqué de permettre au contrevenant de remettre ou faire remettre lui-même le cours d'eau en état, pour des raisons impératives d'ordre technique, environnemental ou de sécurité ;
si le contrevenant n'est pas et ne peut pas aisément être identifié.
§ 6. Dans tous les cas, le contrevenant est contraint au remboursement de tous les frais d'exécution sur simple état dressé par le gestionnaire qui a procédé ou fait procéder à l'exécution.]1

Art. R77. [1 § 1. De beheerder van de onbevaarbare waterloop verzoekt om de naleving van bepaalde voorwaarden, de uitvoering van werken of, bij gebreke daarvan, het wegruimen van kunstwerken toegelaten vóór de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, indien deze kunstwerken een ernstige bedreiging vormen:
voor de openbare veiligheid of ter voorkoming van overstromingsgevaar;
voor het aquatische milieu, met name wanneer het wordt onderworpen aan kritieke hydromorfologische omstandigheden die onverenigbaar zijn met de bescherming, verbetering of het herstel ervan.
§ 2. Tenzij er een specifieke reden voor hoogdringendheid is, brengt de beheerder van onbevaarbare waterlopen van de tweede categorie de eigenaar ervan op de hoogte, per aangetekende brief of op een andere manier die een zekere datum oplevert, dat hij de naleving van bepaalde voorwaarden, de uitvoering van werken of de verwijdering van de bestaande installatie of installaties vraagt. In het schrijven worden de volgende punten benadrukt :
de redenen die de overwogen maatregel rechtvaardigen;
dat de eigenaar de mogelijkheid heeft om schriftelijk zijn verweermiddelen uiteen te zetten binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van de waarschuwing en dat hij bij die gelegenheid het recht heeft om de beheerder erom te verzoeken zijn verweermiddelen mondeling voor te dragen;
de eigenaar heeft het recht om zich te laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman;
het feit dat de eigenaar het recht heeft om zijn dossier in te kijken.
De beheerder die verantwoordelijk is voor onbevaarbare waterlopen van de tweede categorie bepaalt in voorkomend geval de dag waarop de eigenaar wordt uitgenodigd om zijn verdediging mondeling toe te lichten.
§ 3. De beslissing van de beheerder bevoegd voor onbevaarbare waterlopen van de tweede categorie wordt binnen honderdtwintig dagen na het verstrijken van de termijn, vermeld in het tweede lid, 2°, ter kennis gebracht van de eigenaar bij aangetekende brief of op een andere wijze die een zekere datum oplevert.
Als de werkzaamheden niet binnen de toegewezen tijd worden uitgevoerd, mag de beheerder die verantwoordelijk is voor onbevaarbare waterlopen van de tweede categorie ze zelf uitvoeren of laten uitvoeren. In dit geval is de eigenaar gedwongen tot de terugbetaling van alle uitvoeringskosten op overlegging van een gewone staat opgemaakt door de beheerder die voor de uitvoering heeft gezorgd.]1

Art. R77. [1 § 1er.Le gestionnaire en charge des cours d'eau non navigables de deuxième catégorie sollicite le respect de certaines conditions, l'exécution de travaux ou à défaut la suppression des ouvrages autorisés avant la date d'entrée en vigueur du présent chapitre, lorsque ces ouvrages présentent une menace grave :
pour la sécurité publique ou pour prévenir le risque d'inondations ;
pour le milieu aquatique, et notamment lorsque celui-ci est soumis à des conditions hydromorphologiques critiques incompatibles avec sa protection, son amélioration ou sa restauration.
§ 2. Sauf urgence spécialement motivée, le gestionnaire en charge des cours d'eau non navigables de deuxième catégorie informe le propriétaire, par recommandé ou par toute autre modalité conférant date certaine, qu'il sollicite le respect de certaines conditions, l'exécution de travaux ou la suppression du ou des ouvrages existants. Il précise :
les motifs qui justifient la mesure ;
que le propriétaire a la possibilité d'exposer par écrit ses moyens de défense, dans un délai de trente jours à compter du jour de la réception de cette information, et qu'il a, à cette occasion, le droit de demander au gestionnaire la présentation orale de sa défense ;
que le propriétaire a le droit de se faire assister ou représenter par un conseil ;
que le propriétaire a le droit de consulter son dossier.
Le gestionnaire en charge des cours d'eau non navigables de deuxième catégorie détermine, le cas échéant, le jour où le propriétaire est invité à exposer oralement sa défense.
§ 3. La décision du gestionnaire en charge des cours d'eau non navigables de deuxième catégorie est notifiée dans les cent vingt jours à compter de l'expiration du délai visé au paragraphe 2, 2°, au propriétaire par recommandé ou par toute autre modalité conférant date certaine.
En l'absence d'exécution dans le délai imparti, le gestionnaire en charge des cours d'eau non navigables de deuxième catégorie peut y procéder lui-même ou y faire procéder. Dans ce cas, le propriétaire est contraint au remboursement de tous les frais d'exécution sur simple état dressé par le gestionnaire qui a procédé à l'exécution.]1

Art. R78. [1 § 1. Tegen de beslissingen genomen krachtens de artikelen R. 75 tot R. 77 kan beroep worden ingesteld binnen een termijn van twintig dagen vanaf de kennisgeving ervan of vanaf de bekendmaking van de beslissing langs administratieve weg.
Op straffe van niet-ontvankelijkheid moet het in lid 1 bedoelde beroep worden toegezonden aan de Minister bevoegd voor onbevaarbare waterlopen, op het adres van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, per aangetekend schrijven of op een andere wijze die een zekere datum oplevert, met gebruikmaking van het door de Minister bevoegd voor onbevaarbare waterlopen vastgestelde formulier.
§ 2. Als het advies van een specifieke instantie is gevraagd als onderdeel van de procedure in eerste aanleg, legt de beroepsinstantie het dossier voor advies voor aan deze instantie. Als deze instantie niet binnen dertig dagen na de datum van aanhangigmaking advies uitbrengt, wordt de zaak buiten beschouwing gelaten.
§ 3. De Minister bevoegd voor onbevaarbare waterlopen of zijn afgevaardigde deelt zijn beslissing aan de aanvrager mee binnen honderdtwintig dagen, te rekenen vanaf de eerste dag die volgt op de ontvangst van het beroepschrift of, in geval van meerdere beroepen, te rekenen vanaf de eerste dag die volgt op de ontvangst van het laatste beroepschrift.
Tegelijk met de verzending van de beslissing aan de aanvrager per aangetekende brief of op een andere wijze die een zekere datum oplevert, stuurt de Minister bevoegd voor onbevaarbare waterlopen of zijn afgevaardigde ook een kopie van zijn beslissing:
aan de beheerder bevoegd voor onbevaarbare waterlopen van de tweede categorie ;
aan de instanties die binnen de voorgeschreven termijn een advies hebben uitgebracht;]1

Art. R78. [1 § 1er.Un recours peut être exercé contre les décisions prises en vertu des articles R. 75 à R. 77, dans les vingt jours à partir de la notification qui leur en est faite ou à partir de la publication de la décision par la voie administrative.
Sous peine d'irrecevabilité, le recours prévu à l'alinéa 1er est adressé au Ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions, à l'adresse du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement par recommandé ou par toute autre modalité conférant date certaine, au moyen du formulaire arrêté par le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions.
§ 2. Si l'avis d'une instance particulière a été requis dans le cadre de la procédure de première instance, l'autorité de recours lui soumet le dossier pour avis. A défaut pour cette instance d'envoyer son avis dans un délai de trente jours à dater de sa saisine, il est passé outre.
§ 3. Le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions ou son délégué envoie sa décision au requérant dans les cent vingt jours, qui courent à dater du premier jour suivant la réception du recours, ou en cas de pluralité de recours, à dater du premier jour suivant la réception du dernier recours.
Simultanément à l'envoi de la décision au requérant par recommandé ou par tout envoi conférant date certaine, le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions ou son délégué envoie également une copie de sa décision :
au gestionnaire en charge des cours d'eau non navigables de deuxième catégorie ;
aux instances qui ont émis un avis dans le délai imparti au cours de la procédure.]1

Hoofdstuk IV [1 - Overleg]1
Chapitre IV [1 - Concertation]1
Art. R79. [1 § 1. In de volgende gevallen wordt voorafgaand overleg georganiseerd tussen de betrokken beheerder en de relevante territoriale directie van het departement Natuur en Bos van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, hierna "DNF" genoemd:
het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden en kleine herstellingen overeenkomstig artikel D. 37, § 1er, van dit Boek, met uitzondering van in, onder of boven de kleine bedding van :
a) het verwijderen van afval, kunstmatige materialen, dwars op de waterloop geplaatste hekken, palen, voorwerpen die van de bodem van de waterloop of de oevers zijn losgeraakt, en het snoeien en verwijderen van laaghangende takken ;
b) de verwijdering van struiken, ontwortelde bomen en dood hout;
c) in bebouwde gebieden of gebieden met een hoog overstromingsrisico, het maaien van invasieve kruidachtige vegetatie, het ontwortelen en verwijderen van stronken en wortels, en het verwijderen van stortplaatsen of grote obstakels voor de doorstroming ;
d) onderhoud en reparatie van werken die toebehoren aan de exploitant;
de uitvoering van werken die onderworpen zijn aan een voorafgaande domaniale vergunning krachtens artikel D. 40 van dit boek en de uitvoering van werken door beheerders andere dan deze van onderhoud en kleine herstellingen bedoeld in artikel D. 37, § 1er van dit boek;
het verkeer of de organisatie van het verkeer van niet voor de scheepvaart bestemde voertuigen op de oevers, dijken en in de ondiepe bedding van waterlopen, alsook in alle doorwadingen, behoudens voorafgaande vergunning krachtens artikel 58 bis van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud.
§ 2. Het Departement Leefmilieu en Water van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke hulpbronnen en Leefmilieu, hierna "DEE" genoemd, wordt ook geraadpleegd in de volgende gevallen:
de uitvoering van werken die krachtens artikel D.40 van dit boek onderworpen zijn aan een voorafgaande domaniale vergunning
de uitvoering van andere werken door de beheerders van waterlopen van de categorieën 2 en 3 dan die van onderhoud en kleine herstellingen bedoeld in artikel D.37, § 1, van dit boek.
De DEE wordt alleen geraadpleegd als de werken waarschijnlijk een of meer nieuwe wijzigingen van de fysische kenmerken van een waterloop zullen teweegbrengen, waardoor het bereiken van een goede ecologische toestand of een goed ecologisch potentieel van een oppervlaktewaterlichaam waarschijnlijk op een permanente en duurzame manier zal verslechteren of verhinderd zal worden.
De fysieke kenmerken van een waterloop worden gedefinieerd als alle natuurlijke of kunstmatige kenmerken die deel uitmaken van de kleine bedding van de waterloop.
Nieuwe wijziging betekent ofwel :
- Aanpassen van oevers: kunstmatig maken, rechttrekken, golfbreker, rechttrekken, andere ;
- Wijziging van het gewone stroomkanaal: creëren, verwijderen, verdiepen, verbreden, rechttrekken van een waterloop ;
- Wijziging van de longitudinale en/of laterale continuïteit door de bouw van hydraulische constructies (sluizen, dammen, bruggen, enz.).
§ 3. In de volgende gevallen wordt er geen voorafgaand overleg georganiseerd tussen de betrokken beheerder en het DNF of DEE:
in het geval van acties die gepland zijn in het kader van een PARIS als bedoeld in artikel D. 33/4 van dit Boek, op voorwaarde dat deze acties voldoende gedetailleerd zijn wat betreft de periode waarin ze zullen worden geïmplementeerd of uitgevoerd, hun locatie, duur, wijze van uitvoering en omvang. Zo niet, dan worden deze acties onderworpen aan de raadplegingsprocedure voordat ze worden uitgevoerd;
in geval van een dringende tussenkomst ten gevolge van een plotse en onvoorziene gebeurtenis die bij gebrek aan een snelle reactie schade zou kunnen berokkenen aan personen of goederen.
In het in lid 1, 2°, bedoelde geval brengt de betrokken beheerder het DNF zo snel mogelijk op de hoogte van zijn locatie en van de geplande noodmaatregelen.]1

Art. R79. [1 § 1er. Une concertation préalable est organisée entre le gestionnaire concerné et la direction territorialement concernée du Département de la Nature et des Forêts du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, ci-après dénommé " DNF ", dans les cas suivants :
l'exécution de travaux d'entretien et de petite réparation en vertu de l'article D. 37, § 1er, du présent livre, à l'exception dans, en dessous ou au-dessus du lit mineur de :
a) l'enlèvement de déchets, de matières artificielles, de clôtures établies en travers du cours d'eau, de tout piquet, d'objets détachés du fond du cours d'eau ou des berges, ainsi que l'élagage et l'enlèvement des branches basses et pendantes ;
b) l'enlèvement des arbustes, des arbres déracinés et de tout bois mort ;
c) dans une zone urbanisée ou dans une zone d'aléa d'inondation élevé, le faucardage et la fauche de la végétation herbacée envahissante, l'arrachage et l'enlèvement de souches et de racines, et l'enlèvement d'atterrissements ou d'obstacles majeurs à l'écoulement ;
d) l'entretien et la réparation d'ouvrages appartenant au gestionnaire ;
l'exécution de travaux soumis à autorisation domaniale préalable en vertu de l'article D. 40 du présent livre et l'exécution de travaux par les gestionnaires autres que ceux d'entretien et de petite réparation visés à l'article D. 37, § 1er du présent livre ;
la circulation ou l'organisation de la circulation de véhicules qui ne sont pas destinés à la navigation, sur les berges, les digues et dans le lit mineur des cours d'eau, ainsi que dans tous les passages à gué, soumise à autorisation préalable en vertu de l'article 58 bis de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature.
§ 2. Le Département de l'Environnement et de l'Eau du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, ci-après dénommée " DEE ", est également concertée dans les cas suivants :
l'exécution de travaux soumis à autorisation domaniales préalables en vertu de l'article D.40 du présent livre
l'exécution de travaux par les gestionnaires des cours d'eau de 2e et 3e catégories autres que ceux d'entretien et de petite réparation visés à l'article D.37, § 1er du présent livre.
Le DEE n'est concerté que lorsque les travaux sont de nature à créer une ou plusieurs nouvelles modifications des caractéristiques physiques d'un cours d'eau, susceptibles de détériorer ou d'empêcher l'atteinte du bon état ou bon potentiel écologique d'une masse d'eau de surface de manière permanente et durable.
Par caractéristique physique du cours d'eau, on entend tout élément naturel ou artificiel compris dans le lit mineur du cours d'eau.
Par nouvelle modification, on entend soit :
- Modification des berges : artificialisation, rectification, enrochement, redressement, autre ;
- Modification du chenal ordinaire d'écoulement : création, suppression, approfondissement, élargissement, rectification d'un cours d'eau ;
- Modification de la continuité longitudinale et/ou latérale par la construction d'ouvrage hydraulique (écluse, barrage, pont, etc.).
§ 3. Une concertation préalable n'est pas organisée entre le gestionnaire concerné et le DNF ou le DEE dans les cas suivants :
s'il s'agit d'actions planifiées dans le cadre d'un PARIS visé à l'article D. 33/4 du présent livre, pour autant que ces actions soient suffisamment détaillées quant à leur période de réalisation ou d'exécution, à leur localisation, à leur durée, à leur modalité d'exécution et à leur ampleur. Dans le cas contraire, ces actions seront soumises à la procédure de concertation avant leur mise en oeuvre ;
en cas d'intervention urgente en raison d'un évènement soudain et imprévisible qui pourrait causer des dommages aux personnes ou aux biens en l'absence d'une prompte réaction.
Dans le cas mentionné à l'alinéa 1er, 2°, le gestionnaire concerné avertit dès que possible le DNF de sa localisation et des actions envisagées en urgence.]1

Art. R80. [1 § 1. Voorafgaande raadpleging komt ten minste overeen met een verzoek om een advies van het DEE dat elektronisch is verzonden door de betrokken beheerder in de gevallen bedoeld in artikel R. 79, § 1er, 1° en 2°, en § 2, of met een verzoek om een advies van de betrokken beheerder door het DNF in de gevallen bedoeld in artikel R. 79, § 1, 3°.
Verzoeken om advies aan het DNF zijn geldig wanneer ze op zijn minst naar het algemene e-mailadres van de territoriaal betrokken externe directie worden gestuurd.
§ 2. Het DNF, het DEE en de betrokken beheerder kunnen in onderling overleg besluiten het voorafgaand overleg uit te breiden tot andere personen of instanties, zoals de visserij- of visteeltfederaties en het riviercontract voor het betrokken deelstroomgebied.
Behalve wanneer een bezoek ter plaatse wordt georganiseerd krachtens artikel R. 81, wordt het advies verzonden binnen vijftien dagen na de aanhangigmaking, wat overeenkomt met de eerste werkdag na het verzenden van het verzoek om advies via elektronische weg. Bij ontstentenis wordt het advies geacht gunstig te zijn.
Het advies bevat minstens :
de identificatie van de geraadpleegde instantie;
de referenties van het project;
de naam, voornaam en hoedanigheid van de auteur van het advies;
in geval van een gunstig advies, de eventuele bijzondere voorwaarden die onder de bevoegdheid van de geraadpleegde instantie vallen;
in geval van ongunstig advies, de redenen die het rechtvaardigen.
§ 3. Er kan een algemeen advies worden uitgebracht voor een specifiek deel van de waterweg.
In het geval bedoeld in artikel R. 79, § 1, 1°, beslist de beheerder over het al dan niet voortzetten van de geplande werkzaamheden, desgevallend na het voorstellen van een alternatieve oplossing door de geraadpleegde instantie.
Ten minste twee werkdagen voor het begin van de werkzaamheden wordt een kopie van de beslissing elektronisch naar de geraadpleegde instantie gestuurd.]1

Art. R80. [1 § 1er. La concertation préalable correspond au minimum à une demande d'avis du DNF ou du DEE adressée par voie électronique par le gestionnaire concerné dans les cas visés à l'article R. 79, § 1er, 1° et 2°, et § 2, ou à une demande d'avis du gestionnaire concerné par le DNF dans les cas visés à l'article R. 79, § 1er, 3°.
En ce qui concerne la demande d'avis au DNF, celle-ci est valablement adressée lorsqu'elle est envoyée, au minimum, sur l'adresse email générique de la Direction extérieure territorialement concernée.
§ 2. Le DNF, le DEE et le gestionnaire concerné peuvent décider d'un commun accord d'élargir la concertation préalable à d'autres personnes ou instances telles que les Fédérations halieutiques ou piscicoles et le Contrat de rivière du sous-bassin concerné.
Sauf lorsqu'une visite de terrain est organisée en vertu de l'article R. 81, l'avis est envoyé dans les quinze jours à dater de la saisine, correspondant au premier jour ouvrable qui suit l'envoi de la demande d'avis par voie électronique. A défaut, l'avis est réputé favorable.
L'avis contient au minimum :
l'identification de l'instance consultée ;
les références du projet ;
les nom, prénom et qualité de l'auteur de l'avis ;
en cas d'avis favorable, les éventuelles conditions particulières qui relèvent de la compétence de l'instance consultée ;
en cas d'avis défavorable, les motifs qui le justifient.
§ 3. Un avis global peut être formulé pour un linéaire de cours d'eau déterminé.
Dans le cas visé à l'article R. 79, § 1er, 1°, le gestionnaire décide du maintien ou non de l'exécution des travaux projetés, le cas échéant après proposition d'une solution alternative par l'instance consultée.
Au minimum deux jours ouvrables avant le début des travaux, une copie de la décision intervenue est adressée par voie électronique à l'instance consultée.]1

Art. R81. [1 § 1. Er wordt een voorbereidend bezoek ter plaatse georganiseerd wanneer :
het DNF of de betrokken verantwoordelijke er uitdrukkelijk om verzoekt binnen vijftien dagen na de voorlegging aan de geraadpleegde instantie, wat overeenstemt met de eerste werkdag die volgt op de verzending van de adviesaanvraag langs elektronische weg ;
de uitvoering van werken die krachtens artikel D.40 van dit boek onderworpen zijn aan een voorafgaande domaniale vergunning.
Artikel 58bis, tweede lid, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud is, met betrekking tot het verkeer of de organisatie van het verkeer van voertuigen die niet bestemd zijn voor de scheepvaart, van toepassing op de oevers, de dijken en de kleine beddingen van waterlopen, alsook op de doorwadingen.
Als er een bezoek ter plaatse wordt georganiseerd, nemen de beheerder en het DNF contact met elkaar op om in onderling overleg een datum voor het bezoek vast te stellen.
In onderling overleg kunnen het DNF en de beheerder besluiten dat een voorafgaand bezoek ter plaatse niet nodig is, als ze al over voldoende gegevens beschikken om hun advies uit te brengen.
§ 2. Ter voorbereiding van het bezoek ter plaatse stelt de betrokken beheerder in de gevallen bedoeld in artikel R. 79, § 1, 1° en 2°, of het DNF in de gevallen bedoeld in artikel R. 79, § 1, 3°, een voorbereidend dossier samen dat hij per e-mail verzendt en dat ten minste het volgende bevat:
de algemene doelstellingen van de werken;
hun locatie op een N.G.I.-kaart. 1/25.000 of 1/10.000 ;
de plan(nen) van de werken, indien beschikbaar;
een voldoende beschrijving van de werken om een beoordeling te kunnen maken van hun impact op de kleine bedding van de waterloop en de oevers, op zowel flora als fauna, op natuurlijke habitats en ecosysteemdiensten;
informatie over de gewenste begindatum van de werken;
de datum, het tijdstip en de plaats van het bezoek ter plaatse, dat zal plaatsvinden in aanwezigheid van de aanvrager, in voorkomend geval, binnen een termijn van ten minste vijf werkdagen te rekenen vanaf de datum van verzending van het voorbereidend dossier.
§ 3. Het DNF vaardigt maximaal drie functionarissen af voor het veldbezoek, namelijk de visbeambte van het gebied, de bosbeambte van het gebied en, indien van toepassing, de Natura 2000 beambte.
De betrokken beheerder of het DNF stelt ter plaatse de notulen van het bezoek op, die door alle aanwezigen worden ondertekend. De betrokken manager of het DNF stuurt binnen drie werkdagen elektronisch een kopie naar elke deelnemer.
Het advies, waarvan de inhoud wordt gespecificeerd in artikel R. 80, § 2, wordt verstuurd binnen acht dagen na het bezoek ter plaatse. Bij ontstentenis wordt het advies geacht gunstig te zijn.
In het geval bedoeld in artikel R. 79, § 1, 1°, beslist de beheerder over het al dan niet voortzetten van de geplande werkzaamheden, desgevallend na het voorstellen van een alternatieve oplossing door de geraadpleegde instantie.
Ten minste twee werkdagen voor het begin van de werkzaamheden wordt een kopie van de beslissing elektronisch naar de geraadpleegde instantie gestuurd.]1

Art. R81. [1 § 1er.Une visite préalable de terrain est organisée lorsque :
le DNF ou le gestionnaire concerné en fait expressément la demande endéans les quinze jours à dater de la saisine de l'instance consultée, correspondant au premier jour ouvrable qui suit l'envoi de la demande d'avis par voie électronique ;
les travaux sont soumis à autorisation domaniale préalable et écrite en vertu de l'article D. 40 du présent livre ;
l'article 58 bis, alinéa 2, de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature s'applique, s'agissant de la circulation ou de l'organisation de la circulation de véhicules qui ne sont pas destinés à la navigation, sur les berges, les digues et dans le lit mineur des cours d'eau, ainsi que dans les passages à gué.
Lorsqu'une visite de terrain est organisée, le gestionnaire et le DNF se contactent pour fixer de commun accord la date à laquelle celle-ci se tiendra.
D'un commun accord, le DNF et le gestionnaire peuvent décider qu'une visite préalable de terrain n'est pas indispensable, lorsqu'ils disposent déjà des données suffisantes pour émettre leur avis.
§ 2. Afin de préparer la visite de terrain, le gestionnaire concerné dans les cas visés à l'article R. 79, § 1er, 1° et 2°, ou le DNF dans les cas visés à l'article R. 79, § 1er, 3°, constitue et envoie par courrier électronique un dossier préparatoire qui contient au minimum :
les objectifs poursuivis par les travaux ;
leur localisation sur carte I.G.N. 1/25.000 ou 1/10.000 ;
le(s) plan(s) des travaux lorsqu'il en existe ;
une description suffisante des travaux, pour qu'il puisse être jugé de leurs incidences sur le lit mineur du cours d'eau et ses berges, tant sur la flore que la faune, sur les habitats naturels et les services écosystémiques ;
une information sur l'époque souhaitée de commencement des travaux ;
les date, heure et localisation de la visite de terrain, laquelle se tiendra en présence le cas échéant du demandeur, dans un délai d'au moins cinq jours ouvrables après la date d'envoi du dossier préparatoire.
§ 3. Le DNF délègue au maximum trois agents lors de la visite de terrain, à savoir l'agent du triage piscicole, l'agent du triage forestier et, le cas échéant, l'agent Natura 2000.
Le gestionnaire concerné ou le DNF rédige, sur place, le procès-verbal de la visite de terrain, lequel est signé par toutes les personnes présentes. Le gestionnaire concerné ou le DNF l'adresse dans les trois jours ouvrables en copie à chaque participant par voie électronique.
L'avis, dont le contenu est précisé à l'article R. 80, § 2, est envoyé dans les huit jours à dater de la visite de terrain. A défaut, l'avis est réputé favorable.
Dans le cas visé à l'article R. 79, § 1er, 1°, le gestionnaire décide du maintien ou non des travaux projetés, le cas échéant après proposition d'une solution alternative par l'instance consultée.
Au minimum deux jours ouvrables avant le début des travaux, une copie de la décision intervenue est adressée par voie électronique à l'instance consultée.]1

HOOFDSTUK V [1 - Politiemaatregelen]1
CHAPITRE V [1 - Mesures de police]1
Afdeling I. [1 - Politiemaatregelen van toepassing op niet beschermde waterlopen]1
Section Ire. [1 - Mesures de police applicables aux cours d'eau non classés]1
Art. R82. [1 § 1. Een overtreding van derde categorie in de zin van deel VIII van het decreetgevend deel van Boek I van het Milieuwetboek wordt begaan door:
de overtreder van artikel D. 72 tot en met R. 74;
degene die, zonder de vereiste vergunning, op een wijze die daarmee in strijd is of niet voldoet aan de gestelde voorwaarden, werken verricht of in stand houdt in de zomerbedding zoals bedoeld in artikel D. 76;
degene die, ofwel:
a) de zomerbedding of dijken van een onbevaarbare waterloop beschadigt of afzwakt;
b) de onbevaarbare waterloop belemmert of voorwerpen of materialen deponeert die door de stroom meegesleept kunnen worden op minder dan zes meter van de top van de oever of in gebieden met overstromingsgevaar en tot de vernietiging, beschadiging of verstopping van onbevaarbare waterlopen leidt;
c) de één meter brede strook land, landinwaarts gemeten vanaf de top van de oever van de onbevaarbare waterloop, op een andere wijze omploegt, egt, omspit of omwerkt.
d) de opstelling of plaats van peilschalen, peilnagels of enig ander markeringssysteem dat op verzoek van de beheerder van onbevaarbare waterlopen van de tweede categorie is aangebracht, verwijdert, onherkenbaar maakt of op enige wijze wijzigt;
e) hekken of andere voorzieningen over niet beschermde waterlopen plaatst die de normale stroming van het water kunnen belemmeren;
f) een vijver of reservoir ledigt in een niet beschermde waterloop zonder de instructies van de beheerder op te volgen of zonder te voldoen aan de voorwaarden van artikel R.89/4 ;
g) een permanente inlaat van oppervlaktewater of een lozing van oppervlaktewater of kunstmatige waterlopen in een niet beschermde waterloop installeert zonder de instructies van de beheerder op te volgen of zonder de voorwaarden van de artikelen R.84 en R.85 na te leven;
h) een seizoensgebonden onttrekking aan de openbare weg verricht of zonder de in artikel R.86 voorgeschreven aangifte, zonder zich te houden aan de instructies van de beheerder of zonder te voldoen aan de voorwaarden van artikel R.87 ;
i) op niet beschermde waterlopen, op welke wijze dan ook, behalve in het geval van handelingen en werken die verband houden met de installatie, aanleg, wijziging, vernieuwing, verplaatsing, verbouwing of uitbreiding van weg-, spoorweg-, luchthaven- of waterwegcommunicatie-infrastructuur, infrastructuur die toegang verschaft tot privé-eigendom met een breedte die strikt noodzakelijk is voor een dergelijke toegang, of telecommunicatie-, vloeistof- of energienetwerken dekt;
j) de in artikel R. 89/2 bedoelde handelingen en werken verricht zonder de vereiste vergunning, op een wijze die niet in overeenstemming is met de vergunning of zonder te voldoen aan de vastgestelde voorwaarden ;
k) de toestanden veroorzaakt ten gevolge van de handelingen bedoeld in punt 3° laat voortbestaan;
de gebruiker of de eigenaar van een op een onbevaarbare waterloop gevestigd kunstwerk die er niet voor zorgt dat dat kunstwerk werkt overeenkomstig de voorschriften van de beheerder en, hoe dan ook, op zodanige wijze dat het water in de waterloop een minimumniveau bereikt, een maximumniveau niet overschrijdt of zich tussen een minimumniveau en een maximumniveau bevindt, aangegeven d.m.v. de peilnagel of elk ander positiebepalend systeem aangebracht overeenkomstig de onderrichtingen van de beheerder, en die zich, in noodgeval, niet houdt aan de bevelen van de beheerder van de waterloop;
§ 2. Hij die de bevelen van de beheerder van niet-bevaarbare waterlopen van de tweede categorie niet naleeft, in het bijzonder door niet op eigen kosten in de bedding van de onbevaarbare waterloop peilschalen of peilnagels of enig ander identificatiesysteem te plaatsen of door de plaats of de inrichting van bestaande peilschalen of peilnagels of identificatiesystemen te wijzigen, begaat een overtreding van de vierde categorie in de zin van deel VIII van het decreetgevend deel van Boek 1 van het Milieuwetwetboek.]1

Art. R82. [1 § 1er. Commet une infraction de troisième catégorie au sens de la partie VIII de la partie décrétale du Livre 1er du Code de l'Environnement :
celui qui contrevient aux articles R. 72 à R. 74 ;
celui qui, sans l'autorisation requise, d'une façon non conforme à celle-ci ou sans respecter les conditions fixées, effectue ou maintient des travaux dans le lit mineur tels que visés à l'article R. 76 ;
celui qui, soit :
a) dégrade ou affaiblit le lit mineur ou les digues d'un cours d'eau non classé ;
b) obstrue le cours d'eau non classé ou dépose à moins de six mètres de la crête de berge ou dans des zones soumises à l'aléa d'inondation des objets ou des matières pouvant être entrainés par les flots et causer la destruction, la dégradation ou l'obstruction des cours d'eau non classés ;
c) laboure, herse, bêche ou ameublit d'une autre manière la bande de terre d'une largeur d'un mètre, mesurée à partir de la crête de la berge du cours d'eau non classé vers l'intérieur des terres ;
d) enlève, rend méconnaissable ou modifie quoi que ce soit à la disposition ou à l'emplacement des échelles de niveau, des clous de jauge ou de tout autre système de repérage mis en place à la requête du gestionnaire des cours d'eau non navigables de deuxième catégorie ;
e) pose en travers des cours d'eau non classés des clôtures ou d'autres dispositifs susceptibles d'entraver l'écoulement normal des eaux ;
f) procède à la vidange d'un étang ou d'un réservoir dans un cours d'eau non classé sans se conformer aux instructions du gestionnaire ou sans respecter les conditions fixées à l'article R.89/4 ;
g) installe une prise d'eau permanente de surface ou un rejet d'eau de surface ou de voies artificielles d'écoulement dans un cours d'eau non classé sans se conformer aux instructions du gestionnaire ou sans respecter les conditions fixées aux article R.84 et R.85 ;
h) procède à un prélèvement saisonnier à partir de la voie publique ou sans la déclaration requise en vertu de l'article R.86, sans se conformer aux instructions du gestionnaire ou sans respecter les conditions fixées à l'article R.87 ;
i) couvre de quelque manière que ce soit les cours d'eau non classés sauf s'il s'agit d'actes et travaux concernant l'installation, la construction, la modification, le renouvellement, le déplacement, la transformation ou l'extension d'infrastructures de communications routières, ferroviaires, aéroportuaires ou fluviales, d'infrastructures donnant accès à une propriété privée d'une largeur strictement nécessaire à cet accès, ou de réseaux de télécommunication, de fluide ou d'énergie ;
j) procède à des actes et travaux visés à l'article R. 89/2 sans l'autorisation requise, d'une façon non conforme à celle-ci ou sans respecter les conditions fixées ;
k) laisse subsister les situations créées à la suite des actes visés au 3° ;
l'usager ou le propriétaire d'un ouvrage établi sur un cours d'eau non classé qui ne s'assure pas que cet ouvrage fonctionne en conformité aux instructions qui lui sont données par le gestionnaire et, en tout état de cause, d'une manière telle que les eaux dans le cours d'eau atteignent un niveau minimal, ne dépassent pas un niveau maximal ou se situent entre un niveau minimal et un niveau maximal indiqués par le clou de jauge ou de tout autre système de repérage placé conformément aux instructions du gestionnaire.
§ 2. Commet une infraction de quatrième catégorie au sens de la partie VIII de la partie décrétale du Livre 1er du Code de l'Environnement, celui qui néglige de se conformer aux injonctions du gestionnaire des cours d'eau non navigables de deuxième catégorie, notamment en ne plaçant pas à ses frais, dans le lit du cours d'eau non classé, des échelles de niveau ou des clous de jauge ou tout autre système de repérage ou en modifiant l'emplacement ou la disposition des échelles ou des clous ou des systèmes de repérage existants.]1

Afdeling II. [1 - Politiemaatregelen voor onbevaarbare waterlopen en niet beschermde waterlopen.]1
Section II. [1 - Mesures de police communes aux cours d'eau non navigables et aux cours d'eau non classés]1
Art. R83. [1 § 1. De in artikel D. 35 bedoelde beheerders mogen debietmetingen uitvoeren op alle onbevaarbare waterlopen en niet beschermde waterlopen. Ze kunnen gebruikers of eigenaars van werken ook verplichten om op eigen kosten vaste of tijdelijke peilschalen of peilnagels of enig ander markeringssysteem in de bedding van deze waterlopen te plaatsen, of om de locatie of lay-out van bestaande peilschalen, peilnagels of markeringssystemen te wijzigen.
Het maximale waterdebiet dat kan worden onttrokken aan of geloosd in een onbevaarbare of niet beschermde waterloop wordt vastgesteld door de beheerders.
Gebruikers of eigenaars van installaties op onbevaarbare en niet beschermde waterlopen zijn verplicht om de bevelen van de beheerders op te volgen:
om alle vereiste manoeuvres uit te voeren, in het bijzonder het openen of sluiten van kleppen en poorten;
om de onttrekking(en) of lozing(en) van water te verminderen of tijdelijk op te schorten in periodes waarin de toestand van de watervoorraden en het aquatische milieu kwetsbaar is.
§ 2. Gebruikers en eigenaars van werken aan onbevaarbare of niet beschermde waterlopen moeten er ook voor zorgen dat deze installaties werken in overeenstemming met de instructies die hen door de beheerders zijn gegeven, en in ieder geval op zo'n manier dat het water in de waterloop een minimumpeil bereikt, een maximumpeil niet overschrijdt of zich tussen een minimumpeil en een maximumpeil bevindt dat wordt aangegeven door de peilbuis of door een ander markeringssysteem dat in overeenstemming met de instructies van de beheerder is geplaatst.]1

Art. R83. [1 § 1er. Les gestionnaires visés à l'article D. 35 peuvent effectuer des mesures de débit sur tous les cours d'eau non navigables et les cours d'eau non classés. Ils peuvent également obliger les usagers ou les propriétaires d'ouvrages de placer, à leur frais, des échelles de niveau ou des clous de jauge ou tout autre système de repérage fixes ou temporaires dans le lit de ces cours d'eau, ou de modifier l'emplacement ou la disposition des échelles, des clous ou des systèmes de repérage existants.
Le débit d'eau maximum pouvant être prélevé ou déversé dans un cours d'eau non navigable ou non classé est fixé par les gestionnaires.
Les usagers ou les propriétaires d'ouvrages établis sur les cours d'eau non navigables et non classés sont tenus d'obtempérer aux injonctions qui leur sont données par les gestionnaires :
pour effectuer toute manoeuvre nécessaire, notamment l'ouverture ou la fermeture des vannes et vantaux ;
pour réduire ou suspendre temporairement le ou les prélèvement(s) ou rejet(s) d'eau pendant les périodes sensibles pour l'état des ressources en eau et des milieux aquatiques.
§ 2. Les usagers et les propriétaires d'ouvrages sur les cours d'eau non navigables ou non classés sont également tenus de veiller à ce que ces ouvrages fonctionnent en conformité des instructions qui leur sont données par les gestionnaires, et en tout état de cause, d'une manière telle que les eaux dans le cours d'eau atteignent un niveau minimal, ne dépassent pas un niveau maximal ou se situent entre un niveau minimal et un niveau maximal indiqués par le clou de jauge ou par tout autre système de repérage placé conformément aux instructions du gestionnaire.]1

Art. R84. [1 Wanneer water wordt geloosd in een onbevaarbare waterloop of een niet beschermde waterloop, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
alle nodige maatregelen worden genomen om het terugvloeien van water naar oevergebieden te voorkomen en om te verhinderen dat de bedding van de waterloop wordt verstopt en dichtgeslibd;
de voorkant van de watervrijlatingsconstructies mag niet buiten de taludhelling uitsteken;
het lozen is gericht in de stroomrichting van de waterloop onder een hoek van niet minder dan vijfendertig graden en niet meer dan negentig graden ten opzichte van de oever waarop het lozen zich bevindt;
de lozingsstructuur mag in geen geval de natuurlijke stroming van de waterloop verstoren;
Als de situatie het vereist, moet de oever van de waterloop gestabiliseerd worden op het punt waar het water wordt geloosd, volgens de instructies van de beheerder;
Als de situatie het vereist en volgens de instructies van de beheerder worden de oevers beschermd met metselwerk, beton, golfbrekers of andere middelen, met inbegrip van technieken voor oeverstabilisatie op basis van planten.]1

Art. R84. [1 En cas d'installation d'un rejet d'eau dans un cours d'eau non navigable ou dans un cours d'eau non classé, les conditions suivantes sont d'application :
toutes les dispositions nécessaires sont prises pour éviter le refoulement des eaux vers les propriétés riveraines et pour éviter l'obstruction et l'affouillement du lit du cours d'eau ;
les faces avant des ouvrages de remise d'eau sont réalisées sans faire saillie par rapport à l'inclinaison de la berge ;
le rejet est dirigé dans le sens du courant du cours d'eau suivant un angle de minimum trente-cinq degré et de maximum nonante degrés par rapport à la berge d'appui sur laquelle se situe le rejet ;
en aucun cas, l'ouvrage de rejet ne peut perturber l'écoulement naturel du cours d'eau ;
Si la situation le nécessite, la berge du cours d'eau doit être stabilisée au droit de la remise d'eau selon les indications du gestionnaire ;
Si la situation le nécessite et selon les indications du gestionnaire, les berges seront protégées à l'aide d'un ouvrage en maçonnerie, en béton, à l'aide d'enrochements ou de tout autre moyen en ce comprises les techniques végétales de stabilisation de berge.]1

Art. R85. [1 In het geval van een permanente inlaatinstallatie van oppervlaktewater, niet geschikt om te drinken en niet bestemd voor menselijke consumptie, in een onbevaarbare waterloop of in een niet beschermde waterloop, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
het is verboden een dam op te werpen over een waterloop;
de voorkant van de inlaatinstallaties mag niet buiten de taludhelling uitsteken;
Als de situatie het vereist, moet de oever van de waterloop gestabiliseerd worden op het punt waar het water wordt geloosd, volgens de instructies van de beheerder;
Als de situatie het vereist en volgens de instructies van de beheerder worden de oevers beschermd met metselwerk, beton, golfbrekers of andere middelen, met inbegrip van technieken voor oeverstabilisatie op basis van planten.
bij de waterinname wordt een adequaat stroomregelsysteem geïnstalleerd om ervoor te zorgen dat het instroomdebiet altijd beschikbaar is voor de waterloop.]1

Art. R85. [1 En cas d'installation d'une prise d'eau permanente de surface, non potabilisable et non destinée à la consommation humaine, dans un cours d'eau non navigable ou dans un cours d'eau non classé, les conditions suivantes sont d'application :
la création d'un barrage en travers du cours d'eau est interdite ;
les faces avant des ouvrages de prise d'eau sont réalisées sans faire saillie par rapport à l'inclinaison de la berge ;
Si la situation le nécessite, la berge du cours d'eau doit être stabilisée au droit de la remise d'eau selon les indications du gestionnaire ;
Si la situation le nécessite et selon les indications du gestionnaire, les berges seront protégées à l'aide d'un ouvrage en maçonnerie, en béton, à l'aide d'enrochements ou de tout autre moyen en ce comprises les techniques végétales de stabilisation de berge
un système adéquat de régulation du débit de la prise d'eau est installé pour assurer la disponibilité permanente du débit réservé au cours d'eau.]1

Art. R86. [1 § 1 Onverminderd artikel 3.130 van het Burgerlijk Wetboek mogen werken, ondernemingen en activiteiten uitgevoerd door een natuurlijke of rechtspersoon, publiek of privaat, die betrekking hebben op de seizoensgebonden onttrekking van water aan onbevaarbare of niet beschermde waterlopen, al dan niet hersteld, alleen worden uitgevoerd krachtens een oeverrecht en na het voorwerp te hebben uitgemaakt van een voorafgaande aangifte.
Er is echter geen voorafgaande aangifte vereist voor onttrekkingen door een natuurlijke of rechtspersoon, publiek of privaat, met oeverrechten, voor huishoudelijke doeleinden, of voor het drenken van vee door middel van een apparaat dat is geplaatst in een weide die wordt doorkruist of begrensd door een waterloop en waarmee vee kan worden gedrenkt zonder dat vee toegang heeft tot de waterloop, zoals een snuitpomp, trog of vijver, ongeacht hoe ze worden gevoederd. Behoeften zoals het vullen van zwembaden en siervijvers, het schoonmaken van voertuigen en het besproeien van gazons worden niet als huishoudelijke behoeften beschouwd.
Onttrekkingen die zijn vrijgesteld van voorafgaande aangifte overeenkomstig lid 2 moeten niettemin voldoen aan de voorwaarden opgelegd door artikel R.87, § 3, of door de waterloopbeheerder.
§ 2. Het is verboden om vanaf de openbare weg seizoensgebonden water te halen uit een onbevaarbare of niet beschermde waterloop.
§ 3. De aangifte moet per aangetekende post of op een andere manier die een zekere datum oplevert, worden verzonden of tegen ontvangstbewijs worden afgegeven aan de bevoegde beheerder naargelang de categorie van de onbevaarbare waterloop waar het project zich bevindt, of aan de beheerder die verantwoordelijk is voor de onbevaarbare waterlopen van de tweede categorie in het geval van een niet beschermde waterloop.
Er moeten twee exemplaren van de aangifte worden gemaakt met behulp van het formulier dat is vastgesteld door de minister die verantwoordelijk is voor onbevaarbare waterlopen.
De aangifte is onontvankelijk als zij in strijd met lid 3 is verzonden of afgeleverd of als de krachtens lid 4 vereiste gegevens of documenten ontbreken.
§ 4. Als de aangifte niet-ontvankelijk is, stuurt de beheerder de aangever binnen vijftien dagen na ontvangst van de aangifte een kopie van de aangifte met de vermelding "niet-ontvankelijk", samen met een kopie van de gemotiveerde beslissing die de niet-ontvankelijkheid van de aangifte rechtvaardigt.
§ 5. Als de aangifte ontvankelijk is, stuurt de beheerder een kopie van de aangifte naar het departement Natuur en Bos van de Waalse Overheidsdienst, Landbouw, Natuurlijke hulpbronnen en Leefmilieu of naar elke instantie die hij nuttig acht om te raadplegen, voor een advies over het eventueel opleggen van bijkomende uitvoeringsvoorwaarden. Op verzoek van de beheerder of een van de bovengenoemde departementen kan vooraf een gezamenlijk bezoek ter plaatse worden georganiseerd. De instanties sturen hun advies binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen van de datum van aanhangigmaking. Bij ontstentenis wordt het advies geacht gunstig te zijn.
Binnen zestig dagen na de datum van ontvangst van de aangifte stuurt de beheerder de aangever een kopie van de aangifte, gemerkt "geregistreerd".
Waar nodig zal de beheerder de aangever informeren dat aanvullende uitvoeringsvoorwaarden vereist zijn. In dat geval stuurt zij de aangever de in lid 2 bedoelde kopie, waaraan zij een kopie van de aanvullende uitvoeringsvoorwaarden toevoegt.
Indien de aangifte niet binnen de termijn bedoeld in het lid 2 wordt verzonden, wordt zij zonder aanvullende voorwaarden ontvankelijk geacht.
§ 6. Om de 6 jaar is een nieuwe aangifte vereist.]1

Art. R86. [1 § 1er.Sans préjudice de l'article 3.130 du Code civil, les ouvrages, travaux et activités réalisés par toute personne physique ou morale, publique ou privée et entraînant des prélèvements saisonniers d'eau dans les cours d'eau non navigables ou non classés, restitués ou non, ne peuvent être exécutés qu'en vertu d'un droit de riveraineté et après avoir fait l'objet d'une déclaration préalable.
Ne sont néanmoins pas soumis à déclaration préalable, les prélèvements réalisés par toute personne physique ou morale, publique ou privée, disposant d'un droit de riveraineté, pour des besoins domestiques, ou pour l'abreuvement du bétail au moyen de tout dispositif placé dans une prairie traversée ou bordée d'un cours d'eau et permettant l'abreuvement du bétail sans accès du bétail au cours d'eau, tel que pompe à museau, bac ou mare quel que soit leur mode d'alimentation. Les besoins tels le remplissage de piscines et d'étangs d'agrément, le nettoyage de véhicules et l'arrosage de pelouses ne sont pas considérés comme besoins domestiques.
Les prélèvements exonérés de déclaration préalable en vertu de l'alinéa 2 devront néanmoins respecter les conditions imposées par l'article R.87, § 3, ou par le gestionnaire du cours d'eau.
§ 2. Il est interdit de procéder à un prélèvement saisonnier d'eau dans un cours d'eau non navigable ou non classé à partir de la voie publique.
§ 3. La déclaration est envoyée par recommandé ou par tout envoi conférant date certaine ou remise contre récépissé au gestionnaire concerné en fonction de la catégorie du cours d'eau non navigable où est situé le projet, ou au gestionnaire en charge des cours d'eau non navigables de deuxième catégorie s'il s'agit d'un cours d'eau non classé.
La déclaration est établie en deux exemplaires au moyen du formulaire arrêté par le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions.
La déclaration est irrecevable si elle a été envoyée ou remise en violation de l'alinéa 3 ou s'il manque des renseignements ou des documents requis en vertu de l'alinéa 4.
§ 4. Si la déclaration est irrecevable, le gestionnaire transmet au déclarant, dans les quinze jours à compter de la date de réception de la déclaration, un exemplaire de la déclaration sur lequel est ajoutée la mention " non recevable ", auquel il joint une copie de la décision motivée justifiant l'irrecevabilité de la déclaration.
§ 5. Si la déclaration est recevable, le gestionnaire transmet un exemplaire de la déclaration au Département de l'Environnement et de l'Eau et au Département de la Nature et des Forêts du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, pour avis sur l'éventuelle imposition de conditions complémentaires d'exécution. Une visite préalable de terrain en commun peut être organisée à la demande du gestionnaire ou d'un des départements précités. Les instances envoient leur avis motivé dans les quinze jours à dater de leur saisine. A défaut, l'avis est réputé favorable.
Le gestionnaire transmet au déclarant, dans un délai de soixante jours à compter de la date de réception de la déclaration, un exemplaire de la déclaration sur lequel est ajoutée la mention " enregistrée ".
Le cas échéant, le gestionnaire indique au déclarant que des conditions complémentaires d'exécution sont requises. Dans ce cas, il transmet au déclarant l'exemplaire visé à l'alinéa 2, auquel il joint un exemplaire des conditions complémentaires d'exécution.
A défaut d'envoi dans le délai visé à l'alinéa 2, la déclaration est réputée recevable sans conditions complémentaires.
§ 6. Une nouvelle déclaration est requise tous les 6 ans.]1

Art. R87. [1 § 1. Bij het uitvoeren van een seizoensgebonden onttrekking als bedoeld in artikel R. 86 moet de aangever zich houden aan de bepalingen en debiet- en/of volumewaarden en de onttrekkingsperioden die in zijn aangifte en in eventuele aanvullende uitvoeringsvoorwaarden van de beheerder zijn opgenomen. Onverminderd artikel D. 33/12 kan de betrokken beheerder, als aanvullende uitvoeringsvoorwaarden, de periode(n) van onttrekking specificeren en, indien nodig, verschillende onttrekkingspercentages vaststellen, met name afhankelijk van de tijd van het jaar of de beschikbare middelen.
§ 2. Elke onttrekkingsstructuur en -installatie is uitgerust met geschikte middelen om het onttrokken volume te meten. Wanneer water wordt onttrokken door het uit de waterloop te pompen, moet de pompinstallatie worden uitgerust met een volumemeter. De keuze van de meter en de omstandigheden waarin hij wordt geïnstalleerd, moeten ervoor zorgen dat de gemeten volumes nauwkeurig zijn. Volumetrische meters met een resetsysteem zijn verboden.
De meetinstrumenten voor het onttrokken volume moeten regelmatig worden onderhouden, gecontroleerd en, indien nodig, vervangen, zodat ze te allen tijde betrouwbare informatie leveren.
De aangever moet de volgende informatie over de werking van de seizoensgebonden wateronttrekkingsfaciliteit vastleggen in een register of notitieboekje:
de aflezing van de volumetrische meterindex aan het begin en einde van elke bemonsteringscampagne;
incidenten die zich hebben voorgedaan op het niveau van de verrichting en, in voorkomend geval, op het niveau van de meting van de opgenomen volumes;
onderhoud, inspectie en vervanging van meetapparatuur.
De betrokken beheerder kan, als aanvullende uitvoeringsvoorwaarden, specifieke registratieprocedures vaststellen en de registratiefrequentie verhogen tijdens perioden die gevoelig zijn voor de toestand van de watervoorraden en het aquatische milieu.
§ 3. De locatie van onttrekkingswerken en -installaties wordt zo gekozen dat overexploitatie of aanzienlijke aantasting van de waterloop, inclusief de oevers, wordt voorkomen. Wateronttrekkingswerken en -installaties moeten zo worden ontworpen dat waterverspilling wordt voorkomen.
De aangever controleert regelmatig de seizoensbemonsteringen door middel van pompen of een ander proces. Het zorgt ervoor dat de werken en installaties die voor de onttrekking worden gebruikt, regelmatig zodanig worden onderhouden dat de bescherming van de waterloop gegarandeerd is.
De aangever moet ook alle nodige maatregelen nemen, in het bijzonder door geen brandstoffen en andere producten op het winningsgebied op te slaan die de kwaliteit van het water dat uit het pompsysteem komt, zouden kunnen wijzigen, om elk risico van waterverontreiniging te voorkomen. De betrokken manager kan als aanvullende uitvoeringsvoorwaarden het volgende opleggen:
de installatie van een zeef ter hoogte van de onttrekkingsleiding, waarvan het de kenmerken bepaalt ;
een maximale pompcapaciteit, uitgedrukt in debiet per uur, afhankelijk van de waterloop waaruit het water wordt gehaald.
§ 4. Elk incident of ongeval dat de waterkwaliteit of het kwantitatieve beheer negatief heeft beïnvloed of waarschijnlijk negatief zal beïnvloeden en de eerste maatregelen die zijn genomen om de situatie te verhelpen, moeten zo snel mogelijk door de melder worden gemeld aan de beheerder aan wie de melding is doorgegeven en aan de afdeling Politie en Controles van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu.
Onverminderd de maatregelen die door de beheerder kunnen worden voorgeschreven, moet de aangever alle passende maatregelen nemen of laten nemen om een einde te maken aan de oorzaak van het incident of het ongeval dat het aquatische milieu heeft aangetast, om de gevolgen ervan te evalueren en om het te verhelpen.
§ 5. Binnen een maand na afloop van elke seizoenbemonsteringscampagne zendt de aangever de betrokken beheerder een samenvatting van het in paragraaf 2 bedoelde register of notitieboekje toe, met vermelding van :
de waarden van de dagelijks en/of over de bemonsteringsperiode opgenomen volumes;
bij bemonstering door pompen, de aflezing van de volumetrische meterindex op het einde van de bemonsteringscampagne;
eventuele bedrijfsincidenten die van invloed kunnen zijn geweest op de watervoorraden en de maatregelen die zijn genomen om deze te verhelpen.]1

Art. R87. [1 § 1er. Lors de la réalisation d'un prélèvement saisonnier tel que visé à l'article R. 86, le déclarant est tenu de respecter les dispositions et valeurs de débit et/ou de volume, ainsi que les périodes de prélèvement figurant dans sa déclaration et dans les éventuelles conditions complémentaires d'exécution imposées par le gestionnaire. Sans préjudice de l'article D. 33/12, le gestionnaire concerné peut, à titre de conditions complémentaires d'exécution, préciser la ou les périodes de prélèvement et fixer, si nécessaire, plusieurs débits de prélèvements, notamment en fonction des périodes de l'année ou des ressources disponibles.
§ 2. Chaque ouvrage et installation de prélèvement est équipé de moyens de mesure appropriés du volume prélevé. Lorsque le prélèvement d'eau est effectué par pompage dans le cours d'eau, l'installation de pompage doit être équipée d'un compteur volumétrique. Le choix et les conditions de montage du compteur doivent permettre de garantir la précision des volumes mesurés. Les compteurs volumétriques équipés d'un système de remise à zéro sont interdits.
Les moyens de mesure du volume prélevé doivent être régulièrement entretenus, contrôlés et, si nécessaire, remplacés, de façon à fournir en permanence une information fiable.
Le déclarant consigne sur un registre ou cahier, les éléments suivants du suivi de l'exploitation de l'ouvrage ou de l'installation de prélèvement saisonnier :
le relevé de l'index du compteur volumétrique au début et à la fin de chaque campagne de prélèvement ;
les incidents survenus au niveau de l'exploitation et, selon le cas, au niveau de la mesure des volumes prélevés ;
les entretiens, contrôles et remplacements des moyens de mesure.
Le gestionnaire concerné peut, à titre de conditions complémentaires d'exécution, fixer des modalités d'enregistrement particulières ainsi qu'une augmentation de la fréquence d'enregistrement, pendant les périodes sensibles pour l'état de la ressource en eau et des milieux aquatiques.
§ 3. Le site d'implantation des ouvrages et installations de prélèvement est choisi en vue de prévenir toute surexploitation ou dégradation significative du cours d'eau, y compris ses berges. Les ouvrages et installations de prélèvement d'eau doivent être conçus de façon à éviter le gaspillage d'eau.
Le déclarant surveille régulièrement les opérations de prélèvement saisonnier par pompage ou tout autre procédé. Il s'assure de l'entretien régulier des ouvrages et installations utilisés pour les prélèvements de manière à garantir la protection du cours d'eau.
Le déclarant prend également toutes les dispositions nécessaires, notamment par l'absence de stockage sur le site de prélèvement des carburants et autres produits susceptibles d'altérer la qualité des eaux issues du système de pompage, en vue de prévenir tout risque de pollution des eaux. Le gestionnaire concerné peut, à titre de conditions complémentaires d'exécution, imposer :
l'installation d'une crépine au niveau du tuyau de prélèvement, dont il détermine les caractéristiques ;
une puissance maximale de la pompe, exprimée en débit par heure, en fonction du cours d'eau dans lequel est opéré le prélèvement.
§ 4. Tout incident ou accident ayant porté ou susceptible de porter atteinte à la qualité des eaux ou à leur gestion quantitative et les premières mesures prises pour y remédier sont déclarés au gestionnaire à qui a été adressée la déclaration et au Département de la Police et des Contrôles du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement par le déclarant dans les meilleurs délais.
Sans préjudice des mesures que peut prescrire le gestionnaire, le déclarant doit prendre ou faire prendre toutes mesures utiles pour mettre fin à la cause de l'incident ou l'accident portant atteinte au milieu aquatique, pour évaluer ses conséquences et y remédier.
§ 5. Le déclarant communique au gestionnaire concerné dans le mois suivant la fin de chaque campagne de prélèvement saisonnier, une synthèse du registre ou cahier visé au paragraphe 2, indiquant :
les valeurs des volumes prélevés quotidiennement et/ou sur la campagne de prélèvement ;
pour les prélèvements par pompage, le relevé de l'index du compteur volumétrique, en fin de campagne de prélèvement ;
les incidents d'exploitation rencontrés ayant pu porter atteinte à la ressource en eau et les mesures mises en oeuvre pour y remédier.]1

Art. R88. [1 De territoriaal bevoegde Directie van het Departement Natuur en Bossen kan de personen onderworpen aan de verplichting waarvan sprake in artikel 16bis van dit boek een afwijking ervan toestaan voor de gronden die als biodiversiteitsvriendelijk zeer extensief weideland gebruikt worden.]1
Art. R88. [1 La Direction territorialement compétente du Département de la Nature et des Forêts peut accorder aux personnes soumises à l'obligation prévue à l'article D. 42/1 du présent livre une dérogation à celle-ci pour les terres faisant l'objet d'un pâturage très extensif favorable à la biodiversité.]1
Art. R89 /1. [1 Het is verboden om onbevaarbare waterlopen en niet beschermde waterlopen op welke manier dan ook te bedekken, behalve in het geval van de volgende handelingen en werken, onderworpen aan een vergunning krachtens artikel D. 40 of R. 76, betreffende de installatie, bouw, verbouwing, vernieuwing, verplaatsing, verbouwing of uitbreiding :
van de weg-, spoor-, luchthaven- of waterwegen-infrastructuur;
van de infrastructuur voor overstromingsrisicobeheersing of -beheer;
van de infrastructuur die toegang geeft tot een stuk grond of privé-eigendom, met een breedte die strikt noodzakelijk is voor deze toegang;
van de telecommunicatie-, vloeistof- of energienetwerken.]1

Art. R89 /1. [1 Il est interdit de couvrir de quelque manière que ce soit les cours d'eau non navigables et les cours d'eau non classés, sauf s'il s'agit des actes et travaux suivants, moyennant autorisation en vertu de l'article D. 40 ou R. 76, concernant l'installation, la construction, la modification, le renouvellement, le déplacement, la transformation ou l'extension :
d'infrastructures de communications routières, ferroviaires, aéroportuaires ou fluviales ;
d'infrastructures de lutte ou de gestion des risques d'inondations ;
d'infrastructures donnant accès à une parcelle ou une propriété privée, d'une largeur strictement nécessaire à cet accès ;
de réseaux de télécommunication, de fluide ou d'énergie.]1

Art. R89 /2. [1 § 1. Binnen een afstand van zes meter van de oever van een onbevaarbare of niet beschermde waterloop is het verboden om zonder voorafgaande toestemming van de beheerder te bouwen, vaste of mobiele installaties te plaatsen, een bestaande constructie te verbouwen, om te vormen, producten, uitrustingen of materialen van welke aard ook te deponeren of het reliëf van de bodem ingrijpend te wijzigen. De minister die verantwoordelijk is voor onbevaarbare waterlopen kan een lijst opstellen van constructies en installaties die zijn vrijgesteld van deze vergunning.
§ 2. De aanvraag voor een vergunning bedoeld in paragraaf 1 wordt in tweevoud opgesteld met gebruikmaking van het formulier dat is vastgesteld door de Minister die verantwoordelijk is voor onbevaarbare waterlopen. Afhankelijk van de categorie waterlopen waarin het project zich bevindt, en zonder afbreuk te doen aan elektronische indiening, wordt de aanvraag per aangetekende post of op een andere manier die een zekere datum oplevert, of tegen ontvangstbewijs verzonden naar de betrokken beheerder.
De beheerder kan de overlegging verlangen van aanvullende documenten die hij noodzakelijk acht voor het onderzoek van de aanvraag. De beslissing bepaalt dat de procedure opnieuw begint te lopen te rekenen vanaf ontvangst ervan.
§ 3. De beheerder stuurt zijn beslissing aan de aanvrager, alsook aan elke geraadpleegde instantie binnen honderdtwintig dagen vanaf de eerste dag na ontvangst van de aanvraag of de aanvullingen. Anders wordt het geacht te zijn geweigerd.]1

Art. R89 /2. [1 § 1er. A moins de six mètres de la crête de berge d'un cours d'eau non navigable ou non classé, il est interdit de construire, placer des installations fixes ou mobiles, de reconstruire, transformer une construction existante, réaliser un dépôt de quelques produits, matériels ou matériaux que ce soit ou modifier sensiblement le relief du sol, sans l'autorisation préalable du gestionnaire. Le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions peut établir la liste des constructions et installations dispensées de cette autorisation.
§ 2. La demande d'autorisation visée au paragraphe 1er est établie en deux exemplaires au moyen du formulaire arrêté par le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions. En fonction de la catégorie du cours d'eau où est situé le projet, et sans préjudice de l'envoi par voie électronique, la demande est envoyée au gestionnaire concerné par recommandé ou par tout envoi conférant date certaine ou remise contre récépissé.
Le gestionnaire peut exiger la production de documents complémentaires qu'il juge nécessaire à l'instruction de la demande. Dans ce cas, la procédure recommence à dater de leur réception.
§ 3. Le gestionnaire notifie sa décision au demandeur dans les cent vingt jours à partir du premier jour suivant la réception de la demande ou ses compléments. A défaut, elle est censée être refusée.]1

Art. R89 /3. [1 § 1. Tegen de beslissingen genomen krachtens de artikelen R. 83, § 1, R. 86, § 2, en R. 89/2, § 3, kan beroep worden ingesteld binnen een termijn van twintig dagen vanaf de kennisgeving ervan of vanaf de bekendmaking van de beslissing langs administratieve weg.
Op straffe van niet-ontvankelijkheid en onverminderd de mogelijkheid tot indiening langs elektronische weg, moet het in lid 1 bedoelde beroep worden toegezonden aan de Minister bevoegd voor onbevaarbare waterlopen, op het adres van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, natuurlijke hulpbronnen en Leefmilieu, per aangetekend schrijven of op een andere wijze die een zekere datum oplevert, met gebruikmaking van het door de Minister bevoegd voor onbevaarbare waterlopen vastgestelde formulier.
§ 2. Als het advies van een specifieke instantie is gevraagd als onderdeel van de procedure in eerste aanleg, legt de beroepsinstantie het dossier voor advies voor aan deze instantie. Als deze instantie niet binnen dertig dagen na de datum van aanhangigmaking advies uitbrengt, wordt de zaak buiten beschouwing gelaten.
§ 3. De Minister bevoegd voor onbevaarbare waterlopen of zijn afgevaardigde deelt zijn beslissing aan de aanvrager mee binnen honderdtwintig dagen, te rekenen vanaf de eerste dag die volgt op de ontvangst van het beroepschrift of, in geval van meerdere beroepen, te rekenen vanaf de eerste dag die volgt op de ontvangst van het laatste beroepschrift.
Tegelijk met de verzending van de beslissing aan de aanvrager per aangetekende brief of op een andere wijze die een zekere datum oplevert, stuurt de Minister bevoegd voor onbevaarbare waterlopen of zijn afgevaardigde ook een kopie van zijn beslissing:
aan de betrokken beheerder;
aan de instanties die binnen de voorgeschreven termijn een advies hebben uitgebracht;
Als de beslissing niet binnen de in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt verstuurd, wordt de in eerste instantie genomen beslissing bevestigd.]1

Art. R89 /3. [1 § 1er.Un recours peut être exercé contre les décisions prises en vertu des articles R. 83, § 1er, R. 86, § 2, et R. 89/2, § 3, dans les vingt jours à partir de la notification qui leur en est faite ou à partir de la publication de la décision par la voie administrative.
Sous peine d'irrecevabilité, et sans préjudice de l'envoi par voie électronique, le recours prévu à l'alinéa 1er est adressé au Ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions, à l'adresse du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement par recommandé ou par toute autre modalité conférant date certaine, au moyen du formulaire arrêté par le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions.
§ 2. Si l'avis d'une instance particulière a été requis dans le cadre de la procédure de première instance, l'autorité de recours lui soumet le dossier pour avis. A défaut pour cette instance d'envoyer son avis dans un délai de trente jours à dater de sa saisine, il est passé outre.
§ 3. Le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions ou son délégué envoie sa décision au requérant dans les cent vingt jours, qui courent à dater du premier jour suivant la réception du recours, ou en cas de pluralité de recours, à dater du premier jour suivant la réception du dernier recours.
Simultanément à l'envoi de la décision au requérant par recommandé ou par tout envoi conférant date certaine, le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions ou son délégué envoie également une copie de sa décision :
au gestionnaire concerné ;
aux instances qui ont émis un avis dans le délai imparti au cours de la procédure.
A défaut d'envoi de la décision dans le délai visé à l'alinéa 1er, la décision prise en première instance est confirmée.]1

Art. R89 /4. [1 Het legen van vijvers en reservoirs is verboden van 1 december tot en met 31 augustus, tenzij de persoon die verantwoordelijk is voor het legen aantoont dat aan de volgende voorwaarden is voldaan:
De lozing bedraagt niet meer dan een derde van het debiet van de ontvangende waterloop;
Het temperatuurverschil tussen het water van de ontvangende waterloop en het lozingswater bedraagt maximaal 5° C ;
Het verschil in troebelheid tussen het geloosde drainwater en het water aan de ingang van de vijvers en reservoirs bedraagt niet meer dan 70 NTU, gemiddeld over een half uur;
de verzadigingsgraad van opgeloste zuurstof in het geloosde afvalwater gemiddeld over een half uur hoger blijft dan 50%; als de verzadigingsgraad van opgeloste zuurstof in het inlaatwater van de vijvers en reservoirs lager is dan 50%, kan dit worden aanvaard als grenswaarde voor het geloosde afvalwater.
Wanneer een vijver of reservoir zal worden geleegd of (opnieuw) zal worden geblokkeerd, moeten de territoriaal bevoegde externe directie van het departement Natuur en Bos en de beheerder van de betrokken waterloop ten minste twintig dagen vóór de datum waarop de vijver of het reservoir zal worden geleegd of (opnieuw) zal worden geblokkeerd, daarvan in kennis worden gesteld.
Behalve in het geval van een naar behoren toegestane dam mag de onttrekking van water aan een waterloop voor het vullen van vijvers of reservoirs niet meer bedragen dan een derde van het momentane debiet van de waterloop.
De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op productievijvers die worden beheerd door een aquaculturist die geregistreerd is bij het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.]1

Art. R89 /4. [1 La vidange des étangs et réservoirs est interdite du 1er décembre au 31 août inclus, sauf si le responsable de la vidange prouve que les conditions suivantes sont respectées :
Le débit de vidange ne dépasse pas le tiers du débit du cours d'eau récepteur ;
La différence de température entre l'eau du cours d'eau récepteur et l'eau de vidange rejetée est de maximum 5° C ;
La différence de turbidité entre les eaux de vidange rejetées et l'eau à l'entrée des étangs et réservoirs n'excède pas 70 NTU, en moyenne sur une demi-heure ;
le taux de saturation en oxygène dissous dans les eaux de vidange rejetées reste supérieur à 50%, en moyenne sur une demi-heure ; si le taux de saturation en oxygène dissous est inférieur à 50% dans l'eau alimentant à l'entrée les étangs et réservoirs, celui-ci peut être admis comme valeur limite pour les eaux de vidange rejetées.
La vidange et la (re)mise en eau d'un étang ou réservoir font l'objet d'une information préalable de la Direction extérieure territorialement compétente du Département de la Nature et des Forêts et du gestionnaire du cours d'eau concerné minimum vingt jours avant la date de la vidange ou de la remise en eau.
Sauf s'il s'agit d'un étang de barrage dûment autorisé, le prélèvement d'eau dans le cours d'eau en vue du remplissage des étangs ou des réservoirs ne peut dépasser le tiers du débit instantané du cours d'eau.
Les alinéas 1er et 2 ne sont pas applicables aux étangs de production exploités par un aquaculteur enregistré par l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne Alimentaire.]1

HOOFDSTUK VI. [1 - Subsidies]1
CHAPITRE VI [1 - Subsides]1
Art. R89 /5. [1 In de zin van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
"subsidiegerechtigde": de private of publieke entiteit die de begunstigde van de subsidie en de opdrachtgever is;
begeleidingsdienst: "Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke hulpbronnen en Leefmilieu, Departement Ontwikkeling, Landelijke Aangelegenheden, Waterlopen en Dierenwelzijn - Directie onbevaarbare waterlopen"]1

Art. R89 /5. [1 Au sens du présent chapitre, l'on entend par :
" allocataire " : la personne de droit privé ou de droit public bénéficiaire de la subvention et maître de l'ouvrage ;
" service d'accompagnement " : SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, Département du Développement, de la Ruralité, des Cours d'Eau et du Bien-être animal, Direction des Cours d'eau non navigables.]1

Art. R89 /6. [1 In afwijking van de artikelen 2bis, 11, 13 en 14 van het besluit van de Regent van 2 juli 1949 betreffende de Staatstussenkomst inzake toelagen voor het uitvoeren van werken door de provincies, gemeenten, verenigingen van gemeenten, commissies van openbare onderstand, kerkfabrieken, en verenigingen van Polders of van Wateringen, wordt het tarief van de subsidies voor de uitvoering van de werken bedoeld in artikel D. 54/1 van dit boek vastgesteld op :
tachtig procent van het totale bedrag van de te subsidiëren uitgaven voor de werken bedoeld in artikel D. 54/1, 3° en 6°, van dit boek
zestig procent van het totale bedrag van de te subsidiëren uitgaven voor de werken bedoeld in artikel D. 54/1, 1°, van dit boek
vijfenveertig procent van het totale bedrag van de te subsidiëren uitgaven voor het werk bedoeld in artikel D. 54/1, 2°, 4° en 5°, van dit boek ;
vijfendertig procent van het totale bedrag van de te subsidiëren uitgaven voor de werken bedoeld in artikel D. 54/1, 7°, van dit boek.]1

Art. R89 /6. [1 Par dérogation aux articles 2bis, 11,13 et 14 de l'arrêté du Régent du 2 juillet 1949 relatif à l'intervention de l'Etat en matière de subsides pour l'exécution de travaux par les provinces, communes, associations de communes, commissions d'assistance publique, fabriques d'églises et association de polders ou de wateringues, le taux des subventions en vue de la réalisation de travaux visés à l'article D. 54/1 du présent livre est fixé à :
quatre-vingt pour cent du montant total de la dépense à subventionner pour les travaux prévus à l'article D. 54/1, 3° et 6°, du présent livre
soixante-cinq pour cent du montant total de la dépense à subventionner pour les travaux prévus à l'article D. 54/1, 1°, du présent livre ;
quarante-cinq pour cent du montant total de la dépense à subventionner pour les travaux prévus à l'article D. 54/1, 2°, 4° et 5°, du présent livre ;
trente-cinq pour cent du montant total de la dépense à subventionner pour les travaux prévus à l'article D. 54/1, 7°, du présent livre.]1

Art. R89 /7. [1 De projecten die door de begunstigde worden ingediend om subsidies te verkrijgen voor het uitvoeren van de werken bedoeld in artikel D. 54/1 van dit boek moeten vergezeld zijn van de adviezen van de beheerder van de betrokken onbevaarbare waterloop en van de dienst Natuur en Bos van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, evenals van de volgende documenten:
de documenten en specificaties van de geplande werken, in het bijzonder het bijzonder bestek voor de publiekrechtelijke aannemer, de beschrijvende en samenvattende opmetingsstaten, het inschrijvingsmodel en de uitvoeringsplannen;
de berekeningsnota's die naar dit werk verwijzen, indien van toepassing;
de kostenraming van de werkzaamheden met, zo nodig, de kosten van de voorafgaande proeven;
een toelichtende nota over de wijze waarop de eenheidsprijzen worden vastgelegd;
een attest van de begunstigde waaruit blijkt dat hij eigenaar is van alle gronden die nodig zijn om de werken uit te voeren;
6- in geval van aankoop van onbebouwde onroerende goederen, een grondinnemingsdossier met een schatting van de waarde ervan
in voorkomend geval de milieu- en stedenbouwkundige vergunning of de globale vergunning.]1

Art. R89 /7. [1 Les projets introduits par l'allocataire pour l'obtention de subventions en vue de la réalisation de travaux visés à l'article D. 54/1 du présent livre sont accompagnés des avis du gestionnaire du cours d'eau non navigable concerné et du Département de la Nature et des Forêts du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, ainsi que des documents suivants :
les documents et les spécifications des travaux envisagés, notamment le cahier spécial des charges des travaux pour la personne du droit public, les métrés descriptif et récapitulatif, le modèle de soumission et les plans d'exécution ;
les notes de calculs se référant à ces travaux, s'il échet ;
le devis estimatif des travaux comprenant, le cas échéant, le coût des essais préalables ;
une note explicative du mode de détermination des prix unitaires ;
l'attestation de l'allocataire établissant qu'il dispose de tous les terrains nécessaires à la réalisation des travaux ;
en cas d'acquisition de biens immobiliers non bâtis, un dossier d'emprise avec une estimation de leur valeur ;
le permis d'urbanisme, le permis d'environnement ou le permis unique, s'il échet.]1

Art. R89 /8. [1 § 1. De begeleidingsdienst helpt de subsidiegerechtigden bij het opmaken van de documenten die nodig zijn voor de technische, administratieve en budgettaire opvolging. Hij wordt ermee belast het uitvoerig advies aan de Minister over te maken.
Het project wordt opgemaakt door de subsidiegerechtigde en door hem overgemaakt aan de begeleidingsdienst, die het ter goedkeuring aan de Minister voorlegt. De minister die verantwoordelijk is voor onbevaarbare waterlopen beslist of de subsidie al dan niet wordt toegekend.
§ 2. De kennisgeving aan de subsidiegerechtigde door de Minister die verantwoordelijk is voor onbevaarbare waterlopen van de goedkeuring van het project en de subsidiepercentages staat gelijk aan een principeverbintenis om de subsidie toe te kennen.
§ 3. Binnen drie maanden na de kennisgeving van de in paragraaf 2 bedoelde principiële belofte gaat de subsidiegerechtigde over tot de opening van de inschrijvingen. Via de begeleidingsdienst maakt hij het volledige dossier betreffende de gunning van de opdracht vervolgens over aan de Minister. De principiële belofte vervalt na afloop van die termijn.
§ 4. De Minister die verantwoordelijk is voor onbevaarbare waterlopen legt het budget voor de uitgaven vast en vaardigt een ministerieel besluit uit tot toekenning van de subsidies.
Het bedrag van de subsidie wordt aan de subsidiegerechtigde meegedeeld op basis van het goedgekeurde project, in het bijzonder de goedgekeurde aanbesteding voor de publiekrechtelijke rechtspersoon.
Voor de berekening van de subsidie is het in aanmerking te nemen bedrag de som van:
de kosten van de in aanmerking komende werkzaamheden, btw inbegrepen, bepaald door de aanbesteding;
een vast bedrag van 10 % van het totaalbedrag van de werkzaamheden voor onderzoekskosten, kosten inzake veiligheidscoördinatie, voorafgaande geotechnische proeven en controle van de materialen;
het bedrag van de schatting vastgesteld bij de verwerving van niet-bebouwde onroerende goederen.
De overige algemene kosten gemaakt door de subsidiegerechtigde komen niet in aanmerking voor subsidies.
Elke andere tegemoetkoming dan die van de subsidiegerechtigde wordt afgetrokken van het globale bedrag van de te subsidiëren uitgave.]1

Art. R89 /8. [1 § 1er. Le service d'accompagnement assiste les allocataires en vue d'établir les documents nécessaires au suivi technique, administratif et budgétaire des dossiers. Il est chargé de remettre un avis circonstancié au Ministre.
L'allocataire établit le projet et le transmet au service d'accompagnement qui le soumet à l'approbation du Ministre. Le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions décide s'il est opportun ou non d'octroyer la subvention.
§ 2. La notification à l'allocataire par le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions de l'approbation du projet et des taux de subvention vaut promesse de principe d'octroi de subvention.
§ 3. Dans les douze mois à dater de la notification de la promesse de principe visée au paragraphe 2, l'allocataire procède à l'ouverture des soumissions. Il transmet ensuite au Ministre, via le service d'accompagnement, le dossier complet relatif à l'attribution du marché. La promesse de principe devient caduque à l'expiration de ce délai.
§ 4. Le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions fait procéder à l'engagement budgétaire de la dépense et prend un arrêté ministériel octroyant les subsides.
Le montant de la subvention est notifié à l'allocataire, sur base du projet approuvé, notamment la soumission approuvée pour la personne du droit public.
Pour le calcul de la subvention, le montant à prendre en considération est la somme :
du coût des travaux subsidiables, T.V.A comprise, déterminé par l'adjudication ;
d'un forfait de dix pour cent du montant global des travaux pour frais d'étude, de coordination sécurité, d'essais géotechniques préalables, de contrôle des matériaux ;
du montant de l'estimation établie en cas d'acquisition d'immeubles non bâtis.
Les autres frais généraux exposés par l'allocataire ne sont pas subventionnés.
Toute autre intervention que celle de l'allocataire est déduite du montant global de la dépense à subventionner.]1

Art. R89 /9. [1 § 1. Het volledige dossier met betrekking tot de toekenning van de subsidie, of het contract in het geval van een publiekrechtelijke persoon, bevat een kopie van de volgende documenten:
de beraadslaging waarbij de subsidiegerechtigde de datum van de opening van de inschrijvingen en, zo nodig, de lijst van de te raadplegen ondernemingen vastlegt;
het goedgekeurde bestek;
het bericht van de opdracht;
het proces-verbaal van de opening van de inschrijvingen;
het verslag over de aanbesteding van de opdracht;
de inschrijving ingediend door de aannemer die door de subsidiegerechtigde aangewezen is;
de vergelijkende tabel van de eenheidsprijzen van de ingediende inschrijvingen;
de beraadslaging waarbij de subsidiegerechtigde de aanwijzing van de aannemer met redenen omkleedt.
indien van toepassing, gaat het dossier vergezeld van de akte van aankoop van onbebouwde onroerende goederen.
§ 2. De Minister verantwoordelijk voor onbevaarbare waterlopen of zijn afgevaardigde kan het gebruik van de toegekende subsidies laten controleren.
§ 3. Het definitieve subsidiebedrag wordt berekend op basis van het werkelijke bedrag van de gesubsidieerde werkzaamheden dat in de eindafrekening wordt vermeld, met inbegrip van de aankoopkosten inzake inneming en erfdienstbaarheid en de overige kosten zoals bedoeld in artikel R. 89/8, beperkt tot 10 % van het globale bedrag van de werkzaamheden. Als het bedrag van de eindafrekening van de gesubsidieerde werkzaamheden kleiner is dan het bedrag dat aanvankelijk in aanmerking werd genomen voor de berekening van de subsidie, wordt het bedrag van deze subsidie herzien op grond van de werkelijke kosten van bedoelde werkzaamheden.
§ 4. De Minister kan ook subsidies toekennen voor werkzaamheden van ondernemingen die niet konden worden voorzien bij het uitwerken van het oorspronkelijke project en die nu noodzakelijk blijken voor de goede uitvoering daarvan. In dit geval mag de aanvullende subsidie niet meer bedragen dan tien procent van de oorspronkelijke subsidie.
§ 5. In geval van aankoop van onbebouwde onroerende goederen wordt het definitieve subsidiebedrag vastgelegd op basis van de akte van aankoop van het goed, waarvan een afschrift aan de begeleidingsdienst overgemaakt wordt.
§ 6. De artikelen 16 en 18 van het besluit van de Regent van 2 juli 1949 betreffende de Staatstussenkomst inzake toelagen voor het uitvoeren van werken door de provincies, gemeenten, verenigingen van gemeenten, commissies van openbare onderstand, kerkfabrieken, en verenigingen van Polders of van Wateringen, zijn niet van toepassing op de werken bedoeld in artikel D. 54/1 van dit boek.
§ 7. De Minister kan voorschotten op de toegekende subsidies uitbetalen naar rato van de daadwerkelijk uitgevoerde werkzaamheden. De subsidie wordt uitbetaald tegen overlegging van een aangifte van schuldvordering van de subsidiegerechtigde, gestaafd met een stand van de werkzaamheden.]1

Art. R89 /9. [1 § 1er. Le dossier complet relatif à l'attribution de la subvention, ou du marché pour la personne du droit public, comprend une copie des documents suivants :
la délibération par laquelle l'allocataire arrête les conditions de la subvention, ou du marché et le cas échéant, la liste des entreprises à consulter ;
le cahier des charges approuvé ;
l'avis de marché ;
le procès-verbal de l'ouverture des soumissions ;
le rapport d'adjudication du marché ;
la soumission déposée par l'adjudicataire désigné par l'allocataire ;
le tableau comparatif des prix unitaires des soumissions déposées ;
la délibération par laquelle l'allocataire motive la désignation de l'adjudicataire ;
s'il échet, le dossier est accompagné de l'acte d'acquisition d'immeubles non bâtis.
§ 2. Le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions ou son délégué peut faire procéder au contrôle de l'emploi des subventions attribuées.
§ 3. Le montant définitif de la subvention est calculé sur base du montant effectif des travaux subventionnés figurant au décompte final, en ce compris les frais d'acquisition d'emprise et les autres frais tels que précisés à l'article R. 89/8, § 4, limités à dix pour cent du montant global des travaux. Lorsque le montant du décompte final des travaux subventionnés est inférieur à celui retenu initialement pour le calcul de la subvention, le montant de celle-ci est revu sur la base de la dépense réelle relative aux dits travaux.
§ 4. Le Ministre peut étendre l'octroi des subventions aux travaux d'entreprises qui étaient imprévisibles au moment de l'élaboration du projet initial et qui se sont avérés nécessaires pour la bonne exécution de celle-ci. Dans ce cas, la subvention supplémentaire ne peut pas excéder dix pour cent de la subvention initiale.
§ 5. Dans le cas d'acquisition d'immeubles non bâtis, le montant définitif de la subvention est arrêté sur la base de l'acte d'acquisition du bien dont une copie est transmise au service d'accompagnement.
§ 6. Les articles 16 et 18 de l'arrêté du Régent du 2 juillet 1949 relatif à l'intervention de l'Etat en matière de subsides pour l'exécution de travaux par les provinces, communes, associations de communes, commissions d'assistance publique, fabriques d'églises et association des polders ou de wateringues ne sont pas applicables pour les travaux visés à l'article D. 54/1 du présent livre.
§ 7. Au prorata des travaux effectivement exécutés, le ministre ou son délégué peut opérer la liquidation d'acomptes sur les subsides octroyés. La subvention est liquidée sur présentation d'une déclaration de créance de l'allocataire appuyée par un état d'avancement des travaux.]1

TITEL VI. - Wateringen.
TITRE VI. - Wateringues.
HOOFDSTUK 1. [1 - Algemene bepalingen]1
CHAPITRE Ier. [1 - Dispositions générales]1
Art. R89 /10. [1 Aangezien de grenzen van bepaalde Wateringen zich uitstrekken over het grondgebied van meer dan één provincie, hebben de volgende provinciale overheden het recht om tussen te komen in de uitvoering van Titel VI van het decreetgevend deel van dit Boek: die van Henegouwen voor de Wateringen Rhosnes, Kain-Ramegnies-Chin en Pottes-Escanaffles, die van Luik voor de Wateringen Trois Sarts, die van Luxemburg voor de Wateringen Ambly, d'Opont, de Humain, de Bourdon en de Carlsbourg, en die van Namen voor de Wateringen van Forville, d'Aische-en-Refail, de l'Orneau, du Ry de Jennevaux, de la Ligne, de l'Eau d'Heure en de Telnay.]1
Art. R89 /10. [1 Considérant que la circonscription de certaines wateringues s'étend sur le territoire de plus d'une province, les autorités provinciales suivantes ont qualité pour intervenir en exécution du Titre VI de la partie décrétale du présent livre : celles de Hainaut pour les wateringues de la Rhosnes, de Kain-Ramegnies-Chin et de Pottes-Escanaffles, celles de Liège pour la wateringue des Trois Sarts, celles de Luxembourg pour les wateringues d'Ambly, d'Opont, de Humain, de Bourdon, et de Carlsbourg, et celles de Namur pour les wateringues de Forville, d'Aische-en-Refail, de l'Orneau, du Ry de Jennevaux, de la Ligne, de l'Eau d'Heure et de Telnay.]1
Art. R89 /11. [1 Onverminderd de bepalingen van titel V van dit Boek, gelden voor de onbevaarbare waterlopen in de Wateringen districten de volgende bepalingen:
de vergunningsaanvraag bedoeld in artikel D. 40 wordt voor advies voorgelegd aan het bestuur van de Watering;
voor het openen van sluizen, sluisdeuren en poorten zijn de gebruikers of eigenaars van bouwwerken eveneens verplicht de bevelen van de voorzitter van de Watering op te volgen; in geval van nood of wanneer het water de hoogte van de peilnagel of een ander identificatiesysteem overschrijdt, zijn ze verplicht de bevelen van de bewakers, sluiswachters en, bij afwezigheid van deze agenten, de ontvanger-griffier op te volgen.]1

Art. R89 /11. [1 Sans préjudice des dispositions du Titre V du présent livre, les cours d'eau non navigables situés dans les circonscriptions des wateringues sont régis par les dispositions suivantes :
la demande d'autorisation visée à l'article D. 40 est soumise pour avis à la direction de la wateringue ;
pour l'ouverture des écluses, vannes et vantaux, les usagers ou les propriétaires d'ouvrages sont tenus d'obtempérer également aux réquisitions du président de la wateringue ; en cas d'urgence ou lorsque les eaux dépassent la hauteur du clou de jauge ou de tout autre système de repérage, ils sont tenus d'obéir aux injonctions des gardes, des éclusiers et, à défaut de ces agents, du receveur-greffier.]1

Art. R89 /12. [1 Met betrekking tot drainage- en irrigatiekanalen, die niet overeenkomen met een waterloop, gelegen in de Wateringen district, is het verboden :
bruggen, sluizen, dammen, kistdammen of andere permanente of tijdelijke constructies te bouwen, te verwijderen of te wijzigen zonder toestemming van het bestuur van de Watering;
de bedding of oevers te verplaatsen of te wijzigen of op enigerlei wijze afbreuk te doen aan hun normale en regelmatige toestand, in het bijzonder door ophogingen, afzettingen of het verwijderen van beplantingen, gras, aarde, modder, zand, grind of andere materialen, zonder toestemming van de het bestuur van de Watering;
inbreuk maken op de voorwaarden waaronder deze vergunningen worden verleend;
het belemmeren van de normale doorstroming van het water, in het bijzonder door het gooien of storten van voorwerpen van welke aard ook;
de oevers of de daarop gevestigde werken op welke wijze ook beschadigen, verlagen of verzwakken, behoudens met de in 1° en 2° bedoelde toestemming;
om er te vissen zonder vergunning van het bestuur van de Watering.]1

Art. R89 /12. [1 En ce qui concerne les voies d'assèchement et d'irrigation, qui ne correspondent pas à un cours d'eau, situées dans la circonscription des wateringues, il est interdit :
d'établir, de supprimer ou de modifier aucun pont, écluse, barrage, batardeau et généralement aucun ouvrage permanent ou temporaire sans une autorisation de la direction de la wateringue ;
d'en déplacer ou modifier le lit ou les berges ou de préjudicier d'une façon quelconque, notamment par des empiétements, par des dépôts ou par l'enlèvement de plantations, de gazon, terre, boue, sable, gravier, ou autres matériaux à leur état normal et régulier sans une autorisation de la direction de la wateringue ;
d'enfreindre les conditions mises à l'octroi de ces autorisations ;
d'obstruer l'écoulement normal des eaux, notamment en y jetant ou en y déposant des objets quelconques ;
de dégrader, d'abaisser ou d'affaiblir de quelque manière que ce soit les berges ou les ouvrages qui y sont établis, sauf l'autorisation prévue aux 1° et 2° ;
d'y pratiquer la pêche sans une autorisation de la direction de la wateringue.]1

Art. R89 /13. [1 Met betrekking tot dijken die deel uitmaken van het Wateringdomein, is het verboden :
zonder toestemming van het bestuur beplantingen aan te planten of bebouwingen op te richten, permanente of tijdelijke constructies op te richten, bestaande beplantingen, constructies of structuren te verwijderen of te wijzigen;
de bedding of oevers te verplaatsen of te wijzigen of op enigerlei wijze afbreuk te doen aan hun normale en regelmatige toestand, in het bijzonder door ophogingen, afzettingen of het verwijderen van beplantingen, gras, aarde, modder, zand, grind of andere materialen, zonder toestemming van het bestuur;
dieren te laten grazen of dieren van welke aard ook te laten verblijven zonder toestemming van het bestuur;
inbreuk maken op de voorwaarden waaronder deze vergunningen worden verleend;
met voertuigen over deze dijken te rijden, tenzij ze daarvoor zijn uitgerust.
Lid 1, 1° tot en met 4°, is van toepassing op wegen die deel uitmaken van het Wateringdomein.]1

Art. R89 /13. [1 En ce qui concerne les digues faisant partie du domaine des wateringues, il est interdit :
d'y faire des plantations ou des constructions, d'y établir aucun ouvrage permanent ou temporaire, de supprimer ou de modifier les plantations, constructions ou ouvrages existants sans une autorisation de la direction ;
de les dégrader, abaisser ou affaiblir ou de préjudicier d'une façon quelconque, notamment par des empiétements ou par l'enlèvement de plantations, gazon, terre, sable, gravier ou autres matériaux, à leur état normal et régulier sans une autorisation de la direction ;
d'y faire pâturer ou d'y laisser séjourner des animaux, de quelque espèce qu'ils soient, sans une autorisation de la direction ;
d'enfreindre les conditions mises à l'octroi de ces autorisations ;
de passer sur ces digues avec des véhicules, à moins qu'ils ne soient aménagés à cet effet.
L'alinéa 1er, 1° à 4°, est applicable aux chemins faisant partie du domaine des wateringues.]1

Art. R89 /14. [1 Het is verboden om zonder toestemming van het bestuur van de Watering te graven, putten te graven, pompen te plaatsen, drinkbakken te plaatsen binnen een afstand van tien meter van drainage- en irrigatiekanalen en dijken, evenals op land met een ondergronds drainagesysteem, of om deze werken te verwijderen of te wijzigen.
De winning van turf is in het hele gebied van de Watering verboden zonder vergunning van het bestuur van de Watering.
Weiden voor begrazing die langs drainage- en irrigatieroutes en dijken liggen, worden omheind op de manier en op de afstand die door het bestuur zijn voorgeschreven om te voorkomen dat vee er doorheen loopt.]1

Art. R89 /14. [1 Il est interdit, sans autorisation de la direction de la wateringue, de pratiquer des fouilles, de creuser des puits, de placer des pompes, d'établir des abreuvoirs à moins de dix mètres des voies d'assèchement et d'irrigation et digues, ainsi que sur les terrains pourvus d'un réseau de drainage souterrain, de supprimer ou de modifier ces ouvrages.
L'extraction de la tourbe est interdite dans toute la circonscription de la wateringue, sans une autorisation de la direction de la wateringue.
Les prairies à pâturer situées le long des voies d'assèchement et d'irrigation et digues, sont pourvues d'une clôture établie de la façon et à la distance prescrites par la direction en vue d'empêcher tout passage du bétail.]1

Art. R89 /15. [1 Omwonenden, gebruikers en eigenaars van bouwwerken zijn verplicht om voorrang te verlenen aan leden van het bestuur en personeel van de Wateringen, aan de bevoegde ambtenaren die door de regering zijn aangesteld en aan de personen die verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van de werkzaamheden die door de Wateringen zijn opgedragen.
Oeverbewoners, gebruikers en eigenaars van werken moeten toestaan dat materiaal dat verwijderd is uit waterlopen en drainage- of irrigatiekanalen, evenals het materiaal dat nodig is om het werk uit te voeren, op hun land wordt gedeponeerd.]1

Art. R89 /15. [1 Les riverains, les usagers et les propriétaires d'ouvrages sont tenus de livrer passage aux membres de la direction et du personnel de la wateringue, aux fonctionnaires compétents désignés par le Gouvernement, ainsi qu'aux personnes chargées de l'exécution des travaux ordonnés par la wateringue.
Les riverains, les usagers et les propriétaires d'ouvrages laissent déposer sur leurs terrains les matières enlevées des cours d'eau et voies d'assèchement ou d'irrigation et les matériaux nécessaires pour l'exécution des travaux.]1

Art. R89 /16. [1 Het bestuur van de Watering kan te allen tijde de vergunningen die het krachtens de artikelen R. 89/12 tot en met R. 89/14 heeft verleend, intrekken of de voorwaarden waaronder ze zijn verleend, wijzigen indien de toegestane aanplantingen, constructies of werken schadelijk zijn voor de belangen van de Watering.
Het in lid 1 bedoelde bestuur kan de nodige werkzaamheden voorschrijven om een einde te maken aan de schade of om te voorkomen dat opnieuw schade wordt veroorzaakt door aanplantingen, constructies of werken waarvoor geen vergunning is verleend of die zonder vergunning bestaan.
Onverminderd de sancties waarin artikel R. 89/18 voorziet, kunnen de voorgeschreven werkzaamheden automatisch door de Watering worden uitgevoerd als de eigenaar of gebruiker weigert of nalaat ze uit te voeren. In dit geval wordt de uitgave teruggevorderd van de eigenaar of gebruiker volgens de methode die is vastgesteld voor de terugvordering van belasting ten gunste van de Watering.]1

Art. R89 /16. [1 La direction de la wateringue peut, en tout temps, retirer les autorisations qu'elle a octroyées en vertu des articles R. 89/12 à R. 89/14, ou en modifier les conditions d'octroi, lorsque les plantations, constructions ou ouvrages autorisés nuisent aux intérêts de la wateringue.
La direction visée à l'alinéa 1er peut prescrire les travaux nécessaires pour faire cesser le dommage ou pour prévenir le retour du dommage causé par des plantations, constructions ou ouvrages autorisés ou existants sans autorisation.
Sans préjudice des peines prévues à l'article R. 89/18, les travaux prescrits peuvent être exécutés d'office par la wateringue, si le propriétaire ou l'usager refuse ou néglige de les exécuter. Dans ce cas, la dépense est récupérée à charge du propriétaire ou de l'usager selon le mode établi pour le recouvrement de l'impôt au profit de la wateringue.]1

Art. R89 /17. [1 Tegen beslissingen van het bestuur van de Watering op grond van de artikelen R. 89/12, R. 89/13, R. 89/14 en R. 89/16 kan beroep worden ingesteld bij het provinciecollege. Elk beroep wordt ingediend binnen de twintig dagen van de kennisgeving van de beslissing.]1
Art. R89 /17. [1 Un recours peut être exercé auprès du Collège provincial contre les décisions prises par la direction de la wateringue, en vertu des articles R. 89/12, R. 89/13, R. 89/14 et R. 89/16. Le recours est exercé dans les vingt jours de la notification de la décision.]1
Art. R89 /18. [1 Onverminderd de zwaardere straffen waarin het Wetboek van Strafrecht, in het bijzonder de artikelen 549 en 550, voorziet, vallen overtredingen van de bepalingen van dit hoofdstuk onder de vierde categorie in de zin van deel VIII van het decreetgevend deel van Boek Ier van het Milieuwetboek.]1
Art. R89 /18. [1 Sans préjudice des peines plus sévères prévues par le Code pénal, notamment les articles 549 et 550, les infractions aux dispositions du présent chapitre relèvent de la quatrième catégorie au sens de la partie VIII de la partie décrétale du Livre Ier du Code de l'environnement.]1
HOOFDSTUK II. [1 - Administratie van de Wateringen]1
CHAPITRE II . [1 - Administration des wateringues]1
Art. R89 /19. [1 De ingenieur belast met de buitendienst van de Directie onbevaarbare Waterlopen, van het Departement Ontwikkeling, Landelijke Aangelegenheden, Waterlopen en Dierenwelzijn van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, bevoegd voor het district waarin het hoofdkantoor van een Watering gelegen is, wordt opgeroepen voor de algemene vergaderingen van deze administraties.
De in het eerste lid bedoelde ambtenaar of zijn vervanger is aangewezen om te handelen overeenkomstig de artikelen D. 133/1, D. 134, D. 138, D. 140, D. 142 en D. 143 van dit Boek.
De voorzitters van de Wateringen moeten de in lid 1 bedoelde ambtenaar op de hoogte brengen:
van de aanvangsdatum van de werken, behalve bij dringende werken zoals bepaald in artikel D. 134 van dit Boek;
van de datum van oplevering van andere werken dan onderhoud en kleine herstellingen.]1

Art. R89 /19. [1 L'ingénieur en charge du service extérieur de la Direction des cours d'eau non navigables, du Département du Développement, de la Ruralité, des Cours d'Eau et du Bien-être animal du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, compétent pour la circonscription dans laquelle est situé le siège d'une wateringue, est convoqué aux assemblées générales de ces administrations.
Le fonctionnaire visé à l'alinéa 1er ou son remplaçant est désigné pour intervenir en exécution des articles D. 133/1, D. 134, D. 138, D. 140, D. 142 et D. 143 du présent livre.
Les présidents des wateringues sont tenus d'aviser le fonctionnaire visé à l'alinéa 1er :
de la date à laquelle les travaux sont entamés, sauf s'il s'agit des travaux urgents prévus à l'article D. 134 du présent livre ;
de la date de la réception des travaux autres que ceux d'entretien et de petite réparation.]1

Art. R89 /20. [1 § 1. Het speciale politiereglement voor de Wateringen, goedgekeurd door de Regering, wordt bekendgemaakt in elk van de gemeenten op het grondgebied waarvan de Watering zich uitstrekt. Hiertoe zal de directie van Watering de tekst van de goedgekeurde speciale politiereglementen naar de burgemeesters van deze gemeenten sturen. De bekendmaking gebeurt binnen de twee maanden na deze mededeling door de burgemeesters, door middel van affiches en andere publicatiemiddelen die in deze gemeenten in gebruik zijn.
Van deze publicatie wordt melding gemaakt in het Bestuursmemoriaal van de provincie of, in voorkomend geval, van elk van de provincies op het grondgebied waarvan het gebied van de watering zich uitstrekt.
§ 2. Binnen acht dagen na deze bekendmaking legt het bestuur van de Watering het feit en de datum van publicatie vast in de volgende bewoordingen: "Deze aangifte is ondertekend en gedateerd door de voorzitter van de Watering en door de ontvanger-griffier ingeschreven in het register van de beraadslagingen van het bestuur".
§ 3. Binnen achtenveertig uur na de aangifte stuurt de ontvanger-griffier gewaarmerkte kopieën van het bijzonder politiereglement en de aangifte naar de griffies van de rechtbanken van eerste aanleg en de vrederechters die territoriaal bevoegd zijn voor het gebied van de Watering.]1

Art. R89 /20. [1 § 1er. Les règlements de police particuliers des wateringues, approuvés par le Gouvernement, sont publiés dans chacune des communes sur le territoire desquelles s'étend la circonscription de la wateringue. A cette fin, la direction de la wateringue communique le texte du règlement de police particulier, dûment approuvé, aux bourgmestres de ces communes. La publication est faite, dans les deux mois de cette communication, par les soins des bourgmestres, par voie d'affiches et selon les autres modes de publication en usage dans ces communes.
Mention de cette publication est faite au Mémorial administratif de la province ou, le cas échéant, de chacune des provinces sur le territoire desquelles s'étend la circonscription de la wateringue.
§ 2. Dans les huit jours qui suivent cette publication, la direction de la wateringue constate le fait et la date de la publication dans les termes suivants : " Cette déclaration est signée et datée par le président de la wateringue et inscrite par le receveur-greffier dans le registre des délibérations de la direction ".
§ 3. Dans les quarante-huit heures qui suivent la déclaration, des copies conformes du règlement de police particulier et de la déclaration sont transmises par le receveur-greffier aux greffes des tribunaux de première instance et des justices de paix dont la compétence territoriale s'étend à la circonscription de la wateringue.]1

HOOFDSTUK III [1 - Door Wateringen uit te voeren werkzaamheden]1
CHAPITRE III [1 - Travaux à exécuter par les Wateringues]1
Art. R89 /21. [1 § 1. De aangifte, bedoeld in artikel D. 133 van dit Boek, wordt in vier exemplaren opgesteld met gebruikmaking van het formulier dat is vastgesteld door de Minister die verantwoordelijk is voor de onbevaarbare waterlopen.
§ 2. Als de aangifte ontvankelijk is, stuurt het provinciecollege een kopie van de verklaring naar de beheerder van de betrokken onbevaarbare waterloop en een kopie naar het Departement Natuur en Bossen van het Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu voor een advies over de vraag of aanvullende voorwaarden moeten worden opgelegd. De betrokken beheerder en het Departement Natuur en Bossen sturen hun met redenen omkleed advies binnen de vijftien dagen na de aanhangigmaking. Bij ontstentenis wordt het advies geacht gunstig te zijn.
Binnen de termijn bepaald in artikel D. 133 van dit Boek stuurt het Provinciecollege de aangever een kopie van de aangifte waaraan het woord " geregistreerd " is toegevoegd Waar nodig zal het Provinciecollege de aangever informeren dat aanvullende uitvoeringsvoorwaarden vereist zijn. In dat geval stuurt hij een kopie van deze voorwaarden op hetzelfde moment dat hij zijn beslissing naar de aangever stuurt.
§ 3. Indien de aangifte niet-ontvankelijk is, zendt het Provinciecollege de aangever binnen de in artikel D. 133 van dit boek gestelde termijn een afschrift van de aangifte met de vermelding "niet-ontvankelijk" toe, samen met een afschrift van de met redenen omklede beslissing die de niet-ontvankelijkheid van de aangifte rechtvaardigt.]1

Art. R89 /21. [1 § 1er. La déclaration visée à l'article D. 133 du présent livre est établie en quatre exemplaires au moyen du formulaire arrêté par le ministre ayant les cours d'eau non navigables dans ses attributions.
§ 2. Si la déclaration est recevable, le Collège provincial transmet un exemplaire de la déclaration au gestionnaire du cours d'eau non navigable concerné et un exemplaire au Département de la Nature et des Forêts de la Direction générale Agriculture, Ressources naturelles et Environnement pour avis sur l'éventuelle imposition de conditions complémentaires d'exécution. Le gestionnaire concerné et le Département de la Nature et des Forêts envoient leur avis motivé dans les quinze jours à dater de leur saisine. A défaut, l'avis est réputé favorable.
Le Collège provincial transmet au déclarant, dans le délai prévu à l'article D. 133 du présent livre, un exemplaire de la déclaration sur lequel est ajoutée la mention " enregistrée ". Le cas échéant, le Collège provincial indique au déclarant que des conditions complémentaires d'exécution sont requises. Dans ce cas, il lui envoie un exemplaire de ces conditions en même temps qu'il envoie sa décision au déclarant.
§ 3. Si la déclaration est irrecevable, le Collège provincial transmet au déclarant, dans le délai prévu à l'article D. 133 du présent livre, un exemplaire de la déclaration sur lequel est ajoutée la mention " non recevable ", auquel il joint une copie de la décision motivée justifiant l'irrecevabilité de la déclaration.]1

Art. R89 /22. [1 Het advies van de bevoegde ambtenaar aangeduid in artikel R. 89/19, van het departement Natuur en Bossen van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, en indien van toepassing van de beheerder van de waterloop van de derde categorie, wordt gevraagd voorafgaand aan elke beslissing met betrekking tot de uitvoering van bouw- en verbeteringswerken. De instanties sturen hun advies binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen van de datum van aanhangigmaking. Bij ontstentenis wordt het advies geacht gunstig te zijn.
Het advies bevat minstens :
de identificatie van de geraadpleegde instantie;
de referenties van het project;
de naam, voornaam en hoedanigheid van de auteur van het advies;
in geval van een gunstig advies, de eventuele aanvullende voorwaarden die onder de bevoegdheid van de geraadpleegde instantie vallen en waaraan de bouw en de exploitatie van de inrichting onderworpen moeten worden;
in geval van ongunstig advies, de redenen die het rechtvaardigen.]1

Art. R89 /22. [1 L'avis du fonctionnaire compétent désigné à l'article R. 89/19, du Département de la Nature et des Forêts du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, et le cas échéant du gestionnaire du cours d'eau de troisième catégorie, est demandé préalablement à toute décision relative à l'exécution de travaux de construction et d'amélioration. Ces instances envoient leur avis motivé dans les soixante jours à dater de leur saisine. A défaut, l'avis est réputé favorable.
L'avis contient au minimum :
l'identification de l'instance consultée ;
les références du projet ;
les nom, prénom et qualité de l'auteur de l'avis ;
en cas d'avis favorable, les éventuelles conditions particulières qui relèvent de la compétence de l'instance consultée, et auxquelles devrait être soumise l'autorisation ;
en cas d'avis défavorable, les motifs qui le justifient.]1

TITEL VII. - Waterbescherming.
TITRE VII. - Protection de l'eau.
HOOFDSTUK I. - Begripsomschrijvingen.
CHAPITRE Ier. - Définitions.
Art. R90. Voor de toepassing van deze titel dient te worden verstaan onder :
" drinkwater " : oppervlaktewater bestemd voor menselijk gebruik en geleverd door middel van een waterleidingsnet;
[5 ...]5;
" zwemwater " : het (oppervlaktewater) of het gedeelte ervan dat zoet, stromend of stilstaand is en waarin het zwemmen :
- uitdrukkelijk toegelaten is
of
- niet verboden is en doorgaans door een (groot aantal zwemmers) beoefend wordt;
" bronwater " : water dat afkomstig is van een bron en dat beantwoordt aan de criteria van het voor menselijke consumptie bestemd water overeenkomstig de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1980 (80/778/EEG) betreffende de kwaliteit van het voor menselijke consumptie bestemd water, met uitzondering van de pH en de C12, en dat door de Minister van Volksgezondheid als dusdanig erkend is krachtens het koninklijk besluit van 8 februari 1999 betreffende het natuurlijk mineraalwater en het bronwater;
" tot drinkwater verwerkbaar oppervlaktewater " : gewoon oppervlaktewater ingedeeld in een beschermingsgebied van tot drinkwater verwerkbaar water opgericht krachtens artikel 156 van het decreetgevende deel en de krachtens deze getroffen regelgevende bepalingen;
" natuurlijk mineraalwater " : water dat beantwoordt aan de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1980 (80/777/EEG) betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lid-Staten inzake de exploitatie en het in de handel brengen van natuurlijk mineraalwater en door de Minister van Volksgezondheid als dusdanig erkend krachtens het koninklijk besluit van 8 februari 1999 betreffende het natuurlijk water en het bronwater;
[4 ...]4;
[5 ...]5;
[5 ...]5;
10° " thermaal water " : water dat beantwoordt aan de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1980 (80/777/EEG) betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lid-Staten inzake de exploitatie en het in de handel brengen van natuurlijk mineraalwater en door de Minister van Volksgezondheid als dusdanig erkend krachtens het koninklijk besluit van 8 februari 1999 betreffende het natuurlijk water en het bronwater;
11° [5 ...]5;
(11°bis "Geheel van gegevens betreffende de zwemwaterkwaliteit" : de gegevens ingezameld overeenkomstig artikel R. 108, § 1;)
(11°ter "Beoordeling van de zwemwaterkwaliteit" : het proces ter beoordeling van de zwemwaterkwaliteit d.m.v. de beoordelingsmethode omschreven in bijlage XV, punt B.;)
(11°quater "Tijdelijk zwemverbod" : Zwemverbod tijdens het lopende zwemseizoen in de aangewezen zwemzones;)
(11°quinquies "Permanent zwemverbod" : Zwemverbod in de aangewezen zwemzones voor het hele lopende zwemseizoen of al naar gelang van het verbod.)
12° " winplaats " : de plaats waar het oppervlaktewater bestemd voor de productie van drinkwater, voor de zuiveringsbehandeling, wordt onttrokken;
(12°bis, luidend als volgt :
"beheersmaatregelen" : de volgende maatregelen betreffende het zwemwater :
a) uitwerking en behoud van een zwemwaterprofiel;
b) opmaking van een toezichtskalender;
c) toezicht op het zwemwater;
d) beoordeling van de zwemwaterkwaliteit;
e) indeling van het zwemwater;
f) inventarisering en beoordeling van de mogelijke vervuilingsbronnen van het zwemwater die schadelijk zouden kunnen zijn voor de gezondheid van de zwemmers;
g) informatieverstrekking aan het publiek;
h) acties om te voorkomen dat de zwemmers niet aan vervuiling blootgesteld worden;
i) acties ter vermindering van het vervuilingsrisico;)
13° " (groot aantal zwemmers) " : wanneer de badzone bezocht wordt door 50 zwemmers, die geteld worden tijdens het badseizoen op de dagen waarop de weersomstandigheden voor het zwemmen optimaal zijn;
14° [1 " lens " : grondwaterlaag gelegen in een waterdoorlatend milieu dat zich onder een minderdoorlatende of ondoorlatende geologische laag bevindt; de hydraulische belasting van het water dat zij bevat, overschrijdt het dak van de waterlaag;]1
15° [1 " vrije waterlaag " : grondwaterlaag gelegen in een waterdoorlatend milieu verzadigd op een gewoonlijk veranderlijke hoogte en gelegen onder een droog of onverzadigd doorlatend milieu; de waterlaag is over het algemeen naar beneden afgebakend door een ondoorlatende onderlaag;]1
16° " kwaliteitsdoelstelling " : toelaatbare concentratie voor een bepaalde stof in het oppervlaktewater;
(16°bis "permanent" : m.b.t. het zwemverbod of het bericht waarin het zwemmen afgeraden wordt, een duur van op zijn minst een heel zwemseizoen;)
(16°ter, luidend als volgt : "vervuiling van het zwemwater" : de aanwezigheid van een microbiologische besmetting of van andere organismen of afvalstoffen die schadelijk zijn voor de zwemwaterkwaliteit en die een risico inhouden voor de gezondheid van de zwemmers, zoals nader bepaald in de artikelen R. 108, § 2, en R. 113 en in bijlage XV, punt A.1., in de kolom A;)
(16°quater "Vervuiling op korte termijn" : microbiologische besmetting bedoeld in bijlage XV, punt A.1., kolom A, die duidelijk identificeerbare oorzaken heeft, die de zwemwaterkwaliteit normaal gezien niet langer dan tweeënzeventig uren zou aantasten vanaf het tijdstip waarop ze aangetast wordt en waarvoor de bevoegde overheid heeft voorzien in procedures, zoals vastgelegd in bijlage XV, punt B, om dergelijke vervuilingen op korte termijn te voorkomen en te beheren;)
(16°quinquies "Proliferatie van cyanobacteriën" : opstapeling van cyanobacteriën in de vorm van efflorescenties, lagen of schuim;)
17° [7 "zwemseizoen" : periode waarin de aanwezigheid van een groot aantal zwemmers kan worden voorzien, jaarlijks door de Minister vastgesteld, en die tussen 1 mei en 30 september ligt]7;
(17°bis Abnormale toestand" : gebeurtenis of combinatie van gebeurtenissen die de zwemwaterkwaliteit aantasten op een bepaalde plek en die zich doorgaans gemiddeld niet meer dan één keer om de vier jaar voordoen.)
18° " bron " : één van de natuurlijke of vaste punten waar water dat uit een waterlaag of een onderaardse laag ontspringt, kan worden gewonnen, waarbij het watervlak of de waterlaag gelegen zijn in gronden waarvan de aard, de diepte en de uitgestrektheid een [1 zekere]1 filtratie veroorzaken [1 ...]1 ;
19° " gevaarlijke stoffen " : de in het water aanwezige stoffen die ofwel gevaarlijk kunnen zijn voor de menselijke gezondheid wegens hun toxiciteit, persistentie of bio-accumulatie, met uitzondering van die stoffen welke biologisch onschadelijk zijn of die snel worden omgezet in biologisch onschadelijke stoffen, ofwel een schadelijke werking kunnen hebben op het aquatisch milieu, dat beperkt kan worden tot een bepaald gebied en afhangen van de kenmerken van de ontvangende wateren en de plaats daarvan;
20° " relevante gevaarlijke stoffen " : de gevaarlijke stoffen vermeld in [3 kolom 10]3 van de tabel opgenomen in bijlage (VII);
[2 20bis "Prioritaire stoffen" : de stoffen bedoeld in bijlage I die geselecteerd worden uit die stoffen welke een significant risico voor of via het aquatische milieu betekenen;
20°ter "Gevaarlijke prioritaire stoffen" : de gevaarlijke stoffen die geïdentificeerd worden in kolom 5 van tabel vermeld in bijlage I en waarvan de lozingen, de emissies of de verliezen geleidelijk stopgezet of beëindigd moeten worden;
20°quater "natuurlijke achtergrondconcentratie" : de omgevingsconcentratie van een polluent in de bodem (of in het water) voortvloeiend uit geologische variaties of uit de invloed van een veralgemeende landbouw-, industriële of stedelijke activiteit;
20°quinquies "Biologische beschikbaarheid" : de chemische toestand van een vervuilende stof, waarbij die kan worden opgenomen en/of geabsorbeerd door een levend wezen. De biologische beschikbaarheid van een vervuilende stof hangt af van zijn speciatie (verdeling tussen de verschillende chemische vormen van zijn milieu) en beïnvloedt zijn ecotoxiciteit voor de gemeenschap in het algemeen of voor bepaalde soorten van levende wezens die aan die vervuilende stof blootgesteld worden [6 ;]6 ]2

[6 20° sexies ""matrix" : een compartiment van het aquatische milieu, dat wil zeggen water, sediment of biota;
20 ° septies "biotataxon" : een aquatisch taxon met een taxonomische rang van "subphylum", "klasse" of daaraan gelijkwaardige rang;]6

21° " stroomopwaartse zone " : deel van het hydrografische net dat stroomopwaarts een beschermingszone of een winningsplaats is gelegen;
22° [1 " toevoerzone " : gebied waarin het geheel van de stromingswegen naar de waterwininstallatie convergeren.]1
23° [5 ...]5;
24° " zone van tot drinkwater verwerkbaar water " : het waterloopgedeelte waar de winplaats zich bevindt;
25° " badzone " : de plaats waar het zwemwater zich bevindt. Die zones zijn opgenomen in bijlage (IX), punt a);
26° [4 ...]4;
27° [1 ...]1
Art. R90. Pour l'application du présent titre, il faut entendre par :
" eau(x) alimentaire(s) " : (toutes les) eau(x) de surface destinée(s) à la consommation humaine et distribuées par réseau;
[5 ...]5;
" eaux de baignade " : les eaux (de surface) ou parties de celles-ci, douces, courantes ou stagnantes, dans lesquelles la baignade :
- est expressément autorisée
ou
- n'est pas interdite et habituellement pratiquée par un [grand nombre de baigneurs];
" eau de source " : eau provenant d'une source, conforme aux critères des eaux destinées à la consommation humaine, selon la Directive du Conseil des Communautés européennes du 15 juillet 1980 (80/778/CEE) relative à la qualité des eaux destinées à la consommation humaine, à l'exception du pH et du C12, et reconnue comme telle par le Ministre de la Santé publique, en vertu de l'arrêté royal du 8 février 1999 concernant les eaux minérales naturelles et les eaux de source;
" eau de surface potabilisable " : toute eau de surface ordinaire classée dans une zone de protection d'eau potabilisable établie en vertu de l'article 156 de la partie décrétale et des dispositions réglementaires prises en vertu de celui-ci;
" eau minérale naturelle " : eau conforme à la Directive du Conseil des Communautés européennes du 15 juillet 1980 (80/777/CEE) relative au rapprochement des législations des Etats membres concernant l'exploitation et la mise dans le commerce des eaux minérales naturelles, et reconnue comme telle par le Ministre de la Santé publique, en vertu de l'arrêté royal du 8 février 1999 concernant les eaux minérales naturelles et les eaux de source;
[4 ...]4;
[5 ...]5;
[5 ...]5;
10° " eau thermale " : eau conforme à la Directive du Conseil des Communautés européennes du 15 juillet 1980 (80/777/CEE) relative au rapprochement des législations des Etats membres concernant l'exploitation et la mise dans le commerce des eaux minérales naturelles, et reconnue comme telle par le Ministre de la Santé publique, en vertu de l'arrêté royal du 8 février 1999 concernant les eaux minérales naturelles et les eaux de source;
11° [5 ...]5;
(11°bis "Ensemble de données relatives à la qualité des eaux de baignade" : les données collectées conformément à l'article R. 108, § 1er;)
(11°ter "Evaluation de la qualité des eaux de baignade" : le processus permettant d'évaluer la qualité des eaux de baignade à l'aide de la méthode d'évaluation définie à l'annexe XV, point B.;)
(11°quater "Interdiction temporaire de baignade" : Interdiction de baignade, pendant la saison balnéaire en cours, dans les zones de baignade désignées;)
(11°quinquies "Interdiction permanente de baignade" : Interdiction de baignade dans les zones de baignade désignées, pour l'entièreté de la saison balnéaire en cours ou suivant l'interdiction;)
12° " lieu d'extraction " : endroit de la prise d'eau où les eaux de surface destinées à la production d'eau alimentaire sont prélevées avant d'être envoyées au traitement d'épuration;
(12°bis libellé de la manière suivante :
"mesures de gestion" : les mesures suivantes prises concernant les eaux de baignade :
a) élaboration et maintien d'un profil des eaux de baignade;
b) élaboration d'un calendrier de surveillance;
c) surveillance des eaux de baignade;
d) évaluation de la qualité des eaux de baignade;
e) classement des eaux de baignade;
f) recensement et évaluation des sources possibles de pollution des eaux de baignade susceptibles d'affecter la santé des baigneurs;
g) fourniture d'informations au public;
h) actions visant à prévenir l'exposition des baigneurs à la pollution;
i) actions visant à réduire le risque de pollution;)
13° " (grand nombre de baigneurs) " : une fréquentation de 50 baigneurs recensés durant la saison balnéaire, les jours où les conditions météorologiques sont optimales pour la baignade;
14° [1 " nappe captive " : nappe d'eau souterraine située dans un milieu perméable surmonté par une couche géologique peu ou pas perméable; la charge hydraulique de l'eau qu'elle contient est supérieure à la cote du toit de la nappe;]1
15° [1 " nappe libre " : nappe d'eau souterraine située dans un milieu perméable, saturé sur une hauteur généralement variable, et surmonté d'un milieu perméable sec ou non saturé; généralement, la nappe est limitée vers le bas par un substratum imperméable;]1
16° " objectif de qualité " : concentration admissible pour une substance déterminée dans les eaux de surface;
(16°bis "permanente" : relativement à l'interdiction de se baigner ou à l'avis déconseillant la baignade, une durée couvrant toute une saison balnéaire au moins;)
(16°ter "pollution des eaux de baignade" : la présence d'une contamination microbiologique ou d'autres organismes ou déchets affectant la qualité des eaux de baignade et présentant un risque pour la santé des baigneurs, tel qu'il est précisé aux articles R. 108, § 2, et R. 113 et à l'annexe XV, point A.1., dans la colonne A;)
(16°quater "Pollution à court terme" : une contamination microbiologique visée à l'annexe XV, point A.1., colonne A, qui a des causes clairement identifiables, qui ne devrait normalement pas affecter la qualité des eaux de baignade pendant plus de soixante-douze heures environ à partir du moment où la qualité des eaux a commencé à âtre affectée et pour laquelle l'autorité compétente a établi des procédures afin de prévenir et de gérer de telles pollution à court terme, telles qu'établies à l'annexe XV, point B.;)
(16°quinquies libellé de la manière suivante : "Prolifération de cyanobactéries" : une accumulation de cyanobactéries sous la forme d'efflorescences, de nappes ou d'écume;)
17° [7 " saison balnéaire " : la période pendant laquelle la présence d'un grand nombre de baigneurs est prévisible, fixée chaque année par le ministre et comprise entre le 1er mai et le 30 septembre]7;
(17°bis "Situation anormale" : un événement ou une combinaison d'événements affectant la qualité des eaux de baignade à un endroit donné et ne se produisant généralement pas plus d'une fois tous les quatre ans en moyenne.)
18° " source " : un des points d'émergence naturel ou fixe permettant le captage d'une eau provenant d'une nappe ou d'un gisement souterrain, la nappe ou le gisement étant situés dans des terrains dont la nature, l'épaisseur et l'étendue provoquent une [1 certaine]1 filtration [1 ...]1 ;
19° " substances dangereuses " : substances présentes dans l'eau susceptibles soit de porter atteinte à la santé humaine sur base de leur toxicité, de leur persistance ou de leur bioaccumulation - à l'exception de celles qui sont biologiquement inoffensives ou qui se transforment rapidement en substances biologiquement inoffensives - soit d'exercer un effet nuisible sur le milieu aquatique, lequel peut être limité à une certaine zone et dépendre des caractéristiques des eaux de réception et de leur localisation;
20° " substances dangereuses pertinentes " : les substances dangereuses mentionnées dans la [3 colonne 10]3 du tableau repris dans l'annexe VII;
[2 20°bis "Substances prioritaires" : les substances visées par l'annexe Ier et sélectionnées parmi celles qui présentent un risque significatif pour ou via l'environnement aquatique;
20°ter "Substances dangereuses prioritaires" : les substances dangereuses identifiées dans la colonne 5 du tableau repris dans l'annexe Ier et dont les rejets, émissions et pertes doivent être progressivement arrêtés ou supprimés;
20°quater "Concentration de fond naturelle" : la concentration ambiante d'un polluant dans le sol (ou dans l'eau) résultant des variations géologiques naturelles ou de l'influence d'une activité agricole, industrielle ou urbaine généralisée;
20°quinquies "Biodisponibilité" : l'état chimique d'un contaminant lui permettant d'être assimilé et/ou absorbé par un être vivant. La biodisponibilité d'un contaminant dépend de sa spéciation (distribution entre les différentes formes chimiques dans son milieu) et conditionne son écotoxicité pour la communauté en général ou pour certaines espèces d'êtres vivants exposés à ce dernier [6 ;]6 ]2

[6 20° sexies " matrice " : un milieu de l'environnement aquatique, à savoir l'eau, les sédiments ou le biote;
20° septies " taxon de biote " : un taxon aquatique donné au rang taxinomique de sous-phylum, classe ou leurs équivalents;]6

21° " zone d'amont " : tout ou partie du réseau hydrographique située à l'amont d'une zone de protection ou d'un lieu d'extraction;
22° [1 " zone d'alimentation " : zone dans laquelle l'ensemble des lignes de flux se dirigent vers l'ouvrage de prise d'eau.]1
23° [5 ...]5;
24° " zone d'eaux potabilisables " : tronçon de cours d'eau où se trouve le lieu d'extraction;
25° " zones de baignade " : l'endroit où sont situées les eaux de baignade. Ces zones sont reprises à l'annexe IX, point a);
26° [4 ...]4;
27° [1 ...]1
HOOFDSTUK II. - Bescherming van het oppervlaktewater.
CHAPITRE II. - Protection des eaux de surface.
Afdeling I. - Kwaliteitsdoelstellingen en beschermingszones.
Section 1re. - Objectifs de qualité et zones de protection
Onderafdeling I. - [1 Vaststelling van de normen en van de grenzen in verband met de kwaliteitsklasse om de ecologische toestand van natuurlijke oppervlaktewaterlichamen en het ecologisch potentieel van sterk veranderd en kunstmatige oppervlaktewaterlichamen te evalueren.]1
Sous-section 1re. - [1 Etablissement des normes et des limites de classe de qualité pour évaluer l'état écologique des masses d'eau de surface naturelles et le potentiel écologique des masses d'eau de surface fortement modifiées et artificielles.]1
Art. R91. [1 Voor de toepassing van deze onderafdeling, dient te worden verstaan onder :
" ecologische kwaliteitsratio " : het quotiënt tussen de waarde van de index berekend voor een biologische parameter voor een bepaald oppervlaktewaterlichaam en de waarde van deze index die overeenstemt met de voor dit soort waterlichaam vastgestelde referentieomstandigheden met dien verstande dat hij in een getalswaarde wordt uitgedrukt waarbij waarden in de buurt van nul op een zeer slechte ecologische toestand wijzen en waarden in de buurt van één op een goede ecologische toestand;
" drempelwaarde " : een oppervlaktewaterkwaliteitsnorm bepaald door de stroomgebiedsoverheid overeenkomstig artikel R.92, met het oog op de bescherming van oppervlaktewaterlichamen tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand;
"kwaliteitsklasse " : de verschillende waarden van een index die overeenstemt met een bepaalde ecologische toestand of ecologisch potentieel;
" relevant biologisch kwaliteitselement " : het biologisch element, waarvan de schommelingen van het indexcijfer dat dit element meet, de milieuschommelingen getrouw weergeven.]1

Art. R91. [1 Pour l'application de la présente sous-section, il faut entendre par :
" ratio de qualité écologique " : le quotient entre la valeur de l'indice calculée pour un paramètre biologique pour une masse d'eau spécifique et la valeur de cet indice correspondant aux conditions de référence établies pour ce type de masse d'eau étant entendu qu'il est exprimé comme une valeur numérique dont les valeurs proches de zéro indiquent un mauvais état écologique et les valeurs proches de 1 reflètent un très bon état écologique;
" valeur seuil ": une norme de qualité d'une eau de surface établie par l'autorité de bassin, conformément à l'article R.92, en vue de protéger les masses d'eau de surface contre la pollution et la détérioration;
" classe de qualité " : la gamme de valeurs d'un indice correspondant à un état ou à un potentiel écologique donné;
" élément pertinent de qualité biologique " : l'élément biologique dont les variations de l'indice qui le mesure reflètent fidèlement les variations environnementales.]1

Art. R92. [1 Met het oog op de evaluatie van de ecologische toestand van de natuurlijke oppervlaktewaterlichamen, overeenkomstig bijlage VI van het decretale gedeelte van dit Wetboek, worden de volgende criteria aangehouden :
de kwaliteitsklassen en de ecologische kwaliteitscoëfficiënt voor de relevante biologische elementen vermeld in bijlage Xter, A, I;
de drempelwaarden voor de algemene fysisch-chemische parameters vermeld in bijlage Xter, B, I;
de milieukwaliteitsnormen voor de specifieke verontreinigende stoffen vermeld in bijlage Xter, B, II en vastgesteld overeenkomstig de procedure omschreven in punt 2.4 van bijlage VI van het decretale gedeelte van dit Wetboek, voor de verontreinigende stoffen en groepen van verontreinigende stoffen die herkend zijn om de oppervlaktewaterlichamen nader te omschrijven, rekening houdend met de lijst opgenomen in bijlage VII van het decretale gedeelte van dit Wetboek;
de drempelwaarden voor de hydromorfologische kwaliteitselementen vermeld in bijlage Xter, C.]1

Art. R92. [1 Aux fins de l'évaluation de l'état écologique des masses d'eau de surface naturelles, conformément à l'annexe VI de la partie décrétale du présent Code, les critères suivants sont retenus :
les classes de qualité et les ratios de qualité écologique pour les éléments biologiques pertinents énoncés à l'annexe Xter, A, I;
les valeurs seuils pour les paramètres physico-chimiques généraux énoncées à l'annexe Xter, B, I;
les normes de qualité environnementale pour les polluants spécifiques énoncées à l'annexe Xter, B, II et fixées conformément à la procédure décrite au point 2.4. de l'annexe VI de la partie décrétale du présent Code, pour les polluants et groupes de polluants qui ont été identifiés comme pertinents pour caractériser les masses d'eau de surface, compte tenu de la liste figurant à l'annexe VII de la partie décrétale du présent Code;
les valeurs seuils pour les éléments de qualité hydromorphologique énoncées à l'annexe Xter, C.]1

Art. R93. [1 Met het oog op de evaluatie van het ecologisch potentieel van sterk veranderd en kunstmatige oppervlaktewaterlichamen, overeenkomstig bijlage VI van het decretale gedeelte van dit Wetboek, worden de volgende criteria aangehouden :
de kwaliteitsklassen en de ecologische kwaliteitscoëfficiënt voor de relevante biologische elementen vermeld in bijlage Xter, A, II;
de drempelwaarden voor de algemene fysisch-chemische parameters vermeld in bijlage Xter, B, I;
de milieukwaliteitsnormen voor de specifieke verontreinigende stoffen vermeld in bijlage Xter, B, II, en vastgesteld overeenkomstig de procedure omschreven in punt 2.4 van bijlage VI van het decretale gedeelte van dit Wetboek, voor de verontreinigende stoffen en groepen van verontreinigende stoffen die herkend zijn om de oppervlaktewaterlichamen nader te omschrijven, rekening houdend met de lijst opgenomen in bijlage VII van het decretale gedeelte van dit Wetboek;
de drempelwaarden voor de hydromorfologische kwaliteitselementen vermeld in bijlage Xter, C.]1

Art. R93. [1 Aux fins de l'évaluation du potentiel écologique des masses d'eau de surface fortement modifiées et artificielles, conformément à l'annexe VI de la partie décrétale du présent Code, les critères suivants sont retenus :
les classes de qualité et les ratios de qualité écologique pour les éléments biologiques pertinents énoncés à l'annexe Xter, partie A, II;
les valeurs seuils pour les paramètres physico-chimiques généraux énoncées à l'annexe Xter, B, I;
les normes de qualité environnementale pour les polluants spécifiques énoncées à l'annexe Xter, B, II, et fixées conformément à la procédure décrite au point 2.4. de l'annexe VI de la partie décrétale, pour les polluants et groupes de polluants qui ont été identifiés comme pertinents pour caractériser les masses d'eau de surface, compte tenu de la liste figurant à l'annexe VII de la partie décrétale du présent Code;
les valeurs seuils pour les éléments de qualité hydromorphologique énoncées à l'annexe Xter, C.]1

Art. R94. [1 De in bijlage Xquater omschreven erkenningsregels worden gebruikt om de ecologische toestand van de oppervlaktewaterlichamen en het ecologische potentieel van sterk veranderd en kunstmatige oppervlaktewaterlichamen vast te stellen.]1
Art. R94. [1 Les règles d'agrégation décrites à l'annexe Xquater, sont utilisées pour établir l'état écologique des masses d'eau de surface et le potentiel écologique des masses d'eau fortement modifiées et artificielles.]1
Art. R94 bis. [1 De punten voor oppervlaktewatermonitoring moeten worden gekozen volgens de vereisten van bijlage IV, punt I. ]1
Art. R94 bis. [1 Le choix des sites de contrôle des eaux de surface doit satisfaire aux exigences de l'annexe IV, point I.]1
Art. R95. [1 De toepassing van de wegens deze onderafdeling te nemen maatregelen, mag niet tot gevolg hebben dat de huidige kwaliteit van de oppervlaktewateren direct of indirect achteruit gaat.]1
Art. R95. [1 L'application des mesures à prendre en exécution de la présente sous-section ne peut entraîner le recul direct ou indirect de la qualité actuelle des eaux de surface.Sous-section 1re - Etablissement des normes et des limites de classe de qualité pour évaluer l'état écologique des masses d'eau de surface naturelles et le potentiel écologique des masses d'eau de surface fortement modifiées et artificielles.]1
Onderafdeling 1bis. [1 - Bepaling van de milieukwaliteitsnormen voor de prioritaire stoffen en voor sommige andere verontreinigende stoffen in het oppervlaktewater.]1
Sous-section 1re. - [1Etablissement des normes et des limites de classe de qualité pour évaluer l'état écologique des masses d'eau de surface naturelles et le potentiel écologique des masses d'eau de surface fortement modifiées et artificielles.]1
Art. R95 -1. [1 Met de bedoeling een goede chemische toestand van het oppervlaktewater te bereiken, en in overeenstemming met de bepalingen en doelstellingen van artikel D. 22, wordt in deze onderafdeling milieukwaliteitsnormen voor prioritaire stoffen en bepaalde andere verontreinigende stoffen vastgelegd om de menselijke gezondheid en het leefmilieu te beschermen.]1
Art. R95 -1. [1 En vue d'atteindre un bon état chimique des eaux de surface et conformément aux dispositions et aux objectifs de l'article D. 22, la présente sous-section établit des normes de qualité environnementale pour les substances prioritaires et certains autres polluants afin de protéger la santé humaine et l'environnement.]1
Art. R95 -2.[1 § 1. Onverminderd § 2 worden de milieukwaliteitsnormen die van toepassing zijn op het oppervlaktewater, in bijlage Xbis, deel A vastgesteld. Ze worden toegepast overeenkomstig bijlage Xbis, deel B.
§ 2. Onverminderd artikel D.22, § 1, 1°, worden de in bijlage Xbis, deel A, bedoelde milieukwaliteitsnormen uitgevoerd als volgt :
voor de stoffen met nummer 2, 5, 15, 20, 22, 23, 28 worden de milieukwaliteitsnormen op 22 december 2015 van toepassing met de bedoeling tegen 22 december 2021 ten aanzien van deze stoffen een goede chemische toestand van het oppervlaktewater te bereiken door middel van maatregelenprogramma's die bedoeld zijn in artikel D.23, in het kader van de tweede cyclus van de stroomgebiedbeheerplannen voorzien voor 22 december 2015;
voor de stoffen met nummer 34 tot en met 45 worden de milieukwaliteitsnormen op 22 december 2018 toegepast met de bedoeling tegen 22 december 2027 ten aanzien van die stoffen een goede chemische toestand van het oppervlaktewater te bereiken en te voorkomen dat die stoffen verslechterd worden.
Daartoe stelt de stroomgebiedoverheid tegen 22 december 2018 een aanvullend monitoringprogramma dat overeenkomstig bijlage IV wordt georganiseerd, en een voorlopig maatregelenprogramma voor de in dit punt bedoelde stoffen vast en leggen zij die voor aan de Commissie. Het definitief maatregelenprogramma voor die stoffen wordt in het in artikel D.23 van het decreetgevend deel bedoeld maatregelenprogramma opgenomen in het kader van de derde cyclys van de stroomgebiedbeheersplannen die tegen 22 december 2021 zijn voorzien. Dit programma wordt zo spoedig mogelijk na die datum en uiterlijk op 22 december 2024 uitgevoerd en volledig operationeel gemaakt.
Voor de toepassing van deze § is artikel D.22, §§ 5, 6, 8, 9, 11 en 12 van toepassing.
§ 3. Voor de stoffen met nummer 5, 15, 16, 17, 21, 28, 34, 35, 37, 43 en 44 in deel A van bijlage Xbis, past de stroomgebiedoverheid de milieukwaliteitsnormen voor biota toe.
Voor de andere stoffen past de stroomgebiedoverheid de water-milieukwaliteitsnormen zoals vastgesteld in deel A van bijlage Xbis toe.
§ 4. De stroomgebiedoverheid kan ervoor kiezen om ten aanzien van een of meer categorieën oppervlaktewateren een milieukwaliteitsnorm toe te passen voor een andere matrix dan die vermeld in § 3, of wanneer relevant, voor een andere biotataxon dan die vermeld in deel A van bijlage Xbis.
De stroomgebiedoverheid die gebruik maakt van deze paragraaf, past de relevante milieukwaliteitsnormen toe die zijn vastgesteld in bijlage Xbis. Indien voor de matrix of biotataxon geen milieukwaliteitsnorm is opgenomen, stelt de stroomgebiedoverheid een norm vast die minstens hetzelfde beschermingsniveau biedt als de milieukwaliteitsnormen die in deel A van bijlage Xbis zijn vastgesteld.
De stroomgebiedoverheid kan alleen van de in deze § bedoelde mogelijkheid gebruikmaken indien de voor de gekozen matrix of biotataxon toegepaste analysemethode voldoet aan de in artikel R.43bis-4, § 4 vastgestelde minimale prestatiekenmerken. Wanneer voor geen enkele matrix aan deze kenmerken wordt voldaan, wordt de monitoring uitgevoerd met behulp van de beste beschikbare technieken die geen buitensporige kosten met zich brengen en presteert de analysemethode minstens even goed als die welke beschikbaar is voor de in § 3 van dit artikel vermelde matrix voor de desbetreffende stof.
§ 5. Voor stoffen waarvoor een milieukwaliteitsnorm voor sediment en/of biota wordt toegepast, monitoort de stroomgebiedoverheid de stof gedurende ten minste één keer per jaar in de betrokken matrix, tenzij de technische kennis en het oordeel van deskundigen een ander interval rechtvaardigen.
Indien de monitoringsintervallen meer dan een jaar bedragen, rechtvaarditg de stroomgebiedoverheid de meetfrequentie voor de stroomgebiedbeheersplannen die overeenkomstig artikel D.24, § 3 zijn bijgewerkt.
§ 6. De stroomgebiedoverheid kan de stoffen met de nummers 5, 21, 28, 30, 35, 37, 43 en 44 in deel A van bijlage Xbis minder intensief monitoren dan vereist voor de controles bedoeld in § 5 en in bijlage IV op voorwaarde dat de monitoring representatief is en reeds een statistisch robuust referentiekader beschikbaar is met betrekking tot de aanwezigheid van die stoffen in het aquatische milieu.
Als richtsnoer geldt dat de monitoring elke drie jaar wordt uitgevoerd, tenzij technische kennis en het oordeel van deskundigen een ander interval rechtvaardigen.
§ 7. Voor de stoffen waarvoor de mogelijkheid bedoeld in § 4 van dit artikel is gebruikt, neemt de stroomgebiedoverheid de volgende informatie in de overeenkomstig artikel D. 24, § 3 opgestelde stroomgebiedbeheerplannen op :
de redenen en de basis voor het gebruik van die mogelijkheid;
de vastgestelde alternatieve milieukwaliteitsnormen, de gegevens en de methodes gebruikt om de milieukwaliteitsnormen vast te stellen en het bewijs dat die MKN een even hoog beschermingsniveau bieden als de milieukwaliteitsnormen in deel A van bijlage Xbis;
ter vergelijking met de in bijlage VI, tweede lid, 5°, bedoelde informatie, de bepalingsgrenzen van de analysemethoden voor de in deel A van bijlage Xbis vastgestelde matrices, met inbegrip van informatie over de prestaties van die methoden ten aanzien van de in artikel 43bis-4, §§ 4 en 5 vastgelegde minimale prestatiekenmerken.
§ 8. Indien er een potentieel risico voor of via het aquatische milieu door acute blootstelling is vastgesteld op basis van gemeten of geraamde concentraties of emissies en indien een milieukwaliteitsnorm voor biota of sediment wordt gebruikt, zorgt de stroomgebiedoverheid er voor dat de monitoring van het oppervlaktewater ook wordt uitgevoerd en past zij de milieukwaliteitsnormen uitgedrukt in maximaal aanvaardbare concentratie (MAC-MKN) zoals vastgesteld in deel A van bijlage Xbis toe, voor zover zulke MKN zijn vastgesteld.
§ 9. Bij de beoordeling van de algemene chemische toestand van dat waterlichaam wordt het meetresultaat niet in aanmerking genomen wanneer de drie volgende voorwaarden worden vervuld :
indien overeenkomstig artikel 43bis-4, § 6, de berekende gemiddelde waarde van een meetresultaat aangemerkt wordt;
indien men de best beschikbare techniek die geen buitensporige kosten met zich meebrengt, met vermelding "lager dan de bepalingsgrens", gebruikt;
indien de "bepalingsgrens" van die techniek de milieukwaliteitsnorm overschrijdt.]1

Art. R95 -2.[1 § 1er. Sans préjudice du paragraphe 2, les normes de qualité environnementale applicables aux eaux de surface sont fixées à l'annexe Xbis, partie A. Elles sont appliquées conformément à l'annexe Xbis, partie B.
§ 2. Sans préjudice de l'article D. 22, § 1er, 1°, les normes de qualité environnementale fixées à l'annexe Xbis, partie A, sont mises en oeuvre de la manière suivante :
pour les substances numérotées 2, 5, 15, 20, 22, 23 et 28, les normes de qualité environnementale sont applicables au 22 décembre 2015 en vue d'atteindre le bon état chimique des eaux de surface en ce qui concerne ces substances au plus tard le 22 décembre 2021 au moyen des programmes de mesures prévus à l'article D. 23, dans le cadre du second cycle des plans de gestion par bassin hydrographique prévus pour le 22 décembre 2015;
pour les substances numérotées de 34 à 45, les normes de qualité environnementale sont applicables au 22 décembre 2018 en vue d'atteindre le bon état chimique des eaux de surface en ce qui concerne ces substances au plus tard le 22 décembre 2027 et d'en prévenir la détérioration.
A cette fin, l'autorité de bassin établit et soumet à la Commission européenne, au plus tard le 22 décembre 2018, un programme de surveillance supplémentaire organisé conformément à l'annexe IV et un programme préliminaire de mesures concernant les substances visées au présent point. Le programme définitif des mesures en ce qui concerne ces substances est inclus dans le programme de mesures prévu à l'article D. 23 de la partie décrétale, dans le cadre du troisième cycle des plans de gestion par bassin hydrographique prévus pour le 22 décembre 2021. Ce programme de mesures est mis en oeuvre et rendu pleinement opérationnel dans les meilleurs délais après cette date et au plus tard le 22 décembre 2024.
Pour l'application du présent paragraphe, l'article D. 22, §§ 5, 6, 8, 9, 11 et 12, s'applique.
§ 3. Pour les substances numérotées 5, 15, 16, 17, 21, 28, 34, 35, 37, 43 et 44 qui figurent à l'annexe Xbis, partie A, l'autorité de bassin applique les normes de qualité environnementale correspondantes pour le biote.
Pour les autres substances, l'autorité de bassin applique les normes de qualité environnementale établies pour l'eau à l'annexe Xbis, partie A.
§ 4. L'autorité de bassin peut décider, en rapport à une ou plusieurs catégories d'eaux de surface, d'appliquer une norme de qualité environnementale correspondant à une autre matrice que celle spécifiée au paragraphe 3 ou, le cas échéant, à un taxon de biote autre que ceux spécifiés à l'annexe Xbis, partie A.
Dans le cas où l'autorité de bassin fait usage du présent paragraphe, elle applique les normes de qualité environnementale correspondantes, établies à l'annexe Xbis. En l'absence de norme pour la matrice ou le taxon de biote, l'autorité de bassin établit une norme qui garantit un niveau de protection au moins identique à celui assuré par les normes de qualité environnementale fixées à l'annexe Xbis, partie A.
L'autorité de bassin peut recourir à l'application du présent paragraphe uniquement si la méthode d'analyse utilisée pour la matrice choisie ou le taxon de biote choisi répond aux critères de performance minimaux définis à l'article R. 43bis-4, § 4. Lorsque ces critères ne sont remplis pour aucune matrice, la surveillance est effectuée à l'aide des meilleures techniques disponibles n'entraînant pas de coûts excessifs et la méthode d'analyse donne des résultats au moins équivalents à ceux obtenus par la méthode disponible pour la matrice spécifiée au paragraphe 3 du présent article pour la substance pertinente.
§ 5. Dans le cas des substances pour lesquelles une norme de qualité environnementale pour les sédiments et/ou le biote est appliquée, l'autorité de bassin fait procéder à des contrôles de la substance dans la matrice appropriée au moins une fois par an, sauf si les connaissances techniques et les avis des experts justifient une fréquence différente.
Si les contrôles sont espacés de plus d'un an, l'autorité de bassin justifie la fréquence de surveillance dans les plans de gestion par bassin hydrographique mis à jour conformément à l'article D. 24, § 3.
§ 6. Pour les substances numérotées 5, 21, 28, 30, 35, 37, 43 et 44 dans l'annexe Xbis, partie A, l'autorité de bassin peut faire procéder à des contrôles moins intensifs que ceux prévus au paragraphe 5 et à l'annexe IV, pour autant que la surveillance réalisée soit représentative et qu'une base de référence statistique fiable soit disponible en ce qui concerne la présence de ces substances dans l'environnement aquatique.
A titre indicatif, les contrôles devraient avoir lieu tous les trois ans, à moins qu'un autre intervalle ne se justifie sur la base des connaissances techniques et de l'avis des experts.
§ 7. Pour les substances pour lesquelles il est fait usage de la possibilité prévue au paragraphe 4 du présent article, l'autorité de bassin inclut les informations suivantes dans les plans de gestion par bassin hydrographique mis à jour conformément à l'article D. 24, § 3 :
la motivation et la justification du recours à cette possibilité;
les normes de qualité environnementale de remplacement établies, les données et les méthodes utilisées pour établir les normes de remplacement et la preuve que les normes de remplacement procurent le même niveau de protection que les normes fixées à l'annexe Xbis, partie A;
en vue d'une comparaison avec les informations visées à l'annexe VI, alinéa 2, 5°, les limites de quantification des méthodes d'analyse pour les matrices spécifiées à l'annexe Xbis, partie A, y compris des informations sur la performance de ces méthodes au regard des critères de performance minimaux définis à l'article R. 43bis-4, §§ 4 et 5.
§ 8. Lorsqu'un risque potentiel pour ou via l'environnement aquatique résultant d'une exposition aiguë est constaté sur la base de concentrations ou d'émissions mesurées ou estimées dans l'environnement et lorsqu'une norme de qualité environnementale pour le biote ou les sédiments est utilisée, l'autorité de bassin fait procéder à un contrôle dans l'eau de surface et applique les normes de qualité environnementale exprimées en concentration maximale admissible (NQE-CMA) établies à l'annexe Xbis, partie A, lorsqu'il en existe.
§ 9. Aux fins de l'évaluation de l'état chimique globale d'une masse d'eau considérée, le résultat d'une substance mesurée n'est pas pris en compte lorsque les trois conditions suivantes sont rencontrées :
lorsque, conformément à l'article 43bis-4, § 6, il est fait référence à la valeur moyenne calculée d'un résultat de mesure;
lorsque l'on procède à l'aide de la meilleure technique disponible n'entraînant pas de coûts excessifs, en indiquant "inférieure à la limite de quantification";
si la "limite de quantification" de ladite technique est supérieure à la norme de qualité environnementale.]1

Art. R95 -3.[1 De stroomgebiedoverheid gaat over tot de analyse van de ontwikkeling op lange termijn van de concentraties van de stoffen 2, 5, 6, 7, 12, 15, 16, 17, 18, 20, 21, 26, 28, 30, 34, 3, 36, 37, 43 en 44 en van de in deel A van bijlage Xbis vermelde andere stoffen die de tendens hebben te accumuleren in sediment en/of biota, op basis van de monitoring van de watertoestand, uitgevoerd overeenkomstig artikel D.19.
De stroomgebiedoverheid neemt, met inachtneming van artikel D.22, maatregelen die erop gericht zijn dat dergelijke concentraties niet significant toenemen in sediment en/of de betrokken biota.
De meetfrequentie in sediment en/of biota die zodanig vastgesteld wordt dat zij voldoende gegevens voor een betrouwbare analyse van de ontwikkeling op lange termijn oplevert, wordt overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV bepaald.]1

Art. R95 -3.[1 L'autorité de bassin procède à l'analyse de l'évolution à long terme des concentrations des substances numérotées 2, 5, 6, 7, 12, 15, 16, 17, 18, 20, 21, 26, 28, 30, 34, 35, 36, 37, 43 et 44 et des autres substances énumérées à l'annexe Xbis, partie A, qui ont tendance à s'accumuler dans les sédiments et/ou le biote, en se fondant sur la surveillance de l'état des eaux effectuée conformément à l'article D. 19.
Sous réserve de l'article D. 22, l'autorité de bassin prend les mesures nécessaires pour que de telles concentrations n'augmentent pas de matière significative dans les sédiments et/ou le biote concerné.
La fréquence des contrôles à effectuer dans les sédiments et/ou le biote de manière à fournir les données suffisantes pour effectuer une analyse fiable de l'évolution à long terme, est fixée conformément aux dispositions de l'annexe IV.]1

Art. R95 -4. [1 De stroomgebiedoverheid kan aan lozingspunten grenzende mengzones aanwijzen. In die mengzones mogen de concentraties van één of meer stoffen die zijn opgenomen in deel A van bijlage Xbis de desbetreffende milieukwaliteitsnormen overschrijden, mits dit geen gevolgen heeft voor de naleving van deze normen in de rest van het betrokken oppervlaktewaterlichaam.
De omvang van elke mengzone is beperkt tot de nabijheid van het lozingspunt en is proportioneel, rekening houdend met de concentraties van de verontreinigende stoffen op het lozingspunt en de voorwaarden voor de emissies van verontreinigende stoffen in de machtigingen en milieuvergunningen, overeenkomstig de toepassing van de best beschikbare technieken en nadat die machtigingen en milieuvergunningen zijn herzien.
De stroomgebiedoverheid die mengzones aanwijst, neemt in de in artikel D. 24 opgestelde beheersplannen van het Waalse stroomgebied en op grond van de door de Europese Commissie opgemaakte gidsdocumenten een beschrijving op van de aanpak en de methoden die zijn toegepast om zulke zones af te bakenen, en tevens de maatregelen die zijn genomen met het oog op het verkleinen van de omvang van de mengzones in de toekomst, zoals maatregelen krachtens artikel D.23, § 3, 8° en 12°, of een herziening van de machtigingen en milieuvergunningen.]1

Art. R95 -4. [1 L'autorité de bassin peut désigner des zones de mélange adjacentes aux points de rejets. Les concentrations d'une ou plusieurs des substances énumérées à l'annexe Xbis, partie A, peuvent dépasser les normes de qualité environnementales applicables à l'intérieur de ces zones de mélange si la conformité à ces normes du reste de la masse d'eau de surface ne s'en trouve pas compromise.
L'étendue de ces zones de mélange est limitée à la proximité du point de rejet et proportionnée, eu égard à la concentration de polluants au point de rejet et aux conditions relatives aux émissions des polluants figurant dans les autorisations et permis d'environnement, conformément à l'application des meilleures techniques disponibles et après réexamen des autorisations et permis d'environnement.
Lorsqu'elle désigne des zones de mélange, l'autorité de bassin décrit, sur base des documents guides produits par la Commission européenne, dans les plans de gestion du bassin hydrographique wallon visés à l'article D. 24 les approches et les méthodes appliquées pour définir ces zones ainsi que les mesures prises en vue de réduire l'étendue des zones de mélange à l'avenir, telles que celles qui sont prévues à l'article D. 23, § 3, 8° et 12°, ou d'un réexamen des autorisations et permis d'environnement.]1

Art. R95 -5.[1 § 1. Op basis van de informatie verzameld tijdens de uitvoering van de omschrijving van het stroomgebied bedoeld in artikel D. 17, krachtens Verordening 166/2006/EG betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen, en op grond van het toezicht op de watertoestand bedoeld in artikel D.19 en van de andere beschikbare gegevens stelt de stroomgebiedoverheid voor elk Waalse stroomgebied een inventaris op, met inbegrip van kaarten indien deze beschikbaar zijn, van de emissies, lozingen en verliezen van alle in deel A van bijlage Xbis vermelde stoffen met inbegrip, in voorkomend geval, van hun concentraties in sedimenten en biota.
§ 2. De referentieperiode voor de schatting van de waarden van verontreinigende stoffen die in de in § 1 bedoelde inventarissen worden opgenomen, is één jaar tussen 2008 en 2010.
De in 2011 verzamelde informatie zal nochtans als basis dienen voor de opstelling van de in dit artikel bedoelde inventaris.
Voor prioritaire stoffen of verontreinigende stoffen die onder Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen vallen, kunnen deze waarden echter worden berekend als gemiddelde over de jaren 2008, 2009 en 2010.
§ 3. De stroomgebiedoverheid stelt de Europese Commissie, de andere lidstaten en Gewesten betrokken bij de internationale stroomgebieddistricten waarvan een gedeelte op het grondgebied van het Waalse Gewest is gelegen, in kennis van de in § 1 bedoelde inventarissen met inbegrip van de desbetreffende referentieperioden.
§ 4. De stroomgebiedoverheid actualiseert de in § 1 bedoelde inventarissen als onderdeel van de toetsing van de analyses voor de omschrijving van het stroomgebied bedoeld in artikel D.17, § 7.
De referentieperiode voor de vaststelling van de waarden in de bijgestelde inventarissen is het jaar vóór de afronding van die analyse.
Voor prioritaire stoffen of verontreinigende stoffen die betrokken zijn bij het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik, mogen de waarden worden berekend als het gemiddelde van de drie jaren vóór de afronding van die analyse.
De stroomgebiedoverheid publiceert de geactualiseerde inventarissen in hun bijgewerkte stroomgebiedbeheersplannen zoals bepaald in de artikelen D. 26 tot D. 31.]1

Art. R95 -5.[1 § 1er. Sur la base des informations recueillies dans l'élaboration de l'état descriptif du bassin hydrographique visé à l'article D. 17, en vertu du Règlement n° 166/2006/CE du Parlement européen et du Conseil du 18 janvier 2006 concernant la création d'un registre européen des rejets et transferts de polluants, par la surveillance de l'état des eaux conformément à l'article D. 19 et sur la base d'autres données disponibles, l'autorité de bassin dresse un inventaire, y compris les cartes, le cas échéant, des émissions, des rejets et des pertes de toutes les substances visées à l'annexe Xbis, partie A, dans chaque bassin hydrographique wallon, y compris leurs concentrations dans le sédiment et le biote, le cas échéant.
§ 2. La période de référence pour l'estimation des [2 valeurs]2 de polluants à consigner dans les inventaires visés au paragraphe 1er est d'une année entre 2008 et 2010.
Néanmoins, les informations récoltées en 2011 pourront également servir de base à l'établissement de l'inventaire tel que visé par le présent article.
Pour les substances prioritaires ou pour les polluants visés par la Directive 91/414/CEE du Conseil du 15 juillet 1991, concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques, les données par substance peuvent être calculées en tant que moyenne des années 2008, 2009 et 2010.
§ 3. L'autorité de bassin communique les inventaires visés au paragraphe 1er ainsi que leurs périodes de référence respectives, à la Commission européenne, aux autres Etats membres et Régions concernés par les districts hydrographiques internationaux dont une portion se situe sur le territoire de la Région wallonne.
§ 4. Dans le cadre du réexamen des analyses pour l'état descriptif du bassin hydrographique prévu à l'article D. 17, § 7, l'autorité de bassin actualise les inventaires visés au paragraphe 1er.
La période de référence pour l'établissement des valeurs consignées dans les inventaires actualisés est l'année précédant celle de l'achèvement de l'analyse.
Pour les substances prioritaires ou pour les polluants concernés par l'arrêté royal du 28 février 1994 relatif à la conservation, à la mise sur le marché et à l'utilisation des pesticides à usage agricole, les données par substance peuvent être calculées en tant que moyenne des trois années précédant l'achèvement de cette analyse.
L'autorité de bassin publie les inventaires actualisés dans les plans de gestion par bassin hydrographique wallon mis à jour conformément aux articles D. 26 à D. 31.]1

Art. R95 -6. [1 De stroomgebiedoverheid kan een overschrijding van de milieukwaliteitsnormen bedoeld in deze onderafdeling rechtvaardigen op voorwaarde dat :
de overschrijding te wijten is aan een buiten het grondgebied van het Waalse Gewest gelegen verontreinigingsbron, en
de stroomgebiedoverheid ten gevolge van die grensoverschrijdende verontreiniging niet in staat was effectieve maatregelen te nemen om de betrokken milieukwaliteitsnormen na te leven, en
de stroomgebiedoverheid de in de artikelen D.7 en volgende van dit Wetboek bepaalde coördinatiemechanismen heeft toegepast en in voorkomend geval de bepalingen van artikel D.22, §§ 5, 6 en 8 heeft gebruikt voor de door de grensoverschrijdende verontreiniging getroffen waterlichamen.
De stroomgebiedoverheid verstrekt de Europese Commissie, de andere Lidstaten en Gewesten betrokken bij de internationale stroomgebieddistricten waarvan een gedeelte op het grondgebied van het Waalse Gewest is gelegen, de voor de toepassing van het eerste lid nodige informatie en geeft een overzicht van de maatregelen die in verband met de grensoverschrijdende verontreiniging in de beheersplannen zijn genomen, in overeenstemming met de bepalingen van de artikelen D. 30 en D. 31.]1

Art. R95 -6. [1 L'autorité de bassin peut justifier un dépassement des normes de qualité environnementale prévues par la présente sous-section à condition que :
le dépassement provienne d'une source de pollution située en dehors du territoire de la Région wallonne;
l'autorité de bassin n'ait pu, en raison de cette pollution transfrontalière, prendre les mesures efficaces afin de conformer aux normes de qualité environnementale pertinentes; et
l'autorité de bassin ait appliqué les mécanismes de coordination énoncés aux articles D. 7 et suivants du présent Code et, si nécessaire, tiré parti de l'article D. 22, §§ 5, 6 et 8 pour les masses d'eau affectées par la pollution transfrontalière.
L'autorité de bassin communique à la Commission européenne, aux autres Etats membres et Régions concernés par les districts hydrographiques internationaux dont une portion se situe sur le territoire de la Région wallonne, les informations nécessaires à l'application de l'alinéa 1er et fournissent un récapitulatif des mesure prises en matière de pollution transfrontalière dans les plans de gestion, conformément aux dispositions des articles D. 30 et 31.]1

Art. R95 -7. [1 § 1. De stroomgebiedoverheid monitoort elke stof opgenomen in de door de Europese Commissie krachtens Richtlijn 2013/39/ EU van het Europees Parlement en van de Raad van 12 augustus 2013 tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG en Richtlijn 2008/105/EG wat betreft prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid vastgestelde aandachtstoffenlijst op geselecteerde representatieve meetstations gedurende ten minste twaalf maanden.
Voor de eerste aandachtstoffenlijst begint de monitoringperiode uiterlijk op 14 september 2015 of binnen zes maanden na de opstelling van de aandachtstoffenlijst, indien dat later is. Voor iedere stof die in latere lijsten wordt opgenomen, begint de stroomgebiedoverheid met de monitoring binnen zes maanden na de opneming daarvan op de lijst.
§ 2. Bij het selecteren van representatieve meetstations en het vastleggen van de meetfrequentie en -tijdstippen voor elke stof houdt de stroomgebiedoverheid rekening met de gebruikspatronen en het mogelijke voorkomen van de stof. De meetfrequentie mag niet lager liggen dan eenmaal per jaar.
§ 3. Indien de stroomgebiedoverheid voor een specifieke stof voldoende, vergelijkbare, representatieve en recente uit bestaande monitoringprogramma's of -studies verkregen monitoringgegevens verstrekt, kan ze besluiten voor die stof geen aanvullende monitoring die overeenkomstig dit besluit voor die stof voorzien is, uit te voeren, mits ook die stof werd gemonitord volgens een methode die voldoet aan de vereisten van de technische richtsnoeren die door de Europese Commissie overeenkomstig artikel 8 ter, § 5, van Richtlijn 2013/39/ EU van het Europees Parlement en van de Raad van 12 augustus 2013 tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG en Richtlijn 2008/105/EG wat betreft prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid zijn ontwikkeld.
§ 4. De stroomgebiedoverheid meldt de resultaten van de eerste overeenkomstig dit artikel uitgevoerde monitoring aan de Commissie. Voor de eerste aandachtstoffenlijst worden de resultaten van de monitoring gemeld binnen 15 maanden na 14 september 2015 of binnen 21 maanden na de opstelling van de aandachtstoffenlijst, indien dat later is, en daarna om de twaalf maanden zolang de stof op de lijst wordt gehouden.
Voor elke stof die is opgenomen in de latere lijsten brengt de stroomgebiedoverheid binnen 21 maanden nadat de stof is opgenomen op de aandachtstoffenlijst en elke daaropvolgende twaalf maanden zolang de stof op de lijst wordt gehouden, verslag uit aan de Commissie over de resultaten van de monitoring. Het verslag bevat informatie over de representativiteit van het meetstation en de monitoringstrategie.]1

Art. R95 -7. [1 § 1er. L'autorité de bassin surveille chaque substance figurant dans les listes de vigilance établies par la Commission européenne en application de la Directive 2013/39/UE du Parlement européen et du Conseil du 12 août 2013 modifiant les Directives 2000/60/CE et 2008/105/CE en ce qui concerne les substances prioritaires pour la politique dans le domaine de l'eau, en procédant à des contrôles dans deux stations de surveillance représentatives pendant une période d'au moins douze mois.
Pour la première liste de vigilance, la période de surveillance commence le 14 septembre 2015 ou dans les six mois suivant l'établissement de la liste de vigilance, la date la plus tardive étant retenue. L'autorité de bassin commence la surveillance de chaque substance figurant sur les listes ultérieures dans un délai de six mois à compter de l'inscription de la substance sur la liste.
§ 2. Lors du choix des stations de surveillance représentatives ainsi que pour déterminer la fréquence et le calendrier de la surveillance, l'autorité de bassin prend en compte les modes d'utilisation et la présence possible de la substance. La fréquence de la surveillance n'est pas inférieure à une fois par an.
§ 3. Lorsque l'autorité de bassin fournit, sur la base des programmes de surveillance ou des études existants, des données de surveillance suffisantes, comparables, représentatives et récentes concernant une substance donnée, elle peut décider de ne pas procéder à une surveillance supplémentaire prévue en application du présent article pour cette substance, pour autant également que la substance ait fait l'objet d'une surveillance sur la base d'une méthode répondant aux exigences des lignes directrices établies par la Commission européenne en vertu de l'article 8ter, § 5 de la Directive 2013/39/UE du Parlement européen et du Conseil du 12 août 2013 modifiant les Directives 2000/60/CE et 2008/105/CE en ce qui concerne les substances prioritaires pour la politique dans le domaine de l'eau.
§ 4. L'autorité de bassin communique à la Commission les résultats de la surveillance effectuée conformément au présent article. Pour la première liste de vigilance, les résultats de la surveillance sont communiqués dans un délai de quinze mois à compter du 14 septembre 2015 ou de vingt et un mois à compter de l'établissement de la liste de vigilance, la date la plus tardive étant retenue, et tous les douze mois par la suite, aussi longtemps que la substance demeure sur la liste.
L'autorité de bassin communique à la Commission les résultats de la surveillance de chaque substance figurant sur les listes ultérieures dans un délai de vingt et un mois à compter de l'inscription de la substance sur la liste de vigilance, et tous les douze mois par la suite, aussi longtemps que la substance demeure sur la liste. Elle fournit également des informations sur la représentativité des stations de surveillance et sur la stratégie de surveillance.]1

Onderafdeling II. - Vaststelling van de algemene normen die de kwaliteitsdoelstellingen van zoet oppervlaktewater dat voor drinkwaterproductie bestemd is, omschrijven.
Sous-section 2. - Fixation des normes générales définissant les objectifs de qualité des eaux douces de surface destinées à la production d'eau alimentaire.
Art. R96. (Opgeheven)
Art. R96. (Abrogé)
Art. R97.
Art. R97.
Art. R98.
Art. R98.
Art. R99.
Art. R99.
Art. R100.
Art. R100.
Art. R101.
Art. R101.
Art. R102.
Art. R102.
Art. R103. § 1. Deze onderafdeling is uitsluitend van toepassing op het oppervlaktewater dat wordt gebruikt voor de waterproductie bestemd voor drinkwater.
§ 2. Elke parameter opgenomen in bijlage XI moet worden gemeten op de in bijlage XVII aangegeven controleplaatsen. Op voorstel van de Minister wordt deze lijst om de 6 jaar herzien naargelang nieuwe verontreinigende stoffen optreden.
§ 3. Als op basis van de controles uitgevoerd door het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Waterbeheer, in één of meerdere waterlichamen gelegen stroomopwaarts het controlepunt blijkt dat een relevante verontreinigende stof opgenomen in bijlage XI wordt opgespoord op een niveau dat geen risico inhoudt voor de goede toestand, moet betrokken producent deze verontreinigende stof op de winningplaats controleren.
§ 4. De jaarlijkse minimumfrequenties van de bemonsteringen en van de analyse van elke parameter mogen niet kleiner zijn dan die bedoeld in afdeling 5), deel I, van bijlage IV.
§ 5. De resultaten van de analyses worden aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Waterbeheer overgemaakt overeenkomstig de voorschriften van de Minister.onstering moet voor zover mogelijk zodanig in de loop van het jaar worden gespreid dat een representatief beeld van de waterkwaliteit wordt verkregen.
Art. R103. § 1er. La présente sous-section s'applique uniquement aux eaux de surface servant à la production d'eau destinée à la consommation humaine.
§ 2. Doivent être mesurés aux lieux de contrôle indiqués en annexe XVII, tous les paramètres repris à l'annexe XI. Cette liste de paramètres est revue tous les 6 ans en fonction de l'apparition de nouveaux polluants, sur proposition du Ministre.
§ 3. Si, sur base des contrôles effectués par la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau, dans une ou plusieurs masses d'eau situées en amont du point de contrôle, il apparaît qu'un polluant pertinent, non repris à l'annexe XI, est détecté à un niveau constituant un risque de non atteinte du bon état, le producteur concerné est tenu de contrôler ce polluant au point d'extraction.
§ 4. Les fréquences minimales annuelles des échantillonnages et de l'analyse de chaque paramètre ne peuvent être inférieures à celles prévues à la section 5) de la partie I de l'annexe IV.
§ 5. Les résultats des analyses sont transmis à la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau dans les formes prescrites par le Ministre ainsi que leur préparation en vue de l'analyse ne doivent pas être susceptibles de modifier de façon significative les résultats de celle-ci.
Art. R104. [1 Een oppervlaktewaterlichaam of een gedeelte ervan met één of verschillende punten voor de onttrekking van water voor de productie van drinkwater moet voldoen aan de kwaliteitsdoelstellingen omschreven in de eerste onderafdeling van hetzelfde hoofdstuk.
Op het punt voor de omtrekking van water en in het voorkomingsgebied, worden de bijkomende doelstellingen, omschreven als parametrische normen tot aanvulling van bijlage Xquinquies, van toepassing.]1

Art. R104. [1 Une masse d'eau de surface ou une partie de masse d'eau de surface comportant un ou plusieurs points de captage d'eau destinée à la production d'eau alimentaire doit répondre aux objectifs de qualité décrits à la sous-section 1re du même chapitre.
Au point de captage et dans la zone de prévention, les objectifs supplémentaires définis sous forme de normes paramétriques additionnelles à l'annexe Xquinquies sont d'application.]1

Art. R105.
Art. R105.
Onderafdeling III. - (Onderafdeling 3 - Beheer van de zwemwaterkwaliteit).
Sous-section 3. - (Gestion de la qualité des eaux de baignade).
Art. R106. Deze onderafdeling beoogt het behoud, de bescherming en de verbetering van de kwaliteit van het leefmilieu, alsook de bescherming van de gezondheid van de mens, door de krachtens deel II van het waterwetboek genomen bepalingen aan te vullen.
Deze onderafdeling is van toepassing op het zwemwater omschreven in artikel R. 90, 3°. Ze is niet van toepassing op :
a) zwem- en kuurbaden;
b) ingesloten wateren die behandeld worden of voor therapeutische doeleinden gebruikt worden;
c) kunstmatig van het oppervlaktewater en het grondwater gescheiden ingesloten wateren.
Art. R106. La présente sous-section vise à préserver, à protéger et à améliorer la qualité de l'environnement ainsi qu'à protéger la santé humaine, en complétant les dispositions prises en vertu de la partie II du Code de l'Eau.
La présente sous-section s'applique aux eaux de baignade définies à l'article R. 90, 3°. Elle ne s'applique pas :
a) aux bassins de natation et de cure;
b) aux eaux captives qui sont soumises à un traitement ou sont utilisées à des fins thérapeutiques;
c) aux eaux captives artificielles séparées des eaux de surface et des eaux souterraines.
Art. R107. § 1. De Minister maakt jaarlijks een inventaris van de zwemwateren op het grondgebied van het Waalse Gewest. Hij bakent voor elk zwemwater een zwemzone af, maakt de lijst van de zwemzones op en werkt desnoods de in bijlage IX, punt a), bedoelde zwemzoneslijst bij [1 waarbij hij de eventuele opmerkingen uitgebracht door het publiek overeenkomstig R.115, § 4 behoorlijk in aanmerking neemt.]1.
§ 2. Indien nodig bakent de Minister voor elke vastgelegde zwemzone stroomopwaartszones af.
In de zin van deze onderafdeling wordt onder "stroomopwaartszone verstaan" : het geheel of een gedeelte van het hydrographische netwerk gelegen stroomopwaarts een zwemzone. De lijst van deze zones is opgenomen in bijlage IX, punt b).
De personeelsleden van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, maken een voorstel tot afbakening van de stroomopwaartszones op basis van een inventaris van de permanente of onregelmatige vervuilingsbronnen stroomopwaarts de zwemzone.
Op dezelfde wijze bakent de Minister desgevallend een stroomopwaartszone af voor elke grenszwemzone gelegen op het grondgebied van een ander Gewest of van een andere Staat en geeft hij de bevoegde overheden kennis daarvan.
Art. R107. § 1er. Le Ministre recense chaque année les eaux de baignade situées sur le territoire de la Région. Il délimite une zone de baignade pour chacune d'entre elles, dresse la liste des zones de baignade et au besoin, actualise la liste des zones de baignade visée à l'annexe IX, point a) [1 , en prenant dûment en considération les éventuelles observations du public émises en application de l'article R.115, § 4.]1.
§ 2. Lorsque cela s'avère nécessaire, le Ministre délimite des zones d'amont pour chaque zone de baignade déterminée.
Au sens de la présente sous-section on entend par "zone d'amont" : tout ou partie du réseau hydrographique situé à l'amont d'une zone de baignade. La liste de ces zones est reprise à l'annexe IX, point b).
Les agents de la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau, réalisent une proposition de délimitation des zones d'amont sur la base d'un inventaire des sources de pollution continues ou épisodiques en amont de la zone de baignade.
De la même manière, le Ministre délimite le cas échéant une zone d'amont pour chaque zone de baignade frontalière située sur le territoire d'une autre Région ou d'un autre Etat et en informe les autorités compétentes.
Art. R108. § 1. De parameters bedoeld in bijlage XV, punt A.1., worden gecontroleerd op de volgende wijze :
het toezichtspunt is hetzij de plaats van de zwemzones waar het grootste aantal zwemmers verwacht wordt, hetzij de plaats van de zwemzones waar het grootste vervuilingsrisico verwacht wordt, rekening houdend met het profiel van het zwemwater;
de bacteriologische kwaliteit van het zwemwater wordt tijdens het zwemseizoen [1 minstens maandelijks met een frequentie die voor elke zwemzone bepaald wordt door de Minister bevoegd voor Leefmilieu]1 opgevolgd [1 ...]1. De monsters worden elke maandag of diensdag van de betrokken week genomen door een erkend laboratorium dat door [1 het Departement Leefmilieu en Water van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu]1 geselecteerd wordt. Met ingang van die dagen kan een maximumtermijn van twee dagen toegestaan worden.
Bovendien wordt als preventieve maatregel wekelijks een monster genomen in de loop van de twee weken die aan het begin van het zwemseizoen voorafgaan;
de referentie-analysemethodes voor de in aanmerking genomen parameters worden opgegeven in bijlage XV, punt A. 1. De regels voor de behandeling van de monsters met het oog op analyse liggen vast in bijlage XV, punt D.
Het gebruik van andere methodes of regels is evenwel toegelaten als aangetoond kan worden dat de verkregen resultaten gelijkwaardig zijn aan die verkregen aan de hand van de referentie-analysemethodes opgegeven in bijlage XV, punt A. 1 en de regels bedoeld in bijlage XV, punt D. en mits kennisgeving aan de Europese commissie van alle relevante gegevens over de toegepaste methodes of regels en de gelijkwaardigheid ervan.
§ 2. Bij de monsterneming bedoeld in § 1 is het zwemwater het voorwerp van een visuele vervuilingscontrole om de aanwezigheid op te sporen van, bijvoorbeeld, teer-; glas-, plastic-, rubberresten of andere afvalstoffen. Wanneer een vervuiling van dat type vastgesteld wordt, neemt de Minister of zijn administratie de geschikte beheersmaatregelen, ook, desgevallend, om het publiek in te lichten.
§ 3. Een monster genomen in abnormale omstandigheden of in geval van vervuiling op korte termijn kan verwijderd worden uit het geheel van de gegevens die gebruikt worden voor de beoordeling van de zwemwaterkwaliteit. Bovendien kunnen de monsternemingen en analyses in abnormale omstandigheden geschorst worden. De monsternemingen worden dan zo snel mogelijk na de abnormale omstandigheden hervat, waarbij in dit geval minstens vier monsters over het gezamenlijke zwemseizoen genomen moeten worden; desnoods worden nieuwe monsters genomen in de plaats van de monsters die niet genomen konden worden.
§ 4. Zolang de gegevens over de zwemwaterkwaliteit na afloop van het in § 1 bedoelde toezicht op de parameters van vier opeenvolgende zwemseizoenen niet aan de Minister of zijn administratie zijn overgemaakt, wordt het toezicht op de in bijlage XV, punt A. 2., bedoelde parameters voortgezet bovenop het toezicht op de parameters bedoeld in bijlage XV, punt A. 1.
Art. R108. § 1er. Il est procédé à la surveillance des paramètres visés à l'annexe XV, point A.1., de la manière suivante :
le point de surveillance est soit l'endroit des zones de baignade où l'on s'attend à trouver le plus de baigneurs, soit l'endroit des zones de baignade où l'on s'attend au plus grand risque de pollution, compte tenu du profil des eaux de baignade;
le suivi de la qualité bactériologique des eaux de baignade est effectué lors de la saison balnéaire à une fréquence [1 au minimum mensuelle et déterminée pour chaque zone de baignade par le ministre qui a l'Environnement dans ses attributions]1 [1 ...]1. L'échantillonnage est réalisé chaque lundi ou mardi de la semaine concernée par un laboratoire agréé sélectionné par [1 le Département de l'Environnement et de l'Eau du Service public de Wallonie Agriculture, Ressources naturelles et Environnement]1. Un délai maximal de deux jours à compter de ces jours est admissible.
En outre, de manière préventive, un échantillon hebdomadaire est prélevé pendant la quinzaine qui précède le début de la saison balnéaire;
les méthodes d'analyse de référence pour les paramètres considérés sont indiquées à l'annexe XV, point A.1. Les règles de traitement des échantillons en vue d'analyse sont déterminées à l'annexe XV, point D.
Toutefois, le recours à d'autres méthodes ou règles est permis si la démonstration peut être faite que les résultats obtenus sont équivalents à ceux obtenus à l'aide des méthodes d'analyse de référence indiquées à l'annexe XV, point A.1. et des règles déterminées à l'annexe XV, point D. et moyennant la communication à la Commission européenne de toutes les informations pertinentes concernant les méthodes ou les règles utilisées et leur équivalence.
§ 2. Lors de la prise d'échantillons visée au § 1er, les eaux de baignade font l'objet d'un contrôle de pollution visuel visant à détecter la présence, par exemple, de résidus goudronneux, de verre, de plastique, de caoutchouc ou d'autres déchets. Lorsqu'une pollution de ce type est repérée, le Ministre ou son administration prend les mesures de gestion adéquates, y compris, le cas échéant, pour informer le public.
§ 3. Un échantillon pris lors de situations anormales ou en cas de pollution à court terme peut être écarté de l'ensemble des données utilisées pour l'évaluation de la qualité des eaux de baignade. En outre, les échantillonnages et analyses peuvent être suspendus lors de situations anormales. Les échantillonnages reprennent alors dès que possible après la fin de la situation anormale, sachant que dans ce cas, quatre échantillons au minimum doivent être prélevés sur l'ensemble de la saison balnéaire; au besoin, il est procédé au prélèvement de nouveaux échantillons pour remplacer les échantillons qui n'ont pu être prélevés.
§ 4. Tant que le Ministre ou son administration n'est pas en possession de données relatives à la qualité des eaux de baignade à l'issue de la surveillance des paramètres visée au § 1er, de quatre saisons balnéaires consécutives, la surveillance des paramètres visés à l'annexe XV, point A.2., continue à être effectuée outre la surveillance des paramètres visés à l'annexe XV, point A.1.
Art. R109. § 1. Na afloop van elk zwemseizoen wordt voor elke zwemzone de kwaliteit van het zwemwater beoordeeld. Ze wordt beoordeeld op grond van het geheel van de gegevens ingezameld na afloop van het in artikel R. 108, § 1, bedoelde toezicht op de parameters voor dat zwemseizoen en in de loop van de drie vorige zwemseizoenen. De beoordelingsprocedure wordt omschreven in bijlage XV, punt B. De eerste beoordeling vindt plaats na afloop van het vierde zwemseizoen waarvoor het in artikel R. 108, § 1, bedoelde toezicht op de parameters is uitgevoerd.
§ 2. Bij wijze van uitzondering kan de Minister beslissen dat de kwaliteit van een zwemwater beoordeeld wordt op grond van een geheel van gegevens betreffende de zwemwaterkwaliteit over drie zwemseizoenen. De Minister geeft de Europese commissie kennis daarvan. De duur van de beoordelingsperiode mag niet meer dan één keer om de vijf jaar gewijzigd worden.
§ 3. Bovendien kan de kwaliteit van een zwemwater beoordeeld worden op grond van gegevens betreffende de zwemwaterkwaliteit over minder dan vier zwemseizoenen :
de pas geïdentificeerde zwemzones;
in geval van veranderingen die een invloed kunnen hebben op de indeling van de zwemwateren. In dit geval wordt rekening gehouden met de gegevens die onmiddellijk volgen op de veranderingen.
§ 4. De Minister kan de bestaande zwemwateren indelen of hergroeperen op basis van de beoordelingen van de kwaliteit ervan op voorwaarde dat ze :
aangrenzend zijn;
overeenkomstig § 1 het voorwerp zijn geweest van gelijksoortige beoordelingen in de loop van de vier vorige jaren, en
zwemwaterprofielen hebben die alle al dan niet gemeenschappelijke risicofactoren vertonen.
Art. R109. § 1er. A l'issue de chaque saison balnéaire, il est procédé, pour chaque zone de baignade, à l'évaluation de la qualité des eaux de baignade. Cette évaluation est effectuée sur la base de l'ensemble des données recueillies à l'issue de la surveillance des paramètres visée à l'article R.108, § 1er, pour cette saison balnéaire et au cours des trois saisons balnéaires précédentes. La procédure d'évaluation est décrite à l'annexe XV, point B. La première évaluation est réalisée à l'issue de la quatrième saison balnéaire pour laquelle il a été procédé à la surveillance des paramètres visée à l'article R. 108, § 1er.
§ 2. Par exception, le Ministre peut décider que l'évaluation de la qualité d'une eau de baignade peut être réalisée sur la base d'un ensemble des données relatives à la qualité des eaux de baignade concernant trois saisons balnéaires. Le Ministre en informe alors la Commission européenne. La durée de la période d'évaluation ne peut être modifiée plus d'une fois tous les cinq ans.
§ 3. En outre, l'évaluation de la qualité d'une eau de baignade peut être réalisée sur la base des données relatives à la qualité des eaux de baignade concernant moins de quatre saisons balnéaires :
les zones de baignade nouvellement identifiées;
lorsque des changements sont intervenus, qui sont susceptibles d'affecter le classement des eaux de baignade. Dans ce cas, les données prises en compte sont les données qui suivent immédiatement les changements intervenus.
§ 4. Le Ministre peut diviser ou regrouper les eaux de baignade existantes à la lumière des évaluations de la qualité des eaux de baignade, à la condition que ces eaux de baignade existantes :
soient contiguës;
aient fait l'objet d'évaluations similaires pendant les quatre années précédentes conformément au § 1er, et
aient des profils d'eaux de baignade indiquant tous des facteurs de risque communs ou leur absence.
Art. R110. § 1. Na de beoordeling van de zwemwaterkwaliteit overeenkomstig artikel R. 109 deelt de Minister het zwemwater in onder "slechte", "aanvaarbare", "goede" of "uitstekende" kwaliteit, overeenkomstig de criteria die in bijlage XV, punt B, vastliggen.
De zwemwateren worden voor het eerst ingedeeld zodra de Minister in het bezit is van een geheel van gegevens betreffende de zwemwaterkwaliteit over vier opeenvolgende zwemseizoenen.
§ 2. De Regering neemt in het maatregelenprogramma per stroomgebied bedoeld in artikel D. 23 de nodige beheersmaatregelen opdat alle zwemwateren uiterlijk aan het einde van het zwemseizoen 2015 minstens van "aanvaardbare" kwaliteit zouden zijn, alsook de realistische en evenredige maatregelen die zij geschikt acht om het aantal zwemwateren waarvan de kwaliteit "uitstekend" of "goed" is te verhogen.
§ 3. Als een zwemwater onder "slechte" kwaliteit ingedeeld wordt, neemt de Minister elke geschikte beheersmaatregel, o.a. het zwemmen verbieden of sterk afraden vanaf het zwemseizoen dat op de indeling volgt, om te voorkomen dat de zwemmers aan vervuiling blootgesteld worden. Het publiek wordt in kennis gesteld van het verbod via de informatiemaatregelen bedoeld in artikel R. 115, met inbegrip van de waarschuwing d.m.v. een eenvoudig en duidelijk teken op het informatiepunt in de buurt van de zwemsite.
Bovendien worden met inwerkingtreding vanaf het zwemseizoen na de indeling de volgende maatregelen genomen :
opsporing van de oorzaken en redenen waarom de kwaliteit "aanvaardbaar" niet gehaald kon worden;
geschikte maatregelen om de vervuilingsbronnen te voorkomen, verminderen of weg te werken, en
informatieverstrekking aan het publiek, overeenkomstig artikel R. 115, van de oorzaken van de vervuiling en van de maatregelen genomen op grond van het profiel van de zwemwateren.
§ 4. Indien zwemwateren gedurende vijf opeenvolgende jaren van "slechte" kwaliteit zijn, kondigt de Minister een permanent zwemverbod af of raadt hij permanent zwemmen sterk af. Deze maatregelen kunnen vóór de termijn van vijf jaar genomen worden indien vaststaat dat het halen van de kwaliteit "aanvaardbaar" onmogelijk of te duur is. Het publiek wordt in kennis gesteld van het verbod, of van het bericht waarin het zwemmen sterk afgeraden wordt, via de informatiemaatregelen bedoeld in artikel R. 115, met inbegrip van de waarschuwing d.m.v. een eenvoudig en duidelijk teken op het informatiepunt in de buurt van de zwemsite.
Art. R110. § 1er. A la suite de l'évaluation de la qualité des eaux de baignade effectuée conformément à l'article R. 109, le Ministre effectue le classement des eaux de baignade en qualité "insuffisante", "suffisante", "bonne" ou "excellente", conformément aux critères établis à l'annexe XV, point B.
Le premier classement des eaux de baignade est effectué dès que le Ministre dispose d'un ensemble de données relatives à la qualité des eaux de baignade couvrant quatre saisons balnéaires consécutives.
§ 2. Le Gouvernement adopte, dans le programme de mesures par district hydrographique visé à l'article D. 23, les mesures de gestion nécessaires afin que toutes les eaux de baignade soient au moins de qualité "suffisante" au plus tard à la fin de la saison balnéaire 2015, ainsi que les mesures réalistes et proportionnées qu'il considère appropriées en vue d'accroître le nombre d'eaux de baignade dont la qualité est "excellente" ou "bonne".
§ 3. Lorsqu'une eau de baignade est classée comme étant de qualité "insuffisante", le Ministre prend toute mesure de gestion adéquate, notamment interdire ou déconseiller fortement la baignade dès la saison balnéaire qui suit le classement, en vue d'éviter que les baigneurs ne soient exposés à une pollution. Cette interdiction fait l'objet des mesures d'information du public visées à l'article R. 115, en ce compris l'avertissement du public par un signal simple et clair au point d'information situé à proximité du site de baignade.
Il est en outre procédé avec effet à partir de la saison balnéaire qui suit le classement :
à l'identification des causes et des raisons pour lesquelles une qualité "suffisante" n'a pu être atteinte;
la prise de mesures adéquates pour éviter, réduire ou éliminer les sources de pollution, et
l'information du public, conformément à l'article R. 115, des causes de la pollution et des mesures adoptées sur la base du profil des eaux de baignade.
§ 4. Si des eaux de baignade sont de qualité "insuffisante" pendant cinq années consécutives, le Ministre édicte une interdiction permanente de baignade ou déconseille fortement la baignade de façon permanente. Ces mesures peuvent être prises avant le délai de cinq ans s'il est établi qu'il serait impossible ou exagérément coûteux d'atteindre l'état de qualité suffisante. L'interdiction, ou l'avis déconseillant fortement la baignade, fait l'objet des mesures d'information du public visées à l'article R. 115, en ce compris l'avertissement du public par un signal simple et clair au point d'information situé à proximité du site de baignade.
Art. R111. De Minister legt uiterlijk 24 maart 2015 een profiel van elk zwemwater vast. De profielen van de zwemwateren worden vastgelegd, herzien en geactualiseerd met inachtneming van de voorschriften en de periodiciteit vermeld in bijlage XV, punt C, en door een geschikt gebruik te maken van de relevante gegevens verkregen bij de controles en de beoordelingen die overeenkomstig de artikelen D. 19 en D. 20 uitgevoerd worden.
Art. R111. Le Ministre établit un profil de chaque eau de baignade pour le 24 mars 2011 au plus tard. Les profils des eaux de baignade sont établis, révisés et actualisés conformément aux prescriptions et à la périodicité détaillées à l'annexe XV, point C, et en utilisant adéquatement les données pertinentes obtenues lors des surveillances et des évaluations effectuées en application des articles D.19 et D.20.
Art. R112. (§ 1. De inspecteur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, neemt ten gepaste tijde geschikte beheersmaatregelen indien hij kennis heeft van buitengewone of onvoorziene omstandigheden die negatieve gevolgen hebben of kunnen hebben voor de kwaliteit van de zwemwateren en de gezondheid van de zwemmers. Hij kondigt desnoods een tijdelijk zwemverbod af in de zwemzones die hij bepaalt.
Hij bezorgt de betrokken gemeenten onmiddellijk de lijst van de zwemzones waar het zwemmen verboden is; deze lijst wordt aangeplakt op de aankondigingenborden van de gemeente. Bovendien wordt het zwemverbod door de gemeenten zichtbaar aangeplakt op het informatiepunt dat zich vlakbij elke betrokken zwemzone bevindt. De lijst van de zwemzones waar de in het vorige lid bedoelde maatregelen genomen worden, kan ingekeken worden op de Internetsite "Portail environnement" van het Waalse Gewest.
§ 2. De maatregel tot tijdelijk zwemverbod wordt opgeheven door de inspecteur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, en die opheffing is het voorwerp van de mededelings- en verspreidingsmaatregelen bedoeld in het vorige lid.
§ 3. Als de Minister kennis heeft van omstandigheden die de kwaliteit van de zwemwateren van een Gewest of van een buurland kunnen aantasten, brengt hij de bevoegde overheden onmiddellijk op de hoogte daarvan.)
Art. R112. (§ 1er. L'inspecteur général de la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau, prend des mesures de gestion adéquates en temps utile lorsqu'il a connaissance de circonstances exceptionnelles ou imprévisibles ayant, ou pouvant vraisemblablement avoir, une incidence négative sur la qualité des eaux de baignade et sur la santé des baigneurs, et prononce, si nécessaire, l'interdiction temporaire de baignade dans les zones de baignade qu'il détermine.
Il communique immédiatement aux communes concernées la liste des zones de baignade dans lesquelles la baignade est interdite; cette liste est affichée aux valves communales. En outre, les communes procèdent à un affichage visible de l'interdiction de baignade au point d'information installé à proximité immédiate de chaque zone de baignade concernée La liste des zones de baignade dans lesquelles les mesures visées à l'alinéa précédent ont été prises est mise en ligne sur le site Internet Portail environnement de la Région wallonne.
§ 2. La levée de la mesure d'interdiction temporaire de baignade est effectuée par l'inspecteur général de la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau, et fait l'objet des mesures de communication et de diffusion visées au paragraphe précédent.
§ 3. Lorsque le Ministre a connaissance de circonstances qui peuvent affecter la qualité des eaux de baignade d'une Région ou d'un Etat voisin, il en informe immédiatement les autorités compétentes.)
Art. R113. Als het profiel van de zwemwateren wijst op potentieel gevaar voor proliferatie van cyanobacteriën, wordt een geschikt toezicht uitgeoefend om de sanitaire risico's ten gepaste tijde te kunnen opsporen.
[1 Wanneer het zwemwaterprofiel een neiging tot proliferatie van macroalgen vertoont, wordt er onderzoek verricht teneinde de aanvaardbaarheid en gezondheidsrisico's ervan vast te stellen.]1
In geval van proliferatie van cyanobacteriën [1 of macroalgen]1 en indien een sanitair risico is opgespoord of wordt vermoed, neemt de inspecteur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, onmiddellijk de geschikte beheersmaatregelen om het publiek te informeren en blootstelling van de zwemmers te voorkomen, desnoods met inbegrip van het tijdelijke zwemverbod. De maatregelen betreffende de verspreiding van dat verbod, de aanplakking door de gemeenten en de opheffing van het verbod worden overeenkomstig artikel R. 112 genomen.
Art. R113. Lorsque le profil des eaux de baignade indique un risque potentiel de prolifération de cyanobactéries, une surveillance appropriée est effectuée pour permettre d'identifier en temps utile les risques sanitaires.
[1 Lorsque le profil des eaux de baignade indique une tendance à la prolifération de macroalgues, des enquêtes sont menées pour déterminer si leur présence est acceptable et pour identifier les risques sanitaires.]1
En cas de prolifération de cyanobactéries [1 ou de macroalgues]1 et lorsqu'un risque sanitaire a été identifié ou est présumé, l'Inspecteur général de la Direction générale des ressources naturelles et de l'environnement, Division de l'eau, prend immédiatement les mesures de gestion adéquates afin d'assurer l'information du public et de prévenir l'exposition des baigneurs, en ce compris le cas échéant l'interdiction temporaire de baignade. Les mesures relatives à la diffusion de cette interdiction, à l'affichage par les communes et à la levée de l'interdiction, sont effectuées conformément à l'article R. 112.
Art. R114.
Art. R114.
Art. R115. [1 § 1.]1 Er wordt in een zichtbaar informatiepunt voorzien op een toegankelijke plek vlakbij elke zwemzone. Het wordt duidelijk aangegeven. (Onverminderd de artikelen R. 112, §§ 1 en 2, en R. 113, kan op dat informatiepunt over de hele duur van het zwemseizoen volgende informatie [1 snel]1 verkregen worden :
)
een algemene niet technische omschrijving van de zwemwateren, gegrond op het overeenkomstig bijlage XV, C, vastgelegde profiel van de zwemwateren;
indien de zwemwateren blootgesteld zijn aan vervuilingen op korte termijn :
- de melding dat ze vervuilingen op korte termijn vertonen,
- het aantal dagen waarop het zwemmen wegens een dergelijke vervuiling verboden of afgeraden werd in de loop van het vorige zwemseizoen, en
- een waarschuwing telkens als een dergelijke vervuiling verwacht wordt of zich voordoet;
gegevens over de aard en de voorziene duur van de abnormale toestanden tijdens dergelijke gebeurtenissen;
indien het zwemmen verboden of afgeraden wordt, een bericht waarin informatie aan het publiek verstrekt wordt en de desbetreffende redenen uitgelegd worden;
in het geval van een permanent zwemverbod of van een permanent bericht waarin het zwemmen afgeraden wordt, het feit dat de betrokken zone geen zwemwater meer is en de redenen waarom het niet langer ingedeeld is, en
de melding van uitvoerigere informatiebronnen overeenkomstig § 2.
§ 2. De gegevens bedoeld in de vorige paragraaf kunnen ook [1 snel]1 ingekeken worden op de Internetsite "portail environnement" van het Waalse Gewest, net zoals de volgende gegevens :
de lijst van de zwemwateren en de lokalisatie van de zwemzones d.m.v. een interactieve kaart;
de indeling van elk zwemwater in de loop van de laatste drie jaren, alsook het profiel ervan, met inbegrip van de resultaten van het toezicht dat sinds de vorige indeling overeenkomstig [1 deze onderafdeling]1 is uitgeoefend;
voor de zwemwateren ingedeeld onder "slechte kwaliteit", gegevens over de vervuilingsbronnen en de maatregelen genomen om blootstelling van de zwemmers aan de vervuiling te voorkomen en de oorzaken ervan te bestrijden, en
voor de zwemwateren die vervuilingen op korte termijn vertonen, algemene gegevens betreffende :
- de voorwaarden die aanleiding kunnen geven tot vervuilingen op korte termijn;
- de kans dat een dergelijke vervuiling zich voordoet en de vermoedelijke duur ervan;
- de vervuilingsbronnen en de maatregelen genomen om blootstelling van de zwemmers aan de vervuiling te voorkomen en de oorzaken ervan te bestrijden.
De lijst bedoeld in [1 ]1 is jaarlijks verkrijgbaar vóór het begin van het zwemseizoen. De resultaten van de controles bedoeld in [1 ]1 kunnen na voltooiing van de analyse ingekeken worden op de Internetsite bedoeld in deze paragraaf.
§ 3. De gegevens bedoeld in de §§ 1 en 2 worden bekendgemaakt zodra ze beschikbaar zijn vanaf 24 maart 2012.
§ 4. Elke opmerking i.v.m. [1 de opstelling, de herziening en de updating van de lijsten van het zwemwater of]1 het beheer van de zwemwateren kan gericht worden aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, die de in de loop van het afgelopen jaar ontvangen relevante opmerkingen centraliseert, samenvat en opneemt in het jaarverslag over het beheer van de kwaliteit van de zwemwateren. Dat verslag wordt aan de Minister overgemaakt. De Regering houdt rekening met dat verslag bij het uitwerken van zijn beleid terzake.
Art. R115. [1 § 1er.]1 Un point d'information est aménagé de façon visible, à un endroit accessible à proximité immédiate de chaque zone de baignade. Il fait l'objet d'une signalisation claire. (Sans préjudice de l'article R. 112, §§ 1er et 2, et R. 113, les informations suivantes sont disponibles [1 rapidement]1, pendant toute la durée de la saison balnéaire, à ce point d'information) :
le classement actuel des eaux de baignade ainsi que tout avis interdisant ou déconseillant la baignade, au moyen d'un signe ou d'un symbole simple et clair;
une description générale des eaux de baignade, en termes non techniques, fondée sur le profil des eaux de baignade établi conformément à l'annexe XV, C ;
dans le cas d'eaux de baignade exposées à des pollutions à court terme :
- l'indication que ces eaux de baignade présentent des pollutions à court terme,
- une indication du nombre de jours pendant lesquels la baignade a été interdite ou déconseillée au cours de la saison balnéaire précédente à cause d'une telle pollution, et
- un avertissement chaque fois qu'une telle pollution est prévue ou se produit;
des informations sur la nature et la durée prévue des situations anormales au cours de tels événements;
si la baignade est interdite ou déconseillée, un avis en informant le public et en expliquant les raisons;
si une interdiction permanente de se baigner ou un avis permanent déconseillant la baignade sont établis, le fait que la zone concernée n'est plus une eau de baignade et les raisons de son déclassement, et
l'indication de sources d'informations plus complètes conformément au § 2.
§ 2. Les informations visées au paragraphe précédent sont également diffusées [1 rapidement]1 sur le site Internet portail environnement de la Région wallonne, de même que les informations suivantes :
la liste des eaux de baignade et la localisation des zones de baignade au moyen d'une carte interactive;
le classement de chaque eau de baignade au cours des trois dernières années ainsi que son profil, y compris les résultats de la surveillance effectuée conformément [1 à la présente sous-section]1 depuis le classement précédent;
pour les eaux de baignade classées comme étant de qualité "insuffisante", des informations sur les sources de pollution et les mesures prises en vue de prévenir l'exposition des baigneurs à la pollution et de s'attaquer à ses causes, et
pour les eaux de baignade présentant des pollutions à court terme, des informations générales concernant :
- les conditions susceptibles de conduire à des pollutions à court terme;
- la probabilité de survenance d'une telle pollution et sa durée probable;
- les sources de pollution et les mesures prises en vue de prévenir l'exposition des baigneurs à la pollution et de s'attaquer à ses causes.
La liste visée au[1 ]1 est disponible chaque année avant le début de la saison balnéaire. Les résultats des surveillances visées [1 ]1 sont disponibles sur le site Internet visé au présent paragraphe après achèvement de l'analyse.
§ 3. Les informations visées aux §§ 1er et 2 sont diffusées dès qu'elles sont disponibles à dater du 24 mars 2012.
§ 4. Toute observation relative à [1 l'établissement, à la révision et à l'actualisation de la liste des eaux de baignade ou relative à]1 la gestion de la qualité des eaux de baignade peut être adressée à la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau, qui centralise les observations pertinentes reçues au cours de l'année écoulée, les synthétise et en tient compte dans la rédaction du rapport annuel sur la gestion de la qualité des eaux de baignade. Ce rapport est transmis au Ministre. Le Gouvernement prend ce rapport en considération dans l'élaboration de sa politique en la matière.
Art. R116. § 1. Het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, bezorgt de Europese commissie jaarlijks uiterlijk 31 december voor elke zwemzone een verslag met de resultaten van de controle op en de beoordeling van de kwaliteit van de zwemwateren, alsook een omschrijving van de belangrijke beheersmaatregelen die genomen worden; deze gegevens slaan op het vorige zwemseizoen. Deze verplichting gaat in zodra de beoordeling van de kwaliteit van de zwemwateren voor het eerst vastligt, overeenkomstig artikel R 109.
§ 2. Het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, geeft de Commissie jaarlijks vóór het begin van het zwemseizoen kennis van alle als zwemwater geïdentificeerde wateren, met inbegrip van de redenen om elke wijziging t.o.v. het vorige jaar.
§ 3. Zolang de beoordeling van de kwaliteit van de zwemwateren niet vastligt krachtens artikel R. 109, wordt het jaarverslag uitgewerkt overeenkomstig de parameters bedoeld in bijlage XV, punt A. 2. De parameter 1 bedoeld in bijlage XV, punt A. 2. wordt evenwel niet opgenomen in dat verslag en de parameters 2 en 3 worden beschouwd als gelijkwaardig aan de parameters 2 en 1 van bijlage XV, punt A. 1.
Art. R116. § 1er. Chaque année, au plus tard le 31 décembre, la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau, communique à la Commission européenne, pour chaque zone de baignade, un rapport comprenant les résultats de la surveillance et de l'évaluation de la qualité des eaux de baignade, ainsi qu'une description des mesures de gestion importantes qui ont été prises; ces informations sont relatives à la saison balnéaire précédente. Cette obligation prend cours dès que l'évaluation de la qualité des eaux de baignade a été établie pour la première fois, conformément à l'article R 109.
§ 2. La Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau, notifie chaque année à la Commission, avant le début de la saison balnéaire, toutes les eaux identifiées comme eaux de baignade, y compris les raisons de toute modification par rapport à l'année précédente.
§ 3. Tant que l'évaluation de la qualité des eaux de baignade n'a pas été établie en vertu de l'article R. 109, le rapport annuel continue à être élaboré en vertu des paramètres visées à l'annexe XV, point A. 2. Toutefois, le paramètre 1 visé à l'annexe XV, point A.2. n'est pas pris en compte dans ce rapport, et les paramètres 2 et 3 sont considérés comme équivalents aux paramètres 2 et 1 de l'annexe XV, point A.1.
Art. R117. (Opgeheven).
Art. R117. (Abrogé)
Onderafdeling IV. - Vaststelling van de algemene immissienormen van viswater.
Sous-section 4. - Fixation des normes générales d'immiscions des eaux piscicoles.
Art. R118.
Art. R118.
Art. R119.
Art. R119.
Art. R120.
Art. R120.
Art. R121.
Art. R121.
Art. R122.
Art. R122.
Art. R123.
Art. R123.
Art. R124.
Art. R124.
Onderafdeling V. - Aanwijzing van beschermingszones van oppervlaktewater.
Sous-section 5. - Désignation des zones de protection des eaux de surface.
Art. R125. [1 Als beschermingszones in de zin van artikel D.156, § 1, gelden de zones van tot drinkwater verwerkbaar water aangewezen in bijlage XVII]1
Art. R125. [1 Sont des zones de protection au sens de l'article D.156, § 1er, les zones d'eaux potabilisables indiquées à l'annexe XVII. ]1
Art. R126. Wanneer de aangewezen beschermingszones een waterloop tot de bron ervan niet omvatten, kan een stroomopwaartse zone op die waterloop worden gevestigd.
De stroomopwaartse zones worden aangegeven [1 in bijlage XVII]1 volgens de beschermingszone waarop zij betrekking hebben.
Art. R126. Lorsque les zones de protection indiquées n'englobent pas un cours d'eau jusqu'à sa source, il peut être établi sur ce cours d'eau une zone d'amont.
Les zones d'amont sont indiquées [1 dans l'annexe XVII]1) selon la zone de protection à laquelle elles se rapportent.
Art. R127. [1 De waarden van de parameters die in de in artikel 125 bedoelde zones van toepassing zijn, zijn de algemene immissienormen die voorzien zijn in de artikelen R.92 en R.93.
Op het punt voor de omtrekking van tot drinkwater verwerkbaar water en in hun voorkomingsgebied, worden de aanvullende parametrische waarden bepaald in artikel R.104 van toepassing.]1

Art. R127. [1 Les valeurs paramétriques applicables dans les zones visées à l'article R.125 sont les normes générales d'immission prévues aux articles R.92 et R.93.
Au point de captage des zones d'eaux potabilisables et dans leur zone de prévention, les valeurs paramétriques additionnelles fixées à l'article R.104 sont applicables.]1

Art. R128.
Art. R128.
Art. R129. De referentie-meetmethoden en de minimumfrequenties van bemonstering, analyse en inspectie met betrekking tot de beschermingszones en tot de stroomopwaartse zones zijn die vastgesteld in het reglement inzake algemene immissienormen die respectievelijk voorzien zijn in de artikelen [1 R.92, R.93 en R.103]1.
Bij gebreke aan de in het reglement inzake algemene immissienormen bepaalde methoden, kan de Minister een methode vaststellen.
Art. R129. Les méthodes de référence et les fréquences minimales d'échantillonnage, d'analyse et d'inspection se rapportant aux zones de protection et aux zones d'amont sont celles fixées dans la réglementation relative aux normes générales d'immiscions prévues aux articles [1 R.92, R.93 et R.103]1.
En l'absence de méthodes fixées dans la réglementation relative aux normes générales d'immiscions, le Ministre peut en définir une.
Art. R130. (Opgeheven)
Art. R130. (Abrogé)
Afdeling II. - Bescherming van het oppervlaktewater tegen de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen.
Section 2. - Protection des eaux de surface contre la pollution causée par certaines substances dangereuses.
Onderafdeling I. - Toepassingsgebied en begripsomschrijving.
Sous-section 1re. - Champ d'application et définition.
Art. R131.
Art. R131.
Art. R132.
Art. R132.
Onderafdeling II. - Bepaling van de relevante gevaarlijke stoffen in het Waalse Gewest en de desbetreffende kwaliteitsdoelstellingen.
Sous-section 2. - Détermination des substances dangereuses pertinentes en Région wallonne et des objectifs de qualité y associés.
Art. R133. § 1. [1 De stoffen die opgenomen kunnen worden op de lijst van de relevante gevaarlijke stoffen in het Waalse Gewest worden eerst gezocht onder :
de stoffen van lijst I en II van bijlage I van Richtlijn 2006/11/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 15 februari 2006 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd;
de stoffen van bijlage VII van het decretale gedeelte van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt;
de stoffen van bijlage I van het regelgevend gedeelte van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt;
de stoffen van bijlage Xbis van het regelgevend gedeelte van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt.
Deze stoffen worden vermeld in kolom 2 van de tabel opgenomen in bijlage VII.]1

§ 2. De lijst van de relevante stoffen in het Waalse Gewest wordt vastgesteld op grond van meetcampagnes voor het oppervlaktewater.
§ 3. Een stof die op lijst II opgenomen kan worden, wordt als relevant beschouwd zodra haar concentratie in het water die over minimum één jaar wordt gemeten, één keer de door het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water; bepaalde vaststellingsgrens overschrijdt.
De in het Waalse Gewest geïdentificeerde relevante stoffen worden vermeld in [2 kolom 10]2 van de tabel opgenomen in bijlage (VII).
§ 4. [3 ...]3.
§ 5. [4 ...]4
Art. R133. § 1er. [1 Les substances candidates à la liste des substances dangereuses pertinentes en Région wallonne sont recherchées prioritairement parmi celles :
reprises dans les listes I et II de l'annexe Ire de la Directive 2006/11/CE du Parlement européen et du Conseil du 15 février 2006 concernant la pollution causée par certaines substances dangereuses déversées dans le milieu aquatique de la Communauté;
de l'annexe VII de la partie décrétale du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau;
reprises à l'annexe Ire de la partie réglementaire du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau;
de l'annexe Xbis de la partie réglementaire du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau.
Ces substances sont reprises dans la colonne 2 du tableau repris dans l'annexe VII.]1

§ 2. La liste des substances pertinentes en Région wallonne est établie sur base de campagnes de mesure des eaux de surface.
§ 3. Une substance candidate est jugée pertinente dès que sa concentration mesurée dans l'eau sur une période minimale d'un an, dépasse une fois la limite de détermination élaborée préalablement par la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau.
Les substances pertinentes identifiées en Région wallonne sont reprises dans la [2 colonne 10]2 du tableau repris dans l'annexe (VII).
§ 4. [3 ...]3.
§ 5. [4 ...]4.
Art. R134. De kwaliteitsdoelstellingen gelden niet voor de oppervlaktewateren of voor bepaalde gedeelten ervan :
in geval van buitengewone droogte;
wegens wetenschappelijk vastgestelde geologische natuurlijke eigenschappen of andere, die van dien aard zijn dat ze de waterkwaliteit aantasten.
Art. R134. Les objectifs de qualité ne sont pas d'application pour les eaux de surface ou pour certains de leurs tronçons :
en cas de sécheresse exceptionnelle;
en raison de caractéristiques naturelles géologiques ou autres, scientifiquement établies, qui sont de nature à altérer la qualité de l'eau.
Art. R135.
Art. R135.
Onderafdeling III.
Sous-section 3.
Art. R136.
Art. R136.
Art. R137.
Art. R137.
Art. R138.
Art. R138.
Onderafdeling IV.
Sous-section 4.
Art. R139.
Art. R139.
Art. R140.
Art. R140.
Art. R141.
Art. R141.
Afdeling III. - Gecombineerde aanpak.
Section 3. - Approche combinée.
Art. R142. De wetgevingen bedoeld in artikel 160, § 2, 3°, van het decreetgevende deel worden opgesomd in bijlage (XIX).
Art. R142. Les législations visées à l'article 160, § 2, 3°, de la partie décrétale, sont énumérées à l'annexe (XIX).
Art. R142 bis.
Art. R142 bis.
Afdeling IV. [1 - Bescherming van de oppervlaktewateren tegen schade door de toegang van vee tot waterlopen.]1
Section 4. [1 - Protection des eaux de surface contre les atteintes liées à l'accès du bétail.]1
Art. R142 ter. [1 De Minister van Leefmilieu kan de toegang van vee tot de waterlopen in de specifieke gebieden verbieden wanneer dit het nastreven van de doelen bedoeld in artikel D.22, § 1, 1°, bemoeilijkt.]1
Art. R142 ter. [1 Le Ministre de l'Environnement peut interdire l'accès du bétail aux cours d'eau dans des zones spécifiques lorsque celui-ci compromet l'atteinte des objectifs définis à l'article D.22, § 1er, 1°.]1
Art. R142 quater.
Art. R142 quater.
HOOFDSTUK III. - Bescherming van grondwater en van water gebruikt voor het winnen van tot drinkwater verwerkbaar water.
CHAPITRE III. - Protection des eaux souterraines et des eaux utilisées pour le captage d'eau potabilisable.
Afdeling I. [1 Begripsomschrijvingen]1
Section 1re. [1 Définitions]1
Art. R143. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
motorsportactiviteiten: snelheids- of behendigheidsproeven, testritten, oefensessies of recreatieve gebruikswijzen waarbij automobiele rijtuigen ingezet worden;
administratie: het Departement Leefmilieu en Water van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu;
exploitant: exploitant in de zin van artikel 1, lid 1, 8°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning;
oppervlakteïnstallatie: deel van het bouwwerk voor waterwinning dat aan de oppervlakte gelegen is, evenals het gebouw ter bescherming ervan, met inbegrip van de verluchtingssystemen en de kijkgaten;
Minister: de Minister bevoegd voor Leefmilieu;
"pesticide", ofwel:
a) een gewasbeschermingsmiddel in de zin van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad;
b) een biocide in de zin van Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de aanbieden en het gebruik van biociden;
watervlak: het reservoir van een stuwdam;
proefpomping: pomping waarbij een duur van twaalf maanden niet overschreden wordt, uitgevoerd met het oog op de bepaling van de kenmerken van de aangesproken grondwaterlaag;
tijdelijke pomping: pomping uitgevoerd bij civieltechnische publieke of privé-werken; réservoir
10° waterwinning: verrichting waarbij tot drinkwater verwerkbaar oppervlaktewater of grondwater afgenomen wordt;
11° bovengrondse watertank: watertank die geplaatst kan worden, ofwel in de open lucht, ofwel in een al dan niet ondergronds lokaal, ofwel in een niet wederopgevulde put;
12° ingegraven watertank: watertank die geheel of ten dele onder de bodem gelegen is en waarvan de wanden rechtstreeks in aanraking is met de grond eromheen of de opvulspecie;
13° auto: automobiel voertuig in de zin van artikel 2.21 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg.
Betreffende 1° zijn de recreatieve gebruikswijzen van voertuigen die, welke beoogd zijn bij rubriek 92.61.10 van bijlage 1 bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van aan een milieueffectenstudie onderworpen projecten en ingedeelde installaties en activiteiten.]1

Art. R143. [1 Pour l'application du présent chapitre, l'on entend par :
activités de sports moteurs : les épreuves de vitesse ou d'adresse, les essais, les entraînements, ou les usages récréatifs, utilisant les véhicules automobiles ;
Administration : le Département de l'Environnement et de l'Eau du Service public de Wallonie Agriculture, Ressources naturelles et Environnement ;
exploitant : l'exploitant au sens de l'article 1er, alinéa 1er, 8°, du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ;
installation de surface : la partie de l'ouvrage de prise d'eau située en surface ainsi que le bâtiment le protégeant, y compris les systèmes d'aération et les regards de contrôle ;
Ministre " : le Ministre ayant l'Environnement dans ses attributions ;
" pesticide " : soit :
a) un produit phytopharmaceutique au sens du règlement (CE) n° 1107/2009 du Parlement européen et du Conseil du 21 octobre 2009 concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et abrogeant les directives 79/117/CEE et 91/414/CEE du Conseil ;
b) un produit biocide au sens du règlement (UE) n° 528/2012 du Parlement européen et du Conseil du 22 mai 2012 concernant la mise à disposition sur le marché et l'utilisation des produits biocides ;
plan d'eau: réservoir de barrage ;
pompage d'essai : pompage n'excédant pas une durée de douze mois réalisé en vue de déterminer les caractéristiques de l'aquifère sollicité ;
pompage temporaire : pompage réalisé à l'occasion de travaux de génie civil publics ou privés ;
10° prise d'eau : l'opération de prélèvement d'eau de surface potabilisable ou d'eau souterraine ;
11° réservoir aérien : un réservoir qui peut être soit placé à l'air libre, soit dans un local souterrain ou non, soit dans une fosse non remblayée ;
12° réservoir enterré : un réservoir qui se trouve totalement ou partiellement en dessous du niveau du sol et dont les parois sont directement en contact avec la terre environnante ou le matériau de remblai ;
13° véhicule automobile : le véhicule automobile au sens de l'article 2.21 de l'arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique.
Concernant le 1°, les usages récréatifs de véhicules sont ceux visés par la rubrique 92.61.10 de l'annexe 1re de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et activités classées.]1

Afdeling 2. [1 - Oppervlaktewaterwinningen van tot drinkwater verwerkbaar water en waterwinnings-, voorkomings- en toezichtsgebieden]1
Section 2. [1 - Prises d'eau de surface potabilisable et zones de prise d'eau, de prévention et de surveillance]1
Onderafdeling 1. [1 - Oppervlaktewaterwinningen van tot drinkwater verwerkbaar water en waterwinningsgebieden]1
Sous-section 1re. [1 - Prises d'eau de surface potabilisable et zones de prise d'eau]1
Art. R144. [1 § 1. Onverminderd de algemene voorwaarden, vastgesteld bij de Waalse Regering krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning voldoen de oppervlaktewaterwinningen voor tot drinkwater verwerkbaar water aan volgende minimumvoorwaarden:
de kwaliteit van het oppervlaktewater waarin de afname plaatsvindt, wordt gevrijwaard;
de afgenomen waterkwaliteit brengt geenszins het ecologisch en sanitair evenwicht van het oppervlaktewater in het gedrang;
de veiligheid van de personen en de goederen wordt niet aangetast door de afnames verricht in het tot drinkwater verwerkbaar oppervlaktewater.
§ 2. De administratie kan nagaan, of de regelingen voor het meten van de volumes, van het waterpeil en de afname van stalen in het bouwwerk voor waterwinning zich in goede staat bevonden; ze wordt ingelicht over iedere wijziging of vervanging van deze regelingen.
De houder van een milieuvergunning voor inrichtingen die een waterwinning bevatten deelt de administratie, uiterlijk ieder jaar op 31 maart, het volume water mee dat in de loop van het voorgaande jaar is afgenomen, en over het algemeen ieder gegeven dat verband houdt met de voorwaarden van de milieuvergunning en de nadere regels voor het gebruik van de waterwinning.]1

Art. R144. [1 § 1er. Sans préjudice des conditions générales arrêtées par le Gouvernement en vertu du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, les prises d'eau de surface potabilisable satisfont aux conditions minimales suivantes :
la qualité de l'eau de surface dans laquelle s'effectue le prélèvement est préservée ;
la quantité d'eau prélevée ne compromet pas l'équilibre écologique et sanitaire de l'eau de surface ;
la sécurité des personnes et des biens n'est pas affectée par des prélèvements effectués dans l'eau de surface potabilisable.
§ 2. L'Administration peut contrôler le bon état des dispositifs de mesure de comptage des volumes, de mesure des niveaux d'eau et de prise d'échantillons dans l'ouvrage de prise d'eau; elle est informée de toute modification ou remplacement de ces dispositifs.
Le titulaire d'un permis d'environnement portant sur des établissements comportant une prise d'eau communique à l'Administration, au plus tard le 31 mars de chaque année, le volume d'eau captée au cours de l'année précédente et généralement toute autre donnée se rapportant aux conditions du permis d'environnement et aux modalités d'utilisation de la prise d'eau.]1

Art. R145. [1 § 1. De oppervlaktewaterwinningen voor tot drinkwater verwerkbaar water worden in twee categorieën opgedeeld.
Categorie A bevat alle waterwinningen, daaronder inbegrepen de winningen door particulieren met uitsluitend gebruik voor hun gezin, uitgezonderd de winningen uit categorie B.
Categorie B omvat de waterwinningen ten behoeve van:
de publieke distributie;
de menselijke consumptie;
de vervaardiging van voedingsmiddelen;
de bevoorrading van de publieke installaties van zwembaden, baden, douches of andere gelijksoortige installaties.
§ 2. De oppervlaktewaterwinningen voor tot drinkwater verwerkbaar water uit categorie B worden opgedeeld in drie subcategorieën:
subcategorie B.1, die iedere waterwinning omvat uit onbevaarbare waterlopen;
subcategorie B.2, die iedere waterwinning omvat uit watervlakken;
subcategorie B.3, die iedere waterwinning omvat uit bevaarbare waterlopen.]1

Art. R145. [1 § 1er. Les prises d'eau de surface potabilisable sont réparties en deux catégories.
La catégorie A comprend toutes les prises d'eau, y compris celles réalisées par des personnes privées à l'usage exclusif de leur ménage, à l'exception de celles rentrant dans la catégorie B.
La catégorie B comprend les prises d'eau destinées à :
la distribution publique ;
la consommation humaine ;
la fabrication de denrées alimentaires ;
l'alimentation des installations publiques de piscines, bains, douches ou autres installations similaires.
§ 2. Les prises d'eau de surface potabilisable de catégorie B sont réparties en trois sous catégories :
la sous-catégorie B.1 qui comprend toute prise d'eau effectuée dans un cours d'eau non navigable ;
la sous-catégorie B.2 qui comprend toute prise d'eau effectuée dans un plan d'eau;
la sous-catégorie B.3 qui comprend toute prise d'eau effectuée dans un cours d'eau navigable.]1

Art. R146. [1 § 1. Er wordt om ieder bouwwerk voor waterwinningen van tot drinkwater verwerkbaar water een waterwinningsgebied aangelegd.
Het waterwinningsgebied wordt op grond van een terreinonderzoek aangelegd. Doel ervan is, de impact te berken van de onmiddellijke vervuilingsbronnen in de oppervlakte-installaties die strikt noodzakelijk zijn voor de winning en behandeling van water. Het afbakenen van dat gebied is een taak van de exploitant van de waterwinning met instemming van de beheerder van het watervlak of de waterloop voor de waterwinningen uit categorieën B.2 en B.3, en is daadwerkelijk zodra inbedrijfname ervan. Dit aldus opgerichte gebied wordt zone I genoemd.
§ 2. Het waterwinningsgebied wordt beschermd door een omheining of een andere toegangsbeschermende regeling.
Op het deel van het gebied, gelegen in de waterloop of in het watervlak waar geen omheining mogelijk is, wordt, stroomopwaarts ten opzichte van de waterwinning, een drijvend scherm zoals een ring of een gordel van boeien aangelegd. Indien dit drijvend scherm onmogelijk aangelegd kan worden, om redenen als veiligheid of de vrije waterdoorstroming, kan een eenvoudige waarschuwingsboei ter hoogte van de waterwinning geplaatst worden.
Op de oever worden verkeersborden voor waterwingebied aangebracht.
§ 3. In het waterwinninsgebied wordt iedere andere activiteit dan die verband houdend met waterafname of -behandeling verboden. Het gebruik van met name pesticiden is verboden. Enkel het manueel, mecahnisch of thermisch wieden wordt toegelaten.
§ 4. Er kunnen in het in artikel R.157 bedoeld ministerieel besluit ter afbakening van het (de) voorkomingsgebied(en) aanvullende maatregelen voor de bescherming van het waterwinningsgebied nader worden bepaald.]1

Art. R146. [1 § 1er. Une zone de prise d'eau est établie autour de tout ouvrage de prise d'eau de surface potabilisable.
La zone de prise d'eau est établie sur base d'une étude de terrain. Elle a pour but de limiter les impacts des sources de pollution immédiates dans les installations en surface strictement nécessaires à la prise d'eau et au traitement de l'eau. La délimitation de cette zone incombe à l'exploitant de la prise d'eau, avec l'accord du gestionnaire du plan d'eau ou du cours d'eau pour les prises d'eau de catégories B.2 et B.3, et est effective dès la mise en service de celle-ci. Cette zone ainsi constituée est appelée zone I.
§ 2. La zone de prise d'eau est protégée par une clôture ou un autre dispositif qui en protège l'accès.
Toutefois, sur la partie de la zone située sur le cours d'eau ou sur le plan d'eau qui ne peut pas être clôturée, un barrage flottant tel qu'un anneau ou un rideau de bouées est installé en amont de la prise d'eau. En cas d'impossibilité d'installer ce barrage flottant pour des raisons telles que la sécurité ou le libre écoulement de l'eau, une simple bouée de signalement peut être placée au droit de la prise d'eau.
Des panneaux de signalisation de la zone de prise d'eau sont placés sur la berge.
§ 3. Dans la zone de prise d'eau, est interdite toute autre activité que celle liée au prélèvement ou au traitement de l'eau. Est notamment interdit l'usage de produits phytosanitaires. Seul le désherbage manuel, mécanique ou thermique est autorisé.
§ 4. Des mesures complémentaires nécessaires à la protection de la zone de prise d'eau peuvent être précisées dans l'arrêté ministériel délimitant la ou les zones de prévention, visé à l'article R.157.]1

Onderafdeling 2. [1 - Voorkomingsgebied en toezichtsgebied]1
Sous-section 2. [1 - Zones de prévention et de surveillance]1
Art. R147. [1 § 1. Er wordt een nabijgelegen voorkomingsgebied, hierna gebied II.A genoemd, gevestigd voor iedere waterwinning voor tot drinkwater verwerkbaar water voor publieke distributie en de vervaardiging van voedingsmiddelen.
Gebied II.A wordt door de Minister vastgesteld, op eigen initiatief dan wel op voorstel van de exploitant, de houder van de machtiging of de milieuvergunning.
§ 2. De grenzen van gebied II.A worden voor elke waterwinningscategorie, bedoeld in artikel R.145, omschreven op grond van een stroomgebiedsonderzoek en volgende criteria:
voor de waterwinningen uit categorie B.1:
a) strekt de grens in de lengteas van gebied II.A zich uit over een vanaf het waterwinningspunt berekende afstand tot aan het stroomopwaarts gelegen punt vanaf waar het water van de waterloop nog een traject van minstens twee uur aflegt;
b) strekt de grens in de breedteas van gebied II.A zich uit over een van de oeverrug berekende afstand van vijftien tot vijftig meter afhankelijk van het terreinonderzoek langs de lengteas;
voor de waterwinningen uit categorie B.2:
a) strekt de grens over de lengteas van gebied II.A zich uit over het geheel van het watervlak of van een sector van het watervlak waarbij een watertrajecttijd van minstens twee uur berekend wordt;
b) strekt de grens in de breedteas zich uit over een van de oeverrug berekende afstand van vijftien tot vijftig meter afhankelijk van het terreinonderzoek;
voor de waterwinningen uit categorie B.3:
a) strekt de grens in de lengteas van gebied II.A zich uit over een vanaf het waterwinningspunt berekende afstand tot aan het stroomopwaarts gelegen punt vanaf waar het water van de waterloop nog een traject van minstens twee uur aflegt;
b) strekt de grens in de breedteas van gebied II.A zich uit over een van de oeverrug berekende afstand van vijftien tot vijftig meter afhankelijk van het terreinonderzoek langs de lengteas.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt de watertrajecttijd berekend tegen een waterdebiet met percentiel 90.
Betreffende lid 1, 2°, a) kan gebied II.A in voorkomend geval een deel van de hoofdwaterloop (-lopen) stroomopwaarts ten opzichte van het watervlak inhouden, evenals de zijtakken ervan waarvan het debiet significant is.
Om de uitgestrektheid van het voorkomingsgebied te bepalen en de trajecttijd van een potentieel vervuilend product tot aan de waterwinning te berekenen, wordt in het in lid 1 bedoelde stroomgebiedsonderzoek rekening gehouden met de aanwezigheid van zijtakken waarvan het debiet significant is ten opzichte van de hoofdwaterloop om een vervuilingsrisico voor de waterwinning te vormen.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 kan de afbakening van gebied II.A samenvallen met natuurlijke of kunstmatige topografische bakens of grenzen zoals verkeerswegen, waterlopen, rooilijnen of administratieve grenzen zoals kadastrale afdelingen.]1

Art. R147. [1 § 1er. Une zone de prévention rapprochée, dénommée ci-après " zone II A ", est établie pour toute prise d'eau potabilisable destinée à la distribution publique et la fabrication de denrées alimentaires.
La zone IIA est fixée par le Ministre, d'initiative ou sur proposition de l'exploitant, du titulaire de l'autorisation ou du permis d'environnement.
§ 2. Les limites de la zone IIA sont définies pour chaque catégorie de prise d'eau visée à l'article R.145 sur base d'une étude de bassin versant et des critères suivants :
pour les prises d'eau de catégorie B.1 :
a) la limite longitudinale de la zone IIA s'étend sur une distance calculée à partir du point de prise d'eau jusqu'au point situé en amont du cours d'eau et qui correspond à un temps de transfert de minimum deux heures ;
b) la limite latérale de la zone IIA s'étend sur une distance, calculée à partir de la crête de berge, de quinze à cinquante mètres selon l'étude de terrain le long de l'axe longitudinal ;
pour les prises d'eau de catégorie B.2 :
a) la limite longitudinale de la zone IIA correspond à l'entièreté du plan d'eau ou à un secteur du plan d'eau, en considérant un temps de transfert de minimum deux heures ;
b) la limite latérale s'étend sur une distance, calculée à partir de la crête de berge, de quinze à cinquante mètres selon une étude de terrain ;
pour les prises d'eau de catégorie B.3 :
a) la limite longitudinale de la zone IIA s'étend sur une distance calculée à partir du point de prise d'eau jusqu'au point situé en amont du cours d'eau et qui correspond à un temps de transfert de minimum deux heures ;
b) la limite latérale de la zone IIA s'étend sur une distance, calculée à partir de la crête de berge, de quinze à cinquante mètres selon une étude de terrain, le long de l'axe longitudinal.
Pour l'application du présent paragraphe, le temps de transfert se calcule pour un débit correspondant au percentile 90.
Concernant l'alinéa 1er, 2°, a), le cas échéant, la zone IIA peut inclure une partie du ou des cours d'eau principaux en amont du plan d'eau, et leurs affluents dont le débit est significatif.
Pour déterminer l'étendue de la zone de prévention et calculer le temps de transfert d'un polluant potentiel jusqu'à la prise d'eau, l'étude de bassin versant visée à l'alinéa 1er tient compte de la présence d'affluents dont le débit est significatif par rapport à celui du cours d'eau principal, pour présenter un risque de pollution de la prise d'eau.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, la délimitation de la zone IIA peut coïncider avec des repères ou des limites topographiques naturels ou artificiels tels que des voies de communication, des cours d'eau, des fronts de bâtisses ou des limites administratives telles que des sections cadastrales.]1

Art. R148. [1 § 1. Er wordt een afgelegen voorkomingsgebied, hierna gebied III.B genoemd, voor iedere waterwinning ten behoeve van publieke distributie of de vervaardiging van voedingsmiddelen van categorie B.1 en B.2 bedoeld in artikel R.145. Dit is facultatief voor de waterwinningen van categorie B.3 bedoeld in hetzelfde artikel.
Gebied II.B wordt door de Minister vastgesteld, op eigen initiatief dan wel op voorstel van de exploitant.
§ 2. Gebied II.B is vervat tussen gebied II.A en de grenzen van het stroomgebied van de betrokken oppervlaktewaterwinning. De grenzen van dit gebied worden voor elke categorie van waterwinning bepaald door een stroomgebiedsonderzoek ter beoordeling van de risico's op een eventuele vervuiling van de waterwinning rekening houdend met de menselijke activiteiten, de grondinneming en de hydrografische context.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 kan de afbakening van gebied II.B samenvallen met natuurlijke of kunstmatige topografische bakens of grenzen zoals verkeerswegen, waterlopen, rooilijnen of administratieve grenzen zoals kadastrale afdelingen.]1

Art. R148. [1 § 1er. Une zone de prévention éloignée, dénommée ci-après " zone IIB ", est établie pour toute prise d'eau destinée à la distribution publique ou à la fabrication de denrées alimentaires de catégorie B.1 et B.2 visée à l'article R.145. Elle est facultative pour les prises d'eau de catégorie B.3 visée à ce même article.
La zone IIB est fixée par le Ministre, d'initiative ou sur proposition de l'exploitant.
§ 2. La zone IIB est comprise entre la zone IIA et les limites du bassin versant de la prise d'eau de surface concernée. Les limites de cette zone sont définies pour chaque catégorie de prise d'eau par une étude de bassin versant visant à évaluer les risques d'une éventuelle pollution de la prise d'eau compte tenu des activités humaines, de l'occupation du sol, et du contexte hydrographique.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, la délimitation de la zone IIB peut coïncider avec des repères ou des limites topographiques naturels ou artificiels tels que des voies de communication, des cours d'eau, des fronts de bâtisses ou des limites administratives telles que des sections cadastrales.]1

Art. R149. [1 Er kan een toezichtsgebied worden bepaald voor elke waterwinning bedoeld in artikel R.145, § 2. Dit wordt door de Minister vastgesteld, op eigen initiatief of op voorstel van de exploitant. De grenzen van het toezichtsgebied worden bepaald op grond van een onderzoek ter afbakening van het bevoorradingsgebied van de oppervlaktewaterwinning.]1
Art. R149. [1 Une zone de surveillance peut être déterminée pour toute prise d'eau visée à l'article R.145., § 2. Elle est fixée par le Ministre, d'initiative ou sur proposition de l'exploitant. Les limites de la zone de surveillance sont définies sur base d'une étude visant à délimiter le bassin d'alimentation de la prise d'eau de surface.]1
Afdeling 3. [1 - Grondwaterwinningen, waterwinnings-, voorkomings- en toezichtsgebieden]1
Section 3. [1 - Prises d'eau souterraine, zones de prise d'eau, de prévention et de surveillance]1
Art. R150. [1 § 1. Er wordt om ieder bouwwerk voor grondwaterwinningen een waterwinningsgebied aangelegd.
Het waterwinningsgebied wordt door een lijn afgebakend, gelegen op een afstand van tien meter van de buitengrenzen van de oppervlakte-installaties die strikt nodig zijn voor de waterwinning. Dit aldus opgerichte gebied wordt zone I genoemd.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 worden, wat de proefpompingen, de tijdelijke pompingen en de waterwinningen gelegen in een actieve steengroeve betreft, de grenzen van het waterwinningsgebied in de milieuvergunning nader bepaald.]1

Art. R150. [1 § 1er. Une zone de prise d'eau est établie autour de tout ouvrage de prise d'eau souterraine.
La zone de prise d'eau est délimitée par la ligne située à une distance de dix mètres des limites extérieures des installations en surface strictement nécessaires à la prise d'eau. Cette zone ainsi constituée est appelée zone I.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, en ce qui concerne les pompages d'essai, les pompages temporaires et les prises d'eau situées dans une carrière en activité, le permis d'environnement précise les limites de la zone de prise d'eau.]1

Art. R151. [1 Er wordt een voorkomingsgebied in de vrije waterlaag bepaald voor iedere tot drinkwater verwerkbare waterwinning ten behoeve van de publieke distributie of de verpakking van mineraalwater of frisdrank, bier, cider, fruitwijn of andere gegiste dranken.
Er kan een voorkomingsgebied bepaald worden voor iedere in lid 1 bedoelde waterwinning in het spanningswater. In dat geval kan de aanvraag tot afbakening van het voorkomingsgebied uitgaan van de exploitant of door de Minister worden opgelegd.]1

Art. R151. [1 Une zone de prévention est déterminée en nappe libre pour toute prise d'eau potabilisable destinée à la distribution publique ou au conditionnement d'eau minérale ou de boisson rafraîchissante, de bière, de cidre, de vin de fruits ou d'autres boissons fermentées.
Une zone de prévention peut être déterminée pour toute prise d'eau visée à l'alinéa 1er en nappe captive. Dans ce cas, la demande de délimitation de la zone de prévention peut émaner de l'exploitant, ou être imposée par le Ministre.]1

Art. R152. [1 § 1. In de vrije waterlaag wordt het voorkomingsgebied van een waterwinning opgesplitst in twee subgebieden:
het nabijgelegen voorkomingsgebied of gebied II.a;
het afgelegen voorkomingsgebied of gebied II.b.
Gebied II.a is gelegen tussen de omtrek van gebied I en een lijn gelegen op een afstand van het bouwwerk voor de waterwinning die overeenstemt met een grondwatertraject van vierentwintig uur tot aan het bouwwerk in verzadigde bodem.
Bij onvoldoende gegevens om de afbakening van gebied II.a volgens het beginsel uit lid 2 mogelijk te maken, wordt dat gebied afgebakend door een lijn gelegen op een horizontale afstand van vijfendertig meter vanaf de oppervlakte-installaties voor putten, bronnen en opbrengsten, en door twee lijnen gelegen op vijfentwintig meter aan beide kanten van de oppervlakteprojectie van de lengteas bij galerijen en drainages.
Gebied II.b is gelegen tussen de buitenomtrek van gebied II.a en een lijn gelegen op een afstand van het bouwwerk voor de waterwinning die overeenstemt met een grondwatertraject van vijftig dagen tot aan het bouwwerk in verzadigde bodem.
Bij onvoldoende gegevens om de afbakening van gebied II.b volgens het principe uit lid 4 mogelijk te maken, bedraagt de afstand van de omtrek van dat gebied tot de buitenomtrek van gebied II.a:
honderd meter voor waterhoudende zandformaties;
honderdvijftig meter voor waterhoudende grintformaties;
duizend meter voor de waterhoudende gespleten of karstformaties.
Gebied II.b overschrijdt evenwel niet de buitenomtrek van het bevoorradingsgebied.
Wanneer het grondwater dat het bouwwerk voor de waterwinning bevoorraadt afvloeit volgens preferentiële assen, strekt gebied II.b zich langs deze assen uit, over een maximumafstand van duizend meter en over een breedte die minstens gelijk is aan de breedte van gebied II.a.
Deze afstanden kunnen worden herzien als een latere gegevensverkrijging de vastlegging mogelijk maakt van gebied II.b in functie van de watertrajecttijden of de grenzen van het bevoorradingsgebied.
§ 2. Bij spanningswater is het voorkomingsgebied, bij een bestaand vervuilingsrisico, het gebied waarin de watertrajecttijd lager is dan vijftig dagen in verzadigde bodem. Dit gebied heeft de kenmerken van een afgelegen voorkomingsgebied.
§ 3. Voor de waterwinningen ten behoeve van de publieke distributie waarvan de verdeler er binnen een termijn van vijf jaar denkt van af te zien en voor de waterwinningen met een productievolume lager dan 36.500 m3/jaar, berust de afbakening van de voorkomingsgebieden, voor zover er geen enkel kwaliteitsprobleem van anthropische oorsprong wordt waargenomen, op de forfaitaire afstanden van paragraaf 1, aangepast aan de hydrogeologische context. Als er een kwaliteitsprobleem wordt waargenomen, kan de afbakening van het voorkomingsgebied worden aangevuld na een aanvullend onderzoek.
Iedere exploitant deelt jaarlijks aan de administratie, als bijlage bij de resultaten van de analyses die hij krachtens de artikelen R.230, § 1, 2°, voor de grondwaterwinningen en artikel R.230, § 1, 3°, voor de oppervlaktewaterwinninngen meedeelt, de lijst van winningen mee waarvan hij denkt af te zien.]1

Art. R152. [1 § 1er. En nappe libre, la zone de prévention d'une prise d'eau est scindée en deux sous-zones :
la zone de prévention rapprochée ou zone IIa ;
la zone de prévention éloignée ou zone IIb.
La zone IIa est comprise entre le périmètre de la zone I et une ligne située à une distance de l'ouvrage de prise d'eau correspondant à un temps de transfert de l'eau souterraine jusqu'à l'ouvrage égal à vingt-quatre heures dans le sol saturé.
A défaut de données suffisantes permettant la délimitation de la zone IIa suivant le principe défini à l'alinéa 2, cette zone est délimitée par une ligne située à une distance horizontale de trente-cinq mètres à partir des installations de surface, dans le cas de puits, sources et émergences, et par deux lignes situées à vingt-cinq mètres de part et d'autre de la projection en surface de l'axe longitudinal dans le cas de galeries et de drains.
La zone IIb est comprise entre le périmètre extérieur de la zone IIa et une ligne située à une distance de l'ouvrage de prise d'eau correspondant à un temps de transfert de l'eau souterraine jusqu'à l'ouvrage égal à cinquante jours dans le sol saturé.
A défaut de données suffisantes permettant la délimitation de la zone IIb suivant le principe défini à l'alinéa 4, le périmètre de cette zone est distant du périmètre extérieur de la zone IIa de :
cent mètres pour les formations aquifères sableuses;
cinq-cents mètres pour les formations aquifères graveleuses;
mille mètres pour les formations aquifères fissurées ou karstiques.
La zone IIb ne dépasse toutefois pas le périmètre extérieur de la zone d'alimentation.
Lorsqu'il existe des axes d'écoulement préférentiel de circulation des eaux souterraines alimentant l'ouvrage de prise d'eau, la zone IIb est étendue le long de ces axes sur une distance maximale de mille mètres et sur une largeur au moins égale à celle de la zone IIa.
Ces distances peuvent être révisées si une acquisition ultérieure de données permet d'établir la zone IIb en fonction des temps de transfert ou des limites de la zone d'alimentation.
§ 2. En nappe captive, s'il existe un risque de pollution, la zone de prévention est la zone à l'intérieur de laquelle le temps de transfert est inférieur à cinquante jours dans le sol saturé. Cette zone a les caractéristiques d'une zone de prévention éloignée.
§ 3. Pour les prises d'eau destinées à la distribution publique dont le distributeur a prévu dans sa planification l'abandon dans un délai de cinq ans et pour les prises d'eau dont le volume de production est inférieur à 36.500 m3/an, pour autant qu'aucun problème qualitatif d'origine anthropique ne soit observé, la délimitation des zones de prévention se base sur les distances forfaitaires reprises au paragraphe 1er, adaptées au contexte hydrogéologique. Si un problème qualitatif est observé, la délimitation de la zone de prévention peut être complétée après étude complémentaire.
Chaque exploitant communique annuellement à l'Administration, en annexe des résultats des analyses qu'il communique en vertu des articles R.230, § 1er, 2°, pour les prises d'eau souterraine et R.230, § 1er, 3°, pour les prises d'eau de surface, la liste des captages dont l'abandon est planifié.]1

Art. R153. [1 In afwijking van de artikelen R.150 et R.152 kan de afbakening van de waterwinnings- en voorkomingsgebieden samenvallen met natuurlijke of kunstmatige topografische bakens of grenzen zoals verkeerswegen, waterlopen, omheiningen, rooilijnen of administratieve grenzen zoals kadastrale afdelingen.]1
Art. R153. [1 Par dérogation aux articles R.150 et R.152, la délimitation des zones de prise d'eau et de prévention peut coïncider avec des repères ou des limites topographiques naturels ou artificiels tels que des voies de communication, des cours d'eau, des clôtures, des fronts de bâtisses ou des limites administratives telles que des sections cadastrales.]1
Art. R154. [1 Er kan een toezichtsgebied worden bepaald voor elke waterwinning bedoeld in artikel R.151. Dit wordt door de Minister vastgesteld, op eigen initiatief of op voorstel van de exploitant of de "SPGE". De grenzen van het toezichtsgebied worden bepaald op grond van een onderzoek ter afbakening van het bevoorradingsgebied van de grondwaterwinning.]1
Art. R154. [1 Une zone de surveillance peut être déterminée pour toute prise d'eau visée à l'article R.151. Elle est fixée par le Ministre, d'initiative ou sur proposition de l'exploitant ou de la S.P.G.E.. Les limites de la zone de surveillance sont définies sur base d'une étude visant à délimiter le bassin d'alimentation de la prise d'eau souterraine.]1
Afdeling 4. [1 - Waterwinningen die zich buiten het grondgebied van het Waalse Gewest bevinden]1
Section 4. [1 - Prises d'eau situées en dehors du territoire de la Région wallonne]1
Art. R155. [1 De exploitant van een, buiten het grondgebied van het Waalse Gewest gelegen, waterwinning ten behoeve van de publieke distributie of de verpakking van mineraal water of frisdrank, bier, cider, fruitwijn of andere gegiste dranken kan bij de Minister een afbakening van een voorkomingsgebied aanvragen.
De daarmee verband houdende beschermingsmaatregelen zoals die welke beoogd zijn in de artikelen R.164 tot R.172 en de financiering ervan worden in onderlinge overeenstemming tusse partijen van het internationaal akkoord of het samenwerkingsakkoord tussen gewesten vastgesteld.]1

Art. R155. [1 L'exploitant d'un captage d'eau destinée à la distribution publique ou au conditionnement d'eau minérale ou de boisson rafraîchissante, de bière, de cidre, de vin de fruits ou d'autres boissons fermentées, situé en dehors des limites de la Région, peut solliciter du Ministre la délimitation d'une zone de prévention.
Les mesures de protection qui s'y rapportent, telles que celles que visées aux articles R.164 à R.172, et le financement de celles-ci sont établis de commun accord entre les parties de l'accord international ou de l'accord de coopération entre régions.]1

Afdeling 5. [1 - Procedure voor de afbakening van voorkomings- en toezichtsgebieden]1
Section 5. [1 - Procédure de délimitation des zones de prévention et de surveillance]1
Onderafdeling 1. [1 - Voorlopige voorkomingsgebieden]1
Sous-section 1re. [1 - Zones de prévention provisoires]1
Art. R156. [1 Vooraleer de ontwerp-afbakening van een voorkomingsgebied vast te leggen, delen de houders van waterwinningen bedoeld in de artikelen R.145, § 2, en R.151 waarvoor de afbakening van een voorkomingsgebied verplicht is, de coördinaten van elke waterwinning en het tracé van de nabij- en afgelegen voorkomingsgebieden overeenkomstig de artikelen R.147, R.148, R.152 en R.153 aan de Minister mee.
De Minister neemt voorlopig het tracé van de voorkomingsgebieden bedoeld in lid 1 aan. De beschermingsmaatregelen bedoeld in de artikelen R.164 tot R.172 zijn van toepassing te rekenen van de bekendmaking van het ministerieel besluit in het Belgisch Staatsblad, uitgezonderd de bestaande bouwwerken, gebouwen en installaties.]1

Art. R156. [1 Avant d'établir le projet de délimitation d'une zone de prévention, les titulaires de prises d'eau visées aux articles R.145, § 2, et R.151, pour lesquelles la délimitation d'une zone de prévention est obligatoire communiquent au Ministre les coordonnées de chaque prise d'eau et le tracé des zones de préventions rapprochées et éloignées établies conformément aux articles R.147, R.148, R.152 et R.153.
Le Ministre adopte provisoirement le tracé des zones de prévention visées à l'alinéa 1er. Les mesures de protection visées aux articles R.164 à R.172 sont applicables à dater de la publication de l'arrêté ministériel au Moniteur belge, à l'exception des ouvrages, constructions et installations existants.]1

Onderafdeling 2. [1 - Voorkomingsgebied en toezichtsgebied]1
Sous-section 2. [1 - Zones de prévention et de surveillance]1
Art. R157. [1 § 1. Vooraleer de aanvraag tot milieuvergunning of de aangifte voor de waterwinning in te dienen, stelt de exploitant, voor de gebieden bedoeld in artikel R.147, R.148, § 1, lid 1, en R.151 of op eigen initiatief of op verzoek van de Minister voor de gebieden bedoeld in artikel R.148, § 1, lid 2, R.149 en R.154, de ontwerp-afbakening van een voorkomings- of toezichtgebied vast. Het dossier omvat volgende documenten:
een uiteenzettend dossier of uiteenzettende nota waarin het voorstel tot afbakening verantwoord wordt en ieder onderzoek waarop de ontwerp-afbakening gebaseerd is;
een plattegrond, opgemakat op maximumschaal 1/10.000e met opgave van de bouwwerken voor de waterwinning en de grenzen van de overwogen waterwinnings-, voorkomings- of toezichtsgebieden;
een uittreksel van een topografisch-geologische kaart met opgave van de ligging en de grenzen van de voorkomingsgebieden of van het overwogen toezichtsgebied en de grenzen van het stroomgebied van de waterwinning;
een uittreksel van het kadastraal plan met opgave van de percelen gelegen in de overwogen waterwinnings-, voorkomings- of toezichtsgebieden;
een actieprogramma met een inschatting van de acties die de exploitant moet voeren om het voorkomingsgebied te beschermen, evenals een evaluatie van de schadeloosstelling voor de directe en materiële schade uit de verplichting, voor derden, om hun bouwwerken, gebouwen of installaties, bestaand op datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomings- of toezichtsgebied, in overeenstemming te brengen met de bepalingen van de artikelen R.165 tot R.167;
een specifiek toezichtsprogramma voor het bevoorradingsgebied voor de waterwinning als het dossier een oppervlaktewaterwinning betreft voor tot drinkwater verwerkbaar water;
een milieueffectenverslag, in de vorm van een verslag waarvan de structuur bepaald wordt krachtens paragraaf 2 of, in voorkomend geval, wanneer de afbakeningsaanvraag voor een voorkomings- of toezichtsgebied het gebruik van kleine, plaatselijke gebieden bepaalt of geringe wijzigingen voor vooraf omschreven gebieden inhoudt en de exploitant acht dat dit geen niet te verwaarlozen effecten zou kunnen hebben op het leefmilieu, een aanvraag tot vrijstelling van milieueffectenbeoordeling.
Betreffende lid 1, 5°, bevat het actieprogramma een omschrijving van de aard van de acties, een kostenraming en een kalender voor de uitvoering ervan. Het actieprogramma wordt vooraf goedgekeurd door de "SPGE" wanneer de exploitant aan haar gebonden is door een dienstcontract voor de bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water.
Betreffende lid 1, 7°, wordt de vrijstellingsaanvraag verantwoord ten opzichte van de criteria die de vermoedelijke globale omvangbepaling van de effecten bedoeld in artikel D.54 van Boek I van het Milieuwetboek mogelijk maken.
§ 2. De structuur van het milieueffectenverslag dat de inhoud bedoeld in artikel D.56, § 3, van Boek I van het Milieuwetboek bevat, wordt door de Minister vastgesteld.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 kan de verdeler of de leverancier die met de exploitant van de tot drinkwater verwerkbare waterwinning een leveringscontract heeft gesloten, waarbij het water hem in bulk wordt geleverd, in plaats van en met instemming van de exploitant, het dossier inzake de afbakening van het voorkomings- en toezichtsgebied indienen.]1

Art. R157. [1 § 1er. Préalablement à l'introduction de la demande de permis d'environnement ou de la déclaration pour la prise d'eau, pour les zones visées à l'article R.147, R.148, § 1er, alinéa 1er, et R.151 ou d'initiative ou sur demande du Ministre pour les zones visées à l'article R.148, § 1er, alinéa 2, R.149 et R.154, l'exploitant établit le projet de délimitation d'une zone de prévention ou d'une zone de surveillance. Le dossier comprend les documents suivants :
un dossier explicatif ou une note explicative justifiant la proposition de délimitation et toute étude sur base de laquelle a été établie le projet de délimitation ;
un plan dressé à l'échelle maximum de 1/10.000 où sont indiquées la situation des ouvrages de prise d'eau et les limites des zones de prise d'eau, de prévention ou de surveillance projetées ;
un extrait d'une carte topographique et géologique où sont indiquées la situation et les limites des zones de prévention ou de la zone de surveillance projetée et les limites du bassin versant de la prise d'eau ;
un extrait du plan cadastral indiquant les parcelles situées dans les zones de prise d'eau et de prévention ou de surveillance projetées ;
un programme d'actions comprenant une estimation des actions à mener par l'exploitant pour protéger la zone de prévention ainsi qu'une évaluation de l'indemnisation des dommages directs et matériels résultant de l'obligation pour les tiers de mettre leurs ouvrages, constructions ou installations existants à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention ou la zone de surveillance, en conformité avec les dispositions des articles R.165 à R.167 ;
un programme spécifique de surveillance pour le bassin d'alimentation de prise d'eau si le dossier concerne une prise d'eau de surface potabilisable ;
un rapport sur les incidences environnementales repris sous la forme d'un rapport dont la structure est déterminée en vertu du paragraphe 2, ou, le cas échéant, lorsque la demande de délimitation d'une zone de prévention ou de surveillance détermine l'utilisation de petites zones au niveau local ou constitue des modifications mineures à des zones prédéfinies, et que l'exploitant estime qu'il n'est pas susceptible d'avoir des incidences non négligeables sur l'environnement, une demande d'exemption d'évaluation des incidences sur l'environnement.
Concernant l'alinéa 1er, 5°, le programme d'action présente une description de la nature des actions, une évaluation de leur coût et un planning prévisionnel de réalisation. Le programme d'action est préalablement approuvé par la S.P.G.E. lorsque l'exploitant est lié à celle-ci par un contrat de service de protection de l'eau potabilisable.
Concernant l'alinéa 1er, 7°, la demande d'exemption est justifiée par rapport aux critères permettant de déterminer l'ampleur probable des incidences, visées à l'article D.54 du Livre Ier du Code de l'Environnement.
§ 2. La structure du rapport sur les incidences environnementales, comprenant le contenu visé à l'article D.56, § 3, du Livre Ier du Code de l'Environnement, est établie par le Ministre.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 1er, le distributeur ou le fournisseur qui a conclu avec l'exploitant de la prise d'eau potabilisable un contrat de fourniture par lequel l'eau lui est fournie en gros, peut déposer le dossier de délimitation de zone de prévention ou de surveillance en lieu et place de l'exploitant, avec l'accord de celui-ci.]1

Art. R158. [1 Het dossier wordt op een papieren informatiedrager ofwel bij ter post aangetekend schrijven met bericht van ontvangst ofwel bij indiening van het dossier tegen bewijs van ontvangst aan de administratie gericht door de personen bedoeld in artikel R.157, §§ 1 en 3, met toevoeging van één exemplaar op een papieren informatiedrager per gemeente betrokken bij het ontwerp.
Het wordt eveneens op een elektronische informatiedrager met mogelijkheid tot bericht van ontvangst aan de administratie en aan de "SPGE" overgemaakt.
De administratie spreekt zich over de volledigheid van het dossier uit binnen de twintig dagen na ontvangst van de aanvraag en geeft, binnen deze termijn, kennis van haar beslissing aan de exploitant, aan de verdeler of de leverancier in het geval bedoeld in artikel R.157, § 3.
Als de administratie het dossier onvolledig verklaart, wordt de exploitant, of de verdeler of de leverancier in het geval bedoeld in artikel R.157, § 3, verzocht het dossier dienovereenkomstig verder aan te vullen en het opnieuw voor te leggen binnen de zes maanden te rekenen van de ontvangst van dit beantwoorde verzoek om vervollediging.
Bij gebreke van beslissing van de administratie binnen de termijn bedoeld in lid 1 wordt het dossier ontvankelijk geacht en wordt de procedure voortgezet.]1

Art. R158. [1 Le dossier est envoyé en version papier soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par le dépôt du dossier contre récépissé à l'Administration par les personnes visées à l'article R.157, §§ 1er et 3, augmenté d'un exemplaire en version papier par commune concernée par le projet.
Il est également transmis à l'Administration ainsi qu'à la S.P.G.E. sous version électronique permettant un accusé de réception.
L'Administration statue sur le caractère complet du dossier dans les vingt jours de la réception de la demande et notifie sa décision à l'exploitant, ou le distributeur ou le fournisseur dans le cas visé à l'article R.157, § 3, dans ce délai.
Si l'Administration déclare le dossier incomplet, elle invite l'exploitant, ou le distributeur ou le fournisseur dans le cas visé à l'article R.157, § 3, à compléter le dossier dans le sens qu'elle indique et à lui présenter à nouveau celui-ci dans un délai de six mois à dater de la réception de la demande de compléments.
En l'absence de décision de l'Administration dans le délai visé à l'alinéa 1er, le dossier est considéré comme recevable et la procédure est poursuivie.]1

Art. R159. [1 Als de administratie het dossier volledig verklaart of in het geval bedoeld in artikel R.158, lid 4, legt ze het dossier, binnen de negentig dagen nadat de verklaring over de volledigheid ervan is verstuurd of na afloop van de termijn bedoeld in artikel R.158, lid 2, samen met haar advies en een voorstel tot beslissing, ter goedkeuring aan de Minister voor en licht ze de exploitant in over de datum waarop diens dossier aan de Minister is voorgelegd.
Indien het dossier niet binnen die termijn door de administratie bij de Minister is ingediend, legt de exploitant, of de verdeler of de leverancier in het geval bedoeld in artikel R.157, § 3, het dossier binnen de dertig dagen ter goedkeuring aan de Minister voor, in evenveel exemplaren als vermeld in artikel R.158, § 1.]1

Art. R159. [1 Si l'Administration déclare le dossier complet ou dans le cas visé à l'article R.158, alinéa 4, elle transmet, dans les nonante jours de l'envoi de la déclaration de complétude ou au terme du délai prévu à l'article R.158, alinéa 2, le dossier, accompagné de son avis et d'une proposition de décision, pour approbation au Ministre et informe l'exploitant de la date de transmission de son dossier au Ministre.
A défaut de transmission du dossier au Ministre par l'Administration dans ce délai, l'exploitant, ou le distributeur ou le fournisseur dans le cas visé à l'article R.157, § 3, adresse le dossier dans les trente jours au Ministre pour approbation, en autant d'exemplaires qu'il est indiqué à l'article R.158, § 1er.]1

Art. R160. [1 Wanneer de aanvraag een aanvraag bevat tot vrijstelling van de milieueffectenbeoordeling bedoeld in artikel R.157, § 1, 7°, raadpleegt de Minister de Beleidsgroep Leefmilieu, de betrokken gemeenten en de personen en instanties die hij daartoe nuttig acht. De adviezen worden binnen de dertig dagen na het verzoek aan de Minister overgemaakt. Na die termijn worden de adviezen geacht gunstig te zijn. Binnen de dertig dagen nadat de raadplegingen zijn afgerond, beslist de Minister over de aanvraag tot vrijstelling. De beslissing van de Minister en de redenen om welke hij beslist heeft de ontwerp-afbakening van het voorkomings- of toezichtsgebied vrij te stellen van een milieueffectenbeoordeling worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.]1
Art. R160. [1 Lorsque la demande comporte une demande d'exemption d'évaluation des incidences visée à l'article R.157, § 1er, 7°, le Ministre consulte le pôle " Environnement ", les communes concernées et les personnes et instances qu'il juge utile de consulter. Les avis sont transmis dans les trente jours de la demande au Ministre. Passé ce délai, les avis sont réputés favorables. Dans les trente jours de la clôture des consultations, le Ministre statue sur la demande d'exemption. La décision du Ministre et les raisons pour lesquelles il a décidé d'exempter le projet de délimitation de zone de prévention ou de surveillance d'une évaluation des incidences est publiée au Moniteur belge.]1
Art. R161. [1 § 1. De Minister keurt de ontwerp-afbakening van het voorkomings- of toezichtsgebied en het milieueffectenverslag of, in voorkomend geval, bij vrijstelling van milieueffectenbeoordeling, het ontwerp-actieprogramma goed en maakt ze, samen met de bijlagen over aan het gemeentecollege van de gemeenten waarvan het grondgebied voornoemde gebieden geheel of ten dele dekt.
Binnen de vijftien dagen na ontvangst van het dossier houden de gemeente een openbaar onderzoek overeenkomstig de bepalingen van Titel III van Deel III van Boek I van het Milieuwetboek.
§ 2. Het ontwerp-ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomings- en toezichtsgebied, de bijlagen ervan en het milieueffectenverslag worden ter advies voorgelegd aan de Beleidsgroep Leefmilieu, aan de betrokken gemeenten, aan de "SPGE" indien zij met de exploitant verbonden is via een dienstverleningscontract ter bescherming van het tot drinkwater verwerkbaar water en aan de andere personen en instanties die de Minister nuttig acht te raadplegen.
De adviezen worden binnen de zestig dagen na het verzoek overgemaakt. Zo niet worden ze geacht gunstig te zijn.
§ 3. Het dossier met de bemerkingen uit het openbaar onderzoek en, in voorkomend geval, de adviezen van de geraadpleegde personen en instanties worden aan de exploitant overgemaakt, of aan de verdeler of de leverancier in het geval bedoeld in artikel R.157, § 3.
Binnen de zestig dagen na ontvangst van die documenten deelt de exploitant, of de verdeler of de leverancier in het geval bedoeld in artikel R.157, § 3, zijn advies aan de Minister mee, evenals de samenvatting van de bemerkingen die uit het openbaar onderzoek naar voren zijn gekomen.
Wanneer het ontwerp van voorkomings- of toezichtsgebied aan een milieueffectenbeoordeling wordt onderworpen, deelt de exploitant, of de verdeler of de leverancier in het geval bedoeld in artikel R.157, § 3, eveneens een samenvatting mee van de adviezen van de geraadpleegde personen en instanties en legt een milieuverklaring voor die de wijze samenvat waarop milieuoverwegingen in het ontwerp-gebied worden opgenomen en waarop het milieueffectenverslag en de adviezen van de geraadpleegde instanties in overweging zijn genomen, evenals de redenen voor de keuze van het ontwerp-gebied, rekening houdend met de andere overwogen redelijke oplossingen.]1

Art. R161. [1 § 1er. Le Ministre approuve le projet de délimitation de zone de prévention ou de surveillance et le rapport sur les incidences environnementales ou, le cas échéant, en cas d'exemption d'évaluation des incidences, le projet de programme d'action et les transmet, ainsi que ses annexes, au collège communal des communes sur le territoire desquelles s'étend tout ou partie des zones précitées.
Dans les quinze jours de la réception du dossier, les communes concernées organisent une enquête publique conformément aux dispositions du Titre III de la Partie III du Livre Ier du Code de l'Environnement.
§ 2. Le projet d'arrêté ministériel de délimitation de zone de prévention ou de surveillance, ses annexes et le rapport sur les incidences environnementales sont soumis, pour avis, au pôle " Environnement ", aux communes concernées, à la S.P.G.E. lorsqu'elle est liée à l'exploitant par un contrat de service de protection de l'eau potabilisable et aux autres personnes et instances que le Ministre juge utile de consulter.
Les avis sont transmis dans les soixante jours de la demande. A défaut, les avis sont réputés favorables.
§ 3. Le dossier comprenant les observations de l'enquête publique et, le cas échéant, les avis émis par les personnes et instances consultées sont transmis à l'exploitant, ou le distributeur ou le fournisseur dans le cas visé à l'article R.157, § 3.
Dans les soixante jours de la réception de ces documents, l'exploitant, ou le distributeur ou le fournisseur dans le cas visé à l'article R.157, § 3, communique au Ministre son avis ainsi que la synthèse des observations émises lors de l'enquête publique.
Lorsque le projet de zone de prévention ou de surveillance fait l'objet d'une évaluation des incidences, l'exploitant, ou le distributeur ou le fournisseur dans le cas visé à l'article R.157, § 3, communique également une synthèse des avis des personnes et instances consultées et propose une déclaration environnementale résumant la manière dont les considérations environnementales ont été intégrées dans le projet de zone, et dont le rapport sur les incidences environnementales et les avis émis par les instances consultées ont été pris en considération, ainsi que les raisons du choix du projet de zone, compte tenu des autres solutions raisonnables envisagées.]1

Art. R162. [1 § 1. De Minister legt het voorkomings- of toezichtsgebied, het actieprogramma en in voorkomend geval het milieueffectenverslag vast, en reglementeert de activiteiten in dat gebied. De Minister neemt eveneens de milieuverklaring bedoeld in artikel R.161, § 3, lid 3, vast.
De Minister stelt de inwerkingtreding van de voorkomingsmaatregelen bedoeld in de artikelen R.164 tot R.172 voor de bestaande bouwwerken, gebouwen en installaties in het besluit bedoeld in lid 1 vast. Uitgezonderd de situaties van dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door een dreigend risico, kunnen de termijnen, vastgesteld door de Minister en tegenstelbaar tegenover derden, korter zijn dan de referentietermijnen bedoeld in bijlage LVquater.
Als nieuwe inrichtingen worden beschouwd, de uitbreidingen van inrichtingen die bestaan op de datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomingsgebied wanneer zij een verhoging inhouden van de bestaande installatiecapaciteit met meer dan vijfentwintig percent op de datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomingsgebied.
§ 2. Het ministerieel afbakeningsbesluit en de milieuverklaring als de afbakening van het gebied aan een milieueffectenbeoordeling is onderworpen en de opvolgingsmaatregelen worden bekendgemaakt overeenkomstig de bepalingen van Titel III van Deel III van Boek I van het Milieuwetboek.
Daarvan wordt aan betrokkenen kennis gegeven, overeenkomstig de bepalingen van Titel III van Deel III van Boek I van het Milieuwetboek, evenals aan de Buitendirectie van de Waalse Overheidsdienst Ruimte, Wonen, Erfgoed en Energie.
Als de beslissing betrekking heeft op de afbakening van een voorkmingsgebied, wordt daar eveneens kennis van gegeven aan de "SPGE" wanneer ze gebonden is aan de exploitant, via een dienstverleningscontract ter bescherming van het tot drinkwater verwerkbaar water.
De exploitant, of de verdeler of leverancier in het geval bedoeld in artikel R.157, § 3, licht de personen in betrokken bij normeringswerken.]1

Art. R162. [1 § 1er. Le Ministre arrête la zone de prévention ou de surveillance, le programme d'action et le cas échéant le rapport sur les incidences environnementales, et réglemente les activités dans cette zone. Le Ministre adopte également la déclaration environnementale visée à l'article R.161, § 3, alinéa 3.
Le Ministre fixe dans l'arrêté visé à l'alinéa 1er l'entrée en vigueur des mesures de prévention visées aux articles R.164 à R.172 aux ouvrages, constructions et installations existants. A l'exception des situations d'urgence motivées par un risque imminent, les délais fixés par le Ministre et opposables aux tiers ne peuvent pas être inférieurs aux délais de référence figurant à l'annexe LVquater.
Sont considérés comme des nouveaux établissements, les extensions d'établissements existants à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention lorsqu'elles impliquent une augmentation de plus de vingt-cinq pour cent de la capacité d'installation existante à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention.
§ 2. L'arrêté ministériel de délimitation et la déclaration environnementale si la délimitation de la zone a fait l'objet d'une évaluation des incidences et les mesures de suivi sont publiés conformément aux dispositions du Titre III de la partie III du Livre Ier du Code de l'Environnement.
Ils sont notifiés aux personnes concernées conformément aux dispositions du Titre III de la partie III du Livre Ier du Code de l'Environnement, ainsi qu'à la Direction extérieure du Service public de Wallonie Territoire, Logement, Patrimoine et Energie.
Si la décision concerne la délimitation d'une zone de prévention, elle est également notifiée à la S.P.G.E. lorsqu'elle est liée à l'exploitant par un contrat de service de protection de l'eau potabilisable.
L'exploitant, ou le distributeur ou le fournisseur dans le cas visé à l'article R.157, § 3, informe les personnes concernées par les travaux de mise en conformité.]1

Art. R163. [1 Voor de waterwinningen ten behoeve van de publieke distributie waarvan de verdeler denkt af te zien binnen de vijf jaar, bakent de Minister de voorkomings- en toezichtsgebieden af op grond van de in artikel R.156 bedoelde gegevens die de exploitant mededeelt.
In deze gebieden zijn de maatregelen bedoeld in de artikelen R.164 tot en met R.172 niet van toepassing, uitgezonderd het plaatsen van verkeerstekens voor voorkomingsgebieden zoals bedoeld in artikel R.170, § 3, en omschreven in bijlage LVI.
Indien er een risico bestaat op aantasting van de kwaliteit van de waterwinning binnen de vijf jaar voorafgaand aan de buitenbedrijfstelling, kan de Minister dringende maatregelen nemen die aangepast aan het gebleken risico en die van dezelfde aard zijn als de maatregelen bedoeld in artikel R.170.
Als de exploitant niet meer af wil zien van de betrokken waterwinning, wordt de afbakening van voorkomingsgebieden overeenkomstig de artikelen R.157 en R.158 uitgevoerd, voor de indiening van de aanvraag voor een milieuvergunning of de verklaring krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning.]1

Art. R163. [1 Pour les prises d'eau destinées à la distribution publique dont le distributeur a prévu dans sa planification l'abandon dans les cinq ans, le Ministre délimite définitivement les zones de prévention et de surveillance sur la base des éléments transmis par l'exploitant visés à l'article R.156.
Dans ces zones, les mesures visées aux articles R.164 à R.172 ne s'appliquent pas, à l'exception de la mise en place de panneaux d'indication de zones de prévention visée à l'article R.170, § 3, et décrit à l'annexe LVI.
S'il existe un risque de dégradation de la qualité de la prise d'eau endéans les cinq ans précédant sa mise hors service, le Ministre peut prendre des mesures d'urgence et adaptées au risque mis en évidence, de même nature que les mesures visées à l'article R.170.
Si l'exploitant souhaite ne plus abandonner la prise d'eau concernée, la délimitation de zones de prévention conformément aux articles R.157 et R.158 est réalisée avant le dépôt de la demande de permis d'environnement ou la déclaration en vertu du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement.]1

Afdeling 6. [1 - Beschermingsmaatregelen]1
Section 6. [1 - Mesures de protection]1
Onderafdeling 1. [1 - Algemene bepalingen]1
Sous-section 1re [1 - Dispositions générales]1
Art. R164. [1 § 1. De beschermingsmaatregelen bedoeld in deze afdeling zijn niet van toepassing op de door de Minister aangewezen gebieden, onverminderd de nadere inwerkingtredingregels van het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomings- en afbakeningsgebied, vastgesteld voor de bestaande bouwwerken, gebouwen en installaties.
Op eigen initiatief of op vraag van de exploitant kan de Minister voor elk aangewezen gebied beschermingsmaatregelen opleggen die de maatregelen bedoeld in deze afdeling aanvullen, of nog alternatieve maatregelen.
In dat geval is het verwachte resultaat voor de bescherming van mens of leefmilieu minstens gelijk aan het resultaat dat zou zijn verkregen door de toepassing van de maatregelen bedoeld in deze afdeling.
Voor de maatregelen bedoeld in paragraaf 1, lid 2, van dit artikel bevat de door de exploitant ingediende aanvraag die vooraf door de "SPGE" is goedgekeurd, een voorstel voor overwogen aanvullende maatregelen en de verantwoording ervan. De Minister beslist binnen de zestig dagen over de ontvangst van de aanvraag. Bij gebreke van beslissing van de Minister binnen deze termijn worden de aangevraagde beschermingsmaatregelen van kracht.
§ 2. Onverminderd paragraaf 1 kan de Minister geval per geval een vrijstelling verlenen van de verplichting tot de inachtneming van sommige beschermingsmaatregelen, bedoeld in deze afdeling, wanneer minstens aan één der volgende voorwaarden is voldaan:
wanneer het risico op aantasting van het grond- of oppervlaktewater wegens een dergelijke vrijstelling verwaarloosbaar is, net als het milieuvoordeel dat verwacht zou worden van de uitvoering van de beschermingsmaatregelen bedoeld in deze afdeling;
wanneer de technische of financiële gevolgen van deze opgelegde maatregelen niet in verhouding staan tot het verwachte milieuvoordeel;
wanneer andere maatregelen een gelijkwaardig beschermingsniveau voorzien ten opzichte van het voorradige oppervlaktewater of het ondergrondse waterlichaam.]1

Art. R164. [1 § 1er. Les mesures de protection visées à la présente section s'appliquent dans les zones désignées par le Ministre, sans préjudice des modalités d'entrée en vigueur dans l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention ou la zone de surveillance fixée pour les ouvrages, constructions et installations existants.
D'initiative ou à la demande de l'exploitant, le Ministre peut prescrire, pour chaque zone désignée, des mesures de protection qui complètent les mesures visées dans la présente section, ou des mesures alternatives.
Dans ce cas, le résultat escompté pour la protection de l'Homme ou de l'environnement est au moins équivalent à celui qui serait obtenu par application des mesures visées dans la présente section.
Pour les mesures visées au paragraphe 1er alinéa 2 du présent article, la demande déposée par l'exploitant, préalablement approuvée par la S.P.G.E., comporte une proposition de mesures complémentaires envisagées et la justification de celles-ci. Le Ministre statue dans les soixante jours de la réception de la demande. En l'absence de décision du Ministre dans ce délai, les mesures de protection sollicitées entrent en application.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, le Ministre peut dispenser ponctuellement de l'obligation de respecter certaines mesures de protection visées dans la présente section lorsqu'au moins une des conditions suivantes est rencontrée :
lorsque le risque de dégradation des eaux souterraines ou de surface lié à une telle dispense est négligeable tout comme le bénéfice environnemental qui serait escompté de la réalisation des mesures de protection visées dans la présente section ;
lorsque les conséquences techniques ou financières des impositions sont disproportionnées par rapport au bénéfice environnemental attendu ;
lorsque d'autres mesures assurent un niveau équivalent de protection vis-à-vis de la ressource en eau de surface ou de la masse d'eau souterraine.]1

Onderafdeling 2. [1 - Beschermingsmaatregelen voor de winningen van tot drinkwater verwerkbaar oppervlaktewater]1
Sous-section 2. [1 - Mesures de protection des prises d'eau de surface potabilisable]1
Art. R165. [1 § 1. In gebied II.A zijn de specifieke voorschriften of de verbodsbepalingen omschreven in volgende paragrafen van toepassing voor elk type activiteiten of de daarin nadere bepaalde installaties.
§ 2. De activiteiten in verband met afvalbeheer, bedoeld in deze paragraaf, voldoen aan volgende voorwaarden:
de technische ingravingscentra, bedoeld bij het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, zijn verboden;
de opslagplaatsen en installaties voor het samenbrengen, verwijderen of positief benutten van afvalstoffen zijn verboden dan wel toegelaten tegen volgende voorwaarden:
a) de vestiging van nieuwe opslagplaatsen of nieuwe installaties voor het samenbrengen, verwijderen of positief benutten van afvalstoffen bedoeld bij het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen zijn verboden;
b) de opslagplaatsen en de installaties voor het samenbrengen, verwijderen of positief benutten van afvalstoffen bedoeld bij het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen die bestonden op de datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomingsgebied worden uitgerust met een inzamelsysteem waarbij gegarandeerd wordt dat lozingen van vloeistoffen naar de oppervlaktewateren onbestaande zijn.
Deze paragraaf is niet van toepassing op de herinvoering, in hetzelfde meer, van uitbaggerde sedimenten.
§ 3. Ingegraven of bovengrondse opslagplaatsen voldoen aan volgende voorschriften:
bovengrondse of ingegraven opslagplaatsen van koolwaterstoffen van minstens honderd tot drie duizend liter voldoen aan de vereisten van het besluit van de Waalse Regering van 17 juli 2003 houdende integrale voorwaarden voor de opslag van brandbare vloeistoffen in vaste houders, met uitzondering van installaties voor bulkopslag van olieproducten en gevaarlijke stoffen alsook de opslag in benzinestations, hierna "besluit van de Waalse Regering van 17 juli 2003" genoemd, en aan de maatregelen genomen krachtens het decreet van 1 maart 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering;
bovengrondse of ingegraven opslagplaatsen van meer dan drie duizend liter koolwaterstoffen voldoen aan de vereisten van het besluit van de Waalse Regering van 17 juli 2003;
de opslagplaatsen van meer dan honderd liter vloeibare producten die stoffen bevatten, opgenomen in bijlage VII bij het decreetgevend deel, voldoen aan de vereisten van de geldende wetgeving inzake opslaginstallaties.
Ter aanvulling van deze maatregelen zijn de koolwaterstoffen opgeslagen in waterdichte recipiënten, geplaatst op niet-waterdoorlatende oppervlakten uitgerust met een vergaarsysteem waarmee gegarandeerd kan worden dat er in het geval van lekken geen vloeistoffen geloosd worden;
de opslagplaatsen voor vaste producten die stoffen bevatten opgenomen in bijlage VII van het decreetgevend deel worden onder een dak geplaatst, op niet-waterdoorlatende oppervlakten uitgerust met een vergaarsysteem waarmee gegarandeerd kan worden dat er in het geval van lekken geen vloeistoffen geloosd worden die de kwaliteit van de oppervlaktewateren aantasten;
de opslagplaatsen voor pesticiden zijn verboden, behalve de bestaande bovengrondse opslagplaatsen wanneer de opgeslagen hoeveelheid pesticiden lager is dan vijf ton en de exploitatievoorwaarden omschreven overeenkomstig het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning in acht genomen zijn;
de opslagplaats op, in of buiten de productiesite, van organische stoffen die vloeistoflozingen veroorzaken, zodanig gereglementeerd is dat:
a) ze buiten de productiesite verboden zijn;
b) de bestaande opslagplaatsen op de productiesite op datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van een nabijgelegen voorkomingsgebied geplaatst worden in tanks of recipiënten die waterdicht zijn of geïnstalleerd zijn op niet-waterdoorlatende oppervlakten zo uitgerust om te garanderen dat er in het geval van lekken geen vloeistoffen geloosd worden;
c) de opslagplaatsen voor dierlijke meststoffen op de hoeve die bestonden op de datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van een nabijgelegen voorkomingsgebied op dergelijke wijze geconfigureerd zijn dat de voorwaarden vastgesteld in hoofdstuk IV van deze titel in acht genomen worden;
d) de opslagplaatsen van ingekuilde producten die vloeistoflozingen zouden kunnen veroorzaken, die bestonden op datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van een nabijgelegen voorkomingsgebied, zijn vervat in tanks of recipiënten die waterdicht zijn of geïnstalleerd zijn op niet-waterdoorlatende oppervlakten zo uitgerust om te garanderen dat er in het geval van lekken geen vloeistoffen geloosd worden.
Ter aanvulling van de onder 1° tot 6° bedoelde maatregelen zijn de koolwaterstoffen opgeslagen in waterdichte recipiënten, geplaatst op niet-waterdoorlatende oppervlakten uitgerust met een vergaarsysteem waarmee gegarandeerd kan worden dat er in het geval van lekken geen vloeistoffen geloosd worden. De opslagplaatsen bedoeld in lid 1, 1°, die bestonden voor inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomingsgebied worden, op het einde van de levenscyclus van de tank of wanneer het risico op vervuiling dreigend is, aan de normen aangepast op kosten van de eigenaar.
Voor de opslagplaatsen bedoeld in lid 1, 1° en 2°, zijn volgende maatregelen eveneens verplicht:
de verharde stapeloppervlakten, de inkuipingen, de opvangkuipen of waterdichte putten worden vrij gelaten;
het onttrekken en peilen gebeuren langs de bovenkant van de tank. Het onttrekken via de zwaartekracht wordt zelfs met een sluitingssysteem op de leiding, is verboden;
op de tank wordt een plaat aangebracht, dat wijst op het voorkomingsgebied en de telefoonnummers van de exploitant van de waterwinning, van de gemeente en van SOS Environnement Nature vermeldt.
Betreffende lid 4, 1°, worden de opslagplaatsen beschermd tegen regenwater en infiltraties. Systemen met een waterafvoersysteem aan de onderkant zijn verboden.
De in lid 1, 3°, bedoelde bovengrondse of ingegraven afgedankte tanks voor koolwaterstoffen, bedoeld in lid 1, 1° en 2°, of voor producten die stoffen bevatten bedoeld in bijlage VII bij het decreetgevend deel worden geledigd, gereinigd, in voorkomend geval ontgast en afgevoerd. Het leidingenstelsel wordt geledigd en gedemonteerd.
Indien het onmogelijk is een ingegraven tank als bedoeld in lid 1, 1° en 2°, af te voeren in redelijke technische en financiële voorwaarden, is het mogelijk hem ter plaatse te laten nadat hij gevuld is met een inerte stof. Indien het een ingegraven tank betreft, wordt er vooraf een waterdichtheidstest uitgevoerd door een technicus, erkend overeenkomstig artikel 634ter/4 van titel III van het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming. Als uit deze test blijkt dat de tank niet waterdicht is, wordt overeenkomstig de geldende bepalingen een saneringsprocedure uitgevoerd.
De tanks voor koolwaterstoffen bedoeld in lid 1, 1° en 2°, of voor producten die stoffen bevatten als bedoeld in bijlage VII bij het decreetgevend deel en bedoeld in lid 1, 3°, die bestonden op de datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomingsgebied worden, binnen de twee jaar voor de ingegraven tanks en binnen de vier jaar voor bovengrondse tanks, volgend op de aanwijzing van het voorkomingsgebied, minstens via visuele controle samen met een diagnose voor de overige levensduur, aan een waterdichtheidstest onderworpen door een erkend technicus.
Als de tests wijzen op een waterdichtheidsdefect, op een kortere levensduur dan vier jaar of een dreigend vervuilingsrisico, wordt de recipiënt onmiddellijk aan zijn bestemming onttrokken en de nieuwe opslag voor koolwaterstoffen bedoeld in lid 1, 1° en 2°, voldoet aan de daarin gestelde voorwaarden en aan de aanvullende voorwaarden bedoeld in lid 6.
De waterdichtheidstests voor de bovengrondse en ingegraven tanks worden, bij ontstentenis van een geldend waterdichtheidscertificaat, worden uitgevoerd overeenkomstig de wetgeving betreffende de opslaginstallaties waarvan de vereisten opgenomen zijn in het besluit van de Waalse Regering van 17 juli 2003. Wanneer geen enkele wetgeving van toepassing is, worden de waterdichtheidstests uitgevoerd door de exploitant van de waterwinning of de "SPGE" wanneer de exploitant van de waterwinning een dienstverleningscontract voor de bescherming gesloten heeft met de "SPGE".
§ 4. De opslaginstallaties voor producten waarvan de natuurlijke afbraak vervuilingsrisico's vertoont voor de oppervlaktewateren zijn verboden.
In afwijking van lid 1 worden organische stoffen die op datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van een nabijgelegen voorkomingsgebied vloeistoflozingen zouden kunnen veroorzaken, in kuipen of recipiënten opgeslagen die waterdicht zijn of geïnstalleerd zijn op niet-waterdoorlatende oppervlakten zo uitgerust om te garanderen dat er geen lozingen van vloeistoffen zouden kunnen voorvallen die de kwaliteit van de oppervlaktewateren aantasten.
§ 5. De manipulatie van koolwaterstoffen of producten die stoffen bevatten als bedoeld in bijlage VII bij het decreetgevend deel, met inbegrip van meststoffen en pesticiden, en de verrichtingen voor het onderhoud en de bevoorrading van motortuigen worden verricht op waterdichte oppervlakten voorzien van een systeem voor de recuperatie van vloeistoffen die garanderen dat er geen enkele lozing van vloeistoffen naar de oppervlaktewateren gebeurt.
§ 6. Leidingen voor het vervoer van koolwaterstoffen, producten of stoffen die substanties bevatten als bedoeld in bijlage VII van het decreetgevend deel zijn waterdicht. Het risico dat een accidentele breuk optreedt wordt herleid tot verwaarloosbare waarden.
§ 7. De delen van wegen die bestonden op de datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomingsgebied, dit gebied doorkruisen en een verontreinigingsrisico vertonen voor de oppervlaktewateren worden zo ingericht dat dit risico voorkomen of zo goed mogelijk ingeperkt wordt.
De nieuwe wegdelen die het gebied doorkruisen, evenals de delen van wegen die bestonden op de datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomingsgebied waar een renovatie aan de gang is worden uitgerust met inzamelsystemen die de voorkoming garanderen van ieder risico op vervuiling van oppervlaktewateren door (vloei)stoffen die accidenteel geloosd zouden worden.
De wegdelen die een risico vertonen op vervuiling van de oppervlaktewateren die schade zou kunnen toebrengen aan de kwaliteit van de winning van tot drinkwater verwerkbaar water door het vallen van een motortuig in de oppervlaktewateren worden uitgerust met vangrails of een gelijksoortig systeem.
§ 8. Het spreiden van meststoffen wordt enkel toegelaten voor zover de natuurkundige stikstofbehoeften van de planten worden gedekte, met inperking van verliezen van voedingsdeeltjes.
Als de Minister evenwel vaststelt dat de waterwinning een in percentielen uitgedrukt gehalte van meer dan vijfentwintig mg aan NO3-/l bevat, neemt hij de passen maatregelen voor een wijziging van sommige landbouw-, huishoudkundige en andere praktijken die de insijpeling van nitraten in oppervlaktewateren inperkt. Die maatregelen blijven van kracht totdat het gehalte opnieuw onder de grens van vijfentwintig mg NO3-/l gaat en minstens vijf jaar onder dat niveau blijft. Hij kan met name de spreidingen beperken van dierlijke mest, van producten waarvan de spreiding toegelaten is voor landbouwdoeleinden en stikstofhoudende meststoffen tegen de maximumdosissen voor kwetsbare gebieden als bedoeld in hoofdstuk IV van deze titel.
De bepalingen van lid 1 zijn onmiddellijk van toepassing op datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van de voorkomingsgebieden.
Als de beslissing geen bijzondere bepaling bevat, zijn de maatregelen waarvan sprake in leden 2 en 3 van toepassing binnen een termijn van één jaar volgend op de kennisgeving van de beslissing van de Minister.
§ 9. De Minister beveelt de uitvoering van een onderzoekscontrole met het oog op de bepaling van de overschrijding van de concentratie van actieve stoffen in de pesticiden evenals van hun metabolieten, afbraak- en reactieproducten en op het opsporen van de oorsprong, als deze concentratie in een jaargemiddelde in de ontvangende wateren dertig percent overschrijdt, ofwel:
de kwaliteitsnormen van de oppervlaktewateren bedoeld in artikel R.104 voor wat betreft de waarde, vastgesteld per individuele stof;
van de kwaliteitsnormen van de grondwateren bedoeld in artikel R.104 wat betreft de waarde vastgelegd voor het totaal van deze stoffen;
van de drempelwaarden van de oppervlaktewateren bedoeld in artikel R.104.
Als deze overschrijding toe te schrijven is aan praktijken die niet met de bestaande wetgeving overeenstemmen, neemt de Minister de maatregelen om deze te laten naleven. In het geval waarin de overschrijding niet toe te schrijven is aan een niet-naleving van enige wettelijke norm, kan de Minister, in overleg met de betrokken sectoren, passende aanmoedigende en begeleidende maatregelen voorstellen om sommige landbouw-, huishoudelijke en andere praktijken te wijzigen om de introductie van pesticiden in de oppervlaktewateren te beperken tot dat de gehaltes zich opnieuw onder de dertig percent van de kwaliteitsnormen of drempelwaarden van de oppervlaktewateren bedoeld in artikel R.104 bevinden en minstens gedurende vijf jaar op dat niveau blijven. De voorgestelde maatregelen zijn proportioneel en houden rekening met het resultaat van een evaluatie van hun sociaal-economische impact op de betrokken sectoren.
Als de Minister geen bijzondere bepaling neemt, zijn de maatregelen waarvan hierboven sprake van toepassing binnen een termijn van één jaar volgend op de kennisgeving van de beslissing van de Minister.
De Minister neemt, na de onderzoekscontrole, en in overleg met de betrokken sectoren, versterkte maatregelen als de concentratie aan actieve stoffen van pesticiden en hun metabolieten, afbraak- en reactieproducten in jaargemiddelde in de ontvangende wateren vijfenzeventig percent overschrijdt van:
de kwaliteitsnormen van de oppervlaktewateren bedoeld in artikel R.104 wat betreft de waarde vastgelegd per individuele stof;
van de kwaliteitsnormen van de oppervlaktewateren bedoeld in artikel R.104 wat betreft de waarde vastgelegd voor het totaal van deze stoffen;
van de drempelwaarden van de oppervlaktewateren bedoeld in artikel R.104.
De maatregelen bedoeld in lid 4 houden rekening met de dwingende landbouwfactoren en kunnen gaan tot en met het verbod op de toepassing van de betrokken pesticiden om te voorkomen dat deze in de oppervlaktewateren terechtkomen totdat de gehaltes zich opnieuw onder de vijfenzeventig percent van de kwaliteitsnormen en drempelwaarden van de oppervlaktewateren bedoeld in artikel R.104 bevinden en sinds minstens vijf jaar op dat niveau blijven.
Als de Minister geen bijzondere bepaling neemt, zijn de maatregelen waarvan hierboven sprake van toepassing binnen een termijn van één jaar volgend op de kennisgeving van de beslissing van de Minister.
De waterproducent verwittigt de directeur-generaal van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of diens vertegenwoordiger als de concentratie aan actieve stoffen van de pesticiden, evenals in hun metaboliete, afbraak- en reactieproducten in de ontvangende wateren geval per geval honderd percent overschrijden van ofwel:
de kwaliteitsnormen van de oppervlaktewateren bedoeld in artikel R.104 wat betreft de waarde vastgelegd per individuele stof;
de kwaliteitsnormen van de oppervlaktewateren bedoeld in artikel R.104 wat betreft de waarde vastgelegd voor het totaal van deze stoffen;
de drempelwaarden van de oppervlaktewateren bedoeld in artikel R.104.
De directeur-generaal van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of diens vertegenwoordiger licht onverwijld ieder organisme in.
§ 10. Iedere spreiding van pesticiden of minerale of organische meststoffen op een afstand van minder dan zes meter van iedere waterloop gelegen in het nabijgelegen voorkomingsgebied is verboden. Een buffergebied, bedekt met een permanente beplantingsstrook, zes meter breed te rekenen van de oeverrug, wordt langs de gehele waterloop aangelegd, in het nabijgelegen voorkomingsgebied. De afwijking voorzien in artikel 2, 7°, van het besluit van de Waalse Regering van 11 juli 2013 betreffende een pesticidengebruik dat verenigbaar is met de duurzame ontwikkeling en tot wijziging van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt en het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 5 oktober 1987 betreffende het opmaken van een verslag over de toestand van het Waalse leefmilieu blijft verder van toepassing.
§ 11. Voor iedere waterwinning van categorie B.3, bedoeld in artikel R.145, § 2, wordt een meetstation met waarschuwingssein opgericht.
De exploitant plaatst, binnen een termijn van twaalf maanden te rekenen van de datum van kennisgeving van het ministerieel besluit, een meetstation met waarschuwingssein, stroomopwaarts gelegen ten opzichte van de waterwinning, op zodanige afstand van deze laatste dat het mogelijk is de representatieve kwaliteitsparameters van de risico's te berekenen en de nodige reactietijd te geven om op te treden in het geval van kwaliteitsschommelingen.
§ 12. Lozingen van niet-gezuiverd afvalwater zijn verboden.
§ 13. Afvalwater van huishoudens of industrieën, met inbegrip van afvalwater van zuiveringsstations, kunnen onderworpen worden aan bijzondere maatregelen in het geval van gebleken vervuilingsrisico van de waterwinning. De Minister kan iedere nuttige maatregel nemen om dat risico te beperken, onverminderd het saneringsstelsel voor residuair stedelijk afvalwater.
§ 14. Lozingen van bestaande onweersbekkens in een nabijgelegen voorkomingsgebied kunnen onderworpen worden aan bijzondere maatregelen die de Minister kan nemen.
§ 15. Het is verboden, in nabijgelegen voorkomingsgebieden nieuwe onweersbekkens aan te leggen.
§ 16. Systemen voor afvoer van afvloeiend hemel- en dakwater naar oppervlaktewateren in nabijgelegen voorkomingsgebied kunnen onderworpen worden aan bijzondere maatregelen die de Minister kan nemen.
§ 17. Omheinde terreinen voor dieren, stallen en kennels inbegrepen, worden op dusdanige wijze uitgerust dat iedere lozing van vloeistoffen naar oppervlaktewateren onbestaande is.
§ 18. Plaatsen waar dieren permanent geconcentreerd zijn zoals drinkbakken, troggen, voederplaatsen, melkplaatsen, gelegen buiten de gebouwen van het bedrijf en die een risico op vervuiling van de oppervlaktewateren vertonen waardoor de kwaliteit van de winning van tot drinkwater verwerkbaar water aangetast kan worden, zijn verboden. In voorkomend geval worden ze verwijderd en verplaatst naar buiten het nabijgelegen voorkomingsgebied.
§ 19. Wat betreft het uitvoeren van werven, werkzaamheden en bouwwerken worden volgende maatregelen nageleefd:
de werftuigen vertonen geen lekken van koolwaterstoffen, zijn in goede staat, worden regelmatig nagekeken en in geval van probleem onmiddellijk uit de voorkomingsgebieden verwijderd om hersteld te worden;
de onderhouds- of bevoorradingsverichtingen van motortuigen worden dusdanig uitgevoerd dat geen vloeistof accidenteel verspreid wordt en naar de oppervlaktewateren afvloeit;
enkel de producten nodig voor de uitvoering van de werf mogen zich ter plaatse bevinden;
de producten die risico's vertonen voor de kwaliteit van de oppervlaktewateren zoals brandstoffen of smeerolies worden ofwel opgeslagen in tanks, geplaatst in waterdichte kuipen die minstens dezelfde capaciteit als de totale capaciteit van de tanks die in deze kuipen opgeslagen zijn, ofwel opgeslagen in vaten of recipiënten opgesteld op een waterdichte oppervlakte die dusdanig is uitgerust dat elke lozing van vloeistoffen bij lekkages onbestaande is;
in geval van incident worden onmiddellijk maatregelen genomen om het verder uitdijen van de verontreiniging en een besmetting van het oppervlaktewater te voorkomen.
Betreffende lid 1, 5°, zijn de nodige hoeveelheden anti-vervuilingskits, met onder ander materiaal voor de adsorptie van koolwaterstoffen, en zeilen beschikbaar. De aannemer licht de bevoegde dienst van de Administratie en "SOS Environnement-Nature" in.
§ 20. Nieuwe transformatoren worden op een sokkel uit gewapend beton opgesteld, die tegelijk een
De transformatoren die bestaan op het ogenblik van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomingsgebied worden met een systeem uitgerust waarmee lekkende vloeistoffen gerecupereerd kunnen worden en het uitblijven van lozingen die de kwaliteit van de oppervlaktewateren aantasten, gegarandeerd kan worden.
§ 21. Het is verboden, vee toegang te laten krijgen tot waterlopen gelegen in II.A-gebied. Langs de weilandpercelen die de waterloop volgen worden omheiningen geplaatst.
§ 22. Het gebied wordt dusdanig met verkeerstekens uitgerust dat borden, overeenstemmend met de modellen opgenomen [2 in bijlage LVIbis]2, op alle hoofdverkeerswegen op punten worden geplaatst waar het nabijgelegen voorkomingsgebied betreden wordt.
§ 23. Er kunnen in het ministerieel besluit ter afbakening van het (de) voorkomingsgebied(en) aanvullende maatregelen voor de bescherming van het waterwinningsgebied nader worden bepaald.]1

Art. R165. [1 § 1er. En zone IIA, les prescriptions spécifiques ou les interdictions définies dans les paragraphes suivants sont applicables pour chaque type d'activités ou d'installations y précisés.
§ 2. Les activités relatives à la gestion des déchets visées au présent paragraphe répondent aux conditions suivantes :
les centres d'enfouissement techniques visés par le décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets sont interdits ;
les stockages et installations de regroupement, d'élimination ou de valorisation des déchets sont soit interdits ou soit autorisés aux conditions suivantes :
a) l'implantation de nouveaux stockages ou de nouvelles installations de regroupement, d'élimination ou de valorisation de déchets visés par le décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets est interdite;
b) les stockages et les installations de regroupement, d'élimination ou de valorisation des déchets visés par le décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets, existants à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention, sont équipés d'un système de collecte garantissant l'absence de tout rejet liquide vers les eaux de surface.
Le présent paragraphe ne s'applique pas à la réintroduction dans le même lac des sédiments issus de son curage.
§ 3. Les stockages enterrés ou aériens répondent aux prescriptions suivantes :
les stockages d'hydrocarbures aériens ou enterrés de cent litres à moins de trois mille litres, répondent aux exigences prévues à l'arrêté du Gouvernement wallon du 17 juillet 2003 déterminant les conditions intégrales des dépôts de liquides combustibles en réservoirs fixes, à l'exclusion des dépôts en vrac de produits pétroliers et substances dangereuses ainsi que les dépôts présents dans les stations-service, dénommé ci-après " l'arrêté du Gouvernement wallon du 17 juillet 2003 ", et aux dispositions prises en vertu du décret du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols;
les stockages aériens ou enterrés de plus de trois mille litres d'hydrocarbures répondent aux exigences de l'arrêté du Gouvernement wallon du 17 juillet 2003 ;
les stockages de plus de cent litres de produits liquides contenant des substances reprises en annexe VII de la partie décrétale répondent aux exigences de la législation en vigueur relative à ces installations de stockage ;
Complémentairement à ces mesures, les hydrocarbures sont contenus dans des récipients étanches, installés sur des surfaces imperméables et équipées d'un système de collecte garantissant l'absence de tout rejet liquide en cas de fuite.
les stockages de produits solides contenant des substances reprises en annexe VII de la partie décrétale sont installés sous toit, sur des surfaces imperméables et équipées d'un système de collecte garantissant l'absence de tout rejet liquide pouvant porter atteinte à la qualité des eaux de surface;
les stockages des pesticides sont interdits, sauf les stockages aériens existants lorsque la quantité de pesticides stockée est inférieure à cinq tonnes et que les conditions d'exploiter sont définies conformément au décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement sont respectées ;
le stockage, sur ou en dehors du site de leur production, de matières organiques susceptibles de libérer des rejets liquides est règlementé de telle sorte que :
a) en dehors du site de production, ils sont interdits ;
b) les stockages existants sur le site de leur production à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant une zone de prévention rapprochée, sont placés dans des cuves ou des récipients étanches ou installés sur des surfaces imperméables et équipées de manière à garantir l'absence de tout rejet liquide pouvant porter atteinte à la qualité des eaux de surface ;
c) les stockages d'effluents d'élevage à la ferme existants à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant une zone de prévention rapprochée, sont constitués en respectant les conditions fixées au chapitre IV du présent titre ;
d) les stockages de produits d'ensilage susceptibles de libérer des rejets liquides, existants à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant une zone de prévention rapprochée, sont contenus dans des cuves ou des récipients étanches ou installés sur des surfaces imperméables et équipées de manière à garantir l'absence de tout rejet liquide pouvant porter atteinte à la qualité des eaux de surface.
Complémentairement aux mesures visées au point 1° à 6°, les substances susvisées sont contenues dans des récipients étanches, installés sur des surfaces imperméables et équipées d'un système de collecte garantissant l'absence de tout rejet liquide en cas de fuite. Les stockages visés à l'alinéa 1er, 1°, existants avant l'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention, sont mis en conformité à charge du propriétaire en fin de vie du réservoir ou lorsque le risque de pollution est imminent.
Pour les stockages visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°, les mesures suivantes sont également obligatoires :
les surfaces de collecte, les encuvements, les bacs de rétention et les fosses étanches sont laissés libres;
le soutirage et le jaugeage sont effectués par la partie supérieure du réservoir. Le soutirage par gravité, même avec un dispositif de fermeture sur la conduite, est interdit;
une plaquette est apposée sur le réservoir, spécifiant la zone de prévention et indiquant les numéros de téléphone de l'exploitant de la prise d'eau, de la commune et de SOS Environnement Nature.
Concernant l'alinéa 4, 1°, les stockages sont protégés contre l'eau de pluie et les infiltrations. Les dispositifs permettant d'évacuer l'eau par la base sont interdits.
Les réservoirs abandonnés d'hydrocarbures visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°, ou de produits contenant des substances visées l'annexe VII de la partie décrétale, aériens ou enterrés, visés à l'alinéa 1er, 3°, sont vidés, nettoyés, le cas échéant dégazés, et évacués. Les tuyauteries sont vidées et démontées.
En cas d'impossibilité d'évacuer un réservoir enterré, visé à l'alinéa 1er, 1° et 2°, dans des conditions techniques et financières raisonnables, il peut rester en place après avoir été rempli d'un matériau inerte. S'il s'agit d'un réservoir enterré, un test d'étanchéité est préalablement réalisé par un technicien agréé conformément à l'article 634ter/4 du titre III du règlement général pour la protection du travail. Si le résultat de ce test révèle un défaut d'étanchéité, une procédure d'assainissement est réalisée conformément aux dispositions en vigueur.
Les réservoirs d'hydrocarbures visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°, ou de produits contenant des substances visées à l'annexe VII de la partie décrétale et visés à l'alinéa 1er, 3°, existants à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention, font l'objet d'un test d'étanchéité réalisé par un technicien agréé dans les deux ans pour les réservoirs enterrés et dans les quatre ans pour les réservoirs aériens qui suivent la désignation de la zone de prévention, au minimum par un contrôle visuel, accompagné d'un diagnostic de la durée de vie restante.
Si les tests indiquent un manque d'étanchéité, une durée de vie inférieure à quatre ans ou un risque de pollution imminent, le récipient est supprimé immédiatement et le nouveau stockage d'hydrocarbure visé à l'alinéa 1er, 1° et 2°, répond aux conditions y mentionnées ainsi qu'aux conditions complémentaires visées à l'alinéa 6.
Les tests d'étanchéité pour les réservoirs aériens et enterrés sont pris en charge conformément à la législation relative aux installations de stockage, exigences qui figurent à l'arrêté du Gouvernement wallon du 17 juillet 2003, à défaut de certificat d'étanchéité en cours de validité. Lorsqu'aucune législation ne s'applique, les tests d'étanchéité sont pris en charge par l'exploitant de la prise d'eau ou par la S.P.G.E. lorsque l'exploitant de la prise d'eau a signé un contrat de service de protection avec la S.P.G.E.
§ 4. Les installations d'entreposage de produits dont la dégradation naturelle présente des risques de pollution pour les eaux de surface sont interdites.
En dérogation à l'alinéa 1er, les stockages de matières organiques susceptibles de libérer des rejets liquides existants sur le site de leur production à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant une zone de prévention rapprochée, sont placés dans des cuves ou des récipients étanches ou installés sur des surfaces imperméables et équipées de manière à garantir l'absence de tout rejet liquide pouvant porter atteinte à la qualité des eaux de surface.
§ 5. La manipulation d'hydrocarbures ou de produits contenant des substances visées à l'annexe VII de la partie décrétale, y compris les engrais et les pesticides, ainsi que les opérations d'entretien et de ravitaillement d'engins à moteur, sont réalisées sur des surfaces étanches, avec système de récupération des liquides, garantissant l'absence de tout rejet liquide vers les eaux de surface.
§ 6. Les conduites destinées au transport d'hydrocarbures, de produits ou de matières contenant des substances visées à l'annexe VII de la partie décrétale sont étanches. Le risque de leur rupture accidentelle est réduit à des valeurs négligeables.
§ 7. Les parties de voiries existantes à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention, la traversant et présentant un risque de pollution des eaux de surface sont aménagées de manière à éviter ou à réduire au mieux celui-ci.
Les parties de nouvelles voiries traversant la zone, ainsi que les parties de voiries existantes à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention faisant l'objet d'une rénovation, sont pourvues de systèmes de collecte garantissant tout risque de pollution des eaux de surface par les liquides ou matières qui seraient déversés accidentellement.
Les parties de voiries présentant un risque de pollution des eaux de surface pouvant porter atteinte à la qualité de la prise d'eau potabilisable en cas de chute d'engin motorisé dans les eaux de surface sont équipées de glissières de sécurité, ou de tout autre dispositif équivalent.
§ 8. L'épandage de fertilisants est autorisé uniquement pour couvrir les besoins physiologiques en azote des végétaux, en limitant les pertes d'éléments nutritifs.
Toutefois, si le Ministre constate que la prise d'eau présente une teneur en percentile nonante de plus de vingt-cinq mg NO3-/l, il prend les mesures adéquates conduisant à la modification de certaines pratiques agricoles, domestiques et autres afin de réduire l'introduction de nitrate dans les eaux de surface. Ces mesures restent d'application jusqu'à ce que les teneurs soient redescendues en dessous de vingt-cinq mg NO3-/l et maintenues à ce niveau depuis cinq ans au moins. Il peut notamment limiter les épandages d'effluents d'élevage, de produits autorisés à être épandus à des fins agricoles et d'engrais azotés aux doses maximales autorisées en zone vulnérable prévues au chapitre IV du présent titre.
Les dispositions de l'alinéa 1er sont d'application immédiate dès la date d'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant les zones de prévention.
A défaut de précision particulière dans la décision, les mesures prévues aux alinéas 2 et 3 s'appliquent dans un délai d'un an suivant la notification de la décision du Ministre.
§ 9. Le Ministre diligente un contrôle d'enquête visant à préciser le dépassement de la concentration en substances actives des pesticides, ainsi qu'en leurs métabolites, produits de dégradation et de réaction, et à en cerner l'origine, si cette concentration, excède, en moyenne annuelle, dans les eaux réceptrices, trente pour cent, soit :
des normes de qualité des eaux de surface visées à l'article R.104 pour ce qui concerne la valeur fixée par substance individuelle ;
des normes de qualité des eaux de surface visées à l'article R.104 pour ce qui concerne la valeur fixée pour le total des substances ;
des valeurs seuils des eaux de surface visées à l'article R.104.
Si ce dépassement est lié à des pratiques non conformes à toute législation existante, le Ministre prend les mesures visant à faire respecter celles-ci. Dans le cas où le dépassement n'est pas lié à un non respect d'une obligation légale, le Ministre peut proposer, et en concertation avec les secteurs concernés, des mesures d'encadrement et incitatives adéquates visant à modifier certaines pratiques agricoles, domestiques et autres afin de limiter l'introduction de pesticides dans les eaux de surface jusqu'à ce que les teneurs soient redescendues sous les trente pour cent des normes de qualité ou valeurs seuils des eaux de surface visées à l'article R.104, et soient maintenues à ce niveau depuis cinq ans au moins. Les mesures proposées sont proportionnées et intègrent le résultat d'une évaluation de leurs impacts socio-économiques sur les secteurs concernés.
A défaut de disposition particulière prise par le Ministre, les mesures précisées ci-avant s'appliquent dans un délai d'un an suivant la notification de la décision du Ministre.
Le Ministre prend, après contrôle d'enquête, et en concertation avec les secteurs concernés, des mesures renforcées si la concentration en substances actives des pesticides, ainsi qu'en leurs métabolites, produits de dégradation et de réaction, excède, en moyenne annuelle, dans les eaux réceptrices, septante-cinq pour cent, soit :
des normes de qualité des eaux de surface visées à l'article R.104 pour ce qui concerne la valeur fixée par substance individuelle ;
des normes de qualité des eaux de surface visées à l'article R.104 pour ce qui concerne la valeur fixée pour le total des substances ;
des valeurs seuils des eaux de surface visées à l'article R.104.
Les mesures visées à l'aliéna 4 tiennent compte des contraintes agronomiques et peuvent aller jusqu'à l'interdiction d'application des produits pesticides concernés afin d'empêcher l'introduction de pesticides dans les eaux de surface jusqu'à ce que les teneurs soient redescendues sous les septante-cinq pour cent des normes de qualité et valeurs seuils des eaux de surface visées à l'article R.104, et soient maintenues à ce niveau depuis cinq ans au moins.
A défaut de disposition particulière prise par le Ministre, les mesures précisées ci-avant s'appliquent dans un délai d'un an suivant la notification de la décision du Ministre.
Le producteur d'eau avertit le directeur général du Service public de Wallonie Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, ou son représentant si la concentration en substances actives des pesticides, ainsi qu'en leurs métabolites, produits de dégradation et de réaction, excède ponctuellement, dans les eaux réceptrices, cent pour cent, soit :
des normes de qualité des eaux de surface visées à l'article R.104 pour ce qui concerne la valeur fixée par substance individuelle ;
des normes de qualité des eaux de surface visées à l'article R.104 pour ce qui concerne la valeur fixée pour le total des substances ;
des valeurs seuils des eaux de surface visées à l'article R.104.
Le directeur général du Service public de Wallonie Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, ou son représentant en informe sans délais tout organisme concerné.
§ 10. Tout épandage de pesticides ou d'engrais minéraux ou organiques à une distance de moins de six mètres de tout cours d'eau situé dans la zone de prévention rapprochée est interdit. Une zone tampon couverte d'une végétation permanente de six mètres de large à partir de la crête de berge est installée le long de tout cours d'eau situé dans la zone de prévention rapprochée. La dérogation prévue par l'article 2, 7°, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 11 juillet 2013 relatif à une application des pesticides compatible avec le développement durable et modifiant le Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau et l'arrêté de l'Exécutif régional wallon du 5 novembre 1987 relatif à l'établissement d'un rapport sur l'état de l'environnement wallon reste d'application.
§ 11. Une station d'alerte est mise en place pour toute prise d'eau de catégorie B.3 visée à l'article R.145, § 2.
L'exploitant installe dans un délai de douze mois à compter de la date de notification de l'arrêté ministériel, une station d'alerte située en amont du captage à une distance de ce dernier permettant de mesurer les paramètres qualitatifs représentatifs des risques et donnant le temps de réaction nécessaire à l'exploitant pour intervenir en cas de variation de la qualité.
§ 12. Les rejets d'eaux usées non-épurées sont interdits.
§ 13. Les effluents domestiques ou industriels, y compris les effluents de stations d'épuration, peuvent faire l'objet de mesures particulières en cas de risque avéré de pollution du captage. Le Ministre peut prendre toute disposition utile permettant de réduire ce risque, sans préjudice du régime d'assainissement des eaux usées urbaines résiduaires.
§ 14. Les rejets de bassins d'orage existants en zone de prévention rapprochée peuvent faire l'objet de mesures particulières que le Ministre peut prendre.
§ 15. Les nouveaux bassins d'orage en zone de prévention rapprochée sont interdits.
§ 16. Les dispositifs de transfert des eaux de ruissellement et de toitures vers les eaux de surface en zone de prévention rapprochée, peuvent faire l'objet de mesures particulières que le Ministre peut prendre.
§ 17. Les enclos couverts pour animaux, en ce compris les étables et les chenils, sont équipés de manière à garantir l'absence de tout rejet liquide vers les eaux de surface.
§ 18. Les lieux de concentration d'animaux qui revêtent un caractère permanent tels un abreuvoir, une auge, un nourrissage, une traite, qui sont situés en dehors des bâtiments de l'exploitation et qui présentent un risque de pollution des eaux de surface pouvant porter atteinte à la qualité de la prise d'eau potabilisable, sont interdits. Le cas échéant, ils sont supprimés et déplacés en dehors de la zone de prévention rapprochée.
§ 19. En ce qui concerne l'exécution de chantiers, de travaux et de constructions, les dispositions suivantes sont respectées :
les engins de chantier ne présentent pas de fuite d'hydrocarbures, sont en bon état, régulièrement vérifiés et, en cas de problème, immédiatement transférés en dehors des zones de prévention pour être réparés ;
les opérations d'entretien ou de ravitaillement des engins à moteur sont réalisées de manière à éviter tout épandage accidentel de liquide et son transfert vers les eaux de surface ;
seuls les produits nécessaires à l'exécution du chantier peuvent s'y trouver ;
les produits présentant des risques pour la qualité des eaux de surface tels des carburants ou lubrifiants, sont soit stockés dans des réservoirs placés dans des cuvettes de rétention étanches, de capacité au moins égale à la capacité totale des réservoirs contenus dans chaque cuvette, soit contenus dans des fûts ou récipients entreposés sur une aire étanche et équipée de manière à garantir l'absence de tout rejet liquide en cas de fuite ;
en cas d'incident, des mesures sont prises immédiatement pour éviter l'extension de la pollution et son transfert vers les eaux de surface.
Concernant l'alinéa 1er, 5°, des kits anti-pollution comprenant notamment des matériaux adsorbant les hydrocarbures et des bâches sont disponibles en quantité appropriée. L'entrepreneur avertit le service compétent de l'Administration et SOS Environnement-Nature.
§ 20. Les nouveaux transformateurs sont disposés sur un socle en béton armé formant bac de rétention.
Les transformateurs existants au moment de l'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention sont équipés d'un dispositif permettant la récupération des liquides en cas de fuite et garantissant l'absence de rejet pouvant porter atteinte à la qualité des eaux de surface.
§ 21. L'accès du bétail à tout cours d'eau situé dans la zone IIA est interdit. Une clôture est placée le long des parcelles pâturées bordant celui-ci.
§ 22. La signalisation de la zone est réalisée de telle sorte que des panneaux, conformes aux modèles repris [2 en annexe LVIbis]2, sont placés sur tous les axes principaux de circulation aux points d'entrée de ceux-ci dans la zone de prévention rapprochée.
§ 23. Des mesures complémentaires nécessaires à la protection de la prise d'eau peuvent être précisées dans l'arrêté ministériel délimitant la ou les zones de prévention.]1

Art. R166. [1 § 1. In gebied II.B zijn de specifieke voorschriften omschreven in de paragrafen 2 tot 18 op ieder type nader omschreven activiteiten of installaties.
§ 2. De afvalbeheersactiviteiten voldoen aan volgende voorwaarden:
de technische ingravingscentra, bedoeld bij het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, zijn verboden;
de vestiging van nieuwe technische ingravingscentra van klasse 3 is verboden;
de opslagplaatsen en de installaties voor het samenbrengen, verwijderen of positief benutten van afvalstoffen bedoeld bij het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen worden uitgerust met een inzamelsysteem waarbij gegarandeerd wordt dat lozingen van vloeistoffen naar de oppervlaktewateren onbestaande zijn.
Afwijkend van lid 1, 1°, worden toegelaten, op voorwaarde dat ze reeds bestonden op het ogenblik van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomingsgeboed, de installaties bedoeld bij volgende rubrieken van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten en verscheidene besluiten van de Waalse Regering tot bepaling van de sectorale en integrale voorwaarden:
de centra van klasse 3 bedoeld bij rubriek 90.25.03;
de centra van klasse 4.A bedoeld bij rubriek 90.25.04.01;
de centra van klasse 5.3 bedoeld bij rubriek 90.25.05.03.
Afwijkend van lid 1, 2°, worden nieuwe technische ingravingscentra van klasse 3, opgenomen in het plan voor technische ingravingscentra, aangenomen door de Waalse Regering op 1 april 1999, toegelaten in de voorwaarden vastgesteld krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning.
§ 3. De hierna vernoemde opslagplaatsen voldoen aan volgende voorwaarden:
de bovengrondse of ingegraven opslagplaatsen voor koolwaterstoffen van honderd tot minder dan drie duizend liter voldoen aan de vereisten van het besluit van de Waalse Regering van 17 juli 2003 en aan de bepalingen genomen krachtens het decreet van 1 maart 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering;
bovengrondse of ingegraven opslagplaatsen van meer dan drie duizend liter koolwaterstoffen voldoen aan de vereisten van het besluit van de Waalse Regering van 17 juli 2003;
de opslagplaatsen van meer dan honderd liter vloeibare producten die stoffen bevatten, opgenomen in bijlage VII bij het decreetgevend deel, voldoen aan de vereisten van de geldende wetgeving inzake opslaginstallaties;
de opslagplaatsen voor vaste producten die stoffen bevatten opgenomen in bijlage VII van het decreetgevend deel worden onder een dak geplaatst, op niet-waterdoorlatende oppervlakten uitgerust met een vergaarsysteem waarmee gegarandeerd kan worden dat er in het geval van lekken geen vloeistoffen geloosd worden die de kwaliteit van de oppervlaktewateren aantasten;
de opslagplaatsen van organische stoffen die lozingen van vloeistoffen zouden kunnen veroorzaken worden dusdanig ingericht dat het rechtstreeks en onrechtstreeks afvloeien ervan naar oppervlaktewateren voorkomen wordt.
Ter aanvulling van de onder lid 1, 1° tot 6°, bedoelde maatregelen zijn de stoffen vervat in waterdichte recipiënten, geplaatst op niet-waterdoorlatende oppervlakten uitgerust met een vergaarsysteem waarmee gegarandeerd kan worden dat er in het geval van lekken geen vloeistoffen geloosd worden.
De in lid 1, 3°, bedoelde bovengrondse of ingegraven afgedankte tanks voor koolwaterstoffen, bedoeld in lid 1, 1° en 2°, of voor producten die stoffen bevatten bedoeld in bijlage VII bij het decreetgevend deel worden geledigd, gereinigd, in voorkomend geval ontgast en afgevoerd. Het leidingenstelsel wordt geledigd en gedemonteerd.
Indien het onmogelijk is een ingegraven tank af te voeren in redelijke technische en financiële voorwaarden, is het mogelijk hem ter plaatse te laten nadat hij gevuld is met een inerte stof. Indien het een ingegraven tank betreft, wordt er vooraf een waterdichtheidstest uitgevoerd door een technicus, erkend overeenkomstig artikel 634ter/4 van titel III van het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming. Als uit deze test blijkt dat de tank niet waterdicht is, wordt overeenkomstig de geldende bepalingen een saneringsprocedure uitgevoerd.
De tanks voor koolwaterstoffen bedoeld in lid 1, 1° en 2°, of voor producten die stoffen bevatten als bedoeld in bijlage VII bij het decreetgevend deel en bedoeld in lid 1, 3°, die bestonden op de datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomingsgebied, en waarvan de ligging een risico vertoont op vervuiling van de oppervlaktewaterwinning worden binnen de twee jaar voor de ingegraven tanks en binnen de vier jaar voor bovengrondse tanks, volgend op de aanwijzing van het voorkomingsgebied, minstens via visuele controle samen met een diagnose voor de overige levensduur, aan een waterdichtheidstest onderworpen door een erkend technicus.
Als de tests wijzen op een waterdichtheidsdefect, op een kortere levensduur dan vier jaar of een dreigend vervuilingsrisico, wordt de recipiënt onmiddellijk aan zijn bestemming onttrokken en de nieuwe opslag voor koolwaterstoffen bedoeld in lid 1, 1° en 2°, voldoet aan de daarin gestelde voorwaarden en aan de aanvullende voorwaarden bedoeld in lid 4.
De waterdichtheidstests voor de bovengrondse en ingegraven tanks worden, bij ontstentenis van een geldend waterdichtheidscertificaat, uitgevoerd overeenkomstig de wetgeving betreffende de opslaginstallaties waarvan de vereisten opgenomen zijn in het besluit van de Waalse Regering van 17 juli 2003. Wanneer geen enkele wetgeving van toepassing is, worden de waterdichtheidstests uitgevoerd door de exploitant van de waterwinning of de "SPGE" wanneer de exploitant van de waterwinning een dienstverleningscontract voor de bescherming gesloten heeft met de "SPGE".
Op de productiesite ervan worden de stoffen bedoeld in lid 1, 5°, opgeslagen in waterdichte of op niet-waterdoorlatende oppervlaktes opgestelde kuipen of recipiënten, dusdanig uitgerust dat iedere lozing van vloeistoffen die de kwaliteit van de oppervlaktewateren kan aantasten, onbestaande is.
De opslagplaatsen, bedoeld in lid 1, 5°, die dierlijke mest bevatten worden zo geconcipieerd dat de voorwaarden vastgesteld in hoofdstuk IV van deze titel in acht genomen worden.
De opslagplaatsen bedoeld in lid 1, 5°, die ingekuilde producten met een permanent karakter bevatten die lozingen van vloeistoffen zouden kunnen veroorzaken, worden opgeslagen in waterdichte of op niet-waterdoorlatende oppervlaktes opgestelde kuipen of recipiënten, dusdanig uitgerust dat iedere lozing van vloeistoffen die de kwaliteit van de oppervlaktewateren kan aantasten, onbestaande is.
§ 4. De manipulatie van koolwaterstoffen of producten die stoffen bevatten als bedoeld in bijlage VII bij het decreetgevend deel, met inbegrip van meststoffen en pesticiden, en de verrichtingen voor het onderhoud en de bevoorrading van motortuigen worden verricht op waterdichte oppervlakten voorzien van een systeem voor de recuperatie van vloeistoffen die garanderen dat er geen enkele lozing van vloeistoffen naar de oppervlaktewateren gebeurt.
§ 5. Leidingen voor het vervoer van koolwaterstoffen, producten of stoffen die substanties bevatten als bedoeld in bijlage VII van het decreetgevend deel zijn waterdicht. Het risico dat een accidentele breuk optreedt wordt herleid tot verwaarloosbare waarden.
§ 6. Wat betreft de spreiding van meststoffen, zijn de bepalingen bedoeld in artikel R.165, § 8, van toepassing.
§ 7. Wat betreft de spreiding van pesticiden, zijn de bepalingen bedoeld in artikel R.165, § 9, van toepassing.
§ 8. Iedere spreiding van pesticiden of minerale of organische meststoffen op een afstand van minder dan zes meter van iedere waterloop gelegen in het nabijgelegen voorkomingsgebied is verboden. Een buffergebied, bedekt met een permanente beplantingsstrook, zes meter breed te rekenen van de oeverrug, wordt langs de gehele waterloop aangelegd, in het afgelegen voorkomingsgebied. De afwijking voorzien in artikel 2, 7°, van het besluit van de Waalse Regering van 11 juli 2013 betreffende een pesticidengebruik dat verenigbaar is met de duurzame ontwikkeling en tot wijziging van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt en het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 5 oktober 1987 betreffende het opmaken van een verslag over de toestand van het Waalse leefmilieu blijft verder van toepassing.
§ 9. Wat betreft de transformatoren, zijn de bepalingen van artikel R.165, § 20, van toepassing.
§ 10. Lozingen van niet-gezuiverd afvalwater zijn verboden.
§ 11. Afvalwater van huishoudens of industrieën, met inbegrip van afvalwater van zuiveringsstations, kunnen onderworpen worden aan bijzondere maatregelen in het geval van gebleken vervuilingsrisico van de waterwinning. De Minister kan iedere nuttige maatregel nemen om dat risico te beperken, onverminderd het saneringsstelsel voor residuair stedelijk afvalwater.
§ 12. Lozingen van bestaande onweersbekkens in een afgelegen voorkomingsgebied, en nieuwe onweersbekkens, kunnen onderworpen worden aan bijzondere maatregelen die de Minister kan nemen.
§ 13. Wat betreft de overdekte omheinde terreinen voor dieren, zijn de bepalingen van artikel R.165, § 17, van toepassing.
§ 14. Wat betreft de uitvoering van werven, werkzaamheden en bouwwerken, zijn de bepalingen van artikel R.165, § 19, van toepassing.
§ 15. Het plaatsen van verkeerstekens voor het gebied wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel R.165, § 22.
§ 16. De delen van wegen die bestonden op de datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomingsgebied, dit gebied doorkruisen en een verontreinigingsrisico vertonen voor de oppervlaktewateren die de kwaliteit van de waterwinning kunnen aantasten, worden zo ingericht dat dit risico voorkomen of zo goed mogelijk ingeperkt wordt.
De nieuwe wegdelen die het gebied doorkruisen, evenals de delen van wegen die bestonden op de datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomingsgebied waar een renovatie aan de gang is worden uitgerust met inzamelsystemen die de voorkoming garanderen van ieder risico op vervuiling van oppervlaktewateren, die de kwaliteit van de waterwinning kunnen aantasten, door (vloei)stoffen die accidenteel geloosd zouden worden.
De wegdelen die een risico vertonen op vervuiling van de oppervlaktewateren die schade zou kunnen toebrengen aan de kwaliteit van de winning van tot drinkwater verwerkbaar water door het vallen van een motortuig in de oppervlaktewateren worden uitgerust met vangrails of een gelijksoortig systeem.
§ 17. Het is verboden, vee toegang te laten krijgen tot waterlopen gelegen in II.B-gebied. Langs de weilandpercelen die de waterloop volgen worden omheiningen geplaatst.
§ 18. Er kunnen in het ministerieel besluit ter afbakening van het (de) voorkomingsgebied(en) aanvullende maatregelen voor de bescherming van het waterwinningsgebied nader worden bepaald.]1

Art. R166. [1 § 1er. En zone IIB, les prescriptions spécifiques définies dans les paragraphes 2 à 18 s'appliquent à chaque type d'activités ou d'installations précisés.
§ 2. Les activités de gestion des déchets répondent aux conditions suivantes :
les centres d'enfouissement techniques, dénommés ci-après " CET ", visés par le décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets, sont interdits ;
l'implantation de nouveaux CET de classe 3 est interdite ;
les stockages et les installations de regroupement, d'élimination ou de valorisation des déchets visés par le décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets, sont équipés d'un système de collecte garantissant l'absence de tout rejet liquide vers les eaux de surface.
En dérogation à l'alinéa 1er, 1°, sont autorisées à condition qu'elles soient existantes au moment de l'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention, les installations visées par les rubriques suivantes de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à études d'incidences et des installations et activités classées :
les centres de classe 3 visés par la rubrique 90.25.03 ;
les centres de classe 4.A visés par la rubrique 90.25.04.01 ;
les centres de classe 5.3 visés par la rubrique 90.25.05.03.
En dérogation à l'alinéa 1er, 2°, de nouveaux CET de classe 3 inscrits au plan des centres d'enfouissement technique, adopté par le Gouvernement wallon le 1er avril 1999, sont autorisés dans les conditions arrêtées en vertu du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement.
§ 3. Les stockages énumérés ci-après répondent aux conditions suivantes :
les stockages d'hydrocarbures aériens ou enterrés de cent litres à moins de trois mille litres, répondent aux exigences de l'arrêté du Gouvernement wallon du 17 juillet 2003, et aux dispositions prises en vertu du décret du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols ;
les stockages aériens ou enterrés de plus de trois milles litres d'hydrocarbures répondent aux exigences de l'arrêté du Gouvernement wallon du 17 juillet 2003 ;
les stockages de plus de cent litres de produits liquides contenant des substances reprises en annexe VII de la partie décrétale répondent aux exigences de la législation en vigueur relative à ces installations de stockage ;
les stockages de produits solides contenant des substances reprises en annexe VII de la partie décrétale sont installés sous toit, sur des surfaces imperméables et équipées d'un système de collecte garantissant l'absence de tout rejet liquide pouvant porter atteinte à la qualité des eaux de surface ;
les stockages de matières organiques susceptibles de libérer des rejets liquides sont constitués de manière à éviter tout écoulement direct ou indirect vers les eaux de surface.
Complémentairement aux mesures visées à l'alinéa 1er, 1° à 3°, les substances visées sont contenues dans des récipients étanches, installés sur des surfaces imperméables et équipées d'un système de collecte garantissant l'absence de tout rejet liquide en cas de fuite.
Les réservoirs abandonnés d'hydrocarbures visés à l'alinéa 1er, 1° et 2° ou de produits contenant des substances de l'annexe VII de la partie décrétale, aériens ou enterrés, et visés à l'alinéa 1er, 3°, sont vidés, nettoyés, le cas échéant dégazés, et évacués. Les tuyauteries sont vidées et démontées.
En cas d'impossibilité d'évacuer un réservoir enterré dans des conditions techniques et financières raisonnables, il peut rester en place après avoir été rempli d'un matériau inerte. S'il s'agit d'un réservoir enterré, un test d'étanchéité est préalablement réalisé par un technicien agréé conformément à l'article 634ter/4 du titre III du règlement général pour la protection du travail. Si le résultat de ce test révèle un défaut d'étanchéité, une procédure d'assainissement est réalisée conformément aux dispositions en vigueur.
Les réservoirs d'hydrocarbures visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°, ou de produits contenant des substances de l'annexe VII de la partie décrétale et visés à l'alinéa 1er, 3°, existants à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention, et dont la localisation présente un risque de pollution de la prise d'eau de surface, font l'objet d'un test d'étanchéité réalisé par un technicien agréé dans les deux ans pour les réservoirs enterrés et dans les quatre ans pour les réservoirs aériens qui suivent la désignation de la zone de prévention, au minimum par un contrôle visuel, accompagné d'un diagnostic de la durée de vie restante.
Si les tests indiquent un manque d'étanchéité, une durée de vie inférieure à quatre ans ou un risque de pollution imminent, le récipient est supprimé immédiatement et le nouveau stockage d'hydrocarbure visé à l'alinéa 1er, 1° et 2°, répond aux conditions y mentionnées ainsi qu'aux conditions complémentaires visés à l'alinéa 4 ;
Les tests d'étanchéité pour les réservoirs aériens et enterrés sont pris en charge conformément à la législation relative aux installations de stockage, exigences de l'arrêté du Gouvernement wallon du 17 juillet 2003, à défaut de certificat d'étanchéité en cours de validité. Lorsqu'aucune législation ne s'applique, les tests d'étanchéité sont pris en charge par l'exploitant de la prise d'eau ou par la S.P.G.E. lorsque l'exploitant de la prise d'eau a signé un contrat de service de protection avec la S.P.G.E.
Sur le site de leur production, les stockages visés à l'alinéa 1er, 5°, sont contenus dans des cuves ou des récipients étanches ou installés sur des surfaces imperméables et équipées de manière à garantir l'absence de tout rejet liquide pouvant porter atteinte à la qualité des eaux de surface.
Les stockages visés à l'alinéa 1er, 5°, contenant des effluents d'élevage sont constitués en respectant les conditions fixées au chapitre IV du présent Titre.
Les stockages visés à l'alinéa 1er, 5°, contenant des produits d'ensilage à caractère permanent susceptibles de libérer des rejets liquides sont contenus dans des cuves ou des récipients étanches ou installés sur des surfaces imperméables et équipées de manière à garantir l'absence de tout rejet liquide pouvant porter atteinte à la qualité des eaux de surface.
§ 4. La manipulation d'hydrocarbures ou de produits contenant des substances visées à l'annexe VII de la partie décrétale, y compris les engrais et les pesticides, ainsi que les opérations d'entretien et de ravitaillement d'engins à moteur, sont réalisées sur des surfaces étanches, avec système de récupération des liquides, garantissant l'absence de tout rejet liquide vers les eaux de surface.
§ 5. Les conduites destinées au transport d'hydrocarbures, de produits ou de matières contenant des substances visées à l'annexe VII de la partie décrétale sont étanches. Le risque de leur rupture accidentelle est réduit à des valeurs négligeables.
§ 6. En ce qui concerne l'épandage de fertilisants, les dispositions visées à l'article R.165, § 8, s'appliquent.
§ 7. En ce qui concerne l'épandage de pesticides, les dispositions prévues à l'article R.165, § 9, s'appliquent.
§ 8. Tout épandage de pesticides ou d'engrais minéraux ou organiques à une distance de moins de six mètres de tout cours d'eau situé dans la zone de prévention éloignée est interdit. Une zone tampon couverte d'une végétation permanente de six mètres de large à partir de la crête de berge est installée le long de tout cours d'eau situé dans la zone de prévention éloignée. La dérogation prévue par l'article 2, 7°, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 11 juillet 2013 relatif à une application des pesticides compatible avec le développement durable et modifiant le Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau et l'arrêté de l'Exécutif régional wallon du 5 novembre 1987 relatif à l'établissement d'un rapport sur l'état de l'environnement wallon s'applique.
§ 9. En ce qui concerne les transformateurs, les dispositions de l'article R.165, § 20, s'appliquent.
§ 10. Les rejets d'eaux usées non-épurées sont interdits.
§ 11. Les effluents domestiques ou industriels, y compris les effluents de stations d'épuration, peuvent faire l'objet de mesures particulières en cas de risque avéré de pollution du captage. Le Ministre peut prendre toute disposition utile permettant de réduire ce risque, sans préjudice du régime d'assainissement des eaux usées urbaines résiduaires.
§ 12. Les rejets de bassins d'orage existants en zone de prévention éloignée, et les nouveaux bassins d'orage, peuvent faire l'objet de mesures particulières que le Ministre peut prendre.
§ 13. En ce qui concerne les enclos couverts pour animaux, les dispositions de l'article R.165, § 17, s'appliquent.
§ 14. En ce qui concerne l'exécution de chantiers, de travaux et de constructions, les dispositions de l'article R.165, § 19, s'appliquent.
§ 15. La signalisation de la zone est réalisée conformément à l'article R.165, § 22.
§ 16. Les parties de voiries existantes à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention, la traversant et présentant un risque de pollution des eaux de surface pouvant porter atteinte à la qualité de la prise d'eau, sont aménagées de manière à éviter ou à réduire au mieux celui-ci.
Les parties de nouvelles voiries traversant la zone, ainsi que les parties de voiries existantes à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention faisant l'objet d'une rénovation, sont pourvues de systèmes de collecte garantissant tout risque de pollution des eaux de surface pouvant porter atteinte à la qualité de la prise d'eau par les liquides ou matières qui seraient déversés accidentellement.
Les parties de voiries présentant un risque de pollution des eaux de surface pouvant porter atteinte à la qualité de la prise d'eau potabilisable en cas de chute d'engin motorisé dans les eaux de surface sont équipées de glissières de sécurité, ou de tout autre dispositif équivalent.
§ 17. L'accès du bétail à tout cours d'eau situé dans la zone IIB est interdit. Une clôture est placée le long des parcelles pâturées bordant celui-ci.
§ 18. Des mesures complémentaires nécessaires à la protection de la prise d'eau peuvent être précisées dans l'arrêté ministériel délimitant la ou les zones de prévention.]1

Art. R167. [1 Wanneer de restrictieve maatregelen, genomen overeenkomstig artikel R.165, §§ 8 tot 10, en R.166, §§ 6 tot 8, in ieder voorkomingsgebied, gelegen binnen in het toezichtsgebied ontoereikend blijken, kan de Minister op eigen initiatief of op vraag van de exploitant, gelijkaardige bepalingen vaststellen in het geheel of in een deel van het toezichtsgebied. Hij kan met name de spreidingen beperken van dierlijke mest, van producten waarvan de spreiding toegelaten is voor landbouwdoeleinden en stikstofhoudende meststoffen tegen de maximumdosissen voor kwetsbare gebieden als bedoeld in hoofdstuk IV van deze titel.
De Minister kan eveneens, volgens dezelfde criteria, gelijkaardige maatregelen vaststellen in toezichtsgebieden die niet gepaard gaan met een waterwinning. De nitraatgehaltes worden dan ter hoogte van een controlepunt beoordeeld, dat representatief is voor de oppervlaktewateren.]1

Art. R167. [1 Lorsque les mesures restrictives prises en application de l'article R.165, §§ 8 à 10, et R.166, §§ 6 à 8, dans toute zone de prévention située à l'intérieur de la zone de surveillance se révèlent insuffisantes, le Ministre peut, d'initiative ou sur demande de l'exploitant, fixer des dispositions de même nature dans tout ou partie de la zone de surveillance. Il peut notamment y limiter les épandages d'effluents d'élevage, de produits autorisés à être épandus à des fins agricoles et d'engrais azotés aux doses maximales autorisées en zone vulnérable prévues au chapitre IV du présent titre.
Le Ministre peut également fixer des mesures de même nature, et suivant les mêmes critères, dans des zones de surveillance qui ne sont pas associées à une prise d'eau. Les teneurs en nitrates sont alors évaluées sur un point de contrôle représentatif des eaux de surface.]1

Onderafdeling 3. [1 - Beschermingsmaatregelen voor ondergrondse waterwinningen]1
Sous-section 3. [1 - Mesures de protection des prises d'eau souterraine]1
Art. R168. [1 § 1. De bepalingen van dit artikel zijn enkel van toepassing in af- en nabijgelegen voorkomingsgebied.
§ 2. Bezinkputten zijn verboden, eveneens als ze uitsluitend regenwater afvoeren.
§ 3. Het spreiden van meststoffen is enkel toegelaten om de fysiologische stikstofbehoeften van de planten te dekken, met beperking van de verliezen aan nutriënten.
Wanneer de waterwinning evenwel een gemiddeld jaarlijks gehalte van meer dan vijfendertig mg NO3-/l vertoont, of meer dan twintig NO3-/l met een stijgende tendens, neemt de Minister op eigen initiatief of op aanvraag van de exploitant de treffende maatregelen tot wijziging van sommige landbouw-, huishoudelijke of andere praktijken om de introductie van nitraten in het grondwater te beperken.
De maatregelen, beslist door de Minister of standaard aangenomen krachtens paragraaf 3, lid 1, blijven van toepassing totdat het gehalte zich opnieuw onder de twintig mg NO3-/l bevindt en minstens vijf jaar op dat niveau behouden blijft. De Minister kan met name de spreiding beperken van dierlijke mest, van producten die gespreid kunnen worden voor landbouwdoeleinden en van stikstofhoudende meststoffen tegen de in kwetsbaar gebied toegelaten maximumdosissen bepaald in hoofdstuk IV van deze titel.
Overigens kan de Minister volgens dezelfde procedure maatregelen nemen onder de drempels vastgesteld in lid 2, wanneer de betrokken waterwinningen natuurlijk mineraal water uitbaten met een laag nitraatgehalte waarvoor een aangepaste bescherming vereist is om dit gehalte stabiel te houden.
De bepalingen van lid 1 zijn onmiddellijk van toepassing bij de datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van de voorkomingsgebieden.
Bij gebreke van bijzondere nadere bepaling zijn de in leden 2, 3 en 4 bedoelde maatregelen van toepassing binnen een termijn van één jaar, volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing van de Minister.
De administratie beveelt op eigen initiatief of op vraag van de exploitant een onderzoekscontrole waarbij beoogd wordt de overschrijding nader te bepalen en er de oorsprong van te kennen als de administratie of de exploitant vaststelt dat de concentratie van actieve stoffen in de pesticiden, evenals hun metabolieten, afbraak- en reactieproducten, stijgt of als jaargemiddelde in de ontvangende wateren dertig percent overstijgt, ofwel:
van de kwaliteitsnormen van de grondwateren bedoeld in artikel R.43ter-3, 1°, wat betreft de waarde vastgelegd per individuele stof;
van de kwaliteitsnormen van de grondwateren bedoeld in artikel R.43ter-3, 1°, wat betreft de waarde vastgelegd voor het totaal van de stoffen;
van de drempelwaarden van de grondwateren bedoeld in artikel R.43ter-3, 2°.
Als die overschrijding te wijten is aan praktijken die niet voldoen aan één of meer bestaande wetgevingen, neemt de Minister de maatregelen tot naleving ervan. Als de overschrijding niet te wijten is aan de niet-naleving van een wettelijke verplichting, kan de Minister, in overleg met de betrokken sectoren, gepaste begeleidings- en aansporingsmaatregelen voorstellen ter wijziging van sommige landbouw-, huishoudelijke en andere praktijken om de verspreiding van bestrijdingsmiddelen in de grondwateren te beperken totdat de gehaltes gedaald zijn onder 30 % van de kwaliteitsnormen of drempelwaarden van de grondwateren bedoeld in artikel R.43ter-3 en sinds minstens vijf jaar op dat niveau gehandhaafd worden. De voorgestelde maatregelen zijn evenredig en integreren het resultaat van een beoordeling van hun sociaal-economische effecten op de betrokken sectoren.
Bij gebrek aan bijzondere nadere bepaling zijn de in lid 8 bedoelde maatregelen van toepassing binnen een termijn van één jaar, volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing van de Minister.
De Minister neemt na het controleonderzoek en in overleg met de betrokken sectoren versterkte maatregelen als de concentratie aan actieve stoffen in de pesticiden, evenals in hun metabolieten, afbraak- en reactieproducten, als jaargemiddelde in de ontvangende wateren vijfenzeventig percent overstijgt, ofwel:
van de kwaliteitsnormen van de grondwateren bedoeld in artikel R.43ter-3, 1°, wat betreft de waarde vastgelegd per individuele stof;
van de kwaliteitsnormen van de grondwateren bedoeld in artikel R.43ter-3, 1°, wat betreft de waarde vastgelegd voor het totaal van de stoffen;
van de drempelwaarden van de grondwateren bedoeld in artikel R.43ter-3, 2°.
In de maatregelen bedoeld in lid 10 wordt rekening gehouden met de agronomische eisen gaande van het verbod van toepassing op de betrokken pesticiden ten einde de verspreiding van bestrijdingsmiddelen in de grondwateren te voorkomen totdat de gehaltes opnieuw gedaald zijn onder 75 % van de kwaliteitsnormen en drempelwaarden van de grondwateren bedoeld in artikel R.43ter-3, en sinds minstens vijf jaar op dat niveau gehandhaafd worden.
Bij gebrek aan bijzondere nadere bepaling zijn de in lid 11 bedoelde maatregelen van toepassing binnen een termijn van één jaar, volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing van de Minister.
De waterproducent meldt de directeur-generaal van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of diens vertegenwoordiger als de concentratie aan actieve stoffen in de pesticiden, evenals in hun metabolieten, afbraak- en reactieproducten, geval per geval in de ontvangende wateren honderd procent overstijgt, ofwel:
van de kwaliteitsnormen van de grondwateren bedoeld in artikel R.43ter-3, 1°, wat betreft de waarde vastgelegd per individuele stof;
van de kwaliteitsnormen van de grondwateren bedoeld in artikel R.43ter-3, 1°, wat betreft de waarde vastgelegd voor het totaal van de stoffen;
van de drempelwaarden van de grondwateren bedoeld in artikel R.43ter-3, 2°.
De directeur-generaal van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, of diens vertegenwoordiger licht onverwijld iedere betrokken instelling in en waarschuwt de waterproducenten van de aangrenzende gebieden van het gebied waar het incident plaats heeft gevonden om hun waakzaamheid te verhogen inzake de problematische parameter(s).
Opslagen van honderd tot minder dan drie duizend liter koolwaterstoffen voldoen aan de vereisten van het besluit van de Waalse Regering van 17 juli 2003, en van de bepalinge genomen krachtens het decreet van 1 maart 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering.
Opslagen die voor de inwerkingtreding van het besluit tot afbakening van het voorkomingsgebied bestonden, worden op kosten van de eigenaar in overeenstemming gebracht aan het einde van de levensduur van de tank of indien het vervuilingsrisico dreigende is.
In afwijking van lid 16 wordt de opslag die bestaat in de voorkomingsgebieden betreffende een waterwinning die voor menselijke consumptie bestemd is in de vorm van verpakt bron- of natuurlijk mineraal water, in overeenstemming gebracht binnen de in bijlage LVquater bedoelde termijnen.
Opslagen van meer dan drie duizend liter koolwaterstoffen of meer dan honderd liter vloeibare producten die stoffen bevatten bedoeld in bijlage VII bij het decreetgevend deel voldoen aan de vereisten van de geldende wetgeving inzake deze opslaginstallaties.
Ter aanvulling van die bepalingen zijn volgende maatregelen eveneens verplicht:
vloeibare meststoffen en pesticiden worden opgeslagen in waterdichte recipiënten, opgesteld op niet-waterdoorlatende oppervlakten, uitgerust met een inzamelsysteem dat het uitblijven van elke lozing van vloeistoffen bij lekken onbestaande is;
vergaarvlakken, inkuipingen, retentiebakken en waterdichte putten worden vrij gelaten, worden beschermd tegen binnendringend regen- of insijpelend water en de systemen voor waterafvoer via de onderkant zijn verboden;
de afvoer en het peilen gebeurt via de bovenkant van de tank; het onttrekken door zwaartekracht, met een sluitingssysteem op de leiding, is verboden;
er wordt op de tank een plaatje aangebracht waarin gewezen wordt op het voorkomingsgebied en waarop de telefoonnummers worden opgegeven van de exploitant van de waterwinning, van de gemeente en van SOS ENVIRONNEMENT-NATURE.
Vaste producten die stoffen bevatten van bijlage VII bij het decreetgevende deel worden onder een dak opgeslagen, op niet-waterdoorlatende oppervlakten uitgerust met een inzamelsysteem waarmee het uitblijven van lozingen van vloeistoffen gegarandeerd wordt.
De leidingen voor het vervoer van koolwaterstoffen, producten of stoffen die substanties bevatten vallend onder bijlage VII bij het decreetgevend deel zijn waterdicht. Het risico op een accidentele breuk wordt tot verwaarloosbare waarden herleid.
De hantering van koolwaterstoffen of producten die stoffen bevatten van bijlage VII bij het decreetgevend gedeelte, met inbegrip van meststoffen en pesticiden, evenals de onderhouds- en bevoorradingsverrichtingen van motortuigen worden op waterdichte oppervlakten uitgevoerd, met een systeem voor de recuperatie van de vloeistoffen.
De overdekte omheinde terreinen voor dieren, met inbegrip van stallen en kennels, zijn waterdicht op de bodem en dusdanig uitgerust dat de lozingen van vloeistoffen onbestaande zijn.
De opslag en de installaties voor de verzameling, de verwijdering of de valorisatie van afval bedoeld in het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, worden:
gevestigd op plaatsen waar de bodem waterdicht is gemaakt;
uitgerust met een inzamelsysteem dat het uitblijven van iedere lozing van vloeistoffen garandeert.
Wanneer putten, boringen, uitgravingen of funderingswerken die dieper dan drie meter onder de bodemoppervlakte reiken het voorwerp uitmaken van een aanvraag tot stedenbouwkundige of globale vergunning, ter advies voorgelegd aan de Waalse Overheidsdienst Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Erfgoed en Energie, wordt door laatstgenoemde het advies ingewonnen van de exploitant van de waterwinning en van de administratie bij de behandeling van de aanvraag. In nabijgelegen voorkomingsgebied met waterwinningen voor mineraal, thermaal en koolzuurhoudend water, is deze formaliteit vereist wanneer bovenvernoemde werken dieper reiken dan twee meter.
Wat betreft de uitvoering van werven, werkzaamheden en bouwwerken, worden volgende bepalingen in acht genomen:
de werftuigen vertonen geen lekken van koolwaterstoffen, zijn in goede staat, worden regelmatig nagekeken en in geval van probleem onmiddellijk uit de voorkomingsgebieden verwijderd om hersteld te worden;
de onderhouds- of bevoorradingsverichtingen van motortuigen worden dusdanig uitgevoerd dat geen vloeistof accidenteel verspreid wordt en in de bodem insijpelt;
enkel de producten nodig voor de uitvoering van de werf mogen zich ter plaatse bevinden;
de producten die risico's vertonen voor de kwaliteit van de grondwaterlaag zoals brandstoffen of smeerolies worden ofwel opgeslagen in tanks, geplaatst in waterdichte kuipen die minstens dezelfde capaciteit hebben als de totale capaciteit van de tanks die in deze kuipen opgeslagen zijn, ofwel opgeslagen in vaten of recipiënten opgesteld op een waterdichte oppervlakte die dusdanig is uitgerust dat elke lozing van vloeistoffen bij lekkages uitblijft;
bij incidenten worden onmiddellijk maatregelen genomen om te voorkomen dat de verontreiniging verder uitdijt en de gecontamineerde grond af te voeren.
Betreffende lid 26, 5°, zijn de nodige hoeveelheden anti-vervuilingskits, met onder ander materiaal voor de adsorptie van koolwaterstoffen, en zeilen beschikbaar. De aannemer licht de bevoegde dienst van de Administratie en "SOS Environnement-Nature" in.
§ 4. De bepalingen voor aanpassing aan de normen zijn de volgende:
de opslag van vloeibare koolwaterstoffen of vloeibare producten die stoffen bevatten van bijlage VII bij het decreetgevende deel, die bestonden op datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomingsgebied wordt genormeerd naar de bepalingen van dit artikel;
bovengrondse of ingegraven afgedankte tanks voor koolwaterstoffen of producten die stoffen bevatten van bijlage VII bij het decreetgevend gedeelte worden geledigd, gereinigd, in voorkomend geval ontgast en afgevoerd. Het leidingenstelsel wordt geledigd en gedemonteerd;
bij een gebleken verontreinigingsrisico van de waterwinning en op de betrokken plaatsen kan de Minister, op eigen initiatief of op vraag van de exploitant, iedere nuttige maatregel nemen om dat risico te beperken, daaronder inbegrepen opleggen dat, ondanks de bepalingen van de artikelen R.279, § 2, en R.282, het afvalwater van de woningen die reeds bestonden op datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomingsgebied waarvoor het autonome en overgangssaneringsstelsel geldt, individueel of gegroepeerd gezuiverd wordt via een individueel zuiveringssysteem omschreven in artikel R.233, 24°.
Betreffende lid 1, 2°, is het, indien het onmogelijk is een ingegraven tank af te voeren in redelijke technische en financiële voorwaarden, mogelijk hem ter plaatse te laten nadat hij gevuld is met een inerte stof. Indien het een ingegraven tank betreft, wordt er vooraf een waterdichtheidstest uitgevoerd door een technicus, erkend overeenkomstig artikel 634ter/4 van titel III van het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming. Als uit deze test blijkt dat de tank niet waterdicht is, wordt overeenkomstig de geldende bepalingen een saneringsprocedure uitgevoerd.
§ 5. Voor de nieuwe werken, bouwwerken en installaties gelden de bepalingen van dit artikel bij de inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomingsgebied.
§ 6. In het geval waarin de waterwinning vallend onder het voorkomingsgebied niet bestemd is voor menselijke consumptie in de vorm van verpakt bron- of natuurlijk mineraal water:
de ingegraven tanks voor koolwaterstoffen die reeds bestonden op datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomingsgebied, die niet beantwoorden aan de normen vervat in de bepalingen van paragrafen 3, lid 15, en 4, lid 1, 1°, worden, binnen de twee jaar volgend op de aanwijzing van het voorkomingsgebied, op hun waterdichtheid getest door een erkend technicus overeenkomstig artikel 634ter/4 van titel III van het algemeen reglement op de arbeidsbescherming, samen met een diagnose over de overige nuttige levensduur;
de bovengrondse tanks voor koolwaterstoffen of producten die stoffen bevatten van bijlage VII van het decreetgevend gedeelte, die reeds bestonden op de datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomingsgebied, worden, binnen de vier jaar volgend op de aanwijzing van het voorkomingsgebied, minstens via een visuele controle, op hun waterdichtheid getest, samen met een diagnose inzake de overige levensduur;
als de tests wijzen op een waterdichtheidsdefect, op een kortere levensduur dan vier jaar of een dreigend vervuilingsrisico, wordt de recipiënt onmiddellijk aan zijn bestemming onttrokken en de nieuwe opslag voor koolwaterstoffen voldoet aan de in paragraaf 3, lid 15, gestelde ;
de waterdichtheidstests voor de bovengrondse en ingegraven tanks worden, bij ontstentenis van een geldend waterdichtheidscertificaat, uitgevoerd overeenkomstig de vereisten van het besluit van de Waalse Regering van 17 juli 2003.
Betreffende lid 1, 4°, zorgt de exploitant van de exploitant, wanneer geen enkele wetgeving van toepassing is, voor de waterdichtheidstest.]1

Art. R168. [1 § 1er. Les dispositions du présent article s'appliquent uniquement aux zones de prévention éloignée et rapprochée.
§ 2. Les puits perdants sont interdits, en ce compris ceux évacuant exclusivement des eaux pluviales.
§ 3. L'épandage de fertilisants est autorisé uniquement pour couvrir les besoins physiologiques en azote des végétaux, en limitant les pertes d'éléments nutritifs.
Toutefois, lorsque la prise d'eau présente une teneur moyenne annuelle de plus de trente-cinq mg NO3-/l, ou plus de vingt mg NO3-/l avec une tendance à la hausse, le Ministre, d'initiative ou sur demande de l'exploitant, prend les mesures adéquates conduisant à la modification de certaines pratiques agricoles, domestiques et autres afin de réduire l'introduction de nitrate dans les eaux souterraines.
Les mesures décidées par le Ministre ou acceptées par défaut en vertu du paragraphe 3, alinéa 1er restent d'application jusqu'à ce que les teneurs soient redescendues en dessous de vingt mg NO3-/l et maintenues à ce niveau depuis cinq ans au moins. Le Ministre peut notamment limiter les épandages d'effluents d'élevage, de produits autorisés à être épandus à des fins agricoles et d'engrais azotés aux doses maximales autorisées en zone vulnérable prévues au chapitre IV du présent titre.
Par ailleurs, selon la même procédure, le Ministre peut prendre des mesures en dessous des seuils fixés à l'alinéa 2 lorsque les prises d'eau concernées exploitent de l'eau minérale naturelle dont la teneur en nitrate est faible et qui nécessite une protection adaptée afin de maintenir cette teneur stable.
Les dispositions de l'alinéa 1er sont d'application immédiate dès la date d'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant les zones de prévention.
A défaut de précision particulière, les mesures prévues aux alinéas 2, 3 et 4 s'appliquent dans un délai d'un an suivant la notification de la décision du Ministre.
L'Administration, d'initiative ou à la demande de l'exploitant, diligente un contrôle d'enquête visant à préciser le dépassement et à en cerner l'origine si l'Administration ou l'exploitant constate que la concentration en substances actives des pesticides, ainsi qu'en leurs métabolites, produits de dégradation et de réaction, augmente et excède, en moyenne annuelle, dans les eaux réceptrices, trente pour cent, soit :
des normes de qualité des eaux souterraines visées à l'article R.43ter-3, 1°, pour ce qui concerne la valeur fixée par substance individuelle ;
des normes de qualité des eaux souterraines visées à l'article R.43ter-3, 1°, pour ce qui concerne la valeur fixée pour le total des substances ;
des valeurs seuils des eaux souterraines visées à l'article R.43ter-3, 2°.
Si le dépassement visé à l'alinéa 7 est lié à des pratiques non conformes à une ou des législations existantes, le Ministre prend les mesures visant à faire respecter celles-ci. Dans le cas où le dépassement n'est pas lié à un non respect d'une obligation légale, le Ministre peut proposer, et en concertation avec les secteurs concernés, des mesures d'encadrement et incitatives adéquates visant à modifier certaines pratiques agricoles, domestiques et autres afin de limiter l'introduction de pesticides dans les eaux souterraines jusqu'à ce que les teneurs soient redescendues sous les trente pour cent des normes de qualité ou valeurs seuils des eaux souterraines visées à l'article R.43ter-3, et soient maintenues à ce niveau depuis cinq ans au moins. Les mesures proposées sont proportionnées et intègrent le résultat d'une évaluation de leurs impacts socio-économiques sur les secteurs concernés.
A défaut de précision particulière, les mesures prévues à l'alinéa 8 s'appliquent dans un délai d'un an suivant la notification de la décision du Ministre.
Le Ministre prend, après contrôle d'enquête, et en concertation avec les secteurs concernés, des mesures renforcées, si la concentration en substances actives des pesticides, ainsi qu'en leurs métabolites, produits de dégradation et de réaction, excède, en moyenne annuelle, dans les eaux réceptrices, septante-cinq pour cent, soit :
des normes de qualité des eaux souterraines visées à l'article R.43ter-3, 1°, pour ce qui concerne la valeur fixée par substance individuelle ;
des normes de qualité des eaux souterraines visées à l'article R.43ter-3, 1°, pour ce qui concerne la valeur fixée pour le total des substances ;
des valeurs seuils des eaux souterraines visées à l'article R.43ter-3, 2°.
Les mesures visées à l'alinéa 10 tiennent compte des contraintes agronomiques, pouvant aller jusqu'à l'interdiction d'application des produits pesticides concernés afin d'empêcher l'introduction de pesticides dans les eaux souterraines jusqu'à ce que les teneurs soient redescendues sous les septante-cinq pour cent des normes de qualité et valeurs seuils des eaux souterraines visées à l'article R.43ter-3, et soient maintenues à ce niveau depuis cinq ans au moins.
A défaut de précision particulière, les mesures prévues à l'alinéa 11 s'appliquent dans un délai d'un an suivant la notification de la décision du Ministre.
Le producteur d'eau avertit le directeur général du Service public de Wallonie Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, ou son représentant si la concentration en substances actives des pesticides, ainsi qu'en leurs métabolites, produits de dégradation et de réaction, excède ponctuellement, dans les eaux réceptrices, cent pour cent, soit :
des normes de qualité des eaux souterraines visées à l'article R.43ter-3, 1° pour ce qui concerne la valeur fixée par substance individuelle ;
des normes de qualité des eaux souterraines visées à l'article R.43ter-3, 1°, pour ce qui concerne la valeur fixée pour le total des substances ;
des valeurs seuils des eaux souterraines visées à l'article R.43ter-3, 2°.
Le directeur général du Service public de Wallonie Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, ou son représentant en informe sans délais tout organisme concerné et prévient les producteurs d'eau des zones limitrophes à l'incident afin d'accroître leur vigilance sur le ou les paramètre(s) problématique(s).
Les stockages de cent litres à moins de trois mille litres d'hydrocarbures répondent aux exigences de l'arrêté du Gouvernement wallon du 17 juillet 2003, et des dispositions prises en vertu du décret du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols.
Les stockages existants avant l'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention, sont mis en conformité à charge du propriétaire en fin de vie du réservoir ou si le risque de pollution est imminent.
Par dérogation à l'alinéa 16, les stockages existants en zones de prévention relatives à une prise d'eau destinée à la consommation humaine sous forme conditionnée d'eau de source ou minérale naturelle sont mis en conformité dans les délais repris à l'annexe LVquater.
Les stockages de plus de trois mille litres d'hydrocarbures ou de plus de cent litres de produits liquides contenant des substances de l'annexe VII de la partie décrétale répondent aux exigences de la législation en vigueur relative à ces installations de stockage.
Complémentairement à ces dispositions, les mesures suivantes sont également obligatoires :
les stockages aériens d'engrais liquides et de pesticides sont contenus dans des récipients étanches, installés sur des surfaces imperméables et équipées d'un système de collecte garantissant l'absence de tout rejet liquide en cas de fuite ;
les surfaces de collecte, les encuvements, les bacs de rétention et les fosses étanches sont laissés libres, sont protégés contre les venues d'eau pluviale et d'infiltration et les dispositifs permettant d'évacuer l'eau par la base sont interdits ;
le soutirage et le jaugeage sont effectués par la partie supérieure du réservoir ; le soutirage par gravité, même avec un dispositif de fermeture sur la conduite, est interdit ;
une plaquette est apposée sur le réservoir, spécifiant la zone de prévention et indiquant les numéros de téléphone de l'exploitant de la prise d'eau, de la commune et de SOS ENVIRONNEMENT-NATURE.
Les stockages de produits solides contenant des substances de l'annexe VII de la partie décrétale sont installés sous toit, sur des surfaces imperméables et équipées d'un système de collecte garantissant l'absence de tout rejet liquide.
Les conduites destinées au transport d'hydrocarbures, de produits ou de matières contenant des substances relevant de l'annexe VII de la partie décrétale sont étanches. Le risque de leur rupture accidentelle est réduit à des valeurs négligeables.
La manipulation d'hydrocarbures ou de produits contenant des substances de l'annexe VII de la partie décrétale, y compris les engrais et les pesticides, ainsi que les opérations d'entretien et de ravitaillement d'engins à moteur sont réalisées sur des surfaces étanches, avec système de récupération des liquides.
Les enclos couverts pour animaux, en ce compris les étables et les chenils, sont étanches au sol et équipés de manière à garantir l'absence de tout rejet liquide.
Les stockages et les installations de regroupement, d'élimination ou de valorisation des déchets visés par le décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets, sont :
installés à des endroits où le sol est rendu étanche ;
équipés d'un système de collecte garantissant l'absence de tout rejet liquide.
Lorsque les puits, forages, excavations ou travaux de terrassement dépassant une profondeur de trois mètres sous la surface du sol font l'objet d'une demande de permis d'urbanisme ou de permis unique soumise à l'avis du Service public de Wallonie Aménagement du territoire, Logement, Patrimoine et Energie, celle-ci recueille l'avis de l'exploitant de la prise d'eau et de l'Administration au cours de l'instruction de la demande. En zone de prévention rapprochée des prises d'eaux minérales, thermales et carbogazeuses, cette formalité est exigée lorsque les travaux énumérés ci-dessus, dépassent une profondeur de deux mètres.
En ce qui concerne l'exécution de chantiers, de travaux et de constructions, les dispositions suivantes sont respectées :
les engins de chantier ne présentent pas de fuite d'hydrocarbures, sont en bon état, régulièrement vérifiés et, en cas de problème, immédiatement transférés en dehors des zones de prévention pour être réparés ;
les opérations d'entretien ou de ravitaillement des engins à moteur sont réalisées de manière à éviter tout épandage accidentel de liquide et son infiltration dans le sol ;
seuls les produits nécessaires à l'exécution du chantier peuvent s'y trouver ;
les produits présentant des risques pour la qualité de la nappe tels les carburants ou lubrifiants sont soit stockés dans des réservoirs placés dans des cuvettes de rétention étanches, de capacité au moins égale à la capacité totale des réservoirs contenus dans chaque cuvette, soit contenus dans des fûts ou récipients entreposés sur une aire étanche et équipée de manière à garantir l'absence de tout rejet liquide en cas de fuite ;
en cas d'incident, des mesures sont prises immédiatement pour éviter l'extension de la pollution et évacuer les terres qui auraient été contaminées.
Concernant l'alinéa 26, 5°, des kits anti-pollution comprenant notamment des matériaux adsorbant les hydrocarbures et des bâches sont disponibles en quantité appropriée. L'entrepreneur avertit le service compétent de l'Administration, SOS ENVIRONNEMENT-NATURE.
§ 4. Les dispositions relatives à la mise en conformité sont les suivantes :
les stockages d'hydrocarbures liquides ou de produits liquides contenant des substances de l'annexe VII de la partie décrétale existants à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention sont mis en conformité avec les dispositions du présent article;
les réservoirs abandonnés d'hydrocarbures ou de produits contenant des substances de l'annexe VII de la partie décrétale, aériens ou enterrés, sont vidés, nettoyés, le cas échéant dégazés, et évacués. Les tuyauteries sont vidées et démontées;
en cas de risque avéré de pollution du captage et aux endroits concernés, le Ministre, d'initiative ou sur demande de l'exploitant, peut prendre toute disposition utile permettant de réduire ce risque, en ce compris imposer que, malgré les dispositions des articles R. 279, § 2, et R. 282, les eaux usées issues des habitations existantes à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention, et pour lesquelles s'applique le régime d'assainissement autonome et transitoire, soient épurées de manière individuelle ou groupée par un système d'épuration individuelle défini à l'article R. 233, 24°.
Concernant l'alinéa 1er, 2°, en cas d'impossibilité d'évacuer un réservoir enterré dans des conditions techniques et financières raisonnables, il peut rester en place après avoir été rempli d'un matériau inerte. S'il s'agit d'un réservoir enterré, un test d'étanchéité est préalablement réalisé par un technicien agréé conformément à l'article 634ter/4 du titre III du règlement général pour la protection du travail. Si le résultat de ce test révèle un défaut d'étanchéité, une procédure d'assainissement est réalisée conformément aux dispositions en vigueur.
§ 5. Pour les nouveaux ouvrages, constructions et installations, les dispositions du présent article sont d'application à l'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention.
§ 6. Dans le cas où la prise d'eau concernée par la zone de prévention n'est pas destinée à la consommation humaine sous forme conditionnée d'eau de source ou minérale naturelle :
les réservoirs enterrés d'hydrocarbures existants à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention et non conformes aux dispositions des paragraphes 3, alinéa 15, et 4, alinéa 1er, 1°, font l'objet d'un test d'étanchéité réalisé par un technicien agréé, dans les deux ans qui suivent la désignation de la zone de prévention, conformément à l'article 634ter/4 du titre III du règlement général pour la protection du travail, accompagné d'un diagnostic de la durée de vie utile restante;
les réservoirs aériens d'hydrocarbures ou de produits contenant des substances de l'annexe VII de la partie décrétale, existants à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention, font l'objet d'un test d'étanchéité réalisé par un technicien agréé dans les quatre ans qui suivent la désignation de la zone de prévention, au minimum par un contrôle visuel, accompagné d'un diagnostic de la durée de vie restante;
si les tests indiquent un manque d'étanchéité, une durée de vie inférieure à quatre ans ou un risque de pollution imminent, le récipient est supprimé immédiatement et le nouveau stockage d'hydrocarbure répond aux conditions reprises au paragraphe 3, alinéa 15 ;
les tests d'étanchéité pour les réservoirs aériens et enterrés sont pris en charge conformément aux exigences de l'arrêté du Gouvernement wallon du 17 juillet 2003, à défaut de certificat d'étanchéité en cours de validité.
Concernant l'alinéa 1er, 4°, lorsqu'aucune législation ne s'applique, les tests d'étanchéité sont pris en charge par l'exploitant de la prise d'eau.]1

Art. R169. [1 § 1. De bepalingen van dit artikel zijn enkel van toepassing op het nabijgelegen voorkomingsgebied.
§ 2. Verboden zijn:
de technische ingravingscentra, bedoeld bij het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen;
de nieuw ingegraven opslagsystemen voor koolwaterstoffen en de opslag van producten die stoffen bevatten van bijlage VII van het decreetgevend gedeelte, meststoffen inbegrepen;
de opslagplaatsen voor pesticiden, behalve de bestaande bovengrondse opslagplaatsen wanneer de opgeslagen hoeveelheid pesticiden lager is dan twee ton en de exploitatievoorwaarden omschreven overeenkomstig het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning in acht genomen zijn;
het ondergronds spreiden van huishoudelijke afvalwater, zelfs na zuivering;
de opslag op, in of buiten de productiesite, van organische stoffen die vloeistoflozingen veroorzaken;
plaatsen waar dieren permanent geconcentreerd zijn zoals drinkbakken, troggen, voederplaatsen, melkplaatsen, gelegen buiten de gebouwen van het bedrijf;
de opslaginstallaties voor producten waarvan de natuurlijke afbraak vervuilingsrisico's vertoont voor voor het grondwater;
niet-waterdichte onweerbekkens;
kampeerterreinen;
10° de vestiging van nieuwe bovengrondse opslagplaatsen van meer dan honderd liter koolwaterstoffen of producten die stoffen bevatten van bijlage VII van het decreetgevend gedeelte, meststoffen inbegrepen, behalve:
a) als ze bestaande ingegraven of bovengrondse opslagplaatsen van dezelfde capaciteit en met dezelfde producten vervangen;
b) de nieuwe bovengrondse tanks voor een huishoudelijk gebruik van vloeibare koolwaterstoffen, oliën of smeermiddelen of producten die stoffen beatten van bijlage VII van het decreetgevende gedeelte;
11° de aanleg van nieuwe parkeerplaatsen voor meer dan twintig motorvoertuigen;
12° de aanleg van nieuwe overdekte omheinde terreinen voor dieren, en met name stallen en kennels;
13° de vestiging van nieuwe opslagruimten voor organische stoffen die lozingen van vloeistoffen zouden kunnen veroorzaken, waaronder zoals dierlijke meststoffen zoals mest, gier of aalt en ingekuilde producten;
14° de vestiging van nieuwe opslagplaatsen of nieuwe installaties voor het samenbrengen, verwijderen of positief benutten van afvalstoffen bedoeld bij het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen;
15° de aanleg van nieuwe sport- en recreatiegronden, met uitzondering van die waarvoor het onderhoud zonder producten kan gebeuren, die de kwaliteit van het grondwater zouden kunnen aantasten;
16° de aanleg van nieuwe begraafplaatsen of iedere uitbreiding van begraafplaatsen die reeds bestonden op datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van de voorkomingsgebieden, ongeacht de afmetingen van laatstgenoemden;
17° motorsportactiviteiten voor auto's voortbewogen door middel van interne verbrandingsmotoren, met inbegrip van de prototypes en de voertuigen voor uitsluitend recreatief gebruik, ook wanneer deze activiteiten zich volledig afspelen op de openbare weg;
18° de motorsportactiviteiten voor voertuigen voortbewogen door middel van andere interne verbrandingsmotoren dan die bedoeld onder 17°, met inbegrip van de prototypes, de voertuigen met louter een recreatief gebruik en de sneeuwmotoren, wanneer deze activiteiten zich volledig afspelen op de openbare weg.
Betreffende lid 1, 6°, worden de bestaande plaatsen met een permanente concentratie op de datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomingsgebied die een risico vertonen op verontreiniging van het grondwater, aan hun bestemming onttrokken en verplaatst naar buiten het nabijgelegen voorkomingsgebied.
De bepaling bedoeld in lid 1, 7°, is niet van toepassing op de gereglementeerde opslagruimten, bedoeld in paragraaf 4.
De bepaling, bedoeld in lid 1, 13°, is niet van toepassing op de wijziging van een bestaande installatie met het oog op de aanpassing ervan aan de capaciteitsnormen bedoeld in artikel R.460.
Onverminderd artikel R.164 kan de Minister geval per geval de activiteiten machtigen, bedoeld in lid 1, 17°, wanneer laatstgenoemden zich uitsluitend afspelen op de openbare weg en voor zover volgende voorwaarden vervuld zijn:
er bestaat geen redelijk alternatief voor het parcours doorheen het nabijgelegen voorkomingsgebied, gebruikt in het kader van de motorsportactiviteiten;
er worden specifieke beschermingsmaatregelen in het gebied genomen om de bescherming van de grondwaterlaag te verzekeren;
de waterwinning vallend onder het voorkomingsgebied is niet bestemd voor menselijke consumptie in de vorm van verpakt bron- of natuurlijk mineraal water.
De Minister bepaalt de voorwaarden bedoeld in lid 5 nader, evenals de bepalingen voor de indieningen van de vrijstellingsaanvragen.
De lijst van de nabijgelegen voorkomingsgebieden, bedoeld in lid 5, 3°, wordt door de administratie bekendgemaakt op de Portaalsite Leefmilieu van het Waalse Gewest.
§ 3. De delen van wegen die bestonden op de datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomingsgebied, dit gebied doorkruisen en een verontreinigingsrisico vertonen voor het grondwater worden zo ingericht dat dit risico voorkomen of zo goed mogelijk ingeperkt wordt.
De delen van nieuwe wegen die het gebied dwarsen worden uitgerust met waterdichte inzamelsystemen die alle (vloei)stoffen kunnen tegenhouden die accidenteel geloosd zouden worden.
Parkeerplaatsen van meer dan vijf motorvoertuigen worden waterdicht gemaakt en uitgerust met een inzamelsysteem van vloeistoffen naar een scheidingssysteem voor koolwaterstoffen.
Overdekte landbouwhangars die reeds bestonden op de datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomingsgebied worden niet onderworpen aan de verplichting om de bodem waterdicht te maken op voorwaarde dat de verrichtingen inzake onderhoud en bevoorrading van de motorvoertuigen er formeel verboden worden.
Afval- of gezuiverd water kan enkel geloosd of afgevoerd worden via waterdichte rioleringen, afvoerleidingen of goten.
De plaats waar dieren geconcentreerd zijn zoals drinkbakken, troggen, voederplaatsen, mobiele melkplaatsen, mogen niet twee opeenvolgende jaren op dezelfde plaats opgesteld staan. Zij dienen zo ver mogelijk van de waterwinning te worden geplaatst, buiten de punten waar het water meestal in het grondwater binnendringt zoals dolines of karstische zinkgaten, aangewezen en nader bepaald in het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomingsgebied.
Nieuwe transformatoren worden op een sokkel uit gewapend beton opgesteld, die tegelijk een retentiebak vormen.
De transformatoren die bestaan op het ogenblik van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomingsgebied worden met een systeem uitgerust waarmee lekkende vloeistoffen gerecupereerd kunnen worden.
§ 4. De bepalingen voor aanpassing aan de normen zijn de volgende:
de opslag van organische stoffen die op datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van een nabijgelegen voorkomingsgebied bestaan en vloeistoflozingen zouden kunnen veroorzaken, worden in kuipen of recipiënten opgeslagen die waterdicht zijn of geïnstalleerd zijn op niet-waterdoorlatende oppervlakten zo uitgerust om te garanderen dat er geen lozingen van vloeistoffen zouden kunnen voorvallen ;
de opslagplaatsen van ingekuilde producten die vloeistoflozingen zouden kunnen veroorzaken, die bestonden op datum van inwerkingtreding van het besluit tot afbakening van een nabijgelegen voorkomingsgebied, zijn vervat in tanks of recipiënten die waterdicht zijn of geïnstalleerd zijn op niet-waterdoorlatende oppervlakten zo uitgerust om te garanderen dat er in het geval van lekken geen vloeistoffen geloosd worden.
Betreffende lid 1, 1°, zijn de opslagplaatsen voor dierlijke meststoffen op de hoeve die bestonden op de datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van een nabijgelegen voorkomingsgebied op dergelijke wijze geconfigureerd dat de voorwaarden vastgesteld in hoofdstuk IV van deze titel in acht genomen worden.
§ 5. Voor de nieuwe werken, bouwwerken en installaties zijn de bepalingen van dit artikel bij de inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomingsgebied onmiddellijk van toepassing.]1

Art. R169. [1 § 1er. Les dispositions du présent article s'appliquent uniquement à la zone de prévention rapprochée.
§ 2. Sont interdits :
les centres d'enfouissement technique visés par le décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets;
les nouveaux stockages enterrés d'hydrocarbures et les stockages de produits contenant des substances de l'annexe VII de la partie décrétale, y compris les engrais;
les stockages des pesticides sauf les stockages aériens existants lorsque la quantité de pesticides stockée est inférieure à deux tonnes et que les conditions d'exploiter définies conformément au décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement sont respectées ;
l'épandage souterrain d'effluents domestiques, même après épuration ;
le stockage, en dehors du site de leur production, de matières organiques susceptibles de libérer des rejets liquides ;
les lieux de concentration d'animaux qui revêtent un caractère permanent tels des abreuvoirs, auges, lieux de nourrissage ou de traite, et qui sont situés en dehors des bâtiments de l'exploitation ;
les installations d'entreposage de produits dont la dégradation naturelle présente des risques de pollution pour les eaux souterraines ;
les bassins d'orage non étanches ;
les terrains de camping ;
10° l'implantation de nouveaux stockages aériens de plus de cent litres d'hydrocarbures ou de produits contenant des substances de l'annexe VII de la partie décrétale, y compris les engrais, sauf :
a) s'ils remplacent des stockages enterrés ou aériens existants, de même capacité et contenant les mêmes produits ;
b) les nouveaux réservoirs aériens à usage domestique d'hydrocarbures liquides, d'huiles et de lubrifiants, ou de produits contenant des substances de l'annexe VII de la partie décrétale ;
11° l'implantation de nouvelles aires de stationnement de plus de vingt véhicules automoteurs ;
12° l'implantation de nouveaux enclos couverts pour animaux et notamment les étables et les chenils ;
13° l'implantation de nouveaux stockages de matières organiques susceptibles de libérer des rejets liquides, dont les effluents d'élevage tels le fumier, le lisier ou le purin et les produits d'ensilage ;
14° l'implantation de nouveaux stockages ou de nouvelles installations de regroupement, d'élimination ou de valorisation de déchets visés par le décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets ;
15° l'implantation de nouveaux terrains de sport et de loisirs à l'exception de ceux dont l'entretien ne nécessite pas l'emploi de produits susceptibles de dégrader la qualité des eaux souterraines ;
16° l'implantation de nouveaux cimetières ou de toute extension de cimetières existants à la date de l'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant les zones de prévention, quelle que soit la taille de ces dernières ;
17° les activités de sports moteurs de véhicules automobiles mus par un moteur à combustion interne, y compris les prototypes et les véhicules à usage exclusivement récréatif, y compris lorsque ces activités se déroulent complètement sur la voie publique ;
18° les activités de sports moteurs de véhicules mus par un moteur à combustion interne autres que ceux visés au 17°, y compris les prototypes, les véhicules à usage exclusivement récréatif et les motos neige, lorsque ces activités ne se déroulent pas complètement sur la voie publique.
Concernant l'alinéa 1er, 6°, les lieux de concentration à caractère permanent existants à la date de l'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention, et présentant un risque de pollution des eaux souterraines, sont supprimés et déplacés en dehors de la zone de prévention rapprochée.
La disposition visée à l'alinéa 1er, 7°, ne s'applique pas aux stockages réglementés visés au paragraphe 4.
La disposition visée à l'alinéa 1er, 13°, ne s'applique pas à la modification d'une installation existante en vue de sa mise en conformité aux normes de capacité prévue à l'article R.460.
Sans préjudice de l'article R.164, le Ministre peut autoriser ponctuellement les activités visées à l'alinéa 1er, 17°, lorsque celles-ci se déroulent exclusivement sur la voie publique et pour autant que les conditions suivantes soient rencontrées :
il n'existe pas d'alternative raisonnable au parcours utilisé à travers la zone de prévention rapprochée dans le cadre de l'activité de sports moteurs ;
des mesures de protection spécifiques sont prises dans la zone pour assurer la protection de la nappe ;
la prise d'eau concernée par la zone de prévention rapprochée n'est pas destinée à la consommation humaine sous forme conditionnée d'eau de source ou minérale naturelle.
Le Ministre précise les conditions prévues à l'alinéa 5, ainsi que les modalités d'introduction des demandes de dispense.
La liste des zones de prévention rapprochée visées à l'alinéa 5, 3°, est publiée par l'Administration sur le site internet Portail environnement de la Région wallonne.
§ 3. Les parties de voiries existantes à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention, la traversant et présentant un risque de pollution des eaux souterraines sont aménagées de manière à éviter ou à réduire au mieux celui-ci.
Les parties de nouvelles voiries traversant la zone sont pourvues de systèmes de collecte étanches retenant tous liquides ou matières qui y seraient déversés accidentellement.
Les aires de stationnement de plus de cinq véhicules automoteurs sont rendues étanches et pourvues d'un dispositif de collecte des liquides vers un séparateur d'hydrocarbures.
Les hangars agricoles couverts, existants à la date de l'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention, ne sont pas soumis à l'obligation de rendre le sol étanche à condition que les opérations d'entretien et de ravitaillement des véhicules automoteurs y soient formellement proscrites.
Les déversements et transferts d'eaux usées ou épurées peuvent avoir lieu uniquement par des égouts, des conduits d'évacuation ou des caniveaux, étanches.
Les lieux de concentration d'animaux tels qu'abreuvoir, auge, traite mobile, nourrissage, ne peuvent pas être constitués deux années de suite à la même place, deux implantations successives sont distantes d'au moins vingt mètres. Ils sont réalisés à la plus grande distance possible de la prise d'eau et en dehors des zones d'infiltration préférentielle vers les eaux souterraines telles des dolines ou des pertes karstiques, identifiées et précisées dans l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention.
Les nouveaux transformateurs sont disposés sur un socle en béton armé formant bac de rétention.
Les transformateurs existants au moment de l'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention sont équipés d'un dispositif permettant la récupération des liquides en cas de fuite.
§ 4. Les dispositions relatives à la mise en conformité sont les suivantes :
les stockages de matières organiques susceptibles de libérer des rejets liquides, existants sur le site de leur production à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant une zone de prévention rapprochée, sont placés dans des cuves ou des récipients étanches ou installés sur des surfaces imperméables et équipées de manière à garantir l'absence de tout rejet liquide ;
les stockages de produits d'ensilage susceptibles de libérer des rejets liquides, existants à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté délimitant une zone de prévention rapprochée, sont contenus dans des cuves ou des récipients étanches ou installés sur des surfaces imperméables et équipées de manière à garantir l'absence de tout rejet liquide.
Concernant l'alinéa 1er, 1°, les stockages d'effluents d'élevage à la ferme existants à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant une zone de prévention rapprochée, sont constitués en respectant les conditions fixées au chapitre IV du présent titre.
§ 5. Pour les nouveaux ouvrages, constructions et installations, les dispositions du présent article sont d'application immédiate à dater de l'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention.]1

Art. R170. [1 § 1. De bepalingen van dit artikel zijn enkel van toepassing op het afgelegen voorkomingsgebied.
§ 2. Verboden zijn:
de technische ingravingscentra bedoeld bij het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, uitgezonderd de centra van klasse 3 bedoeld bij rubriek 90.25.03, de centra van klasse 4.A bedoeld bij rubriek 90.25.04.01 en de centra van klasse 5.3 bedoeld bij rubriek 90.25.05.03 van bijlahe I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten die reeds bestonden op de datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomingsgebied;
de aanleg van nieuwe kampeerterreinen;
de aanleg van nieuwe begraafplaatsen;
de aanleg van nieuwe technische ingravingscentra van klasse 3, uitgezonderd de centra opgenomen in het plan voor technische ingravingscentra;
motorsportactiviteiten voor auto's voortbewogen door middel van interne verbrandingsmotoren, met inbegrip van de prototypes en de voertuigen voor uitsluitend recreatief gebruik, ook wanneer deze activiteiten zich volledig afspelen op de openbare weg;
motorsportactiviteiten voor andere motorvoertuigen voortbewogen met een interne verbrandingsmotor dan die bedoeld onder 5°, met inbegrip van de prototypes, de voertuigen met louter een recreatief gebruik en de sneeuwmotoren, wanneer deze activiteiten zich niet volledig op de openbare weg afspelen.
§ 3. Nieuwe parkeerplaatsen van meer dan twintig motorvoertuigen worden waterdicht gemaakt en uitgerust met een inzamelsysteem van vloeistoffen naar een scheidingssysteem voor koolwaterstoffen.
De opslag van organische stoffen die vloeistoflozingen zouden kunnen veroorzaken, wordt:
op dusdanige wijze opgesteld dat het wegsijpelen van sappen naar de bodem en grondwater voorkomen wordt;
altijd gevestigd buiten plaatsen waar het water meestal in het grondwater binnendringt zoals dolines of karstische zinkgaten, aangewezen en nader bepaald in het besluit van voorkomingsgebied;
op de productiesite ervan vervat in kuipen of recipiënten, waterdicht of op niet-waterdoorlatende oppervlaktes opgestelde, dusdanig uitgerust dat iedere lozing van vloeistoffen uitblijft.
De opslagplaatsendie dierlijke mest bevatten worden zo geconcipieerd dat de voorwaarden vastgesteld in hoofdstuk IV van deze titel in acht genomen worden.
De opslagplaatsen die ingekuilde producten met een permanent karakter bevatten die lozingen van vloeistoffen zouden kunnen veroorzaken, worden vervat in waterdichte en niet-waterdoorlatende oppervlaktes opgestelde kuipen of recipiënten, dusdanig uitgerust dat iedere lozing van vloeistoffen uitblijft.
Nieuwe transformatoren worden op een sokkel uit gewapend beton opgesteld, die tegelijk een retentiebak vormen.
De transformatoren die reeds bestonden op de datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomingsgebied worden uitgerust met een beschermingsysteem tegen overbelastingen waardoor het risico op een scheur in het omhulsel tot verwaarloosbare waarden wordt herleid.
Ingegraven of in een opgevulde put geplaatste tanks zijn dubbelwandig, uitgerust met een permanent systeem voor de controle van de waterdichtheid met visueel en geluidsalarm in geval van verlies van waterdichtheid in één van de wanden.
Wanneer ze zich volledig op de openbare weg afspelen, voor zover ze de geldende wetgeving inzake wegcode niet in acht nemen en voor zover ze zich afspelen in een gebied dat natuurlijk mineraal water en bronwater produceert, leven de motorsportactiviteiten van voertuigen voortbewogen door een interne verbrandingsmotor, met inbegrip van de prototypes en de voertuigen met louter een recreatief gebruik, onverminderd de beschermende bepalingen die de gemeenten kunnen nemen, de volgende voorwaarden na:
er is geen enkel alternatief in een straal van duizend meter op het grondgebied van de betrokken gemeente mogelijk die een geringere leefmilieu-impact vertoont en die menselijke veiligheid kan verzekeren, voor het parcours dat in het kader van de activiteiten gebruikt wordt in het afgelegen voorkomingsgebied en hoe dan ook mag het parcours niet tot op minder dan tien meter van een rand van een nabijgelegen voorkomingsgebied naderen;
de parkeerplaatsen voor voertuigen gebruikt in het kader van de motorsportactiviteit en de gebieden die een rechtstreeks en onrechtstreeks risico vertonen voor het leefmilieu, gelegen buiten het parcours die in de wedstrijd gebruikt wordt, worden uitgerust met een inzamelsysteem voor vloeistoffen, gedurende de gehele duur van de activiteiten;
gedurende de gehele duur van de activiteiten in het afgelegen voorkomingsgebied is een competent interventieteam permanent beschikbaar om door een ongeval gecontamineerde grond af te graven en, in voorkomend geval, de gelekte vloeistoffen weg te pompen, en eventuele andere maatregelen om ten gevolge van het ongeval de winning te beschermen;
gedurende de gehele duur van de activiteiten in het afgelegen voorkomingsgebied blijven een erkend laboratorium en staalafnameteam permanent beschikbaar om na het optreden van de interventieteams iedere vereiste bodem- of wateranalyse te verrichten om te bepalen of een residuele vervuiling aanwezig is;
de organisator neemt alle nuttige maatregelen om de leden van de organisatie en de deelnemers van de motorsportactiviteit in te lichten over en te sensibiliseren voor de aard van de voorkomingsgebieden van waterwinningen, voor de maatregelen, te nemen bij ongevallen, en voor de in die gebieden geldende reglementering.
De interventies bedoeld in lid 8, 3°, worden binnen het uur na het ongeval verricht.
De organisator van de activiteiten stelt een dossier samen waarin het bewijs van de naleving van de vastgestelde voorwaarden opgenomen is en waarin de nadere interventieregels bepaald zijn, overeenkomstig deze voorwaarden ter bescherming van het winningsgebied. Dat dossier wordt minstens drie maanden voor het plaatsvinden van de beoogde activiteiten aan de gemeentelijke overheden, betrokken bij de activiteiten, en aan de Minister gericht.
De Minister kan de inhoud van de vastgestelde voorwaarden en de nadere regels voor de uitwerking van het dossier bedoeld in lid 10 nader bepalen.
§ 4. Er worden door de exploitant op de hoofdverkeerswegen bij het binnenkomen en verlaten ervan in het afgelegen voorkomingsgebied verkeersborden geplaatst, overeenkomstig de modellen opgenomen in bijlage LVI waarmee op het bestaan van een voorkomingsgebied gewezen wordt.
Voor de nieuwe werken, bouwwerken en installaties gelden de bepalingen van dit artikel bij de inwerkingtreding van het ministerieel besluit tot afbakening van het voorkomingsgebied.]1

Art. R170. [1 § 1er. Les dispositions du présent article s'appliquent uniquement aux zones de prévention éloignée.
§ 2. Sont interdits :
les centres d'enfouissement techniques visés par le décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets, à l'exception des centres de classe 3 visés par la rubrique 90.25.03, des centres de classe 4.A visés par la rubrique 90.25.04.01 et des centres de classe 5.3 visés par la rubrique 90.25.05.03 de l'annexe Ire de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et activités classées et existants à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention ;
l'implantation de nouveaux terrains de camping ;
l'implantation de nouveaux cimetières ;
l'implantation de nouveaux CET de classe 3 à l'exception de ceux inscrits au plan des centres d'enfouissement ;
les activités de sports moteurs de véhicules automobiles mus par un moteur à combustion interne, y compris les prototypes et les véhicules à usage exclusivement récréatif, lorsque ces activités ne se déroulent pas complètement sur la voie publique ;
les activités de sports moteurs de véhicules mus par un moteur à combustion interne autres que ceux visés au 5°, y compris les prototypes, les véhicules à usage exclusivement récréatif et les motos neige, lorsque ces activités ne se déroulent pas complètement sur la voie publique.
§ 3. Les nouvelles aires de stationnement de plus de vingt véhicules automoteurs sont rendues étanches et pourvues d'un dispositif de collecte des liquides vers un séparateur d'hydrocarbures.
Les stockages de matières organiques susceptibles de libérer des rejets liquides sont :
constitués de manière à éviter l'infiltration de jus dans le sol et vers les eaux souterraines ;
toujours implantés en dehors des zones d'infiltration préférentielle vers les eaux souterraines telles des dolines ou des pertes karstiques, identifiées et précisées dans l'arrêté de zone de prévention ;
sur le site de leur production, contenus dans des cuves ou des récipients étanches ou installés sur des surfaces imperméables et équipées de manière à garantir l'absence de tout rejet liquide.
Les stockages d'effluents d'élevage sont constitués en respectant les conditions fixées au chapitre IV du présent titre.
Les stockages de produits d'ensilage à caractère permanent susceptibles de libérer des rejets liquides sont contenus dans des cuves ou des récipients étanches ou installés sur des surfaces imperméables et équipées de manière à garantir l'absence de tout rejet liquide.
Les nouveaux transformateurs sont disposés sur un socle en béton armé formant bac de rétention.
Les transformateurs existants à la date de l'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention sont équipés d'un dispositif de protection contre les surcharges de manière à réduire le risque de rupture de leur enveloppe à des valeurs négligeables.
Les réservoirs enterrés ou placés dans une fosse remblayée sont à double paroi, équipés d'un système de contrôle d'étanchéité permanent avec alarme visuelle et sonore en cas de perte d'étanchéité d'une des parois.
Lorsqu'elles se déroulent complètement sur la voie publique, pour autant qu'elles ne respectent pas la législation en vigueur en matière de Code de la route et pour autant qu'elles se déroulent dans une zone qui produit des eaux minérales naturelles et eaux de sources, les activités de sports moteurs de véhicules automobiles mus par un moteur à combustion interne, y compris les prototypes et les véhicules à usage exclusivement récréatif, respectent, sans préjudice des autres dispositions de protection que peuvent adopter les communes, les conditions suivantes :
aucune alternative dans un rayon de mille mètres sur le territoire de la commune concernée, présentant un impact environnemental moindre et permettant d'assurer la sécurité humaine n'est possible au parcours utilisé dans la zone de prévention éloignée dans le cadre des activités et, en tout état de cause, le parcours ne peut pas passer à moins de dix mètres d'une bordure de zone de prévention rapprochée ;
les zones de stationnement dédiés aux véhicules utilisés dans le cadre de l'activité de sports moteurs et les zones présentant un risque direct et indirect pour l'environnement, situées en dehors du parcours utilisé par l'épreuve, sont pourvues d'un dispositif de collecte des liquides pendant toute la durée des activités ;
durant toute la durée des activités en zone de prévention éloignée, une équipe d'interventions compétente est disponible en permanence pour procéder à l'excavation des terres contaminées par un accident, le cas échéant, au pompage des liquides déversés et à toutes autres mesures rendues nécessaires pour protéger le captage suite à l'accident ;
durant toute la durée des activités en zone de prévention éloignée, un laboratoire agréé et une équipe de prélèvement restent disponibles en permanence pour effectuer, après l'intervention de l'équipe d'interventions, toute analyse requise des sols ou des eaux pour déterminer si une pollution résiduelle est présente ;
l'organisateur prend toutes mesures utiles pour informer et sensibiliser les membres de l'organisation et les participants à l'activité de sports moteurs à la nature des zones de prévention de captages, aux mesures à prendre en cas d'accident et à la réglementation en vigueur dans ces zones.
Les interventions visées à l'alinéa 8, 3°, interviennent dans l'heure de l'accident.
L'organisateur des activités constitue un dossier reprenant la preuve du respect des conditions fixées et décrivant les modalités d'interventions prévues conformément à ces conditions pour protéger la zone de captage. Ce dossier est transmis, trois mois au moins avant le déroulement des activités visées, aux autorités communales concernées par les activités et au Ministre.
Le Ministre peut préciser le contenu des conditions fixées et les modalités d'élaboration du dossier visé à l'alinéa 10.
§ 4. Des panneaux conformes aux modèles repris en annexe LVI, signalant l'existence d'une zone de prévention, sont placés par l'exploitant sur tous les axes principaux de circulation aux points d'entrée et de sortie de ceux-ci dans la zone de prévention éloignée.
§ 5. Pour les nouveaux ouvrages, constructions et installations, les dispositions du présent article sont d'application immédiate à dater de l'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel délimitant la zone de prévention.]1

Art. R171. [1 § 1. De bepalingen van dit artikel zijn enkel van toepassing op het toezichtsgebied.
§ 2. Wanneer de restrictieve maatregelen, genomen overeenkomstig artikel R.168, § 3, lid 1, in het (de) voorkomingsgebied(en), gelegen binnen in het toezichtsgebied ontoereikend blijken, kan de Minister op eigen initiatief of op vraag van de exploitant, gelijkaardige bepalingen vaststellen in het geheel of in een deel van het toezichtsgebied. Hij kan met name de spreidingen beperken van dierlijke mest, van producten waarvan de spreiding toegelaten is voor landbouwdoeleinden en stikstofhoudende meststoffen tegen de maximumdosissen voor kwetsbare gebieden als bedoeld in hoofdstuk IV van deze titel.
De Minister kan eveneens, volgens dezelfde criteria, gelijkaardige maatregelen vaststellen in toezichtsgebieden die niet gepaard gaan met een waterwinning. De nitraatgehaltes worden op een controlepunt, dat representatief is voor grondwater, beoordeeld.
Wanneer de restrictieve maatregelen, genomen overeenkomstig artikel R.168, § 3, lid 7, in het (de) voorkomingsgebied(en), gelegen binnen in het toezichtsgebied ontoereikend blijken, kan de Minister gelijkaardige bepalingen vaststellen in het geheel of in een deel van het toezichtsgebied.]1

Art. R171. [1 § 1er. Les dispositions du présent article s'appliquent uniquement à la zone de surveillance.
§ 2. Lorsque les mesures restrictives prises en application de l'article R. 168, § 3, alinéa 1er, dans la ou les zones de prévention situées à l'intérieur de la zone de surveillance se révèlent insuffisantes, le Ministre peut, d'initiative ou sur demande de l'exploitant, fixer des dispositions de même nature dans tout ou partie de la zone de surveillance. Le Ministre peut, notamment, y limiter les épandages d'effluents d'élevage, de produits autorisés à être épandus à des fins agricoles et d'engrais azotés aux doses maximales autorisées en zone vulnérable prévues au chapitre IV du présent titre.
Le Ministre peut également fixer des mesures de même nature, et suivant les mêmes critères, dans des zones de surveillance qui ne sont pas associées à une prise d'eau. Les teneurs en nitrates sont alors évaluées sur un point de contrôle représentatif des eaux souterraines.
Lorsque les mesures restrictives prises en application de l'article R 168, § 3, alinéa 7, dans la ou les zones de prévention situées à l'intérieur de la zone de surveillance se révèlent insuffisantes, le Ministre peut fixer des dispositions de même nature dans tout ou partie de la zone de surveillance.]1

Art. R172. [1 Voor de producenten die een dienstverleningscontract inzake de bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water hebben gesloten, wordt de preventieve opvolging die door de producent wordt uitgevoerd betreffende de waterdichtheidstests voor de bovengrondse en ingegraven tanks voor koolwaterstoffen bedoeld in de artikelen R.165 en R.168 door de "SPGE" gefinancierd.
In de voorkomingsgebieden kan de "SPGE", voor de producenten die een dienstverleningscontract ter bescherming van het tot drinkwater verwerkbaar water hebben gesloten, bij ontstentenis van een wettelijk verplichte normaanpassing voor de eigenaar, voor de normaanpassing van een derde bij het einde van de levensduur van de tank of voor iedere situatie waardoor het verontreinigingsrisico dreigend wordt, optreden. Het tegemoetkomingspercentage bedraagt vijftien percent van het bedrag van de nieuwe tank voor koolwaterstoffen.]1

Art. R172. [1 Pour les producteurs ayant conclu un contrat de service de protection de l'eau potabilisable, le suivi préventif réalisé par le producteur concernant les tests d'étanchéité pour les réservoirs d'hydrocarbures aériens et enterrés prévus aux articles R.165 et R.168 est financé par la S.P.G.E.
Dans les zones de prévention, pour les producteurs ayant conclu un contrat de service de protection de l'eau potabilisable, la S.P.G.E., à défaut d'une obligation légale de mise en conformité pour le propriétaire, peut intervenir pour la mise en conformité d'un tiers en fin de vie du réservoir existant ou pour toute situation rendant le risque de pollution imminent. Le taux d'intervention est de quinze pour cent du montant du nouveau réservoir d'hydrocarbure.]1

Onderafdeling 4. [1 - Maatregelen voor bepaalde steengroeven]1
Sous-section 4. [1 - Mesures relatives à certaines carrières]1
Art. R173. [1 § 1. Onderafdeling 3 van deze afdeling is niet van toepassing op in bedrijf zijnde steengroeven.
Wanneer een grondwaterwinningsgebied zich in een in bedrijf zijnde steengroeve bevindt, of wanneer een in bedrijf zijnde steengroeve zich in voorkomingsgebied bevindt:
mogen de werftuigen geen lekken van koolwaterstoffen vertonen, in voorkomend geval, wordt ze onmiddellijk ter herstelling uit de steengroeve afgevoerd;
mogen zich in de steengroeve enkel de producten in verband met de exploitatie ervan bevinden;
moeten de producten die risico's vertonen voor de kwaliteit van de grondwaterlaag ofwel worden opgeslagen in tanks, geplaatst in waterdichte kuipen die minstens dezelfde capaciteit hebben als de totale capaciteit van de tanks die in deze kuipen opgeslagen zijn, ofwel opgeslagen in vaten of recipiënten opgesteld op een waterdichte oppervlakte die dusdanig is uitgerust dat elke lozing van vloeistoffen bij lekkages uitblijft;
zijn zinkputten in voorkomingsgebied verboden.
Huishoudelijk en sanitair afvalwater wordt uit de steengroeve en het voorkomingsgebied afgevoerd via waterdichte leidingen, ofwel ter plaatse opgeslagen in waterdichte kuipen en recipiënten, en door erkende ruimingswerkers afgevoerd.
§ 2. De bepalingen van paragraaf 1, lid 2, zijn niet van toepassing:
op proefpompingen;
op tijdelijke pompingen;
op winningen van tot drinkwater verwerkbaar water of bestemd voor menselijke consumptie, met een waterwinningscapaciteit kleiner dan of gelijk aan 10m3/dag of die minder dan vijftig personen bevoorraden, wanneer de levering niet plaatsvindt in het kader van een handels-, toeristische of openbare activiteit;
op winningen van niet tot drinkwater verwerkbaar water dat niet bestemd is voor menselijke consumptie, en met een waterwinningscapaciteit kleiner dan of gelijk aan 10m3/dag tot 3000m3/dag.]1

Art. R173. [1 § 1er. La sous-section 3 de la présente section n'est pas applicable aux carrières en activité.
Lorsqu'une zone de prise d'eau souterraine se trouve dans une carrière en activité, ou lorsqu'une carrière en activité se trouve en zone de prévention :
les engins de chantier ne peuvent pas présenter de fuites d'hydrocarbures, le cas échéant, ils sont immédiatement transférés en dehors de la carrière pour être réparés;
peuvent se trouver dans la carrière uniquement les produits en rapport avec son exploitation ;
les produits présentant des risques pour la qualité de la nappe sont soit stockés dans des réservoirs placés dans des cuvettes de rétention étanches, de capacité au moins égale à la capacité totale des réservoirs contenus dans chaque cuvette, soit contenus dans des fûts ou récipients entreposés sur une aire étanche et équipée de manière à garantir l'absence de tout rejet liquide;
les puits perdus sont interdits en zone de prévention.
Les eaux usées, domestiques et sanitaires, sont soit évacuées en dehors de la carrière et de la zone de prévention par des conduites étanches, soit stockées sur place dans des cuves ou récipients étanches et évacuées par des vidangeurs agréés.
§ 2. Les dispositions du paragraphe 1er, alinéa 2, ne s'appliquent pas :
aux pompages d'essai ;
aux pompages temporaires ;
aux prises d'eau potabilisable ou destinée à la consommation humaine d'une capacité de prise d'eau inférieure ou égale à 10 m3/jour ou approvisionnant moins de cinquante personnes, lorsque la fourniture ne s'effectue pas dans le cadre d'une activité commerciale, touristique ou publique;
aux prises d'eau non potabilisable et non destinée à la consommation humaine d'une capacité de prise d'eau inférieure ou égale à 10 m3/jour et à 3 000 m3/an.]1

Art. R174.
Art. R174.
Art. R175.
Art. R175.
Art. R176.
Art. R176.
Art. R177.
Art. R177.
Art. R178.
Art. R178.
Art. R179.
Art. R179.
Art. R180.
Art. R180.
Art. R181.
Art. R181.
Art. R182.
Art. R182.
Art. R183.
Art. R183.
Art. R184.
Art. R184.
Art. R185.
Art. R185.
Art. R186.
Art. R186.
Art. R187.
Art. R187.
Afdeling 7. [2 Oud Afdeling 4]2 [1 - Maatregelen voor het voorkomen of het beperken van de inbreng van verontreinigende stoffen in het grondwater.]1
Section 7. [2 Ancienne Section 4.]2 [1 Mesures de prévention ou de limitation des introductions de polluants dans les eaux souterraines.]1
Art. R187 bis-1. [1 § 1. Deze afdeling vult de bepalingen voor het voorkomen of het beperken van de inbreng van verontreinigende stoffen in het grondwater aan die al in dit wetboek staan en beoogt het voorkomen van de achteruitgang van de toestand van alle grondwaterlichamen.]1
Art. R187 bis-1. [1 § 1er. La présente section complète les dispositions destinées à prévenir ou à limiter l'introduction de polluants dans les eaux souterraines qui figurent déjà dans le présent code et vise à prévenir la dégradation de l'état de toutes les masses d'eau souterraines.]1
Art. R187 bis-2. [1 § 1. Om overeenkomstig artikel D.22 § 1, 2°, de doelstelling te bereiken die in het voorkomen of het beperken van de inbreng van verontreinigende stoffen in het grondwater bestaan, bevat het maatregelenprogramma overeenkomstig artikel D.23 :
alle noodzakelijke maatregelen om te proberen de inbreng van elke stof van bijlage XX, lijst 1, in het grondwater te voorkomen, onverminderd paragrafen 2 en 3 van dit artikel;
voor de verontreinigende stoffen van bijlage XX, lijst II, en voor de andere verontreinigende stoffen die in deze bijlage niet vermeld worden maar waarvoor de stroomgebiedsoverheid acht dat ze een reël of potentieel risico op verontreiniging voorstellen, alle noodzakelijke maatregelen om de inbreng in het grondwater te beperken zodat deze inbreng geen achteruitgang of significante en aanhoudende stijgende trends van de concentraties van verontreinigende stoffen in het grondwater tot gevolg heeft. Deze maatregelen houden tenminste rekening met de beste bestaande praktijken, met name de beste beschikbare milieupraktijken en technische praktijken die in de relevante wetgeving vermeld worden.
Om de maatregelen bedoeld in punten 1° of 2° te bepalen, kan de Minister de gevallen preciseren waarin de verontreinigende stoffen van bijlage XX, met name de essentiële metalen en hun verbindingen van deze bijlage, als gevaarlijk of ongevaarlijk beschouwd moeten worden.
§ 2. Er wordt, telkens als het technisch mogelijk is, rekening gehouden met de inbreng van verontreinigende stoffen die uit verspreide verontreiniginsbronnen komen en die een impact op de chemische toestand van het grondwater hebben.
§ 3. De inbreng van verontreinigende stoffen wordt van de in paragraaf 1 voorzien maatregelen uitgesloten als ze :
het resultaat is van toegelaten directe lozingen overeenkomstig artikel D.170;
door de stroomgebiedsoverheid beschouwd wordt als in zodanig lage hoeveelheid en concentratie aanwezig zijnde dat elk huidig of toekomstig risico op achteruitgang van de kwaliteit van het ontvangende grondwater geweerd wordt;
het gevolg is van ongelukken of uitzonderlijke omstandigheden die aan natuurlijke oorzaken te wijten zijn die redelijkerwijs niet voorzien, voorkomen of verminderd hadden kunnen worden;
het resultaat is van een nieuwe vulling of een kunstmatige vergroting van grondwaterlichamen toegelaten overeenkomstig artikel D.169;
door de stroomgebiedsoverheid beschouwd wordt als technisch onmogelijk te voorkomen of beperken zonder :
a) maatregelen die de risico's voor de menselijke gezondheid of de kwaliteit van het milieu in zijn geheel zouden verhogen; of
b) maatregelen waarvan de kosten bovenmaats zijn en die ertoe strekken grote hoeveelheden verontreinigende stoffen van de besmette grond of ondergrond te verwijderen of hun infiltratie in deze grond of ondergrond te controleren; of
wat de oppervlaktewateren betreft, het resultaat van tussenkomsten is die ertoe strekken de effecten van overstromingen en droogten te verminderen en het beheer van het water en de waterlopen te verzekeren, ook op internationaal niveau. Deze activiteiten, zoals de ontruiming, de baggerwerken, de verplaatsing en de neerlegging van sedimenten in de oppervlaktewateren, worden overeenkomstig de algemene dwingende maatregelen verricht en eventueel overeenkomstig de milieuvergunningen en de vergunningen die op basis van deze maatregelen worden afgegeven op voorwaarde dat die inbreng het behalen van de milieudoelstellingen niet in gevaar brengt die vastgesteld worden voor betrokken waterlichamen overeenkomstig artikel D.22, § 1, 2°.
De in punten 1° tot 6° voorziene uitsluitingen kunnen enkel toegepast worden als de stroomgebiedsoverheid de efficiënte uitvoering van een monitoringscontrole van het betrokken grondwater heeft vastgesteld overeenkomstig bijlage IV, deel II. 2) b), of van een andere aangepaste controle.
§ 4. De stroomgebiedsoverheid houdt een lijst bij van de uitsluitingen bedoeld in paragraaf 3.]1

Art. R187 bis-2. [1 § 1er. Afin de réaliser l'objectif consistant à prévenir ou à limiter l'introduction de polluants dans les eaux souterraines établi conformément à l'article D22 § 1er, 2°, le programme de mesures défini conformément à l'article D23 comprend :
toutes les mesures nécessaires pour s'efforcer de prévenir l'introduction dans les eaux souterraines de toutes substances de l'annexe XX, liste I, sans préjudice des paragraphes 2 et 3 du présent article.
pour les polluants énumérés à l'annexe XX, liste II, ainsi que pour les autres polluants non dangereux non énumérés à ladite annexe pour lesquels l'autorité de bassin estime qu'ils présentent un risque réel ou potentiel de pollution, toutes les mesures nécessaires pour limiter les introductions dans les eaux souterraines, de telle sorte que ces introductions n'entraînent pas de dégradation ou de tendances à la hausse significatives et durables des concentrations de polluants dans les eaux souterraines. Ces mesures tiennent compte, au moins, des meilleures pratiques établies, notamment des meilleures pratiques environnementales et des meilleures techniques disponibles énoncées dans la législation pertinente.
Afin de définir les mesures visées aux points 1° ou 2°, le Ministre peut préciser les cas dans lesquels les polluants énumérés à l'annexe XX, notamment les métaux essentiels et leurs composés de ladite annexe, doivent être considérés comme dangereux ou non dangereux.
§ 2. Les introductions de polluants provenant de sources de pollution diffuses et ayant un impact sur l'état chimique des eaux souterraines sont prises en compte chaque fois que cela est techniquement possible.
§ 3. Sont exclues des mesures prévues au paragraphe 1er les introductions de polluants qui sont :
le résultat de rejets directs autorisés conformément à l'article D170;
considérés par l'autorité de bassin comme étant présents en quantité et en concentration si faibles que tout risque, présent ou futur, de détérioration de la qualité de l'eau souterraine réceptrice est écarté;
la conséquence d'accidents ou de circonstances exceptionnelles dues à des causes naturelles qui n'auraient raisonnablement pas pu être prévus, évités ni atténués;
le résultat d'une recharge ou d'une augmentation artificielle des masses d'eau souterraine autorisée conformément à l'article D169.
considérés par l'autorité de bassin comme étant techniquement impossibles à prévenir ou à limiter sans recourir :
a) à des mesures qui augmenteraient les risques pour la santé humaine ou la qualité de l'environnement dans son ensemble; ou
b) à des mesures d'un coût disproportionné destinées à éliminer des quantités importantes de polluants du sol ou du sous-sol contaminé ou à en contrôler l'infiltration dans ce sol ou ce sous-sol; ou
le résultat d'interventions concernant les eaux de surface destinées, entre autres, à atténuer les effets des inondations et des sécheresses et à assurer la gestion de l'eau et des cours d'eau, y compris au niveau international. Ces activités, telles que le déblayage, dragage, déplacement et dépôt de sédiments dans les eaux de surface, sont menées conformément aux règles générales contraignantes et, le cas échéant, aux Permis d'environnement et autorisations délivrés sur la base desdites règles, pour autant que ces introductions ne compromettent pas la réalisation des objectifs environnementaux définis pour les masses d'eau concernées conformément à l'article D22, § 1er, 2°.
Les exclusions prévues aux points 1° à 6° ne peuvent être appliquées que si l'autorité de bassin a constaté la mise en place efficace d'un contrôle de surveillance des eaux souterraines concernées, conformément à l'annexe IV partie II. 2) b), ou d'un autre contrôle approprié.
§ 4. L'autorité de bassin tient un relevé des exclusions visées au paragraphe 3.]1

Art. R187 bis-3. [1 Wanneer uit de uitgevoerde analyses blijkt dat de concentratie pesticiden een risico voor het niet-bereiken van de goede chemische staat van één of meer oppervlaktewaterlichamen inhoudt, kan de Minister na onderzoekscontrole maatregelen treffen om het gebruik van die pesticiden te beperken of te verbieden in het(de) gebied(en) dat(die) bijdraagt(bijdragen) tot die verontreiniging om de in artikel D.22, § 1, 1° bedoelde doelstellingen te bereiken.]1
Art. R187 bis-3. [1 Lorsqu'il ressort des analyses effectuées que la concentration des pesticides implique un risque de non atteinte du bon état chimique d'une ou de plusieurs masse(s) d'eau de souterraine, le Ministre peut prendre, après contrôle d'enquête, des mesures en vue de restreindre ou d'interdire l'application de ces pesticides dans la ou les zone(s) contribuant à cette pollution afin d'atteindre les objectifs définis à l'article D.22, § 1er, 1°.]1
Afdeling 5. [1 - Erkenning van de boorders]1
Section 5. [1 - Agrément des foreurs]1
Onderafdeling 1. [1 - Algemeen]1
Sous-section 1. [1 - Généralités]1
Art. R187 ter-1. [1 Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder :
Administratie: het Departement Leefmilieu en Water van het Operationele Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst;
boringsactiviteitengebied: de boring en de uitrusting van putten bestemd voor :
a) een toekomstige grondwaterwinning;
b) de installatie van geothermische sondes;
c) de geologische erkenning en de prospectie;
d) de installatie van piëzometers;
directeur-generaal: de directeur-generaal van het Operationeel Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst;
afgevaardigde : de inspecteur-generaal van het Departement Leefmilieu en Water van het Operationele Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst;
Minister : de Minister van Leefmilieu;
piëzometer : de uitgeruste boorput die toegang geeft tot een grondwaterlaag, die niet als grondwaterwinning en niet voor het kunstmatige aanvullen van grondwaterlagen wordt uitgebaat, waarin het niveau, in hoogte of in diepte, van de oppervlakte van vrij water of de overeenstemmende piëzometrische last, of, de druk in geval van artesische bron, gemeten wordt aan de hand van een instrument, met name een handsonde, een druksonde, een peilschaal, een manometer, of waarin een grondwatermonster voor analyse, met name voor een fysische, chemische, microbiologische analyse en isotopenanalyse wordt genomen.]1

Art. R187 ter-1. [1 Pour l'application de la présente section, l'on entend par :
Administration : le Département de l'Environnement et de l'Eau de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement du Service public de Wallonie;
Domaine d'activités de forage: le forage et l'équipement de puits destiné soit à :
a) une future prise d'eau souterraine;
b) l'installation de sondes géothermiques;
c) la reconnaissance géologique et la prospection;
d) l'implantation de piézomètres;
directeur général: le directeur général de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement du Service public de Wallonie;
délégué: l'inspecteur général du Département de l'Environnement et de l'Eau de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement du Service public de Wallonie;
Ministre : le Ministre de l'Environnement;
Piézomètre: le forage équipé donnant accès à une nappe d'eau souterraine, non exploité en tant que prise d'eau souterraine et non exploité pour la recharge artificielle, dans lequel le niveau, en hauteur ou profondeur, de la surface d'eau libre ou la charge piézométrique correspondante, ou la pression en cas d'artésianisme, est mesuré à l'aide d'un appareil, notamment une sonde manuelle, une sonde pressiométrique, un limnigraphe, un manomètre, ou dans lequel un échantillon d'eau souterraine est prélevé pour analyse, notamment physique, chimique, microbiologique, isotopique.]1

Art. R187 ter-2. [1 De directeur-generaal beslist over iedere erkenningsaanvraag, -wijziging, -opschorting of -intrekking die in deze afdeling bedoeld is.]1
Art. R187 ter-2. [1 Le directeur général statue sur toute demande, modification, suspension ou retrait d'agrément visés par la présente section.]1
Onderafdeling 2. [1 - Erkenningsvoorwaarden]1
Sous-section 2. [1 - Conditions d'agrément]1
Art. R187 ter-3. [1 De toekenning van de erkenning voor één of meerdere boringsactiviteitengebieden hangt af van de volgende voorwaarden :
voor de natuurlijke of rechtspersonen :
a) niet het voorwerp zijn geweest van een veroordeling die nog steeds gevolgen heeft bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing, wegens een overtreding bedoeld in artikel D.138, eerste lid, 7°, 8°, 9° en 12° van Boek I van het Milieuwetboek of iedere gelijksoortige overtreding bedoeld bij een gelijkwaardige wetgeving van een ander Gewet of van een lidstaat van de Europese Unie die partij is bij het Akkoord betreffende de Europese Economische Ruimte;
b) zich niet in een toestand bevinden waar de opdrachten niet meer vervuld kunnen worden op een objectieve en onafhankelijke manier ten opzichte van zijn klanten;
c) over het materieel en de technische middelen beschikken om de opdrachten na te komen waarvoor de erkenning is vereist;
d) over de financiële en personele middelen beschikken om de activiteiten uit te voeren, waarvoor een erkenning wordt aangevraagd;
e) door een verzekeringsovereenkomst gedekt zijn of zich ertoe verbinden om een verzekeringsovereenkomst te sluiten ter dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid voortvloeiend uit de activiteiten waarvoor een erkenning wordt aangevraagd;
f) geen intrekking van de erkenning hebben ondergaan binnen de drie jaar die voorafgaan aan de erkenningsaanvraag;
g) iedere verandering betreffende zijn erkenningsaanvraag aan de Administratie onmiddellijk sturen;
h) zich ertoe verbinden de in artikel R.185ter-4 bedoelde gebruiksvoorwaarden van de erkenning na te leven;
voor de natuurlijke personen :
a) onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of partij zijn bij het Akkoord betreffende de Europese Economische Ruimte;
b) zijn burgerlijke en politieke rechten niet verloren hebben;
voor de rechtspersonen en tijdelijke vennootschappen :
a) opgericht zijn overeenkomstig de Belgische wetgeving of de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Unie of van een partij bij het Akkoord betreffende de Europese Economische Ruimte en zijn (haar) hoofdbestuur of hoofdzetel binnen de Europese Unie hebben, of er zijn (haar) maatschappelijke zetel hebben, op voorwaarde dat zijn (haar) activiteiten een reële en duurzame band hebben met de economie van een lidstaat van de Europese Unie;
b) onder zijn bestuurders, beheerders of personen die de maatschappij kunnen binden, enkel personen tellen die voldoen aan de voorwaarden waarvan sprake in 1°, a) en b), en 2°, b).
Het materiaal en de in het eerste lid, 1°, c), bedoelde technische middelen die vermeld zijn in de erkenningsaanvraag, maken het mogelijk vast te stellen of de aanvrager, zelf of aan de hand van een onderaannemingsovereenkomst ter vervanging van een tijdelijk defect materiaal, over de nodige middelen beschikt om het veldwerk zoals de uitvoering van de boring, de installaties van piëzometers, van putten te verrichten. Deze aanwijzingen maken het mogelijk om het activiteitengebied waarvoor de erkenning wordt aangevraagd en de vereiste vaardigheden voor de bediening en behandeling van bouwmachines te beoordelen.
De in het eerste lid, 1°, d) bedoelde menselijke hulpkrachten van de onderneming stellen de aanvrager in staat te beschikken over de technische vaardigheden die nodig zijn voor de uitvoering van een boring op het specifieke boringsactiviteitengebied waarvoor de erkenning wordt aangevraagd, en met name over de bekwaamheid om de gebruikte machines te besturen en te bedienen. Die vaardigheden worden bevestigd ofwel :
door een beroepsopleidingstitel voor het overwogen boringsactiviteitengebied;
door de aanwijzing van minstens vijf boorreferenties voor het betrokken activiteitengebied binnen twee jaar die aan de erkenningsaanvraag voorafgaan.
De beroepservaring wordt bevestigd met een curriculum vitae, een lijst van referenties of de omschrijving van de verworven relevante ervaring, bij voorbeeld in het kader van een soortgelijke erkenning afgegeven door de bevoegde overheden van een ander Gewest of een andere lidstaat van de Europese Unie.
De Minister of diens afgevaardigde beoordeelt of de door de aanvrager voorgestelde personen de kennis of de vereiste beroepservaring bezitten rekening houdende met de technische en milieuaspecten verworven in het kader van de vorming of de beroepservaring. De Minister kan met name de bevoegde overheden van een ander Gewest of van een andere lidstaat van de Europese Unie ondervragen.]1

Art. R187 ter-3. [1 L'octroi de l'agrément pour un ou des domaines d'activités de forage est subordonné aux conditions suivantes :
pour les personnes physiques et morales :
a) ne pas avoir encouru une condamnation antérieure produisant encore des effets par une décision coulée en force de chose jugée pour une infraction visée à l'article D.138, alinéa 1er, 7°, 8°, 9° et 12°, du Livre 1er du Code de l'Environnement ou à toute infraction de même nature visée par une législation équivalente d'une autre région ou d'un Etat membre de l'Union européenne ou d'une partie à l'accord sur l'Espace économique européen;
b) ne pas se trouver dans une situation susceptible de compromette son objectivité et exercer ses missions en toute indépendance vis-à-vis de ses clients;
c) disposer du matériel et des moyens techniques nécessaires pour assurer les missions au titre desquelles l'agrément est requis;
d) disposer des capacités financières et disposer de ressources humaines permettant d'assurer les activités pour lesquelles l'agrément est demandé;
e) être couvert par un contrat d'assurance ou s'engager à souscrire un contrat d'assurance couvrant la responsabilité civile résultant des activités pour lesquelles l'agrément est demandé;
f) ne pas avoir fait l'objet d'un retrait d'agrément dans les trois ans précédant la demande d'agrément;
g) envoie immédiatement à l'Administration, tout changement concernant sa demande d'agrément;
h) s'engager à respecter les conditions d'usage de l'agrément visées à l'article R.187ter-4;
pour les personnes physiques :
a) être ressortissant d'un Etat membre de l'Union européenne ou d'une partie à l'accord sur l'Espace économique européen;
b) ne pas avoir été privé de ses droits civils et politiques;
pour les personnes morales et sociétés momentanées :
a) être constituée conformément à la législation belge ou à celle d'un autre Etat membre de l'Union européenne ou d'une partie à l'accord sur l'Espace économique européen et avoir son administration principale ou son siège principal au sein de l'Union européenne, ou y avoir son siège social, à condition que ses activités aient un lien réel et durable avec l'économie d'un Etat membre de l'Union européenne;
b) compter parmi ses administrateurs, gérants ou personnes ayant le pouvoir d'engager la société, uniquement des personnes qui satisfont aux conditions prévues au 1°, a) et b), et 2°, b).
Le matériel et les moyens techniques visés à l'alinéa 1er, 1°, c) indiqués dans la demande d'agrément permettent de déterminer si le demandeur dispose en propre, ou contractuellement par voie de sous-traitances en remplacement d'un matériel temporairement défectueux, des moyens nécessaires pour réaliser le travail de terrain tel que la réalisation du forage, la mise en place de piézomètres, de puits. Ces indications permettent d'apprécier le domaine d'activité pour lequel l'agrément est demandé et les compétences requises pour la conduite et la manipulation des engins de chantier.
Les ressources humaines de l'entreprise visées à l'alinéa 1er, 1°, d), permettent au demandeur de disposer de compétences techniques propres à l'exécution d'un forage dans le domaine d'activité de forage spécifique pour lequel l'agrément est demandé et, particulièrement, de l'aptitude à conduire et à manipuler les engins utilisés. Ces compétences sont attestées soit :
par un titre de formation professionnelle pour le domaine d'activité de forage envisagé;
par l'indication d'au moins cinq références de forage pour le domaine d'activité concerné dans les deux années qui précèdent la demande d'agrément.
L'expérience professionnelle est établie par un curriculum vitae, une liste de références ou la description de l'expérience pertinente acquise, par exemple dans le cadre d'un agrément semblable délivré par les autorités compétentes d'une autre région ou d'un autre Etat membre de l'Union européenne.
Le Ministre ou son délégué évalue si les personnes proposées par le demandeur disposent de la connaissance ou de l'expérience professionnelle exigée compte tenu des aspects techniques et environnementaux acquis dans le cadre de la formation ou de l'expérience professionnelle. Le Ministre peut notamment interroger les autorités compétentes d'une autre région ou d'un Etat membre de l'Union européenne.]1

Art. R187 ter-4. [1 Tijdens de duur van de erkenning vervult de houder van de erkenning de volgende taken :
hij verricht boorhandelingen die behoorlijk aangegeven of toegelaten worden krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en, in voorkomend geval, van het decreet van 10 juli 2013 betreffende de geologische opslag van kooldioxide of krachtens artikel 63 van het decreet van 5 december 2008 betreffende het bodembeheer of artikel 67 van het decreet van 1 maart 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering;
hij voert de in 1° bedoelde werken uit overeenkomstig de sectorale en de integrale voorwaarden vastgelegd krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en, in voorkomend geval, overeenkomstig de bijzondere voorwaarden bedoeld in de milieuvergunning of de globale vergunning en, in voorkomend geval, overeenkomstig de voorwaarden bepaald in de exploratie- of opslagvergunning krachtens het decreet van 10 juli 2013 betreffende de geologische opslag van kooldioxide of het saneringsproject zoals goedgekeurd overeenkomstig artikel 63 van het decreet van 5 december 2008 betreffende het bodembeheer of artikel 67 van het decreet van 1 maart 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering;
aan het begin van de boringswerf en minstens twee werkdagen van tevoren zendt hij de datum van het begin van de werken aan de hand van het door de Minister vastgesteld model aan de Administratie;
hij beschrijft de uitgevoerde werken in een dagboek der werken, dat zich op de plaats van de boringen bevindt, en dat de volgende informatie bevat :
a) de identificatie en het adres van het boorbedrijf en, in voorkomend geval, van het studiebureau;
b) de dagelijkse inlichtingen die het mogelijk maken de voortgang van de werken en de bereikte diepte per chronologische orde vast te stellen, waarbij minstens de aard en de diepte van de verschillende terreinen, de diepte en het debiet van de watertoevoer, de diepte van de verliezen van boorspoelingen, de diepte en de eigenschappen van de verschillende uitrustingen worden vermeld;
c) de eigenschappen van de boring en de uitrustingen van de put, namelijk de boringsmethoden en -diameters, de aard van de boorspoelingen, de schoorbuizen, de aard en de binnen- en buitendiameters van de geplaatste buizen, de ligging en de opening van de filters, de aard, de ligging en de eigenschappen van de in de ringvormige ruimten geplaatste materialen, het volume en de dichtheid van de geïnjecteerde metselspecie;
d) in voorkomend geval, de datum en de beschrijving van de moeilijkheden en onregelmatigheden die eventueel tijdens de werken worden vastgesteld, van de bijzondere handelingen die in de put uitgevoerd worden, met name de reiniging en de ontwikkeling;
e) aan het einde van de boringswerken, de diepte van het statische niveau van de grondwaterlaag, de datum en het merkteken;
f) de resultaten van de pompproeven wanneer ze door de boorder krachtens een milieuvergunning worden uitgevoerd;
g) het verslag over de opvullingswerken in geval van verlaten put;
hij maakt voor de aangever of de houder van de vergunning een verslag over het einde van de werken op, met de informatie vermeld in artikel 20 van het besluit van de Waalse Regering van 13 september 2012 tot bepaling van de sectorale voorwaarden betreffende de boring en de uitrusting van putten bestemd voor een toekomstige grondwaterwinning en tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, dat laatstgenoemde in staat stelt om zijn verplichtingen binnen de voorgeschreven termijn te vervullen;
hij brengt "SOS Environnement-Nature" onmiddellijk op de hoogte van ieder incident of ongeval dat schade zou kunnen berokkenen aan de kwaliteit van het grondwater;
hij adviseert zijn klant over de beste beschikbare technieken naar gelang van de bestemming van de structuur, de hydrogeologische context en de ligging van de over te steken gronden;
hij informeert zich en informeert de klant over de specifieke beschermings- of verbodsmaatregelen die van toepassing zijn wanneer de overwogen installatie zich in een bepaalde beschermingszone of een voorkomingsgebied voor een waterwinning bevindt en over de potentiële risico's verbonden aan de boring;
hij loost geen vervuilende stoffen bepaald in artikel D.2, 66°, van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, in het grondwater;
10° hij leeft de in afdeling 4 van dit Hoofdstuk bedoelde maatregelen tot voorkoming of beperking van de introductie van vervuilende stoffen in het grondwater na;
11° hij informeert zich over het bestaan van potentiële ondergrondse leidingen op de overwogen boringssite.
Wat punt 3° betreft, wordt onder "werkdag" alle dagen verstaan, met uitzondering van zaterdag, zondag en wettelijke feestdagen.
De door de Administratie verzamelde informatie kan door haar worden gebruikt om een kadaster van de ondergrond op te stellen.
De resultaten van de pompproeven bedoeld in het eerste lid, 4°, f) worden aan de Administratie overgemaakt.
Het in het eerste lid, 6°, bedoelde incident of ongeval is met name het in contact brengen van twee grondwaterlagen, het verlies van boorgereedschap of -onderdelen in de boorpijp, het vrijkomen van gas in de atmosfeer.]1

Art. R187 ter-4. [1 Pendant toute la durée de l'agrément, le titulaire de l'agrément :
effectue des opérations relatives au forage dûment déclarées ou autorisées en vertu du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement et, le cas échéant, du décret du 10 juillet 2013 relatif au stockage géologique de dioxyde de carbone ou en vertu de l'article 63 du décret du 5 décembre 2008 relatif à la gestion des sols ou de l'article 67 du décret du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols;
réalise les travaux visés au 1° conformément aux conditions sectorielles, aux conditions intégrales arrêtées en vertu du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement et, le cas échéant, aux conditions particulières prévues dans le permis d'environnement ou le permis unique et, le cas échéant, conformément aux conditions définies dans le permis d'exploration ou le permis de stockage, conformément au décret du 10 juillet 2013 relatif au stockage géologique du dioxyde de carbone ou le projet d'assainissement tel qu'approuvé conformément à l'article 63 du décret du 5 décembre 2008 relatif à la gestion des sols ou à l'article 67 du décret du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols;
envoie à l'Administration, préalablement au début du chantier de forage et au minimum deux jours ouvrables à l'avance, la date de début des travaux, au moyen du formulaire arrêté par le Ministre;
décrit les travaux réalisés dans un journal des travaux sur le lieu d'exploitation du forage dans lequel sont consignés :
a) l'identification et l'adresse de l'entreprise de forage et, le cas échéant, du bureau d'études;
b) les renseignements journaliers permettant d'établir par ordre chronologique l'état d'avancement des travaux et la profondeur atteinte; avec indication au minimum de la nature et de la profondeur des différents terrains rencontrés, de la profondeur et du débit des venues d'eau, de la profondeur des pertes éventuelles de fluides de forage, de la profondeur et des caractéristiques des différents équipements;
c) les caractéristiques du forage et des équipements du puits, les méthodes ou techniques, les diamètres de forage, la nature des fluides de forage, les caractéristiques des tubes de soutènement, la nature et les diamètres intérieurs et extérieurs des tubes en place, la position et l'ouverture des crépines, la nature et les caractéristiques des matériaux placés dans les espaces annulaires, le volume et la densité du coulis de cimentation injecté;
d) le cas échéant, la date et la description des difficultés et anomalies éventuellement rencontrées au cours des travaux, des opérations spéciales réalisées dans le puits, notamment le nettoyage, le développement;
e) à la fin des travaux de forage, la profondeur du niveau statique de la nappe, la date et le repère de mesure;
f) les résultats des pompages d'essai lorsqu'ils sont réalisés par le foreur en vertu d'un permis d'environnement;
g) le compte rendu des travaux de comblement en cas de puits abandonné;
établit un rapport de fin de travaux destiné au déclarant ou au titulaire de l'autorisation comportant les informations, mentionnées à l'article 20 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 13 septembre 2012 déterminant les conditions sectorielles relatives au forage et à l'équipement de puits destinés à une future prise d'eau souterraine et modifiant l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif à la procédure et à diverses mesures d'exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, permettant à ce dernier de remplir ses obligations dans le délai requis;
signale immédiatement à SOS Environnement-Nature tout incident ou accident susceptible de porter atteinte à la qualité des eaux souterraines;
conseille à son client les meilleures techniques disponibles en fonction de la destination de l'ouvrage, du contexte hydrogéologique et de la localisation des terrains à traverser;
s'informe, et informe le client des mesures de protection ou d'interdiction particulières applicables lorsque l'installation envisagée est située dans une zone de protection particulière ou une zone de prévention d'un captage et des risques éventuels liés au forage;
ne rejette pas dans les eaux souterraines des polluants définis à l'article D.2, 66°, du Livre II du Code de l'Environnement, constituant le Code de l'Eau;
10° respecte les mesures de prévention ou de limitation de l'introduction de polluants dans les eaux souterraines telles que mentionnées à la section 4 du présent chapitre;
11° se renseigne sur l'existence de conduites enterrées potentielles sur le site de forage envisagé.
Concernant le 3°, par " jour ouvrable ", l'on entend tout jour, à l'exclusion des samedis, dimanches et jours fériés légaux.
Les informations récoltées par l'Administration peuvent être utilisées par celle-ci en vue d'établir un cadastre du sous-sol.
Les résultats des pompages d'essai visés à l'alinéa 1er, 4°, f), sont envoyés à l'Administration.
L'accident ou incident visé à l'alinéa 1er, 6°, est, notamment, la mise en contact de deux aquifères souterrains, la perte d'outils ou de pièces de forage dans le tube de forage, le dégagement de gaz dans l'atmosphère.]1

Onderafdeling 3. [1 - Erkenningsprocedure]1
Sous-section 3. [1 - Procédure d'agrément]1
Art. R187 ter-5. [1 De erkenningsaanvraag wordt via een zending bij de directeur-generaal ingediend aan de hand van een door de Minister opgesteld formulier.]1
Art. R187 ter-5. [1 La demande d'agrément est introduite par un envoi auprès du directeur général au moyen d'un formulaire établi par le Ministre.]1
Art. R187 ter-6. [1 De erkenningsaanvraag bevat :
de naam en het adres van de aanvrager, de maatschappelijke zetel als het gaat om een rechtspersoon en de eventuele bedrijfszetel;
in voorkomend geval, een afschrift van zijn inschrijvingsnummer bij de Kruisbank der Ondernemingen of zijn inschrijvingsnummer in het handels- of beroepsregister;
3 ° als het gaat om een rechtspersoon, de in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte statuten of het equivalent ervan voor een ander land alsook de wijzigingen ervan;
de identiteit van de eventuele onderaannemers zoals overwogen in artikel R.187ter-3, tweede lid;
de lijst en de eigenschappen van het materiaal gebruikt voor de booractiviteiten;
een door de aanvrager gedateerde en ondertekende verklaring op erewoord die bevestigt dat de krachtens deze afdeling vereiste inlichtingen juist zijn en het bewijs dat de algemene en bijzondere voorwaarden betreffende de door hem aangevraagde erkenning vervuld worden;
een afschrift van de verzekeringsovereenkomst bedoeld in artikel R.187ter-3, 1°, e);
een door de aanvrager gedateerde en ondertekende verklaring op erewoord waarbij hij zich ertoe verbindt te voldoen aan de voorwaarden bedoeld in de artikelen R.187ter-3 tot R.187ter-4;
de boringsactiviteitengebieden waarvoor de erkenning aangevraagd wordt.]1

Art. R187 ter-6. [1 La demande d'agrément comporte :
la dénomination et l'adresse du demandeur, le siège social s'il s'agit d'une personne morale et le siège d'exploitation éventuel;
le cas échéant, copie de son numéro d'inscription à la Banque-Carrefour des Entreprises ou de son numéro d'immatriculation au registre de commerce ou professionnel;
s'il s'agit d'une personne morale, les statuts publiés au Moniteur belge ou l'équivalent pour un autre pays ainsi que leurs modifications;
l'identité des sous-traitants éventuels tels qu'envisagés à l'article R.187ter-3, alinéa 2 ;
la liste et les caractéristiques du matériel utilisé pour effectuer les activités de forage;
une déclaration sur l'honneur, datée et signée par le demandeur, que les renseignements exigés en vertu de la présente section sont exacts et que les éléments probants permettant d'établir que les conditions générales, particulières relatives à l'agrément qu'il sollicite sont remplies;
une copie du contrat d'assurance visé à l'article R.187ter-3, 1°, e);
une déclaration sur l'honneur, datée et signée par le demandeur, qu'il s'engage à respecter les conditions visées aux articles R.187ter-3 à R.187ter-4;
domaines d'activité de forage pour lesquels l'agrément est demandé.]1

Art. R187 ter-7. [1 De erkenningsaanvraag is onvolledig indien één van de in artikel R.187ter-6 bedoelde inlichtingen of documenten ontbreken.
De aanvraag is onontvankelijk :
als ze is ingediend in strijd met artikel R.187ter-17, § 1;
als de aanvrager de gevorderde gegevens of documenten niet verstrekt binnen de termijn bepaald bij artikel R.187ter-8, § 2, derde lid.]1

Art. R187 ter-7. [1 La demande d'agrément est incomplète s'il manque l'un des renseignements ou des documents mentionnés à l'article R.187ter-6.
La demande est irrecevable :
si elle est introduite en violation de l'article R.187ter-17, § 1er ;
si le demandeur ne fournit pas les renseignements ou documents demandés dans le délai prévu à l'article R.187ter-8, § 2, alinéa 3.]1

Art. R187 ter-8. [1 § 1. De directeur-generaal zendt een bericht ontvangst aan de aanvrager binnen tien werkdagen na ontvangst van de aanvraag.
Overeenkomstig artikel 10 van het decreet van 10 december 2009 met het oog op het omzetten van de Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt geeft de ontvangstbevestiging het volgende aan :
de ontvangstdatum van de aanvraag;
de termijn waarin de beslissing moet worden genomen;
de rechtsmiddelen, de bevoegde instanties om zich daarover uit te spreken, evenals de na te leven vormen en termijnen.
§ 2. De directeur-generaal stuurt zijn beslissing over de volledigheid of onvolledigheid van de aanvraag aan de aanvrager binnen dertig na ontvangst van het bericht van ontvangst bedoeld in § 1.
Als de aanvraag onvolledig is, deelt de directeur-generaal via een zending aan de aanvrager mee welke gegevens of stukken ontbreken.
Binnen dertig dagen na ontvangst van het bericht van ontvangst van de zending bedoeld in het eerste lid zendt de aanvrager de verzochte aanvullende informatie aan de directeur-generaal.
Binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvullende stukken en gegevens stuurt de directeur-generaal zijn beslissing over de volledigheid en ontvankelijkheid van de aanvraag. Als de directeur-generaal de aanvraag een tweede keer onvolledig bevindt, verklaart hij ze onontvankelijk. Hetzelfde geldt wanneer de aanvrager de verzochte aanvullende informatie niet binnen de in het derde lid bedoelde termijn verstuurt.
Als de aanvraag onontvankelijk is, moet de directeur-generaal de onontvankelijkheidsgronden aan de aanvrager meedelen onder de voorwaarden en binnen de termijnen bedoeld in het vierde lid.]1

Art. R187 ter-8. [1 § 1er. Le directeur général envoie un accusé de réception au demandeur d'agrément dans les dix jours ouvrables de la réception de sa demande.
Conformément à l'article 10 du décret du 10 décembre 2009 visant à transposer la Directive 2006/123/CE du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2006 relative aux services dans le marché intérieur, l'accusé de réception indique :
la date à laquelle la demande a été reçue;
le délai dans lequel la décision doit intervenir;
les voies de recours, les instances compétentes pour en connaître ainsi que les formes et délais à respecter.
§ 2. Le directeur général envoie au demandeur sa décision sur le caractère complet ou incomplet de la demande dans un délai de trente jours à dater de l'accusé de réception visé au paragraphe 1er.
Si la demande est incomplète, le directeur général indique au demandeur par un envoi les renseignements et documents manquants.
Le demandeur envoie les compléments demandés au directeur général dans les trente jours à dater de l'accusé de réception de l'envoi visé à l'alinéa 1er.
Dans les trente jours suivant la réception des compléments, le directeur général envoie au demandeur sa décision sur le caractère complet et recevable de la demande. Si le directeur général estime une seconde fois que la demande est incomplète, il la déclare irrecevable. Il en va de même lorsque le demandeur n'envoie pas les compléments demandés dans le délai prévu à l'alinéa 3.
Si la demande est irrecevable, le directeur général indique au demandeur, dans les conditions et délais prévus à l'alinéa 4, les motifs de l'irrecevabilité.]1

Art. R187 ter-9. [1 § 1. De directeur-generaal zendt zijn beslissing aan de aanvrager binnen zestig dagen vanaf de datum waarop hij zijn beslissing heeft verstuurd waarbij de aanvraag ontvankelijk bevonden werd. Overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt kan de directeur-generaal de termijn om zijn beslissing te nemen met dertig dagen verlengen. In dit geval stuurt hij zijn beslissing en de termijn van de verlenging vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn.
De genomen beslissing vermeldt de rechtsmiddelen, de bevoegde instanties om zich daarover uit te spreken, evenals de na te leven vormen en termijnen.
§ 2. De beslissing waarbij de erkenning wordt toegekend, vermeldt wat volgt :
het precieze doel van de erkenning;
de bijgewerkte elementen waarmee de houder geïdentificeerd kan worden;
de voorwaarden bedoeld in de artikelen R.187ter-3 en R.187ter-4;]1

Art. R187 ter-9. [1 § 1er. Le directeur général envoie sa décision au demandeur dans les soixante jours à compter du jour où il a envoyé sa décision attestant le caractère recevable de la demande. Conformément à l'article 11 de la Directive 2006/123/CE du Parlement et du Conseil du 12 décembre 2006 relative aux services dans le marché intérieur, le directeur général peut proroger de trente jours le délai pour prendre sa décision. Dans ce cas, il envoie sa décision et le délai de la prolongation avant l'expiration du délai initial.
La décision précise les voies de recours, les instances compétentes pour en connaître ainsi que les formes et délais à respecter.
§ 2. La décision accordant l'agrément mentionne :
l'objet précis de l'agrément;
les éléments actualisés permettant d'identifier le titulaire;
les conditions visées aux articles R.187ter-3 et R.187ter-4.]1

Art. R187 ter-10. [1 De erkenningsbeslissing of de beslissing tot verlenging van deze erkenning wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.]1
Art. R187 ter-10. [1 La décision d'agrément ou de renouvellement de cet agrément est publiée par extrait au Moniteur belge.]1
Art. R187 ter-11. [1 De lijst van de erkenningen wordt op de Internetsite van de Administratie bekendgemaakt.]1
Art. R187 ter-11. [1 La liste des agréments est publiée sur le site internet de l'Administration.]1
Art. R187 ter-12. [1 In geval van wijziging van één van de gegevens vermeld in de erkenningsaanvraag overeenkomstig artikel R.187ter-6, geeft de houder van de erkenning onmiddellijk via een zending kennis daarvan aan de Administratie.]1
Art. R187 ter-12. [1 En cas de modification d'un des éléments indiqués dans la demande d'agrément conformément à l'article R.187ter-6, le titulaire de l'agrément en avise sans délai l'Administration par un envoi.]1
Onderafdeling 4. [1 - Wijziging, opschorting en intrekking van de erkenning]1
Sous-section 4. [1 - Modification, suspension et retrait d'agrément]1
Art. R187 ter-13. [1 De erkenning kan gewijzigd, opgeschort of ingetrokken worden :
als daar reden toe is, in geval van wijziging van één van de gegevens vermeld in de erkenningsaanvraag overeenkomstig artikel R.187ter-6, die zulks zou kunnen rechtvaardigen;
wanneer de voorwaarden bedoeld in de artikelen R.187ter-3 en R.187ter-4 niet meer vervuld worden;
wanneer de houder van de erkenning de controle van zijn activiteiten door de toezichthoudende personeelsleden belet;
in geval van ernstig gevaar voor de menselijke gezondheid of in geval van schade of schaderisico voor het leefmilieu.]1

Art. R187 ter-13. [1 L'agrément peut être modifié, retiré ou suspendu :
s'il y a lieu, en cas de modification d'un des éléments indiqués dans la demande d'agrément conformément à l'article R.187ter-6 qui serait de nature à le justifier;
lorsque les conditions visées aux articles R.187ter-3 et R.187ter-4 ne sont plus remplies;
lorsque le titulaire de l'agrément fait obstacle au contrôle de ses activités par les agents chargés de la surveillance;
lorsque survient un danger grave pour la santé de l'homme ou un préjudice ou un risque de préjudice à l'environnement.]1

Art. R187 ter-14. [1 § 1. In de gevallen bedoeld in artikel R.187ter-13 stelt de directeur-generaal de houder van de erkenning op de hoogte van de mogelijkheid om de verleende erkenning te wijzigen, op te schorten of in te trekken. De directeur-generaal informeert de houder van de erkenning per schrijven :
over de motieven die de overwogen maatregel rechtvaardigen;
dat hij de mogelijkheid heeft om schriftelijk zijn verweermiddelen uiteen te zetten binnen een termijn van vijftien dagen na ontvangst van deze informatie en dat hij bij die gelegenheid het recht heeft om de directeur-generaal erom te verzoeken zijn verweermiddelen mondeling voor te dragen;
dat hij het recht heeft om zich te laten bijstaan dan wel vertegenwoordigen door een raadsman;
dat hij het recht heeft om zijn dossier in te kijken.
De directeur-generaal bestuur bepaalt, in voorkomend geval, de dag waarop de houder van de erkenning erom verzocht wordt om zijn verweermiddelen mondeling voor te dragen. De hoorzitting kan door de directeur-generaal of diens afgevaardigde worden verricht.
§ 2. De beslissing tot wijziging, opschorting of intrekking van de erkenning wordt binnen negentig dagen, te rekenen van de vervaldatum van de termijn bedoeld in § 1, 2°, of te rekenen van de datum van de hoorzitting aan de houder van de erkenning gezonden.
§ 3. De houder wiens erkenning gewijzigd, opgeschort of ingetrokken is, kan een beroep instellen tegen de beslissing bedoeld in paragraaf 2. Dat beroep wordt verstuurd en onderzocht overeenkomstig artikel R.187ter-16. Het is niet opschortend.]1

Art. R187 ter-14. [1 § 1er. Dans les cas visés à l'article R.187ter-13, le directeur général avise le titulaire de l'agrément de la possibilité de modifier, suspendre ou retirer l'agrément octroyé. Le directeur général informe par courrier le titulaire de l'agrément :
des motifs qui justifient la mesure envisagée;
qu'il peut envoyer par écrit ses moyens de défense dans un délai de quinze jours à compter de la réception de cette information, et qu'il peut, à cette occasion, demander au directeur général la présentation orale de sa défense;
qu'il peut se faire assister ou représenter par un conseil;
qu'il peut consulter son dossier.
Le directeur général détermine, le cas échéant, le jour où le titulaire de l'agrément est invité à exposer oralement sa défense. L'audition peut être réalisée par le directeur général ou par son délégué.
§ 2. La décision de modification, de suspension ou de retrait de l'agrément est envoyée dans les nonante jours à compter de l'expiration du délai visé au paragraphe 1er, 2°, ou à dater de la date d'audition, au titulaire de l'agrément.
§ 3. Le titulaire dont l'agrément a été modifié, retiré ou suspendu peut introduire un recours contre la décision visée au paragraphe 2. Ce recours est envoyé et instruit conformément à l'article R.187ter-16. Il n'est pas suspensif.]1

Art. R187 ter-15. [1 De directeur-generaal of diens afgevaardigde oefent de bij deze afdeling bepaalde bevoegdheden uit, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van:
het toezichthoudend personeelslid;
de houder van de erkenning.]1

Art. R187 ter-15. [1 Le directeur général ou son délégué exerce les pouvoirs prévus à la présente section soit de sa propre initiative, soit sur demande :
de l'agent chargé de la surveillance;
du titulaire de l'agrément.]1

Onderafdeling 5. [1 - Beroep]1
Sous-section 5. [1 - Recours]1
Art. R187 ter-16. [1 § 1. De aanvrager van de erkenning kan een beroep tegen de beslissingen bedoeld in de artikelen R.187ter-7, lid 2, R.187ter-9 en R.187ter-14, § 2 bij de Minister instellen.
Op straffe van onontvankelijkheid wordt het beroep binnen een termijn van twintig dagen te rekenen van de dag van ontvangst van de beslissing of van de vervaltermijn binnen de welke ze genomen had moeten worden, aan de Minister gestuurd.
De aanvrager of de houder van de erkenning bepaalt in zijn beroep of hij door de Minister wenst gehoord te worden. De Minister kan de hoorzitting van de aanvrager of van de houder van de erkenning aan de Administratie overdragen.
De Minister stuurt een bericht van ontvangst naar de verzoeker.
§ 2. Als de aanvrager of de houder van de erkenning niet wenst gehoord te worden, stuurt de Minister zijn beslissing binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van het beroep.
Als de aanvrager of de houder van de erkenning wenst gehoord te worden, stuurt de Minister hem de datum en de plaats van de hoorzitting binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van het beroep. In dit geval stuurt de Minister zijn beslissing binnen een termijn van dertig dagen te rekenen van de hoorzitting.
Bij gebrek aan zending binnen bovenbedoelde termijnen wordt de beslissing van de Minister bevestigd.]1

Art. R187 ter-16. [1 § 1er. Le demandeur d'agrément peut introduire un recours auprès du Ministre contre la décision visée aux articles R.187ter-7, alinéa 2, R.187ter-9 et R.187ter-14, § 2.
Sous peine d'irrecevabilité, le recours est envoyé au Ministre dans un délai de vingt jours à dater du jour de la réception de la décision ou de l'échéance endéans laquelle elle aurait dû intervenir.
Le demandeur ou le titulaire de l'agrément précise dans son recours s'il souhaite être entendu par le Ministre. Le Ministre peut déléguer l'audition du demandeur ou du titulaire de l'agrément à l'Administration.
Le Ministre envoie un accusé de réception au requérant.
§ 2. Si le demandeur ou le titulaire de l'agrément ne demande pas à être entendu, le Ministre envoie sa décision dans un délai de trente jours à dater de la réception du recours.
Si le demandeur ou le titulaire de l'agrément demande à être entendu, le Ministre lui envoie la date et le lieu d'audition dans un délai de trente jours à dater de la réception du recours. Dans ce cas, le Ministre envoie sa décision dans un délai de trente jours à dater de l'audition.
A défaut d'envoi dans les délais susvisés, la décision du Ministre est confirmée.]1

Onderafdeling 6. [1 - Modaliteiten betreffende de zending en de berekening van de termijnen]1
Sous-section 6. [1 - Modalités d'envoi et calcul des délais]1
Art. R187 ter-17. [1 § 1. Iedere zending bedoeld in deze afdeling wordt verricht ofwel :
bij een aangetekende zending met ontvangstbericht;
of via elke soortgelijke formule waarmee vaste datum aan de verzending en aan de ontvangst van de akte gegeven kan worden, ongeacht de distributiedienst;
via neerlegging tegen ontvangstbewijs;
per elektronische zending indien de in deze afdeling bedoelde procedure gedematerialiseerd is, overeenkomstig de door de Minister bepaalde modaliteiten.
De Ministerkan de lijst vastleggen van de werkwijzen waarvan hij acht dat ze de verzend- en de ontvangstdatum in de zin van het eerste lid, 2°, kunnen waarborgen.
§ 2. Indien de dag van ontvangst van een akte de begindatum van een termijn is, wordt hij niet meegerekend.
De vervaldag wordt meegerekend in de termijn. Als die dag een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, wordt de vervaldag evenwel naar de volgende werkdag verschoven.]1

Art. R187 ter-17. [1 § 1er. Tout envoi visé à la présente section se fait soit :
par un envoi recommandé avec accusé de réception;
par le recours à toute formule similaire permettant de donner date certaine à l'envoi et à la réception de l'acte, quel que soit le service de distribution du courrier utilisé;
par un dépôt contre récépissé;
par un envoi électronique si la procédure visée à la présente section est dématérialisée, conformément aux modalités fixées par le Ministre.
Le Ministre peut déterminer la liste des procédés qu'il reconnaît comme permettant de donner une date certaine à l'envoi et à la réception au sens de l'alinéa 1er, 2°.
§ 2. Lorsque le jour de la réception d'un acte constitue le point de départ d'un délai, il n'y est pas inclus.
Le jour de l'échéance est compté dans le délai. Toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le jour de l'échéance est reporté au jour ouvrable suivant.]1

Onderafdeling 7. [1 - Duur van de erkenning]1
Sous-section 7. [1 - Durée de l'agrément]1
Art. R187 ter-18. [1 Onverminderd een vroegtijdige intrekking of een tijdelijke opschorting wordt de erkenning voor een bepaalde duur van vijf jaar toegekend.]1
Art. R187 ter-18. [1 Sans préjudice d'un retrait anticipé ou d'une suspension temporaire, l'agrément est octroyé pour une durée déterminée de cinq ans.]1
Onderafdeling 8. [1 - Controle]1
Sous-section 8. [1 - Contrôle]1
Art. R187 ter-19. [1 De personeelsleden belast met controleopdrachten krachtens artikel D.140 van Boek I van het Milieuwetboek worden gemachtigd om de naleving van de krachtens deze afdeling vereiste eisen te controleren.
De aanvrager of houder van de erkenning bezorgt de in het eerste lid bedoelde personeelsleden op gewoon verzoek alle inlichtingen betreffende de gebruikte borings- en uitrustingstechnieken of ieder document dat het mogelijk maakt na te leven of de erkenningsvoorwaarden worden vervuld.]1

Art. R187 ter-19. [1 Les agents chargés de missions de contrôle en vertu de l'article D.140 du Livre Ier du Code de l'Environnement sont habilités à contrôler le respect des exigences requises en vertu de la présente section.
Le demandeur ou titulaire de l'agrément communique aux agents visés à l'alinéa 1er, sur simple demande, tous renseignements relatifs aux techniques de forage et d'équipement utilisés ou tout document permettant de vérifier le respect des conditions d'agrément.]1

Onderafdeling 9. [1 - Verlenging]1
Sous-section 9. [1 - Renouvellement]1
Art. R187 ter-20. [1 § 1. Ten vroegste één jaar vóór het einde van de erkenning kan de houder van die erkenning erom verzoeken dat ze voor vijf jaar wordt verlengd, waarbij hij een aanvraag tot verlenging van de erkenning aan de directeur-generaal stuurt.
§ 2. De in § 1 bedoelde verlengingsaanvraag bevat :
de wijziging van de criteria op grond waarvan de oorspronkelijke erkenning toegekend is alsook de boringsactiviteitengebieden waarvoor de erkenning is aangevraagd;
de identiteit van de eventuele onderaannemers bedoeld in artikel R.187ter-3, tweede lid;
de lijst van de eigenschappen van het materiaal gebruikt voor de booractiviteiten;
een door de aanvrager gedateerde en ondertekende verklaring op erewoord die bevestigt dat de krachtens deze afdeling vereiste inlichtingen juist zijn en het bewijs dat de algemene en bijzondere voorwaarden betreffende de door hem aangevraagde erkenning vervuld worden;
een afschrift van de verzekeringsovereenkomst bedoeld in artikel R.187ter-3, 1°, e);
een door de aanvrager gedateerde en ondertekende verklaring op erewoord van de verzoekende waarbij hij zich ertoe verbindt te voldoen aan de voorwaarden bedoeld in de artikelen R.187ter-3 tot R.187ter-4.
§ 3. De procedure die van toepassing is op de verlenging van de erkenning wordt voortgezet overeenkomstig de artikelen 187ter-8 tot R.187ter-12.
§ 4. De verlengingsaanvraag is onontvankelijk als:
de aanvraag geacht wordt onvolledig te zijn;
ze in strijd met artikel R.187ter-17, § 1 is ingediend;
de aanvrager de gevorderde gegevens of documenten niet verstrekt binnen de termijn bepaald bij artikel R.187ter-8, § 2, derde lid.".
Wat het eerste lid, 1°, betreft, is de aanvraag onvolledig als één van de stukken opgesomd in § 2 ontbreekt.]1

Art. R187 ter-20. [1 § 1er. Au plus tôt un an avant la fin de l'agrément, le titulaire de celui-ci peut demander à ce qu'il soit renouvelé pour une durée de cinq ans, en envoyant une demande de renouvellement d'agrément au directeur général.
§ 2. La demande de renouvellement visée au paragraphe 1er comprend :
la modification des critères sur base desquels l'agrément initial a été octroyé ainsi que les domaines d'activité de forage pour lesquels l'agrément a été demandé;
l'identité des sous-traitants éventuels visés à l'article R.187ter-3, alinéa 2;
la liste des caractéristiques du matériel utilisé pour effectuer les activités de forages;
une déclaration sur l'honneur, datée et signée par le demandeur, que les renseignements exigés en vertu de la présente section sont exacts et que les éléments probants permettant d'établir que les conditions générales, particulières relatives à l'agrément qu'il sollicite sont remplies;
une copie du contrat d'assurance visé à l'article R.187ter-3, 1°,e);
une déclaration sur l'honneur, datée et signée par le demandeur, qu'il s'engage à respecter les conditions visées aux articles R.187ter-3 à R.187ter-4.
§ 3. La procédure applicable au renouvellement de l'agrément se poursuit conformément aux articles 187ter-8 à R.187ter-12.
§ 4. La demande de renouvellement est irrecevable si :
la demande est jugée incomplète;
elle est introduite en violation de l'article R.187ter-17, § 1er ;
si le demandeur ne fournit pas les renseignements ou documents demandés dans le délai prévu à l'article R.187ter-8, § 2, alinéa 3. ".
Concernant l'alinéa 1er, 1°, la demande est incomplète s'il manque l'une des pièces énumérées au paragraphe 2.]1

HOOFDSTUK IV. - [1 Duurzaam beheer van stikstof in de landbouw]1
CHAPITRE IV. - [1 Gestion durable de l'azote en agriculture]1
Afdeling 1. - [1 Definities en doelstellingen]1
Section 1re. - [1 Définitions et objectifs]1
Art. R188. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
" ACISEE " : conformiteitsattest van de infrastructuren voor de opslag van dierlijke mest;
[2 Administratie: de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu;]2
[2 2° bis "landbouwer" : landbouwer in de zin van artikel D.3, 4°, van het Waals Landbouwwetboek;]2
" uitgevoerde organische stikstof " : de door dieren voortgebrachte organische stikstof die het landbouwbedrijf over één jaar verlaat;
" ingevoerde organische stikstof " : de organische stikstof die niet door het bedrijf voortgebracht wordt en die over één jaar het bedrijf binnenkomt als organische meststof;
" voortgebrachte organische stikstof " : de organische stikstof die over één jaar voortgebracht wordt door het vee op het landbouwbedrijf;
" potentieel uitspoelbare stikstof " (APL) : hoeveelheid nitraatstikstof in de bodem tijdens de herfst, die tijdens de winter uit de wortelzone kan worden gespoeld;
" stikstofverbinding " : elke stof bevattende stikstof (N), met uitzondering van gasvormige moleculaire stikstof (N2). Een onderscheid dient te worden gemaakt tussen :
a) " minerale stikstof " (Nmin.) : stikstof in de vorm van een minerale meststof;
b) " organische stikstof " (Norg.) : stikstof in de vorm van een organische meststof;
c) " totale stikstof " : de som van de organische stikstof en van de minerale stikstof;
[2 "compost" : de stof verkregen door een gecontroleerd aeroob biologisch proces van ontbinding van organisch materiaal door micro- en macro-organismen, met uitzondering van de gecomposteerde mest in de zin van 10°, i);]2
" nitraat vasthoudend tussengewas [2 of CIPAN]2 " : bodembedekkende beplanting die dankzij de opname van nitraten door de wortels voorkomt dat de nitraten op het akkerland waarop de lentegewassen aangebracht zullen worden, tijdens het herfst- en het winterseizoen in de ondergrond percolleren;
[2 9° bis "Wit water": water afkomstig van de reiniging van het melkmateriaal en de melkopslagapparatuur;
ter "Groen water": water uit de schoonmaak van mobiele melkstallen;
quater "bruin water": water uit niet-overdekte, regelmatig door dieren bevuilde zones waar deze rondlopen, zich voeden of op verdere behandeling wachten;]2

10° " dierlijke mest " of " meststoffen " : dierlijke uitwerpselen of mengsels, ongeacht de verhoudingen, van dierlijke uitwerpselen en andere bestanddelen zoals stalstro, zelfs na verwerking; Onder dierlijke mest wordt verstaan :
a) " mest " : een vast mengsel van stalstro, urine en dierlijke uitwerpselen, met uitzondering van aalt van pluimvee;
b) " zachte mest " : mest waarvan de hoop opgeslagen is in een ruimte zonder enige hindernis en die gemiddeld niet hoger mag reiken dan meer dan 65 centimeter, ongeacht de neergelegde hoeveelheid. Onder gemiddelde hoogte wordt de hoogte van de hoop in de vorm van zwad verstaan;
c) " aalt " : mengsel van feces en urine, in vloeibare of brijachtige vorm, met inbegrip van de vloeibare fase verkregen via een handeling tot scheiding van de bestanddelen van de aalt;
d) " vaste fase van de aalt " : het vaste product verkregen na scheiding van het vloeibare en het vaste bestanddeel van de aalt.
e) " gier " : uitsluitend urine, al dan niet verdund, die uit de verblijfplaats van de dieren of van de mestvaalt wegvloeit;
f) " aalt van pluimvee " : pluimveemest en -uitwerpselen;
g) " pluimveemest " : uitwerpselen van pluimvee, gemengd met stalstro (meer bepaald houtkrullen of stro);
h) " pluimveeuitwerpselen " : zuivere uitwerpselen van pluimvee;
i) " mestcompost " : mest die op een geschikte wijze mechanisch is verlucht, waardoor de aërobe afbraak mogelijk wordt; mest wordt als gecomposteerd beschouwd zodra de mesttemperatuur, na meer dan 60 ° C te hebben bereikt, opnieuw onder de 35 ° C daalt;
11° " eutrofiëring " : verrijking van het water door inzonderheid stikstofverbindingen, die leidt tot een versnelde groei van algen en hogere plantaardige levensvormen met als gevolg een verstoring van de normale werking van het aquatisch ecosysteem en een verslechtering van de waterkwaliteit;
12° [2 "landbouwbedrijf" of "bedrijf": het bedrijf zoals bedoeld in artikel D.3, 15°, van het Landbouwwetboek;]2
13° [2 ...]2
14° " meststof " : [2 een stof, mengsel, micro-organisme of elk ander stof dat wordt toegepast of bestemd is om te worden toegepast op planten of hun rhizosfeer of op schimmels of hun mycosfeer, of bestemd is om de rhizosfeer of de mycosfeer te vormen, alleen of in combinatie met een ander stof, teneinde planten of schimmels van voedingsstoffen te voorzien]2; de meststoffen worden onderverdeeld in organische meststoffen en minerale meststoffen :
a) " organische meststof " : elke meststof die verkregen wordt vanuit organische grondstoffen, met uitzondering van overblijfselen van gewassen die na de oogst op het veld zijn blijven liggen; de organische meststoffen zijn onderverdeeld in twee categorieën :
- " organische meststoffen met een snelle werking " : organische meststoffen die gekenmerkt worden door een hoog stikstofaandeel dat na spreiding snel beschikbaar is, volgens de verdeelsleutel die in bijlage XXVIIIbis vastligt; het betreft meer bepaald aalt, gier, aalt van pluimvee en afvloeisel;
- " organische meststoffen met een trage werking " : organische meststoffen die gekenmerkt worden door een laag stikstofaandeel op het ogenblik waarop ze gespreid worden, volgens de verdeelsleutel die in [2 bijlage XXV]2 vastligt; het betreft meer bepaald runder- en varkensmest, alsmede mestcompost.
De producten die niet onder de twee bovenvermelde categorieën vallen, worden al naar gelang van het geval in één van beide categorieën ondergebracht door de administratie;
b) " minerale meststof " : elke meststof die niet-organisch is; ureum wordt gelijkgesteld met een minerale stikstof;
15° " vochtige pluimveemest " : vochtige pluimveemest waarvan het percentage droge stof kleiner dan of gelijk is aan 35 %;
16° " mestvaalt " : gebetonneerde en waterdichte mestbewaarplaats, met uitzondering van de stallen en de verblijfplaats van de dieren;
17° " sap " of " afvloeisel " of " afvloeiing " : vloeistof uit de landbouwbedrijvigheid, met uitzondering van gier en aalt, die een aandeel zou kunnen hebben in de verontreiniging van het water door nitraat en die afvloeit uit diens productie- of bewaarplaats; regenwater wordt niet als afvloeisel beschouwd;
18° " erkend laboratorium " : laboratorium dat voldoet aan de vereisten verwoord in het besluit van de Waalse Regering van 14 februari 2008 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden voor de laboratoria belast met de bodemanalyses voor de kwantificatie van de potentieel uitspoelbare stikstof (APL);
19° " perceel " of " landbouwperceel " : elk akker- of weideland bestaande uit één aaneengesloten deel dat homogeen beheerd wordt tijdens één teeltcyclus;
20° " jaarlijkse bodembemonsteringsperiode " of " periode " : herfstperiode waarin de bodembemonsteringen verricht worden op de landbouwpercelen met het oog op de dosering van de potentieel uitspoelbare stikstof;
[2 20° bis "weiland": grond met een vegetatie van gras of andere overblijvende kruidachtige voedergewassen of voor de productie van hoogstammige fruitbomen van vijftig tot tweehonderdvijftig bomen per hectare met uitzondering van weiden voor varkens en pluimvee; zonder verdere specificatie verwijst de term weiland naar alle permanente en tijdelijke weilanden ;";
20° ter "tijdelijk weiland": grond met een vegetatie van grassen of andere overblijvende kruidachtige voedergewassen die nu of die minder dan vijf jaar geleden onderdeel zijn of waren van het rotatiesysteem;]2

21° " permanent weiland " : grond met een vegetatie van gras of andere overblijvende kruidachtige voedergewassen die gedurende ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf wordt opgenomen;
22° " stikstofprofiel " : meting van de hoeveelheid nitraatstikstof in de bodem;
[2 22° bis: directe lozing": alle lozingen die vanuit de exploitatie- of opslaglocatie in het externe milieu terechtkomen zonder dat zij door een inrichting gaan die de lozing onschadelijk maakt;]2
23° " stalhouding " : wijze waarop de dieren in de gebouwen gehuisvest worden; daaronder wordt o.a. verstaan :
a) de stalhouding op een roostervloer of de gekluisterde stalhouding op roosters : het huisvesten van de dieren zonder stalstro, gekenmerkt door het inzamelen in een daartoe voorziene tank van alle zuivere dierlijke uitwerpselen in vorm van aalt;
b) de " gekluisterde stalhouding met strobed " : wijze waarop de dieren op een strobed gehuisvest worden, gekenmerkt door het kluisteren ervan, het inzamelen van mest en afvloeisel uit de stal dat met gier gelijk wordt gesteld;
c) de " stalhouding met halve strobedekking " : wijze waarop de dieren niet gekluisterd gehuisvest worden met een voederruimte waarin aalt voortgebracht wordt en een ligruimte waarin mest voortgebracht wordt;
d) de " stalhouding op een strobed " of " op stalstro " : wijze waarop de niet gekluisterde dieren in een van stalstro voorziene stal gehuisvest worden, gekenmerkt door het inzamelen van droge mest opgehoopt door het verblijf van de dieren;
[2 23° bis "opslag op een waterdoorlatend oppervlak": het opslaan gedurende meer dan een week op een waterdoorlatend oppervlak;]2
24° " gebruikte landbouwoppervlakte " : de totale oppervlakte ingenomen door akkerland, blijvende weiden en weiden, de oppervlakten voor de blijvende gewassen en de gezinstuinen;
[2 24° bis "waterdoorlatend oppervlak": gedeelte van een terrein waarop een vloeistof waarschijnlijk in de bodem kan insijpelen;
24° ter "survey landbouwarealen": netwerk van representatieve punten waarmee jaarlijkse referentiewaarden worden vastgesteld voor potentieel uitspoelbare stikstof;]2

25° " grondgebondenheidscijfer " (LS) : breukgetal waarmee voor een landbouwbedrijf de verhouding over één jaar uitgedrukt wordt tussen de organische-stikstofbewegingen en de maximumhoeveelheden organische stikstof die op de gronden van het bedrijf gespreid kunnen worden;
26° " gehalte aan droge stof " (MS) : verhouding tussen het gewicht van de stof na droging tegen 105 ° C en het gewicht van de verse stof, verkregen volgens een in een laboratorium gebruikte methode;
27° " akkerland " : de gezamenlijke bebouwbare oppervlakten, weideland uitgesloten.]1

Art. R188. [1 Pour l'application du présent chapitre, il faut entendre par :
" ACISEE " : l'attestation de conformité des infrastructures de stockage des effluents d'élevage;
[2 " administration " : le Service public de Wallonie Agriculture, Ressources naturelles et Environnement ;]2
[2 2° bis " agriculteur " : un agriculteur au sens de l'article D.3, 4°, du Code wallon de l'Agriculture ;]2
" azote organique exporté " : l'azote organique produit par des animaux et sortant sur une année de l'exploitation agricole;
" azote organique importé " : l'azote organique non produit par l'exploitation et entrant sur une année dans celle-ci sous forme de fertilisant organique;
" azote organique produit " : l'azote organique produit sur une année par les animaux de l'exploitation agricole;
" azote potentiellement lessivable " (APL) : la quantité d'azote nitrique contenue dans le sol à l'automne, susceptible d'être entraînée hors de la zone racinaire pendant l'hiver;
" Composé azoté " : toute substance contenant de l'azote (N), à l'exception de l'azote moléculaire gazeux (N2). Il convient de distinguer :
a) " l'azote minéral " (Nmin.) : l'azote sous forme de fertilisant minéral;
b) " l'azote organique " (Norg.) : l'azote sous forme de fertilisant organique;
c) " l'azote total " : la somme de l'azote organique et de l'azote minéral;
[2 " compost " : la substance obtenue par un processus biologique aérobie et contrôlé de décomposition de matières organiques par des micro et macro-organismes, à l'exception des fumiers au sens du 10°, i), compostés ;]2
" culture intermédiaire piège à nitrate [2 ou CIPAN]2 " : le couvert végétal implanté pour limiter, par absorption racinaire, la lixiviation de nitrate vers le sous-sol au cours des saisons automnale et hivernale sur des terres arables;
[2 9° bis " Eaux blanches " : les eaux issues du nettoyage du matériel de traite et de stockage du lait ;
ter " Eaux vertes " : les eaux issues du nettoyage des quais de traite ;
quater " Eaux brunes " : les eaux issues d'aires non couvertes de parcours, d'attente ou d'alimentation des animaux, souillées régulièrement par ces animaux ;]2

10° " effluents d'élevage " ou " effluents " : les déjections d'animaux ou les mélanges d'origine agricole, quelles qu'en soient les proportions, de déjections d'animaux et d'autres composants tels que des litières, même s'ils ont subi une transformation. Parmi les effluents d'élevage, on distingue :
a) le " fumier " : le mélange solide de litière, d'urines et d'excréments d'animaux, à l'exclusion des effluents de volaille;
b) le " fumier mou " : le fumier dont le tas constitué dans un espace libre de tout obstacle, ne peut atteindre une hauteur moyenne de plus de 65 centimètres, quelle que soit la quantité déposée. Par hauteur moyenne, on entend la hauteur du tas disposé sous forme d'andain;
c) le " lisier " : le mélange de fèces et d'urines, sous forme liquide ou pâteuse y compris la phase liquide obtenue par une opération de séparation des composantes du lisier;
d) la " phase solide du lisier " : le produit solide obtenu par une séparation des composantes liquide et solide du lisier.
e) le " purin " : les urines seules, diluées ou non, s'écoulant des lieux d'hébergement des animaux ou de la fumière;
f) les " effluents de volaille " : les fumiers de volaille et les fientes de volaille;
g) le " fumier de volaille " : les déjections de volailles mêlées à de la litière (notamment des copeaux ou de la paille);
h) les " fientes de volaille " : les déjections pures de volailles;
i) le " compost de fumier " : le fumier ayant subi un traitement mécanique d'aération permettant sa décomposition aérobie; un fumier est réputé composté lorsque sa température, après s'être élevée à plus de 60 ° C, est redescendue à moins de 35 ° C;
11° " eutrophisation " : l'enrichissement de l'eau en composés, notamment azotés, provoquant un développement accéléré des algues et des végétaux d'espèces supérieures qui perturbe le fonctionnement normal de l'écosystème aquatique et entraîne une dégradation de la qualité de l'eau en question;
12° [2 " exploitation agricole " ou " exploitation " : l'exploitation telle que définie à l'article D.3, 15°, du Code wallon de l'Agriculture ;]2
13° [2 ...]2
14° " fertilisant " : [2 une substance, un mélange, un micro-organisme ou toute autre matière appliqués ou destinés à être appliqués sur des végétaux ou leur rhizosphère ou sur des champignons ou leur mycosphère, ou destinés à constituer la rhizosphère ou la mycosphère, seuls ou mélangés avec une autre matière, dans le but d'apporter aux végétaux ou aux champignons des éléments nutritifs azotés]2; les fertilisants sont subdivisés en fertilisants organiques et en fertilisants minéraux :
a) " fertilisant organique " : tout fertilisant obtenu à partir de matière organique, à l'exception des résidus culturaux laissés en place après récolte; les fertilisants organiques sont divisés en deux classes :
- " fertilisants organiques à action rapide " : les fertilisants organiques caractérisés par une proportion élevée d'azote disponible rapidement après épandage, selon la clé de répartition définie à l'annexe XXVIIIbis; il s'agit notamment des lisiers, des purins, des effluents de volaille et des jus d'écoulement;
- " fertilisants organiques à action lente " : les fertilisants organiques caractérisés par une faible proportion d'azote disponible au moment de l'épandage, selon la clé de répartition définie à l'[2 annexe XXV]2; il s'agit notamment des fumiers de bovins et de porcs, ainsi que des composts de fumiers.
Les produits non repris dans les deux classes ci-dessus sont catégorisés au cas par cas par l'administration;
b) " fertilisant minéral " : tout fertilisant n'étant pas un fertilisant organique; l'urée est assimilée à un fertilisant minéral;
15° " fientes humides de volaille " : les fientes de volaille dont le taux de matière sèche est inférieur ou égal à 35 pourcents;
16° " fumière " : l'aire bétonnée et étanche réservée au stockage du fumier, à l'exclusion des stabulations et des zones de résidence des animaux;
17° " jus " ou " jus d'écoulement " ou " écoulement " : le liquide provenant de source agricole, à l'exception du purin et du lisier, susceptible de participer à la pollution de l'eau par le nitrate et s'échappant par ruissellement de l'aire ou du réservoir où il est produit ou stocké; les eaux pluviales ne sont pas considérées comme des jus d'écoulement;
18° " laboratoire agréé " : le laboratoire ayant satisfait aux exigences fixées par l'arrêté du Gouvernement wallon du 14 février 2008 fixant les conditions d'agrément des laboratoires chargés des analyses de sol pour y quantifier l'azote potentiellement lessivable (APL);
19° " parcelle " ou " parcelle agricole " : toute étendue de terre arable ou de prairie d'un seul tenant gérée de manière homogène au cours d'un cycle cultural;
20° " période annuelle de prélèvement " ou " période " : la période automnale durant laquelle des prélèvements de sol ont lieu sur les parcelles agricoles à des fins de dosage de l'azote potentiellement lessivable;
[2 20° bis " prairie " : la terre consacrée à la production d'herbe et d'autres plantes fourragères herbacées pérennes ou à l'arboriculture fruitière de hautes-tiges de cinquante à deux-cent cinquante arbres par hectare, à l'exception des parcours destinés aux porcins et aux volailles ; sans autre précision, le terme prairie désigne l'ensemble des prairies permanentes et des prairies temporaires ;
20° ter " prairie temporaire " : la terre consacrée à la production d'herbe et d'autres plantes fourragères herbacées pérennes qui font partie du système de rotation ou qui en faisaient partie il y a moins de cinq ans ;]2

21° " prairie permanente " : la terre consacrée à la production d'herbe et d'autres plantes fourragères herbacées pérennes qui ne font pas partie du système de rotation des cultures de l'exploitation depuis cinq ans ou davantage;
22° " profil azoté " : la mesure de la quantité d'azote nitrique présente dans le sol;
[2 22° bis " rejet direct " : l'ensemble des rejets qui passent du site d'exploitation ou de stockage à l'environnement extérieur, sans passer par un dispositif rendant les rejets inoffensifs ;]2
23° " stabulation " : le mode de logement du bétail dans les bâtiments; parmi ces modes de logement, existent notamment :
a) la " stabulation sur caillebotis ou entravée sur grilles " : le mode de logement sans litière caractérisé par la récolte de l'ensemble des déjections animales pures, sous forme de lisier, dans un réservoir ad hoc;
b) la " stabulation entravée paillée " : le mode de logement avec litière caractérisé par l'entravement des animaux, la récolte de fumier et de jus d'étable assimilé à du purin;
c) la " stabulation semi-paillée " : le mode de logement non entravé combinant une aire d'alimentation sur laquelle est produit du lisier et une aire de couchage sur laquelle est produit du fumier;
d) la " stabulation paillée " ou la " stabulation sur litière " : le mode de logement non entravé avec litière caractérisé par la récolte de fumier accumulé suite au séjour des animaux;
[2 23° bis " stockage sur une surface perméable " : mise en dépôt durant plus d'une semaine sur une surface perméable ;]2
24° " superficie agricole utilisée " : la superficie totale occupée par les terres arables, les prairies permanentes et pâturages, les superficies destinées aux cultures permanentes et les jardins familiaux;
[2 24° bis " surface perméable " : partie d'un terrain au sein de laquelle un liquide est susceptible de s'infiltrer dans le sol ;
24° ter " survey surfaces agricoles " : réseau de points représentatifs au moyen duquel sont établies des valeurs de référence annuelles d'azote potentiellement lessivable ;]2

25° " taux de liaison au sol " (LS) : la fraction exprimant, pour une exploitation agricole, le rapport sur une année entre les flux d'azote organique et les quantités maximales d'azote organique pouvant être épandues sur l'ensemble des prairies et des terres arables de l'exploitation;
26° " teneur en matière sèche " (MS) : le rapport entre le poids de matière après séchage à 105 ° C et le poids de matière fraîche obtenu selon un mode opératoire en vigueur dans un laboratoire;
27° " terres arables " : l'ensemble des surfaces cultivables, à l'exclusion des prairies.]1

Art. R189. [1 Dit hoofdstuk heeft tot doel :
de waterverontreiniging die wordt veroorzaakt of teweeggebracht door nitraten uit agrarische bronnen te verminderen;
verdere verontreiniging bedoeld onder 1° te voorkomen;
een duurzaam beheer van stikstof en van humus in de bodem in de landbouw te bevorderen.]1

Art. R189. [1 Le présent chapitre vise à :
réduire la pollution des eaux provoquée ou induite par le nitrate à partir de sources agricoles;
prévenir toute nouvelle pollution visée au 1° ;
favoriser une gestion durable de l'azote et de l'humus des sols en agriculture.]1

Afdeling 2. - [1 Actieprogramma]1
Section 2. - [1 Programme d'action]1
Art. R190. [1 § 1. Voor de behoeften van de doelstellingen bedoeld in artikel R.189 wordt een actieprogramma opgemaakt. Het actieprogramma is van toepassing [2 op de bedrijven waarvan minstens één productie-eenheid op het grondgebied van het Waalse Gewest gevestigd is]2 en bevat specifieke maatregelen die toepasselijk zijn op de bedrijven en delen van bedrijven die zich in een kwetsbaar gebied bevinden.
Het bestaat in de naleving van de in dit hoofdstuk bedoelde voorwaarden die toepasselijk zijn op het beheer van stikstof in de landbouw.
§ 2. Het actieprogramma wordt minstens om de vier jaar aan een nieuw onderzoek onderworpen en desnoods herzien.
Bij bedoelde herzieningen, die verricht worden overeenkomstig artikel R.230,, kunnen verschillende programma's vastgesteld worden voor verschillende kwetsbare gebieden of delen ervan.]1

Art. R190. [1 § 1er. Pour les besoins des objectifs visés à l'article R.189, un programme d'action est établi. Le programme d'action s'applique aux exploitations [2 dont au moins une unité de production est]2 [2 située]2 sur le territoire de la Région wallonne et comprend des mesures spécifiques applicables aux exploitations et parties d'exploitation situées dans une zone vulnérable.
Il consiste au respect des conditions applicables à la gestion de l'azote en agriculture visées au présent chapitre.
§ 2. Le programme d'action est réexaminé et, le cas échéant, révisé tous les 4 ans au moins.
Lors de ces révisions, effectuées conformément à l'article R.230, des programmes différents peuvent être établis pour diverses zones vulnérables ou pour parties de celles-ci.]1

Afdeling 3. - [1 Opslag en hantering van meststoffen, dierlijke mest, plantaardig materiaal en afvloeisel]1
Section 3. - [1 Stockage et manutention des fertilisants, des effluents d'élevage, des matières végétales et des jus d'écoulement]1
Art. R191. [1 § 1. [2 Elke rechtstreekse lozing van meststoffen en afvloeisel in oppervlaktewater of grondwater, in een aansluitpunt voor waterwinning, in een gemachtigde piëzometer of in een inlaat voor een riool is verboden.]2
§ 2. Eventueel afvloeisel van opgeslagen plantaardig materiaal mag noch de riolering, noch het grond- of oppervlaktewater bereiken en dient ofwel opgeslagen ofwel door middel van een absorberende stof te worden opgevangen.]1

[2 § 3. Voor de opslag van groen en bruin water van onoverdekte wacht- en voederplaatsen, alsmede van wit water wanneer dit samen met mest wordt opgeslagen, gelden dezelfde regels als voor de opslag van dierlijk afvalwater.]2
Art. R191. [1 § 1er. [2 Tout rejet direct de fertilisants et de jus d'écoulement dans une eau de surface ou une eau souterraine, un ouvrage de prise d'eau, un piézomètre autorisé et déclaré ou un point d'entrée d'égout public est interdit.]2
§ 2. Les jus d'écoulement éventuels issus des matières végétales stockées, ne peuvent atteindre ni les égouts ni les eaux souterraines ou de surface et sont soit stockés, soit recueillis par une matière absorbante.]1

[2 § 3. Le stockage des eaux vertes et des eaux brunes des aires d'attente et d'alimentation non couvertes, ainsi que des eaux blanches lorsque celles-ci sont stockées avec du lisier, est soumis aux mêmes règles que le stockage des effluents d'élevage.]2
Art. R192. [1 § 1. De opslag van dierlijke mest en compost op een waterdoorlatend oppervlak voldoet aan de volgende voorwaarden:
met uitzondering van de mest waarvan in bijlage XXII vermeld is dat hij rechtstreeks op een waterdoorlatend oppervlak opgeslagen kan worden, wordt mest eerst gedurende een periode van minstens drie maanden op de mestvaalt opgeslagen, overeenkomstig artikel R. 194 ;
de opslag op een waterdoorlatend oppervlak van compost die gekenmerkt is door een gehalte aan droge stoffen dat lager is dan 35 %, is verboden;
op een waterdoorlatend oppervlak mag geen compost of mest opgeslagen worden :
a) op de natuurlijke lijn waarlangs water afloopt;
b) in gebieden met overstromingsrisico zoals bedoeld bij artikel D.53-2 van het Waterwetboek;
c) op minder dan 20 meter van gewoon oppervlaktewater, een aansluitpunt voor waterwinning, een gemachtigde piëzometer of een inlaat van een riolering;
elke opslagplaats voor mest wordt ontruimd na afloop van een periode van maximum negen maanden. De Minister bevoegd voor het waterbeleid kan deze termijn met een maand verlengen in geval van opslag in de vorm van compost;
de opslag van compost of mest is verboden op een oppervlakte die sinds minder dan één jaar is ontruimd en op minder dan 10 meter van de uiterste limiet van de vorige oppervlakte.
§ 2. Dierlijke mest kan eveneens worden opgeslagen op een waterdichte betonnen mestvaalt uitgerust met een waterdichte opslagtank zonder overlooppijp, bestemd voor het opvangen of het tegenhouden van afvloeisel, met inachtneming van de voorwaarden bedoeld in artikel R.194, §§ 2 tot 8.
Compost kan ook opgeslagen worden op een waterdichte betonnen mestvaalt uitgerust met een waterdichte opslagtank zonder overlooppijp, bestemd voor het opvangen of het tegenhouden van afvloeisel, met inachtneming van de voorwaarden bedoeld in artikel R.194, §§ 2, 3, 5 en 6.
§ 3. De ligging en de datum van compost- of mestopslag op een waterdoorlatend oppervlak wordt jaarlijks opgetekend in een register dat door de landbouwer ter beschikking van de administratie wordt gehouden. De inhoud en het model van het register kunnen door de voor het waterbeleid bevoegde Minister worden vastgesteld na overleg met de beroepsorganisaties in de landbouwsector.]1

Art. R192. [1 § 1er. Le stockage des fumiers et des composts sur une surface perméable répond aux conditions suivantes :
les fumiers autres que ceux mentionnés à l'annexe XXII comme pouvant être stockés directement sur une surface perméable sont préalablement stockés sur fumière pendant une période minimale de trois mois, conformément à l'article R.194;
le stockage sur une surface perméable des composts caractérisés par une teneur en matière sèche inférieure à trente-cinq pour cent est interdit ;
le stockage de compost ou de fumier sur une surface perméable ne peut pas être effectué :
a) sur un axe de concentration naturel de ruissellement ;
b) en zone soumise à un aléa d'inondation, telle que définie par l'article D.53-2 du Code de l'Eau ;
c) à moins de vingt mètres d'une eau de surface ordinaire, d'un ouvrage de prise d'eau, d'un piézomètre autorisé et déclaré ou du point d'entrée d'un égout public ;
toute aire de stockage du fumier est évacuée au terme d'une période maximale de neuf mois. Le Ministre qui a la politique de l'eau dans ses attributions peut prolonger cette période d'un mois, s'il s'agit d'un stockage sous forme de composts ;
le stockage de compost ou de fumier est interdit sur une aire ayant été évacuée depuis moins d'une année, et à moins de dix mètres des limites extérieures de l'aire précédente.
§ 2. Le stockage des fumiers peut également s'effectuer sur une fumière bétonnée étanche pourvue d'un réservoir étanche et sans trop-plein destiné à la récolte ou à la rétention des jus d'écoulement, en respectant les conditions prévues à l'article R.194, §§ 2 à 8.
Le stockage des composts peut également s'effectuer sur une fumière bétonnée étanche pourvue d'un réservoir étanche et sans trop-plein destiné à la récolte ou à la rétention des jus d'écoulement en respectant les conditions prévues à l'article R.194, §§ 2, 3, 5 et 6.
§ 3. L'emplacement et la date de stockage des composts ou des fumiers sur une surface perméable sont consignés annuellement dans un registre tenu à la disposition de l'administration par l'agriculteur. Le contenu et le modèle du registre peuvent être déterminés par le ministre qui a la politique de l'eau dans ses attributions, après consultation des organisations professionnelles agricoles.]1

Art. R193. [1 § 1. De opslag van aalt van pluimvee op een waterdoorlatend oppervlak voldoet aan de volgende voorwaarden:
de opslag op een waterdoorlatend oppervlak van aalt van pluimvee die gekenmerkt is door een gehalte aan droge stoffen dat lager is dan 55 %, is verboden;
op een waterdoorlatend oppervlak mag geen aalt van pluimvee opgeslagen worden :
a) op de natuurlijke lijn waarlangs water afloopt;
b) in gebieden met overstromingsrisico zoals bedoeld bij artikel D.53-2 van het Waterwetboek;
c) op minder dan 20 meter van gewoon oppervlaktewater, een aansluitpunt voor waterwinning, een gemachtigde piëzometer of een inlaat van een riolering;
elke opslagplaats voor aalt van pluimvee wordt ontruimd na afloop van een periode van maximum zes maanden;
elke opslagplaats voor aalt van pluimvee wordt ontruimd na afloop van een periode van maximum één maand;
de opslag van aalt van pluimvee is verboden op een oppervlakte die sinds minder dan één jaar is geruimd, en op minder dan tien meter van de uiterste limiet van bedoelde oppervlakte;
§ 2. Aalt van pluimvee kan ook opgeslagen worden op een waterdichte betonnen mestvaalt uitgerust met een waterdichte opslagtank zonder overlooppijp, bestemd voor het opvangen en het tegenhouden van afvloeisel, met inachtneming van de voorwaarden bedoeld in artikel R.195, §§ 2 tot 8.
§ 3. De ligging en de datum van opslag van pluimveemest op een waterdoorlatend oppervlak wordt jaarlijks opgetekend in een register dat door de landbouwer ter beschikking van de administratie wordt gehouden. De inhoud en het model van het register kunnen door de voor het waterbeleid bevoegde Minister worden vastgesteld na overleg met de beroepsorganisaties.]1

Art. R193. [1 § 1er. Le stockage sur une surface perméable des effluents de volaille répond aux conditions suivantes :
le stockage sur une surface perméable des effluents de volaille caractérisés par une teneur en matière sèche inférieure à cinquante-cinq pour cent est interdit ;
le stockage sur une surface perméable d'effluents de volaille ne peut pas être effectué :
a) sur un axe de concentration naturel du ruissellement ;
b) en zone soumise à un aléa d'inondation, telle que définie par l'article D.53-2 du Code de l'Eau ;
c) à moins de vingt mètres d'une eau de surface ordinaire, d'un ouvrage de prise d'eau, d'un piézomètre ou du point d'entrée d'un égout ;
toute aire de stockage de fumier de volaille est évacuée au terme d'une période maximale de six mois ;
toute aire de stockage de fiente de volaille est évacuée au terme d'une période maximale d'un mois ;
le stockage des effluents de volaille est interdit sur une aire qui a été évacuée depuis moins d'une année et à moins de dix mètres des limites extérieures de l'aire précédente.
§ 2. Le stockage des effluents de volaille peut également s'effectuer sur une aire bétonnée étanche pourvue d'un réservoir étanche et sans trop-plein destiné à la récolte ou à la rétention des jus d'écoulement, en respectant les conditions prévues à l'article R.195, §§ 2 à 8.
§ 3. L'emplacement et la date de stockage des effluents de volaille sur une surface perméable sont consignés annuellement dans un registre tenu à la disposition de l'administration par l'agriculteur. Le contenu et le modèle du registre peuvent être déterminés par le ministre qui a la politique de l'eau dans ses attributions, après consultation des organisations professionnelles.]1

Art. R193 bis.[1 § 1. De opslag van de vaste fase van de aalt voldoet aan de volgende voorwaarden :
de opslag [2 op een waterdoorlatend oppervlak]2 van een vaste aaltfase die gekenmerkt is door een gehalte aan droge stoffen dat lager is dan 25 % is verboden;
de vaste fase met een gehalte aan droge stoffen van minder dan 25 percent wordt opgeslagen op een waterdichte betonnen mestvaalt uitgerust met een waterdichte opslagtank zonder overlooppijp, bestemd voor het opvangen en het tegenhouden van afvloeisel. Voor de opvang van afvloeisel wordt een capaciteit van 220 liter per m2 opslagplaats vereist als de oppervlakte niet helemaal overdekt is. Die capaciteit kan tot 150 liter per m2 teruggebracht worden als de oppervlakte niet helemaal overdekt is;
overeenkomstig artikel R.192, § 1, 3° tot 6°, mag de vaste aaltfase, die gekenmerkt is door een gehalte aan droge stoffen van 25 percent of meer, slechts op het veld opgeslagen worden nadat ze gedurende minstens drie maanden werd opgeslagen op een waterdichte betonnen mestvaalt uitgerust met een waterdichte opslagtank zonder overlooppijp, bestemd voor het opvangen en het tegenhouden van afvloeisel.
§ 2. [2 De ligging en de datum van opslag van de vaste fase van de aalt op een waterdoorlatend oppervlak wordt jaarlijks opgetekend in een register dat door de landbouwer ter beschikking van de administratie wordt gehouden. De inhoud en het model van het register kunnen door de voor het waterbeleid bevoegde Minister worden vastgesteld na overleg met de beroepsorganisaties.]2]1

Art. R193 bis.[1 § 1er. Le stockage de la phase solide du lisier répond aux conditions suivantes :
le stockage [2 sur une surface perméable]2 d'une phase solide de lisier caractérisée par une teneur en matière sèche inférieure à 25 pourcents est interdit;
la phase solide présentant une teneur en matière sèche inférieure à 25 pourcents est stockée sur une fumière bétonnée étanche, pourvue d'un réservoir étanche et sans trop-plein destiné à la récolte ou à la rétention des jus d'écoulement. Pour la récolte des jus d'écoulement, une capacité de 220 litres par m2 d'aire de stockage est requise si l'aire n'est pas entièrement couverte. Cette capacité peut être réduite à 150 litres par m2 si l'aire est entièrement couverte;
la phase solide de lisier caractérisée par une teneur en matière sèche supérieure ou égale à 25 pourcents ne peut être stockée au champ conformément aux dispositions de l'article R.192, § 1er, 3° à 6°, qu'après avoir été stockée pendant une période minimale de trois mois sur une fumière bétonnée étanche, pourvue d'un réservoir étanche et sans trop-plein destiné à la récolte ou à la rétention des jus d'écoulement.
§ 2. [2 L'emplacement et la date de stockage sur une surface perméable de la phase solide du lisier sont consignés annuellement dans un registre tenu à la disposition de l'administration par l'agriculteur. Le contenu et le modèle du registre peuvent être déterminés par le ministre qui a la politique de l'eau dans ses attributions, après consultation des organisations professionnelles.]2]1

Art. R194. [1 § 1. [2 Binnen de gebouwen van het bedrijf]2 wordt de mest of de compost opgeslagen op een waterdichte betonnen mestvaalt met een voldoende oppervlakte en voorzien van een waterdichte opslagtank met een voldoende capaciteit, zonder overlooppijp en bestemd voor het opvangen en het tegenhouden van afvloeisel.
§ 2. De opslag mag gemiddeld niet meer bedragen dan 3 m3 mest of compost per m2 opslagoppervlakte.
§ 3. Indien de opslagplaats volledig overdekt is, kan de nodige opslagoppervlakte met één kwart worden verminderd, zodat nooit meer dan 4 mü mest of compost per m2 opslagoppervlakte wordt opgeslagen.
§ 4. De afmetingen van de oppervlakte van de mestopslagplaatsen [2 binnen de gebouwen van het bedrijf]2 worden vastgesteld op grond van de gegevens vermeld in de tabel van bijlage XXII. De opslagoppervlakte laat een permanente opslag toe als externe omstandigheden verspreiding op het veld beletten.
§ 5. Voor de opvang van afvloeisel uit [2 mest- en compostopslagplaatsen]2 wordt een capaciteit van 220 liter per m2 opslagoppervlakte vereist als de oppervlakte niet volledig overdekt is. Die capaciteit kan verminderd worden tot 150 liter per m2 als de stal overeenkomstig artikel R.196 voorzien is van een terugwinningsysteem voor gier.
§ 6. De opslagplaatsen voor mest en compost en de tanks voor de opvang van afvloeisel uit die opslagplaatsen worden ingericht zodat onbeheerst binnensijpelen van afvloeiend hemel- of dakwater voorkomen wordt.
§ 7. De afmetingen vastgesteld in de paragrafen 4 en 5 kunnen gewijzigd worden op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van betrokken landbouwer. Dat verzoek wordt aan de administratie gericht bij aangetekend schrijven of op enige andere wijze waarop een vaste dagtekening aan de zending verleend wordt.
Bedoeld verzoek tot wijziging moet gegrond zijn op de plaatselijke weersomstandigheden, de samenstelling en de omvang van het veebestand, op de soorten stallingswijzen, op de soorten voortgebrachte mest, op de hantering van de dierlijke mest, op de eventuele verwerking ervan en op het eventuele gebruik van een onweersbekken, van processen voor de zuivering van afvloeisel of de opslag op het veld.
De administratie richt haar beslissing waarbij ze zich over het volledige karakter van het verzoek uitspreekt aan de verzoeker binnen een termijn van vijftien dagen, die ingaat op de datum waarop ze het verzoek in ontvangst neemt overeenkomstig het eerste lid. Ze onderzoekt het verzoek en neemt een met redenen omklede beslissing op grond van de criteria vermeld in het tweede lid binnen de drie maanden na kennisgeving van de beslissing waarbij het dossier volledig verklaard wordt.
§ 8. Zachte mest mag enkel op de mestvaalt opgeslagen worden voor zover hij met een voldoende hoeveelheid mest van een ander soort gemengd wordt totdat het mengsel niet meer de kenmerken van zachte mest heeft. Zoniet wordt voorzien in een systeem om de vloeibare en de vaste fase te scheiden en op te slaan. De vloeibare fase wordt opgeslagen overeenkomstig de voorwaarden van artikel R.196, § 1, 1° en 2°. De vaste fase wordt naar gelang van haar kenmerken behandeld als zachte mest of als mest.]1

Art. R194. [1 § 1er. Le stockage des fumiers ou des composts [2 dans l'enceinte des bâtiments de l'exploitation]2 s'effectue sur une aire de stockage bétonnée étanche de surface suffisante, pourvue d'un réservoir de capacité suffisante, étanche et sans trop-plein destiné à la récolte ou à la rétention des jus d'écoulement.
§ 2. Le stockage ne peut excéder en moyenne, 3 m3 de fumier ou de compost par m2 d'aire de stockage.
§ 3. Lorsque l'aire de stockage est entièrement couverte, la surface de stockage nécessaire peut être réduite d'un quart de manière telle qu'à aucun moment, plus de 4 m3 de fumier ou de compost par m2 d'aire de stockage n'y soient stockés.
§ 4. Le dimensionnement de la surface des aires de stockage des fumiers [2 dans l'enceinte des bâtiments de l'exploitation]2 est établi sur la base des données reprises au tableau de l'annexe XXII. L'aire de stockage permet un stockage permanent si des conditions extérieures empêchent son épandage au champ.
§ 5. Pour la récolte des jus d'écoulement des aires de stockage de fumier [2 et de compost]2, une capacité de 220 litres par m2 d'aire de stockage est requise si l'aire n'est pas entièrement couverte. Cette capacité peut être réduite à 150 litres par m2 s'il existe une récupération des purins dans l'étable conforme à l'article R.196.
§ 6. Les aires de stockage du fumier et du compost et les réservoirs de récolte des jus d'écoulement de ces aires de stockage sont aménagés de manière à empêcher les entrées non maîtrisées d'eau de ruissellement ou de toiture.
§ 7. Le dimensionnement fixé aux paragraphes 4 et 5 peut être modifié sur demande écrite et motivée de l'agriculteur concerné. Cette demande est introduite à l'administration par lettre recommandée ou par toute modalité conférant date certaine à l'envoi.
Cette demande de modification repose sur les conditions climatiques locales, sur la composition et la taille du cheptel, sur les types de stabulations, sur les types de fumiers produits, sur la manutention du fumier, sur son éventuelle transformation et sur le recours éventuel à des déversoirs d'orage, des procédés d'épuration des jus d'écoulement ou au stockage au champ.
L'administration envoie au demandeur sa décision statuant sur le caractère complet de la demande dans un délai de quinze jours à dater du jour où elle reçoit la demande en application de l'alinéa 1er. Elle examine celle-ci et prend une décision motivée sur base des critères mentionnés à l'alinéa 2 dans les trois mois de la notification de la décision déclarant le dossier complet.
§ 8. Les fumiers mous ne peuvent être stockés sur fumière que s'ils y sont associés à un autre type de fumier en quantité suffisante pour que le mélange ne possède plus les caractéristiques du fumier mou. Dans tout autre cas, un dispositif de séparation et de stockage des phases liquide et solide est prévu. La phase liquide est stockée conformément aux conditions de l'article R. 196, § 1er, 1° et 2°. La phase solide est traitée comme un fumier mou ou comme un fumier en fonction de ses caractéristiques.]1

Art. R195. [1 § 1. [2 Binnen de gebouwen van het bedrijf]2 wordt de aalt van pluimvee opgeslagen op een waterdichte betonnen ruimte met een voldoende oppervlakte. Die opslagplaats is voorzien van een waterdichte opslagtank met een voldoende capaciteit, zonder overlooppijp en bestemd voor het opvangen en het tegenhouden van afvloeisel.
§ 2. Indien vochtige pluimveemest wordt opgeslagen, is de opslagplaats volledig overdekt.
§ 3. De opslag mag gemiddeld niet meer bedragen dan 3 m3 pluimveemest per m2 opslagoppervlakte.
§ 4. Indien de opslagplaats volledig overdekt is, kan de nodige opslagoppervlakte met één kwart worden verminderd zodat nooit meer dan 4 m3 aalt van pluimvee per m opslagplaats wordt opgeslagen.
§ 5. De afmetingen van de oppervlakte van de opslagplaats worden vastgesteld op grond van de gegevens vermeld in de tabel van bijlage XXII. De opslagoppervlakte laat een permanente opslag toe als externe omstandigheden verspreiding op het veld beletten.
§ 6. Voor de opvang van afvloeisel uit opslagplaatsen is een capaciteit van 220 liter per m2 opslagplaats vereist als de oppervlakte niet volledig overdekt is.
§ 7. De opslagplaatsen voor aalt van pluimvee en de tanks voor de opvang van afvloeisel uit die plaatsen worden ingericht zodat dat onbeheerst binnensijpelen van afvloeiend hemel- of dakwater voorkomen wordt.
§ 8. De afmetingen bedoeld in de paragrafen 5 en 6 kunnen gewijzigd worden op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van betrokken landbouwer. Dat verzoek wordt aan de administratie gericht bij aangetekend schrijven of op enige andere wijze waarop een vaste dagtekening aan de zending verleend wordt.
Bedoeld verzoek tot wijziging is gegrond op de plaatselijke weersomstandigheden, de samenstelling en de omvang van het pluimveebestand, op de soorten huisvesting, op de soorten voortgebrachte aalt, op de hantering ervan, op de eventuele verwerking ervan en op het eventuele gebruik van een onweersbekken, van processen voor de zuivering van afvloeisel of de opslag op het veld.
De administratie richt haar beslissing waarbij ze zich over het volledige karakter van het verzoek uitspreekt aan de verzoeker binnen een termijn van vijftien dagen, die ingaat op de datum waarop ze het verzoek in ontvangst neemt overeenkomstig het eerste lid. Ze onderzoekt het verzoek en neemt een met redenen omklede beslissing op grond van de criteria vermeld in het tweede lid binnen drie maanden na kennisgeving van de beslissing waarbij het dossier volledig verklaard wordt.]1

Art. R195. [1 § 1er. Le stockage des effluents de volaille [2 dans l'enceinte des bâtiments de l'exploitation]2 s'effectue sur une aire bétonnée étanche de surface suffisante. Cette aire de stockage est pourvue d'un réservoir de capacité suffisante, étanche et sans trop-plein destiné à la récolte ou à la rétention des jus d'écoulement.
§ 2. Dans le cas de stockage de fientes humides de volaille, l'aire de stockage est entièrement couverte.
§ 3. Le stockage ne peut excéder en moyenne, 3 m3 d'effluents de volaille par m2 d'aire de stockage.
§ 4. Lorsque l'aire de stockage est entièrement couverte, la surface de stockage nécessaire peut être réduite d'un quart de manière telle qu'à aucun moment, plus de 4 m3 d'effluents de volaille par m d'aire de stockage n'y soient stockés.
§ 5. Le dimensionnement de la surface de l'aire de stockage est établi sur la base des données reprises au tableau de l'annexe XXII. L'aire de stockage permet un stockage permanent si des conditions extérieures empêchent son épandage au champ.
§ 6. Pour la récolte des jus d'écoulement des aires de stockage, une capacité de 220 litres par m2 d'aire de stockage est requise si l'aire n'est pas entièrement couverte.
§ 7. Les aires de stockage des effluents de volailles et les réservoirs de récolte des jus d'écoulement de ces aires sont aménagés de manière à empêcher les entrées non maîtrisées d'eau de ruissellement ou de toiture.
§ 8. Le dimensionnement fixé aux paragraphes 5 et 6 peut être modifié sur demande écrite et motivée de l'agriculteur concerné. Cette demande est introduite à l'administration par lettre recommandée ou par toute modalité conférant date certaine à l'envoi.
Cette demande de modification repose sur les conditions climatiques locales, sur la composition et la taille du cheptel, sur les types de logements des animaux, sur les types d'effluents produits, sur leur manutention, sur leur éventuelle transformation et sur le recours éventuel à des déversoirs d'orage, des procédés d'épuration des jus d'écoulement ou au stockage au champ.
L'administration envoie au demandeur sa décision statuant sur le caractère complet de la demande dans un délai de quinze jours à dater du jour où elle reçoit la demande en application de l'alinéa 1er. Elle examine celle-ci et prend une décision motivée sur base des critères mentionnés à l'alinéa 2 dans les trois mois de la notification de la décision déclarant le dossier complet.]1

Art. R196. [1 § 1. De opslag van aalt en gier voldoet aan de volgende voorwaarden :
zij worden opgeslagen in een waterdichte accommodatie met een voldoende capaciteit, zonder overlooppijp zodat zij niet naar de externe omgeving afvloeien;
de opslagaccommodatie wordt ingericht zodat onbeheerst binnensijpelen van afvloeiend hemel- of dakwater voorkomen wordt;
om de in artikel R.203 bedoelde spreidingsperiodes in acht te nemen, dient de opslagaccommodatie voor aalt en gier de opslag tijdens minstens zes maanden mogelijk te maken.
§ 2. De afmetingen van bedoelde accommodatie wordt bepaald op grond van de gegevens vermeld in de tabel van bijlage XXII.
§ 3. De afmetingen bedoeld in paragraaf 2 kunnen gewijzigd worden op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van betrokken landbouwer. Dat verzoek wordt aan de administratie gericht bij aangetekend schrijven of op enige andere wijze waarop een vaste dagtekening aan de zending verleend wordt.
Bedoeld verzoek tot wijziging is gegrond op de plaatselijke weersomstandigheden, de samenstelling en de omvang van het veebestand, op de soorten huisvesting, op de soorten voortgebrachte dierlijke mest, op de hantering ervan en op de eventuele verwerking ervan.
De administratie richt haar beslissing waarbij ze zich over het volledige karakter van het verzoek uitspreekt aan de verzoeker binnen een termijn van vijftien dagen, die ingaat op de datum waarop ze het verzoek in ontvangst neemt overeenkomstig het eerste lid. Ze onderzoekt het verzoek en neemt een met redenen omklede beslissing op grond van de criteria vermeld in het tweede lid binnen de drie maanden na kennisgeving van de beslissing waarbij het dossier volledig verklaard wordt.]1

Art. R196. [1 § 1er. Le stockage des lisiers et des purins répond aux conditions suivantes :
le stockage s'effectue dans des infrastructures de capacité suffisante, étanches et dépourvues de trop-plein de sorte qu'il n'y ait pas d'écoulement vers le milieu extérieur;
les infrastructures de stockage sont aménagées de manière à empêcher les entrées non maîtrisées d'eau de ruissellement ou de toiture;
les infrastructures destinées au stockage des lisiers et des purins permettent le stockage pendant six mois au moins afin que les périodes d'épandages visées à l'article R.203 soient respectées;
§ 2. Le dimensionnement de ces infrastructures est déterminé sur la base des données reprises dans le tableau de l'annexe XXII.
§ 3. Le dimensionnement fixé au paragraphe 2 peut être modifié sur demande écrite et motivée de l'agriculteur concerné. Cette demande est introduite à l'administration par lettre recommandée ou par toute modalité conférant date certaine à l'envoi.
Cette demande de modification repose sur les conditions climatiques locales, sur la composition et la taille du cheptel, sur les types de logements des animaux, sur les types d'effluents produits, sur leur manutention et sur leur éventuelle transformation.
L'administration envoie au demandeur sa décision statuant sur le caractère complet de la demande dans un délai de quinze jours à dater du jour où il reçoit la demande en application de l'alinéa 1er. Elle examine celle-ci et prend une décision motivée sur base des critères mentionnés à l'alinéa 2 dans les 3 mois de la notification de la décision déclarant le dossier complet.]1

Art. R197. [1 § 1. De opslagaccommodatie voor dierlijke mest of compost is waterdicht.
§ 2. De technische voorschriften die de waterdichtheid waarborgen worden nader bepaald door de Minister van Landbouw.
§ 3. Indien er twijfels bestaan omtrent de waterdichtheid van de opslagaccommodatie voor dierlijke mest, kan de administratie ze door elk middel dat ze nuttig acht aan een verificatie onderwerpen.]1

Art. R197. [1 § 1er. Les infrastructures de stockage d'effluents d'élevage ou des composts sont étanches.
§ 2. Le Ministre de l'Agriculture précise les prescriptions techniques garantissant l'étanchéité.
§ 3. En cas de doute quant à l'étanchéité des infrastructures de stockage d'effluents d'élevage, l'administration peut procéder à une vérification de celles-ci par tout moyen qu'elle jugera utile.]1

Art. R198. [1 § 1. [2 Landbouwers die fokdieren houden, beschikken over een conformiteitsattest voor de opslagaccommodatie voor dierlijke mest, met name het "ACISEE". Het "ACISEE" wordt door de administratie afgeleverd voor een periode van vijf jaar en kan om de vijf jaar worden verlengd.
Het toont aan dat de artikelen R.194 tot R.197 in acht worden genomen. Er wordt één "ACISEE" afgeleverd per landbouwbedrijf dat, desgevallend, verschillende productielocaties dekt..
Het model, de nadere aanvraagregels en de inhoud van het "ACISEE" worden door de directeur-generaal van de administratie bepaald, na raadpleging van de beroepsorganisaties voor landbouw.]2

§ 2. [2 ...]2
§ 3. [2 De landbouwer vraagt de hernieuwing van het "ACISEE" aan op verzoek van de administratie, minstens om de vijf jaar, of op eigen initiatief wanneer één van de volgende gevallen zich voordoet :
de gegevens betreffende de veestapel op grond waarvan het "ACISEE" afgeleverd werd zijn voor 15 percent niet meer geldig over een periode van één jaar ;
de capaciteit van de opslagaccommodatie is beperkt;
de door het "ACISEE" gedekte accommodatie is zodanig beschadigd dat de dichtheid niet meer gegarandeerd wordt ;
de stallingen ondergaan een verbouwing die de staat van de voortgebrachte mest beïnvloedt of huisvesten een ander soort dieren.]2

§ 4. In afwachting van de afgifte van het " ACISEE " of van de hernieuwing ervan wordt de accomodatie waarvoor een aanvraag werd ingediend, geacht te voldoen aan de artikelen R.194 tot R.197.
Het vermoeden bedoeld in het eerste lid kan omgekeerd worden na een controle door de agenten belast met de opsporing en de vaststelling van overtredingen van dit hoofdstuk.]1

[2 § 5. De krachtens de artikelen R. 194, § 7, R. 195, § 8, en R. 196, § 3, verleende afwijkingen zijn geldig vanaf het bezoek aan het bedrijf, in het kader van het krachtens artikel R. 198 afgegeven attest. Zij eindigen met de verlenging van het certificaat, hetzij aan het einde van de geldigheidsduur bepaald in artikel R. 198, § 1, hetzij in het geval van verlengingen die vereist zijn in toepassing van artikel R. 198, § 3. De oude afwijkingen die vóór deze wijziging van de regelgeving zonder tijdslimiet werden toegekend, eindigen eveneens met het einde van de geldigheidsduur van het attest waarvoor zij werden aangevraagd.]2
Art. R198. [1 § 1er. [2 Les agriculteurs qui détiennent des animaux d'élevage disposent d'une attestation de conformité des infrastructures de stockage des effluents d'élevage, ou ACISEE. L'ACISEE est délivrée par l'administration pour une durée de cinq ans et est renouvelable tous les cinq ans.
Elle atteste du respect des articles R. 194 à R. 197. Une seule ACISEE est délivrée par exploitation agricole couvrant, le cas échéant, plusieurs sites de production.
Le modèle, les modalités de demandes et le contenu de l'ACISEE sont fixés par le Directeur général de l'administration, après consultation des organisations professionnelles agricoles.]2

§ 2. [2 ...]2
§ 3. [2 L'agriculteur demande le renouvellement de l'ACISEE, sur invitation de l'administration, tous les cinq ans au moins, ou à son initiative lorsqu'une des circonstances suivantes se produit :
les données de cheptel qui ont servi de base à la délivrance de l'ACISEE sont dépassées de plus de quinze pour cent pendant une période d'une année;
la capacité des infrastructures de stockage est modifiée ;
les infrastructures couvertes par l'ACISEE sont affectées de telle façon que l'étanchéité n'est plus garantie ;
les stabulations subissent une transformation influençant l'état de l'effluent produit ou abritent un autre type d'animal.]2

§ 4. Dans l'attente de la délivrance de l'ACISEE ou de son renouvellement, les installations pour lesquelles une demande a été introduite sont présumées respecter les articles R.194 à R.197.
La présomption visée à l'alinéa 1er peut être renversée à l'issue d'un contrôle opéré par les agents chargés de rechercher et de constater les infractions au présent chapitre.]1

[2 § 5. Les dérogations accordées en application des articles R. 194, § 7, R. 195, § 8, et R. 196, § 3, sont valables à partir de la visite de l'exploitation, dans le cadre de l'attestation émise en application de l'article R.198. Elles cessent lors du renouvellement de l'attestation, soit au terme de la durée de validité reprise à l'article R. 198, § 1er, soit dans les cas de renouvellements requis en application de l'article R. 198, § 3. Les anciennes dérogations délivrées sans limite de date avant cette modification réglementaire se terminent également avec le terme de validité de l'attestation pour laquelle elles avaient été sollicitées.]2
Art. R199. [1 § 1. Om te voldoen aan de voorschriften van de artikelen R.194 tot R.197, kan de [2 landbouwer]2 [2 een overeenkomst sluiten met een derde voor precaire bewoning van]2 een accomodatie voor de opslag van dierlijke mest. Die overeenkomst wordt onderworpen aan de goedkeuring van de administratie. Zo niet wordt ze niet door de administratie in aanmerking genomen om na te gaan of de landbouwexploitant voldoet aan de voorschriften van de artikelen R.194 tot R.197.
De administratie keurt de overeenkomst goed als na de controle van de accomodatie voor de opslag van dierlijke mest die het voorwerp van de overeenkomst uitmaakt blijkt dat de volgende voorwaarden vervuld zijn :
[2 ...]2
[2 de accommodatie die het voorwerp uitmaakt van de overeenkomst, voldoet]2 aan de voorschriften van de artikelen R.194 tot R.197;
de capaciteit van [2 de accommodatie die het voorwerp uitmaakt van de overeenkomst,]2 is hoger dan of gelijk aan die waarin de overeenkomst voorziet;
de mede-ondertekenende derde onderworpen aan de verplichtingen waarin de artikelen R.194 tot R.197 voorzien houdt zich aan de inhoud van die bepalingen ondanks het sluiten van de overeenkomst.
§ 2. [2 De Minister bevoegd voor het waterbeleid bepaalt de vorm van die overeenkomst alsook de modaliteiten voor de uitvoering van en de controle op de overeenkomsten voor precaire bewoning en van de documenten voor de opvolging van de opslag, na raadpleging van de professionele landbouworganisaties.]2]1

Art. R199. [1 § 1er. Afin de satisfaire au prescrit des articles R.194 à R.197, l'[2 agriculteur]2 peut conclure [2 une convention d'occupation précaire]2 d'une infrastructure de stockage d'effluents d'élevage avec un tiers. Ce contrat est soumis à l'approbation de l'administration. A défaut, il n'est pas pris en considération par l'administration pour examiner si l'exploitant agricole respecte le prescrit des articles R.194 à R.197.
L'administration approuve [2 la convention]2 s'il ressort de la visite de l'infrastructure de stockage d'effluents d'élevage faisant l'objet du contrat qu'il est satisfait aux conditions suivantes :
[2 ...]2
l'infrastructure [2 faisant l'objet de la convention]2 respecte le prescrit des articles R.194 à R.197;
la capacité de l'infrastructure [2 faisant l'objet de la convention]2 est supérieure ou égale à celle prévue par le contrat;
le tiers cocontractant soumis aux obligations énumérées aux articles R.194 à R.197 respecte le contenu de ces dispositions malgré la conclusion [2 de la convention]2.
§ 2. [2 Le Ministre qui a la politique de l'eau dans ses attributions peut déterminer la forme de cette convention et fixer les modalités de mise en oeuvre et de contrôle de la bonne exécution des conventions d'occupation précaire et des documents de suivi du stockage, après consultation des organisations professionnelles.]2]1

Art. R199 bis.[1 De artikelen R.194 tot R.198 zijn niet van toepassing op de bedrijven die minder dan 500 kg stikstof per jaar voortbrengen.]1
Art. R199 bis.[1 Les articles R.194 à R.198 ne s'appliquent pas aux exploitations qui produisent moins de cinq cents kilos d'azote par an.]1
Afdeling 4. - [1 Voorwaarden en periodes van spreiding van meststoffen, maximale hoeveelheid stikstof die verspreid mag worden en bewerking van weiland]1
Section 4. - [1 Conditions et périodes d'épandage des fertilisants, quantité maximale d'azote pouvant être épandue et labour des prairies]1
Art. R200. [1 § 1. Het spreiden van meststoffen is verboden op minder dan 6 meter van oppervlaktewater. Die afstand wordt berekend [2 vanaf de oeverrug]2 of het talud dat aan dat [2 gewoon]2 oppervlaktewater grenst.
§ 2. Het spreiden van meststoffen is ook verboden :
[2 op het gedeelte van de grond of het perceel dat volledig wit is geworden na sneeuwval, ongeachte de dikte van de sneeuwlaag;]2
op een waterverzadigde bodem;
[2 op zuivere peulgewassen of fabaceae, buiten een akker aangelegd met meerjarige peulgewassen als veevoeder, waarbij een jaarlijkse inbreng van maximum 115 kg organische stikstof per hectare toegelaten is;]2
[2 in een gebied met hoog overstromingsrisico, in geval van een waarschuwing voor zware regenval.]2]1

[2 Het spreiden van meststoffen in het tussenseizoen voorafgaande aan het inzaaien van peulgewassen wordt enkel toegelaten op basis van een bemestingsadvies opgesteld ten vroegste één maand voor het inzaaien van het gewas. Bedoeld bemestingsadvies wordt opgesteld op grond van stikstofprofielen en wordt bekrachtigd door de begeleidingsstructuur overeenkomstig artikel R.229.
Het aanbrengen van traag inwerkende organische meststoffen kan evenwel zonder bemestingsadvies worden verricht, tussen een gewas dat voor 31 augustus wordt geoogst en een nitraat vasthoudend tussengewas dat voorafgaat aan de teelt van een peulgewas.
Na het teelten van een peulgewas wordt de spreiding van een traag inwerkende organieke meststof zonder bemestingsadvies toegelaten voor een nitraat vasthoudend tussengewas dat voorafgaat aan een lentegewas of aan winterkoolzaad.
Het spreiden van meststoffen is verboden tussen een teelt van peulgewassen en een teelt van wintergraan, ook als laatstgenoemde teelt wordt voorafgegaan door een nitraat vasthoudend gewas. In deze teeltsituaties waarbij de teelt van een wintergraangewas betrokken is kan het spreiden van een meststof evenwel worden toegelaten op grond van een ten vroegste op 1 februari vastgesteld bemestingsadvies op grond van stikstofprofielen en bekrachtigd door de begeleidingsstructuur overeenkomstig artikel R.229.]2

Art. R200. [1 § 1er. L'épandage de fertilisants est interdit à moins de 6 mètres d'une eau de surface. Cette distance est déterminée à partir [2 de la crête]2 de la berge ou du talus qui borde cette eau de surface [2 ordinaire]2.
§ 2. L'épandage de fertilisants est également interdit :
[2 sur la partie de sol ou de parcelle devenue entièrement blanche consécutivement à une chute de neige, quelle que soit l'épaisseur de la couche de neige;]2
sur un sol saturé en eau;
[2 sur une culture pure de légumineuses ou fabacées, hormis sur une culture pluriannuelle de légumineuses destinée au fourrage, où un apport annuel de maximum cent quinze kilos d'azote organique par hectare est autorisé ;]2
[2 en zone d'aléa d'inondation élevé, en cas d'alerte de fortes pluies.]2]1

[2 § 3. L'épandage de fertilisants durant l'interculture précédant une culture de légumineuse est uniquement autorisé sur base d'un conseil de fertilisation établi au plus tôt un mois avant le semis de la légumineuse. Ce conseil de fertilisation est établi sur base de profils azotés et est avalisé par la structure d'encadrement en application de l'article R.229.
Toutefois, un apport de fertilisants organiques à action lente peut être effectué sans conseil de fertilisation, entre une culture récoltée avant le 31 août et une CIPAN précédant la culture de légumineuse.
Après une culture de légumineuse, l'épandage de fertilisant organique à action lente, sans conseil de fertilisation, est autorisé avant la CIPAN précédant une culture de printemps ou avant un colza d'hiver.
L'épandage de fertilisant est interdit entre une culture de légumineuse et une culture de céréale d'hiver, y compris lorsque cette céréale est précédée d'une CIPAN. Toutefois, dans ces situations culturales comprenant une culture de céréale d'hiver, l'épandage de fertilisant peut-être autorisé sur base d'un conseil de fertilisation établi au plus tôt au 1er février, sur base de profils azotés et avalisé par la structure d'encadrement en application de l'article R.229.]2

Art. R201. [1 § 1. Onverminderd artikel R.223 is het spreiden van organische meststoffen met een snelle werking en van minerale meststoffen verboden op een besneeuwde bodem waarvan de aan de oppervlakte gemeten temperatuur minstens 24 uur zonder onderbreking negatief is.
§ 2. [2 De percelen die een hellingsgraad vertonen die niet nul is, worden door de administratie onderverdeeld in verschillende risicoklassen inzake het wegspoelen van nitraten. De toegelaten spreidingspraktijken op grasland en op akkerland in bijlage XXIIbis omschreven. In de risicoklasse "zeer hoog" wordt het verbod op bemesting met minerale meststoffen opgeheven wanneer de maatregelen bedoeld in de artikelen 56 tot en met 60 en artikel 62 van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023 betreffende de gemeenschappelijke begrippen voor de interventies en steunmaatregelen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de randvoorwaarden, en in de daaruit voortvloeiende ministeriële besluiten, worden toegepast.
Op akkerland wordt een onbemest niet-permanent plantendek aangelegd op een 6m brede strook langs een gewoon oppervlaktewater.
Op akkerland wordt het spreiden van snelle organieke meststoffen, zachte mest en minerale meststoffen op niet-gedekte bodem op de dag van toepassing gevolgd door de inwerking in de bodem of door injectie uitgevoerd, ongeacht het risiconiveau inzake wegspoelen van nitraten.
Bodem wordt als bedekt beschouwd als de aanwezige teelt volgend ontwikkelingsstadium heeft bereikt:
Art. R201. [1 § 1er. Sans préjudice de l'article R.223, l'épandage de fertilisants organiques à action rapide et de fertilisants minéraux est interdit sur un sol dont la température mesurée à la surface est négative pendant au minimum 24 heures sans discontinuité.
§ 2. [2 Les parcelles qui présentent une pente non nulle sont réparties par l'administration en différentes classes de risque transfert latéral des nitrates. Les pratiques d'épandage autorisées en prairies et en terres arables sont définies en annexe XXIIbis. En classe de risque " Très élevé ", l'interdiction de fertilisation au moyen de fertilisants minéraux est levée lorsque sont appliquées les mesures prévues par les articles 56 à 60 et l'article 62 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif aux notions communes aux interventions et aides de la politique agricole commune et à la conditionnalité, et par les arrêtés ministériels qui en découlent ".
Sur terre arable, un couvert végétal permanent non fertilisé est installé sur une bande de six mètres de large le long d'une eau de surface ordinaire.
Sur terre arable, l'épandage de fertilisants organiques rapides, de fumier mou et de fertilisants minéraux sur sol non couvert est suivi, le jour même de l'application, de l'incorporation au sol ou est effectué par injection, quel que soit le niveau de risque de transfert latéral des nitrates.
Un sol est considéré comme couvert si la culture en place a atteint le stade de développement suivant :
Gewas Stadium
Graangewas of tijdelijk weiland
Bieten
Koolzaad
Maïs:
Aardappel
aanvang uitstoelen (stadium 21 op BBCH-schaal)
stadium "12 bladen"
stadium "frezen" (stadium 20 op BBCH-schaal)
minstens 9 opengevouwen bladen (stadium 19 op BBCH-schaal)
minstens 10 opengevouwen bladen hoofdstam (stadium 110 op BBCH-schaal)
Gewas Stadium Graangewas of tijdelijk weiland
Bieten
Koolzaad
Maïs:
Aardappel aanvang uitstoelen (stadium 21 op BBCH-schaal)
stadium "12 bladen"
stadium "frezen" (stadium 20 op BBCH-schaal)
minstens 9 opengevouwen bladen (stadium 19 op BBCH-schaal)
minstens 10 opengevouwen bladen hoofdstam (stadium 110 op BBCH-schaal)
De BBCH-schaal is de schaal voor het bepalen van de fenologische ontwikkelingsstadia van een plant; de afkorting BBCH is afgeleid van de Duitse uitdrukking "Biologische Bundesanstalt, Bundessortenamt und Chemische Industrie".
Een na de oogst door onkruid ingenomen bodem wordt niet als een bedekte bodem beschouwd.]2
§ 3. [2 ...]2]1
Culture Stade
Céréale ou prairie temporaire
Betterave
Colza
Maïs
Pomme de terre
début tallage (stade 21 sur l'échelle BBCH)
stade " 12 feuilles "
stade " rosette " (stade 20 sur l'échelle BBCH)
au moins 9 feuilles étalées (stade 19 sur l'échelle BBCH)
au moins 10 feuilles étalées sur la tige principale (stade 110 sur l'échelle BBCH)
Culture Stade Céréale ou prairie temporaire
Betterave
Colza
Maïs
Pomme de terre début tallage (stade 21 sur l'échelle BBCH)
stade " 12 feuilles "
stade " rosette " (stade 20 sur l'échelle BBCH)
au moins 9 feuilles étalées (stade 19 sur l'échelle BBCH)
au moins 10 feuilles étalées sur la tige principale (stade 110 sur l'échelle BBCH)
L'échelle BBCH est l'échelle destinée à identifier les stades de développement phénologique d'une plante, l'abréviation BBCH dérivant de l'expression allemande " Biologische Bundesanstalt, Bundessortenamt und Chemische Industrie ".
Un sol reverdi par les adventices après moisson n'est pas considéré comme un sol couvert.]2
§ 3. [2 ...]2]1
Art. R202. [1 Het spreiden van gier d.m.v. een tank van meer dan 10.000 liter voorzien van een systeem waarmee de gier naar boven uitgeworpen wordt in de vorm van een schoof is verboden.]1
Art. R202. [1 L'épandage de lisier au moyen d'un réservoir de plus de 10 000 litres équipé d'un dispositif projetant celui-ci vers le haut en formant une gerbe est interdit.]1
Art. R203. [1 § 1. De spreidingsperiodes worden uitvoerig omschreven in bijlage XXIII.
De spreidingen voldoen bovendien aan de voorschriften van de paragrafen 2 en 3.
§ 2. Het spreiden van minerale meststoffen, van organische meststoffen met een snelle werking en van zachte mest op akkerland is verboden van 16 september tot en met 15 februari.
Van 1 juli tot en met 15 september is de spreiding van organische meststoffen op ingegraven stro slechts toegelaten tot maximum 80 kg stikstof per hectare of op percelen bestemd voor wintergewassen die in de herfst zijn aangeplant of voor "nitraathoudende" gewassen.
[5 In het mengsel dat het nitraat vasthoudend gewas vormt, mag de som van de verhoudingen tussen de dichtheid van het inzaaien van elke niet-vlinderbloemige soort en de zaaidichtheid ervan in pure teelt 0.5 niet overschrijden. In bijlage XXIV staat een tabel vermeld met elke zaaidichtheid die doorgaans wordt gebruikt voor de verscheidene zuivere teelten. Voor de soorten die niet in deze tabel zijn opgenomen wordt doorverwezen naar de begeleidingsstructuur bedoeld in artikel 229. Het nitraat vasthoudend tussengewas wordt zo snel mogelijk aangeplant na de vorige oogst, uiterlijk op 15 september, en bedekt de bodem tegen minstens 75% op een bepaald ogenblik van de groei, behoudens bij uitzonderlijke weersomstandigheden.
Het mag niet worden vernietigd voor 16 november.]5

§ 3. In afwijking van paragraaf 2, kan de Minister die voor het waterbeleid bevoegd is, in geval van uitzonderlijke weers-, landbouw- of milieu-omstandigheden voor 15 september van het lopende jaar, de vervaldatum van de in paragraaf 2, tweede lid, bedoelde periode op het hele grondgebied of op een deel ervan verlengen van 15 september tot en met 30 september en de begindatum van de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde verbodsperiode verschuiven van 16 september tot en met 1 oktober.
[5 Daarnaast kunnen de Minister bevoegd voor waterbeleid en de Minister van Landbouw bij uitzonderlijke weersomstandigheden in onderlinge overeenstemming de datums aanpassen voor het inzaaien en het vernietigen van het nitraat vasthoudend tussengewas, waarbij het ingezaaide gewas voor een minimumperiode van twee maanden wordt behouden.]5
§ 4. Het spreiden van minerale meststoffen, van organische meststoffen met een snelle werking, met uitzondering van de teruggave aan de bodem door het vee tijdens het weiden, en van zachte mest is verboden op weiland van 16 september tot en met 31 januari.
In afwijking van het eerste lid, is het spreiden van organische meststoffen met een snelle werking alsook van zachte mest in weersomstandigheden die de naleving van de artikelen R. R.200 en R.201 inhouden, van 16 [5 tot en met 31 januari]5 toegelaten naar belope van maximum 80 kg stikstof per hectare.
In afwijking van het eerste lid, is het spreiden van organische meststoffen met een snelle werking alsook van zachte mest van 16 tot en met 30 september toegelaten naar belope van maximum 80 kg stikstof per hectare.]1

[5 ...]5
[6 ...]6
[6 In afwijking van het eerste lid, en met inachtneming van de in dit hoofdstuk vastgestelde jaarlijkse maximumhoeveelheden, wordt de periode voor het spreiden van snelwerkende organische meststoffen en zachte mest op weiland, verlengd tot en met 15 oktober van het jaar 2024, met een maximum van 80 kg stikstof per hectare.]6
Art. R203. [1 § 1er. Les périodes d'épandage, sont détaillées à l'annexe XXIII.
Les épandages respectent, en outre, les prescriptions des paragraphes 2 et 3.
§ 2. Du 16 septembre au 15 février inclus, l'épandage sur terre arable de fertilisants minéraux, de fertilisants organiques à action rapide et de fumier mou est interdit.
Du 1er juillet au 15 septembre inclus, l'épandage de fertilisants organiques y est uniquement autorisé sur pailles enfouies à concurrence d'un maximum de 80 kg d'azote par hectare ou sur des parcelles destinées à recevoir une culture d'hiver implantée à l'automne ou une culture intermédiaire piège à nitrate.
[5 Au sein du mélange composant la culture piège à nitrate, la somme des rapports entre la densité de semis de chaque légumineuse et sa densité en culture pure ne peut pas dépasser 0,5 et la somme des rapports entre la densité de semis de chaque non-légumineuse et sa densité en culture pure est supérieure à 0,5. En annexe XXIV, se trouve un tableau reprenant les densités de semis habituellement utilisées pour les diverses cultures pures. Pour les espèces qui ne se trouvent pas dans ce tableau, il convient de se référer à la structure d'encadrement visée à l'article 229. La culture intermédiaire piège à nitrate est implantée dès que possible après la récolte précédente, au plus tard le 15 septembre.
Elle recouvre le sol à concurrence de septante-cinq pour cent au moins à un moment donné de sa croissance, sauf dans le cas de circonstances météorologiques exceptionnelles. Elle ne peut pas être détruite avant le 16 novembre.]5

§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, en cas de survenance de situations climatiques, agricoles ou environnementales exceptionnelles avant le 15 septembre de l'année en cours, le Ministre ayant la politique de l'eau dans ses attributions peut prolonger, sur tout ou partie du territoire, la date de la fin de la période visée au paragraphe 2, alinéa 2, du 15 septembre jusqu'au 30 septembre inclus et reporter la date de début de la période d'interdiction visée au paragraphe 2, alinéa 1er du 16 septembre jusqu'au 1er octobre inclus.
[5 En outre, en cas de circonstances météorologiques exceptionnelles, le ministre qui a la politique de l'eau dans ses attributions et le ministre de l'Agriculture peuvent, de commun accord, adapter les dates d'implantation et de destruction de la culture intermédiaire piège à nitrates, tout en conservant une période minimale d'implantation de deux mois.]5
§ 4. Du 16 septembre au 31 janvier inclus, l'épandage sur prairie de fertilisants minéraux, de fertilisants organiques à action rapide à l'exception des restitutions au sol par les animaux au pâturage, ainsi que de fumier mou est interdit.
Par dérogation à l'alinéa 1er, dans le cas de prévisions météorologiques impliquant le respect des articles R.200 et R.201, l'épandage de fertilisants organiques à action rapide ainsi que de fumier mou est autorisé du 16 janvier au 31 janvier [5 inclus]5, à concurrence de 80 kg d'azote par hectare au maximum.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'épandage de fertilisants organiques à action rapide ainsi que de fumier mou est autorisé au 16 septembre au 30 septembre inclus à concurrence de 80 kg d'azote par hectare au maximum.]1

[5 ...]5
[6 ...]6
[6 Par dérogation à l'alinéa 1er et sous réserve des limites maximales annuelles prévues sous le présent chapitre, la période d'épandage sur prairie de fertilisant organique à action rapide et de fumier mou, est prolongée jusqu'au 15 octobre inclus de l'année 2024, à concurrence de 80 kg d'azote par hectare au maximum.]6
Art. R204. [1 De spreiding van meststoffen wordt enkel toegelaten om te voldoen aan de fysiologische stikstofbehoeften van de planten, waarbij erover gewaakt wordt dat het verlies van nutriënten beperkt wordt. De bedachte bemesting wordt berekend volgens een vooruitlopende balans per teelt die voorziet in een evenwicht tussen de behoeften van die teelt en de stikstofleveringen aan de grond ten einde de geschikte dosis meststoffen aan te brengen.]1
Art. R204. [1 L'épandage de fertilisants n'est autorisé que pour couvrir les besoins physiologiques en azote des végétaux en veillant à limiter les pertes d'éléments nutritifs. Le calcul de la fertilisation raisonnée s'établit selon la méthode d'un bilan prévisionnel par culture, visant à établir un équilibre entre les besoins de cette dernière et les fournitures en azote du sol afin d'apporter la dose appropriée de fertilisants.]1
Art. R205. [1 § 1. Op weideland mag de totale stikstofaanbreng over één jaar nooit 350 kg per hectare overschrijden, met inbegrip van de teruggave aan de bodem door het vee dat zich op de weide bevindt.
§ 2. Met het oog op verificatie door de administratie is elk landbouwbedrijf ertoe verplicht de documenten te bewaren met betrekking tot de aankoop of de levering van minerale meststoffen vanaf 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het lopende kalenderjaar.
§ 3. De maatregelen bedoeld in paragraaf 2 zijn niet van toepassing op de bedrijven die niet ingedeeld zijn krachtens de regelgeving betreffende de milieuvergunning.]1

Art. R205. [1 § 1er. En prairie, l'apport de composés azotés ne peut jamais dépasser, sur une année, 350 kg par hectare, en ce compris les restitutions au sol par les animaux au pâturage.
§ 2. Aux fins de vérification par l'administration, chaque exploitation agricole est tenue de conserver les documents relatifs à l'achat ou à la livraison de fertilisants minéraux à partir du 1er janvier de l'année antérieure à l'année civile en cours.
§ 3. Les mesures visées au paragraphe 2 ne s'appliquent pas aux exploitations non classées en vertu de la réglementation relative au permis d'environnement.]1

Art. R206. [1 § 1. De aanbreng van minerale meststoffen op akkerland wordt zodanig beperkt dat de totale hoeveelheid aangebrachte stikstof over één jaar, rekening houdend met de stikstofaanbreng door organische meststoffen, niet meer bedraagt dan 2 500 kg per hectare akkerland als gemiddelde voor één bedrijf.
§ 2. Met het oog op verificatie door de administratie is elk landbouwbedrijf ertoe verplicht de documenten te bewaren met betrekking tot de aankoop of de levering van minerale meststoffen vanaf 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het lopende kalenderjaar.
§ 3. De maatregelen bedoeld in paragraaf 2 zijn niet van toepassing op de bedrijven die niet ingedeeld zijn krachtens de regelgeving betreffende de milieuvergunning.]1

Art. R206. [1 § 1er. L'apport de fertilisants minéraux sur terre arable est limité de telle manière qu'en tenant compte des apports azotés des fertilisants organiques, la quantité d'azote total apportée, sur une année, ne dépasse pas, en moyenne sur l'exploitation, 250 kg par hectare de terre arable.
§ 2. Aux fins de vérification par l'administration, chaque exploitation agricole est tenue de conserver les documents relatifs à l'achat ou à la livraison de fertilisants minéraux à partir du premier janvier de l'année antérieure à l'année civile en cours.
§ 3. Les mesures visées au paragraphe 2 ne s'appliquent pas aux exploitations non classées en vertu de la réglementation relative au permis d'environnement.]1

Art. R207. [1 Onverminderd de naleving van artikel R.214, § 1, mag de aanbreng van organische stikstof over één jaar en voor de gehele aangegeven landbouwoppervlakte van het bedrijf al naar gelang van zijn bestemming als akker- of weideland niet hoger zijn dan het gemiddelde van 115 kg per hectare akkerland, noch dan het gemiddelde van 230 kg per hectare weideland, met inbegrip van de teruggave aan de bodem door het vee dat zich op de weide bevindt.]1
Art. R207. [1 Sans préjudice du respect de l'article R.214, § 1er, sur une année et pour toute la superficie agricole déclarée de l'exploitation selon son affectation en terre arable ou en prairie, les apports d'azote organique ne peuvent dépasser une moyenne de 115 kg par hectare de terre arable et une moyenne de 230 kg par hectare de prairie, restitutions au sol par les animaux au pâturage comprises.]1
Art. R208. [1 § 1. Onverminderd de naleving van artikel R.207, worden de organische meststoffen, op een gegeven perceel, in dusdanige verhoudingen verspreid dat de gemiddelde aanbreng van organische stikstof over de [2 zeven]2 opeenvolgende jaren waarin bedoeld perceel in bedrijf is als akker- of weideland, volgende waarden over één jaar niet overschrijdt :
115 kg per hectare akkerland;
230 kg per hectare weideland.
§ 2. De maximumaanbreng van organische stikstof per perceel akkerland over één jaar wordt vastgelegd op 230 kg organische stikstof per hectare.]1

Art. R208. [1 § 1er. Sur une parcelle donnée et sans préjudice du respect de l'article R.207 les fertilisants organiques sont épandus dans des proportions telles que sur deux à [2 sept]2 années successives au cours desquelles cette parcelle est exploitée soit en terre arable, soit en prairie, selon la rotation appliquée, la moyenne des apports d'azote organique ne dépasse pas, sur une année :
115 kg par hectare de terre arable;
230 kg par hectare de prairie.
§ 2. L'apport maximum d'azote organique par parcelle, sur une année, est fixé à 230 kg Norg. par hectare.]1

Art. R208 bis. [1 De bemestingen met meststoffen die overeenkomstig artikel R.210 niet worden meegerekend in het grondgebondencijfer, worden in een register opgetekend, uiterlijk 7 dagen na elke bemesting.
Dat register, dat ter beschikking van de administratie dient te worden behouden, bevat minstens volgende gegevens:
het type gebruikte meststof;
het tijdstip van gebruik;
de gebruikte hoeveelheid;
de plaats van toepassing.
De inhoud en het model van het bemestingsregister kunnen worden bepaald door de Minister bevoegd voor waterbeleid, na raadpleging van de beroepsorganisaties.]1

Art. R208 bis. [1 Les fertilisations à l'aide de fertilisants qui ne sont pas comptabilisés dans le taux de liaison au sol, conformément à l'article R.210 sont consignées dans un registre, au plus tard sept jours après chaque fertilisation.
Ce registre est tenu à la disposition de l'administration. Il contient au moins les éléments suivants :
le type de fertilisant utilisé ;
le moment d'utilisation ;
la quantité utilisée ;
le lieu d'application.
Le contenu et le modèle du registre de fertilisation peuvent être déterminés par le ministre qui a la politique de l'eau dans ses attributions, après consultation des organisations professionnelles.]1

Art. R209. [1 § 1. Tussen 1 februari en 31 mei inbegrepen mag permanent weiland worden vernietigd om een nieuw plantendek aan te brengen.
Gedurende de eerste twee jaren na de vernietiging wordt de vernietigde oppervlakte ingezaaid met bodembedekkende gewassen of een opeenvolging ervan zonder peulgewassen of bodembedekkende gewassen die peulgewassen bevatten. Gedurende dezelfde periode is het verboden organische meststoffen op bedoelde oppervlakte te spreiden. Het spreiden van een minerale meststof op de betrokken oppervlakte is verboden tijdens het eerste jaar volgend op de vernietiging.
Indien een bodembedekkend gewas voor weidelanden ingezaaid wordt, zijn peulgewassen evenwel toegelaten. Evenzo is gediversifieerde tuinbouw op kleine oppervlakten toegestaan op maximaal drie hectare, voor een landbouwer die in zijn verzamelaanvraag maximaal tien hectare landbouwgrond aangeeft.
De omschakeling van permanent weideland naar akkerland op de percelen waarvan de risicoklasse voor het zijdelings wegspoelen van nitraten als bedoeld in artikel R.201 "extreem" is, moet het voorwerp uitmaken van een voorafgaande machtigingsaanvraag te richten aan de administratie, die onderworpen is aan de in artikel R.229 bedoelde begeleidingsstructuur.
§ 2. Van 1 juni tot en met 31 augustus mag een permanent weideland enkel worden vernietigd om er binnen een maand na de vernietiging en uiterlijk op 15 september een nieuw permanent weideland op in te zaaien. In dat geval wordt er op het perceel geen enkele meststof aangebracht, vanaf drie maanden voor de vernietiging tot twee jaar na de vernietiging.
§ 3. Van 1 september tot en met 31 januari kan het weideland slechts eenmaal vernieuwd worden, ten gevolge van schade door dieren of uitzonderlijke klimaatfenomenen.]1

Art. R209. [1 § 1er. Entre le 1er février et le 31 mai inclus, une prairie permanente peut être détruite en vue d'implanter un nouveau couvert végétal.
Pendant les deux premières années suivant la destruction de la prairie, la superficie détruite est emblavée d'un couvert ou d'une succession de couverts dépourvus de culture légumière ou de couvert comportant des légumineuses. Durant la même période, l'épandage de fertilisants organiques est interdit sur la superficie concernée. L'épandage de fertilisant minéral est interdit sur la superficie concernée durant la première année suivant la destruction.
Dans le cas d'un couvert prairial, les légumineuses sont toutefois autorisées. De même, le maraîchage diversifié sur petites surfaces est autorisé sur maximum trois hectares, pour un agriculteur déclarant au maximum dix hectares de surface agricole dans sa demande unique.
La conversion d'une prairie permanente en terre arable sur les parcelles dont la classe de risque de transfert latéral des nitrates, visée à l'article R.201, est " Extrême " fait l'objet d'une demande préalable d'autorisation à l'administration, soumise à la structure d'encadrement définie à l'article R.229.
§ 2. Entre le 1er juin et le 31 août inclus, une prairie permanente peut uniquement être détruite en vue d'implanter, dans le mois qui suit la destruction et au plus tard le 15 septembre, une nouvelle prairie permanente. Dans ce cas, la parcelle n'aura reçu aucun apport de fertilisant depuis trois mois avant la destruction jusqu'à dix-huit mois après la destruction.
§ 3. Entre le 1er septembre et le 31 janvier inclus, seule une rénovation de prairie peut être effectuée à la suite de dégâts occasionnés par des animaux ou des phénomènes climatiques exceptionnels.]1

Afdeling 5. - [1 Grondgebondenheidscijfer en spreidingscontracten]1
Section 5. - [1 Taux de liaison au sol et contrats d'épandage]1
Art. R210. [1 § 1. Het bedrijfsinterne grondgebondenheidscijfer (LSI of LS-Interne) houdt rekening met de stikstof die in het bedrijf voortgebracht wordt en wordt aan de hand van volgende formule berekend :
LS-Interne = Voortgebrachte organische stikstof (kgNorg.) / ([weideoppervlakte van het bedrijf (ha) X 230(kgNorg./ha)] + [(akkerlandoppervlakte van het bedrijf (ha) X 115(kgNorg./ha)]).
§ 2. Op grond van de gegevens van de vorige campagne geeft de administratie de landbouwers jaarlijks tegen 1 juni schriftelijk kennis van de LSI-waarde van hun bedrijf.
§ 3. Zodra het bedrijf een intern grondgebondenheidscijfer laat optekenen dat hoger is dan de eenheid, is de landbouwer ertoe verplicht een spreidingscontract of spreidingscontracten te sluiten overeenkomstig artikel R. 211 en de in overweging genomen mest aan de overnemer over te dragen of elke maatregel te treffen waardoor het interne grondgebondenheidscijfer opnieuw aan de eenheid gelijk wordt of onder de eenheid daalt.
§ 4. Het globale grondgebondenheidscijfer van het bedrijf (LSG ou LS-Global) houdt rekening met alle stromen organische stikstof die het bedrijf binnenkomen en verlaten, met inbegrip van de in de landbouw gevaloriseerde organische stoffen, en wordt aan de hand van volgende formule berekend :
LS-Global = (Voortgebrachte organische stikstof (kgNorg.) + Ingevoerde organische stikstof (kgNorg.) - Uitgevoerde organische stikstof (kgNorg.) / ([akkerlandoppervlakte van het bedrijf (ha) X 230(kgNorg./ha)] + [akkerlandoppervlakte van het bedrijf (ha) X 115(kgNorg./ha)]).
§ 5. Op grond van de gegevens van de vorige campagne geeft de administratie de betrokken landbouwers jaarlijks tegen 1 juni schriftelijk kennis van de LSG-waarde van hun bedrijf, rekening houdend o.a. met de overdrachten van meststoffen tussen 1 april van het vorige jaar en 31 maart van het lopende jaar.
§ 6. Het grondgebondenheidscijfer moet gelijk zijn aan een eenheid of minder.]1

[2 § 7. De landbouwer kan een administratief beroep indienen tegen de kennisgevingen bedoeld in de paragrafen 2 en 5. Het beroep wordt behandeld overeenkomstig de bepalingen van de artikelen D.17 en D.257 van het Waalse landbouwwetboek.]2
Art. R210. [1 § 1er. Le taux de liaison au sol interne de l'exploitation (LSI ou LS-interne) prend en compte l'azote produit dans l'exploitation et est calculé selon la formule suivante :
LS-interne = Azote organique produit (kgNorg.) / ([superficie de prairies de l'exploitation (ha) X 230(kgNorg./ha)] + [superficie de terres arables de l'exploitation (ha) X 115(kgNorg./ha)]).
§ 2. Pour le 1er juin de chaque année, sur base des données de la campagne précédente, l'administration avise par écrit les agriculteurs de la valeur du LSI de leur exploitation.
§ 3. Dès que l'exploitation présente un LSI supérieur à l'unité, l'agriculteur est tenu de conclure un ou des contrats d'épandage conformément à l'article R.211 et de transférer l'effluent considéré vers le preneur, ou de prendre toute autre action appropriée destinée à ramener le LSI à une valeur égale ou inférieure à l'unité.
§ 4. Le taux de liaison au sol global de l'exploitation (LSG ou LS-Global) prend en compte tous les flux d'azote organique entrant et sortant de l'exploitation comprenant les flux d'effluents organiques valorisés en agriculture et se calcule selon la formule suivante :
LS-Global = (Azote organique produit (kgNorg.) + Azote organique importé (kgNorg.) - Azote organique exporté (kgNorg.)) / ([superficie de prairies de l'exploitation (ha) X 230(kgNorg./ha)] + [superficie de terres arables de l'exploitation (ha) X 115(kgNorg./ha)]).
§ 5. Pour le 1er juin de chaque année, sur base des données de la campagne précédente, l'administration avise par écrit les agriculteurs concernés de la valeur du LSG de leur exploitation, tenant compte notamment des transferts d'effluents réalisés durant la période allant du 1er avril de l'année précédente au 31 mars de l'année en cours.
§ 6. Le taux de liaison au sol global doit être inférieur ou égal à l'unité.]1

[2 § 7. L'agriculteur peut introduire un recours administratif contre les notifications visées aux paragraphes 2 et 5. Le recours est traité conformément aux dispositions prévues aux articles D.17 et D.257 du Code wallon de l'Agriculture.]2
Art. R211. [1 § 1. Elke overdracht van organische meststoffen naar een landbouwbedrijf maakt het voorwerp uit van een spreidingscontract of van een weidecontract.
§ 2. De looptijd van de spreidingscontracten bedraagt ten minste één jaar en ten hoogste drie jaar.
De landbouwer kan spreidingscontracten aangaan met derden voor zover het globale grondgebondenheidscijfer van zijn bedrijf (LSG of LS-Global) onder de eenheid of gelijk aan de eenheid blijft.
In de spreidingscontracten worden minstens de volgende elementen opgenomen :
de verbintenis van de contractanten tot de naleving van alle voorschriften die hen betreffen inzake het stikstofbeheer ;
het soort mest, de hoeveelheid organische stikstof waarop het contract slaat en het equivalent ervan in hoeveelheden organische meststoffen, alsook de datum van inwerkingtreding en de duur van het contract.
§ 3. De landbouwer kan spreidingscontracten aangaan met derden voor zover het globale grondgebondenheidscijfer van zijn bedrijf (LSG of LS-Global) onder de eenheid of gelijk aan de eenheid blijft. De contracten hebben een looptijd van minder dan een jaar.
De beweidingscontracten bevatten minstens volgende gegevens:
de verbintenis van de contractsluitende partijden om alle voorschriften in acht te nemen inzake stikstofbeheer;
de types en aantallen betrokken dieren, begindatum en maximumduur van de beweiding, de ligging van de beweide percelen, de maximale hoeveelheid overgedragen stikstof;
§ 4. Bij elke overdracht van organische meststoffen wordt een document voor de opvolging van de overdracht opgesteld wanneer een spreidingscontract wordt gesloten.
Het document voor de opvolging van de overdracht heeft betrekking op het vervoer van één enkel type meststof die op dezelfde dag vervoerd wordt naar één enkele natuurlijke of rechtspersoon.
In het opvolgingsdocument worden minstens de volgende elementen opgenomen :
de gegevens waarmee het contract op basis waarvan de overdrachten doorgevoerd worden geïdentificeerd kan worden;
de datum van overdracht ;
de aard en de hoeveelheid van de mest waarvan de overdracht overwogen wordt ;
de onmiddellijke bestemming van de meststoffen.
Nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, wordt dit formulier ingevuld om de daadwerkelijk overgedragen hoeveelheden organische meststoffen aan te geven.
§ 5. De in het kader van een spreidingscontract uitgewisselde hoeveelheden worden berekend op basis van de gegevens opgenomen in het opvolgingsdocument dat overeenkomstig paragraaf 7 binnen de bij ministerieel besluit vastgestelde termijnen is ingevuld en overgemaakt. Bij gebrek aan kennisgeving binnen de voorgeschreven termijnen, wordt de overdracht geacht niet te zijn doorgevoerd voor de overdrager maar wel voor de overnemer.
§ 6. De paragrafen 4 en 5 zijn niet van toepassing op de overdragende landbouwbedrijven die stikstof voortbrengen waarvan de veestapel nooit meer dan 2500 kg stikstof voortgebracht heeft. In dat geval worden de uitgewisselde hoeveelheden berekend op basis van het spreidingscontract.
§ 7. De voor het waterbeleid bevoegde Minister bepaalt de modaliteiten voor de uitvoering, de overmaking en de controle op de spreidings- en beweidingscontracten en de opvolgingsdocumenten, na raadpleging van de beroepsorganisaties voor landbouw.]1

Art. R211. [1 § 1er. Tout transfert de fertilisant organique à destination d'une exploitation agricole fait l'objet d'un contrat d'épandage ou d'un contrat de pâturage.
§ 2. Les contrats d'épandage portent sur une durée minimale d'un an mais ne peuvent pas avoir une validité supérieure à trois ans.
L'agriculteur peut conclure des contrats d'épandage avec des tiers pour autant que le taux de liaison au sol global de son exploitation, soit le LSG ou LS-Global, reste inférieur ou égal à l'unité.
Les contrats d'épandage comprennent au moins les éléments suivants :
l'engagement des contractants à respecter toutes les prescriptions les concernant en matière de gestion de l'azote ;
la nature de l'effluent, la quantité d'azote organique concernée par le contrat, et son équivalent en quantités de fertilisants organiques, la date d'entrée en vigueur et la durée du contrat.
§ 3. L'agriculteur peut conclure des contrats de pâturage avec des tiers pour autant que le taux de liaison au sol global de son exploitation, LSG ou LS-Global, reste inférieur ou égal à l'unité. Les contrats portent sur une durée de moins d'un an.
Les contrats de pâturage comprennent au moins les éléments suivants :
l'engagement des contractants à respecter toutes les prescriptions les concernant en matière de gestion de l'azote ;
les types et nombres d'animaux concernés, la date de début et la durée maximale du pâturage, la localisation des parcelles pâturées, la quantité maximale d'azote transférée.
§ 4. Lorsqu'un contrat d'épandage est conclu, un formulaire de suivi du transfert est complété à l'occasion de chaque transfert de fertilisants organiques en lien avec ce contrat d'épandage.
Le formulaire de suivi du transfert porte sur le transport d'un seul type de fertilisant ayant lieu le même jour à destination d'une seule personne physique ou morale.
Il reprend au minimum les indications suivantes :
les données permettant d'identifier le contrat sur la base duquel les transferts sont réalisés ;
la date du transfert ;
la nature de l'effluent et la quantité d'effluent qu'il est envisagé de transférer ;
la destination immédiate des effluents.
Après la réalisation du transfert, ce formulaire est complété afin d'y indiquer les quantités de fertilisant organique effectivement transférées.
§ 5. Les quantités échangées dans le cadre d'un contrat d'épandage sont déterminées sur base des données reprises dans le formulaire de suivi complété et transmis dans les délais définis par arrêté ministériel, conformément au paragraphe 7. En l'absence de notification dans les délais prescrits, le transfert est réputé non réalisé pour le cédant et est réputé réalisé pour le preneur.
§ 6. Les paragraphes 4 et 5 ne s'appliquent pas aux exploitations agricoles productrices d'azote cédantes dont le cheptel n'a jamais produit plus de deux mille cinq cents kilos d'azote. Dans ce cas, les quantités échangées sont déterminées sur la base du contrat d'épandage ou de pâturage.
§ 7. Le Ministre qui a la politique de l'eau dans ses attributions fixe les modalités de mise en oeuvre, de transmission et de contrôle des contrats d'épandage et de pâturage et des formulaires de suivi, après consultation des organisations professionnelles agricoles.]1

Afdeling 6. - [1 Kwetsbare gebieden en bijkomende voorwaarden die toepasselijk zijn op het beheer van stikstof in de landbouw in kwetsbare gebieden]1
Section 6. - [1 Zones vulnérables et conditions supplémentaires applicables à la gestion de l'azote en agriculture dans les zones vulnérables]1
Onderafdeling 1. - [1 Kwetsbare gebieden]1
Sous-section 1re. - [1 Zones vulnérables]1
Art. R212. [1 Om het water te beschermen tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen, wijst de voor het waterbeleid bevoegde Minister kwetsbare gebieden aan op het grondgebied van het Waalse Gewest.]1
Art. R212. [1 Afin de protéger les eaux contre la pollution par le nitrate d'origine agricole, le Ministre ayant la politique de l'eau dans ses attributions désigne des zones vulnérables, sur le territoire de la Région wallonne.]1
Art. R213. [1 § 1. De kwetsbare gebieden worden bepaald op grond van de volgende criteria :
voor het oppervlaktewater dat een nitraatconcentratie bevat of dreigt te bevatten dat hoger ligt dan 50 milligram per liter als de bij artikel R.190 bepaalde maatregelen niet worden getroffen, gaat het om de delen van het grondgebied die de verontreiniging van bedoeld oppervlaktewater door nitraten veroorzaken of daartoe bijdragen;
voor het grondwater dat een nitraatconcentratie bevat of dreigt te bevatten dat hoger ligt dan 50 milligram per liter als de bij artikel R.190 bepaalde maatregelen niet worden getroffen, gaat het om de delen van het grondgebied die de verontreiniging van bedoeld grondwater door nitraten veroorzaken of daartoe bijdragen;
voor de natuurlijke zoetwatermeren en de andere zoetwatermassa's, de estuaria en het kust- of zeewater die in een nabije toekomst geëutrofieerd worden of dreigen te worden als de bij artikel R.190 bepaalde maatregelen niet worden getroffen, gaat het om de delen van het grondgebied die de verontreiniging van bedoelde natuurlijke zoetwatermeren of andere zoetwatermassa's, estuaria en kust- of zeewater door nitraten veroorzaken of daartoe bijdragen.
Bij de toepassing van de criteria bedoeld in het eerste lid houdt de Minister die voor het waterbeleid bevoegd is eveneens rekening met :
de fysische en milieukenmerken van het water, de bodem en de ondergrond;
de huidige stand van kennis inzake het gedrag van de stikstofverbindingen in het water, de bodem en de ondergrond;
de huidige stand van kennis inzake de weerslag van de getroffen maatregelen.
§ 2. De lijst van de kwetsbare gebieden wordt minstens om de vier jaar opnieuw onderzocht en desnoods herzien of aangevuld om rekening te houden met de veranderingen en factoren die op het ogenblik van de vorige aanwijzing niet te voorzien waren.]1

Art. R213. [1 § 1er. Les zones vulnérables sont déterminées selon les critères suivants :
pour les eaux de surface qui contiennent ou risquent de contenir une concentration en nitrate supérieure à 50 milligrammes par litre si les mesures prévues à l'article R.190 ne sont pas prises, ce sont les parties du territoire qui alimentent et qui contribuent à la pollution de ces eaux de surface par le nitrate;
pour les eaux souterraines qui contiennent ou risquent de contenir une concentration en nitrate supérieure à 50 milligrammes par litre si les mesures prévues à l'article R.190 ne sont pas prises, ce sont les parties du territoire qui alimentent et qui contribuent à la pollution de ces eaux souterraines par le nitrate;
pour les lacs naturels d'eau douce, les autres masses d'eau douce, les estuaires et les eaux côtières ou marines qui ont subi ou qui risquent de subir dans un avenir proche une eutrophisation si les mesures prévues à l'article R.190 ne sont pas prises, ce sont les parties du territoire qui alimentent et qui contribuent à la pollution de ces lacs naturels, autres masses d'eau douce, estuaires et eaux côtières ou marines, par le nitrate.
Dans l'application des critères visés à l'alinéa 1er, le Ministre ayant la politique de l'eau dans ses attributions tient également compte :
des caractéristiques physiques et environnementales des eaux, des sols et des sous-sols;
des connaissances actuelles concernant le comportement des composés azotés dans les eaux, les sols et les sous-sols;
des connaissances actuelles concernant l'incidence des mesures prises.
§ 2. La liste des zones vulnérables est réexaminée au moins tous les 4 ans et au besoin révisée ou complétée, afin de tenir compte des changements et des facteurs imprévisibles au moment de la désignation précédente.]1

Onderafdeling 2. - [1 Grondgebondenheidscijfer in kwetsbare gebieden]1
Sous-section 2. - [1 Taux de liaison au sol en zone vulnérable]1
Art. R214. [1 § 1. In de kwetsbare gebieden mag de aanbreng van organische stikstof op de betrokken oppervlakten van het bedrijf over één jaar en voor de gehele gebruikte landbouwoppervlakte van het bedrijf niet hoger zijn dan het gemiddelde van 170 kg per hectare gebruikt akkerland.
§ 2. Voor de bedrijven die minstens één perceel in een kwetsbaar gebied bezitten, wordt het grondgebondenheidscijfer in kwetsbare gebieden van het bedrijf (LSZv of LS - Kwetsbaar gebied)) houdt rekening met alle stromen organische stikstof die het bedrijf binnenkomen en verlaten, met inbegrip van de in de landbouw gevaloriseerde organische stoffen, en wordt aan de hand van volgende formule berekend :
LS-Kwetsbaar gebied = (Voortgebrachte organische stikstof (kgNorg.) + Ingevoerde organische stikstof (kgNorg.) - Uitgevoerde organische stikstof (kgNorg.)) / ([gebruikte landbouwoppervlakte van het bedrijf in kwetsbare gebieden (ha) X 170 (kgNorg./ha)] + [weideoppervlakte van het bedrijf buiten kwetsbare gebieden (ha) X 230 (kgNorg./ha)] + [akkerlandoppervlakte van het bedrijf buiten kwetsbare gebieden (ha) x 115(kgNorg./ha)]).
§ 3. Het grondgebondenheidscijfer in kwetsbare gebieden moet lager zijn dan of gelijk zijn aan een eenheid.
§ 4. Op grond van de [2 beschikbare gegevens van de vorige campagne]2 geeft de administratie de betrokken landbouwers jaarlijks tegen 1 juni schriftelijk kennis van de LSZv-waarde van hun bedrijf, rekening houdend o.a. met de overdrachten van meststoffen tussen 1 april van het vorige jaar en 31 maart van het lopende jaar.]1

[2 § 5. De landbouwer kan een administratief beroep indienen tegen de kennisgeving bedoeld in paragraaf 4. Het beroep wordt behandeld overeenkomstig de bepalingen van de artikelen D.17 en D.257 van het Waalse landbouwwetboek.]2
Art. R214. [1 § 1er. Dans les zones vulnérables, sur une année et pour toute la superficie agricole utilisée de l'exploitation, les apports d'azote organique sur les superficies concernées de l'exploitation ne peuvent dépasser une moyenne de 170 kg par hectare de superficie agricole utilisée.
§ 2. Pour les exploitations possédant au moins une parcelle en zone vulnérable, le taux de liaison au sol en zone vulnérable de l'exploitation (LSZv ou LS - Zone vulnérable) prend en compte tous les flux d'azote organique entrant et sortant de l'exploitation comprenant les flux de fertilisants organiques valorisées en agriculture et est calculé selon la formule suivante :
LS-Zone vulnérable = (Azote organique produit (kg Norg.) + Azote organique importé (kg Norg.) - Azote organique exporté (kg Norg.)) / ([superficie agricole utilisée de l'exploitation en zone vulnérable (ha) X 170(kg Norg./ha)] + [superficie de prairies de l'exploitation hors zone vulnérable (ha) X 230(kg Norg./ha)] + [superficie de terres arables de l'exploitation hors zone vulnérable (ha) X 115(kg Norg./ha)]).
§ 3. Le taux de liaison au sol en zone vulnérable doit être inférieur ou égal à l'unité.
§ 4. Pour le 1er juin de chaque année, sur base des données disponibles [2 de la campagne précédente]2, l'administration avise par écrit les agriculteurs concernés de la valeur du LSZv de leur exploitation, tenant compte notamment des transferts d'effluents réalisés durant la période allant du 1er avril de l'année précédente au 31 mars de l'année en cours.]1

[2 § 5. L'agriculteur peut introduire un recours administratif contre la notification visée au paragraphe 4. Le recours est traité conformément aux dispositions prévues aux articles D.17 et D.257 du Code wallon de l'Agriculture.]2
Onderafdeling 3. - [1 Opvolging van de bedrijven door metingen van potentieel uitspoelbare stikstof]1
Sous-section 3. - [1 Suivi des exploitations par des mesures de l'azote potentiellement lessivable]1
Art. R215. [1 § 1. De administratie controleert jaarlijks minimum 5 percent landbouwbedrijven onder de bedrijven waarvan een deel of het geheel van de landbouwoppervlakte in een kwetsbaar gebied ligt.
§ 2. Binnen de gecontroleerde landbouwbedrijven wijst de administratie drie percelen aan waarop bodemmonsters zullen worden genomen tussen 15 oktober en 30 november met het oog op de dosering van de potentieel uitspoelbare stikstof, alsook een vervangingsperceel waarop de monsterneming aangevuld kan worden [2 wanneer dit gerechtvaardigd is, na een beslissing van de administratie]2.]1

Art. R215. [1 § 1er. L'administration procède chaque année au contrôle d'un minimum de 5 pourcents d'exploitations agricoles parmi celles ayant une partie ou la totalité de leur superficie agricole en zone vulnérable.
§ 2. Au sein des exploitations agricoles contrôlées, l'administration identifie trois parcelles dans lesquelles des échantillons de sol sont prélevés, entre le 15 octobre et le 30 novembre inclus, en vue d'y doser l'azote potentiellement lessivable, ainsi qu'une parcelle de remplacement sélectionnée par l'administration pouvant compléter l'échantillonnage [2 quand cela se justifie, sur décision de l'administration]2.]1

Art. R216. [1 § 1. [2 De voor het waterbeleid bevoegde Minister kan de selectiecriteria bepalen voor de bedrijven die een controle dienen te ondergaan betreffende de potentieel uitspoelbare stikstof, de voorwaarden voor de monsterneming en de verpakking van de monsters, alsook voor de analyse ervan door een erkend laboratorium.]2
§ 2. De administratie geeft het erkend laboratorium dat met de analyse belast is jaarlijks vóór 1 oktober kennis van de adresgegevens van de geselecteerde landbouwbedrijven, alsook van de ligging van de percelen waarop monsters moeten worden genomen.
Als de administratie voor het nemen van bodemmonsters zorgt, verwittigt ze het laboratorium dat met de analyse belast is.
De landbouwer wiens landbouwbedrijf is geselecteerd, wordt minstens zeven werkdagen vóór de datum van de monsterneming verwittigd.
§ 3. De kosten voor de monsterneming, de verpakking en de analyse van de door de administratie geselecteerde monsterneming worden door haar gedragen.
§ 4. De uitslagen van de analyses worden binnen tien werkdagen na de monsterneming door het erkende laboratorium aan de landbouwer en aan de administratie gestuurd.
§ 5. Binnen 15 werkdagen na de eerste monsterneming op de overeenkomstig artikel R.215, § 2, geselecteerde drie percelen, kan de landbouwer op eigen kosten bijkomende monsters laten nemen door een laboratorium van zijn keuze op één of meer percelen waarop voorheen monsters zijn genomen, met het oog op een analyse op tegenspraak volgens de procedure waarin paragraaf 1 voorziet. Het door de landbouwer gekozen erkende laboratorium geeft de administratie minstens vier werkdagen op voorhand telefonisch en met schriftelijke bevestiging kennis van de datum die voor de tegensprekelijke monsterneming voorzien wordt. De bijkomende monsterneming vindt plaats binnen 25 werkdagen na de eerste monsterneming, uiterlijk 20 december. [2 Als er meerdere bijkomende monsternemingen op één perceel zijn verricht, houdt de administratie rekening met het gemiddelde van de resultaten van de tegensprekelijke analyses op dit perceel. Zoniet worden de uitslagen van de voor de landbouwer gunstigste analyses door de administratie in aanmerking genomen.]2
De uitslagen van een tegensprekelijke analyse die niet wordt uitgevoerd volgens de procedure omschreven in deze paragraaf zijn van rechtswege nietig en kunnen niet in aanmerking worden genomen door de administratie.]1

Art. R216. [1 § 1er. [2 Le ministre qui a la politique de l'eau dans ses attributions peut fixer les critères de sélection des exploitations qui font l'objet d'un contrôle relatif à l'azote potentiellement lessivable, les conditions de prélèvement et de conditionnement des échantillons, ainsi que de leur analyse par un laboratoire agréé.]2
§ 2. L'administration communique [2 avant le 1er octobre de chaque année]2 au laboratoire agréé chargé de l'analyse les coordonnées des exploitations agricoles sélectionnées ainsi que l'emplacement des parcelles à échantillonner [2 ...]2.
Si l'administration se charge du prélèvement des échantillons de sol, elle en avertit le laboratoire chargé de l'analyse.
L'agriculteur dont l'exploitation agricole a été sélectionnée est averti au minimum sept jours ouvrables avant la date d'échantillonnage.
§ 3. Les frais de prélèvement, de conditionnement et d'analyse de l'échantillonnage sélectionné par l'administration sont couverts par celle-ci.
§ 4. Les résultats des analyses sont transmis par le laboratoire agréé à l'agriculteur et à l'administration dans les dix jours ouvrables suivant le prélèvement.
§ 5. Dans les 15 jours ouvrables après que le premier prélèvement ait été réalisé sur les trois parcelles sélectionnées conformément à l'article R.215, § 2, l'agriculteur peut demander au laboratoire agréé de son choix et à ses frais, un prélèvement supplémentaire pour une ou plusieurs parcelles précédemment échantillonnées, en vue d'une analyse contradictoire selon la procédure fixée au paragraphe 1er. Le laboratoire agréé choisi par l'agriculteur avertit l'administration par téléphone, avec confirmation écrite, de la date prévue pour le prélèvement contradictoire au minimum quatre jours ouvrables à l'avance, et le prélèvement supplémentaire a lieu endéans 25 jours ouvrables suivant le premier prélèvement, et au plus tard le 20 décembre. [2 Si plusieurs prélèvements supplémentaires ont été effectués sur une parcelle, la moyenne des résultats des analyses contradictoires sur cette parcelle sont pris en compte par l'administration. Sinon, les résultats des analyses les plus favorables à l'agriculteur sont pris en compte par l'administration.]2
Les résultats d'une analyse contradictoire qui n'est pas réalisée selon la procédure décrite au présent paragraphe sont frappés de nullité, de plein droit, et ne peuvent être pris en compte par l'administration.]1

Art. R217. [1 § 1. Op grond van de uitslagen van de " survey surfaces agricoles " waarvan sprake in artikel R.232, gaat de administratie voor elk perceel waarop een monsterneming is verricht na of de gemeten potentieel uitspoelbare stikstof voldoet aan de goede praktijken die nodig zijn voor de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen. De gemeten potentieel uitspoelbare stikstof wordt beschouwd als in overeenstemming zijnde met die goede praktijken indien hij de toegestane afwijking naleeft ten opzichte van de jaarlijkse referentiewaarde bepaald overeenkomstig artikel R.232. De hoogst toegestane afwijking ten opzichte van de referentiewaarde boven welke de potentieel uitspoelbare stikstof niet conform wordt verklaard, wordt bepaald door de Minister die voor het waterbeleid bevoegd is.
§ 2. Voor een gegeven jaar wordt een landbouwbedrijf in overeenstemming verklaard met de goede landbouwpraktijken die nodig zijn voor de bescherming van water tegen stikstofverontreiniging uit agrarische bronnen - hierna "conform verklaard" genoemd - als de twee volgende voorwaarden vervuld zijn :
minstens twee van de drie percelen waarop monsters zijn genomen vertonen een uitslag die aan § 1 voldoet;
geen enkel perceel waarop monsters zijn genomen vertoont tegelijkertijd een overschrijding van de afwijkingsgrens van meer dan 100 % en een overschrijding van die grens van meer dan 100 kilogram per hectare.
In het tegenovergestelde geval wordt het betrokken landbouwbedrijf niet conform verklaard met de goede landbouwpraktijken die nodig zijn voor de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen - hierna " niet conform verklaard " genoemd.
§ 3. Een voor een gegeven jaar niet conform verklaard landbouwbedrijf wordt aan een waarnemingsprogramma voor potentieel uitspoelbare stikstoffen onderworpen overeenkomstig artikel R.220.]1

Art. R217. [1 § 1er. Sur base des résultats du " survey surfaces agricoles " mentionné à l'article R.232, l'administration vérifie, pour chaque parcelle échantillonnée, si l'APL mesuré est conforme aux bonnes pratiques agricoles nécessaires à la protection des eaux contre la pollution par les nitrates à partir de sources agricoles. L'APL mesuré est considéré conforme à ces bonnes pratiques s'il est situé dans la fourchette de tolérance par rapport à la valeur de référence annuelle fixée en application de l'article R.232. Les limites de la fourchette de tolérance par rapport à la valeur de référence au-delà de laquelle un APL est déclaré non conforme sont fixées par les Ministres ayant la politique de l'eau et l'agriculture dans leurs attributions.
§ 2. Pour une année donnée, une exploitation agricole est déclarée conforme aux bonnes pratiques agricoles nécessaires à la protection des eaux contre la pollution par les nitrates à partir de sources agricoles -ci-après dénommée " déclarée conforme " - lorsque les deux conditions suivantes sont réunies :
au moins deux des trois parcelles échantillonnées au sein de celle-ci présentent un résultat répondant au § 1er;
aucune des parcelles échantillonnées ne présente à la fois un dépassement de la limite de tolérance de plus de 100 % et un dépassement de cette limite de plus de 100 kilogrammes par hectare.
Dans le cas contraire, l'exploitation agricole considérée est déclarée non conforme aux bonnes pratiques agricoles nécessaires à la protection des eaux contre la pollution par les nitrates à partir de sources agricoles - ci-après dénommée " déclarée non conforme " - .
§ 3. Une exploitation agricole déclarée non conforme pour une année donnée est soumise à un programme d'observation des APL conformément à l'article R.220.]1

Art. R218. [1 § 1. De administratie laat de landbouwer uiterlijk 28 februari na de monsterneming weten of zijn bedrijf alsook elk individueel perceel waarop monsters zijn genomen al dan niet conform zijn.
§ 2. Bij gemotiveerd schrijven kan de landbouwer binnen dertig dagen na de kennisgeving van de administratie hiertegen een administratief beroep aantekenen. Dat beroep wordt bij de administratie ingediend bij aangetekend schrijven of op elke wijze waaropeen vaststaande datum aan de zending wordt verleend.
Dat beroep kan enkel gemotiveerd worden met erkende uitzonderlijke weersomstandigheden die op de betrokken plaats heersten, of met uitzonderlijke teeltmoeilijkheden die zich hebben voorgedaan bij het beheer van betrokken perceel (percelen) dat/die aangegeven werd(en) in het overeenkomstig artikel R. 216 opgemaakt proces-verbaal van monsterneming., § 1.
De bewijslast van de waarachtigheid van de elementen die het beroep motiveren, rust op de landbouwer.
De administratie onderzoekt het beroep en richt een voorstel van beslissing aan de Minister die voor het waterbeleid bevoegd is. De Minister die voor het waterbeleid bevoegd is maakt zijn op grond van de in lid 2 vermelde criteria gemotiveerde beslissing over binnen drie maanden na ontvangst van het beroep.]1

Art. R218. [1 § 1er. L'administration notifie à l'agriculteur le caractère conforme ou non conforme de son exploitation agricole ainsi que de chaque parcelle individuelle échantillonnée, au plus tard le 28 février suivant le prélèvement.
§ 2. Par lettre motivée, l'agriculteur peut introduire un recours administratif contre cette notification dans les 30 jours suivant la notification de l'administration. Ce recours est introduit à l'administration par lettre recommandée ou par toute modalité conférant date certaine à l'envoi.
Ce recours ne peut être motivé que par des circonstances météorologiques exceptionnelles reconnues ayant prévalu à l'endroit considéré, ou des difficultés culturales exceptionnelles survenues dans la gestion de la ou des parcelles considérées déclarées sur le procès-verbal de prélèvement établi conformément à l'article R.216, § 1er.
La charge d'apporter la preuve de la véracité des éléments motivant le recours incombe à l'agriculteur.
L'administration examine le recours et transmet au Ministre ayant la politique de l'eau dans ses attributions une proposition de décision. Le Ministre ayant la politique de l'eau dans ses attributions transmet sa décision motivée sur base des critères mentionnés à l'alinéa 2 dans les trois mois de la réception du recours.]1

Art. R219. [1 Een landbouwbedrijf wordt niet conform verklaard voor het jaar van de monsterneming, ongeacht de uitslag betreffende de percelen waarop eventueel monsters zijn genomen, als de bodembemonstering in de zin van deze onderafdeling door toedoen van de landbouwer of zijn rechthebbenden onmogelijk wordt gemaakt op één of meerdere percelen van dat landbouwbedrijf, zelfs voor een eventuele monsterneming ter verificatie die door of op verzoek van de administratie georganiseerd wordt.]1
Art. R219. [1 Si le prélèvement de sol aux fins de la présente sous-section est rendu impossible, sur une ou plusieurs parcelles de l'exploitation agricole, par l'action de l'agriculteur ou de ses ayant droits, même à l'occasion d'un éventuel prélèvement de vérification organisé par, ou à la demande de, l'administration, cette exploitation agricole est déclarée non-conforme pour l'année du prélèvement, indépendamment du résultat des parcelles éventuellement échantillonnées.]1
Art. R220. [1 § 1. Een landbouwbedrijf dat onderworpen is aan het waarnemingsprogramma voor potentieel uitspoelbare stikstoffen wordt ertoe verplicht alle nodige maatregelen te treffen voor de inachtneming van de goede landbouwpraktijken die nodig zijn voor de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen. Daartoe kan het in aanmerking komen voor steun en advies van de begeleidingsstructuur.
§ 2. De landbouwer wiens bedrijf onderworpen is aan het waarnemingsprogramma voor potentieel uitspoelbare stikstoffen moet overeenkomstig artikel R.216, § 1, op eigen initiatief en op eigen kosten, jaarlijks metingen van potentieel uitspoelbare stikstoffen door een erkend laboratorium van zijn keuze laten uitvoeren op minstens drie percelen van zijn bedrijf die door de administratie aangewezen worden.
§ 3. De landbouwer wiens bedrijf onderworpen is aan het waarnemingsprogramma voor potentieel uitspoelbare stikstoffen, verwittigt het erkende laboratorium van zijn keuze jaarlijks vóór 1 september. Het door de landbouwer gekozen erkende laboratorium [2 geeft de administratie en de landbouwer minstens 10 werkdagen op voorhand telefonisch]2 en met schriftelijke bevestiging kennis van de datum van de monsterneming, [2 tussen 15 oktober en 30 november inbegrepen]2, en verneemt van de administratie op welke percelen de monsters zullen worden genomen.
§ 4. Als de landbouwer nalaat een erkend laboratorium te kiezen of afziet van de uitvoering van de metingen van de potentieel uitspoelbare stikstoffen overeenkomstig artikel R.216, § 1, worden de potentieel uitspoelbare stikstoffen van zijn bedrijf niet conform verklaard voor het betrokken jaar.
§ 5. Het laboratorium maakt de uitslagen van de analyses aan zijn opdrachtgever en aan de administratie over binnen 10 werkdagen na de monsterneming.
§ 6. Binnen 15 werkdagen na de eerste monsterneming op de overeenkomstig artikel R.215, § 2, geselecteerde percelen kan de landbouwer op eigen kosten een tegensprekelijke analyse laten uitvoeren volgens de modaliteiten bedoeld in artikel R.216, § 6.
§ 7. De administratie laat de landbouwer uiterlijk 28 februari na de monsterneming weten of zijn bedrijf alsook elk individueel perceel al dan niet conform zijn.
§ 8. Er wordt een waarnemingsprogramma voor potentieel uitspoelbare stikstof afgesloten wanneer het landbouwbedrijf door de administratie conform wordt verklaard voor twee opeenvolgende jaarlijkse monsternemingsperiodes.
Het afsluiten van het waarnemingsprogramma voor potentieel uitspoelbare stikstof geeft recht op de terugbetaling door de administratie van de kosten voor de monsterneming, de verpakking en de analyses van de bodemmonsters betreffende het laatste jaar van het waarnemingsprogramma voor de potentieel uitspoelbare stikstoffen. In dat geval verzoekt de administratie de landbouwer uiterlijk 28 februari na de monsterneming erom haar de rekening van het erkende laboratorium voor die periode over te leggen.]1

Art. R220. [1 § 1er. Une exploitation agricole soumise au programme d'observation des APL est tenue de prendre toutes les mesures nécessaires pour respecter les bonnes pratiques agricoles nécessaires à la protection des eaux contre la pollution par les nitrates à partir de sources agricoles. Pour ce faire, elle peut bénéficier de l'aide et des conseils de la structure d'encadrement.
§ 2. L'agriculteur dont l'exploitation agricole est soumise au programme d'observation des APL doit, de sa propre initiative et à ses frais, faire effectuer annuellement des mesures d'APL conformément à l'article R.216, § 1er par un laboratoire agréé de son choix sur trois parcelles de son exploitation agricole désignées par l'administration.
§ 3. Chaque année, l'agriculteur dont l'exploitation agricole est soumise au programme d'observation des APL avertit le laboratoire agréé de son choix avant le 1er septembre. Le laboratoire choisi par l'agriculteur communique [2 par téléphone à l'administration et à l'agriculteur]2, avec confirmation écrite, la date de l'échantillonnage, comprise entre le 15 octobre et le 30 novembre [2 inclus]2, au minimum 10 jours ouvrables avant celui-ci et obtient de l'administration l'emplacement des parcelles à échantillonner.
§ 4. Dans le cas où l'agriculteur omet de choisir un laboratoire agréé ou s'abstient de faire réaliser les mesures d'APL conformément à l'article R.216, § 1er, les APL de son exploitation agricole sont déclarés non conformes pour l'année considérée.
§ 5. Le laboratoire transmet les résultats des analyses à son commanditaire et à l'administration dans les 10 jours ouvrables suivant le prélèvement.
§ 6. Dans les 15 jours ouvrables après que le premier prélèvement ait été réalisé sur les trois parcelles sélectionnées conformément à l'article R.215, § 2, l'agriculteur peut, à ses frais, demander une analyse contradictoire, selon les modalités prévues à l'article R.216, § 5.
§ 7. L'administration communique à l'agriculteur le caractère conforme ou non conforme de son exploitation agricole ainsi que de chaque parcelle individuelle, au plus tard le 28 février suivant le prélèvement.
§ 8. Un programme d'observation des APL d'une exploitation agricole est clôturé lorsque l'exploitation agricole est déclarée conforme par l'administration pour deux périodes annuelles de prélèvement successives.
La clôture du programme d'observation des APL donne droit au remboursement par l'administration des frais de prélèvement, conditionnement et analyse des échantillons de sol de la dernière année du programme d'observation des APL. Dans ce cas, au plus tard le 28 février suivant le prélèvement, l'administration invite l'agriculteur à lui présenter la facture du laboratoire agréé pour cette période.]1

Art. R221.
Art. R221.
Onderafdeling 4. - [1 Andere bijkomende voorwaarden die toepasselijk zijn in kwetsbare gebieden]1
Sous-section 4. - [1 Autres conditions supplémentaires applicables en zone vulnérable]1
Art. R222. [1 § 1. [2 In kwetsbaar gebied komt, met een verhouding van minstens 90% akkerland waarop de oogst heeft plaatsgevonden voor 1 september of dat bestemd is voor een teelt, aangeplant na 1 januari van het daaropvolgende jaar, tegen 15 september, een aanplanting of een spontane groei van een nitraat vasthoudende tussenteelt. In het mengsel waaruit laatstgenoemde bestaat mag de som van de verhoudingen tussen de dichtheid van elk ingezaaide peulgewas en de dichtheid ervan in pure teelt niet 0.5 overschrijden. In bijlage XXIV staat een tabel vermeld met elke zaaidichtheid die doorgaans wordt gebruikt voor de verscheidene zuivere teelten. Voor de soorten die niet in deze tabel vermeld zijn, wordt doorverwezen naar de begeleidingsstructuur bedoeld in artikel 229. Het nitraat vasthoudend tussengewas bedekt de bodem tegen 75% vanaf minstens 1 november, behoudens in het geval van uitzonderlijke weersomstandigheden.]2
§ 2. Die bedekking wordt vernietigd overeenkomstig de voorschriften van artikel R.203, § 2.
§ 3. In kwetsbare gebieden kunnen de voor het waterbeleid bevoegde Minister en de Minister van Landbouw voor een beperkt grondgebied en een beperkte duur en bij specifieke weers-, landbouw- of milieufactoren of -toestanden, in onderlinge overeenstemming bijzondere voorwaarden vastleggen voor de winterbodembedekking.]1

Art. R222. [1 § 1er. [2 En zone vulnérable, une culture intermédiaire piège à nitrate est implantée ou apparaît, pour le 15 septembre, sur une proportion d'au moins nonante pour cent des terres arables sur lesquelles la récolte a eu lieu avant le 1er septembre et qui sont destinées à recevoir une culture implantée après le 1er janvier de l'année suivante. Au sein du mélange composant la culture intermédiaire, la somme des rapports entre la densité de semis de chaque légumineuse et sa densité de semis en culture pure ne peut pas dépasser 0,5 et la somme des rapports entre la densité de semis de chaque non-légumineuse et sa densité en culture pure est supérieure à 0,5. En annexe XXIV figure un tableau qui reprend les densités de semis habituellement utilisées pour les diverses cultures pures. Pour les espèces qui ne se trouvent pas dans ce tableau, il convient de se référer à la structure d'encadrement visée à l'article 229. La culture intermédiaire piège à nitrate recouvre le sol à concurrence de septante-cinq pour cent au moins dès le 1er novembre, sauf dans le cas de circonstances météorologiques exceptionnelles.]2
§ 2. Ce couvert est détruit conformément au prescrit de l'article R.203, § 2.
§ 3. En zone vulnérable, pour un territoire et une durée limités et en cas de contraintes ou situations climatiques, agricoles ou environnementales spécifiques, le Ministre ayant la politique de l'eau dans ses attributions et le Ministre de l'Agriculture peuvent de commun accord fixer des conditions particulières au couvert hivernal.]1

Art. R222 bis.[1 § 1. [2 In kwetsbaar gebied wordt tegen 1 september na iedere teelt van peulgewassen die voor 15 augustus wordt geoogst en die gevolgd wordt door een tarweteelt, een nitraat vasthoudend gewas aangeplant. In het mengsel waaruit laatstgenoemde bestaat mag de som van de verhoudingen tussen de dichtheid van elk ingezaaide peulgewas en de dichtheid ervan in pure teelt niet 0.5 overschrijden en is de som van de verhoudingen tussen de zaaidichtheid van elke niet-vlinderbloemige soort en de dichtheid ervan in pure teelt groter dan 0,5. In bijlage XXIV staat een tabel vermeld met elke zaaidichtheid die doorgaans wordt gebruikt voor de verscheidene zuivere teelten. Voor de soorten die niet in deze tabel vermeld staan, wordt door verwezen naar de begeleidingsstructuur bedoeld in artikel 229. Die bedekking wordt vernietigd vanaf 1 oktober.]2
§ 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing als gewassen aangeplant worden tussen de teelt van voor 1 augustus geoogste peulgewassen en de graanteelt.
§ 3. In kwetsbare gebieden kunnen de voor het waterbeleid bevoegde Minister en de Minister van Landbouw voor een beperkt grondgebied en een beperkte duur en bij specifieke weers-, landbouw- of milieufactoren of -toestanden, in onderlinge overeenstemming bijzondere voorwaarden vastleggen voor de winterbodembedekking.]1

Art. R222 bis.[1 § 1er. [2 En zone vulnérable, pour le 1er septembre, après toute culture de légumineuses récoltée avant le 15 août et suivie d'une culture de froment, est implantée une culture piège à nitrate. Au sein du mélange composant cette dernière, la somme des rapports entre la densité de semis de chaque légumineuse et sa densité de semis en culture pure ne peut pas dépasser 0,5 et la somme des rapports entre la densité de semis de chaque non-légumineuse et sa densité en culture pure est supérieure à 0,5. En annexe XXIV figure un tableau reprenant les densités de semis habituellement utilisées pour les diverses cultures pures. Pour les espèces qui ne se trouvent pas dans ce tableau, il convient de se référer à la structure d'encadrement visée à l'article 229. Ce couvert peut être détruit à partir du 1er octobre.]2
§ 2. Le paragraphe 1er ne s'applique pas si une culture est implantée entre la culture de légumineuses récoltées avant le 1er août et la culture de froment.
§ 3. En zone vulnérable, pour un territoire et une durée limités et en cas de contraintes ou situations climatiques, agricoles ou environnementales spécifiques, le Ministre ayant la politique de l'eau dans ses attributions et le Ministre de l'Agriculture peuvent de commun accord fixer des conditions particulières au couvert hivernal.]1

Art. R223. [1 In kwetsbare gebieden is de spreiding van organische meststoffen met een trage werking verboden van 1 oktober tot en met 15 november.
In kwetsbare gebieden is de spreiding van meststoffen verboden op een bodem waarvan de aan de oppervlakte gemeten temperatuur minstens 24 uren zonder onderbreking negatief is.]1

[2 In afwijking van het eerste lid, en met inachtneming van de in dit hoofdstuk vastgestelde jaarlijkse maximumgehalten, loopt voor het jaar 2024 de periode waarin het spreiden van langzaam werkende organische meststoffen op weiland van 16 oktober tot 15 november.]2
Art. R223. [1 En zone vulnérable, l'épandage de fertilisants organiques à action lente est interdit du 1er octobre au 15 novembre inclus.
En zone vulnérable l'épandage de fertilisants est interdit sur un sol dont la température mesurée à la surface est négative pendant au minimum 24 heures sans discontinuité.]1

[2 Par dérogation à l'alinéa 1er et sous réserve des limites maximales annuelles prévues sous le présent chapitre, pour l'année 2024, la période d'interdiction d'épandage en prairie de fertilisant organique à action lente s'étend du 16 octobre au 15 novembre.]2
Art. R224. [1 In kwetsbaar gebieden worden de percelen die een hellingsgraad vertonen die niet nul is door de administratie onderverdeeld in verschillende risicoklassen inzake het wegspoelen van nitraten. De toegelaten spreidingspraktijken op grasland en op akkerland worden omschreven in bijlage XXII bis omschreven. In de risicoklasse "zeer hoog" wordt het verbod op bemesting met organieke meststoffen met snelle werking, zachte mest of met minerale meststoffen opgeheven wanneer de maatregelen bedoeld in de artikelen 56 tot en met 60 en artikel 62 van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2023 betreffende de gemeenschappelijke begrippen voor de interventies en steunmaatregelen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de randvoorwaarden, en in de daaruit voortvloeiende ministeriële besluiten, worden toegepast.]1
Art. R224. [1 En zone vulnérable, les parcelles présentant une pente non nulle sont réparties par l'administration en différentes classes de risque de transfert latéral des nitrates. Les pratiques d'épandage autorisées en prairies et en terres arables autorisées sont définies en annexe XXIIbis. En classe de risque " Très élevé ", l'interdiction de fertilisation au moyen de fertilisants organiques à action rapide, de fumier mou ou de fertilisants minéraux est levée lorsque sont appliquées les mesures prévues par les articles 56 à 60 et l'article 62 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 février 2023 relatif aux notions communes aux interventions et aides de la politique agricole commune et à la conditionnalité, et par les arrêtés ministériels qui en découlent.]1
Afdeling 7. - [1 Afwijkingen]1
Section 7. - [1 Dérogations]1
Art. R225. [1 In kwetsbare gebieden bepalen de voor het waterbeleid bevoegde Minister en de Minister van Landbouw, onverminderd de inachtneming van de inlichtings- en onderzoeksprocedure voor het verkrijgen van een afwijking overeenkomstig bijlage III, paragraaf 2, derde lid, van de richtlijn, en overeenkomstig de desbetreffende beslissing van de Europese Commissie, de voorwaarden tot toekenning van een afwijking van artikel R.214. De afwijkingen worden op individuele wijze verleend aan de landbouwers die erom verzoeken.]1
Art. R225. [1 En zone vulnérable, sans préjudice du respect de la procédure d'information et d'examen nécessaire à l'obtention d'une dérogation conformément à l'annexe III paragraphe 2 troisième alinéa de la la Directive 91/676/CEE concernant la protection des eaux contre la pollution par les nitrates à partir de sources agricoles, et conformément à la décision de la Commission européenne y relative, le Ministre ayant la politique de l'eau dans ses attributions et le Ministre de l'Agriculture fixent les conditions d'octroi d'une dérogation à l'article R.214. Les dérogations sont octroyées de manière individuelle aux agriculteurs qui en font la demande.]1
Afdeling 8. - [1 Evaluatie van de per dier voortgebrachte stikstofhoeveelheden, van het stikstofgehalte van de dierlijke mest en andere meststoffen]1
Section 8. - [1 Evaluation des quantités d'azote produites par animal, des teneurs en azote des effluents d'élevage et d'autres fertilisants]1
Art. R226. [1 § 1. De per dier en per jaar voortgebrachte stikstofhoeveelheden opgenomen in bijlage XXVI vormen de waarden gebruikt voor de berekening van de organische stikstof voortgebracht bij de vaststelling van de grondgebondenheidscijfers.
De organische stikstof voortgebracht bij de bepaling van de grondgebondenheidscijfers kan evenwel berekend worden op grond van een stikstofbalans bij de uitscheiding die het behoorlijk verantwoorde en door de in artikel R.229 bedoelde begeleidingsstructuur goedgekeurde verschil vormt tussen de opgenomen stikstof en de stikstof vervat in de dierlijke producties. De verliezen van gasachtige stikstof nodig voor de bepaling van de balans worden forfaitair berekend door de begeleidingsstructuur, waarbij meer bepaald rekening wordt gehouden met de voeding, de samenstelling en de omvang van het veebestand, de soorten huisvesting van de dieren, de soorten voortgebrachte dierlijke mest en de hantering ervan. [2 De bovenvermelde balansen hebben een geldigheidsduur van maximum drie jaar.]2
§ 2. De voor het waterbeleid bevoegde Minister en de Minister van Landbouw bepalen de voorwaarden waaronder de in paragraaf 1 van dit artikel bedoelde stikstofbalans opgemaakt wordt.
§ 3. De voor het waterbeleid bevoegde Minister en de Minister van Landbouw kunnen de hoeveelheden per dier en per jaar voortgebrachte stikstof bepalen voor de categorieën dieren die niet opgenomen zijn in bijlage XXVI, op grond van een behoorlijk gemotiveerd verslag van de begeleidingsstructuur bedoeld in artikel R.229.
§ 4. De stikstofgehaltes van de dierlijke mest die als referentie gebruikt wordt, inzonderheid voor de berekening van de ingevoerde en uitgevoerde organische stikstof bij de bepaling van de grondgebondenheidscijfers, zijn opgenomen in bijlage XXVII. Een landbouwer [2 wiens bedrijfseenheid]2 in het Waalse Gewest gevestigd is, kan evenwel afwijkende waarden rechtvaardigen op grond van resultaten van regelmatige analyses die representatief zijn voor de meststoffen, indien ze behoorlijk gerechtvaardigd en goedgekeurd zijn door de begeleidingsstructuur bedoeld in artikel R.229. [2 De bovenvermelde analyses hebben een geldigheidsduur van maximum drie jaar.]2
§ 5. Het stikstofgehalte van andere meststoffen kan door de voor het waterbeleid bevoegde Minister en de Minister van Landbouw vastgesteld worden als het niet gewaarborgd wordt krachtens andere vigerende regelgevingen. Een landbouwer [2 wiens productie-eenheid]2 in het Waalse Gewest gevestigd is, kan evenwel afwijkende waarden rechtvaardigen op grond van resultaten van regelmatige analyses die representatief zijn voor de meststoffen, indien ze behoorlijk gerechtvaardigd en goedgekeurd zijn door de begeleidingsstructuur bedoeld in artikel R. 229.
§ 6. De administratie spreekt zich uit over de productievolumes en de stikstofgehaltes zoals voorgesteld door de landbouwer overeenkomstig de paragrafen 1, 4 en 5. Ze licht de landbouwer uiterlijk drie maanden na indiening van zijn verzoek in bij aangetekend schrijven of op enige andere wijze waarop een vaste dagtekening aan de zending verleend wordt.
Om ontvankelijk te zijn, wordt het verzoek van de landbouwer verstuurd bij aangetekend schrijven of op enige andere wijze waarop een vaste dagtekening aan de zending verleend wordt en wordt het geviseerd door de begeleidingsstructuur waarvan sprake in artikel R.229.]1

Art. R226. [1 § 1er. Les quantités d'azote produites par animal et par an figurant à l'annexe XXVI sont les valeurs utilisées pour le calcul de l'azote organique produit dans l'établissement des LS.
Toutefois, le calcul de l'azote organique produit dans l'établissement des LS peut s'effectuer sur la base d'un bilan d'azote à l'excrétion, représentant la différence entre l'azote ingéré et l'azote contenu dans les productions animales dûment justifiée et approuvée par la structure d'encadrement visée à l'article R.229. Les pertes d'azote gazeux nécessaires à l'établissement du bilan sont évaluées de manière forfaitaire par la structure d'encadrement, en tenant compte notamment de l'alimentation, de la composition et de la taille du cheptel, des types de logements des animaux, des types d'effluents produits et de leur manutention. [2 La durée de validité des bilans susmentionnés est de maximum trois ans.]2
§ 2. Le Ministre ayant la politique de l'eau dans ses attributions et le Ministre de l'Agriculture déterminent les conditions dans lesquelles le bilan d'azote visé au paragraphe 1er sera effectué.
§ 3. Le Ministre ayant la politique de l'eau dans ses attributions et le Ministre de l'Agriculture peuvent déterminer les quantités d'azote produites par animal et par an pour les catégories d'animaux non reprises dans l'annexe XXVI, sur base d'un rapport dûment motivé de la structure d'encadrement visée à l'article R.229.
§ 4. Les teneurs en azote des effluents d'élevage utilisées comme référence, notamment pour le calcul de l'azote organique importé et exporté dans l'établissement des LS, figurent à l'annexe XXVII. Toutefois, un agriculteur [2 dont une unité d'exploitation est située]2 en Région wallonne peut justifier des valeurs différentes sur la base de résultats d'analyses régulières et représentatives des effluents dûment justifiées et approuvées par la structure d'encadrement visée à l'article R.229. [2 La durée de validité des analyses susmentionnées est de maximum trois ans.]2
§ 5. La teneur en azote d'autres fertilisants, si elle n'est pas garantie en vertu d'autres réglementations en vigueur, peut être fixée par le Ministre ayant la politique de l'eau dans ses attributions et le Ministre de l'Agriculture. Toutefois, un agriculteur [2 dont une unité de production est située]2 en Région wallonne peut justifier de valeurs différentes sur la base de résultats d'analyses régulières et représentatives des fertilisants dûment justifiées et approuvées par la structure d'encadrement visée à l'article R.229.
§ 6. L'administration statue sur les volumes de production et les teneurs en azote proposés par l'agriculteur en application des paragraphes 1er, 4 et 5. Elle en informe l'agriculteur par lettre recommandée ou par toute modalité conférant date certaine à l'envoi, au plus tard trois mois après l'introduction de la demande par celui-ci.
Pour être recevable, la demande de l'agriculteur est envoyée par lettre recommandée ou par toute modalité conférant date certaine à l'envoi, et est visée par la structure d'encadrement mentionnée à l'article R.229.]1

Afdeling 9. - [1 Informatieverstrekking]1
Section 9. - [1 Mise à disposition d'informations]1
Art. R227. [1 Elke landbouwer is verplicht de krachtens dit hoofdstuk vereiste informatie op verzoek van de administratie te verstrekken.
De informatie wordt verstrekt binnen de maand volgend op het verzoek.]1

Art. R227. [1 Tout agriculteur est tenu de transmettre, à la demande de l'administration, les informations requises par le présent chapitre.
Cette information est transmise dans le mois suivant la demande.]1

Afdeling 10. - [1 Begeleiding en coördinatie]1
Section 10. - [1 Encadrement et coordination]1
Art. R228. [1 Met het oog op de bevordering van een duurzaam stikstofbeheer in de landbouw organiseren de voor het waterbeleid bevoegde Minister en de Minister van Landbouw een informatieprogramma waarbij zij inzonderheid de landbouwers erom verzoeken de bij dit hoofdstuk opgelegde verplichtingen na te komen.
Zij organiseren eveneens specifieke communicatiecampagnes voor de kwetsbare gebieden.]1

Art. R228. [1 En vue de promouvoir une gestion durable de l'azote en agriculture, le Ministre ayant la politique de l'eau dans ses attributions et le Ministre de l'Agriculture organisent en Région wallonne un programme d'information en invitant notamment les agriculteurs à mettre en oeuvre les obligations requises par le présent chapitre.
Ils organisent également des campagnes de communication spécifiques aux zones vulnérables.]1

Art. R229. [1 § 1. De Regering vertrouwt bij overeenkomst begeleidings- en coördinatieopdrachten van landbouwers [2 wier productie-eenheid]2 in het Waalse Gewest gevestigd is, toe aan één of verschillende instellingen die in dit hoofdstuk onder het begrip "begeleidingsstructuur" vallen.
In ieder geval bemiddelt de begeleidingsstructuur :
in het kader van artikel R.200, § 2, 4° ;
door de toepassingsvoorwaarden van artikel R.221, § 2, goed te keuren;
in het kader van de eventueel overeenkomstig artikel R.225 toegekende afwijkingen;
in het kader van artikel R.226.
De begeleidingsstructuur kan de landbouwers wier bedrijfszetel in het Waalse Gewest is gevestigd ook helpen bij het beheren van het milieurisico voortvloeiend uit hun landbouwbedrijvigheid wat betreft de waterverontreiniging door nitraat.
§ 2. De begeleidingsstructuur bemiddelt bij voorrang in de kwetsbare gebieden.]1

Art. R229. [1 § 1er. Le Gouvernement confie, par convention, des missions d'encadrement et de coordination des agriculteurs dont le siège d'exploitation est situé en Région wallonne, à un ou des organismes rassemblés dans le présent chapitre sous le vocable " structure d'encadrement ".
La structure d'encadrement intervient en tout cas :
dans le cadre de l'article R.200, § 2, 4° ;
en avalisant les conditions d'application de l'article R.221, § 2;
dans le cadre des dérogations éventuellement octroyées conformément à l'article R.225;
dans le cadre de l'article R.226.
La structure d'encadrement peut également aider les agriculteurs dont [2 une unité de production est située]2 en Région wallonne à gérer le risque environnemental de leur activité agricole en ce qui concerne la pollution des eaux par le nitrate.
§ 2. La structure d'encadrement agit en priorité dans les zones vulnérables.]1

Afdeling 11. - [1 Evaluatie en monitoring]1
Section 11. - [1 Evaluation et surveillance.]1
Art. R230. [1 § 1. Om de kwetsbare gebieden aan te wijzen, de vastgestelde lijst ervan te herzien en de doeltreffendheid van de algemene maatregelen van de desbetreffende programma's te evalueren, wordt door de administratie een algemene bewaking van het nitraatgehalte van het water, "survey nitrate" genaamd, georganiseerd op volgende wijze :
de administratie legt een meetnet aan voor nitraat in het oppervlaktewater en in het grondwater en vult het aan met de door de waterproducenten verstrekte gegevens;
onverminderd de bepalingen van afdeling 2) van deel II van bijlage IV bij het Waterwetboek, met als opschrift "bewaking van de chemische toestand van het grondwater", verrichten de exploitanten van aansluitpunten voor tot drinkwater verwerkbaar grondwater met een frequentie zoals voorzien in de tabel in bijlage XXVIII, de analyses van representatieve monsternemingen van het ruwe water die betrekking hebben op volgende parameters : ammoniumstikstof, nitriet en nitraat (resultaten uitgedrukt in, respectievelijk, mg NH4, mg NO2, mg NO3 per liter); zij verstrekken de resultaten van de analyses over één jaar aan de administratie, Departement Leefmilieu en Water, uiterlijk [2 31 januari]2 van het daarop volgende jaar en in de vorm voorgeschreven door de voor het waterbeleid bevoegde Minister;
de exploitanten van aansluitpunten voor tot drinkwater verwerkbaar oppervlaktewater verrichten met de frequentie voorzien in afdeling 5 van deel I van bijlage IV bij het Waterwetboek, de representatieve monsternemingen van het ruwe water die betrekking hebben op volgende parameters : ammoniumstikstof, nitriet en nitraat (resultaten uitgedrukt in, respectievelijk, mg NH4, mg NO2, mg NO3 per liter); zij verstrekken de resultaten van de analyses over één jaar aan de administratie, Departement Leefmilieu en Water, uiterlijk [2 31 januari]2 van het daarop volgende jaar en in de vorm voorgeschreven door de voor het waterbeleid bevoegde Minister.
§ 2. Voor alle meetpunten van het monitoringsnetwerk waarvan de analyse op een nitraatgehalte boven 50 mg/liter wijst, maakt de administratie een beknopt verslag aan de betrokken gemeenten over uiterlijk 30 september van het jaar van ontvangst van de resultaten. Dat verslag vermeldt de precieze lokalisatie van het (de) problematische punt(en), hun nitraatgehalte, de ontwikkeling van die concentratie in de tijd, de vermoedelijke oorsprong van de verontreiniging voor elk punt en de eventuele te treffen verbeteringsmaatregelen. De instelling die belast is met het beheer van het problematische punt, ontvangt een afschrift van dat verslag.]1

Art. R230. [1 § 1er. Afin de désigner les zones vulnérables, d'en réviser la liste établie et d'évaluer l'efficacité des mesures générales des programmes y afférant, une surveillance générale de la teneur en nitrate dans les eaux, appelée " survey nitrate ", est organisée par l'administration de la façon suivante :
l'administration établit un réseau de surveillance du nitrate dans les eaux de surface et dans les eaux souterraines qu'elle complète par les renseignements fournis par les producteurs d'eau;
sans préjudice des dispositions de la section 2) de la partie II de l'annexe IV du Code de l'Eau intitulée " surveillance de l'état chimique des eaux souterraines ", les exploitants de prises d'eau souterraine potabilisable situées en zone vulnérable, effectuent à la fréquence prévue au tableau repris en annexe XXVIII les analyses d'échantillons représentatifs de l'eau brute et portant sur les paramètres suivants : azote ammoniacal, nitrite et nitrate (résultats exprimés respectivement en mg NH4, mg NO2, mg NO3 par litre); ils fournissent les résultats des analyses relatives à une année à l'administration, Département de l'Environnement et de l'Eau au plus tard le [2 31 janvier]2 de l'année suivante et dans les formes prescrites par le Ministre ayant la politique de l'eau dans ses attributions;
les exploitants de prises d'eau de surface potabilisable effectuent à la fréquence prévue à la section 5 de la partie I de l'annexe IV du Code de l'Eau, les analyses d'échantillons représentatifs de l'eau brute aux points de prélèvement et portant sur les paramètres suivants : azote ammoniacal, nitrite et nitrate (résultats exprimés respectivement en mg NH4, mg NO2, mg NO3 par litre); ils fournissent les résultats des analyses relatives à une année à l'administration, Département de l'Environnement et de l'Eau au plus tard le [2 31 janvier]2 de l'année suivante et dans les formes prescrites par le Ministre ayant la politique de l'eau dans ses attributions;
§ 2. Pour tous les points du réseau de surveillance dont l'analyse révèle une teneur en nitrates dépassant 50 milligrammes par litre, l'administration transmet un rapport succinct aux communes concernées au plus tard le 30 septembre de l'année de réception des résultats. Ce rapport signale la localisation précise du ou des points incriminés, leur teneur en nitrates, l'évolution de cette concentration dans le temps, l'origine probable de la pollution pour chaque point et les éventuelles mesures correctrices à prendre. L'organisme qui a en charge la gestion du point incriminé reçoit copie de ce rapport.]1

Art. R231. [1 De nitraatconcentraties in het water worden gemeten via spectrofotometrie van moleculaire absorptie of via enige andere meetmethode die door de administratie is aanvaard en waarmee vergelijkbare resultaten behaald kunnen worden.]1
Art. R231. [1 Les concentrations de nitrate dans les eaux sont mesurées par spectrophotométrie d'absorption moléculaire ou par toute autre méthode de mesure acceptée par l'administration, et permettant d'obtenir des résultats comparables.]1
Art. R232. [1 Jaarlijks stellen de voor het waterbeleid bevoegde Minister en de Minister van Landbouw de referentiewaarden op voor potentieel uitspoelbare stikstoffen, aan de hand waarvan de impact van de ondernomen acties geëvalueerd kunnen worden en de uitgevoerde maatregelen bijgesteld kunnen worden met het oog op de bestrijding van waterverontreiniging door nitraten. Die waarden worden ondermeer op grond van de volgende elementen vastgelegd :
de weersomstandigheden die het betrokken jaar hebben gekenmerkt;
de resultaten van de stikstofprofielen verspreid in een netwerk van respresentatieve meetpunten, " survey surfaces agricoles " genaamd;
het soort gewassen;
de ligging en de bodemkundige voorwaarden. ".
De voor het waterbeleid bevoegde Minister kan de modaliteiten tot uitvoering van de " survey surfaces agricoles " bepalen.]1

Art. R232. [1 Chaque année, les Ministres qui ont la politique de l'eau et l'agriculture dans leurs attributions établissent des valeurs de référence d'azote potentiellement lessivable (APL) permettant d'évaluer les incidences des actions entreprises et d'orienter les mesures mises en oeuvre en vue de lutter contre la pollution des eaux par le nitrate. Ces valeurs sont établies en se basant notamment sur les éléments suivants :
les conditions météorologiques ayant prévalu dans l'année;
les résultats de profils azotés distribués en un réseau de points représentatifs appelé " survey surfaces agricoles ";
le type de culture;
la localisation géographique et les conditions pédologiques. ".
Le Ministre ayant la politique de l'eau dans ses attributions peut fixer les modalités de mise en oeuvre du " survey surfaces agricoles ".]1

TITEL VIII. - Financiering van het beheer van de natuurlijke cyclus.
TITRE VIII. - Financement de la gestion du cycle naturel.
DEEL III. - BEHEER VAN DE ANTHROPISCHE WATERCYCLUS.
PARTIE III. - GESTION DU CYCLE ANTHROPIQUE DE L'EAU.
TITEL I. - Fasen van de anthropische watercyclus.
TITRE Ier. - Phases du cycle anthropique de l'eau.
HOOFDSTUK I. - Begripsomschrijvingen.
CHAPITRE Ier. - Définitions.
Art. R233. Voor de toepassing van deze regelgevende bepalingen dient te worden verstaan onder :
" agglomeratie " : zone waarin de bevolking en/of de economische activiteiten voldoende geconcentreerd zijn opdat het stedelijk afvalwater opgevangen kan worden om vervolgens naar een zuiveringsstation of een definitieve lozingsplaats afgevoerd te worden;
" besluiten genomen ter uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning " : besluiten betreffende de integrale en sectorale voorwaarden die van toepassing zijn op individuele zuiveringssystemen;
" [2 Comité van deskundigen voor de autonome zuivering]2 " : het Comité van deskundigen belast met de behandeling van de aanvragen tot erkenning van zuiveringssystemen (...);
[3 3° bis "samenstelling": de chemische samenstelling van een metaal, email, keramiek of ander anorganisch materiaal. ]3
[1 Afwateringsovereenkomst : overeenkomst inzake wederkerige verbintenissen voorvloeiend uit het overleg tussen de gemeenten, de erkende saneringsinstellingen, het Gewest en de "S.P.G.E.", tot bepaling van de onderzoeks- en uitvoeringsprioriteiten inzake afwatering en opvolging van de saneringsplannen per onderstroomgebied binnen de verschillende agglomeraties op het gemeentelijke grondgebied.]1
" bevoegde directoraten-generaal van het Ministerie van het Waalse Gewest " : het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, het Directoraat-generaal Plaatselijke Besturen, het Directoraat-generaal Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Patrimonium;
[2 5°bis "het departement" : het Departement Leefmilieu en Water van het Operationele Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu;]2
" stedelijk afvalwater " : huishoudelijk afvalwater of mengsel van huishoudelijk afvalwater en industrieel afvalwater en/of afvloeiend hemelwater;
" scheidingsriolering " : riolering waarin enkel huishoudelijk afvalwater geloosd wordt, met uitzondering van regenwater en helder parasietwater;
" prioritaire afwatering " : afwatering in agglomeraties, waarvan het aantal inwoner-equivalenten hoger dan of gelijk is aan 2 000, plus eventueel de afwatering van andere agglomeraties van minder dan 2 000 IE waaraan de afwatering van andere agglomeraties van minder dan 2 000 inwoner-equivalenten toegevoegd mogen worden, bepaald door de Regering in functie van de milieuprioriteiten die zijn vastgesteld krachtens (artikel D.217); (elke zone vallende onder de collectieve sanering op het saneringsplan per onderbekken vormt een prioritaire afwateringszone.)
" gemeenschappelijke zuivering " : zuiveringsproces uitgevoerd door een gemeenschappelijk zuiveringsstation;
10° " individuele zuivering " : zuiveringsproces uitgevoerd door een individueel zuiveringssysteem;
11° " inwonerequivalent " of afgekort " IE " : biologisch afbreekbare organische belasting met een biochemisch zuurstofverbruik over vijf dagen (BZV5) van 60 g zuurstof per dag;
(11°bis "zone-onderzoek" : onderzoek dat in een prioritaire zone uitgevoerd wordt om ten opzichte van de na te streven kwaliteitsdoelstellingen te bepalen of de gemeenschappelijke saneringsregeling voor het deel van het grondgebied dat onder die zone valt, het meest geschikt is dan wel te bepalen welk zelfstandig saneringssysteem het best toegepast wordt:)
12° " gebeurtenis " : elk feit waardoor de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water aangetast wordt of kan worden;
[3 12° bis "gevaarlijk voorval": een gebeurtenis waardoor gevaren worden geïntroduceerd in het systeem dat voor menselijke consumptie bestemd water levert, of waardoor deze gevaren niet uit het systeem worden verwijderd.]3
13° " eutrofiëring " : verrijking van het water door nutriënten, vooral stikstof- en/of fosforverbindingen, die leidt tot een versnelde groei van algen en hogere plantaardige levensvormen met als gevolg een ongewenste verstoring van het evenwicht tussen de verschillende in het water aanwezige organismen en een verslechtering van de waterkwaliteit;
[2 13°bis "exploitant" : persoon die een gebouw bewoont, in welke hoedanigheid ook, of die belast is met het beheer van een gebouw voorzien van een individueel zuiveringssysteem;]2
14° ("septische put" : voorziening voor de voorbehandeling van al het huishoudelijk afvalwater door vloeibaarmaking, met uitzondering van regenwater;)
15° " beheerder van een gebeurtenis " : de persoon die daar binnen zijn diensten toe aangewezen is door de leverancier, die verantwoordelijk is voor het beheer van de gebeurtenis;
16° " woning " : vaste installatie in de zin van artikel 84, § 1, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium (die stedelijk afvalwater loost);
[2 16°bis "installateur" : onderneming opgericht als natuurlijke of rechtspersoon verantwoordelijk voor de goede uitvoering van de werken voor de installatie en de inbedrijfname van een individueel zuiveringssysteem;]2
17° ("nieuwe woning" : woning waarvan de stedenbouwkundige vergunning in eerste instantie afgeleverd is na 20 juli 2003;)
18° ("erkende saneringsinstelling" : vereniging van gemeenten erkend door de Waalse regering overeenkomstig de artikelen D.343 en D.344;)
19° ("bevoegde saneringsinstelling" : de overeenkomstig artikel D.343 erkende vereniging van gemeenten in het ambtsgebied waarvan de betrokken agglomeratie of het betrokken deel van het grondgebied gelegen is;)
20° " algemeen gemeentelijk afwateringsplan " : het algemeen gemeentelijk afwateringsplan goedgekeurd door de Minister overeenkomstig het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 19 september 1991;
21° " saneringsplan per hydrografisch onderbekken [2 of afgekort P.A.S.H. (saneringsplan per onderstroomgebied)]2 " : werktuig voor de planning en de cartografische voorstelling van de sanering per hydrografisch onderbekken;
[2 21°bis "plaatselijk zwart punt" : zone afgebakend in autonome of voorlopige zuivering tot een beperkt aantal woningen waarvan het afvalwater een gevaar vormt voor de gezondheid of de veiligheid van de personen of de huis- of fokdieren of een aantasting van de volksgezondheid;]2
[3 21° ter "risico": voor het begrip van de bepalingen van deel III, titel I, hoofdstukken III en IV van dit Wetboek is risico een combinatie van de waarschijnlijkheid dat een gevaarlijke gebeurtenis zich voordoet en de ernst van de gevolgen, indien het gevaar en de gevaarlijke gebeurtenis zich voordoen in het systeem dat voor menselijke consumptie bestemd water levert.]3
22° " gemeenschappelijk zuiveringsstation " : zuiveringsstation dat stedelijk afvalwater van een agglomeratie behandelt;
[3 22° bis "uitgangsstof": een stof die doelbewust wordt toegevoegd bij de productie van organische materialen of hulpstoffen voor materialen op basis van cement.]3
23° " opvangsysteem " : geheel van de rioleringen, werken en verzamelleidingen die stedelijk afvalwater opvangen en naar een gemeenschappelijke waterzuiveringsinstallatie of een definitieve lozingsplaats afvoeren;
24° " individueel zuiveringssysteem " : individuele zuiveringseenheid, individuele zuiveringsinstallatie, individueel zuiveringsstation voor de zuivering van het door één of meer woningen geloosde huishoudelijk afvalwater [2 ...]2 onder de voorwaarden bepaald bij de uitvoeringsbesluiten van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning;
[2 24°bis "individuele zuiveringseenheid" : individueel zuiveringssysteem in staat tot behandeling van een hoeveelheid huishoudelijk afvalwater gelijk aan een vuilvracht van 20 inwoner-equivalent of minder
24°ter "individuele zuiveringsinstallatie" : individueel zuiveringssysteem in staat tot behandeling van een hoeveelheid huishoudelijk afvalwater gelijk aan een vuilvracht begrepen tussen twintig en honder inwoner-equivalent;
24°quater "individueel zuiveringsstation" : individueel zuiveringssysteem in staat tot behandeling van een hoeveelheid huishoudelijk afvalwater gelijk aan een vuilvracht die gelijk is aan of groter is dan honderd inwoner-equivalent;]2

25° " toereikende behandeling " : behandeling van geloosd stedelijk afvalwater door middel van een proces en/of afvoersysteem waardoor het ontvangende oppervlaktewater de kwaliteitsdoelstellingen haalt en aan de relevante bepalingen van de (artikelen R.298 tot en met R.303) voldoet;
26° " primaire behandeling " : behandeling van stedelijk afvalwater door middel van een fysisch en/of chemisch proces van bezinking van gesuspendeerde stoffen, of andere processen waarbij het BZV 5 van het inkomende afvalwater vóór de lozing met ten minste 20 % wordt verminderd en de totale hoeveelheid gesuspendeerde stoffen in het inkomende afvalwater met ten minste 50 % wordt verminderd;
27° " secundaire behandeling " : behandeling van stedelijk afvalwater door middel van een proces waarbij in het algemeen biologische behandeling met secundaire bezinking plaatsvindt of een ander proces dat het mogelijk maakt de in bijlage [XXIV] vermelde eisen in acht te nemen;
28° " tertiaire behandeling " : behandeling die de secundaire behandeling aanvult en het mogelijk maakt de in bijlage (XXX) vermelde normen in acht te nemen;
[3 28° bis "winningsgebied": het gebied of hydrogeologisch gebied waar grond- of oppervlaktewater op een bepaald punt wordt afgenomen.]3
29° " gebieden bestemd voor verstedelijking " : gebieden bedoeld in artikel 25, tweede lid, 1° tot [8°], van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium.
[30° "prioritaire zone" : zone die onder de zelfstandige saneringsregeling valt en die gekenmerkt wordt door een of meerdere waterlichamen die een risico inhouden of in aanmerking komen voor een bijzonder beschermingsstatuut en die voorwerp is van een zone-onderzoek.]
Art. R233. Pour l'application des présentes dispositions réglementaires, il faut entendre par :
" agglomération " : zone dans laquelle la population et/ou les activités économiques sont suffisamment concentrées pour qu'il soit possible de collecter les eaux urbaines résiduaires pour les acheminer vers une station d'épuration ou un point de rejet final;
" arrêtés pris en exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement " : arrêtés relatifs aux conditions intégrales et sectorielles applicables aux systèmes d'épuration individuelle;
" [2 comité d'experts pour l'assainissement autonome]2 " : le comité d'experts chargés de l'examen des dossiers d'agrément des systèmes d'épuration individuelle (...);
[3 3° bis "composition" : la composition chimique d'un matériau inorganique métallique, en émail, céramique ou autre matériau inorganique. ]3
[1 Contrat d'égouttage : convention d'engagements réciproques résultant de la concertation entre des communes, des organismes d'assainissement agréés, la Région et la S.P.G.E., pour définir les priorités d'études et de réalisations tant en matière d'égouttage que de suivi des plans d'assainissement par sous-bassin hydrographique au sein des différentes agglomérations présentes sur le territoire communal.]1
" directions générales compétentes du Ministère de la Région wallonne " : La Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, la Direction générale des Pouvoirs locaux, la Direction générale de l'Aménagement du Territoire, du Logement et du Patrimoine;
[2 5°bis "le département" : le Département de l'Environnement et de l'Eau de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement;]2
" eaux urbaines résiduaires " : les eaux usées domestiques ou le mélange des eaux usées domestiques avec les eaux usées industrielles et/ou des eaux de ruissellement;
" égout séparatif " : égout conçu pour ne recevoir que les rejets d'eaux usées domestiques à l'exception de l'ensemble des eaux pluviales et des eaux claires parasites;
" égouttage prioritaire " : égouttage se rapportant aux agglomérations, dont le nombre d'équivalent-habitant est supérieur ou égal à 2 000 auxquelles peut s'ajouter l'égouttage d'autres agglomérations de moins de 2 000 EH déterminées par le Gouvernement en fonction des priorités environnementales fixées en vertu de (l'article D.217); (toute zone reprise en assainissement collectif au plan d'assainissement par sous-bassin hydrographique constitue une zone d'égouttage prioritaire;)
" épuration collective " : procédé d'épuration réalisé par une station d'épuration collective;
10° " épuration individuelle " : procédé d'épuration réalisé par un système d'épuration individuelle;
11° " équivalent-habitant " ou en abrégé " EH " : unité de charge polluante représentant la charge organique biodégradable ayant une demande biochimique d'oxygène en cinq jours (DBO5) de 60 grammes par jour;
(11°bis "étude de zone" : étude réalisée en zone prioritaire en vue de déterminer, au regard des objectifs de qualité à atteindre si, pour la portion de territoire couverte par cette zone, le régime d'assainissement collectif serait plus adéquat, ou de déterminer quel est le système d'assainissement autonome le plus approprié;)
12° " événement " : tout fait altérant ou pouvant altérer la qualité de l'eau destinée à la consommation humaine;
[3 12° bis "événement dangereux" : un événement qui introduit des dangers dans le système d'approvisionnement en eaux destinées à la consommation humaine, ou qui ne supprime pas ces dangers du système.]3
13° " eutrophisation " : l'enrichissement de l'eau en éléments nutritifs, notamment des composés de l'azote et/ou du phosphore, provoquant un développement accéléré des algues et des végétaux d'espèces supérieures qui entraîne une perturbation indésirable de l'équilibre des organismes présents dans l'eau et une dégradation de la qualité de l'eau en question;
[2 13°bis "exploitant" : personne qui occupe, à quel que titre que ce soit, ou qui est chargée de la gestion d'un bâtiment pourvu d'un système d'épuration individuelle;]2
14° ("fosse septique" : dispositif de prétraitement par liquéfaction de l'ensemble des eaux usées domestiques, à l'exception des eaux pluviales;)
15° " gestionnaire d'événement " : la personne désignée à cet effet par le fournisseur, au sein de ses services, qui est responsable de la gestion de l'événement;
16° " habitation " : installation fixe au sens de l'article 84, § 1er, du CWATUP (et rejetant des eaux urbaines résiduaires);
[2 16°bis "installateur" : entreprise constituée en personne physique ou morale responsable de la bonne exécution des travaux d'installation et de la mise en service d'un système d'épuration individuelle;]2
17° ("nouvelle habitation" : habitation dont le permis d'urbanisme est délivré, en première instance, ultérieurement au 20 juillet 2003;)
18° ("organisme d'assainissement agréé" : association de communes agréée par le Gouvernement wallon conformément aux articles D.343 et D.344;)
19° ("organisme d'assainissement compétent" : association de communes agréée conformément à l'article D.343 dans le ressort de laquelle est située l'agglomération ou la portion de territoire concernée;)
20° " plan communal général d'égouttage (PCGE) " : le plan communal général d'égouttage approuvé par le Ministre en application de l'arrêté de l'Exécutif régional wallon du 19 septembre 1991;
21° " plan d'assainissement par sous-bassin hydrographique [2 ou en abrégé P.A.S.H.]2" : outil de planification et de représentation cartographique de l'assainissement par sous-bassin hydrographique;
[2 21°bis "point noir local" : zone circonscrite en assainissement autonome ou transitoire à un nombre restreint d'habitations dont les eaux usées présentent un danger pour la santé ou la sécurité des personnes ou des animaux domestiques ou d'élevage ou une atteinte à la salubrité publique;]2
[3 21° ter "risque" : pour la compréhension des dispositions couvertes sous les chapitres III et IV, du Titre Ier de la Partie III du présent code, le risque est une combinaison de la probabilité qu'un événement dangereux se produise et de la gravité des conséquences, si le danger et l'événement dangereux surviennent dans le système d'approvisionnement en eaux destinées à la consommation humaine.]3
22° " station d'épuration collective " : station d'épuration qui traite les eaux urbaines résiduaires en provenance d'une agglomération;
[3 22° bis "substance de départ" : une substance ajoutée intentionnellement dans la production de matériaux organiques ou d'adjuvants pour matériaux à base de ciment.]3
23° " système de collecte " : ensemble des égouts, des ouvrages et des collecteurs qui recueillent et acheminent les eaux urbaines résiduaires vers une station d'épuration collective ou un point de rejet final;
24° " système d'épuration individuelle " : unité d'épuration individuelle, installation d'épuration individuelle, station d'épuration individuelle comprenant l'équipement permettant l'épuration des eaux usées domestiques rejetées par une habitation ou groupe d'habitations [2 ...]2 dans les conditions définies par les arrêtés pris en exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement;
[2 24°bis "unité d'épuration individuelle" : système d'épuration individuelle capable de traiter un volume d'eaux usées domestiques correspondant à une charge polluante inférieure ou égale à vingt équivalent-habitant;
24°ter "installation d'épuration individuelle" : système d'épuration individuelle capable de traiter un volume d'eaux usées domestiques correspondant à une charge polluante comprise entre vingt et cent équivalent-habitant;
24°quater "station d'épuration individuelle" : système d'épuration individuelle capable de traiter un volume d'eaux usées domestiques correspondant à une charge polluante égale ou supérieure à cent équivalent-habitant;]2

25° " traitement approprié " : le traitement des rejets des eaux urbaines résiduaires par tout procédé et/ou système d'évacuation qui permettent de respecter les objectifs de qualité qui s'appliquent à l'eau de surface réceptrice ainsi que de répondre aux dispositions pertinentes des (articles R.298 à R.303);
26° " traitement primaire " : le traitement des eaux urbaines résiduaires par un procédé physique et/ou chimique comprenant la décantation des matières solides en suspension ou par d'autres procédés par lesquels la DBO5 des eaux urbaines résiduaires entrantes est réduite d'au moins 20 % avant le rejet et le total des matières solides en suspension des eaux résiduaires entrantes d'au moins 50 %;
27° " traitement secondaire " : le traitement des eaux urbaines résiduaires par un procédé comprenant généralement un traitement biologique avec décantation secondaire ou par un autre procédé permettant de respecter les conditions sectorielles d'émission reprises à l'annexe (XXIX);
28° " traitement tertiaire " : traitement complémentaire au traitement secondaire permettant de respecter les conditions sectorielles d'émission reprises à l'annexe (XXX);
[3 28° bis "zone de captage" : aire ou bassin hydrogéologique d'alimentation d'un prélèvement ponctuel d'eau souterraine ou de surface.]3
29° " zones destinées à l'urbanisation " : les zones visées à l'article 25, alinéa 2, 1° à (8°), du CWATUP.
[30° "zone prioritaire" : zone relevant du régime d'assainissement autonome, caractérisée par une ou des masse(s) d'eau identifiée(s) comme étant à risques ou bénéficiant d'un statut de protection particulier et sur laquelle est pratiquée une étude de zone.]
HOOFDSTUK II. - Opdrachten en organisatie van het Waalse Fonds van voorschotten voor het herstel van schade veroorzaakt door de grondwaterwinning en pomping.
CHAPITRE II. - Missions et organisation du Fonds wallon d'avances pour la réparation des dommages provoqués par des prises et des pompages d'eau.
Afdeling I. - Opdrachten van het Fonds.
Section 1re. - Missions du fonds.
Art. R234. Het Fonds staat voorschotten toe enkel binnen de grenzen en aan de voorwaarden bepaald in deze afdeling.
Art. R234. Le Fonds ne consent d'avances que dans les limites et aux conditions définies par la présente section.
Art. R235. § 1. In geval van schade aan panden en aan grondstukken heeft het voorschot betrekking op de herstelkosten van de panden en grondstukken.
Indien het bedrag van de werken hoger is dan de waardevermindering van het goed of indien de schade onherstelbaar is, mag het bedrag van het voorschot niet hoger zijn dan dat van de waardevermindering.
De waardevermindering is te begrijpen als het verschil tussen de verkoopwaarde van het pand op de dag van de vaststelling voorzien in artikel 213 van het decreetgevende deel en zijn waarde vóór de schade. Er wordt geen rekening gehouden met de waardevermindering welke het enig gevolg is van de plaatsbepaling van het goed in het geteisterd gebied.
§ 2. In geval van schade aan industriële gebouwen of aan machines en installaties geïncorporeerd in deze gebouwen wordt het voorschot toegestaan enkel indien de schade van aard is een vermindering van de bedrijfsactiviteit te veroorzaken.
Het voorschot is onderworpen aan de regels van § 1.
Het bedrag toegestaan als voorschot mag de aankoopwaarde van deze gebouwen niet overschrijden, na aftrek van de afschrijvingen.
Art. R235. § 1er. Dans le cas de dommages à des immeubles bâtis et à des fonds de terre, l'avance a pour objet les frais de remise en état des bâtiments et des fonds de terre.
Si le coût des travaux dépasse la moins-value du bien ou si les dégâts sont irréparables, le montant de l'avance ne peut excéder celui de la moins-value.
La moins-value s'entend de la différence entre la valeur vénale de l'immeuble au jour du constat qui est prévu à l'article 213 de la partie décrétale et sa valeur avant le dommage. Il n'est pas tenu compte de la moins-value résultant de la seule localisation du bien en zone sinistrée.
§ 2. Dans le cas de dommages à des bâtiments industriels ou à des machines et installations incorporées à ces immeubles, l'avance n'est accordée que si les dégâts sont de nature à causer une diminution de l'activité de l'entreprise.
L'avance est soumise aux règles du § 1er.
Le montant accordé à titre d'avance ne peut excéder la valeur d'acquisition de ces immeubles, déduction faite des amortissements.
Art. R236. In geval van schade aan het plantenleven is het voorschot bestemd voor het vergoeden geheel of ten dele van het geleden verlies tijdens de duur van het dalen van de grondwaterlaag zoals het vastgesteld is door het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, op basis namelijk van piëzometrische metingen.
Art. R236. Dans le cas de dommages à la végétation, l'avance est destinée à indemniser en tout ou en partie la perte subie durant la période d'abaissement de la nappe, telle qu'elle est fixée par la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau sur la base notamment des relevés piézométriques.
Art. R237. In geval van nadeel veroorzaakt door de niet-bezetting of niet-gebruik van heel of een deel van een gebouw bestemd voor woning is het voorschot bestemd voor het verlies van het genot tijdens de normale duur van de herstelling of van de herbouwing.
Het verlies van het genot wordt berekend volgens de huurwaarde van het geteisterd gebouw.
Art. R237. Dans le cas de préjudice causé par la non-occupation ou la non-utilisation de tout ou partie d'un immeuble à usage d'habitation, l'avance a pour objet la perte de jouissance pendant la période normale de réparation ou de reconstruction.
La perte de jouissance est calculée d'après la valeur locative de l'immeuble sinistré.
Art. R238. In geval van de verhuis van de bewoners van geteisterde gebouwen is het voorschot bestemd om de verhuiskosten geheel of ten dele te dekken op basis van de factuur.
In geval van herhuisvesting van de bewoners van geteisterde gebouwen is het voorschot bestemd om de herbergeringskosten tijdens maximum twee maanden geheel of ten dele te dekken. Dit voorschot mag niet gecumuleerd worden met het in artikel 237 voorziene voorschot.
Art. R238. Dans le cas de déménagement des occupants d'immeubles sinistrés, l'avance est destinée à couvrir en tout ou en partie les frais de déménagement sur la base de facture.
Dans le cas de relogement d'occupants d'immeubles sinistrés, l'avance est destinée à couvrir en tout ou en partie les frais d'hébergement pendant deux mois au maximum. Cette avance ne peut être cumulée avec l'avance prévue à l'article 237.
Art. R239. Het Fonds kan een voorschot toestaan bestemd om de erelonen en kosten, provisioneel of definitief, opgesteld door de bij vonnis aangeduide deskundige te dekken.
Indien het vonnis volgt na de indiening van de voorschotaanvraag, kan een bijkomende aanvraag ingediend worden.
Art. R239. Le Fonds peut consentir une avance destinée à couvrir les états d'honoraires et frais, provisionnels ou définitifs, établis par les experts désignés par jugement.
Si le jugement intervient après l'introduction de la demande d'avance, une demande complémentaire peut être introduite.
Art. R240. Het basisbedrag voor het berekenen van het voorschot wordt naar billijkheid bepaald volgens de samenstellende elementen van de schade zoals zij in artikelen 235 tot en met 239 bepaald zijn.
Het als voorschot toegestaan bedrag is gelijk aan het product van dit basisbedrag, vermenigvuldigd door het maximumpercentage van de verantwoordelijkheden toegekend aan het geheel van personen in rechte gedagvaard overeenkomstig artikel 212 van het decreetgevende deel, zoals dit percentage door de ambtenaar of de erkende deskundige geschat is tijdens de in artikel 213 van het decreetgevende deel voorziene vaststelling.
Art. R240. Le montant de base du calcul de l'avance est déterminé en équité d'après les éléments constitutifs des dommages, tels qu'ils sont définis aux articles 235 à 239.
Le montant accordé à titre d'avance est égal au produit de ce montant de base, multiplié par le pourcentage maximum des responsabilités attribuées à l'ensemble des personnes citées en justice conformément à l'article 212 de la partie décrétale, tel que ce pourcentage a été estimé par l'agent ou l'expert agréé lors du constat prévu à l'article 213 de la partie décrétale.
Art. R241. Het Fonds is belast met de financiering van de uitvoering van de algemene maatregelen en studies, gevorderd door de Minister, om de in artikel 210, eerste lid van het decreetgevende deel bedoelde schade te voorkomen en te beperken op de voorwaarde dat deze maatregelen en studies betrekking hebben op beraamde of bestaande grondwaterwinningen waarvan de som van de toegelaten afvloeiingsvermogens betreffende éénzelfde grondwaterlaag hoger is dan twee miljoen m3 per jaar.
Deze algemene studies moeten als basis kunnen dienen voor elk onderzoek dat ingesteld zou worden bij een aanvraag tot vergoeding.
Zij mogen niet toevertrouwd worden aan instellingen die belang hebben in de uitbating van de bestudeerde grondwaterlaag.
Art. R241. Le Fonds est chargé de financer l'exécution des mesures et des études générales, commandées par le Ministre, en vue de prévenir et de limiter les dommages visés à l'article 210, alinéa 1er, de la partie décrétale, à la condition que ces mesures et études concernent des prises d'eau souterraine projetées ou existantes dont la somme des débits autorisés, relatifs à une même nappe aquifère, est supérieure à deux millions de mètres cube d'eau par an.
Ces études générales doivent pouvoir servir de base à toute expertise qui serait établie lors d'une demande d'indemnisation.
Elles ne peuvent être confiées à des organismes intéressés par l'exploitation de la nappe aquifère étudiée.
Afdeling II. - Procedure.
Section 2. - Procédure.
Art. R242. De voorschotaanvragen worden aan het Secretariaat van het Fonds gericht. Zij worden aangevuld door de volgende stukken :
een afschrift, eensluidend verklaard door de griffie van het vredegerecht, van het proces-verbaal van het verschijnen tot minnelijke schikking, voorzien door artikel 212 van het decreetgevende deel;
het origineel of het door de griffie van het vredegerecht eensluidend verklaard afschrift van de in artikel 212 van het decreetgevende deel bedoelde dagvaarding;
een afschrift van de vaststelling van de schade, bedoeld in artikel 213 van het decreetgevende deel;
een uittreksel, in dubbel exemplaar, van het kadastraal plan dat de ligging van het pand, van het grondstuk aanduidt evenals een uittreksel van de kadastrale legger dat het kadastraal inkomen van het pand of van het grondstuk aanduidt;
een uittreksel, in dubbel exemplaar, van de topografische kaart van de streek op de schaal van 1/10 000 dat de ligging van het pand of van het grondstuk aanduidt;
in dubbel exemplaar, de bewijsstukken eventueel geëist in toepassing van de artikelen 235 tot en met 239, met name :
a) de stukken die de vermindering van de activiteit van het bedrijf aantonen evenals de factuur of de aankoopakte van deze goederen, samen met het aflossingstableau;
b) het stuk dat de aangerekende eenheidsprijzen rechtvaardigt en het stuk dat het productieverlies rechtvaardigt, indien de toelageaanvraag het herstel van de schade aan het plantenleven bedoeld;
c) de factuur die de verhuiskosten rechtvaardigt en het stuk dat de herhuisvestingskosten rechtvaardigt;
d) de erelonen en de kosten, provisioneel of definitief, opgesteld door de in artikel 239 aangeduide deskundige.
Daarenboven kan de belanghebbende elk stuk dat hij nuttig vindt voor het onderzoek van zijn dossier indienen.
Art. R242. Les demandes d'avance sont adressées au Secrétariat du Fonds. Elles sont accompagnées des documents suivants :
Une copie, certifiée conforme par le greffe de la justice de paix, du procès-verbal de la comparution en conciliation, prévue à l'article 212 de la partie décrétale;
L'original ou une copie certifiée conforme par le greffe de la justice de paix, de la citation en justice visée à l'article 212 de la partie décrétale;
Une copie du constat des dommages, visé à l'article 213 de la partie décrétale;
Un extrait, en double exemplaire, du plan cadastral indiquant la situation du bâtiment, du fond de terre ainsi qu'un extrait de la matrice cadastrale mentionnant le revenu cadastral du bâtiment ou du fond de terre;
Un extrait, en double exemplaire, de la carte topographique de la région à l'échelle de 1/10 000, indiquant la localisation du bâtiment ou du fond de terre;
En double exemplaire, les documents justificatifs éventuellement requis en application des articles 235 à 239, à savoir :
a) les pièces justifiant la diminution de l'activité de l'entreprise ainsi que la facture ou l'acte d'acquisition de ces biens, accompagnés du tableau d'amortissement;
b) le document justificatif des prix unitaires imputés et le document justificatif de la perte de production, lorsque la demande d'intervention vise la réparation des dommages à la végétation;
c) la facture justificative des frais de déménagement et le document justificatif des frais de relogement;
d) les états d'honoraires et de frais, provisionnels ou définitifs, établis par les experts visés à l'article 239.
En outre, l'intéressé peut produire tout document qu'il estime utile à l'instruction de son dossier.
Art. R243. Binnen de vijftien dagen bericht de secretaris van het Fonds de goede ontvangst van de aanvraag (bij eenvoudig schrijven).
In voorkomend geval meldt het ontvangbewijs de stukken welke dienen opgestuurd te worden om het dossier volledig te maken.
Art. R243. Dans les quinze jours, le secrétaire du Fonds accuse réception de la demande, (par pli simple) à la poste.
S'il échet, l'accusé de réception indique les documents qui doivent être envoyés pour compléter le dossier.
Art. R244. § 1. Zodra het dossier volledig is, stelt de secretaris van het Fonds een samenvattend verslag op, welk, met name, aan de conclusies van de in artikel 213 van het decreetgevende deel bedoelde vaststelling tegemoetkomt.
Het voorschot wordt toegekend door de Minister op basis van het door de secretaris van het Fonds opgesteld verslag.
Een afschrift van de beslissing van de Minister wordt aan de belanghebbende bekend gemaakt (door een aangetekende brief of op enige andere wijze waarop een vaste dagtekening aan de zending verleend wordt).
§ 2. Een nader onderzoek kan toegekend worden aan de in artikel 213 van het decreetgevende deel bedoelde ambtenaren en deskundige door de secretaris van het Fonds en door de Minister.
Het verslag van het nader onderzoek wordt op het secretariaat van het Fonds neergelegd door de ambtenaren en deskundigen binnen de veertig dagen vanaf de bekendmaking van de beslissing waardoor zij aangeduid zijn.
§ 3. Een afschrift van de beslissing wordt (door een aangetekende brief of op enige andere wijze waarop een vaste dagtekening aan de zending verleend wordt) aan de belanghebbende bekend gemaakt.
Art. R244. § 1er. Dès que le dossier est complet, le secrétaire du Fonds rédige un rapport de synthèse, qui rencontre, notamment, les conclusions du constat visé à l'article 213 de la partie décrétale.
L'avance est accordée par le Ministre sur la base du rapport rédigé par le secrétaire du Fonds.
Une copie de la décision du Ministre est notifiée à l'intéressé (par lettre recommandée ou par toute modalité conférant date certaine à l'envoi).
§ 2. Un complément d'enquête peut être confié aux agents et experts visés à l'article 213 de la partie décrétale par le Secrétaire du Fonds et par le Ministre.
Le rapport d'enquête complémentaire est déposé au secrétariat du Fonds par les agents et experts, dans les quarante jours de la notification de la décision qui les désigne.
§ 3. Une copie de la décision est notifiée à l'intéressé (par lettre recommandée ou par toute modalité conférant date certaine à l'envoi).
Art. R245. Indien het voorschot bestemd is om de herstelkosten te dekken, wordt het vereffend bij het voorleggen van de facturen betreffende de uitvoering van de werken.
Art. R245. Lorsque l'avance est destinée à couvrir des frais de réparation, elle est liquidée sur production des factures relatives à l'exécution des travaux.
Art. R246. Indien het voorschot vereffend is, verwittigt de secretaris van het Fonds de gedagvaarde partijen onmiddellijk ervan overeenkomstig artikel 212 van het decreetgevende deel (door een aangetekende brief of op enige andere wijze waarop een vaste dagtekening aan de zending verleend wordt).
Art. R246. Lorsque l'avance est liquidée, le secrétaire du Fonds en avise immédiatement les parties citées conformément à l'article 212 de la partie décrétale, (par lettre recommandée ou par toute modalité conférant date certaine à l'envoi).
Art. R247. Indien het voorschot hoger is dan de door definitief vonnis toegestane toelage, wordt het verschil zonder interesten aan het Fonds terugbetaald.
Art. R247. Si l'avance est plus élevée que l'indemnité accordée par jugement définitif, la différence est remboursée au Fonds sans intérêts.
Art. R248. De voorschotsgerechtigde die dit hoofdstuk niet in acht neemt of die valse verklaringen doet is gehouden de door hem ontvangen bedragen terug te betalen.
Art. R248. Le bénéficiaire de l'avance qui ne respecte pas le présent chapitre ou qui a fait de fausses déclarations a l'obligation de rembourser les sommes qu'il a reçues.
Afdeling 3. - Rol en opdrachten van sommige personeelsleden en bijdragepercentage in het voorschottenfonds.
Section 3. - Rôles et missions de certains agents et taux de contribution au fonds wallon d'avances.
Art. R249. De dossiers betreffende het vaststellen van de schade worden door de secretaris van het Waalse Voorschottenfonds toevertrouwd, hetzij aan de personeelsleden bedoeld in artikel 250, hetzij aan de deskundige bedoeld in artikel 251, al naar gelang de complexiteit ervan.
De vrederechter, bij wie een oproep tot verzoening aanhangig wordt gemaakt, richt zijn beschikking aan de secretaris van het Fonds, met inachtneming van de voorwaarden bedoeld in artikel 213, § 4, van het decreetgevende deel.
Art. R249. En fonction de leur complexité, le secrétaire du Fonds wallon d'avances confie les dossiers de constatation de dommages, soit aux agents désignés à l'article 250 soit à l'expert visé à l'article 251.
Dans les conditions visées à l'article 213, § 4, de la partie décrétale, le juge de paix, saisi d'un appel en conciliation, adresse son ordonnance au secrétaire du Fonds.
Art. R250. De door het winnen of het oppompen van grondwater aangerichte schade mag worden vastgesteld door de volgende personeelsleden van het Ministerie van het Waalse Gewest :
de personeelsleden van niveau 1 aangesteld bij de dienst " grondwater " van de centra Luik, Marche, Bergen en Namen van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water;
de personeelsleden van niveau 1 aangesteld bij de hoofdzetel van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu de Afdeling Water, Directie Grondwater, die een technisch ambt uitoefenen.
Art. R250. Les agents du Ministère de la Région wallonne, compétents pour la constatation des dommages provoqués par des prises et des pompages d'eau souterraine sont :
les agents de niveau 1 affectés au service " eaux souterraines " des centres de Liège, Marche, Mons et Namur de la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau;
les agents de niveau 1 affectés au siège central de la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau, Direction des eaux souterraines et chargés d'une fonction à caractère technique.
Art. R251. § 1. De deskundige wordt bezoldigd voor de erkenningsperiode met een forfaitair bedrag van 5 949,44 euro.
Het bedrag wordt gehalveerd indien het aantal hem tijdens de erkenninsperiode toevertrouwde dossiers minder bedraagt dan vijf.
Indien er tijdens die periode geen enkel dossier wordt toevertrouwd, wordt er geen enkel bedrag verleend.
§ 2. Als de aangewezen deskundige oordeelt dat het bedrag van zijn bezoldiging onvoldoende is, gezien het aantal dossiers die hem tijdens de erkenningsperiode zijn toegewezen, het belang ervan en de verstrekte diensten, kan de voor Water bevoegde Minister, op voorstel van de secretaris van het Waalse Voorschottenfonds, hem uitzonderlijkerwijs bijkomende honoraria toekennen, met inachtneming van de beschikbare begrotingskredieten.
§ 3. De dossierkosten worden afzonderlijk terugbetaald op grond van een uitvoerig driemaandelijks overzicht, dat voor elk dossier door de deskundige wordt opgemaakt. Voor de berekening van deze vergoedingen wordt de deskundige gelijkgesteld met een ambtenaar van rang A4.
§ 4. De bezoldigings- en dossierkosten worden gedragen door het Waalse Voorschottenfonds.
Art. R251. § 1er. L'expert est rémunéré pour la période d'agréation, par un montant forfaitaire de 5 949,44 euros.
Le montant est réduit de moitié si le nombre de dossiers confiés dans le cours de la période d'agréation est inférieur à 5.
Si aucun dossier n'est confié au cours de cette période, aucun montant n'est octroyé.
§ 2. Si l'expert désigné estime le montant de sa rémunération insuffisant, eu égard au nombre de dossiers qui lui ont été confiés durant la période d'agréation, à leur importance et aux prestations accomplies, le Ministre peut, dans les limites des crédits budgétaires et sur proposition du secrétaire du Fonds wallon d'avances, lui allouer exceptionnellement un supplément d'honoraires.
§ 3. Les frais de dossier sont remboursés séparément, sur base d'un relevé trimestriel détaillé établi par l'expert pour chaque dossier. Pour le calcul de ces indemnités, l'expert est assimilé à un fonctionnaire de rang A4.
§ 4. Les frais de rémunération et de dossier sont imputés à charge du Fonds wallon d'avances.
Hoofdstuk 2bis. [1 - Beoordeling en beheer van risico's in verband met de winningsgebieden en het waterleversysteem]1
Chapitre 2bis. [1 - Evaluation et gestion des risques liés aux zones de captage et liés au système d'approvisionnement]1
Deel 1. [1 - Beoordeling en beheer van risico's verbonden aan waterwingebieden bestemd voor menselijke consumptie.]1
Section 1. [1 - Evaluation et gestion des risques liés aux zones de captage d'eaux destinées à la consommation humaine.]1
R. 251bis/1. [1 Deze afdeling is niet van toepassing op voor menselijke consumptie bestemd water dat uitgesloten is van het toepassingsgebied bedoeld in artikel D.182.]1
R. 251bis/1. [1 R. 251bis/1. La présente section ne s'applique pas aux eaux destinées à la consommation humaine qui sont exclues du champ d'application visé à l'article D.182.]1
R. 251bis/2. [1 § 1. De beoordeling van risico's verbonden aan waterwingebieden bestemd voor menselijke consumptie omvat de volgende elementen:
R. 251bis/2. [1 § 1er. L'évaluation des risques liés aux zones de captage d'eau destinée à la consommation humaine comprend les éléments suivants :
R. 251bis/3. [1 Op basis van de risicobeoordeling uitgevoerd overeenkomstig art. R.251bis/2, bepaalt de Minister het volgende en neemt hij in voorkomend geval risicobeheersmaatregelen om de geïdentificeerde risico's te voorkomen of te beheersen, te beginnen met preventieve maatregelen.
R. 251bis/3. [1 Sur base de l'évaluation des risques effectuée conformément à l'art. R.251bis/2, le Ministre détermine comme suit et arrête selon le cas, les mesures de gestion des risques, destinées à prévenir ou à maîtriser les risques recensés, en commençant par les mesures de prévention.
Afdeling 3. [1 - Beoordeling en beheer van de risico's in verband met het waterleversysteem]1
Section 2. [1 - Evaluation et gestion des risques liés au système d'approvisionnement]1
R. 251bis/4. [1 Deze afdeling is niet van toepassing op voor menselijke consumptie bestemd water dat uitgesloten is van het toepassingsgebied bedoeld in artikel D.182.]1
R. 251bis/4. [1 La présente section ne s'applique pas aux eaux destinées à la consommation humaine qui sont exclues du champ d'application visé à l'article D.182.]1
R. 251bis/5. [1 De beoordeling van de risico's in verband met het waterleversysteem bevat volgende kenmerken:
R. 251bis/5. [1 L'évaluation des risques liés au système d'approvisionnement comporte les caractéristiques suivantes :
R. 251bis/6. [1 In functie van de resultaten van de beoordeling van de risico's, uitgevoerd overeenkomstig artikel R.251bis/5, ziet de Minister erop toe dat de volgende risicobeheersmaatregelen worden genomen:
R. 251bis/6. [1 En fonction des résultats de l'évaluation des risques effectuée conformément à l'article R.251bis/5, le Ministre veille à ce que les mesures de gestion des risques suivantes soient prises :
R. 251bis/7. [1 De risicobeoordeling in verband met waterleversysteem houdt verband met de parameters opgesomd in bijlage XXXI, delen A, B en C, de parameters vastgesteld krachtens artikel D.183, § 1, vierde lid, evenals de stoffen en verbindingen opgenomen op de aandachtstoffenlijst opgesteld krachtens artikel D.188, § 5.]1
R. 251bis/7. [1 L'évaluation des risques liés au système d'approvisionnement concerne les paramètres énumérés à l'annexe XXXI, parties A, B et C, les paramètres fixés en vertu de l'article D.183, § 1er, alinéa 4, ainsi que les substances et composés inscrits sur la liste de vigilance établie en vertu de l'article D.188, § 5.]1
R. 251bis/8. [1 Deze risicobeoordeling wordt door de leverancier ter ondersteuning van zijn controleprogramma verstrekt en wordt de Administratie ter goedkeuring voorgelegd. In de zin van dit artikel wordt onder "Administratie" verstaan de Directie Grondwater van het Departement Leefmilieu en Water van de Waalse Overheidsdienst.
R. 251bis/8. [1 Cette évaluation des risques est fournie par le fournisseur à l'appui de son programme de contrôle et est soumise à l'approbation de l'Administration. Au sens du présent article, l'on entend par Administration, la Direction des eaux souterraines du Département de l'Environnement et de l'Eau du Service public de Wallonie.
HOOFDSTUK III. - Parameterwaarden geldend voor het voor menselijke consumptie bestemd water.
CHAPITRE III. - Valeurs paramétriques applicables aux eaux destinées à la consommation humaine.
Afdeling I. - Voorwerp.
Section 1re. - Objet.
Art. R252. [1 Dit hoofdstuk stelt de kwaliteitsregels en de regels voor de controle of de bewaking van de kwaliteit van het voor menselijke consumptie bestemde water vast.]1
Art. R252. [1 Le présent chapitre fixe les règles qualitatives et les règles de contrôle ou de surveillance de la qualité des eaux destinées à la consommation humaine. ]1
Afdeling II. - Parameterwaarden.
Section 2. - Valeurs paramétriques.
Art. R253. [1 De microbiologische en chemische parameterwaarden, van toepassing op water bestemd voor menselijke consumptie, zijn opgenomen in bijlage XXXI, delen A en B.
De parameters-indicatoren zijn opgenomen in bijlage XXXI, deel C.
De relevante parameters voor de beoordeling van de risico's in verband met de privé-verdelingsinstallatie zijn opgenomen in bijlage XXXI, deel D.]1

Art. R253. [1 Les valeurs paramétriques microbiologiques et chimiques applicables aux eaux destinées à la consommation humaine figurent à l'annexe XXXI, parties A et B.
Les paramètres indicateurs figurent à l'annexe XXXI, partie C.
Les paramètres pertinents aux fins de l'évaluation des risques liés à l'installation privée de distribution figurent à l'annexe XXXI, partie D.]1

Art. R254. De lijst en de maximumdosissen van de stoffen en materialen toegelaten voor de voorbereiding en de distributie van voor menselijke consumptie bestemd water zijn opgenomen in bijlage (XXXII).
De Regering wijzigt na advies van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, die lijst om rekening te houden met de technologische vooruitgang en de ter zake geldende bepalingen.
[1 Als de parametrische loodnorm op de meter vanaf 1 januari 2022 niet wordt voldaan, wordt elke loodverbinding met het net van een leverancier verboden, tenzij bedoelde loodverbinding van een polymeerbehuizing is voorzien, onder uitsluiting van epoxyharscoatings die bisfenol uitstoten.
Indien de niet-uitvoering van de verplichting bedoeld in het derde lid onafhankelijk is van de wil van de leverancier die alle middelen waarover hij beschikt heeft aangewend om de aansluiting te veranderen, brengt hij het Departement onmiddellijk op de hoogte daarvan en neemt de vermelde metingen krachtens artikel D.190, § 3.]1

Art. R254. La liste et les doses maximales des substances et matériaux autorisés pour la préparation ou la distribution des eaux destinées à la consommation humaine figurent à l'annexe (XXXII).
Le Gouvernement modifie, après avis de la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau, cette liste pour tenir compte du progrès technologique et des dispositions applicables en la matière.
[1 A partir du 1er janvier 2022, si la norme paramétrique du plomb n'est pas respectée au compteur, tout raccordement en plomb sur le réseau appartenant à un fournisseur est interdit, sauf si le raccordement en plomb est chemisé intérieurement par des polymères, à l'exclusion des revêtements à base de résines époxy émettant du bisphénol.
Si le défaut d'exécution de l'obligation visée à l'alinéa 3 est indépendant de la volonté du fournisseur qui a mis en oeuvre tous les moyens dont il dispose pour remplacer le raccordement, il en informe immédiatement le Département et prend les mesures indiquées en vertu de l'article D.190, § 3.]1

Afdeling III. - Controleprogramma.
Section 3. - Programme de contrôle.
Art. R255. §1.[3 Voor de toepassing van artikel D.188 is de waterleverancier ertoe verplicht, een jaarlijks en passend controleprogramma vast te stellen waardoor regelmatig kan worden nagegaan of het water bestemd voor menselijke consumptie beantwoordt aan de vereisten van de artikelen 180 tot 193bis, 401 en 402 van het decreetgevend deel; het eerste controleprogramma, aangepast aan deze artikelen, heeft betrekking op het jaar 2024.]3
§ 2. [2 De algemene doelstellingen en de reikwijdte van het programma voor de controle van voor menselijke consumptie bestemd water worden in bijlage XXXIII, Deel A, bepaald.]2
§ 3. [3 Deze controleprogramma's zijn gericht op de bevoorrading, houden rekening met de resultaten van de beoordeling van de risico's in verband met de waterwinningsgebieden en met de bevoorradingssystemen, en bestaan uit volgende verbindingen:
de controle van de parameters, vernoemd in bijlage XXXI, delen A, B en C, overeenkomstig bijlage XXXIII, delen A en B, en, wanneer een beoordeling van de risico's in verband met het bevoorradingssysteem is uitgevoerd, overeenkomstig artikel D.181, § 1, 5°, en overeenkomstig bijlage XXXIII, deel C, behoudens als de Minister besluit dat één van deze parameters ingetrokken mag worden, in toepassing van artikel 256, § 1, van de lijst van de parameters waarvoor toezicht noodzakelijk is; wat betreft de pesticiden en hun metabolieten, heeft de controle betrekking op minstens de parameters opgenomen in bijlage XI; deze lijst wordt maximum om de vijf jaar op voorstel van de Minister aangepast;
de controle van de parameters vernoemd in bijlage XXXI, deel D, uitgezonderd de Legionella bacteries, met als doel de beoordeling van de risico's in verband met de prové-verdelingsinstallaties overeenkomstig artikel D.181, § 1, 6° ;
de controle van de parameters vernoemd in bijlage XXXI, deel E, die de aandachtstoffenlijst vormen overeenkomstig artikel D.188, § 5;
de controle, met de oplijsting als doel, van de gevaren en gevaarlijke gebeurtenissen, ten gevolge van de identificatie van de passende monitoring, in oppervlaktewater of grondwater, of in beide watertypes, in winningsgebieden of in ruw water, van relevante parameters, stoffen of verontreinigende stoffen geselecteerd uit de volgende :
de operationele controle uitgevoerd overeenkomstig bijlage XXXIII, deel A, punt 3.
De Minister stelt de vereisten vast inzake toezicht betreffende de potentiële aanwezigheid van stoffen of verbindingen opgenomen op de aandachtsstoffenlijst bedoeld onder 3°, en op relevante punten van de bevoorradingsketen van het water bestemd voor menselijke consumptie. Daartoe kan hij gebruik maken van de informatie ingewonnen in het kader van de beoordeling en het beheers van de risico's verband houdend met het waterwinningsgebied voor winningspunten als bedoeld in artikel D.181, § 1, lid 2. Daarnaast kan hij zowel de toezichtsgegevens gebruiken als ingewonnen met het oog op het toezicht van de staat van het water overeenkomstig de artikelen R.43, R.43bis en R.43bis-3, als de toezichtsgegevens van de prioritaire en verontreinigende stoffen waarvoor kwaliteitsnormen zijn vastgesteld.
De analysemethodes worden in bijlage XXXIV gespecifieerd. De specificaties voor de analyse van de parameters nemen de beginselen in acht als bepaald in artikel R. 259.
De gerichte monsternemingen worden overeenkomstig bijlage XXXIII, deel D uitgevoerd.]3

§ 4. [3 De Minister kan de controleprogramma's van de leveranciers in termen van parameters, bemonstering en analyses bedoeld in § 3 aanpassen om ze aan te vullen. Deze aanpassing wordt verricht op grond van het verslag van het beheersplan voor de sanitaire veiligheid van het water .
Geval per geval wordt een bijkomende controle uitgevoerd voor de stoffen en de micro-organismen waarvoor geen enkele parameterwaarde is vastgesteld overeenkomstig artikel R.253, als er redenen zijn om te vermoeden dat ze in getale of in concentraties aanwezig kunnen zijn die een potentieel gevaar vormen voor de menselijke gezondheid.
De Minister kan eveneens bijkomende parametercontroles opleggen, zoals opgenomen in de aandachtsstoffenlijst als bedoeld in § 1. De bijkomende kosten in verband met deze controles worden overgenomen door een project in het kader van een subsidiebesluit. In dat besluit worden de controlefrequenties en -plaatsen, evenals de inhoud van het eindverslag van het project, door de Minister nader bepaald.]3

Art. R255. § 1er. [3 Aux fins d'application de l'article D.188, le fournisseur d'eau est tenu d'établir un programme de contrôle annuel et approprié permettant de vérifier régulièrement que les eaux destinées à la consommation humaine répondent aux exigences des articles 180 à 193bis, 401et 402 de la partie décrétale ; le premier programme de contrôle adapté à ces articles porte sur l'année 2024]3.
§ 2. [2 Les objectifs généraux et la portée du programme de contrôle de l'eau destinée à la consommation humaine sont précisés à l'annexe XXXIII, partie A.]2
§ 3. [3 Ces programmes de contrôle sont axés sur l'approvisionnement, tiennent compte des résultats de l'évaluation des risques liés aux zones de captage et liés aux systèmes d'approvisionnement, et se composent des éléments suivants :
le contrôle des paramètres énumérés à l'annexe XXXI, parties A, B et C, conformément à l'annexe XXXIII, parties A et B, et, lorsqu'une évaluation des risques liés au système d'approvisionnement est effectuée, conformément à l'article D181, § 1er, 5°, et à l'annexe XXXIII, partie C, sauf si le Ministre décide qu'un de ces paramètres peut être retiré, en application de l'article 256, § 1er, de la liste des paramètres devant faire l'objet d'une surveillance ; en ce qui concerne les pesticides et leurs métabolites, le contrôle porte au moins sur les paramètres inscrits à l'annexe XI ; cette liste est adaptée au maximum tous les 5 ans sur proposition du Ministre ;
le contrôle des paramètres énumérés à l'annexe XXXI, partie D, à l'exception des bactéries Legionella, aux fins de l'évaluation des risques liés aux installations privées de distribution, conformément à l'article D. 181, § 1er, 6° ;
le contrôle des paramètres énumérés à l'annexe XXXI, partie E, constituant la liste de vigilance conformément à l'article D.188, § 5 ;
le contrôle, aux fins du recensement, des dangers et des événements dangereux, suite à l'identification de la surveillance appropriée, dans les eaux de surface ou les eaux souterraines ou dans ces deux types d'eaux, dans les zones de captage ou dans les eaux brutes, des paramètres, substances ou polluants pertinents sélectionnés ;
le contrôle opérationnel effectué conformément à l'annexe XXXIII, partie A, point 3.
Le Ministre établit des exigences en matière de surveillance concernant la présence potentielle de substances ou composés inscrits sur la liste de vigilance visée au 3°, et à des points pertinents de la chaîne d'approvisionnement des eaux destinées à la consommation humaine. A cette fin, il peut se servir des informations recueillies dans le cadre de l'évaluation et de la gestion des risques liés à la zone de captage pour des points de prélèvement visée à l'article D.181, § 1er, alinéa 2. En outre, il peut utiliser les données de surveillance collectées en vue de la surveillance de l'état des eaux conformément aux articles R.43, R.43bis et R.43bis-3 ainsi que les données de surveillance des substances prioritaires et polluants pour lesquels des normes de qualité sont fixées.
Les méthodes d'analyse sont spécifiées à l'annexe XXXIV. Les spécifications pour l'analyse des paramètres respectent les principes définis à l'article R. 259.
Les prélèvements ponctuels d'échantillons sont réalisés conformément à l'annexe XXXIII, partie D.]3

§ 4. [3 Le Ministre peut adapter les programmes de contrôle des fournisseurs, en termes de paramètres, d'échantillonnage et d'analyses prévus au paragraphe 3 en vue de les compléter. Cette adaptation est réalisée sur base du rapport de plan de gestion de la sécurité sanitaire de l'eau.
Un contrôle supplémentaire est effectué au cas par cas pour les substances et micro-organismes pour lesquels aucune valeur paramétrique n'est fixée conformément à l'article R.253, s'il y a des raisons de soupçonner qu'ils peuvent être présents en nombre ou à des concentrations constituant un danger potentiel pour la santé humaine.
Le Ministre peut également imposer des contrôles supplémentaires de paramètres tels que figurant dans la liste de vigilance visée au § 1er. Les coûts supplémentaires liés à ces contrôles sont pris en charge par un projet dans le cadre d'un arrêté de subvention. Dans cet arrêté, le Ministre précise les fréquences et les lieux de contrôle, ainsi que le contenu du rapport final du projet.]3

Art. R256. [1 Op basis van de beoordeling van de risico's in verband met het bevoorradingssysteem, uitgevoerd overeenkomstig artikel R.251bis/5, kan de Minister de toezichtsfrequentie van een parameter verminderen of een in parameter die gecontroleerd moet worden intrekken, uitgezonderd de parameters bedoeld in bijlage XXXI, deel A, voor zover de kwaliteit van het voor menselijke consumptie bestemde water niet in gevaar wordt gebracht:
op basis van het zich voordoen van een parameter in ruw water, overeenkomstig de beoordeling van de risico's in verband met de winningsgebieden als bedoeld in artikel R.251bis/2, § 1;
wanneer een parameter enkel voortvloeit uit het gebruik van een bepaalde verwerkingstechniek of een bepaalde ontsmettingsmethode en deze techniek of methode niet door de waterleverancier wordt gebruikt, of;
op grond van de specificaties verwoord in bijlage XXXIII, deel C.
De Minister kan de controleprogramma's van de waterleveranciers eveneens verstreken wat betreft de parameters en frequenties inzake monsterneming als bedoeld in artikel R.255, § 3, in volgende gevallen:
ten gevolge van een beoordeling van de risico's als bedoeld in artikel R.251bis/2, § 1;
op grond van de specificaties als bedoeld in bijlage XXXIII, deel C;
op grond van de resultaten van analyses uitgevoerd in het kader van het toezicht;
op grond van iedere nieuwe officiële relevante wetenschappelijke informatie betreffende de kwaliteit van het water bestemd voor menselijke consumptie die het distributiegebied zou kunnen beïnvloeden.]1

Art. R256. [1 Sur base de l'évaluation des risques liés au système d'approvisionnement effectuée conformément à l'article R.251bis/5, le Ministre peut réduire la fréquence de surveillance d'un paramètre ou retirer un paramètre devant faire l'objet d'un contrôle, à l'exception des paramètres visés à l'annexe XXXI, partie A, pour autant que cela ne compromette pas la qualité des eaux destinées à la consommation humaine :
sur la base de l'occurrence d'un paramètre dans les eaux brutes, conformément à l'évaluation des risques liés aux zones de captage visés à l'article R.251bis/2, § 1er ;
lorsqu'un paramètre résulte uniquement de l'utilisation d'une certaine technique de traitement ou d'une méthode de désinfection donnée, et que cette technique ou méthode n'est pas utilisée par le fournisseur d'eau, ou ;
sur la base des spécifications énoncées à l'annexe XXXIII, partie C.
Le Ministre peut également renforcer les programmes de contrôle des fournisseurs d'eau quant aux paramètres et fréquences d'échantillonnage visés à l'article R.255, § 3, dans les cas suivants :
à la suite d'une évaluation des risques visée à l'article R.251 bis/2, § 1er ;
sur la base des spécifications visées à l'annexe XXXIII, partie C ;
sur base de résultats d'analyses réalisées dans le cadre de la surveillance ;
sur base de toute nouvelle information scientifique officielle pertinente relative à la qualité de l'eau destinée à la consommation humaine susceptible d'affecter la zone de distribution.]1

Art. R257. [1 § 1. De in artikel R.256, § § 1 en 2 bedoelde beslissingen van de Minister tegenover de leveranciers worden bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
§ 2. Gegevens met vermelding dat het controleprogramma van de leverancier voor één of meerdere distributiegebieden, overeenkomstig de § § 1 en 2, op basis van een risicobeoordeling wordt opgemaakt, worden door de leverancier aan de betrokken consumenten overgemaakt telkens als hij hen over de kwaliteit van het gedistribueerd water overeenkomstig artikel D.193, § 1, informeert.
§ 3. Als de consument erom verzoekt, stelt de leverancier de samenvatting van de resultaten van de risicobeoordeling gratis te zijner beschikking.]1

Art. R257. [1 § 1er. Les décisions du Ministre vis-à-vis des fournisseurs, visées à l'article R.256, §§ 1er et 2, sont publiées par extrait au Moniteur belge.
§ 2. Une information indiquant que le programme de contrôle du fournisseur couvrant une ou plusieurs zones de distribution est établi sur base d'une évaluation des risques en application des paragraphes 1er et 2 est transmise par le fournisseur aux consommateurs concernés chaque fois qu'il les informe sur la qualité de l'eau distribuée conformément à l'article D.193, § 1er.
§ 3. Lorsque le consommateur en fait la demande, le fournisseur met gratuitement le résumé des résultats de l'évaluation des risques à sa disposition.]1

Art. R258. [1 Uiterlijk tegen het einde van het derde kwartaal deelt de leverancier de controleprogramma's, evenals hun wijzigingen voor het volgende jaar, aan de Administratie mede. De aard en de vorm van de over te maken gegevens worden door de Minister vastgesteld.
Als het dossier niet overeenkomstig de aard en de vorm van de door de Minister bepaalde gegevens is ingevuld, beschouwt de Administratie het dossier als onvolledig en de leverancier wordt geacht zijn verplichtingen niet te zijn nagekomen.
In dat geval stuurt de Administratie het dossier naar de leverancier terug, die over één maand beschikt om het vormelijk in orde opnieuw in te dienen.]1

Art. R258. [1 Au plus tard pour la fin du troisième trimestre, le fournisseur communique les programmes de contrôle ainsi que leurs modifications pour l'année suivante à l'Administration. La nature et la forme des informations à transmettre sont fixées par le Ministre.
Si le dossier n'est pas complété conformément à la nature et la forme des informations prescrites par le Ministre, l'Administration considère le dossier comme incomplet et le fournisseur est réputé ne pas avoir rempli ses obligations.
Dans ce cas, l'Administration renvoie le dossier au fournisseur qui dispose d'un mois pour le représenter dans les formes.]1

Art. R259. [1 § 1. Er kunnen andere methodes dan die bepaald bij bijlage XXXIV, Deel A, worden gebruikt op voorwaarde dat de leverancier kan bewijzen dat de verkregen resultaten minstens even betrouwbaar zijn als de resultaten verkregen door de vastgestelde methodes
§ 2. Voor de parameters opgenomen in bijlage XXXIV, deel B.1., kan elke analysemethode worden gebruikt op voorwaarde dat de vereisten die onder die punten bepaald worden, in acht worden genomen. Indien geen analysemethode bestaat die voldoet aan de minimale prestatiekenmerken van deel B.1., zorgt de leverancier ervoor dat de controle wordt uitgevoerd met gebruikmaking van de beste beschikbare technieken die geen buitensporige kosten meebrengen.
§ 3. Voor de toepassing van de paragrafen 1 en 2 deelt de leverancier de gebruikte methodes en hun eventuele gelijkwaardigheid aan de Administratie mee, behalve indien die methodes reeds door de Administratie erkend zijn.]1

[2 De Administratie deelt de Commissie iedere relevante informatie mee betreffende deze methodes en hun gelijkwaardigheid, door middel waarvan kan worden aangetoond dat de verkregen resultaten minstens even betrouwbaar zijn als de resultaten verkregen door de methodes uiteengezet in bijlage XXXIV, deel A.]2
Art. R259. [1 § 1er. Des méthodes autres que celles spécifiées pour les paramètres microbiologiques à l'annexe XXXIV, partie A, peuvent être utilisées, à condition que le fournisseur puisse démontrer que les résultats obtenus sont au moins aussi fiables que ceux obtenus par les méthodes spécifiées.
§ 2. Pour les paramètres chimiques et indicateurs repris à l'annexe XXXIV, partie B.1, toute méthode d'analyse peut être utilisée, à condition qu'elle respecte les exigences définies dans ces points. En l'absence d'une méthode d'analyse qui remplisse les critères minimaux de performance établis dans la partie B.1, le fournisseur veille à ce que le contrôle soit réalisé à l'aide des meilleures techniques disponibles n'entraînant pas de coûts excessifs.
§ 3. Pour l'application des paragraphes 1er et 2, le fournisseur communique à l'Administration les méthodes utilisées et leur éventuelle équivalence sauf si ces méthodes ont déjà été reconnues par l'Administration.]1

[2 L'Administration communique à la Commission toutes les informations pertinentes concernant ces méthodes et leur équivalence permettant de démontrer que les résultats obtenus sont au moins aussi fiables que ceux obtenus par les méthodes spécifiées à l'annexe XXXIV, partie A.]2
Art. R260. [1 De leverancier deelt alle resultaten met betrekking tot één kalenderjaar aan de Administratie mee [2 uiterlijk op 15 februari van het volgende jaar]2, en in de door de Minister bepaalde vormen.]1
Art. R260. [1 Le fournisseur communique à l'Administration l'ensemble des résultats des contrôles relatifs à une année civile, [2 au plus tard le 15 février de l'année suivante]2, et dans les formes prescrites par le Ministre.]1
Afdeling IV. [1 - Afwijkingen van sommige parametrische waarden]1
Section 4. [1 - Dérogations à certaines valeurs paramétriques]1
Art. R261. § 1. Overeenkomstig artikel 192 van het decreetgevende deel kan de Minister, op aanvraag van de leverancier, na raadpleging van [2 de Directie Grondwater van het Departement Leefmilieu en Water van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu]2, een afwijking van de parameterwaarden vastgesteld bij bijlage (XXXI), deel B, verlenen.
De Minister kan [2 onder voorbehoud van § 2]2 een tweede afwijking verlenen voor een duur van drie jaar.
[1 Er is geen afwijking toegestaan voor de norm die is vastgesteld voor de loodparameter als de overschrijding van deze norm het gevolg is van de niet-nakoming van de in artikel R.254, derde lid 3, vastgestelde verplichting.]1
§ 2. [2 ...]2
Indien de Minister het voornemen heeft om een nieuwe afwijking toe te kennen, maakt hij de opgemaakte balans, evenals de motieven die zijn beslissing verantwoorden om een dergelijke afwijking toe te kennen, aan de Europese Commissie over. [2 ...]2
§ 3. De Minister licht de Europese Commissie binnen een termijn van twee maanden in over elke afwijking die gemiddeld een distributie van meer dan 1 000 m3 per dag betreft of geldend voor de bevoorrading van meer dan 5 000 personen.
Art. R261. § 1er. En application de l'article 192 de la partie décrétale, le Ministre peut, à la demande du fournisseur, accorder, après consultation de [2 la Direction des eaux souterraines du Département de l'Environnement et de l'Eau du Service public de Wallonie de l'Agriculture, des Ressources Naturelles et de l'Environnement]2 une dérogation aux valeurs paramétriques fixées à l'annexe (XXXI), partie B.
[2 Sous réserve du § 2]2 le Ministre peut octroyer une seconde dérogation pour une durée de trois ans.
[1 Aucune dérogation n'est autorisée pour la norme fixée pour le paramètre plomb lorsque le dépassement de cette norme résulte de l'inexécution de l'obligation fixée à l'article R.254, alinéa 3.]1
§ 2. [2 ...]2
Lorsque le Ministre a l'intention d'accorder une nouvelle dérogation, il transmet à la Commission européenne le bilan dressé ainsi que les motifs qui justifient sa décision d'accorder une telle dérogation. [2 ...]2
§ 3. Le Ministre informe la Commission européenne, dans un délai de deux mois, de toute dérogation concernant une distribution de plus de 1 000 m3 par jour en moyenne ou approvisionnant plus de 5 000 personnes.
HOOFDSTUK IV. - Procedure die gevolgd dient te worden bij het voorvallen van gebeurtenissen die schade kunnen toebrengen aan het voor menselijke consumptie bestemde water.
CHAPITRE IV. - Procédure à suivre en cas de survenance d'événement portant atteinte à la qualité de l'eau destinée à la consommation humaine.
Art. R262. Elke leverancier dient een procedure vast te stellen, die intern nood- en interventieplan wordt genoemd en die gevolgd dient te worden bij het voorvallen van een gebeurtenis, minstens overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
In die procedure worden minstens omschreven :
- de nadere karakterisering van de gebeurtenis, meer bepaald de omschrijving van de maatregelen die getroffen dienen te worden op de plaats van het incident om de met betrekking tot bedoelde gebeurtenis verstrekte inlichtingen na te kijken;
- de wijze van beheer van de gebeurtenis, meer bepaald de omschrijving van de wijze die tot de verklaring van ondrinkbaarheid leidt;
- de wijze waarop inlichtingen worden verstrekt aan de betrokken verbruikers en overheden indien het water ondrinkbaar is;
- de wijze van traceerbaarheid van de gebeurtenis, meer bepaald wat betreft de registratie van de daarop betrekking hebbende documenten.
Het aldus opgestelde document dient daarnaast bijkomend te vermelden :
- de verdeling van de distributiegebieden op het grondgebied dat door de leverancier gedekt wordt, evenals de samenvattende schema's voor watertoevoer naar die gebieden;
- de alimentatiebron(nen) van elk distributiegebied;
- de adresgegevens van de beheerder van de gebeurtenis;
- de adresgegevens van de persoon of de overheid die tot de ondrinkbaarheid besluit.
Die procedure dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan [1 de Directie Grondwater van het Departement Leefmilieu en Water van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu]1, dat over een termijn van zestig dagen beschikt om ermee in te stemmen of zijn opmerkingen over te maken.
Art. R262. Chaque fournisseur doit établir une procédure appelée plan interne d'urgence et d'intervention, à suivre en cas de survenance d'événement, conformément, au minimum au prescrit du présent chapitre.
Cette procédure décrit au minimum :
- les modalités de caractérisation de l'événement, notamment la description des mesures à systématiquement prendre sur les lieux de l'incident pour vérifier les informations fournies relativement audit événement;
- les modalités de gestion de l'événement, notamment la description de la manière amenant à la déclaration de non-potabilité;
- les modalités d'information des consommateurs et des autorités concernés en cas de non-potabilité de l'eau;
- les modalités de traçabilité de l'événement, notamment en ce qui concerne l'enregistrement des documents y relatifs.
- Le document ainsi établi doit en outre reprendre en annexe :
- la répartition des zones de distribution sur le territoire couvert par le fournisseur ainsi que les schémas synoptiques d'acheminement de l'eau au sein de ces zones;
- la ou les sources d'alimentation de chacune des zones de distribution;
- les coordonnées du gestionnaire d'événement;
- les coordonnées de la personne ou de l'autorité déterminant la non-potabilité.
Cette procédure sera soumise pour accord à la [1 Direction des eaux souterraines du Département de l'Environnement et de l'Eau du Service public de Wallonie, Agriculture, Ressources naturelles et Environnement]1, laquelle disposera d'un délai de soixante jours pour marquer son accord ou faire ses observations.
Art. R263. Elke gebeurtenis dient onverwijld aan de leverancier te worden medegedeeld. Elke informatieverstrekking aan de leverancier met betrekking tot het voorvallen van een gebeurtenis die gefundeerd is of die niet afkomstig is van een derde dient vanwege de beheerder van de gebeurtenis te worden opgevolgd.
Art. R263. Tout événement doit être signale sans délai au fournisseur. Toute information relative à la survenance d'événement fondé ou pas provenant d'un tiers au fournisseur doit faire l'objet d'un suivi de la part du gestionnaire d'événement.
Art. R264. § 1. De leverancier wijst uit zijn midden aan :
a) de beheerder(s) van een gebeurtenis; die aanwijzingen waarborgen dat het nood- en interventieplan dagelijks 24 uur op 24 in werking kan treden;
b) de overheid die gemachtigd is om het water niet-conform te verklaren met de gezondheids- en schoonheidsvereisten.
§ 2. Elke medegedeelde gebeurtenis dient vormelijk geregistreerd te worden op een document zoals bepaald in artikel 265.
§ 3. De leverancier stelt een in geval van nood door [1 de Directie Grondwater van het Departement Leefmilieu en Water van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu]1, raadpleegbaar samenvattend schema voor watertoevoer op en houdt het bij. De Minister kan de standaardkenmerken van die schema's vastleggen.
Art. R264. § 1er. Le fournisseur désigne en son sein :
a) le ou les gestionnaires d'événement : ces désignations garantissent l'application du plan d'urgence et d'intervention tous les jours 24 heures sur 24;
b) l'autorité habilitée à déclarer l'eau non conforme aux exigences de salubrité et de propreté.
§ 2. Chaque événement signalé doit être formellement enregistre sur un document tel que défini à l'article 265.
§ 3. Le fournisseur établit et tient à jour un schéma synoptique d'acheminement de l'eau qui pourra être consulté par la [1 Direction des eaux souterraines du Département de l'Environnement et de l'Eau du Service public de Wallonie, Agriculture, Ressources naturelles et Environnement]1, Division de l'Eau en cas de nécessité. Le Ministre peut fixer les caractéristiques standards de ces schémas.
Art. R265. Zodra de gebeurtenis hem ter kennis wordt gesteld, stelt de beheerder van de gebeurtenis een document op dat minstens volgende gegevens vermeldt :
- de identiteit van de personen die zijn aangewezen ter uitvoering van artikel 264, § 1;
- indien mogelijk, identiteit en adres van de persoon die de gebeurtenis gemeld heeft;
- plaats van de gebeurtenis;
- vermoede aard van de gebeurtenis;
- diagnose;
- acties die ondernomen zijn of dienen te worden;
- eventuele niet-conformverklaring met de gezondheids- en schoonheidsvereisten;
- eventuele informatieverstrekking aan de bevolking en aan de betrokken overheden.
Zij vult het aan naar gelang de gebeurtenis behandeld wordt en ondertekent het op het ogenblik dat de gebeurtenis afgehandeld is.
Als er een niet-conformverklaring met de gezondheids- en schoonheidsvereisten wordt opgesteld, wordt er onverwijld een afschrift van het document overgemaakt aan [1 de Directie Grondwater van het Departement Leefmilieu en Water van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu]1, en aan de gemeente.
Art. R265. Dès que l'événement a été porté à sa connaissance, le gestionnaire de l'événement établit un document comprenant au moins les éléments suivants :
- identité des personnes désignées en application de l'article 264, § 1er;
- si possible, identité et adresse de la personne ayant signalé l'événement;
- localisation de l'événement;
- nature présumée de l'événement;
- diagnostic;
- actions entreprises ou à entreprendre;
- déclaration éventuelle de non-conformité aux exigences de salubrité et de propreté;
- information éventuelle de la population et des autorités concernées.
Il le complète au fil du traitement de l'événement et le signe au moment de la clôture de l'événement.
Si une déclaration de non-conformité aux exigences de salubrité et de propreté est établie, une copie du document est transmise sans délai à la [1 Direction des eaux souterraines du Département de l'Environnement et de l'Eau du Service public de Wallonie, Agriculture, Ressources naturelles et Environnement]1 et à la commune.
Art. R266. § 1. De beheerder van de gebeurtenis stelt onmiddellijk een eerste diagnose op en neemt notitie van alle ingezamelde gegevens in het document waarvan sprake in artikel 265.
§ 2. Als er niet onmiddellijk een diagnose opgesteld kan worden, begeeft zich een beambte van de leverancier onmiddellijk ter plaatse om een eventuele aantasting van het water te evalueren terwijl hij onmiddellijk maatregelen treft en/of waterstalen neemt om minstens de troebelheid, de kleur, de geur en de doeltreffendheid van de ontsmetting te controleren.
In voorkomend geval worden de staalnemingen en analyses zo spoedig mogelijk door een geaccrediteerd laboratorium doorgevoerd.
Art. R266. § 1er. Le gestionnaire d'événement pose immédiatement un premier diagnostic et consigne l'ensemble des informations recueillies dans le document dont question à l'article 265.
§ 2. Si un diagnostic ne peut être immédiatement établi, un agent du fournisseur se rend immédiatement sur place afin d'évaluer une éventuelle altération de l'eau et ce, en réalisant immédiatement des mesures et/ou prélèvements en vue de vérifier, à tout le moins, la turbidité, la couleur, l'odeur et l'efficacité de la désinfection.
Le cas échéant, des opérations d'échantillonnages et d'analyses sont réalisées dans les plus brefs délais par un laboratoire accrédité.
Art. R267. § 1. Na de diagnose bedoeld in artikel 266 opgesteld te hebben, bepaalt de beheerder van de gebeurtenis het geografische gebied dat bij de gebeurtenis betrokken is of erbij betrokken kan worden. Zij kan daartoe de inzet eisen van elke beambte van de leverancier waarvan zij meent de hulp nodig te hebben.
De beheerder van de gebeurtenis verifieert het distributienet en de stroomopwaarts gelegen kunstwerken onder gebruik van de netschema's die door de leverancier zijn opgesteld om de site waar de gebeurtenis zijn oorsprong heeft te identificeren (waterwinningspunten, bekken, watertoren, privé-installatie, enz.) en het daarbij betrokken gebied nauwkeurig te bepalen. Hij bepaalt de gemeente(n), evenals het aantal aansluitingen die bij de gebeurtenis betrokken zijn.
§ 2. Alle ingezamelde gegevens, meer bepaald de aanwijzing van de gemeenten, van de delen van hun grondgebied die bij de gebeurtenis betrokken zijn en de referenties van de netschema's zijn vermeld in het document bedoeld in artikel 265.
Art. R267. § 1er. Après avoir établi le diagnostic visé à l'article 266, le gestionnaire d'événement détermine la zone géographique atteinte par l'événement ou pouvant être atteinte par celui-ci. Il peut requérir à cet effet l'intervention de tout agent du fournisseur dont il estime l'aide nécessaire.
Le gestionnaire d'événement examine le réseau de distribution et les ouvrages en amont en utilisant les schémas des réseaux établis par le fournisseur pour identifier le site d'origine de l'événement (captages, réservoir, château d'eau, installation privée, etc.) et déterminer avec exactitude la zone concernée par celui-ci. Il détermine la (les) commune(s) ainsi que le nombre de raccordements concernés par l'événement.
§ 2. Tous les renseignements collectés, en particulier l'indication des communes, des parties de leur territoire concernées par l'événement et les références des schémas des réseaux, sont indiqués dans le document visé à l'article 265.
Art. R268. § 1. Als de persoon aangewezen ter uitvoering van artikel 264, § 1, besluit dat het water conform is aan de gezondheids- en schoonheidsvereisten bedoeld [1 in artikel D.183, § 1]1 van het decreetgevende deel, neemt zij notitie van de beslissing in het document bedoeld in artikel 265 en sluit te procedure af die gevolgd dient te worden bij het voorvallen van een gebeurtenis.
§ 2. Wanneer de persoon aangewezen ter uitvoering van artikel 264, § 1, b), meent dat het niet conform is aan de gezondheids- en schoonheidsvereisten bedoeld [1 in artikel D.183, § 1]1 van het decreetgevende deel, controleert zij of onmiddellijke maatregelen het water opnieuw conform kunnen maken aan de gezondheids- en schoonheidsvereisten binnen een termijn die korter is dan de termijn nodig voor de vormelijke niet-conformverklaring. Die termijn mag in geen enkel geval de zes uur overschrijden.
§ 3. Als de uitvoering van de onmiddellijke maatregelen die het water opnieuw conform kunnen maken aan de gezondheids- en schoonheidsvereisten minder tijd in beslag neemt dan de termijnen vermeld in § 2, is er geen aanleiding tot het opstellen van een niet-conformverklaring.
§ 4. Als de uitvoering van de onmiddellijke maatregelen die het water opnieuw conform kunnen maken aan de gezondheids- en schoonheidsvereisten het niet mogelijk maakt binnen de termijnen bedoeld in § 2, stelt de persoon aangewezen ter uitvoering van artikel 264, § 1, b), een vormelijke niet-conformverklaring op. Zij treft dan alle nodige maatregelen om onmiddellijk de bevolking en de betrokken overheden op de hoogte te brengen waarbij rekening gehouden wordt met eventuele beperkingen in het gebruik van het water. Die beslissing wordt in het document bedoeld in artikel 265 opgenomen. De betrokken overheden zijn [1 de Directie Grondwater van het Departement Leefmilieu en Water van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu]1, de burgemeesters van de betrokken gemeenten en, in voorkomend geval, elke andere bevoegde overheid.
Art. R268. § 1er. Si la personne désignée en application de l'article 264, § 1er, conclut que l'eau est conforme aux exigences de salubrité et de propreté visées [1 à l'article D. 183, § 1er]1 de la partie décrétale, elle consigne sa décision dans le document visé à l'article 265 et clos la procédure à suivre en cas de survenance d'événement.
§ 2. Lorsque la personne désignée en application de l'article 264, § 1er, b) estime que l'eau est non-conforme aux exigences de salubrité et de propreté, visées [1 à l'article D. 183, § 1er]1 de la partie décrétale, elle examine si des mesures immédiates peuvent rendre l'eau à nouveau conforme aux exigences de salubrité et de propreté dans un délai moindre que celui nécessaire à la déclaration formelle de non-conformité. Ce délai ne peut excéder en aucun cas 6 heures.
§ 3. Si la mise en oeuvre des mesures immédiates aptes à rendre l'eau à nouveau conforme aux exigences de salubrité et de propreté est plus rapide que les délais énoncés au § 2, il n'y a pas lieu de procéder à une déclaration formelle de non-conformité.
§ 4. Si la mise en oeuvre des mesures immédiates aptes à rendre l'eau à nouveau conforme aux exigences de salubrité et de propreté ne le permet pas endéans les délais visés au § 2, la personne désignée en application de l'article 264, § 1er, b) procède à une déclaration formelle de non-conformité. Elle prend alors les mesures nécessaires pour avertir immédiatement la population et les autorités concernées en tenant compte des éventuelles restrictions d'usage de l'eau. Cette décision est inscrite dans le document visé à l'article 265. Les autorités concernées sont la [1 Direction des eaux souterraines du Département de l'Environnement et de l'Eau, du Service public de Wallonie, Agriculture, Ressources naturelles et Environnement]1, les Bourgmestres des communes concernées et, le cas échéant, toute autre autorité compétente.
Art. R269. De leverancier treft alle maatregelen om de continuïteit van het beheer van de gebeurtenis tijdens en buiten de normale diensturen te garanderen.
Art. R269. Le fournisseur prend toutes les mesures utiles afin d'assurer la continuité de la gestion de l'incident durant et en dehors des heures normales de service.
Art. R270. De leverancier maakt zijn interne nood- en interventieplan voor het eerste uiterlijk tegen het einde van het derde kwartaal van 2004 aan [1 de Directie Grondwater van het Departement Leefmilieu en Water van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu]1, over. Het interne nood- en interventieplan wordt minstens één keer elke drie jaar door [1 de Directie Grondwater van het Departement Leefmilieu en Water van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu]1, en de leverancier onderling geëvalueerd. Die evaluatie kan aanleiding even tot een verzoek van [1 de Directie Grondwater van het Departement Leefmilieu en Water van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu]1, om een revisie van het plan door te voeren. In dat geval wordt het nieuwe interne nood- en interventieplan ter goedkeuring voorgelegd aan [1 de Directie Grondwater van het Departement Leefmilieu en Water van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu]1, overeenkomstig de procedure vermeld in artikel 262.
Art. R270. Le fournisseur transmet à la [1 Direction des eaux souterraines du Département de l'Environnement et de l'Eau, du Service public de Wallonie, Agriculture, Ressources naturelles et Environnement]1 son plan interne d'urgence et d'intervention pour la première fois au plus tard pour la fin du troisième trimestre 2004. Le plan interne d'urgence et d'intervention est l'objet, au moins une fois tous les trois ans, d'une évaluation entre le fournisseur et la [1 Direction des eaux souterraines du Département de l'Environnement et de l'Eau, du Service public de Wallonie, Agriculture, Ressources naturelles et Environnement]1. Cette évaluation peut amener à une demande de la [1 Direction des eaux souterraines du Département de l'Environnement et de l'Eau, du Service public de Wallonie, Agriculture, Ressources naturelles et Environnement]1 de révision du plan. Dans ce cas, le nouveau plan interne d'urgence et d'intervention est soumis à l'accord de la [1 Direction des eaux souterraines du Département de l'Environnement et de l'Eau, du Service public de Wallonie, Agriculture, Ressources naturelles et Environnement]1 conformément à la procédure reprise à l'article 262.
HOOFDSTUK IVbis. - Voorwaarden voor de openbare waterdistributie in het Waalse Gewest
CHAPITRE IVBIS. - Conditions de la distribution publique de l'eau en Région wallonne
Afdeling 1- Toepassingsgebied
Section 1re. - Champ d'application
Art. R270 bis.<INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/46, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Dit hoofdstuk bepaalt de juridische relatie tussen de verdeler, enerzijds, en [1 de eigenaar]1 en de gebruiker, anderzijds, alsook de voorwaarden betreffende de openbare opdracht van de verdeler.
Art. R270 bis. Le présent chapitre précise la relation juridique entre le distributeur, d'une part, et [1 le propriétaire]1 et l'usager, d'autre part, ainsi que les conditions de la mission de service public du distributeur.
Afdeling 2- Voorwaarden voor de aanleg van de aansluiting en vervalsing van de zegels
Section 2. - Conditions d'implantation du raccordement et altération des scellés
Art. R270 bis1.<INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/46, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Het tracé van elke nieuwe aansluiting wordt loodrecht boven de wegas op het openbare domein, het privé-domein alsook op privé-gronden uitgevoerd. In geval van belangrijke technische moeilijkheden of buitensporige kosten bij de plaatsing of vervanging van de aansluiting, kan de verdeler, in overeenstemming met [1 de eigenaar]1, de werken volgens een ander tracé uitvoeren.
De aansluiting kan van een wegkraan voorzien worden. De meter in het gebouw bevindt zich naast de gevelmuur, zo dicht mogelijk bij de weg.
De meter wordt geplaatst zodat de toegang, de indexmeting, het toezicht, de regelmatige werking, vervangingen en herstellingen vergemakkelijkt worden.
De meter wordt in een lokaal van het gebouw geplaatst. Als geen enkel lokaal in het gebouw voldoet aan bovenbedeelde voorwaarden of als het gebouw op meer dan 20 meter van het openbaar domein ligt, wordt de meter in een daartoe bestemde kast geplaatst. [2 De verdeler kan]2 van dit principe afwijken op basis van een overeenkomst met [1 de eigenaar]1.
De plaatsing van afzonderlijke meters in een gebouw vereist de terbeschikkingstelling van één enkel technisch lokaal [2 dat vrij toegankelijk is voor alle gebruikers]2.
[2 Binnen de gebouwen moet de leiding hogerop de watermeter over de hele lengte altijd zichtbaar zijn om een gemakkelijke uitvoering van onderhouds-, herstel- of vervangingswerken mogelijk te maken. Bij de installatie van een meterkastje, moet dit altijd toegankelijk blijven.
Met het oog op het behoud van de integriteit van de aansluiting en van de meter, is het verboden voor de gebruiker of de eigenaar om het even welk element van de door de verdeler geïnstalleerde aansluiting te ontmantelen, te verplaatsen, te wijzigen of te herstellen. De uit te voeren herstellingen op het gedeelte van de aansluiting dat aan de verdeler behoort, na een verkeerd gebruik door de eigenaar, worden door hem gedragen.
De binneninstallaties worden uitgevoerd rekening houdend met de kwaliteit van het distributiewater.]2

Art. R270 bis1. Le tracé de tout nouveau raccordement doit se faire perpendiculairement à l'axe de la voirie sur le domaine public, sur le domaine privé ainsi que sur les terrains privés. En cas de difficulté technique majeure ou coût exorbitant lors du placement ou remplacement du raccordement, le distributeur peut, en accord avec [1 le propriétaire]1, y procéder suivant un autre tracé.
Un robinet de voirie peut être placé sur le raccordement. L'emplacement du compteur à l'intérieur du bâtiment se situe près du mur de façade, au plus près de la voirie.
Le compteur est placé de manière à en faciliter l'accès, le relevé d'index, la surveillance, le fonctionnement régulier, le remplacement, la réparation.
Le compteur est placé dans un local de l'immeuble. Si aucun local de l'immeuble ne permet de rencontrer les conditions ci-avant ou si le recul de l'immeuble est supérieur à 20 mètres par rapport au domaine public, le compteur est placé dans une loge prévue à cet effet. [2 Le distributeur]2 peut déroger à ce principe sur base conventionnelle avec [1 le propriétaire]1.
Le placement de compteurs individuels dans un immeuble requiert la mise à disposition d'un local technique unique [2 et accessible librement à tous les usagers]2 pour installer ceux-ci.
[2 A l'intérieur des bâtiments, la canalisation en amont du compteur d'eau est en tout temps visible sur toute sa longueur pour permettre l'exécution aisée des travaux d'entretien, de réparation ou de remplacement. Lorsqu'une loge à compteur est installée, celle-ci reste libre d'accès en tout temps.
En vue de préserver l'intégrité du raccordement et du compteur, il est interdit à l'usager ou au propriétaire de démonter, déplacer, modifier ou réparer un élément quelconque du raccordement établi par le distributeur. Les réparations à effectuer sur la partie du raccordement appartenant au distributeur, suite à un mauvais usage du propriétaire, sont à charge de celui-ci.
Les installations intérieures sont réalisées en tenant compte de la qualité d'eau de distribution.]2

Art. R270 bis2.[1 De verdeler bepaalt het type en het kaliber van de meter naargelang van de behoeften van de eigenaar of van de verbruiker, alsook de technische voorschriften.
De aanvrager maakt zo nauwkeurig mogelijke informatie over zijn huidige en toekomstige behoeften aan water kenbaar. Voor de meters waarvan de nominale diameter hoger is dan of gelijk is aan vijfentwintig mm, kan de verdeler de meter verhuren.
De dimensionering houdt ook rekening met de kenmerken van het bestaande distributienet en met het tracé van de aansluiting.]1

Art. R270 bis2.[1 Le distributeur détermine le type et le calibre du compteur en fonction des besoins du propriétaire ou de l'usager et des prescriptions techniques.
Le demandeur transmet les informations les plus précises possibles sur ses besoins en eau présents et futurs. Pour les compteurs dont le diamètre nominal est supérieur ou égal à vingt-cinq millimètres, le distributeur peut appliquer une location de compteur.
Le dimensionnement tient également compte des caractéristiques du réseau de distribution existant et du tracé du raccordement.]1

Art. R270 bis3.<INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/46, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Als [1 de eigenaar]1 een brandbluswatervoorziening aanvraagt, voorziet de verdeler in een dubbele aansluiting : de eerste voor menselijk verbruik, de tweede uitsluitend voor het blussen. Wat de tweede aansluiting betreft, worden de door de gewestelijke bevoegde brandweerdienst aangevraagde capaciteit en druk niet door de verdeler gewaarborgd. [2 De verdeler kan in de tweevoudige aansluiting voorzien door beiden via één enkel aansluitpunt op de moederleiding aan te sluiten. Enkel in dit geval wordt de aansluiting van de brandblusleiding zo opgevat dat de verslechtering van de kwaliteit van het door de drinkwateraansluiting toegevoerde water voorkomen wordt via de installatie van minstens een erkende terugslagklep op het aanvangspunt van de brandblusleiding.]2
Art. R270 bis3. En cas de demande par [1 le propriétaire]1 d'une alimentation en eau pour l'extinction des incendies, le distributeur effectue un double raccordement : le premier destiné à la consommation humaine, le second exclusivement destiné à l'extinction. Pour ce second raccordement, les débit et pression demandés par le Service régional d'incendie compétent ne sont pas garantis par le distributeur. [2 Le distributeur peut concevoir le double raccordement en ne prévoyant qu'une prise sur la conduite-mère. Dans cette seule hypothèse, la conception du raccordement incendie évitera toute altération de la qualité de l'eau délivrée par le raccordement destiné à la consommation humaine par l'installation, au minimum d'un clapet anti-retour agréé installé sur le départ de la branche incendie.]2
Art. R270 bis4.<INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/46, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Vervalsing van de zegels
Bij vervalsing van de zegels betaalt [1 de eigenaar]1 of de verbruiker, behalve eventueel frauduleus verbruik, een forfaitaire vergoeding van 100 euro, onverminderd eventuele gerechtelijke vervolgingen.
De verdeler wijst [1 de eigenaar]1 of de verbruiker op de mogelijkheid verantwoording af te leggen.
Als de vervalsing niet te wijten is aan een opzettelijke daad of een nalatigheid van [1 de eigenaar]1 of de verbruiker, wordt de forfaitaire vergoeding niet toegepast.
Art. R270 bis4. Altération des scellés
En cas d'altération des scellés, outre les éventuelles consommations frauduleuses, [1 le propriétaire]1 ou l'usager doit acquitter une indemnité forfaitaire de 100 euros, sans préjudice d'éventuelles poursuites judiciaires.
Préalablement, le distributeur informe [1 le propriétaire]1 ou l'usager que celui-ci a la possibilité de faire valoir ses explications.
Lorsque l'altération n'est pas le fait d'un acte intentionnel ou de négligence de la part de [1 le propriétaire]1 ou de l'usager, l'indemnité forfaitaire ne lui est pas applicable.
Afdeling 3- Verandering van abonnee
Section 3. - Changement d'abonné
Art. R270 bis5.<INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/46, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Bij verandering van abonnee van het aangesloten gebouw dienen de voormalige en de nieuwe houder van zakelijke rechten :
- de verdeler te verwittigen binnen acht kalenderdagen na de datum van de notariële verkoopakte;
- de index(en) gelijktijdig mee te delen [1 op de datum van verandering van eigenaar]1 op grond van een procedure op tegenspraak [1 ...]1.
Indien aan deze voorwaarden niet kan worden voldaan, worden de voormalige en de nieuwe houder van zakelijke rechten hoofdelijk en ondeelbaar gehouden tot de betaling van alle sommen verschuldigd sinds de laatste indexmeting waarvoor een facturatie werd opgemaakt.
[1 Elke gebruiker brengt de verdeler op de hoogte van de datum van intrek in en van vertrek uit een aangesloten gebouw alsook van de index van de meter op deze datum en dit, binnen acht kalenderdagen.]1
Art. R270 bis5. En cas de changement d'abonné de l'immeuble raccordé, l'ancien et le nouveau titulaire de droits réels sont tenus :
- d'en informer le distributeur dans les huit jours calendrier suivant la date de l'acte notarié de vente;
- parallèlement, de communiquer le ou les index [1 à la date du changement de propriétaire]1 sur base d'une procédure contradictoire [1 ...]1.
A défaut de satisfaire à ces conditions, l'ancien et le nouveau titulaire de droits réels seront solidairement et indivisiblement tenus au paiement des sommes dues depuis le dernier relevé d'index ayant donné lieu à facturation.
[1 Tout usager informe le distributeur de la date de son entrée ou de sa sortie dans un immeuble raccordé ainsi que de l'index du compteur à cette date et ce, dans les huit jours calendrier.]1
Afdeling 4- Openbare distributie
Section 4. - Distribution publique
Art. R270 bis6.<INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/46, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Voorwaarden voor een regelmatige voorziening.
De verdeler garandeert een statische druk van 2 tot 10 bar op de meter, behalve afwijkingen en geïsoleerde gevallen.
De verdeler garandeert een minimaal meterdebiet van 300 liter/uur als het net onder gewone omstandigheden geëxploiteerd wordt, behalve als de verdeler een maatregel treft overeenkomstig de artikelen [1 R270bis13]1 R314, tweede lid, en R320, § 4, van het Waterwetboek betreffende het Sociaal waterfonds in het Waalse Gewest.
Als de dienstverlening langer dan acht opeenvolgende uren onderbroken wordt, waarbij de uren tussen 22 uur en 6 uur 's morgens niet meegerekend worden, maakt de verdeler gebruik van alternatieve voorzieningsmiddelen.
[1 De verdeler stelt een lijst op van de aansluitingen die niet aan de voorwaarden van een regelmatige voorziening voldoen.]1
Hij stelt een programma op grond waarvan al die aansluitingen aan bovenbedoelde voorwaarden moeten kunnen voldoen. Hij zorgt ervoor dat het programma zo spoedig mogelijk uitgevoerd wordt. Hij bepaalt er de uitvoeringskalender van.
De lijst van de aansluitingen die niet voldoen aan de voorwaarden voor een regelmatige voorziening en het programma op grond waarvan de aansluitingen zullen voldoen aan bovenbedoelde voorwaarden worden vóór eind 2006 overgemaakt aan het comité voor watercontrole. Dat comité brengt vóór 31 maart 2007 verslag uit aan de Minister die voor het waterbeleid bevoegd is.
De aansluitingen worden vóór 31 december 2015 conform gemaakt. Op grond van een behoorlijk gemotiveerde aanvraag kan de voor het waterbeleid bevoegde Minister, na advies van de administratie en het comité voor watercontrole, een bijkomende termijn van vijf jaar toekennen. Deze afwijking kan één keer hernieuwd worden.
Art. R270 bis6. Conditions d'un approvisionnement régulier
Le distributeur garantit une pression statique au compteur de 2 à 10 bars, hors écart et cas isolé.
Le distributeur garantit au compteur un débit minimum de 300 litres/heure dans les conditions habituelles d'exploitation du réseau, sauf disposition prise par le distributeur conformément aux articles [1 R270bis13]1 R314, 2e alinéa et R320, § 4, du Code de l'eau, relatifs au fonds social de l'eau en Région wallonne.
En cas d'interruption du service excédant huit heures consécutives, en ne comptabilisant pas les heures comprises entre 22 heures et 6 heures du matin, des moyens alternatifs d'alimentation sont mis en oeuvre par le distributeur.
[1 Le distributeur effectue le relevé des raccordements qui ne répondent pas aux conditions d'un approvisionnement régulier.]1
Il établit un programme de mise en conformité de tous ces raccordements aux conditions précitées. Il veille à l'exécution de ce programme dans les plus brefs délais. Il en détermine le calendrier de réalisation.
Le relevé des raccordements qui ne répondent pas aux conditions d'un approvisionnement régulier et le programme des mises en conformité des raccordements aux conditions précitées sont transmis au Comité de contrôle de l'eau pour fin 2006. Ce Comité fait rapport au Ministre ayant l'eau dans ses attributions pour le 31 mars 2007.
La mise en conformité des raccordements doit être réalisée pour le 31 décembre 2015. Sur base d'une demande dûment motivée, le Ministre ayant l'eau dans ses attributions peut, après consultation de l'administration et du Comité de contrôle de l'eau, accorder un délai complémentaire de cinq ans. Cette dérogation est renouvelable une seule fois.
Art. R270 bis7.<INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/46, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Onderbreking van de dienstverlening - Bijzondere bepalingen
De dienstverlening wordt onderbroken door sluiting van de wegkraan, door sluiting en verzegeling van de kraan vóór de meter of door de wateraansluiting langs de openbare weg te stoppen.
Als de distributie wordt onderbroken door het toedoen of de schuld van de verbruiker of [1 de eigenaar]1, wordt ze op zijn verzoek en zijn kosten hersteld op voorwaarde dat hij al zijn verplichtingen jegens de verdeler is nagekomen, onverminderd het recht op distributie voor een nieuwe gebruiker.
Art. R270 bis7. Interruption de service - Dispositions particulières
L'interruption du service se fait par fermeture du robinet de voirie, par fermeture et scellement du robinet avant compteur ou par bouchonnage de la prise en voirie.
Lorsque la distribution a été interrompue par le fait ou par la faute de l'usager ou de [1 le propriétaire]1, elle est rétablie, à sa demande et à ses frais, après qu'il se soit acquitté de toutes ses obligations envers le même distributeur, sans préjudice du droit à la distribution pour un nouvel usager.
Art. R270 bis8. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/46, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Overlegging van de factuur
De jaarlijkse regularisatiefactuur vermeldt hoe dan ook :
- de naam en het adres van de bestemmeling;
- de plaats van levering;
- een historiek van het verbruik, met een histogram van het verbruik (minimum drie jaar);
- het nummer van de meter;
- de verbruiksperiode;
- de voormalige en de nieuwe index;
- de berekening van het bedrag op de factuur, die duidelijk melding maakt van minstens de volgende gegevens :
- de retributie;
- de verbruiksprijs, met de uitvoerige tariefstructuur;
- de bedragen van de C.V.D. (reële kostprijs van de distributie) en C.V.A. (reële kostprijs van de sanering);
- het bedrag van de bijdrage in het Sociaal Waterfonds;
- de BTW;
- het totaalbedrag van de te vereffenen factuur;
- bij tariferingswijziging tijdens de verbruiksperiode waarop de factuur betrekking heeft, vermeldt de factuur per tarief elke bedoelde verbruiksperiode apart;
- de factuurdatum en de uiterste betaaldatum;
- de personalia van de klantendienst van de verdeler;
- de identificatie van het collectieve zuiveringsstation dat desgevallend afvalwater behandelt.
De factuur maakt duidelijk melding van de verschillende elementen van de C.V.D. en van de C.V.A., overeenkomstig de definitie ervan.
Art. R270 bis8. Présentation de la facture
La facture de régularisation annuelle détaille au minimum :
- le nom et l'adresse du destinataire;
- le lieu de fourniture;
- un historique des consommations avec un histogramme des consommations (trois ans minimum);
- le numéro de compteur;
- la période de consommation;
- l'ancien et le nouvel index;
- le calcul du montant de la facture reprenant distinctement au moins les éléments suivants :
- la redevance;
- le prix des consommations, avec le détail de la structure tarifaire;
- les montants du C.V.D. et du C.V.A.;
- le montant de la contribution au Fonds social de l'eau;
- la T.V.A.;
- le montant total de la facture à payer;
- en cas de modification de tarif pendant la période de consommation couverte par la facture, celle-ci distinguera, par tarif, chaque période de consommation concernée;
- la date de la facture et la date ultime de paiement;
- les coordonnées du service clientèle du distributeur;
- l'identification de la station d'épuration collective qui, le cas échéant, traite les eaux usées.
La facture mentionne clairement les différents éléments du C.V.D. et du C.V.A., conformément a leur définition.
Art. R270 bis9. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/46, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Vergoeding van de verdeler voor de inning van de C.V.A.
Voor de inning van de C.V.A. wordt de verdeler door de "Société publique de gestion de l'eau" vergoed tegen een forfaitair bedrag van 2,50 euro per meter in dienst. De Minister die voor het waterbeleid bevoegd is kan dat bedrag minstens om de vijf jaar herzien op grond van voorstellen geformuleerd door "Aquawal" en de "Société publique de gestion de l'eau".
Art. R270 bis9. Indemnisation du distributeur pour la perception du C.V.A.
Pour la perception du C.V.A., le distributeur est indemnisé par la Société publique de Gestion de l'Eau d'un montant forfaitaire de 2,50 euros par compteur en service. Ce montant est révisable au minimum tous les cinq ans par le Ministre ayant l'eau dans ses attributions, sur base de propositions formulées par Aquawal et la Société publique de Gestion de l'Eau.
Afdeling 5- Betalingsmodaliteiten en invordering van de facturen
Section 5. - Modalités de paiement et de recouvrement des factures
Art. R270 bis10.<INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/46, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Betalingswijze en -termijn voor de verbruikers
De bedragen verschuldigd overeenkomstig de artikelen D194 tot D209, D228 tot D233, D417 en D418, 6° en 7°, van het Waterwetboek en de huidige artikelen worden betaald aan het ontvangkantoor van de verdeler of op de rekening van de door hem aangewezen financiële instelling.
De uiterste betaaldatum staat op de factuur na de melding "te betalen vóór...". Deze datum valt minstens vijftien kalenderdagen na de datum [1 van de factuur]1.
Art. R270 bis10. Mode et délai de paiement des consommateurs
Les sommes dues en application des articles D194 à D209, D228 à D233, D417 et D.418, 6° et 7°, du Code de l'eau et des présents articles sont payables au bureau des recettes du distributeur ou au compte de l'organisme financier désigne par lui.
La date ultime du paiement est indiquée sur la facture après la mention "à payer avant le...". Cette date sera postérieure d'au moins quinze jours calendrier à la date [1 ...]1 de la facture.
Art. R270 bis11.<INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/46, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Rappel
Bij niet betaling binnen de bij artikel R270bis10 bepaalde termijn, stuurt de verdeler een rappelbrief aan de in gebreke gebleven verbruiker of abonnee.
De rappelbrief wordt pas op de dertigste kalenderdag na de [2 datum van de factuur]2.
Die brief bevat een betalingstermijn van minstens tien kalenderdagen, te rekenen van de datum van verzending van de rappelbrief.
De rappelkosten ten laste van de verbruiker of [1 de eigenaar]1 bedragen vier euro.
Art. R270 bis11. Rappel
En cas de non-paiement dans le délai prescrit par l'article R270bis10, le distributeur envoie un avis de rappel à l'usager ou à [1 le propriétaire]1 défaillant.
L'avis de rappel ne peut être envoyé qu'à partir du trentième jour calendrier suivant la date [2 ...]2 de la facture.
Le rappel fixe un nouveau délai de paiement qui sera d'au moins dix jours calendrier à compter de la date d'émission du rappel.
Les frais de rappel mis à charge de l'usager ou de [1 le propriétaire]1 sont de quatre euros.
Art. R270 bis12. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/46, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Aanmaning
In geval van niet betaling van de factuur na het verstrijken van de nieuwe termijn bepaald bij artikel R270bis11, stuurt de verdeler een aanmaning waarin een laatste betalingstermijn van vijf kalenderdagen vastligt. Het bedrag van de onbetaalde factuur wordt verhoogd met de kosten van de aanmaningsprocedure. Deze kosten bedragen hoogstens de rappelkosten, in voorkomend geval verhoogd met de kosten van de aangetekende zending.
Art. R270 bis12. Mise en demeure
En cas de non-paiement de la facture à l'expiration du nouveau délai fixé à l'article R270bis11, le distributeur envoie une lettre de mise en demeure fixant un dernier délai de paiement de cinq jours calendrier. Le montant de la facture impayée est majoré des frais engendrés par la procédure de mise en demeure. Ces frais s'élèvent au maximum aux frais de rappel majorés, le cas échéant, du coût de l'envoi recommandé.
Art. R270 bis13.[1 Bij niet-betaling binnen de in de aanmaning bedoelde termijn kunnen de verschuldigde sommen van rechtswege met de wettelijke interesten verhoogd worden per maand vertraging na het verstrijken van de vastgelegde termijn.
De verdeler kan alle middelen van recht gebruiken om zijn schuldvordering te innen [2 ...]2.
[2 Een debietbegrenzer kan worden aangelegd mits naleving van de volgende voorwaarden :
a) uitsluitend in geval van een niet-betaalde regularisatiefactuur;
b) uitsluitend voor één of meer facturen ten bedrage van ten minste 1.000 euro;
c) het uitblijven van betaling duurt voort zonder dat de verschuldigde een redelijke verbintenis is aangegaan om de schuld kwijt te schelden, zoals een betalingsregeling en een eerste afbetaling;
d) de verschuldigde wordt binnen een termijn van ten minste negentig kalenderdagen vanaf de datum van de brief per post in kennis gesteld van het risico van een debietbegrenzing;
e) tegelijkertijd brengt de verdeler het OCMW schriftelijk ervan op de hoogte;
f) het OCMW neemt binnen negentig kalenderdagen na de datum van de in punt d bedoelde brief geen contact op met de verdeler om bezwaar te maken tegen de installatie van de begrenzer;
g) de verdeler brengt de verschuldigde op de hoogte van zijn beslissing om een debietbegrenzer aan te leggen en van de uitvoeringsvoorwaarden ervan
h) Elke geïnstalleerde debietbegrenzer moet een minimumdebiet van 100 liter/uur bij een minimumdruk van 2 bar garanderen.]2
]1

[2 Na betaling van de verschuldigde bedragen of de toezegging van de verschuldigde om het overeengekomen betalingsplan na te leven en betaling van de eerste twee maandelijkse termijnen van het betalingsplan, wordt de debietbegrenzer binnen zeven kalenderdagen door de verdeler verwijderd, onder voorbehoud van toegang tot de meter.]2
Art. R270 bis13.[1 A défaut de paiement dans le délai fixé par la mise en demeure, les sommes dues peuvent être augmentées de plein droit des intérêts légaux à l'expiration du délai fixé.
Le distributeur peut utiliser toutes les voies de droit pour recouvrer sa créance [2 ...]2.
[2 Un limiteur de débit peut uniquement être posé moyennant le respect des conditions cumulatives suivantes :
a) exclusivement en cas d'impayé sur une facture de régularisation;
b) exclusivement pour une ou plusieurs factures atteignant au moins 1.000 euros;
c) le défaut de paiement persiste sans engagement raisonnable du débiteur quant à l'apurement de sa dette, tel qu'un échéancier de paiement et un premier versement;
d) le débiteur est prévenu par courrier du risque de limitation de débit dans un minimum de nonante jours calendrier à compter de la date du courrier;
e) concomitamment, le distributeur prévient le CPAS par écrit;
f) le CPAS ne se manifeste pas auprès du distributeur pour s'opposer à la pose du limiteur dans un délai de nonante jours calendrier à compter de la date du courrier visé au point d;
g) le distributeur informe le débiteur de sa décision de poser un limiteur de débit et de ses modalités d'exécution;
h) tout limiteur de débit posé doit garantir un débit minimal de 100 litres/heure pour la pression minimale de 2 bars.]2
]1

[2 Après le paiement des sommes dues ou l'engagement du débiteur de respecter le plan de paiement convenu et le paiement des deux premières mensualités du plan de paiement, le limiteur de débit est retiré par le distributeur endéans les sept jours calendrier et moyennant la possibilité d'accéder au compteur.]2
Art. R270 bis14. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/46, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Klachten
Om ontvankelijk te zijn wordt elke klacht schriftelijk opgestuurd binnen vijftien kalenderdagen na de datum van verzending van de factuur. De verplichting tot betaling van de verschuldigde bedragen wordt daardoor evenwel niet opgeschort.
Stortingen ten bate van de verdeler zijn niet rentedragend en hebben ook geen opschortende werking op de betaling van de in eender welk opzicht verschuldigde of opgeëiste bedragen.
Indien de gegrondheid van de klacht erkend wordt, beschikt de verdeler over vijftien kalenderdagen om de verschuldigde bedragen terug te betalen aan de verbruiker.
Art. R270 bis14. Réclamations
Pour être recevable, toute réclamation doit être adressée par écrit dans les quinze jours calendrier qui suivent la date d'expédition de la facture. Elle ne suspend pas l'obligation de payer les sommes réclamées.
Tout versement quelconque effectué au profit du distributeur n'est ni productif d'intérêts ni suspensif du paiement des sommes dues ou réclamées à quelque titre que ce soit.
En cas de reconnaissance de la pertinence de la réclamation, le distributeur dispose de quinze jours calendrier pour rembourser le consommateur des sommes dues.
Art. R270 bis15.<INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/46, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Betaling door derden
Betalingen door derden worden geacht verricht te worden voor rekening en ter ontlasting van de verbruiker of [1 de eigenaar]1.
Art. R270 bis15. Paiement des tiers
Les paiements effectués par des tiers sont censés être effectués pour compte et à la décharge de l'usager ou [1 le propriétaire]1.
Art. R270 bis16. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/46, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Garantie
De garantie die de verdeler krachtens artikel D232, laatste lid, van het Waterwetboek aanvraagt, kan verkregen worden door het storten in contant van een bedrag gelijk aan hoogstens het bedrag van één semester verbruik. Bij stopzetting van de distributie wordt dat bedrag terugbetaald mits eventuele aftrek van de verschuldigde bedragen.
Als de meter op hydranten aangesloten wordt, kan de in de vorige paragraaf bedoelde garantie verhoogd worden met een door de verdeler bepaald forfaitair bedrag ter dekking van de materiële kosten en de risico's van beschadiging van de waterdistributie-installaties.
Art. R270 bis16. Garantie
La garantie demandée par le distributeur en vertu de l'article D232 dernier alinéa du Code de l'eau, prend la forme d'un dépôt en espèces d'une somme équivalente au maximum au montant d'un semestre de consommations. Lors de la cessation de distribution, cette somme est restituée sous déduction éventuelle des sommes dues.
En cas de compteur raccordé sur hydrants, la garantie prévue au paragraphe précédent peut être augmentée d'une somme forfaitaire déterminée par le distributeur destinée à couvrir le coût du matériel et les risques de détérioration des installations de distribution d'eau.
Afdeling 6- Bescherming van de installaties
Section 6. - Protection des installations
Art. R270 bis17.<INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/46, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> De Minister die bevoegd voor het waterbeleid is legt de technische bepalingen vast die met name de bescherming van de installaties, de meterkasten en het standaardschema van de aansluiting betreffen.
Deze bepalingen kunnen opgenomen worden in een algemeen reglement voor waterdistributie [1 ...]1. Dat reglement wordt vastgelegd door de Minister die voor het waterbeleid bevoegd is.
Art. R270 bis17. Le Ministre ayant l'Eau dans ses attributions arrête les dispositions techniques notamment relatives aux normes de protection des installations, aux loges à compteur, au schéma standard du raccordement.
Ces dispositions pourront être intégrées dans un règlement général de distribution d'eau [1 ...]1. Ce règlement est arrêté par le Ministre ayant l'Eau dans ses attributions.
Afdeling 7- Indexering
Section 7. - Indexation
Art. R270 bis18.<INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/46, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> De bedragen bedoeld in de artikelen R270bis4, R270bis9 (wat betreft de vergoeding i.v.m. de inning van de C.V.A.) en R270bis11 [1 en R270bis13]1 van dit hoofdstuk worden jaarlijks op 1 januari geïndexeerd op grond van de evolutie van de prijzenindex, met verwijzing naar de gezondheidsindex van toepassing op 1 september 2005.
Art. R270 bis18. Les montants prévus aux articles R270bis4, R270bis9 (en ce qui concerne l'indemnisation relative à la perception du C.V.A. ) et R270bis11 [1 ainsi que R270bis13]1 du présent chapitre sont indexés chaque année au 1er janvier, sur base de l'évolution de l'indice des prix, par référence à l'indice santé en application le 1er septembre 2005.
Afdeling 8. [1 - Bedrag en modaliteiten van berekening en betaling van de in artikel D.195, § 2, bedoelde premie]1
Section 7. [1 - Montant et modalités de calcul et de paiement de la prime visée à l'article D.195, § 2]1
Art. R270 bis19. [1 § 1. Het bedrag van in de artikel D.195, § 2, bedoelde premie wordt forfaitair vastgelegd op 100 euro per meter uitbreiding van het openbare waterdistributienet.
§ 2. Wanneer een versterking van het openbare distributienet noodzakelijk is, wordt het bedrag van de premie als volgt berekend :
in geval van vervanging van een bestaande moederleiding door een moederleiding met een hogere capaciteit, wordt het bedrag van de premie forfaitair vastgelegd op 100 meter per meter aan te leggen leiding ter vervanging van de bestaande leiding;
in geval van installatie of vervanging van andere installaties die nodig is voor de verhoging van het debiet en/of de beschikbare druk op de aansluitingplaats, wordt het bedrag van de premie forfaitair vastgelegd op 1.500 euro voor het geheel van die werken.
§ 3. De in de §§ 1 en 2 bedoelde verschillende bedragen worden naar gelang van de uit te voeren werken gecumuleerd. In ieder geval wordt het globale bedrag van de premie evenwel beperkt tot maximum 4.000 euro per dossier.
§ 4. Die bedragen worden jaarlijks op 1 januari geïndexeerd en op de euro afgerond op grond van de ontwikkeling van de gezondheidsindex t.o.v. de op 1 januari 2016 vigerende index.]1

Art. R270 bis-19.[1 § 1er. Le montant de la prime visée à l'article D.195, § 2, est fixé forfaitairement à 100 euros par mètre d'extension du réseau public de distribution d'eau.
§ 2. Lorsqu'un renforcement du réseau public de distribution d'eau est nécessaire, le montant de la prime est calculé comme suit :
en cas de remplacement d'une conduite-mère existante par une conduite-mère d'une capacité supérieure, le montant de la prime est fixé forfaitairement à 100 euros par mètre de conduite à poser en remplacement de la conduite existante;
en cas de placement ou de remplacement d'autres installations, nécessaire à l'augmentation du débit et/ou de la pression disponible au point de branchement du raccordement, le montant de la prime est fixé forfaitairement à 1.500 euros pour l'ensemble de ces travaux.
§ 3. Les différents montants visés aux paragraphes 1er et 2 sont cumulés en fonction des travaux à réaliser. Toutefois, le montant global de la prime est dans tous les cas limité à un maximum de 4.000 euros par dossier.
§ 4. Ces montants sont indexés au 1er janvier de chaque année et arrondis à l'euro, sur la base de l'évolution de l'indice santé, par référence à l'indice en application au 1er janvier 2016.]1

Art. R270bis20. [1 Wanneer de werken voor de uitbreiding en/of de versterking van het openbare distributienet :
Art. R270bis-20. [1 Lorsque les travaux d'extension et/ou de renforcement du réseau public de distribution sont réalisés :
Hoofdstuk IV/ter. [1 Informatie]1
Chapitre IV/ter. [1 Informations]1
R. 270bis-21. [1 § 1. Onverminderd artikel D.193, § 4, van het Wetboek wordt de informatie opgenomen onder volgende punten in een aangepaste vorm online ten behoeve van de consumenten bekendgemaakt. Via andere middelen en mits een verantwoorde aanvraag kunnen de consumenten toegang verkrijgen tot volgende informatie:
R. 270bis-21. [1 § 1er. Sans préjudice de l'article D.193, § 4, du code, les informations figurant aux points suivants sont publiées en ligne à l'intention des consommateurs, sous une forme adaptée. Par d'autres moyens et sur demande justifiée, les consommateurs peuvent obtenir l'accès aux informations suivantes :
HOOFDSTUK V. - Prioritaire afwatering en financieringsmodaliteiten ervan.
CHAPITRE V. - Egouttage prioritaire et modalités de son financement.
Art. R271. De " SPGE " financiert de onderzoeken en werken betreffende de prioritaire afwatering die vermeld worden in de door de Regering goedgekeurde [2 investeringsprogramma's]2 van de gemeenten, met inachtneming van de modaliteiten bedoeld [1 in de artikelen R.272 en R.273]1 en binnen de perken van de daartoe door het Waalse Gewest uitgetrokken bedragen.
Bij gebrek aan de financieringsstructuur bedoeld in artikel 273 heft de " SPGE " op de stortingen van de fondsopbrengsten die haar toekomen krachtens artikel 324, § 4, van het decreetgevende deel, de nodige financiële middelen om de onderzoeken en werken inzake prioritaire afwatering in gemachtigde opdracht uit te voeren.
Art. R271. La SPGE finance, conformément aux modalités reprises [1 aux articles R.272 et R.273]1 et dans la limite des montants prévus à cette fin par la Région wallonne, les études et les travaux relatifs à l'égouttage prioritaire inscrits dans les programmes [2 d'investissements]2 des communes approuvés par le Gouvernement.
A défaut de structure financière visée à l'article 273, la SPGE prélève sur les versements des produits du fonds qui lui sont réservés en vertu de l'article 324, § 4, de la partie décrétale, les moyens financiers nécessaires pour la réalisation, en mission déléguée, des études et travaux d'égouttage prioritaire.
Art. R272. [1 Bij gebrek aan de financiële structuur bedoeld in artikel R.273, financiert de "S.P.G.E." de prioritaire afwateringswerken, in gemachtigde opdracht zoals bepaald bij artikel R.271, als volgt :
- de in het driejarenprogramma opgenomen investeringen betreffende het herstel van de bestaande afwatering worden ten laste genomen voor 80 %, verhoogd met 5 % studiekosten;
- de in het driejarenprogramma opgenomen investeringen betreffende de bouw en de hernieuwing van de afwatering worden ten laste genomen voor 60 %, verhoogd met 5 % studiekosten.]1

Art. R272. [1 A défaut de structure financière visée à l'article R.273, la S.P.G.E. finance les travaux d'égouttage prioritaire, en mission déléguée comme prévu à l'article R.271, de la manière suivante :
- les investissements relatifs à la réfection de l'égouttage existant inscrits dans le programme triennal seront pris en charge au taux de 80 %, augmentés de 5 % de frais d'études;
- les investissements relatifs à la construction et au renouvellement de l'égouttage inscrits dans le programme triennal seront pris en charge au taux de 60 %, augmentés de 5 % de frais d'études.]1

Art. R273. [1 Het Waalse Gewest bepaalt de financiële structuur van de bijdrage van de "S.P.G.E." in de financiering van de prioritaire rioleringen. Om die redenen mag het in het kader van een afwateringsovereenkomst tussenkomen.
De "S.P.G.E." sluit een afwateringsovereenkomst met de Regering, de erkende saneringsinstellingen en elke betrokken gemeente. Die overeenkomst voorziet o.a. in :
de prioriteiten inzake de financiering van de investeringen, door de "S.P.G.E.", met inachtneming van de Europese verplichtingen en de milieu-eisen;
de bijdrage van de gemeenten en de "S.P.G.E." in de kosten voor de uitvoering van de prioritaire afwateringswerken, met dien verstande dat :
a) het niveau van de gemeentelijke basisbijdrage overeenstemt met een gedeelte van het bedrag van de werken, excl. btw en bijkomende kosten;
b) het principe van de gemeentelijke basisbijdrage, mits inachtneming van de afwateringsovereenkomst, vastgelegd wordt als volgt :
- 42 % in geval van aanleg van nieuwe rioleringen of van herstel van rioleringen met vermeerdering van zijn sectie;
- 21 % in geval van rioleringsherstel zonder wijziging van zijn sectie of in geval van sanering;
c) het principe van de gemeentelijke basisbijdrage gepaard gaat met twee types afwijking :
- de modulering van de bijdrage van de gemeenten en van de "S.P.G.E." op grond van de integratie van het afwateringsproject naar gelang van de woondichtheid;
- de mogelijkheid tot modulering van de bijdrage van de gemeenten en van de "S.P.G.E." naar gelang van de prioriteiten inzake de financiering van de investeringen bedoeld in het tweede lid, 1°.
de verdeling tussen de contracterende partijen van de kosten voor dienstenverrichtingen zoals het afwateringskadaster of de reiniging.]1

Art. R273. [1 La Région wallonne détermine la structure financière de la participation de la S.P.G.E. dans le financement des égouts prioritaires. Elle peut notamment, pour ces motifs, intervenir dans le cadre d'un contrat d'égouttage.
La S.P.G.E. conclut avec le Gouvernement, les organismes d'assainissement agréés et chacune des communes concernées un contrat d'égouttage. Ce contrat prévoit notamment :
les priorités de financement des investissements, par la S.P.G.E., en fonction des obligations européennes et des contraintes environnementales;
la contribution respective des communes et de la S.P.G.E. aux frais de réalisation de travaux d'égouttage prioritaire, à savoir que :
a) le niveau de participation communale de base représente une part du montant des travaux hors T.V.A. et hors frais annexes;
b) le principe de la participation communale de base est, moyennant le respect du contrat d'égouttage, fixé comme suit :
- 42 % en cas de pose de nouveaux égouts ou de reconstruction d'égouts avec une augmentation de sa section;
- 21 % en cas de reconstruction d'égout sans modification de sa section ou en cas de réhabilitation;
c) le principe de la participation communale de base est accompagné de deux types de dérogation :
- la modulation de la contribution respective des communes et de la S.P.G.E. au vu de l'intégration du projet d'égouttage en fonction de la densité d'habitat;
- la possibilité de modulation de la contribution respective des communes et de la S.P.G.E. en fonction des priorités de financement des investissements visées à l'alinéa 2, 1°.
la répartition entre les parties contractantes des frais des opérations de services tels que le cadastre de l'égouttage ou le curage.]1

Art. R273 bis. [1 § 1. De Waalse Regering verleent haar toestemming voor de kosteloze overdracht ten algemenen nutte van een zakelijk eigendomsrecht, met inbegrip van een erfdienstbaarheid van overgang en een bouwrecht, van het Waalse Gewest aan de "S.P.G.E" op de rioolleidingen alsook op ieder perceel van zijn domein dat nuttig is voor de uitoefening van de opdrachten van de "S.P.G.E." en van de gemeente, overeenkomstig het overeenkomstmodel vermeld in bijlage XXXIX.
§ 2. De gemeente op het grondgebied waarvan de leiding aan de "S.P.G.E." wordt overgedragen, is houder van een gebruiksrecht op bedoelde leiding.
§ 3. Vóór iedere overdracht worden een identificatie en een karakterisering van de leiding door de diensten van het Waalse Gewest of van de "S.P.G.E." uitgevoerd met inachtneming van het door die instellingen vastgestelde protocol.
Het Waalse Gewest garandeert de uitsluiting van de "S.P.G.E." en van de gemeente betreffende de overgedragen rechten.
De nieuwe verplichtingen voortvloeiend uit de uitoefening van de door het Waalse Gewest overgedragen rechten zijn ten laste van de "S.P.G.E." en van de gemeente in het kader van het in artikel R.271 bedoelde rioleringscontract.
§ 4. Het Operationeel Directoraat-generaal Wegen en Gebouwen van de Waalse Overheidsdienst en de "S.P.G.E." worden gemachtigd om alle gegevens die nodig zijn voor het beheer van de kunstwerken voor water- en wegensanering uit te wisselen en te gebruiken.
§ 5. De overeenkomst tot erkenning van het statuut van het kunstwerk en de overdracht van het zakelijk recht kan ondertekend worden door de Directeur-generaal van het Operationeel Directoraat-generaal Wegen en Gebouwen van de Waalse Overheidsdienst.]1

Art. R273 bis. [1 § 1er. Le Gouvernement wallon autorise la cession à titre gratuit, pour cause d'utilité publique, d'un droit réel de propriété, en ce compris une servitude de passage et un droit de construire, de la Région wallonne à la S.P.G.E. sur les canalisations d'égouts ainsi que sur toute parcelle de son domaine utile à l'exercice des missions de la S.P.G.E. et de la commune, conformément au modèle de convention repris en annexe XXXIX.
§ 2. La commune, sur le territoire de laquelle la canalisation est cédée à S.P.G.E., est titulaire d'un droit d'usage sur celle-ci.
§ 3. Avant toute cession, un repérage et une caractérisation de la canalisation sont effectués par les services de la Région wallonne ou de la S.P.G.E. dans le respect du protocole établi par ces institutions.
La Région wallonne garantit l'éviction de la S.P.G.E. et de la commune concernant les droits cédés.
Les obligations nouvelles générées par l'exercice des droits cédés par la Région wallonne sont à charge de la S.P.G.E. et de la commune dans le cadre des modalités du contrat d'égouttage visé à l'article R. 271.
§ 4. La Direction générale opérationnelle Routes et Bâtiments du Service public de Wallonie et la S.P.G.E. sont autorisés à échanger et à utiliser toutes les données nécessaires à la gestion des ouvrages d'assainissement des eaux et des voiries.
§ 5. La convention reconnaissant le statut de l'ouvrage et le transfert du droit réel peut être signée par le Directeur général de la Direction générale opérationnelle Routes et Bâtiments du Service public de Wallonie.]1

HOOFDSTUK VI. - Algemeen reglement voor de sanering van stedelijk afvalwater.
CHAPITRE VI. - Règlement général d'assainissement des eaux urbaines résiduaires.
Afdeling I. - Voorwerp en beginselen.
Section 1re. - Objet et principes.
Art. R274. Het algemeen reglement voor de sanering van het stedelijk afvalwater bevat de regeling voor de sanering van stedelijk afvalwater en de daaruit voortvloeiende verplichtingen in de bebouwingsebieden of buiten die gebieden als er woningen zijn.
Het reglement bepaalt ook de principes op grond waarvan saneringsplannen per hydrografisch onderbekken opgesteld worden en de voorwaarden waaronder ze herzien en bijgewerkt worden.
Art. R274. Le Règlement général d'assainissement des eaux urbaines résiduaires fixe, dans les zones destinées à l'urbanisation ou en dehors de ces zones lorsqu'il existe des habitations, le régime d'assainissement des eaux urbaines résiduaires et les obligations qui en découlent.
Le Règlement définit en outre les principes d'établissement des plans d'assainissement par sous-bassin hydrographique et les conditions de leur révision et de mise à jour.
Art. R275. § 1. Het grondgebied van het Waalse Gewest is een kwetsbaar gebied in de zin van artikel 5 van Richtlijn 91/271/EEG van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater.
§ 2. Het saneringsplan bepaalt per hydrografisch onderbekken de regeling van de sanering van het stedelijk afvalwater in elk bebouwingsgebied.
Er bestaan drie regelingen :
de gemeenschappelijke saneringsregeling;
de autonome saneringsregeling;
de voorlopige saneringsregeling.
Art. R275. § 1er. Le territoire de la Région wallonne est une zone sensible au sens de l'article 5 de la directive 91/271/CEE du 21 mai 1991 relative au traitement des eaux urbaines résiduaires;
§ 2. Pour chaque sous-bassin hydrographique, un plan d'assainissement fixe, pour chaque zone destinée à l'urbanisation, le régime d'assainissement des eaux urbaines résiduaires.
Il existe trois régimes :
le régime d'assainissement collectif;
le régime d'assainissement autonome;
le régime d'assainissement transitoire.
Art. R276. § 1. De rioleringen bestaan uit waterdichte ondergrondse leidingen die zo aangelegd worden dat ze makkelijk gecontroleerd en onderhouden kunnen worden.
Bij de aanleg van nieuwe rioleringen of de sanering van bestaande rioleringen zijn aansluitingen van helder parasietwater verboden en wordt een einde gemaakt aan insijpelingen.
[1 De projecten van rioleringswerken omvatten een motivering van de keuze van het gepaste aan te leggen scheidings- of eenheidssysteem, rekening houdende met de economische, technische en milieuvoorschriften gebonden aan de afvoer van afval- en regenwater.]1
De [2 afwateringsovereenkomst]2 voorziet in de meest geschikte oplossingen om in te spelen op de dilutieproblemen die in de bestaande rioleringen vastgesteld worden.
§ 2. Ongeacht de saneringsregeling is het overeenkomstig de bepalingen inzake de bescherming van het oppervlakte- en grondwater verboden stedelijk afvalwater te laten afvloeien op de openbare wegen, bermen en trottoirs inbegrepen, alsmede in de watergreppels, sloten en taluds die er deel van uitmaken.
Art. R276. § 1er. Lorsque des égouts sont construits, ils sont constitués de conduits souterrains étanches poses de manière à en permettre un contrôle et un entretien aisés.
Lors de la pose de nouveaux égouts ou de la réhabilitation d'égouts, les raccordements d'eaux claires parasites sont interdits et les infiltrations sont supprimées.
[1 Les projets de travaux d'égouttage comportent une motivation du choix du système, séparatif ou unitaire, le plus approprié à mettre en place compte tenu des impératifs économiques, environnementaux et techniques liés à l'évacuation des eaux usées et des eaux de pluie.]1
Le [2 contrat d'égouttage]2 envisage les solutions les mieux adaptées pour répondre aux problèmes de dilutions constatés dans les égouts existants.
§ 2. Quel que soit le régime d'assainissement, conformément aux dispositions existantes en matière de protection des eaux de surface et souterraines, il est interdit de faire s'écouler ou de laisser s'écouler les eaux urbaines résiduaires sur les voies publiques, y compris sur les accotements et sur les trottoirs, ainsi que dans les filets d'eau, dans les fossés et sur les talus qui en constituent les dépendances.
Afdeling II. - Saneringsregelingen.
Section 2. - Régimes d'assainissement.
Onderafdeling I. - Gemeenschappelijke saneringsregeling.
Sous-section 1re. - Régime d'assainissement collectif.
Art. R277. § 1. [1 De gemeenschappelijke saneringsregeling houdt de hieronder vastgestelde verplichtingen in.
Elke agglomeratie die aan de criteria, verwoord in artikel R.286, § 2, beantwoordt, moet uitgerust zijn met een inzamelsysteem.
De gemeenten voorzien bovenbedoelde agglomeratiegedeelten die op hun grondgebied gelegen zijn, van rioleringen.
De woningen gelegen langs een weg met rioleringen worden erop aangesloten.
De woningen gelegen langs een weg die van rioleringen voorzien wordt, worden er tijdens de afwateringswerken op aangesloten.]1

§ 2. De aansluiting op de riolering vereist een voorafgaande schriftelijke vergunning van het (gemeentecollege).
De aansluitingswerken op het openbaar domein [3 van de weg]3 worden gecontroleerd door de gemeente en uitgevoerd door de ondernemer die de afwateringswerken op een weg uitvoert of, als de riolering al aangelegd is, door de gemeentediensten of een door de gemeente aangewezen ondernemer.
De gemeente bepaalt (krachtens artikel D.220) de bezoldiging en de modaliteiten voor elke aansluiting van de riolering op het openbaar domein.
De aansluitingen op de riolering en op de andere systemen voor waterafvoer vanaf de woningen zijn voorzien van een mangat dat toegankelijk is en dat zich op een plaats bevindt waar de hoeveelheid en de kwaliteit van het werkelijk geloosde water gecontroleerd kunnen worden.
§ 3. [2 Als de woning op de riolering aangesloten is, gebeurt de afvoer van grijs en zwart water uitsluitend via het rioleringsnetwerk.]2
Het stedelijk afvalwater wordt afgevoerd hetzij door zwaartekracht, hetzij dmv een pompsysteem.
Als de weg uitgerust is met een scheidingsriolering, is de lozing van regenwater samen met helder parasietwater verboden op de uitgeruste gedeelten.
[1 ...]1
§ 4. [1 Onverminderd andere toepasselijke wetgevingen, [2 voeren de woningen waarvan de stedenbouwkundige vergunning voor de bouw, de heropbouw of de inrichting van een nieuwe woning in de zin van artikel D.IV.4 van het WRO in eerste aanleg werd afgeleverd na 31 december 2016 hun regenwater af]2 :
prioritair in de grond door infiltratie;
in het geval van technische onmogelijkheid of onvoldoende beschikbaarheid van de grond, in een kunstmatige afwateringsweg of in gewoon oppervlaktewater;
in het geval van onmogelijkheid van afvoer volgens de punten 1° of 2°, in de riolering.
§ 5. Elke nieuwe woning is uitgerust met een systeem dat regenwater en afvalwater scheidt. Elke nieuwe woning gelegen langs een weg waar nog geen riolering is aangelegd of waarvan de riolering nog niet aangesloten is op een gemeenschappelijk zuiveringsstation wordt uitgerust met een van een by-passmogelijkheid voorziene septische put met een minimumcapaciteit die overeenkomt met bijlage XLVIIb. Het gemeentecollege kan na advies van de bevoegde saneringsinstelling een vrijstelling verlenen van de verplichting tot het installeren van een septische put indien het meent dat de kostprijs voor die voorziening buiten verhouding staat tot de verbetering die ervan verwacht kan worden voor het leefmilieu.
Indien er geen rioleringen zijn, wordt de septische put met by-passmogelijkheid bij voorkeur aangelegd tussen de woning en de toekomstige riolering om de latere aansluiting, opgelegd overeenkomstig paragraaf 1, gemakkelijker te maken. Het afvalwater dat de septische put verlaat, wordt afgevoerd via het oppervlaktewater of, voor zover er geen verbod is opgelegd bij of krachtens een andere wetgeving, via een afvoersysteem via bodeminfiltratie.
§ 6. [2 Bij inbedrijfname van het gemeenschappelijke zuiveringsstation wordt de septische put met by-passmogelijkheid ontkoppeld, behoudens andersluidend advies van de bevoegde saneringsinstelling.]2
Het slib wordt door een erkende rioolruimer uit de septische put verwijderd wanneer de hoogte van het opgeslagen slib zeventig percent van de totale hoogte onder waterniveau bereikt.
De inrichtingen uit de sector van het restaurantwezen moeten uitgerust zijn met een ontvetter met een minimumcapaciteit van vijfhonderd liter.]1

Art. R277. § 1er. [1 Le régime d'assainissement collectif comporte les obligations établies ci-dessous.
Toute agglomération, répondant aux critères énoncés à l'article R.286, § 2, doit être équipée d'un système de collecte.
Les communes sont tenues d'équiper d'égouts les parties d'agglomérations susvisées et situées sur leur territoire.
Les habitations situées le long d'une voirie déjà équipée d'égouts doivent y être raccordées.
Les habitations situées le long d'une voirie qui vient à être équipée d'égouts doivent y être raccordées pendant les travaux d'égouttage.]1

§ 2. Le raccordement à l'égout doit faire l'objet d'une autorisation préalable écrite du (collège communal).
Les travaux de raccordement, sur le domaine public [3 de la voirie]3, sont réalisés sous le contrôle de la commune et sont effectués par l'entrepreneur réalisant les travaux d'égouttage dans une voirie ou, lorsque l'égout est déjà posé, par les services communaux ou par un entrepreneur désigné par la commune.
(En vertu de l'article D220,) la commune fixe la rémunération et les modalités à appliquer pour tout travail de raccordement à l'égout sur le domaine public.
Les raccordements à l'égout et aux autres systèmes d'évacuation des eaux des habitations doivent être munis d'un regard de visite accessible et placé à un endroit offrant toutes garanties de contrôle de la quantité et de la qualité des eaux réellement déversées.
§ 3. [2 Lorsque l'habitation est raccordée à l'égout, l'évacuation des eaux grises et des eaux noires se fait exclusivement par le réseau d'égouttage.]2
L'évacuation des eaux urbaines résiduaires doit se faire soit gravitairement, soit par un système de pompage.
Lorsque la voirie est équipée d'un égout séparatif, le déversement de l'ensemble des eaux pluviales et des eaux claires parasites dans l'égout séparatif est interdit sur les parties ainsi équipées.
[1 ...]1
§ 4. [1 Sans préjudice d'autres législations applicables, [2 les habitations dont le permis d'urbanisme, pour sa construction, sa reconstruction ou la création d'un nouveau logement au sens de l'article D.IV.4 du CODT, a été délivré en première instance après le 31 décembre 2016 évacuent leurs eaux pluviales]2 :
prioritairement dans le sol par infiltration;
en cas d'impossibilité technique ou de disponibilité insuffisante du terrain, dans une voie artificielle d'écoulement ou dans une eau de surface ordinaire;
en cas d'impossibilité d'évacuation selon les points 1° ou 2°, en égout.
§ 5. Toute nouvelle habitation doit être équipée d'un système séparant l'ensemble des eaux pluviales des eaux usées. Toute nouvelle habitation située le long d'une voirie non encore égouttée ou dont l'égout n'aboutit pas encore dans une station d'épuration collective, doit être équipée d'une fosse septique by-passable d'une capacité minimale correspondant à l'annexe XLVIIb. Le collège communal peut, sur avis de l'organisme d'assainissement compétent, dispenser de l'obligation d'équipement d'une fosse septique lorsqu'il estime que le coût de l'équipement est disproportionné au regard de l'amélioration pour l'environnement escomptée.
En l'absence d'égouts, la fosse septique by-passable est implantée préférentiellement entre l'habitation et le futur réseau d'égouttage de manière à faciliter le raccordement ultérieur imposé conformément au paragraphe 1er. Les eaux usées en sortie de la fosse septique sont évacuées par des eaux de surface ou, pour autant que ce ne soit pas interdit par ou en vertu d'une autre législation, par un dispositif d'évacuation par infiltration par le sol.
§ 6. [2 Lors de la mise en service de la station d'épuration collective, la fosse septique by-passable est déconnectée sauf avis contraire de l'organisme d'assainissement compétent.]2
Un vidangeur agréé vide les fosses septiques de leurs gadoues lorsque la hauteur des boues stockées atteint septante pour cent de la hauteur totale sous niveau d'eau.
Les établissements du secteur de la restauration alimentaire doivent être équipés d'un dégraisseur d'une capacité minimale de cinq cents litres]1

Art. R278. § 1. [4 In afwijking van artikel R.277 kan de eigenaar van de betrokken woning, wanneer de aansluiting op de bestaande, in aanleg zijnde of toekomstige riolering buitensporige kosten veroorzaakt toe te schrijven aan gerezen technische moeilijkheden, een aanvraag tot vrijstelling van aansluiting op de riolering indienen bij het departement, op voorwaarde dat hij een zuiveringssysteem installeert dat de wetgeving inzake milieuvergunning naleeft.
Deze vrijstellingsaanvraag gebeurt op grond van het opstellen van een technisch dossier en een vergelijking van de kostprijs van de aansluiting op de riolering of de plaatsting van een individueel zuiveringssysteem.]4

[2 § 1/1. In afwijking van artikel R.277 kan de eigenaar van de betrokken woning, als technische problemen bij de aansluiting op de bestaande, in aanleg zijnde of toekomstige riolering overdreven kosten veroorzaken en bovendien de installatie van een individueel zuiveringssysteem technisch onmogelijk is of economische buiten verhouding blijkt t.o.v. van de opbrengst dat het systeem kan betekenen voor het milieu, bij het departement een vrijstelling van de aansluiting op de riolering en van de installatie van een individueel zuiveringssysteem aanvragen, op basis van het opstellen van een technisch dossier.
Het technische dossier bevat de elementen die aantonen dat het ingevoerde systeem een beschermingsniveau van het milieu biedt dat dezelfde is als de invoering van een inzamelsysteem.
[4 § 1/2.]4 Het departement maakt het technisch dossier over aan het betrokken gemeentebestuur en aan de bevoegde saneringsinstelling. Zij beschikken over zestig dagen vanaf de ontvangst van de aanvraag om hun adviezen uit te brengen. Na die termijn worden de adviezen geacht gunstig te zijn.
Het departement kan, op basis van het advies van bevoegde saneringsinstelling [3 [4 en van de gemeente]4]3, bijzondere voorschriften bepalen, samen met deze vrijstelling.
Het departement geeft kennis van zijn beslissing aan de aanvrager en aan de gemeente binnen een termijn van honderdtwintig dagen te rekenen van de ontvangst van de aanvraag. Bij gebrek aan een beslissing binnen de voorgeschreven termijn, maakt de eigenaar van de betrokken woning zijn vrijstellingsaanvraag over aan de Minister. De Minister geeft kennis van zijn beslissing ter vervanging van die van het departement binnen een termijn van honderdtwintig dagen te rekenen van de ontvangst van de aanvraag.
In het geval van weigering van de vrijstelling van de aansluiting, wordt de aansluiting op de bestaande riolering of de installatie op het individueel zuiveringssysteem uitgevoerd binnen de zes maanden die volgen op de kennisgeving van de weigeringsbeslissing.
Elk beroep wordt ingediend bij de Minister binnen de zestig dagen van de kennisgeving van de beslissing.
De Minister geeft kennis van zijn beslissing binnen een termijn van zestig dagen te rekenen van de ontvangst van het beroep.]2

§ 2. ([2 De woning die vóór de aansluitingsplicht over een individueel zuiveringssysteem beschikt, mag het behouden voor zover dit systeem door een milieuvergunning wordt gedekt. In dat geval zijn de in artikel R.277, § 1, bedoelde verplichtingen daarop niet van toepassing.]2
Als het individuele zuiveringssysteem door de verouderde staat of een voortdurend defect [2 vastgesteld ten gevolge van een controle bedoeld in hoofdstuk IX]2 evenwel niet meer voldoet aan de voorwaarden bepaald krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, moet de eigenaar :
- ofwel zijn woning op de riolering aansluiten door het systeem uit te schakelen overeenkomstig de bepalingen van artikel R.277, §§ 2 tot en met 4;
- ofwel het systeem saneren zodat het opnieuw voldoet aan de voorwaarden bepaald bij de besluiten genomen ter uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, zonder zijn woning evenwel op de riolering aan te sluiten.)
§ 3. Elke nieuwe woning gebouwd in een aan de gemeenschappelijke saneringsregeling onderworpen gebied langs een weg die nog niet met rioleringen uitgerust is, beschikt van meet af aan over een [1 erkend]1 individueel zuiveringssysteem [1 ...]1 als [2 ...]2 vaststaat [2 , na advies van de erkende saneringsinstelling,]2 dat de kosten van een aansluiting op een toekomstige riolering krachtens § 1 te hoog zouden oplopen.
Art. R278. § 1er. [4 Par dérogation à l'article R.277, lorsque le raccordement à l'égout, existant, en cours de placement ou futur, engendre des coûts excessifs en raison de difficultés techniques rencontrées, le propriétaire de l'habitation concernée peut demander une dispense de raccordement à l'égout auprès du département, moyennant l'installation d'un système d'épuration conformément à la législation relative au permis d'environnement ;
Cette demande de dispense est effectuée sur base de l'établissement d'un dossier technique et d'un comparatif des coûts entre le raccordement à l'égout ou le placement d'un système d'épuration individuelle.]4

[2 § 1er/1. Par dérogation à l'article R.277, lorsque le raccordement à l'égout, existant, en cours de placement ou futur, engendre des coûts excessifs en raison de difficultés techniques rencontrées et que de surcroît l'installation d'un système d'épuration individuelle est techniquement impossible ou s'avère économiquement disproportionnée par rapport au bénéfice que le système génère pour l'environnement, le propriétaire de l'habitation concernée peut demander une dispense de raccordement à l'égout et d'installation de système d'épuration individuelle auprès du département, sur base de l'établissement d'un dossier technique.
Le dossier technique comporte les éléments démontrant que le système mis en place assure un niveau de protection de l'environnement identique à celui que permet d'assurer la mise en place d'un système de collecte.
[4 § 1er/2.]4 Le département transmet le dossier technique à l'administration communale concernée et l'organisme d'assainissement compétent. Ils disposent de soixante jours à dater de la réception de la demande pour rendre leurs avis. A défaut de réponse dans ce délai, leurs avis sont réputés favorables.
Le département peut fixer, sur base de l'avis de l'organisme d'assainissement compétent [3 [4 et de la commune]4]3, des impositions particulières accompagnant la dispense.
Le département notifie sa décision au demandeur et à la commune dans un délai de cent vingt jours à dater de la réception de la demande. A défaut de décision endéans le délai visé, le propriétaire de l'habitation concernée transmet sa demande de dispense au Ministre. Le Ministre notifie sa décision se substituant à celle du département dans un délai de cent vingt jours à dater de la réception de la demande.
En cas de refus de la dispense de raccordement, le raccordement à l'égout existant ou l'installation du système d'épuration individuelle se réalise dans les six mois qui suivent la notification de la décision de refus.
Tout recours est introduit auprès du Ministre dans les soixante jours de la notification de la décision.
Le Ministre notifie sa décision dans un délai de soixante jours à dater de la réception du recours.]2

§ 2. ([2 L'habitation disposant d'un système d'épuration individuelle préexistant à l'obligation de raccordement peut le conserver pour autant que celui-ci soit couvert par un permis d'environnement. Dans ce cas, les obligations visées à l'article R.277, § 1er, ne lui sont pas applicables.]2
Toutefois, lorsque le système d'épuration individuelle n'est plus en mesure, en raison de sa vétusté ou d'un vice permanent [2 constaté à la suite d'un contrôle prévu au Chapitre IX]2, de respecter les conditions fixées en vertu du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, le propriétaire doit :
- soit raccorder son habitation à l'égout en déconnectant le système conformément aux dispositions de l'article R.277, §§ 2 à 4;
- soit réhabiliter le système de manière à ce qu'il réponde à nouveau aux conditions des arrêtés pris en exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, mais sans raccorder l'habitation à l'égout.)
§ 3. Toute nouvelle habitation construite en zone soumise au régime d'assainissement collectif le long d'une voirie non encore équipée d'égouts doit être équipée d'origine d'un système d'épuration individuelle [1 agréé]1, lorsqu'il est [2 ...]2 établi [2 , après avis de l'organisme d'assainissement agréé,]2 que le coût du raccordement à un égout futur serait excessif en vertu du (§) 1er.
Art. R278 bis. [1 In de agglomeratie van minder dan 2 000 IE (inwonerequivalent), en onverminderd het financieel plan en investeringsprogramma opgenomen in het beheerscontract van de S.P.G.E., kan elke gemeente een overeenkomst van landelijke sanering met de Regering, de "S.P.G.E." "Société publique de gestion de l'eau" (Openbare maatschappij voor waterbeheer) en de bevoegde saneringsinstelling sluiten om een gemeenschappelijk sanering uit te voeren van een plaatselijk prioriteit van volksgezondheid, van het milieu of technisch erkend voor een bepaald project. Een erkende technische plaatselijke prioriteit bestaat uit een opportuniteitsproject dat in synergie met andere werken of andere financieringsbronnen uitgevoerd moet worden.
De overeenkomst wordt opgesteld in de vorm van een aanhangsel van de afwateringsovereenkomst.
Onverminderd de tussenkomst van andere deelnemers en namelijk een tenlasteneming door het Waalse Gewest, de Belgische Staat of de Europese Unie, voorziet de overeenkomst van landelijke sanering waarvan het model door de Regering is goedgekeurd het volgende :
de presentatie door de gemeente van een dossier dat de uitvoering motiveert van saneringswerken die niet opgenomen zijn in een investeringsprogramma goedgekeurd door de Regering;
de financierings- en terugbetalingsmodaliteiten van de gemeentelijke bijdrage;
de respectievelijke bijdrage van de gemeente, de bevoegde saneringsinstelling en de "S.P.G.E." tot de kosten voor de uitvoering van gemeenschappelijke saneringswerken op basis van de volgende beginselen :
a) het niveau van de gemeentelijk bijdrage vertegenwoordigt een deel van het bedrag van de investeringswerken, excl. btw.;
b) de gemeente vergemakkelijkt het verkrijgen van de vergunningen en neemt alle kosten ten laste die verband houden met de onteigeningen en de eventuele verplaatsingen van rechtverkrijgenden;
c) de bevoegde saneringsinstelling realiseert de onderzoeken en de opvolging van de werken volgens de modaliteiten bepaald in de overeenkomst;
d) het beginsel van de gemeentelijke bijdrage wordt bepaald als volgt :
(1) voor de saneringswerken en voor het netwerk van collectoren die hen bevoorraadt : 40 %;
(2) voor het afwateringsnet : toepassing van de modaliteiten van de afwateringsovereenkomst;
e) de basis gemeentelijke bijdrage wordt gemoduleerd in functie van de ratio tussen de last in potentiële inwoner-equivalent en de huidige last in functie van de bezettingsgraad van de woningen;
de gemeente kan haar financiële bijdrage, naar rato van haar tenlasteneming, afwentelen op de particulieren of de promotor;
de modaliteiten i.v.m. de eigendom van de werken;
de modaliteiten i.v.m. de exploitatie van de werken door de bevoegde saneringsinstelling.]1

Art. R278 bis. [1 Dans les agglomérations de moins de 2 000 EH, et sans préjudice du plan financier et du programme des investissements repris au contrat de gestion de la S.P.G.E., toute commune peut conclure une convention d'assainissement rural avec le Gouvernement, la S.P.G.E. et l'organisme d'assainissement compétent en vue de réaliser un assainissement collectif d'une priorité locale de salubrité publique, environnementale ou technique reconnue pour un projet déterminé. Une priorité locale technique reconnue consiste en un projet d'opportunité devant être réalisé en synergie avec d'autres travaux ou d'autres sources de financement.
La convention est rédigée sous forme d'avenant au contrat d'égouttage.
Sans préjudice de l'intervention d'autres participants et notamment d'une prise en charge par la Région wallonne, l'Etat belge ou l'Union européenne, la convention d'assainissement rural, dont le modèle est approuvé par le Gouvernement, prévoit :
la présentation par la commune d'un dossier motivant la mise en oeuvre d'ouvrages d'assainissement non repris dans un programme d'investissement approuvé par le Gouvernement;
les modalités de financement et de remboursement de la part communale;
la contribution respective de la commune, de l'organisme d'assainissement compétent et de la S.P.G.E. aux frais de réalisation de travaux d'assainissement collectif sur base des principes suivants :
a) le niveau de participation communale représente une part du montant des travaux d'investissement hors T.V.A.;
b) la commune facilite l'obtention des autorisations et prend en charge tous les frais liés aux expropriations et aux éventuels déplacements d'impétrants;
c) l'organisme d'assainissement compétent réalise les études et le suivi des travaux selon les modalités fixées dans la convention;
d) le principe de la participation communale est fixé comme suit :
(1) pour les ouvrages d'assainissement et pour le réseau de collecteurs qui les alimente : 40 %;
(2) pour le réseau d'égouttage : application des modalités du contrat d'égouttage;
e) la participation communale de base est modulée en fonction du ratio entre la charge en équivalent-habitant potentielle et la charge actuelle en fonction du taux d'occupation de l'habitat;
la commune peut répercuter sa participation financière, au prorata de sa prise en charge, auprès des particuliers ou du promoteur;
les modalités liées à la propriété des ouvrages;
les modalités liées à l'exploitation des ouvrages par l'organisme d'assainissement compétent.]1

Onderafdeling II. - Autonome saneringsregeling.
Sous-section 2. - Régime d'assainissement autonome.
Art. R279. [1 § 1. De autonome saneringsregeling houdt de hieronder vastgestelde verplichtingen in.
Elke woning of groep woningen die gebouwd is na de datum van goedkeuring of wijziging van het algemeen gemeentelijk afwateringsplan of van het saneringsplan per onderstroomgebied waarbij de woning voor het eerst onder een autonome saneringszone valt, moet uitgerust worden met een erkend individueel zuiveringssyteem.
Andere bestaande woningen waarbij de woning onder een autonome saneringszone valt, kunnen verplicht worden om een erkend individueel saneringssysteem te installeren, hetzij na afloop van een zone-onderzoek, hetzij wegens een plaatselijke specificiteit omschreven in artikel R.280, hetzij ten gevolge van inrichtingen, uitbreidingen of verbouwingen waarvoor een stedenbouwkundige vergunning is afgeleverd en die een verhoging van de geloosde vuilvracht, in inwoners-equivalenten uitgedrukt, tot gevolg heeft.
De grootte van het individueel zuiveringssysteem wordt uitgedrukt in het aantal inwonerequivalenten (IE) en berekend volgens de modaliteiten opgenomen in bijlage XLVI.
§ 2. Onverminderd andere toepasselijke wetgevingen, [2 voeren de woningen waarvan de stedenbouwkundige vergunning voor de bouw, de heropbouw of de inrichting van een nieuwe woning in de zin van artikel D.IV.4 van het WRO in eerste aanleg werd afgeleverd na 31 december 2016 hun gezuiverd afvalwater af]2 :
prioritair in de grond door infiltratie;
in het geval van technische onmogelijkheid of onvoldoende beschikbaarheid van de grond, in een kunstmatige afwateringsweg of in gewoon oppervlaktewater;
in het geval van onmogelijkheid van afvoer volgens de punten 1° of 2°, via een zinkput voor de zuiveringseenheden.
§ 3. De Minister bepaalt de prioritaire zones waarover een zone-onderzoek wordt uitgevoerd.
Er worden de volgende prioritaire zones onderscheiden :
prioritaire zone I : zone met een sanitaire inzet in het geval van een voorkomings- en waterwingebied of een zwemzone en stroomopwaartse zwemzones;
prioritaire zone II : andere prioritaire zone met een milieu inzet.
De zwemzones en de stroomopwaartse zwemzones waarvan de kwaliteit goed of uitstekend is, op een continue wijze, over de laatste vijf jaren op basis van het verslag opgemaakt door de Administratie betreffende de kwaliteit van de zwemzones, vallen onder de prioritaire zones II voor zover de autonome zuivering niet wordt geïdentificeerd als een element dat verantwoordelijk is voor de vermindering van de bacteriologische kwaliteit van de zwemzone in het kader van de actualisering van de profielen zoals vereist in Richtlijn 2006/7/EG Deze uitzondering worden opgenomen in het ministerieel besluit bedoeld in paragraaf 4.
De spreiding voor de uitvoering van die zone-onderzoeken wordt door de Minister goedgekeurd op voorstel van de "S.P.G.E." na overleg met het departement en de bevoegde zuiveringsinstellingen.
De Regering belast er de "S.P.G.E." mee, het zone-onderzoek uit te werken waarvan de uitvoeringstermijn wordt bepaald in het beheerscontrat van de "S.P.G.E." gesloten met de Regering. De "S.P.G.E." vertrouwt er de uitvoering van toe aan de bevoegde erkende saneringsinstellingen die onder verantwoordelijkheid en toezicht van eerstgenoemde handelen.
Het onderzoek bevat minstens :
1 een overzicht van de bestaande toestand, afhankelijk van de beschikbare natuur- en scheikundige, feitelijke, juridische en bestuurlijke gegevens;
een analyse van de bestaande toestand ten opzichte van de potentialiteiten en drukfactoren verbonden aan de verwezenlijking van een gemeenschappelijke saneringsregeling met het oog op een gepaste behandeling of de uitvoering van een individuele sanering;
de oplossing(en) die worden voorgesteld na het doorvoeren van de analyse;
een eindverslag met de samenvatting van alle hierboven omschreven elementen en de aanbeveling van termijnen voor de aanleg van de uitrustingen, indien voorgeschreven;
5°.het advies van de betrokken gemeente(n), de bevoegde saneringsinstelling en de "S.P.G.E.".
Wat punt 5° betreft, deelt het gemeentecollege zijn advies mede aan de bevoegde saneringsinstelling binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van het eindverslag. Bij gebreke daarvan wordt het advies geacht gunstig te zijn.
De "S.P.G.E." maakt het zone-onderzoek over aan het departement voor advies, binnen 30 dagen te rekenen van de ontvangst van het dossier van de bevoegde saneringsinstelling en van de adviezen. Indien er geen advies gegeven wordt binnen dertig dagen wordt het advies geacht gunstig te zijn.
Binnen zestig dagen te rekenen van de ontvangst van het dossier van de bevoegde saneringsinstelling en van de adviezen, maakt de S.P.G.E. het zone-onderzoek en zijn voorstel tot beslissing over aan de Minister.
De Minister keurt de uitslag van het zone-onderzoek goed binnen dertig dagen te rekenen van de ontvangst ervan. Al naar gelang beslist hij om de wijziging van het betrokken saneringsplan per onderstroomgebied te laten doorvoeren met het oog op de opneming van een omtrek als collectieve saneringsregeling of om de installatie van een individueel zuiveringssysteem op te leggen aan de woningen of groepen van woningen die onder de autonome saneringsregeling vallen. In het geval dat de installatie van een individueel zuiveringssysteem wordt opgelegd, bepaalt de Minister de termijn van het conform maken en het type van prioritaire zone I of II waaronder deze woningen vallen wanneer zij zich bevinden in een zwemzone od stroomopwaartse zwemzone overeenkomstig de bepalingen opgenomen in paragraaf 3.
De Minister maakt zijn beslissing over aan de "S.P.G.E.", de bevoegde saneringsinstelling en de betrokken gemeenten. De bevoegde saneringsinstelling geeft kennis van de beslissing van de Minister aan de eigenaars van de betrokken woningen binnen dertig dagen van de ontvangst ervan.
§ 5. Onverminderd de bevoegdheid van de Minister bedoeld in paragraaf 3, kunnen één of meerdere personen een oplossing van autonome sanering opstarten, op een privé domein, met meerdere woningen.
§ 6. In het kader van een gegroepeerde stedenbouwkundige vergunning of bouwvergunning, verzoekt de gemeente om het advies van de bevoegde saneringsinstelling over de aan te bevelen technische saneringsoplossing.
De bevoegde saneringsinstelling beschikt over dertig dagen om haar advies uit te brengen te rekenen van de ontvangst van het verzoek dat gunstig geacht zal zijn na afloop van deze termijn.
Als uit het advies blijkt dat de voorrang moet gegeven worden aan een gecentraliseerd zuiveringsoplossing en dus een gemeenschappelijke sanering :
het advies van de erkende saneringsinstelling, gevalideerd door de "S.P.G.E.", bevat een analyse van het voorgesteld saneringsplan. Hij specificeert ook de technische voorschriften van de werken voor een overname van de eigendom en van de exploitatie van deze werken door de "S.P.G.E." na hun inbedrijfname;
de vergunningsaanvrager draagt de lasten van de kosten van de saneringsinfrastructuren naar evenredigheid van de geschatte vuilvracht van het project ten opzichte van de totale last uitgedrukt in inwoners-equivalenten (IE) van de voorgestelde gemeenschappelijke saneringsoplossing;
de gemeente, overeenkomstig artikel R.288, § 2, maakt aan de "S.P.G.E." de wijzigingsaanvraag over van het saneringsplan per onderstroomgebied die het gevolg is van de wijziging van de saneringsregeling.]1

Art. R279. [1 § 1er. Le régime d'assainissement autonome comporte les obligations établies ci-dessous.
Toute habitation ou groupe d'habitations érigé(e) après la date d'approbation ou de modification du plan communal général d'égouttage ou du P.A.S.H. qui l'a, pour la première fois, classée dans une zone d'assainissement autonome est équipé(e) d'un système d'épuration individuelle agréé.
D'autres habitations existantes classées dans une zone d'assainissement autonome peuvent se voir imposer l'installation d'un système d'épuration individuelle agréé, soit à l'issue d'une étude de zone, soit en raison d'une spécificité locale décrite à l'article R.280, soit à la suite d'aménagements, d'extensions ou de transformations autorisés par un permis d'urbanisme ayant pour effet d'augmenter la charge polluante rejetée en équivalent-habitants.
La taille du système d'épuration individuelle est exprimée en termes de nombre d'équivalent-habitant (EH) et calculée selon les modalités reprises à l'annexe XLVI.
§ 2. Sans préjudice d'autres législations applicables, [2 les habitations dont le permis d'urbanisme, pour sa construction, sa reconstruction ou la création d'un nouveau logement au sens de l'article D.IV.4 du CODT, a été délivré en première instance après le 31 décembre 2016 évacuent leurs eaux usées épurées :]2
prioritairement dans le sol par infiltration;
en cas d'impossibilité technique ou de disponibilité insuffisante du terrain, dans une voie artificielle d'écoulement ou dans une eau de surface ordinaire;
en cas d'impossibilité d'évacuation selon les 1° ou 2°, par un puits perdant pour les unités d'épuration.
§ 3. Le Ministre détermine les zones prioritaires qui font l'objet d'une étude de zone.
Il est distingué les zones prioritaires suivantes :
zone prioritaire I : zone à enjeu sanitaire dans le cas d'une zone de prévention de captage ou d'une zone de baignade et zones amont de baignade;
zone prioritaire II : autre zone prioritaire à enjeu environnemental.
Les zones de baignade et zones amont de baignade dont la qualité est bonne ou excellente, de façon continue, sur les cinq dernières années sur la base du rapport établi par l'Administration concernant la qualité des eaux de baignade relèvent des zones prioritaires II pour autant que l'assainissement autonome ne soit pas identifié comme élément responsable de la diminution de la qualité bactériologique de la zone de baignade dans le cadre de l'actualisation des profils tel que requise par la Directive 2006/7/CE. Ces exceptions sont reprises dans l'arrêté ministériel visé au paragraphe 4.
La planification pour la réalisation des études de zones est approuvée par le Ministre sur proposition de la S.P.G.E. après concertation avec le département, et les organismes d'assainissement compétents.
Le Gouvernement charge la S.P.G.E. de l'élaboration de l'étude de zone dont le délai de réalisation est défini dans le contrat de gestion de la S.P.G.E. conclu avec le Gouvernement. La S.P.G.E. en confie la réalisation aux organismes d'assainissement agréés compétents qui agissent sous sa responsabilité et sa supervision.
Elle contient au minimum :
un relevé de la situation existante en fonction des données physiques, scientifiques, factuelles, juridiques, et administratives disponibles;
une analyse de la situation existante, au regard des potentialités et contraintes liées à la mise en oeuvre d'un régime d'assainissement collectif en vue d'un traitement approprié ou à la réalisation d'un assainissement individuel;
la ou les solution(s) préconisée(s) à la suite de l'analyse effectuée;
un rapport final reprenant la synthèse de l'ensemble des éléments décrits ci-avant et la recommandation de délais pour la réalisation des équipements s'ils sont prescrits;
l'avis de la ou des commune(s) concernée(s), de l'organisme d'assainissement compétent et de la S.P.G.E.
Concernant le 5°, le collège communal communique son avis à l'organisme d'assainissement compétent dans un délai de trente jours après réception du rapport final. A défaut d'avis, celui-ci est réputé favorable.
La S.P.G.E. transmet dans les trente jours à dater de la réception du dossier de l'organisme d'assainissement compétent et des avis, l'étude de zone au département pour avis. A défaut d'avis dans les trente jours, l'avis est réputé favorable.
Dans les soixante jours à dater de la réception du dossier de l'organisme d'assainissement compétent et des avis, la S.P.G.E. transmet au Ministre l'étude de zone et sa proposition de décision.
§ 4. Le Ministre approuve le résultat de l'étude de zone dans les trente jours à dater de sa réception. Il décide selon le cas de faire procéder à la modification du P.A.S.H. concerné en vue de l'inscription d'un périmètre en régime d'assainissement collectif ou d'imposer l'installation d'un système d'épuration individuelle aux habitations ou groupes d'habitations relevant du régime d'assainissement autonome. En cas d'imposition d'installation d'un système d'épuration individuelle, le Ministre détermine le délai de mise en conformité et le type de zone prioritaire I ou II duquel ces habitations relèvent lorsqu'elles se situent en zone de baignade ou zone amont de baignade conformément aux précisions reprises au paragraphe 3.
Le Ministre transmet sa décision à la S.P.G.E., à l'organisme d'assainissement compétent et aux communes concernées. L'organisme d'assainissement compétent notifie la décision du Ministre aux propriétaires des habitations concernées dans les trente jours de sa réception.
§ 5. Sans préjudice de la compétence du Ministre visée au paragraphe 3, une ou plusieurs personnes peuvent initier une solution d'assainissement autonome, sur domaine privé, regroupant plusieurs habitations.
§ 6. Dans le cadre d'un permis d'urbanisation ou de construction groupée, la commune sollicite l'avis de l'organisme d'assainissement compétent sur la solution technique d'assainissement à préconiser.
L'organisme d'assainissement compétent a trente jours pour donner son avis à dater de la réception de la demande qui sera réputé favorable à l'échéance de ce délai.
S'il ressort de l'avis qu'il y a lieu de privilégier une solution d'épuration centralisée et donc d'assainissement collectif :
l'avis de l'organisme d'assainissement agréé, validé par la S.P.G.E., comprend une analyse du schéma d'assainissement proposé. Il spécifie également les impositions techniques des ouvrages à mettre en place pour une reprise en propriété et en exploitation par la S.P.G.E. de ces ouvrages après leur mise en service;
le demandeur de permis prend à sa charge les coûts des infrastructures d'assainissement proportionnellement à la charge polluante estimée du projet par rapport à la charge totale exprimée en équivalent-habitants (EH) de la solution d'assainissement collective préconisée;
la commune, conformément à l'article R.288, § 2, transmet à la S.P.G.E. la demande de modification du P.A.S.H. consécutive à la modification du régime d'assainissement.]1

Art. R280. [1 § 1er. Om een probleem van volksgezondheid of een gekarakteriseerde aantasting van het milieu te regelen, kan de gemeente, op basis van een motivatieverslag en van het advies van de bevoegde saneringsinstelling, de installatie van een individueel saneringssysteem opleggen.
De gemeente deelt aan de "S.P.G.E." en aan de bevoegde saneringsinstelling het voorschrift mee dat zij genomen heeft.
§ 2. Wanneer de gemeente vindt dat het probleem van volksgezondheid bedoeld in paragraaf 1 een plaatselijk zwart punt vormt, vraagt zij de erkenning ervan bij de "S.P.G.E." om aan de betrokken personen de mogelijkheid te bieden om toegang te krijgen tot [2 een premie ter hoogte van het bedrag dat van toepassing is, wanneer de woning een erkend plaatselijk zwart punt vormt]2. Deze aanvraag wordt vergezeld van het advies van het departement en van de bevoegde saneringsinstelling, alsook het motivatieverslag.
De "S.P.G.E." geeft kennis van zijn beslissing aan de gemeente binnen een termijn van zestig dagen te rekenen van de ontvangst van de gemeentelijke aanvraag. Bij gebrek aan een beslissing binnen de voorgeschreven termijn, maakt de betrokken gemeente haar erkenningsaanvraag over aan de Minister. De Minister geeft kennis van haar beslissing ter vervanging van die van de S.P.G.E. binnen een termijn van zestig dagen te rekenen van de ontvangst van de aanvraag.
In het geval van weigering van de erkenning van het plaatselijk zwart punt, kan een beroep worden ingediend bij de Minister binnen zestig dagen van de kennisgeving van de beslissing.
De Minister geeft kennis van zijn beslissing binnen een termijn van zestig dagen te rekenen van de ontvangst van het beroep.]1

Art. R280. [1 § 1er. En vue de régler un problème de salubrité publique ou une atteinte caractérisée à l'environnement, la commune peut, sur base d'un rapport de motivation et de l'avis de l'organisme d'assainissement compétent, imposer l'installation d'un système d'épuration individuelle.
La commune communique à la S.P.G.E. et à l'organisme d'assainissement compétent l'imposition qu'elle a prise.
§ 2. Lorsque la commune estime que le problème de salubrité publique visé au paragraphe 1er constitue un point noir local, elle en demande la reconnaissance auprès de la S.P.G.E. en vue de permettre aux personnes concernées d'accéder à [2 une prime dont le montant est celui qui s'applique lorsque l'habitation relève d'un point noir local reconnu]2. Cette demande est accompagnée de l'avis du département et de l'organisme d'assainissement compétent, ainsi que le rapport de motivation.
La S.P.G.E. notifie sa décision à la commune dans un délai de soixante jours à dater de réception de la demande communale. A défaut de décision endéans le délai visé, la commune concernée transmet sa demande de reconnaissance au Ministre. Le Ministre notifie sa décision se substituant à celle de la S.P.G.E. dans un délai de soixante jours à dater de la réception de la demande.
En cas de refus de reconnaissance du point noir local, un recours peut être introduit auprès du Ministre dans les soixante jours de la notification de la décision.
Le Ministre notifie sa décision dans un délai de soixante jours à dater de la réception du recours.]1

Art. R281. [1 In de autonome saneringszone kan de eigenaar van de betrokken woning, wanneer de installatie van een individueel saneringssysteem overdreven kosten veroorzaakt wegens technische moeilijkheden of economisch buiten verhouding blijkt t.o.v. van de opbrengst dat het systeem kan betekenen voor het milieu, op basis van een technisch dossier, een vrijstellingsaanvraag voor de installatie van het systeem, bij het departement indienen.
Het departement maakt het technisch dossier over aan het betrokken gemeentebestuur en aan de bevoegde saneringsinstelling. Zij beschikken over zestig dagen vanaf de ontvangst van de aanvraag om hun adviezen uit te brengen. Na die termijn worden de adviezen geacht gunstig te zijn.
Het departement geeft kennis van zijn beslissing aan de aanvrager binnen een termijn van honderdtwintig dagen te rekenen van de ontvangst van de aanvraag. Bij gebrek aan een beslissing binnen de voorgeschreven termijn, maakt de eigenaar van de betrokken woning zijn vrijstellingsaanvraag over aan de Minister. De Minister geeft kennis van zijn beslissing ter vervanging van die van het departement binnen een termijn van honderdtwintig dagen te rekenen van de ontvangst van de aanvraag.
Het departement kan, op basis van het advies van bevoegde saneringsinstelling [2 en van de gemeente]2, bijzondere voorschriften bepalen, samen met deze vrijstelling.
In het geval van weigering van de vrijstelling, wordt de installatie op het individueel zuiveringssysteem uitgevoerd binnen de zes maanden die volgen op de kennisgeving van de weigeringsbeslissing.
Elk beroep kan bij de Minister worden ingediend binnen zestig dagen van de kennisgeving van de beslissing door het departement.
De Minister geeft kennis van zijn beslissing binnen een termijn van zestig dagen te rekenen van de ontvangst van het beroep.]1

Art. R281. [1 Dans la zone d'assainissement autonome, lorsque l'installation d'un système d'épuration individuelle engendre des coûts excessifs en raison de difficultés techniques rencontrées ou s'avère économiquement disproportionnée par rapport au bénéfice que le système génère pour l'environnement, le propriétaire de l'habitation concernée peut introduire, sur base d'un dossier technique, une demande de dispense d'installation dudit système auprès du département.
Le département transmet le dossier technique à l'administration communale concernée et l'organisme d'assainissement compétent. Ils disposent de soixante jours à dater de la réception de la demande pour rendre leurs avis. A défaut de réponse dans ce délai, leurs avis sont réputés favorables.
Le département notifie sa décision au demandeur dans un délai de cent vingt jours à dater de la réception de la demande. A défaut de décision endéans le délai visé, le propriétaire de l'habitation concernée transmet sa demande de dispense au Ministre. Le Ministre notifie sa décision se substituant à celle du département dans un délai de cent-vingt jours à dater de la réception de la demande.
Le département peut fixer, sur base de l'avis de l'organisme d'assainissement compétent [2 et de la commune]2, des impositions particulières accompagnant la dispense.
En cas de refus de la dispense, l'installation du système d'épuration individuelle se fait dans les six mois qui suivent la notification de la décision de refus.
Tout recours peut être introduit auprès du Ministre dans les soixante jours de la notification de la décision par le département.
Le Ministre notifie sa décision dans un délai de soixante jours à dater de la réception du recours.]1

Onderafdeling III. - Voorlopige saneringsregeling.
Sous-section 3. - Régime d'assainissement transitoire.
Art. R282. (De voorlopige saneringsregeling houdt in dat elke nieuwe woning uitgerust wordt met een mangat en een systeem dat alle regenwater van het huishoudelijk afvalwater scheidt, alsmede met een septische put met bypassmogelijkheid met een minimumcapaciteit van 3.000 liter en, voor de zaken uit het restaurantwezen, een ontvetter met een minimumcapaciteit van 500 liter. De woning moet, in voorkomend geval, aangesloten worden op de bestaande riolering langs de weg, overeenkomstig de bepalingen van artikel R.277, §§ 2 tot en met 4, en artikel R.278, § 2.)
Indien mogelijk wordt een zone van 10 m2 vrijgehouden tussen de septische put en het afvoersysteem om eventueel een individueel zuiveringssysteem aan te leggen.
Art. R282. (Le régime d'assainissement transitoire implique que toute nouvelle habitation sera équipée d'un regard de visite et d'un système séparant l'ensemble des eaux pluviales des eaux domestiques usées ainsi que d'une fosse septique, by-passable d'une capacité minimale de 3 000 litres ainsi que, pour les établissements du secteur de la restauration alimentaire, d'un dégraisseur d'une capacité minimale de 500 litres. L'habitation doit, le cas échéant, être raccordée à l'égout existant le long de la voirie, conformément aux dispositions de l'article R.277, §§ 2 à 4, et de l'article R.278, § 2.)
Lorsque les conditions d'implantation le permettent, une zone de 10 m2 est prévue entre la fosse septique et le mode d'évacuation pour le placement éventuel d'un système d'épuration individuelle.
Art. R283. § 1. (Op voorstel van de "S.P.G.E." in overleg met de bevoegde saneringsinstelling wordt bepaald of de voorlopige saneringsregeling als een gemeenschappelijke dan wel zelfstandige saneringsregeling aangelegd wordt.)
§ 2. (opgeheven)
§ 3. (De vervanging van de voorlopige saneringsregeling door een gemeenschappelijke dan wel zelfstandige saneringsregeling wordt ondergeschikt gemaakt aan de wijziging van het saneringsplan per betrokken onderstroomgebied bedoeld in artikel R.288; die vervanging wordt effectief bij de inwerkingtreding van het advies tot herziening van het plan waarbij die vervanging bevestigd wordt.)
Art. R283. § 1er. (Le régime d'assainissement transitoire est précisé en régime d'assainissement collectif ou en régime d'assainissement autonome sur proposition de la S.P.G.E. en concertation de l'organisme d'assainissement compétent.)
§ 2. (abrogé)
§ 3. (La substitution du régime d'assainissement transitoire par un régime d'assainissement collectif ou autonome est subordonnée à la modification du plan d'assainissement par sous-bassin hydrographique concerné visé à l'article R.288; elle est effective à l'entrée en vigueur de l'avis de révision du plan qui consacre cette substitution.)
Afdeling III. - Saneringsplannen per hydrografisch onderbekken.
Section 3. - Plans d'assainissement par sous-bassin hydrographique.
Art. R284. § 1. Een saneringsplan per hydrografisch onderbekken is een dossier bestaande uit een hydrografische kaart en een verslag over die kaart.
Het plan bestrijkt het gezamenlijke grondgebied van een hydrografisch onderbekken.
Er bestaat een gedrukte en een numerieke versie van het plan en het verslag.
§ 2. De hydrografische kaart voldoet aan de volgende voorwaarden :
- ze bestaat uit bladzijden op schaal 1/10 000 waarop het Noorden naar boven gericht staat; ze kan plaatselijk vergroot worden om het lezen te vergemakkelijken;
- ze wordt met een algemene indexkaart aangevuld op een variabele schaal die het hydrografische onderbekken bestrijkt;
- de achtergrond van het plan wordt weergegeven op achtstebladen (op schaal 1/10 000) van het Nationaal Geografisch Instituut en dmv schaduweringen;
- de verschillende bladzijden waaruit de hydrografische kaart bestaat, voldoen aan de normen NBN 510 E04-012 en NBN E04-013; het formaat A0 is de maximale grootte;
- de verschillende lijnen en verklarende teksten voldoen aan de voorschriften van de " SPGE ".
De hydrografische kaart vermeldt oa :
de grenzen van de hydrografische onderbekkens;
de gemeentelijke grenzen;
de afvoerwegen van het gewone oppervlaktewater en de kunstmatige afvoerwegen, waarbij een onderscheid tussen de waterwegen in de open lucht, de overwelvingen en de leidingen gemaakt wordt en de categorie en de afvoerrichting vermeld worden;
de lokalisering van de waterwinningsgebieden en van de preventiegebieden bedoeld in de (artikelen D.171 tot en met D.175);
de vermelding op het gewestplan van de voor verstedelijking bestemde gebieden en de bestemming ervan;
[1 de omtrekken waarin de gemeenschappelijke saneringsregeling van toepassing is]1
(de omtrekken waarin de zelfstandige saneringsregeling van toepassing is;)
de omtrekken waarin de voorlopige saneringsregeling van toepassing is;
de omtrekken waarin de ontwateringsverrichtingen verwezenlijkt worden;
10° de lokalisatie, met verwijzing naar het verslag bedoeld in § 3, van de andere gegevens waarvan de projectontwerper kennis heeft en die een invloed zouden kunnen hebben op de inzake afvalwaterzuivering te nemen beslissingen;
11° ter informatie, de ligging van de bestaande werken en van de werken gepland door de (saneringsinstelling) die instaat voor de opvang, het oppompen en de zuivering van het afvalwater;
12° ter informatie, het bestaande en het aan te leggen afwateringsnetwerk.
§ 3. Het verslag betreffende de hydrografische kaart expliciteert en rechtvaardigt de op de kaart vermelde gegevens, de geplande maatregelen en de in aanmerking genomen opties.
Het verslag bevat de lijst van de zuiveringsstations voor de behandeling van het stedelijke afvalwater van agglomeraties met 2 000 IE of meer en vermeldt de nominale grootte ervan.
Het verslag bevat een reeks beschikbare samenvattende gegevens ivm :
- de lengte van de bestaande, in een driejarenprogramma voorziene en nog aan te leggen afwateringsnetwerken;
- de bevolking betrokken bij de verschillende saneringsregelingen, waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen de woningen die al dan niet op een afwateringsnetwerk aangesloten zijn;
- de staat van het afwateringsnetwerk en het aansluitingspercentage per agglomeratie;
- de woningen waarvan het afvalwater al dan niet gezuiverd wordt.
De in het verslag vermelde gegevens worden geactualiseerd bij de bijwerking bedoeld in (artikel R.290).
Art. R284. § 1er. Un plan d'assainissement par sous-bassin hydrographique est un dossier composé d'une carte hydrographique et d'un rapport relatif à ladite carte.
Le plan couvre l'ensemble du territoire d'un sous-bassin hydrographique.
Le plan et le rapport sont constitués à la fois sur un support papier et un support numérique.
§ 2. La carte hydrographique répond aux conditions suivantes :
- elle est constituée de feuilles à l'échelle 1/10 000, avec orientation du nord cartographique vers le haut; elle peut faire l'objet d'agrandissements locaux destinés à en faciliter la lecture;
- la carte est complétée par une carte générale d'assemblage selon une échelle variable couvrant le sous-bassin hydrographique;
- le fond de plan est obtenu à partir des planchettes à l'échelle 1/10 000 de l'Institut géographique national; il est reproduit en tons estompés;
- les différentes feuilles composant la carte hydrographique sont établies selon les normes NBN 510 E04-012 et NBN E04-013; la taille maximale des feuilles est celle du format A0;
- les différents traits et légendes sont conformes aux dispositions précisées par la SPGE.
La carte hydrographique comprend notamment :
les limites des sous-bassins hydrographiques;
les limites communales;
les cheminements des eaux de surface ordinaires et les voies artificielles d'écoulement en y distinguant les voies d'eaux à ciel ouvert, les voûtements et les canalisations et en indiquant leur catégorie, leur sens d'écoulement;
la localisation des zones de prise d'eau et des zones de prévention définies en application des (articles D.171 à D.175);
l'indication des zones destinées à l'urbanisation et leur affectation au plan de secteur;
[1 les périmètres dans lesquels s'applique le régime d'assainissement collectif.]1
(les périmètres dans lesquels s'appliquent le régime d'assainissement autonome;)
les périmètres dans lesquels (s'applique) le régime d'assainissement transitoire;
les périmètres dans lesquels des opérations de démergement sont réalisées;
10° la localisation avec repérage de renvoi au rapport visé au (§) 3, des autres éléments connus de l'auteur de projet et susceptibles d'avoir une incidence sur les décisions à prendre en matière d'épuration des eaux usées;
11° à titre indicatif, l'implantation des ouvrages existants et prévus par l'(organisme d'assainissement) assurant la collecte, le pompage et l'épuration des eaux usées;
12° à titre indicatif, le réseau d'égouttage existant et à réaliser.
§ 3. Le rapport relatif à la carte hydrographique explicite et justifie les éléments repris sur la carte, les dispositions prévues et les options retenues.
Le rapport comprend la liste et la taille nominale des stations d'épuration traitant les eaux urbaines résiduaires des agglomérations dont le nombre d'EH est supérieur ou égal à 2 000.
Le rapport reprend une série d'informations de synthèse disponibles et relatives à :
- la longueur des réseaux d'égouttage existants, programmés dans un programme triennal et restant à réaliser;
- la population concernée par les différents régimes d'assainissement, en distinguant la population égouttable et non égouttable;
- l'état du réseau d'égouttage et du taux de raccordement, par agglomération;
- les habitations dont les eaux usées sont épurées et celles dont les eaux usées ne le sont pas.
Les informations contenues dans le rapport sont actualisées lors de la mise à jour prévue à l'(article R.290).
Art. R285. De Regering belast er de "S.P.G.E." mee, het saneringsplan per onderstroomgebied uit te werken, het periodiek en gericht te wijzigen en het bij te houden.
De "S.P.G.E." vertrouwt er de uitvoering van toe aan de betrokken erkende saneringsinstellingen die onder verantwoordelijkheid en toezicht van eerstgenoemde handelen.
Alle gegevens die voortvloeien uit de verwezenlijking van het plan en de periodieke en gerichte wijzigingen ervan worden door de "S.P.G.E." in een gecoördineerd cartografisch document dat onder haar beheer staat, vastgelegd.
De "S.P.G.E." stelt het gecoördineerde cartografische document, de gegevensbank en de elektronische kaartdocumenten ter beschikking van de erkende saneringsinstellingen voor het desbetreffende grondgebied.
Art. R285. Le Gouvernement charge la S.P.G.E. de l'élaboration du plan d'assainissement par sous-bassin hydrographique, de ses modifications périodiques et ponctuelles et de ses mises à jour.
La S.P.G.E. en confie la réalisation aux organismes d'assainissement agréés concernés qui agissent sous sa responsabilité et sa supervision.
L'ensemble des données découlant de la réalisation du plan et de ses modifications périodiques et ponctuelles est intégré par la S.P.G.E. dans un document cartographique coordonné dont elle a la gestion.
La S.P.G.E. met à disposition des organismes d'assainissement agréés le document cartographique coordonné, la banque de données et les applications de cartographie informatique pour le territoire qui les concerne.
Art. R286. § 1. Het voorontwerp van plan wordt uitgewerkt op basis van een analyse van de feitelijke en rechtstoestand op grond waarop de in de artikelen 277 tot en met 283 bedoelde saneringsregelingen berusten rekening houdende met de hierna bepaalde objectieve eigenschappen van de bedoelde agglomeraties of gebieden.
§ 2. De gemeenschappelijke saneringsregeling is van toepassing op de agglomeraties met 2 000 IE of meer.
(Ze is ook van toepassing op de agglomeraties met minder dan 2000 IE voor zover :
- ze beschikken over een bestaand gemeenschappelijk zuiveringsstation of over een station waarvan de bouwopdracht vóór 25 juli 2003 is toegewezen;
- vijfenzeventig percent van de rioleringen al bestaan en in goede staat zijn;
- er specifieke leefmilieu- of technische kenmerken bestaan bepaald [1 door een door de bevoegde saneringsinstelling uitgevoerd onderzoek]1 die verantwoorden dat de agglomeratie aan die saneringsregeling wordt onderworpen.)
§ 3. (De zelfstandige saneringsregeling geldt in de voor bebouwing bestemde gebieden die niet bedoeld zijn in § 2 en waarvoor er specifieke lokale en, meer bepaald, leefmilieukenmerken bestaan die het feit verantwoorden dat de agglomeratie onderworpen wordt aan die saneringsregeling en voor alle woningen die opgetrokken worden buiten de voor bebouwing bestemde gebieden, behalve als het besluit, aangenomen overeenkomstig artikel R.281, § 1, er anders over beslist.)
§ 4. De voorlopige saneringsregeling is van toepassing in de bebouwingsgebieden die niet onder de §§ 2 en 3 van dit artikel vallen hetzij wegens de heterogeniteit van de woondichtheid, hetzij wegens het onzekere karakter van de ontwikkeling ervan.
Art. R286. § 1er. L'élaboration de (l'avant-projet) de plan se base sur une analyse de la situation de fait et de droit sur base de laquelle sont fixés les régimes d'assainissement visés aux (articles R.277 à R.283), compte tenu des caractéristiques objectives établies ci-dessous qui ressortent des agglomérations ou des zones considérées.
§ 2. Le régime d'assainissement collectif s'applique aux agglomérations dont le nombre d'EH est supérieur ou égal à 2 000.
(Il s'applique en outre aux périmètres situés dans les agglomérations dont le nombre d'EH est inférieur à 2 000, dans lesquels une des situations suivantes se présente :
- il existe une station d'épuration collective existante ou dont le marché de construction a été adjugé avant le 25 juillet 2003;
- septante-cinq pour cent des égouts sont existants et en bon état;
- il existe des spécificités environnementales ou techniques déterminées par une étude [1 réalisée par l'organisme d'assainissement compétent]1 qui justifient que l'agglomération soit soumise à ce régime d'assainissement.)
§ 3. (Le régime d'assainissement autonome s'applique dans les zones destinées à l'urbanisation non visées au § 2 et pour lesquelles il existe des spécificités locales et notamment environnementales qui justifient que l'agglomération soit soumise à ce régime d'assainissement, et à toutes les habitations qui sont érigées en dehors des zones destinées à l'urbanisation, sauf si l'arrêté adopté conformément à l'article R.281, § 1er, en dispose autrement.)
§ 4. Le régime d'assainissement transitoire s'applique dans les zones destinées à l'urbanisation qui ne sont pas visées au §§ 2 et 3, soit en raison de l'hétérogénéité de la densité de l'habitat, soit en raison de l'incertitude quant à son évolution.
Art. R287. § 1. De Regering keurt het voorontwerp van saneringsplan goed per hydrografisch onderbekken en gelast de " SPGE " het planontwerp binnen 30 dagen voor advies voor te leggen aan de volgende instanties :
- de gemeenten waar het in aanmerking genomen hydrografisch onderbekken gelegen is;
- de betrokken eigenaars van een winning van tot drinkwater verwerkbaar water;
- de riviercontracten betreffende het in aanmerking genomen hydrografisch onderbekken;
- de bevoegde directoraten-generaal van het Ministerie van het Waalse Gewest.
Bovenvermelde instanties geven de " SPGE " advies binnen een termijn van 120 dagen. Als één van de instanties geen advies uitbrengt binnen die termijn, wordt het geacht gunstig te zijn.
[1 Gedurende deze termijn organiseren de betrokken gemeenten, eventueel bijgestaan door de betrokken saneringsinstelling, een openbaar onderzoek overeenkomstig de bepalingen van titel III, deel III, van Boek I van het Milieuwetboek.]1
§ 2. Na afloop van de adviestermijn en nadat de " SPGE " een synthese van de eventuele adviezen van de geraadpleegde instanties heeft overgemaakt, legt de Regering het saneringsplan per hydrografisch bekken definitief vast.
§ 3. De datum van inwerkingtreding van het plan ligt vast in het besluit van de Regering tot goedkeuring van het saneringsplan per hydrografisch onderbekken. Het besluit wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
Art. R287. § 1er. Le Gouvernement approuve l'avant-projet de plan d'assainissement par sous-bassin hydrographique et charge la SPGE de soumettre, dans les 30 jours, le projet de plan à la consultation des instances suivantes :
- les communes concernées par le sous-bassin hydrographique considéré;
- les titulaires de prises d'eau potabilisable concernés;
- les contrats de rivière concernés par le sous-bassin hydrographique considéré;
- les Directions générales compétentes du Ministère de la Région wallonne.
Les instances susvisées rendent leur avis à la SPGE dans un délai de 120 jours. A défaut d'avis de l'une de ces instances dans ce délai, l'avis de l'instance restée en défaut est réputé favorable.
[1 Durant ce délai, les communes concernées, assistées éventuellement de l'organisme d'assainissement concerné, organisent une enquête publique conformément aux dispositions du titre III de la partie III du Livre Ier du Code de l'Environnement.]1
§ 2. Au terme du délai de consultation et après que la SPGE ait communiqué la synthèse des avis éventuels des instances consultées, le Gouvernement arrête définitivement le plan d'assainissement par sous-bassin hydrographique.
§ 3. L'arrêté du Gouvernement adoptant le plan d'assainissement par sous-bassin hydrographique fixe la date d'entrée en vigueur du plan. Il est publié au Moniteur belge.
Art. R288. [1 § 1. De wijziging van de saneringsplannen per onderstroomgebied houdt verband met elke wijziging in de saneringsregeling.
De aanvragen tot wijziging kunnen uitgaan van een gemeente, een erkende saneringsinstelling of van rechtswege van de Minister of de Regering, of van de "S.P.G.E." op eigen initiatief. Ze worden gericht aan de "S.P.G.E.".
De "S.P.G.E." onderzoekt de aanvragen tot wijzigingen van de saneringsplannen per onderstroomgebied.
§ 2. Binnen vijftien dagen van de ontvangst van de aanvraag, en wanneer de aanvraag niet afkomstig is van de bevoegde saneringsinstelling, vertrouwt de "S.P.G.E." de verwezenlijking van een onderzoek aan de bevoegde saneringsinstelling toe, dat het voorstel van wijziging op technisch, milieu en financieel vlak rechtvaardigt. De bevoegde saneringsinstelling beschikt over zestig dagen om zijn verslag over te maken.
Wanneer de aanvraag afkomstig is van de bevoegde saneringsinstelling en het onderzoek bedoeld in het eerste lid niet bevat, belast de "S.P.G.E." de bevoegde saneringsinstelling ermee om het binnen zestig dagen uit te voeren
§ 3. De "S.P.G.E." bereidt het project van wijziging voor, hetzij voor elke individuele aanvraag, hetzij door hergroepering van verschillende aanvragen gekregen tijdens een periode die verenigbaar is met de termijnen opgenomen in dit artikel en diegenen van artikel R.289 om één enkel project te realiseren dat verschillende wijzigingen per saneringsplan per onderstroomgebied hergroepeert.
In voorkomend geval, bevat de realisatie van elke wijziging de nodige aanpassingen van de plannen naar gelang van de ontwikkeling van de beschikbare feitelijke gegevens, inzake de aanleg van de saneringswerken en van de netwerken van collectoren en rioleringen binnen de omtrek van de saneringsplannen per onderstroomgebied.
§ 4. De effectbeoordeling is opgenomen onder de vorm van een verslag dat, met het project tot wijziging, het geïntegreerd verslag vormt.
Er wordt gehandeld overeenkomstig artikel D.56, § 4, van Boek I van het Milieuwetboek om de structuur van het geïntegreerd verslag op te maken krachtens artikel D.61, § 3. Het wordt minstens om de vijf jaar herzien volgens dezelfde procedure.]1

Art. R288. [1 § 1er. La modification des P.A.S.H. a trait à tout changement de régime d'assainissement.
Les demandes de modification peuvent émaner d'une commune, d'un organisme d'assainissement agréé, être émises d'office par le Ministre ou le Gouvernement, ou d'initiative par la S.P.G.E. Elles sont adressées à la S.P.G.E..
La S.P.G.E. instruit les demandes de modifications des P.A.S.H.
§ 2. Dans les quinze jours de la réception de la demande, et lorsque la demande n'émane pas de l'organisme d'assainissement compétent, la S.P.G.E. confie à l'organisme d'assainissement compétent la réalisation d'une étude justifiant sur le plan technique, environnemental et financier la proposition de modification. L'organisme d'assainissement compétent a soixante jours pour transmettre son rapport.
Lorsque la demande émane de l'organisme d'assainissement compétent et ne contient pas l'étude visée à l'alinéa 1er, la S.P.G.E. charge l'organisme d'assainissement compétent de la réaliser dans les soixante jours.
§ 3. La S.P.G.E. prépare le projet de modification soit pour chaque demande individuelle, soit en regroupant plusieurs demandes reçues durant une période compatible avec les délais repris au présent article et à ceux de l'article R.289 de manière à réaliser un seul projet regroupant plusieurs modifications par P.A.S.H.
Le cas échéant, la réalisation de chaque modification intègre les ajustements nécessaires des plans en fonction de l'évolution des données factuelles disponibles, en termes de réalisation des ouvrages d'assainissement et de réseaux de collecteurs et d'égouts, au sein du périmètre des P.A.S.H.
§ 4. L'évaluation des incidences est reprise sous la forme d'un rapport qui, avec le projet de modification, constitue le rapport intégré.
Il est procédé conformément à l'article D.56, § 4, du Livre Ier du Code de l'Environnement pour établir la structure du rapport intégré en vertu de l'article D.61, § 3. Il est revu au minimum tous les cinq ans selon la même procédure.]1

Art. R289. [1 § 1er. Binnen honderdtwintig dagen te rekenen van de ontvangst van de aanvraag tot wijziging van het saneringsplan per onderstroomgebied, onderwerpt de "S.P.G.E.", voor advies, het project tot wijziging, samen met het geïntegreerd verslag, aan de volgende betrokken instanties :
de gemeenten;
de houders van winningen van tot drinkwater verwerkbaar water
de bevoegde operationele directoraten-generaal van de Waalse Overheidsdienst.
§ 2. De personen en instanties bedoeld in paragraaf 1 brengen hun advies uit aan de "S.P.G.E." [2 binnen negentig dagen]2 Indien er door één van deze instanties geen advies gegeven binnen die termijn wordt het advies van de in gebreke gebleven instantie geacht gunstig te zijn.
Gedurende deze termijn organiseren de gemeenten, eventueel bijgestaan door de bevoegde saneringsinstelling, een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten bepaald in Boek I, Deel III, Titel III, van het Milieuwetboek.
Binnen zestig dagen te rekenen van de vervaldatum van de raadplegingstermijn, deelt de "S.P.G.E." haar advies mee aan de Minister over de wijzigingsaanvragen van het saneringsplan per onderstroomgebied alsook de samenvatting van de adviezen van de geraadpleegde instanties.
In voorkomend geval, stelt de "S.P.G.E." een milieuverklaring voor bedoeld in artikel D.60 van Boek I van het Milieuwetboek.
§ 3. Op voorstel van de Minister keurt de Regering het geïntegreerd verslag en de wijziging van het saneringsplan per onderstroomgebied goed.
Het besluit van de Regering tot aanneming van het saneringsplan per onderstroomgebied bepaalt de datum van inwerkingtreding van de gewijzigde bepalingen.]1

Art. R289. [1 § 1er. Dans les cent vingt jours à dater de la réception de la demande de modification du P.A.S.H., la S.P.G.E. soumet, pour avis, le projet de modification, accompagné du rapport intégré aux instances suivantes concernées :
les communes;
les titulaires de prises d'eau potabilisable;
les Directions générales opérationnelles compétentes du Service public de Wallonie.
§ 2. Les personnes et instances visées au paragraphe 1er rendent leur avis à la S.P.G.E. [2 dans les nonante jours]2. A défaut d'avis de l'une de ces instances dans ce délai, l'avis de l'instance restée en défaut est réputé favorable.
Durant ce délai, les communes, assistées, éventuellement, de l'organisme d'assainissement compétent, organisent une enquête publique selon les modalités fixées au Livre Ier, Partie III, Titre III, du Code de l'Environnement.
Dans les soixante jours à dater du terme du délai de consultation, la S.P.G.E. communique son avis sur les demandes de modification du P.A.S.H. ainsi que la synthèse des avis des instances consultées au Ministre.
S'il y a lieu, la S.P.G.E. propose une déclaration environnementale visée à l'article D.60 du Livre Ier du Code de l'Environnement.
§ 3. Le Gouvernement approuve, sur proposition du Ministre, le rapport intégré et la modification du P.A.S.H.
L'arrêté du Gouvernement adoptant la modification du P.A.S.H. fixe la date d'entrée en vigueur des dispositions modifiées.]1

Art. R290. § 1. [1 Terwijl de Regering de periodieke wijziging aanneemt, verzorgt de "S.P.G.E." de bijwerking van elk saneringsplan per onderstroomgebied in een gecoördineerd cartografisch document dat onder haar beheer staat. Binnen de dertig dagen na bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad worden de aangenomen plannen, of de gewijzigde plannen, en de bijwerking ervan door de "S.P.G.E." naar de gemeenten en de bevoegde saneringsinstellingen gezonden.]1
§ 2. Van de plannen en de bijwerkingen ervan wordt kosteloze inzage verleend op de maatschappelijke zetel van de "S.P.G.E.", op het gemeentebestuur voor wat het deel aanbelangt dat op het betrokken grondgebied gelegen is of op de maatschappelijke zetel van de bevoegde saneringsinstellingen.
De plannen en de numeriek doorgevoerde bijwerkingen ervan kunnen daarnaast geraadpleegd worden op de website van de "S.P.G.E.", http://www.spge.be
De afschriften van de plannen worden op schriftelijk verzoek, ingediend bij de "S.P.G.E.", afgeleverd tegen de kostprijs van 10 euro per kaart, op formaat A0, waarbij de verzendkosten gerekend moeten worden.
Art. R290. § 1er. [1 Concomitamment à l'adoption de la modification par le Gouvernement, la S.P.G.E. procède à la mise à jour de chaque plan d'assainissement par sous-bassin hydrographique dans un document cartographique coordonné dont elle a la gestion. Dans les trente jours de leur publication au Moniteur belge, les plans adoptés, ou les plans modifiés et leur mise à jour sont envoyés par la S.P.G.E. aux communes et aux organismes d'assainissement compétent.]1
§ 2. Les plans et leurs mises à jour peuvent être consultes, sans frais, au siège social de la S.P.G.E., à l'administration communale pour la partie de son territoire concerné ou au siège social des organismes d'assainissement compétents.
Les plans et leurs mises à jour digitalisés peuvent, en outre, être consultés sur le site web de la S.P.G.E. http://www.spge.be
Les copies des plans sont délivrées sur demande écrite à la S.P.G.E. au prix coûtant de 10 euros la carte, au format A0, auxquels il faut ajouter les frais de port.
Afdeling IV. - Maatregelen voor de vastlegging van het afwateringskadaster.
Section 4. - Mesures visant à l'établissement du cadastre de l'égouttage.
Art. R291. De gemeente stelt met de hulp van de bevoegde [...] [saneringsinstelling] een diagnose van haar afwateringsnetwerken die aan een gemeenschappelijke sanering onderworpen worden. De diagnose heeft meer bepaald betrekking op de exacte staat van het netwerk en op het aantal aansluitingen erop.
Ze wordt in dat opzicht als een saneringshandeling beschouwd.
De modaliteiten en kosten van het stellen van de diagnose worden tussen de partijen in het kader van de [1 afwateringsovereenkomst]1 vastgelegd.
Art. R291. La commune, avec l'aide de l'[organisme d'assainissement] compétent, établit, un diagnostic de ses réseaux d'égouttage repris en assainissement collectif.
Le diagnostic portera, en particulier sur l'état exact de son réseau et sur le nombre de raccordements à celui-ci. A ce titre, il doit être considéré comme une opération de réhabilitation.
Les modalités et délais de réalisation du diagnostic sont convenues entre les parties dans le cadre du [1 contrat d'égouttage]1.
HOOFDSTUK VII.
CHAPITRE VII.
Art. R292.
Art. R292.
Art. R293.
Art. R293.
Art. R294.
Art. R294.
Art. R295.
Art. R295.
Art. R296.
Art. R296.
Art. R297.
Art. R297.
HOOFDSTUK VIII. - Behandeling van het stedelijk afvalwater.
CHAPITRE VIII. - Traitement des eaux urbaines résiduaires.
Art. R298. § 1. Stedelijk afvalwater van agglomeraties waarvan de vuilvracht hoger is dan 2 000 ie, moet, vooraleer geloosd te worden, een secundaire behandeling ondergaan (...) voor lozingen uit agglomeraties met 2 000 tot 10 000 ie. (De voorwaarden met betrekking tot de lozingen van die stations zijn opgenomen in bijlage XXIX.)
§ 2. De lozing van stedelijk afvalwater van agglomeraties met een vuilvracht van meer dan 10 000 ie moet voorafgegaan worden door een tertiaire behandeling. (De voorwaarden met betrekking tot de lozingen van die stations zijn opgenomen in bijlage XXX.)
§ 3. Naast de bepalingen van de §§ 1 en 2 kan de Minister een strengere behandeling opleggen zodat het ontvangende water de kwaliteitsdoelstellingen kan halen.
Art. R298. § 1er. Les eaux urbaines résiduaires provenant des agglomérations dont la charge polluante est supérieure à 2 000 EH doivent, avant d'être rejetées, faire l'objet d'un traitement secondaire (...) pour les rejets provenant d'agglomérations ayant un EH compris entre 2 000 et 10 000. (Les conditions relatives aux rejets de ces stations sont reprises à l'annexe XXIX.)
§ 2. Les eaux urbaines résiduaires provenant des agglomérations dont la charge polluante est supérieure à 10 000 EH doivent, avant d'être rejetées, faire l'objet d'un traitement tertiaire. (Les conditions relatives aux rejets de ces stations sont reprises à l'annexe XXX.)
§ 3. Complémentairement aux §§ 1er et 2, en vue de garantir les objectifs de qualité de l'eau réceptrice, le Ministre peut imposer un traitement plus rigoureux.
Art. R299. Stedelijk afvalwater van agglomeraties waarvan de vuilvracht gelijk is aan of kleiner is dan 2 000 ie en dat in een opvangsysteem terechtkomt, moet, vooraleer geloosd te worden, (...) een toereikende behandeling ondergaan.
Bij gebrek aan een strengere behandeling bepaald door de Minister als de kwaliteitsdoelstelling voor de ontvangende waterloop het vereist, of aan een door de Minister bepaalde minder vergaande behandeling als de ontvangende waterloop de kwaliteitsdoelstelling haalt, worden de in bijlage (XXXV) vermelde eisen geacht aan de toereikende behandeling te voldoen.
Art. R299. Les eaux urbaines résiduaires provenant d'agglomérations dont la charge polluante est égale ou inférieure à 2 000 EH et qui pénètrent dans un système de collecte doivent, avant d'être rejetées, faire l'objet d'un traitement approprié (...).
A défaut d'un traitement plus rigoureux fixé par le Ministre si l'objectif de qualité du cours d'eau récepteur l'exige, ou d'un traitement moins rigoureux fixé par le Ministre si l'objectif de qualité du cours d'eau récepteur est ainsi assuré, les conditions sectorielles d'émission reprises à l'annexe (XXXV) sont considérées comme répondant au traitement approprié.
Art. R300. (De collectoren worden zo ontworpen, gebouwd en onderhouden dat er rekening gehouden wordt met het volume en de kenmerken van het stedelijk afvalwater en de milieudoelstellingen voor het ontvangende waterlichaam, de lekken te voorkomen en de vervuiling van het ontvangende water door overbelasting wegens onweersbuien te beperken.)
(lid 2 opgeheven)
(lid 3 opgeheven)
Art. R300. (Les collecteurs doivent être conçus, construits et entretenus de manière à tenir compte du volume et des caractéristiques des eaux urbaines résiduaires et des objectifs environnementaux de la masse d'eau réceptrice, à prévenir les fuites et à limiter la pollution des eaux réceptrices résultant des surcharges dues aux pluies d'orage.)
(alinéa 2 abrogé)
(alinéa 3 abrogé)
Art. R301. De gemeenschappelijke zuiveringsinstallaties worden zodanig ontworpen of aangepast dat de debieten kunnen worden gemeten en representatieve monsters van het inkomende afvalwater en het behandelde effluent kunnen worden verkregen.
De plaatsen voor de lozing van het gezuiverde water worden voor zover mogelijk zodanig gekozen dat het effect op de ontvangende water zo gering mogelijk is.
De in ie uitgedrukte belasting wordt berekend op basis van het gemiddelde van de maximale wekelijkse belasting die in de loop van het jaar in de gemeenschappelijke zuiveringsinstallatie terechtkomt, behalve ongebruikelijke situaties zoals zware regenval.
Art. R301. Les stations d'épuration collective sont conçues ou adaptées pour que des mesures des débits et des échantillons représentatifs des eaux usées entrantes et des effluents traités puissent être pris.
Les points d'évacuation des eaux épurées sont choisis dans toute la mesure du possible, de façon à réduire au minimum les effets sur les eaux réceptrices.
La charge exprimée en nombre d'équivalent-habitant est calculée sur la base de la charge moyenne maximale hebdomadaire qui pénètre dans la station d'épuration collective au cours de l'année, à l'exclusion des situations inhabituelles comme celles qui sont dues à de fortes précipitations.
Art. R302. De gemeenschappelijke zuiveringsinstallaties die aan de in de (artikelen R.298 en R.299) bedoelde eisen moeten voldoen, worden zodanig ontworpen, gebouwd, geëxploiteerd en onderhouden dat zij in normale weersomstandigheden een voldoende rendement kunnen hebben daar waar zij gevestigd zijn.
Bij het ontwerpen van deze installaties dient rekening te worden gehouden met de seizoenschommelingen van de belasting.
Art. R302. Les stations d'épuration collective construites pour satisfaire aux exigences des (articles R.298 et R.299) doivent être conçues, construites, exploitées et entretenues de manière à avoir un rendement suffisant dans toutes les conditions climatiques normales du lieu où elles sont implantées.
Il convient de tenir compte des variations saisonnières de la charge lors de la conception de ces installations.
Art. R303. Lozingen van de in de (artikelen R.298 en R.299) bedoelde gemeenschappelijke zuiveringsinstallaties worden overeenkomstig de in bijlage (XXXVI) vermelde procedures gecontroleerd.
De controles worden uitgevoerd door de bevoegde (saneringsinstelling) die daartoe de vereiste toestellen plaatst.
De resultaten van de controles worden ten minste drie jaar door de bevoegde (saneringsinstelling) bewaard.
De resultaten van de controles worden jaarlijks in de vorm van een synthese in een rapport opgenomen. Daartoe dient het in bijlage (XXXVII) vermelde formulier te worden gebruikt.
Het jaarlijkse rapport wordt aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, gezonden, uiterlijk op 31 maart van het jaar na dat waarop het betrekking heeft.
Art. R303. Les rejets provenant des stations d'épuration collective visées aux (articles R.298 et R.299) sont contrôlés conformément aux procédures reprises à l'annexe (XXXVI).
Les contrôles sont réalisés par l'(organisme d'assainissement) compétent qui installe tous les dispositifs nécessaires à leur exécution.
Les résultats des contrôles sont conservés par l'(organisme d'assainissement) compétent pendant une période de trois ans au minimum.
Annuellement, les résultats des contrôles sont consignés sous forme de synthèse dans un rapport, conformément au modèle repris à l'annexe (XXXVII).
Le rapport annuel est envoyé à la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau au plus tard le 31 mars de l'année qui suit celle pour laquelle le rapport doit être établi.
HOOFDSTUK IX. [1 - Installatie en controle van de individuele zuiveringssystemen]1
CHAPITRE IX. [1 - Installation et contrôle des systèmes d'épuration individuelle]1
Afdeling 1. [1 - Installatie en controle van de individuele zuiveringssystemen]1
Section 1re. [1 - Installation des systèmes d'épuration individuelle]1
Art. R304. [1 Elke installateur van een individueel zuiveringssysteem maakt een verslag op dat de datum van inbedrijfname van het systeem bepaalt en dat een beschrijvend plan van het individueel zuiveringssysteem en van de voorziening voor de afvoer van water bevat. Dit verslag wordt vergezeld van een fotoreportage dat de mogelijkheid biedt om de verschillende werken en hun aansluitingen te visualiseren vóór het opvullen van de opgravingen en geulen.
De installateur richt dit verslag aan de eigenaar van het individueel zuiveringssysteem voor de technische oplevering van de werken en aan de "S.P.G.E.", binnen vijftien dagen te rekenen van de technische oplevering van de werken, via de daartoe voorzien informaticatoepassing op de website : http : //www.spge.be/gpaa.
De Minister bepaalt de inhoud van het verslag.]1

Art. R304. [1 Tout installateur d'un système d'épuration individuelle établit un rapport précisant la date de mise en service du système et comprenant le plan descriptif du système d'épuration individuelle et du dispositif d'évacuation des eaux. Ce rapport est accompagné d'un reportage photographique permettant de visualiser les différents ouvrages et leurs raccordements avant remblayage des fouilles et tranchées.
L'installateur adresse ce rapport au propriétaire du système d'épuration individuelle pour la réception technique des travaux et à la S.P.G.E., dans les quinze jours à dater de la réception technique des travaux, via l'application informatique prévue à cet effet à l'adresse internet : http://www.spge.be/gpaa
Le Ministre détermine le contenu du rapport.]1

Afdeling 1 bis. [1 - Certificering van de installateurs van individuele zuiveringsystemen]1
Section 1rebis. [1 - Certification d'installeurs de systèmes d'épuration individuelle]1
Onderafdeling 1. [1 - Begripsomschrijvingen en algemeenheden]1
Sous-section 1re. [1 - Définitions et généralités]1
Art. R304 -1. [1 Voor de toepassing van deze afdeling, dient te worden verstaan onder:
het handvest : het handvest van de installatie van individuele zuiveringssystemen in het Waalse Gewest;
de exploitant : de exploitant van het individueel zuiveringssysteem, of het nu de opdrachtgever, de eigenaar of de huurder van het goed betreft waar het individueel zuiveringssysteem is geplaatst;
de Minister : de Minister die voor Leefmilieu bevoegd is;
de opdrachtgever : eenieder die de opdracht geeft werken i.v.m. de installatie van een individueel zuiveringssysteem uit te voeren of te laten uitvoeren mits betaling van deze werken.]1

Art. R304 -1. [1 Pour l'application de la présente section, il faut entendre par :
la charte : la charte de l'installation des systèmes d'épuration individuelle en Région wallonne;
l'exploitant : l'exploitant du système d'épuration individuelle, qu'il s'agisse du maître d'ouvrages, du propriétaire ou du locataire du bien où le système d'épuration individuelle est placé;
le Ministre : le Ministre qui a l'Environnement dans ses attributions;
le maître d'ouvrage : quiconque donne ordre d'exécuter ou de faire exécuter des travaux relatifs à l'installation d'un système d'épuration individuelle moyennant paiement de ces travaux.]1

Art. R304 -2. [1 De certificering heeft betrekking op de verschillende stappen van de installatie van een individueel zuiveringssysteem, namelijk het ontwerp van het project, de uitvoering en de inbedrijfname van een individueel zuiveringssysteem, alsook de vaststelling van het installatieverslag zoals bedoeld in artikel R.304.]1
Art. R304 -2. [1 La certification porte sur les différentes étapes de l'installation d'un système d'épuration individuelle, à savoir la conception du projet, la mise en oeuvre et la mise en service d'un système d'épuration individuelle, ainsi que l'établissement du rapport d'installation tel quel prévu à l'article R.304.]1
Art. R304 -3. [1 De volgende wijzen van mededeling gebruikt voor de toepassing van deze afdeling zijn:
het aangetekend schrijven met ontvangstbericht;
het gebruik van elke gelijksoortige formule die de verzend- en de ontvangstdatum van de akte waarborgen, ongeacht de dienst die de gebruikte post verdeelt;
de neerlegging tegen ontvangstbewijs;
het elektronisch schrijven als de procedure gedematerialiseerd wordt.]1

Art. R304 -3. [1 Les modes de communication suivants utilisés pour l'application de la présente section sont :
l'envoi recommandé avec accusé de réception;
le recours à toute formule similaire permettant de conférer date certaine à l'envoi et à la réception de l'acte, quel que soit le service de distribution du courrier utilisé;
le dépôt contre récépissé;
le courrier électronique si la procédure est dématérialisée.]1

Onderafdeling 2. [1 - Certificeringsvoorwaarden]1
Sous-section 2. [1 - Des conditions de certification]1
Art. R304 -4.[1 § 1. Om gecertificeerd te worden voldoet de installateur van individuele zuiveringsystemen aan de volgende voorwaarden :
onder de bestuurders of personen die de vennootschap kunnen binden, geen enkele persoon tellen die veroordeeld is bij een beslissing die in kracht van gewijsde is getreden wegens bepaalde feiten i.v.m. de installatie van individuele zuiveringssystemen
niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een intrekking van certificering binnen de drie jaar voorafgaand aan de certificeringsaanvraag;
opgenomen zijn in de Kruispuntbank van Ondernemingen;
voldoen aan de fiscale en sociale verplichtingen op het ogenblik van de certificeringsaanvraag en meer bepaald voldoen aan de verplichtingen opgelegd aan de aannemers van werken in artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 betreffende de sociale zekerheid der arbeiders;
een verzekeringscontract aangegaan hebben die de burgerlijke aansprakelijkheid dekt die voortvloeit uit de activiteiten van opbouwwerken en het jaarlijks hernieuwen;
een attest van het volgen van een opleiding georganiseerd door de "S.P.G.E." overleggen over de administratieve en technische aspecten van de installatie van individuele zuiveringsystemen.
De Minister kan, op voorstel van de "S.P.G.E." de voorwaarden van het verzekeringscontract bedoeld in 5° bepalen.
De inhoud van de opleiding bedoeld in 6° heeft betrekking :
a) voor de administratieve aspecten, op :
- de wetgeving betreffende de autonome sanering;
- de inhoud van de installatierapporten;
- de verbintenissen opgenomen in het handvest;
- de rapportageprocedures naar de "S.P.G.E.", de "OAA", de gemeente, de opdrachtgever;
a) voor de technische aspecten, op :
- de basis van de biologische zuivering toegepast op de autonome sanering;
- de regels van goede praktijk die moeten nageleefd worden voor de vestiging van het individueel zuiveringssysteem;
- de afvoer en de verspreiding van het gezuiverde water.
§ 2. Om gecertificeerd te worden, moet de installateur bovendien :
- zorgen voor de correcte aansluiting van de toevoer van afvalwater en voor de scheiding van het regenwater aan de ingang van het individueel zuiveringssysteem
- de meest geschikte middelen onderzoeken en uitvoeren voor de afvoer van het regenwater;
- de geschikte middelen onderzoeken en uitvoeren voor de afvoer van het gezuiverd afvalwater overeenkomstig het Waterwetboek;
- de werken alleen met eigen personeel uitvoeren, of alleen een onder- of gezamenlijk aanbesteding met andere gecertificeerde installateurs, en ervoor zorgen dat goede praktijken van het beroep worden nageleefd;
- aan de exploitant een volledig technisch-administratief dossier verstrekken met de volgende elementen: exploitatie- en onderhoudshandboek van het geïnstalleerd systeem, inplantingsschema en fotografische drager uitgevoerd tijdens de installatie;
- de gegevens en de garantievoorwaarden van de fabrikant verstrekken i.v.m het uitgevoerde individueel zuiveringssysteem;
- [2 ...]2
- de toegang tot het systeem alsook tot zijn aansluitingen mogelijk maken en vergemakkelijken voor controledoeleinden;
- de exploitant op de hoogte brengen van de werking en de verplichting en modaliteiten inzake onderhoud van het individueel zuiveringssysteem;
- aan de "S.P.G.E." het installatieverslag overmaken bedoeld in artikel R.304 binnen 15 dagen van de technische oplevering van de werken;
- in het geval van gebrekkig werk, onverwijld zijn verantwoordelijkheid opnemen of die van elke eventuele onderaannemer;
- ondertekenaar zijn van het handvest omschreven in artikel 304-5 en waarin voor de installateurs de bovenvermelde voorwaarden zijn opgenomen.]1

Art. R304 -4.[1 § 1er. Pour être certifié, l'installeur de systèmes d'épuration individuelle répond aux conditions suivantes :
ne compter parmi ses administrateurs ou parmi les personnes pouvant engager l'entreprise que des personnes n'ayant pas été condamnées par une décision coulée en force de la chose jugée pour des faits précis en rapport à l'installation des systèmes d'épuration individuelle;
ne pas avoir fait l'objet d'un retrait de certification dans les trois ans précédant la demande de certification;
être enregistré au sein de la Banque-Carrefour des Entreprises;
être en règle avec les obligations fiscales et sociales au moment de la demande de certification et plus spécifiquement répondre aux obligations imposées aux entrepreneurs de travaux à l'article 30bis de la loi du 27 juin 1969 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
avoir souscrit un contrat d'assurance couvrant la responsabilité civile résultant des activités de travaux de construction et le renouveler annuellement;
produire une attestation de suivi d'une formation organisée par la S.P.G.E. sur les aspects administratifs et techniques de l'installation de systèmes d'épuration individuelle.
Le Ministre, sur proposition de la S.P.G.E., peut préciser les conditions du contrat d'assurance visé au 5°.
Le contenu de la formation visée au 6° porte :
a) pour les aspects administratifs, sur :
- la législation relative à l'assainissement autonome;
- le contenu des rapports d'installations;
- les engagements repris dans la charte;
- les procédures de rapportage vers la S.P.G.E., les OAA, la commune, le maître d'ouvrage;
b) pour les aspects techniques, sur :
- les bases de l'épuration biologique appliquée à l'assainissement autonome;
- les règles de bonne pratique à respecter pour l'implantation du système d'épuration individuelle;
- l'évacuation et la dispersion des eaux épurées.
§ 2. En vue d'être certifié, l'installateur, en outre, doit :
- s'assurer du raccordement correct des arrivées d'eaux usées et de la séparation des eaux pluviales à l'entrée du système d'épuration individuelle;
- étudier et mettre en oeuvre les moyens les plus appropriés d'évacuation des eaux pluviales;
- étudier et mettre en oeuvre les moyens appropriés d'évacuation des eaux usées épurées conformément au Code de l'Eau;
- ne réaliser les travaux qu'avec son propre personnel, ou ne sous-traiter ou co-traiter qu'avec d'autres installateurs certifiés, en s'assurant du respect des bonnes pratiques du métier;
- fournir à l'exploitant un dossier technico-administratif complet comprenant les éléments suivants : guide d'exploitation et d'entretien du système installé, schéma d'implantation et support photographique réalisés lors de l'installation;
- fournir les coordonnées et les conditions de garantie du fabricant sur le système d'épuration individuelle mis en oeuvre;
- [2 ...]2
- permettre et faciliter l'accès au système ainsi qu'à ses raccordements à des fins de contrôle;
- informer l'exploitant sur le fonctionnement et sur l'obligation et les modalités d'entretien du système d'épuration individuelle;
- transmettre à la S.P.G.E. le rapport d'installation prévu à l'article R.304 dans les quinze jours de la réception technique des travaux;
- en cas de malfaçon, assumer sans délai sa responsabilité ou celle de tout sous-traitant éventuel;
- être signataire de la charte décrite à l'article 304-5 et reprenant pour les installateurs les conditions précitées.]1

Onderafdeling 3. [1 - Handvest van de installatie van individuele zuiveringssystemen]1
Sous-section 3. [1 - Charte de l'installation des systèmes d'épuration individuelle]1
Art. R304 -5. [1 § 1. Een handvest om de kwaliteit van de installatie van individuele zuiveringsystemen in Wallonië te verhogen, wordt opgesteld door het Gewest, vertegenwoordigd door de Minister van Leefmilieu, AQUAWAL, de "S.P.G.E.", de erkende saneringsinstellingen, de Confederatie Bouw, de federatie van de ondernemingen van de technologische industrie (AGORIA).
Het handvest kan worden uitgebreid tot andere partners die streven naar de verbetering van de kwaliteit van de installatie en het voortbestaan en de werking van de individuele zuiveringssystemen.
De installateur van individuele zuiveringssystemen toont zijn instemming met de voorwaarden bepaald in artikel R.304-4, § 2, door de ondertekening van het handvest.
Het handvest ondertekend door de installateur wordt overgemaakt aan de "S.P.G.E."]1

Art. R304 -5. [1 § 1er. Une charte visant à élever la qualité d'installation des systèmes d'épuration individuelle en Wallonie est rédigée par la Région, représentée par le Ministre de l'Environnement, AQUAWAL, la S.P.G.E., les organismes d'assainissement agréés, la Confédération de la Construction, la fédération des entreprises de l'industrie technologique (AGORIA).
La charte peut être ouverte à d'autres partenaires soucieux de concourir à améliorer la qualité des installations et la pérennité et le fonctionnement des systèmes d'épuration individuelle.
L'installateur de systèmes d'épuration individuelle manifeste son adhésion aux conditions spécifiées à l'article R.304-4, § 2, par la signature de la charte.
La charte signée par l'installateur est transmise à la S.P.G.E.]1

Onderafdeling 4. [1 - Toekenningsprocedure van de certificering.]1
Sous-section 4. [1 - De la procédure d'octroi de la certification]1
Art. R304 -6. [1 § 1. De inachtneming van de voorwaarden opgenomen in artikel R.304-4 laat toe, voor de installateur die erom verzoekt, om een certificering met een geldigheid van één jaar toe te kennen.
De certificeringsaanvraag wordt gericht aan de "S.P.G.E." volgens één van de communicatiewijzen bedoeld in artikel R.304-3.
§ 2. De certificeringsaanvraag bevat minstens :
de identiteit, de rechtstoestand, de woonplaats of het adres van de maatschappelijke zetel, het inschrijvingsnummer bij de Kruisbank van ondernemingen en het BTW-nummer van de aanvrager
de elementen op grond waarvan er kan worden vastgesteld dat de voorwaarden bedoeld in artikel R.304-4 en betreffende de aangevraagde certificering zijn vervuld, met inbegrip van het handvest behoorlijk getekend door de installateur;
het bewijs van de betaling aan de "S.P.G.E." van de dossierkosten bepaald in artikel R.304-11.
De Minister bepaalt de vorm en de inhoud van de certificeringsaanvraag.]1

Art. R304 -6. [1 § 1er. Le respect des conditions reprises à l'article R.304-4 permet d'octroyer, pour l'installateur qui en fait la demande, une certification d'une validité d'un an.
La demande de certification est adressée à la S.P.G.E. selon l'un des modes de communication visés à l'article R.304-3.
§ 2. La demande de certification comporte au minimum :
l'identité, le statut juridique, le domicile ou l'adresse du siège social, le numéro d'immatriculation à la banque carrefour des entreprises et le numéro de T.V.A. du demandeur;
les éléments permettant d'établir que les conditions visées à l'article R.304-4 et relatives à la certification sollicitée sont remplies, en ce compris la charte dûment signée par l'installateur;
la preuve du paiement à la S.P.G.E. des frais de dossiers spécifiés à l'article R.304-11.
Le Ministre définit la forme et le contenu de la demande de certification.]1

Art. R304 -7. [1 § 1. De certificeringsaanvraag is onvolledig als er vereiste inlichtingen of documenten ontbreken bedoeld in artikel 304-4.
De aanvraag is onontvankelijk:
als ze is ingediend in strijd met artikel R.304-3;
als ze twee keer onvolledig wordt geacht;
als de aanvrager de gevorderde gegevens of documenten niet verstrekt binnen de termijn bepaald bij artikel R.304-8, § 1.]1

Art. R304 -7. [1 § 1er La demande de certification est incomplète s'il manque des renseignements ou des documents requis visés à l'article 304-4.
La demande est irrecevable :
si elle est introduite en violation de l'article R.304-3;
si elle est jugée incomplète à deux reprises;
si le demandeur ne fournit pas les renseignements ou documents demandés dans le délai prévu à l'article R.304-8, § 1er.]1

Art. R304 -8. [1 § 1.. De "S.P.G.E." stuurt naar de aanvrager, volgens één van de communicatiewijzen bedoeld in artikel R.304-3, haar beslissing over het volledige en ontvankelijke karakter van de certificeringsaanvraag binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de aanvraag.
Als de aanvraag onvolledig is, wijst de " S.P.G.E." de aanvrager op de ontbrekende documenten. De aanvrager stuurt de gevraagde bijkomende stukken naar de "S.P.G.E.", volgens één van de communicatiewijzen bedoeld in artikel R.304-3, binnen dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving bedoeld in het eerste lid.
Als de aanvraag onontvankelijk is, moet de "S.P.G.E.", binnen de termijn bedoeld in het eerste lid, de onontvankelijkheidsgronden aan de aanvrager meedelen.
Binnen dertig dagen na ontvangst van de bijkomende stukken, stuurt de "S.P.G.E." naar de aanvrager, volgens één van de communicatiewijzen bedoeld in artikel R.304-3, zijn beslissing over het volledige en ontvankelijke karakter van de aanvraag. Indien zij een tweede maal acht dat de aanvraag onvolledig is, verklaart zij die aanvraag onontvankelijk.
Indien de "S.P.G.E." haar beslissing niet aan de aanvrager heeft gestuurd onder de voorwaarden en binnen de termijnen bedoeld in de vorige leden, wordt de aanvraag als ontvankelijk beschouwd en wordt het onderzoek voortgezet.
§ 2. De "S.P.G.E." richt de bevestiging van de certificering van de aanvrager voor de duur van één jaar binnen een termijn van dertig dagen, met ingang op de datum van verzending van haar beslissing m.b.t. de ontvankelijkheid van de aanvraag, aan de aanvrager op één van de communicatiewijzen bedoeld in artikel R.304-3.
Samen met het opsturen van de beslissing van de "S.P.G.E." bedoeld in het eerste lid, deelt ze schriftelijk, volgens één van de communicatiewijzen bedoeld in artikel R.304-3, het dossier van certificeringsaanvraag en haar beslissing mee aan het Comité van deskundigen voor de autonome sanering.
§ 3. De beslissing die de certificering voor één jaar verleent, vermeldt:
het precieze doel van de certificering;
de bijgewerkte elementen waarmee de houder geïdentificeerd kan worden;
de voorwaarden van de certificering bedoeld in artikel R.304-4.
§ 4. Binnen het jaar van het verkrijgen van de certificering voor een duur van één jaar, laat het verstrekken van drie grondige en bevredigende controleverslagen, zoals omschreven in artikel R.304-10, § 3, toe om de certificering voor een onbepaalde duur te verlengen.
De bevoegde saneringsinrichting belast met de controles van de individuele zuiveringssystemen maakt een verslag op na afloop van deze drie grondige controles.
Ze stuurt haar verslag naar de "S.P.G.E.".
§ 5. De "S.P.G.E." richt de beslissing tot toekenning van de certificering geldig voor onbepaalde duur aan de aanvrager, op één van de communicatiewijzen bedoeld in artikel R.304-3, binnen een termijn van dertig dagen, met ingang op de datum van ontvangst van het verslag van de betrokken saneringsinrichting voor zover het verslag van de bevoegde saneringsinrichting wel degelijk vermeldt dat de aanvrager aan de drie grondige controles heeft voldaan.
In het tegenovergestelde geval, namelijk als het verslag van de bevoegde saneringsinrichting gewag maakt van één of meerdere grondige en niet-bevredigende controleverslagen, richt de "S.P.G.E." de beslissing tot weigering van de certificering geldig voor onbepaalde duur aan de aanvrager, op één van de communicatiewijzen bedoeld in artikel R.304-3, binnen een termijn van dertig dagen te rekenen van de datum van ontvangst van het verslag van de betrokken saneringsinrichting.
Samen met het opsturen van de beslissing van de "S.P.G.E." bedoeld in het eerste lid, deelt ze schriftelijk, volgens één van de communicatiewijzen bedoeld in artikel R.304-3, haar beslissing mee aan het Comité van deskundigen voor de autonome sanering.]1

Art. R304 -8. [1 § 1er. La S.P.G.E. envoie au demandeur, selon l'un des modes de communication visés à l'article R.304-3, sa décision statuant sur le caractère complet et recevable de la demande de certification dans un délai de trente jours à dater de la réception de la demande.
Si la demande est incomplète, la S.P.G.E. indique les documents manquants au demandeur. Le demandeur envoie les compléments demandés à la S.P.G.E., selon l'un des modes de communication visés à l'article R.304-3, dans les trente jours à dater de la réception de la notification visée à l'alinéa 1er.
Si la demande est irrecevable, la S.P.G.E. indique au demandeur, dans le délai prévu à l'alinéa 1er, les motifs de l'irrecevabilité.
Dans les trente jours suivant la réception des compléments, la S.P.G.E. envoie au demandeur, selon l'un des modes de communication visés à l'article R.304-3, sa décision sur le caractère complet et recevable de la demande. Si elle estime une seconde fois que la demande est incomplète, elle la déclare irrecevable.
Si la S.P.G.E. n'a pas envoyé au demandeur sa décision dans les conditions et délais prévus aux alinéas précédents, la demande est considérée comme recevable et l'instruction est poursuivie.
§ 2. La S.P.G.E. envoie au demandeur la confirmation de la certification du demandeur d'une durée d'un an, selon l'un des modes de communication visés à l'article R.304-3, dans un délai de trente jours à dater du jour où elle a envoyé sa décision attestant le caractère recevable de la demande.
En même temps que la S.P.G.E. envoie sa décision visée à l'alinéa 1er, elle communique par écrit, selon un des modes de communication visés à l'article R.304-3, le dossier de demande de certification et sa décision au comité d'experts pour l'assainissement autonome.
§ 3. La décision accordant la certification pour une durée d'un an mentionne :
l'objet précis de la certification;
les éléments actualisés permettant d'identifier le titulaire;
les conditions de la certification visées à l'article R.304-4.
§ 4. Dans l'année de l'obtention de la certification d'une durée d'un an, la fourniture de trois rapports de contrôles approfondis satisfaisants, tels que décrits à l'article R.304-10, § 3, permet de prolonger la certification pour une durée indéterminée.
L'organisme d'assainissement compétent en charge des contrôles des systèmes d'épuration individuelle établit un rapport à l'issue de ces trois contrôles approfondis.
Il envoie son rapport à la S.P.G.E.
§ 5. La S.P.G.E. envoie au demandeur la décision d'octroi de certification valable pour une durée indéterminée, selon l'un des modes de communication visés à l'article R.304-3, dans un délai de trente jours à dater du jour où elle reçoit le rapport de l'organisme d'assainissement concerné pour autant que le rapport de l'organisme d'assainissement compétent fasse bien état que le demandeur ait satisfait à trois contrôles approfondis.
Dans le cas contraire, à savoir lorsque le rapport de l'organisme d'assainissement compétent fait état d'un ou de plusieurs rapports de contrôles approfondis non satisfaisants, la S.P.G.E. envoie au demandeur la décision de refus de certification valable pour une durée indéterminée, selon l'un des modes de communication visés à l'article R.304-3, dans un délai de trente jours à dater du jour de réception du rapport de l'organisme d'assainissement concerné.
En même temps que la S.P.G.E. envoie sa décision visée à l'alinéa 1er, elle communique par écrit, selon un des modes de communication visés à l'article R.304-3, sa décision au comité d'experts pour l'assainissement autonome.]1

Onderafdeling 5. [1 - Beroep]1
Sous-section 5. [1 - Du recours]1
Art. R304 -9. [1 § 1. De aanvrager van de certificering kan een beroep indienen bij de Minister, tegen een beslissing waarbij de certificering wordt geweigerd..
Het beroep wordt, op straffe van onontvankelijkheid, op één van de communicatiewijzen bedoeld in artikel R.304-3, aan de Minister gericht binnen een termijn van twintig dagen, met ingang op de datum van ontvangst van de beslissing.
De Minister stuurt een bericht van ontvangst naar de verzoeker.
§ 2. De Minister stuurt, na advies van het Comité van deskundigen voor de autonome sanering, zijn beslissing binnen een termijn van zestig dagen, te rekenen van de ontvangst van het beroep, op één van de communicatiewijzen bedoeld in artikel R.304-3.]1

Art. R304 -9. [1 § 1er. Le demandeur de la certification peut introduire un recours auprès du Ministre, contre une décision de refus de certification.
Sous peine d'irrecevabilité, le recours est adressé au Ministre selon l'un des modes de communication visés à l'article R.304-3, dans un délai de vingt jours à dater de la réception de la décision.
Le Ministre envoie un accusé de réception au requérant.
§ 2 Le Ministre, après avis du comité d'experts pour l'assainissement autonome, envoie sa décision dans un délai de soixante jours ouvrables à dater de la réception du recours, selon l'un des modes de communication visés à l'article R.304-3.]1

Onderafdeling 6. [1 - Wijziging, opschorting of intrekking van de certificering]1
Sous-section 6. [1 - De la modification, de la suspension et du retrait de la certification]1
Art. R304 -10. [1 § 1. In geval van een aanzienlijke wijziging van een gegeven in de certificeringsaanvraag overeenkomstig artikel R.304-6, verwittigt de houder van de certificering onmiddellijk de "S.P.G.E." op één van de communicatiewijzen bedoeld in artikel R.304-3 om een wijziging van de certificering te verkrijgen.
§ 2. De certificering kan opgeschort of ingetrokken worden:
wanneer de houder van de certificering zich verzet tegen de controle van zijn activiteiten door de ambtenaren belast met de controles;
wanneer de ambtenaren belast met de controles bedoeld in artikel R.304.bis, § 1, vaststellen hetzij:
a) storingen van het individueel zuiveringssysteem;
b) de niet-naleving van de voorwaarden bepaald bij de besluiten genomen ter uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning die de integrale en sectorale voorwaarden bevatten betreffende de individuele zuiveringssystemen;
c) de niet-naleving van de technische bijlage opgenomen in het ministerieel besluit met betrekking tot de erkenning van het geïnstalleerde individuele zuiveringssysteem;
d) de uitvoering van het individueel zuiveringssysteem dat niet in overeenstemming is met de voorschriften van de fabrikant;
wanneer de "S.P.G.E." tekortkomingen vaststelt in het verslag bedoeld in artikel R.304 dat de installateur aan de "S.P.G.E." meedeelt;
wanneer de houder van de certificering de bepalingen van deze afdeling overtreedt;
wanneer de houder van de certificering zijn verbintenissen opgenomen in artikel R.304-4 niet meer naleeft
Alvorens een procedure voor de opschorting of de intrekking van de certificering te beginnen, brengt de "S.P.G.E." schriftelijk, volgens één van de communicatiewijzen bedoeld in artikel R.304-3, het comité van deskundigen voor de autonome sanering op de hoogte die over zestig dagen beschikt om zijn advies over te maken.
Binnen die termijn kan het comité van deskundigen voor de autonome sanering de houder van de certificering horen.
§ 3. In geval van tekortkoming opgenomen in paragraaf 2, 2° en 3°, bestaat de maatregel uit een schorsing van de certificering met de verplichting voor de houder van de certificering:
om deel te nemen aan een nieuwe opleiding georganiseerd door de "S.P.G.E." overeenkomstig artikel R.304-4, § 1, 6°;
om onderworpen te worden aan twee grondige en bevredigende controles uitgevoerd door de bevoegde saneringsinrichting tijdens zijn volgende werven voor de installatie van een individueel zuiveringssysteem.
Een grondige controle houdt in dat de werf wordt opgevolgd zowel op administratief als op technisch vlak met minstens:
een controle vóór de opvulling;
een controle wanneer de installatie onder water is, leidingen aangesloten en elektrische verbindingen gereed.
De opheffing van de schorsing wordt door de "S.P.G.E." meegedeeld, volgens één van de communicatiewijzen bedoeld in artikel R.304-3, binnen dertig dagen nadat de installateur aan zijn verplichtingen heeft voldaan.
§ 4. In de gevallen bedoeld in paragraaf 2, brengt de "S.P.G.E.", na het advies van het Comité van deskundigen voor de autonome sanering te hebben ingewonnen, de houder van de certificering op de hoogte, volgens één van de communicatiewijzen bedoeld in artikel R.304-3, van de mogelijkheid om de toegekende certificering op te schorten of in te trekken.
De "SPGE" bepaalt:
de motieven die de overwogen maatregel rechtvaardigen;
dat de houder van de certificering de mogelijkheid heeft om, op één van de communicatiewijzen bedoeld in artikel R.304-3, zijn verweermiddelen op te sturen, binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen van de ontvangst van deze opleiding.
§ 5. De beslissing tot intrekking of opschorting van de certificering wordt gezonden, binnen zestig dagen te rekenen van het verstrijken van de termijn bedoeld in paragraaf 4, 2°, naar de houder van de certificering, volgens één van de communicatiewijzen bedoeld in artikel R. 304-3.
§ 6. De houder van de ingetrokken of opgeschorte certificering kan een beroep instellen tegen de beslissing bedoeld in paragraaf 5. Dat beroep wordt verstuurd en onderzocht overeenkomstig artikel R.304-9.
Het is niet opschortend.
§ 7. De "S.P.G.E." oefent de bij dit artikel bepaalde bevoegdheden uit, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek of initiatief van de bevoegde saneringsinrichting belast met de controles van de individuele zuiveringssystemen.]1

Art. R304 -10. [1 1er. En cas de changement substantiel d'un élément indiqué dans la demande de certification conformément à l'article R.304-6, le titulaire de la certification en avise sans délai la S.P.G.E., selon l'un des modes de communication visés à l'article R.304-3 en vue en vue d'obtenir une modification de la certification.
§ 2. La certification peut être suspendue ou retirée :
lorsque le titulaire de la certification fait obstacle au contrôle de ses activités par les agents chargés des contrôles;
lorsque les agents chargés des contrôles visées à l'article R.304.bis, § 1er, constatent soit :
a) des dysfonctionnements du système d'épuration individuelle;
b) le non respect des conditions définies aux arrêtés pris en exécution du décret 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement contenant les conditions intégrales et sectorielles relatives aux systèmes d'épuration individuelle;
c) le non respect de l'annexe technique reprise à l'arrêté ministériel portant sur l'agrément du système d'épuration individuelle installé;
d) la mise en oeuvre du système d'épuration individuelle non conforme aux prescriptions du fabricant;
lorsque la S.P.G.E. constate des manquements dans le rapport visé à l'article R.304 que l'installateur communique à la S.P.G.E.;
lorsque le titulaire de la certification contrevient aux dispositions de la présente section;
lorsque le titulaire de la certification ne respecte plus ses engagements repris à l'article R.304-4.
Avant d'engager une procédure de suspension ou de retrait de la certification, la S.P.G.E. en avise par écrit, selon un des modes de communication visés à l'article R.304-3, le comité d'experts pour l'assainissement autonome qui dispose de soixante jours pour remettre son avis.
Dans ce délai, le comité d'experts pour l'assainissement autonome peut entendre le titulaire de la certification.
§ 3. En cas de manquement repris au paragraphe 2, 2° et 3°, la mesure consiste en une suspension de la certification, avec l'obligation pour le titulaire de la certification :
d'assister à une nouvelle formation organisée par la S.P.G.E. conformément à l'article R.304-4, § 1er, 6°;
d'être soumis à deux contrôles approfondis satisfaisants réalisés par l'organisme d'assainissement compétent lors de ses prochains chantiers d'installation de système d'épuration individuelle.
Un contrôle approfondi consiste à suivre le chantier tant au niveau administratif que technique avec au minimum :
un contrôle avant remblaiement;
un contrôle lorsque le dispositif est sous eau, canalisations raccordées et branchements électriques terminés.
La levée de la suspension est notifiée par la S.P.G.E. selon l'un des modes de communication visés à l'article R.304-3 dans les trente jours après que l'installateur ait satisfait à ses obligations.
§ 4. Dans les cas visés au paragraphe 2, la S.P.G.E. informe, après avoir reçu l'avis du comité d'experts pour l'assainissement autonome, le titulaire de la certification, selon l'un des modes de communication visés à l'article R.304-3, de la possibilité de suspendre ou retirer la certification octroyée.
La S.P.G.E. précise :
les motifs qui justifient la mesure envisagée;
que le titulaire de la certification a la possibilité d'envoyer, selon l'un des modes de communication visés à l'article R.304-3, ses éléments de défense, dans un délai de quinze jours à compter de la réception de cette formation.
§ 5. La décision de retrait ou de suspension de la certification est envoyée, dans les soixante jours à compter de l'expiration du délai visé au paragraphe 4, 2°, au titulaire de la certification selon l'un des modes de communication visés à l'article R. 304-3.
§ 6. Le titulaire de la certification retirée ou suspendue peut introduire un recours contre la décision visée au paragraphe 5. Ce recours est envoyé et instruit conformément à l'article R.304-9.
Il n'est pas suspensif.
§ 7. La S.P.G.E. exerce les pouvoirs prévus au présent article soit de sa propre initiative, soit sur demande, soit à l'initiative de l'organisme d'assainissement compétent chargé des contrôles des systèmes d'épuration individuelle.]1

Onderafdeling 7. [1 - Dossierkosten]1
Sous-section 7. [1 - Des frais de dossier]1
Art. R304 -11. [1 § 1. De behandelingskosten van de certificeringsaanvraag en van de opvolging ervan hebben dossierkosten tot gevolg die worden overgenomen door de installateur van individuele zuiveringssystemen.
§ 2. De Minister bepaalt, op voorstel van de "S.P.G.E.", het bedrag van de dossierkosten voor elke certificeringsaanvraag die jaarlijks geïndexeerd wordt volgens het indexcijfer van de consumptieprijzen. Dit bedrag omvat de administratieve lasten i.v.m. de analyse van de certificeringsaanvraag en de opleidingslasten bepaald in artikel R.304-4, § 1, 6°.
De grondige controles uitgevoerd door de bevoegde saneringsinrichting voorzien in overeenstemming met artikel R.304-8, § 4, worden gedragen door de "S.P.G.E." in het kader van het openbare beheer van de autonome sanering.
§ 3. De installateur getroffen door een schorsing van de certificering betaalt een kost van 250 euro exclusief BTW, voor de uitvoering van een grondige controle bedoeld in artikel R.304-10, § 3. Dat bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd op 1 januari, op basis van de evolutie van het indexcijfer, t.o.v. het op 1 januari 2018 vigerende indexcijfer van de consumptieprijzen.]1

Art. R304 -11. [1 § 1er. Les frais de traitement de la demande de certification et de suivi de celle-ci entraînent des frais de dossier pris en charge par l'installateur de systèmes d'épuration individuelle.
§ 2. Le Ministre, sur proposition de la S.P.G.E., fixe le montant des frais de dossier pour toute demande de certification, lequel est indexé annuellement suivant l'indice des prix à la consommation. Ce montant inclut les charges administratives liées à l'analyse de la demande de certification et les charges de formation prévues par l'article R.304-4, § 1er, 6°.
Les contrôles approfondis effectués par l'organisme d'assainissement compétent prévus en conformité avec l'article R.304-8, § 4, sont supportés par la S.P.G.E. dans le cadre de la gestion publique de l'assainissement autonome.
§ 3. L'installateur sous le coup d'une suspension de certification s'acquitte d'un coût de 250 euros hors T.V.A., pour la réalisation d'un contrôle approfondi visé à l'article R.304-10, § 3. Ce montant est indexé chaque année au 1er janvier, sur base de l'évolution de l'indice des prix, par référence à l'indice des prix à la consommation en application le 1er septembre 2018.]1

Onderafdeling 8. [1 - Bekendmaking van de gecertificeerde installateurs]1
Sous-section 8. [1 - De la connaissance des installateurs certifiés]1
Art. R304 -12. [1 § 1. De "S.P.G.E." maakt de lijst van de gecertificeerde installateurs bekend en houdt ze bij op haar site bestemd voor het openbare beheer van de autonome sanering.]1
Art. R304 -12. [1 § 1er. La S.P.G.E. publie et met à jour sur son site dédicacé à la gestion publique de l'assainissement autonome la liste des installateurs certifiés.]1
Afdeling 2. [1 - Controles]1
Section 2. [1 - Contrôles]1
Onderafdeling 1. [1 - Type van controles]1
Sous-section 1re. [1 - Type de contrôles]1
Art. R304 bis. [1 § 1. De individuele zuiveringssystemen worden gecontroleerd als volgt :
de controle bij de installatie na de inbedrijfname van het individueel zuiveringssysteem, in het geval dat het systeem is geïnstalleerd door een niet gecertificeerde installateur;
de eerste werkingscontrole van een individueel zuiveringssysteem geïnstalleerd door een gecertificeerde installateur;
de periodieke controle van de exploitatie en de werking na verificatie van de naleving van de exploitatie-modaliteiten van de individuele zuiveringssystemen bedoeld in de besluiten genomen ter uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning;
de controles, onderzoeken en verificaties bestemd om de werking van het individueel zuiveringssysteem te controleren onder normale exploitatievoorwaarden.
§ 2. Elke controle geeft aanleiding tot het verlenen van een controle-attest waarvan de inhoud is bepaald in bijlage XLVIIa op het adres van de eigenaar van de betrokken woning en van de exploitatn van het individueel zuiveringssysteem als het gaat om twee aparte personen.]1

Art. R304 bis. [1 § 1er. Les systèmes d'épuration individuelle sont contrôlés comme suit :
le contrôle à l'installation réalisé après la mise en service du système d'épuration individuelle, dans le cas où le système a été placé par un installateur non certifié;
le premier contrôle de fonctionnement d'un système d'épuration individuelle placé par un installateur certifié;
le contrôle périodique d'exploitation et de fonctionnement avec vérification du respect des modalités d'exploitation des systèmes d'épuration individuelle prévues aux arrêtés pris en exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement;
les contrôles, enquêtes et vérifications destinées vérifier le fonctionnement du système d'épuration individuelle dans des conditions normales d'exploitation.
§ 2. Tout contrôle donne lieu à la délivrance d'une attestation de contrôle dont le contenu est fixé à l'annexe XLVIIa à l'adresse du propriétaire de l'habitation concernée et de l'exploitant du système d'épuration individuelle s'il s'agit de deux personnes distinctes.]1

Onderafdeling 2. [1 - Organisatie van de controle]1
Sous-section 2. [1 - Organisation du contrôle]1
Art. R304 ter. [1 § 1. De bevoegde saneringsinstelling voert de controlehandelingen bedoeld in artikel R.304bis, § 1, 1° en 2°, uit, in aanwezigheid van de exploitant.
De controle bedoeld in artikel R.304bis, eerste lid, 1°, is verplicht en systematisch; hij vindt plaats binnen de drie maanden te rekenen van de inbedrijfname van het individueel zuiveringssysteem.
Binnen dertig dagen van zijn inbedrijfname, vraagt de exploitant van een individueel zuiveringssysteem betrokken bij een controlehandeling bedoeld in artikel R.304bis, § 1, 1°, via een schrijven of via de daartoe voorziene internettoepassing op de website : http ://www.spge.be/gpaa, het bezoek van de "S.P.G.E." of van zijn mandataris, met vermelding van de datum waarop de inbedrijfname is uitgevoerd.
De vraag om bezoek gaat vergezeld van een formulier voor de installatie van een individueel zuiveringssysteem waarvan de inhoud door de Minister wordt bepaald.
Tijdens het controlebezoek wordt het verslag opgemaakt door de installateur voorgesteld aan de bevoegde saneringsinstelling.
De controle bedoeld in artikel R.304bis, eerste lid, 2°, gebeurt voor de verificatie van individuele zuiveringssystemen die door een gecertificeerde installateur worden uitgevoerd. Deze contrôle wordt uitgevoerd op initiatief van de "S.P.G.E.", door de bevoegde saneringsinstelling, binnen een termijn van zes tot negen maanden te rekenen van de inbedrijfname van het individueel zuiveringssysteem.
§ 2. De controlehandelingen bedoeld in artikel R.304bis, § 1, 3°, worden uitgevoerd, op initiatief van de "S.P.G.E.", door de bevoegde saneringsinstelling, in aanwezigheid van de exploitant :
minstens één keer om de acht jaar voor de individuele zuiveringseenheden;
minstens één keer om de vijf jaar voor de individuele zuiveringsinstallaties;
minstens één keer om de twee jaar voor de individuele zuiveringsstations;
ten gevolge van elke vaststelling dat de exploitant niet in staat is om de bewijsstukken voor te leggen die vereist zijn krachtens de besluiten genomen ter uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning.
De controleur kan de aanwezigheid vragen van de ondehoudsverlener van het individueel zuiveringssysteem.
De exploitant zorgt voor de vrije toegang tot het individueel zuiveringssysteem voor de controlehandelingen.
De "S.P.G.E." en de bevoegde saneringsinstelling zijn vrijgesteld van het verrichten van de dienst van openbaar beheer van autonome sanering in het geval van weigering van toegang tot het individueel zuiveringssysteem.
§ 3. Het departement of elke publiek- of privaatrechtelijke instelling, aangewezen door dit departement, voert de controlehandelingen bedoeld in artikel R.304bis, § 1er, 4°, uit.]1

Art. R304 ter. [1 § 1er. L'organisme d'assainissement compétent réalise les opérations de contrôle visées à l'article R.304bis, § 1er, 1° et 2°, en présence de l'exploitant.
Le contrôle visé à l'article R.304bis, alinéa 1er, 1°, est obligatoire et systématique; il a lieu dans les trois mois à dater de la mise en service du système d'épuration individuelle.
Dans les trente jours de sa mise en service, l'exploitant d'un système d'épuration individuelle concerné par une opération de contrôle visée à l'article R.304bis, § 1er, 1°, sollicite par envoi ou par l'application internet prévue à cet effet à l'adresse internet : http://www.spge.be/gpaa, la visite de la S.P.G.E. ou de son mandataire, en précisant la date à laquelle la mise en service a été réalisée.
La demande de visite est accompagnée d'un formulaire d'installation d'un système d'épuration individuelle dont le contenu est fixé par le Ministre.
Lors de la visite de contrôle, le rapport établi par l'installateur est présenté à l'organisme d'assainissement compétent.
Le contrôle visé à l'article R.304bis, alinéa 1er, 2°, a lieu à des fins de vérification de systèmes d'épuration individuelle mis en oeuvre par un installateur certifié. Ce contrôle est réalisé à l'initiative de la S.P.G.E., par l'organisme d'assainissement compétent, dans un délai de six à neuf mois à dater de la mise en service du système d'épuration individuelle.
§ 2. Les opérations de contrôle visées à l'article R.304bis, § 1er, 3°, sont réalisées, à l'initiative de la S.P.G.E., par l'organisme d'assainissement compétent, en présence de l'exploitant :
au moins une fois tous les huit ans pour les unités d'épuration individuelle;
au moins une fois tous les cinq ans pour les installations d'épuration individuelle;
au moins une fois tous les deux ans pour les stations d'épuration individuelle;
à la suite de tout constat que l'exploitant n'est pas en mesure de produire les justificatifs requis en vertu des arrêtés pris en exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement.
Le contrôleur peut demander la présence du prestataire d'entretien du système d'épuration individuelle.
L'exploitant assure le libre accès au système d'épuration individuelle pour les opérations de contrôle.
La S.P.G.E. et l'organisme d'assainissement compétent sont exonérés de prester le service de gestion publique d'assainissement autonome en cas de refus d'accès au système d'épuration individuelle.
§ 3. Le département ou tout organisme de droit public ou de droit privé, désigné par ce département, réalise les opérations de contrôle visées à l'article R.304bis, § 1er, 4°.]1

Onderafdeling 3. [1 - Controlekosten]1
Sous-section 3. [1 - Les frais des contrôles]1
Art. R305. [1 De controlekosten bedoeld in artikel R.304bis, § 1er, 1°, worden door de exploitant gedragen.
De Minister bepaalt het bedrag van de kosten betreffende de controle bedoeld in artikel R.304bis, § 1, 1°, die jaarlijks geïndexeerd wordt volgens het indexcijfer van de consumptieprijzen (basis 1 januari 2017).
De "S.P.G.E", in het kader van het openbaar beheer van de zelfstandig sanering, draagt de kosten die overeenkomen met de controlehandelingen bedoeld in artikel R.304bis, § 1er, 2° en 3°.
De begroting van het Waalse Gewest draagt de kosten die overeenkomen met de controlehandelingen bedoeld in artikel R.304bis, § 1er, 4°.
Indien een controlehandeling bedoeld in artikel R.304bis, § 1, 1° tot 3°, niet tot een goed einde gebracht kan worden voor een reden die toe te schrijven is aan de bij de controle betrokken persoon, worden de verplaatsingskosten in verband met het vergeefse bezoek hem aangerekend.
De kosten van de nieuwe controle uitgevoerd ten gevolge van een controle die te wijten is aan een tekortkoming valt ten laste van de exploitant.]1

Art. R305. [1 Les frais du contrôle visés à l'article R.304bis, § 1er, 1°, sont à charge de l'exploitant.
Le Ministre fixe le montant des frais relatifs au contrôle visé à l'article R.304bis, § 1er, 1°, lequel est indexé annuellement suivant l'indice des prix à la consommation (base 1er janvier 2017).
La S.P.G.E., dans le cadre de la gestion publique de l'assainissement autonome, supporte les frais correspondant aux opérations de contrôles visées à l'article R.304bis, § 1er, 2° et 3°.
Le budget de la Région wallonne supporte les frais correspondant aux opérations de contrôle visées à l'article R.304bis, § 1er, 4°.
Si une opération de contrôle visé à l'article R.304bis, § 1er, 1° à 3°, n'a pu être menée à bien pour une raison imputable à la personne concernée par le contrôle, les frais de déplacement correspondant à la visite infructueuse sont portés à sa charge.
Le coût du tout nouveau contrôle effectué à la suite d'un contrôle relevant d'un manquement est à charge de l'exploitant.]1

Art. R306. [1 § 1. Elke exploitant van een individueel zuiveringssysteem die betrokken is bij een controlehandeling bedoeld in artikel R.304, § 1, 1° tot 3°, wordt schriftelijk op de hoogte gebracht van de datum en het uur van het bezoek en dit, minstens vijftien dagen voor de datum van het bezoek.
§ 2. Binnen zestig dagen van de uitvoering van de controle, maakt de bevoegde saneringsinstelling of het departement, volgens het geval, het controleattest schriftelijk over aan de exploitant van het individueel zuiveringssysteem met het resultaat van de controle en een afschrift van het controleattest aan de "S.P.G.E."
§ 3. Voor de controlehandelingen bedoeld in artikel R.304bis, § 1er, 1°, worden de kosten ten laste van de exploitant betaald vóór de uitvoering van de controle.
§ 4. Wanneer het attest van een controle uitgevoerd krachtens artikel R.304bis, § 1, gewag maakt van een tekortkoming ten opzichte van de gecontroleerde elementen opgenomen in bijlage XLVIIa, van een defect stuk dat moet vervangen worden of van resultaten van de analyses uitgevoerd op een genomen monster die niet conform zijn met de emissienormen bepaald in de besluiten genomen ter uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, wordt de exploitant uitgenodigd om te voldoen aan de voorschriften.
In het geval van een controleattest dat wijst op een tekortkoming, kan de exploitant een tweede expertise vragen bij het departement.
De exploitant toont, binnen zes maanden van de kennisgeving van het controleattest dat een negatief advies bevat, het bewijs van de uitgevoerde herstellingen, en het in conformiteit brengen met de normen d.m.v. een conforme analyse uitgevoerd op zijn kosten door een erkend laboratorium. In dit laatste geval informeert de exploitant van het individueel zuiveringssysteem de "S.P.G.E." of, voor de controles betreffende art.R.304, § 1, 4°, het departement, over de datum en het uur van de monsterneming, minstens vijftien dagen ervoor zodat zij een vertegenwoordiger zou kunnen afvaardigen indien zij dit nodig acht.
§ 5. Na afloop van de voorgeschreven termijn om het individueel zuiveringssysteem in conformiteit te brengen, als de exploitant de bewijzen heeft geleverd van het in orde brengen van zijn systeem, kan een nieuwe controle worden uitgevoerd, naargelang het geval, door de "S.P.G.E.", de bevoegde saneringsinstelling of het departement.]1

Art. R306. [1 § 1er. L'exploitant du système d'épuration individuelle concerné par une opération de contrôle visée à l'article R.304bis, § 1er, 1° à 3°, est informé par écrit de la date et de l'heure de la visite, et ce au moins quinze jours avant celle-ci.
§ 2. Dans les soixante jours de la réalisation du contrôle, l'organisme d'assainissement compétent ou le département, selon le cas, transmet par écrit à l'exploitant du système d'épuration individuelle l'attestation de contrôle comprenant le résultat de celui-ci et une copie de l'attestation de contrôle à la S.P.G.E.
§ 3. Pour les opérations de contrôle visées à l'article R.304bis, § 1er, 1°, les frais à charge de l'exploitant sont payés préalablement à la réalisation du contrôle.
§ 4. Lorsque l'attestation d'un contrôle réalisé en vertu de l'article R.304bis, § 1er, fait état d'un manquement par rapport aux éléments contrôlés repris à l'annexe XLVIIa, d'une pièce défectueuse à remplacer ou de résultats des analyses réalisées sur un échantillon prélevé non conformes aux normes d'émission fixées dans les arrêtés pris en exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, l'exploitant du système est invité à se mettre en ordre.
En cas d'attestation de contrôle signalant un manquement, l'exploitant peut demander une deuxième expertise auprès du département.
L'exploitant produit, dans les six mois de la notification de l'attestation de contrôle comportant un avis négatif, la preuve des réparations effectuées, et la mise en conformité aux normes au moyen d'une analyse conforme réalisée à ses frais par un laboratoire agréé. Dans ce dernier cas, l'exploitant du système d'épuration individuelle informe la S.P.G.E. ou, pour les contrôles relatifs à l'art. R.304, § 1er, 4°, le département, de la date et de l'heure du prélèvement, au minimum quinze jours avant celui-ci afin qu'elle puisse déléguer un représentant si elle l'estime nécessaire.
§ 5. A l'issue du délai imparti pour mettre le système d'épuration individuelle en conformité, si l'exploitant a présenté les preuves de la mise en ordre de son système, un nouveau contrôle peut être réalisé, selon le cas, par la S.P.G.E., l'organisme d'assainissement compétent ou le département.]1

HOOFDSTUK IX/1. [1 - Onderhoud van de individuele zuiveringssystemen]1
CHAPITRE IX/1. [1 - Entretien des systèmes d'épuration individuelle]1
Afdeling 1. [1 - Periodieke onderhoud]1
Section 1re. [1 - Entretien périodique]1
Art. R307. [1 § 1. Voor alle individuele zuiveringssystemen wordt een onderhoud uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van de exploitant volgens de modaliteiten en de minimale periodiciteit omschreven in de besluiten genomen ter uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning die de integrale en sectorale voorwaarden bevatten betreffende de individuele zuiveringssystemen.
§ 2. [2 De exploitant beschikt over de vrije keuze van de dienstverlener van het onderhoud. Laatstgenoemde beschikt over de uitrustingen die nodig zijn voor de verwezenlijking van de verplichte onderhoudsprestaties en over een kennis van het betrokken individueel zuiveringssysteem.
Deze dienstverlener laat zich registreren bij de "S.P.G.E." via de daartoe bestemde toepassing die beschikbaar is op de website : www.spge.be/gpaa. Opdat deze registratie ontvankelijk mag zijn, gaat ze vergezeld van een beschrijvende nota over de middelen en de referenties inzake de kennis van de individuele zuiveringssystemen waarover de dienstverlener beschikt.]2

§ 3. De dienstverlener die het onderhoud uitvoert deelt zijn verslag mee aan de exploitant alsook aan de "S.P.G.E." via de daartoe bestemde toepassing die beschikbaar is op de website : www.spge.be/gpaa, binnen vijftien dagen van de uitvoering van het onderhoud.
§ 4. Wanneer de exploitant van het individueel zuiveringssysteem niet vrijgesteld is van de C.V.A., komt de "S.P.G.E." tussen, per onderhoud en volgens de onderhoudsperiodiciteit bedoeld in het besluit genomen ter uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning die de integrale en sectorale voorwaarden bevatten betreffende de individuele zuiveringssystemen, voor een maximaal bedrag, excl. btw, van :
120 euro voor de individuele zuiveringseenheden;
150 euro voor de individuele zuiveringsinstallaties;
200 euro voor de individuele zuiveringsstations.
Deze forfaitaire bedragen worden jaarlijks geïndexeerd op basis van het indexcijfer van de consumptieprijzen bepaald op 1 januari 2017.
Het onderhoudsverslag wordt meegedeeld aan de "S.P.G.E." overeenkomstig paragraaf 3. De exploitant komt in aanmerking voor de financiële tegemoetkoming van de "S.P.G.E." als dit verslag ontvankelijk is, volledig is en gewag maakt van het goede onderhoud van het individueel zuiveringssysteem.
In het geval van een onvolledig dossier, informeert de "S.P.G.E." de dienstverlener die het onderhoud van het individueel zuiveringssysteem heeft uitgevoerd dat hij over vijftien dagen beschikt om het dossier aan te vullen.
De "S.P.G.E." bezorgt de geregistreerde onderhoudsverleners een toepassing om na te gaan of de exploitant van het systeem al dan niet ressorteert onder de diensten van het openbaar beheer van de autonome sanering, en namelijk als hij een C.V.A. betaalt op zijn huishoudelijk afvalwater.
Als dit het geval is wordt de financiële tegemoetkoming betreffende de individuele zuiveringssystemen uitgevoerd door een facturering van het bedrag ten laste genomen door de "S.P.G.E.", opgemaakt door de dienstverleners en gericht aan de "S.P.G.E. op basis van het onderhoudsverslag, en de dienstverlener maakt, in voorkomend geval, een factuur op gericht aan de particulier voor de prestaties die niet gedekt zijn door de forfaitaire tegemoetkoming van de "S.P.G.E.". Een afschrit van deze factuur wordt gericht aan de "S.P.G.E.".
§ 5. Als de exploitant van het individueel zuiveringssystemm is vrijgesteld van de C.V.A., vallen de onderhoudsprestaties volledig te zijnen laste.
§ 6. Indien het onderhoudsverslag niet binnen de voorgeschreven termijnen is gekregen, stuurt de "S.P.G.E." een herinnering aan de exploitant opdat laatstgenoemde het verslag zou overmaken. Als de exploitant het verslag, binnen zestig dagen te rekenen van de herinnering, niet overmaakt, wordt een controle te zijnen laste uitgevoerd, volgens de modaliteiten bedoeld in de artikelen R.305 en R.306. Er wordt tegelijk een einde gemaakt aan de financiële tegemoetkoming bedoeld in paragraaf 4.
Als het onderhoudsverslag wijst op een tekortkoming die te wijten is aan de exploitant of een defect stuk dat moet vervangen worden, voert de exploitant de nodige herstellingen uit en deelt hij aan de "S.P.G.E." de bewijzen van de uitgevoerde herstellingen mee binnen de zes maanden.
§ 7. In het geval van herhaaldelijke tekortkomingen i.v.m. de onderhoudsprestaties ten gevolge van een periodieke controle, een gebrek aan overlegging van een volledig verslag of afwezigheid van conformiteit van de facturen ten opzichte van dit Wetboek, verwittigt de "S.P.G.E." de onderhoudsverlener dat zijn registratie voor onbepaalde duur wordt geschorst.
De dienstverlener waarvan de registratie is geschorst kan, op elk ogenblik, bij het comité van deskundigen voor de autonome sanering een verzoek tot opheffen van de schorsing indienen, namelijk op basis van nieuwe elementen.
Het comité van deskundigen voor de autonome sanering stuurt zijn beslissing aan de onderhoudsverlener en aan de "S.P.G.E." binnen een termijn van zestig dagen te rekenen van de ontvangst van de aanvraag van de dienstverlener. Bij gebrek aan een beslissing binnen de voorgeschreven termijn, maakt de betrokken dienstverlener zijn verzoek tot opheffen van de schorsing aan de Minister over. De Minister geeft kennis van zijn beslissing ter vervanging van de beslissingvan het comité van deskundigen binnen een termijn van zestig dagen te rekenen van de ontvangst van de aanvraag.
Elk beroep over een schorsing bevestigd door het comité van deskundigen voor de zelfstandig sanering wordt ingediend bij de Minister binnen zestig dagen van de kennisgeving van de beslissing.
De Minister geeft kennis van zijn beslissing binnen een termijn van zestig dagen te rekenen van de ontvangst van het beroep.
§ 8. De exploitant zorgt voor de vrije toegang tot het individueel zuiveringssysteem voor de onderhoudshandelingen.]1

Art. R307. [1 § 1er. Pour tous les systèmes d'épuration individuelle, un entretien est effectué sous la responsabilité de l'exploitant selon les modalités et la périodicité minimale définie aux arrêtés pris en exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement contenant les conditions intégrales et sectorielles relatives aux systèmes d'épuration individuelle.
§ 2. [2 L'exploitant dispose du libre choix du prestataire d'entretien. Ce dernier dispose des équipements nécessaires à la réalisation des prestations obligatoires d'entretien et d'une connaissance du système d'épuration individuelle concerné.
Ce prestataire s'enregistre auprès de la S.P.G.E. via l'application dédicacée à cet effet disponible sur le site www.spge.be/gpaa. Pour que cet enregistrement puisse être recevable, il s'accompagne d'une note descriptive sur les moyens et les références en matière de connaissance des systèmes d'épuration individuelle dont dispose le prestataire.]2

§ 3. Le prestataire de service qui réalise l'entretien communique son rapport à l'exploitant ainsi qu'à la S.P.G.E. via l'application dédicacée à cet effet disponible sur le site : www.spge.be/gpaa, dans les quinze jours de la réalisation de l'entretien.
§ 4. Lorsque l'exploitant du système d'épuration individuelle n'est pas exempté du C.V.A., la S.P.G.E intervient, par entretien et selon la périodicité d'entretien prévue à l'arrêté pris en exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement contenant les conditions intégrales et sectorielles relatives aux systèmes d'épuration individuelle, pour un montant hors T.V.A. maximal de :
120 euros pour les unités d'épuration individuelle;
150 euros pour les installations d'épuration individuelle;
200 euros pour les stations d'épuration individuelle.
Ces montants forfaitaires sont indexés annuellement sur base de l'indice des prix à la consommation fixé au 1er janvier 2017.
Le rapport d'entretien est communiqué à la S.P.G.E. conformément au paragraphe 3. L'exploitant bénéficie de l'intervention financière de la S.P.G.E. si ce rapport est recevable, complet et fait état du bon entretien du système d'épuration individuelle.
En cas de dossier incomplet, la S.P.G.E. informe le prestataire qui a réalisé l'entretien du système d'épuration individuelle qui dispose de quinze jours pour le compléter.
La S.P.G.E. met à disposition des prestataires d'entretien enregistrés une application permettant de vérifier si l'exploitant du système relève ou non des services de la gestion publique de l'assainissement autonome, et notamment s'il paie un C.V.A. sur ses eaux usées domestiques.
Si tel est le cas, l'intervention financière relative à l'entretien des systèmes d'épuration individuelle est réalisée par une facturation du montant pris en charge par la S.P.G.E. établie par le prestataire à l'adresse de la S.P.G.E. sur base du rapport d'entretien et le prestataire établi, le cas échéant, une facture à l'adresse du particulier pour les prestations non couvertes par l'intervention forfaitaire de la S.P.G.E. Une copie de cette facture est adressée à la S.P.G.E.
§ 5. Lorsque l'exploitant du système d'épuration individuelle est exempté du C.V.A., les prestations d'entretien sont entièrement à sa charge.
§ 6. A défaut de recevoir le rapport d'entretien dans les délais impartis, la S.P.G.E. envoie un rappel à l'exploitant pour que celui-ci transmette ce rapport. A défaut pour l'exploitant de transmettre le rapport dans les soixante jours à compter du rappel, un contrôle est effectué à sa charge, selon les modalités prévues aux articles R.305 et R.306. Il est mis fin en même temps à l'intervention financière prévue au paragraphe 4.
Lorsque le rapport d'entretien signale un manquement imputable à l'exploitant ou une pièce défectueuse à remplacer, l'exploitant effectue les réparations nécessaires et communique à la S.P.G.E. les preuves des réparations effectuées dans les six mois.
§ 7. En cas de manquements répétés liés aux prestations d'entretien suite à un contrôle périodique, à un défaut de présentation d'un rapport complet ou d'absence de conformité des factures par rapport aux dispositions du présent Code, la S.P.G.E. avertit le prestataire d'entretien que son enregistrement est suspendu pour une durée indéterminée.
Le prestataire de service dont son enregistrement est suspendu peut introduire, à tout moment, auprès du comité d'experts pour l'assainissement autonome une demande de levée de la suspension, notamment sur base de nouveaux éléments.
Le comité d'experts pour l'assainissement autonome envoie sa décision au prestataire d'entretien et à la S.P.G.E. dans un délai de soixante jours à dater de la réception de la demande du prestataire de service. A défaut de décision endéans le délai visé, le prestataire de service concerné transmet sa demande de levée de la suspension au Ministre. Le Ministre notifie sa décision se substituant à celle du comité d'experts dans un délai de soixante jours à dater de la réception de la demande.
Tout recours sur une suspension confirmée par le comité d'experts pour l'assainissement autonome est introduit auprès du Ministre dans les soixante jours de la notification de la décision.
Le Ministre notifie sa décision dans un délai de soixante jours à dater de la réception du recours.
§ 8. L'exploitant assure le libre accès au système d'épuration individuelle pour les opérations d'entretien.]1

Afdeling 2. [1 - Lediging van het overtollige slib]1
Section 2. [1 - Vidange des boues excédentaires]1
Art. R307/1 [1 § 1. Wanneer de exploitant van het individueel zuiveringssysteem niet is vrijgesteld van de C.V.A., laat de "S.P.G.E.", met de medewerking van de bevoegde saneringsinstelling, op zijn kosten, overgaan tot de lediging van het overtollige slib van het individueel zuiveringssysteem binnen de termijn bepaald door het onderhoudsverslag of ten gevolge van een periodieke controle.
Art. R307/1. [1 § 1er. Lorsque l'exploitant du système d'épuration individuelle n'est pas exempté du C.V.A., la S.P.G.E., avec le concours de l'organisme d'assainissement compétent, fait procéder à sa charge à la vidange des boues excédentaires du système d'épuration individuelle dans le délai fixé par le rapport d'entretien ou suite à un contrôle périodique.
HOOFDSTUK X. [1 - Erfdienstbaarheden van openbaar nut.]1
CHAPITRE X. [1 - Servitudes d'utilité publique.]1
Afdeling 1. [1 - Definities.]1
Section 1re. [1 - Définitions.]1
Art. R307 bis. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
"Minister" : de Minister die voor het Waterbeleid bevoegd is;
"administratie" : de "Division de l'Eau de la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement du Ministère de la Région wallonne" (de Afdeling Water van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van het Ministerie van het Waalse Gewest).]1

Art. R307 bis.[1 Pour l'application du présent chapitre, il faut entendre par :
"Ministre" : le Ministre qui a la Politique de l'Eau dans ses attributions;
"administration" : la Division de l'Eau de la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement du Ministère de la Région wallonne.]1

Afdeling 2. [1 - Verklaring van openbaar nut.]1
Section 2. [1 - Déclaration d'utilité publique.]1
Art. R307 bis.1. [1 Wanneer een beheerder in aanmerking wenst te komen voor een erfdienstbaarheid van openbaar nut om installaties te vestigen onder, op of boven private terreinen of op terreinen van het privédomein die niet bebouwd zijn, dient hij een aanvraag tot verklaring van openbaar nut bij de administratie in.
Voor de aanvraag tot verklaring van openbaar nut wordt gebruik gemaakt van een formulier waarvan het model in bijlage XLIII gaat, in twee exemplaren, plus één exemplaar per betrokken gemeente.
Die aanvraag gaat vergezeld van de volgende stukken :
het plan (de plannen) van de geplande installaties, op minimum de schaal 1/2 500e, met melding van o.a. de doorkruiste kadastrale grenzen en de kadastrale referenties van de terreinen waarvan de bezetting overwogen wordt;
de lijst, per betrokken gemeente, van de houders van zakelijke rechten op de terreinen waarvan de bezetting overwogen wordt, zoals ze uit de kadastrale documentatie resulteert, eventueel met een rechtzetting van de fouten die ze bevat, alsook de lijst van de huurders die geïnteresseerd zijn in die terreinen.
Onverminderd artikel R. 307bis- 18, wordt de aanvraag tot verklaring van openbaar nut bij aangetekend schrijven aan de administratie gericht of tegen bewijs van ontvangst afgegeven.]1

Art. R307 bis.1. [1 Lorsqu'un gestionnaire souhaite bénéficier d'une servitude d'utilité publique pour établir des installations sous, sur ou au-dessus de terrains privés ou du domaine privé non bâtis, il introduit une demande de déclaration d'utilité publique auprès de l'administration.
La demande de déclaration d'utilité publique est établie au moyen du formulaire dont le modèle figure en annexe XLIII, en deux exemplaires plus autant d'exemplaires qu'il y a de communes concernées.
Cette demande est accompagnée des documents suivants :
le(s) plan(s) des installations projetées, à l'échelle 1/2 500e au moins, mentionnant notamment les limites cadastrales traversées et les références cadastrales des terrains dont l'occupation est envisagée;
la liste, par commune concernée, des détenteurs de droits réels sur les terrains dont l'occupation est projetée telle qu'elle résulte de la documentation cadastrale, éventuellement corrigée de ses erreurs, ainsi que la liste des locataires intéressés de ces terrains.
Sans préjudice de l'article R. 307bis-18, la demande de déclaration d'utilité publique est envoyée par recommandé ou remise contre récépissé à l'administration.]1

Art. R307 bis.2. [1 Na ontvangst van de aanvraag gaat de administratie na of het dossier alle vereiste gegevens bevat.
Indien het dossier onvolledig is, geeft de administratie de beheerder kennis daarvan binnen zeven dagen na ontvangst ervan. De beheerder maakt de ontbrekende gegevens zo spoedig mogelijk aan de administratie over.]1

Art. R307 bis.2. [1 Dès réception de la demande, l'administration examine si le dossier contient l'ensemble des éléments requis.
Si le dossier est incomplet, l'administration le notifie au gestionnaire dans les sept jours de sa réception. Le gestionnaire transmet les éléments manquants à l'administration dans les meilleurs délais.]1

Art. R307 bis.3. [1 § 1. Indien het dossier volledig is, stuurt de administratie binnen zeven dagen na ontvangst ervan of na ontvangst van de ontbrekende gegevens een afschrift daarvan naar de gemeenten op het grondgebied waarvan de vestiging van de installaties overwogen wordt opdat ze een openbaar onderzoek zouden kunnen organiseren.
Het gemeentecollege opent binnen vijftien dagen na ontvangst van het dossier een openbaar onderzoek overeenkomstig de bepalingen van titel III van deel III van Boek I van het Milieuwetboek.]1

Art. R307 bis.3. [1 § 1er. Lorsque le dossier est complet, l'administration en transmet, dans les sept jours de sa réception ou de la réception des éléments manquants, une copie aux communes sur le territoire desquelles les installations sont envisagées afin qu'elles organisent une enquête publique.
Dans les quinze jours de la réception du dossier, le collège communal ouvre une enquête publique conformément aux dispositions du Titre III de la Partie III du Livre Ier du Code de l'Environnement.]1

Art. R307 bis.4. [1 Binnen vijftien dagen na ontvangst van het laatste proces-verbaal van openbaar onderzoek legt de administratie een voorstel tot beslissing aan de Minister voor.
De Minister beslist binnen vijftien dagen na ontvangst van het voorstel tot beslissing.]1

Art. R307 bis.4. [1 Dans les quinze jours à dater de la réception du dernier procès-verbal d'enquête publique, l'administration soumet au Ministre une proposition de décision.
Dans les quinze jours de la réception de la proposition de décision, le Ministre arrête sa décision.]1

Afdeling 3. [1 - Modaliteiten voor de berekening en de indexering van de vergoedingen verschuldigd aan de eigenaar van het door de erfdienstbaarheid van openbaar nut bezwaarde fonds of aan de houders van zakelijke rechten gebonden aan dat fonds.]1
Section 3. [1 - Modalités de calcul et d'indexation des indemnités dues au propriétaire du fonds grevé par la servitude d'utilité publique ou aux détenteurs de droits réels attachés à ce fonds.]1
Art. R307 bis.5. [1 Voor de leidingen waarvan de bovenste generatrice zich op minstens één meter onder het natuurlijke bodemreliëf bevindt, is het bedrag van de vergoedingen per bezet terrein gelijk aan het referentiebedrag S geïndexeerd overeenkomstig artikel R.307bis -6 en vermenigvuldigd met het aantal m2 terreingedeelte bedoeld in artikel R.307bis -7, afgerond naar de bovenste eenheid.
Het referentiebedrag S wordt vasteglegd op basis van onderstaande tabel :
Art. R307 bis.5. [1 Pour les canalisations dont la génératrice supérieure se situe à une profondeur minimale d'un mètre sous le relief naturel du sol, le montant d'indemnités est égal, par terrain occupé, au montant de référence S indexé conformément à l'article R.307bis- 6 et multiplié par le nombre, arrondi à l'unité supérieure, de mètres-carrés de portion de terrain visé à l'article R.307bis.7.
Le montant de référence S est fixé sur base du tableau ci-dessous :
SProvincie Waals-BrabantProvincie HenegouwenProvincie LuikProvincie LuxemburgProvincie Namen
Terreinen bestemd voor landbouweuro 1,40euro 0,6173euro 0,8444euro 0,30euro 0,6530
Overige terreineneuro 0,4667euro 0,2563euro 0,1511euro 0,0973euro 0,1957
SProvincie Waals-BrabantProvincie HenegouwenProvincie LuikProvincie LuxemburgProvincie NamenTerreinen bestemd voor landbouweuro 1,40euro 0,6173euro 0,8444euro 0,30euro 0,6530Overige terreineneuro 0,4667euro 0,2563euro 0,1511euro 0,0973euro 0,1957
SProvince du Brabant wallonProvince du HainautProvince de LiègeProvince du LuxembourgProvince de Namur
Terrains affectés à l`agricultureeuro 1,40euro 0,6173euro 0,8444euro 0,30euro 0,5630
Autres terrainseuro 0,4667euro 0,2563euro 0,1511euro 0,0973euro 0,1957
SProvince du Brabant wallonProvince du HainautProvince de LiègeProvince du LuxembourgProvince de NamurTerrains affectés à l`agricultureeuro 1,40euro 0,6173euro 0,8444euro 0,30euro 0,5630Autres terrainseuro 0,4667euro 0,2563euro 0,1511euro 0,0973euro 0,1957
Voor de andere installaties die op het terrein gevestigd zijn, zoals o.a. de kamers en de gebouwen, is het bedrag van de vergoedingen per bezet terrein gelijk aan het referentiebedrag P geïndexeerd overeenkomstig artikel R.307bis- 6 en vermenigvuldigd met het aantal m2 terreingedeelte bedoeld in artikel R.307bis.7, afgerond naar de bovenste eenheid.
Het referentiebedrag S wordt vasteglegd op basis van onderstaande tabel.
Pour les autres installations occupant le terrain, telles notamment les chambres et les bâtiments, le montant d'indemnités est égal, par terrain occupé, au montant de référence P indexé conformément à l'article R.307bis- 6 et multiplié par le nombre, arrondi à l'unité supérieure, de mètres-carrés de portion de terrain visé à l'article R.307bis -7.
Le montant de référence P est fixé sur base du tableau ci-dessous :
PProvincie Waals-BrabantProvincie HenegouwenProvincie LuikProvincie LuxemburgProvincie Namen
Terreinen bestemd voor landbouweuro 2,80euro 1,2346euro 1,6888euro 0,60euro 1,1260
Overige terreineneuro 0,9333euro 0,5125euro 0,3022euro 0,1947euro 0,3913
PProvincie Waals-BrabantProvincie HenegouwenProvincie LuikProvincie LuxemburgProvincie NamenTerreinen bestemd voor landbouweuro 2,80euro 1,2346euro 1,6888euro 0,60euro 1,1260Overige terreineneuro 0,9333euro 0,5125euro 0,3022euro 0,1947euro 0,3913
PProvince du Brabant wallonProvince du HainautProvince de LiègeProvince du LuxembourgProvince de Namur
Terrains affectés à l`agricultureeuro 2,80euro 1,2346euro 1,6888euro 0,60euro 1,1260
Autres terrainseuro 0,9333euro 0,5125euro 0,3022euro 0,1947euro 0,3913
PProvince du Brabant wallonProvince du HainautProvince de LiègeProvince du LuxembourgProvince de NamurTerrains affectés à l`agricultureeuro 2,80euro 1,2346euro 1,6888euro 0,60euro 1,1260Autres terrainseuro 0,9333euro 0,5125euro 0,3022euro 0,1947euro 0,3913
De bezetting van het terrein door elektrische, telecom- of kathodische beschermingskabels die langs de leidingen liggen en die met de installaties van de beheerder functioneel verbonden zijn, alsook door andere bijkomende uitrustingen, zoals o.a. mangaten, bakens, brandkranen, ontluchters, geeft niet recht op een specifieke vergoeding maar wordt gedekt door de overeenkomstig dit artikel berekende forfaitaire vergoedingen.]1
L'occupation du terrain par des câbles électriques, de télécommunication ou de protection cathodique longeant les canalisations et fonctionnellement attachés aux installations du gestionnaire, ainsi que par d'autres équipements accessoires aux installations tels notamment des regards, repères, balises, bornes incendie, purgeurs, ne donne pas lieu à une indemnité spécifique mais est couverte par les indemnités forfaitaires calculées conformément au présent article.]1
Art. R307 bis.6. [1 De referentiebedragen S en P worden jaarlijks op 1 januari geïndexeerd op basis van de gezondheidsindex van de vorige maand oktober. Ze zijn gekoppeld aan de spilindex van de maand oktober 2006, namelijk 104,32 (basis 2004 = 100).]1
Art. R307 bis.6. [1 Les montants de référence S et P sont indexés au 1er janvier de chaque année sur base de l'indice-santé du mois d'octobre qui précède. Ils sont rattachés à l'indice-pivot du mois d'octobre 2006, soit 104,32 (base 2004 = 100).]1
Afdeling 4. [1 - Verbodmaatregelen en voorschriften opgelegd in de buurt van de installaties.]1
Section 4. [1 - Interdictions et prescriptions à observer à proximité des installations.]1
Art. R307 bis.7. [1 Behalve uitdrukkelijke toestemming van de beheerder zijn de volgende handelingen en werkzaamheden verboden wat betreft de leidingen waarvan de bovenste generatrice zich minstens één meter onder het natuurlijke bodemreliëf bevindt, in het terreingedeelte tussen de verticale plannen gelegen op 1,50 meter afstand aan weerskanten van de as van de leiding en, wat betreft de overige installaties, ondergrondse, aan de oppervlakte of bovengrondse, in het terreingedeelte afgebakend door de verticale plannen gelegen op 1,50 meter van de buitengrenzen van die installaties :
- constructies bouwen, ongeacht de aard ervan;
- bomen of struiken planten of laten groeien, ook al komen ze voort uit natuurlijke zaden, behalve hagen bestaand uit zich laag ontwikkelende wortelplanten die verschillende eigendommen of exploitaties afbakenen;
- opgravingen uitvoeren;
- met uitzondering van inbrengen in het raam van een normale landbouwexploitatie van het terrein, grondverplaatsingen of -verwijderingen uitvoeren die het bodemreliëf wijzigen of de stabiliteit van de installaties in het gedrang brengen;
- een opslagplaats voor giftige stoffen en o.a. koolwaterstoffen aanleggen.
In afwijking van het vorige lid, kan de Minister op verzoek van de beheerder bij het besluit tot verklaring van openbaar nut betrokken terreingedeelte inrichten, uitbreiden of inperken al naar gelang van de technische omstandigheden of van de plaatsligging of met het oog op de beperking van een potentieel hinderrisico voor de installaties.]1

Art. R307 bis.7. [1 Sauf autorisation expresse du gestionnaire, les actes et travaux suivants sont interdit, pour les canalisations dont la génératrice supérieure se situe à une profondeur minimale d'1 mètre sous le relief naturel du sol, dans la portion de terrain comprise entre les plans verticaux distants d'1,50 mètre de part et d'autre de l'axe de la canalisation et, pour les autres installations souterraines, en surface ou aériennes, dans la portion de terrain délimitée par les plans verticaux distants d'1,50 mètre des limites extérieures de ces installations :
- ériger des constructions, de quelque espèce que ce soit;
- planter ou laisser pousser des arbres ou arbustes, même s'ils proviennent de semis naturels, sauf des haies constituées de plants à racines à faible développement délimitant des propriétés ou des exploitations différentes;
- pratiquer des fouilles;
- à l'exception d'apports réalisés dans le cadre d'une exploitation agricole normale du terrain, effectuer des déplacements ou enlèvements de terre de nature à modifier le relief du sol ou à nuire à la stabilité des installations;
- établir un dépôt de matières toxiques et notamment d'hydrocarbures.
Par dérogation à l'alinéa précédent, à la demande du gestionnaire, le Ministre peut, dans l'arrêté de déclaration d'utilité publique, aménager, étendre ou restreindre la portion de terrain concernée en fonction de circonstances techniques ou de la configuration des lieux ou encore en vue de limiter un risque potentiel de nuisance pour les installations.]1

Art. R307 bis.8. [1 In het geval van andere installaties dan de leidingen waarvan de bovenste generatrice zich op minstens één meter onder het natuurlijke bodemreliëf bevindt, kan de beheerder omheiningen aanbrengen binnen het terreingedeelte bedoeld in artikel R.307bis -7 indien hij het nodig acht voor de bescherming of de veiligheid van zijn installaties of ter voorkoming van bepaalde risico's die de aanwezigheid van de installaties voor de buurt inhoudt.
In dat geval zorgt hij voor het normale onderhoud van de terreingedeelten waarvan hij de toegang heeft beperkt.
Indien de beheerder geen omheiningen aanbrengt, blijven de houders van zakelijke rechten op het door de erfdienstbaarheid van openbaar nut bezwaarde onroerend goed en/of de bezetters ervan, elk wat hem betreft, van de bodem genieten en de lasten i.v.m. het onderhoud van de plaats dragen met inachtneming van het decreet en van de verbodmaatregelen en voorschriften waarin deze afdeling voorziet.]1

Art. R307 bis.8. [1 Dans le cas d'installations autres que des canalisations dont la génératrice supérieure se situe à une profondeur minimale d'un mètre sous le relief naturel du sol, le gestionnaire a la faculté d'ériger des clôtures à l'intérieur de la portion de terrain déterminée à l'article R.307bis -7 lorsqu'il le juge nécessaire pour assurer la protection ou la sécurité de ses installations ou pour éviter certains risques résultant pour le voisinage de la présence de ses installations.
Dans ce cas, il assure l'entretien normal des portions de terrain auxquelles il a restreint l'accès.
A défaut de clôtures érigées par le gestionnaire, les détenteurs de droits réels sur le bien immeuble grevé de la servitude d'utilité publique et/ou ses occupants continuent, chacun pour ce qui le concerne, à jouir du sol et à assumer les charges d'entretien des lieux dans le respect du décret et des interdictions et prescriptions prévues par la présente section.]1

Art. R307 bis.9. [1 De beheerder kan altijd toegang tot zijn installaties krijgen, o.a. met het oog op het toezicht erop of op het onderhoud ervan, incluis de hernieuwing ervan, onverminderd het recht van de houders van een zakelijk recht op het door de erfdienstbaarheid bezwaarde terrein of van de bezetters ervan op vergoeding van elke schade die daaruit zou kunnen ontstaan. Hij krijgt die toegang langs het terreingedeelte bedoeld in artikel 307bis -7 of, in geval van hindernis of verhindering, langs de gewone toegangsweg tot het door de erfdienstbaarheid van openbaar nut bezwaarde terrein of langs elke met de eigenaar overeen te komen toegangsweg.]1
Art. R307 bis.9. [1 Le gestionnaire peut en tout temps avoir accès à ses installations, notamment en vue de leur surveillance ou de leur entretien, en ce compris leur renouvellement, sans préjudice au droit des détenteurs de droit réel sur le terrain grevé de la servitude ou de ses occupants à être indemnisés de tout préjudice qui pourrait en résulter. Cet accès s'effectue par la portion de terrain déterminée à l'article 307bis -7 ou, en cas d'obstacle ou d'empêchement, par la voie ordinaire d'accès au terrain grevé de la servitude d'utilité publique ou toute autre voie d'accès à convenir avec le propriétaire.]1
Afdeling 5. [1 - Aanvraag tot aankoop van het door de eigenaar bezette terrein.]1
Section 5. [1 - Demande d'achat du terrain occupé par le propriétaire.]1
Art. R307 bis.10. [1 De eigenaar kan de Regering binnen twee jaar, te rekenen van de kennisgeving van de verklaring van openbaar nut, meedelen dat hij de begunstigde van de erfdienstbaarheid erom verzoekt het bezette terrein te kopen.]1
Art. R307 bis.10. [1 Dans les deux ans à dater de la notification de la déclaration d'utilité publique, le propriétaire peut informer le Gouvernement qu'il demande au bénéficiaire de la servitude d'acheter le terrain occupé.]1
Afdeling 6. [1 - Slotbepalingen.]1
Section 6. [1 - Dispositions finales.]1
Art. R307 bis.11. [1 De aanvraag tot verklaring van openbaar nut, alsook het geheel van de bij dit besluit voorgeschreven kennisgevingen en overdrachten van informatie worden op geldige wijze ingediend langs de elektronische weg.
Wanneer de overgemaakte stukken evenwel in origineel getekend moeten worden, wordt minstens één exemplaar ervan op papieren drager of via een elektronisch getekende informaticadrager naar de bestemmeling gestuurd.]1

Art. R307 bis.11. [1 L'introduction de la demande de déclaration d'utilité publique ainsi que l'ensemble des notifications et transmissions d'information prescrites par le présent arrêté sont valablement effectuées par voie électronique.
Toutefois, lorsque des documents transmis doivent être signés en original, ils sont envoyés au moins en un exemplaire à leur destinataire sur support papier ou sur support informatique signé électroniquement.]1

HOOFDSTUK XI. [1 - Certificering "Water" voor bebouwde onroerende goederen]1
CHAPITRE XI. [1 - Certification Eau des immeubles bâtis]1
Afdeling 1. [1 - Definities]1
Section 1. [1 - Définitions]1
Art. R307 bis-12. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
de administratie Leefmilieu: het departement Leefmilieu en Water van de Waalse overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu;
de administratie Energie: het departement Energie en Duurzaam Bouwen van de Waalse overheidsdienst Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Erfgoed en Energie;
werkdag: alle dagen andere dan zaterdag, zondag en wettelijke feestdagen;
lokalen en inrichtingen waar het publiek van water wordt voorzien: niet-residentiële plaatsen van grote omvang waar talrijke personen potentieel blootgesteld worden aan watergebonden risico's, zijnde:
a) ziekenhuizen;
b) gezondheidszorgvoorzieningen;
c) rusthuizen;
d) onderwijsinstellingen;
e) kinderdagverblijven;
f) sport-, vrijetijds-, tentoonstellings- en recreatieve voorzieningen;
g) gebouwen die beschikken over huisvestingsaccomodatie;
h) kampeerterreinen;
i) penitentiaire instellingen;
de minister: de minister bevoegd voor Leefmilieu;]1

Art. R307 bis-12. [1 Pour l'application du présent chapitre, l'on entend par :
l'Administration de l'Environnement : le Département de l'Environnement et de l'Eau du Service public de Wallonie Agriculture, Ressources Naturelles et Environnement ;
l'Administration de l'Energie : le Département de l'Energie et du Bâtiment durable du Service public de Wallonie Territoire, Logement, Patrimoine et Energie ;
jour ouvrable : tous les jours autres que le samedi, dimanche et jours fériés légaux ;
les locaux et établissements où l'eau est fournie au public : les lieux de grande taille non résidentiel où de nombreuses personnes sont potentiellement exposées à des risques liés à l'eau, soit :
a) les hôpitaux ;
b) les établissements de soins de santé ;
c) les maisons de retraite ;
d) les établissements d'enseignement ;
e) les crèches ;
f) les installations sportives, récréatives, de loisirs et d'exposition ;
g) les bâtiments disposant d'infrastructures d'hébergement ;
h) les terrains de camping ;
i) les institutions pénitentiaires ;
le Ministre : le Ministre qui a l'Environnement dans ses attributions.]1

Art. R307 bis-13. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de volgende communicatiemiddelen gebruikt:
aangetekend schrijven met ontvangstbewijs of elke soortgelijke formule waarmee vaste datum aan de verzending en aan de ontvangst van de akte gegeven kan worden, ongeacht de gebruikte distributiedienst;
neerlegging tegen ontvangstbewijs;
e-mail via het computerplatform zoals bedoeld in artikel R.307bis-21.]1

Art. R307 bis-13. [1 Les modes de communication utilisés pour l'application du présent chapitre sont :
l'envoi recommandé avec accusé de réception ou toute formule similaire permettant de conférer date certaine à l'envoi et à la réception de l'acte, quel que soit le service de distribution du courrier utilisé ;
le dépôt contre récépissé ;
le courrier électronique via la plateforme informatique visé à l'article R.307bis-21.]1

Afdeling 2. [1 - Inhoud van het CertIBEau]1
Section 2. [1 - Contenu du CertIBEau]1
Art. R307 bis-14. [1 De minister bepaalt de vorm van de documenten nodig voor de opstelling van het CertIBEau en preciseert de inhoud ervan, die de volgende elementen omvat:
een attest dat het volgende vermeldt:
a) de unieke code van het CertIBEau;
b) het adres van het gecontroleerde pand;
c) de identiteit van de eigenaar van het gecontroleerde pand;
d) de naam van de verdeler;
e) het nummer van de watermeter;
f) de datum van vaststelling;
g) of het pand al dan niet conform is;
h) de datum van aflevering van het CertIBEau;
i) de identificatie en het erkenningsnummer van de CertIBEau-certificeerder en zijn handtekening;
j) de prijs van het CertIBEau, met inbegrip van de retributie vermeld in D.227ter, § 8;
een verslag van het bezoek, dat het volgende omvat:
a) de in artikels R.307bis-16 en R.307bis-17 bedoelde ingezamelde informatie, opgenomen in de databank vermeld in artikel R.307bis-21, § 2;
b) een synoptisch schema van de waterafvoer;
c) de lijst met uit te voeren inconformiteitsstellingen en eventuele aanbevelingen;
d) de vereiste foto's om de in conformiteit te stellen installaties en uitrustingen te identificeren; deze zijn beschikbaar mits toestemming van de eigenaar.]1

Art. R307 bis-14. [1 Le Ministre détermine la forme des documents nécessaires à l'établissement du CertIBEau et en précise le contenu qui comprend les éléments suivants :
un formulaire d'attestation comprenant :
a) un code unique du CertIBEau ;
b) l'adresse de l'immeuble contrôlé ;
c) l'identité du propriétaire de l'immeuble contrôlé ;
d) le nom du distributeur ;
e) le numéro de compteur d'eau ;
f) la date de la visite du constat ;
g) la conformité ou non de l'immeuble ;
h) la date d'émission du CertIBEau ;
i) l'identification et le numéro d'agrément du certificateur CertIBEau et sa signature ;
j) le prix du CertIBEau, incluant le montant de la redevance visée à l'article D.227ter, § 8 ;
un rapport de visite comprenant :
a) les informations collectées visées aux articles R.307bis-16 et R.307bis-17 et reprises dans la base de données visée à l'article R.307bis-21, § 2 ;
b) un schéma synoptique d'évacuation des eaux ;
c) la liste des mises en conformité à réaliser et des recommandations éventuelles ;
d) les photographies requises pour permettre d'identifier les installations et équipements à mettre en conformité ; celles-ci seront disponibles sur base du consentement du propriétaire.]1

Afdeling 3. [1 - Procedure voor de aflevering van het CertIBEau]1
Section 3. [1 - Procédure de délivrance du CertIBEau]1
Art. R307 bis-15. [1 § 1. Het CertIBEau wordt opgesteld door een certificeerder zoals bedoeld in artikel D.227quater, § 1, na een bezoek ter vaststelling van de staat van het pand in kwestie.
Er wordt per waterteller één CertIBEau opgesteld.
§ 2. De eigenaar van het betreffende pand dient een aanvraag voor een CertIBEau-certificaat in door middel van het door de minister opgestelde formulier dat ter beschikking staat op de portaalsites van de administraties Leefmilieu en Energie.
§ 3. Om hun onafhankelijkheid te waarborgen, mogen certificeerders zoals bedoeld in artikel D.227quater, § 1, geen CertIBEau afleveren voor een bebouwd onroerend goed:
waarop ze een zakelijk of persoonlijk recht hebben;
waarvoor ze tussenkomen, onder welke titel dan ook;
waarvan de eigenaar of de titularis van zakelijke rechten een bloed- of aanverwant is tot in de tweede graad, of hun werkgever.]1

Art. R307 bis-15. [1 § 1er. Le CertIBEau est établi par un certificateur visé à l'article D.227quater, § 1er, à la suite d'une visite de constat de l'état de l'immeuble concerné.
Un CertIBEau est établi par compteur d'eau.
§ 2. La demande de certification CertIBEau est introduite par le propriétaire de l'immeuble concerné au moyen d'un formulaire établi par le Ministre et mis à disposition sur les portails des administrations de l'environnement et de l'énergie.
§ 3. Pour préserver leur indépendance, un certificateur visé à l'article D.227quater, § 1er, n'est pas autorisé à délivrer un CertIBEau relatif à un immeuble bâti :
sur lequel il dispose d'un droit réel ou personnel ;
pour lequel il intervient, à quelque titre que ce soit ;
dont le propriétaire ou titulaire de droits réels est un parent ou allié jusqu'au deuxième degré, ou son employeur.]1

Art. R307 bis-16. [1 § 1. De aanvrager houdt elk document dat nuttig is voor de opstelling van het CertIBEau ter beschikking van de certificeerder.
Voor nieuwe bebouwde onroerende goederen zijn deze documenten:
de as-builtplannen van het onroerend goed met de elementen voor drinkwatertoevoer en de afvoer en verwerking van afvalwater;
in gebieden met collectieve sanering:
§ de aansluitingsvergunning en de foto's van de aansluiting op de riolering om de kwaliteit ervan te controleren;
§ desgevallend de afwijking van de aansluiting op de riolering en de milieuvergunning voor de plaatsing van een individueel zuiveringssysteem;
in gebieden met autonome sanering:
§ de aangifte of de milieuvergunning van het individueel zuiveringssysteem;
§ desgevallend de vrijstelling van de plaatsing van een individueel zuiveringssysteem en de bijhorende voorwaarden;
desgevallend de aangifte van privé-aansluitpunt.
Voor lokalen en inrichtingen waar het publiek van water wordt voorzien, worden de volgende documenten ter beschikking gesteld, indien ze werden opgesteld:
de meest recente resultaten van de analyse van het risico op de aanwezigheid van lood;
de meest recente resultaten van de analyse van het risico op de aanwezigheid van Legionella;
§ 2. De vaststelling gebeurt in aanwezigheid van de aanvrager of diens vertegenwoordiger, die ervoor zorgt dat de CertIBEau-certificeerder vrije toegang heeft tot alle installaties binnen en buiten.
§ 3. Onder voorlopige aansluiting op de openbare waterdistributie waarvan sprake in artikel D.277ter, § 2, dient elk systeem verstaan te worden dat geïnstalleerd wordt om de bouwwerf vóór aansluiting van water te voorzien of elk systeem dat de privé-installatie voor waterdistributie controleert na aansluiting.
Als de voorlopige aansluiting bestaat uit het plaatsen van een zegel op de afsluitkraan van de installatie, is de certificeerder gemachtigd om dit zegel te verwijderen en de installatie in gebruik te nemen, voor zover ze gecertificeerd is.
§ 4. Er kan een CertIBEau voor een nieuw bebouwd onroerend goed worden opgesteld als:
er een privé-installatie voor waterdistributie is,
alle uitrusting die nodig is voor het afvalwaterbeheer aanwezig en werkzaam is.
Alle informatie waarvan dit artikel stelt dat ze aan de certificeerder verstrekt kan worden of door de certificeerder bekomen kan worden, maakt integraal deel uit van de CertIBEau-databank vermeld in artikel R.307bis-21.]1

Art. R307 bis-16. [1 § 1er. Le demandeur tient à disposition du certificateur tout document utile à l'établissement du CertIBEau.
Pour les nouveaux immeubles bâtis, ces documents sont:
les plans as-built de l'immeuble comprenant les éléments d'alimentation en eau potable et d'évacuation et de traitements des eaux usées ;
en zone d'assainissement collectif :
§ l'autorisation de raccordement et les photos du raccordement à l'égout en vue d'en vérifier la qualité ;
§ le cas échéant, la dérogation de raccordement à l'égout et le permis d'environnement pour l'installation d'un système d'épuration individuelle ;
en zone d'assainissement autonome :
§ la déclaration ou le permis d'environnement du système d'épuration individuelle ;
§ le cas échéant, la dispense d'installation d'un système d'épuration individuelle et les conditions y afférentes ;
le cas échéant, la déclaration de prise d'eau privée.
Pour les locaux et établissements où l'eau est fournie au public, les documents suivants sont mis à disposition s'ils ont été établis :
les résultats d'analyse du risque relatif au plomb les plus récents ;
les résultats d'analyse du risque représenté par les Legionella les plus récents.
§ 2. La visite de constat se déroule en présence du demandeur ou son représentant, qui assurent le libre accès du certificateur CertIBEau à toutes les installations intérieures et extérieures.
§ 3. Par raccordement provisoire à la distribution publique de l'eau visé à l'article D.227ter, § 2, il faut entendre tout système mis en place pour l'alimentation du chantier de construction préalablement au raccordement ou tout système contrôlant l'alimentation de l'installation privée de distribution après raccordement.
Si le raccordement provisoire consiste à la pose d'un scellé sur le robinet d'arrêt de l'installation, le certificateur est habilité à enlever ledit scellé et de procéder à la mise en service de l'installation pour autant que celle-ci soit certifiée.
§ 4. Un CertIBEau pour un nouvel immeuble bâti peut être établi dès lors que :
l'installation privée de distribution est réalisée ;
tous les équipements nécessaires à la gestion des eaux usées sont présents et fonctionnels.
Toutes les informations prévues dans cet article comme pouvant être fournies au certificateur ou récoltées par le certificateur font partie intégrante de la base de données CertIBEau visée à l'article R.307bis-21.]1

Art. R307 bis-17. [1 Onder onmiddellijk gevaar voor de menselijke gezondheid, zoals bedoeld in artikel D.277ter, § 7, wordt verstaan:
de vaststelling van een daadwerkelijke terugstroming van niet-drinkbaar water naar het openbaar waterdistributienet of tussen twee punten van de privé-installatie voor waterdistributie;
de afwezigheid van een antiterugslagklep net na de meter.]1

Art. R307 bis-17. [1 Par danger immédiat pour la santé humaine visé à l'article D.227ter, § 7, l'on entend :
le constat d'un retour effectif d'eau non potable vers le réseau public de distribution d'eau ou entre deux points de l'installation privée de distribution d'eau ;
l'absence de clapet anti-retour juste après le compteur.]1

Art. R307 bis-18. [1 Na het controlebezoek stelt de certificeerder een ontwerp van CertIBEau op, dat hij binnen de vijf werkdagen na de datum van het bezoek registreert op het computerplatform vermeld in artikel D.227quinquies.
De S.P.G.E. kan binnen de zeven werkdagen na ontvangst een herkeuring aanvragen, uitgevoerd door een openbare wateroperator zoals bedoeld in artikel D.277quater, § 5, om de geldigheid van de gegevens vermeld in het ontwerp van CertIBEau te controleren. Deze herkeuring gebeurt binnen de vijftien werkdagen na het verzoek van de S.P.G.E
Als het verslag van de openbare wateroperator verschilt van dat van de certificeerder deelt hij dit mee aan de S.P.G.E.
De S.P.G.E. brengt de certificeerder op de hoogte. Deze beschikt dan over vijftien werkdagen om de nodige correcties aan te brengen aan het CertIBEau.]1

Art. R307 bis-18. [1 A l'issue de la visite de contrôle, le certificateur établit un projet de CertIBEau qu'il enregistre, dans les cinq jours ouvrables à compter de la date de visite, sur la plateforme informatique visée à l'article D.227quinquies.
Dans les sept jours ouvrables à dater de la réception, la S.P.G.E. peut demander une contre-visite effectuée par un opérateur public de l'eau tel que décrit à l'article D.277quater, § 5, pour vérifier la validité des données reprises dans le projet de CertIBEau. Cette contre-visite est réalisée dans les quinze jours ouvrables qui suit la demande de la S.P.G.E.
Lorsque le rapport de l'opérateur public de l'eau diffère de celui du certificateur, il en avertit la S.P.G.E.
La S.P.G.E en informe le certificateur qui a quinze jours ouvrables pour apporter les corrections nécessaires au CertIBEau.]1

Afdeling 4. [1 - Specifieke bepalingen voor lokalen en inrichtingen waar het publiek van water wordt voorzien]1
Section 4. [1 - Dispositions spécifiques aux locaux et établissements où l'eau est fournie au public]1
Art. R307 bis-19. [1 § 1. De minister verduidelijkt het begrip "grote omvang" zoals vermeld in de definitie van lokalen en inrichtingen waar het publiek van water wordt voorzien.
De minister kan de lokalen en inrichtingen omschreven in art. R.307bis-12, 4° vrijstellen van het bekomen van een CertIBEau omwille van een of meerdere specifieke kenmerken eigen aan deze lokalen en inrichtingen of omwille van de activiteiten die er plaatsvinden. De minister bepaalt de kenmerken en activiteiten die in aanmerking komen voor deze vrijstelling.
§ 2. De privé-installatie voor waterdistributie van lokalen en inrichtingen waar het publiek van water wordt voorzien moet ten laatste op 31 december 2027 voor de eerste keer gecontroleerd worden in overeenstemming met artikel R.307bis-17.
§ 3. De uitbaters van de lokalen en inrichtingen bedoeld in art. R.307bis-12, 4°, met uitzondering van de lokalen en inrichtingen die een vrijstelling hebben voor het bekomen van een CertIBEau, zijn in het bezit van een gezondheidskaart.
Deze kaart bevat alle informatie met betrekking tot de privé-installatie voor waterdistributie en garandeert de traceerbaarheid van de uitbating ervan.
§ 4. Elke zes jaar dient gecontroleerd te worden of de privé-installatie voor waterdistributie nog voldoet aan de voorwaarden.
Indien de privé-installatie voor waterdistributie niet conform is, stelt de uitbater zich ten laatste binnen de achttien maanden na de datum van de controle in regel.]1

Art. R307 bis-19. [1 § 1er. Le Ministre précise la notion de grande taille reprise à la définition des locaux et établissement où l'eau est fournie au public.
Le Ministre peut dispenser l'obtention du CertIBEau aux locaux et établissements définis à l'art. R.307bis-12, 4°, en raison d'une ou plusieurs caractéristiques spécifiques liées à ces locaux et établissements, et des activités qui s'y déroulent. Le Ministre précise les caractéristiques et activités éligibles à cette dispense.
§ 2. Les locaux et établissements où l'eau est fournie au public font l'objet d'un premier contrôle de l'installation privée de distribution d'eau conformément à l'article R.307bis-17 au plus tard le 31 décembre 2027.
§ 3. Les exploitants des locaux et établissements visés à l'art. R.307bis-12, 4°, à l'exception des locaux et établissements dispensés de l'obtention du CerIBEau, tiennent un carnet sanitaire.
Ce carnet centralise l'ensemble des informations sur l'installation privée de distribution d'eau et assure la traçabilité de son exploitation.
§ 4. La conformité de l'installation privée de distribution est vérifiée tous les six ans.
En cas de non-conformité de l'installation privée de distribution, l'exploitant met en conformité celle-ci au plus tard dix-huit mois après la date du contrôle.]1

Afdeling 5. [1 - Specifieke bepalingen in geval van ingrijpende wijziging]1
Section 5. [1 - Dispositions spécifiques en cas de modification importante]1
Art. R307 bis-20. [1 § 1. Wordt beschouwd als een ingrijpende wijziging van bebouwde onroerende goederen:
a) voor een privé-installatie voor waterdistributie:
(1) elke wijziging waarvoor de plaatsing van een terugstroombeveiliging noodzakelijk is;
(2) de toevoeging van een alternatief watercircuit dat minstens een waterpunt binnen of buiten voorziet van water;
(3) de toevoeging van een waterbehandeling;
(4) elke nieuwe installatie voor sanitair warm water, een water-warmtepomp, de productie van warm water op basis van zonnepanelen, de verwarming van zwembadwater of de plaatsing van een overdrukpomp;
(5) de toevoeging of wijziging van een manueel of automatisch brandbestrijdingssysteem dat gevoed wordt door de privé-installatie voor waterdistributie;
b) voor de afvoer en de sanering van het afvalwater:
(1) de wijziging van de wijze van afvoer van het afvalwater, met inbegrip van regenwater en gezuiverd afvalwater;
(2) de plaatsing van een individueel zuiveringssysteem;
(3) de vrijstelling van aansluiting op de riolering op grond van artikel R.278, § 1;
(4) de wijziging van het systeem voor de scheiding van afval- en regenwater;
(5) elke op basis van een stedenbouwkundige vergunning toegelaten inrichting, uitbreiding of verbouwing die tot gevolg heeft dat de geloosde vervuilerslast in inwonerequivalenten stijgt in een gebied met autonome sanering of als er een individueel zuiveringssysteem geplaatst wordt;
(6) de toevoeging, de wijziging of het verwijderen van een installatie voor voorbehandeling of behandeling van het afvalwater op het perceel.
§ 2. Bij ingrijpende wijzigingen stelt de erkende certificeerder op vraag van de eigenaar van het bebouwd onroerend goed een nieuw CertIBEau op, waarbij hij zich baseert op het vorige certificaat en ofwel ter plaatse of op basis van voorgelegde bewijzen de ingrijpende wijziging waarop de eigenaar van het goed in kwestie zich beroept controleert.]1

Art. R307 bis-20. [1 § 1er. Est à considérer comme modification importante des immeubles bâtis :
a) pour l'installation privée de distribution :
(1) toute modification nécessitant l'installation d'un dispositif anti-retour ;
(2) l'ajout d'un circuit d'eau alternatif alimentant au moins un point d'eau intérieur ou extérieur ;
(3) l'ajout d'un traitement d'eau ;
(4) toute nouvelle installation d'eau chaude sanitaire, d'une pompe à chaleur à eau, d'une production d'eau chaude à partir de panneaux solaires, de chauffage de l'eau d'une piscine ou d'un surpresseur ;
(5) l'ajout ou la modification d'un système manuel ou automatique de lutte contre l'incendie alimenté par l'installation privée de distribution ;
b) pour l'évacuation et l'assainissement des eaux usées :
(1) la modification du mode d'évacuation des eaux usées, en ce compris les eaux pluviales et les eaux usées épurées ;
(2) l'installation d'un système d'épuration individuelle ;
(3) l'exemption du raccordement à l'égout en vertu de l'article R.278, § 1er ;
(4) la modification du système de séparation des eaux pluviales et des eaux usées ;
(5) tout aménagement, extension ou transformation autorisé par un permis d'urbanisme ayant pour effet d'augmenter la charge polluante rejetée en équivalents-habitants en zone d'assainissement autonome ou lorsqu'un système d'épuration individuelle est installé ;
(6) l'ajout, la modification ou la suppression d'un ouvrage de prétraitement ou de traitement des eaux usées sur la parcelle.
§ 2. A la demande du propriétaire de l'immeuble bâti, en cas de modification importante, le certificateur agréé établit un nouveau CertIBEau en se basant sur celui établi antérieurement tout en contrôlant, soit sur place, soit sur base de preuves transmises, la modification importante présentée par le propriétaire de l'immeuble concerné.]1

Afdeling 6. [1 - Databank en computerplatform]1
Section 6. [1 - Base de données et plateforme informatique]1
Art. R307 bis-21. [1 § 1. De informaticatool waarvan sprake in artikel D.227quinquies, omvat:
een computerplatform dat dient voor de verzameling, de invoer, het toegangsbeheer en de raadpleging van de CertIBEau-certificaten;
een databank die dient voor de opslag en archivering van de gegevens.
De databank wordt opgesteld en beheerd door de S.P.G.E.
De computerplatform wordt door de S.P.G.E. en de administratie Energie gezamenlijk beheerd, om alle aanvragen, indieningen en raadplegingen van alle certificaten opgesteld voor bebouwde onroerende goederen op een plaats te verzamelen en om te garanderen dat een gegeven dat in verschillende databanken aanwezig is, niet meerdere keren wordt ingezameld.
Hiertoe stellen de administratie Energie en de S.P.G.E. een protocol op voor de uitwerking en het onderhoud van de informaticatool en om de veiligheid van de gegevensverwerking te garanderen, teneinde:
op permanente basis de vertrouwelijkheid, integriteit, beschikbaarheid en veerkracht van de verwerkingssystemen en diensten te garanderen;
het vermogen te garanderen om bij een fysiek of technisch incident de beschikbaarheid van en de toegang tot de persoonsgegevens tijdig te herstellen;
De verzameling, de invoer, het toegangsbeheer en de terbeschikkingstelling van de gegevens via het computerplatform vallen louter onder de bevoegdheid van de S.P.G.E.
§ 2. Naast de gegevens vermeld in artikel D.227quinquies, § 1, worden de volgende gegevens ingezameld en gekoppeld aan alle verwerkingsdoeleinden vermeld in artikel D.227quinquies, § 3:
b) globaal gezien, voor wat de binneninstallatie voor waterdistributie betreft: de aanwezigheid van de watermeter, van een afsluitkraan na de meter, het bestaan van een alternatief watercircuit en de fysieke scheiding van de twee watercircuits, de aanwezigheid van loden leidingen, van een waterbehandeling, met vermelding van het soort waterbehandeling, en van een overdrukpomp op het leidingwater;
c) voor elk waterpunt in de binneninstallatie voor waterdistributie: de aanwezigheid van een geschikte terugstroombeveiliging, de identificatie van de oorsprong van het gebruikte water en de kwaliteit van de ingezamelde informatie;
d) betreffende de verplichtingen met betrekking tot de afvoer en behandeling van stedelijk afvalwater;
§ c.1) het zuiveringsstelsel in het waterzuiveringsplan;
§ c.2) alle gekende informatie met betrekking tot afwijkingen van de voorschriften van het algemeen reglement voor waterzuivering;
§ c.3) elk gegeven met betrekking tot de aanwezigheid van voorzieningen voor de voorbehandeling en de behandeling van afvalwater;
§ c.4.) de aanwezigheid van voorzieningen voor de opvang en recuperatie van regenwater;
§ c.5) de wijze(n) waarop het afval- en regenwater afgevoerd wordt;
§ c.6) de voorzieningen voor de scheiding en de herkenning van het afvalwater- en het regenwaterafvoersysteem;
§ c.7) de kwaliteit van de ingezamelde informatie.
De schema's, plannen en fotoreportages vermeld in artikels R.307bis-14 en R.307bis-16 maken integraal deel uit van de databank.
§ 3. De toegang tot de informaticatool vermeld in artikel D.227quinquies, § 4, wordt toegekend door de S.P.G.E.
Alle instellingen, vertegenwoordigd door naar behoren geïdentificeerde natuurlijke personen, of natuurlijke personen die toegang hebben tot alle of een deel van de informatie in de databank, hebben toegang via een registratiesysteem dat de identiteit van de gebruiker controleert.
Notarissen hebben toegang tot alle individuele informatie via het platform e-notariaat.
§ 4. De S.P.G.E. heeft, als beheerder van de databank, toegang tot alle informatie erin.
De S.P.G.E., de administratie Energie en de administratie Leefmilieu hebben toegang tot alle informatie in de databank voor de statistische verwerking met milieudoeleinden of voor de karakterisering van het bebouwd gedeelte, in het kader van het vijfde verwerkingsdoeleinde vermeld in D.227quinquies, § 3.
De waterdistributeurs hebben toegang tot de informatie in de databank met betrekking tot het gebied waarvoor ze verantwoordelijk zijn, voor gegevens met betrekking tot de aansluiting en de privé-installatie voor waterdistributie, om een CertIBEau voor de aansluiting van een nieuw bebouwd onroerend goed of de vaststelling van niet-conformiteit voor een bestaand goed op te volgen of voor statistische verwerking.
Erkende zuiveringsinstellingen hebben toegang tot informatie in de databank met betrekking tot het gebied waarvoor ze verantwoordelijk zijn, om een CertIBEau op te volgen voor wat de verplichtingen met betrekking tot de afvoer en behandeling van stedelijk afvalwater, zoals beschreven in het algemeen reglement voor waterzuivering.
De gemeenten hebben toegang tot alle informatie in de databank met betrekking tot hun grondgebied, in het kader van hun voorrechten op het vlak van volksgezondheid.
Certificeerders hebben toegang tot de informatie die ze hebben opgesteld.
Eigenaars van een goed waarvoor een CertIBEau werd opgesteld, hebben toegang tot hun gegevens.
§ 5. De kosten met betrekking tot het ontwerp en de werking van de informaticatool worden meegerekend bij het bepalen van het bedrag van de retributie vastgelegd in artikel R.307bis-34.]1

Art. R307 bis-21.[1 § 1er. L'outil informatique, visé à l'article D.227quinquies, comprend :
une plateforme informatique servant à la collecte, l'encodage, la gestion des accès, la consultation des CertIBEau ;
une base de données servant au stockage et à l'archivage des données.
La base de données est établie et gérée par la S.P.G.E.
La plateforme informatique est établie et gérée conjointement par la S.P.G.E. et l'Administration de l'Energie en vue de réunir en un seul endroit toutes les demandes, dépôts et consultations de toute certification établie pour des immeubles bâtis et de s'assurer qu'une même donnée, présente dans les différentes bases de données, ne soit collectée à plusieurs reprises.
A cette fin, l'Administration de l'Energie et la S.P.G.E. établissent un protocole pour la mise en place et la maintenance de l'outil informatique, ainsi que pour assurer la sécurité du traitement des données afin :
de garantir la confidentialité, l'intégrité, la disponibilité et la résilience constantes des systèmes et des services de traitement;
d'assurer les moyens permettant de rétablir la disponibilité des données à caractère personnel et l'accès à celles-ci dans des délais appropriés en cas d'incident physique ou technique.
Les opérations de traitement de collecte, d'encodage, de conservation et de mise à disposition des données via la plateforme informatique sont du seul ressort de la S.P.G.E.
§ 2. Les données suivantes, outre celles précisées à l'article D.227quinquies, § 1er, sont récoltées et mises en lien avec l'ensemble des finalités de traitement reprises à l'article D.227quinquies, § 3 :
b) de manière globale au niveau de l'installation intérieure de distribution d'eau, la présence du compteur d'eau, d'un robinet d'arrêt après le compteur, d'un dispositif anti-retour après le compteur, de l'existence d'un circuit d'eau alternatif et de la séparation physique des deux circuits d'eau, de canalisations en plomb, d'un traitement d'eau et de son type et d'un surpresseur sur l'eau de distribution ;
c) pour chaque point d'eau identifié dans l'installation intérieure de distribution d'eau, la présence d'une protection anti-retour adéquate et l'identification de l'origine de l'eau utilisée et la qualité de l'information récoltée ;
d) concernant les obligations relatives à l'évacuation et au traitement des eaux urbaines résiduaires :
§ c.1) le régime d'assainissement au PASH ;
§ c.2) toute information connue quant à des dérogations octroyées par rapport aux prescrits du règlement général d'assainissement ;
§ c.3) toute donnée relative à la présence des équipements de pré-traitement et de traitement d'eaux usées ;
§ c.4.) la présence d'ouvrage de récolte et de récupération des eaux pluviales ;
§ c.5) le ou les modes d'évacuation tant des eaux usées que des eaux pluviales ;
§ c.6) les dispositifs de séparation et de reconnaissance des systèmes d'évacuation des eaux usées des eaux pluviales ;
§ c.7) la qualité des informations récoltées.
Les schémas, plans et reportages photographiques prévus aux articles R.307bis-14 et R.307bis-16 font partie intégrante de la base de données.
§ 3. Les accès à l'outil informatique visé à l'article D.227quinquies, § 4, sont obtenus auprès de la S.P.G.E.
Pour l'ensemble des institutions, représentées par des personnes physiques dûment identifiées, ou des personnes physiques qui ont accès à tout ou partie des informations reprises dans la base de données, l'accès se fait via un système d'enregistrement et de contrôle de l'identité de l'utilisateur.
Les notaires ont accès à toute information individuelle via la plateforme e-notariat.
§ 4. L'ensemble des informations reprises dans la base de données est accessible à la S.P.G.E. en tant que gestionnaire de la base de données.
L'ensemble des informations reprises dans la base de données est accessible à la S.P.G.E., l'administration de l'énergie et l'administration de l'environnement à des fins de traitement statistique à caractère environnemental ou de caractérisation du bâti en référence à la cinquième finalité de traitement prévue à l'article D.227quinquies, § 3.
Les distributeurs d'eau ont accès aux informations reprises dans la base de données pour le territoire qui les concerne, pour les données relatives au raccordement et à l'installation privée de distribution de l'eau, afin d'effectuer le suivi d'un CertIBEau pour le raccordement d'un nouvel immeuble bâti, le constat d'une non-conformité pour un immeuble existant et à des fins de traitement statistique.
Les organismes d'assainissement agréés ont un accès aux informations reprises dans la base de données pour le territoire qui les concerne, afin d'effectuer le suivi d'un CertIBEau quant aux obligations relatives à l'évacuation et au traitement des eaux urbaines résiduaires précisées au règlement général d'assainissement.
Les communes ont accès à l'ensemble des informations reprises dans la base de données pour le territoire qui les concerne dans le cadre de leurs prérogatives en matière de salubrité publique.
Les certificateurs ont accès aux informations qu'ils ont établies.
Les propriétaires du bien qui a fait l'objet d'un CertIBEau ont accès à leurs données.
§ 5. Les coûts liés à l'établissement et au fonctionnement de l'outil informatique interviennent dans la détermination du montant de la redevance fixée à l'article R.307bis-34.]1

Afdeling 7. [1 - Erkenning van de CertIBEau-certificeerders]1
Section 7. [1 - Agréments des certificateurs CertIBEau]1
Onderafdeling 1. [1 - Erkenningsvoorwaarden.]1
Sous-section 1. [1 - Conditions d'agrément]1
Art. R307 bis-22. [1 § 1. De opleiding tot CertIBEau-certificeerder waarvan sprake in artikel D.227quater, § 2, 4°, is voorbehouden aan natuurlijke personen die voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
erkend zijn als EPB-verantwoordelijke of -certificeerder, zoals omschreven in het besluit van de Waalse Regering van 15 mei 2014 ter uitvoering van het decreet van 28 november 2013 betreffende de energieprestaties van gebouwen;
beroepsbekwaamheden aantonen die door het koninklijk besluit van 29 januari 2007 betreffende de beroepsbekwaamheid voor de uitoefening van zelfstandige activiteiten van het bouwvak en van de elektrotechniek, alsook van de algemene aanneming, erkend worden om installatieactiviteiten voor centrale verwarming, klimaatregeling, gas en sanitair uit te oefenen;
een kwalificatie of minstens twee jaar afdoende ervaring in drinkwater of zuivering van afvalwater kunnen voorleggen;
erkend zijn voor een identieke procedure in een ander gewest of in een andere lidstaat van de Europese Unie.
§ 2. De opleiding van de CertIBEau-certificeerders omvat minstens:
een luik met betrekking tot het geldend wettelijk en regelgevend kader inzake de certificering "Water" voor bebouwde onroerende goederen en inzake de verplichtingen vermeld in artikel D.227ter, § 1;
een theoretisch en praktisch luik met betrekking tot binneninstallaties voor waterdistributie;
een theoretisch en praktisch luik met betrekking tot het beheer van afval- en regenwater op het
perceel;
een luik met betrekking tot het gebruik van de databank voor de inzameling van gegevens en de opstelling van het CertIBEau, zoals bedoeld in artikel D.227quinquies.
§ 3. De opleidingen vermeld in paragraaf 1 en 2 worden afgesloten met een examen dat bestaat uit een mondelinge en een schriftelijke proef. Om te slagen voor het examen moet een gemiddelde van 14/20 of meer behaald worden.
Het examen laat toe het theoretisch en praktisch begrip van de inhoud van de opleiding van de kandidaat te beoordelen.
De minister bepaalt de inhoud en de modaliteiten voor de organisatie van en de deelneming aan het examen.]1

Art. R307 bis-22. [1 § 1er. La formation de certificateur CertIBEau visée à l'article D.227quater, § 2, 4°, est réservée aux personnes physiques qui répondent à une des conditions suivantes :
être agréé en qualité de certificateur ou responsable PEB, tel que défini par l'arrêté du Gouvernement wallon du 15 mai 2014 portant exécution du décret du 28 novembre 2013 relatif à la performance énergétique des bâtiments ;
faire état de compétences professionnelles reconnues par l'arrêté royal du 29 janvier 2007 relatif à la capacité professionnelle pour l'exercice des activités indépendantes dans les métiers de la construction et de l'électrotechnique, ainsi que de l'entreprise générale, pour exercer une activité d'installation de chauffage central, de climatisation, de gaz et sanitaire ;
faire valoir une qualification ou une expérience probante d'au moins deux ans dans l'eau potable ou dans l'assainissement des eaux usées ;
être agréé pour une procédure identique dans une autre Région ou Etat membre de l'Union européenne.
§ 2. La formation des certificateurs CertIBEau comporte au moins :
un volet relatif au cadre légal et réglementaire en vigueur en matière de certification Eau des immeubles bâtis et aux obligations visées à l'article D.227ter, § 1er ;
un volet théorique et pratique relatif aux installations intérieures de distribution d'eau ;
un volet théorique et pratique relatif à la gestion des eaux usées et pluviales à la
parcelle ;
un volet portant sur l'utilisation de la base de données relative à la collecte de données et à l'établissement du CertIBEau visée à l'article D.227quinquies.
§ 3. Les formations visées aux paragraphes 1er et 2, sont sanctionnées par un examen comprenant une épreuve orale et une épreuve écrite. La réussite de l'examen est conditionnée par une moyenne supérieure ou égale à 14/20.
L'examen permet d'apprécier la compréhension théorique et pratique du contenu de la formation par le candidat.
Le Ministre précise le contenu et les modalités d'organisation et de participation à l'examen.]1

Onderafdeling 2. [1 - Erkenningsprocedure]1
Sous-section 2. [1 - Procédure d'agrément]1
Art. R307 bis-23. [1 § 1. De aanvraag om erkend te worden als CertIBEau-certificeerder moet gericht worden aan de S.P.G.E. via een van de communicatiemethoden vermeld in artikel R.307bis-13. De S.P.G.E. stelt een aanvraagformulier ter beschikking.
De minister bepaalt het bedrag van het dossierrecht waarvan sprake in D.227quater, § 2, op voorstel van de S.P.G.E.
Dit dossierrecht wordt elk jaar op 1 januari automatisch en van rechtswege geïndexeerd op basis van het zes weken voor de indexeringsdatum geldende indexcijfer van de consumptieprijzen.
§ 2. De aanvraag vermeldt het volgende:
de naam, het adres en het beroep van de aanvrager;
als het een natuurlijke persoon betreft, het bewijs dat hij geslaagd is voor de opleiding vermeld in artikels R.307bis-22;
als het een rechtspersoon betreft, het ondernemingsnummer;
als het een rechtspersoon betreft, een afschrift van de overeenkomst die de aanvrager verbindt aan een of meerdere natuurlijke personen die voldoen aan de voorwaarden vastgelegd in artikel R.307bis-22 en een afschrift van de erkenningsbeslissing van deze natuurlijke persoon (personen);
een bewijs dat de persoon voldoet aan een van de voorwaarden vastgelegd in artikel R.307bis-22, § 1;
het bewijs van betaling aan de S.P.G.E van de dossierkosten waarvan sprake in de eerste paragraaf.]1

Art. R307 bis-23. [1 § 1er. La demande d'agrément en qualité de certificateur CertIBEau est adressée à la S.P.G.E selon l'un des modes de communication visés à l'article R.307bis-13. La S.P.G.E. met à disposition un formulaire de demande.
Le Ministre, sur proposition de la S.P.G.E., fixe le montant du droit de dossier visé à l'article D.227quater, § 2.
Au 1er janvier de chaque année, le montant du droit de dossier est automatiquement et de plein droit indexé sur la base de l'indice des prix à la consommation en vigueur six semaines avant la date de l'indexation.
§ 2. La demande comporte les indications suivantes :
les nom, adresse et profession du demandeur ;
s'il s'agit d'une personne physique, l'attestation de réussite de la formation visée à l'article R.307bis-22 ;
s'il s'agit d'une personne morale, le numéro d'entreprise ;
s'il s'agit d'une personne morale, une copie de la convention qui lie le demandeur à une ou à plusieurs personnes physiques remplissant les conditions visées à l'article R.307bis-22 et une copie de la décision d'agrément de cette ou de ces personnes physiques ;
une preuve que la personne remplit une des conditions visées à l'article R.307bis-22, § 1er ;
la preuve du paiement à la S.P.G.E. des frais de dossier spécifiés au paragraphe 1er.]1

Art. R307 bis-24. [1 De S.P.G.E. bezorgt de aanvrager van de erkenning binnen de vijftien werkdagen een bewijs van ontvangst van de aanvraag. De S.P.G.E. erkent kandidaten die voldoen aan de voorwaarden vastgelegd in artikel D.227quater, § 2, en R.307bis-22, § 3, binnen de dertig werkdagen na het bewijs van ontvangst van de aanvraag.
De erkenningsbeslissing vermeldt:
het erkenningsnummer;
als het een rechtspersoon betreft, het erkenningsnummer van de certificeerders-natuurlijke personen die deel uitmaken van het personeel van de rechtspersoon.
De kennisgeving van de beslissing dient de modaliteiten voor de toegang tot de in toepassing van artikel D.227quinquies te gebruiken databank te vermelden.
De lijst met erkende certificeerders wordt gepubliceerd op de Waalse portaalsite van Leefmilieu en op de website van de S.P.G.E.]1

Art. R307 bis-24. [1 La S.P.G.E. délivre au demandeur d'agrément un accusé de réception de la demande endéans les quinze jours ouvrables. La S.P.G.E. agrée les candidats qui remplissent les conditions définies à l'article D.227quater, § 2, et R.307bis-22, § 3, endéans les trente jours ouvrables à dater de l'accusé de réception de la demande.
La décision d'agrément mentionne :
le numéro d'agrément ;
s'il s'agit d'une personne morale, le numéro d'agrément des certificateurs personnes physiques qui font partie du personnel de la personne morale.
La notification de la décision précise les modalités d'accès à la base de données à utiliser en application de l'article D.227quinquies.
La liste des certificateurs agréés est publiée sur le Portail environnement de Wallonie et sur le site internet de la S.P.G.E.]1

Onderafdeling 3. [1 - Opleiding door erkende centra]1
Sous-section 3. [1 - Formation par des centres agréés]1
Art. R307 bis-25. [1 De erkende centra gebruiken het opleidingsmateriaal dat de S.P.G.E. hen ter beschikking stelt.
De erkende centra delen de S.P.G.E. minstens vijftien dagen voor de aanvang van de lessen en examens de hiervoor geplande data mee.
De opleidingen en examen kunnen bijgewoond worden door vertegenwoordigers van de administratie Leefmilieu en van de S.P.G.E., die het goede verloop ervan echter niet mogen belemmeren.]1

Art. R307 bis-25. [1 Les centres agréés utilisent les supports de formation mis à leur disposition par la S.P.G.E.
Les centres agréés communiquent à la S.P.G.E., au moins quinze jours avant le début des cours et examens, les dates prévues pour ceux-ci.
Des représentants de l'Administration de l'Environnement et de la S.P.G.E. peuvent assister aux formations et aux examens sans toutefois interférer dans le bon déroulement de ceux-ci.]1

Art. R307 bis-26. [1 § 1. De erkende opleidingscentra overhandigen de kandidaten die de volledige opleiding gevolgd hebben binnen de vijftien dagen na het examen een aanwezigheidsattest waarop de examenresultaten vermeld staan.
Na een opleidings- of examensessie wordt binnen de dertig dagen een verslag over de opleidings- of examensessie overgemaakt aan de S.P.G.E. en de administratie Leefmilieu.
Dit verslag wordt ondertekend door een verantwoordelijke van het erkend opleidingscentrum.
§ 2. Het verslag bevat minstens de volgende elementen:
de lijst van kandidaten die deelgenomen hebben aan de opleidingen en desgevallend slaagden voor het examen, met vermelding van de naam en het adres van elk van hen;
de lijst van de juryleden die de examens hebben bijgewoond;
de resultaten die de kandidaten behaalden voor de verschillende onderdelen van het examen en het rekenkundig gemiddelde van de verschillende proeven.]1

Art. R307 bis-26. [1 § 1er. Les centres de formation agréés remettent aux candidats qui ont suivi l'ensemble de la formation, dans les quinze jours suivant l'examen, une attestation de suivi de la formation mentionnant les résultats obtenus à l'examen.
Dans les trente jours suivant une session de formation ou d'examen, un rapport sur la session de formation ou d'examen est transmis à la S.P.G.E. et l'Administration de l'Environnement.
Le rapport est signé par un responsable du centre agréé de formation.
§ 2. Le rapport contient au moins les éléments suivants :
la liste des candidats ayant assisté aux formations et, le cas échéant, réussi l'examen, avec pour chacun d'eux le nom et l'adresse ;
la liste des membres du jury ayant assisté aux examens ;
les notes obtenues par les candidats aux différentes parties de l'examen et la moyenne calculée des différentes épreuves.]1

Art. R307 bis-27. [1 De permanente opleidingen waarvan sprake in artikel D.227quater, § 2, eerste lid, 8°, worden ingericht door de erkende centra vermeld in artikel D.227quater, § 3.
De minister bepaalt de duur, de uitvoeringsmodaliteiten, de modaliteiten voor de organisatie van de opleidingen en de frequentie waarmee een erkend certificeerder permanente opleidingen dient te volgen.]1

Art. R307 bis-27. [1 Les formations continues visées à l'article D.227quater, § 2, alinéa 1er, 8°, sont organisées par les centres agréés visés à l'article D.227quater, § 3.
Le Ministre précise la durée, les modalités d'application et d'organisation des formations, ainsi que la fréquence à laquelle le certificateur agréé suit les formations continues. ]1

Onderafdeling 4. [1 - Erkenning van opleidingscentra]1
Sous-section 4. [1 - Agrément des centres de formation]1
Art. R307 bis-28. [1 § 1. De aanvraag om erkend te worden als opleidingscentrum voor CertIBEau-certificeerders moet gericht worden aan de S.P.G.E. via een van de communicatiemethoden vermeld in artikel R.307bis-13. De S.P.G.E. stelt een aanvraagformulier ter beschikking.
De aanvraag vermeldt het volgende:
de identificatie van het centrum en de contactgegevens van de persoon of personen die het vertegenwoordigen, met hun handtekening;
de identificatie van de door de centra aangestelde personeelsleden, met hun erkenningsnummer en hun handtekening.
De S.P.G.E. bezorgt de aanvrager van de erkenning een bewijs van ontvangst van de aanvraag.
§ 2. De S.P.G.E. erkent centra die voldoen aan de voorwaarden vastgelegd in artikel D.227quater, § 3, met vermelding van hun erkenningsnummer.
De lijst met erkende opleidingscentra wordt gepubliceerd op de Waalse portaalsite van Leefmilieu en op de website van de S.P.G.E.]1

Art. R307 bis-28. [1 § 1er. La demande d'agrément en qualité de centre de formation de certificateurs CertIBEau est adressée à la S.P.G.E. selon l'un des modes de communication visés à l'article R.307bis-13. La S.P.G.E. met à disposition un formulaire de demande.
La demande comporte les indications suivantes :
l'identification du centre et les coordonnées de la ou des personnes qui le représentent, ainsi que sa ou leur signature ;
l'identification des membres du personnel enseignant désignés par les centres, leur numéro d'agrément et leurs signatures.
La S.P.G.E. délivre au demandeur d'agrément un accusé de réception de la demande.
§ 2. La S.P.G.E. agrée les centres qui remplissent les conditions définies à l'article D.227quater, § 3, en mentionnant son numéro d'agrément.
La liste des centres de formation agréés est publiée sur le Portail environnement de Wallonie et sur le site internet de la S.P.G.E.]1

Onderafdeling 5. [1 - Controle van de certificeerders en van de opleidingscentra]1
Sous-section 5. [1 - Contrôle des certificateurs et des centres de formation]1
Art. R307 bis-29. [1 De controle van de kwaliteit van de rapporten van de certificeerders, zoals bedoeld in artikel D.227quater, § 5, gebeurt door de bevoegde saneringsinstellingen en waterdistributeurs die zelf over een erkenning als certificeerder beschikken.
Deze controleopdracht wordt uitgevoerd op verzoek van de S.P.G.E., in het kader van een herkeuring, waarvan de modaliteiten vastgelegd worden in artikel R.307bis-18.
De controle bestaat eruit na te gaan of:
de ingezamelde informatie voor heel het bebouwd onroerend goed geldig is;
de in het CertIBEau verstrekte informatie overeenkomt met de informatie die ter plaatse, in het gecertificeerd onroerend goed, bekomen werd;
de conclusies in het CertIBEau, met inbegrip van de verstrekte aanbevelingen, geldig zijn.
De bevoegde saneringsinstelling of de waterdistributeur die de controle heeft uitgevoerd, deelt zijn of haar conclusies mee aan de S.P.G.E. De S.P.G.E. brengt de betrokken certificeerder op de hoogte.]1

Art. R307 bis-29. [1 La mission de contrôle de la qualité des rapports des certificateurs visée à l'article D.227quater, § 5, est exercée par les organismes d'assainissement compétents et les distributeurs d'eau disposant eux-mêmes de l'agrément de certificateur.
Cette mission de contrôle est réalisée à la demande de la S.P.G.E. dans le cadre d'une contre-visite dont les modalités sont prévues à l'article R.307bis-18.
Le contrôle consiste à vérifier :
la validité des informations recueillies sur l'immeuble bâti concerné ;
la concordance entre les informations fournies dans le CertIBEau et celles vérifiées sur place de l'immeuble certifié ;
la validité des conclusions, en ce compris les recommandations, émises dans le CertIBEau.
L'organisme d'assainissement compétent ou le distributeur d'eau qui a réalisé le contrôle informe la S.P.G.E. des conclusions du contrôle. La S.P.G.E. en informe le certificateur concerné.]1

Onderafdeling 6. [1 - Schorsing of intrekking van de erkenning van erkende certificeerders]1
Sous-section 6. [1 - Suspension ou retrait d'agrément des certificateurs agréés]1
Art. R307 bis-30. [1 § 1. De S.P.G.E. stelt een erkend certificeerder in kennis van zijn intentie om diens erkenning te schorsen of in te trekken via een van de communicatiemethoden vermeld in artikel R.307bis-13.
De kennisgeving vermeldt:
de motieven die de overwogen maatregel rechtvaardigen;
dat de houder van de certificering over de mogelijkheid beschikt om zijn verweermiddelen binnen de vijftien dagen na ontvangst van deze mededeling over te maken via een van de communicatiemethoden vermeld in artikel R.307bis-13;
de datum waarop het gehoor van de certificeerder zal plaatsvinden.
Het proces-verbaal van verhoor wordt binnen de twintig dagen na de hoorzitting door de S.P.G.E. overgemaakt aan de erkende certificeerder, via een van de communicatiemethoden vermeld in artikel R.307bis-13.
§ 2. Als zijn erkenning wordt geschorst of ingetrokken, dient de certificeerder onverwijld alle personen met wie er lopende contracten zijn met betrekking tot de opstelling van een CertIBEau op de hoogte te brengen.
§ 3. De S.P.G.E. stelt de certificeerder via een van de communicatiemethoden vermeld in artikel R.307bis-13 in kennis van de opheffing van de schorsing binnen de dertig dagen nadat deze laatste zijn verplichtingen is nagekomen.]1

Art. R307 bis-30. [1 § 1er. L'intention de suspendre ou de retirer l'agrément d'un certificateur agréé lui est notifiée par la S.P.G.E. selon l'un des modes de communication visés à l'article R.307bis-13.
La notification précise :
les motifs qui justifient la mesure envisagée ;
que le titulaire de la certification a la possibilité d'envoyer, selon l'un des modes de communication visés à l'article R.307bis-13, ses éléments de défense, dans un délai de quinze jours à compter de la réception de cette information ;
la date à laquelle il est procédé à l'audition du certificateur.
Le procès-verbal de l'audition est notifié, par la S.P.G.E., au certificateur agréé dans les vingt jours de l'audition, selon l'un des modes de communication visés à l'article R.307bis-13.
§ 2. Lorsque son agrément lui est suspendu ou retiré, le certificateur avertit, sans délai, toutes les personnes avec lesquelles des contrats en vue de l'établissement d'un CertIBEau sont en cours d'exécution.
§ 3. La levée de la suspension est notifiée par la S.P.G.E. selon l'un des modes de communication visés à l'article R.307bis-13 dans les trente jours après que certificateur ait satisfait à ses obligations.]1

Onderafdeling 7. [1 - Intrekking van de erkenning van erkende opleidingscentra]1
Sous-section 7. [1 - Retrait d'agrément des centres de formation agréés]1
Art. R307 bis-31. [1 § 1. De S.P.G.E. stelt een opleidingscentrum in kennis van zijn intentie om de erkenning of in te trekken via een van de communicatiemethoden vermeld in artikel R.307bis-13.
De kennisgeving vermeldt:
de motieven die de overwogen maatregel rechtvaardigen;
dat de houder van de erkenning over de mogelijkheid beschikt om zijn verweermiddelen binnen de vijftien dagen na ontvangst van deze mededeling over te maken via een van de communicatiemethoden vermeld in artikel R.307bis-13;
de datum waarop het gehoor van het opleidingscentrum zal plaatsvinden.
Het proces-verbaal van verhoor wordt binnen de twintig dagen na de hoorzitting door de S.P.G.E. overgemaakt aan opleidingscentrum, via een van de communicatiemethoden vermeld in artikel R.307bis-13.
§ 2. Als zijn erkenning wordt ingetrokken, brengt het erkend opleidingscentrum onverwijld alle personen die ingeschreven waren om er een opleiding te volgen op de hoogte.]1

Art. R307 bis-31. [1 § 1er. L'intention de retirer l'agrément d'un centre de formation lui est notifiée par la S.P.G.E. selon l'un des modes de communication visés à l'article R.307bis-13.
La notification précise :
les motifs qui justifient la mesure envisagée ;
que le titulaire de l'agrément a la possibilité d'envoyer, selon l'un des modes de communication visés à l'article R.307bis-13, ses éléments de défense, dans un délai de quinze jours à compter de la réception de cette formation ;
la date à laquelle il est procédé à l'audition du centre de formation.
Le procès-verbal de l'audition est notifié, par la S.P.G.E., au centre de formation agréé dans les vingt jours de l'audition, selon l'un des modes de communication visés à l'article R.307bis-13.
§ 2. Lorsque son agrément lui est suspendu ou retiré, le centre de formation agréé avertit, sans délai, toutes les personnes inscrites auprès de lui pour suivre une formation.]1

Onderafdeling 8. [1 - Beroepsmogelijkheden]1
Sous-section 8. [1 - Recours]1
Art. R307 bis-32. [1 § 1. Aanvragers van een erkenning als CertIBEau-certificeerder kunnen bij de minister beroep indienen tegen de beslissing tot weigering van de erkenning.
Certificeerders of opleidingscentra kunnen bij de minister beroep indienen tegen een beslissing tot schorsing of weigering van de erkenning. Het beroep is niet schorsend.
§ 2. Iedereen die een beslissing tot erkenning als CertIBEau-certificeerder betwist, kan bij de minister een beroep indienen.
§ 3. De eigenaar van een bebouwd onroerend goed waarvoor een CertIBEau is opgesteld, kan bij de minister een beroep indienen tegen een beslissing tot weigering van aansluiting op het openbaar waterdistributienet of tegen een certificering die melding maakt van een of meerdere niet-conformiteiten.
§ 4. Het beroep dient, op straffe van onontvankelijkheid, binnen een termijn van twintig dagen na ontvangst van de beslissing aan de minister overgemaakt te worden, via een van de communicatiemethoden vermeld in artikel R.307bis-13.
De minister bezorgt de verzoeker een ontvangstbewijs.
§ 5. De minister maakt zijn beslissing binnen de dertig dagen na ontvangst van het beroep over via een van de communicatiemethoden vermeld in artikel R.307bis-13.]1

Art. R307 bis-32. [1 § 1er. Le demandeur d'agrément en qualité de certificateur CertIBEau peut introduire un recours auprès du Ministre contre une décision de refus d'agrément.
Le certificateur ou le centre de formation peut introduire un recours auprès du Ministre, contre une décision de suspension ou de retrait d'agrément. Le recours n'est pas suspensif.
§ 2. Toute personne contestant une décision d'octroi d'agrément en qualité de certificateur CertIBEau peut introduire un recours auprès du Ministre.
§ 3. Le propriétaire d'un immeuble bâti pour lequel un CertIBEau est établi peut introduire un recours auprès du Ministre, contre une décision de refus de raccordement à la distribution publique d'eau ou contre une certification faisant état d'une ou plusieurs non-conformités.
§ 4. Sous peine d'irrecevabilité, le recours est adressé au Ministre selon l'un des modes de communication visés à l'article R.307bis-13, dans un délai de vingt jours à dater de la réception de la décision.
Le Ministre envoie un accusé de réception au requérant.
§ 5. Le Ministre envoie sa décision dans un délai de trente jours ouvrables à dater de la réception du recours, selon l'un des modes de communication visés à l'article R.307bis-13.]1

Afdeling 8. [1 - Tarief van het CertIBEau]1
Section 8. [1 - Tarif du CertIBEau]1
Art. R307 bis-33. [1 Het bedrag van de retributie waarvan sprake in artikel D.227ter, § 8, bedraagt op 1 januari 2021 vijfentwintig euro per CertIBEau.
Dit bedrag wordt geïnd door de certificeerder en wordt binnen de 15 kalenderdagen na registratie van het certificaat op het computerplatform vermeld in artikel R.370bid-21 doorgestort aan de S.P.G.E.
Het bedrag van de retributie wordt jaarlijks herzien door de minister, op voorstel van de S.P.G.E., op basis van het aantal de voorbije jaren afgeleverde CertIBEau en een raming voor de komende jaren.]1

Art. R307 bis-33. [1 Le montant de la redevance visée à l'article D.227ter, § 8, s'élève à vingt-cinq euros par CertIBEau au 1er janvier 2021.
Ce montant, perçu par le certificateur, est rétrocédé à la S.P.G.E. dans les 15 jours calendrier du transmis de la certification sur la plateforme informatique visé à l'article R.307bis-21.
Le montant de la redevance est revu annuellement par le Ministre sur proposition de la S.P.G.E., sur la base du nombre de CertIBEau délivrés les années précédentes et d'une estimation pour les années à venir.]1

TITEL II. - Financiering van het beheer van de anthropische watercyclus.
TITRE II. - Financement de la gestion du cycle anthropique de l'eau.
HOOFDSTUK I. - Begripsomschrijvingen.
CHAPITRE Ier. - Définitions.
Art. R308. § 1. Voor de toepassing van deze titel dient te worden verstaan onder :
" besluiten ter uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning " : besluiten betreffende de integrale en sectorale voorwaarden die van toepassing op de individuele zuiveringssystemen;
" camping-caravaning " : het gebruik voor de huisvesting door andere personen dan woonwagenbewoners en nomaden die als zodanig handelen, van één der volgende onderdak verschaffende verplaatsbare objecten : tent, toercaravan, stacaravan zonder verdieping, camper of elk ander analoog object die niet ontworpen zijn om voor permanente bewoning te dienen;
" [1 comité van deskundigen voor de autonome zuivering]1 " : het comité van deskundigen belast met de behandeling van de dossiers betreffende de erkenning van individuele zuiveringssystemen;
" verbruiker met betalingsmoeilijkheden " : de verbruiker vermeld op de in artikel 318 bedoelde lijst, overgemaakt door de leverancier aan het ocmw wegens het feit dat de verbruiker na afloop van de aanmaningstermijn niet in staat is zijn leidingwaterfactuur geheel of gedeeltelijk te betalen;
[1 4°bis "het departement" : het Departement Leefmilieu en Water van het Operationele Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu;]1
" uitgaven inzake tegemoetkoming " : de uitgaven betreffende de financiële tegemoetkoming ten gunste van de verbruikers die moeilijkheden ondervinden om hun waterfactuur te betalen;
" uitgaven betreffende de werking van de ocmw's " : de uitgaven betreffende de kosten voor de werking, de administratieve en personeelskosten van de ocmw's bij het beheren van de dossiers die onder het Sociaal waterfonds ressorteren;
" uitgaven inzake technische verbeteringen " : de tussenkomsten van de leveranciers in het kader van de technische verbeteringen van de waterinstallaties van de verbruikers die in aanmerking komen voor de financiële tegemoetkoming in de betaling van hun waterfactuur;
" uitgaven betreffende de werking van de " SPGE " " : de uitgaven voor het beheer van het Sociaal waterfonds;
" dierlijke meststoffen " : mest, aalt en gier;
10° " inwonerequivalent ", afgekort, " IE " : vuilvrachteenheid die een biologisch afbreekbare organische belasting met een biochemisch zuurstofverbruik over vijf dagen (BZV5) van 60 g zuurstof per dag vertegenwoordigt;
11° " waterfactuur " : de factuur betreffende de dienstverstrekking inzake levering van distributiewater, in voorkomend geval vermeerderd met de kosten voor rappels en aanmaningen en met de verwijlinteresten;
12° " mest " : vermenging van stalstro, urine en dierlijke uitwerpselen;
13° " woning " : vaste installatie in de zin van artikel 84, § 1, van het Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium die stedelijk afvalwater loost;
[1 13°bis "installateur" : onderneming opgericht als natuurlijke of rechtspersoon verantwoordelijk voor de goede uitvoering van de werken voor de installatie en de inbedrijfname van een individueel zuiveringssysteem;]1
14° " aalt " : de zuivere uitwerpselen en urine;
15° " algemeen gemeentelijk afwateringsplan " : het algemeen gemeentelijk afwateringsplan goedgekeurd door de Minister ter uitvoering van het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 19 september 1991 tot vaststelling van de regelen voor de inrichting en de uitwerking van de algemene gemeentelijke afwateringsplannen;
16° [1 saneringsplan per onderstroomgebied of afgekort P.A.S.H." : werktuig voor de planning en de cartografische voorstelling van de sanering per onderstroomgebied;]1
17° " gier " : uitsluitend urine of het vocht dat eventueel uit mest sijpelt;
18° " individueel zuiveringssysteem " : individuele zuiveringseenheid, individuele zuiveringsinstallatie of individueel zuiveringsstation die de zuivering van huishoudelijk afvalwater geloosd door een woning of een groep woningen mogelijk maakt [1 ...]1 in de voorwaarden bepaald bij de besluiten getroffen ter uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning;
[1 18°bis "het extensief systeem" : het individueel zuiveringssysteem tot inschakeling, voor de biologische behandeling van afvalwater, van een deel of het geheel van de beschadigingsprocessen die natuurlijk aanwezig zijn in een ecosysteem zonder het gebruik van een andere elektromechanische uitrusting dan de opvoer van het afvalwater of van het gezuiverd water indien nodig;]1
[1 18°ter "het intensief systeem" : het individueel zuiveringssysteem waarvan de biologische behandeling van afvalwater, met inschakeling van een deel of het geheel van de beschadigingsprocessen die natuurlijk aanwezig zijn, wordt versterkt door een elektromechanische uitrusting die de beschadiging van de organische stoffen op kleine oppervlakten of beperkte volumes mogelijk maakt;]1
19° " belasting " : de belasting op lozingen van industrieel en huishoudelijk afvalwater;
20° " kampeer- en caravaningterrein " : het terrein dat gebruikelijk of occasioneel bestemd is voor het beoefenen van camping-caravaning door meer dan tien personen tegelijk of waarop meer dan drie onder 2° vernoemde objecten opgesteld staan.
Art. R308. § 1er. Pour l'application du présent titre, il faut entendre par :
" arrêtés pris en exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement " : arrêtés relatifs aux conditions intégrales et sectorielles applicables aux systèmes d'épuration individuelle;
" camping-caravaning " : l'utilisation comme moyen d'hébergement, par d'autres personnes que des forains ou des nomades agissant comme tels, de l'un des abris mobiles suivants : tente, caravane routière, caravane de type résidentiel sans étage, motor-home ou tout autre abris analogue, non conçus pour servir d'habitation permanente;
" [1 comité d'experts pour l'assainissement autonome]1 " : le comité d'experts chargé de l'examen des dossiers d'agrément des systèmes d'épuration individuelle;
" consommateur en difficulté de paiement " : le consommateur repris dans la liste visée à l'article 318, transmise par le distributeur au CPAS en raison du fait qu'à l'expiration du délai de mise en demeure, il se trouve en défaut de paiement de tout ou partie de sa facture d'eau de distribution;
[1 4°bis "le département" : le Département de l'Environnement et de l'Eau de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement;]1
" dépenses d'intervention " : les dépenses relatives à l'intervention financière en faveur des consommateurs en difficulté de paiement de leur facture d'eau;
" dépenses de fonctionnement des CPAS " : les dépenses relatives aux frais de fonctionnement, aux frais administratifs et de personnel, encourus par les CPAS intervenant dans la gestion des dossiers émargeant du fonds social de l'eau;
" dépenses d'améliorations techniques " : les interventions des distributeurs réalisées dans le cadre des améliorations techniques des installations d'eau des consommateurs bénéficiaires de l'intervention financière dans le paiement de leur facture d'eau;
" dépenses de fonctionnement de la SPGE " : les dépenses de gestion du fonds social de l'eau;
" effluents d'élevage " : le fumier, le lisier et le purin;
10° " équivalent-habitant " ou en abrégé " EH " : unité de charge polluante représentant la charge organique biodégradable caractérisée par une demande biochimique d'oxygène en cinq jours (DBO5) de 60 grammes par jour;
11° " facture d'eau " : la facture relative à la prestation de service de fourniture d'eau de distribution majorée, le cas échéant, des frais de rappels ou de mise en demeure et des intérêts de retard;
12° " fumier " : le mélange de litière, d'urine et d'excréments d'animaux;
13° " habitation " : installation fixe au sens de l'article 84, § 1er, du CWATUP et rejetant des eaux urbaines résiduaires;
[1 13°bis "installateur" : entreprise constituée en personne physique ou morale responsable de la bonne exécution des travaux d'installation et de la mise en service d'un système d'épuration individuelle;]1
14° " lisier " : les excréments et urines purs;
15° " plan communal général d'égouttage " : le plan communal général d'égouttage approuvé par le Ministre en application de l'arrêté de l'Exécutif régional wallon du 19 septembre 1991 fixant les règles de présentation et d'élaboration des plans communaux généraux d'égouttage;
16°[1 "plan d'assainissement par sous-bassin hydrographique ou en abrégé P.A.S.H." : outil de planification et de représentation cartographique de l'assainissement par sous-bassin hydrographique;]1
17° " purin " : les urines seules ou les jus éventuels s'écoulant des fumiers;
18° " système d'épuration individuelle " : unité, installation ou station d'épuration individuelle comprenant l'équipement permettant l'épuration des eaux usées domestiques rejetées par une habitation ou un groupe d'habitations [1 ...]1 dans les conditions définies par les arrêtés pris en exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement;
[1 18°bis "le système extensif" : le système d'épuration individuelle faisant intervenir, pour le traitement biologique des eaux usées, tout ou partie des processus de dégradation présents naturellement dans un écosystème sans utilisation d'équipement électromécanique autre qu'un relevage des eaux usées ou des eaux épurées si nécessaire;]1
[1 18°ter "le système intensif" : le système d'épuration individuelle dont le traitement biologique des eaux usées, faisant intervenir tout ou partie des processus de dégradation présents naturellement, est intensifié par un équipement électromécanique permettant la dégradation de la matière organique sur des surfaces réduites ou dans des volumes restreints;]1
19° " taxe " : la taxe sur le déversement des eaux usées industrielles et domestiques;
20° " terrain de camping-caravaning " : le terrain utilisé d'une manière habituelle ou occasionnelle pour la pratique du camping-caravaning par plus de 10 personnes en même temps ou occupé par plus de 3 abris définis au 2°.
HOOFDSTUK Ibis. - Gestandardiseerd boekhoudplan van de watersector in het Waalse gewest.
CHAPITRE Ierbis. - Plan comptable uniformisé du secteur de l'eau en Région wallonne.
Afdeling I. - Begripsomschrijvingen.
Section Ire. - Définitions.
Art. R308 bis.<INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> In de zin van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
- waterwetboek : boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, gecoördineerd op 3 maart 2005;
- producent : de houder van één of meer grondwaterwinningen in het Waalse Gewest;
- evaluatieregels : regels die gelden voor de evaluaties van de inventaris, bedoeld in artikel 9, § 1, van de wet 17 juli 1975 betreffende de boekhouding van de ondernemingen en, onder meer, voor de vorming en de aanpassing van afschrijvingen, waardeverminderingen, voorzieningen voor risico's en kosten evenals voor de herwaarderingen;
- koninklijk besluit van 30 januari 2001 : koninklijk besluit tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen;
- watervoorzieningsnetwerk : geheel van watervoorzieningsinstallaties waarvan de geografische zones met maximum één enkel deelstroomgebied zijn gelijkgesteld;
- omzet : bedrag van de verkopen en de verlening van diensten aan derden, in het kader van de gebruikelijke bedrijfsuitoefening, na aftrek van de commerciële kortingen op de verkopen (teruggaven, reducties en prijsafslagen);
- bedrijfsinvesteringen : vaste activa eigen aan elke activiteit buiten de activa bestemd voor functionele diensten die in het algemeen gemeenschappelijk zijn voor productie- en distributieactiviteiten;
- exploitatiepersoneel : personeel bestemd voor de exploitatie tegenover het personeel van de functionele diensten werkend voor de productie- en distributieactiviteiten;
- gemeentedienst : gemeentedienst verantwoordelijk voor de waterproductie en/of de watervoorziening en met een geïntegreerd beheer in de gemeente;
- nieuwe gemeentelijke comptabiliteit : koninklijk besluit van 2 augustus 1990 houdende het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit;
- productie-eenheid : geheel van werken die horen bij eenzelfde productiecyclus die, voor eenzelfde grondwaterwinningsgebied, verschillende fasen van de bescherming van de waterwinning, wateraansluitpunten, waterbehandeling, eerste onderdrukzetting, opslagwerken en andere bestanddelen (interne toevoerleidingen, ...) verenigen;
- transportleiding : geheel van werken met toevoerleidingen en andere transportdelen (overdrukstation, watertoren, ...) - inbegrepen de beveiligingselementen van het watervoorzieningsnet.
[1 - Percentage van oninvorderbare: de verhouding, enerzijds, tussen de som van de netto dotaties aan de voorzieningen voor waardeverminderingen op vorderingen van waterverkoop en van de vorderingen die overgaan naar oninvorderbare tijdens datzelfde jaar en, anderzijds, het omzetcijfer "waterfactuur" van het jaar (CVD "werkelijke kostprijs bij de distributie", RKS "Reële Kostprijs Sanering", Sociaal fonds, huur van de teller)]1
Art. R308 bis. Au sens du présent chapitre, il faut entendre par :
- Code de l'eau : livre II du Code de l'environnement constituant le Code de l'eau, coordonné le 3 mars 2005;
- producteur : titulaire d'une ou plusieurs prises d'eau en Région wallonne;
- règles d'évaluation : règles qui président aux évaluations dans l'inventaire prévu à l'article 9, § 1er, de la loi du 17 juillet 1975 relative à la comptabilité des entreprises et, notamment, aux constitutions et ajustements d'amortissements, de réductions de valeur et de provisions pour risques et charges ainsi qu'aux réévaluations;
- arrêté royal du 30 janvier 2001 : arrête royal portant exécution du Code des sociétés;
- réseau de distribution : ensemble d'installations de distribution d'eau dont les limites géographiques sont assimilées au maximum à un et un seul sous-bassin;
- chiffre d'affaires : montant des ventes et des prestations de services à des tiers, relevant de l'activité habituelle de la société, déduction faite des réductions commerciales sur ventes (remises, ristournes et rabais);
- investissements d'exploitation : actifs immobilisés propres à chaque activité et ne comprenant pas les actifs affectés aux services fonctionnels généralement communs aux activités de production et de distribution;
- personnel d'exploitation : personnel affecté à l'exploitation par opposition au personnel des services fonctionnels travaillant pour les activités de production et de distribution;
- service communal : service communal responsable de la production et/ou de la distribution de l'eau et à gestion intégrée au sein de la commune;
- nouvelle comptabilité communale : arrêté royal du 2 août 1990 portant le règlement général de la comptabilité communale;
- unité de production : ensemble d'ouvrages qui appartiennent à un même cycle de production, qui regroupe pour une même zone de site(s) de captage(s) les différentes phases de protection des captages, prise d'eau, traitement de l'eau, première mise en pression, ouvrage de stockages et autres éléments (conduites d'adduction internes,...);
- ligne de transport : ensemble d'ouvrages comprenant les conduites d'adduction et autres éléments de transport (station de surpression, château d'eau,...) - y compris les éléments de sécurisation du réseau d'adduction.
[1 - Taux d'irrécouvrables : le rapport entre, d'une part, la somme des dotations nettes aux provisions pour réductions de valeur sur créances de vente d'eau et des créances passées en irrécouvrables au cours de cette même année et, d'autre part, le chiffre d'affaires "facture d'eau" de l'année (CVD, CVA, Fonds social, location de compteur).]1
Afdeling 2. - Algemene beginselen.
Section 2. - Principes généraux.
Art. R308 bis1. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Het gestandaardiseerde boekhoudplan van de watersector in het Waalse Gewest beoogt de door waterverdelers en -producenten toepasbare regels vast te stellen, om de reële kostprijs van de distributie (CVD, Franse afkorting) van het water in het Waalse Gewest, zoals bepaald in artikel 228 van het decreet gevende deel te bepalen. Het boekhoudplan is toepasbaar vanaf 1 januari 2006.
Art. R308 bis1. Le plan comptable uniformisé du secteur de l'eau en Région wallonne vise à dresser les règles applicables par les distributeurs et les producteurs d'eau pour déterminer le coût-vérité à la distribution (CVD) de l'eau en Région wallonne, tel que défini par l'article 228 de la partie décrétale. Le plan comptable est applicable à partir du 1er janvier 2006.
Art. R308 bis2. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Dit hoofdstuk omschrijft de toepasbare regels voor de uitwerking van een boekhoudplan " Producent " en van een boekhoudplan " Verdeler " door het geheel van operatoren die een openbare waterproductie- en/of -distributieactiviteit hebben.
Art. R308 bis2. Le présent chapitre définit les règles applicables à l'élaboration d'un plan comptable " Producteur " et d'un plan comptable " Distributeur " par l'ensemble des opérateurs ayant une activité de production et/ou de distribution publique d'eau.
Art. R308 bis3. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 2; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Het einde van de productieactiviteit wordt vastgesteld plaats op de hoofdmeter van de distributie en valt samen met het begin van het distributienet.
Art. R308 bis3. La fin de l'activité de production s'établit au compteur de tête de la distribution et coïncide avec le début d'un réseau de distribution.
Art. R308 bis4. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> De kosten die gemeen zijn aan de productie en de distributie worden opgedeeld tussen beide activiteiten op basis van een algemene verdeelsleutel bepaald vanaf de volgende gewogen parameters :
- omzet 25 %;
- bedrijfsinvesteringen (in netto-waarde) 15 %;
- door het rechtstreekse bedrijfspersoneel gepresteerde uren 60 %.
Art. R308 bis4. Les frais communs à l'activité de production et de distribution sont alloués entre les deux activités sur base d'une clé d'allocation générale déterminée à partir des paramètres pondérés suivants :
- chiffre d'affaires 25 %;
- investissements d'exploitation (en valeur nette) 15 %;
- temps presté par le personnel direct d'exploitation 60 %.
Afdeling 3. - Boekhoudplan van de Watersector " Producent ".
Section 3. - Plan comptable de l'eau " Producteur ".
Onderafdeling 1. - Algemene beginselen.
Sous-section 1re. - Principes généraux.
Art. R308 bis5. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> § 1. Elke producent in het Waalse Gewest maakt jaarlijks een exploitatierekening per productie-eenheid en per transportleiding op alsook een samenvattende exploitatierekening " Productie " overeenkomstig de voorschriften opgenomen in onderafdelingen 2, 3 en 4 van deze afdeling.
§ 2. Deze afdeling is niet toepasselijk op de gemeentediensten die optreden als producer binnen een gemeente met uitzondering van de bepalingen bedoeld in afdeling 5 van dit hoofdstuk.
Art. R308 bis5. § 1er. Chaque producteur en Région wallonne établit annuellement un compte d'exploitation par unité de production et par ligne de transport ainsi qu'un compte d'exploitation récapitulatif de la " Production " conformément aux dispositions contenues aux sous-sections 2, 3 et 4 de la présente section.
§ 2. La présente section n'est pas applicable aux services communaux qui opèrent comme producteur à l'intérieur d'une commune, à l'exception des dispositions prévues à la section 5 du présent chapitre.
Onderafdeling 2- Evaluatieregels.
Sous-section 2. - Règles d'évaluation.
Art. R308 bis6. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> De evaluatieregels die het opmaken van het Boekhoudplan " Producent " beheren, vloeien voort uit de uitvoering van de vigerende reglementaire bepalingen en stemmen overeen met de regels bepaald in artikelen R308bis7 tot R308bis9 van deze onderafdeling.
Art. R308 bis6. Les règles d'évaluation qui président à l'élaboration du plan comptable " Producteur " découlent de l'application des dispositions réglementaires en vigueur et sont conformes aux règles définies aux articles R.308bis7 à R.308bis9 de la présente sous-section.
Art. R308 bis7. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> § 1. De wijze waarop de lichamelijke vaste activa worden geboekt, staat vermeld in bijlage XLIX. a bij het reglementaire deel en stemt overeen met de regels van het vigerende boekhoudrecht.
§ 2. De aflossingen van de lichamelijke vaste activa moeten systematisch berekend worden op grond van de methodes die door de vennootschap vastgesteld zijn overeenkomstig bijlage XLIX. b bij het reglementaire deel.
§ 3. De lichamelijke vaste activa worden niet systematisch gerevalueerd. De revaluatie mag enkel worden verricht op grond van de regels van het vigerende boekhoudrecht. Een bijlage wordt jaarlijks ingevuld met het bedrag van de revaluaties, de verantwoording ervan en het effect op de resultatenrekening.
§ 4. Op 1 januari 2006 zijn de in § 2 van dit artikel vastgestelde nieuwe aflossingsregels van toepassing op de vaste activa die bestaan tijdens de residuaire duur van de aflossing op de bruto activawaarde zoals vastgesteld op 31 december 2005.
Art. R308 bis7. § 1er. Le mode de comptabilisation des actifs immobilisés corporels est présenté en annexe XLIX. a de la partie réglementaire et est conforme aux prescriptions du droit comptable en vigueur.
§ 2. Les amortissements des actifs immobilisés corporels doivent être constitués systématiquement sur base des méthodes arrêtées par la société conformément à l'annexe XLIX. b de la partie réglementaire.
§ 3. Il n'est pas procédé à une réévaluation systématique des actifs immobilisés corporels. La réévaluation ne pourra se faire que sur base des règles du droit comptable en vigueur. Une annexe est complétée chaque année qui mentionne le montant des réévaluations, leur justification et l'impact sur le compte de résultats.
§ 4. Au 1er janvier 2006, les nouvelles règles d'amortissement définies au § 2 du présent article s'appliquent aux actifs immobilisés existant sur la durée résiduelle d'amortissement sur la valeur brute des actifs déterminée au 31 décembre 2005.
Art. R308 bis8. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> In de gevallen waar een operator door zijn eigen personeel werken laat uitvoeren die tot de vaste productie behoren, wordt het bedrag van de rechtstreekse kosten verhoogd met een aandeel ter dekking van onrechtstreekse kosten, die bestaan uit studie-, coördinerings- en toezichtskosten. Die kosten worden toegerekend op grond van de werkelijke prestaties van het studiebureau; ze worden verdeeld door toevoeging van een forfaitair percentage van het bedrag van de inschrijvingen (studie 7,5 %) en/of van de verwezenlijkingen (coördinatie 2 % en toezicht 5,5 %). De toepassing van die tweede methode vereist dat de operator kan bewijzen dat het totaal van de standaardkosten niet aanzienlijk afwijkt van het totaalbedrag van de werkelijke kosten. Die kosten worden geactiveerd en afgelost volgens dezelfde regels als de hoofdinvestering.
Art. R308 bis8. Dans les cas où un opérateur effectue des travaux par son personnel propre ayant la nature d'une production immobilisée, le montant des frais directs est augmenté d'une quote-part de couverture de frais indirects, représentant les frais d'études, de coordination et de surveillance. Ces frais sont imputés sur la base des prestations réelles du bureau d'études; alternativement, les frais sont répartis en ajoutant un pourcentage forfaitaire du montant des soumissions (étude 7,5 %) et/ou des réalisations (coordination 2 % et surveillance 5,5 %). L'application de cette seconde méthode requiert que l'opérateur soit en mesure de démontrer que le total des frais standards ne s'écarte pas significativement du montant total des frais réels. Ces frais sont activés et amortis selon les mêmes règles que l'investissement principal.
Art. R308 bis9. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> De gedeeltelijke of totale tegemoetkoming van de " Société publique de Gestion de l'Eau " (Openbare Maatschappij voor Waterbeheer) in het kader van de bescherming van de winningen die betrekking heeft op de verwerving van lichamelijke vaste activa, wordt door de producent geboekt in een gepaste rekening van klasse 15 " Tegemoetkoming " Société publique de Gestion de l'Eau " - bescherming van winningen " genoemd. Indien toepasselijk wordt die tegemoetkoming afgelost op hetzelfde ritme als de overeenstemmende vaste activa.
Art. R308 bis9. L'intervention partielle ou totale que la Société publique de Gestion de l'Eau réalise dans le cadre de la protection des captages et qui porte sur l'acquisition d'une immobilisation corporelle fait l'objet d'un enregistrement par le producteur dans un compte de la classe 15 ad hoc dénommé " Intervention Société publique de Gestion de l'Eau - protection des captages ". Si applicable, cette intervention est amortie au même rythme que l'actif immobilisé correspondant.
Onderafdeling 3. - Analytische exploitatierekening van een productie-eenheid en van een transportleiding.
Sous-section 3. - Compte d'exploitation analytique d'une unité de production et d'une ligne de transport.
Art. R308 bis10. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> De analytische exploitatierekening van een productie-eenheid en van een transportleiding wordt vastgesteld door de producent overeenkomstig het in artikel R308bis12 bedoelde schema. De inhoud van de posten van de exploitatierekening wordt nader bepaald in bijlage L bij het reglementaire deel.
Art. R308 bis10. Le compte d'exploitation analytique d'une unité de production et d'une ligne de transport sont établis conformément au schéma prévu à l'article R308bis12. Le contenu des postes du compte d'exploitation est défini à l'annexe L de la partie réglementaire.
Art. R308 bis11. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> De verdeelsleutel van de gemeenschappelijke kosten voor de productie-eenheden/transportleidingen is gebaseerd op de rechtstreekse kost van de productie-eenheden/transportleidingen.
Art. R308 bis11. La clé d'allocation des frais communs aux unités de production/lignes de transport se base sur le coût direct des unités de production/lignes de transport.
Art. R308 bis12. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Schema van de analytische exploitatierekening van een productie-eenheid en van een transportleiding :
Art. R308 bis12. Schéma du compte d'exploitation analytique d'une unité de production et d'une ligne de transport :
Rubrieken van de exploitatierekening
1 Technische prestaties (verdeeld in) :
1Personeel
2Reizen
3Gebruikte materialen
4Gebruik van bouwkundemachines
5Andere (facturen van derden)
2 Aankoop van ruw water
3 Aandrijvingskracht
4 Reagentia en Slib
1Reagentia
2Slib.
5 Overige rechtstreekse kosten
1Specifieke gebouwkosten
2Andere (facturen van derden)
6 Rechtstreekse aflossingen van bedrijfsinstallaties
7 Kosten van de beschermingsdienst
8 Telebeheer
9 Laboratoriumkosten
10 Structuurkosten (verdeeld in) :
1Directie
2Bestuur
3Juridische dienst
4Klanten- en invorderingsdienst
5Studies/tekeningen
6Informaticadienst
7Algemene administratieve kosten
8Andere (nader te bepalen)
11 Financiele lasten
12 Uitzonderlijke voorzieningen en lasten
1Dotaties en terugnemingen van voorzieningen
2Uitzonderlijke lasten
13 Kostenaanpassingen (+/-)
14 REELE KOSTPRIJS VAN DE PRODUCTIE-EENHEID
TRANSPORTLEIDING
(afdelingen 1 tot 13)
Rubrieken van de exploitatierekening1Technische prestaties (verdeeld in) :1Personeel2Reizen3Gebruikte materialen4Gebruik van bouwkundemachines5Andere (facturen van derden)2Aankoop van ruw water3Aandrijvingskracht4Reagentia en Slib1Reagentia2Slib.5Overige rechtstreekse kosten1Specifieke gebouwkosten2Andere (facturen van derden)6Rechtstreekse aflossingen van bedrijfsinstallaties7Kosten van de beschermingsdienst8Telebeheer9Laboratoriumkosten10Structuurkosten (verdeeld in) :1Directie2Bestuur3Juridische dienst4Klanten- en invorderingsdienst5Studies/tekeningen6Informaticadienst7Algemene administratieve kosten8Andere (nader te bepalen)11Financiele lasten12Uitzonderlijke voorzieningen en lasten1Dotaties en terugnemingen van voorzieningen2Uitzonderlijke lasten13Kostenaanpassingen (+/-)14REELE KOSTPRIJS VAN DE PRODUCTIE-EENHEIDTRANSPORTLEIDING(afdelingen 1 tot 13)
Rubriques du compte d`exploitation
1 Prestations techniques (ventilées en) :
1Personnel
2Déplacement
3Matériaux mis en oeuvre
4Utilisation engins génie civil
5Autres (factures de tiers)
2 Achats d`Eau brute
3 Force motrice
4 Réactifs et Boues
1Réactifs
2Boues
5 Autres frais directs
1Frais bâtiments spécifiques
2Autres (factures de tiers)
6 Amortissements directs des installations d`exploitation
7 Coût du service de protection
8 Télégestion
9 Frais de laboratoire
10 Frais de structure (ventile en) :
1Direction
2Administration
3Service juridique
4Service clientèle & recouvrement
5Etudes/dessins
6Service informatique
7Frais Généraux Administratifs
8autres (a préciser)
11 Charges financières
12 Provisions & charges exceptionnelles
1Dotations et reprises de provisions
2Charges exceptionnelles
13 Ajustements des coûts (+/-)
14 COUT-VERITE DE L`UNITE DE PRODUCTION
LIGNE DE TRANSPORT
(sections 1re a 13)
Rubriques du compte d`exploitation1Prestations techniques (ventilées en) :1Personnel2Déplacement3Matériaux mis en oeuvre4Utilisation engins génie civil5Autres (factures de tiers)2Achats d`Eau brute3Force motrice4Réactifs et Boues1Réactifs2Boues5Autres frais directs1Frais bâtiments spécifiques2Autres (factures de tiers)6Amortissements directs des installations d`exploitation7Coût du service de protection8Télégestion9Frais de laboratoire10Frais de structure (ventile en) :1Direction2Administration3Service juridique4Service clientèle & recouvrement5Etudes/dessins6Service informatique7Frais Généraux Administratifs8autres (a préciser)11Charges financières12Provisions & charges exceptionnelles1Dotations et reprises de provisions2Charges exceptionnelles13Ajustements des coûts (+/-)14COUT-VERITE DE L`UNITE DE PRODUCTIONLIGNE DE TRANSPORT(sections 1re a 13)
Onderafdeling 4. - Samenvattende exploitatierekening " Productie ".
Sous-section 4. - Compte d'exploitation récapitulatif " Production ".
Art. R308 bis13. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> De samenvattende exploitatierekening " Productie " wordt opgemaakt door de producent overeenkomstig het in artikel R308bis14 bedoelde schema. De inhoud van de posten van de samenvattende exploitatierekening " Productie " wordt nader bepaald in bijlage LI bij het reglementaire deel.
Art. R308 bis13. Le compte d'exploitation récapitulatif " Production " est établi par le producteur conformément au schéma prévu à l'article R308bis14. Le contenu des postes du compte d'exploitation récapitulatif " Production " est défini à l'annexe LI de la partie réglementaire.
Art. R308 bis14. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Schema van de samenvattende exploitatierekening " Productie " :
Art. R308 bis14. Schéma du compte d'exploitation récapitulatif " Production " :
I. Waterverkoop door de Productie
II.A Reele kostprijs van de Productie-eenheden
Eenheid XXX
Eenheid UUU
Eenheid YYY
Totaal
II.B Reele kostprijs van de Transportleidingen
Leiding AAA
Leiding BBB
Leiding CCC
Totaal
II.C Aankoop van verwerkt Water
II. Totale reele kostprijs van de Waterproductie
(II.A + II.B + II.C)
III. Netto resultaat van de Waterverkoop (I-II)
IV. Netto resultaat op de aan derden gefactureerde
netto werken
Werken ten laste van derden
Aan derden gefactureerde bedragen (-)
Overige kosten niet rechtstreeks verbonden met de reele productiekosten
Overige diverse ontvangsten (-)
Totaal
V. Netto resultaat van de `` Productieactiviteit `` (III + IV)
I. Waterverkoop door de ProductieII.A Reele kostprijs van de Productie-eenhedenEenheid XXXEenheid UUUEenheid YYYTotaalII.B Reele kostprijs van de TransportleidingenLeiding AAALeiding BBBLeiding CCCTotaalII.C Aankoop van verwerkt WaterII. Totale reele kostprijs van de Waterproductie(II.A + II.B + II.C)III. Netto resultaat van de Waterverkoop (I-II)IV. Netto resultaat op de aan derden gefactureerdenetto werkenWerken ten laste van derdenAan derden gefactureerde bedragen (-)Overige kosten niet rechtstreeks verbonden met de reele productiekostenOverige diverse ontvangsten (-)TotaalV. Netto resultaat van de `` Productieactiviteit `` (III + IV)
I. Ventes d`eau par la Production
II.A Cout-verite des Unites de Production
Unite XXX
Unite UUU
Unite YYY
Total
II.B Cout-verite des Lignes de transport
Ligne AAA
Ligne BBB
Ligne CCC
Total
II.C Achats d`Eau traitée
II. Cout-verite total de la production d`Eau
(II.A + II.B + II.C)
III. Résultat net de la vente d`Eau (I-II)
IV. Résultat net sur les travaux nets factures aux tiers
Travaux a charge des tiers
Montants factures aux tiers (-)
Autre frais non directement lies au cout-verite de la production
Autres recettes diverses (-)
Total
V. Résultat net de l`activité `` Production ``(III + IV)
I. Ventes d`eau par la ProductionII.A Cout-verite des Unites de ProductionUnite XXXUnite UUUUnite YYYTotalII.B Cout-verite des Lignes de transportLigne AAALigne BBBLigne CCCTotalII.C Achats d`Eau traitéeII. Cout-verite total de la production d`Eau(II.A + II.B + II.C)III. Résultat net de la vente d`Eau (I-II)IV. Résultat net sur les travaux nets factures aux tiersTravaux a charge des tiersMontants factures aux tiers (-)Autre frais non directement lies au cout-verite de la productionAutres recettes diverses (-)TotalV. Résultat net de l`activité `` Production ``(III + IV)
Afdeling 4. - Boekhoudplan van de Watersector " Verdeler ".
Section 4. - Plan comptable de l'Eau " Distributeur ".
Onderafdeling 1. - Algemene beginselen.
Sous-section 1re. - Principes généraux.
Art. R308 bis15. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> § 1. Elke verdeler in het Waalse Gewest maakt jaarlijks een exploitatierekening per distributienet op alsook een samenvattende exploitatierekening van de " Distributie " overeenkomstig de voorschriften opgenomen in onderafdelingen 2, 3 en 4 van deze afdeling.
§ 2. Deze afdeling is niet toepasselijk op de gemeentediensten die optreden als verdeler binnen een gemeente met uitzondering van de bepalingen bedoeld in afdeling 5 van dit hoofdstuk.
Art. R308 bis15. § 1er. Chaque distributeur en Région wallonne établit annuellement un compte d'exploitation par réseau de distribution ainsi qu'un compte d'exploitation récapitulatif de la " Distribution " conformément aux dispositions contenues aux sous-sections 2, 3 et 4 de la présente section.
§ 2. La présente section n'est pas applicable aux services communaux qui opèrent comme distributeur à l'intérieur d'une commune, à l'exception des dispositions prévues à la section 5 du présent chapitre.
Art. R308 bis16. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Wanneer een distributienet samenvalt met een gemeente en gelegen is op twee deelstroomgebieden of meer, wordt de verdeler ertoe gemachtigd om de reële distributiekosten te berekenen voor het gehele net en die daarna per deelstroomgebied te verdelen op grond van een sleutel die in gelijke mate gewogen is tussen het aantal aansluitingen en het in elk deelstroomgebied gefactureerde verbruik.
Art. R308 bis16. Lorsqu'un réseau de distribution coïncide avec une commune et se situe sur deux sous-bassins hydrographiques voire plus, le distributeur est autorisé à calculer le coût-vérité distribution pour le réseau entier et de scinder ensuite ce coût pour le répartir par sous-bassin hydrographique sur base d'une clé pondérée de manière égale entre le nombre de raccordements et la consommation facturée dans chaque sous-bassin.
Onderafdeling 2. - Evaluatieregels.
Sous-section 2. - Règles d'évaluation.
Art. R308 bis17. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> De evaluatieregels die het opmaken van het Boekhoudplan " Verdeler " beheren, vloeien voort uit de toepassing van de vigerende reglementaire bepalingen en stemmen overeen met de regels bepaald in artikelen R308bis18 tot R308bis20 van deze onderafdeling.
Art. R308 bis17. Les règles d'évaluation qui président à l'élaboration du plan comptable " Distributeur " découlent de l'application des dispositions réglementaires en vigueur et sont conformes aux règles définies aux articles R308bis18 à R308bis20 de la présente sous-section.
Art. R308 bis18. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> § 1. De boekingswijze van de lichamelijke vaste activa staat vermeld in bijlage LII.a bij het reglementaire deel en stemt overeen met de voorschriften van het vigerende boekhoudrecht.
§ 2. De aflossingen van de lichamelijke vaste activa worden systematisch gevormd op grond van de methodes die door de vennootschap vastgesteld zijn overeenkomstig bijlage LII.b bij het reglementaire deel.
§ 3. §§ 3 en 4 van artikel R308bis7 van het reglementaire deel zijn toepasselijk op de verdelers die onderworpen zijn aan de bepalingen van deze afdeling.
Art. R308 bis18. § 1er. Le mode de comptabilisation des actifs immobilisés corporels est présenté en annexe LII. a de la partie règlementaire et est conforme aux prescriptions du droit comptable en vigueur.
§ 2. Les amortissements des actifs immobilisés corporels doivent être constitués systématiquement sur base des méthodes arrêtées par la société conformément à l'annexe LII. b de la partie réglementaire.
§ 3. Les §§ 3 et 4 de l'article R308bis7 de la partie réglementaire sont applicables aux distributeurs soumis aux dispositions de la présente section.
Art. R308 bis19. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Artikel R308bis8 van het reglementaire deel is toepasselijk op de verdelers die onderworpen zijn aan de bepalingen van deze afdeling.
Art. R308 bis19. L'article R308bis8 de la partie réglementaire est applicable aux distributeurs soumis aux dispositions de la présente section.
Art. R308 bis20. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Dubieuze vorderingen worden geïsoleerd van andere commerciële vorderingen op één jaar of meer en maken het voorwerp uit van een waardevermindering berekend op forfaitaire basis volgens de anterioriteit van de openstaande vorderingen :
- na één jaar 30 %;
- na twee jaar 75 %;
- na drie jaar 100 %.
De voorziening wordt berekend buiten belasting van het Waalse Gewest en BTW niet inbegrepen. De eerste waardeverminderingsschijf wordt enkel toegepast voor huishoudelijke afnemers na beslissing van het OCMW om geen beroep te doen op het Sociaal Waterfonds, namelijk na ongeveer 120 dagen.
Art. R308 bis20. Les créances douteuses sont isolées des autres créances commerciales à un an au plus et font l'objet d'une réduction de valeur déterminée sur la base forfaitaire en fonction de l'antériorité des créances ouvertes :
- au-delà d'un an 30 %;
- au-delà de deux ans 75 %;
- au-delà de trois ans 100 %.
La provision est établie hors taxe Région wallonne et hors TVA. La première tranche de réduction de valeur peut s'appliquer, pour les clients domestiques, après la décision du CPAS de ne pas recourir au Fonds social de l'eau, soit après environ 120 jours.
Art. R308 bis21. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Voorzieningen voor bijzondere risico's en lasten kunnen oa worden opgericht om zich te beveiligen tegen risico's verbonden met slechte weersomstandigheden (bevriezing van leidingen, ...). In dit geval wordt de valorisatie geraamd op grond van statistieken volgens de frequentie en het belang van de aangebrachte schade.
Art. R308 bis21. Des provisions pour risques et charges spécifiques peuvent notamment être constituées pour se prémunir contre le risque lié aux intempéries (gel des conduites,...). Dans ce cas, la valorisation est estimée sur base statistique en fonction de la fréquence et de l'importance des dégâts occasionnes.
Onderafdeling 3. - Analytische exploitatierekening van een distributienet.
Sous-section 3. - Compte d'exploitation analytique d'un réseau de distribution.
Art. R308 bis22. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> De analytische exploitatierekening van een distributienet wordt opgemaakt overeenkomstig het schema bedoeld in artikel R308bis24 van deze onderafdeling. De inhoud van de posten van de exploitatierekening wordt omschreven in bijlage LIII bij het reglementaire deel.
Art. R308 bis22. Le compte d'exploitation analytique d'un réseau de distribution est établi conformément au schéma prévu à l'article R308bis24 de la présente sous-section. Le contenu des postes du compte d'exploitation est défini à l'annexe LIII de la partie réglementaire.
Art. R308 bis23. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> De sleutel om de gemeenschappelijke kosten te verdelen tussen de distributienetten is gebaseerd op het aantal aansluitingen.
Art. R308 bis23. La clé d'allocation pour allouer les frais communs aux réseaux de distribution se base sur le nombre de raccordements.
Art. R308 bis24. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Schema van de analytische exploitatierekening van een distributienet :
Art. R308 bis24. Schéma du compte d'exploitation analytique d'un réseau de distribution :
Rubrieken van de exploitatierekening
1 Technische prestaties - onderhoud
(verdeeld in) :
1Personeel
2Reizen
3Gebruikte materialen
4Gebruik van bouwkundemachines
5Andere (facturen van derden)
2 Opmetingskosten
(verdeeld in) :
1Personeel
2Reizen
3Informaticakosten
4Andere (facturen van derden)
3 Aankoop van ruw water (buiten sanering)
4 Overige rechtstreekse kosten
(verdeeld in) :
1Voor dit distributienet specifiek bestemde bouwkosten
2Andere (facturen van derden)
5 Aflossingen van bedrijfsinstallaties
6 Heffing en/of vergoeding wegens publiek gebruik
7 Structuurkosten (verdeeld in) :
1Directie
2Bestuur
3Juridische dienst
4Klanten- en invorderingsdienst
5Studies/tekeningen
6Informaticadienst
7Algemene administratieve kosten
8Andere (nader te bepalen)
8 Financiele lasten
9 Waardeverminderingen & minderwaarden,
voorzieningen, uitzonderlijke lasten
1Waardeverminderingen & minderwaarden
2Voorzieningen
3Uitzonderlijke lasten
10 Kostenaanpassingen (+/-)
11 REELE KOSTPRIJS VAN HET DISTRIBUTIENET
(afdelingen 1 tot 10)
Rubrieken van de exploitatierekening1Technische prestaties - onderhoud(verdeeld in) :1Personeel2Reizen3Gebruikte materialen4Gebruik van bouwkundemachines5Andere (facturen van derden)2Opmetingskosten(verdeeld in) :1Personeel2Reizen3Informaticakosten4Andere (facturen van derden)3Aankoop van ruw water (buiten sanering)4Overige rechtstreekse kosten(verdeeld in) :1Voor dit distributienet specifiek bestemde bouwkosten2Andere (facturen van derden)5Aflossingen van bedrijfsinstallaties6Heffing en/of vergoeding wegens publiek gebruik7Structuurkosten (verdeeld in) :1Directie2Bestuur3Juridische dienst4Klanten- en invorderingsdienst5Studies/tekeningen6Informaticadienst7Algemene administratieve kosten8Andere (nader te bepalen)8Financiele lasten9Waardeverminderingen & minderwaarden,voorzieningen, uitzonderlijke lasten1Waardeverminderingen & minderwaarden2Voorzieningen3Uitzonderlijke lasten10Kostenaanpassingen (+/-)11REELE KOSTPRIJS VAN HET DISTRIBUTIENET(afdelingen 1 tot 10)
Rubriques du compte d`exploitation
1 Prestations techniques entretien (ventilées en) :
1Personnel
2Déplacement
3Matériaux mis en oeuvre
4Utilisation engins génie civil
5Autres (factures de tiers)
2 Coût des releves (ventile en) :
1Personnel
2Déplacement
3Frais informatiques
4Autres (factures de tiers)
3 Achats d`Eau (hors assainissement)
4 Autres frais directs (ventiles en) :
1Frais bâtiments spécifiquement affectes a ce réseau de distribution
2Autres (factures de tiers)
5 Amortissements des installations d`exploitation
6 Redevance et/ou indemnité d`occupation publique
7 Frais de structure (ventile en) :
1Direction
2Administration
3Service juridique
4Service clientèle & recouvrement
5Etudes/dessins
6Service informatique
7Frais Généraux Administratifs
8autres (a préciser)
8 Charges financières
9 Réductions de valeur & moins-values, provisions, charges exceptionnelles
1Réductions de valeurs & moins-values
2Provisions
3Charges exceptionnelles
10 Ajustements des coûts (+/-)
11 COUT-VERITE DU RESEAU DE DISTRIBUTION
(sections 1re a 10)
Rubriques du compte d`exploitation1Prestations techniques entretien (ventilées en) :1Personnel2Déplacement3Matériaux mis en oeuvre4Utilisation engins génie civil5Autres (factures de tiers)2Coût des releves (ventile en) :1Personnel2Déplacement3Frais informatiques4Autres (factures de tiers)3Achats d`Eau (hors assainissement)4Autres frais directs (ventiles en) :1Frais bâtiments spécifiquement affectes a ce réseau de distribution2Autres (factures de tiers)5Amortissements des installations d`exploitation6Redevance et/ou indemnité d`occupation publique7Frais de structure (ventile en) :1Direction2Administration3Service juridique4Service clientèle & recouvrement5Etudes/dessins6Service informatique7Frais Généraux Administratifs8autres (a préciser)8Charges financières9Réductions de valeur & moins-values, provisions, charges exceptionnelles1Réductions de valeurs & moins-values2Provisions3Charges exceptionnelles10Ajustements des coûts (+/-)11COUT-VERITE DU RESEAU DE DISTRIBUTION(sections 1re a 10)
Onderafdeling 4. - Samenvattende exploitatierekening " Distributie ".
Sous-section 4. - Compte d'exploitation récapitulatif " Distribution ".
Art. R308 bis25. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> De samenvattende exploitatierekening " Distributie " wordt opgemaakt door de verdeler overeenkomstig het schema bedoeld in artikel R308bis26 van deze afdeling. De inhoud van de posten van de samenvattende exploitatierekening " Distributie " wordt omschreven in bijlage LIV bij het reglementaire deel.
Art. R308 bis25. Le compte d'exploitation récapitulatif " Distribution " est établi par le distributeur conformément au schéma prévu à l'article R308bis26 de la présente section. Le contenu des postes du compte d'exploitation récapitulatif " Distribution " est défini à l'annexe LIV de la partie réglementaire.
Art. R308 bis26. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Schema van de samenvattende exploitatierekening " Distributie " :
Art. R308 bis26. Schéma du compte d'exploitation récapitulatif " Distribution " :
I. Waterverkoop door de distributie
II.A Reele kostprijs van de Distributie-eenheden
Distributienet
Distributienet
Distributienet
Totaal
II.B Andere lasten opgenomen in de waterverkoopprijs
II.C Totale reele kostprijsprijs Distributie (II.A + II.B)
II.D Totale reele kostprijs Sanering
II.E Sociaal Fonds
II. Totale reele kostprijs voor verbruikers
(II.C + II.D + II.E)
III. Netto resultaat van de waterverkoop (I-II)
IV. Netto resultaat op de aan derden gefactureerde
netto werken
Werken ten laste van derden
Aan derden gefactureerde bedragen (-)
Overige kosten niet rechtstreeks verbonden met de reele distributiekost
Overige diverse ontvangsten (-)
Totaal
V. Netto resultaat van de `` Distributieactiviteit ``
(III + IV)
I. Waterverkoop door de distributieII.A Reele kostprijs van de Distributie-eenhedenDistributienetDistributienetDistributienetTotaalII.B Andere lasten opgenomen in de waterverkoopprijsII.C Totale reele kostprijsprijs Distributie (II.A + II.B)II.D Totale reele kostprijs SaneringII.E Sociaal FondsII. Totale reele kostprijs voor verbruikers(II.C + II.D + II.E)III. Netto resultaat van de waterverkoop (I-II)IV. Netto resultaat op de aan derden gefactureerdenetto werkenWerken ten laste van derdenAan derden gefactureerde bedragen (-)Overige kosten niet rechtstreeks verbonden met de reele distributiekostOverige diverse ontvangsten (-)TotaalV. Netto resultaat van de `` Distributieactiviteit ``(III + IV)
I. Ventes d`Eau par la distribution
II.A Cout-verite des Réseaux de Distribution
Réseau de distribution...
Réseau de distribution...
Réseau de distribution...
Total
II.B Autres charges incorporées au prix de ventes d`eau
II.C Cout-verite Distribution Total (II.A + II.B)
II.D Cout-verite Assainissement Total
II.E Fonds Social
II. Cout-verite total aux consommateurs
(II.C + II.D + II.E)
III. Résultat net de la vente d`Eau (I-II)
IV. Résultat net sur les travaux nets factures aux tiers
Travaux à charge des tiers
Montants factures aux tiers (-)
Autres frais non directement lies au cout-verite de la distribution
Autres recettes diverses (-)
Total
V. Résultat net de l`activité `` Distribution `` (III + IV)
I. Ventes d`Eau par la distributionII.A Cout-verite des Réseaux de DistributionRéseau de distribution...Réseau de distribution...Réseau de distribution...TotalII.B Autres charges incorporées au prix de ventes d`eauII.C Cout-verite Distribution Total (II.A + II.B)II.D Cout-verite Assainissement TotalII.E Fonds SocialII. Cout-verite total aux consommateurs(II.C + II.D + II.E)III. Résultat net de la vente d`Eau (I-II)IV. Résultat net sur les travaux nets factures aux tiersTravaux à charge des tiersMontants factures aux tiers (-)Autres frais non directement lies au cout-verite de la distributionAutres recettes diverses (-)TotalV. Résultat net de l`activité `` Distribution `` (III + IV)
Afdeling 5. - Boekhoudplan van de Watersector " Gemeentedienst ".
Section 5. - Plan comptable de l'eau " Service communal ".
Onderafdeling 1. - Algemene beginselen.
Sous-section 1re. - Principes généraux.
Art. R308 bis27. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> § 1. Deze afdeling bepaalt de regels inzake het boekhoudplan in de watersector die toepasselijk zijn op de producent of op de verdeler die de vorm aanneemt van een gemeentedienst.
§ 2. de in onderafdeling 2 bepaalde evaluatieregels zijn toepasselijk op de producenten en verdelers die onderworpen zijn aan de voorschriften van deze afdeling.
Art. R308 bis27. § 1er. La présente section définit les règles applicables en matière de plan comptable de l'eau au producteur ou distributeur ayant la forme d'un service communal.
§ 2. Les règles d'évaluation définies à la sous-section 2 sont applicables aux producteurs et aux distributeurs soumis aux dispositions de la présente section.
Onderafdeling 2. - Evaluatieregels.
Sous-section 2. - Règles d'évaluation.
Art. R308 bis28. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> De bron van de boekhoudkundige informatie is de rekening van de gewone dienst voor het eigen boekjaar behalve als het boeken op die basis geen betrouwbaar beeld vertoont van de rekeningen van de gemeentedienst. In dit laatste geval en alleen als het relevant is, wordt de boekhoudkundige informatie herverwerkt met het oog op de opname van de uitgaven die verbonden zijn met de geleverde goederen of met de verleende diensten maar die het voorwerp niet hebben uitgemaakt van een aanrekening ofwel van de verworven inkomsten die het voorwerp van vastgestelde rechten nog niet hebben uitgemaakt.
Art. R308 bis28. La source de l'information comptable est le compte du service ordinaire à l'exercice propre sauf si l'enregistrement sur cette base ne présente pas une image fidèle des comptes du service communal. Dans ce dernier cas, et seulement si cela est significatif, l'information comptable est retraitée pour incorporer les dépenses liées aux biens livrés ou aux services prestés mais n'ayant pas fait l'objet d'une imputation ou les recettes acquises mais n'ayant pas encore fait l'objet de droits constatés.
Art. R308 bis29. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> § 1. Rekening houdend met hun relatieve belang worden de kosten van klein materiaal geboekt als uitgaven (aanrekeningen) en zijn niet onderworpen aan een herverwerking van de inventaris aan het einde van het jaar.
§ 2. Rekening houdend met hun relatieve belang blijven de revalorisatieregels voor vaste activa die toepasselijk zijn op de plaatselijke besturen, van toepassing op de gemeentedienst.
§ 3. De toepasselijke aflossingspercentages zijn bepaald in de nieuwe gemeentelijke boekhouding.
§ 4. Rekening houdend met hun relatieve belang boekt de gemeentedienst geen waardevermindering op dubieuze vorderingen maar erkent het verlies van een vordering op het ogenblik van het boeken van een oninbare schuld.
§ 5. De gemeente stelt procedures vast met het oog op een interne facturering van de door andere diensten verrichte werken die gebaseerd is op de uitgevoerde prestaties en de verbruiken.
§ 6. Rekening houdend met hun relatieve belang en vanwege de uitvoering van het Waterwetboek waarin de verplichting van een driemaandelijkse voorschotfactuur is voorzien, wordt door de gemeentedienst geen aanpassing betreffende de aan het einde van het jaar op te maken verkoopfacturen geboekt.
Art. R308 bis29. § 1er. Tenant compte de leur importance relative, les frais de consommables sont enregistrés en dépenses (imputations) et ne font pas l'objet d'un retraitement d'inventaire en fin d'année.
§ 2. Tenant compte de leur importance relative, les règles de revalorisation des actifs immobilisés applicables aux pouvoirs locaux restent applicables au service communal.
§ 3. Les taux d'amortissement applicables sont ceux définis par la nouvelle comptabilité communale.
§ 4. Tenant compte de leur importance relative, le service communal ne comptabilise pas de réduction de valeur sur créances douteuses mais reconnaît la perte d'une créance au moment de l'enregistrement d'une non-valeur.
§ 5. La commune met en place des procédures qui assurent une facturation interne des travaux réalisés par d'autres services, basée sur les prestations effectuées et les consommations.
§ 6. Tenant compte de leur importance relative et du fait de l'application du Code de l'eau prescrivant l'obligation d'une facture trimestrielle d'acompte, le service communal ne comptabilise pas d'ajustement relatif aux factures de vente à établir en fin d'année.
Onderafdeling 3. - Exploitatierekeningen " Producent - gemeentedienst ".
Sous-section 3. - Comptes d'exploitation " Producteur-Service communal ".
Art. R308 bis30. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> § 1. Elke producent in het Waalse Gewest onderworpen aan de voorschriften van deze afdeling maakt jaarlijks een gemeenschappelijke exploitatierekening op voor de productie-eenhe(i)d(en) en voor de transportleiding(en) alsook een samenvattende exploitatierekening " Productie " overeenkomstig de bepalingen van de onderafdelingen 3 en 4 van afdeling 3 en haar bijlagen.
§ 2. Wegens hun eigen kenmerken worden de structuurkosten van de gemeentediensten - samengesteld uit een aandeel personeelskosten (ontvanger, secretaris en andere), kosten van de gemeentelijke verkozenen en diverse kosten (lokalen, ...) - geïsoleerd in de rekening van de gewone dienst voor het eigen boekjaar en toegekend aan de gemeentedienst naar rata van de rechtstreekse personeelskosten.
Art. R308 bis30. § 1er. Chaque producteur en Région wallonne soumis aux dispositions de la présente section établit annuellement un compte d'exploitation commun pour l(es)'unité(s) de production et pour la(es) ligne(s) de transport ainsi qu'un compte d'exploitation récapitulatif de la " Production " conformément aux dispositions des sous-sections 3 et 4 de la section 3 et de ses annexes.
§ 2. De par ses caractéristiques propres, les frais de structure des services communaux - composés d'une quote-part de frais de personnel (receveur, secrétaire et autre), de frais des élus communaux et de frais divers (locaux,...) - sont isolés dans le compte du service ordinaire à l'exercice propre et sont alloués au service communal au pro rata des frais de personnel direct.
Onderafdeling 4. - Exploitatierekeningen " Verdeler - gemeentedienst ".
Sous-section 4. - Comptes d'exploitation " Distributeur-Service communal ".
Art. R308 bis31. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> § 1. Elke verdeler in het Waalse Gewest onderworpen aan de voorschriften van deze afdeling maakt jaarlijks een exploitatierekening op voor het distributienet alsook een samenvattende exploitatierekening " Distributie " overeenkomstig de bepalingen van onderafdelingen 3 en 4 van afdeling 4 en haar bijlagen.
§ 2. Artikel R308bis30 § 2 is toepasselijk op de verdelers die onderworpen zijn aan de bepalingen van deze afdeling.
Art. R308 bis31. § 1er. Chaque distributeur en Région wallonne soumis aux dispositions de la présente section établit annuellement un compte d'exploitation du réseau de distribution ainsi qu'un compte d'exploitation récapitulatif de la " Distribution " conformément aux dispositions des sous-sections 3 et 4 de la section 4 et de ses annexes.
§ 2. L'article R308bis30. § 2 est applicable aux distributeurs soumis aux dispositions de la présente section.
Art. R308 bis32. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Indien een gemeentedienst optreedt op twee deelstroomgebieden, zijn de in artikel R308bis16 van het reglementaire deel bedoelde modaliteiten van toepassing.
Art. R308 bis32. Si un service communal opère sur deux sous-bassins hydrographiques, les modalités définies à l'article R308bis16 de la partie réglementaire sont applicables.
Afdeling 6. - Uitvoering, bekendmaking en voorlichting.
Section 6. - Mise en oeuvre, publication et information.
Art. R308 bis33. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Een adviescomité waarvan de samenstelling vastgesteld is door de Minister bevoegd voor Water, wordt opgericht met het oog op de begeleiding van het uitvoeringsproces en de toepassing van het gestandaardiseerd boekhoudplan van de watersector in het Waalse Gewest.
Art. R308 bis33. Un comité consultatif dont la composition est déterminée par le Ministre ayant l'Eau dans ses attributions est constitué en vue d'accompagner le processus de mise en oeuvre et l'application du plan comptable uniformisé du secteur de l'eau en Région wallonne.
Art. R308 bis34. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 1; Inwerkingtreding : 26-08-2005> Elk jaar leggen de aan de bepalingen van dit hoofdstuk onderworpen operatoren de samenvattende exploitatierekeningen " productie " en " distributie " neer uiterlijk 30 juni van het volgende jaar bij het secretariaat van het Comité voor watercontrole volgens de in artikelen R308bis14 en R308bis26 bedoelde schema's.
Daarna moet het geheel of gedeelte van de analytische exploitatierekeningen van de productie-eenheden, transportleidingen en distributienetten op verzoek van het Comité voor watercontrole binnen vijftien dagen neergelegd worden bij genoemd Comité.
De modaliteiten voor de overdracht van die informatie worden vastgesteld door de Minister bevoegd voor Water op voorstel van het Comité.
Zonodig worden de vorm en de wijze waarop die informatie wordt voorgelegd, nader bepaald door de Minister bevoegd voor Water op voorstel van het Comité.
Om het Comité voor watercontrole in staat te stellen zijn opdrachten uit te voeren zoals die bepaald zijn in het Waterwetboek, met name in artikelen D4, R18 tot R20, R30 en R31 en om de exploitatierekeningen van de operatoren te evalueren in verhouding tot hun prestaties en tot het niveau van hun distributiedienst, kan op voorstel van het Comité de Minister bevoegd voor Water de door de operatoren te bezorgen elementen alsook de modaliteiten voor de overdracht daarvan vaststellen.
Art. R308 bis34. Chaque année, les opérateurs soumis aux dispositions du présent chapitre déposent au secrétariat du Comité de contrôle de l'eau, pour le 30 juin au plus tard de l'année suivante, les comptes d'exploitation récapitulatifs des activités " production " et " distribution " selon les schémas prévus aux articles R308bis14 et R308bis26.
Ensuite, à la demande du Comité de contrôle de l'eau, tout ou partie des comptes d'exploitation analytiques des unités de production, des lignes de transport et des réseaux de distribution devront lui être déposés dans les quinze jours.
Les modalités de transmission de ces informations sont déterminées par le Ministre ayant l'Eau dans ses attributions sur proposition du Comité de contrôle de l'eau.
Au besoin, le format et la présentation de ces informations sont précisés par le Ministre ayant l'Eau dans ses attributions sur proposition du Comité de contrôle de l'eau.
Pour permettre au Comité de contrôle de l'eau d'exercer ses missions telles que définies dans le Code de l'eau, notamment aux articles D4, R18 à R20, R30 et R31, et d'évaluer les comptes d'exploitation des opérateurs par rapport à leur performance et niveau de service de distribution, le Ministre ayant l'Eau dans ses attributions peut arrêter, sur proposition du Comité de contrôle de l'eau, les éléments d'information à fournir par les opérateurs au Comité de contrôle de l'eau, ainsi que les modalités de transmission de ceux-ci.
HOOFDSTUK II. - Sociaal Waterfonds.
CHAPITRE II. - Fonds social de l'eau.
Afdeling I. - Voorwerp en beheersmodaliteiten.
Section 1re. - Objet et modalités de gestion.
Art. R309. Dit hoofdstuk regelt overeenkomstig artikel 138 van de Grondwet een aangelegenheid bedoeld in artikel 128, § 1, ervan. Het is slechts op het grondgebied van het Franse taalgebied toepasselijk.
Art. R309. Le présent chapitre règle, en vertu de l'article 138 de la Constitution, une matière visée à l'article 128, § 1er, de celle-ci. Il ne sera applicable que sur le territoire de langue française.
Art. R310. [1 Het Sociaal waterfonds is het financieel mechanisme dat op het grondgebied van het Franse taalgebied tussenbeide komt ten gunste van de verbruikers die moeilijkheden ondervinden om hun waterfactuur te betalen.
De opbrengst van de bijdragen in het Sociaal waterfonds wordt voor vier uitgavencategorieën bestemd, namelijk :
- 80 % voor de uitgaven inzake tegemoetkoming;
- 10 % voor de uitgaven inzake technische verbeteringen;
- 9 % voor de uitgaven betreffende de werking van de OCMW's;
- 1 % voor de uitgaven betreffende de werking van de "SPGE".]1

Art. R310. [1 Le Fonds social de l'eau est le mécanisme financier qui, sur le territoire de la région de langue française, intervient au profit des consommateurs en difficulté de paiement dans le paiement de leur facture d'eau.
Le produit de la contribution du Fonds social de l'eau est affecté à quatre catégories de dépenses, de la manière suivante :
- à 80 % pour les dépenses d'intervention;
- à 10 % pour les dépenses d'améliorations techniques;
- à 9 % pour les dépenses de fonctionnement des C.P.A.S.;
- à 1 % pour les dépenses de fonctionnement de la S.P.G.E.]1

Art. R311. [1 § 1. De verdelers, de " SPGE " en de OCMW's dragen bij in de werking van het Sociaal waterfonds volgens de modaliteiten bedoeld in de paragrafen 2 tot 4.
§ 2. De verdelers:
identificeren, bij het afsluiten van het boekjaar of van de begroting, in hun rekeningen en begrotingen, een voorschot voor de uitgaven inzake tegemoetkoming, één voor de uitgaven betreffende de werking van de OCMW's, één voor de uitgaven inzake technische verbeteringen en één voor de uitgaven betreffende de werking van de " SPGE "; ;
maken jaarlijks uiterlijk 28 februari aan de SPGE een activiteitenrapport over waarin de volgende gegevens voorkomen:
a) het in m3 uitgedrukte watervolume gefactureerd voor het vorige jaar;
b) het bedrag van de gebruikte fondsen bestemd voor technische verbeteringen, de bestemming ervan en de dienovereenkomstige bedragen voor de types tegemoetkomingen, alsook het niet aangewend saldo van het vorig jaar te storten aan SPGE overeenkomstig 3° ;
c) het saldo van de bijdrage in het Sociaal waterfonds van het vorige jaar;
storten jaarlijks uiterlijk 31 maart aan de "SPGE" :
a) op de rekening "werkingskosten" 10 % van het bedrag van de bijdrage dat zij verschuldigd zijn overeenkomstig artikel D.240, lid 1, 2° en 3°, van het decreetgevende deel;
b) op de rekening " saldo van de te bestemmen bijdrage " het saldo storten van de rekening " bijdrage in het Sociaal waterfonds " en het saldo van de rekening "bijdrage in het Fonds voor technische verbeteringen", vastgelegd op 31 december van het vorige jaar;
delen jaarlijks uiterlijk 28 februari de volgende gegevens per gemeente aan de "SPGE" mee:
a) het aantal meters;
b) het aantal verbruikers met betalingsmoeilijkheden meegedeeld het vorige jaar op basis van de lijsten bedoeld in artikel R. 318;
c) het aantal financiële tegemoetkomingen;
d) het globaal aantal tegemoetkomingen.
Als de verdeler zijn verplichtingen bedoeld in afdeling 1 niet heeft vervuld, laat de "SPGE" hem een herinneringsschrijven betekenen met de aanvraag om de betalingen uit te voeren of de informatie mee te delen.
Als de verdeler zijn verplichtingen nog steeds niet heeft vervuld vijftien dagen na ontvangst van de herinneringsbrief zal de S.P.G.E. de informatie betreffende het vorig jaar in aanmerking nemen. Meer bepaald, wat betreft de informatie betreffende het volume, zal de S.P.G.E. in geval van niet communicatie van het volume, als gegeven het laatst bekend volume nemen en zal, elk jaar, een forfait gelijk aan 5% van het volume toevoegen. Het aldus verkregen cijfer zal toelaten om het bedrag van de bijdrage van elke verdeler aan het sociaal waterfonds te berekenen. De verdeler beschikt over een termijn van één jaar om de regularisering van zijn situatie aan te vragen en de informatie over het volume mede te delen.
De opbrengst van de bijdrage van de verdeler die een gebied zonder woningen bedient, opgedeeld tussen tegemoetkomingsuitgaven en uitgaven voor technische verbeteringen, wordt opgenomen in de globale enveloppe van het eenmalig trekkingsrecht berekend door SPGE. De werkingskosten van de OCMW's worden opgenomen in de regionale opdeling van de werkingskosten overeenkomstig artikel R.315.
§ 3. De "SPGE" moet
jaarlijks uiterlijk 15 maart:
a) op basis van de voor het voorafgaande jaar gefactureerde watervolumes het totaalbedrag bepalen van de bijdrage van elke verdeler in het Sociaal waterfonds voor het lopende jaar en deelt het hen mee;
b) de verdeling van de eenmalige trekkingsrechten van het lopende jaar tussen de OCMW's bepalen en aan de verdelers meedelen ; ;
elk OCMW jaarlijks uiterlijk 31 maart kennis geven van :
a) het bedrag van het eenmalig trekkingsrecht waarover het beschikt voor het lopende jaar;
b) de mogelijkheid om de tussenkomst van het Fonds voor technische verbeteringen te vragen bij zijn verdeler;
c) via de website van de "SPGE", de jaarlijkse vragenlijst bedoeld in bijlagen XXXVIII, terug te sturen;
jaarlijks uiterlijk 30 april :
a) aan elk OCMW de werkingskosten betalen op de rekening " werkingskosten van de OCMW's "; voor zover de verdelers van het ambtsgebied van de betrokken OCMW's de voorafgaandelijke storting aan de SPGE hebben verricht overeenkomstig paragraaf 2, 3°, a);
b) aan de verdelers van het ambtsgebied van de betrokken OCMW's het bedrag storten van de aanvullende trekkingsrechten omschreven in artikel R.316, § 1, en berekend krachtens artikel R.316, § 2, voor zover de verdelers de voorafgaandelijke storting van de niet-aangewende saldo's van het voorafgaande jaar overeenkomstig paragraaf 2, 3°, b), hebben verricht aan de SPGE;
na goedkeuring van de Raad van bestuur van de maand september, de Minister een jaarverslag overleggen waarin de volgende gegevens voorkomen:
a) het bedrag van de bijdrage in het Sociaal waterfonds dat het vorige jaar per verdeler beschikbaar was;
b) het bedrag van de bijdrage in het Sociaal waterfonds dat het vorige jaar per verdeler gebruikt werd en het niet aangewend saldo;
c) de bedragen betreffende de werkingskosten betaald aan de OCMW's ;
d) de bedragen betreffende de werkingskosten van de "SPGE" ;
e) de bedragen bestemd voor de technische verbeteringen en het niet-aangewend saldo;
jaarlijks voor 15 december, aan de verdelers het geïndexeerd bedrag meedelen van de bijdrage in het Sociaal waterfonds, alsook het geïndexeerd bedrag van het plafond en van de toeslag per persoon ten laste, overeenkomstig artikel D.330-1 van hetzelfde Wetboek.
Wat betreft punt 1°, a), komen jaarlijks bijkomende trekkingsrechten berekend op basis van artikel R.316, bij de bedragen van de 80 % voor de uitgaven inzake tegemoetkoming berekend op basis van artikel R.313. Het verkregen totaalbedrag vormt het eenmalig trekkingsrecht.
Betreffende punt 4° wordt, vóór het overmaken aan de Regering en aan het "Comité de contrôle de l'eau" (het Comité voor Watercontrole), een advies over het ontwerp-verslag afgegeven door Aquawal en door de federatie van de O.C.M.W.'s aan de "SPGE".
§ 4. Elk OCMW stuurt naar de "SPGE", voor 31 mei van elk jaar, de vragenlijst terug bedoeld in paragraaf 3, 2°. De aldus ingezamelde gegevens worden in het jaarlijks verslag opgenomen.]1
Art. R311. [1 § 1er. Les distributeurs, la S.P.G.E. et les C.P.A.S. participent au fonctionnement du Fonds social de l'eau selon les modalités visées aux paragraphes 2 à 4.
§ 2. Les distributeurs :
identifient, lors de la clôture de l'exercice comptable ou du budget, dans leurs comptes et budgets, une provision pour les dépenses d'intervention, une pour les dépenses de fonctionnement des C.P.A.S., une pour les dépenses d'améliorations techniques et une pour les dépenses de fonctionnement de la S.P.G.E. ;
communiquent à la S.P.G.E., pour le 28 février de chaque année, un rapport d'activité reprenant au minimum :
a) le volume, en mètre cube d'eau, facturé l'année précédente ;
b) le montant des fonds utilisés destinés aux améliorations techniques, leur affectation et les montants correspondant aux types d'interventions ainsi que le solde non utilisé de l'année précédente à verser à la S.P.G.E. conformément au 3° ;
c) le solde de la contribution au Fonds social de l'eau de l'année précédente ;
versent à la S.P.G.E., pour le 31 mars de chaque année :
a) sur le compte dénommé " frais de fonctionnement ", dix pour cent du montant de la contribution dont ils sont redevables en vertu de l'article D.240, alinéa 1er, 2° et 3°, de la partie décrétale ;
b) sur le compte " solde de la contribution à affecter ", le solde du compte dénommé "contribution au Fonds social de l'eau " et le solde du compte dénommé " contributions au Fonds d'améliorations techniques ", arrêté au 31 décembre de l'année précédente ;
communiquent à la S.P.G.E., pour le 28 février de chaque année, par commune :
a) le nombre de compteurs ;
b) le nombre de consommateurs en difficulté de paiement qui ont été communiqués, l'année précédente, sur la base des listes visées à l'article R.318 ;
c) le nombre d'interventions financières ;
d) le montant global des interventions.
Lorsque le distributeur n'a pas rempli ses obligations prévues dans la présente section, la S.P.G.E. lui signifie un rappel avec la demande d'effectuer les versements ou de communiquer les informations.
Si le distributeur n'a toujours pas rempli ses obligations cinq jours après réception du rappel, la S.P.G.E. prend en compte les informations relatives à l'année précédente. Plus précisément, quant à l'information relative au volume, en cas de non communication de celui-ci, la S.P.G.E. prend comme donnée le dernier volume connu et ajoute, chaque année, un forfait équivalent à cinq pour cent du volume. Le chiffre ainsi obtenu permet de calculer le montant de la contribution de chaque distributeur au Fonds social de l'eau. Le distributeur dispose d'un délai d'un an pour demander la régularisation de sa situation en communiquant les informations relatives au volume.
Le produit de la contribution du distributeur qui dessert une zone sans habitation, répartis en dépenses d'intervention et dépenses d'améliorations techniques, est intégré dans l'enveloppe globale du droit de tirage unique calculée par la S.P.G.E. Les frais de fonctionnement des C.P.A.S. sont intégrés dans la répartition régionale des frais de fonctionnement conformément à l'article R.315.
§ 3. La S.P.G.E. :
pour le 15 mars de chaque année :
a) détermine, sur base des volumes d'eau facturés l'année précédente, le montant total de la contribution de chaque distributeur au Fonds social de l'eau pour l'année en cours et leur communique ;
b) détermine et communique aux distributeurs la répartition des droits de tirage uniques de l'année en cours entre les C.P.A.S. ;
pour le 31 mars de chaque année, communique à chaque C.P.A.S. :
a) le montant du droit de tirage unique dont il dispose pour l'année en cours ;
b) la possibilité de solliciter l'intervention du Fonds d'améliorations techniques auprès de son distributeur ;
c) via le site internet de la S.P.G.E., le questionnaire annuel visé à l'annexe XXXVIII, à renvoyer ;
pour le 30 avril de chaque année :
a) paie à chaque C.P.A.S., les frais de fonctionnement sur un compte dénommé " frais de fonctionnement des C.P.A.S. ", pour autant que les distributeurs du ressort des C.P.A.S. concernés aient effectué le versement préalable à la S.P.G.E. conformément au paragraphe 2, 3°, a) ;
b) verse aux distributeurs du ressort des C.P.A.S. concernés le montant des droits de tirage complémentaires définis à l'article R.316, § 1er, et calculés en vertu de l'article R.316, § 2, pour autant que les distributeurs aient effectué le versement préalable à la S.P.G.E. des soldes non utilisés de l'année précédente, conformément au paragraphe 2, 3°, b) ;
après approbation par le conseil d'administration du mois de septembre, communique au Ministre un rapport annuel reprenant :
a) le montant de la contribution au Fonds social de l'eau, par distributeur, qui était disponible l'année précédente ;
b) le montant de la contribution au Fonds social de l'eau utilisé et le solde non utilisé, par distributeur, l'année précédente ;
c) les montants relatifs aux frais de fonctionnement versés aux C.P.A.S. ;
d) les montants relatifs aux frais de fonctionnement de la S.P.G.E. ;
e) les montants affectés aux améliorations techniques et le solde non utilisé ;
pour le 15 décembre de chaque année, communique aux distributeurs le montant indexé de la contribution au Fonds social de l'eau, ainsi que le montant indexé du plafond et du supplément par personne à charge, conformément à l'article D.330-1 de la partie décrétale.
le 1°, a), chaque année, les droits de tirage complémentaires calculés sur base de l'article R.316, s'ajoutent aux montants des quatre-vingts pour cent de dépenses d'intervention calculés sur base de l'article R.313. Le montant total obtenu constitue le droit de tirage unique.
Concernant le 4°, avant transmission au Gouvernement et au Comité de contrôle de l'eau, un avis sur le projet de rapport est remis par Aquawal et par la Fédération des C.P.A.S. à la S.P.G.E.
§ 4. Chaque C.P.A.S. renvoie à la S.P.G.E., pour le 31 mai de chaque année, le questionnaire visé au paragraphe 3, 2°. Les données ainsi récoltées sont intégrées dans le rapport annuel.]1
(NOTA : De toepassing van artikel R.311, paragraaf 3, eerste lid, 3°, b) en 5°, tweede lid, wordt opgeschort vanaf 25-02-2021 tot en met 31-12-2022 door BWG 2021-02-25/04, art. 2)
(NOTE : L'application de l'article R.311, paragraphe 3, alinéa 1er, 3°, b) et 5°, alinéa 2 est suspendue par ARW 2021-02-25/04, art. 2 du 25-02-2021 au 31-12-2022)
Art. R312. Elke verdeler vermeldt het bedrag van zijn bijdrage, dat door de " SPGE " meegedeeld wordt krachtens artikel 311, § 3, 1°, in zijn begroting en in zijn rekeningen in de aparte rubriek " bijdrage in het Sociaal waterfonds ".
Art. R312. Chaque distributeur consigne le montant de sa contribution, communiqué par la SPGE en vertu de l'article 311, § 3, 1°, dans son budget ou dans ses comptes sous une rubrique distincte dénommée " contribution au fonds social de l'eau ".
Art. R313. Elk ocmw gevestigd op het territoriale ambtsgebied dat overeenstemt met het distributienet van de verdeler beschikt op de rekening of de begroting " bijdrage in het Sociaal waterfonds " over een trekkingsrecht om de uitgaven inzake tegemoetkoming te dekken.
Het trekkingsrecht van het ocmw wordt vastgelegd volgens onderstaande formule :
C x [1 80 %]1 x (80 % (cn CPAS/cn distr) + 15 % (di CPAS/di distr) + 5 % (r CPAS/r distr))
waarbij :
C : het totaalbedrag van de bijdrage van de verdeler in het Sociaal waterfonds voor het lopende jaar, door de " SPGE " aan de verdeler meegedeeld krachtens artikel 4, § 3, 1°;
cn CPAS : aantal verbruikers met betalingsmoeilijkheden vermeld op de lijsten die de verdeler het vorige jaar aan het ocmw heeft overgemaakt;
cn distr : aantal verbruikers met betalingsmoeilijkheden voor het geheel van de ocmw's gevestigd op het territoriale ambtsgebied dat overeenstemt met het distributienet van de verdeler;
di CPAS : [2 aantal personen dat op 31 december van het voorgaande jaar voor betrokken OCMW het recht op sociale integratie geniet]2
di verdeler : [2 aantal personen dat op 31 december van het voorgaande jaar voor de gezamenlijke OCMW's het recht op sociale integratie geniet op het territoriale ambtsgebied dat overeenstemt met het distributienet van de verdeler.]2
Als het grondgebied van een gemeente door verschillende verdelers bediend wordt, wordt het aantal personen dat het recht op sociale integratie geniet op het territoriale ambtsgebied van het distributienet van een verdeler berekend naar evenredigheid met het aantal meters van de verdeler tov het totaalaantal meters van de verdelers op het grondgebied van de gemeente;
r CPAS : aantal meters aangesloten op het openbare waterdistributienet van de verdeler op het grondgebied van de gemeente;
r distr : aantal meters aangesloten op het openbare waterdistributienet op het gezamenlijke grondgebied van de verdeler.
Art. R313. Chaque CPAS compris dans le ressort territorial correspondant au réseau de distribution du distributeur dispose, sur le compte ou dans le budget " contribution au fonds social de l'eau ", d'un droit de tirage pour couvrir les dépenses d'intervention.
Le droit de tirage du CPAS est fixé selon la formule suivante :
C x [1 80 %]1 x (80 % (cn CPAS/cn distr) + 15 % (di CPAS/di distr) + 5 % (r CPAS/r distr))
Etant entendu que :
C : le montant total de la contribution du distributeur au fonds social de l'eau pour l'année en cours, communiqué au distributeur par la SPGE en vertu de l'article 311, § 2, 1°.
cn CPAS : Nombre de consommateurs en difficulté de paiement repris dans les listes transmises, l'année précédente, par le distributeur au CPAS.
cn distr : Nombre de consommateurs en difficulté de paiement sur l'ensemble des CPAS compris dans le ressort territorial correspondant au réseau de distribution du distributeur.
di CPAS : [2 Nombre de personnes qui, au 31 décembre de l'année précédente, pour le C.P.A.S. concerné, bénéficient du droit à l'intégration sociale.]2
di distr : [2 Nombre de personnes qui au 31 décembre de l'année précédente, pour l'ensemble des C.P.A.S., bénéficient du droit à l'intégration sociale dans le ressort territorial correspondant au réseau de distribution du distributeur. ]2
Lorsque le territoire d'une commune est couvert par plusieurs distributeurs, le calcul du nombre de personnes bénéficiant du droit à l'intégration sociale dans le ressort territorial du réseau de distribution d'un distributeur se calcule proportionnellement au nombre de compteurs du distributeur par rapport au nombre total des compteurs des distributeurs sur le territoire de la commune.
r CPAS : Nombre de compteurs au réseau public de distribution d'eau du distributeur sur le territoire de la commune du CPAS.
r distr : Nombre de compteurs au réseau public de distribution d'eau sur l'ensemble du territoire du distributeur.
Art. R314. [1 De sommen geconsigneerd in de rubriek "Fonds bestemd voor technische verbeteringen" dienen voor de tegemoetkoming in de uitgaven voor de technische verbeteringen uitgevoerd ten gunste van verbruikers met betalingsmoeilijkheden of elke andere persoon die in aanmerking komt voor de sociale hulpverlening op basis van het initiatief van het O.C.M.W..
Die technische verbeteringen kunnen onder andere bestaan in de aanpassing van de aansluitingsinstallaties, van de private binneninstallaties en in de opsporing van lekkages in de binneninstallatie van de verbruiker. ]1

Art. R314. [1 Les sommes consignées sous une rubrique affectée dénommée "Fonds destiné aux dépenses d'améliorations techniques" sont destinées à la participation dans les dépenses d'améliorations techniques réalisées pour les consommateurs en difficulté de paiement ou toute autre personne bénéficiaire de l'aide sociale, sur base de l'initiative du C.P.A.S.
Ces améliorations techniques peuvent consister notamment en la modification des installations de raccordement, des installations intérieures privées et en la recherche de fuite dans l'installation intérieure du consommateur.]1

Art. R315. De forfaitaire tegemoetkoming in de werkingskosten van de ocmw's bedoeld in artikel 311, § 3, 3°, wordt berekend volgens onderstaande formule :
Ct x 9 % x (90 % cn CPAS/cn R + 5 % (di CPAS/di R) + 5 % (R CPAS/R))
waarbij :
Ct : het totaalbedrag van de bijdrage van de verdelers in het Sociaal waterfonds voor het lopende jaar, door de " SPGE " aan de verdelers meegedeeld krachtens artikel 4, § 3, 1°;
cn CPAS : aantal verbruikers met betalingsmoeilijkheden meegedeeld het vorige jaar door de verdeler(s) die het grondgebied van de gemeente bedient (bedienen);
cn R : aantal verbruikers met betalingsmoeilijkheden meegedeeld het vorige jaar door de verdelers aan de gezamenlijke ocmw's;
di CPAS : [1 aantal personen dat op 31 december van het voorgaande jaar voor betrokken OCMW het recht op sociale integratie geniet.]1
di R : aantal personen dat op 31 december van het voorlaatste jaar op het gezamenlijke grondgebied van het Gewest het recht op sociale integratie geniet;
R CPAS : aantal watermeters op het grondgebied van de gemeente van het ocmw;
R : aantal watermeters op het gezamenlijke grondgebied van het Gewest.
Art. R315. Les frais de fonctionnement des CPAS visés à l'article 311, § 3, 3°, sont rémunérés forfaitairement en vertu de la formule suivante :
Ct x 9 % x (90 % cn CPAS/cn R + 5 % (di CPAS/di R) + 5 % (RCPAS/R))
Etant entendu que :
Ct : le montant total de la contribution des distributeurs au fonds social de l'eau pour l'année en cours, communiqué aux distributeurs par la SPGE en vertu de l'article 311, § 3, 1°.
cn CPAS : Nombre de consommateurs en difficulté de paiement communiqué l'année précédente par le ou les distributeurs desservant le territoire de la commune du CPAS.
cn R : Nombre de consommateurs en difficulté de paiement communiqué par les distributeurs à l'ensemble des CPAS.
di CPAS : [1 Nombre de personnes qui, au 31 décembre de l'année précédente, pour le C.P.A.S. concerné, bénéficient du droit à l'intégration sociale.]1
di R : Nombre de personnes qui, au 31 décembre de l'année pénultième, bénéficient du droit à l'intégration sociale, sur l'ensemble de la Région.
RCPAS : Nombre de compteurs d'eau sur le territoire de la commune du CPAS.
R : Nombre de compteurs d'eau sur l'ensemble du territoire de la Région.
Art. R316. [1 § 1. Het saldo van de trekkingsrechten van het vorig jaar en het niet gebruikte deel van de fondsen voor de technische verbeteringen van het vorige boekjaar, worden bestemd voor de bijkomende trekkingsrechten.
Elk O.C.M.W. die minstens 80 % van zijn trekkingsrecht van het vorig jaar heeft gebruikt, krijgt een bijkomend trekkingsrecht, op basis van de middelen die niet gebruikt zijn het vorig jaar zoals opgenomen in paragraaf 1 en waarvan het bedrag evenredig is met het gebruik van zijn trekkingsrecht van het vorig jaar ten opzichte van het gebruik van de gecumuleerde trekkingsrechten van alle O.C.M.W.'s die minstens 80 % van hun trekkingsrecht hetzelfde jaar hebben gebruikt.
Dit bedrag wordt berekend naar rato van het aantal aansluitingen bediend door elke verdeler als het grondgebied van een O.C.M.W. door verschillende verdelers bediend wordt.
[2 De OCMW's die tussen 75 en 80 % van de totale trekkingsrechten van het voorgaande jaar gebruiken en dat gebruiksniveau uitzonderlijkerwijs lager dan 80 % verantwoorden, dienen hun afwijkingsaanvraag schriftelijk bij SPGE in voor 15 februari om in aanmerking te komen voor de bijkomende trekkingsrechten in de berekening van hun eenmalig trekkingsrecht.
De verdelers delen minstens in september het gebruiksniveau van het trekkingsrecht aan de OCMW's mee om een hoger gebruik dan 80% van de trekkingsrechten te verantwoorden wanneer dat verantwoord wordt door de toestand wegens de waterarmoede van de OCMW-bevolking.]2

§ 2. De "SPGE" bepaalt het bijkomend trekkingsrecht voor het lopende jaar waarover elke O.C.M.W. beschikt [2 dat tussen 75 en 80 % van zijn trekkingsrecht heeft gebruikt]2, volgens onderstaande formule :
S x (udt C.P.A.S./udt C.P.A.S. R)
waarbij :
S : saldo van de te bestemmen bijdrage (niet gebruikt bedrag van het trekkingsrecht en van het Fonds voor technische verbeteringen);
udt CPAS : gebruik voor het vorige jaar van het trekkingsrecht van het O.C.M.W. dat minstens 80 % van zijn trekkingsrecht heeft gebruikt;
udt C.P.A.S. R : gebruik, voor het vorige jaar, van de gecumuleerde trekkingsrechten van de O.C.M.W.'s die minstens 80 % van hun trekkingsrecht hebben gebruik.]1
Art. R316. [1 § 1er. Les soldes des droits de tirage de l'année précédente et la partie non utilisée des fonds pour améliorations techniques de l'exercice précédent, sont affectés aux droits de tirage complémentaires.
Chaque C.P.A.S. ayant utilisé au moins 80 % de son droit de tirage de l'année précédente, se voit attribuer un droit de tirage complémentaire, sur la base des moyens non utilisés l'année précédente comme repris au paragraphe 1er, et dont le montant est proportionnel à l'utilisation de son droit de tirage de l'année précédente par rapport à l'utilisation des droits de tirage cumulés de tous les C.P.A.S. ayant utilisé au moins 80 % de leur droit de tirage la même année.
Ce montant est calculé au prorata du nombre de raccordements desservis par chaque distributeur dans le cas où le territoire d'un C.P.A.S. est couvert par plusieurs distributeurs.
[2 Les C.P.A.S. qui utilisent entre septante-cinq et quatre-vingts pour cent des droits de tirage totaux de l'année précédente et justifient ce niveau d'utilisation inférieur à quatre-vingts pour cent à titre exceptionnel, introduisent leur demande de dérogation par écrit, à la S.P.G.E., avant le 15 février, pour bénéficier des droits de tirage complémentaires dans le calcul de leur droit de tirage unique.
Les distributeurs communiquent, au minimum en septembre, aux C.P.A.S. le niveau d'utilisation du droit de tirage, pour favoriser une utilisation supérieure à quatre-vingts pour cent des droits de tirage, quand la situation le justifie en raison de la précarité hydrique de la population du C.P.A.S.]2

§ 2. La S.P.G.E. détermine le droit de tirage complémentaire pour l'année en cours dont dispose chaque C.P.A.S. [2 qui a utilisé entre septante-cinq et quatre-vingts pour cent]2 de son droit de tirage l'année précédente selon la formule suivante :
S x (udt C.P.A.S./udt C.P.A.S. R)
étant entendu que :
S : solde de la contribution à affecter (montants non utilisés du droit de tirage et du Fonds pour améliorations techniques);
udt C.P.A.S. : utilisation, pour l'année précédente, du droit de tirage du C.P.A.S. ayant utilisé au moins à 80 % de son droit de tirage;
udt C.P.A.S. R : utilisation, pour l'année précédente, des droits de tirage cumulés des C.P.A.S. ayant utilisés au moins à 80 % de leur droit de tirage.]1
Afdeling II. - Modaliteiten inzake tegemoetkoming van het Fonds.
Section 2. - Modalités d'intervention du fonds.
Art. R317. § 1. In zijn herinneringsbrief wijst de verdeler de verbruiker op de mogelijkheid om de tegemoetkoming van het Sociaal waterfonds te genieten.
§ 2. Bij niet-betaling van de waterfactuur na afloop van de termijn die in de herinneringsbrief vermeld staat, stuurt de verdeler een aanmaningsbrief.
§ 3. De aanmaningsbrief bevat onderstaande tekst :
" Als u moeilijkheden ondervindt om uw waterfactuur te betalen, dan kunt u terecht bij het ocmw van uw gemeente waar met u gezocht zal worden naar oplossingen om u te helpen de factuur geheel of gedeeltelijk via het Sociaal waterfonds te betalen.
Bij niet-betaling na afloop van de aanmaningstermijn maken wij uw dossier op eigen initiatief over aan het ocmw van uw gemeente.
Verwittig ons als u niet wenst dat uw dossier naar het ocmw van uw gemeente gestuurd wordt. In dat geval kan geen financiële tegemoetkoming via het Sociaal fonds verleend worden.
Uw gegevens zijn vertrouwelijk, het ocmw is gehouden tot het beroepsgeheim. "
§ 4. Als het Sociaal waterfonds de waterfactuur geheel of gedeeltelijk ten laste neemt, verwittigt de verdeler de verbruiker in een schrijven.
Art. R317. § 1er. Dans sa lettre de rappel, le distributeur informe le consommateur de la possibilité de bénéficier de l'intervention du fonds social de l'eau.
§ 2. En cas de non-paiement de la facture d'eau, à l'expiration du délai fixé dans le rappel, le distributeur envoie une lettre de mise en demeure.
§ 3. La lettre de mise en demeure reprend le texte suivant :
" Si vous éprouvez des difficultés à payer votre facture d'eau, vous avez la faculté de vous adresser au CPAS de votre commune qui pourra examiner avec vous les possibilités de vous aider à la prendre en charge, partiellement ou totalement, via le fonds social de l'eau.
En cas de non-paiement à l'issue du délai donné par la mise en demeure, nous transmettons d'initiative votre dossier au CPAS de votre commune.
Si vous ne voulez pas que votre dossier soit envoyé au CPAS de votre commune, veuillez nous en informer. Dans ce cas, les modalités d'intervention financière via le fonds social ne seront plus possibles.
Vos données sont confidentielles, le CPAS est tenu au secret professionnel. "
§ 4. En cas de prise en charge totale ou partielle de la facture d'eau par le fonds social de l'eau, le distributeur est tenu d'en informer le consommateur par courrier.
Art. R318. § 1. De verdeler bezorgt de ocmw's minstens één keer per maand een lijst met de personalia van de verbruikers met betalingsmoeilijkheden die zich vijftien dagen na de aanmaning niet hebben verzet tegen de verzending van hun gegevens.
§ 2. De ocmw's kunnen op eigen initiatief bij de verdeler tussenkomen om de tegemoetkoming van het sociaal fonds te vragen ten gunste van de verbruikers die betalingsmoeilijkheden zouden kunnen ondervinden vóór de opstelling van de lijst door de verdeler.
§ 3. Het ocmw kan bij de verdeler steeds inzage nemen van de gegevens betreffende het bedrag van het saldo van zijn trekkingsrecht, alsmede van de lijst van de tegemoetkomingen voor het lopende jaar.
Art. R318. § 1er. Au minimum une fois par mois, le distributeur envoie aux CPAS une liste reprenant les coordonnées des consommateurs défaillants qui quinze jours après la mise en demeure n'ont pas fait opposition à la transmission de leurs données.
§ 2. D'initiative, les CPAS peuvent intervenir auprès du distributeur afin de demander l'intervention du fonds social au profit de consommateurs susceptibles de connaître des difficultés relatives au paiement de leurs factures d'eau et ce, avant l'établissement de la liste par le distributeur.
§ 3. Le distributeur tient à la disposition du CPAS, à tout moment, les informations relatives au montant du solde de son droit de tirage ainsi que la liste des interventions de l'année en cours.
Art. R319. De door de verdeler aan de ocmw's overgemaakte lijst bestaat uit een enig rekeningoverzicht dat voor elke nog niet volledig betaalde factuur de volgende gegevens bevat :
- de naam en het adres van de verbruiker met betalingsmoeilijkheden;
- de facturatiedatum;
- het bedrag van de factuur;
- het verschuldigde saldo, alsook de desbetreffende kosten.
Art. R319. La liste fournie par le distributeur aux CPAS consiste en un relevé de compte unique qui reprend pour chaque facture non encore complètement soldée, les informations suivantes :
- les nom et adresse du consommateur défaillant;
- la date de facturation;
- le montant de la facture;
- le solde encore du pour cette facture, ainsi que les frais y afférents.
Art. R320. § 1. Het ocmw beslist over de toekenning en het bedrag van de financiële tegemoetkoming overeenkomstig de bepalingen van artikel 242 van het decreetgevende deel.
§ 2.[2 De tegemoetkoming van het Sociaal Waterfonds in de betaling van de factuur van de verbruiker met betalingsmoeilijkheden wordt beperkt tot een jaarlijks bedrag van vijfhonderd euro.
Die drempel wordt verhoogd met honderd euro per persoon vanaf de vierde persoon die deel uitmaakt van het gezin van de verbruiker met betalingsmoeilijkheden.
De jaarlijkse tegemoetkoming kan hoger zijn dan de maximumbedragen bedoeld in de vorige leden in de volgende gevallen:
in geval van lekkage die een overconsumptie als gevolg heeft en mits een gunstig advies van de verdeler;
voor een gebruiker die verschillende jaren betalingsachterstanden heeft opgelopen zonder de tegemoetkoming van het fonds jaarlijks te hebben aangevraagd;
Die bedragen worden jaarlijks geïndexeerd en op de euro afgerond op grond van de ontwikkeling van de gezondheidsindex t.o.v. de op 1 januari 2017 vigerende index.]2

[3 Het maximum dat in overweging wordt genomen is het maximum dat van toepassing is op het tijdstip van de aanvraag tot tegemeotkoming van het Sociaal Waterfonds]3
§ 3. De beslissing van het ocmw ivm een tegemoetkoming ten laste van het Sociaal fonds loopt niet vooruit op eventuele bijkomende of alternatieve maatregelen die aan de verbruikers met betalingsmoeilijkheden gesuggereerd kunnen worden.
[3 De beslissing van het OCMW betreffende een tegemoetkoming ten laste van het Sociale Waterfonds voor een persoon die een sociale tegemoetkoming vraagt, kan betrekking hebben op een reeds betaalde factuur voor zover deze aanvraag betrekking heeft op de lopende verbruikscyclus (voorschotten en recentste jaarlijkse regularisatie).]3
§ 4. [2 [3 De verdeler financiert op verzoek van het OCMW, binnen de perken van de beschikbare middelen, tegemoetkomingen met het oog op technische verbeteringen van de waterinstallaties van de verbruikers die de tegemoetkoming bedoeld in artikel D.237 genieten. Daarbij wordt de aanvraag van de tegemoetkomingen waarom het OCMW verzocht heeft, onderzocht om de te financieren technische verbeteringen zo aangepast mogelijk te maken aan de toestand en met het oog op een rationeel waterbeheer. De weigeringen van financiering vanwege de verdeler worden gemotiveerd.
De verdelers dienen het gebruik van de financiële middelen van het Sociaal waterfonds voor technische verbeteringen door de OCMW's aan te moedigen en gewag te maken van hun gebruik, types financiering en jaarlijkse bedragen per types tijdens het overmaken van het jaarlijks verslag aan de SPGE.]3
]2

Art. R320. § 1er. La décision du CPAS quant à l'octroi et au montant de l'intervention financière est prise conformément aux dispositions de l'article 242 de la partie décrétale.
§ 2. [2 L'intervention du Fonds social de l'eau dans le paiement de la facture du consommateur en difficulté de paiement est limitée annuellement à une somme de cinq cent euros.
Ce seuil est majoré de cent euros par personne à partir de la quatrième personne faisant partie du ménage du consommateur en difficulté de paiement.
L'intervention annuelle peut être supérieure aux maxima prévus aux alinéas précédents dans les cas suivants:
dans le cas de fuite provoquant une surconsommation et moyennant un avis favorable du distributeur;
pour un usager qui a accumulé plusieurs années d'arriérés de paiement sans avoir sollicité l'intervention du Fonds chaque année;
Ces montants sont indexés chaque année et arrondis à l'euro, sur la base de l'évolution de l'indice santé, par référence à l'indice en application au 1er janvier 2017.]2

[3 Le plafond à prendre en considération est celui d'application au moment de la demande d'intervention du Fonds social de l'eau.]3
§ 3. La décision du CPAS quant à une intervention à charge du fonds social de l'eau ne préjuge pas des mesures complémentaires ou alternatives qui peuvent être prises ou proposées aux consommateurs défaillants.
[3 La décision du C.P.A.S. quant à une intervention à charge du Fonds social de l'eau pour une personne qui sollicite une aide sociale peut concerner une facture déjà payée pour autant que la demande intervienne dans le cycle de consommation en cours (acomptes et dernière régularisation annuelle).]3
§ 4. [2 [3 Le distributeur, à la demande du C.P.A.S., finance, dans les limites des moyens disponibles, des interventions visant des améliorations techniques des installations d'eau des consommateurs bénéficiaires de l'intervention visée à l'article D.237. Il procède à l'analyse de la demande des interventions sollicitées par le C.P.A.S. afin que les améliorations techniques à financer soient les plus adaptées à la situation et en vue d'une gestion rationnelle de l'eau. Les refus de financement de la part du distributeur sont motivés.
Les distributeurs encouragent l'utilisation des moyens financiers du Fonds social de l'eau pour les améliorations techniques par les C.P.A.S. et font état de leur utilisation, types de financement et montants annuels par types, lors de la transmission du rapport annuel à la S.P.G.E.]3
]2

HOOFDSTUK IIbis. [1 - Internationaal solidariteitsfonds voor Water]1
CHAPITRE IIbis. [1 - Fonds de solidarité internationale pour l'Eau]1
Afdeling 1. [1 - Financieel mechanisme]1
Section 1re. [1 - Mécanisme financier]1
Art. R320 bis-1. [1 De giften worden gestort op de rekening die daartoe bestemd is door de Waalse Overheidsdienst, Operationeel directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu.
Voor elke gift boven 50,000 euro wordt het jaarverslag over de activiteiten van het fonds langs de elektronische weg aan de schenker gestuurd, behalve als hij voor de papieren drager kiest.]1

Art. R320 bis-1. [1 Les dons sont versés au compte réservé à cette fin par le Service public de Wallonie, Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement.
Tout donateur de plus de 50,00 euros reçoit le rapport annuel des activités du fonds sous format électronique sauf s'il le demande sous format papier.]1

Art. R320 bis-2. [1 De bijdrage in de spijzing van het fonds van de verdelers, van de erkende saneringsinstellingen en van de "SPGE" (Openbare Maatschappij voor het Waterbeheer) wordt ingeschreven in een protocol waarvan het model in bijlage LV vastligt.]1
Art. R320 bis-2. [1 La participation à l'alimentation du fonds des distributeurs, des organismes d'assainissement agréés et de la SPGE est actée dans un protocole dont le modèle est fixé à l'annexe LV.]1
Art. R320 bis-3. [1 Het fonds wordt beheerd door het Operationeel Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu (DGARNE) van de Waalse Overheidsdienst.
In dat raam vervult het "DGARNE" de volgende opdrachten :
- het neemt de bedragen in ontvangst die door door de bijdragers gestort worden;
- het zorgt voor de invordering van de bedragen verschuldigd door de publieke wateroperatoren die een protocol getekend hebben met de Minister die voor het Waterbeleid bevoegd is;
- het stort de bedragen aan de promotoren op bevel van "Wallonie-Bruxelles International".]1

Art. R320 bis-3. [1 Le Fonds est géré par la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement (DGARNE) du Service public de Wallonie.
A cette fin, celle-ci :
- reçoit les montants versés par les contributeurs;
- assure le recouvrement des montants dus par les opérateurs publics de l'eau qui ont signé un protocole avec le Ministre ayant l'eau dans ses attributions;
- verse, sur ordre de Wallonie-Bruxelles International, les montants aux promoteurs.]1

Afdeling 2. [1 - Projectenoproep en -financiering]1
Section 2. [1 - Appel à projets et financement des projets]1
Art. R320 bis-4. [1 De in artikel D.233bis -3 bedoelde voorwaarden om in aanmerking te komen zijn de volgende :
1. Criteria i.v.m. het project
- het project ligt in de lijn van de milleniumdoelstellingen voor ontwikkeling, zoals op 8 september 2000 aangenomen op de algemene vergadering van de Verenigde Naties en in het raam van de bevoegdheden van het Waalse Gewest inzake het water;
- het project is een initiatief van de promotor en van zijn partners uit het zuiden en wordt gezamenlijk ten uitvoer gelegd;
- het project bevindt zich in één van de landen die het Waalse Gewest als prioritair beschouwt in het raam van de internationale ontwikkelingssamenwerking.
2. Criteria i.v.m. de financiering
- de adminbistratieve kosten mogen niet meer dan 10 % van de begroting bedragen;
- de financiering van projecten mag niet langer duren dan 3 jaar.]1

Art. R320 bis-4. [1 Les conditions d'éligibilité visées à l'article D.233bis -3 sont les suivantes :
1. Critères liés au projet
- le projet s'inscrit dans les objectifs du millénaire pour le développement, tels qu'adoptés le 8 septembre 2000 lors de la 55 e session de l'assemblée générale des Nations unies et dans le cadre des compétences de la Région wallonne en matière d'eau;
- le projet est une initiative du promoteur et de ses partenaires du sud et est mis en oeuvre conjointement;
- le projet se situe dans l'un des pays reconnus comme prioritaires par la Région wallonne au titre de la coopération internationale au développement;
2. Critères liés au financement
- les frais administratifs ne peuvent dépasser 10 % du budget;
- le financement des projets ne peut être d'une durée supérieure à trois ans.]1

Art. R320 bis-5. [1 Het maximumbedrag van de tegemoetkoming van het fonds mag bij wijze van uitzondering en na advies van het adviescomité bedoeld in artikel D.233bis -9 verhoogd worden naar verhouding van de omvang van het project en van het aantal promotoren ervan.]1
Art. R320 bis-5. [1 La quotité maximale d'intervention du fonds peut, à titre exceptionnel et sur avis motivé du comité d'avis visé à l'article D.233bis -9, être majorée en raison de l'importance du projet ou du nombre de ses promoteurs.]1
Art. R320 bis-6. [1 Na afloop van de helft van de geplande duur van het project wordt een tussenverslag over de uitvoering ervan en over het gebruik van de toegekende fondsen aan "Wallonie-Bruxelles International" overgemaakt.]1
Art. R320 bis-6. [1 Un rapport intermédiaire sur la réalisation du projet et l'utilisation des fonds attribués est transmis à Wallonie-Bruxelles International à l'échéance de la moitié de la durée prévue du projet.]1
Afdeling 3. [1 - Selectie van de projecten]1
Section 3. [1 - Sélection des projets]1
Art. R320 bis-7. [1 Het jaarreglement bevat minstens de verplichte gegevens m.b.t. de aanvraagdossiers, het model van synthesefiche van het project en de voorwaarden van ontvankelijkheid van het dossier.
Het jaarreglement wordt door "Wallonie-Bruxelles International" aangenomen na advies van het adviescomité.]1

Art. R320 bis-7. [1 Le règlement annuel contient au minimum les mentions obligatoires des dossiers de demande, le modèle de fiche de synthèse du projet et les conditions de recevabilité du dossier.
Le règlement annuel est adopté par Wallonie-Bruxelles International après consultation du comité d'avis.]1

Art. R320 bis-8. [1 Het adviescomité bedoeld in artikel D.233bis -9 bestaat uit :
- 2 gewone en 2 plaatsvervangende leden voorgedragen door "Wallonie-Bruxelles International";
- 1 gewoon en 1 plaatsvervangend lid voorgedragen door de "Conseil Wallonie-Bruxelles pour la coopération" (Raad Wallonië-Brussel voor samenwerking);
- 1 gewoon en 1 plaatsvervangend lid voorgedragen door de "Acodev" (Federatie van de Verenigingen voor Ontwikkelingssamenwerking);
- 2 gewone en 2 plaatsvervangende leden voorgedragen door "AQUAWAL";
- 1 gewoon en 1 plaatsvervangend lid voorgedragen door het Departement Leefmilieu en Water van het Operationele Directoraat-generaal Landbouw, Landelijke Aangelegenheden en Leefmilieu;
- 1 gewoon en 1 plaatsvervangend lid voorgedragen door de "Union des Villes et Communes de Wallonie" (Unie van de Steden en Gemeenten van Wallonië);
- 1 gewoon en 1 plaatsvervangend lid voorgedragen door de "Association des Provinces wallonnes" (Vereniging van de Waalse Provincies);
- 2 gewone en 2 plaatsvervangende leden voorgedragen door de "CESRW" (Sociaal-Economische Raad van het Waalse Gewest).
Per toegewezen mandaat legt elke administratie of instelling een dubbele lijst van gewone en plaatsvervangende kandidaten over aan de Minister die voor het waterbeleid bevoegd is. De leden van het adviescomité worden op die basis door de Regering aangewezen.
De mandaten zijn persoonlijk en worden voor een periode van vier jaar toegewezen.
Het voorzitterschap van het comité wordt door "Wallonie-Bruxelles International" waargenomen.
Het comité komt minstens twee keer per jaar bijeen na oproeping door "Wallonie-Bruxelles International".
Het comité legt zijn huishoudelijk reglement vast. Het legt het ter goedkeuring aan de Regering voor.]1

Art. R320 bis-8. [1 Le comité d'avis visé à l'article D.233bis -9 est composé de :
- 2 membres effectifs et 2 membres suppléants proposés par Wallonie-Bruxelles International;
- 1 membre effectif et 1 membre suppléant proposés par le Conseil Wallonie-Bruxelles pour la coopération;
- 1 membre effectif et 1 membre suppléant proposés par Acodev (Fédération des Associations de Coopération au Développement);
- 2 membres effectifs et 2 membres suppléants proposés par AQUAWAL;
- 1 membre effectif et 1 membre suppléant proposés par le département de l'Environnement et de l'Eau de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement;
- 1 membre effectif et 1 membre suppléant proposés par l'Union des Villes et Communes de Wallonie;
- 1 membre effectif et 1 membre suppléant proposés par l'Association des Provinces wallonnes;
- 2 membres effectifs et 2 membres suppléants proposés par le CESRW.
Chaque administration ou organisme propose au Ministre ayant l'eau dans ses attribution une liste double de candidats effectifs et suppléants par mandat conféré. Sur cette base, le Gouvernement désigne les membres du comité d'avis.
Les mandats sont personnels et conférés pour une période de quatre ans.
Wallonie-Bruxelles International assure la présidence du comité.
Le comité se réunit sur convocation de Wallonie-Bruxelles International au minimum deux fois par an.
Le comité arrête son règlement d'ordre intérieur. Il le soumet au Gouvernement pour approbation.]1

Art. R320 bis-9. [1 De Regering selecteert de projecten op grond van een gemotiveerd voorstel van "Wallonie-Bruxelles International" met inachtneming van de criteria waarin artikel art.R.320bis -4 voorziet.]1
Art. R320 bis-9. [1 Le Gouvernement sélectionne les projets sur base d'une proposition motivée de Wallonie-Bruxelles International, en fonction des critères prévus à l'article R.320bis -4.]1
Art. R320 bis-10. [1 Het verslag bedoeld in artikel D.233bis -10 en de samenvatting ervan bevatten minstens :
- de lijst van de projecten medefinancierd dankzij het fonds, waarbij gewag wordt gemaakt van het doel ervan, de landen waarvoor ze bestemd zijn, het vastgelegde bedrag, de actieperiode en de overige financieringsbronnen;
- de resultaten verkregen inzake toegankelijkheid tot de drinkwaterdiensten en inzake sanering.]1

Art. R320 bis-10. [1 Le rapport visé à l'article D.233bis -10 et son résumé contiennent au minimum :
- la liste des projets cofinancés grâce au fonds en précisant leur objet, pays destinataires, le montant engagé, la période d'action et les autres sources de financement;
- les résultats obtenus en terme d'accessibilité aux services d'eau potable et d'assainissement.]1

HOOFDSTUK III. - [1 Berekening en inning van de heffing en van de belasting op de winplaatsen van tot drinkwater verwerkbaar water en niet tot drinkwater verwerkbaar water]1
CHAPITRE III. - [1 Etablissement et perception de la taxe et de la contribution de prélèvement sur les prises d'eau potabilisable et non potabilisable]1
Art. R321. [1 De modellen van aangifte van de volumes en van het verbruik van het geproduceerde of ontnomen water is bepaald door de Minister bevoegd voor het waterbeleid.
De Minister bevoegd voor het waterbeleid is gemachtigd om de voorwaarden te bepalen waarin de belastingplichtige zijn aangifte via de elektronische weg kan indienen.]1

Art. R321. [1 Les modèles de déclaration des volumes et des usages de l'eau produite ou prélevée sont fixés par le Ministre qui a la politique de l'eau dans ses attributions.
Le Ministre qui a la politique de l'eau dans ses attributions est habilité à fixer les conditions dans lesquelles le redevable peut fournir sa déclaration par voie électronique.]1

Art. R322. [1 Als het bedrag van de voorschotten lager is dan 250 euro, mogen de aanbetalingen uitgesteld worden tot de datum van de uitbetaling van het saldo van de heffing of de belasting.]1
Art. R322. [1 Lorsque le montant des provisions est inférieur à 250 euros, les versements provisionnels peuvent être portés à la date du paiement du solde de la taxe ou de la contribution.]1
HOOFDSTUK IV. - [1 Berekening van de heffing betreffende de lozing van industrieel afvalwater en van de heffing betreffende de lozing van huishoudelijk afvalwater]1
CHAPITRE IV. - [1 Etablissement de la taxe relative au déversement des eaux usées industrielles et de la taxe relative au déversement des eaux usées domestiques]1
Afdeling 1. - [1 Begripsomschrijving]1
Section 1re. - [1 Définitions]1
Art. R323. [1 In de zin van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
Administratie : het [3 Departement Bodems en Afvalstoffen]3 van het Operationele Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst;
de Minister : de Minister bevoegd voor het waterbeleid;
erkend laboratorium : laboratorium erkend krachtens artikel D.147 van Boek I van het Milieuwetboek of het referentielaboratorium van het Waalse Gewest;
zelftoezicht : de metingen uitgevoerd door de instelling zelf, binnen haar eigen uitrustingen voor analyse, of door een door haar aangewezen laboratorium;
toezicht : de metingen uitgevoerd door een erkend laboratorium voor rekening van een instelling.]1

[2 6° meting : de meting uitgevoerd door een erkend laboratorium voor meting van de Administratie of de "S.P.G.E.".]2
Art. R323. [1 Au sens du présent chapitre, on entend par :
l'Administration : le [3 Département du Sol et des Déchets]3 de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement du Service public de Wallonie;
le Ministre : le Ministre qui a la Politique de l'Eau dans ses attributions;
laboratoire agréé : laboratoire agréé en vertu de l'article D.147 du Livre Ier du Code de l'Environnement ou le laboratoire de référence de la Région wallonne;
auto-surveillance : les mesures réalisées par l'établissement lui-même, au sein de ses propres équipements d'analyse, ou par un laboratoire désigné par lui;
surveillance : les mesures réalisées par un laboratoire agréé pour le compte d'un établissement.]1

[2 6° le relevé : la mesure réalisée par un laboratoire agréé pour le compte de l'Administration ou de la S.P.G.E..]2
Afdeling 2. - [1 Berekening van de heffing betreffende de lozing van huishoudelijk afvalwater]1
Section 2. - [1 Etablissement de la taxe relative au déversement des eaux usées domestiques]1
Art.R324. [1 Het aangifteformulier wordt bepaald door de Minister.
De volledige en geldige aangifte betreffende de heffing op de lozing van industrieel afvalwater wordt van rechtswege gelijkgesteld met de aangifte bedoeld in het eerste lid voor zover ze bij de Administratie toekomt binnen de termijn bedoeld in artikel D.279.
De Minister is gemachtigd om de voorwaarden te bepalen waarin de belastingplichtige zijn aangifte per elektronische weg kan indienen.]1

Art. R324. [1 Le formulaire de déclaration est fixé par le Ministre.
Est assimilée de plein droit à la déclaration visée à l'alinéa 1er, pour autant qu'elle parvienne à l'Administration dans le délai prévu à l'article D.279, la déclaration complète et valide relative à la taxe sur le déversement des eaux usées industrielles.
Le Ministre est habilité à fixer les conditions dans lesquelles le redevable peut fournir sa déclaration par voie électronique.]1

Afdeling 3. - [1 Berekening van de heffing betreffende de lozing van industrieel afvalwater]1
Section 3. - [1 Etablissement de la taxe relative au déversement des eaux usées industrielles]1
Onderafdeling 1. - [1 Aangifteformulier voor de heffing op de lozing van industrieel afvalwater]1
Sous-section 1re. - [1 Formule de déclaration à la taxe sur le déversement des eaux usées industrielles.]1
Art.R325. [1 Het model van het aangifteformulier, met inbegrip van de specifieke modellen voor de sectoren van de ziekenhuizen, zwembaden en visteelt, wordt door de Minister bepaald.
De Minister is gemachtigd om de voorwaarden te bepalen waarin de belastingplichtige zijn aangifte per elektronische weg kan indienen.]1

Art. R325. [1 Le modèle de la formule de déclaration, en ce compris les modèles spécifiques des secteurs des hôpitaux, des piscines et des piscicultures sont fixés par le Ministre.
Le Ministre est habilité à fixer les conditions dans lesquelles le redevable peut fournir sa déclaration par voie électronique.]1

Onderafdeling 2. - [1 Technische modaliteiten voor de bepaling van de reële gemiddelde waarden van de parameters die tussenkomen in de berekening van de heffing op de lozing van industrieel en toezicht afvalwater. ]1
Sous-section 2. - [1 Modalités techniques de détermination des valeurs moyennes réelles des paramètres intervenant dans le calcul de la taxe sur le déversement des eaux usées industrielles et de surveillance.]1
A. [1 Monsterneming en toezichtcampagnes]1
A. [1 Prélèvement d'échantillons et campagnes de surveillance]1
Art. R326. [1 § 1er. Voor de bepaling van de reële gemiddelde waarden van de belastingparameters moet de belastingplichtige monsternemingen laten uitvoeren in verhouding tot de hoeveelheid industrieel afvalwater geloosd tijdens een periode van minstens 24 uren en volgens een minimale frequentie van bemonstering omschreven in bijlage XL.
Wanneer de milieuvergunning of de sectorale voorwaarde van toepassing op de lozing van afvalwater een hogere frequentie van bemonstering voorschrijft, wordt laatstgenoemde toegepast.
§ 2. De monsterneming wordt uitgevoerd, op kosten van de belastingplichtige, door een erkend laboratorium, op de controlepunten bepaald in de milieuvergunning.
Het laboratorium kan gebruik maken van de apparatuur van het bedrijf voor zover de goede werking van die apparatuur vooraf door een erkend laboratorium is nagegaan en dat dit laboratorium de bemonsteraar verzegeld tijdens de monsternameverrichtingen.
§ 3. De monsterneming uitgevoerd door een erkend laboratorium op verzoek van een dienst van de Administratie mag niet worden opgenomen in de frequentie van bemonstering die aan de belastingplichtige wordt voorgeschreven overeenkomstig paragraaf 1.
§ 4. In afwijking van paragraaf 1 :
worden de duur en de frequentie van bemonstering geval per geval bepaald door de Administratie als de aard en het volume van de lozingen tijdens een productiecyclus variëren, in dat geval is de duur van de monsterneming hoger dan vierentwintig uren en is ze ten minste gelijk aan een volledige cyclus, met inbegrip van de tussenperiodes van onderhoud en reinigen;
kan de Administratie een hogere frequentie opleggen wegens de grote variabiliteit van het geloosde volume of kwaliteit van het geloosde water;
wordt, mits voorafgaande instemming van de Administratie, een momentaan monster toegelaten wanneer de belastingplichtige de zeer permanente kwaliteit van de lozing aantoont, en wordt tijdens de behandeling bij tussenpozen een representatief momentaan monster opgenomen vóór de lozing van het water;
kan de belastingplichtige overgaan tot een monsterneming die aan de tijd onderworpen is, wanneer de monsterneming die aan het debiet onderworpen is, niet kan uitgevoerd worden op technisch vlak of wanneer de behandelingsprocessen van afvalwater een homogenisering van de effluenten verzekeren.
In de gevallen bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, worden de beslissingen genomen door de Administratie schriftelijk meegedeeld aan de belastingplichtige volgens een communicatiemiddel vermeld in artikel R.328, § 4, en vóór 30 september van het jaar dat de monsterneming voorafgaat.
In het geval bedoeld in het eerste lid, 3°, is de procedure om het akkoord van de Administratie te verkrijgen, de procedure bedoeld in artikel R.328, § 3.
In de gevallen bedoeld in het eerste lid, 4°, bepaalt en rechtvaardigt het analyseverslag van het erkende laboratorium de uitgevoerde monsternamemethodologie en het principe van schatting van het debiet.
§ 5. Als de monterneming niet kan worden uitgevoerd volgens de voorschriften omschreven in paragraaf 1, vraagt de belastingplichtige het schriftelijk voorafgaand akkoord van de Administratie volgens de procedure bedoeld in artikel R.328, § 3, met vermelding van de motiveringen of moeilijkheden en de overwogen technische oplossingen.
§ 6. Wanneer de frequentie van het toezicht één of twee monsters per jaar bedraagt, wordt de monsterneming uitgevoerd tijdens de maanden van het jaar met meer activiteit tijdens dewelke redelijkerwijs kan voorzien worden dat de geloosde hoeveelheid verontreinigende stoffen de hoogste is of tijdens dewelke de activiteit van het bedrijf de belangrijkste is. Het begrip van maand met meer activiteit is van toepassing op elk departement als het bedrijf meerdere departementen bevat waarvan de aard van de activiteit en de periode waarin deze plaatsvindt duidelijk gescheiden zijn.
§ 7. De te volgen methodes voor de monsterneming, de bewaring en het vervoer van de monsters zijn de methodes die door het "Institut scientifique de Service public" (Openbaar Wetenschappelijk Instituut) hierna "ISSeP" genoemd, worden goedgekeurd.]1

Art. R326. [1 § 1er. Pour la détermination des valeurs moyennes réelles des paramètres de taxation, le redevable est tenu de faire procéder à des échantillonnages asservis au débit des eaux usées industrielles déversées pendant une période d'au moins vingt-quatre heures et selon une fréquence d'échantillonnage minimale détaillée à l'annexe XL.
Lorsque le permis d'environnement ou la condition sectorielle applicable au déversement des eaux usées prescrit une fréquence d'échantillonnage plus élevée, cette dernière est appliquée.
§ 2. L'échantillonnage est réalisé, aux frais du redevable, par un laboratoire agréé, aux points de contrôle définis dans le permis d'environnement.
Le laboratoire peut faire usage de l'appareillage appartenant à l'entreprise pour autant que le bon fonctionnement dudit appareillage ait été vérifié au préalable par un laboratoire agréé et que ce dernier applique des scellées sur l'échantillonneur pendant les opérations de prélèvements.
§ 3. L'échantillonnage effectué par un laboratoire agréé à la demande d'un service de l'Administration ne peut être comptabilisé dans la fréquence d'échantillonnage prescrite au redevable en application du paragraphe 1er.
§ 4. Par dérogation au paragraphe 1er :
la durée et la fréquence de l'échantillonnage sont déterminées au cas par cas par l'Administration lorsque la nature et le volume des rejets varient au cours d'un cycle de production, dans ce cas, la durée du prélèvement est supérieure à vingt-quatre heures et est au moins égale à celle d'un cycle entier, y compris les périodes intermédiaires de maintenance ou de nettoyage;
l'Administration peut imposer une fréquence plus élevée en raison de la grande variabilité du volume rejeté ou de la qualité des eaux déversées;
moyennant accord préalable de l'Administration, un échantillon instantané est admis lorsque le redevable fait la démonstration de la qualité très constante du rejet, et lors de traitement par bâchée un échantillon instantané représentatif est prélevé avant le rejet de la bâchée;
lorsque l'échantillonnage asservi au débit ne peut pas être techniquement réalisé ou lorsque les procédés de traitement des eaux usées assurent une homogénéisation des effluents, le redevable peut recourir à un échantillonnage asservi au temps.
Dans les cas visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°, les décisions prises par l'Administration sont communiquées par écrit au redevable selon un mode de communication mentionné à l'article R.328, § 4, avant le 30 septembre de l'année qui précède le prélèvement.
Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 3°, la procédure pour obtenir l'accord de l'Administration est celle prévue à l'article R.328, § 3.
Dans les cas visés à l'alinéa 1er, 4°, le rapport d'analyse du laboratoire agréé précise et justifie la méthodologie de prélèvement mise en oeuvre et le principe d'estimation de débit.
§ 5. Dans le cas où le prélèvement ne peut pas être effectué suivant les prescriptions décrites au paragraphe 1er, le redevable demande l'accord préalable écrit de l'Administration selon la procédure visée à l'article R.328, § 3, en mentionnant les motivations ou difficultés rencontrées et les solutions techniques envisagées.
§ 6. Lorsque la fréquence de surveillance est d'un ou de deux échantillons par an, l'échantillonnage est réalisé au cours des mois de plus grande activité de l'année pendant lesquels il peut raisonnablement être prévu que la charge polluante déversée est la plus élevée ou pendant lesquels l'activité de l'entreprise est la plus importante. Lorsque l'entreprise comprend plusieurs départements dont la nature de l'activité et la période au cours de laquelle celle-ci s'exerce sont clairement distinctes, la notion de mois de plus grande activité s'applique à chaque département.
§ 7. Les méthodes à suivre pour l'échantillonnage, la conservation et le transport des échantillons sont celles approuvées par l'Institut scientifique de service public, ci-après dénommé l'ISSeP.]1

Art. R327. [1 § 1. Minstens acht werkdagen vóór de uitvoering van de monsterneming bedoeld in artikel R.326, § 2, deelt het door de belastingplichtige erkende laboratorium per gewoon schrijven of per elektronische weg aan de Administratie, de plaats, de datum en het uur mee van het begin van de monsterneming om haar de mogelijkheid te bieden om daar, in voorkomend geval, een vertegenwoordiger af te vaardigen.
§ 2. Onder toezicht van de verantwoordelijke van het erkende laboratorium of van de vertegenwoordiger van de Administratie, laat de belastingplichtige, althans aan het begin en aan het einde van de monsterneming, overgaan tot de opmeting van de hoeveelheid water opgenomen door meettoestellen die aangesloten zijn op de leidingen voor watertoevoer en afvalwaterafvoer en, in voorkomend geval, tot de opmeting van het waterniveau in de verschillende tanks, of elk andere aanwijzing die toelaat om de verdeling van de verschillende stromingen te schatten.
Op eigen initiatief verstrekt de belastingplichtige de verantwoordelijke van het erkende laboratorium de productiecijfers van het bedrijf die noodzakelijk zijn voor de berekening van de belasting tijdens de periode van de monsternemingen alsmede alle inlichtingen over het representatieve karakter van de tijdens dezelfde periode gestorte hoeveelheid afvalwater.
De in de eerste en tweede leden bedoelde inlichtingen worden bij het verslag van het erkende laboratorium gevoegd. De belastingplichtige voegt het volledig verslag van het erkende laboratorium bij de aangifte die hij overeenkomstig artikel D.278 aan de Administratie richt.
Het erkende laboratorium stuurt rechtreeks, per elektronische weg, een afschrift naar de Administratie van het analyseverslag voor elke monsterneming en van alle technische opmerkingen en diverse opmerkingen die de ordelijkheid van de monsternameverrichtingen bevestigen en die nuttig zijn voor de goede interpretatie van de resultaten.
§ 3. Tijdens de hele duur van de monsternemingen voert de afgevaardigde van de Administratie de controles uit die hij nuttig acht en verstrekt hij de verantwoordelijke van het laboratorium eventueel alle voor het goede verloop van de monsternemingen vereiste instructies.]1

Art. R327. [1 § 1er. Huit jours ouvrables au moins avant la réalisation de l'échantillonnage visé à l'article R.326, § 2, le laboratoire agréé mandaté par le redevable communique par envoi simple ou par voie électronique à l'Administration, le lieu, la date et l'heure du début du prélèvement afin de permettre à celle-ci d'y déléguer, le cas échéant, un représentant.
§ 2. Au moins au début et à la fin du prélèvement, le redevable procède, sous le contrôle du responsable du laboratoire agréé ou du représentant de l'Administration, au relevé du volume d'eau enregistré par les dispositifs de comptage installés sur les conduites d'alimentation en eau et sur les voies d'évacuation des eaux usées et, le cas échéant, au relevé des niveaux d'eau dans les différents réservoirs, ou toute autre indication permettant d'estimer la répartition des différents flux.
Le redevable communique d'initiative au responsable du laboratoire agréé les chiffres de production de l'entreprise nécessaires à l'établissement de la taxe pendant la période de prélèvement et tout autre élément d'information permettant d'apprécier le caractère représentatif des eaux usées déversées pendant cette période.
Les informations visées aux alinéas 1er et 2 sont annexées au rapport du laboratoire agréé. Le redevable joint le rapport complet du laboratoire agréé à la déclaration qu'il adresse à l'Administration conformément à l'article D.278.
Le laboratoire agréé envoie directement, par voie électronique, à l'Administration une copie du rapport d'analyse pour chaque prélèvement et de toutes les remarques techniques et observations diverses attestant de la régularité des opérations de prélèvement et utiles à la bonne interprétation des résultats.
§ 3. Durant toute la durée du prélèvement, le représentant de l'Administration procède aux contrôles qu'il juge nécessaires et communique, le cas échéant, au responsable du laboratoire toute instruction utile au bon déroulement des opérations d'échantillonnage.]1

B. [1 Bepaling van de waarden van de parameters]1
B. [1 Détermination des valeurs des paramètres]1
Art. R328. [1 § 1. De analyses worden uitgevoerd overeenkomstig de door het " Institut scientifique de Service public (ISSeP) " goedgekeurde procedures.
§ 2. Alle uitgevoerde analyses hebben betrekking op het geheel van de parameters waarmee N1, N2 en N3 berekend kunnen worden. De belastingplichtige kan een aanvraag om vrijstelling van de bepaling van de waarden van die parameters aan het Bestuur schriftelijk richten indien hij het bewijs levert dat de waarden van bepaalde parameters, rekening houdend met de aard van de binnen het bedrijf aangewende producten en processen, slechts gelijk aan nul zijn of dicht bij de detectiegrens liggen. Indien nieuwe elementen gebonden aan de productie, de processen of de zuiveringsinstallaties een wijziging van de lozingsvoorwaarden als gevolg kunnen hebben, verwittigt de belastingplichtige er het Bestuur van. Indien het Bestuur gezien die elementen van mening is dat de vrijstelling niet meer gerechtvaardigd wordt, beslist het de schrapping ervan.
§ 3. De aanvraag om vrijstelling moet met redenen omkleed zijn en vóór 30 september van het jaar voor het winningsjaar schriftelijk gericht worden volgens een communicatiewijze bepaald in § 4. Binnen tien dagen na de zending of de overbrenging van de aanvraag om vrijstelling stuurt het bestuur de belastingplichtige een bericht van ontvangst van de aanvraag volgens een communicatiewijze bepaald in § 4. De beslissing van het Bestuur wordt uiterlijk op 30 december van het jaar voor het winningsjaar schriftelijk gericht aan de belastingplichtige volgens een communicatiewijze bepaald in § 4.
§ 4. De volgende wijzen van communicatie worden voor de in § 3 bedoelde mededelingen en zendingen gebruikt :
aangetekende zending met ontvangstbericht;
elke gelijksoortige formule als de in 1° bedoelde zending, die de verzend- en ontvangstdatum van de akte waarborgen;
neerlegging tegen ontvangstbewijs;
e-mail indien de procedure gedematerialiseerd wordt overeenkomstig de door de Minister bepaalde modaliteiten en voorwaarden.]1

Art. R328. [1 § 1er. Les analyses sont effectuées conformément aux procédures approuvées par l'ISSeP.
§ 2. Toutes les analyses effectuées portent sur l'ensemble des paramètres permettant de calculer N1, N2 et N3. Le redevable peut adresser par écrit à l'Administration une demande de dispense de la détermination des valeurs de ces paramètres en apportant la preuve que les valeurs de certains paramètres ne peuvent être que nulles ou proches du seuil de détection compte tenu de la nature des produits et des procédés mis en oeuvre dans l'entreprise. Si des éléments nouveaux liés à la production, aux processus ou aux installations d'épuration peuvent induire une modification des conditions de rejet le redevable en avertit l'Administration. Si celle-ci estime, au vu de ces éléments, que la dispense n'est plus justifiée, elle en décide la suppression.
§ 3. La demande de dispense est motivée et adressée par écrit, selon un mode de communication prévu au paragraphe 4, avant le 30 septembre de l'année qui précède l'année de prélèvement. L'Administration transmet au redevable, selon un mode de communication prévu au paragraphe 4, un accusé de réception de la demande dans les dix jours qui suivent la date d'envoi ou de transmission de la demande de dispense. La décision de l'Administration est communiquée par écrit au redevable au plus tard le 30 décembre de l'année qui précède l'année de prélèvement, selon un mode de communication prévu au paragraphe 4.
§ 4. Les modes de communication suivants sont utilisés pour les notifications et envois visés au paragraphe 3 :
envoi recommandé avec accusé de réception;
recours à toute formule similaire à l'envoi recommandé visé au 1° permettant de donner date certaine à l'envoi et à la réception de l'acte;
dépôt contre récépissé;
courrier électronique si la procédure est dématérialisée, conformément aux modalités et conditions fixées par le Ministre.]1

Art. R329. [1 § 1. De debietmeting wordt voortdurend over een periode gelijk aan de winningsperiode uitgevoerd volgens de vigerende normen en volgens de technische voorschriften van de fabrikanten van het meetsysteem.
§ 2. Wanneer de inrichting over een systeem voor de voortdurende meting van het debiet beschikt, kan het systeem door het erkende laboratorium, dat zich over de geldigheid van de geregistreerde metingen verzekert, gebruikt worden.
§ 3. De belastingplichtige zorgt voor de regelmatige metrologische opvolging van zijn debietmetingstoestellen volgens de door de fabrikant aanbevolen frequentie. Er wordt een getuigschrift van goede werking ter beschikking gesteld van het Bestuur.
§ 4. Wanneer het toegelaten dagelijkse debiet hoger is dan 100 m3, wordt de meting van het geloosde debiet voortdurend uitgevoerd. De toestellen voor de meting van het debiet worden uitgerust met een recorder of een data-acquisitiesysteem met een totalisator van het dagelijkse debiet. De samenvattende tabellen per maand en per jaar voor die gegevens worden bij de jaarlijkse aangifte gevoegd.
§ 5. Wanneer de monsternamekamer de installatie van een continu meetsysteem niet mogelijk maakt en voor zover het dagelijkse volume van het geloosde water niet hoger is dan 100 m3/d, kan het bij de uitvoering van de monstername geloosde debiet op grond van de tijdens de winningsperiode opgemeten waterconsumpties geraamd worden. Het erkende laboratorium legt het ramingsprincipe in zijn analyseverslag uit.]1

Art. R329. [1 § 1er. La mesure de débit s'effectue en continu sur une période identique à celle du prélèvement, suivant les normes en vigueur et les prescriptions techniques du constructeur du système de mesure.
§ 2. Lorsque l'établissement dispose d'un système de mesure en continu du débit, ce système peut être utilisé par le laboratoire agréé qui s'assure de la validité des mesures enregistrées.
§ 3. Le redevable veille au suivi métrologique régulier de ses appareils de mesure de débit selon la fréquence préconisée par le fabricant. Un certificat de bon fonctionnement est tenu à disposition de l'Administration.
§ 4. Lorsque le débit journalier autorisé dépasse 100 m3, la mesure du débit rejeté est réalisée en continu. Les dispositifs de mesure du débit sont équipés d'un enregistreur ou d'un système d'acquisition des données avec un totalisateur du débit journalier. Les tableaux récapitulatifs par mois et par année de ces données sont joints à la déclaration annuelle.
§ 5. Lorsque la chambre de prélèvement ne permet pas l'installation d'un système de mesure en continu et que le volume journalier des eaux déversées n'excède pas 100 m3 par jour, le débit rejeté lors de la réalisation du prélèvement peut être estimé sur base des consommations d'eau relevées durant la période de prélèvement. Le laboratoire agréé explicite le principe d'estimation dans son rapport d'analyse.]1

Art. R330. [1 § 1. De ecotoxiciteitsparameter "TU" bepaald in artikel D.262 wordt uitgevoerd wanneer de belastingplichtige onder de in bijlage XKI bepaalde activiteitensector(en) valt. De analyse van die ecotoxiciteitsparameter wordt door een erkend laboratorium verricht.
§ 2. Het in § 1 bedoelde erkende laboratorium gebruikt de volgende analysemethoden :
ofwel een doe-het-zelftest die daphnia uit de ontluiking van slapende eieren gebruikt;
ofwel een conventionele methode die daphnia uit een teelt die binnen wordt gehouden, gebruikt.
§ 3. Het laboratorium erkend in één van de drie categorieën A, B of C van bijlage IX bij Boek I van het Milieuwetboek wordt voor de in § 2 bepaalde methode erkend indien het een attest voorlegt, waarbij wordt bewezen dat bedoeld laboratorium een opleiding georganiseerd door het referentielaboratorium van het "ISSeP" heeft gevolgd en regelmatig deelneemt aan proeven tussen laboratoria die georganiseerd worden door instellingen erkend voor de organisatie van dit soort proeven.]1

Art. R330. [1 § 1er. Le paramètre d'écotoxicité "TU" défini à l'article D.262 est réalisé lorsque le redevable relève du ou des secteurs d'activités visés à l'annexe XLI. L'analyse de ce paramètre d'écotoxicité est effectuée par un laboratoire agréé.
§ 2. Le laboratoire agréé visé au paragraphe 1er utilise les méthodes d'analyses suivantes :
soit une méthode en kit utilisant des daphnies issues de l'éclosion d'oeufs dormants;
soit une méthode conventionnelle qui utilise des daphnies issues d'un élevage maintenu en interne.
§ 3. Le laboratoire agréé dans une des trois catégories A, B ou C de l'annexe IX du Livre Ier du Code de l'Environnement est agréé pour la méthode décrite au paragraphe 2, 1°, dès lors qu'il procure une attestation démontrant avoir suivi une formation organisée par le laboratoire de référence de l'ISSeP et qu'il participe régulièrement à des essais inter-laboratoires organisés par des organismes accrédités pour l'organisation de ce type d'essais.]1

Art. R331. [1 § 1. Wat betreft de vaststelling van de verontreinigende last N4, is het gemiddelde temperatuurverschil toegepast aan het jaarlijkse volume koelwater gelijk aan het verschil tussen de gemiddelde temperatuur van het geloosde water en de gemiddelde temperatuur van het afgetapt water zoals bepaald aan het begin van een voortdurende registratie van de temperaturen. Het verschil kan ook overeenstemmen met het rekenkundig gemiddelde van het tijdverschil gemeten tussen die twee temperaturen.
§ 2. De belastingplichtige die koelwater loost, gaat tot de metingen van temperatuur bedoeld in § 1 volgens de richtlijnen van het Bestuur over.]1

Art. R331. [1 § 1er. En ce qui concerne la détermination de la charge polluante N4, l'écart moyen de température appliqué au volume annuel d'eaux de refroidissement est égal à l'écart entre la température moyenne des eaux déversées et la température moyenne des eaux prélevées telles que déterminées au départ d'un enregistrement continu des températures. L'écart peut également correspondre à la moyenne arithmétique des écarts horaires mesurés entre ces deux températures.
§ 2. Le redevable rejetant des eaux de refroidissement procède aux mesures de température visées au paragraphe 1er suivant les directives de l'Administration.]1

Art. R332. [1 Het Bestuur hoeft de tijdens een bijzondere vervuilingsfase opgemeten waarden niet langer in aanmerking te nemen indien die fase klaarblijkelijk een toevallig, niet repetitief en kortstondig karakter vertoont en niet te wijten is aan de permanente nalatigheid van de belastingplichtige.]1
Art. R332. [1 L'Administration peut renoncer à prendre en compte les valeurs relevées lors d'un épisode particulier de pollution lorsque celui-ci présente manifestement un caractère accidentel, non répétitif et de courte durée et lorsqu'il n'est pas imputable à la négligence continue du redevable.]1
C. [1 Modaliteiten i.v.m. met het in aanmerking nemen van de parameters]1
C. [1Modalités de prise en compte des paramètres]1
Art. R333. [1 § 1. Als het Bestuur beschikt over het resultaat van de analyses uitgevoerd op verschillende voldoende representatief geachte monsters die op dezelfde loosplaats zijn genomen, wordt de verontreinigende last N1 bepaald op grond van het gemiddelde dagelijkse debiet en van het rekenkundige gemiddelde van de opgemeten waarden van de parameters SS en COD.
Indien de tijdens de periodes van monsternemingen geloosde hoeveelheid is opgemeten, neemt het Bestuur, het gewogen gemiddelde van de opgemeten waarden van de in het eerste lid bedoelde parameters in aanmerking door aan ieder van hen een gewicht toe te kennen dat evenredig is met de geloosde hoeveelheid.
Indien één of meerdere waarden van de tijdens de periodes van monsternemingen geloosde hoeveelheid ontbrekend zijn, wordt de verontreinigende last N1 bepaald op grond van het gemiddelde dagelijkse debiet en van het rekenkundige gemiddelde van de opgemeten waarden van de parameters bedoeld in het eerste lid.
Wanneer N1 op grond van één of twee jaarlijkse monsters wordt berekend, is het gemiddelde dagelijkse debiet de gemiddelde hoeveelheid van de representatieve monsters. Het gemiddelde dagelijkse debiet is representatief van de drukste maand van het jaar en mag niet kleiner zijn dan het jaarlijkse debiet gedeeld door het aantal aangegeven lozingsdagen.
Wanneer N1 op grond van twee monsters wordt berekend, is het gemiddelde dagelijkse debiet gelijk aan het jaarlijkse debiet gedeeld door het aantal aangegeven lozingsdagen.
§ 2. De verontreinigende lasten N1 worden afzonderlijk per loospunt berekend. Indien het bedrijf zijn industrieel afvalwater echter op verschillende plaatsen loost waarvan minstens, 225 dagen per jaar wordt gebruikt, wordt elke loosplaats van dat type omgezet in een waterlozingspunt met dezelfde kenmerken, waar geloosd wordt tijdens een aantal dagen dat gelijk is aan het jaarlijks aantal dagen waarop een of andere lozing is vastgesteld.
§ 3. Als afvalwater wordt geloosd tijdens de periodes waar de activiteit van het bedrijf gelijk aan nul of zeer beperkt is, met een gemiddelde dagelijkse last die kleiner is dan 10 % van de gemiddelde dagelijkse last geloosd tijdens de normale activiteitsperiodes van het bedrijf, hoeft het Bestuur, voor de bepaling van de verontreinigende last N1 niet langer rekening te houden met de buiten de normale activiteitsperiode van het bedrijf verrichte lozing.]1

Art. R333. [1 § 1er. Lorsque l'Administration dispose du résultat des analyses menées sur plusieurs échantillons jugés suffisamment représentatifs prélevés à des périodes différentes sur un même point de rejet, la charge polluante N1 est déterminée sur la base du débit moyen journalier et de la moyenne des valeurs mesurées des paramètres matières en suspension (M.S.) et demande chimique en oxygène décantée deux heures (D.C.O.)
Si le volume déversé au cours des périodes de prélèvement a été mesuré, l'Administration prend en compte la moyenne pondérée des valeurs mesurées des paramètres visés à l'alinéa 1er en attribuant à chacune d'elles un poids proportionnel au volume déversé.
Si une ou plusieurs mesures du volume déversé au cours des périodes de prélèvement sont manquantes, la charge polluante N1 est déterminée sur base du débit moyen journalier et de la moyenne arithmétique des paramètres visés à l'alinéa 1er.
Lorsque N1 est calculé sur base d'un ou de deux échantillons annuels, le débit moyen journalier est le débit moyen des échantillons représentatifs. Le débit moyen journalier est représentatif du mois de plus grande activité de l'année et ne peut être inférieur au débit annuel divisé par le nombre de jours de déversement déclaré.
Lorsque N1 est calculé sur base de plus de deux échantillons, le débit moyen journalier est égal au débit annuel divisé par le nombre de jours de déversement déclaré.
§ 2. Les charges polluantes N1 sont calculées séparément par point de rejet. Toutefois, si l'entreprise compte plusieurs points de rejet d'eaux usées industrielles dont un au moins débite pendant moins de 225 jours par an, chaque point de rejet de ce type est converti en un point de rejet d'eau de mêmes caractéristiques débitant pendant un nombre de jours égal au nombre annuel de jours au cours desquels un déversement quelconque a été observé.
§ 3. Lorsque des eaux usées sont déversées pendant des périodes d'activité nulle ou très réduite de l'entreprise avec une charge journalière moyenne inférieure à dix pourcent de la charge journalière moyenne déversée pendant les périodes d'activité normale de l'entreprise, l'Administration peut renoncer à prendre en compte le rejet effectué en dehors de la période d'activité normale de l'entreprise pour la détermination de la charge polluante N1.]1

Art. R334. [1 Als het Bestuur beschikt over het resultaat van de analyses uitgevoerd op verschillende monsters die tijdens verschillende periodes op dezelfde loosplaats zijn genomen, worden de verontreinigende lasten N2 en N3 alsook [2 , in voorkomend geval,]2 de toxische last N 5 bepaald op grond van de gemiddelde dagelijkse hoeveelheid geloosd industrieel afvalwater en van het rekenkundige gemiddelde van de opgemeten waarden van de parameters "zware metalen, voedingsstoffen en ecotoxiciteit".
Indien de tijdens de periodes van monsternemingen geloosde hoeveelheid is opgemeten, neemt het Bestuur, het gewogen gemiddelde van de opgemeten waarden van die parameters in aanmerking.
De verontreinigende lasten [2 N1,]2 N2, N3, N4 alsook [2 , in voorkomend geval,]2 de verontreinigende last gebonden aan de toxiciteitsgraad N5 worden verkregen door optelling van de met elk loospunt overeenstemmende verontreinigende lasten die aan de hand van de in artikel D.262 bedoelde formule zijn vastgesteld.]1

Art. R334. [1 Lorsque l'Administration dispose du résultat des analyses menées sur plusieurs échantillons prélevés à des périodes différentes sur un même point de rejet, les charges polluantes N2 et N3 ainsi que [2 , le cas échéant,]2 la charge toxique N5 sont déterminées sur la base du volume annuel d'eaux usées industrielles déversées et de la moyenne arithmétique des valeurs mesurées des paramètres "métaux lourds, nutriments et écotoxicité".
Si le volume déversé au cours des périodes de prélèvement a été mesuré, l'Administration prend en compte la moyenne pondérée au volume déversé des valeurs mesurées de ces paramètres.
Les charges polluantes [2 N1,]2 N2, N3, N4 ainsi que [2 , le cas échéant,]2 la charge polluante liée au degré de toxicité N5 s'obtiennent en additionnant les charges correspondantes de chaque point de rejet, déterminées suivant la formule définie à l'article D.262.]1

Art. R335. [1 § 1. Voor de belastingplichtigen die het voorwerp uitmaken van een intern bewakingsplan van de milieueisen kan het Bestuur het gebruik van de analyses uitgevoerd in dit kader toelaten onder de hierna vermelde voorwaarden :
a) de analyses hebben betrekking op de parameters vermeld in bijlage D.262;
b) de regels inzake monsterneming en analyses bedoeld in punt 326, § 1, moeten nageleefd worden;
c) de in aanmerking genomen frequentie van de analyses mag niet kleiner zijn dan de in artikel R.326, § 1 bedoelde minimumfrequenties van de bemonsteringen.
Wanneer de belastingplichtige ertoe gemachtigd wordt, die analyses te gebruiken, moet hij in zijn aangifte het geheel van de analyses die bedoeld zijn in zijn interne bewakingsplan van de milieueisen m.b.t. de belastingparameters medeleden en de minimale analysefrequentie door een erkend laboratorium mag niet kleiner zijn dan twee per jaar.]1

Art. R335. [1 § 1er. Pour les redevables faisant l'objet d'un plan interne de surveillance des obligations environnementales, l'Administration peut autoriser l'utilisation des analyses effectuées dans ce cadre aux conditions prévues ci-après :
a) les analyses doivent porter sur les paramètres visés à l'article D.262;
b) les règles en matière de prélèvement et d'analyses visés au point 326, § 1er, doivent être respectées;
c) la fréquence des analyses prise en compte ne peut être inférieure aux fréquences d'échantillonnage minimales prévue à l'article R.326, § 1er.
Lorsque le redevable est autorisé à utiliser ces analyses, il est tenu de communiquer dans sa déclaration l'ensemble des analyses prévues dans son plan interne de surveillance des obligations environnementales portant sur les paramètres de taxation et la fréquence minimale d'analyse par un laboratoire agréé ne peut être inférieure à deux par an.]1

Onderafdeling 3. - [1 Algemene bepalingen]1
Sous-section 3. - [1 Dispositions générales]1
Art. R336. [1 De waarden van Q, Q1, Q2, SS en COD die rechtstreeks tussenkomen in de berekening van de verontreinigende lasten en zijn uitgedrukt in de bij artikel D.262 vastgestelde eenheden, worden op het hele aantal naar boven afgerond.
De waarden van N, P, Tu en dt die rechtstreeks tussenkomen in de berekening van de verontreinigende lasten en zijn uitgedrukt in de bij artikel D.262 vastgestelde eenheden, worden op de eerste decimaal naar boven afgerond.
De waarde van d, aantal zonder dimensie dat rechtstreeks tussenkomt in de berekening van de verontreinigende last, alsmede de waarden van N1, N2, N3, N4 en N5, uitgedrukt in verontreinigende lasteenheden, worden op de tweede decimaal naar boven afgerond.
De waarden van Xi, Yi en Zi die rechtstreeks tussenkomen in de berekening van de verontreinigende lasten en zijn uitgedrukt in de bij artikel D.262 vastgestelde eenheden, worden op de derde decimaal naar boven afgerond.
De in euro uitgedrukte bedragen van de belasting worden op de hogere eurocent afgerond.]1

Art. R336. [1 Les valeurs de Q, Q1, Q2, MS et DCO intervenant directement dans le calcul des charges polluantes et exprimées dans les unités définies par l'article D.262 sont arrondies au nombre entier supérieur.
Les valeurs de N, P, TU et dt, intervenant directement dans le calcul des charges polluantes et exprimées dans les unités définies par l'article D.262 sont arrondies à la première décimale supérieure.
La valeur de d, nombre sans dimension, intervenant directement dans le calcul de N1 ainsi que les valeurs de N1, N2, N3, N4 et N5 exprimées en unités de charge polluante sont arrondies à la deuxième décimale supérieure.
Les valeurs de Xi, Yi et Zi, intervenant directement dans le calcul des charges polluantes et exprimées dans les unités définies par l'article D.262 sont arrondies à la troisième décimale supérieure.
Les montants de la taxe exprimés en euro sont arrondis au cent supérieur.]1

HOOFDSTUK IVbis. [1 - Vaststelling van de kosten van de industriële sanering betreffende de lozing van industrieel afvalwater]1
CHAPITRE IVbis. [1 - Etablissement du coût d'assainissement industriel relatif au déversement des eaux usées industrielles]1
Afdeling 1. [1 - Algemeen]1
Section 1re. [1 - Généralités]1
Art. R336 /1. [1 Voor de ondernemingen gebonden door een contract voor industriële sanering zijn de in de artikelen R.332 tot R.336 bedoelde voorwaarden van toepassing voor de vaststelling van de kosten van de industriële sanering. In dit kader worden de bevoegdheden van de Administratie aan de "S.P.G.E." toevertrouwd.]1
Art. R336 /1. [1 Pour les entreprises liées par un contrat d'assainissement industriel, les conditions visées aux articles R. 332 à R. 336 sont applicables pour l'établissement du coût d'assainissement industriel. Dans ce cadre, les compétences de l'Administration sont dévolues à la S.P.G.E..]1
Art. R336 /2. [1 De in euro uitgedrukte bedragen van de reële kostprijs van de industriële sanering en van de kosten van de industriële sanering worden op de hogere eurocent afgerond.]1
Art. R336 /2. [1 Les montants du coût vérité d'assainissement industriel et du coût d'assainissement industriel exprimés en euro sont arrondis au cent supérieur.]1
Art. R336 /3.[1 § 1. De Minister bepaalt de technische conversiefactoren, het standaardproces-verbaal van monsterneming, het analyseverslag en de herziening van de eenheidstarieven [2 en van de coëfficiënten voor de berekening van de reële kostprijs van de industriële sanering]2.
§ 2. De belastingplichtige deelt de verplichtingen en rechten voortvloeiend uit zijn milieuvergunning betreffende het deel gebonden aan afvalwater aan de "S.P.G.E." mede.
§ 3.Op verzoek van de belastingplichtige kan de Administratie de door de "S.P.G.E." uitgevoerde berekening van de belasting verifiëren.
§ 4. De aan de "S.P.G.E." overgemaakte gegevens betreffende het industrieel afvalwater worden overeenkomstig artikel D.278, § 6, ter beschikking gesteld van het Waalse Gewest.]1

Art. R336 /3.[1 § 1er. Le Ministre fixe les facteurs techniques de conversion, le procès-verbal type de prélèvement, le bulletin d'analyse et les révisions des tarifs unitaires [2 et des coefficients de calcul du Coût-Vérité Assainissement Industriel]2.
§ 2. Le redevable communique à la S.P.G.E. les obligations et droits qui découlent de son permis d'environnement relatifs à la partie liée aux eaux usées.
§ 3. A la demande du redevable, l'Administration peut effectuer une vérification du calcul de la taxe réalisé par la S.P.G.E.
§ 4. Les données concernant les eaux industrielles transmises à la S.P.G.E. sont mises à disposition de la Région wallonne conformément à l'article D. 278, § 6.]1

Afdeling 2. [1 - Monsternemingen, metingen en aangifte]1
Section 2. [1 - Echantillonnages, relevés et déclaration]1
Art. R336 /4. [1 Voor de jaarlijkse vaststelling van de kosten van de industriële sanering uiterlijk op 31 maart deelt de onderneming het door de Minister bepaalde aangifteformulier aan de "S.P.G.E." mede.]1
Art. R336 /4. [1 Pour la détermination du coût assainissement industriel, chaque année, pour le 31 mars au plus tard, l'entreprise communique à la S.P.G.E. le formulaire de déclaration fixé par le Ministre.]1
Art. R336 /5. [1 § 1. Voor de vaststelling van de reële gemiddelde waarden van de berekeningsparameters gaat de onderneming gebonden door een contract voor industriële sanering tot monsternemingen over in verhouding tot de hoeveelheid industrieel afvalwater geloosd tijdens een periode van minstens 24 uren en volgens een minimale frequentie van bemonstering omschreven in bijlage XL. Wanneer de milieuvergunning of de sectorale voorwaarde van toepassing op de lozing van afvalwater een hogere frequentie van bemonstering voorschrijft, wordt laatstgenoemde toegepast.
§ 2. De analyses worden op kosten van de belastingplichtige door een erkend laboratorium uitgevoerd en worden gevoegd bij de aangifte die de belastingplichtige aan de "S.P.G.E." overmaakt. Het erkende laboratorium zendt de "S.P.G.E" rechtstreeks langs elektronische weg een afschrift van het analyseverslag voor elke monsterneming en van alle technische en diverse opmerkingen die de regelmatigheid van de monsternemingsverrichtingen bevestigen en die nuttig zijn voor de goede interpretatie van de resultaten.
De modaliteiten voor de uitvoering van de monsterneming zijn degene die bedoeld zijn in de artikelen R.326 en R.327.Voor de toepassing van bedoelde bepalingen kan de "S.P.G.E." de rol van de Administratie vervullen.
§ 3. Indien de belastingplichtige in overeenstemming met de "S.P.G.E." kiest om de maximale waarden vermeld in de milieuvergunning aan te geven, is hij niet gehouden om een toezichtcampagne uit te voeren. De aangegeven nitraatconcentratie mag niet de maximale waarde vermeld in de milieuvergunning zijn.
§ 4. De "S.P.G.E." kan onverwacht en op haar kosten een debietmeting en een monsterneming voor analyse uitvoeren of laten uitvoeren. De resultaten worden aan de belastingplichtige en aan de "S.P.G.E." meegedeeld en worden niet opgenomen in de frequentie van bemonstering die aan de belastingplichtige overeenkomstig paragraaf 2 wordt voorgeschreven .
Het monsternemingspunt zal gelijk zijn aan het punt gebruikt voor de aan het toezicht gebonden analyses of, bij gebreke daarvan, aan de toegankelijke en aangepaste plaats vóór het opvangnetwerk.
De metingen worden in de berekening van de reële kostprijs van de industriële sanering in aanmerking genomen en worden in het aangifteformulier door de belastingplichtige aangegeven.
§ 5. Tijdens de verrichting van de in § 4 bedoelde meting bezorgt de belastingplichtige de "S.P.G.E." alle informatie waarmee het monsternemingsformulier ingevuld kan worden alsook het door de Minister vastgestelde analyseverslag.]1

Art. R336 /5. [1 § 1er. Pour la détermination des valeurs moyennes réelles des paramètres du calcul, l'entreprise liée par contrat d'assainissement industriel procède à des échantillonnages asservis au débit des eaux usées industrielles déversées pendant une période d'au moins vingt-quatre heures et selon une fréquence d'échantillonnage minimale détaillée à l'annexe XL. Lorsque le permis d'environnement ou la condition sectorielle applicable au déversement des eaux usées prescrit une fréquence d'échantillonnage plus élevée, cette dernière est appliquée.
§ 2. Les analyses sont réalisées par un laboratoire agréé, aux frais du redevable et sont jointes à la déclaration que le redevable fournit à la S.P.G.E.. Le laboratoire agréé envoie directement, par voie électronique à la S.P.G.E., une copie du rapport d'analyse pour chaque prélèvement et de toutes remarques techniques et diverses attestant de la régularité des opérations de prélèvement et utiles à la bonne interprétation des résultats.
Les modalités de réalisation d'échantillonnage sont celles prévues aux articles R. 326 et R. 327. Pour l'application de ces dernières dispositions, la S.P.G.E. peut exercer le rôle de l'Administration.
§ 3. Si, en accord avec la S.P.G.E., le redevable choisit de déclarer les valeurs maximales qui figurent dans le permis d'environnement, il n'est pas tenu de réaliser de campagne de surveillance. La concentration en nitrate déclarée ne peut pas être la valeur maximale qui figure dans le permis d'environnement.
§ 4. La S.P.G.E. peut effectuer ou faire effectuer, à ses frais et de manière inopinée, une mesure de débit et un prélèvement pour analyse. Les résultats sont communiqués au redevable et à la S.P.G.E. et ne sont pas comptabilisés dans la fréquence d'échantillonnage prescrite au redevable en application du paragraphe 2.
Le point de prélèvement sera identique à celui utilisé pour les analyses liées à la surveillance ou, à défaut, à l'endroit accessible et approprié avant le réseau de collecte.
Les relevés sont pris en compte dans le calcul du coût-vérité assainissement industriel et sont repris par le redevable dans le formulaire de déclaration.
§ 5. Lors de la réalisation du relevé mentionné au § 4, le redevable fournit à la S.P.G.E. l'ensemble des informations permettant de remplir le formulaire de prélèvement ainsi que le bulletin d'analyses définis par le Ministre.]1

Afdeling 3. [1 - Vaststelling van de reële kostprijs bij gebrek aan informatie verstrekt door de onderneming]1
Section 3. [1 - Etablissement du coût d'assainissement industriel en l'absence d'informations fournies par l'entreprise]1
Art. R336 /6. [1 § 1. Wanneer de waarden van parameters vermeld in de berekeningsformule bedoeld in artikel D.262 door de "S.P.G.E." niet bekend zijn en door haar niet geëvalueerd kunnen worden vanaf de beoordelingselementen waarover ze beschikt, of indien de betrouwbare vaststelling van de reële gemiddelde waarden van de parameters blootgesteld is aan moeilijkheden van technische of economische aard, berekent de "S.P.G.E." de verontreinigingsbelasting op basis van een gesimplificeerde formule overeenkomstig paragraaf 2.
§ 2. Op basis van de debietwaarde verstrekt door de onderneming of, bij gebreke daarvan, verkregen overeenkomstig artikel D.260 berekent de "S.P.G.E.", voor elke lozing, de reële kostprijs van de industriële sanering aan de hand van de formule van het eenheidstarief zoals vastgesteld in bijlage LVII alsook het gelijkwaardige bedrag van de belasting volgens de gesimplificeerde formule van de verontreinigingsbelasting zoals vastgesteld in de artikelen D.265 en D.266, volgens de activiteitensector.]1

Art. R336 /6. [1 § 1er. Lorsque, pour un rejet, les valeurs de paramètres repris dans la formule de calcul visée à l'article D. 262 ne sont pas connues de la S.P.G.E. et ne peuvent être évaluées par elle au départ des éléments d'appréciation dont elle dispose, ou si la détermination fiable des valeurs moyennes réelles des paramètres se heurte à des difficultés d'ordre technique ou économique, la S.P.G.E. calcule la charge polluante sur base d'une formule simplifiée conformément au paragraphe 2.
§ 2. Pour chaque rejet, sur base de la valeur de débit fournie par l'entreprise, ou à défaut, obtenue en application de l'article D. 260, la S.P.G.E. calcule le coût-vérité assainissement industriel au moyen de la formule de tarif unitaire telle que fixée en annexe LVII ainsi que l'équivalent de taxe selon la formule simplifiée de la charge polluante telle que fixée aux articles D. 265 et D. 266, selon le secteur d'activités.]1

Art. R336 /7. [1 § 1. Wanneer de onderneming voor een lozing geen gegeven verstrekt of wanneer haar aangifte krachtens artikel D.260, § 3, onvolledig is, kan de "S.P.G.E." ofwel:
tot een meting laten overgaan, die voor de berekening van de reële kostprijs van de industriële sanering en van de belasting op basis van de volledige formule dient;
een debietmeting uitvoeren met een meting van de nuttige parameters en de reële kostprijs van de industriële sanering en van de belasting volgens de in artikel R.336/6, § 2, bedoelde methode berekenen;
de kosten van de industriële sanering betreffende deze lozing overeenstemmend met die van het vorige jaar vaststellen ;
de middenkosten van de industriële sanering betreffende het geheel van de inrichtingen van de activiteitensector van de inrichting vaststellen.
§ 2. De analysekosten waarvan sprake in § 1 zijn ten laste van de belastingplichtige.
§ 3. Bij gebrek aan mededeling van de gegevens of in geval van onvolledige mededeling van bedoelde gegevens worden de kosten berekend op basis van de hierboven vermelde methode vermenigvuldigd met een coëfficiënt waarvan de waarde in artikel 11.1 van bijlage LVII wordt vastgesteld.]1

Art. R336 /7. [1 § 1er. Lorsque, pour un rejet, l'entreprise ne fournit aucune donnée ou que sa déclaration en vertu de l'article D. 260, § 3, est incomplète, la S.P.G.E. peut, soit :
faire procéder à un relevé qui sert au calcul du coût-vérité assainissement industriel et de la taxe sur base de la formule complète;
réaliser une mesure de débit avec une mesure des paramètres utiles et calculer le coût-vérité assainissement industriel et la taxe selon la méthode fixée à l'article R.336/6, § 2;
fixer le coût assainissement industriel afférent à ce rejet correspondant à celui de l'année précédente;
fixer le coût assainissement industriel médian afférant à l'ensemble des établissements du secteur d'activité de l'établissement.
§ 2. Les frais d'analyse dont mention au paragraphe 1er sont portés à charge du redevable.
§ 3. En l'absence de communication des données ou en cas de communication incomplète de celles-ci, le coût calculé sur base de la méthode mentionnée ci-dessus est multiplié par un coefficient dont la valeur est établie à l'article 11.1 de l'annexe LVII.]1

HOOFDSTUK V. - [1 Milieulast veroorzaakt door de landbouwbedrijven]1
CHAPITRE V. - [1 Charge environnementale générée par les exploitations agricoles]1
Afdeling 1. - [1 Vaststelling van de belasting op de milieulasten veroorzaakt door de landbouwbedrijven]1
Section 1re. - [1 Etablissement de la taxe sur les charges environnementales générées par les exploitations agricoles]1
Art. R337. [1 De belastingplichtige dient een aangifte in volgens de formule vastgesteld door de Minister bevoegd voor het Waterbeleid.
De Minister wordt ertoe gemachtigd om de voorwaarden waarin de belastingplichtige zijn aangifte per e-mail kan indienen, te bepalen.]1

Art. R337. [1 Le redevable introduit une déclaration selon la formule fixée par le Ministre qui a la politique de l'eau dans ses attributions.
Le Ministre est habilité à fixer les conditions dans lesquelles le redevable peut fournir sa déclaration par voie électronique.]1

Art. R338.
Art. R338.
Art. R339.
Art. R339.
Art. R340.
Art. R340.
Art. R341.
Art. R341.
Art. R342.
Art. R342.
Art. R343.
Art. R343.
Art. R344.
Art. R344.
Art. R345.
Art. R345.
Art. R346.
Art. R346.
Art. R347.
Art. R347.
Art. R348.
Art. R348.
Art. R349.
Art. R349.
Art. R350.
Art. R350.
Art. R351.
Art. R351.
Art. R352.
Art. R352.
Art. R353.
Art. R353.
Art. R354.
Art. R354.
Art. R355.
Art. R355.
Art. R356.
Art. R356.
Art. R357.
Art. R357.
Art. R358.
Art. R358.
Art. R359.
Art. R359.
Art. R360.
Art. R360.
Art. R361.
Art. R361.
Art. R362.
Art. R362.
Art. R363.
Art. R363.
Art. R364.
Art. R364.
Art. R365.
Art. R365.
Art. R366.
Art. R366.
Art. R367.
Art. R367.
Art. R368.
Art. R368.
Art. R369.
Art. R369.
Art. R370.
Art. R370.
Art. R371.
Art. R371.
Art. R372.
Art. R372.
Art. R373.
Art. R373.
Art. R374.
Art. R374.
Art. R375.
Art. R375.
Art. R376.
Art. R376.
Art. R377.
Art. R377.
Art. R378. § 1. Als het [1 Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Departement Leefmilieu en Water, van de Waalse Overheidsdienst]1, beschikt over het resultaat van de analyses uitgevoerd op verschillende voldoende representatief geachte monsters die op dezelfde loosplaats zijn genomen, wordt de verontreinigende last N1 bepaald op grond van de gemiddelde dagelijkse hoeveelheid en van het rekenkundige gemiddelde van de opgemeten waarden van de parameters SS en COD. Indien de tijdens de periodes van monsternemingen geloosde hoeveelheid is opgemeten, neemt het [1 Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Departement Leefmilieu en Water, van de Waalse Overheidsdienst]1, het gewogen gemiddelde van de opgemeten waarden van die parameters in aanmerking door aan ieder van hen een gewicht toe te kennen dat evenredig is met de geloosde hoeveelheid.
De gemiddelde dagelijkse hoeveelheid is gelijk aan die van de drukste maand van het jaar.
§ 2. [2 De verontreinigende lasten N1 worden afzonderlijk per lozingspunt berekend.
Daartoe wordt het dagelijkse gemiddelde debiet in omgekeerde verhouding tot de fictieve verhoging van het aantal lozingsdagen verminderd. De globale verontreinigingsbelasting N1 wordt verkregen na optelling van de overeenstemmende verontreinigende lasten van elk lozingpunt, die vastgesteld zijn volgens de formule bepaald in artikel 262 van het decreetgevend deel.]2

§ 3. Als afvalwater wordt geloosd tijdens de periodes waar de activiteit van het bedrijf gelijk aan nul of zeer beperkt is, met een gemiddelde dagelijkse last die kleiner is dan 10 % van de gemiddelde dagelijkse last geloosd tijdens de normale activiteitsperiodes van het bedrijf, hoeft het [1 Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Departement Leefmilieu en Water, van de Waalse Overheidsdienst]1, voor de bepaling van de verontreinigende last N1 niet langer rekening te houden met de buiten de normale activiteitsperiode van het bedrijf verrichte lozing.
Art. R378. § 1er. Si la [1 Direction générale de l'Agriculture, des Ressources naturelles et de l'Environnement, Département de l'Environnement et de l'Eau, du Service public de Wallonie]1 dispose du résultat des analyses menées sur plusieurs échantillons jugés suffisamment représentatifs prélevés à un même point de rejet, la charge polluante N1 est déterminée sur la base du débit moyen journalier et de la moyenne arithmétique des valeurs mesurées des paramètres MS et DCO. Si le volume déversé au cours des périodes de prélèvement a été mesuré, la [1 Direction générale de l'Agriculture, des Ressources naturelles et de l'Environnement, Département de l'Environnement et de l'Eau, du Service public de Wallonie]1 prend en compte la moyenne pondérée des valeurs mesurées de ces paramètres en attribuant à chacune d'elles un poids proportionnel au volume déversé.
Le débit moyen journalier est celui observé au cours du mois de plus grande activité de l'année.
§ 2. [2 Les charges polluantes N1 sont calculées séparément par point de rejet.
A cette fin, le débit moyen journalier est réduit en proportion inverse de l'augmentation fictive du nombre de jours de déversement. La charge polluante globale N1 s'obtient en additionnant les charges polluantes correspondantes de chaque point de rejet, déterminées suivant la formule définie à l'article 262 de la partie décrétale.]2

§ 3. Si des eaux usées sont déversées pendant des périodes d'activité nulle ou très réduite de l'entreprise avec une charge journalière moyenne inférieure à 10 % de la charge journalière moyenne déversée pendant les périodes d'activité normale de l'entreprise, la [1 Direction générale de l'Agriculture, des Ressources naturelles et de l'Environnement, Département de l'Environnement et de l'Eau, du Service public de Wallonie]1 peut renoncer à prendre en compte le rejet effectué en dehors de la période d'activité normale de l'entreprise pour la détermination de la charge polluante N1.
Art. R379.
Art. R379.
Art. R380.
Art. R380.
Art. R381.
Art. R381.
Art. R382.
Art. R382.
Art. R383.
Art. R383.
Art. R384.
Art. R384.
Art. R385.
Art. R385.
HOOFDSTUK VI. [1 - Voorwaarden voor de vrijstelling of de terugbetaling van de belasting op het lozen van huishoudelijk afvalwater en van de reële kostprijs sanering et modaliteiten van de aanvraag]1
CHAPITRE VI. [1 - Conditions d'exemption ou de restitution de la taxe sur le déversement des eaux usées domestiques ou du C.V.A. et modalités de la demande]1
Art. R386. [1 § 1. De privé- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon die zijn huishoudelijk afvalwater zelf zuivert in een individueel zuiveringssysteem dat gedekt is door een aangifte of een milieuvergunning, en die vrijgesteld is van de betaling van de C.V.A.(reële kostprijs) of de belasting op het lozen van huishoudelijk afvalwater kan blijven genieten van deze vrijstelling tot 31 december 2021 als zij het individueel zuiveringssysteem regelmatig onderhoudt, legmaakt en controleert overeenkomstig de bepalingen van dit Boek en de besluiten genomen ter uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning
§ 2. De privé- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon die zijn huishoudelijk afvalwater zelf zuivert in een individueel zuiveringssysteem dat gedekt is door een aangifte of een milieuvergunning, en die geniet van de vrijstelling van de belasting op het lozen van huishoudelijk afvalwater of van de C.V.A. kan op elk ogenblik afzien van zijn vrijstelling; dit afzien gaat gepaard met een ten laste neming door de "S.P.G.E." van de dienst van openbaar beheer van de autonome sanering.
Het afzien van de vrijstelling van de C.V.A. wordt meegedeeld aan de "S.P.G.E." per schrijven.
Op basis van dit schrijven brengt de "S.P.G.E." de waterverdeler daarvan op de hoogte en laat een controle van de werking van het individueel zuiveringssysteem uitvoeren die zij ten laste neemt De eigenaar van het systeem zorgt voor een in conformiteit brengen van het systeem, in voorkomend geval, in functie van het verslag opgesteld tijdens de controle.
§ 3. Na het verstrijken van de termijn van 31 december 2021, wordt er een einde gemaakt aan de vrijstelling van de belasting op het lozen van huishoudelijk afvalwater of van de C.V.A. van elke privé- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon die zijn huishoudelijk afvalwater zelf zuivert in een individueel zuiveringssysteem dat gedekt is door een aangifte of een milieuvergunning.
Het einde van deze vrijstelling gaat gepaard met een ten laste neming door de "S.P.G.E." van de dienst van openbaar beheer van de autonome sanering.
Na het verstrijken van de termijn van 31 december 2021, laat de "S.P.G.E." een controle van de werking van het individueel zuiveringssysteem uitvoeren die zij ten laste neemt. De eigenaar van het systeem zorgt voor een in conformiteit brengen van het systeem, in voorkomend geval, in functie van het verslag opgesteld tijdens de controle.]1

Art. R386. [1 § 1er. La personne physique ou morale de droit public ou de droit privé qui épure elle-même, dans un système d'épuration individuelle couvert par une déclaration ou un permis d'environnement, les eaux usées domestiques qu'elle produit, et qui est exemptée du paiement du C.V.A. ou de la taxe sur le déversement des eaux usées domestiques peut continuer à bénéficier de cette exemption jusqu'au 31 décembre 2021 si elle entretient, vidange et contrôle régulièrement le système d'épuration individuelle conformément aux dispositions du présent Livre et aux arrêtés pris en exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement.
§ 2. La personne physique ou morale de droit public ou de droit privé qui épure elle-même, dans un système d'épuration individuelle couvert par une déclaration ou un permis d'environnement, les eaux usées domestiques qu'elle produit, et qui bénéficie de l'exemption de la taxe sur le déversement des eaux usées domestiques ou du C.V.A. peut renoncer à tout moment à son exemption; cette renonciation s'accompagne d'une prise en charge par la S.P.G.E. du service de gestion publique de l'assainissement autonome.
La renonciation à l'exemption du C.V.A. est notifiée à la S.P.G.E. par envoi.
Sur base de cet envoi, la S.P.G.E. en avertit le distributeur d'eau et fait réaliser et prend en charge un contrôle de fonctionnement du système d'épuration individuelle. Le propriétaire du système assure une mise en conformité du système, le cas échéant, en fonction du rapport établi lors du contrôle.
§ 3. Passé le délai du 31 décembre 2021, il est mis fin à l'exemption de la taxe sur le déversement des eaux usées domestiques ou du C.V.A. de toute personne physique ou morale de droit public ou de droit privé qui épure elle-même, dans un système d'épuration individuelle couvert par une déclaration ou un permis d'environnement, les eaux usées domestiques qu'elle produit.
La fin de cette exemption s'accompagne d'une prise en charge par la S.P.G.E. du service de gestion publique de l'assainissement autonome.
Passé le délai du 31 décembre 2021, la S.P.G.E. fait réaliser et prend en charge un contrôle de fonctionnement du système d'épuration individuelle. Le propriétaire du système assure une mise en conformité du système, le cas échéant, en fonction du rapport établi lors du contrôle.]1

Art. R387.
Art. R387.
Art. R388.
Art. R388.
Art. R389. [1 [2 (NOTA : een wijziging van dit artikel door BWG 2009-05-27/18, art. 17, met uitwerking vanaf 01-08-2008, werd niet uitgevoerd, daar ze gepubliceerd werd na een andere wijziging die ze onuitvoerbaar maakt.)]2 § 1. Onverminderd de toepassing van de straffen bepaald bij of ter uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, wordt een einde gemaakt aan het voordeel van de vrijstelling of terugbetaling van de belasting of van de reële kostprijs bij de sanering wanneer een controle een resultaat geeft dat niet voldoet aan de emissenormen en binnen zes maanden niet nietig verklaard wordt door een analyse die op kosten van de exploitant uitgevoerd werd door een laboratorium erkend om overeenkomstig artikel D.147 van Boek I van het Milieuwetboek om officiële analyses uit te voeren inzake de bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreininging, alsook inzake de bescherming en de exploitatie van het grondwater en van het tot drinkwater verwerkbare water en waaruit blijkt dat de monsterneming conform is, of wanneer de begunstigde van de vrijstelling of de terugbetaling van de belasting op het lozen van huishoudelijk afvalwater of van de reële kostprijs bij de sanering nalaat het bewijs te leveren van het onderhoud of van de lediging van het individuele zuiveringssysteem, vereist krachtens de besluiten tot uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning.
[3 In dat geval zorgt de eigenaar van het individueel zuiveringssysteem bovendien voor de financiële last van de herstellingen, de exploitant van het systeem zorgt voor de kosten van het onderhoud en de controles van het systeem tot het volledig in conformiteit brengen ervan, vóór te kunnen genieten van de dienst i.v.m het openbaar beheer van de autonome sanering.]3
Indien het huishoudelijk afvalwater geproduceerd wordt vanaf water dat van de openbare distributie van voedingswater opgenomen wordt, is de reële kostprijs bij de sanering verschuldigd voor het geheel van de kubieke meters die deel uitmaken van de lopende factureringsperiode.
Indien het huishoudelijk afvalwater geproduceerd wordt vanaf een private waterwinning is de belasting op het lozen van huishoudelijk afvalwater verschuldigd voor het geheel van het belastingsjaar dat betrekking heeft op het verbruiksjaar dat het voorwerp van de controle uitmaakt.
§ 2. [3 ...]3]1

Art. R389. [1 [2 (NOTE : une modification de cet article par ARW 2009-05-27/18, art. 17, produisant ses effets le 01-08-2008, n'a pas été exécutée, car elle a été publiée après une modification qui la rendait inexécutable.)]2 § 1er. Sans préjudice de l'application des sanctions prévues par ou en exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, il est mis fin au bénéfice de l'exemption ou de la restitution de la taxe ou du CVA lorsqu'un contrôle a révélé un résultat non conforme aux normes d'émission et n'a pas été infirmé dans les six mois par une analyse réalisée aux frais de l'exploitant par un laboratoire agréé en vue de réaliser des analyses officielles dans le domaine de la protection des eaux de surface contre la pollution, ainsi que dans celui de la protection et de l'exploitation des eaux souterraines et des eaux potabilisables en application de l'article D.147 du Livre Ier du Code de l'Environnement et attestant la conformité du prélèvement, ou lorsque le bénéficiaire de l'exemption ou de la restitution de la taxe sur le déversement des eaux usées domestiques ou du CVA est en défaut de fournir la preuve de l'entretien ou de la vidange du système d'épuration individuelle, requis en vertu des arrêtés d'exécution du décret du 11 mars 1999 relatifs au permis d'environnement.
[3 Au surplus, dans ce cas, le propriétaire du système d'épuration individuelle assume la charge financière des réparations, l'exploitant du système assume les coûts de l'entretien et des contrôles du système jusqu'à sa mise en conformité complète avant de pouvoir bénéficier du service lié à la gestion publique de l'assainissement autonome.]3
Si les eaux usées domestiques sont produites au départ d'eaux prélevées à la distribution publique d'eau alimentaire, le CVA est dû pour la totalité des mètres cubes faisant partie de la période de facturation en cours.
Si les eaux usées domestiques sont produites au départ d'un captage d'eau privé, la taxe sur le déversement des eaux usées domestiques est due pour la totalité de l'année de taxation qui concerne l'exercice de consommation visé par le contrôle.
§ 2. [3 ...]3]1

Art. R389 /1.[1 De ambtenaar die belast is voor de invordering betaalt de sommen waarop een belastingplichtige overeenkomstig artikel D.270 aanspraak kan maken voor de onverschuldigde betaling van de belastingen op het huishoudelijk afvalwater van ambtswege terug binnen drie maanden na de zending van het dossier door het [2 Departement Bodems en Afvalstoffen]2 van het Operationeel directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst onder voorbehoud van het bewijs van betaling van de bedragen waarvoor de terugbetaling wordt aangevraagd.]1
Art. R389 /1.[1 Le fonctionnaire chargé du recouvrement opère restitution d'office des sommes auxquelles peut prétendre un redevable par application de l'article D.270, pour le paiement indu des taxes sur les eaux usées domestiques, dans les trois mois de l'envoi du dossier par le [2 Département du Sol et des Déchets]2 de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, du Service public de Wallonie, sous réserve de la preuve de paiement des montants dont la restitution est demandée.]1
HOOFDSTUK VIbis. [1 - Modaliteiten tot vrijstelling van de reële saneringsprijs overeenkomstig artikel D.229, 2° en 3°]1
CHAPITRE VIbis. [1 - Modalités d'exemption du C.V.A. en application de l'article D.229, 2° et 3°]1
Art. R389 /2.[1 § 1. Het [2 Departement Bodems en Afvalstoffen]2 van het Operationeel directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst richt aan elke betrokken verdeler en aan de "S.P.G.E." een bericht waarin gemeld wordt dat de in artikel D.229, 2°, bedoelde belastingplichtige die op hun netwerk aangesloten is een vrijstelling geniet, met opgave van het betrokken leveringspunt (de betrokken leveringspunten) en van de datum waarop de vrijstelling wordt vastgesteld;
Dat bericht geldt als richtlijn om de reële saneringsprijs niet meer bij de belastingplichtigen te innen en blijft geldig zolang geen nieuwe richtlijn wordt meegedeeld. De richtlijn wordt schriftelijk meegedeeld op een elektronische communicatiewijze en bij het taxatiedossier gevoegd.
De richtlijn wordt een maand na de verzending verworven.
§ 2. De terugbetaling van de reële saneringsprijs die te veel geïnd werd voor de richtlijn, wordt verricht op de eerste regulariseringsfactuur uitgegeven naar aanleiding van de richtlijn bedoeld in paragraaf 1.]1

Art. R389 /2.[1 § 1er. Le [2 Département du Sol et des Déchets]2 de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, du Service public de Wallonie adresse à chaque distributeur concerné et à la S.P.G.E. un avis mentionnant que le redevable visé à l'article D.229, 2°, relié à leurs réseaux bénéficie d'une exemption, avec la mention du ou des points de fourniture concernés et de la date à partir de laquelle est constatée l'exemption.
Cet avis vaut instruction de ne plus percevoir le C.V.A. auprès des redevables et reste valable tant qu'une nouvelle instruction n'est pas communiquée. L'instruction est communiquée par écrit selon un mode de communication électronique et jointe au dossier de taxation.
L'instruction est acquise un mois après l'envoi.
§ 2. La restitution du C.V.A. trop perçu avant l'instruction est opérée sur la première facture de régularisation émise suite à l'instruction visée au paragraphe 1er.]1

Art. R389 /3.[1 § 1. Het [2 Departement Bodems en Afvalstoffen]2 van het Operationeel directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst richt aan elke betrokken verdeler en aan de "S.P.G.E." een bericht waarin gemeld wordt dat de belastingplichtige die op hun netwerk aangesloten is geen vrijstelling meer geniet, met opgave van het betrokken leveringspunt (de betrokken leveringspunten) en van de datum vanaf dewelke het bericht geldt. Dat bericht geldt als richtlijn voor de inning van de reële saneringsprijs bij de belastigplichtigen die erin vermeld staan. De richtlijn wordt schriftelijk meegedeeld op een elektronische communicatiewijze en bij het taxatiedossier gevoegd. De richtlijn wordt geacht verworven te zijn een maand na de verzending van het bericht en blijft geldig zolang geen nieuwe richtlijn wordt meegedeeld.
§ 2. De terugvordering van de niet geïnde reële saneringsprijs wordt verricht op de eerste regulariseringsfactuur uitgegeven naar aanleiding van de richtlijn bedoeld in paragraaf 1.]1

Art. R389 /3.[1 § 1er. Le [2 Département du Sol et des Déchets]2 de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, du Service public de Wallonie adresse à chaque distributeur concerné et à la S.P.G.E. un avis mentionnant que le redevable relié à leurs réseaux ne bénéficie plus d'une exemption, avec la mention du ou des points de fourniture concernés et de la date à partir de laquelle se rapporte cet avis. Cet avis vaut instruction de percevoir le C.V.A. auprès des redevables y mentionnés. L'instruction est communiquée par écrit selon un mode de communication électronique et jointe au dossier de taxation. L'instruction est réputée acquise un mois après l'envoi de l'avis et reste valable tant qu'une nouvelle instruction n'est pas communiquée.
§ 2. La réclamation du C.V.A. non perçu est opérée sur la première facture de régularisation émise suite à l'instruction visée au paragraphe 1er.]1

Art. R389 /4. [1 Bij het vastleggen van de jaarlijkse belasting actualiseert de in de artikelen R.389/2 en R.389/3 bedoelde dienst van de administratie de gegevens en richt hij aan de verdeler en aan de "S.P.G.E." een bericht waarin gewag wordt gemaakt van het bedrag van de reële saneringsprijs die de verdeler moet terugbetalen alsook van het watervolume van de aan de reële saneringsprijs te onderwerpen belastbare periode en, desgevallend, de overige leveringspunten betrokken bij de richtlijn bedoeld in de artikelen R.389/2 en R.389/3. De richtlijn wordt schriftelijk meegedeeld op een elektronische communicatiewijze en bij het taxatiedossier gevoegd. De richtlijn wordt geacht te zijn verworven een maand na de verzending van het bericht.]1
Art. R389 /4. [1 Lors de l'établissement de la taxe annuelle, le service de l'Administration mentionné aux articles R.389/2 et R.389/3 actualise les données et communique au distributeur et à la S.P.G.E. un avis mentionnant le montant du C.V.A. que le distributeur est chargé de restituer ainsi que le volume d'eau de la période imposable à soumettre au C.V.A. et le cas échéant, les autres points de fourniture concernés par l'instruction visée aux articles R.389/2 et R.389/3. L'instruction est communiquée par écrit selon un mode de communication électronique et jointe au dossier de taxation. L'instruction est réputée acquise un mois après l'envoi de l'avis.]1
Art. R389 /5.[1 § 1. Wat betreft de belastingplichtigen onderworpen aan de belasting op de milieulasten die door landbouwbedrijven worden teweeggebracht, richt het [2 Departement Bodems en Afvalstoffen]2 van het Operationeel directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst aan de "S.P.G.E." op een elektronische communicatiewijze een jaarlijkse lijst van de belastingplichtigen en van hun persoonlijke gegevens. De "S.P.G.E." richt aan de verdeler een bericht waarin gemeld wordt dat de belastingplichtige de in artikel D.229, 3°, bedoelde vrijstelling geniet. Dat bericht geldt als richtlijn om de reële saneringsprijs niet meer bij de belastingplichtigen te innen en blijft geldig zolang geen nieuwe richtlijn wordt meegedeeld.
De richtlijn wordt schriftelijk meegedeeld op een elektronische communicatiewijze.
De richtlijn wordt een maand na de verzending verworven.
§ 2. De terugbetaling van de reële saneringsprijs die te veel geïnd werd voor de richtlijn wordt verricht op de eerste regulariseringsfactuur uitgegeven naar aanleiding van de richtlijn bedoeld in paragraaf § 1, met uitzondering van het al gefactureerde vast bedrag voor 90 m3.]1

Art. R389 /5.[1 § 1er. En ce qui concerne les redevables soumis à la taxe sur les charges environnementales générées par les exploitations agricoles, le [2 Département du Sol et des Déchets]2 de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement du Service public de Wallonie adresse à la S.P.G.E. par mode de communication électronique une liste annuelle des redevables et de leurs coordonnées. La S.P.G.E. adresse au distributeur un avis mentionnant que le redevable bénéficie de l'exemption visée à l'article D.229, 3°. Cet avis vaut instruction de ne plus percevoir le C.V.A. auprès des redevables et reste valable tant qu'une nouvelle instruction n'est pas communiquée.
L'instruction est communiquée par écrit selon un mode de communication électronique.
L'instruction est acquise un mois après l'envoi.
§ 2. La restitution du C.V.A. trop perçu avant l'instruction, à l'exception du forfait de 90 m3 déjà facturé, est opérée sur la première facture de régularisation émise suite à l'instruction visée au § 1er.]1

HOOFDSTUK VIII. - [1 Ruiming van septische putten of van gelijksoortige zuiveringssystemen]1
CHAPITRE VIII. - [1 Vidange de fosses septiques ou de systèmes d'épuration analogues]1
Afdeling 1. - [1 Beginsel van de erkenning en algemeenheden]1
Section 1re. - [1 Principe de l'agrément et généralités]1
Art. R390. [1 Septische putten of gelijksoortige zuiveringssystemen mogen slechts door erkende ruimers geledigd worden.
De directeur-generaal van het Operationeel directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst, hierna de directeur-generaal, beslist over de overeenkomstig dit hoofdstuk ingediende aanvragen tot erkenning van ruimers.
De erkenning wordt verleend voor een periode van acht jaar. Na afloop van die periode vraagt de ruimer een nieuwe erkenning aan.
Erkende saneringsorganen worden vrijgesteld van de verplichting om over een erkenning te beschikken voor de ruiming van hun eigen installaties.]1

Art. R390. [1 Seuls les vidangeurs agréés effectuent la vidange de fosses septiques ou de systèmes d'épuration analogues.
Le directeur général de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement du Service public de Wallonie, ci-après le directeur général, statue sur les demandes d'agrément des vidangeurs, introduites conformément au présent chapitre.
L'agrément est octroyé pour une période de huit ans. A l'expiration de cette période, le vidangeur sollicite un nouvel agrément.
Les organismes d'assainissement agréés sont dispensés de l'obligation d'obtenir un agrément pour la vidange de leurs propres installations.]1

Art. R391. [1 § 1. In dit hoofdstuk worden de volgende mededelingswijzen gebruikt :
aangetekend schrijven met bericht van ontvangst;
elke gelijksoortige formule die de verzend- en ontvangstdatum van de akte waarborgen, ongeacht de gebruikte dienst die de post verdeelt;
neerlegging tegen ontvangstbewijs;
elektronisch schrijven als de procedure gedematerialiseerd wordt.
§ 2. Indien de dag van ontvangst van een akte de begindatum van een termijn is, wordt hij niet meegerekend.
De vervaldatum wordt in die termijn meegerekend. Als die dag een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, wordt de vervaldatum evenwel naar de volgende werkdag verschoven.]1

Art. R391. [1 § 1er. Les modes de communication suivants sont utilisés dans le présent chapitre :
envoi recommandé avec accusé de réception;
recours à toute formule similaire permettant de donner date certaine à l'envoi et à la réception de l'acte, quel que soit le service de distribution du courrier utilisé;
dépôt contre récépissé;
courrier électronique si la procédure est dématérialisée.
§ 2. Lorsque le jour de la réception d'un acte constitue le point de départ d'un délai, il n'y est pas inclus.
Le jour de l'échéance est compté dans le délai. Toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le jour de l'échéance est reporté au jour ouvrable suivant.]1

Afdeling 2. - [1 Erkenningsvoorwaarden]1
Section 2. - [1 Conditions de l'agrément]1
Art. R392. [1 Elk voertuig gebruikt door een ruimer van septische putten of van gelijksoortige zuiveringssystemen beschikt over een inschrijvingscertificaat en is orde met de technische controle. Het is uitgerust met een dichte kuip die voorzien is van :
een opening die een vlotte reiniging toelaat;
een volumemeter;
een vacuümpomp of een volumetrische pomp;
een afsluiter die zuiging en wegpersing toelaat;
een vacuümbrekersklep;
een overdrukklep.
De ruimer verzekert het voertuig en zijn beroepsaansprakelijkheid.]1

Art. R392. [1 Tout véhicule utilisé par un vidangeur de fosses septiques ou de systèmes d'épuration analogues est doté d'un certificat d'immatriculation et est en ordre de contrôle technique. Il est muni d'une cuve étanche et équipée :
d'une ouverture permettant un nettoyage aisé;
d'une jauge de volume;
d'une pompe à vide ou volumétrique;
d'une vanne permettant l'aspiration et le refoulement;
d'une soupape casse-vide;
d'une soupape de surpression.
Le vidangeur assure le véhicule et sa responsabilité professionnelle.]1

Afdeling 3. - [1 Procedure tot indiening en behandeling van de aanvraag en beroepsprocedure]1
Section 3. - [1 Procédure d'introduction et d'examen de la demande et procédure de recours]1
Art. R393. [1 De erkenningsaanvraag wordt op één van de in artikel R391, § 1, bedoelde mededelingswijzen bij de directeur-generaal ingediend d.m.v. het aanvraagformulier bedoeld in bijlage XLVbis.]1
Art. R393. [1 La demande d'agrément est introduite auprès du directeur général selon l'un des modes de communication visés à l'article R391, § 1er, au moyen du formulaire de demande visé à l'annexe XLVbis.]1
Art. R394. [1 De erkenningsaanvraag bevat de volgende gegevens :
de identiteit van de aanvrager, zijn rechtstoestand, zijn woonplaats of het adres van zijn maatschappelijke zetel, zijn inschrijvingsnummer bij de Kruisbank van ondernemingen en zijn btw-nummer;
de elementen op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de in artikel R392 bedoelde voorwaarden m.b.t. tot de erkenning die hij aanvraagt vervuld zijn.]1

Art. R394. [1 La demande d'agrément comporte les renseignements suivants :
l'identité, le statut juridique, le domicile ou l'adresse du siège social, le numéro d'immatriculation à la banque carrefour des entreprises, et le numéro de T.V.A. du demandeur;
les éléments permettant d'établir que les conditions visées à l'article R392 et relatives à l'agrément qu'il sollicite sont remplies.]1

Art. R395. [1 De erkenningsaanvraag is onvolledig indien krachtens artikel R394 vereiste gegevens of documenten ontbreken.
De aanvraag is onontvankelijk:
als ze in overtreding van artikel R391, § 1, wordt ingediend;
als de aanvrager de gevorderde gegevens of documenten niet verstrekt binnen de termijn bepaald bij artikel R396, § 2, tweede lid.]1

Art. R395. [1 La demande d'agrément est incomplète s'il manque des renseignements ou des documents requis visés à l'article R394.
La demande est irrecevable :
si elle est introduite en violation de l'article R391, § 1er;
si le demandeur ne fournit pas les renseignements ou documents demandés dans le délai prévu à l'article R396, § 2, alinéa 2.]1

Art. R396. [1 § 1. De directeur-generaal stuurt binnen tien werkdagen na ontvangst van de aanvraag een bericht van ontvangst aan de aanvrager van de erkenning.
Overeenkomstig artikel 10 van het decreet van 10 december 2009 houdende omzetting van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt vermeldt het bericht van ontvangst :
de datum waarop de aanvraag in ontvangst werd genomen;
de termijn waarin de beslissing moet worden genomen;
de rechtsmiddelen, de bevoegde instanties om zich daarover uit te spreken, alsook de in acht te nemen vormen en termijnen.
§ 2. De directeur-generaal stuurt zijn beslissing m.b.t. de volledigheid en de ontvankelijkheid van de erkenningsaanvraag binnen een termijn van dertig dagen, met ingang op de datum van het bericht van ontvangst bedoeld in § 1, aan de aanvrager op één van de mededelingswijzen bedoeld in artikel R391, § 1.
Als de aanvraag onvolledig is, wijst de directeur-generaal de aanvrager op de ontbrekende stukken. De aanvrager stuurt de opgeëiste stukken binnen dertig dagen, met ingang op de datum van ontvangst van de kennisgeving bedoeld in het eerste lid, aan de directeur-generaal op één van de mededelingswijzen bedoeld in artikel R391, § 1.
Als de aanvraag onontvankelijk is, geeft de directeur-generaal de aanvrager binnen de in het eerste lid bedoelde termijn kennis van de onontvankelijkheidsgronden.
Binnen dertig dagen na ontvangst van de ontbrekende stukken stuurt de directeur-generaal zijn beslissing m.b.t. de volledigheid en de ontvankelijkheid van de erkenningsaanvraag aan de aanvrager op één van de mededelingswijzen bedoeld in artikel R391, § 1. Indien de directeur-generaal een tweede keer acht dat de aanvraag onvolledig is, verklaart hij ze onontvankelijk.
Indien de directeur-generaal zijn beslissing niet aan de aanvrager heeft gestuurd onder de voorwaarden en binnen de termijnen bedoeld in de vorige leden, wordt de aanvraag als ontvankelijk beschouwd en wordt het onderzoek voortgezet.]1

Art. R396. [1 § 1er. Le directeur général envoie un accusé de réception au demandeur d'agrément dans les dix jours ouvrables de la réception de cette demande.
Conformément à l'article 10 du décret du 10 décembre 2009 visant à transposer la Directive 2006/123/CE du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2006 relative aux services dans le marché intérieur, l'accusé de réception indique :
la date à laquelle la demande a été reçue;
le délai dans lequel la décision doit intervenir;
les voies de recours, les instances compétentes pour en connaître ainsi que les formes et délais à respecter.
§ 2. Le directeur général envoie au demandeur, selon l'un des modes de communication visés à l'article R391, § 1er, sa décision statuant sur le caractère complet et recevable de la demande d'agrément dans un délai de trente jours à dater de l'accusé de réception visé au § 1er.
Si la demande est incomplète, le directeur général indique au demandeur les documents manquants. Le demandeur envoie les compléments demandés au directeur général, selon l'un des modes de communication visés à l'article R391, § 1er, dans les trente jours à dater de la réception de la notification visée à l'alinéa 1er.
Si la demande est irrecevable, le directeur général indique au demandeur, dans le délai prévu à l'alinéa 1er, les motifs de l'irrecevabilité.
Dans les trente jours suivant la réception des compléments, le directeur général envoie au demandeur, selon l'un des modes de communication visés à l'article R391, § 1er, sa décision sur le caractère complet et recevable de la demande. S'il estime une seconde fois que la demande est incomplète, il la déclare irrecevable.
Si le directeur général n'a pas envoyé au demandeur sa décision dans les conditions et délais prévus aux alinéas précédents, la demande est considérée comme recevable et l'instruction est poursuivie.]1

Art. R397. [1 § 1. De directeur-generaal richt zijn beslissing tot toekenning of weigering van de erkenning binnen een termijn van zestig dagen, met ingang op de datum van verzending van zijn beslissing m.b.t. de volledigheid en de ontvankelijkheid van de aanvraag, aan de aanvrager op één van de mededelingswijzen bedoeld in artikel R391, § 1.
Overeenkomstig artikel 11 van het decreet van 10 december 2009 houdende omzetting van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt, kan de directeur-generaal die termijn met dertig dagen verlengen om een beslissing te nemen. In dat geval geeft hij kennis van zijn beslissing en van de termijn van de verlenging vooraleer de oorspronkelijke termijn verstreken is.
In geval van overschrijding van de termijnen bedoeld in het eerste en het tweede lid wordt de erkenning geacht te zijn toegekend.
De beslissling vermeldt de rechtsmiddelen, de bevoegde instanties om zich daarover uit te spreken, alsook de in acht te nemen vormen en termijnen.
§ 2. De beslissing tot toekenning van de erkenning vermeldt :
het precieze doel van de erkenning;
de bijgewerkte elementen waarmee de houder geïdentificeerd kan worden;
de geldigheidsduur van de erkenning;
de in de artikelen R400/1 en R400/2 bedoelde voorwaarden voor het gebruik van de erkenning.]1

Art. R397. [1 § 1er. Le directeur général envoie au demandeur la décision d'octroi ou de refus d'agrément, selon l'un des modes de communication visé à l'article R391, § 1er, dans un délai de soixante jours à dater du jour où il a envoyé sa décision attestant le caractère recevable de la demande.
Conformément à l'article 11 du décret du 10 décembre 2009 visant à transposer la Directive 2006/123/CE du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2006 relative aux services dans le marché intérieur, le directeur général peut proroger de trente jours le délai pour prendre sa décision. Dans ce cas, il notifie sa décision et le délai de la prolongation avant l'expiration du délai initial.
En cas de dépassement des délais visés aux alinéas 1er et 2, l'agrément est considéré comme octroyé.
La décision précise les voies de recours, les instances compétentes pour en connaître ainsi que les formes et délais à respecter.
§ 2. La décision accordant l'agrément mentionne :
l'objet précis de l'agrément;
les éléments actualisés permettant d'identifier le titulaire;
la durée de validité de l'agrément;
les conditions d'usage de l'agrément visées aux articles R400/1 et R400/2.]1

Art. R398. [1 § 1. De aanvrager van de erkenning kan bij de Minister die voor Leefmilieu bevoegd is, hierna de Minister, een beroep instellen tegen de beslissingen bedoeld in de artikelen R396 en R397.
Het beroep wordt, op straffe van onontvankelijkheid, op één van de mededelingswijzen bedoeld in artikel R391, § 1, aan de Minister gericht binnen een termijn van twintig dagen, met ingang op de datum van ontvangst van de beslissing.
De aanvrager of de houder van de erkenning geeft in zijn beroep aan of hij wenst gehoord te worden door de Minister.
De Minister stuurt een bericht van ontvangst aan de eiser.
§ 2. Als de aanvrager of de houder van de erkenning niet wenst gehoord te worden, verzendt de Minister zijn beslissing op één van de mededelingswijzen bedoeld in artikel R391, § 1, binnen een termijn van dertig dagen, met ingang op de datum van ontvangst van het beroep.
Als de aanvrager of de houder van de erkenning wenst gehoord te worden, geeft de Minister hem kennis van de datum en de plaats van verhoor binnen een termijn van dertig dagen, met ingang op de datum van ontvangst van het beroep. In dat geval verstuurt de Minister zijn beslissing op één van de mededelingswijzen bedoeld in artikel R391, § 1, binnen een termijn van dertig dagen, met ingang op de datum van het verhoor.]1

Art. R398. [1 § 1er. Le demandeur d'agrément peut introduire un recours auprès du Ministre qui a l'Environnement dans ses attributions, ci-après le Ministre, contre les décisions visées aux articles R396 et R397.
Sous peine d'irrecevabilité, le recours est adressé au Ministre selon l'un des modes de communication visé à l'article R391, § 1er, dans un délai de vingt jours à dater de la réception de la décision.
Le demandeur ou le titulaire de l'agrément précise dans son recours s'il souhaite être entendu par le Ministre.
Le Ministre envoie un accusé de réception au requérant.
§ 2. Si le demandeur ou le titulaire de l'agrément ne demande pas à être entendu, le Ministre envoie sa décision dans un délai de trente jours à dater de la réception du recours, selon l'un des modes de communication visé à l'article R391, § 1er.
Si le demandeur ou le titulaire de l'agrément demande à être entendu, le Ministre lui communique la date et le lieu d'audition dans un délai de trente jours à dater de la réception du recours. Dans ce cas, le Ministre envoie sa décision, selon l'un des modes de communication visé à l'article R391, § 1er, dans un délai de trente jours à dater de l'audition.]1

Afdeling 4. - [1 Wijziging van de erkenningsvoorwaarden, opschorting en intrekking van de erkenning]1
Section 4. - [1 De la modification des conditions de l'agrément, de sa suspension et de son retrait]1
Art. R399. [1 § 1. In geval van wijziging van een belangrijk gegeven vermeld in de erkenningsaanvraag overeenkomstig artikel R394, verwittigt de houder van de erkenning onmiddellijk de directeur-generaal op één van de mededelingswijzen bedoeld in artikel R391, § 1.
§ 2. De erkenning kan gewijzigd, opgeschort of ingetrokken worden :
in geval van wijziging van een belangrijk element vermeld in de erkenningsaanvraag overeenkomstig artikel R394 die zulks zou kunnen rechtvaardigen;
als de in artikel R392 voorwaarden tot toekenning van de erkenning of de in de artikelen R400/1 et R400/2 bedoelde gebruiksvoorwaarden niet meer vervuld zijn;
als de houder van de erkenning zich verzet tegen de controle op zijn activiteiten door de toezichthoudend ambtenaren;
in geval van ernstig gevaar voor de gezondheid van de mens of van schade of schaderisico voor het leefmilieu;
als de houder van de erkenning de bepalingen van dit hoofdstuk overtreedt.
§ 3. In de gevallen bedoeld in § 2 laat de directeur-generaal de houder van de erkenning op één van de mededelingswijzen bedoeld in artikel R391, § 1, weten dat de verleende erkenning gewijzigd, opgeschort of ingetrokken kan worden. Hij vermeldt :
de redenen die de overwogen maatregel rechtvaardigen;
dat de houder van de erkenning de mogelijkheid heeft om binnen een termijn van vijftien dagen, met ingang op de datum van ontvangst van die kennisgeving, zijn verweermiddelen toe te sturen op één van de mededelingswijzen bedoeld in artikel R391, § 1, en dat hij naar aanleiding daarvan het recht heeft om aan de directeur-generaal te vragen of hij zijn verweermiddelen mondeling mag voordragen;
dat de houder van de erkenning het recht heeft om zich te laten bijstaan dan wel vertegenwoordigen door een raadsman;
dat de houder van de erkenning het recht heeft om zijn dossier in te kijken.
De directeur-generaal bepaalt, in voorkomend geval, de dag waarop de houder van de erkenning erom verzocht wordt zijn verweermiddelen mondeling voor te dragen.
§ 4. De beslissing tot intrekking, opschorting of wijziging van de erkenning wordt binnen negentig dagen, met ingang op de vervaldatum van de termijn bedoeld in § 3, 2°, of op de verhoordatum, aan de houder van de erkenning gestuurd op één van de mededelingswijzen bedoeld in artikel R391, § 1. 391, § 1er.
§ 5. De houder van de gewijzigde, ingetrokken of opgeschorte erkenning kan een beroep instellen tegen de beslissing bedoeld in § 4. Dat beroep wordt verstuurd en onderzocht overeenkomstig artikel R398. Het is niet opschortend.
§ 6. De directeur-generaal oefent de bij dit artikel bepaalde bevoegdheden uit, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van :
de toezichthoudend ambtenaar;
de houder van de erkenning.]1

Art. R399. [1 § 1er. En cas de modification d'un élément substantiel indiqué dans la demande d'agrément conformément à l'article R394, le titulaire de l'agrément en avise sans délai le directeur général, selon l'un des modes de communication visés à l'article R391, § 1er.
§ 2. L'agrément peut être modifié, suspendu ou retiré :
en cas de modification d'un élément substantiel indiqué dans la demande d'agrément conformément à l'article R394 qui est de nature à le justifier;
lorsque les conditions d'octroi de l'agrément visées à l'article R392 ou d'usage visées aux articles R400/1 et R400/2 ne sont plus remplies;
lorsque le titulaire de l'agrément fait obstacle au contrôle de ses activités par les agents chargés de la surveillance;
lorsque survient un danger grave pour la santé de l'homme ou un préjudice ou un risque de préjudice à l'environnement;
lorsque le titulaire de l'agrément contrevient aux dispositions du présent chapitre.
§ 3. Dans les cas visés au § 2, le directeur général informe le titulaire de l'agrément, selon l'un des modes de communication visé à l'article R391, § 1er, de la possibilité de modifier, suspendre ou retirer l'agrément octroyé. Il précise :
les motifs qui justifient la mesure envisagée;
que le titulaire de l'agrément a la possibilité d'envoyer, selon l'un des modes de communication visé à l'article R391, § 1er, ses moyens de défense, dans un délai de quinze jours à compter de la réception de cette information, et qu'il a, à cette occasion, le droit de demander au directeur général la présentation orale de sa défense;
que le titulaire de l'agrément a le droit de se faire assister ou représenter par un conseil;
que le titulaire de l'agrément a le droit de consulter son dossier.
Le directeur général détermine, le cas échéant, le jour où le titulaire de l'agrément est invité à exposer oralement sa défense.
§ 4. La décision de retrait, de suspension ou de modification de l'agrément est envoyée dans les nonante jours à compter de l'expiration du délai visé au § 3, 2°, ou à dater de la date d'audition, au titulaire de l'agrément selon l'un des modes de communication visé à l'article R 391, § 1er.
§ 5. Le titulaire de l'agrément modifié, retiré ou suspendu peut introduire un recours contre la décision visée au § 4. Ce recours est envoyé et instruit conformément à l'article R398. Il n'est pas suspensif.
§ 6. Le directeur général exerce les pouvoirs prévus au présent article soit de sa propre initiative, soit sur demande :
du fonctionnaire chargé de la surveillance;
du titulaire de l'agrément.]1

Afdeling 5. - [1 Plichten van de erkende ruimers]1
Section 5. - [1 Des obligations des vidangeurs agréés]1
Art. R400. [1 De beslissingen tot erkenning, tot hernieuwing, weigering, wijziging, opschorting of intrekking van de erkenning worden bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt en in hun geheel medegedeeld aan de " Société publique de gestion de l'eau " en aan elke saneringsinstelling in de zin van de artikelen D.343 en volgende.
De lijst van de erkenningen wordt op de Internetsite van de administratie bekendgemaakt.
Elke erkenning heeft een nummer dat voorkomt op elk document dat de houder ervan aan de administratie richt.]1

Art. R400. [1 Les décisions d'agrément, de refus, de renouvellement, de modification, de suspension ou de retrait d'agrément sont publiées par extrait au Moniteur belge et notifiées dans leur intégralité à la Société publique de gestion de l'eau et à chaque organisme d'assainissement au sens des articles D.343 et suivants.
La liste des agréments est publiée sur le site internet de l'administration.
Chaque agrément contient un numéro qui figure sur tout document que son titulaire adresse à l'administration.]1

Art. R400 /1. [1 Elke erkenningshouder :
vervult de voorwaarden tot toekenning van zijn erkenning zolang ze geldig is;
vervult zijn opdrachten in alle onafhankelijkheid t.o.v. zowel klanten als erkende saneringsinstellingen of geschikte hergroeperings- of behandelingsinstallaties die krachtens de afvalwetgeving vergund zijn;
geeft de directeur-generaal kennis van elke wijziging betreffende de gegevens die in de erkenningsaanvraag verstrekt worden;
verstrekt op gewoon verzoek alle gevraagde gegevens aan de administratie, aan de saneringsinstelling betrokken in de zin van de artikelen D.343 en volgende en aan de betrokken geschikte en krachtens de afvalwetgeving vergunde hergroeperings- of behandelingsinstallatie;
verleent de toezichthoudend personeelsleden toegang tot de lokalen, gebouwen en andere infrastructuren en geeft hen inzage van alle documenten, met inbegrip van de boekhouding.
Vanwege zijn onafhankelijkheid heeft de ruimer geen enkele participatie in de klant-vennootschappen, noch in de instellingen en installaties bedoeld in het eerste lid, 2°. Hij geeft blijk van integriteit in de uitoefening van zijn activiteit.]1

Art. R400 /1. [1 Tout titulaire d'agrément :
respecte durant toute la durée de son agrément les conditions d'octroi de celui-ci;
exerce ses missions en toute indépendance tant vis-à-vis de clients que vis-à-vis des organismes d'assainissement agréés ou d'installations de regroupement ou de traitement appropriées et autorisées en vertu de la législation relative aux déchets;
informe le directeur général de toute modification concernant les renseignements communiqués dans la demande d'agrément;
communique à l'administration, à l'organisme d'assainissement concerné au sens des articles D.343 et suivant et à l'installation concernée de regroupement ou de traitement appropriée et autorisée en vertu de la législation relative aux déchets, sur simple demande, tous renseignements sollicités;
permet aux agents chargés de la surveillance d'accéder aux locaux, bâtiments et autres infrastructures et de consulter tous les documents, y compris la comptabilité.
Par le fait de son indépendance, le vidangeur ne détient aucune participation dans des sociétés clientes et dans les organismes et installations visés à l'alinéa 1er, 2°. Il fait preuve d'intégrité dans l'exercice de son activité.]1

Art. R400 /2.[1 § 1. Elke kuip die gebruikt wordt bij de ruiming van een septische put of van gelijksoortige zuiveringssystemen bevat enkel slijk.
Als de kuip vooraf gediend heeft voor het vervoer van andere stoffen dan slijk, wordt ze zorgvuldig schoongemaakt en gespoeld alvorens te worden gebruikt voor de ruiming van septische putten of gelijksoortige zuiveringssystemen.
§ 2. [2 De vermenging van partijen slijk wordt toegelaten om het door de erkende ruimer gebruikte voertuig te vullen tussen twee verwijderingen bedoeld in paragraaf 3. De doorvoer via overgangsputten of transitputten wordt ook toegelaten voor zover de erkende ruimer bij de betrokken saneringsinstelling bevestigt dat het ingezameld slib uitsluitend voortvloeit uit installaties die bestemd zijn voor de inzameling of de behandeling van huishoudelijk afvalwater.]2
§ 3. De erkende ruimer verwijdert het slijk op één van de volgende wijzen :
door het naar een zuiveringsstation af te voeren, op voorwaarde dat het technisch in staat is om het op te vangen;
door het te beheren overeenkomstig de bepalingen inzake afvalbeheer.
De erkende ruimer geeft het Departement Leemilieu en Water van het Operationeel directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst kennis van de bestemming van het slijk als het buiten het Gewest wordt afgevoerd, zoals vermeld in paragraaf 4.
§ 4. Per voertuig wordt in drie exemplaren een vervoersdocument opgemaakt waarvan het model in bijlage XLV vastligt.
Dat document bevindt zich steeds aan boord van het voertuig en wordt na elke ruimingshandeling ingevuld.
Aan het einde van elk kwartaal stuurt de erkende ruimer op één van de wijzen bedoeld in artikel R391, § 1, een exemplaar van de in de loop van het afgelopen kwartaal opgemaakte vervoersdocumenten aan het Departement Leemilieu en Water van het Operationeel directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst.
§ 5. De naam en het adres van de ruimer staan op de voertuigen vermeld.
§ 6. De ruimer vervult de voorwaarden tot toelating tot het zuiveringsstation. In dat kader :
geeft hij het vervoersdocument aan de uitbater van het zuiveringsstation af bij elke lossing van slijk uit septische putten;
stemt hij in met elke door de uitbater nodig geachte monsterneming met het oog op hetzij een visuele en geurcontrole, hetzij een analyse;
mag hij een partij slijk die door de uitbater geweigerd wordt niet in het zuiveringsstation lossen. Het besmette slijk wordt afgevoerd en de put overeenkomstig de afvalwetgeving gereinigd. In dat geval wordt het document ter bevestiging van de goede afvalbehandeling aan de directeur-generaal gestuurd op één van de mededelingswijzen bedoeld in artikel R391, § 1. Als dat geval zich slechts af en toe voordoet, moet de ruimer niet erkend zijn om afval op te halen en te vervoeren, op de enige voorwaarde dat hij voldoet aan de wetsbepalingen inzake afvalverwijdering.
In geval van herhaalde niet-naleving van de toelatingsvoorwaarden bedoeld in deze paragraaf, kan de toegang tot de openbare zuiveringsstations de ruimer tijdelijk ontzegd worden door de uitbater.]1

Art. R400 /2.[1 § 1er. Toute cuve utilisée lors de la vidange d'une fosse septique ou de systèmes d'épuration analogues contient uniquement des gadoues.
Dans les cas où la cuve utilisée a préalablement servi au transport de substances autres que les gadoues, elle est soigneusement nettoyée et rincée avant d'être utilisée pour la vidange de fosses septiques ou de systèmes d'épuration analogues.
§ 2. [2 Le mélange de lots de gadoues est autorisé afin de remplir le véhicule utilisé par le vidangeur agréé entre deux éliminations prévues au paragraphe 3. Le passage par des fosses intermédiaires ou de transit est également autorisé pour autant le vidangeur agréé certifie auprès de l'organisme d'assainissement concerné que les gadoues récoltées résultent exclusivement d'installations destinées à la collecte ou au traitement d'eaux usées domestiques.]2
§ 3. Le vidangeur agréé élimine les gadoues par un des moyens suivants :
en les remettant à une station d'épuration pour autant qu'elle soit techniquement en mesure de les recevoir.
en les gérant conformément aux dispositions relatives à la gestion des déchets.
Le vidangeur agréé informe le Département de l'Environnement et de l'Eau de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement du Service public de Wallonie de la destination des gadoues lorsqu'elles sont transférées à l'extérieur de la Région, comme indiqué au paragraphe 4.
§ 4. Un document de transport, dont le modèle est déterminé à l'annexe XLV, est établi par véhicule en triple exemplaire.
Il est détenu à bord du véhicule et complété après chaque opération de vidange.
A la fin de chaque trimestre, le vidangeur agréé envoie au Département de l'Environnement et de l'Eau de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement du Service public de Wallonie un exemplaire des documents de transport établis au cours du trimestre écoulé selon un des modes visés à l'article R391, § 1er.
§ 5. Le nom et l'adresse du vidangeur figurent sur les véhicules.
§ 6. Le vidangeur respecte les conditions d'admission de la station d'épuration et dans ce cadre, il :
remet le document de transport à l'exploitant de la station d'épuration lors de chaque déchargement de gadoues de fosses septiques;
accepte tout prélèvement jugé nécessaire par l'exploitant en vue de réaliser soit un contrôle visuel et olfactif, soit une analyse;
lorsqu'un lot de gadoues est refusé par l'exploitant, il ne peut le déverser dans la station d'épuration. Les gadoues contaminées sont évacuées et la fosse est nettoyée conformément à la législation relative aux déchets. Dans ce cas, le document attestant du bon traitement des déchets est envoyé au directeur général selon un mode de communication visé à l'article R391, § 1er. Lorsque cette circonstance est occasionnelle et à l'unique condition qu'il remplisse les obligations légales d'élimination des déchets, le vidangeur n'est pas tenu d'être agréé pour la collecte et le transport des déchets.
En cas de non respect répété des conditions d'admission reprises au présent paragraphe, le vidangeur peut se voir refuser temporairement, par l'exploitant, l'accès aux stations d'épuration publiques.]1

HOOFDSTUK IX. [1 - Installatie- of herstelpremie voor een individueel zuiveringssysteem]1
CHAPITRE IX. [1 - Primes à l'installation ou la réhabilitation d'un système d'épuration individuelle]1
Afdeling I. - Algemene bepalingen.
Section 1re. - Dispositions générales.
Art. R401. [1 § 1er. In het kader van zijn opdracht van openbaar beheer van de autonome sanering, binnen de perken van de beschikbare bedragen, kent de "S.P.G.E." een premie toe aan elke publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon die op eigen kosten een erkend individueel zuiveringssysteem installeert in een woning of een groep woningen die opgetrokken zijn en huishoudelijk afvalwater lozen vóór de datum van goedkeuring of van wijziging van het algemeen gemeentelijk afwateringsplan of van het saneringsplan per hydrografisch onderbekken waardoor zij ondergebracht zijn in een autonome saneringszone.
§ 2. De referentiedatum voor de opening van het recht op een premie bedoeld in paragraaf 1 is altijd de datum van het eerste plan dat de huidige bestemming van de woning in termen van sanering heeft vastgesteld. [2 Het recht op de premie eindigt tegelijk met de termijn voor de uitbetalingsaanvraag en uiterlijk binnen twee jaar na het einde van de werken.]2
Geen enkele premie dekt het eventuele aandeel van de vuilvracht voortvloeiend uit de beoefening van een handelsactiviteit, met inbegrip van de activiteiten die voor toerisme, industrie of een vrij beroep bestemd zijn..
Met de bijkomende bewoningsmogelijkheden die totstandkomen door het uitvoeren van inrichtingswerkzaamheden na de datum van goedkeuring van het plan dat het pand voor het eerst in een gebied ondergebracht heeft waarvoor een autonome sanering geldt, wordt bij de berekening van de premie geen rekening gehouden.
§ 3. De "S.P.G.E." kan een premie voor het herstel of de hernieuwing van een individueel zuiveringssysteem toekennen dat minstens vijftien jaar geïnstalleerd is.
§ 4. De premie vormt in hoofde van de "S.P.G.E." een uitgave gedaan in het kader van de uitvoering van de autonome sanering bedoeld in het Waterwetboek in de artikelen D.222/1 tot D.222/4 en uitgevoerd tegen de voorwaarden opgenomen in de bovengenoemde paragrafen 1 tot 3 alsook in de artikelen R.402 tot R.417. Zijn bedrag wordt verstaan belasting op de toegevoegde waarde inbegrepen.]1

Art. R401. [1 § 1er. Dans le cadre de sa mission de gestion publique de l'assainissement autonome, dans la limite des montants disponibles, la S.P.G.E. accorde une prime à toute personne physique ou morale, de droit public ou de droit privé, qui équipe, à ses frais, d'un système d'épuration individuelle agréé, une habitation ou un groupe d'habitations érigées et rejetant des eaux usées domestiques avant la date d'approbation ou de modification du plan communal général d'égouttage ou du P.A.S.H. qui les a classées en zone d'assainissement autonome.
§ 2. La date de référence pour l'ouverture du droit à une prime visée par le paragraphe 1er est toujours celle du premier plan qui a fixé la vocation actuelle de l'habitation en termes d'assainissement. [2 Le droit à la prime prend fin en même temps que le délai pour la demande de liquidation et au plus tard deux ans après la fin des travaux.]2
Aucune prime ne couvre la part éventuelle de la charge polluante résultant de l'exercice d'une activité commerciale, en ce compris à vocation touristique, ou industrielle ou d'une profession libérale.
Le potentiel supplémentaire d'occupation lié à des travaux d'aménagement réalisés après la date d'approbation du plan qui a placé pour la première fois l'immeuble en zone réservée à l'assainissement autonome n'est pas pris en compte dans le calcul des primes.
§ 3. La S.P.G.E. peut accorder une prime pour la réhabilitation ou le renouvellement d'un système d'épuration individuelle installé il y a au minimum quinze ans.
§ 4. La prime constitue dans le chef de la S.P.G.E. une dépense opérée dans le cadre de la mise en oeuvre de l'assainissement autonome visé dans le Code de l'Eau aux articles D.222/1 à D.222/4 et réalisée aux conditions reprises aux paragraphes 1 à 3 ci-avant ainsi qu'aux articles R.402 à R.417. Son montant s'entend taxe sur la valeur ajoutée comprise.]1

Afdeling 1/1. [1 - Bedrag en aanvraag van de premies]1
Section 1/1. [1 - Montant et demande des primes]1
Art. R402. [1 § 1. Voor een eerste installatie van een overeenkomstig afdeling 2 erkend individueel zuiveringssysteem bedraagt de premie voor de eerste schijf van vijf inwoners-equivalenten :
6000 euro wanneer de Minister het individueel zuiveringssysteem oplegt ten gevolge van een zone-onderzoek in prioritaire zone I bedoeld in artikel R.279, § 3.;
3.500 euro wanneer de woning een overeenkomstig artikel R.280 erkend plaatselijk zwart punt vormt;
1.500 euro in de andere gevallen.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde bedragen worden verhoogd met:
450 euro per bijkomende inwonerequivalent;
150 euro voor de uitvoering van een permeabiliteitstest van de bodem met het oog op een bodeminfiltratie;
500 euro indien, na afloop van de permeabiliteitstest, de afvoer van het gezuiverde water gebeurt via één van de bodeminfiltratiewijzen die gemachtigd zijn bij de besluiten genomen ter uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, zinkput uitgezonderd;
1000 euro voor de installatie van een extensief systeem.
§ 3. De in paragrafen 1 en 2 bedoelde premies worden beperkt tot een maximum van tachtig percent van het totaalbedrag van de facturen, belasting over de toegevoegde waarde meegerekend, met betrekking tot de individuele zuiveringswerken. Ze omvatten de studie, de aankoop, het vervoer, de aanleg en de aansluiting van het individueel zuiveringssysteem en het afwateringsnetwerk voor het huishoudelijk afvalwater en het afvoersysteem voor het gezuiverde water. Ze omvatten niet het herstel van de plaats in diens oorspronkelijke staat.
Op voorwaarde dat de aanvrager bewijst dat hij houder is van een zakelijk recht op de betrokken woning, waarvoor de premie wordt aangevraagd, en dat het totale belastbare inkomen van het huishouden in het voorlaatste volledige jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag niet meer bedraagt dan 97.700 euro, wordt enkel het plafond van tachtig procent van het totale bedrag van de facturen volgens de hierboven vermelde voorwaarden opgenomen in het bedrag van de premie voor de installatie van een individueel zuiveringssysteem dat door de Minister is opgelegd na een zone-onderzoek in prioritaire zone bedoeld in artikel R.279, § 3. Het bedrag van 97.700 euro wordt elk jaar op 1 januari geïndexeerd en naar boven afgerond op basis van de ontwikkeling van de gezondheidsindex, waarbij wordt uitgegaan van de index die op 1 januari 2021 van kracht is.
In alle gevallen wordt het plafond van tachtig procent berekend exclusief de verhoging, bedoeld in het tweede lid, 4°.
§ 4. Overeenkomstig artikel R.401, § 3, kan een premie voor het herstel of de vernieuwing van een individueel zuiveringssysteem worden toegekend.
Het bedrag van deze premie wordt bepaald op maximum 1.000 euro op basis van een kostenraming opgesteld ten gevolge van een controle of onderhoud waarbij gewezen werd op de noodzaak om het individueel zuiveringssysteem te herstellen.
Het bedrag van deze premie wordt beperkt tot maximum tachtig percent van het totaalbedrag van de facturen, belasting over de toegevoegde waarde meegerekend, met betrekking tot de werken voor het in overeenstemming brengen en het herstel van het bestaande individueel zuiveringssysteem, het herstel van de plaats in diens oorspronkelijke staat niet inbegrepen.
§ 5. Om in aanmerking te komen, moeten de in de paragrafen 3 en 4 bedoelde facturen de geleverde hoeveelheden en de aangerekende eenheidsprijzen vermelden en voldoende gedetailleerd zijn om S.P.G.E. in staat te stellen na te gaan of de gefactureerde prestaties overeenstemmen met de elementen die in aanmerking kunnen worden genomen en of het gefactureerde zuiveringssysteem overeenstemt met het model waarvoor de premie wordt aangevraagd.
S.P.G.E. kan weigeren facturen in aanmerking te nemen die onvoldoende gedetailleerd zijn, die elementen bevatten met betrekking tot werkzaamheden die niet onder de paragrafen 3 en 4 vallen of die niet essentieel zijn voor de goede werking van het individuele zuiveringssysteem.
§ 6. De verontreinigende belasting die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de premie wordt bepaald overeenkomstig de bepalingen van bijlage XLVI.
Indien het wegens bijzondere omstandigheden niet zinvol of mogelijk is de capaciteit van het te installeren individuele zuiveringssysteem te ramen op basis van de bepalingen van bijlage XLVI, wordt de capaciteit van het zuiveringssysteem door S.P.G.E. voorgesteld op basis van het advies van het erkende saneringsorgaan.]1

Art. R402. [1 § 1er. Le montant de la prime, pour une première installation d'un système d'épuration individuelle agréé en vertu des dispositions de la section 2, s'élève, pour la première tranche de cinq équivalent-habitants :
à 6.000 euros lorsque le Ministre impose le système d'épuration individuelle suite à une étude de zone en zone prioritaire visée à l'article R. 279, § 3;
à 3.500 euros lorsque l'habitation relève d'un point noir local reconnu conformément à l'article R. 280;
à 1.500 euros dans les autres cas.
§ 2. Les montants visés au paragraphe 1er, sont majorés de :
450 euros par équivalent-habitant supplémentaire;
150 euros pour la réalisation d'un test de perméabilité du sol en vue d'une infiltration dans le sol;
500 euros lorsque, à l'issue du test de perméabilité, l'évacuation des eaux épurées s'effectue par un des modes d'infiltration dans le sol, autorisés par les arrêtés pris en exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, à l'exclusion du puits perdant;
1000 euros pour l'installation d'un système extensif.
§ 3. Les primes visées aux paragraphes 1er et 2 sont plafonnées à concurrence de quatre-vingt pour cent du montant total des factures, taxe sur la valeur ajoutée comprise, relatives aux travaux d'épuration individuelle. Ces derniers comprennent l'étude, l'achat, le transport, la pose et le raccordement du système d'épuration individuelle et du réseau de collecte des eaux usées domestiques et le dispositif d'évacuation des eaux épurées. Ils ne comprennent pas la remise des lieux en pristin état.
Dès lors que le demandeur apporte la preuve qu'il est titulaire d'un droit réel sur l'habitation concernée, objet de la prime et que les revenus imposables globalement du ménage de l'avant-dernière année complète précédant la date d'introduction de la demande n'excèdent pas 97.700 euros, seul le plafonnement à concurrence de quatre-vingts pour cent du montant total des factures selon les conditions reprises ci-avant intervient dans le montant de la prime prévue pour l'installation d'un système d'épuration individuelle qui a été imposé par le ministre suite à une étude de zone en zone prioritaire visée à l'article R.279, § 3. Le montant de 97.700 euros est indexé au 1er janvier de chaque année et arrondi à l'euro supérieur, sur la base de l'évolution de l'indice santé, par référence à l'indice en application au 1er janvier 2021.
Dans tous les cas, le plafonnement à concurrence de quatre-vingts pour cent est calculé hors majoration visée au paragraphe 2, 4°.
§ 4. Conformément l'article R.401, § 3, une prime pour la réhabilitation ou le renouvellement d'un système d'épuration individuelle peut être octroyée.
Le montant de cette prime est fixé à un maximum de 1.000 euros sur base d'un devis établi à la suite d'un contrôle ou d'un entretien ayant mis en évidence la nécessité de réhabiliter le système d'épuration individuelle.
Le montant de cette prime est plafonné à concurrence de quatre-vingts pour cent du montant total des factures, taxe sur la valeur ajoutée comprise relatives aux travaux de mise en conformité et de réhabilitation du système d'épuration individuelle existant, hors remise des lieux en pristin état.
§ 5. Pour être prises en compte, les factures visées aux paragraphes 3 et 4, doivent porter mention des quantités fournies et prix unitaires pratiqués et être rédigées de façon suffisamment détaillée pour permettre à la S.P.G.E. de vérifier si les prestations facturées correspondent aux postes susceptibles d'être pris en compte et si le système d'épuration facturé correspond au modèle pour lequel la prime est sollicitée.
La S.P.G.E. peut refuser la prise en compte de factures insuffisamment détaillées, reprenant des postes se rapportant à des travaux non visés aux paragraphes 3 et 4 ou encore non indispensables au bon fonctionnement du système d'épuration individuelle.
§ 6. La charge polluante prise en compte pour le calcul de la prime est déterminée conformément aux dispositions de l'annexe XLVI.
Si des conditions particulières rendent non pertinente ou impossible l'estimation de la capacité du système d'épuration individuelle à installer sur base des dispositions de l'annexe XLVI, la capacité du système d'épuration est proposée par la S.P.G.E. sur base de l'avis de l'organisme d'assainissement agréé.]1

Art. R403. [1 § 1. De particulier kan aan de "S.P.G.E.", per schrijven, vragen of hij voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de toekenning van een premie. Een formulier waarvan de inhoud en de vorm door de Minister wordt bepaald, wordt gevoegd bij de premieaanvraag.
Binnen vijftien dagen te rekenen van de dag van de ontvangst van de aanvraag, nodigt de "S.P.G.E." de aanvrager uit om zijn dossier aan te vullen indien het dossier onvolledig is.
Binnen dertig dagen te rekenen van de volledigheid van het dossier, beslist de "S.P.G.E." over de aanvraag en, in voorkomend geval, geeft de raming van het verwachte bedrag van de premie volgens de beschikbare informatie. Dit bedrag kan worden herzien volgens het geïnstalleerde zuiveringssysteem en de afvoerwijze van het behandeld water.
§ 2. De particulier maakt, op basis van een volledige kostenraming, de aanvraag tot vaststelling van het bedrag van de premie per schrijven over aan de "S.P.G.E." :
vóór de uitvoering van de werken als er beroep wordt gedaan op een gecertificeerde installateur;
na de uitvoering van de werken als er beroep wordt gedaan op een niet gecertificeerde installateur.
Een formulier waarvan de inhoud en de vorm door de Minister wordt bepaald, wordt gevoegd bij de premieaanvraag.
Binnen dertig dagen te rekenen van de volledigheid van het dossier, bepaalt de "S.P.G.E." het bedrag van de premie op basis van de overgemaakte informatie en deelt zij het mee aan de particulier.]1

Art. R403. [1 § 1er. Le particulier peut demander à la S.P.G.E., par envoi, s'il rentre dans les conditions d'octroi d'une prime. Un formulaire, dont le contenu et la forme sont arrêtés par le Ministre, accompagne la demande de prime.
Dans les quinze jours à dater du jour de la réception de la demande, la S.P.G.E. invite le demandeur à compléter son dossier si celui-ci est incomplet.
Dans les trente jours à dater de la complétude du dossier, la S.P.G.E. statue sur la demande et, le cas échéant, donne l'estimation du montant attendu de la prime selon les informations disponibles. Ce montant peut être revu selon le système d'épuration et le mode d'évacuation des eaux traitées installés.
§ 2. Le particulier transmet, sur base d'un devis complet, la demande de fixation du montant de la prime par envoi à la S.P.G.E. :
avant la réalisation des travaux s'il est fait appel à un installateur certifié;
après la réalisation des travaux s'il est fait appel à un installateur non certifié.
Un formulaire, dont le contenu et la forme sont arrêtés par le Ministre, accompagne la demande de prime.
Dans les trente jours à dater de la complétude du dossier, la S.P.G.E. fixe le montant de la prime sur base des informations transmises et le communique au particulier.]1

Art. R404. [1 De aanvraag tot uitbetaling van de premie, op basis van de vaststelling van de premie en voor zover het geïnstalleerd systeem overeenkomt met het systeem waarmee het bedrag wordt bepaald, wordt ingediend :
hetzij bij de oplevering van de werken, door de gecertificeerde installateur;
hetzij na de indienststelling van het individueel zuiveringssysteem, binnen zes maanden van het verkrijgen van het attest van de controle bij de installatie of de werking bedoeld in artikel R.304bis, § 1er, 1° en 2°.
De aanvraag tot uitbetaling van de premie wordt vergezeld van al de facturen betreffende de installatie van het individueel zuiveringssysteem, alsook het verslag opgemaakt door de installateur opgenomen in artikel R.304.
De gecertificeerde installateur factureert het bedrag van de premie aan de "S.P.G.E." volgens de voorwaarden bedoeld in artikel R.405 en trekt deze af van elke factuur die gericht is aan de particulier.
Als de aanvraag tot premie wordt geformuleerd na de uitvoering van de werken, gaat ze vergezeld van een exemplaar van het controleattest.]1

Art. R404. [1 La demande de liquidation de la prime, sur base de la fixation de la prime et pour autant que le système installé corresponde à celui qui a permis de fixer le montant, est introduite :
soit à la réception des travaux, par l'installateur certifié;
soit après la mise en service du système d'épuration individuelle, dans les six mois de l'obtention de l'attestation du contrôle à l'installation ou de fonctionnement visée à l'article R.304bis, § 1er, 1° et 2°.
La demande de liquidation de la prime est accompagnée de l'ensemble des factures relatives à l'installation du système d'épuration individuelle, ainsi que du rapport établi par l'installateur repris à l'article R.304.
L'installateur certifié facture le montant de la prime à la S.P.G.E. selon les conditions visées à l'article R.405 et déduit celle-ci de toute facture adressée au particulier.
Si la demande de prime est formulée après la réalisation des travaux, elle est accompagnée d'un exemplaire de l'attestation de contrôle.]1

Art. R405. [1 De premie wordt uitbetaald door de "S.P.G.E." binnen dertig dagen van de ontvangst van de aanvraag voor zover het overgemaakte dossier volledig en ontvankelijk is. In het geval van een onvolledig dossier, informeert de "S.P.G.E." de installateur en de eigenaar van het individueel zuiveringssysteem binnen tien dagen.]1
Art. R405. [1 La prime est liquidée par la S.P.G.E. dans les trente jours de la réception de la demande pour autant que le dossier transmis soit complet et recevable. En cas de dossier incomplet, la S.P.G.E. informe l'installateur et le propriétaire du système d'épuration individuelle dans les dix jours.]1
Art. R406. (Opgeheven)
Art. R406. (Abrogé)
Art. R407. (Opgeheven)
Art. R407. (Abrogé)
Art. R408.
Art. R408.
Afdeling II. - Erkenning van de individuele zuiveringsystemen.
Section 2. - Agrément des systèmes d'épuration individuelle.
Art. R409. De individuele zuiveringssystemen [1 ...]1 worden erkend indien ze voldoen aan de criteria bedoeld in [1 bijlage XLVIIIa]1.
Art. R409. Les systèmes d'épuration individuelle [1 ...]1 sont agréés s'ils satisfont aux critères figurant à l'[1 annexe XLVIIIa]1.
Art. R410. [1 § 1. De Minister benoemt de leden van het [2 Comité van deskundigen voor de autonome sanering]2 die aangewezen worden op grond van hun technische kennis van de behandelde materie. Het Comité bestaat uit :
een vertegenwoordiger van het Departement Leefmilieu en Water van het Operationele Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu;
twee deskundigen gekozen [2 ...]2 uit het academisch of wetenschappelijk personeel van de Faculteiten wetenschappen of toegepaste wetenschappen gevestigd in Wallonië;
twee vertegenwoordigers van de representatieve verenigingen in het ontwerp, de bouw en de installatie van individuele zuiveringssystemen;
een vertegenwoordiger van de representatieve verenigingen in de opleiding tot de installatie en werking van individuele zuiveringssystemen;
twee vertegenwoordigers van "Aquawal";
twee vertegenwoordigers van de "S.P.G.E." (Openbare Dienst Waterbeheer);
een vertegenwoordiger van de Minister.
Elke instelling of vereniging bedoeld in het eerste lid, 1° tot 6°, legt de Minister, per toegekend mandaat, een dubbele lijst over van gewone en plaatsvervangende kandidaten die gekozen zijn in functie van hun technische kennis van de behandelde materie en van hun beschikbaarheid.
Onder de leden van het [2 Comité van deskundigen voor de autonome sanering]2 wijst de Minister de voorzitter en de ondervoorzitter aan.
Het mandaat van de leden van het [2 Comité van deskundigen voor de autonome sanering]2 begint te lopen vanaf de datum van kennisgeving van het besluit waarbij ze worden benoemd. Het kan verlengd worden.
§ 2. De leden van het [2 Comité van deskundigen voor de autonome sanering]2 kunnen elk ogenblik ontslagen worden als ze in de onmogelijkheid verkeren hun functie uit te oefenen, wegens een ernstige fout of bij verlies van de hoedanigheid waarin ze benoemd werden.
Bij verhindering van de voorzitter wordt het Comité door de ondervoorzitter van het [2 Comité van deskundigen voor de autonome sanering]2 voorgezeten in afwachting van de aanwijzing van een nieuwe voorzitter door de Minister.
[2 § 2/1. De "S.P.G.E."neemt het secretariaat van het Comité van deskundigen voor de autonome sanering waar.
Het Comité van deskundigen voor de autonome sanering kan de expertise- en evaluatiewerken van de erkenningdossiers die hem worden onderworpen, uitbesteden.
De "S.P.G.E." zorgt voor de werkingskosten van het Comité van deskundigen voor de autonome sanering.]2

§ 3. De leden van het [2 Comité van deskundigen voor de autonome sanering]2 moeten het vertrouwelijke karakter van de werkzaamheden in acht nemen.
§ 4. De beslissingen worden bij gewone meerderheid van de aanwezige stemgerechtigde leden genomen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
§ 5. De zetel van het [2 Comité van deskundigen voor de autonome sanering]2 is gevestigd op het adres van het secretariaat.
§ 6. Het [2 Comité van deskundigen voor de autonome sanering]2 maakt een huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring aan de Regering voor.]1

Art. R410. [1 § 1er. Le Ministre nomme les membres du [2 Comité d'experts pour l'assainissement autonome]2 en fonction de leur compétence technique dans le domaine traité. Le Comité est composé :
d'un représentant du Département de l'Environnement et de l'Eau de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement;
de deux experts choisis [2 ...]2 dans le corps académique ou scientifique des Facultés des sciences ou des sciences appliquées implantées en Wallonie;
de deux représentants issus des associations représentatives dans la conception, la fabrication et l'installation des systèmes d'épuration individuelle;
d'un représentant issu des associations représentatives dans la formation à l'installation et au fonctionnement des systèmes d'épuration individuelle;
de deux représentants d'Aquawal;
de deux représentants de la S.P.G.E.;
d'un représentant du Ministre.
Chacun des organismes et associations visés à l'alinéa 1er, 1° à 6°, présente au Ministre une liste double de candidats effectifs et de candidats suppléants par mandat conféré choisis en fonction de leur compétence technique dans le domaine traité et de leur disponibilité.
Le Ministre désigne parmi les membres du [2 Comité d'experts pour l'assainissement autonome]2 le président et le vice-président.
Le mandat des membres du [2 Comité d'experts pour l'assainissement autonome]2 court à partir de la date de la notification de l'arrêté portant leur nomination. Il est renouvelable.
§ 2. Les membres du [2 Comité d'experts pour l'assainissement autonome]2 sont révocables en tout temps en cas d'impossibilité d'exercice de leur fonction, pour faute grave ou lorsqu'ils perdent la qualité pour laquelle ils ont été nommés.
En cas d'empêchement du président, le Comité est présidé par le vice-président du [2 Comité d'experts pour l'assainissement autonome]2, en attendant la désignation par le Ministre d'un nouveau président.
[2 § 2/1. La S.P.G.E. assure le secrétariat du Comité d'experts pour l'assainissement autonome.
Le Comité d'experts pour l'assainissement autonome peut sous-traiter des travaux d'expertise et d'évaluation des dossiers d'agrément qui lui sont soumis.
La S.P.G.E. assure les frais de fonctionnement du Comité d'experts pour l'assainissement autonome.]2

§ 3. Les membres du [2 Comité d'experts pour l'assainissement autonome]2 sont tenus à la confidentialité de leurs travaux.
§ 4. Les décisions sont prises à la majorité simple des membres présents et disposant d'une voix délibérative. En cas d'égalité des voix, la voix du président est prépondérante.
§ 5. Le siège du [2 Comité d'experts pour l'assainissement autonome]2 est fixé à l'adresse du secrétariat.
§ 6. Le [2 Comité d'experts pour l'assainissement autonome]2 établit un règlement d'ordre intérieur qu'il soumet pour approbation au Gouvernement.]1

Art. R410 -1.[1 De opdracht van het Comité van deskundigen voor de autonome sanering bestaat erin :
de aanvragen tot erkenning en intrekking van de erkenning van de zuiveringssystemen overeenkomstig de artikelen R.411 tot en met R.417 te onderzoeken en te beoordelen;
de Minister en de "S.P.G.E." aanbevelingen te doen over :
a) de afstemming van de autonome saneringsoplossingen ten opzichte van de verwachte kwaliteitsdoelstellingen;
b) de opleiding van de actoren die tussenkomen in de uitvoering van de individuele zuiveringssystemen;
c) de controle van de individuele zuiveringssystemen;
d) de opvolging en het onderhoud van de individuele zuiveringssystemen;
e) de installatie van een waarnemingscentrum of een expertisecentrum van de autonome sanering;
de beroepsinstantie zijn inzake een schorsingsbeslissing van de registratie van een onderhoudsverlener.]1

[2 3° adviezen uitbrengen in het kader van de kennisgeving, het beroep, de wijziging, de intrekking of de schorsing van de certificering van de installateurs van individuele zuiveringssystemen.]2
Art. R410 -1.[1 Le Comité d'experts pour l'assainissement autonome a pour mission :
d'examiner et d'évaluer les demandes d'agrément et de retrait d'agrément des systèmes d'épuration conformément aux articles R.411 à R.417;
de soumettre au Ministre et à la S.P.G.E. des recommandations sur :
a) l'adéquation des solutions d'assainissement autonome en regard des objectifs de qualité attendus;
b) la formation des acteurs intervenant dans la mise en oeuvre des systèmes d'épuration individuelle;
c) le contrôle des systèmes d'épuration individuelle;
d) le suivi et l'entretien des systèmes d'épuration individuelle;
e) la mise en place d'un observatoire ou d'un centre d'expertise de l'assainissement autonome;
d'être l'autorité de recours quant à une décision de suspension d'enregistrement d'un prestataire d'entretien.]1

[2 3° de remettre des avis dans le cadre de la notification, du recours, de la modification, du retrait ou de la suspension de la certification des installateurs de systèmes d'épuration individuelle. ]2
Art. R411. § 1. (De erkenningsaanvraag wordt door de producent of de gemachtigde exploitant bij eenvoudig schrijven aan het secretariaat van het [2 Comité van deskundigen voor de autonome sanering]2 gericht);
§ 2. de aanvraag bevat de volgende gegevens :
de identiteit van de aanvrager,
de handelsnaam betreffende het doel van de aanvraag,
de lijst van de productiecentra.
§ 3. de aanvraag gaat vergezeld van een dossier met de gegevens bedoeld [2 in de bijlagen XLVIIIa en XLVIIIb]2 [1 alsook het verslag voortvloeiende uit de EG-label voor de typen en maten van individuele zuiveringssystemen waarvoor een EG-label verplicht is]1 .
[2 § 4. De procedure voor de erkenningsaanvraag wordt onderworpen aan de betaling door de aanvrager van een forfaitair bedrag dat overeenkomt met de behandelingskosten van de aanvraag waarvan het bedrag en de betalingsmodaliteiten worden bepaald door de Minister van Leefmilieu.]2
Art. R411. § 1er. La demande d'agrément est introduite par le fabricant ou l'exploitant sous licence auprès du secrétariat du [2 Comité d'experts pour l'assainissement autonome]2 (par pli simple).
§ 2. La demande comporte :
l'identité du demandeur,
la dénomination commerciale réservée à l'objet de la demande,
l'indication des centres de fabrication.
§ 3. A la demande sera joint un dossier reprenant les éléments vises aux [2 aux annexes XLVIIIa et XLVIIIb]2 [1 ainsi que le rapport résultant du marquage CE pour les types et tailles de systèmes d'épuration individuelle pour lesquels le marquage CE est obligatoire]1 .
[2 § 4. La procédure de demande d'agrément est soumise au versement par le demandeur d'une somme forfaitaire correspondant aux frais de traitement de la demande dont le montant et les modalités de versement sont déterminées par le Ministre de l'Environnement.]2
Art. R412. § 1. Binnen [1 twintig werkdagen]1 na de datum van ontvangst van de aanvraag bezorgt het secretariaat de aanvrager een ontvangstbewijs waarbij de aanvraag volledig en ontvankelijk wordt verklaard.
Indien de aanvraag onvolledig is, wijst het secretariaat de aanvrager (door een aangetekende brief of op enige andere wijze waarop een vaste dagtekening aan de zending verleend wordt) op de ontbrekende gegevens.
De aanvrager beschikt dan over dertig dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van de aangetekende brief (of op enige andere wijze waarop een vaste dagtekening aan de zending verleend wordt), om het secretariaat de vereiste gegevens (bij eenvoudig schrijven) te bezorgen.
Binnen tien werkdagen na de datum van ontvangst van de ontbrekende gegevens bezorgt het secretariaat de aanvrager een bericht van ontvangst waarbij de aanvraag volledig en ontvankelijk wordt verklaard.
Indien het dossier onvolledig is, vervalt de aanvraag. De aanvrager wordt per post verwittigd.
§ 2. [1 Het [2 Comité van deskundigen voor de autonome sanering]2 geeft [3 de directeur-generaal van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu]3 een met redenen omkleed advies binnen drie maanden na ontvangst van het volledig dossier.
Tijdens het onderzoek kan het [2 Comité van deskundigen voor de autonome sanering]2 van deskundigen van de aanvrager elke bijkomende informatie eisen die hij nodig acht om zijn opdracht te vervullen.]1
[2 In afwachting dat deze bijkomende informatie wordt verstrekt, wordt de onderzoekstermijn van het dossier geschorst.]2
§ 3. [3 De directeur-generaal van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu]3 spreekt zich uit binnen twee maanden na ontvangst van het advies.
Art. R412. § 1er. Le secrétariat envoie au demandeur un accusé de réception constatant le caractère complet et recevable de la demande dans un délai de [1 vingt jours]1 ouvrables à dater de la réception de la demande.
Si la demande est incomplète, le secrétariat indique (par lettre recommandée ou par toute modalité conférant date certaine à l'envoi) au demandeur les éléments manquants.
Le demandeur dispose alors de trente jours à dater de la réception de la lettre recommandée (ou de toute modalité conférant date certaine à l'envoi) pour fournir au secrétariat ces éléments (par pli simple).
Dans les dix jours ouvrables suivant la réception des compléments, le secrétariat envoie au demandeur un accusé de réception sur le caractère complet et recevable de la demande.
Si le dossier n'est pas complet, la demande devient caduque. Un courrier d'information est à ce moment envoyé au demandeur.
§ 2. [1 Le [2 Comité d'experts pour l'assainissement autonome]2 remet son avis motivé [3 au directeur général du Service public de Wallonie Agriculture, Ressources naturelles et Environnement]3 dans les trois mois qui suivent la réception du dossier complet.
Au cours de l'examen, le [2 Comité d'experts pour l'assainissement autonome] peut exiger du demandeur toutes les informations complémentaires qu'il estime indispensables pour conduire à bien sa mission.]1
[2 Dans l'attente de la fourniture de ces informations complémentaires, le délai d'instruction du dossier est suspendu.]2
§ 3. Le [3 directeur général du Service public de Wallonie Agriculture, Ressources naturelles et Environnement]3 statue dans un délai de deux mois qui suit la réception de l'avis.
Art. R413. § 1. De erkenning, die door [3 de directeur-generaal van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu]3 verleend wordt binnen twee maanden na het uitbrengen van het eensluidend advies van het [2 Comité van deskundigen voor de autonome sanering]2, heeft een referentienummer en bevat een uittreksel met de omschrijving van het dossier. Ze wordt verleend voor een type product dat voor een gegeven omvangvariatie op dezelfde wijze is ontworpen wat betreft het aantal bestanddelen van het systeem of hun samenstelling.
[2 De referenties van de handleidingen voor de uitvoering en de exploitatie alsook het onderhoudscontract of de lijst van de onderhoudsprestaties voorgesteld door de fabrikant voor een normale werking van het systeem zullen bij het erkenningsbesluit gevoegd worden en zullen ter inzage liggen op het portaal van de website van het Waalse Leefmilieu en op de website van de "S.P.G.E.".]2
[1 Het [2 Comité van deskundigen voor de autonome sanering]2 wordt ingelicht over iedere wijziging aangebracht door een producent aan een erkend zuiveringssysteem en beslist of een nieuwe erkenningsaanvraag ingediend moet worden.]1
§ 2. [3 ...]3
[2 § 3. De erkenning wordt bekendgemaakt op het portaal van de website van het Waalse Leefmilieu en op de website van de "S.P.G.E.".]2
Art. R413. § 1er. L'agrément, délivré par [3 le directeur général du Service public de Wallonie Agriculture, Ressources naturelles et Environnement]3 dans les deux mois qui suivent l'avis conforme du [2 Comité d'experts pour l'assainissement autonome]2, comprend un numéro de référence et un extrait descriptif du dossier. Il est délivré pour un type de fabrication ne présentant pas, pour une variation de taille donnée, de différence de conception au niveau du nombre ou de l'agencement des éléments qui constituent le système.
[2 Les références des guides de mise en oeuvre et d'exploitation ainsi que le contrat d'entretien ou la liste des prestations d'entretien préconisées par le fabricant pour un fonctionnement normal du système seront annexés à l'arrêté d'agrément et consultables sur le site portail de l'environnement wallon et sur le site de la S.P.G.E..]2
[1 Le [2 Comité d'experts pour l'assainissement autonome]2 est informé de toute modification apportée par un fabricant à un système d'épuration agréé et juge de l'opportunité d'imposer une nouvelle demande d'agrément.]1
§ 2. [3 ...]3
[2 § 3. L'agrément est publié sur le site portail de l'environnement wallon et sur le site de la S.P.G.E.]2
Art. R414. De erkende zuiveringssystemen worden voorzien van een plaatje waarvan de afmetingen en de inhoud door de minister worden bepaald en waarop de volgende gegevens vermeld staan :
naam en adres van de producent en/of gemachtigde exploitant;
de functie van het product;
het referentienummer van de erkenning.
[1 4° het aantal IE die door het individueel zuiveringssysteem kunnen worden behandeld;]1
[2 De installateur treft de nuttige maatregelen opdat het plaatje op langdurige wijze op het erkende zuiveringssysteem vastgemaakt wordt. Hij vergewist zich dat de vermeldingen dit plaatje vergemakkelijk leesbaar zijn tijdens de controle- en onderhoudsverrichtingen.]2
[2 Na afloop van de erkenning deelt de aanvrager of de gemachtigde exploitant die de erkenning heeft verkregen, het reeks nummer van het laatste individueel zuiveringssysteem dat in aanmerking komt voor bedoelde erkenning, aan het Comité van deskundigen voor de autonomesanering.]2
Art. R414. Les systèmes d'épuration agréés sont pourvus d'une plaquette, dont le format et la présentation sont fixés par le Ministre et reprenant :
le nom et l'adresse du fabricant et/ou de l'exploitant sous licence;
la fonction du produit;
le numéro de référence de l'agrément;
[1 4° le nombre d'EH pouvant être traités par le système d'épuration individuelle.]1
[2 L'installateur prend les dispositions utiles pour que la plaquette soit fixée de manière pérenne sur le système d'épuration agréé. Il s'assure que les mentions figurant sur cette plaquette soient aisément lisibles lors des opérations de contrôle et d'entretien.]2
[2 A l'expiration de l'agrément, le demandeur ou l'exploitant sous licence ayant obtenu l'agrément communique au Comité d'experts pour l'assainissement autonome le numéro de série du dernier système d'épuration individuelle bénéficiant de cet agrément.]2
Art. R415. De erkenning stelt de producenten, de kopers of de verkopers niet vrij van hun verantwoordelijkheid. Ze houdt geen waarborg van het Waalse Gewest in. Ze verleent geen exclusieve productie- of verkooprechten.
Art. R415. L'agrément ne dispense pas les fabricants, les acheteurs ou les vendeurs de leur responsabilité. Il ne comporte aucune garantie de la Région. Il n'a pas pour effet de conférer des droits exclusifs à la production ou à la vente.
Art. R416. [1 De erkenning geldt vijf jaar. Het [2 Comité van deskundigen voor de autonome sanering]2 heeft toegang tot de fabricageplaatsen tijdens de behandeling van de erkenningsaanvraag en tijdens de geldigheidsduur van de erkenning om de adequatie na te gaan tussen de individuele zuiveringssystemen zoals ze zijn weergegeven in het erkenningsaanvraagdossier en de systemen in bewerking, in voorraad en aan de uitgang van de assemblageketen.
[2 Indien blijkt dat de erkenningsvoorwaarden bepaald in bijlage XLVIIIa niet meer worden nageleefd tijdens de geldigheidsduur van de erkenning of dat de verslagen van het controlebezoek op tekortkomingen wijzen, kan [3 de directeur-generaal van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu]3 de erkenning intrekken na eensluidend advies van het Comité van deskundigen voor de autonome sanering. Het Comité van deskundigen voor de autonome sanering brengt zijn advies uit na de fabrikant of de gemachtigde exploitant te hebben opgeroepen om uitleg te geven.]2 ]1

Art. R416. [1 L'agrément est valable cinq ans. Le [2 Comité d'experts pour l'assainissement autonome]2 peut accéder aux sites de fabrication lors de l'instruction de la demande d'agrément et durant la période de validité de celui-ci afin de vérifier l'adéquation entre les systèmes d'épuration individuelle tels que présentés dans le dossier de demande d'agrément et les systèmes en cours de fabrication, en stock et en sortie de chaîne d'assemblage.
[2 Lorsqu'il apparaît que les conditions d'agrément fixées à l'annexe XLVIIIa ne sont plus respectées durant la période de validité de celui-ci ou que les rapports de visite de contrôle mettent en évidence des manquements, [3 le directeur général du Service public de Wallonie Agriculture, Ressources naturelles et Environnement]3 peut procéder au retrait d'agrément sur avis conforme du Comité d'experts pour l'assainissement autonome. Le Comité d'experts pour l'assainissement autonome remet son avis après avoir invité le fabricant ou l'exploitant sous licence à faire valoir ses explications.]2 ]1

Art. R417. [1 De werkzaamheden van het [2 Comité van deskundigen voor de autonome sanering]2 worden opgeschort tussen 15 juli en 15 augustus en tussen 15 december en 15 januari.]1
Art. R417. [1 Les travaux du [2 Comité d'experts pour l'assainissement autonome]2 sont suspendus du 15 juillet au 15 août ainsi que du 15 décembre au 15 janvier.]1
HOOFDSTUK X. - Financiering van het beheer en de bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water.
CHAPITRE X. - Financement de la gestion et de la protection des eaux.
Afdeling I. - Drinkbaar water.
Section 1re. - Eaux potabilisables.
Art. R418. Voor de toepassing van deze afdeling dient te worden verstaan onder :
" rekening " : bankrekening van de houder van een milieuvergunning, waarop het [1 Fonds voor leefmilieubescherming, afdeling waterbescherming]1 bedragen stort die uitsluitend bestemd zijn voor het verrichten van onderzoeken, voor de vergoeding van de rechtstreekse materiële schade, krachtens artikel 174 van het decreetgevende deel en de beschermingswerken goedgekeurd in de voorkomingsgebieden;
" onderzoek " : het geheel van de materiële en geestelijke werkzaamheden voor de afbakening van de voorkomings- en of toezichtsgebieden, alsmede de technische en economische inventaris van de in deze gebieden geplande beschermingsacties;
" houder " : de houder van een milieuvergunning voor een inrichting met een winning van tot drinkwater verwerkbaar water, afgegeven krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning;
Art. R418. Pour l'application de la présente section, il faut entendre par :
" compte affecté " : compte en banque exclusivement affecté par le titulaire du permis d'environnement à l'utilisation des sommes versées par le [1 Fonds pour la protection de l'environnement, section protection des eaux]1, pour la réalisation des études, la prise en charge des dommages directs et matériels en vertu de l'article 174 de la partie décrétale et les travaux de protection approuvés dans les zones de prévention;
" étude " : l'ensemble des travaux matériels et intellectuels nécessaires à la délimitation des zones de prévention et/ou de surveillance ainsi que l'inventaire technique et économique des actions de protection envisagées dans ces zones;
" titulaire " : le titulaire d'un permis d'environnement portant sur un établissement comportant une prise d'eau potabilisable délivré en vertu du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement.
Art. R419. § 1. De op initiatief van het Waalse Gewest ondernomen acties zijn ten laste van het [1 Fonds voor leefmilieubescherming, afdeling waterbescherming]1, met name ivm :
de voor de afbakening van toezichtsgebieden vereiste onderzoeken;
de in artikel 175 van het decreetgevende deel bedoelde vergoedingen;
de uitgaven voor het treffen van maatregelen inzake het toezicht en de controle op tot drinkwater verwerkbaar water;
de uitgaven voor het beheer van het tot drinkwater verwerkbare water dat voorhanden is, en voor de verbetering van de kwaliteit en het opvoeren van de hoeveelheid ervan;
de onderzoeken en de uitvoering van werken die de overexploitatie van bepaalde grondwaterlagen moeten helpen voorkomen en, bijgevolg, de kwalitatieve en kwantitatieve duurzaamheid van het tot drinkwater verwerkbare water dat voorhanden is te verzekeren;
de beschermingsmaatregelen met het oog op de inachtneming van de algemene immissienormen bedoeld in artikel 127, die van toepassing zijn op de gebieden van tot drinkwater verwerkbaar water;
de uitgaven voor het uitwerken en de uitvoering van actieprogramma's in de kwetsbare gebieden aangewezen overeenkomstig de artikelen 188 tot en met 232;
de uitgaven voor de inning van de belasting;
de werken voor de bestrijding van onverwachte verontreinigingen in de toezichtsgebieden;
10° de uitgaven voor de administratieve behandeling van de dossiers die door het Gewest en de milieuvergunninghouders worden ingediend overeenkomstig de artikelen 3, 13, 167, 171 tot en met 176, 254 tot en met 274, 318, 407 tot en met 410, 434 en 435 van het decreetgevende deel;
11° de aankoop van onroerende goederen in de voorkomingsgebieden, die ter beschikking van de houder van een milieuvergunning worden gesteld, met name dmv een erfpacht waarvan de Minister de voorwaarden en modaliteiten vaststelt;
12° [5 De financiering van internationale ontwikkelingsprojecten voor de toegang tot water of de sanering van afvalwater in derdewereldlanden, alsook van de projecten met betrekking tot de strijd tegen de klimaatopwarming]5.
§ 2. Met inachtneming van de artikelen 421 tot en met 424 zijn de hierna vermelde acties die door de houder van een milieuvergunning in het voorkomingsgebied worden ondernomen, eveneens - geheel of gedeeltelijk - ten laste van het [1 Fonds voor leefmilieubescherming, afdeling waterbescherming]1 :
de onderzoeken;
de voor de bescherming van het gebied vereiste werken;
de in artikel 174 van het decreetgevende deel bedoelde vergoedingen;
de werken met het oog op de bestrijding van toevallige verontreinigingen in de voorkomingsgebieden.
Art. R419. § 1er. Sont à charge du [1 Fonds pour la protection de l'environnement, section protection des eaux]1, les actions entreprises sur l'initiative de la Région wallonne dans les domaines suivants :
les études nécessaires à la délimitation des zones de surveillance;
les indemnisations prévues à l'article 175 de la partie décrétale;
les dépenses en vue d'assurer les mesures de surveillance et de contrôle des eaux destinées à la consommation humaine;
les dépenses en vue d'assurer la gestion et d'améliorer la qualité et la quantité de l'eau potabilisable disponible;
les études et la réalisation de travaux destinés à remédier à la surexploitation de certaines nappes aquifères en vue de la pérennité qualitative et quantitative de l'eau potabilisable disponible;
les mesures de protection destinées à assurer le respect des normes générales d'immiscions visées à l'article 127, applicables dans les zones d'eaux destinées potabilisables;
les dépenses liées à l'élaboration et à la mise en oeuvre des programmes d'action dans les zones vulnérables désignées en application des articles 188 à 232;
les dépenses liées à la perception et au recouvrement de la redevance;
les travaux destinés à lutter contre des pollutions accidentelles dans les zones de surveillance;
10° les dépenses nécessaires au traitement administratif des dossiers introduits, en application des articles 3, 13, 167, 169, 171 à 176, 252, 254 à 274, 318, 407 à 410, 434 et 435 de la partie décrétale, par la Région et par les titulaires de permis d'environnement;
11° l'acquisition de biens immeubles au sein des zones de prévention afin de les mettre à la disposition des titulaires de permis d'environnement notamment par bail emphytéotique dont les conditions et les modalités sont établies par le Ministre;
12° [6 le financement de projets internationaux de développement pour l'accès à l'eau ou l'assainissement des eaux usées dans des pays du tiers-monde, ainsi que les projets relatifs à la lutte contre le réchauffement climatique.]6
§ 2. Sont également à charge du [1 Fonds pour la protection de l'environnement, section protection des eaux]1, en tout ou en partie, dans le respect des articles 421 à 424, les actions entreprises par les titulaires de permis d'environnement dans la zone de prévention :
les études;
les travaux indispensables à la protection de la zone;
les indemnisations prévues à l'article 174 de la partie décrétale;
les travaux destinés à lutter contre des pollutions accidentelles dans les zones de prévention.
Art. R420. De financiering van de door het Waalse Gewest gevoerde acties wordt jaarlijks vóór 30 juni door de Regering bepaald op grond van een door de Minister ingediend programma.
Het programma omvat :
de beschrijving en de rechtvaardiging volgens een orde van prioriteiten, van de geplande maatregelen die krachtens artikel 419, § 1;
de kostenraming van alle overwogen acties;
de duur van de uitvoering van de geplande acties en de ordonnancering van de voorziene uitgaven.
Art. R420. Le financement des actions menées par la Région wallonne est arrêté chaque année avant le 30 juin par le Gouvernement sur la base d'un programme proposé par le Ministre.
Le programme comprend :
la description et la justification, selon un ordre de priorités, des actions envisagées couvertes par le Fonds en vertu de l'article 419, § 1er;
l'évaluation du coût de chacune des actions envisagées;
la durée de mise en oeuvre des actions envisagées et l'ordonnancement des dépenses prévues.
Art. R421. Elke houder van een milieuvergunning kan vragen dat het Fonds de voor de afbakening van de voorkomingsgebieden vereiste onderzoekskosten voor zijn rekening neemt.
Daartoe bezorgt de vergunninghouder het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, een onderzoeksprogramma met de rechtvaardiging, de kosten en de uitvoeringsduur van het onderzoek.
Op grond van het rapport van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, keurt de Minister het programma goed of weigert hij het binnen drie maanden na indiening ervan bij het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water. De indiening moet met redenen omkleed zijn.
Na goedkeuring van het programma, neemt het [1 Fonds voor leefmilieubescherming, afdeling waterbescherming]1 het geheel van de onderzoekskosten voor zijn rekening.
Een voorschot, gelijk aan de waterhoeveelheid afgenomen in de loop van het jaar vóór de aanvraag mbt de winplaats waarvoor het onderzoek wordt voorgesteld, wordt binnen de maand na de goedkeuring van het programma op de rekening van de houder gestort; dit bedrag wordt vastgesteld op 0,05 euro/m3 zonder evenwel 70 % van het krachtens het derde lid van dit artikel goedgekeurde bedrag te overschrijden.
Het saldo wordt aan het einde van het onderzoek uitbetaald, mits rechtvaardiging van de uitgaven ten belope van het goedgekeurde bedrag. Het onderzoek moet evenwel, met een inventaris van de in het gebied te treffen beschermingsmaatregelen en met een kostenraming ervan, bij het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, ingediend worden.
Art. R421. Tout titulaire d'un permis d'environnement peut solliciter la prise en charge par le Fonds, de l'étude nécessaire à l'établissement de zones de prévention.
A cette fin, le titulaire dépose un programme d'étude à la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau comprenant la justification, le coût et la durée d'exécution de l'étude envisagée.
Sur la base du rapport de la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau, le Ministre approuve ou refuse le programme dans les trois mois de son dépôt à la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau. Le dépôt doit être justifié.
Le [1 Fonds pour la protection de l'environnement, section protection des eaux]1 intervient, dans la mesure ou le programme a été approuvé, pour la totalité des frais afférents à l'étude tels que fixés dans le programme.
Un acompte proportionnel à la quantité de mètres cubes d'eau prélevée au cours de l'année précédant la demande, relative à la prise d'eau pour laquelle l'étude est proposée, est versé sur le compte affecté du titulaire dans le mois qui suit l'approbation du programme; cet acompte est fixé à 0,05 euro/m3 et ne peut dépasser 70 % du montant approuvé en vertu de l'alinéa 3 du présent article.
La liquidation du solde intervient à la fin de l'étude sur la base de toutes les justifications des dépenses effectuées à concurrence du programme approuvé pour autant que l'étude soit déposée à la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau et qu'elle comprenne un inventaire des mesures à prendre dans la zone et une évaluation de leur coût.
Art. R422. § 1. Zodra de Regering het voorkomingsgebied aangewezen heeft, bezorgt de (houder van een milieuvergunning) het bestuur een programma waarin, voor de bij de winning betrokken voorkomingsgebieden, de aard van de acties en het bedrag van de vergoedingen voorkomen die krachtens artikel 419, § 2, 2° en 3° voor zijn rekening zullen zijn.
Het programma omvat :
a) een beschrijving van de overeenkomstig artikel 2, § 2, 2°, vereiste werken;
b) een kostenraming ervan;
a) een beschrijving van de overeenkomstig artikel 2, § 2, 3°, te vergoeden rechtstreekse materiële schade;
b) een schatting van deze vergoeding;
een termijnplanning van de ordonnancering van de uitgaven die de in 1° en 2° bedoelde werken en vergoedingen dekken.
§ 2. het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, bezorgt de Minister binnen 60 dagen een rapport over het voorgestelde programma. Deze laatste keurt het programma goed of weigert het binnen 30 dagen na ontvangst ervan. De weigering moet met redenen omkleed zijn.
§ 3. Een voorschot, gelijk aan 40 % van het geschatte bedrag van het goedgekeurde programma, wordt op de rekening van de vergunninghouder gestort binnen een maand na goedkeuring van het programma door de Minister.
Zodra het eerste voorschot uitgeput is, kan de vergunninghouder een tweede voorschot vragen, dat gelijk is aan 50 % van het bedrag van het goedgekeurde programma, op voorwaarde dat hij de uitvoering van het eerste deel van het programma behoorlijk gerechtvaardigd heeft dmv bewijsstukken.
Het saldo wordt uitbetaald op grond van de bewijsstukken waarbij de laatste uitgaven worden gerechtvaardigd.
§ 4. Indien het in het programma geschatte bedrag onvoldoende is om het geheel van de geplande acties te dekken, kan de (houder van een milieuvergunning) een bijkomend programma indienen dat volgens de in §§1 en 2 van dit artikel bedoelde procedure voorgesteld en goedgekeurd wordt.
De vereffening van het aanvullende programma gebeurt op grond van de bewijsstukken waarbij de extra-uitgaven worden gerechtvaardigd.
Art. R422. § 1er. Dès la désignation par le Gouvernement de la zone de prévention, le titulaire du permis d'environnement transmet à la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau, un programme qui détermine pour les zones de préventions concernées par le captage, la nature des actions et le montant des indemnisations qu'il devra prendre en charge en application de l'article 419, § 2, 2° et 3°.
Le programme comprend :
a) une description des travaux indispensables en application de l'article 419, § 2, 2°;
b) une évaluation du coûts de ces travaux;
a) une description des dommages directs et matériels qui devront être pris en charge en application de l'article 419, § 2, 2°;
b) une évaluation de ces indemnisations;
un échéancier de l'ordonnancement des dépenses couvrant les travaux et les indemnisations visés aux 1° et 2°.
§ 2. Dans les 60 jours, la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau remet au Ministre un rapport sur le programme proposé. Celui-ci approuve ou refuse le programme dans les 30 jours de sa réception. Le refus doit être motivé.
§ 3. Un acompte correspondant à 40 % du montant estimé du programme approuvé, est versé sur le compte affecté dans le mois qui suit l'approbation du programme par le Ministre.
Dès que la somme correspondant à ce premier acompte est épuisée, le titulaire peut demander le versement d'un deuxième acompte correspondant à 50 % du montant du programme approuvé à condition qu'il ait dûment justifié à l'aide de pièces probantes la réalisation de la première tranche du programme.
La liquidation du solde est opérée sur la base des pièces probantes justifiant les dépenses finales.
§ 4. Dans le cas ou le montant estimé dans le programme est insuffisant pour couvrir l'ensemble des actions prévues dans le programme approuvé, le titulaire du permis d'environnement peut introduire un programme complémentaire présenté et approuvé conformément à la procédure prévue aux §§ 1er et 2.
La liquidation du programme complémentaire se fait sur base des pièces probantes justifiant les dépenses supplémentaires encourues.
Art. R423. Wat de krachtens artikel 419, § 2, 2° en 3°, genomen maatregelen betreft, komt het Fonds onder voorbehoud van alinea 2 van dit artikel, slechts tegemoet om de specifieke of aanvullende acties te dekken die ondernomen worden overeenkomstig de artikelen 163, 165, 166, 167, 168, 2° en 170.
Het Fonds komt in geen geval tegemoet om acties te dekken die voortvloeien uit verplichtingen die door andere wetgevingen dan de artikelen 3, 13, 167, 171 tot en met 176, 252 tot en met 274, 318, 407 tot en met 410, 434 en 435 van het decreetgevende deel worden opgelegd.
Art. R423. Pour ce qui concerne les actions prises en application de l'article 419, § 2, 2° et 3°, le Fonds n'intervient, sous réserve du second alinéa du présent article que pour couvrir les actions spécifiques ou supplémentaires prises en application des articles 163, 165, 166, 167, 168, 2° et 170.
En aucun cas le Fonds n'intervient pour couvrir les actions qui résultent d'obligations découlant d'autres législations que les articles 3, 13, 167, 169, 171 à 176, 252, 254 à 274, 318, 407 à 410, 434 et 435 de la partie décrétale.
Art. R424. In geval van onverwachte verontreiniging in de voorkomingsgebieden komt het Fonds slechts tegemoet in de terugbetaling van de kosten voortvloeiende uit de werken voor de vervuilingbestrijding als :
de houder van een milieuvergunning onmiddellijk gereageerd heeft om de vervuiling van zijn winplaats te voorkomen;
het bestuur in kennis wordt gebracht van het ongeval zodra het is vastgesteld;
de houder van een milieuvergunning de schade gezamenlijk vaststelt met de veroorzaker van het ongeval, als deze kan worden geïdentificeerd, met de vertegenwoordiger van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, en, in voorkomend geval, met de eigenaar van het beschadigde goed;
de houder van een milieuvergunning het Waalse Gewest bij overeenkomst in de rechten doet treden die hij heeft tov de veroorzaker van het ongeval ten belope van de vergoeding die door het Gewest zal worden gestort.
Art. R424. En cas de pollution accidentelle dans les zones de prévention, le Fonds n'intervient dans le remboursement des travaux destinés à lutter contre la pollution que dans la mesure où :
le titulaire du permis d'environnement est directement intervenu pour prévenir la pollution de son captage;
l'accident a été signalé à la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau dès sa constatation;
le titulaire du permis d'environnement constate de manière contradictoire les dommages avec l'auteur de l'accident, si celui-ci est identifiable, avec le représentant de la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau et, le cas échéant, avec le propriétaire du bien auquel les dommages ont été causés;
le titulaire du permis d'environnement subroge par convention la Région wallonne dans les droits qu'il a à l'égard de l'auteur de l'accident à concurrence du montant de l'indemnité qui sera versée par la Région.
Afdeling II. - Grondwater.
Section 2. - Eaux souterraines.
Art. R425. Voor de toepassing van deze afdeling dient te worden verstaan onder :
" rekening " : bankrekening van de vergunninghouder waarop het waterbeschermingsfonds de toelagen stort die uitsluitend bestemd zijn voor de krachtens deze afdeling subsidieerbare onderzoeken en werken;
" vergunninghouder " : de houder van een milieuvergunning die betrekking heeft op een inrichting met een aansluitpunt voor tot drinkwater verwerkbaar water krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en die de bijdrage afdraagt overeenkomstig artikel 252, § 2, van het decreetgevende deel.
Art. R425. Pour l'application de la présente section, il faut entendre par :
" compte affecté " : compte en banque exclusivement affecté par le titulaire du permis d'environnement à l'utilisation des sommes versées par le fonds pour la protection des eaux en vue de réaliser les études et les travaux qui font l'objet d'une subvention en exécution de la présente section;
" titulaire d'autorisation " : le titulaire d'un permis d'environnement portant sur un établissement comportant une prise d'eau potabilisable délivré en vertu du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement et qui paie la contribution en application de l'article 252, § 2, de la partie décrétale.
Art. R426. § 1. Elke vergunninghouder kan vragen dat de kosten van de handelingen die hij verricht in het kader van de opdrachten bedoeld in artikel 318, § 3, derde lid, 4°, 5°, 6°, 9°, door het waterbeschermingsfonds worden gedragen.
Tedieneinde kan de Minister, binnen de perken van de beschikbare kredieten van het fonds, een toelage verlenen aan de vergunninghouder.
Daartoe draagt het waterbeschermingsfonds 50 % van de kosten van de onderzoeken en de gezamenlijke kosten van de werken, waarbij deze laatste kosten niet hoger mogen zijn dan vijfmaal het bedrag van de belasting die de vergunninghouder jaarlijks moet betalen.
§ 2. Wat de onderzoeken betreft, wordt binnen de maand na de betekening van de toekenning van de toelage een voorschot van 25 % op de rekening van de vergunninghouder gestort.
De overige 25 % worden betaald binnen de maand na afloop van het onderzoek en na de goedkeuring van de inhoud ervan, mits rechtvaardiging van al de geplande en gedane uitgaven, en op overlegging van de aangiften van schuldvordering en van al de aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, gerichte bewijsstukken.
§ 3. Wat de werken betreft, wordt binnen de maand na de betekening van de toekenning van de toelage een voorschot van 50 % op de rekening van de vergunninghouder gestort. Dat voorschot mag niet hoger zijn dan 50 % van het in § 1, derde lid, bedoelde bedrag.
Het saldo wordt binnen de maand na afloop van de werken uitbetaald, mits rechtvaardiging van al de geplande en gedane uitgaven en op overlegging van de aangiften van schuldvordering en van al de aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, gerichte bewijsstukken.
Art. R426. § 1er. Tout titulaire de permis d'environnement peut solliciter la prise en charge par le fonds pour la protection des eaux des actions qu'il entreprend en vue d'effectuer des missions visées à l'article 318, § 3, alinéa 3, 4°, 5°, 6° et 9°.
A cette fin et dans la limite des crédits disponibles sur le fonds, le Ministre peut accorder une subvention au titulaire de permis d'environnement et visant à leur réalisation.
Dans ce cadre, le fonds pour la protection des eaux intervient à raison de 50 % de leur coût pour les études et pour la totalité, plafonnée à un montant représentant cinq fois le montant de la contribution annuelle à payer par le titulaire de permis d'environnement, pour les travaux.
§ 2. Pour les études, un acompte correspondant à 25 % de leur coût est versé sur le compte affecté du titulaire de permis d'environnement dans le mois qui suit la notification de la subvention.
La liquidation des 25 % restant intervient dans le mois qui suit la fin de l'étude et de l'approbation de son contenu sur la base de toutes les dépenses prévues et effectuées et sur présentation des déclarations de créance accompagnées de toutes les pièces justificatives adressées à la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau.
§ 3. Pour les travaux, un acompte de 50 % de leur coût, plafonné à 50 % du montant repris au § 1er, alinéa 3, est versé sur le compte du titulaire dans le mois qui suit la notification de la subvention.
La liquidation du solde intervient dans le mois qui suit la fin des travaux sur la base de toutes les dépenses prévues et effectuées et sur présentation des déclarations de créance accompagnées de toutes les pièces justificatives adressées à la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau.
Art. R427. De vergunninghouder moet de toelage bij het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, aanvragen en de volgende gegevens verstrekken :
zijn adres;
het nummer van de huidige grondwaterwinplaats;
de thans opgepompte waterhoeveelheid en het bedrag van de laatste belasting dat hij betaald heeft;
het voorwerp van het onderzoek en/of van de geplande werken en de rechtvaardiging ervan;
de geplande organisatie van de verschillende fasen van het onderzoek en/of van de geplande werken en de duur van hun uitvoering;
de geraamde kosten van het onderzoek en/of van de geplande werken;
zijn bankrekeningnummer.
Art. R427. La demande de subvention est adressée par le titulaire d'autorisation à la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau. Elle contient les renseignements suivants :
l'adresse du demandeur;
le numéro de la prise d'eau souterraine actuelle;
le débit actuellement prélevé et le montant de la dernière contribution annuelle payée par le titulaire de permis d'environnement;
l'objet de l'étude et/ou des travaux projetés et leur justification;
l'organisation prévue des différentes phases de l'étude et/ou des travaux projetés et la durée de leur mise en oeuvre;
l'estimation du coût de l'étude et/ou des travaux projetés;
le numéro de compte affecté par le demandeur.
Art. R428. De Minister betekent zijn beslissing binnen een termijn van vijftig dagen vanaf de ontvangst van de aanvraag.
Art. R428. Le Ministre notifie sa décision dans un délai de cinquante jours à dater de la réception de la demande.
HOOFDSTUK XI.
CHAPITRE XI.
Afdeling I.
Section 1re.
Art. R429.
Art. R429.
Art. R430.
Art. R430.
Art. R431.
Art. R431.
Afdeling II.
Section 2.
Art. R432.
Art. R432.
Art. R433.
Art. R433.
Art. R434.
Art. R434.
Art. R435.
Art. R435.
TITEL III.
TITRE III.
HOOFDSTUK I.
CHAPITRE Ier.
Art. R436.
Art. R436.
Art. R437.
Art. R437.
Art. R438.
Art. R438.
Art. R439.
Art. R439.
Art. R440.
Art. R440.
Art. R441.
Art. R441.
Art. R442.
Art. R442.
Art. R443.
Art. R443.
Art. R444.
Art. R444.
Art. R445.
Art. R445.
Art. R446.
Art. R446.
Art. R447.
Art. R447.
Art. R448.
Art. R448.
Art. R449.
Art. R449.
Art. R450.
Art. R450.
Art. R451.
Art. R451.
Art. R452.
Art. R452.
DEEL IV. - VASTSTELLING VAN DE OVERTREDINGEN EN STRAFFEN.
PARTIE IV. - CONSTATATION DES INFRACTIONS ET SANCTIONS.
TITEL I. - Vaststelling van de overtredingen en straffen ter zake van oppervlaktewater.
TITRE Ier. - Constatation des infractions et sanctions en matière d'eau de surface.
TITEL II. - Vaststelling van de overtredingen en straffen ter zake van grondwater.
TITRE II. - Constatation des infractions et sanctions en matière d'eau souterraine.
TITEL III. - Vaststelling van de overtredingen en straffen ter zake van tot drinkwater verwerkbaar water.
TITRE III. - Constatation des infractions et sanctions en matière d'eau potabilisable.
TITEL IV. - Vaststelling van de overtredingen en straffen ter zake van schade aan aansluitpunten voor en pompingen van grondwater.
TITRE IV. - Constatation des infractions et sanctions en matière de dommages provoqués par les prises et pompages d'eau souterraine.
TITEL V. - Vaststelling van de overtredingen en straffen ter zake van tarifering.
TITRE V. - Constatation des infractions et sanctions en matière de tarification.
TITEL VI. - Vaststelling van de overtredingen en straffen ter zake van inning en betaling van belastingen.
TITRE VI. - Constatation des infractions et sanctions en matière de perception et de paiement des taxes.
TITEL VII. - Vaststelling van de overtredingen en straffen ter zake van het Sociale Waterfonds.
TITRE VII. - Constatation des infractions et sanctions en matière de Fonds social de l'eau.
TITEL VIII. - Vaststelling van de overtredingen en straffen ter zake van onbevaarbare waterlopen.
TITRE VIII. - Constatation des infractions et sanctions en matière de cours d'eau non navigables.
TITEL IX. - Vaststelling van de overtredingen en straffen ter zake van bevaarbare waterlopen.
TITRE IX. - Constatation des infractions et sanctions en matière de cours d'eau navigables.
DEEL V. - WIJZIGINGSBEPALINGEN.
PARTIE V. - DISPOSITIONS MODIFICATIVES.
Art. R457. In bijlage II bij het besluit van de Waalse Regering van 7 november 2002 tot bepaling van de integrale exploitatievoorwaarden voor individuele zuiveringseenheden en -installaties :
a) worden de woorden " hebben betrekking op gemiddelden van 24 uren " vervangen door de woorden " hebben betrekking op punctuele monsternemingen ";
b) wordt in punt a) de waarde " 0,45 m " vervangen door " 0,45m ";
c) worden in punt b) de verwijzing " (4) " en de overeenstemmende voetnota geschrapt;
d) worden in punt b) de kolom van de tabel met het opschrift " Minimaal verminderingspercentage " en de voetnota die overeenstemt met de verwijzing 1) geschrapt.
Art. R457. Dans l'annexe II de l'arrêté du Gouvernement wallon du 7 novembre 2002 fixant les conditions intégrales d'exploitation relatives aux unités d'épuration individuelle et aux installations d'épuration individuelle,
a) les mentions " portent sur des moyennes de 24 heures " sont remplacées par les mentions " se réfèrent à des échantillons ponctuels ";
b) dans le point a), la valeur " 0,45 m " est remplacée par " 0,45m ";
c) dans le point b), le renvoi " (4) " et la référence correspondante en bas de page sont supprimés;
d) dans le point b), la colonne du tableau intitulée " % minimum de réduction " et la référence correspondant au renvoi 1) en bas de page sont supprimés.
DEEL VI. - OVERGANGSBEPALINGEN.
PARTIE VI. - DISPOSITIONS TRANSITOIRES.
Art. R458. (Opgeheven)
Art. R458. (Abrogé)
Art. R459. (Opgeheven)
Art. R459. (Abrogé)
Art. R460. [1 § 1. De opslagaccommodatie dient in overeenstemming te zijn met de artikelen R. 197 tot en met R. 199 uiterlijk :
1) op 31 december 2008 voor alle bedrijven waarvan het veebestand in de loop van het jaar 2005 meer dan 5 000 kilogram stikstof heeft voortgebracht. Die hoeveelheden worden bepaald op grond van de gegevens opgenomen in bijlage XXVI;
2) op 31 december 2009 voor alle bedrijven waarvan het veebestand in de loop van het jaar 2005 tussen 2 500 en 5 000 kilogram stikstof heeft voortgebracht. Die hoeveelheden worden bepaald op grond van de gegevens opgenomen in bijlage XXVI;
3) op 31 december 2010 voor alle andere bedrijven, de bedrijven aangewezen in de §§ 3 en 4 uitgezonderd;
4) op 31 december 2010 voor alle bedrijven die toebehoren aan landbouwers die verklaren geen overnemer te hebben voor hun veehouderij-accommodatie uiterlijk één maand vóór het verstrijken van de termijn toegelaten in de punten 1 tot en met 3 van § 1, en die de leeftijd van 56 jaar hebben bereikt op datum van 28 november 2002. Indien die accommodatie overgenomen wordt vóór 2013 wordt de verklaring beschouwd als een opzettelijke fout ten opzichte van de randvoorwaarden en alle onverschuldigd verkregen premies ten aanzien van hoofdstuk IV zullen terugbetaald moeten worden.
§ 2. Voor wat betreft de bestaande opslagaccommodatie die niet in overeenstemming is met de artikelen R.197 tot en met R. 199 op 1 januari 2007, treden de artikelen R. 197 tot en met R. 199 en de beperkingen betreffende de in artikel R. 205 bepaalde winterse spreidingsperiodes van organische meststoffen in werking zodra de bestaande opslagaccommodatie in overeenstemming is met de artikelen R. 197 tot en met R. 199, en uiterlijk op de data bepaald in § 1.
§ 3. Dit artikel is niet van toepassing op de bedrijven die niet ingedeeld zijn krachtens de regelgeving betreffende de milieuvergunning.
§ 4. In afwijking van § 1 kan de vervaldatum door de Minister opgeschoven worden bij overmacht of uitzonderlijke omstandigheden.]1

Art. R460. [1 § 1er. Les infrastructures de stockage doivent être conformes aux articles R. 197 à R. 199 au plus tard :
1) le 31 décembre 2008 pour toutes les exploitations dont le cheptel a produit au cours de l'année 2005 plus de 5 000 kilogrammes d'azote. Ces quantités sont établies sur base des données reprises à l'annexe XXVI;
2) le 31 décembre 2009 pour toutes les exploitations dont le cheptel a produit au cours de l'année 2005 entre 2 500 et 5 000 kilogrammes d'azote. Ces quantités sont établies sur base des données reprises à l'annexe XXVI;
3) le 31 décembre 2010 pour toutes les autres exploitations, exceptées celles désignées aux §§ 3 et 4;
4) le 31 décembre 2010, pour toutes les exploitations appartenant à des agriculteurs se déclarant sans repreneurs pour ses infrastructures d'élevage au plus tard 1 mois avant l'expiration du délai autorisé aux points 1 à 3 du § 1er, et ayant atteint l'âge de 56 ans à la date du 28 novembre 2002. En cas de reprise de ces infrastructures avant 2013, la déclaration sera considérée comme faute intentionnelle au regard de la conditionnalité et toutes les primes indûment perçues au regard du chapitre IV devront être remboursées.
§ 2. Pour ce qui concerne les infrastructures de stockage existantes qui ne sont pas conformes aux articles R. 197 à R. 199 au 1er janvier 2007, les articles R. 197 à R. 199 et les restrictions concernant les périodes d'épandage hivernales des fertilisants organiques fixées à l'article R. 205 entrent en vigueur dès que les infrastructures de stockage existantes sont conformes aux articles R. 197 à R. 199, et au plus tard aux dates fixées au § 1er.
§ 3. Le présent article ne s'applique pas aux exploitations non classées en vertu de la réglementation relative au permis d'environnement.
§ 4. Par dérogation au § 1er, l'échéance peut être reportée par le Ministre en cas de force majeure ou de circonstances exceptionnelles.]1

Art. R461. Voor het jaar 2004 zijn de berekeningen van het trekkingsrecht van de OCMW's en hun werkingskosten gebaseerd tegen 75 % op het aantal personen die in aanmerking komen voor het recht op maatschappelijke integratie en tegen 25 % op het aantal tellers in het openbaar waterleidingnet van de verdeler.
Art. R461. Pour l'année 2004, les calculs du droit de tirage des CPAS et de leur frais de fonctionnement se basent à 75 % sur le nombre de personnes qui bénéficient du droit à l'intégration sociale et à 25 % sur le nombre de compteurs au réseau public de distribution d'eau du distributeur.
Art. R462. Artikel 268 treedt in werking de dag van inwerkingtreding van het regeringsbesluit getroffen ter uitvoering van artikel 185 van het decreetgevende deel.
Art. R462. L'article 268 entre en vigueur le jour de l'entrée en vigueur de l'arrêté du Gouvernement pris en exécution de l'article 185 de la partie décrétale.
Art. R463. De krachtens de regeringsbesluiten van 8 december 1994 en 15 oktober 1998 vergunde individuele zuiveringsstations worden beschouwd als in overeenstemming met de artikelen 274 tot en met 291 tot op het ogenblik waarop ze aan een eerstvolgende verplichte controle worden onderworpen.
Art. R463. Les stations d'épuration individuelle autorisées en application de l'arrêté du Gouvernement wallon du 8 décembre 1994 et du 15 octobre 1998 sont considérées comme répondant aux conditions des articles 274 à 291 jusqu'au moment du prochain contrôle auquel elles doivent se soumettre.
Art. R464. De voorschriften van de PCGE blijven van toepassing tot aan de inwerkingtreding van de saneringsplannen per hydrografisch onderbekken.
Indien er een tegenstrijdigheid is tussen de beginselen vastgesteld in artikel 286 en de PCGE zijn de regels eigen aan de overgangsregeling ter zake van de sanering van toepassing.
Vóór het saneringsplan per hydrografisch onderbekken definitief goedgekeurd wordt, kunnen de gemeenten met de instemming van de minister en de SPPGE de autonome saneringsregeling voorgesteld aan het ontwerp van saneringsplan per hydrografisch onderbekken toepasselijk maken.
Art. R464. Les prescriptions des PCGE restent d'application jusqu'à l'entrée en vigueur des plans d'assainissement par sous-bassin hydrographique.
En cas de contradiction avec les principes fixés à l'article 286 et les PCGE, les règles propres au régime d'assainissement transitoire sont d'application.
Avant approbation définitive du plan d'assainissement par sous-bassin hydrographique (PASH), les communes peuvent rendre applicable, avec l'accord du Ministre et de la SPGE, le régime d'assainissement autonome proposé au projet de PASH.
Art. R465. De personen aan wie een gunstige beslissing reeds is voorbehouden overeenkomstig het besluit van 25 oktober 1990 tot bepaling van de voorwaarden voor de teruggave van de belasting op de lozing van ander afvalwater dan industrieel afvalwater komen in aanmerking voor de vrijstelling en hoeven het formulier bedoeld in artikel 387 niet op te sturen naar het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water.
Art. R465. Les personnes à qui une décision favorable de restitution a déjà été réservée en application de l'arrêté du 25 octobre 1990 déterminant les conditions de restitution de la taxe sur le déversement des eaux usées autres qu'industrielles, bénéficient de l'exemption et ne sont pas tenues d'adresser à la Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de l'Eau le formulaire visé à l'article 387.
Art. R466. (opgeheven)
Art. R466. (abrogé)
Art. R467. (opgeheven)
Art. R467. (abrogé)
Art. R468. (opgeheven)
Art. R468. (abrogé)
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. [1 Bijlage 1. - Prioritaire stoffen en gevaarlijke prioritaire stoffen
Lijst van prioritaire stoffen en gevaarlijke prioritaire stoffen
Art. N1. [1 Annexe 1. - Substances prioritaires et substances dangereuses prioritaires
Liste des substances prioritaires et substances dangereuses prioritaires
Nr. CAS-
nummer (1)
EU-
nummer (2)
Naam van de prioritaire stof (3) Aangewezen als prioritaire gevaarlijke stof
(1) 15972-60-8 240-110-8 Alachloor
(2) 120-12-7 204-371-1 Antraceen X
(3) 1912-24-9 217-617-8 Atrazin
(4) 71-43-2 200-753-7 Benzeen
(5) Niet van toepassing Niet van toepassing Gebromeerde difenylethers X (4)
(6) 7440-43-9 231-152-8 Cadmium en zijn verbindingen X
(7) 85535-84-8 287-476-5 C10-13-chlooralkanen X
(8) 470-90-6 207-432-0 Chloorfenvinfos
(9) 2921-88-2 220-864-4 Chloorpyrifos (chloorpyriphosethyl)
(10) 107-06-2 203-458-1 1,2-dichloorethaan
(11) 75-09-2 200-838-9 Dichloormethaan
(12) 117-81-7 204-211-0 Di(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP) X
(13) 330-54-1 206-354-4 Diuron
(14) 115-29-7 204-079-4 Endosulfan X
(15) 206-44-0 205-912-4 Fluorantheen
(16) 118-74-1 204-273-9 Hexachloorbenzeen X
(17) 87-68-3 201-765-5 Hexachloorbutadieen X
(18) 608-73-1 210-168-9 Hexachloorcyclohexaan X
(19) 34123-59-6 251-835-4 Isoproturon
(20) 7439-92-1 231-100-4 Lood en zijn verbindingen
(21) 7439-97-6 231-106-7 Kwik en zijn verbindingen X
(22) 91-20-3 202-049-5 Naftaleen
(23) 7440-02-0 231-111-4 Nikkel en zijn verbindingen
(24) Niet van toepassing Niet van toepassing Nonylfenolen X (5)
(25) Niet van toepassing Niet van toepassing Octylfenolen (6)
(26) 608-93-5 210-172-0 Pentachloorbenzeen X
(27) 87-86-5 201-778-6 Pentachloorfenol
(28) Niet van toepassing Niet van toepassing Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) (7) X
(29) 122-34-9 204-535-2 Simazine
(30) Niet van toepassing Niet van toepassing Tributyltinverbindingen X (8)
(31) 12002-48-1 234-413-4 Trichloorbenzeen
(32) 67-66-3 200-663-8 Trichloormethaan (Chloroform)
(33) 1582-09-8 216-428-8 Trifluralin X
(34) 115-32-2 204-082-0 Dicofol X
(35) 1763-23-1 217-179-8 Perfluoroctaansulonzuur en zijn derivaten (PFOS) X
(36) 124495-18-7 Niet van toepassing Quinoxyfen X
(37) Niet van toepassing Niet van toepassing Dioxinen en dioxineachtige verbindingen X (9)
(38) 74070-46-5 277-704-1 Aclonifen
(39) 42576-02-3 255-894-7 Bifenox
(40) 28159-98-0 248-872-3 Cybutryne
(41) 52315-07-8 257-842-9 Cypermethrin (10)
(42) 62-73-7 200-547-7 Dichloorvos
(43) niet van toepassing niet van toepassing Hexabroomcyclododecaan (HBCDD) X (11)
(44) 76-44-8/1024-57-3 200-962-3/213-831-0 Heptachloor en heptachloorepoxide X
(45) 886-50-0 212-950-5 Terbutryn
Nr. CAS-
nummer (1) EU-
nummer (2) Naam van de prioritaire stof (3) Aangewezen als prioritaire gevaarlijke stof(1) 15972-60-8 240-110-8 Alachloor (2) 120-12-7 204-371-1 Antraceen X(3) 1912-24-9 217-617-8 Atrazin (4) 71-43-2 200-753-7 Benzeen (5) Niet van toepassing Niet van toepassing Gebromeerde difenylethers X (4)(6) 7440-43-9 231-152-8 Cadmium en zijn verbindingen X(7) 85535-84-8 287-476-5 C10-13-chlooralkanen X(8) 470-90-6 207-432-0 Chloorfenvinfos (9) 2921-88-2 220-864-4 Chloorpyrifos (chloorpyriphosethyl) (10) 107-06-2 203-458-1 1,2-dichloorethaan (11) 75-09-2 200-838-9 Dichloormethaan (12) 117-81-7 204-211-0 Di(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP) X(13) 330-54-1 206-354-4 Diuron (14) 115-29-7 204-079-4 Endosulfan X(15) 206-44-0 205-912-4 Fluorantheen (16) 118-74-1 204-273-9 Hexachloorbenzeen X(17) 87-68-3 201-765-5 Hexachloorbutadieen X(18) 608-73-1 210-168-9 Hexachloorcyclohexaan X(19) 34123-59-6 251-835-4 Isoproturon (20) 7439-92-1 231-100-4 Lood en zijn verbindingen (21) 7439-97-6 231-106-7 Kwik en zijn verbindingen X(22) 91-20-3 202-049-5 Naftaleen (23) 7440-02-0 231-111-4 Nikkel en zijn verbindingen (24) Niet van toepassing Niet van toepassing Nonylfenolen X (5)(25) Niet van toepassing Niet van toepassing Octylfenolen (6) (26) 608-93-5 210-172-0 Pentachloorbenzeen X(27) 87-86-5 201-778-6 Pentachloorfenol (28) Niet van toepassing Niet van toepassing Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) (7) X(29) 122-34-9 204-535-2 Simazine (30) Niet van toepassing Niet van toepassing Tributyltinverbindingen X (8)(31) 12002-48-1 234-413-4 Trichloorbenzeen (32) 67-66-3 200-663-8 Trichloormethaan (Chloroform) (33) 1582-09-8 216-428-8 Trifluralin X(34) 115-32-2 204-082-0 Dicofol X(35) 1763-23-1 217-179-8 Perfluoroctaansulonzuur en zijn derivaten (PFOS) X(36) 124495-18-7 Niet van toepassing Quinoxyfen X(37) Niet van toepassing Niet van toepassing Dioxinen en dioxineachtige verbindingen X (9)(38) 74070-46-5 277-704-1 Aclonifen (39) 42576-02-3 255-894-7 Bifenox (40) 28159-98-0 248-872-3 Cybutryne (41) 52315-07-8 257-842-9 Cypermethrin (10) (42) 62-73-7 200-547-7 Dichloorvos (43) niet van toepassing niet van toepassing Hexabroomcyclododecaan (HBCDD) X (11)(44) 76-44-8/1024-57-3 200-962-3/213-831-0 Heptachloor en heptachloorepoxide X(45) 886-50-0 212-950-5 Terbutryn
Nota's
(1) CAS : Chemical Abstracts Service.
(2) EU-nummer : European Inventory of Existing Commercial Chemical Substances : EINECS of de European List of Notified Chemical Substances : ELINCS.
(3) Wanneer groepen van stoffen zijn geselecteerd, worden, tenzij anders vermeld, typische voorbeelden daarvan gebruikt bij het bepalen van de milieukwaliteitsnormen.
(4) Alleen tetra-, penta-, hexa- en heptabroomdifenylether (respectievelijk CAS-nummers 40088-47-9, 32534-81-9, 36483-60-0, 68928-80-3).
(5) Nonylfenol (CAS 25154-52-3; EU 246-672-0) met inbegrip van isomeren 4-nonylfenol (CAS 104-40-5; EU 203-199-4) en 4-nonylfenol (vertakt) (CAS 84852-15-3; EU 284-325-5).
(6) Octylfenol (CAS 1806-26-4. EU 217-302-5) met inbegrip van isomeer 4-(1,1',3,3'-tetramethylbutyl)-fenol (CAS 140-66-9, EU 205-426-2).
(7) Met inbegrip van benzo(a)pyreen (CAS 50-32-8; EU 200-028-5), benzo(b)fluoranteen (CAS 205-99-2; EU 205-911-9), benzo(g,h,i)peryleen (CAS 191-24-2; EU 205-883-8), benzo(k)fluoranteen (CAS 207-08-9; EU 205-916-6), indeno(1,2,3-cd)pyreen (CAS 193-39-5; EU 205-893-2) en met uitzondering van antraceen, fluoranteen en naftaleen, die afzonderlijk worden vermeld.
(8) Met inbegrip van tributyltin-kation (CAS 36643-28-4).
(9) Dit betreft de volgende verbindingen :
7 polychloordibenzo-p-dioxinen (PCDD's) : 2,3,7,8-T4CDD (CAS 1746-01-6), 1,2,3,7,8-P5CDD (CAS 40321-76-4), 1,2,3,4,7,8-H6CDD (CAS 39227-28-6), 1,2,3,6,7,8-H6CDD (CAS 57653-85-7), 1,2,3,7,8,9-H6CDD (CAS 19408-74-3), 1,2,3,4,6,7,8-H7CDD (CAS 35822-46-9), 1,2,3,4,6,7,8,9-O8CDD (CAS 3268-87-9);
10 polychloordibenzofuranen (PCDF's) : 2,3,7,8-T4CDF (CAS 51207-31-9), 1,2,3,7,8-P5CDF (CAS 57117-41-6), 2,3,4,7,8-P5CDF (CAS 57117-31-4), 1,2,3,4,7,8-H6CDF (CAS 70648-26-9), 1,2,3,6,7,8-H6CDF (CAS 57117-44-9), 1,2,3,7,8,9-H6CDF (CAS 72918-21-9), 2,3,4,6,7,8-H6CDF (CAS 60851-34-5), 1,2,3,4,6,7,8-H7CDF (CAS 67562-39-4), 1,2,3,4,7,8,9-H7CDF (CAS 55673-89-7), 1,2,3,4,6,7,8,9-O8CDF (CAS 39001-02-0)
12 dioxineachtige polychloorbifenylen (DL-PCB) : 3,3',4,4'-T4CB (PCB 77, CAS 32598-13-3), 3,3',4',5-T4CB (PCB 81, CAS 70362-50-4), 2,3,3',4,4'-P5CB (PCB 105, CAS 32598-14-4), 2,3,4,4',5-P5CB (PCB 114, CAS 74472-37-0), 2,3',4,4',5-P5CB (PCB 118, CAS 31508-00-6), 2,3',4,4',5'-P5CB (PCB 123, CAS 65510-44-3), 3,3',4,4',5-P5CB (PCB 126, CAS 57465-28-8), 2,3,3',4,4',5-H6CB (PCB 156, CAS 38380-08-4), 2,3,3',4,4',5'-H6CB (PCB 157, CAS 69782-90-7), 2,3',4,4',5,5'-H6CB (PCB 167, CAS 52663-72-6), 3,3',4,4',5,5'-H6CB (PCB 169, CAS 32774-16-6), 2,3,3',4,4',5,5'-H7CB (PCB 189, CAS 39635-31-9).
(10) CAS 52315-07-8 betreft een mengsel van isomeren van cypermethrin, alpha-cypermethrin (CAS 67375-30-8), bèta-cypermethrin (CAS 65731-84-2), theta-cypermethrin (CAS 71697-59-1) en zèta-cypermethrin (52315-07-8).
(11) Dit betreft 1,3,5,7,9,11-hexabroomcyclododecaan (CAS : 25637-99-4), 1,2,5,6,9,10-hexabroomcyclododecaan (CAS 3194-55-6), alpha-hexabroomcyclododecaan (CAS 134237-50-6), {beta}-hexabroomcyclododecaan (CAS 134237-51-7) en gamma-hexabroomcyclododecaan (CAS 134237-52-8).]1
Numéro Numéro CAS (1) Numéro UE (2) Nom de la substance prioritaire (3) Identifiée comme substance dangereuse prioritaire
(1) 15972-60-8 240-110-8 Alachlore
(2) 120-12-7 204-371-1 Anthracène X
(3) 1912-24-9 217-617-8 Atrazine
(4) 71-43-2 200-753-7 Benzène
(5) sans objet sans objet Diphényléthers bromés X (4)
(6) 7440-43-9 231-152-8 Cadmium et ses composés X
(7) 85535-84-8 287-476-5 Chloroalcanes, C10-13 X
(8) 470-90-6 207-432-0 Chlorfenvinphos
(9) 2921-88-2 220-864-4 Chlorpyrifos (éthylchlorpyrifos)
(10) 107-06-2 203-458-1 1,2-dichloroéthane
(11) 75-09-2 200-838-9 Dichlorométhane
(12) 117-81-7 204-211-0 Di(2-ethylhexyle)phthalate (DEHP) X
(13) 330-54-1 206-354-4 Diuron
(14) 115-29-7 204-079-4 Endosulfan X
(15) 206-44-0 205-912-4 Fluoranthène
(16) 118-74-1 204-273-9 Hexachlorobenzène X
(17) 87-68-3 201-765-5 Hexachlorobutadiène X
(18) 608-73-1 210-168-9 Hexachlorocyclohexane X
(19) 34123-59-6 251-835-4 Isoproturon
(20) 7439-92-1 231-100-4 Plomb et ses composés
(21) 7439-97-6 231-106-7 Mercure et ses composés X
(22) 91-20-3 202-049-5 Naphtalène
(23) 7440-02-0 231-111-4 Nickel et ses composés
(24) sans objet sans objet Nonylphénols X (5)
(25) sans objet sans objet Octylphénols (6)
(26) 608-93-5 210-172-0 Pentachlorobenzène X
(27) 87-86-5 201-778-6 Pentachlorophénol
(28) sans objet sans objet Hydrocarbures aromatiques polycycliques (HAP) (7) X
(29) 122-34-9 204-535-2 Simazine
(30) sans objet sans objet Composés du tributylétain X (8)
(31) 12002-48-1 234-413-4 Trichlorobenzène
(32) 67-66-3 200-663-8 Trichlorométhane (chloroforme)
(33) 1582-09-8 216-428-8 Trifluraline X
(34) 115-32-2 204-082-0 Dicofol X
(35) 1763-23-1 217-179-8 Acide perfluorooctanesulfonique et ses dérivés (perfluoro-octanesulfonate PFOS) X
(36) 124495-18-7 sans objet Quinoxyfène X
(37) sans objet sans objet Dioxines et composés de type dioxine X (9)
(38) 74070-46-5 277-704-1 Aclonifène
(39) 42576-02-3 255-894-7 Bifénox
(40) 28159-98-0 248-872-3 Cybutryne
(41) 52315-07-8 257-842-9 Cypermethrine (10)
(42) 62-73-7 200-547-7 Dichlorvos
(43) sans objet sans objet Hexabromocyclododécanes (HBCDD) X (11)
(44) 76-44-8/1024-57-3 200-962-3/213-831-0 Heptachlore et époxyde d'heptachlore X
(45) 886-50-0 212-950-5 Terbutryne
Numéro Numéro CAS (1) Numéro UE (2) Nom de la substance prioritaire (3) Identifiée comme substance dangereuse prioritaire(1) 15972-60-8 240-110-8 Alachlore (2) 120-12-7 204-371-1 Anthracène X(3) 1912-24-9 217-617-8 Atrazine (4) 71-43-2 200-753-7 Benzène (5) sans objet sans objet Diphényléthers bromés X (4)(6) 7440-43-9 231-152-8 Cadmium et ses composés X(7) 85535-84-8 287-476-5 Chloroalcanes, C10-13 X(8) 470-90-6 207-432-0 Chlorfenvinphos (9) 2921-88-2 220-864-4 Chlorpyrifos (éthylchlorpyrifos) (10) 107-06-2 203-458-1 1,2-dichloroéthane (11) 75-09-2 200-838-9 Dichlorométhane (12) 117-81-7 204-211-0 Di(2-ethylhexyle)phthalate (DEHP) X(13) 330-54-1 206-354-4 Diuron (14) 115-29-7 204-079-4 Endosulfan X(15) 206-44-0 205-912-4 Fluoranthène (16) 118-74-1 204-273-9 Hexachlorobenzène X(17) 87-68-3 201-765-5 Hexachlorobutadiène X(18) 608-73-1 210-168-9 Hexachlorocyclohexane X(19) 34123-59-6 251-835-4 Isoproturon (20) 7439-92-1 231-100-4 Plomb et ses composés (21) 7439-97-6 231-106-7 Mercure et ses composés X(22) 91-20-3 202-049-5 Naphtalène (23) 7440-02-0 231-111-4 Nickel et ses composés (24) sans objet sans objet Nonylphénols X (5)(25) sans objet sans objet Octylphénols (6) (26) 608-93-5 210-172-0 Pentachlorobenzène X(27) 87-86-5 201-778-6 Pentachlorophénol (28) sans objet sans objet Hydrocarbures aromatiques polycycliques (HAP) (7) X(29) 122-34-9 204-535-2 Simazine (30) sans objet sans objet Composés du tributylétain X (8)(31) 12002-48-1 234-413-4 Trichlorobenzène (32) 67-66-3 200-663-8 Trichlorométhane (chloroforme) (33) 1582-09-8 216-428-8 Trifluraline X(34) 115-32-2 204-082-0 Dicofol X(35) 1763-23-1 217-179-8 Acide perfluorooctanesulfonique et ses dérivés (perfluoro-octanesulfonate PFOS) X(36) 124495-18-7 sans objet Quinoxyfène X(37) sans objet sans objet Dioxines et composés de type dioxine X (9)(38) 74070-46-5 277-704-1 Aclonifène (39) 42576-02-3 255-894-7 Bifénox (40) 28159-98-0 248-872-3 Cybutryne (41) 52315-07-8 257-842-9 Cypermethrine (10) (42) 62-73-7 200-547-7 Dichlorvos (43) sans objet sans objet Hexabromocyclododécanes (HBCDD) X (11)(44) 76-44-8/1024-57-3 200-962-3/213-831-0 Heptachlore et époxyde d'heptachlore X(45) 886-50-0 212-950-5 Terbutryne
Notes
(1) CAS : Chemical Abstracts Service.
(2) Numéro UE : Inventaire européen des produits chimiques commercialisés (Einecs) ou Liste européenne des substances chimiques notifiées (Elincs).
(3) Lorsque des groupes de substances ont été sélectionnés, sauf indication expresse, des représentants typiques de ce groupe sont définis aux fins de l'établissement des normes de qualité environnementale.
(4) Uniquement le tétrabromodiphényléther (n° CAS 40088-47-9), le pentabromodiphényléther (n° CAS 32534-81-9), l'hexabromodiphényléther (n° CAS 36483-60-0) et l'heptabromodiphényléther (n° CAS : 68928-80-3).
(5) Nonylphénol (n° CAS 25154-52-3; n° UE 246-672-0), y compris les isomères 4-nonylphénol (n° CAS 104-40-5; n° UE 203-199-4) et 4-nonylphénol (ramifié) (n° CAS 84852-15-3; n° UE 284-325-5).
(6) Octylphénol (n° CAS 1806-26-4; n° UE 217-302-5), y compris l'isomère 4-(1,1',3,3'- tétraméthylbutyl)-phénol (n° CAS 140-66-9; n° UE 205-426-2).
(7) Y compris le benzo(a)pyrène (n° CAS 50-32-8; n° UE 200-028-5), le benzo(b)fluoranthène (n° CAS 205-99-2; n° UE 205-911-9), le benzo(g,h,i)perylène (n° CAS 191-24-2; n° UE 205-883-8), le benzo(k)fluoranthène (n° CAS 207-08-9; n° UE 205-916-6) et l'indéno (1,2,3-cd)pyrène (n° CAS 193-39-5; n° UE 205-893-2), mais à l'exception de l'anthracène, du fluoranthène et du naphtalène, qui sont énumérés séparément.
(8) Y compris le tributylétain-cation (n° CAS : 36643-28-4).
(9) Se rapporte aux composés suivants :
sept dibenzo-p-dioxines polychlorées (PCDD) : 2,3,7,8-T4CDD (n° CAS 1746-01-6), 1,2,3,7,8-P5CDD (n° CAS 40321-76-4), 1,2,3,4,7,8-H6CDD (n° CAS 39227-28-6), 1,2,3,6,7,8-H6CDD (n° CAS 57653-85-7), 1,2,3,7,8,9-H6CDD (n° CAS 19408-74-3), 1,2,3,4,6,7,8-H7CDD (n° CAS 35822-46-9), 1,2,3,4,6,7,8,9-O8CDD (n° CAS 3268-87-9);
dix dibenzofurannes polychlorés (PCDF) : 2,3,7,8-T4CDF (CAS 51207-31-9), 1,2,3,7,8-P5CDF (CAS 57117-41-6), 2,3,4,7,8-P5CDF (CAS 57117-31-4), 1,2,3,4,7,8-H6CDF (CAS 70648-26-9), 1,2,3,6,7,8-H6CDF (CAS 57117-44-9), 1,2,3,7,8,9-H6CDF (CAS 72918-21-9), 2,3,4,6,7,8-H6CDF (CAS 60851-34-5), 1,2,3,4,6,7,8-H7CDF (CAS 67562-39-4), 1,2,3,4,7,8,9-H7CDF (CAS 55673-89-7), 1,2,3,4,6,7,8,9-O8CDF (CAS 39001-02-0)
douze biphényles polychlorés de type dioxine (PCB-TD) : 3,3',4,4'-T4CB (PCB 77, n° CAS 32598-13-3), 3,3',4',5-T4CB (PCB 81, n° CAS 70362-50-4), 2,3,3',4,4'-P5CB (PCB 105, n° CAS 32598-14-4), 2,3,4,4',5-P5CB (PCB 114, n° CAS 74472-37-0), 2,3',4,4',5-P5CB (PCB 118, n° CAS 31508-00-6), 2,3',4,4',5'-P5CB (PCB 123, n° CAS 65510-44-3), 3,3',4,4',5-P5CB (PCB 126, n° CAS 57465-28-8), 2,3,3',4,4',5-H6CB (PCB 156, n° CAS 38380-08-4), 2,3,3',4,4',5'-H6CB (PCB 157, n° CAS 69782-90-7), 2,3',4,4',5,5'-H6CB (PCB 167, n° CAS 52663-72-6), 3,3',4,4',5,5'-H6CB (PCB 169, n° CAS 32774-16-6), 2,3,3',4,4',5,5'-H7CB (PCB 189, n° CAS 39635-31-9).
(10) Le n° CAS 52315-07-8 se rapporte à un mélange d'isomères de cyperméthrine, d'alpha-cyperméthrine (n° CAS 67375-30-8), de bêta-cyperméthrine (n° CAS 65731-84-2), de thêta-cyperméthrine (n° CAS 71697-59-1) et de zêta-cyperméthrine (n° CAS 52315-07-8).
(11) Se rapporte au 1,3,5,7,9,11-hexabromocyclododécane (n° CAS : 25637-99-4), le 1,2,5,6,9,10-hexabromocyclododécane (n° CAS 3194-55-6), l'alpha-hexabromocyclododécane (n° CAS : 134237-50-6), le {beta}-Hexabromocyclododécane (n° CAS 134237-51-7) et le gamma-hexabromocyclododécane (n° CAS 134237-52-8).]1
Art. N2. Bijlage II. - Economische analyse van het watergebruik.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 12-04-2005, p. 15776).
Art. N2. Annexe II. Analyse économique de l'utilisation de l'eau.
(Annexe non reprise pour des raisons techniques. Voir M.B. 12-04-2005, p. 15134).
Art. N3. Bijlage III. - Beschermde gebieden.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 12-04-2005, p. 15777).
gewijzigd door
Art. N3. Annexe III. - Zones protégées.
(Annexe non reprise pour des raisons techniques. Voir M.B. 12-04-2005, p. 15135).
Modifié par :
Art. N4. Bijlage IV. - Monitoringsprogramma.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 12-04-2005, p. 15778-15786.)
Art. N4. Annexe IV. Programme de surveillance.
(Annexe non reprise pour des raisons techniques. Voir M.B. 12-04-2005, p. 15136-15142).
Gewijzigd bij :






Modifié par :






Art. N5. Bijlage (XIX). Emissiegrenswaarden en Milieukwaliteitsnormen.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 12-04-2005, p. 15787).
Art. N5. Annexe (XIX). Valeurs limites d'émission et normes de qualité environnementale.
(Annexe non reprise pour des raisons techniques. Voir M.B. 12-04-2005, p. 15143).
GEWIJZIGD BIJ :
MODIFIE PAR :
Art. N6. Bijlage (V). - [1 Lijst van in het maatregelenprogramma op te nemen maatregelen]1.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 12-04-2005, p. 15788).
Art. N6. Annexe (V). [1 Liste des mesures à inclure dans les programmes de mesures]1.
(Annexe non reprise pour des raisons techniques. Voir M.B. 12-04-2005, p. 15144).
Art. N7. Bijlage (VI). - Beheersplan.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 12-04-2005, p. 15789-15790.)
Art. N7. Annexe (VI). - Plan de gestion.
(Annexe non reprise pour des raisons techniques. Voir M.B. 12-04-2005, p. 15145-15146.)
Gewijzigd bij :
Modifié par :
Art. N8. Bijlage (X). - Basiskwaliteit voor gewone oppervlaktewateren.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 12-04-2005, p. 15791-15792).
Art. N8. Annexe (X). - Qualité de base pour les eaux de surface ordinaires.
(Annexe non reprise pour des raisons techniques. Voir M.B. 12-04-2005, p. 15147-15148).
Vervangen door :
Modifiée par :
Art. N9.
Art. N9.
Art. N10.
Art. N10.
Art. N10 bis.[1 Bijlage Xbis. - Milieukwaliteitsnormen voor de prioritaire stoffen en sommige andere verontreinigende stoffen
DEEL A :
Milieukwaliteitsnormen toegepast op de oppervlaktewateren
Art. N10 bis.[1 Annexe Xbis - Normes de qualité environnementale pour les substances prioritaires et certains autres polluants
PARTIE A :
Normes de qualité environnementale appliquées aux eaux de surface
JG : Jaargemiddelde.
MAC : maximaal aanvaardbare concentratie.
Eenheid : [g/l] voor de kolommen (4) tot en met (7)
[g/kg nat gewicht] voor kolom (8)
JG : Jaargemiddelde.MAC : maximaal aanvaardbare concentratie.Eenheid : [g/l] voor de kolommen (4) tot en met (7)
[g/kg nat gewicht] voor kolom (8)
MA : moyenne annuelle.
CMA : concentration maximale admissible.
Unité : [µg/l] pour les colonnes (4) à (7)
[µg/kg de poids humide] pour la colonne (8)
MA : moyenne annuelle.CMA : concentration maximale admissible.Unité : [µg/l] pour les colonnes (4) à (7)
[µg/kg de poids humide] pour la colonne (8)
(1) (2) (3) (4) (5) (6)
Nr. Naam van de stof CAS-
nummer (1)
JG-MKN (2) Landoppervlakterwateren (3) MAC-MKN (4) Landoppervlakterwateren (3) MKN Biota (12)
(1) Alachloor 15972-60-8 0,3 0,7
(2) Antraceen 120-12-7 0,1 0,1
(3) Atrazin 1912-24-9 0,6 2,0
(4) Benzeen 71-43-2 10 50
(5) Gebromeerde difenylethers (5) 32534-81-9 0,14 0,0085
(6) Cadmium en zijn verbindingen (afhankelijk van de waterhardheidsklasse) (6) 7440-43-9 ≤ 0,08 (klasse 1)
0,08 (klasse 2)
0,09 (klasse 3)
0,15 (klasse 4)
0,25 (klasse 5)
≤ 0,45 (klasse 1)
0,45 (klasse 2)
0,6 (klasse 3)
0,9 (klasse 4)
1,5 (klasse 5)
6bis) Tetrachloorkoolstof (7) 56-23-5 12 niet van toepassing
(7) C10-13-chlooralkanen (8) 85535-84-8 0,4 1,4
(8) Chloorfenvinfos 470-90-6 0,1 0,3
(9) Chloorpyrifos (chloorpyrifosethyl) 2921-88-2 0,03 0,1
9bis) Cyclodieenbestrijdingsmiddelen :
Aldrin (7) Dieldrin (7) Endrin (7) Isodrin (7)
309-00-2
60-57-1
72-20-8
465-73-6
Σ = 0,01niet van toepassing
9ter)DDT totaal (7), (9)niet van toepassing0,025niet van toepassing
Para-para-DDT (7)50-29-30,01niet van toepassing
(10)1,2-dichloorethaan107-06-210niet van toepassing
(11)Dichloormethaan75-09-220niet van toepassing
(12)Di(2-ethylhexyl)-ftalaat (DEHP)117-81-71,3niet van toepassing
(13)Diuron330-54-10,21,8
(14)Endosulfan115-29-70,0050,01
(15)Fluorantheen206-44-00,00630,1230
(16)Hexachloorbenzeen118-74-1 0,0510
(17)Hexachloorbutadieen87-68-3 0,655
(18)Hexachloorcyclohexaan608-73-10,020,04
(19)Isoproturon34123-59-60,31,0
(20)Lood en zijn verbindingen7439-92-11,2 (13)14
(21)Kwik en zijn verbindingen7439-97-6 0,0720
(22)Naftaleen91-20-32130
(23)Nikkel en zijn verbindingen7440-02-04 (13)34
(24)Nonylfenolen (4-nonylfenol)84852-15-30,32,0
(25)Octylfenolen (4-(1,1',3,3'- tetramethylbutyl)-fenol)140-66-90,1niet van toepassing
(26)Pentachloorbenzeen608-93-50,007niet van toepassing
(27)Pentachloor-fenol87-86-50,41
(28)Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) (11)niet van toepassingniet van toepassingniet van toepassing
Benzo(a)pyreen50-32-81,7 x 10-40,275
Benzo(b)fluoranteen205-99-2zie voetnoot 110,017zie voetnoot 11
Benzo(k)fluoranteen207-08-9zie voetnoot 110,017zie voetnoot 11
Benzo(g,h,i)-peryleen191-24-2zie voetnoot 118,2 x 10-3zie voetnoot 11
Indeno(1,2,3-cd)-pyreen193-39-5zie voetnoot 11niet van toepassingzie voetnoot 11
(29)Simazine122-34-914
(29bis)Tetrachloor-ethyleen (7)127-18-410niet van toepassing
(29ter)Trichloor-ethyleen (7)79-01-610niet van toepassing
(30)Tributyltinverbindingen (Tributyltinkation)36643-28-40,00020,0015
(31)Trichloorbenzenen12002-48-10,4niet van toepassing
(32)Trichloor-methaan67-66-32,5niet van toepassing
(33)Trifluralin1582-09-80,03niet van toepassing
(34)Dicofol115-32-21,3 x 10-3niet van toepassing (10)33
(35)Perfluoroctaansulfonzuur en zijn derivaten (PFOS)1763-23-16,5 x 10-4369,1
(36)Quinoxyfen124495-18-70,152,7
(37)Dioxinen en dioxineachtige verbindingenZie voetnoot 9 van bijlage 1 van dit Wetboek niet van toepassingSom van PCDD + PCDF + PCB-TD 0,0065 g.kg-1TEQ (14)
(38)Aclonifen74070-46-50,120,12
(39)Bifenox42576-02-30,0120,04
(40)Cybutryne28159-98-00,00250,016
(41)Cypermethrin52315-07-88 x 10-56 x 10-4
(42)Dichloorvos62-73-76 x 10-47 x 10-4
(43)Hexabroomcyclododecaan (HBCDD)Zie voetnoot 11 van bijlage 1 van dit Wetboek0,00160,5167
(44)Heptachloor en heptachloor-epoxide76-44-8/1024-57-32 x 10-73 x 10-46,7 x 10-3
(45)Terbutryn886-50-00,0650,34
(1) (2) (3) (4) (5) (6)Nr. Naam van de stof CAS-
nummer (1) JG-MKN (2) Landoppervlakterwateren (3) MAC-MKN (4) Landoppervlakterwateren (3) MKN Biota (12)(1) Alachloor 15972-60-8 0,3 0,7 (2) Antraceen 120-12-7 0,1 0,1 (3) Atrazin 1912-24-9 0,6 2,0 (4) Benzeen 71-43-2 10 50 (5) Gebromeerde difenylethers (5) 32534-81-9 0,14 0,0085(6) Cadmium en zijn verbindingen (afhankelijk van de waterhardheidsklasse) (6) 7440-43-9 ≤ 0,08 (klasse 1)
0,08 (klasse 2)
0,09 (klasse 3)
0,15 (klasse 4)
0,25 (klasse 5) ≤ 0,45 (klasse 1)
0,45 (klasse 2)
0,6 (klasse 3)
0,9 (klasse 4)
1,5 (klasse 5) 6bis) Tetrachloorkoolstof (7) 56-23-5 12 niet van toepassing (7) C10-13-chlooralkanen (8) 85535-84-8 0,4 1,4 (8) Chloorfenvinfos 470-90-6 0,1 0,3 (9) Chloorpyrifos (chloorpyrifosethyl) 2921-88-2 0,03 0,1 9bis) Cyclodieenbestrijdingsmiddelen :
Aldrin (7) Dieldrin (7) Endrin (7) Isodrin (7) 309-00-2
60-57-1
72-20-8
465-73-6Σ = 0,01niet van toepassing9ter)DDT totaal (7), (9)niet van toepassing0,025niet van toepassingPara-para-DDT (7)50-29-30,01niet van toepassing
(10)1,2-dichloorethaan107-06-210niet van toepassing(11)Dichloormethaan75-09-220niet van toepassing(12)Di(2-ethylhexyl)-ftalaat (DEHP)117-81-71,3niet van toepassing(13)Diuron330-54-10,21,8(14)Endosulfan115-29-70,0050,01(15)Fluorantheen206-44-00,00630,1230(16)Hexachloorbenzeen118-74-10,0510(17)Hexachloorbutadieen87-68-30,655(18)Hexachloorcyclohexaan608-73-10,020,04(19)Isoproturon34123-59-60,31,0(20)Lood en zijn verbindingen7439-92-11,2 (13)14(21)Kwik en zijn verbindingen7439-97-60,0720(22)Naftaleen91-20-32130(23)Nikkel en zijn verbindingen7440-02-04 (13)34(24)Nonylfenolen (4-nonylfenol)84852-15-30,32,0(25)Octylfenolen (4-(1,1',3,3'- tetramethylbutyl)-fenol)140-66-90,1niet van toepassing(26)Pentachloorbenzeen608-93-50,007niet van toepassing(27)Pentachloor-fenol87-86-50,41(28)Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) (11)niet van toepassingniet van toepassingniet van toepassingBenzo(a)pyreen50-32-81,7 x 10-40,275
Benzo(b)fluoranteen205-99-2zie voetnoot 110,017zie voetnoot 11
Benzo(k)fluoranteen207-08-9zie voetnoot 110,017zie voetnoot 11
Benzo(g,h,i)-peryleen191-24-2zie voetnoot 118,2 x 10-3zie voetnoot 11
Indeno(1,2,3-cd)-pyreen193-39-5zie voetnoot 11niet van toepassingzie voetnoot 11
(29)Simazine122-34-914(29bis)Tetrachloor-ethyleen (7)127-18-410niet van toepassing(29ter)Trichloor-ethyleen (7)79-01-610niet van toepassing(30)Tributyltinverbindingen (Tributyltinkation)36643-28-40,00020,0015(31)Trichloorbenzenen12002-48-10,4niet van toepassing(32)Trichloor-methaan67-66-32,5niet van toepassing(33)Trifluralin1582-09-80,03niet van toepassing(34)Dicofol115-32-21,3 x 10-3niet van toepassing (10)33(35)Perfluoroctaansulfonzuur en zijn derivaten (PFOS)1763-23-16,5 x 10-4369,1(36)Quinoxyfen124495-18-70,152,7(37)Dioxinen en dioxineachtige verbindingenZie voetnoot 9 van bijlage 1 van dit Wetboekniet van toepassingSom van PCDD + PCDF + PCB-TD 0,0065 g.kg-1TEQ (14)(38)Aclonifen74070-46-50,120,12(39)Bifenox42576-02-30,0120,04(40)Cybutryne28159-98-00,00250,016(41)Cypermethrin52315-07-88 x 10-56 x 10-4(42)Dichloorvos62-73-76 x 10-47 x 10-4(43)Hexabroomcyclododecaan (HBCDD)Zie voetnoot 11 van bijlage 1 van dit Wetboek0,00160,5167(44)Heptachloor en heptachloor-epoxide76-44-8/1024-57-32 x 10-73 x 10-46,7 x 10-3(45)Terbutryn886-50-00,0650,34
Nota's
(1) CAS : Chemical Abstracts Service.
(2) Deze parameter is de MKN uitgedrukt als jaargemiddelde (JG-MKN). Tenzij anders is aangegeven, is deze van toepassing op de totale concentratie van alle isomeren.
(3) Landoppervlaktewateren omvatten rivieren en meren en de bijbehorende kunstmatige of sterk veranderde waterlichamen.
(4) Deze parameter is de milieukwaliteitsnorm uitgedrukt als maximaal aanvaardbare concentratie (MAC-MKN). Wanneer voor de MAC-MKN "niet van toepassing" wordt aangegeven, worden de JG-MKN-waarden verondersteld bescherming te bieden tegen kortdurende verontreinigingspieken in continue lozingen, aangezien deze aanzienlijk lager zijn dan de op basis van de acute toxiciteit afgeleide waarde.
(5) Voor de groep prioritaire stoffen die vallen onder "Gebromeerde difenylethers" (nr. 5), verwijst de MKN naar de som van de concentraties voor de congeneren nr. 28, 47, 99, 100, 153 en 154.
(6) Voor cadmium en zijn verbindingen (nr. 6) zijn de MKN-waarden afhankelijk van de hardheid van het water, ingedeeld in vijf klassen : (klasse 1 : < 40 mg CaCO3/l, klasse 2 : 40 tot < 50 mg CaCO3/l, klasse 3 : 50 tot < 100 mg CaCO3/l, klasse 4 : 100 tot < 200 mg CaCO3/l en klasse 5 : ≥200 mg CaCO3/l).
(7) Deze stof is geen prioritaire stof, maar een van de andere verontreinigende stoffen waarvoor de MKN identiek zijn aan die welke zijn vastgelegd in de wetgeving die vóór 13 januari 2009 van toepassing was.
(8) Er wordt geen indicatieve parameter opgegeven voor deze groep van stoffen. De indicatieve parameters moeten worden bepaald door de analysemethoden.
(9) DDT totaal omvat de som van de volgende isomeren : 1,1-trichloor2,2-bis(p-chloorfenyl)ethaan (CAS-nummer 50-29-3), EU-nummer 200-024-3); 1,1,1-trichloor-2-(o-chloorfenyl)-2-(p-chloorfenyl)ethaan (CAS-nummer 789-02-6); EU-nummer 212-332-5); 1,1-dichloor2,2-bis(p-chloorfenyl)ethyleen (CAS-nummer 72-55-9); EU-nummer 200-784-6); en 1,1-dichloor-2,2-bis(p-chloorfenyl)ethaan (CAS-nummer 72-54-8); EU-nummer 200-783-0).
(10) Er is onvoldoende informatie beschikbaar om een MAC-MKN vast te stellen voor deze stoffen.
(11) Voor de groep prioritaire stoffen die onder polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) vallen (nr. 28), is de vermelde biota-MKN en de overeenkomstige JG-MKN voor water de concentratie van benzo(a)pyreen; beide MKN zijn op de toxiciteit van benzo(a)pyreen gebaseerd. Benzo(a)pyreen kan beschouwd worden als een marker voor andere PAK en derhalve dient voor de vergelijking met biota-MKN en de overeenkomstige JG-MKN in water alleen benzo(a)pyreen te worden gemonitord.
(12) Tenzij anders vermeld, gelden de biota-MKN voor vissen. In plaats daarvan kan een alternatieve biotataxon of een andere matrix worden gemonitord, voor zover de toegepaste MKN een gelijkwaardig beschermingsniveau biedt. Voor de stoffen met nummer 15 (fluorantheen) en 28 (PAK's), gelden de biota-MKN voor schelp- en weekdieren. Voor de beoordeling van de chemische toestand is de monitoring van fluoranteen en PAK in vissen niet geschikt. Voor stof nummer 37 (dioxinen en dioxineachtige verbindingen) gelden de biota-MKN voor vissen, schelp- en weekdieren; zie afdeling 5.3 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 1259/2011 van de Commissie van 2 december 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1881/2006 wat betreft de maximumgehalten voor dioxinen, dioxineachtige pcb's en niet-dioxineachtige pcb's in levensmiddelen (PB L 320 van 3.12.2011, blz. 18).
(13) Deze MKN hebben betrekking op de biologisch beschikbare concentraties van de stoffen.
(14) PCDD's : polychloordibenzo-p-dioxinen PCDF's : polychloordibenzofuranen; PCB-DL : dioxineachtige polychloorbifenylen;TEQ; toxische equivalenten, overeenkomstig de toxische-equivalentiefactoren (2005) van de Wereldgezondheidsorganisatie.
(1) (2) (3) (4) (5) (6)
Nom de la substance Numéro CAS (1) NQE-MA (2)
Eaux de surface intérieures (3)
NQE-CMA (4)
Eaux de surface intérieures (3)
NQE
Biote (12)
(1) Alachlore 15972-60-8 0,3 0,7
(2) Anthracène 120-12-7 0,1 0,1
(3) Atrazine 1912-24-9 0,6 2,0
(4) Benzène 71-43-2 10 50
(5) Diphényléthers bromés (5) 32534-81-9 0,14 0,0085
(6) Cadmium et ses composés (suivant les classes de dureté de l'eau) (6) 7440-43-9 ≤ 0,08 (classe 1)
0,08 (classe 2)
0,09 (classe 3)
0,15 (classe 4)
0,25 (classe 5)
≤ 0,45 (classe 1)
0,45 (classe 2)
0,6 (classe 3)
0,9 (classe 4)
1,5 (classe 5)
(6bis) Tétrachlorure de carbone (7) 56-23-5 12 sans objet
(7) Chloroalcanes C10-13 (8) 85535-84-8 0,4 1,4
(8) Chlorfenvinphos 470-90-6 0,1 0,3
(9) Chlorpyrifos (éthylchlorpyrifos) 2921-88-2 0,03 0,1
(9bis) Pesticides cyclodiènes : Aldrine (7) Dieldrine (7) Endrine (7) Isodrine (7) 309-00-2
60-57-1
72-20-8
465-73-6
Σ = 0,01sans objet
(9ter)DDT total (7), (9)sans objet0,025sans objet
para-para-DDT (7)50-29-30,01sans objet
(10)1,2-dichloroéthane107-06-210sans objet
(11)Dichlorométhane75-09-220sans objet
(12)Di(2-ethylhexyle)-phthalate (DEHP)117-81-71,3sans objet
(13)Diuron330-54-10,21,8
(14)Endosulfan115-29-70,0050,01
(15)Fluoranthène206-44-00,00630,1230
(16)Hexachloro-benzène118-74-1 0,0510
(17)Hexachloro-butadiène87-68-3 0,655
(18)Hexachlorocyclohexane608-73-10,020,04
(19)Isoproturon34123-59-60,31,0
(20)Plomb et ses composés7439-92-11,2 (13)14
(21)Mercure et ses composés7439-97-6 0,0720
(22)Naphtalène91-20-32130
(23)Nickel et ses composés7440-02-04 (13)34
(24)Nonylphénols (4-nonylphénol)84852-15-30,32,0
(25)Octylphénols (4-(1,1',3,3'- tétraméthyl-butyl)-phénol)140-66-90,1sans objet
(26)Pentachloro-benzène608-93-50,007sans objet
(27)Pentachloro-phénol87-86-50,41
(28)Hydrocarbures aromatiques polycycliques (HAP) (11)sans objetsans objetsans objet
Benzo(a)pyrène50-32-81,7 x 10-40,275
Benzo(b)fluor-anthène205-99-2voir note 110,017voir note 11
Benzo(k)fluor-anthène207-08-9voir note 110,017voir note 11
Benzo(g,h,i)perylène191-24-2voir note 118,2 x 10-3voir note 11
Indeno(1,2,3-cd)-pyrène193-39-5voir note 11sans objetvoir note 11
(29)Simazine122-34-914
(29bis)Tétrachloro-éthylène (7)127-18-410sans objet
(29ter)Trichloro-ethylène (7)79-01-610sans objet
(30)Composés du tributylétain (tributylétain-cation)36643-28-40,00020,0015
(31)Trichloro-benzène12002-48-10,4sans objet
(32)Trichloro-méthane67-66-32,5sans objet
(33)Trifluraline1582-09-80,03sans objet
(34)Dicofol115-32-21,3 x 10-3sans objet (10)33
(35)Acide perfluorooctane-sulfonique et ses dérivés (perfluoro-octanesulfonate PFOS)1763-23-16,5 x 10-4369,1
(36)Quinoxyfène124495-18-70,152,7
(37)Dioxines et composés de type dioxineVoir note de bas de page 9 de l'annexe 1 du présent Code sans objetSomme de PCDD + PCDF + PCB-TD 0,0065 g.kg-1TEQ (14)
(38)Aclonifène74070-46-50,120,12
(39)Bifénox42576-02-30,0120,04
(40)Cybutryne28159-98-00,00250,016
(41)Cyperméthrine52315-07-88 x 10-56 x 10-4
(42)Dichlorvos62-73-76 x 10-47 x 10-4
(43)Hexabromo-cyclododécane (HBCDD)Voir note de bas de page 11 de l'annexe 1 du présent Code0,00160,5167
(44)Heptachlore et époxyde d'heptachlore76-44-8/1024-57-32 x 10-73 x 10-46,7 x 10-3
(45)Terbutryne886-50-00,0650,34
(1) (2) (3) (4) (5) (6)N° Nom de la substance Numéro CAS (1) NQE-MA (2)
Eaux de surface intérieures (3) NQE-CMA (4)
Eaux de surface intérieures (3) NQE
Biote (12)(1) Alachlore 15972-60-8 0,3 0,7 (2) Anthracène 120-12-7 0,1 0,1 (3) Atrazine 1912-24-9 0,6 2,0 (4) Benzène 71-43-2 10 50 (5) Diphényléthers bromés (5) 32534-81-9 0,14 0,0085(6) Cadmium et ses composés (suivant les classes de dureté de l'eau) (6) 7440-43-9 ≤ 0,08 (classe 1)
0,08 (classe 2)
0,09 (classe 3)
0,15 (classe 4)
0,25 (classe 5) ≤ 0,45 (classe 1)
0,45 (classe 2)
0,6 (classe 3)
0,9 (classe 4)
1,5 (classe 5) (6bis) Tétrachlorure de carbone (7) 56-23-5 12 sans objet (7) Chloroalcanes C10-13 (8) 85535-84-8 0,4 1,4 (8) Chlorfenvinphos 470-90-6 0,1 0,3 (9) Chlorpyrifos (éthylchlorpyrifos) 2921-88-2 0,03 0,1 (9bis) Pesticides cyclodiènes : Aldrine (7) Dieldrine (7) Endrine (7) Isodrine (7) 309-00-2
60-57-1
72-20-8
465-73-6Σ = 0,01sans objet(9ter)DDT total (7), (9)sans objet0,025sans objetpara-para-DDT (7)50-29-30,01sans objet
(10)1,2-dichloroéthane107-06-210sans objet(11)Dichlorométhane75-09-220sans objet(12)Di(2-ethylhexyle)-phthalate (DEHP)117-81-71,3sans objet(13)Diuron330-54-10,21,8(14)Endosulfan115-29-70,0050,01(15)Fluoranthène206-44-00,00630,1230(16)Hexachloro-benzène118-74-10,0510(17)Hexachloro-butadiène87-68-30,655(18)Hexachlorocyclohexane608-73-10,020,04(19)Isoproturon34123-59-60,31,0(20)Plomb et ses composés7439-92-11,2 (13)14(21)Mercure et ses composés7439-97-60,0720(22)Naphtalène91-20-32130(23)Nickel et ses composés7440-02-04 (13)34(24)Nonylphénols (4-nonylphénol)84852-15-30,32,0(25)Octylphénols (4-(1,1',3,3'- tétraméthyl-butyl)-phénol)140-66-90,1sans objet(26)Pentachloro-benzène608-93-50,007sans objet(27)Pentachloro-phénol87-86-50,41(28)Hydrocarbures aromatiques polycycliques (HAP) (11)sans objetsans objetsans objetBenzo(a)pyrène50-32-81,7 x 10-40,275
Benzo(b)fluor-anthène205-99-2voir note 110,017voir note 11
Benzo(k)fluor-anthène207-08-9voir note 110,017voir note 11
Benzo(g,h,i)perylène191-24-2voir note 118,2 x 10-3voir note 11
Indeno(1,2,3-cd)-pyrène193-39-5voir note 11sans objetvoir note 11
(29)Simazine122-34-914(29bis)Tétrachloro-éthylène (7)127-18-410sans objet(29ter)Trichloro-ethylène (7)79-01-610sans objet(30)Composés du tributylétain (tributylétain-cation)36643-28-40,00020,0015(31)Trichloro-benzène12002-48-10,4sans objet(32)Trichloro-méthane67-66-32,5sans objet(33)Trifluraline1582-09-80,03sans objet(34)Dicofol115-32-21,3 x 10-3sans objet (10)33(35)Acide perfluorooctane-sulfonique et ses dérivés (perfluoro-octanesulfonate PFOS)1763-23-16,5 x 10-4369,1(36)Quinoxyfène124495-18-70,152,7(37)Dioxines et composés de type dioxineVoir note de bas de page 9 de l'annexe 1 du présent Codesans objetSomme de PCDD + PCDF + PCB-TD 0,0065 g.kg-1TEQ (14)(38)Aclonifène74070-46-50,120,12(39)Bifénox42576-02-30,0120,04(40)Cybutryne28159-98-00,00250,016(41)Cyperméthrine52315-07-88 x 10-56 x 10-4(42)Dichlorvos62-73-76 x 10-47 x 10-4(43)Hexabromo-cyclododécane (HBCDD)Voir note de bas de page 11 de l'annexe 1 du présent Code0,00160,5167(44)Heptachlore et époxyde d'heptachlore76-44-8/1024-57-32 x 10-73 x 10-46,7 x 10-3(45)Terbutryne886-50-00,0650,34
Notes
(1) CAS : Chemical Abstracts Service.
(2) Ce paramètre est la norme de qualité environnementale exprimée en valeur moyenne annuelle (NQE-MA). Sauf indication contraire, il s'applique à la concentration totale de tous les isomères.
(3) Les eaux de surface intérieures comprennent les rivières et les lacs et les masses d'eau artificielles ou sérieusement modifiées qui y sont reliées.
(4) Ce paramètre est la norme de qualité environnementale exprimée en concentration maximale admissible (NQE-CMA). Lorsque les NQE-CMA sont indiquées comme étant "sans objet", les valeurs retenues pour les NQE-MA sont considérées comme assurant une protection contre les pics de pollution à court terme dans les rejets continus, dans la mesure où elles sont nettement inférieures à celles définies sur la base de la toxicité aiguë.
(5) Pour le groupe de substances prioritaires dénommé "Diphényléthers bromés" (n° 5), les NQE renvoient à la somme des concentrations des congénères portant les numéros 28, 47, 99, 100, 153 et 154.
(6) Pour le cadmium et ses composés (n° 6), les valeurs retenues pour les NQE varient en fonction de la dureté de l'eau telle que définie suivant les cinq classes suivantes : classe 1 : < 40 mg CaCO3/l; classe 2 : 40 à < 50 mg CaCO3/l; classe 3 : 50 à < 100 mg CaCO3/l; classe 4 : 100 à < 200 mg CaCO3/l et classe 5 : ≥ 200 mg CaCO3/l.
(7) Cette substance n'est pas une substance prioritaire mais un des autres polluants pour lesquels les NQE sont identiques à celles définies dans la législation qui s'appliquait avant le 13 janvier 2009.
(8) Aucun paramètre indicatif n'est prévu pour ce groupe de substances. Le ou les paramètres indicatifs doivent être déterminés par la méthode d'analyse.
(9) Le DDT total comprend la somme des isomères suivants : 1,1,1-trichloro-2,2 bis (p-chlorophényl)éthane (n° CAS : 50-29-3; n° UE : 200-024-3); 1,1,1-trichloro-2 (o-chlorophényl)-2-(p-chlorophényl)éthane (n° CAS : 789-02-6; n° UE : 212-332-5); 1,1-dichloro-2,2 bis (p-chlorophényl)éthylène (n° CAS : 72-55-9; n° UE : 200-784-6); et 1,1-dichloro-2,2 bis (p-chlorophényl)éthane (n° CAS : 72-54-8; n° UE : 200-783-0).
(10) Les informations disponibles ne sont pas suffisantes pour établir une NQE-CMA pour ces substances.
(11) Pour le groupe de substances prioritaires dénommé "hydrocarbures aromatiques polycycliques (HAP)" (n° 28), la NQE pour le biote et la NQE-MA dans l'eau correspondante se rapportent à la concentration de benzo(a)pyrène, sur la toxicité duquel elles sont fondées. Le benzo(a)pyrène peut être considéré comme un marqueur des autres HAP et, donc, seul le benzo(a)pyrène doit faire l'objet d'une surveillance aux fins de la comparaison avec la NQE pour le biote ou la NQE-MA dans l'eau correspondante.
(12) Sauf indication contraire, la NQE pour le biote se rapporte aux poissons. En lieu et place, un autre taxon de biote, ou une autre matrice, peut faire l'objet de la surveillance pour autant que la NQE appliquée assure un niveau de protection équivalent. Pour les substances n° s 15 (fluoranthène) et 28 (HAP), la NQE pour le biote se rapporte aux crustacés et mollusques. Aux fins de l'évaluation de l'état chimique, la surveillance du fluoranthène et des HAP chez les poissons n'est pas appropriée. Pour la substance n° 37 (dioxines et composés de type dioxine), la NQE pour le biote se rapporte aux poissons, crustacés et mollusques, en conformité avec l'annexe, section 5.3, du règlement (UE) n° 1259/2011 de la Commission du 2 décembre 2011 modifiant le règlement (CE) n° 1881/2006 en ce qui concerne les teneurs maximales en dioxines, en PCB de type dioxine et en PCB autres que ceux de type dioxine des denrées alimentaires (JO L 320 du 3.12.2011, p. 18).
(13) Ces NQE se rapportent aux concentrations biodisponibles des substances.
(14) PCDD : dibenzo-p-dioxines polychlorées; PCDF : dibenzofurannes polychlorés; PCB-TD : biphényles polychlorés de type dioxine; TEQ : équivalents toxiques conformément aux facteurs d'équivalence toxique 2005 de l'Organisation mondiale de la santé.
DEEL B.
Toepassing van de in deel A.I. bepaalde milieukwaliteitsnormen
1. Kolom 4 van tabel : voor elk oppervlaktewaterlichaam wordt onder toepassing van de JG-MKN verstaan dat voor elk representatief meetpunt in dit waterlichaam het rekenkundig gemiddelde van de op verschillende tijdstippen in de loop van het jaar gemeten concentraties niet boven de norm ligt.
De berekening van het rekenkundig gemiddelde, de te gebruiken analysemethode en de wijze waarop een MKN wordt toegepast indien geen passende analysemethode bestaat, die voldoet aan de minimale prestatiekenmerken, dienen in overeenstemming te zijn met uitvoeringsinstrumenten houdende technische specificaties voor de chemische controle en kwaliteit van analytische resultaten overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG.
2. Kolom 5 van tabel : voor elk oppervlaktewaterlichaam wordt onder de toepassing van de MAC-MKN verstaan dat de gemeten concentratie op enig representatief meetpunt in het waterlichaam niet boven de norm ligt.
De stroomgebiedoverheid kan, overeenkomstig bijlage IV, deel I., 4), statistische methoden invoeren, zoals een percentielberekening, zodat een aanvaardbaar niveau van betrouwbaarheid en nauwkeurigheid wordt gewaarborgd, wanneer wordt bepaald of aan de MAC-MKN is voldaan. Indien zij dat doet, moeten die statistische methoden voldoen aan de gedetailleerde regels vastgesteld overeenkomstig de regelgevingsprocedure bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de Lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren.
3. De in deze bijlage vastgestelde MKN voor water worden uitgedrukt als totale concentratie in het volledige watermonster.
In afwijking van de eerste alinea, hebben de MKN voor water in het geval van cadmium, lood, kwik en nikkel (hierna "metalen" genoemd), betrekking op de opgeloste concentratie, d.w.z. de opgeloste fase van een watermonster die wordt verkregen door filtratie over een filter van 0,45 m of een gelijkwaardige voorbehandeling, of, indien specifiek vermeld, op de biobeschikbare concentratie.
Wanneer de stroomgebiedoverheid de meetresultaten vergelijkt met de relevante MKN, kan zij rekening houden met :
a) natuurlijke achtergrondconcentraties voor metalen en hun verbindingen, wanneer deze in dergelijke concentraties voorkomen dat zij de naleving van de relevante MKN beletten;
b) de hardheid, de pH, opgeloste organische koolstof of andere waterkwaliteitsparameters die de biobeschikbaarheid van metalen beïnvloeden, waarbij de biobeschikbare concentratie wordt bepaald met behulp van passende biobeschikbaarheidsmodellen.]1
PARTIE B.
Application des normes de qualité environnementale définies dans la partie A.I
1. Colonne 4 du tableau : pour toute masse d'eau de surface donnée, l'application des NQE-MA a pour effet que, pour tout point de surveillance représentatif de cette masse d'eau, la moyenne arithmétique des concentrations mesurées à différentes périodes de l'année ne dépasse pas la valeur fixée dans la norme.
Le calcul de la moyenne arithmétique et la méthode analytique utilisée, y compris la manière d'appliquer une NQE s'il n'existe aucune méthode analytique appropriée respectant les critères de performance minimaux, doivent être conformes aux mesures d'application portant adoption de spécifications techniques pour le contrôle chimique et la qualité des résultats analytiques conformément à la Directive 2000/60/CE.
2. Colonne 5 du tableau : pour toute masse d'eau de surface donnée, l'application des NQE-CMA a pour effet que, en tout point de surveillance représentatif de cette masse d'eau, la concentration mesurée ne dépasse pas la norme.
Toutefois, conformément à l'annexe IV, partie I., 4), l'autorité de bassin peut instaurer des méthodes statistiques, telles que le calcul des centiles, afin de garantir un niveau acceptable de confiance et de précision dans la détermination de la conformité avec les NQE-CMA. Lorsque les Etats membres instaurent de telles méthodes, celles-ci sont conformes aux règles détaillées établies conformément à la procédure d'examen visée à l'article 5 du règlement (UE) n° 182/2011 du Parlement européen et du Conseil du 16 février 2011 établissant les règles et principes généraux relatifs aux modalités de contrôle par les Etats membres de l'exercice des compétences d'exécution par la Commission.
3. Les NQE définies pour l'eau dans la présente annexe sont exprimées en concentrations totales dans l'échantillon d'eau entier.
Par dérogation au premier alinéa, dans le cas du cadmium, du plomb, du mercure et du nickel (ci-après dénommés "métaux"), les NQE pour l'eau se rapportent à la concentration de matières dissoutes, c'est-à-dire à la phase dissoute d'un échantillon d'eau obtenu par filtration à travers un filtre de 0,45 m ou par tout autre traitement préliminaire équivalent ou, moyennant indication, à la concentration biodisponible.
L'autorité de bassin peut, lors de l'évaluation des résultats de surveillance obtenus au regard des NQE pertinentes, tenir compte :
a) des concentrations de fond naturelles pour les métaux et leurs composés, lorsque celles-ci entravent la conformité avec les NQE pertinentes;
b) de la dureté, du pH, du carbone organique dissous ou d'autres paramètres liés à la qualité de l'eau qui affectent la biodisponibilité des métaux, les concentrations biodisponibles étant déterminées en ayant recours aux modèles appropriés de biodisponibilité.]1
Art. N10 ter.[1 Bijlage Xter.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 12-10-2012, p. 62629-62694)]1
Art. N10 ter.[1 Annexe Xter.
(Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 12-10-2012, p. 62498-62550).]1
Art. N10 quater. [1 Bijlage Xquater. (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 12-10-2012, p. 62629-62694)]1
Art. N10 quater. [1 Annexe Xquater. (Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 12-10-2012, p. 62498-62550).]1]
Art. N10 quinquies. [1 Bijlage Xquinquies (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 12-10-2012, p. 62629-62694)]1
Art. N10 quinquies. [1 Annexe Xquinquies. (Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 12-10-2012, p. 62498-62550).]1
Art. N11. Bijlage (XI). [1 Te meten parameters voor de monitoring van de kwaliteit van het grondwater en het oppervlaktewater dat tot drinkwater kan worden verwerkt.
LQ is de vereiste bepaalbaarheidsgrens
Art. N11. ANNEXE XI. [1Paramètres à mesurer pour la surveillance de la qualité des eaux souterraines et des eaux de surface potabilisables
LQ est la limite de quantification maximale requise.
WijzigingESO codeBeschrijvingSymboolExpressieLQ
Grondparameters
2001Kleur (in-situ) Beoordeling
500Relatief niveau (indien piëzometer)Z0,00 m
2003Geur (in-situ) Beoordeling
2106Opgeloste zuurstof (in-situ)O2dmg/l O2
2005Temperatuur (in-situ)T°Celsius
Micro-organismen
1011Totale colibacteriënColiTnb per 100 ml
1022EnterococcusEnter.nb per 100 ml
1013Escherichia ColiE.Colinb per 100 ml
1001Totaal kiemgetaal aan 22 °CGT22nb per ml
Mineralisatie en zoutgehalte
2107Totale alkaliniteitTAC°Frans1
2204CalciumCa++mg/l5
2201ChloridenCl-mg/l1
2102Soortgelijk geleidingsvermogen (in-situ)K20µs/cm bij 20 °C
2103Totale hardheidTH°Frans1
2205MagnesiumMg++mg/l1
2101pH (in-situ)pHpH eenheden
2207KaliumK+mg/l1
2206NatriumNa+mg/l1
2202SulfatenSO4-mg/l5
Zwevende deeltjes, IJzer en Mangaan
2210AluminiumAlµg/l20 (10 indien pH <= 6,5)
3501IJzerFeµg/l20
3502MangaanMnµg/l5
2006Gesuspendeerde stoffenM.E.S.mg/l1
2203SilicaSiO2mg/l SiO22
2002Troebelheid (alternatief voor M.E.S.)NTUNTU[2 0,3]2
Eutrofierende stoffen
3003AmmoniumNH4+mg/l NH4[2 0,1]2
3001NitratenNO3-mg/l NO32
3002NitrietenNO2-mg/l NO20,03
3204OrthofosfatenPO4-mg/l PO4[2 0,1]2
3005Totaal fosforPmg/l P2O5[2 0,25]2
Metalen (extraheerbaar)
3607AntimoonSbµg/l1
3601ArseenAsµg/l1
3602CadmiumCdµg/l[2 0,5 en 0,25 in tot drinkwater verwerkbaar oppervlaktewater]2
3603ChroomCrµg/l2
[13610Hexavalent chromium (als [Cr totaal] > 5 µg/l)Cr6+µg/l1]1
3503KoperCuµg/l[2 10]2
3604KwikHgµg/l0,1
3605NikkelNiµg/l2
3606LoodPbµg/l1
3608SeleniumSeµg/l1
3504ZinkZnµg/l[2 25]2
Micro-verontreinigende mineralen (andere)
2208BaryumBa++µg/l10
3505BoriumBµg/l25
3202BromidenBr-mg/l0,05
3205(totale) CyanidenCN-µg/l[2 5]2
3203FluoridenF-mg/l[2 0,1]2
2209StrontiumSr++µg/l50
Organische en oxydeerbare stoffen
4002Totaal organische koolstofCOTmg/l C0,3
4003Koolwaterstoffen (indien door de geur gedekt)Index C10-C40µg/l50
4001Oxydeerbaarheid (KMnO4)M.O.mg/l O21
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen
4508Anthraceen ng/l5
4504Benzo (a) pyreen ng/l[2 3]2
4502Benzo (b) fluorantheen ng/l5
4505Benzo (g,h,i) peryleen ng/l5
4503Benzo (k) fluorantheen ng/l5
4501Fluorantheen ng/l5
4510Fluoreen ng/l5
4506Indeno (1,2,3-cd) pyreen ng/l5
4509Fenantreen ng/l5
4507Pyreen ng/l5
[1 Pesticiden en [4 relevante]4 metabolieten ervan :
44212,4-dichloor- fenoxyacetaat2,4-Dng/l25
[4 ..................]4
44182-méthyl,4-chloor - fenoxyacetaatMCPAng/l25
4403Atrazine ng/l25
4426Bentazon ng/l25
4416Bromacil ng/l25
4427Chlooridazon * ng/l25
[4 ..................]4
[4 ..................]4
[3 4448Chlorpyriphos * ng/l25]3
4411Chloortoluron ng/l25
4436Deisopropyl Atrazine ng/l[4 25]4
4404Desethyl Atrazine ng/l25
4408Diuron ng/l25
4442Endosulfan * ng/l[2 10]2
4433Glyfosaat * ng/l50
4410Isoproturon ng/l25
4401Lindaan * ng/l10
[4 .................. ]4
4622S-Metolachloor* ng/l25
[4 .................. ]4
4407Metribuzin ng/l25
4405Simazine ng/l25
4435Terbuthylazin ng/l25]1
[4 Niet-relevante metabolieten van pesticiden:
44832,6-dichlorobenzamideBAMng/l25
4618 MET-Bng/l100
4497Chlorothalonil ESA**VIS-01ng/l50
4499Metazachloor ESA**BH479-8ng/l50
4620Metazachloor ESA**CGA354743ng/l50
4610Flufénacet ESA ng/l50 ]4
Organische micro-verontreinigende stoffen (andere)
43041,1,1 Trichloorethaan1,1,1-C2H3Cl3µg/l1
43051,1,2 Trichloorethaan1,1,2-C2H3Cl3µg/l1
43031,2 Dichloorethaan1,2-C2H4Cl2µg/l[2 0;9]2
4201BenzeenC6H6µg/l[2 0;3]2
4302ChloroformCHCI3µg/l0,5
4203EthylbenzeenC8H10µg/l0,5
4328HexachloorbenzeenC6Cl6µg/l[2 0,01]2
4327Hexachloorbutadieen *C4Cl6µg/l[2 0,2]2
4511NaftaleenC10H8µg/l0,05
4307TetrachlooretheenC2CI4µg/l0,5
4301TetrachloorkoolstofCCI4µg/l0,5
4202TolueenC7H8µg/l1
4306TrichlooretheenC2HCI3µg/l0,5
4324TrichloorbenzeenC6H3Cl3µg/l0,5
4329Methyl tert-butyl etherMTBEµg/l1
(1)2016-02-25/05, art. 4, 042; Inwerkingtreding : 17-03-2016>
(2)2017-11-30/10, art. 5, 057; Inwerkingtreding : 06-01-2018>
(3)2018-06-07/06, art. 2, 058; Inwerkingtreding : 01-07-2018>
(4)2023-06-01/30, art. 19, 082; Inwerkingtreding : 12-01-2023>
WijzigingESO codeBeschrijvingSymboolExpressieLQGrondparameters
2001Kleur (in-situ)Beoordeling
500Relatief niveau (indien piëzometer)Z0,00 m
2003Geur (in-situ)Beoordeling
2106Opgeloste zuurstof (in-situ)O2dmg/l O2
2005Temperatuur (in-situ)T°CelsiusMicro-organismen
1011Totale colibacteriënColiTnb per 100 ml
1022EnterococcusEnter.nb per 100 ml
1013Escherichia ColiE.Colinb per 100 ml
1001Totaal kiemgetaal aan 22 °CGT22nb per mlMineralisatie en zoutgehalte
2107Totale alkaliniteitTAC°Frans1
2204CalciumCa++mg/l5
2201ChloridenCl-mg/l1
2102Soortgelijk geleidingsvermogen (in-situ)K20µs/cm bij 20 °C
2103Totale hardheidTH°Frans1
2205MagnesiumMg++mg/l1
2101pH (in-situ)pHpH eenheden
2207KaliumK+mg/l1
2206NatriumNa+mg/l1
2202SulfatenSO4-mg/l5Zwevende deeltjes, IJzer en Mangaan
2210AluminiumAlµg/l20 (10 indien pH <= 6,5)
3501IJzerFeµg/l20
3502MangaanMnµg/l5
2006Gesuspendeerde stoffenM.E.S.mg/l1
2203SilicaSiO2mg/l SiO22
2002Troebelheid (alternatief voor M.E.S.)NTUNTU[2 0,3]2Eutrofierende stoffen
3003AmmoniumNH4+mg/l NH4[2 0,1]23001NitratenNO3-mg/l NO32
3002NitrietenNO2-mg/l NO20,03
3204OrthofosfatenPO4-mg/l PO4[2 0,1]23005Totaal fosforPmg/l P2O5[2 0,25]2Metalen (extraheerbaar)
3607AntimoonSbµg/l1
3601ArseenAsµg/l1
3602CadmiumCdµg/l[2 0,5 en 0,25 in tot drinkwater verwerkbaar oppervlaktewater]23603ChroomCrµg/l2
[1 3610Hexavalent chromium (als [Cr totaal] > 5 µg/l)Cr6+µg/l1]1
3503KoperCuµg/l[2 10]23604KwikHgµg/l0,1
3605NikkelNiµg/l2
3606LoodPbµg/l1
3608SeleniumSeµg/l1
3504ZinkZnµg/l[2 25]2Micro-verontreinigende mineralen (andere)
2208BaryumBa++µg/l10
3505BoriumBµg/l25
3202BromidenBr-mg/l0,05
3205(totale) CyanidenCN-µg/l[2 5]23203FluoridenF-mg/l[2 0,1]22209StrontiumSr++µg/l50Organische en oxydeerbare stoffen
4002Totaal organische koolstofCOTmg/l C0,3
4003Koolwaterstoffen (indien door de geur gedekt)Index C10-C40µg/l50
4001Oxydeerbaarheid (KMnO4)M.O.mg/l O21Polycyclische aromatische koolwaterstoffen
4508Anthraceenng/l5
4504Benzo (a) pyreenng/l[2 3]24502Benzo (b) fluorantheenng/l5
4505Benzo (g,h,i) peryleenng/l5
4503Benzo (k) fluorantheenng/l5
4501Fluorantheenng/l5
4510Fluoreenng/l5
4506Indeno (1,2,3-cd) pyreenng/l5
4509Fenantreenng/l5
4507Pyreenng/l5[1 Pesticiden en [4 relevante]4 metabolieten ervan :
44212,4-dichloor- fenoxyacetaat2,4-Dng/l25
[4 ..................]4
44182-méthyl,4-chloor - fenoxyacetaatMCPAng/l25
4403Atrazineng/l25
4426Bentazonng/l25
4416Bromacilng/l25
4427Chlooridazon *ng/l25
[4 ..................]4
[4 ..................]4
[3 4448Chlorpyriphos *ng/l25]34411Chloortoluronng/l25
4436Deisopropyl Atrazineng/l[4 25]4
4404Desethyl Atrazineng/l25
4408Diuronng/l25
4442Endosulfan *ng/l[2 10]24433Glyfosaat *ng/l50
4410Isoproturonng/l25
4401Lindaan *ng/l10
[4 .................. ]4
4622S-Metolachloor*ng/l25
[4 .................. ]4
4407Metribuzinng/l25
4405Simazineng/l25
4435Terbuthylazinng/l25]1

[4 Niet-relevante metabolieten van pesticiden:
44832,6-dichlorobenzamideBAMng/l25
4618MET-Bng/l100
4497Chlorothalonil ESA**VIS-01ng/l50
4499Metazachloor ESA**BH479-8ng/l50
4620Metazachloor ESA**CGA354743ng/l50
4610Flufénacet ESAng/l50 ]4

Organische micro-verontreinigende stoffen (andere)
43041,1,1 Trichloorethaan1,1,1-C2H3Cl3µg/l1
43051,1,2 Trichloorethaan1,1,2-C2H3Cl3µg/l1
43031,2 Dichloorethaan1,2-C2H4Cl2µg/l[2 0;9]24201BenzeenC6H6µg/l[2 0;3]24302ChloroformCHCI3µg/l0,5
4203EthylbenzeenC8H10µg/l0,5
4328HexachloorbenzeenC6Cl6µg/l[2 0,01]24327Hexachloorbutadieen *C4Cl6µg/l[2 0,2]24511NaftaleenC10H8µg/l0,05
4307TetrachlooretheenC2CI4µg/l0,5
4301TetrachloorkoolstofCCI4µg/l0,5
4202TolueenC7H8µg/l1
4306TrichlooretheenC2HCI3µg/l0,5
4324TrichloorbenzeenC6H3Cl3µg/l0,5
4329Methyl tert-butyl etherMTBEµg/l1(1)(2)(3)(4)
AltérationCode ESODescriptionSymboleExpressionLQ
Paramètres de terrain
2001Couleur (in-situ) Appréciation
500Niveau relatif (si piézomètre)Z0,00 m
2003Odeur (in-situ) Appréciation
2106Oxygène dissous (in-situ)O2dmg/l O2
2005Température (in-situ)T°Celsius
Micro-organismes
1011Coliformes totauxColiTnb par 100 ml
1022EntérocoquesEnter.nb par 100 ml
1013Escherichia ColiE.Colinb par 100 ml
1001Germes totaux à 22 °CGT22nb par ml
Minéralisation et salinité
2107Alcalinité totaleTAC°français1
2204CalciumCa++mg/l5
2201ChloruresCl-mg/l1
2102Conductivité (in-situ)K20µs/cm à 20 °C
2103Dureté totaleTH°français1
2205MagnésiumMg++mg/l1
2101pH (in-situ)pHunités pH
2207PotassiumK+mg/l1
2206SodiumNa+mg/l1
2202SulfatesSO4--mg/l5
Particules en suspension, fer et manganèse
2210AluminiumAlµg/l20 (10 si pH <= 6,5)
3501FerFeµg/l20
3502ManganèseMnµg/l5
2006Matières en suspensionM.E.S.mg/l1
2203SiliceSiO2mg/l SiO22
2002Turbidité (alternative aux M.E.S.)NTUNTU[2 0,3]2
Substances eutrophisantes
3003AmmoniumNH4+mg/l NH4[2 0,1]2
3001NitratesNO3-mg/l NO32
3002NitritesNO2-mg/l NO20,03
3204Ortho-PhosphatesPO4---mg/l PO4[2 0,1]2
3005Phosphore totalPmg/l P2O5[2 0,25]2
Métaux (extractibles)
3607AntimoineSbµg/l1
3601ArsenicAsµg/l1
3602CadmiumCdµg/l[2 0,5 et 0,25 en eau de surface potabilisable]2
3603ChromeCrµg/l2
[13610Chrome hexavalent (si [Cr total] > 5 µg/l)Cr6+µg/l1]1
3503CuivreCuµg/l[2 10]2
3604MercureHgµg/l0,1
3605NickelNiµg/l2
3606PlombPbµg/l1
3608SéléniumSeµg/l1
3504ZincZnµg/l[2 25]2
Micropolluants minéraux (autres)
2208BaryumBa++µg/l10
3505BoreBµg/l25
3202BromuresBr-mg/l0,05
3205Cyanures (totaux)CN-µg/l[2 5]2
3203FluoruresF-mg/l[2 0,1]2
2209StrontiumSr++µg/l50
Matières organiques et oxydables
4002Carbone organique totalCOTmg/l C0,3
4003Hydrocarbures (si détectés à l'odeur)Indice C10-C40µg/l50
4001Oxydabilité (KMnO4)M.O.mg/l O21
Hydrocarbures aromatiques polycycliques
4508Anthracène ng/l5
4504Benzo (a) pyrène ng/l[2 3]2
4502Benzo (b) fluoranthène ng/l5
4505Benzo (g,h,i) pérylène ng/l5
4503Benzo (k) fluoranthène ng/l5
4501Fluoranthène ng/l5
4510Fluorène ng/l5
4506Indéno (1,2,3-cd) pyrène ng/l5
4509Phénanthrène ng/l5
4507Pyrène ng/l5
[1 Pesticides et leurs métabolites [4 pertinents]4:
44212,4-dichlorophénoxyacétate2,4-Dng/l25
[4 ...............]4
44182-méthyl,4-chlorophénoxyacétateMCPAng/l25
4403Atrazine ng/l25
4426Bentazone ng/l25
4416Bromacile ng/l25
4427Chloridazon* ng/l25
[4 ...............]4
[4 ...............]4
[3 4448Chlorpyriphos * ng/l25]3
4411Chlortoluron ng/l25
4436Déisopropyl Atrazine ng/l[4 25]4
4404Déséthyl Atrazine ng/l25
4408Diuron ng/l25
4442Endosulfan * ng/l[2 10]2
4433Glyphosate * ng/l50
4410Isoproturon ng/l25
4401Lindane * ng/l10
[4 ...............]4
4622S-Métolachlore* ng/l25
[4 ...............]4
4407Métribuzin ng/l25
4405Simazine ng/l25
4435Terbuthylazine ng/l25]1
[4 Métabolites de pesticides non-pertinents : ]4
[444832,6-dichlorobenzamideBAMng/l25
4618Chloridazon desphenyl**MET-Bng/l100
4497Chlorothalonil ESA**VIS-01ng/l50
4499Métazachlore ESA**BH479-8ng/l50
4620Métolachlore ESA**CGA354743ng/l50
4610Flufénacet ESA ng/l50 ]4
Micro-polluants organiques (autres)
43041,1,1 Trichloréthane1,1,1-C2H3Cl3µg/l1
43051,1,2 Trichloréthane1,1,2-C2H3Cl3µg/l1
43031,2 Dichloréthane1,2-C2H4Cl2µg/l[2 0;9]2
4201BenzèneC6H6µg/l[2 0;3]2
4302ChloroformeCHCI3µg/l0,5
4203EthylbenzèneC8H10µg/l0,5
4328HexachlorobenzèneC6Cl6µg/l[2 0,01]2
4327Hexachlorobutadiène *C4Cl6µg/l[2 0,2]2
4511NaphtalèneC10H8µg/l0,05
4307TétrachloréthylèneC2CI4µg/l0,5
4301Tétrachlorure de carboneCCI4µg/l0,5
4202ToluèneC7H8µg/l1
4306TrichloréthylèneC2HCI3µg/l0,5
4324TrichlorobenzènesC6H3Cl3µg/l0,5
4329Méthyl-terbutylétherMTBEµg/l1
(1)2016-02-25/05, art. 4, 042; En vigueur : 17-03-2016>
(2)2017-11-30/10, art. 5, 057; En vigueur : 06-01-2018>
(3)2018-06-07/06, art. 2, 058; En vigueur : 01-07-2018>
(4)2023-06-01/30, art. 1, 082; En vigueur : 12-01-2023>
AltérationCode ESODescriptionSymboleExpressionLQParamètres de terrain
2001Couleur (in-situ)Appréciation
500Niveau relatif (si piézomètre)Z0,00 m
2003Odeur (in-situ)Appréciation
2106Oxygène dissous (in-situ)O2dmg/l O2
2005Température (in-situ)T°CelsiusMicro-organismes
1011Coliformes totauxColiTnb par 100 ml
1022EntérocoquesEnter.nb par 100 ml
1013Escherichia ColiE.Colinb par 100 ml
1001Germes totaux à 22 °CGT22nb par mlMinéralisation et salinité
2107Alcalinité totaleTAC°français1
2204CalciumCa++mg/l5
2201ChloruresCl-mg/l1
2102Conductivité (in-situ)K20µs/cm à 20 °C
2103Dureté totaleTH°français1
2205MagnésiumMg++mg/l1
2101pH (in-situ)pHunités pH
2207PotassiumK+mg/l1
2206SodiumNa+mg/l1
2202SulfatesSO4--mg/l5Particules en suspension, fer et manganèse
2210AluminiumAlµg/l20 (10 si pH <= 6,5)
3501FerFeµg/l20
3502ManganèseMnµg/l5
2006Matières en suspensionM.E.S.mg/l1
2203SiliceSiO2mg/l SiO22
2002Turbidité (alternative aux M.E.S.)NTUNTU[2 0,3]2Substances eutrophisantes
3003AmmoniumNH4+mg/l NH4[2 0,1]23001NitratesNO3-mg/l NO32
3002NitritesNO2-mg/l NO20,03
3204Ortho-PhosphatesPO4---mg/l PO4[2 0,1]23005Phosphore totalPmg/l P2O5[2 0,25]2Métaux (extractibles)
3607AntimoineSbµg/l1
3601ArsenicAsµg/l1
3602CadmiumCdµg/l[2 0,5 et 0,25 en eau de surface potabilisable]23603ChromeCrµg/l2
[1 3610Chrome hexavalent (si [Cr total] > 5 µg/l)Cr6+µg/l1]1
3503CuivreCuµg/l[2 10]23604MercureHgµg/l0,1
3605NickelNiµg/l2
3606PlombPbµg/l1
3608SéléniumSeµg/l1
3504ZincZnµg/l[2 25]2Micropolluants minéraux (autres)
2208BaryumBa++µg/l10
3505BoreBµg/l25
3202BromuresBr-mg/l0,05
3205Cyanures (totaux)CN-µg/l[2 5]23203FluoruresF-mg/l[2 0,1]22209StrontiumSr++µg/l50Matières organiques et oxydables
4002Carbone organique totalCOTmg/l C0,3
4003Hydrocarbures (si détectés à l'odeur)Indice C10-C40µg/l50
4001Oxydabilité (KMnO4)M.O.mg/l O21Hydrocarbures aromatiques polycycliques
4508Anthracèneng/l5
4504Benzo (a) pyrèneng/l[2 3]24502Benzo (b) fluoranthèneng/l5
4505Benzo (g,h,i) pérylèneng/l5
4503Benzo (k) fluoranthèneng/l5
4501Fluoranthèneng/l5
4510Fluorèneng/l5
4506Indéno (1,2,3-cd) pyrèneng/l5
4509Phénanthrèneng/l5
4507Pyrèneng/l5[1 Pesticides et leurs métabolites [4 pertinents]4:
44212,4-dichlorophénoxyacétate2,4-Dng/l25
[4 ...............]444182-méthyl,4-chlorophénoxyacétateMCPAng/l25
4403Atrazineng/l25
4426Bentazoneng/l25
4416Bromacileng/l25
4427Chloridazon*ng/l25
[4 ...............]4[4 ...............]4[3 4448Chlorpyriphos *ng/l25]34411Chlortoluronng/l25
4436Déisopropyl Atrazineng/l[4 25]4
4404Déséthyl Atrazineng/l25
4408Diuronng/l25
4442Endosulfan *ng/l[2 10]24433Glyphosate *ng/l50
4410Isoproturonng/l25
4401Lindane *ng/l10
[4 ...............]44622S-Métolachlore*ng/l25
[4 ...............]44407Métribuzinng/l25
4405Simazineng/l25
4435Terbuthylazineng/l25]1

[4 Métabolites de pesticides non-pertinents : ]4[4 44832,6-dichlorobenzamideBAMng/l254618Chloridazon desphenyl**MET-Bng/l1004497Chlorothalonil ESA**VIS-01ng/l504499Métazachlore ESA**BH479-8ng/l504620Métolachlore ESA**CGA354743ng/l504610Flufénacet ESAng/l50 ]4Micro-polluants organiques (autres)
43041,1,1 Trichloréthane1,1,1-C2H3Cl3µg/l1
43051,1,2 Trichloréthane1,1,2-C2H3Cl3µg/l1
43031,2 Dichloréthane1,2-C2H4Cl2µg/l[2 0;9]24201BenzèneC6H6µg/l[2 0;3]24302ChloroformeCHCI3µg/l0,5
4203EthylbenzèneC8H10µg/l0,5
4328HexachlorobenzèneC6Cl6µg/l[2 0,01]24327Hexachlorobutadiène *C4Cl6µg/l[2 0,2]24511NaphtalèneC10H8µg/l0,05
4307TétrachloréthylèneC2CI4µg/l0,5
4301Tétrachlorure de carboneCCI4µg/l0,5
4202ToluèneC7H8µg/l1
4306TrichloréthylèneC2HCI3µg/l0,5
4324TrichlorobenzènesC6H3Cl3µg/l0,5
4329Méthyl-terbutylétherMTBEµg/l1(1)(2)(3)(4)
* uitsluitend voor het oppervlaktewater ".]1
[2 **uitsluitend in het oppervlaktewater en vanaf een datum vastgelegd door de Minister in de loop van 2017]2
* uniquement dans les eaux de surface.]1
[2 ** uniquement dans les eaux souterraines et à partir d'une date fixée par le Ministre courant 2017]2
Art. N12. Bijlage (XIV). - [1 BEOORDELING VAN DE KWALITEIT VAN GRONDWATERLICHAMEN
Deel A
KWALITEITSCRITERIA VAN HET GRONDWATER
I. Kwaliteitsnormen van het grondwater
1. Om de chemische toestand van het grondwater te beoordelen overeenkomstig artikel R. 43ter -4 worden de volgende kwaliteitsnormen van het grondwater gebruikt :
Art. N12. Annexe (XIV). - [1 Evaluation de la qualité des masses d'eau souterraine
Partie A.
Critères de qualité des eaux souterraines.
I. Normes de qualité des eaux souterraines.
1. Afin d'évaluer l'état chimique des eaux souterraines conformément à l'article R. 43ter -4, les normes de qualité des eaux souterraines sont les suivantes :
Verontreinigende stofKwaliteitsnormen
Nitraat50 mg/l
Actieve ingrediënten van pesticiden, met inbegrip van de relevante omzettings-, afbraak- en reactieproducten daarvan (1)0,1 æg/l
0,5 æg/l (totaal) (2)
[2 (1)Onder '' pesticiden '' wordt verstaan gewasbeschermingsmiddelen als omschreven in artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik en biociden als omschreven in Titel 1, artikel 1, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden overeenkomstig de wet van 21 december 1998.]2
(2) Onder ``totaal`` wordt verstaan de som van alle tijdens de monitoringprocedure opgespoorde en gekwantificeerde afzonderlijke bestrijdingsmiddelen, met inbegrip van de relevante omzettings-, afbraak- en reactieproducten daarvan.
Verontreinigende stofKwaliteitsnormen
Nitraat50 mg/l
Actieve ingrediënten van pesticiden, met inbegrip van de relevante omzettings-, afbraak- en reactieproducten daarvan (1)0,1 æg/l
0,5 æg/l (totaal) (2)[2 (1)Onder '' pesticiden '' wordt verstaan gewasbeschermingsmiddelen als omschreven in artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik en biociden als omschreven in Titel 1, artikel 1, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden overeenkomstig de wet van 21 december 1998.]2(2) Onder ``totaal`` wordt verstaan de som van alle tijdens de monitoringprocedure opgespoorde en gekwantificeerde afzonderlijke bestrijdingsmiddelen, met inbegrip van de relevante omzettings-, afbraak- en reactieproducten daarvan.
PolluantNormes de qualité
Nitrates50 mg/l
Substances actives des pesticides, ainsi que les métabolites et produits de dégradation et de réaction pertinents (1)0,1 æg/l
0,5 æg/l (total) (2)
[2 (1) On entend par ``pesticides``, les produits phytopharmaceutiques définis à l`article 1er de l`arrêté royal du 28 février 1994 relatif à la conservation, à la mise sur le marché et à l`utilisation de pesticides à usage agricole, et les produits biocides définis au Titre 1er, article 1er, de l`arrêté royal du 22 mai 2003 concernant la mise sur le marché et l`utilisation de produits biocides, en application de la loi du 21 décembre 1998.]2
(2) On entend par ``total``, la somme de tous les pesticides détectés et quantifiés dans le cadre de la procédure de surveillance, en ce compris leurs métabolites, les produits de dégradation et les produits de réaction pertinents.
(2)2011-09-29/09, art. 11, 031; En vigueur : 24-10-2011>
PolluantNormes de qualité
Nitrates50 mg/l
Substances actives des pesticides, ainsi que les métabolites et produits de dégradation et de réaction pertinents (1)0,1 æg/l
0,5 æg/l (total) (2)[2 (1) On entend par ``pesticides``, les produits phytopharmaceutiques définis à l`article 1er de l`arrêté royal du 28 février 1994 relatif à la conservation, à la mise sur le marché et à l`utilisation de pesticides à usage agricole, et les produits biocides définis au Titre 1er, article 1er, de l`arrêté royal du 22 mai 2003 concernant la mise sur le marché et l`utilisation de produits biocides, en application de la loi du 21 décembre 1998.]2
(2) On entend par ``total``, la somme de tous les pesticides détectés et quantifiés dans le cadre de la procédure de surveillance, en ce compris leurs métabolites, les produits de dégradation et les produits de réaction pertinents.(2)
2. Indien voor een gegeven grondwaterlichaam het vermoeden bestaat dat de toepassing van deze grondwaterkwaliteitsnormen ertoe kan leiden dat de in artikel D.22 gespecificeerde milieudoelstellingen voor de bijbehorende oppervlaktewateren niet worden bereikt, of kan resulteren in een significante vermindering van de ecologische of chemische kwaliteit van die wateren of in significante schade aan terrestrische ecosystemen die rechtstreeks van het grondwaterlichaam afhankelijk zijn, worden overeenkomstig artikel R. 43ter -3 en deel B van deze bijlage stringentere drempelwaarden vastgesteld. De in verband met een dergelijke drempelwaarde vereiste programma's en maatregelen gelden ook voor activiteiten die onder de werkingssfeer van artikelen R.189 en volgende vallen.
II. DREMPELWAARDEN DIE VOOR HET GRONDWATER VAN TOEPASSING ZIJN
2. Lorsque, pour une masse d'eau souterraine donnée, on considère que les normes de qualité pourraient empêcher de réaliser les objectifs environnementaux définis à l'article D.22 pour les eaux de surface associées, ou entraîner une diminution significative de la qualité écologique ou chimique de ces masses, ou un quelconque dommage significatif aux écosystèmes terrestres qui dépendent directement de la masse d'eau souterraine, des valeurs seuils plus strictes sont établies conformément à l'article R.43ter -3 et à la partie B de la présente annexe. Les programmes et mesures requis en ce qui concerne une telle valeur seuil s'appliquent également aux activités relevant des articles R.189 et suivants.
II. VALEURS SEUILS APPLICABLES AUX EAUX SOUTERRAINES.
Verontreinigende stofDrempelwaarde
Ammonium0,5 mg NH 4 /l
Antimoon5 æg/l
Arseen10 æg/l *
Cadmium5 æg/l **
Chloride150 mg/l
Chroom50 æg/l **
Koper100 æg/l **
[2 Cyaniden50 µg/l]2
2,6-dichloorbenzamide0,2 æg/l
Kwik1 æg/l **
[2 Methyl tert-butyl ether (MTBE)30 µg/l]2
Nikkel20 æg/l *
Nitraat (Waterlichamen RWM100, RWR101, RWM102, RWM103)50 mg/l **
Totaal fosfor1,15 mg/l P 2 O 5 **
Lood10 æg/l **
Sulfaat250 mg/l *
Trichlooretheen10 æg/l
Tetrachlooretheen10 æg/l
Zink200 æg/l **
Verontreinigende stofDrempelwaarde
Ammonium0,5 mg NH 4 /l
Antimoon5 æg/l
Arseen10 æg/l *
Cadmium5 æg/l **
Chloride150 mg/l
Chroom50 æg/l **
Koper100 æg/l **
[2 Cyaniden50 µg/l]2
2,6-dichloorbenzamide0,2 æg/l
Kwik1 æg/l **
[2 Methyl tert-butyl ether (MTBE)30 µg/l]2
Nikkel20 æg/l *
Nitraat (Waterlichamen RWM100, RWR101, RWM102, RWM103)50 mg/l **
Totaal fosfor1,15 mg/l P 2 O 5 **
Lood10 æg/l **
Sulfaat250 mg/l *
Trichlooretheen10 æg/l
Tetrachlooretheen10 æg/l
Zink200 æg/l **
PolluantValeur seuil
Ammonium0,5 mg NH 4 /l
Antimoine5 æg/l
Arsenic10 æg/l *
Cadmium5 æg/l **
Chlorures150 mg/l
Chrome50 æg/l **
Cuivre100 æg/l **
[2 Cyanures (totaux)50 µg/l]2
2,6-dichlorobenzamide (BAM)0,2 æg/l
Mercure1 æg/l **
[2 méthyl-terbutyl-éther (MTBE)30 µg/l]2
Nickel20 æg/l *
Nitrates (Masses d`eau RWM100, RWR101, RWM102, RWM103)50 mg/l **
Phosphore total1,15 mg/l P 2 O 5 **
Plomb10 æg/l **
Sulfates250 mg/l *
Trichloréthylène10 æg/l
Tétrachloréthylène10 æg/l
Zinc200 æg/l **
(2)2011-09-29/09, art. 11, 031; En vigueur : 24-10-2011>
PolluantValeur seuil
Ammonium0,5 mg NH 4 /l
Antimoine5 æg/l
Arsenic10 æg/l *
Cadmium5 æg/l **
Chlorures150 mg/l
Chrome50 æg/l **
Cuivre100 æg/l **
[2 Cyanures (totaux)50 µg/l]22,6-dichlorobenzamide (BAM)0,2 æg/l
Mercure1 æg/l **
[2 méthyl-terbutyl-éther (MTBE)30 µg/l]2Nickel20 æg/l *
Nitrates (Masses d`eau RWM100, RWR101, RWM102, RWM103)50 mg/l **
Phosphore total1,15 mg/l P 2 O 5 **
Plomb10 æg/l **
Sulfates250 mg/l *
Trichloréthylène10 æg/l
Tétrachloréthylène10 æg/l
Zinc200 æg/l **(2)
Nota's :
1. Voor de parameters met een * kan de drempelwaarde plaatselijk verhoogd worden om met de referentieconcentratie rekening te houden als ze hoger is.
2. Voor de parameters met ** moet er gecontroleerd worden dat de strengere drempelwaarde van de goede toestand van de oppervlaktewateren nageleefd wordt :
* op het niveau van de bronnen (of uitlaten van de waterlagen) die ze bevoorraden, rekening houdend met de stromen die tot de verwatering bijdragen;
* binnen de ondergrondse waterlagen, rekening houdend met de plaatselijke aangepaste verwatering- en verzachtingsfactoren.
3. De drempelwaarden voor de metalen betreffen het uittrekbare metaal met pH 2.
[2 4° Voor de metalen en de parameters " nitraten ", " chloriden " en " sulfaten " kan de meetonzekerheid (k=2) niet hoger zijn dan 25 % van de drempelwaarde.]2
Deel B
VASTSTELLING EN HERZIENING VAN DE DREMPELWAARDEN VOOR DE VERONTREINIGENDE STOFFEN IN HET GRONDWATER EN DE INDICATOREN VAN VERONTREINIGING
I. Algemeen
§ 1. De drempelwaarden voor een goede chemische toestand van het grondwater worden gebaseerd op de bescherming van de grondwaterlichamen overeenkomstig deel B II. van deze bijlage met bijzondere aandacht voor hun impact op bijbehorende oppervlaktewateren en rechtstreeks afhankelijke terrestrische ecosystemen en watergebieden, en voor hun wisselwerkingen ermee en ze houden rekening met onder meer de wetenschap op het gebied van menselijke toxicologie en ecotoxicologie.
§ 2. De drempelwaarden worden, behalve uitzonderingen, op het niveau van het Waalse Gewest vastgesteld maar ze gaan tenminste over het grondwaterlichaam.
§ 3. Voor grondwaterlichamen waarbinnen het water over de grenzen van het Waalse Gewest stroomt wordt de vaststelling van drempelwaarden gecoördineerd met de partners van de internationale stroomgebiedsdistricten bedoeld in artikel D.10.
§ 4. Alle vastgestelde drempelwaarden worden bekendgemaakt in de overeenkomstig artikel D.24. vastgestelde stroomgebiedbeheersplannen, met inbegrip van een samenvatting van de in deel B IV. van deze bijlage voorziene gegevens.
§ 5. De lijst van drempelwaarden wordt in het vervolg gewijzigd indien uit nieuwe informatie over verontreinigende stoffen, groepen verontreinigende stoffen of indicatoren van verontreiniging blijkt dat een drempelwaarde moet worden vastgesteld voor een nieuwe stof of een bestaande drempelwaarde moet worden gewijzigd, dan wel dat een eerder van de lijst geschrapte drempelwaarde opnieuw moet worden opgenomen, teneinde de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen.
Drempelwaarden kunnen van de lijst worden geschrapt indien het betrokken grondwaterlichaam niet langer door de desbetreffende verontreinigende stoffen, groepen verontreinigende stoffen of indicatoren van verontreiniging gevaar loopt.
Wijzigingen in de lijst van drempelwaarden worden in het kader van de periodieke herziening van de stroomgebiedbeheersplannen bekendgemaakt.
II. Richtsnoeren betreffende de opstelling van drempelwaarden
De stroomgebiedsoverheid bepaalt voor alle verontreinigende stoffen en indicatoren van verontreiniging de drempelwaarden op grond waarvan, conform de analyse van de kenmerken krachtens artikel D.17, §§ 1 en 7, wordt vastgesteld dat grondwaterlichamen of groepen grondwaterlichamen het gevaar lopen geen goede chemische toestand van het grondwater te bereiken.
De drempelwaarden worden zodanig vastgesteld dat, mochten de monitoringresultaten in een representatief monitoringpunt de drempelwaarden overschrijden, dit wijst op een risico dat niet is voldaan aan een of meer van de voorwaarden voor een goede chemische toestand van het grondwater als bedoeld in deel C I., 3°, b), c) en d) van deze bijlage.
Bij het vaststellen van drempelwaarden neemt de stroomgebiedsoverheid de volgende richtsnoeren in acht :
1. De vaststelling van de drempelwaarden moet gebaseerd zijn op :
a. de mate waarin de interacties tussen het grondwater en de daarmee verband houdende aquatische econsystemen en de afhankelijke terrestrische ecosysteme plaatsvinden;
b. de mate waarin het wetmatig gebruik of de wetmatige functie, in het heden of in de toekomst, van grondwater gehinderd wordt;
c. alle verontreinigende stoffen die de ondergrondse waterlichamen als risicovol beschouwen, waarbij de minimumlijst omschreven in punt III in aanmerking genomen wordt;
d. de hydrogeologische kenmerken, met inbegrip van de informatie over de referentieconcentraties en de hydrologische balans.
1. De bepaling van de drempelwaarden gebeurt rekening houdend met de oorsprong van de verontreinigende stoffen en met de eventuele natuurlijke aanwezigheid, met de toxicologie en het verspreidingsprofiel, het voortbestaan en de potentiële bioaccumulatie van die verontreinigende stoffen.
2. Telkens als der hoge referentieconcentraties van stoffen of ionen of hun markeerders registreerd worden om natuurlijke hydrogeologische redenen, worden die referentieconcentraties van het betrokken grondwaterlichaam bij de vaststelling van de drempelwaarden in rekening gebracht.
3. De vaststelling van de drempelwaarden wordt ondersteund door een mechanisme voor de controle van de ingezamelde gegevens, gebaseerd op de beoordeling van de kwaliteit van de gegevens, van de analytische overwegingen en de achtergrondniveaus voor de stoffen die tegelijk natuurlijk aanwezig kunnen zijn en voortspruiten uit menselijke activiteiten.
4. De samenhang van de drempelwaarden wordt nagekeken met behulp van het systeem voor de evaluatie van het grondwater SEQESo, ontwikkeld door het operationele Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst, Departement Leefmilieu en Water.
III. Minimumlijst van de verontreinigende stoffen en hun markeerders waarvoor de stroomgebiedoverheid de vaststelling van de drempelwaarden moet overwegen overeenkomstig artikel R. 43ter-3.
1. Stoffen of ionen of markeerders die tegelijk natuurlijk aanwezig kunnen zijn en/of voortvloeien uit de menselijke activiteit. Arseen, Cadmium, Lood, Kwik, Ammonium, Chloriden, Sulfaten.
2. Kunststoffen : Trichlorethyleen, tetrachlorethyleen.
3. Parameters die het binnendringen van zout water of andere aangeven : Geleidbaarheid
IV. Informatie die verstrekt moet worden wat betreft de verontreinigende stoffen en hun markeerders waarvoor drempelwaarden zijn vastgesteld
Het beheersplan van het stroomgebiedsdistrict, vastgesteld overeenkomstig artikel D.24, geeft bondig de wijze aan waarop de procedure omschreven in deel B.II van deze bijlage toegepast is.
Het beheersplan bevat, indien dit haalbaar is :
a. informatie over het aantal waterlichamen of ondergrondse waterlichamen die als risicovol worden omschreven, evenals over de verontreinigende stoffen en de markeerders van verontreiniging die tot die klassificering bijdragen, met inbegrip van de waargenomen concentraties en waarden;
b. informatie over elk grondwaterlichaam dat als risicovol bestempeld wordt, in het bijzonder over de omvang van die waterlichamen, de verhouding tussen de grondwaterlichamen en de daarmee gepaard gaande oppervlaktewateren en de rechtstreeks afhankelijke terrestrische ecosystemen en in het geval van natuurlijk aanwezige stoffen, de natuurlijke referentieconcentraties in de grondwaterlichamen;
c. de drempelwaarde, die ze toepassen op gewestelijk niveau, op het deel van het internationaal stroomgebiedsdistrict dat op het Waalse grondgebied ligt of nog op het niveau van een waterlichaam of een bijzondere groep grondwaterlichamen;
d. de verhouding tussen de drempelwaarden en,
i) in het geval van natuurlijk aanwezige stoffen, de waargenomen referentieconcentraties;
ii) de doelstellingen inzake leefmilieukwaliteit en de andere normen ter bescherming van het water op nationaal, EU- of internationaal vlak;
iii) elke relevante informatie over de toxicologie, de ecotoxicologie, het voortduren, de potentiële bioaccumulatie en het verspreidingsprofiel van de verontreinigende stoffen.
Deel C
BEOORDELING VAN DE CHEMISCHE TOESTAND VAN HET GRONDWATER
I. Algemeen
Een waterlichaam of een groep grondwaterlichamen wordt beschouwd als in een goede chemische toestand verkerend indien :
de relevante controle vaststelt dat de voorwaarden bedoeld in artikel R. 43ter -2, 1° nageleefd worden of indien
de waarden die overeenstemmen met de kwaliteitsnormen van het grondwater opgenomen in de lijst van deel A.I van deze bijlage en met de relevante drempelwaarden vastgesteld overeenkomstig artikel R.43ter -3 en deel A.II van deze bijlage op geen enkel bewakingspunt van dat waterlichaam of van die groep grondwaterlichamen overschreden worden; of indien
de waarde die overeenstemt met een kwaliteitsnorm van het grondwater of een drempelwaarde op één of verschillende bewakingspunten overschreden worden, maar een gepast onderzoek, gevoerd overeenkomstig deel C.II van deze bijlage, bevestigt dat :
a. op grond van de beoordeling als bedoeld in deel C.II, punt 3, de concentraties van verontreinigende stoffen die de kwaliteitsnormen van het grondwater of de drempelwaarden niet beschouwd worden als een significant risico inhoudend voor het leefmilieu, meer bepaald wanneer de uitgestrektheid van het betrokken grondwaterlichaam 20 % niet overschrijdt;
b. de andere voorwaarden verwoord in artikel R.43ter -2, 1° verenigd zijn, overeenkomstig deze bijlage, deel C.II, punt 4;
c. voldaan wordt aan de vereisten van artikel D.168, laatste lid, overeenkomstig deel C.II, punt 4, van deze bijlage, voor de grondwaterlichamen vastgesteld overeenkomstig artikel D.168;
d. de geschiktheid van het grondwaterlichaam of van elk waterlichaam dat deel uitmaakt van de groep grondwaterlichamen om voor gebruik door mensen in aanmerking te komen, niet op significante wijze door verontreiniging ongedaan is gemaakt.
In het laatste geval worden de noodzakelijke maatregelen getroffen, overeenkomstig de artikelen D.23, D.167, D.169 en D.170 om, in het deel van het grondwaterlichaam vertegenwoordigd door het (de) bewakingspunt(en) waar de waarde die overeenstemt met een kwaliteitsnorm van het grondwater of met een drempelwaarde overschreden is, de aquatische ecosystemen, de terrestrische ecosystemen en het gebruik van het grondwater door de mens te beschermen.
II. Procedure
1. De beoordelingsprocedure om te bepalen welke de chemische toestand van een waterlichaam of een groep grondwaterlichamen is, wordt verricht door het operationele Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Departement Leefmilieu en Water, voor alle waterlichamen en groepen grondwaterlichamen die als risicovol gekenmerkt zijn en voor elke verontreinigende stof die bijdraagt tot die karakterisering van het waterlichaam of de groep grondwaterlichamen.
2. Indien er een onderzoek als bedoeld in deel C I., 3°, van deze bijlage wordt verricht, houdt het Departement Leefmilieu en Water rekening met :
a. informatie ingewonnen in het kader van de karakterisering uitgevoerd krachtens artikel D.17, § 1 en § 3, en vervat in de plaatsbeschrijving;
b. de resultaten verkregen door het bewakingsnet van het grondwater overeenkomstig bijlage IV.II. en
c. elke andere relevante informatie, met inbegrip van een vergelijking van het jaarlijkse rekenkundige gemiddelde van de concentratie verontreinigende stoffen aangetroffen op een bewakingspunt met de kwaliteitsnormen en de drempelwaarden van het grondwater.
3. Om te bepalen of de voorwaarden vervuld zijn die de goede chemische toestand van het grondwater bedoeld in deel C I., 3°, a) en d), garanderen, verricht het Departement Leefmilieu en Water, indien dat verantwoord en noodzakelijk is, en op grond van geschikte agregaties van de resultaten van de bewaking, gestaafd indien nodig door ramingen van concentraties gesteund op een conceptueel model van het waterlichaam of de groep grondwaterlichamen, een raming van de uitgestrektheid van het grondwaterlichaam waarvoor het jaarlijkse rekenkundige gemiddelde van de concentratie van een verontreinigende stof hoger is dan een kwaliteitsnorm van het grondwater of van een drempelwaarde.
4. Om te bepalen of de voorwaarden vervuld zijn die de goede chemische toestand van het grondwater bedoeld in deel C I., 3°, b) en c), garanderen, verricht het Departement Leefmilieu en Water, indien dat verantwoord en noodzakelijk is, en op grond van de relevante resultaten van de bewaking en van een geschikt conceptueel model van het grondwaterlichaam, een raming :
a) van de effecten van de verontreinigende stoffen op het grondwaterlichaam; in het bijzonder voor de bewakingspunten die blijken te liggen in de gebieden met onmiddellijke invloed op de vervuilde locaties of in de gebieden met onmiddellijke invloed op een occasionele inbreng van verontreinigende stoffen; het onderzoek strekt ertoe die verontreinigende stoffen te meten op een meer geschikte afstand van die locaties op schaal van het waterlichaam;
b) van de hoeveelheden en concentraties van de verontreinigende stoffen die vermoedelijk overgaan van een grondwaterlichaam naar de daarmee gepaard gaande oppervlaktewateren of de rechtstreeks afhankelijke terrestrische ecosystemen;
c) van het vermoedelijke effect van de hoeveelheden en de concentraties van verontreinigende stoffen naar de daarmee gepaard gaande oppervlaktewateren en de rechtstreeks afhankelijke terrestrische ecosystemen;
d) de omvang van elke insijpeling van zout water of andere in het grondwaterlcihaam; en
e) het risico van de verontreinigende stoffen die zich in het grondwaterlichaam bevinden voor de kwaliteit van het opgenomen water of het op te nemen water van het grondwaterlichaam met het oog op menselijk gebruik.
5. Het operationele Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst, Departement Leefmilieu en Water geeft de chemische toestand van een waterlichaam of van een groep grondwaterlichamen weer op kaarten, overeenkomstig deel V van deze bijlage. Daarnaast wordt op die kaarten een overzicht gegeven van alle bewakingspunten waar de kwaliteitsnormen voor het grondwater en/of de drempelwaarden overschreden worden indien dit relevant en mogelijk is.
Deel D
IDENTIFICATIE EN OMKERING VAN DE SIGNIFICANTE EN AANHOUDENDE STIJGENDE TRENDS
I. Identificatievan de significante en aanhoudende stijgende trends
De stroomgebiedsoverheid stelt de significante en aanhoudende stijgende trends vast in alle grondwaterlichamen of groepen grondwaterlichamen die als risicovol gekenmerkt zijn, overeenkomstig de plaatsbeschrijving goedgekeurd op 22 maart 2005, waarbij rekening wordt gehouden met navermelde vereisten :
1) overeenkomstig bijlage IV, deel II.2), wordt het bewakingsprogramma zodanig geconcipieerd dat de significante en aanhoudende stijgende trends van concentraties van verontreinigende stoffen achterhaald kunnen worden;
2) de procedure voor de vaststelling van de significante en aanhoudende stijgende trends wordt gegarandeerd door het operationele Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Departement Leefmilieu en Water. Die procedure steunt op volgende gegevens :
a) de frequenties en de bewakingsplaatsen worden zodanig gekozen dat ze voldoende zijn om :
i) de nodige informatie te verstrekken om een onderscheid te kunnen maken tussen die stijgende trends en de natuurlijke schommelingen, met een voldoende graad van betrouwbaarheid en nauwkeurigheid;
ii) die stijgende trends tijdig te kunnen achterhalen zodat maatregelen getroffen kunnen worden om de achteruitgang van de kwaliteit van het grondwater met een impact op het leefmilieu te voorkomen of zo goed mogelijk te verzachten. Een eerste vaststellingsoefening wordt uiterlijk in 2009 gehouden indien mogelijk, waarbij met de bestaande gegevens rekening wordt gehouden in de context van het verslag over de vaststelling van de trends in het kader van het eerste beheersplan voor een stroomgebiedsdistrict bedoeld in artikel D.24 van dit wetboek, en daarna ten minste om de zes jaar;
iii) rekening te houden met de tijdelijke fysische en chemische kenmerken van het grondwaterlichaam, met in begrip van de omstandigheden waarin het grondwater stroomt en de insijpelingssnelheid, evenals de tijd die het water nodig heeft om door te sijpelen naar de bodem of de ondergrond;
b) de gebruikte bewakings- en analysemethode stemt overeen met de internationale beginselen inzake kwaliteitscontrole, met inbegrip van eventueel de CEN-methodes of de genormaliseerde nationale methodes om de verstrekking van gegevens van evenwaardige wetenschappelijke kwaliteit en vergelijkbaarheid te garanderen;
c) de beoordeling steunt op een statistische methode, bijvoorbeeld de regressietechniek, voor de analyse van de tijdelijke trends in chronologische reeksen van afzonderlijke bewakingspunten;
d) om te voorkomen dat de vaststelling van de trends vertekend wordt, wordt de helft van de waarde van de hoogste kwantificatiegrens van alle tijdelijke reeksen toegerekend op alle lagere metingen op de kwantificatiegrens, behalve voor het totaal van de pesticiden.
3) de identificatie van de significante en aanhoudende stijgende trends van concentraties van stoffen die tegelijk natuurlijk aanwezig zijn en voortvloeien uit de menselijke activiteit houdt rekening met de uitgangspunten van de vaststelling en, indien ze beschikbaar zijn, met de gegevens ingewonnen voor het opstarten van het bewakingsprogramma met het oog op de vaststelling van trends in het kader van het eerste beheersplan voor een stroomgebiedsdistrict bepaald in artikel D.24.
II. Uitgangspunten van de omkeringen van trends
De stroomgebiedsoverheid keert de significante en aanhoudende stijgende trends, zodra ze vastgesteld zijn, om overeenkomstig deel D I. van deze bijlage, met inachtneming van de navermelde vereisten :
1) Het uitgangspunt voor de uitvoering van maatregelen met het oog op de omkering van significante en aanhoudende stijgende trends stemt overeen met een concentratie van de verontreinigende stof gelijk aan 75 % van de waarden van de parameters in verband met de kwaliteitsnormen van het grondwater vastgesteld in deel A.I van deze bijlage en van de drempelwaarden vastgesteld in deel A. II van deze bijlage behalve als :
a. er een vroeger uitgangspunt nodig is zodat de maatregelen voor de trendomkering elke verslechtering van de kwaliteit van het grondwater met een impact op het leefmilieu zo spaarzaam mogelijk kunnen voorkomen of tenminste zo goed mogelijk kunnen verzachten;
b. er een vroeger uitgangspunt nodig is indien het grondwaterlichaam in goede of zeer goede staat verkeert maar in wisselwerking staat met ecosystemen, vochtige gebieden of waterwinningen die een aangepaste bescherming behoeven;
c. een verschillend uitgangspunt verantwoord is indien de detectiegens op 75 % van de parameterwaarden het bestaan van een trend niet kan aantonen; of
d. het toenamepercentage en de omkeerbaarheid van de trend zijn zodanig dat de keuze van een later uitgangspunt voor de trendomkeringsmaatregelen alsnog elke verslechtering van de kwaliteit van het grondwater met een impact op het leefmilieu zo spaarzaam mogelijk kunnen voorkomen of ten minste zo goed mogelijk kunnen verzachten. In voorkomend geval verhindert de keuze van een later uitgangspunt niet de inachtneming van de streefdata die vastgesteld zijn om de leefmilieudoelstellingen te bereiken.
2) Als er eenmaal een uitgangspunt is vastgesteld voor een grondwaterlichaam dat als risicovol is bestempeld overeenkomstig bijlage IV, deel II, punt 2), d) en in punt 1 hierboven, wordt het niet meer gewijzigd in de loop van de zesjarige cyclus van het beheersplan voor een stroomgebiedsdistrict als bepaald in artikel D.24.
3) De trendomkeringen dienen aangetoond te worden, rekening houdend met de relevante bepalingen inzake de bewaking opgenomen in deel D.I, punt 2.
Deel E
BEOORDELING VAN DE CHEMISCHE TOESTAND VAN HET GRONDWATER
Voor de beoordeling van de chemische toestand worden de resultaten van de verschillende bewakingspunten in een grondwaterlichaam verenigd voor het gehele lichaam. Opdat een grondwaterlichaam in goede staat verkeert moet(en) voor de chemische parameters waarvoor het deel A van deze bijlage in leefmilieukwaliteitsnormen of drempelwaarden voorziet :
- de gemiddelde waarde van de resultaten van de bewaking op elk punt van het grondwaterlichaam berekend worden,
- overeenkomstig deel C van deze bijlage die gemiddelde waarden gebruikt worden om aan te tonen dat de goede chemische toestand van het grondwater nageleefd wordt.
Het operationele Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst, Departement Leefmilieu en Water verstrekt een kaart waarop de chemische toestand van het grondwater aangegeven wordt met de volgende kleuren :
Goed : groen,
Middelmatig : rood.
De kaart geeft ook met een zwart puntje aan welke grondwaterlichamen op duurzame en duidelijk omschreven wijze een stijgende tend van enigerlei verontreinigende stof voortvloeiende uit de menselijke activiteit ondergaan. De trendomkeringen moeten met een blauw puntje op de kaart aangegeven worden.
Die kaart is inbegrepen in het beheersplan van het stroomgebiedsdistrict.
Het operationele Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst, Departement Leefmilieu en Water verstrekt eveneens een afzonderlijke kaart waarop de kwantitatieve toestand van het grondwater uit het bewakingsnet voor elk grondwaterlichaam aangegeven wordt met de volgende kleuren :
Goed : groen,
Middelmatig : rood.
Notes :
1. Pour les paramètres notés *, la valeur seuil peut localement être majorée pour tenir compte de la concentration de référence si celle-ci est supérieure.
2. Pour les paramètres notés **, il y a lieu de vérifier que la valeur limite du bon état des eaux de surface, plus exigeante, est respectée :
* au niveau des sources (ou exutoires des nappes) les alimentant, en tenant compte des flux contribuant à la dilution;
* au sein des nappes d'eau souterraine en tenant compte des facteurs de dilution et d'atténuation localement appropriés
3. Les valeurs seuils concernant les métaux portent sur le métal extractible à pH 2.
[2 4. Pour les métaux et les paramètres " nitrates ", " chlorures " et " sulfates ", l'incertitude de mesure (k = 2) ne peut excéder 25 % de la valeur seuil.]2
Partie B
ETABLISSEMENT ET REVISION DES VALEURS SEUILS POUR LES POLLUANTS DES EAUX SOUTERRAINES ET LES INDICATEURS DE POLLUTION
I. Généralités
§ 1er. Les valeurs seuils pour un bon état chimique des eaux souterraines sont axées sur la protection des masses d'eaux souterraines conformément à la partie B II. de la présente annexe, en s'attachant spécialement à leur impact sur les eaux de surfaces associées et sur les écosystèmes terrestres et les zones humides directement dépendants, ainsi qu'à leur interaction avec ceux-ci, et tiennent compte, entre autres, des connaissances en matière de toxicologie humaine et d'écotoxicologie.
§ 2. Les valeurs seuils sont établies, sauf exceptions, au niveau de la Région wallonne mais portent au moins sur la masse d'eau souterraine.
§ 3. Dans le cas de masses d'eau souterraine à partir desquelles les eaux circulent à travers les frontières de la Région wallonne, la fixation des valeurs seuils fait l'objet d'une coordination avec les partenaires des districts hydrographiques internationaux définis à l'article D.10.
§ 4. Toutes les valeurs seuils établies sont publiées dans les plans de gestion de district hydrographique établis conformément à l'article D.24, y compris un résumé des informations prévues à la partie B IV., de la présente annexe.
§ 5. Par la suite, la liste des valeurs seuils est modifiée lorsque de nouvelles informations sur les polluants, groupes de polluants ou indicateurs de pollution indiquent qu'une valeur seuil devrait être fixée pour une nouvelle substance, qu'une valeur seuil déjà établie devrait être modifiée, ou qu'une valeur seuil précédemment supprimée de la liste devrait être rétablie afin de protéger la santé humaine et l'environnement.
Les valeurs seuils peuvent être supprimées de la liste lorsque la masse d'eau souterraine concernée n'est plus considérée comme étant à risque du fait des polluants, groupes de polluants ou indicateurs de pollution correspondants.
Toute modification de ce type apportée à la liste des valeurs seuils est signalée dans le cadre du réexamen périodique des plans de gestion de district hydrographique.
II. Orientations relatives à l'établissement de valeurs seuils
L'autorité de bassin établit des valeurs seuils pour tous les polluants et indicateurs de pollution qui, en vertu de la caractérisation menée en vertu de l'article D.17, §§ 1er et 7, caractérisent les masses ou les groupes de masses d'eau souterraine comme risquant de ne pas présenter un bon état chimique.
Les valeurs seuils sont fixées de façon à ce que, si les résultats de la surveillance obtenus à un point de surveillance représentatif dépassent les seuils, cela indique que l'une ou plusieurs des conditions nécessaires pour que les eaux souterraines présentent un bon état chimique, visées à la partie C I., 3°, b), c) et d) de la présente annexe, risquent de ne pas être remplies.
Lorsqu'elle établit les valeurs seuils, l'autorité de bassin tient compte des orientations ci-après :
1. La fixation des valeurs seuils devrait prendre en compte les éléments suivants :
a. l'étendue des interactions entre les eaux souterraines et les écosystèmes aquatiques associés et les écosystèmes terrestres dépendants;
b. les entraves aux utilisations ou fonctions légitimes, présentes ou à venir, des eaux souterraines;
c. tous les polluants caractérisant les masses d'eau souterraine comme étant à risque, la liste minimale définie au point III étant prise en considération;
d. les caractéristiques hydrogéologiques, y compris les informations sur les concentrations de référence et le bilan hydrologique.
1. La fixation des valeurs seuils tient compte de l'origine des polluants ainsi que de la présence naturelle éventuelle, de la toxicologie et du profil de dispersion, de la persistance et du potentiel de bioaccumulation de ces polluants.
2. Chaque fois que des concentrations de référence élevées de substances ou d'ions ou de leurs indicateurs sont enregistrées pour des raisons hydrogéologiques naturelles, ces concentrations de référence de la masse d'eau souterraine concernée sont prises en compte lors de l'établissement des valeurs seuils.
3. La fixation des valeurs seuils est appuyée par un mécanisme de contrôle des données collectées, fondé sur l'évaluation de la qualité des données, des considérations analytiques ainsi que les niveaux de fond pour les substances qui peuvent à la fois être naturellement présentes et résulter d'activités humaines.
4. La cohérence des valeurs seuils est vérifiée à l'aide du système d'évaluation de la qualité des eaux souterraines SEQEso, développé par la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, Département de l'Environnement et de l'Eau.
III. Liste minimale des polluants et leurs indicateurs pour lesquels l'autorité de bassin doit envisager d'établir des valeurs seuils conformément à l'Article R. 43ter-3
1. Substances ou ions ou indicateurs qui peuvent à la fois être naturellement présents et/ou résulter de l'activité humaine : Arsenic, Cadmium, Plomb, Mercure, Ammonium, Chlorures, Sulfates.
2. Substances artificielles : Trichloréthylène, Tétrachloréthylène.
3. Paramètres indiquant les intrusions d'eau salée ou autre : Conductivité.
IV. Informations à fournir en ce qui concerne les polluants et leurs indicateurs pour lesquels des valeurs seuils ont été établies
Le plan de gestion de district hydrographique établi conformément à l'article D.24, indique succinctement la manière dont la procédure définie à la partie B II., de la présente annexe a été appliquée.
Le plan de gestion contient, lorsque c'est faisable :
a. des informations sur le nombre de masses d'eau ou de groupes de masses d'eau souterraine caractérisées comme étant à risque, ainsi que sur les polluants et indicateurs de pollution qui contribuent à cette classification, y compris les concentrations et valeurs qui ont été observées;
b. des informations sur chacune des masses d'eau souterraine caractérisées comme étant à risque, en particulier sur la taille de ces masses d'eau, la relation entre les masses d'eau souterraine et les eaux de surfaces associées et les écosystèmes terrestres directement dépendants et, dans le cas de substances naturellement présentes, les concentrations de référence naturelles dans les masses d'eau souterraine;
c. les valeurs seuils, qu'elles s'appliquent au niveau régional, à la portion du district hydrographique international située sur le territoire wallon, ou encore au niveau d'une masse d'eau ou d'un groupe de masses d'eau souterraine particulier;
d. la relation entre les valeurs seuils et,
i) dans le cas de substances naturellement présentes, les concentrations de référence observées;
ii) les objectifs de qualité environnementale et les autres normes de protection des eaux existant au niveau national, communautaire ou international;
iii) toute information pertinente concernant la toxicologie, l'écotoxicologie, la persistance, le potentiel de bioaccumulation et le profil de dispersion des polluants.
Partie C
EVALUATION DE L'ETAT CHIMIQUE DES EAUX SOUTERRAINES
I. Généralités
Une masse d'eau ou un groupe de masses d'eau souterraine est considéré comme étant en bon état chimique lorsque :
le contrôle pertinent établit que les conditions visées à l'article R. 43ter -2, 1° sont respectées; ou que
les valeurs correspondant aux normes de qualité des eaux souterraines qui figurent dans la liste de la partie A, I., de la présente annexe et aux valeurs seuils pertinentes fixées conformément à l'article R. 43ter -3 et à la partie A II. de la présente annexe ne sont dépassées en aucun point de surveillance de cette masse ou de ce groupe de masses d'eau souterraine; ou que
la valeur correspondant à une norme de qualité des eaux souterraines ou à une valeur seuil est dépassée en un ou plusieurs points de surveillance, mais une enquête appropriée menée conformément à la partie C II. de la présente annexe confirme que :
a. sur la base de l'évaluation visée à la partie C II., point 3, les concentrations de polluants dépassant les normes de qualité des eaux souterraines ou les valeurs seuils ne sont pas considérées comme présentant un risque significatif pour l'environnement, notamment dans le cas où l'étendue de la masse d'eau souterraine qui est concernée n'excède pas 20 % ;
b. les autres conditions énoncées à l'article R. 43ter -2, 1° sont réunies, conformément à la présente annexe, partie C, II., point 4;
c. il est satisfait aux exigences de l'article D.168 dernier alinéa, conformément à la partie C II. point 4, de la présente annexe, pour les masses d'eau souterraines identifiées conformément à l'article D.168;
d. la capacité de la masse d'eau souterraine, ou de toute masse d'eau appartenant au groupe de masses d'eau souterraine, à se prêter aux utilisations humaines n'a pas été compromise de manière significative par la pollution.
Dans ce dernier cas, les mesures nécessaires sont prises, conformément aux articles D.23, D.167, D.169 et D.170, pour protéger, sur la partie de la masse d'eau souterraine représentée par le ou les points de surveillance auxquels la valeur correspondant à une norme de qualité des eaux souterraines ou à une valeur seuil a été dépassée, les écosystèmes aquatiques, les écosystèmes terrestres et l'utilisation par l'homme des eaux souterraines.
II. Procédure
1. La procédure d'évaluation visant à déterminer quel est l'état chimique d'une masse d'eau ou d'un groupe de masses d'eau souterraine est réalisée, par la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, Département de l'Environnement et de l'Eau, pour toutes les masses d'eau ou groupes de masses d'eau souterraine caractérisées comme étant à risque et pour chacun des polluants qui contribuent à cette caractérisation de la masse d'eau ou du groupe de masses d'eau souterraine.
2. Lorsqu'elle entreprend une enquête visée à la partie C I., 3° de la présente annexe, le Département de l'Environnement et de l'Eau tient compte :
a. des informations recueillies dans le cadre de la caractérisation effectuée en vertu de l'article D.17 § 1er et § 3 et concrétisée par l'état des lieux.
b. des résultats obtenus par le réseau de surveillance des eaux souterraines conformément à l'annexe IV.II. 2) et
c. de toute autre information pertinente, y compris une comparaison de la moyenne arithmétique annuelle de la concentration des polluants concernés à un point de surveillance avec les normes de qualité et les valeurs seuils des eaux souterraines.
3. Afin de déterminer si les conditions garantissant le bon état chimique des eaux souterraines visées à la partie C I., 3°, a) et d), sont remplies, le Département de l'Environnement et de l'Eau procède, lorsque cela est justifié et nécessaire, et sur la base d'agrégations appropriées des résultats de la surveillance, étayées au besoin par des estimations de concentrations fondées sur un modèle conceptuel de la masse d'eau ou du groupe de masses d'eau souterraine, à une estimation de l'étendue de la masse d'eau souterraine pour laquelle la moyenne arithmétique annuelle de la concentration d'un polluant est supérieure à une norme de qualité des eaux souterraines ou à une valeur seuil.
4. Afin de déterminer si les conditions garantissant le bon état chimique des eaux souterraines visées à la partie C I., 3°, b) et c), sont remplies, le Département de l'Environnement et de l'Eau procède, lorsque cela est justifié et nécessaire, et sur la base des résultats de surveillance pertinents ainsi que d'un modèle conceptuel approprié de la masse d'eau souterraine, à une évaluation :
a) des impacts des polluants sur la masse d'eau souterraine; en particulier, pour les points de surveillance s'avérant situés dans les zones d'influence directe des sites contaminés ou dans les zones d'influence directe d'une introduction ponctuelle de polluants, l'enquête visera à mesurer ces polluants à une distance de ces sites plus appropriée à l'échelle de la masse d'eau;
b) des quantités et concentrations des polluants qui sont ou seront probablement transférés d'une masse d'eau souterraine vers les eaux de surface associées ou les écosystèmes terrestres directement dépendants;
c) de l'impact probable des quantités et des concentrations de polluants transférés vers les eaux de surface associées et les écosystèmes terrestres directement dépendants;
d) de l'ampleur de toute intrusion d'eau salée ou autre dans la masse d'eau souterraine; et
e) du risque que représentent les polluants qui se trouvent dans la masse d'eau souterraine pour la qualité de l'eau extraite, ou qu'il est prévu d'extraire, de la masse d'eau souterraine en vue de la consommation humaine.
5. La Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, Département de l'Environnement et de l'Eau présente l'état chimique d'une masse ou d'un groupe de masses d'eau souterraine sur des cartes, conformément à la partie V de la présente annexe. En outre, elle indique sur ces cartes tous les points de surveillance où les normes de qualité des eaux souterraines et/ou les valeurs seuils sont dépassées, lorsque c'est pertinent et possible.
Partie D
IDENTIFICATION ET INVERSION DES TENDANCES A LA HAUSSE SIGNIFICATIVES ET DURABLES
I. Identification des tendances à la hausse significatives et durables
L'autorité de bassin identifie les tendances à la hausse significatives et durables dans toutes les masses d'eau souterraine ou tous les groupes de masses d'eau souterraine caractérisés comme étant à risque, conformément à l'état des lieux approuvé au 22 mars 2005, en tenant compte des exigences ci-après :
1) conformément à l'annexe IV partie II.2), le programme de surveillance est conçu de manière à ce que les tendances à la hausse significatives et durables des concentrations de polluants puissent être décelées.
2) la procédure d'identification des tendances à la hausse significatives et durables est assurée par la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, Département de l'Environnement et de l'Eau. Cette procédure est fondée sur les éléments suivants :
a) les fréquences et les lieux de surveillance sont choisis de façon à être suffisants pour :
i) fournir les informations nécessaires pour garantir la possibilité de distinguer ces tendances à la hausse des variations naturelles, avec des degrés de confiance et de précision suffisants;
ii) permettre d'identifier en temps utile ces tendances à la hausse afin que des mesures puissent être mises en oeuvre en vue de prévenir, ou au moins d'atténuer autant que possible, les dégradations de la qualité des eaux souterraines ayant une incidence sur l'environnement. Un premier exercice d'identification aura lieu au plus tard en 2009, si possible, en tenant compte des données existantes, dans le contexte du rapport sur l'identification de tendances dans le cadre du premier plan de gestion de district hydrographique visé à l'article D.24, du présent, et au moins tous les six ans par la suite;
iii) tenir compte des caractéristiques physiques et chimiques temporelles de la masse d'eau souterraine, y compris les conditions d'écoulement des eaux souterraines et les vitesses d'infiltration, ainsi que le délai de percolation à travers le sol ou le sous-sol;
b) les méthodes de surveillance et d'analyse utilisées sont conformes aux principes internationaux de contrôle de la qualité, y compris éventuellement aux méthodes du CEN ou aux méthodes nationales normalisées, pour garantir la fourniture de données d'une qualité scientifique et d'une comparabilité équivalentes;
c) l'évaluation est basée sur une méthode statistique, par exemple la technique de la régression, pour l'analyse des tendances temporelles dans des séries chronologiques de points de surveillance distincts;
d) afin d'éviter de fausser l'identification des tendances, la moitié de la valeur de la limite de quantification la plus élevée de toutes les séries temporelles est affectée à toutes les mesures inférieures à la limite de quantification, sauf pour le total des pesticides.
3) l'identification des tendances significatives et durables à la hausse des concentrations de substances à la fois naturellement présentes et résultant de l'activité humaine prendra en compte les points de départ de l'identification et, lorsqu'elles sont disponibles, les données recueillies avant le démarrage du programme de surveillance aux fins de l'identification de tendances dans le cadre du premier plan de gestion de district hydrographique prescrit à l'article D.24.
II. Points de départ des inversions de tendance
L'autorité de bassin inverse les tendances à la hausse significatives et durables, une fois identifiées, conformément à la partie D I., de la présente annexe, en respectant les exigences ci-après :
1) Le point de départ de la mise en oeuvre de mesures visant à inverser des tendances à la hausse significatives et durables correspond à une concentration du polluant qui équivaut à 75 % des valeurs des paramètres relatifs aux normes de qualité des eaux souterraines établies à la partie A I., de la présente annexe et des valeurs seuils fixées à la partie A II. de la présente annexe, sauf si :
a. un point de départ plus précoce est nécessaire pour que les mesures d'inversion de tendance puissent prévenir de la façon la plus économique qui soit, ou au moins atténuer autant que possible, toute dégradation de la qualité des eaux souterraines ayant une incidence sur l'environnement;
b. un point de départ plus précoce est nécessaire lorsque la masse d'eau souterraine est en bon état ou en très bon état mais interagit avec des écosystèmes, des zones humides ou des captages qui nécessitent une protection adaptée;
c. un point de départ différent se justifie lorsque la limite de détection ne permet pas, à 75 % des valeurs des paramètres, de démontrer l'existence d'une tendance; ou
d. le taux d'accroissement et la réversibilité de la tendance sont tels que le choix d'un point de départ plus tardif pour les mesures d'inversion de tendance permettrait encore de prévenir de la façon la plus économique qui soit, ou au moins d'atténuer autant que possible, toute dégradation de la qualité des eaux souterraines ayant une incidence sur l'environnement. Le cas échéant, le choix d'un point de départ plus tardif n'empêche pas de respecter les échéances fixées pour atteindre les objectifs environnementaux.
2) Une fois un point de départ établi pour une masse d'eau souterraine caractérisée comme étant à risque conformément à l'annexe IV, partie II, point 2) d) et au point 1 ci-dessus, il ne sera plus modifié au cours du cycle de six ans du plan de gestion de district hydrographique prescrit à l'article D.24.
3) Les inversions de tendance doivent être démontrées, compte tenu des dispositions pertinentes en matière de surveillance figurant partie D I., point 2.
Partie E
REPRESENTATION DE L'ETAT CHIMIQUE DES EAUX SOUTERRAINES
Pour l'évaluation de l'état chimique, les résultats des différents points de surveillance dans une masse d'eau souterraine sont réunis pour la masse tout entière. Pour qu'une masse d'eau souterraine soit en bon état, il faut, pour les paramètres chimiques pour lesquels la partie A de la présente annexe prévoit des normes de qualité environnementale ou des valeurs seuils :
- que la valeur moyenne des résultats de la surveillance à chaque point de la masse d'eau souterraine soit calculée,
- que, conformément à la partie C de la présente annexe, ces valeurs moyennes soient utilisées pour démontrer le respect du bon état chimique des eaux souterraines.
La Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, Département de l'Environnement et de l'Eau fournit une carte sur laquelle l'état chimique des eaux souterraines est indiqué par les couleurs suivantes :
Bon : vert,
Médiocre : rouge.
Elle indique également par un point noir sur la carte les masses d'eau souterraines qui subissent de manière durable et clairement définie une tendance à la hausse des concentrations d'un polluant quelconque résultant de l'effet de l'activité humaine. Les renversements de tendance doivent être indiqués par un point bleu sur la carte.
Cette carte est incluse dans le plan de gestion de district hydrographique.
La Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, Département de l'Environnement et de l'Eau fournit également une carte séparée sur laquelle l'état quantitatif des eaux souterraines résultant du réseau de surveillance est indiqué par les couleurs suivantes pour chaque masse d'eau souterraine :
Bon : vert,
Médiocre : rouge.]1
Art. N13. Bijlage (IX). - Badzones en stroomopwaartse zones.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 12-04-2005, p. 15809-15815).
Gewijzigd door :



Art. N13. Annexe (IX). - Zones de baignade et zones d'amont.
(Annexe non reprise pour des raisons techniques. Voir M.B. 12-04-2005, p. 15162-15167).
Modifié par :



Art. N14. Bijlage (XV). - Vereiste kwaliteit zwemwater.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 12-04-2005, p. 15816-15818).
Art. N14. Annexe (XV). - Qualité requise des eaux de baignade.
(Annexe non reprise pour des raisons techniques. Voir M.B. 12-04-2005, p. 15168-15170).
Gewijzigd door :





Modifié par :





Art. N15.
Art. N15.
Art. N16.
Art. N16.
Art. N17. Bijlage (XVII). - Zones van water dat tot drinkwater kan worden verwerkt.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 12-04-2005, p. 15831).
Gewijzigd door :
Art. N17. Annexe (XVII). -Zones d'eaux potabilisables.
(Annexe non reprise pour des raisons techniques. Voir M.B. 12-04-2005, p. 15181).
Modifié par :
Art. N18. Bijlage (XVIII). Zones van natuurlijk water.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 12-04-2005, p. 15832).
Art. N18.
Art. N19. Bijlage (VII). - Lijst van de relevante gevaarlijke stoffen in het Waalse Gewest en kwaliteitsdoelstellingen.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 12-04-2005, p. 15833-15836)
Gewijzigd bij :

Art. N19. Annexe (VII). - Liste des substances dangereuses pertinentes en Région Wallonne et objectifs de qualité.
(Annexe non reprise pour des raisons techniques. Voir M.B. 12-04-2005, p. 15183-15187)
Modifiée par :

Art. N19 bis.
Art. N19 bis.
Art. N20. Bijlage (XX). -[1 Voornaamste relevante verontreinigende stoffen voor het grondwater
Lijst I : [2 gevaarlijke of als gevaarlijk beschouwde stoffen
1. Gehalogeneerde organische verbindingen en stoffen die organische verbindingen van dat type kunnen vormen in het aquatische milieu, en meer bepaald gechloreerde koolwaterstoffen en PCB's;
2. Organische fosforverbindingen;
3. Organische tinverbindingen
4. Stoffen en voorbereidingen of hun afbraakproducten waarvan het kankerverwekkend of mutagene karakter of de eigenschappen, die de steroïdogenische, thyreotische of voortplantingsfuncties of andere endocrinische functies in of via het aquatische milieu kunnen aantasten, aangetoond werden;
5. Persistente koolwaterstoffen of persistente en bioaccumuleerbare organische stoffen en meer bepaald :
- Monocyclische aromatische koolwaterstoffen
- Minerale oliën (meetbare door de koolwaterstofindex (C10-C40))
- Polycyclische aromatische koolwaterstoffen
- Ethers, additieven voor brandstoffen (MTBE en ETBE)
6. Cyaankali;
7. Kwik en kwikverbindingen;
8. Cadmium en cadmiumverbindingen;
9. Gewasbeschermingsproducten omschreven in artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 februari 1994 en biociden omschreven in Titel 1, artikel 1, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 overeenkomstig de wet van 21 december 1998.]2

Lijst II : andere stoffen die het grondwater verontreinigen
1. Arsenicum en verbindingen ervan;
2. Nickel en verbindingen ervan;
3. Zink, koper en verbindingen ervan;
4. Andere metalen en verbindingen ervan;
5. Stoffen die tot de eutrofiëring bijdragen (meer bepaald nitraten en fosfaten);
6. Stoffen met een negatieve invloed op de zuurstofbalans (en die gemeten kunnen worden met parameters zoals BZV, CZV, permanganaatgetal en organische koolstof);
7. Stoffen in suspensie (ook die welke met de troebelheidsgraad gemeten kunnen worden);
8. Ammonium;
9. Boraat;
10. Fluoride;
11. Chloride;
12. Sulfaat.]1

Art. N20. Annexe (XX). -[1 Principaux polluants pertinents pour les eaux souterraines
Liste I : [2 substances dangereuses ou considérées comme dangereuses
1. Composés organohalogénés et substances susceptibles de former des composés de ce type dans le milieu aquatique, et notamment les hydrocarbures chlorés et les PCB;
2. Composés organophosphorés;
3. Composés organostanniques;
4. Substances et préparations, ou leurs produits de décomposition, dont le caractère cancérigène ou mutagène ou les propriétés pouvant affecter les fonctions stéroïdogénique, thyroïdienne ou reproductive ou d'autres fonctions endocriniennes dans ou via le milieu aquatique ont été démontrées;
5. Hydrocarbures persistants et substances organiques persistantes et bio-accumulables, et notamment :
- Hydrocarbures aromatiques monocycliques;
- Huiles minérales (mesurables par l'indice hydrocarbure (C10-C40));
- Hydrocarbures aromatiques polycycliques;
- Ethers additifs pour carburant (MTBE et ETBE);
6. Cyanures;
7. Mercure et composés du mercure;
8. Cadmium et composés du cadmium;
9. Produits phytopharmaceutiques définis à l'article 1er de l'arrêté royal du 28 février 1994 et produits biocides définis au Titre 1er, article 1er de l'arrêté royal du 22 mai 2003, en application de la loi du 21 décembre 1998.]2

Liste II : autres polluants des eaux souterraines
1. Arsenic et ses composés;
2. Nickel et ses composés;
3. Zinc, cuivre et leurs composés;
4. Autres métaux et leurs composés;
5. Substances contribuant à l'eutrophisation (notamment nitrates et phosphates);
6. Substances ayant une influence négative sur le bilan d'oxygène (et pouvant être mesurés à l'aide de paramètres tels que la DBO, la DCO, l'indice permanganate et le carbone organique);
7. Matières en suspension (y compris pouvant être mesurées par la turbidité);
8. Ammonium;
9. Borates;
10. Fluorures;
11. Chlorures;
12. Sulfates.]1

Art. N21.
Art. N21.
Art. N22. Bijlage (XXII). - Tabel.
(Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 12-04-2005, p. 15840-15842).
Art. N22. Annexe (XXII). - Tableau de correspondance de production d'effluents d'élevage.
(Annexe non reprise pour des raisons techniques. Voir M.B. 12-04-2005, p. 15191-15192).
Gewijzigd bij :

Remplacée par :

Art. N22 bis. [1 bijlage XXIIbis]1
Art. N22 bis. [1 annexe XXIIbis]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 05-04-2023, p. 36224)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 05-04-2023, p. 36198)
Art. N23. Bijlage (XXIII). - Spreidingsperiodes voor meststoffen. - Overzichtstabel voor de spreidingsperiodes van organische meststoffen.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 12-04-2005, p. 15843).
Art. N23. Annexe (XXIII). - Périodes d'épandages des fertilisants. Tableau récapitulatif des périodes d'épandage des fertilisants organiques.
(Tableau non repris pour des raisons techniques. Voir M.B. 12-04-2005, p. 15193).
Gewijzigd bij :

Remplacée par :


Art. N24. [1 bijlage XXIV]1
Art. N24. [1 annexe XXIV]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 05-04-2023, p. 36228)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 05-04-2023, p. 36202)
Art. N25. [1 Bijlage XXV. - Classificatiesleutel van organische stoffen naar gelang van hun actiedynamiek
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 12-09-2014, p. 72182)]1

Art. N25. [1 Annexe XXV. - Clé de classification des matières organiques en fonction de leur dynamique d'action
(Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 12-09-2014, p. 72079)]1

Art. N26. Bijlage (XXVI). - Tabel voor de jaarlijkse stikstofproductie per dierencategorie na aftrek van het opslagverlies en rekening houdend met de leegstandperiodes voor varkensachtigen en pluimvee.
Gewijzigd door :



Art. N26. Annexe (XXVI). - Tableau de la production annuelle d'azote par catégorie animale après déduction des pertes inhérentes au stockage et compte tenu des périodes de vide sanitaire pour les porcins et les volailles.
-
Modifié par :



Art. N27. Bijlage (XXVII). - Tabel van de gemiddelde stikstofsamenstelling van dierlijke mest.
Vervangen door :


Art. N27. Annexe (XXVII). - Tableau de la composition azotée moyenne des effluents d'élevage.
Remplacé par :


Art. N28. Bijlage (XXVIII). - Tabel voor de frequentie van de analyses van nitraat, nitriet en ammoniumstikstof op de plaatsen van monsterneming in het bewakingsnet.
Vervangen door :


Art. N28. Annexe (XXVIII). - Tableau de la fréquence des analyses des nitrate, nitrite et azote ammoniacal aux points des prélèvements repris dans le réseau de surveillance.
Remplacé par :


Art. N29. Bijlage (XXIX). - Emissienormen voor lozingen van gemeenschappelijke zuiveringsinstallaties in agglomeraties met een vuilvracht hoger dan 2 000 ie.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 12-04-2005, p. 15850).
Art. N29. Annexe (XXIX). - Conditions sectorielles d'émission relatives aux rejets des stations d'épuration collective provenant d'agglomérations dont la charge polluante est supérieure à 2 000 EH.
(Annexe non reprise pour des raisons techniques. Voir M.B. 12-04-2005, p. 15199).
Art. N30. Bijlage (XXX). - Emissienormen voor lozingen van gemeenschappelijke zuiveringsinstallaties die een tertiaire behandeling verrichten.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 12-04-2005, p. 15851).
Art. N30. Annexe (XXX). - Conditions sectorielles d'émission relatives aux rejets des stations d'épuration collective effectuant un traitement tertiaire.
(Annexe non reprise pour des raisons techniques. Voir M.B. 12-04-2005, p. 15200).
Art. N31. Bijlage (XXXI). - Microbiologische parameters. - Chemische parameters. - Indicatorparameters.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 12-04-2005, p. 15852-15856.)
Gewijzigd bij :



Art. N31. Annexe (XXXI). - Paramètres microbiologiques. - Paramètres chimiques. - Paramètres indicateurs.
(Annexe non reprise pour des raisons techniques. Voir M.B. 12-04-2005, p. 15201-15205.)
Modifiée par :



Art. N32. Bijlage (XXXII). - Stoffen en materialen die toegelaten zijn voor de behandeling van het voor menselijke consumptie bestemde water.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 12-04-2005, p. 15857-15859).
Gewijzigd bij :
Art. N32. Annexe (XXXII). - Substances et matériaux autorises pour le traitement de l'eau destinée à la consommation humaine.
(Annexe non reprise pour des raisons techniques. Voir M.B. 12-04-2005, p. 15206-15207).
Modifiée par:
Art. N33. [1 Bijlage XXXIII - CONTROLE]1
Art. N33. [1 Annexe (XXXIII). CONTROLE]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 13-09-2023, p. 76858)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 13-09-2023, p. 76796)
Art. N34. Bijlage XXXIV - SPECIFICATIES VOOR DE ANALYSE VAN DE PARAMETERS
[1 Overeenkomstig artikel D.188, § 3, zorgen de leveranciers van het Operationeel directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Departement Leefmilieu en Water, ervoor dat de analysemethoden die gebruikt worden voor controle en om aan te tonen dat wordt voldaan aan de conformiteit van worden gevalideerd en gedocumenteerd overeenkomstig norm EN ISO17025 of andere gelijkwaardige op internationaal niveau erkende normen, behalve in het geval van organoleptische parameters (kleur, geur, smaak). De leveranciers en het Operationeel directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Departement Leefmilieu en Water, zorgen ervoor dat laboratoria of door laboratoria gecontracteerde partijen methoden voor kwaliteitszorgsystemen hanteren die in overeenstemming zijn met norm EN ISO/IEC17025 of andere gelijkwaardige op internationaal niveau erkende normen.
DEEL A. Microbiologische parameters waarvoor analysemethoden gespecificeerd zijn
De volgende beginselen voor methoden voor microbiologische parameters worden gegeven als referentie als een CEN/ISO-methode wordt opgegeven of als leidraad, in afwachting van de eventuele toekomstige aanneming, door de Commissie, van andere internationale methoden CEN/ISO voor deze parameters.
Alternatieve methoden kunnen worden gebruikt mits aan artikel R. 259 wordt voldaan.
De methoden gebruikt voor microbiologische parameters zijn:
a) Escherichia coli (E. coli) en colibacteriën (EN ISO 9308-1 of EN ISO 9308-2);
b) Enterokokken (EN ISO 7899-2);
c) Pseudomonas aeruginosa (EN ISO 16266);
d) Inventarisatie van micro-organismen die gekweekt kunnen worden - telling kolonies bij 22 ° C (EN ISO 6222)
d) Inventarisatie van micro-organismen die gekweekt kunnen worden - telling kolonies bij 36 ° C (EN ISO 6222)
f) Clostridium perfringens, met inbegrip van sporen (EN ISO 14189).
DEEL B.Chemische en indicatorparameters waarvoor prestatiekenmerken gespecificeerd zijn
1. Chemische en indicatorparameters
Voor de parameters van onderstaande tabel houden de gespecificeerde prestatiekenmerken in dat met de gebruikte analysemethode ten minste concentraties moeten kunnen worden gemeten die gelijk zijn aan de parameterwaarde, met een bepalingsgrens, overeenkomstig artikel R.42sexies, 2°, van 30 % of minder van de desbetreffende parameterwaarde en een meetonzekerheid, overeenkomstig artikel R.42sexies, 4°, als aangegeven in onderstaande tabel. Het resultaat wordt met ten minste evenveel significante cijfers uitgedrukt als de parameterwaarde genoemd in bijlage XXXI, delen B en C.
Voor de parameters van onderstaande tabel die ook zijn opgenomen in bijlage XI voor het toezicht op het tot drinkwater verwerkbaar grondwater en oppervlaktewater, mag de maximale kwantificatiegrens in het voor menselijke consumptie bestemde water bovendien niet de grens overschrijden die is aangegeven in bijlage XI.
De in onderstaande tabel vermelde meetonzekerheid wordt niet gebruikt als bijkomende tolerantie voor de in bijlage XXXI vermelde parameterwaarden.
Tabel: Minimumprestatiekenmerk " meetonzekerheid "
Art. N34. [1 Annexe XXXIV - SPECIFICATIONS POUR L'ANALYSE DES PARAMETRES]1
Parameters Meetonzekerheid
(zie opmerking 1)
Opmerkingen
% van de parameterwaarde (behalve voor pH)
Aluminium 25
Ammonium 40
Antimoon 40
Arseen 30
Benzo(a)pyreen 50 Zie opmerking 2
Benzeen 40
Boor 25
Bromaat 40
Cadmium 25
Chloride 15
Chroom 30
Geleidbaarheid 20
Koper 25 Zie opmerking 11
Cyanide 30 Zie opmerking 3
1,2-dichloorethaan 40
Fluoriden 20
Waterstofionenconcentratie (uitgedrukt in pH-eenheden) 0,2 Zie opmerking 4
Ijzer 30
Lood 25
Mangaan 30
Kwik 30
Nikkel 25
Nitraat 15
Nitriet 20
Oxideerbaarheid 50 Zie opmerking 5
Pesticiden 30 Zie opmerking 6
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen 50 Zie opmerking 7
Seleen 40
Natrium 15
Sulfaat 15
Tetrachlooretheen 30 Zie opmerking 8
Trichlooretheen 40 Zie opmerking 8
Trihalomethanen ù totaal 40 Zie opmerking 7
Totaal organische koolstof (TOK) 30 Zie opmerking 9
Troebelheid 30 Zie opmerking 10
Residuële vrije chloor 25
Zink 25 Zie opmerking 11
Parameters Meetonzekerheid
(zie opmerking 1) Opmerkingen% van de parameterwaarde (behalve voor pH) Aluminium 25 Ammonium 40 Antimoon 40 Arseen 30 Benzo(a)pyreen 50 Zie opmerking 2Benzeen 40 Boor 25 Bromaat 40 Cadmium 25 Chloride 15 Chroom 30 Geleidbaarheid 20 Koper 25 Zie opmerking 11Cyanide 30 Zie opmerking 31,2-dichloorethaan 40 Fluoriden 20 Waterstofionenconcentratie (uitgedrukt in pH-eenheden) 0,2 Zie opmerking 4Ijzer 30 Lood 25 Mangaan 30 Kwik 30 Nikkel 25 Nitraat 15 Nitriet 20 Oxideerbaarheid 50 Zie opmerking 5Pesticiden 30 Zie opmerking 6Polycyclische aromatische koolwaterstoffen 50 Zie opmerking 7Seleen 40 Natrium 15 Sulfaat 15 Tetrachlooretheen 30 Zie opmerking 8Trichlooretheen 40 Zie opmerking 8Trihalomethanen ù totaal 40 Zie opmerking 7Totaal organische koolstof (TOK) 30 Zie opmerking 9Troebelheid 30 Zie opmerking 10Residuële vrije chloor 25 Zink 25 Zie opmerking 11
Opmerking 1 : De meetonzekerheid wordt geschat op het niveau van de parameterwaarde, tenzij anders vermeld. In de praktijk zal de meetonzekerheid worden berekend aan een concentratie kleiner dan of gelijk aan de parameterwaarde en gelegen in de ijkingsschaal van de methode. De onzekerheid wordt berekend op een bepaalde concentratie als de waarde van de onzuiverheid (de juistheid genomen in absolute waarde) min of meer twee keer de standaardafwijking van het toevalsbestanddeel (betrouwbaarheid)
Opmerking 2 : Als niet aan de waarde van de meetonzekerheid kan worden voldaan, moet de beste beschikbare techniek worden toegepast (tot 60 % ).
Opmerking 3 : Met deze methode wordt het totaal aan cyanide in elke vorm bepaald.
Opmerking 4 : Waarden voor juistheid, precisie en meetonzekerheid worden uitgedrukt in pH-eenheden.
Opmerking 5 : Referentiemethode: EN ISO 8467
Opmerking 6 : De prestatiekenmerken voor afzonderlijke pesticiden zijn indicatief. Lage waarden voor meetonzekerheid van 30 % zijn haalbaar voor meerdere pesticiden, hogere waarden tot 80 % kunnen worden toegelaten voor een aantal pesticiden, namelijk de deisopropylatrazine (50 % ).
[2 Opmerking 6bis : De prestatiekenmerken voor de verschillende PFAS zijn indicatief. Lage waarden voor meetonzekerheid van 40 % zijn haalbaar voor meerdere PFAS, hogere waarden tot 50 % kunnen worden toegelaten voor een aantal PFAS.]2
Opmerking 7 : De prestatiekenmerken gelden voor de afzonderlijke stoffen, gespecificeerd op 25 % van de parameterwaarde in bijlage XXXI, deel B.
Opmerking 8 : De prestatiekenmerken gelden voor de afzonderlijke stoffen, gespecificeerd op 50 % van de parameterwaarde in bijlage XXXI, deel B.
Opmerking 9 : De meetonzekerheid moet worden geschat op het niveau van 3 mg/l van de totale organische koolstof (TOC). Voor het bepalen van de TOC en de opgeloste organische koolstof (DOC) worden de CEN 1484-richtsnoeren gebruikt.
Opmerking 10 : De meetonzekerheid moet worden geschat op het niveau van 1,0 NTU (nephelometrische troebelingseenheid) overeenkomstig EN ISO 7027.
Opmerking 11 : In het tot drinkwater verwerkbaar ruw water en in de behandelingsinstallaties moet de meetonzekerheid bovendien de voorschriften van artikel R.43bis-4, § 4 naleven.
2. De parameters acrylamide, epichloorhydrine, vinylchloride worden gecontroleerd in de betrokken waterdistributiegebieden in functie van de kwaliteitscriteria bepaald voor een product gebruikt in de distributieketting.]1
[2 De aanbevolen analysemethoden voor de parameter "som van PFAS" zijn als volgt:
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 13-09-2023, p. 76796)
EN 17892 : 2024: deel A (LC-MS, directe injectiemethode)
EN 17892 : 2024: deel B (LC-MS, LPE-verrijkingsmethode)
EN 17892 : 2024: deel A (LC-MS, directe injectiemethode) EN 17892 : 2024: deel B (LC-MS, LPE-verrijkingsmethode)
Er mogen andere methoden worden gebruikt, mits aan de algemene en specifieke eisen voor de PFAS-parameter wordt voldaan.
De LOQ-bepaalbaarheidsgrens, d.w.z. dertig procent van de parameterwaarde, bereikt een LOQ van 1,5 ng/l voor elk van de twintig stoffen waarnaar in het eerste lid wordt verwezen, met uitzondering van de stoffen PFOA, PFNA, PFHxS en PFOS, waarvoor de LOQ-bepaalbaarheidsgrens 1 ng/l bereikt. De gebruiker van de methode valideert de overeenstemming van de bepaalbaarheidsgrenzen onder gegeven interne omstandigheden.]2
-
Art. N35. Bijlage (XXXV). - Emissienormen voor lozingen van gemeenschappelijke zuiveringsinstallaties in agglomeraties met een vuilvracht gelijk aan of kleiner dan 2 000 ie.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 12-04-2005, p. 15867-15868).
(Gewijzigd door

Art. N35. Annexe (XXXV). - Conditions sectorielles d'émission relatives aux rejets d'eaux urbaines résiduaires provenant d'agglomérations dont la charge polluante est égale ou inférieure à 2 000 EH.
(Annexe non reprise pour des raisons techniques. Voir M.B. 12-04-2005, p. 15214).
Modifié par :

Art. N36. Bijlage (XXXVI). - Referentiemethoden voor controle en beoordeling van de resultaten.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 12-04-2005, p. 15869-15871).
Art. N36. Annexe (XXXVI). - Méthodes de référence pour le suivi et l'évaluation des résultats.
(Annexe non reprise pour des raisons techniques. Voir M.B. 12-04-2005, p. 15215-15216).
Art. N37. Bijlage (XXXVII). - Basisformulier voor de jaarbalans van lozingen van zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 12-04-2005, p. 15872).
Art. N37. Annexe (XXXVII). - Modèle de présentation du bilan annuel des rejets d'eau épurée des stations d'épuration d'eaux urbaines résiduaires.
(Annexe non reprise pour des raisons techniques. Voir M.B. 12-04-2005, p. 15217).
Art. N38. [1 Bijlage XXXVIII. - Formulier voor Sociaal Waterfonds
Art. N38. [1 Annexe XXXVIII. - Formulaire relatif au Fonds social de l'eau
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-10-2019, p. 102916)]1
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-10-2019, p. 102896)]1
Art. N39. [1 Bijlage XXXIII. - Model van afstandovereenkomst voor riolering tussen het Waalse Gewest, de SOFICO en de S.P.G.E.
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-01-2019, p. 9840)]1

Art. N39. [1 Annexe XXXIX. - Modèle de convention de cession d'égout entre la Région Wallonne, le SOFICO et la S.P.G.E.
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-01-2019, p. 9790)]1

Art. N40. Bijlage (XXXVIII). - Verslag betreffende het Sociaal Fonds.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 12-04-2005, p. 15881-15884).
Art. N40. Annexe (XXXVIII). - RAPPORT RELATIF AU FONDS SOCIAL.
(Annexe non reprise pour des raisons techniques. Voir M.B. 12-04-2005, p. 15227-15229).
Art. N41.
Art. N41.
Art. N42. Bijlage (XLIII). - Aanvraag om vrijstelling van de belasting op lozingen van het huishoudelijk afvalwater gelijkgesteld afvalwater uit de landbouw. - Aanslagjaar 199.. - Lozingsjaar 199..
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 12-04-2005, p. 15892).
Art. N42. Annexe (XLIII). - DEMANDE D'EXEMPTION DE LA TAXE SUR LE DEVERSEMENT DES EAUX USEES AGRICOLES ASSIMILEES AUX EAUX USEES DOMESTIQUES. - ANNEE DE TAXATION 199.. - ANNEE DE DEVERSEMENT 199..
(Annexe non reprise pour des raisons techniques. Voir M.B. 12-04-2005, p. 15234).
Art. N43. Bijlage (XLII). - Aangifte van verspreiding van dierlijke meststoffen op terreinen van derden (Alleen over te leggen met het oog op de gelijkstelling van afvalwater met huishoudelijk water). - Lozingsjaar 199..
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 12-04-2005, p. 15893)
Art. N43. Annexe (XLII). - ATTESTATION D'EPANDAGE D'EFFLUENTS D'ELEVAGE SUR TERRAINS DE TIERS. (A produire uniquement en vue de l'assimilation des eaux usées à des eaux domestiques). - ANNEE DE DEVERSEMENT 199..
(Annexe non reprise pour des raisons techniques. Voir M.B. 12-04-2005, p. 15235).
Art. N44. Bijlage (XLIV). - Aangifte van verspreiding van dierlijke meststoffen door een derde (Alleen over te leggen met het oog op de vrijstelling van de belasting op lozingen van afvalwater). - Lozingsjaar 199..
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 12-04-2005, p. 15894-15897).
Art. N44. Annexe (XLIV). - DECLARATION D'EPANDAGE D'EFFLUENTS D'ELEVAGE PAR UN TIERS. (A produire uniquement en vue de l'exemption de la taxe sur le déversement des eaux usées). - ANNEE DE DEVERSEMENT 199..
(Annexe non reprise pour des raisons techniques. Voir M.B. 12-04-2005, p. 15236-15237).
Art. N45. [1 Bijalge XLV bij Boek II van het regelgevend Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt
Vervoersdocument betreffende van de ruiming van septische putten en gelijksoortige zuiveringssystemen alsook de uitstrooiing van het desbetreffende slijk
VAK 1 - IDENTIFICATIE VAN DE RUIMER
Art. N45. [1 Annexe XLV du Livre II du Code réglementaire de l'Environnement contenant le Code de l'Eau
Document de transport relatif à la vidange des fosses septiques et de systèmes d'épuration analogues ainsi qu'à l'épandage de leurs gadoues
CADRE 1 - IDENTIFICATION DU VIDANGEUR
Naam :
. . . . .
Adres:
. . . . .
Naam : . . . . .Adres: . . . . .
VAK 2 - GEBRUIKT VOERTUIG
Nom :
. . . . .
Adresse :
. . . . .
Nom : . . . . .Adresse : . . . . .
CADRE 2 - VEHICULE UTILISE
Merk :
. . . . .
Inschrijvingsnummer :
. . . . .
Merk : . . . . .Inschrijvingsnummer : . . . . .
VAK 3 - RUIMINGEN VAN SEPTISCHE PUTTEN EN GELIJKSOORTIGE ZUIVERINGSSYSTEMEN
Marque :
. . . . .
N° d'immatriculation :
. . . . .
Marque : . . . . .N° d'immatriculation : . . . . .
CADRE 3 - VIDANGES DES FOSSES SEPTIQUES ET DE SYSTEMES D'EPURATION ANALOGUES
Naam van de klant :
. . . . .
Adres:
. . . . .
. . . . .
Datum:
. . . . .
Volume : . . . . . mü
Naam van de klant :
. . . . .
Adres:
. . . . .
. . . . .
Datum:
. . . . .
Volume : . . . . . mü
Naam van de klant :
. . . . .
Adres:
. . . . .
. . . . .
Datum:
. . . . .
Volume : . . . . . mü
Naam van de klant : . . . . .Adres: . . . . . . . . . .Datum: . . . . .Volume : . . . . . müNaam van de klant : . . . . .Adres: . . . . . . . . . .Datum: . . . . .Volume : . . . . . müNaam van de klant : . . . . .Adres: . . . . . . . . . .Datum: . . . . .Volume : . . . . . mü
VAK 4 - RUIMING VAN DE KUIP
Nom du client :
. . . . .
Adresse :
. . . . .
. . . . .
Date :
. . . . .
Volume : . . . . . mü
Nom du client :
. . . . .
Adresse :
. . . . .
. . . . .
Date :
. . . . .
Volume : . . . . . mü
Nom du client :
. . . . .
Adresse :
. . . . .
. . . . .
Date :
. . . . .
Volume : . . . . . mü
Nom du client : . . . . .Adresse : . . . . . . . . . .Date : . . . . .Volume : . . . . . müNom du client : . . . . .Adresse : . . . . . . . . . .Date : . . . . .Volume : . . . . . müNom du client : . . . . .Adresse : . . . . . . . . . .Date : . . . . .Volume : . . . . . mü
CADRE 4 - VIDANGE DE LA CUVE
Ordernummer van de handeling uitgevoerd d.m.v. het voertuig betrokken bij de eerste handeling van het lopende kwartaal :
. . . . .
Wijze van verwijdering van het slijk (schrappen wat niet past) :
- afgifte aan een zuiveringsstation
- afgifte aan een behandelingscentrum.
Adres van de stortingsplaats en van de uitbater :
. . . . .
. . . . .
Aard van het slijk (slijk uit septische putten, slijk uit een individueel zuiveringssysteem, ruiming van regenwaterputten, .........) : . . . . . . . . . .
Datum:
. . . . .
Ordernummer van de handeling uitgevoerd d.m.v. het voertuig betrokken bij de eerste handeling van het lopende kwartaal : . . . . .Wijze van verwijdering van het slijk (schrappen wat niet past) :- afgifte aan een zuiveringsstation- afgifte aan een behandelingscentrum.Adres van de stortingsplaats en van de uitbater : . . . . . . . . . .Aard van het slijk (slijk uit septische putten, slijk uit een individueel zuiveringssysteem, ruiming van regenwaterputten, .........) : . . . . . . . . . .Datum: . . . . .
Ik ondergetekende ........................................... verklaar dat dit document waar en oprecht is.
Opgemaakt te ............................, op ..........................
Handtekening : .........................................]1
N° d'ordre de l'opération réalisée au moyen de véhicule concerné par rapport à la première opération du trimestre en cours :
. . . . .
Mode d'élimination des gadoues (biffer la mention inutile) :
- remise à une station d'épuration
- remise à un centre de traitement.
Adresse du lieu de déversement et de l'exploitant :
. . . . .
. . . . .
Nature des gadoues (gadoues de fosses septiques, boues d'un système d'épuration individuelle, vidange de citernes d'eau de pluie, .........) : . . . . . . . . . .
Date :
. . . . .
N° d'ordre de l'opération réalisée au moyen de véhicule concerné par rapport à la première opération du trimestre en cours : . . . . .Mode d'élimination des gadoues (biffer la mention inutile) :- remise à une station d'épuration- remise à un centre de traitement.Adresse du lieu de déversement et de l'exploitant : . . . . . . . . . .Nature des gadoues (gadoues de fosses septiques, boues d'un système d'épuration individuelle, vidange de citernes d'eau de pluie, .........) : . . . . . . . . . .Date : . . . . .
Je soussigné(e) ........................................... déclare que le présent document est exact et sincère.
Fait à ............................................................. le ......................
Signature : .........................................]1
Art. N45 bis. [1 Bijlage XLVbis bij Boek II van het regelgevend Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt
Art. N45 bis. [1 Annexe XLVbis du Livre II du Code réglementaire de l'Environnement contenant le Code de l'Eau
Formulier tot aanvraag van de erkenning als ruimer van septische putten of gelijksoortige zuiveringssystemen
Formulier tot aanvraag van de erkenning als ruimer van septische putten of gelijksoortige zuiveringssystemen
Voorwerp van de aanvraag
Erkenning als ruimer van septische putten of gelijksoortige zuiveringssystemen, zoals bedoeld in artikel D. 222 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt
Identificatie van de aanvrager
1) Natuurlijke persoon :
Naam :
. . . . .
Voornaam:
. . . . .
Geboortedatum :
. . . . .
Adres:
. . . . .
Tel.:
. . . . .
Fax. en/of e-mail :
. . . . .
Rijksregisternummer :
. . . . .
Ondernemingsnummer :
. . . . .
btw-nr :
. . . . .
Handelsregisternummer :
. . . . .
(een afschrift van de identiteitskaart bijvoegen)
2) Rechtspersoon :
Handelsnaam :
. . . . .
Benaming :
. . . . .
Adres van de maatschappelijke zetel :
. . . . .
Adres van de exploitatiezetel(s) :
. . . . .
Contact : tel, fax, e-mail :
. . . . .
Ondernemingsnummer :
. . . . .
btw-nr. :
. . . . .
Handelsregisternummer :
. . . . .
Naamlijst van de bestuurders, zaakvoerders of personen die de vennootschap mogen verbinden, contactpersoon :
. . . . .
. . . . .
. . . . .
(een bijgewerkt afschrift van de statuten bijvoegen)
Materiaal en technische middelen
Lijst van het materiaal en van de technische middelen die nodig zijn om de opdrachten te vervullen waarvoor de erkenning vereist wordt :
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
Specifieke gegevens
- Elk document waaruit blijkt dat het/de door de aanvrager gebruikte voertuig/voertuigen voorzien is/zijn van een dichte kuip die uitgerust is met :
een opening die een vlotte reiniging toelaat;
een volumemeter;
een vacuümpomp of een volumetrische pomp;
een afsluiter die zuiging en wegpersing toelaat;
een vacuümbrekersklep;
een overdrukklep.
- Afschrift van het inschrijvingscertificaat van dat voertuig of die voertuigen
- Afschrift van het bezoekcertificaat afgeleverd voor dat voertuig of die voertuigen door het orgaan voor de automobielinspectie
- Verzekeringscertificaat van het voertuig
- Verzekeringscontract beroepsaansprakelijkheid en bevestiging van de verzekeraar dat de dekking van kracht is.]1
Formulaire de demande d'agrément en qualité de vidangeur de fosses septiques ou d'épuration analogues
Formulaire de demande d'agrément en qualité de vidangeur de fosses septiques ou d'épuration analogues
Objet de la demande
Agrément en qualité de vidangeur de fosses septiques ou de systèmes d'épuration analogues, tels que visés à l'article D. 222 du Livre II du Code de l'Environnement contenant le Code de l'Eau
Identification du demandeur
1) Personne physique :
Nom :
. . . . .
Prénom :
. . . . .
Date de naissance :
. . . . .
Adresse :
. . . . .
Tel. :
. . . . .
Fax. Et/ou e-mail :
. . . . .
Numéro de registre national :
. . . . .
Numéro d'entreprise :
. . . . .
Numéro de T.V.A. :
. . . . .
Numéro de registre de commerce :
. . . . .
(joindre une copie de la carte d'identité)
2) Personne morale :
Raison sociale :
. . . . .
Dénomination :
. . . . .
Adresse du siège social :
. . . . .
Adresse du ou des siège(s) d'exploitation :
. . . . .
Contact : tel, fax, e-mail :
. . . . .
Numéro d'entreprise :
. . . . .
N° T.V.A. :
. . . . .
N° registre de commerce :
. . . . .
Liste nominative des administrateurs, gérants ou personnes pouvant engager la société, personne de contact :
. . . . .
. . . . .
. . . . .
(Joindre une copie actualisée des statuts)
Matériel et des moyens techniques
Liste du matériel et des moyens techniques nécessaires pour assurer les missions au titre desquelles l'agrément est requis :
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
. . . . .
Renseignements spécifiques
- Tout document établissant que le ou les véhicule(s) utilisé(s) par le demandeur, est (sont) muni(s) d'une cuve étanche et équipée :
d'une ouverture permettant un nettoyage aisé;
d'une jauge de volume;
d'une pompe à vide ou volumétrique;
d'une vanne permettant l'aspiration et le refoulement;
d'une soupape casse-vide;
d'une soupape de surpression.
- Copie du certificat d'immatriculation de ce ou ces véhicule(s)
- Copie du certificat de visite délivré par l'organisme d'inspection automobile pour ce ou ces véhicule(s)
- Certificat d'assurance du véhicule
- Contrat d'assurance de la responsabilité professionnelle et confirmation de l'assureur que la couverture est en vigueur.]1
Art. N46. Bijlage (XLVI). - [1 Aantal inwonerequivalenten.
De nuttige capaciteit van de individuele zuiveringssystemen wordt bepaald op grond van het aantal inwonerequivalenten (IE) van de op het individuele zuiveringssysteem aangesloten woning of wooncomplexen. Ze bedraagt ministens 5 IE.
[2 Voor de woningen die enkel huishoudelijk afvalwater produceren, wordt de vuilkracht uitgedrukt door een aantal equivalenten-inwoners die gelijk is aan het aantal bewoners met een minimum van vijf equivalenten-inwoners als het zuiveringssysteem één enkele woning en een minimum van vier equivalenten-inwoners per woning in geval van gegroepeerde sanering bedient zonder evenwel de maximumcapaciteit van het geïnstalleerde systeem te mogen overschrijden.]2
Voor de andere gebouwen wordt het aantal inwonerequivalenten dat overeenstemt met de vuilvracht van het huishoudelijk afvalwater, berekend als volgt :
Art. N46. Annexe (XLVI). - [1 Nombre d'équivalent-habitant.
La capacité utile des systèmes d'épuration individuelle est déterminée en fonction du nombre d'équivalent habitant (EH) de l'habitation ou du groupe d'habitations desservies par le système. Elle est d'au moins 5 EH.
[2 Pour les habitations qui ne génèrent que des eaux usées domestiques, la charge polluante s'exprime par un nombre d'équivalents-habitants égal au nombre d'occupants avec un minimum de cinq équivalents-habitants si le système d'épuration dessert une seule habitation et un minimum de quatre équivalents-habitants par habitation en cas d'assainissement groupé sans toutefois pouvoir dépasser la capacité maximum du système installé.]2
Pour les autres habitations, le nombre d'équivalent-habitant correspondant à la charge polluante contenue dans les eaux usées domestiques est évalué comme suit :
Gebouw of complexAantal inwonersequivalent (IE)
Fabriek, werkplaats1 werkman
Kantoor1 bediende
School zonder baden, douches of1 leerling
keuken (externaat) *
School met baden en zonder keuken1 leerling
(externaat) *
School met baden en keuken1 leerling
(externaat) *
School met baden en keuken1 leerling
(internaat) *
Hotel, pension *1 bed
Camping - doorreisplaats1 plaats
Camping - verblijfplaats1 verblijfplaats
Kazerne1 persoon (voorzien)
Restaurant *1 opgediende maaltijd
Aantal IE
aantal maaltijden opgediend
per dag
Theater, bioscoop, feestzaal,1 plaats
slijterijen van dranken
Sportpark1 plaats
Home, centrum voor specifieke1 bed
verzorging, gevangenissen *
Gebouw of complexAantal inwonersequivalent (IE)Fabriek, werkplaats1 werkmanKantoor1 bediendeSchool zonder baden, douches of1 leerlingkeuken (externaat) *School met baden en zonder keuken1 leerling(externaat) *School met baden en keuken1 leerling(externaat) *School met baden en keuken1 leerling(internaat) *Hotel, pension *1 bedCamping - doorreisplaats1 plaatsCamping - verblijfplaats1 verblijfplaatsKazerne1 persoon (voorzien)Restaurant *1 opgediende maaltijdAantal IEaantal maaltijden opgediendper dagTheater, bioscoop, feestzaal,1 plaatsslijterijen van drankenSportpark1 plaatsHome, centrum voor specifieke1 bedverzorging, gevangenissen *
Batiment ou complexeNombre d'equivalent habitant (EH)
Usine, atelier1 ouvrier
Bureau1 employe
Ecole sans bains, douche ni cuisine1 eleve
(externat) *
Ecole avec bains sans cuisine1 eleve
(externat) *
Ecole avec bains et cuisine1 eleve
(externat) *
Ecole avec bains et cuisine1 eleve
(internat) *
Hotel, pension *1 lit
Camping - emplacements de passage1 emplacement
Camping - emplacements residentiels1 emplacement residentiel
Caserne1 personne (prevue)
Restaurant *1 couvert servi
Nbre EH
couverts servis chaque jour
Theatre, cinema, salle des fetes,1 place
debits de boisson
Plaine de sports *1 place
Home, centre specifique de soins,1 lit
prisons *
Batiment ou complexeNombre d'equivalent habitant (EH)Usine, atelier1 ouvrierBureau1 employeEcole sans bains, douche ni cuisine1 eleve(externat) *Ecole avec bains sans cuisine1 eleve(externat) *Ecole avec bains et cuisine1 eleve(externat) *Ecole avec bains et cuisine1 eleve(internat) *Hotel, pension *1 litCamping - emplacements de passage1 emplacementCamping - emplacements residentiels1 emplacement residentielCaserne1 personne (prevue)Restaurant *1 couvert serviNbre EHcouverts servis chaque jourTheatre, cinema, salle des fetes,1 placedebits de boissonPlaine de sports *1 placeHome, centre specifique de soins,1 litprisons *
Voor de met een sterretje (*) aangeduide gebouwen of complexen wordt het op grond van de tabel berekend aantal IE verhoogd met 1/2 IE per personeelslid dat in de instelling tewerkgesteld is. Voor de bepaling van de vereiste nuttige capaciteit wordt rekening gehouden met een eventuele vermeerdering van het aantal gebruikers van het aangesloten gebouw of complex.]1
Pour les bâtiments ou complexes annotés d'un astérisque (*), le nombre d'EH calculé d'après le tableau est augmenté de 1/2 EH par membre du personnel attaché à l'établissement. Dans la détermination de la capacité utile nécessaire, il y a lieu de tenir compte d'une augmentation éventuelle du nombre d'usagers du bâtiment ou du complexe raccordé.]1
Art. N47.
Art. N47.
Art. N47 a. [1 Bijlage XLVIIa. - Controleattest van een individueel zuiveringssysteem
Artikel 1. Het controleattest van een individueel zuiveringssysteem bevat in het geval van controle van de installatie of van eerste controle van de werking :
- het adres van de woning waar het systeem is geïnstalleerd;
- de naam en het adres van de eigenaar en van de exploitant van het systeem;
- de naam en het adres van de controle-instelling;
- de naam van de controleur;
- de verificatie van de administratieve en technische elementen opgenomen in het dossier van de installateur van het systeem, overeenkomstig artikel R.304 en bezorgt aan de exploitant van het systeem
- de verificatie van de technische elementen van het individueel zuiveringssysteem, en namelijk :
o in het geval van een erkend systeem : de erkenningsnummer, de leesbaarheid van het plaatje;
o in het geval van een niet erkend systeem : het conformiteitsattest, de kenmerken van de voorbehandeling, de biologische behandeling, en van elke andere voorziening downstream- of upstream van de voorbehandeling of de behandeling.
- de verificatie van de bijbehorende uitrustingen, namelijk;
o voorziening voor de overname van het secundaire slib;
o de voorziene stoornis-alarmen;
o de voorziene voorziening voor de ventilatie;
o de controlevoorziening voor het nemen van monsters.
- De verificatie van de afvoerwijze van het afvalwater en zijn afstemming ten opzichte van de wetgeving en in het geval van bodeminfiltratie :
o de berekeningsnota betreffende de invoering van de permeabiliteit en de dimensionering van de infiltratievoorziening;
o het soort infiltratie;
o de afmetingen van de infiltratievoorziening en de betrokken oppervlakte;
o in het geval van een zinkput : de diepte en de diameter.
Art. 2. Het controleattest van een individueel zuiveringssysteem bevat in het geval van eerste controle van de werking, periodieke controle of punctuele onderzoeken en verificaties :
- de verificaties voorzien tijdens een onderhoud waarvan de inhoud in bijlage V bij de integrale en sectorale voorwaarden betreffende de individuele zuiveringssystemen wordt opgenomen;
- het bewijs van de naleving van de exploitatievoorwaarden opgenomen in de sectorale en integrale voorwaarden van het individuele zuiveringssystemen;
- de verificatie van de emissienormen ("DCO", "DBO5" en "MES") op basis van een punctuele monsterneming en een analyse uitgevoerd op de locatie met een systeem aangepast aan het voorziene concentratiebereik.
Als uit deze analyse een potentieel probleem blijkt in de vastgestelde waarden, wordt een tweede monster genomen volgens een genormaliseerde protocol voor een concentratiemeting van het behandeld water in "MES", "DBO5" en "DCO". De analyse van deze monsters wordt toevertrouwd aan een erkend laboratorium.
Art. 3. Het controleattest vermeldt of het individueel zuiveringssysteem voldoet aan de eisen van het Waterwetboek en aan de integrale en sectorale voorwaarden betreffende de individuele zuiveringssystemen.
Het attest bepaalt nauwkeurig de tekortkomingen als het individueel zuiveringssysteem niet voldoet aan deze eisen en voorwaarden.]1

Art. N47 a. [1 Annexe XLVIIa. - Attestation de contrôle d'un système d'épuration individuelle
Article 1er. L'attestation de contrôle d'un système d'épuration individuelle contient en cas de contrôle à l'installation ou de premier contrôle de fonctionnement :
- l'adresse de l'habitation où le système est installé;
- le nom et l'adresse du propriétaire et de l'exploitant du système;
- le nom et l'adresse de l'organisme de contrôle;
- le nom du contrôleur;
- la vérification des éléments administratifs et techniques repris dans le dossier de l'installateur du système, conformément à l'article R.304 et fourni à l'exploitant du système;
- la vérification des éléments techniques du système d'épuration individuelle, et notamment :
o en cas de système agréé : le numéro d'agrément, la lisibilité de la plaquette;
o en cas de système non agréé : l'attestation de conformité, les caractéristiques du prétraitement, du traitement biologique, et de tout autre dispositif en amont ou en aval du prétraitement ou du traitement.
- la vérification des équipements annexes à savoir :
o le dispositif de reprise des boues secondaires;
o les alarmes de dysfonctionnement prévues;
o le dispositif prévu de ventilation;
o le dispositif de contrôle pour la prise d'échantillon.
- La vérification du mode d'évacuation des eaux usées et son adéquation par rapport à la législation et en cas d'infiltration dans le sol :
o la note de calcul relative à l'établissement de la perméabilité et au dimensionnement du dispositif d'infiltration;
o le type d'infiltration;
o les dimensions du dispositif d'infiltration et la surface concernée;
o en cas du puits perdant : la profondeur et le diamètre.
Art. 2. L'attestation de contrôle d'un système d'épuration individuelle contient en cas de premier contrôle de fonctionnement, de contrôle périodique ou d'enquêtes et vérifications ponctuelles :
- les vérifications prévues lors d'un entretien dont le contenu est repris en annexe V des conditions intégrales et sectorielles relatives aux systèmes d'épuration individuelle;
- la preuve du respect des conditions d'exploitation reprises dans les conditions sectorielles et intégrales des systèmes d'épuration individuelle;
- la vérification des normes d'émissions (DCO, DBO5 et MES) sur base d'un échantillon ponctuel et d'une analyse réalisée sur site avec un système adapté à la gamme de concentration prévue.
S'il ressort de cette analyse un problème potentiel dans les valeurs observées, un second échantillon est pris selon un protocole normalisé pour une mesure des concentrations des eaux traitées en MES, DBO5 et DCO. L'analyse de ces échantillons est confiée à un laboratoire agréé.
Art. 3. L'attestation de contrôle mentionne si le système d'épuration individuelle satisfait aux exigences du code de l'eau et aux conditions intégrales et sectorielles relatives aux systèmes d'épuration individuelle.
L'attestation précise les manquements si le système d'épuration individuelle ne satisfait pas à ces exigences et conditions.]1

Art. N47 b. [1 Bijlage XLVIIIb. - Dimensionering van de septische putten "alle wateren"
Art. N47 b. [1 Annexe XLVIIb. - Dimensionnement des fosses septiques toutes eaux
Nominale zuiveringscapaciteit (IE) Minimaal bruikbaar volume, in m3
5 - 10 320 l/IE met een minimum van 3 m3
11 - 20 215 l/IE met een minimum van 3,2 m3
21 - 50 150 l/IE met een minimum van 4,3 m3
51 en meer 120 l/IE met een minimum van 7,5 m3
Nominale zuiveringscapaciteit (IE) Minimaal bruikbaar volume, in m35 - 10 320 l/IE met een minimum van 3 m311 - 20 215 l/IE met een minimum van 3,2 m321 - 50 150 l/IE met een minimum van 4,3 m351 en meer 120 l/IE met een minimum van 7,5 m3
]1
Capacité nominale d'épuration (EH) Volume utile minimum, en m3
5 - 10 320 l/EH avec un minimum de 3 m3
11 - 20 215 l/EH avec un minimum de 3,2 m3
21 - 50 150 l/EH avec un minimum de 4,3 m3
51 et au-delà 120 l/EH avec un minimum de 7,5 m3
Capacité nominale d'épuration (EH) Volume utile minimum, en m35 - 10 320 l/EH avec un minimum de 3 m311 - 20 215 l/EH avec un minimum de 3,2 m321 - 50 150 l/EH avec un minimum de 4,3 m351 et au-delà 120 l/EH avec un minimum de 7,5 m3
]1
Art. N48.
Art. N48.
Art. N48 a. [1 Bijlage XLVIIIa. - Evaluatiecriteria voor de verlening van de erkenning van de individuele zuiveringssystement
Artikel 1. § 1. De erkenning wordt verleend op grond van drie criteria :
- de technische waarde;
- de exploitatie;
- de informatie.
§ 2. Voor elk criterium worden punten toegekend, met name :
- 50 punten voor de technische waarde;
- 30 punten voor de exploitatie;
- 20 punten voor de informatie.
§ 3. Om erkend te worden moet het systeem minimum gemiddeld 70 % halen. Bovendien moet elk criterium minstens 50 % halen.
Art. 2. Het criterium "technische waarde" houdt rekening, op het niveau :
a) van de dimensionering met het in aanmerking nemen van de principes van veiligheidsberekening om te voldoen aan de wettelijke eisen
b) van het ontwerp :
- de soepelheid van exploitatie;
- de robuustheid;
- de vlotheid van uitvoering;
- Toegankelijkheid.
Art. 3. Het criterium "exploitatie" betreft :
- de exploitatiekosten met inbegrip van het stroomverbruik, de verbeterde frequentie van de lediging en de versleten stukken en andere verbruikbare basisgoederen;
- de bijstandsverlening aan de klant;
- de garanties aangeboden op het individueel zuiveringssysteem bij de uitvoering, de werking en de exploitatie.
Art. 4. Het criterium "informatie" betreft :
- de sensibilisering voor de installatie, de exploitatie en de werking van individueel zuiveringssysteem (d.m.v. brochures);
- de verplichte informatie;
- het aanbod aan opleiding van de installateurs.]1

Art. N48 a. [1 Annexe XLVIIIa. - Critères d'évaluation pour l'agrément des systèmes d'épuration individuelle
Article 1er. § 1er. L'agrément est attribué sur base de trois critères :
- le critère valeur technique;
- le critère d'exploitation;
- le critère information.
§ 2. Les points attribués aux trois critères sont respectivement :
- de 50 points pour le critère valeur technique;
- de 30 points pour le critère exploitation;
- de 20 points pour le critère information.
§ 3. Pour se voir attribuer l'agrément, le système doit impérativement obtenir une cote moyenne minimale de 70 %. Par ailleurs, aucun critère ne peut recevoir une cote inférieure à 50 %.
Art. 2. Le critère valeur technique tient compte, au niveau :
a) du dimensionnement de la prise en compte des principes de calcul sécuritaires pour répondre aux exigences légales
b) de la conception :
- de la souplesse d'exploitation;
- de la robustesse;
- de la facilité de mise en oeuvre;
- de l'accessibilité.
Art. 3. Le critère exploitation tient compte :
- du coût d'exploitation en ce compris la consommation électrique, la fréquence de vidange corrigée et les pièces d'usures et autres consommables;
- des moyens d'assistance au client;
- des garanties offertes sur le système d'épuration individuelle à la mise en oeuvre, au fonctionnement et à l'exploitation.
Art. 4. Le critère information tient compte :
- de la sensibilisation à l'installation, à l'exploitation et au fonctionnement du système d'épuration individuelle (élaboration des guides);
- des informations obligatoires;
- de l'offre en formation des installateurs.]1

Art. N48 b. [1 Bijlage XLVIIIb. - Aanleg van het technisch dossier betreffende de erkenningsaanvraag
1) Doel van het technisch dossier.
Het technisch dossier moet het deskundigencomité voor de autonome sanering nuttige en gepaste gegevens verstrekken om de kwaliteit van het voorgestelde individueel zuiveringssysteem te kunnen beoordelen.
Het technisch dossier bepaalt de gebruiksvoorwaarde van het individueel zuiveringssysteem, namelijk als hij uitsluitend wordt ontworpen voor een continu gebruik of ook voor een intermitterend gebruik dat langdurige en frequente stilstanden van het systeem aanvaardt.
2) Inhoud van het technisch dossier.
Het technisch dossier bevat minimum de volgende gegevens :
a) Een basisschema van de zuiveringsfilière met vermelding van :
- de achtereenvolgende behandelingsfasen;
- de basisinfrastructuur (kuipen, elektromechanische uitrusting);
- de randapparatuur (in- en uitgang, ventilatieschoorsteen, mangaten, beheer van de onderproducten van de zuivering, opslag, lediging, enz...).
b) Het werkingsprincipe voor elk bestanddeel en de eventuele voorbehandeling (ontvetter, screezerput, septische put, kolloïdevanger, enz.).
c) De technische plannen met vermelding van de afmetingen voor elk bestanddeel.
De desbetreffende nominale belasting, uitgedrukt in inwoner-equivalent (I.E.), wordt uitdrukkelijk vermeld.
d) De beschrijving en de technische fiches van de elektromechanische uitrustingen en toebehoren
e) Het algemene vestigingsplan, met vermelding van de inspectieputten, de mangaten voor het onderhoud, de lediging en de controle, alsmede de voorwaarden voor de toegang tot die mangaten.
f) De criteria voor de dimensionering van de verschillende fasen van het systeem.
g) De controle- en toezichtsvoorzieningen.
3) Lijst van de in aanmerking te nemen dimensioneringscriteria :
Al naar gelang de omvang (in i.e.uitgedrukt) worden voor elk bestanddeel de volgende gegevens vermeld :
a) septische put*, voorbezinktank* en ontvetter : de capaciteit (in m3), de oppervlakte, het aantal vakken, de lengte van het lozende blad.
b) Secundaire ontmenger : volume, bezinkingsoppervlakte, indeling van de in- en uitgangsorganen (diameter, diepte) en/of lengte van het lozende blad, het secundair slib (soort voorziening, nominale debiet, terugnamefrequentie).
c) Voorziening voor het terugvoeren van secundair slib (pompen, air lift) : type, debiet per uur, dagelijkse werkingsduur.
d) Slibopslagcapaciteit : volume en maximale hoogte van opslag van slib vóór de lediging.
e) Biologische zuivering door geactiveerd slib :
- volume (m3) van de reactor;
- volume ladingsdichtheid (kg DBO5/m3 d);
- massabelasting (kg DBO5/kg MES.d);
- oxygenatiecapaciteit van de ventilatieapparatuur volgens standaardnormen (kg/O2/h) eventuele volgorde van de ventilatie en geïnstalleerd vermogen (kW);
- recirculatie van de gemengde vloeistof (vermogen, frequentie).
Het type ventilatie en de uitvoering worden beschreven op het desbetreffende technisch plan.
f) Zuivering door vastgemaakte biomassa, type dompelschijven of ondergedompelde biologische filter :
- doorgangtijd (h) teruggebracht tot een welbepaald referentiedebiet;
- oppervlakteladingsdichtheid (kg DBO5/m2. j);
- beschrijving van de dompelschijven (grootte, soort, afstand tussen de schijven, specifieke oppervlakte; vullingspercentage) en rotatiesnelheid (t/min);
- aard en kenmerken van de vulling (grootte (cm), specifieke oppervlakte (m2/m3), meetkunde en materialen);
- holte(n)percentage;
- verdeling in de reactor;
- oxygenatiecapaciteit van de ventilatieapparatuur (kg/O2/h) volgens standaardnormen, eventuele volgorde van de ventilatie en geïnstalleerd vermogen (kW);
Het type ventilatie en de uitvoering (verdeling, enz...) worden beschreven op het desbetreffende technisch plan.
g) Zuivering door biologische processen van het extensieve type :
- in aanmerking genomen totaaloppervlakte (m2 per I.E.);
- meetkunde van de bekkens of sokkels;
- diepte van de bekkens;
- verblijftijd;
- dichtheidsmaatregelen;
- constructieve maatregelen om hydraulische kortsluitingen te voorkomen;
- constructieve maatregelen om opvulling te voorkomen, kenmerken van de materialen voor de opvulling van de filtrerende sokkels;
- kenmerken van de materialen voor de opvulling van de filtrerende sokkels.
h) Biologische zuivering door geactiveerd slib met opeenvolgende werking (SBR) :
- waterhoogtes (m) en volumes (m3) minimaal en maximaal (m) in de reactor;
- volume ladingsdichtheid met maximaal volume (kg DBO5/m3.d);
- massabelasting (kg DBO5/kg MES.d);
- oxygenatiecapaciteit van de ventilatieapparatuur volgens standaardnormen (kg O2/h) en geïnstalleerd vermogen (kW);
- duur van een cyclus en uitvoerige beschrijving (opeenvolging, duur) van de fases die er deel van uitmaken : bevoorrading, ventilatie (al dan niet met sequenties), slibzuivering, bezinking, lediging;
- hoogte van de waterwinning van de lediging.
i) Voor biologische zuiveringsapparaten die op een bijzondere wijze ontworpen zijn, wordt een rechtvaardiging van de eenheidscapaciteiten geëist.
Voor andere toegelaten lozingsmethoden dan gewoon oppervlaktewater of kunstmatige afwateringswegen wordt bij het plan dat de afmetingen vermeldt en bij het liggingsplan een uitvoerige beschrijving gevoegd met de dimensioneringscriteria, de keuze en het gebruik van de substraten.
j) Als een opvoerpost is inbegrepen in de behandelingsfilière, zal zijn meetkunde beschreven worden (bruikbaar volume, oppervlakte, overlooppijp...) alsook de pomp waarmee hij is uitgerust (nominale debiet, volgorde, werkingsduur...)
4) Tabel.
Een rooster of een tabel vermeldt de afmetingen van de voorzieningen (volume, oppervlakte, elektromechanisch vermogen, enz.) naar gelang van de nominale belasting die moet worden behandeld voor de gezamenlijke bestanddelen van een type fabricatie
5) Algemene informatie
Er wordt een dossier bijgevoegd met de onderstaande algemene gegevens, eventueel gerelativeerd naar gelang van de nominale belasting van de filière of van één van de bestanddelen en m.b.t. :
- het verwacht stroomverbruik, in functie van het geïnstalleerd vermogen en van de werkingstijden;
- de slibproductie (verwijderde kg MS/kg DBO5) en de periodiciteit van de ledigingen van de onderproducten van de zuivering;
- een omschrijving van de werking van de toezichtsvoorziening of alarmvoorziening en een lijst van de vermelde pannes;
- de toevoeging(en) van reagens/reagentia (hoeveelheid, frequentie, prijs);
- het voortgebrachte geluidsvermogen;
- de waarborg(en) op de werken en de elektromechanische uitrustingen;
- de verstrekte diensten en de omchrijving ervan : installatie, indienststelling, onderhoudscontracten;
- de referenties.
6) Het technisch dossier bevat eveneens een brochure voor de kopers.
De brochure bevat :
- een handboek voor de inwerkingstelling van het systeem met het oog op de gepaste installatie van de filière en van haar bestanddelen;
- een exploitatiehandboek om de koper in staat te stellen zijn verplichtingen inzake milieubescherming na te komen zowel voor het dagelijks beheer als voor het onderhoud. Het handboek wordt aangevuld met plaatje waarop de voornaamste aandachtspunten voor de exploitant worden vermeld
a) Het handboek voor de inwerkingstelling van het systeem bevat minstens de volgende gegevens en documenten :
een liggingsplan zoals bepaald in het technisch dossier;
gegevens betreffende het gevaar voor mechanische en chemische beschadigingen van de bestanddelen (aard van de materialen, enz...);;
de afstemming van het systeem op de topografische omstandigheden en op de afvoermogelijkheden :
- omschrijving van de eisen van de filière inzake de ligging en de aard van het terrein en inzake de wijze van toevoer en afvoer van het afvalwater;
- in geval van afvoer langs een ondergrondse voorziening, de voorzorgsmaatregelen die genomen moeten worden om haar afdichting te voorkomen;
de voorschriften i.v.m. het vervoer, de aanleg, de beveiliging, de uitvoering van de funderingen en de opvulling :
- naar gelang van het gewicht van het bestanddeel (de bestanddelen), de voorschriften betreffende de toegankelijkheid van het werkterrein voor de vrachtwagen die materieel levert, en de aanlegvoorschriften. De veiligheidsnormen voor de personen die instaan voor de aanleg;
- een uitvoerige beschrijving van de fundering, de opvullingstechniek en -materialen en met name het gevaar inherent aan het gebruik van ongeschikt opvullingsmateriaal (bijvoorbeeld : het ponsen van de kuip);
de voorschriften voor de hydraulische, elektrische en ventilatieaansluitingen :
- d.m.v. een schema het hydraulische traject opgeven, met name het belang van afvoer door zwaartekracht en van de richting van de aansluiting van de kuipen;
- - naar gelang van de gebruikte elektrische bestanddelen, een beschrijving van de vereiste installatie en de voorschriften inzake vochtbescherming;
- de gasuitlaat wordt geplaatst zonder inachtneming van de verschillende verzamelleidingen (b.v. : de regenwaterleidingen niet ventileren);
de vereisten inzake de toegankelijkheid van de mangaten voor het onderhoud, het beheer en de controle gedurende de sliblediging, de monsterneming en het algemene onderhoud van de bestanddelen :
- de slibafvoeropeningen en de eventueel vereiste voorzorgsmaatregelen vermelden om de beschadiging of de vernietiging van één of meer bestanddelen van de installatie te voorkomen;
- de afvoeromstandigheden opgeven wat de slibhoeveelheden betreft;
- het systeem van de monsterneming van het gezuiverde water aangeven of schematiseren; het moet vlot toegankelijk zijn;
- voor een goed onderhoud, ervoor zorgen dat de gebruiker makkelijk toegang krijgt tot alle bestanddelen (b.v. voor de verwijdering van de filter);
de verwijzing naar de normen die voor de materialen gehanteerd worden in de bouwsector;
de voorwaarden voor het gebruik van het terrein (door de voertuigen);
de voorzorgsmaatregelen en werken die nodig zijn om de voertuigen doorggang te verlenen, al naar gelang hun afmetingen.
10° de uitvoeringsvoorwaarden van het voorzienings- en lozingsnetwerk.
b) Het exploitatiehandboek :
In dat handboek vindt de gebruiker de nodige aanbevelingen voor een gepast gebruik en een vlot onderhoud, met inbegrip van de verwijdering van de onderproducten van de zuivering, om de doelstellingen inzake milieubescherming te halen.
Het handboek bevat volgende informatie :
Over het individueel zuiveringssysteem :
- het gemiddelde dagelijkse stroomverbruik;
- het totaal geïnstalleerd elektrische vermogen;
- de hoogte van het aanvaardbare overtollig slib berekend op grond van een werking met een nominale belasting;
- de hoeveelheid toegevoegde reagens, desnoods met prijsopgave;
- het voortgebrachte geluidsvermogen, gemeten op een 1 meter van het ventilatiekanaal van het in dienst zijnde elektromechanische orgaan;
- de na te leven maatregelen voor een goede geluidsisolatie;
- de technische gegevens : de maximale capaciteit uitgedrukt in inwoner-equivalent en de kenmerken van de voornaamste organen;
- een technisch handboek m.b.t. de algemene werking;
- een gebruiksaanwijzing om de koper te sensibiliseren voor de goede praktijken van de exploitatie.
i.v.m. de prijzen en verleende diensten :
- inzake de waarborg op de stukken en de dienstverlening naar aanleiding van storingen en defecten aan de elektromechanische bestanddelen en de kuipen;
- inzake het onderhoudscontract.
Het deskundigencomité voor de autonome sanering mag de aanvrager om alle bijkomende informatie verzoeken die het nuttig acht om zijn opdracht tot een goed einde te brengen.]1

Art. N48 b. [1 Annexe XLVIIIb. - Constitution du dossier technique de demande d'agrément
1) Objectif du dossier technique.
Le dossier technique a pour objectif de fournir au comité d'experts pour l'assainissement autonome, des informations adéquates et suffisantes pour juger de la qualité du système d'épuration individuelle proposé.
Le dossier technique précise les conditions d'utilisation du système d'épuration individuelle, à savoir s'il est conçu uniquement pour un usage continu ou également pour un usage intermittent acceptant des arrêts prolongés et fréquents du système.
2) Contenu du dossier technique.
Le dossier technique contient au minimum les éléments suivants :
a) Un schéma de principe de la filière d'épuration où sont repris :
- les successions des différents éléments de traitement;
- les infrastructures de base (cuves, équipement électromécanique);
- les périphériques (dispositif d'entrée, de sortie, cheminée d'aération, regards de visite ou de contrôle, gestion des sous-produits d'épuration, stockage, vidange, etc...).
b) Le principe de fonctionnement de chaque élément ainsi que l'éventuelle opération amont qu'il suppose (dégraisseur, dégrilleur, fosse septique, décolloïdeur, etc...).
c) Les plans techniques cotés à l'échelle de chaque élément.
La charge nominale s'y rapportant, exprimée en termes usuels d'équivalent-habitant (EH) est clairement précisée.
d) La description et les fiches techniques des équipements électromécaniques et accessoires.
e) Le plan d'implantation général, où sont repris les regards de visite, d'entretien, de vidange, de contrôle ainsi que les conditions d'accès aux différents regards susmentionnés.
f) Les critères de dimensionnement des différentes étapes de la filière.
g) Les dispositifs de contrôle et de surveillance.
3) Liste des critères de dimensionnement à considérer :
Pour une taille donnée (exprimée en EH) il est précisé pour chaque élément :
a) Fosse septique, décanteur primaire et dégraisseur : la capacité (volume en m), la surface, le nombre de compartiments, la longueur de la lame déversante.
b) Clarificateur secondaire : volume, surface de décantation, disposition des organes d'entrée et de sortie (diamètre, profondeur) et/ou longueur de lame déversante, des boues secondaires (type de dispositif, débit nominal, fréquence de reprise).
c) Dispositif de retour des boues secondaires (pompes, air lift) : type, débit horaire, asservissement au temps (durée journalière de fonctionnement).
d) Capacité de stockage des boues : volume et hauteur maximale de stockage des boues avant vidange.
e) Epuration biologique par boues activées :
- volume (m3) du réacteur;
- charge volumique (kg DBO5/m3 d);
- charge massique (kg DBO5/kg MES.d);
- capacité d'oxygénation du dispositif d'aération en conditions standards (kg O2/h) séquençage éventuel de l'aération et puissance installée (kW);
- recirculation de la liqueur mixte (débits, fréquence).
Le type d'aération et la mise en oeuvre sont décrits sur le plan technique concerné.
f) Epuration par biomasse fixée type disques biologiques ou lit bactérien noyé :
- temps passage (h) ramené à un débit de référence précisé;
- charge surfacique (kg DBO5/m2. j);
- description des disques (taille, nature, distance interdisque, surface spécifique, pourcentage de vide) et vitesse de rotation (t/min);
- nature et caractéristiques du garnissage (taille (cm), surface spécifique (m2/m3), géométrie et matériaux);
- pourcentage de vide;
- répartition dans le réacteur;
- capacité d'oxygénation du dispositif d'aération (kg O2/h) en conditions standards, séquençage éventuel de l'aération et puissance installée (kW).
Le type d'aération et la mise en oeuvre (répartition, etc...) sont décrits sur le plan technique concerné.
g) Epuration par procédés biologiques de type extensif.
- surface totale considérée (mètres carrés par EH);
- géométrie des bassins ou massifs;
- profondeur des bassins;
- temps de séjour;
- dispositions d'étanchéité;
- mesures constructives permettant d'éviter les court-circuits hydrauliques;
- mesures constructives permettant d'éviter le colmatage, caractéristiques des matériaux de remplissage des massifs filtrants;
- caractéristiques des matériaux de remplissage des massifs filtrants.
h) Epuration biologique par boues activées à fonctionnement séquentiel (SBR):
- hauteurs d'eau (m) et volumes (m3) minimum et maximum (m) dans le réacteur;
- charge volumique à volume maximum (kg DBO5 /m3 d);
- charge massique (kg DBO5/kg MES.d);
- capacité d'oxygénation du dispositif d'aération en conditions standards (kg O2/h) et puissance installée (kW);
- durée d'un cycle et description détaillée (succession, durée) des phases le composant : alimentation, aération (séquencée ou non), purge des boues, décantation, vidange;
- hauteur de la prise d'eau de la vidange.
i) Pour les dispositifs biologiques d'épuration de conceptions particulières, les capacités unitaires des ouvrages proposés seront justifiées.
Pour les modes d'évacuation autorisés autres que les eaux de surface ordinaires ou les voies artificielles d'écoulement, une description détaillée incluant les critères de dimensionnement, le choix et la mise en oeuvre des substrats sera jointe au plan coté et au plan d'implantation.
j) Si un poste de relevage est inclus dans la filière de traitement, sa géométrie sera décrite (volume utile, surface, trop plein...) ainsi que la pompe dont il est équipé (débit nominal, séquençage, asservissement...)
4) Tableau.
Il est joint une grille ou tableau associant de façon explicite les dimensions des ouvrages (volume, surface, puissance électromécanique, etc.) en fonction de la charge nominale à traiter pour l'ensemble des éléments constitutifs d'un type de fabrication.
5) Informations générales.
Il est joint un dossier comprenant les informations générales suivantes, éventuellement relativisées en fonction de la capacité nominale de la filière ou d'un de ces éléments et relatives à :
- la consommation électrique attendue, en fonction de la puissance installée et des temps de fonctionnement;
- la production de boues (kg MS/kg DBO5 éliminée) et la périodicité des vidanges des sous-produits d'épuration;
- une description du fonctionnement des dispositifs de surveillance ou d'alarme et une liste des pannes rapportées par ceux-ci;
- l'ajout(s) de réactif(s) (quantité, fréquence, prix);
- la puissance sonore émise;
- la garantie(s) sur les ouvrages et les équipements électromécaniques;
- les services assurés et leur description : mise en place, mise en service, contrats d'entretien;
- les références.
6) Le dossier technique comprend également une brochure à remettre aux acquéreurs.
Cette brochure contient :
- un guide de mise en oeuvre de l'installation qui a pour objectif une mise en place adéquate de la filière et de ses éléments;
- un guide d'exploitation permettant à l'acquéreur de remplir au mieux ses obligations en matière de protection de l'environnement que ce soit en termes de gestion journalière ou d'entretien. Le guide est complété d'une plaquette récapitulant les principaux points d'attention à l'usage de l'exploitant.
a) Le guide de mise en oeuvre de l'installation inclut au moins les informations et les documents suivants :
un plan d'implantation tel que défini dans le dossier technique;
les données quant aux risques de dégradations mécaniques et chimiques des éléments (nature des matériaux, etc.);
l'adéquation du système aux conditions topographiques et aux possibilités d'évacuation :
- description des exigences de la filière quant à la topographie et nature du terrain, et quant aux modes d'alimentation et d'évacuation des effluents;
- lors d'une évacuation dans un dispositif souterrain, préciser les précautions à prendre pour éviter son colmatage;
les conditions de transport, de pose, de sécurité, de réalisation des fondations et du remblayage :
- en fonction du poids du ou des éléments, préciser les conditions d'accès du chantier pour le camion de livraison et pour la pose. Inclure les éléments de sécurité pour les personnes qui réaliseront la pose;
- détailler la description de la fondation, la technique et les matériaux de remblayage et notamment les risques encourus par l'utilisation d'un matériau de remblayage inadéquat (ex. : poinçonnage de la cuve);
les conditions des raccordements hydrauliques, électriques et de la ventilation :
- par schéma, montrer le trajet hydraulique, notamment l'importance d'un écoulement gravitaire et du sens de raccordement des cuves;
- en fonction des éléments électriques mis en oeuvre, décrire l'installation nécessaire et les conditions de sa protection contre l'humidité;
- l'évacuation des gaz sera réalisée indépendamment des différents tuyaux de collecte des eaux (p. ex : ne pas ventiler par les conduits d'eau pluviale);
la description des exigences quant à l'accessibilité des regards d'entretien, de gestion et de contrôle lors de la vidange des boues, du prélèvement d'échantillons et de l'entretien général des éléments :
- indiquer les orifices de soutirage des boues et les précautions éventuelles nécessaires pour éviter d'altérer ou de détruire un ou des éléments de l'installation;
- préciser les conditions de soutirage au niveau des volumes de boue;
- indiquer ou schématiser le système de prélèvement des échantillons de l'eau épurée, il doit être aisément accessible;
- pour la bonne réalisation de l'entretien prescrit, prévoir pour l'utilisateur, un placement qui garantira ultérieurement un accès aisé de tous les éléments (ex. : l'enlèvement du lit filtrant);
la référence aux normes utilisées dans la construction pour les matériaux;
la prise en compte des conditions d'utilisation du sol (passage des véhicules);
l'indication des précautions et des travaux nécessaires pour permettre le passage des véhicules en fonction de leurs gabarits;
10° les conditions d'exécution du réseau d'alimentation et de rejet.
b) Le guide d'exploitation :
Ce guide a pour objectif de fournir à l'utilisateur tous les conseils nécessaires pour une utilisation correcte et pour un entretien de qualité, en ce compris l'élimination des sous-produits de l'épuration, en vue d'atteindre les objectifs de protection de l'environnement.
Il contient les informations suivantes :
Sur le système d'épuration individuelle :
- la consommation électrique moyenne journalière;
- la puissance électrique totale installée;
- la hauteur des boues excédentaires acceptables estimée sur un fonctionnement à charge nominale;
- les quantités d'ajout de réactif, si nécessaire, en précisant le coût;
- la puissance sonore émise mesurée à 1 mètre de l'évent de l'organe électromécanique en service;
- les dispositions à respecter pour assurer l'isolation acoustique;
- les renseignements techniques : la capacité maximale en terme d'équivalent-habitant et les caractéristiques des organes principaux;
- un guide technique de fonctionnement général;
- une fiche de sensibilisation de l'acquéreur aux bonnes pratiques d'exploitation.
Sur le prix et les services rendus :
- en matière de garantie pièces et main-d'oeuvre couvrant toute panne ou défectuosité des organes électromécaniques et des cuves;
- en matière de contrat d'entretien.
Le comité d'experts pour l'assainissement autonome peut exiger du demandeur toutes les informations complémentaires qu'il estime indispensables pour conduire à bien sa mission.]1

Art. N49. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 2; Inwerkingtreding : 26-08-2005> BIJLAGE XLIX : Lichamelijke vaste activa (productie).
Art. N49. ANNEXE XLIX : Actifs immobilisés corporels (production).
XLIX.a. Rangschikking in algemene boekhouding.
Klasse 22 :
- Terreinen.
- Gebouwen (Duurzame gebouwen (volgens bouwtype) - Lichte gebouwen, schuilplaatsen, ...).
- Bebouwde terreinen.
- Andere zakelijke rechten op onroerende goederen.
- Technische burgerlijke bouwkunde : werken voor winning, vervoer en verwerking van drinkbaar water.
Klasse 23 :
- Installaties, machines en gereedschappen, toevoerleidingen.
- Elektromechanische installaties : installaties voor verwerking van drinkbaar water (behalve burgerlijke bouwkunde en regulering), pompen, elektromechanische apparaten,...
- Reguleringsorganen (elektronisch, sensoren,...).
Klasse 24 :
- Meubilair en rollend materieel;
- Technisch meubilair (laboratoriumapparaten, ...) en technisch materiaal (machines voor openbare werken), ...).
Klasse 25 :
- Terreinen en bouwwerken in leasing.
- Installaties, machines en gereedschappen in leasing.
- Meubilair en rollend materieel in leasing.
- Technische burgerlijke bouwkunde in leasing : werken voor winning, vervoer, verwerking van drinkbaar water, toevoerleidingen.
- Elektromechanische installaties in leasing : installaties voor verwerking van drinkbaar water (behalve burgerlijke bouwkunde en regulering), pompen, elektromechanische apparaten,...
- Reguleringsorganen in leasing (elektronisch, sensors,...).
- Technisch meubilair (laboratoriumapparaten, ...) en technisch materieel (machines voor openbare werken), ...) in leasing.
Klasse 26 :
- Andere lichamelijke vaste activa.
Alle vaste activa worden voorzien van een enig nummer en zijn verbonden met een productie-eenheid (met de waterwinning, verwerking, onderdrukzetting, tank, ...) of met een transportleiding (met de toevoerleidingen, feeder, knooppunt, tank en heffingseenheid, ...).
XLIX.a. Classification en comptabilité générale.
Classe 22 :
- Terrains.
- Bâtiments (Bâtiments durables (selon type de construction) - Bâtiments légers, abris,...).
- Terrains bâtis.
- Autres droits réels sur immeubles.
- Génie civil technique : ouvrages pour le captage, le transport, le traitement de l'eau potable.
Classe 23 :
- Installations, machines et outillages, canalisations d'adduction.
- Installations électromécaniques : installations de traitement de l'eau potable (sauf génie civil et régulation), pompes, appareils électromécaniques,...
- Organes de régulation (électronique, capteurs,...).
Classe 24 :
- Mobilier et matériel roulant.
- Mobilier technique (appareils de laboratoires, ...) et matériel technique (engins de travaux publics,...).
Classe 25 :
- Terrains et constructions en leasing.
- Installations, machines et outillages en leasing.
- Mobilier et matériel roulant en leasing.
- Génie civil technique en leasing : ouvrages pour le captage, le transport, le traitement de l'eau potable, canalisations d'adduction.
- Installations électromécaniques en leasing : installations de traitement de l'eau potable (sauf génie civil et régulation), pompes, appareils électromécaniques,...
- Organes de régulation en leasing (électronique, capteurs,...).
- Mobilier technique en leasing (appareils de laboratoires,...) et matériel technique en leasing (engins de travaux publics,...).
Classe 26 :
- Autres immobilisations corporelles.
Chaque immobilisé est référencé sur la base d'un numéro unique et est relié à une unité de production (comprenant la prise d'eau, le traitement et la mise en pression, le réservoir,...) ou à une ligne de transport (comprenant conduites d'adduction, feeder, noeud, réservoir et unité de relevage,...).
BIJLAGE XLIX.b. : Aflossingsregels.
ANNEXE XLIX.b. : Règles d'amortissement.
Min.Max.
Burgerlijke bouwwerken voor winning en verwerking van
drinkbaar water2040
Toevoerleidingen3050
Meters88
Installaties voor verwerking van drinkbaar water
(behalve burgerlijke bouwkunde en regulering)1015
Grote elektrische installaties, elektromechanische
apparaten, verwarmings- en verluchtingsinstallaties
en diverse apparaten1015
Pompen en kleine elektrische installaties510
Reguleringsorganen (elektronisch, sensors,
telebeheer...)48
Duurzame gebouwen (volgens bouwtype)2050
Lichte gebouwen, schuilplaatsen, ...1015
Inrichting van gebouwen1020
Kantoormeubilair1015
Laboratoriumapparaten, kantoormaterieel
(behalve informatica), gereedschappen, ...510
Informaticamaterieel25
Machines voor openbare werken, voertuigen, ...410
Elektrische installaties1010
Telefonische installaties510
Min.Max.Burgerlijke bouwwerken voor winning en verwerking vandrinkbaar water2040Toevoerleidingen3050Meters88Installaties voor verwerking van drinkbaar water(behalve burgerlijke bouwkunde en regulering)1015Grote elektrische installaties, elektromechanischeapparaten, verwarmings- en verluchtingsinstallatiesen diverse apparaten1015Pompen en kleine elektrische installaties510Reguleringsorganen (elektronisch, sensors,telebeheer...)48Duurzame gebouwen (volgens bouwtype)2050Lichte gebouwen, schuilplaatsen, ...1015Inrichting van gebouwen1020Kantoormeubilair1015Laboratoriumapparaten, kantoormaterieel(behalve informatica), gereedschappen, ...510Informaticamaterieel25Machines voor openbare werken, voertuigen, ...410Elektrische installaties1010Telefonische installaties510
Min.Max.
Ouvrages de génie civil pour le captage et le
traitement de l'eau potable2040
Canalisations d'adduction3050
Compteurs88
Installations de traitement de l'eau potable (sauf
génie civil et régulation)1015
Grosses installations électriques, appareils
électromécaniques, installations de chaudière,
installations de ventilation et appareillages divers1015
Pompes et petites installations électriques510
Organes de régulation (électronique, capteurs,
télégestion,...)48
Bâtiments durables (selon type de construction)2050
Bâtiments légers, abris,...1015
Agencements et aménagements de bâtiments1020
Mobilier de bureau1015
Appareils de laboratoires, matériel de bureau
(sauf informatique), outillages,...510
Matériel informatique25
Engins de travaux publics, véhicules,...410
Installations électriques1010
Installations téléphoniques510
Min.Max.Ouvrages de génie civil pour le captage et letraitement de l'eau potable2040Canalisations d'adduction3050Compteurs88Installations de traitement de l'eau potable (saufgénie civil et régulation)1015Grosses installations électriques, appareilsélectromécaniques, installations de chaudière,installations de ventilation et appareillages divers1015Pompes et petites installations électriques510Organes de régulation (électronique, capteurs,télégestion,...)48Bâtiments durables (selon type de construction)2050Bâtiments légers, abris,...1015Agencements et aménagements de bâtiments1020Mobilier de bureau1015Appareils de laboratoires, matériel de bureau(sauf informatique), outillages,...510Matériel informatique25Engins de travaux publics, véhicules,...410Installations électriques1010Installations téléphoniques510
Art. N50. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 2; Inwerkingtreding : 26-08-2005> BIJLAGE L : Definitie van de rubrieken van de analytische exploitatierekening van een productie-eenheid en van een transportleiding.
De kosten van de productieactiviteit (klein materiaal, diverse goederen en diensten, personeel, aflossing, voorschot en waardevermindering, uitzonderlijke kosten, ...) worden toegerekend op de verschillende eind- of tussenkostensoorten.
De kosten worden berekend in netto waarde, dwz na aftrek van de eventuele herfactureringen.
Er zijn 13 eindkostensoorten die verdeeld zijn als volgt :
1. Technische prestaties.
2. Aankoop van ruw water.
3. Aandrijvingskracht.
4. Reagentia en slib.
5. Overige rechtstreekse kosten.
6. Aflossingen van bedrijfsinstallaties.
7. Kost van de beschermingsdienst.
8. Telebeheer.
9. Laboratoriumkosten.
10. Structuurkosten.
11. Financiële lasten.
12. Uitzonderlijke voorzieningen en lasten.
13. Kostenaanpassingen.
De tussenkostensoorten zijn samengesteld uit :
- Algemene technische kosten.
- Winkelkosten.
- Garagekosten.
- Administratieve lokaalkosten.
- Andere (nader te bepalen).
De tussenkosten worden verdeeld op één of meerdere eindkostensoorten door de toepassing van een dekking op rechtstreekse kosten. De garagekosten (lokalen, uitrusting, personeel, ...) worden bv. verdeeld op de reiskosten van de eindkostensoorten " technische prestaties " door de werkelijke of standaardkosten van de afgelegde kms voor een bepaalde categorie bedrijfsvoertuig (vb : categorie vrachtwagen) te verhogen met een quotiteit.
I. EINDKOSTENSOORTEN (afdelingen 1 tot 13).
1. Technische prestaties.
Zij bestaan uit de volgende taken :
- Werking van de installaties;
- Controle op de installaties;
- Herstel van de installaties.
Die werken worden uitgevoerd door eigen personeel of worden onderaanbesteed. In het eerste geval staan de werken vermeld op een werkbon die de personeelsprestaties bevat alsook de reizen, de gebruikte materialen, de gebruiksduur van bouwkundemachines en eventueel overige kosten. In het tweede geval wordt het geheel van de kosten gefactureerd door de onderaanbesteder.
De personeelskosten betreffende de technische prestaties worden berekend op grond van rechtstreekse werkelijke of standaardkosten (wedde, premies en diverse toeslagen, sociale werkgeversbijdragen, wetsverzekering, overige diverse kosten) verhoogd met een aandeel ter dekking van algemene technische kosten.
De reiskosten betreffen de bedrijfsvoertuigen (vracht- en bestelwagens) en bevatten de rechtstreekse werkelijke of standaardkosten (aflossing, financiële lasten, leasing, onderhoud, herstellen, brandstof, verzekeringen, ...) verhoogd met een aandeel ter dekking van garagekosten.
De kosten van de gebruikte materialen bestaan uit de aankoopkost (tegen de gewogen gemiddelde prijs of volgens de FIFO-methode) van de geplaatste onderdelen, verhoogd met een aandeel ter dekking van winkelkosten.
De gebruikskosten van bouwkundemachines worden gevaloriseerd op grond van een uurkost per bouwkundemachine berekend door een quotiteit ter dekking van garagekosten op te nemen in de rechtstreekse kosten.
De overige kosten betreffen prestaties door derden, het huren van machines of andere en worden geboekt op grond van de nominale waarde van de facturen.
2. Aankoop van ruw water.
Ruw water is het water bestemd om te worden verwerkt in de installatie van een productie-eenheid.
De aankopen van verwerkt water staan apart vermeld in de samenvattende exploitatierekening van de productieactiviteit. Alle aankopen van verwerkt water transiteren via de exploitatierekening " Productie ".
Aankopen van ruw water worden gevaloriseerd tegen de aankoopprijs.
3. Aandrijvingskracht.
De kosten verbonden met de aandrijvingskracht betreffen voornamelijk de elektriciteitskosten en de belastingen verbonden met de werken.
De kosten stemmen in het algemeen overeen met de nominale waarde van de facturen of van de borderellen.
4. Reagentia en slib.
De reagentiakosten betreffen de kosten van de in de bedrijfsinstallaties verbruikte reagentia. De aankopen worden rechtstreeks toegerekend op het werk op grond van de factuur of de verbruiken worden verdeeld tussen de werken en gevaloriseerd tegen de gewogen gemiddelde prijs of volgens de FIFO-methode.
5. Overige rechtstreekse kosten.
Ze bevatten met name de werkingskosten van de gebouwen en werken eigen aan de productieactiviteit alsook overige rechtstreekse kosten.
De werkingskosten van de gebouwen en werken eigen aan de productieactiviteit bevatten :
- de werkingskosten van de eigenlijke gebouwen en werken, namelijk de onderhouds- en verzorgingskosten met inbegrip van de onmiddellijke omgeving, de elektriciteits-, verwarmings-, gas- en verzekeringskosten alsook de aflossingslasten,...
- de kosten van de voor de gebouwen en werken aangestelde personeelsleden die geen technische prestaties verrichten worden vastgesteld op grond van de rechtstreekse werkelijke of standaardkosten (wedde, premies en diverse toeslagen, sociale werkgeversbijdragen, wetsverzekering, overige diverse kosten).
De overige kosten hangen af van elke operator en moeten geval per geval worden vastgesteld. De interne kosten worden vastgesteld door toepassing van de zogenaamde volledige kostenberekening. De externe kosten stemmen in het algemeen overeen met de nominale waarde van de facturen.
6. Aflossingen van bedrijfsinstallaties.
De bedrijfsinstallaties betreffen de werken (winningseenheid, verwerkingseenheid, watertoren, ...), de toevoerleidingen (leidingen, afsluiters, aansluitingen), de meters, ...).
De aflossingslasten volgen de in het gestandaardiseerd boekhoudplan van de watersector vastgestelde evaluatieregels.
7. Kost van de beschermingsdienst.
Wat betreft de operatoren die het beschermingscontract hebben afgesloten met de " SPGE " (Openbare Maatschappij voor Waterbeheer), valt de bescherming van de winningen onder de verantwoordelijkheid van de " SPGE ", die de dienst factureert aan de producenten op grond van een bedrag per voortgebrachte m3.
De last stemt overeen met de nominale waarde van de facturen van de " SPGE " voor die dienst.
8. Telebeheer.
De telebeheerskosten worden toegerekend op een kostensoort en bevatten :
- De kosten verbonden met specifiek informaticamateriaal (hardware en software) die aflossingen, onderhoudskosten, ... bevatten.
- De rechtstreekse werkelijke of standaardkosten van de voor die dienst aangestelde personeelsleden (wedde, premies en diverse toeslagen, sociale werkgeversbijdragen, wetsverzekering, overige diverse kosten) verhoogd met een aandeel ter dekking van lokaalkosten.
- De reiskosten die de rechtstreekse werkelijke of standaardkosten bevatten (aflossing, financiële lasten, leasing, onderhoud, herstellen, brandstof, verzekeringen, ...) verhoogd met een aandeel ter dekking van garagekosten;
- De overige aankopen (klein materiaal, ...) die gevaloriseerd zijn op grond van de nominale waarde van de factuur of op grond van de verbruiken gevaloriseerd tegen de gewogen gemiddelde prijs of volgens de FIFO-methode;
- Overige kosten (nader te bepalen).
9. Laboratoriumkosten.
De activiteit is hetzij intern hetzij onderaanbesteed. In het eerste geval worden de kosten berekend op grond van een volledige kost; in het tweede geval bestaan de kosten uit laboratoriumfacturen.
De laboratoriumkosten worden toegerekend op een kostensoort; dit betreft :
- De rechtstreekse werkelijke of standaardkosten van het laboratoriumpersoneel (wedde, premies en diverse toeslagen, sociale werkgeversbijdragen, wetsverzekering, overige diverse kosten) verhoogd met een aandeel ter dekking van lokaalkosten;
- De kosten verbonden met specifiek materiaal en uitrusting met inbegrip van aflossingen, onderhoudskosten, ...
- De overige aankopen (klein materiaal, ...) die gevaloriseerd zijn op grond van de nominale waarde van de factuur of op grond van de verbruiken gevaloriseerd tegen de gewogen gemiddelde prijs of volgens de FIFO-methode;
- Overige kosten (nader te bepalen).
10. Structuurkosten.
Die kosten zijn in het algemeen gemeenschappelijk aan de productie- en distributieactiviteiten. Ze bevatten de kosten van verschillende functionele diensten die niet rechtstreeks worden toegerekend via de kosten van technische prestaties of meteropmetingen. De algemene administratieve kosten alsook de overige kosten worden ook opgenomen.
De kosten van de functionele diensten hebben betrekking op de kosten van de Directie (Directoraat-generaal, andere Directies, Secretaris-generaal, beheersorganen, ...), het bestuur (boekhouding, HR, administratieve diensten, andere, ...), de juridische dienst, de klanten- en invorderingsdienst (facturering, geschillen, ombudsman), de dienst studies en tekeningen, de informaticadienst. De kosten worden bepaald volgens de volledige kostenberekening, dwz dat ze het volgende opnemen :
- De rechtstreekse kosten van het dienstpersoneel (wedde, premies en diverse toeslagen, sociale werkgeversbijdragen, wetsverzekering, overige diverse kosten);
- De overige rechtstreekse kosten van de dienst (aankopen, verbruiken, erelonen, ...);
- Een aandeel van de gebouwkosten gegrond op het werkelijk gebruik.
De kosten zijn vrij van de bedragen die aan andere diensten gefactureerd zijn of die toegerekend zijn op de technische prestaties.
De administratieve algemene kosten bevatten de overige kosten die niet opgenomen zijn in de bovenvermelde functionele afdelingen en die verbonden zijn met het economaat, het meubilair, het kantoormaterieel, de documentatie (niet eigen aan een dienst), ...
In de overige kosten worden oa opgenomen de voorzieningen voor risico's en lasten, de financiële lasten alsook de uitzonderlijke lasten niet rechtstreeks verbonden met de productieactiviteit alsook (nader te bepalen) andere kosten dan die welke verbonden zijn met de functionele diensten of met de algemene administratieve kosten.
11. Financiële lasten.
De financiële lasten verbonden met de leningen aangegaan voor de aanwerving van werken van een productie-eenheid of van een transportleiding staan apart vermeld onder deze rubriek.
De financiële lasten worden toegerekend op grond van de werkelijk gedragen kosten.
12. Voorzieningen voor risico's en lasten & uitzonderlijke lasten.
De dotaties en terugnemingen van voorschotten alsook de uitzonderlijke lasten worden geboekt in overeenstemming met de regels van het boekhoudkundig recht.
De dotaties en terugnemingen van voorzieningen voor risico's en lasten alsook de uitzonderlijke lasten worden opgenomen onder deze rubriek voor zover ze eigen zijn aan de productieactiviteit. Zoals hierboven vermeld worden de dotaties/terugnemingen en andere niet-specifieke lasten opgenomen onder de structuurkosten.
13. Kostenaanpassingen.
Onder de rubriek " Kostenaanpassingen " worden oa opgenomen :
- de door derden gedragen kosten voor rekening van de productieoperator maar die niet gefactureerd zijn;
- de verschillen tussen werkelijke kost en standaardkost indien die verschillen niet toegerekend zijn op de overeenstemmende afdelingen.
II. TUSSENKOSTENSOORTEN.
a. Algemene technische kosten.
Die kosten betreffen :
- de aankoop van klein materiaal, ijzerwaren, klein gereedschap, verkeerstekens, ...
- de kost (gevaloriseerd volgens de volledige kostenberekening : aflossing, onderhoud, verzekeringen, onderhoudspersoneel en -lokalen,...) van het zware bedrijfsmateriaal zoals kranen, compressoren, ...
- Andere.
Ze worden onrechtstreeks toegerekend via een bijkomend kostenaandeel dat het standaarduurpercentage van de arbeidskosten belast.
b. Winkelkosten.
De kosten bevatten :
- Personeelskosten.
- Voertuigkosten.
- Gebouwkosten.
- Aflossingen van uitrustingen.
- Verbruik.
- Andere.
Ze worden onrechtstreeks toegerekend via een bijkomend kostenaandeel dat de rechtstreekse materiaalkosten belast.
c. Garagekosten.
In de garagekosten wordt het volgende opgenomen :
- Personeelskosten.
- Voertuigkosten.
- Gebouwkosten.
- Aflossingen van uitrustingen.
- Verbruik.
- Andere.
Ze worden onrechtstreeks toegerekend via een bijkomend kostenaandeel (reizen of bouwkundemachines) dat de rechtstreekse kosten van de voertuigen of machines belast.
d. Kosten Administratieve lokalen.
Ze bestaan uit :
- Aflossingen van het of de gebouwen en inrichtingswerken.
- Onderhoud.
- Herstellen.
- Kosten van het onderhoudspersoneel.
- Klein materiaal.
- Andere.
Ze worden toegerekend op de verschillende functionele diensten op grond van de gebruikte oppervlakten.
e. Andere.
De aard en de toerekeningswijze van die kosten worden nader bepaald.
Art. N50. ANNEXE L : Définition des rubriques du compte d'exploitation analytique d'une unité de production et d'une ligne de transport.
Les frais de l'activité de production (consommables, biens & services divers, personnel, amortissement, provision & réduction de valeur, exceptionnels,...) sont imputés aux divers centres de frais finaux ou intermédiaires.
Les frais sont déterminés en valeur nette, c'est-à-dire déduction faite des éventuelles refacturations.
Les centres de frais finaux sont au nombre de 13 et sont ventilés comme suit :
1. Prestations techniques.
2. Achats d'eau brute.
3. Force motrice.
4. Réactifs et boues.
5. Autres frais directs.
6. Amortissements des installations d'exploitation.
7. Coût du service de protection.
8. Télégestion.
9. Frais de laboratoire.
10. Frais de structure.
11. Charges financières.
12. Provisions et charges exceptionnelles.
13. Ajustements de coûts.
Les centres de frais intermédiaires se composent de :
- Frais généraux techniques.
- Frais de magasin.
- Frais de garage.
- Frais de locaux administratifs.
- Autres (à spécifier).
Les frais des centres intermédiaires sont ventilés sur un ou plusieurs centres de frais finaux par l'application d'une couverture sur les frais directs. Par exemple, les frais de garage (locaux, équipement, personnel,...) sont ventilés sur les frais de déplacement des centres de frais finaux " prestations techniques " en augmentant d'une quotité le coût réel ou standard du km parcouru pour une catégorie de véhicule d'exploitation donnée (exemple : catégorie camion).
I. CENTRES DE FRAIS FINAUX (sections 1re à 13).
1. Prestations techniques.
Ceci comprend l'ensemble des tâches suivantes :
- Le fonctionnement des installations.
- Le contrôle des installations.
- La réparation des installations.
Ces travaux sont réalisés par du personnel propre ou sous-traites. Dans le premier cas, les travaux font l'objet d'un bon de travail qui reprend les prestations du personnel, les déplacements, les matériaux mis en oeuvre, les temps d'utilisation d'engins de génie civil, et d'autres frais éventuels. Dans le second cas, l'ensemble des frais est facturé par le sous-traitant.
Les frais de personnel relatifs aux prestations techniques sont déterminés sur la base des frais directs (traitement, primes et pécules divers, charges sociales patronales, assurance-loi, autres frais divers) réels ou standards majorés d'une quote-part de couverture des frais généraux techniques.
Les frais de déplacement concernent les véhicules servant à l'exploitation (camions et camionnettes) et comprennent les frais directs (amortissement, charge financière, leasing, entretien, réparations, carburant, assurances,...) réels ou standard majorés d'une quote-part de couverture des frais de garage.
Les frais des matériaux mis en oeuvre comprennent le coût d'achat (au prix moyen pondéré ou selon la méthode FIFO) des pièces placées, augmenté d'une quote-part de couverture des frais de magasin.
Les frais d'utilisation des engins de génie civil sont valorisés sur la base d'un coût horaire par engin de génie civil déterminé en incorporant au coût direct (amortissements, charges financières, carburant, entretien,...) une quotité de couverture des frais de garage.
Les autres frais se rapportent à des prestations de tiers, locations de machines ou autres, et sont enregistrés sur base de la valeur nominale des factures.
2. Achats d'eau brute.
L'eau brute concerne l'eau destinée à être traitée dans une installation d'une unité de production.
Les achats d'eau déjà traitée sont mentionnés séparément dans le compte d'exploitation récapitulatif de l'activité de production. Tous les achats d'eau traitée transitent par le compte d'exploitation de l'activité Production.
Les achats d'eau brute sont valorisés au coût d'achat.
3. Force motrice.
Les frais liés à la force motrice concernent principalement les frais d'électricité et les taxes associées aux ouvrages.
Les frais correspondent en général à la valeur nominale des factures ou des bordereaux de taxe.
4. Réactifs et boues.
Les frais de réactifs sont relatifs aux coûts de réactifs consommés dans les installations d'exploitation. Les achats sont imputés directement à l'ouvrage sur base de la facture ou les consommations sont ventilées entre ouvrages et valorisés au prix moyen pondéré ou selon la méthode FIFO.
5. Autres frais directs.
Ceux-ci comprennent notamment les frais de fonctionnement des bâtiments et ouvrages spécifiques à l'activité de production ainsi que d'autres frais directs.
Les frais de fonctionnement des bâtiments et ouvrages spécifiques à l'activité de production comprennent :
- les frais de fonctionnement des bâtiments & ouvrages proprement dits, soit les frais d'entretien et de maintenance y compris les abords, les frais électricité, de chauffage, d'eau, de gaz, assurances, charges d'amortissements,...
- les frais de personnel affectés aux bâtiments et aux ouvrages et qui ne prestent pas des prestations techniques sont déterminés sur la base des frais directs (traitement, primes et pécules divers, charges sociales patronales, assurance-loi, autres frais divers) réels ou standards.
Les autres frais sont fonction de chaque opérateur et sont à déterminer au cas par cas. Les frais internes sont déterminés en appliquant la méthode dite du coût complet. Les frais externes correspondent en général à la valeur nominale des factures.
6. Amortissements des installations d'exploitation.
Les installations d'exploitation visent les ouvrages (unité de captage, unité de traitement, château d'eau,...), conduites d'adduction (conduites, vannes, raccordements), les compteurs,...
Les charges d'amortissement suivent les règles d'évaluation arrêtées par le plan comptable uniformise du secteur de l'eau.
7. Coût du service de la protection.
Pour les opérateurs ayant signé le contrat de protection avec la SPGE, la protection des captages est une charge qui incombe à la SPGE; en retour, celle-ci facture le service aux producteurs sur la base d'un montant par m3 produit.
La charge correspond à la valeur nominale des factures de la SPGE pour ce service.
8. Télégestion.
Les coûts de télégestion sont accumulés dans un centre de frais et comprennent :
- Les frais liés au matériel informatique spécifique (hardware et software) comprenant les amortissements, les frais de maintenance,...
- Les frais directs réels ou standards du personnel attaché à ce service (traitement, primes et pécules divers, charges sociales patronales, assurance-loi, autres frais divers) augmentés d'une quote-part de couverture pour frais de locaux;
- Les frais de déplacement comprenant les frais directs (amortissement, charge financière, leasing, entretien, réparations, carburant, assurances,...) réels ou standard majorés d'une quote-part de couverture des frais de garage;
- Les achats autres (consommables,...) valorisés sur base de la valeur nominale de la facture ou sur base des consommations valorisées au prix moyen pondéré ou selon la méthode FIFO;
- Autres frais (à spécifier).
9. Frais de laboratoire.
L'activité est soit interne, soit sous-traitée. Dans le premier cas, les frais sont déterminés sur la base d'un coût complet; dans le second cas, les frais sont constitués de factures du laboratoire.
Les frais du laboratoire interne sont accumules dans un centre de frais; ceci concerne :
- Les frais directs réels ou standards du personnel de laboratoire (traitement, primes et pécules divers, charges sociales patronales, assurance-loi, autres frais divers) augmentés d'une quote-part de couverture pour frais de locaux;
- Les frais liés au matériel et à l'équipement spécifique, y compris les amortissements, les frais d'entretien,...
- Les achats autres (consommables,...) valorisés sur base de la valeur nominale de la facture ou sur base des consommations valorisées au prix moyen pondéré ou selon la méthode FIFO;
- Les autres frais (à spécifier).
10. Frais de structure.
Ces frais sont en général communs aux activités de production et de distribution. Ils comprennent les frais de divers services fonctionnels qui ne sont pas imputés directement au travers des coûts de prestations techniques ou de relevés des compteurs. Sont également incorpores les frais généraux administratifs et les autres frais.
Les frais des services fonctionnels se rapportent aux frais de la Direction (Direction générale, autres directions, secrétaire général, organes de gestion, ...), l'administration (Services comptables, GRH, administratifs autres,...), le service juridique, le service clientèle et recouvrement (facturation, contentieux, ombudsman,...), le service des études & dessins, le service informatique. Les coûts sont déterminés selon la méthode du coût complet, c'est-à-dire qu'ils incorporent :
- Les frais directs de personnel du service (traitement, primes et pécules divers, charges sociales patronales, assurance-loi, autres frais divers);
- Les autres frais directs du service (achats, consommations, honoraires,...);
- Une quote-part des frais du bâtiment basée sur l'occupation réelle.
Les frais sont nets des montants facturés à d'autres services ou imputés sur les prestations techniques.
Les frais généraux administratifs comprennent les autres frais non-repris dans les sections fonctionnelles énumérées ci-avant et liés à l'économat, au mobilier et matériel de bureau, à la documentation (non spécifique à un service),...
Les autres frais incorporent notamment les provisions pour risques et charges, les charges financières ainsi que les charges exceptionnelles non directement liées à l'activité de production, et des frais autres (à spécifier) que ceux liés aux services fonctionnels ou aux frais généraux administratifs.
11. Charges financières.
Sont mentionnées séparément sous cette rubrique les charges financières associées aux emprunts contractés pour l'acquisition d'ouvrages d'une unité de production ou d'une ligne de transport.
Les charges financières sont imputées sur la base des charges réellement encourues.
12. Provisions pour risques et charges & charges exceptionnelles.
Les dotations et reprises de provisions ainsi que les charges exceptionnelles sont comptabilisées en conformité avec les règles du droit comptable.
Les dotations et reprises de provisions pour risques et charges ainsi que les charges exceptionnelles sont reprises sous cette rubrique pour autant qu'elles soient spécifiques à l'activité production. Comme mentionné ci-avant, les dotations/reprises et autres charges non spécifiques sont reprises parmi les frais de structure.
13. Ajustements de coûts.
Sont repris notamment sous la rubrique " Ajustement des coûts " :
- les coûts supportés par des tiers pour compte de l'opérateur de production mais non facturés;
- les écarts entre coût réel et coût standard si ces écarts n'ont pas été imputés aux sections correspondantes.
II. CENTRES DE FRAIS INTERMEDIAIRES.
a. Frais généraux techniques.
Ces frais concernent :
- les achats de consommables, quincaillerie, petit outillage, signalisation routière,...
- le coût (valorisé au coût complet : amortissement, entretien, assurances, personnel de maintenance, locaux de maintenance, ...) du matériel d'exploitation lourd tel que grues, compresseurs,...
- Autres.
Ils sont imputés indirectement au travers d'une quotité de frais supplémentaire grevant le taux standard horaire du coût de la main d'oeuvre.
b. Frais de magasin.
Les frais comprennent :
- Frais de personnel du(es) magasin(s).
- Coût de véhicule(s) alloué(s) au(x) magasin(s).
- Frais de bâtiments alloués au magasin.
- Amortissements équipements.
- Consommations.
- Autres.
Ils sont imputés indirectement au travers d'une quotité de frais supplémentaire grevant le coût direct des matériaux.
c. Frais de garage.
Les frais de garage incorporent :
- Frais de personnel du(es) garage(s).
- Coût de véhicule(s) alloué(s) au(x) garage(s).
- Frais de bâtiments alloués au(x) garage(s).
- Amortissements équipements.
- Consommations.
- Autres.
Ils sont imputés indirectement au travers d'une quotité de frais supplémentaire (déplacement ou engin de génie civil) grevant le coût direct des véhicules ou des engins.
d. Frais de locaux administratifs.
Ceux-ci se composent de :
- Amortissements du(es) bâtiment(s) & travaux d'aménagements.
- Entretien.
- Réparations.
- Frais de personnel d'entretien.
- Consommables.
- Autres.
Ils sont imputés aux divers services fonctionnels sur base des surfaces occupées.
e. Autres.
Ces frais sont précisés quant à leur nature et à leur mode d'imputation.
Art. N51. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 2; Inwerkingtreding : 26-08-2005> BIJLAGE LI : Definitie van de rubrieken van de samenvattende exploitatierekening van de producent in het Waalse Gewest.
Door de samenvattende exploitatierekening kunnen voor een gegeven producent de reële kostprijs van de waterproductie alsook het netto resultaat van de waterverkoop en van de " Productieactiviteit " worden berekend.
Elke rubriek wordt kort uitgelegd.
I. Waterverkoop.
De omzet van de producent betreffende de waterverkoop wordt vermeld en berekend volgens de gebruikelijke boekhoudkundige regels van bedrijven.
II. Totale reële kostprijs van de productie.
De totale reële kostprijs van de productie bestaat uit de som van de reële kostprijs van de productie-eenheden, de reële kostprijs van de transportleidingen en de aankopen van verwerkt water.
II.A. Productie-eenheden.
De reële kostprijs van het geheel van de productie-eenheden voor het boekjaar wordt vermeld.
II.B. Transportleidingen.
Deze rubriek bestaat uit de reële kostprijs van het geheel van de transportleidingen voor het boekjaar.
II.C. Aankoop van verwerkt water.
Deze rubriek bestaat uit de kosten van de aankopen van verwerkt water voor het verbruik van het boekjaar.
III. Netto resultaat van de waterverkoop.
Het netto resultaat van het boekjaar is het verschil tussen de waterverkoop (rubriek I) en de totale reële kostprijs van de waterproductie (rubriek II).
IV. Netto resultaat van de aan derden gefactureerde werken.
Het gaat om de kosten van de (technische) operationele diensten voor rekening en ten laste van derden.
De kosten van de werken die ten laste worden genomen door de producent, staan vermeld in deze afdeling.
De overeenstemmende inkomsten staan vermeld tegenover die lasten in de vorm van een facturering aan derden.
V. Netto resultaat van de " Productieactiviteit ".
Het netto resultaat van de " Productieactiviteit " bestaat uit de som van het nettoresultaat van de waterverkoop (rubriek III) en van het nettoresultaat van de aan derden gefactureerde netto werken (rubriek IV).
VI. Aanvullende informatie.
De kost van de vaste productie wordt vermeld bij wijze van aanvullende informatie. De vaste productie bevat het geheel van de door de diensten van de producent uitgevoerde werken.
Art. N51. ANNEXE LI : Définition des rubriques du compte d'exploitation récapitulatif du producteur en Région wallonne.
Le compte d'exploitation récapitulatif permet de déterminer pour un producteur donné, le coût-vérité total de la production d'eau, le résultat net de la vente d'eau et le résultat net de l'activité " Production ".
Chaque rubrique est commentée brièvement.
I. Ventes d'eau.
Est repris le chiffre d'affaires du producteur relatif aux ventes d'eau et établi selon les règles comptables usuelles des entreprises.
II. Coût-vérité total de la production.
Le coût-vérité total de la production se compose de la somme du coût vérité des unités de production, du coût-vérité des lignes de transport et des achats d'eau traitée.
II.A. Unités de production.
Est repris le coût-vérité de l'ensemble des unités de production pour l'exercice.
II.B. Lignes de transport.
Cette rubrique se compose du coût-vérité de l'ensemble des lignes de transport pour l'exercice.
II.C. Achats d'eau traitée.
Cette rubrique comprend le coût des achats d'eau traitée pour les consommations de l'exercice.
III. Résultat net de la vente d'eau.
Le résultat net de l'exercice est la différence entre les ventes d'Eau (rubrique I) et le coût-vérité total de la production d'Eau (rubrique II).
IV. Résultat net des travaux facturés aux tiers.
Il s'agit des frais des services opérationnels (techniques) réalisés pour compte de et à charge des tiers.
Les coûts des travaux pris en charge par le producteur sont repris dans cette section.
Les revenus correspondants sont reconnus en regard de ces charges sous la forme d'une facturation aux tiers.
V. Résultat net de l'activité " Production ".
Le résultat net de l'activité " Production " se compose de la somme du résultat net de la vente d'eau (rubrique III) et du résultat net des travaux nets facturés aux tiers (rubrique IV).
VI. Information complémentaire.
Le coût de la production immobilisée est mentionné à titre d'information complémentaire. La production immobilisée comprend l'ensemble des travaux réalisés par les services du producteur.
Art. N52. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 2; Inwerkingtreding : 26-08-2005> BIJLAGE LII : Lichamelijke vaste activa (distributie).
Art. N52. ANNEXE LII : Actifs immobilisés corporels (distribution).
LII.a. Rangschikking in algemene boekhouding.
22 Terreinen :
- Gebouwen (Duurzame gebouwen (volgens bouwtype) - Lichte gebouwen, schuilplaatsen, ...).
- Bebouwde terreinen.
- Andere zakelijke rechten op onroerende goederen.
- Technische burgerlijke bouwkunde : werken voor de distributie.
23 Installaties, machines en gereedschappen :
- het leidingsnet, aansluitingen, ...
- Elektromechanische installaties : Pompen, elektromechanische apparaten, ...
- Elektromechanische installaties : Pompen, elektromechanische apparaten, ...
- Reguleringsorganen (elektronisch, sensors,...).
- Meters.
24 Meubilair en rollend materieel :
- Technisch meubilair (laboratoriumapparaten, ...).
- technisch materieel (machines voor openbare werken, ...).
25 Terreinen en bouwwerken in leasing :
- Installaties, machines en gereedschappen in leasing.
- Meubilair en rollend materieel in leasing.
- Technische burgerlijke bouwkunde in leasing : werken voor de distributie, het leidingsnet, aansluitingen, ...
- Elektromechanische installaties in leasing : Pompen, elektromechanische apparaten, ...
- Reguleringsorganen in leasing (elektronisch, sensors,...).
- Meters.
- Technisch meubilair (laboratoriumapparaten, ...) en technisch materiaal (machines voor openbare werken), ...) in leasing.
26 Andere lichamelijke vaste activa :
Alle vaste activa zijn bestemd voor een deelstroomgebied of een tussenkostensoort die het voorwerp uitmaakt van een verdeling of allocatie.
LII.a. Classification en comptabilité générale.
22 Terrains :
- Bâtiments (Bâtiments durables (selon type de construction) - Bâtiments légers, abris,...).
- Terrains bâtis.
- Autres droits réels sur immeubles.
- Génie civil technique : ouvrages pour la distribution.
23 Installations, machines et outillages.
- le réseau de canalisations, les raccordements,...
- Installations électromécaniques : Pompes, appareils électromécaniques,...
- Installations électromécaniques : Pompes, appareils électromécaniques,...
- Organes de régulation (électronique, capteurs,...).
- Compteurs.
24 Mobilier et matériel roulant :
- Mobilier technique (appareils de laboratoires,...).
- matériel technique (engins de travaux publics,...).
25 Terrains et constructions en leasing :
- Installations, machines et outillages en leasing.
- Mobilier et matériel roulant en leasing.
- Génie civil technique en leasing : ouvrages pour la distribution, le réseau de canalisations, les raccordements,...
- Installations électromécaniques en leasing : Pompes, appareils électromécaniques,...
- Organes de régulation en leasing (électronique, capteurs,...).
- Compteurs.
- Mobilier technique en leasing (appareils de laboratoires, ...) et matériel technique en leasing (engins de travaux publics,...).
26 Autres immobilisations corporelles :
Chaque immobilisé est affecté à un sous-bassin ou à un centre de frais intermédiaire faisant l'objet d'une répartition ou d'une allocation.
BIJLAGE LII.b. : Aflossingsregels.
ANNEXE LII.b. : Règles d'amortissement.
Min.Max.
Kathodische leidingen en bescherming3050
(bijzondere stations)
Rekbaar gietijzer
PVC
......
Aansluitingen2030
Eigen meters816
Hoofdmeters88
Pompen en kleine elektrische installaties510
Grote elektrische installaties (borden, ...),
elektromechanische apparaten, verwarmings- en
verluchtingsinstallaties1015
Reguleringsorganen (elektronisch, sensors, telebeheer...)410
Duurzame gebouwen (volgens bouwtype)2050
Lichte gebouwen, schuilplaatsen, ...1015
Inrichting van gebouwen1020
Kantoormeubilair1015
Laboratoriumapparaten, kantoormaterieel
(behalve informatica), gereedschappen, ...510
Informaticamaterieel25
Machines voor openbare werken, voertuigen, ...410
Elektrische installaties1010
Telefonische installaties510
Min.Max.Kathodische leidingen en bescherming3050(bijzondere stations)Rekbaar gietijzerPVC......Aansluitingen2030Eigen meters816Hoofdmeters88Pompen en kleine elektrische installaties510Grote elektrische installaties (borden, ...),elektromechanische apparaten, verwarmings- enverluchtingsinstallaties1015Reguleringsorganen (elektronisch, sensors, telebeheer...)410Duurzame gebouwen (volgens bouwtype)2050Lichte gebouwen, schuilplaatsen, ...1015Inrichting van gebouwen1020Kantoormeubilair1015Laboratoriumapparaten, kantoormaterieel(behalve informatica), gereedschappen, ...510Informaticamaterieel25Machines voor openbare werken, voertuigen, ...410Elektrische installaties1010Telefonische installaties510
Min.Max.
Conduites et protection cathodiques (stations spéciales)3050
Fonte ductile
PVC
......
Raccordements2030
Compteurs particuliers816
Compteurs de tete88
Pompes et petites installations électriques510
Grosses Installations électriques (tableaux,...),
appareils eélectromecaniques, installations de
chaudière, installations de ventilation1015
Organes de régulation (électronique, capteurs,
télégestion,...)410
Bâtiments durables (selon type de construction)2050
Bâtiments légers, abris,...1015
Agencements et aménagements de bâtiments1020
Mobilier de bureau1015
Appareils de laboratoires, matériel de bureau
(sauf informatique), outillages,...510
Matériel informatique25
Engins de travaux publics, véhicules,...410
Installations électriques1010
Installations téléphoniques510
Min.Max.Conduites et protection cathodiques (stations spéciales)3050Fonte ductilePVC......Raccordements2030Compteurs particuliers816Compteurs de tete88Pompes et petites installations électriques510Grosses Installations électriques (tableaux,...),appareils eélectromecaniques, installations dechaudière, installations de ventilation1015Organes de régulation (électronique, capteurs,télégestion,...)410Bâtiments durables (selon type de construction)2050Bâtiments légers, abris,...1015Agencements et aménagements de bâtiments1020Mobilier de bureau1015Appareils de laboratoires, matériel de bureau(sauf informatique), outillages,...510Matériel informatique25Engins de travaux publics, véhicules,...410Installations électriques1010Installations téléphoniques510
De aflossingsduur van de meters wordt bepaald op grond van de voorschriften van de Federale Dienst Economische Zaken - Afdeling Metrologie.
La durée d'amortissement des compteurs est déterminée sur base des prescriptions du service fédéral des affaires économiques - division de la métrologie.
Art. N53. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 2; Inwerkingtreding : 26-08-2005> BIJLAGE LIII : Definitie van de rubrieken van de analytische exploitatierekening van een distributienet.
De kosten van de distributieactiviteit (klein materiaal, diverse goederen en diensten, personeel, aflossing, voorschot en waardevermindering, uitzonderlijke kosten, ...) worden toegerekend op de verschillende eind- of tussenkostensoorten.
De kosten worden berekend in netto waarde, dwz na aftrek van de eventuele herfactureringen.
Er bestaan 10 eindkostensoorten die verdeeld zijn als volgt :
1. Technische prestaties - onderhoud :
1. Kosten van de overzichten.
2. Wateraankoop.
3. Overige rechtstreekse kosten.
4. Aflossingen van bedrijfsinstallaties.
5. Heffing wegens publiek gebruik.
6. Structuurkosten.
7. Financiële lasten.
8. Waardeverminderingen & minderwaarden, voorschotten en uitzonderlijke lasten.
9. Kostenaanpassingen.
De tussenkostensoorten zijn samengesteld uit :
- Technische algemene kosten.
- Winkelkosten.
- Garagekosten.
- Administratieve lokaalkosten.
- Andere (nader te bepalen).
De tussenkosten worden verdeeld op één of meerdere eindkostensoorten door de toepassing van een dekking op rechtstreekse kosten. De garagekosten (lokalen, uitrusting, personeel, ...) worden bv. verdeeld op de reiskosten van de eindkostensoorten " technische prestaties - onderhoud " en " kost van de meteropmetingen " door de werkelijke of standaardkosten van de afgelegde kms voor een bepaalde categorie bedrijfsvoertuig (vb : categorie vrachtwagen) te verhogen met een quotiteit.
I. EINDKOSTENSOORTEN (afdelingen 1 tot 10).
1. Technische prestaties - onderhoud.
Ze bestaan uit de volgende taken :
- de controle op het netwerk (opsporen van lekkages, ...);
- het onderhoud van het netwerk (en van de daarop geïnstalleerde apparaten);
- het herstel van het netwerk (herstel van lekkages op leidingen en/of aansluitingen)...
Die werken worden uitgevoerd door eigen personeel of worden onderaanbesteed. In het eerste geval staan de werken vermeld op een werkbon die de personeelsprestaties bevat alsook de reizen, de gebruikte materialen, de gebruiksduur van bouwkundemachines en andere eventuele kosten. In het tweede geval wordt het geheel van de kosten gefactureerd door de onderaanbesteder.
De personeelskosten betreffende de technische onderhoudsprestaties worden berekend op grond van rechtstreekse werkelijke of standaardkosten (wedde, premies en diverse toeslagen, sociale werkgeversbijdragen, wetsverzekering, overige diverse kosten) verhoogd met een aandeel ter dekking van technische algemene kosten.
De reiskosten betreffen bedrijfsvoertuigen (vracht- en bestelwagens) en bevatten de rechtstreekse werkelijke of standaardkosten (aflossing, financiële lasten, leasing, onderhoud, herstellen, brandstof, verzekeringen, ...) verhoogd met een aandeel ter dekking van garagekosten.
De kosten van de gebruikte materialen bestaan uit de aankoopkost (tegen de gewogen gemiddelde prijs of volgens de FIFO-methode) van de geplaatste onderdelen, verhoogd met een aandeel ter dekking van winkelkosten.
De gebruikskosten van bouwkundemachines worden gevaloriseerd op grond van een uurkost per bouwkundemachine berekend door een quotiteit ter dekking van garagekosten op te nemen in de rechtstreekse kost (aflossingen, financiële lasten, brandstof, onderhoud, ...)
De overige kosten betreffen prestaties door derden, het huren van machines, ... en worden geboekt op grond van de nominale waarde van de facturen.
2. Kosten van meteropmetingen.
Die werken worden uitgevoerd door eigen personeel of worden onderaanbesteed. In het eerste geval worden personeelsleden duidelijk aangesteld voor die taak; hun kost bevat de rechtstreekse kosten (personeelsprestaties, reizen en overige eventuele kosten). In het tweede geval wordt het geheel van de kosten gefactureerd door de onderaanbesteder die de prestaties uitvoert.
De personeelskosten betreffende de meteropmetingen worden vastgesteld op grond van de rechtstreekse werkelijke of standaardkosten (wedde, premies en diverse toeslagen, sociale werkgeversbijdragen, wetsverzekering, overige diverse kosten).
De reiskosten betreffen de door het personeel belast met de meteropmetingen gebruikte voertuigen (bestelwagens) en bevatten de rechtstreekse werkelijke of standaardkosten (aflossing, financiële lasten, leasing, onderhoud, herstellen, brandstof, verzekeringen, ...) verhoogd met een aandeel ter dekking van garagekosten.
De overige kosten hebben betrekking op prestaties van derden belast met de meteropmetingen en worden geboekt op grond van de nominale waarde van de facturen alsook op de andere kosten eigen aan het bedrijf zoals bv. de informaticakosten (aflossing, onderhoud, financiële lasten, ...) van de bij de meteropmetingen gebruikte hardware en software, de met die activiteit rechtstreeks verbonden postkosten, ...
3. Wateraankoop.
De wateraankopen komen voort uit de eigen productie ofwel uit andere producenten. Behalve de gevallen waarin de verdeler geen productieactiviteit uitoefent, transiteren de wateraankopen bij andere producenten via de productieactiviteit.
De wateraankopen worden uitgevoerd tegen de gemiddelde productiekost (eigen productie) en/of tegen de aankoopkost (productie van derden).
4. Overige rechtstreekse kosten.
Ze bevatten met name de werkingskosten van de gebouwen en werken eigen aan de distributieactiviteit alsook overige rechtstreekse kosten.
De werkingskosten van de gebouwen en werken eigen aan de distributieactiviteit bevatten :
De werkingskosten van de eigenlijke gebouwen en werken, namelijk de onderhouds- en verzorgingskosten met inbegrip van de onmiddellijke omgeving, de elektriciteits-, verwarmings-, gas- en verzekeringskosten alsook de aflossingslasten,...
De kosten van de voor de gebouwen en werken aangestelde personeelsleden die geen prestaties verrichten voor één van de andere twee activiteiten (technische prestaties & meteropmeting), worden vastgesteld op grond van de rechtstreekse werkelijke of standaardkosten (wedde, premies en diverse toeslagen, sociale werkgeversbijdragen, wetsverzekering, overige diverse kosten).
De overige kosten hangen af van elke operator en betreffen bv het telebeheer, de dienst metrologie, de NMBS-doorgangsheffing,...
De interne kosten worden vastgesteld door de zogenaamde volledige kostenberekening toe te passen (vb : telebeheer met inbegrip van materiaalkosten - aflossing, financiële lasten, onderhoud, ... - de kosten van de voor die activiteit aangestelde personeelsleden, ...). De externe kosten stemmen in het algemeen overeen met de nominale waarde van de facturen.
5. Aflossingen van bedrijfsinstallaties.
De bedrijfsinstallaties betreffen de netwerken (leidingen, afsluiters, aansluitingen) en de meters.
De aflossingslasten volgen de in het boekhoudplan van de watersector vastgestelde evaluatieregels.
6. Heffing en/of vergoeding wegens publiek gebruik.
Dit betreft de heffing en/of de vergoeding wegens publiek gebruik verleend door de gemeenten op het grondgebied waarvan het distributienet is geïnstalleerd.
De last stemt overeen met de nominale waarde van de heffing en/of van de vergoeding.
7. Structuurkosten.
Die kosten zijn in het algemeen gemeenschappelijk aan de productie- en distributieactiviteiten. Ze bevatten de kosten van verschillende functionele diensten die niet rechtstreeks worden toegerekend via de kosten van technische prestaties of meteropmetingen. De algemene administratieve kosten alsook de overige kosten worden ook opgenomen.
De kosten van de functionele diensten hebben betrekking op de kosten van de Directie (Directoraat-generaal, andere Directies, Secretaris-generaal, beheersorganen, ...), het bestuur (boekhouding, HR, administratieve diensten, andere, ...), de juridische dienst, de klanten- en invorderingsdienst (facturering, geschillen, ombudsman), de dienst studies en tekeningen, de informaticadienst. De kosten worden bepaald volgens de volledige kostenberekening, dwz dat ze het volgende opnemen :
- de rechtstreekse kosten van het dienstpersoneel (wedde, premies en diverse toeslagen, sociale werkgeversbijdragen, wetsverzekering, overige diverse kosten);
- de overige rechtstreekse kosten van de dienst (aankopen, verbruiken, erelonen, ...).
- Een aandeel van de gebouwkosten gegrond op het werkelijk gebruik.
De kosten zijn vrij van de bedragen die aan andere diensten gefactureerd zijn of die toegerekend zijn op de technische prestaties/meteropmetingen.
De administratieve algemene kosten bevatten de overige kosten die niet opgenomen zijn in de bovenvermelde functionele afdelingen en die verbonden zijn met het economaat, het meubilair, het kantoormaterieel, de documentatie (niet eigen aan een dienst), de met de meteropmeting niet verbonden postkosten,...
In de overige kosten worden oa opgenomen de voorzieningen voor risico's en kosten, de financiële lasten alsook de uitzonderlijke lasten niet rechtstreeks verbonden met de distributieactiviteit alsook (nader te bepalen) andere kosten dan die verbonden met de functionele diensten of met de algemene administratieve kosten.
8. Financiële lasten.
De financiële lasten verbonden met de leningen aangegaan voor de aanwerving van distributie-installaties staan ook apart vermeld onder deze rubriek.
De financiële lasten worden toegerekend op grond van de werkelijk gedragen kosten.
9. Waardevermindering op dubieuze vorderingen, voorzieningen voor risico's en kosten, uitzonderlijke lasten.
De waardeverminderingen op dubieuze vorderingen worden vastgesteld overeenkomstig de voorschriften van het boekhoudplan in de watersector. De dotaties en terugnemingen van voorzieningen alsook de uitzonderlijke lasten worden geboekt in overeenstemming met de regels van het boekhoudkundig recht.
De dotaties en terugnemingen van voorzieningen voor risico's en lasten alsook de uitzonderlijke lasten worden opgenomen onder deze rubriek voor zover ze eigen zijn aan de distributieactiviteit. Zoals hierboven vermeld worden de dotaties/terugnemingen en andere niet-specifieke lasten opgenomen onder de structuurkosten.
10. Kostenaanpassingen.
Onder deze rubriek worden oa opgenomen :
- de door derden gedragen kosten voor rekening van de distributieoperator maar die niet gefactureerd zijn;
- de verschillen tussen werkelijke kost en standaardkost indien die verschillen niet toegerekend zijn op de overeenstemmende afdelingen.
II. TUSSENKOSTENSOORTEN.
a. Algemene technische kosten.
Die kosten betreffen :
- De aankoop van klein materiaal, ijzerwaren, klein gereedschap, verkeerstekens, ...
- De kost (gevaloriseerd volgens de volledige kostenberekening : aflossing, onderhoud, verzekeringen, onderhoudspersoneel en -lokalen,...) van het zware bedrijfsmateriaal zoals kranen, compressoren, ...
- Andere.
Ze worden rechtstreeks toegerekend via een bijkomend kostenaandeel dat het standaarduurpercentage van de arbeidskosten belast.
b. Winkelkosten.
Die kosten omvatten :
- Personeelskosten.
- Voertuigkosten.
- Gebouwkosten.
- Aflossingen van uitrustingen.
- Verbruik.
- Andere.
Ze worden rechtstreeks toegerekend via een bijkomend kostenaandeel dat de rechtstreekse materiaalkosten belast.
c. Garagekosten.
In de garagekosten wordt het volgende opgenomen :
- Personeelskosten.
- Voertuigkosten.
- Gebouwkosten.
- Aflossingen van uitrustingen.
- Verbruik.
- Andere.
Ze worden rechtstreeks toegerekend via een bijkomend kostenaandeel (reizen of bouwkundemachines) dat de rechtstreekse kosten van de voertuigen of machines belast.
d. Administratieve lokaalkosten.
Ze bestaan uit :
- Aflossingen van het of de gebouwen en inrichtingswerken.
- Onderhoud.
- Herstellen.
- Kosten van het onderhoudspersoneel.
- Klein materiaal.
- Andere.
Ze worden toegerekend op de verschillende functionele diensten op grond van de gebruikte oppervlakten.
e. Andere.
De aard en de toerekeningswijze van die kosten worden nader bepaald.
Art. N53. ANNEXE LIII : Définition des rubriques du compte d'exploitation analytique d'un réseau de distribution.
Les frais de l'activité de distribution (consommables, biens & services divers, personnel, amortissement, provision & réduction de valeur, exceptionnels,...) sont imputés aux divers centres de frais finaux ou intermédiaires.
Les frais sont déterminés en valeur nette, c'est-à-dire déduction faite des éventuelles refacturations.
Les centres de frais finaux sont au nombre de 10 et sont ventilés comme suit :
1. Prestations techniques entretien :
1. Coût des relevés.
2. Achats d'eau.
3. Autres frais directs.
4. Amortissements des installations d'exploitation.
5. Redevance d'occupation publique.
6. Frais de structure.
7. Charges financières.
8. Réductions de valeur & moins-values, provisions et charges exceptionnelles.
9. Ajustements de coûts.
Les centres de frais intermédiaires se composent de :
- Frais généraux techniques.
- Frais de magasin.
- Frais de garage.
- Frais de locaux administratifs.
- Autres (à spécifier).
Les frais des centres intermédiaires sont ventilés sur un ou plusieurs centres de frais finaux par l'application d'une couverture sur les frais directs. Par exemple, les frais de garage (locaux, équipement, personnel,...) sont ventilés sur les frais de déplacement des centres de frais finaux " prestations techniques entretien " et " coût des relevés " en augmentant d'une quotité le coût réel ou standard du km parcouru pour une catégorie de véhicule d'exploitation donnée (exemple : catégorie camion).
I. CENTRES DE FRAIS FINAUX (sections 1re à 10).
1. Prestations techniques entretien.
Ceci comprend l'ensemble des taches suivantes :
- le contrôle du réseau (recherche de fuites,...);
- l'entretien du réseau (et des appareils placés sur le réseau);
- la réparation du réseau (réparation de fuites sur conduites et/ou raccordements).
Ces travaux sont réalisés par du personnel propre ou sous-traités. Dans le premier cas, les travaux font l'objet d'un bon de travail qui reprend les prestations du personnel, les déplacements, les matériaux mis en oeuvre, les temps d'utilisation d'engins de génie civil, et d'autres frais éventuels. Dans le second cas, l'ensemble des frais est facturé par le sous-traitant.
Les frais de personnel relatifs aux prestations techniques d'entretien sont déterminés sur la base des frais directs (traitement, primes et pécules divers, charges sociales patronales, assurance-loi, autres frais divers) réels ou standards majorés d'une quote-part de couverture des frais généraux techniques.
Les frais de déplacement concernent les véhicules servant à l'exploitation (camions et camionnettes) et comprennent les frais directs (amortissement, charge financière, leasing, entretien, réparations, carburant, assurances,...) réels ou standard majorés d'une quote-part de couverture des frais de garage.
Les frais des matériaux mis en oeuvre comprennent le coût d'achat (au prix moyen pondéré ou selon la méthode FIFO) des pièces placées, augmenté d'une quote-part de couverture des frais de magasin.
Les frais d'utilisation des engins de génie civil sont valorisés sur la base d'un coût horaire par engin de génie civil déterminé en incorporant au coût direct (amortissements, charges financières, carburant, entretien,...) une quotité de couverture des frais de garage.
Les autres frais se rapportent à des prestations de tiers, locations de machines,... et sont enregistrés sur base de la valeur nominale des factures.
2. Coût de relevés des compteurs.
Ces prestations sont réalisées par du personnel propre ou sont sous-traites. Dans le premier cas, le personnel est clairement identifié à cette tâche et leur coût comprend les frais directs (prestations du personnel, les déplacements, et d'autres frais éventuels). Dans le second cas, l'ensemble des frais est facturé par le sous-traitant qui effectue les prestations.
Les frais de personnel relatifs au relevé des compteurs sont déterminés sur la base des frais directs (traitement, primes et pécules divers, charges sociales patronales, assurance-loi, autres frais divers) réels ou standards.
Les frais de déplacement concernent les véhicules utilisés par le personnel chargé du relevé des compteurs (camionnettes) et comprennent les frais directs (amortissement, charge financière, leasing, entretien, réparations, carburant, assurances,...) réels ou standard majorés d'une quote-part de couverture des frais de garage.
Les autres frais se rapportent aux prestations des tiers charges du relevé des compteurs et sont enregistrés sur base de la valeur nominale des factures ainsi qu'aux autres frais spécifiques à l'activité, comme par exemple les frais informatiques (amortissement, maintenance, charges financières,...) du matériel hardware & software utilisé dans le cadre du relevé des compteurs, les frais postaux directement liés à cette activité,...
3. Achats d'eau.
Les achats d'eau proviennent soit de la production propre soit d'autres producteurs. Sauf les cas où le distributeur n'exerce pas d'activité de production, les achats d'eau auprès des autres producteurs transitent par l'activité de production.
Les achats d'eau sont réalisés au coût moyen de production (production propre) et/ou au coût d'achat (production de tiers).
4. Autres frais directs.
Ceux-ci comprennent notamment les frais de fonctionnement des bâtiments et ouvrages spécifiques à l'activité de distribution ainsi que d'autres frais directs.
Les frais de fonctionnement des bâtiments et ouvrages spécifiques à l'activité de distribution comprennent :
Les frais de fonctionnement des bâtiments & ouvrages proprement dits, soit les frais d'entretien et de maintenance y compris les abords, les frais électricité, de chauffage, d'eau, de gaz, assurances, charges d'amortissements,...
Les frais de personnel affectés aux bâtiments et aux ouvrages qui ne prestent pas pour une des deux autres activités (prestations techniques & relevé des compteurs) sont déterminés sur la base des frais directs (traitement, primes et pécules divers, charges sociales patronales, assurance-loi, autres frais divers) réels ou standards.
Les autres frais sont fonction de chaque opérateur et concernent par exemple la télégestion, le service métrologie, la redevance passage SNCB,...
Les frais internes sont déterminés en appliquant la méthode dite du coût complet (exemple : télégestion reprenant les frais de matériel - amortissement, charges financières, entretien,... - les frais du personnel affecté à cette activité,...). Les frais externes correspondent en général à la valeur nominale des factures.
5. Amortissements des installations d'exploitation.
Les installations d'exploitation visent les réseaux (conduites, vannes, raccordements) et les compteurs.
Les charges d'amortissement suivent les règles d'évaluation arrêtées par le plan comptable de l'Eau.
6. Redevance et/ou indemnité d'occupation publique.
Ceci concerne la redevance et/ou l'indemnité d'occupation publique émise par les communes sur le territoire desquelles le réseau de distribution est installé.
La charge correspond à la valeur nominale de la redevance et/ou de l'indemnité.
7. Frais de structure.
Ces frais sont en général communs aux activités de production et de distribution. Ils comprennent les frais de divers services fonctionnels qui ne sont pas imputés directement au travers des coûts de prestations techniques ou de relevés des compteurs. Sont également incorporés les frais généraux administratifs et les autres frais.
Les frais des services fonctionnels se rapportent aux frais de la Direction (Direction générale, autres directions, secrétaire général, organes de gestion,...), l'administration (Services comptables, GRH, administratifs autres,...), le service juridique, le service clientèle et recouvrement (facturation, contentieux, ombudsman,...), le service des études & dessins, le service informatique. Les coûts sont déterminés selon la méthode du coût complet, c'est-à-dire qu'ils incorporent :
- les frais directs de personnel du service (traitement, primes et pécules divers, charges sociales patronales, assurance-loi, autres frais divers);
- les autres frais directs du service (achats, consommations, honoraires,...);
- une quote-part des frais du bâtiment basée sur l'occupation réelle.
Les frais sont nets des montants facturés à d'autres services ou imputés sur les prestations techniques/relevés de compteur.
Les frais généraux administratifs comprennent les autres frais non-repris dans les sections fonctionnelles énumérées ci-avant et liés à l'économat, au mobilier et matériel de bureau, à la documentation (non spécifique à un service), aux frais postaux non liés au relevé des compteurs,...
Les autres frais incorporent notamment les provisions pour risques et charges, les charges financières ainsi que les charges exceptionnelles non directement liées à l'activité de distribution, et des frais autres (à spécifier) que ceux liés aux services fonctionnels ou aux frais généraux administratifs.
8. Charges financières.
Sont mentionnées séparément sous cette rubrique les charges financières associées aux emprunts contractés pour l'acquisition d'installations d'un réseau de distribution.
Les charges financières sont imputées sur la base des charges réellement encourues.
9. Réduction de valeur sur créances douteuses, provisions pour risques et charges, charges exceptionnelles.
Les réductions de valeur sur créances douteuses sont constituées conformément aux prescrits du plan comptable de l'eau. Les dotations et reprises de provisions ainsi que les charges exceptionnelles sont comptabilisées en conformité avec les règles du droit comptable.
Les dotations et reprises de provisions pour risques et charges ainsi que les charges exceptionnelles sont reprises sous cette rubrique pour autant qu'elles soient spécifiques à l'activité distribution. Comme mentionné ci-avant, les dotations/reprises et autres charges non spécifiques sont reprises parmi les frais de structure.
10. Ajustements de coûts.
Sont repris notamment sous cette rubrique :
- les coûts supportés par des tiers pour compte de l'opérateur de distribution mais non facturés;
- les écarts entre coût réel et coût standard si ces écarts n'ont pas été imputés aux sections correspondantes.
II. CENTRES DE FRAIS INTERMEDIAIRES.
a. Frais généraux techniques.
Ces frais concernent :
- Les achats de consommables, quincaillerie, petit outillage, signalisation routière,...
- Le coût (valorisé au coût complet : amortissement, entretien, assurances, personnel de maintenance, locaux de maintenance,...) du matériel d'exploitation lourd tel que grues, compresseurs,...
- Autres.
Ils sont imputés indirectement au travers d'une quotité de frais supplémentaire grevant le taux standard horaire du coût de la main d'oeuvre.
b. Frais de magasin.
Ces frais comprennent :
- Frais de personnel du(es) magasin(s).
- Coût de véhicule(s) alloué(s) au(x) magasin(s).
- Frais de bâtiments alloués au magasin.
- Amortissements équipements.
- Consommations.
- Autres.
Ils sont imputés indirectement au travers d'une quotité de frais supplémentaire grevant le coût direct des matériaux.
c. Frais de garage.
Les frais de garage incorporent :
- Frais de personnel du(es) garage(s).
- Coût de véhicule(s) alloué(s) au(x) garage(s).
- Frais de bâtiments alloués au(x) garage(s).
- Amortissements équipements.
- Consommations.
- Autres.
Ils sont imputés indirectement au travers d'une quotité de frais supplémentaire (déplacement ou engin de génie civil) grevant le coût direct des véhicules ou des engins.
d. Frais de locaux administratifs.
Ceux-ci se composent de :
- Amortissements du(es) bâtiment(s) & travaux d'aménagements.
- Entretien.
- Réparations.
- Frais de personnel d'entretien.
- Consommables.
- Autres.
Ils sont imputés aux divers services fonctionnels sur base des surfaces occupées.
e. Autres.
Ces frais sont précisés quant à leur nature et à leur mode d'imputation.
Art. N54. <INGEVOEGD bij BWG 2005-07-14/47, art. 2; Inwerkingtreding : 26-08-2005> BIJLAGE LIV : Definitie van de rubrieken van de samenvattende exploitatierekening van de verdeler in het Waalse Gewest.
Door de samenvattende exploitatierekening kunnen voor een gegeven verdeler de reële kostprijs van de waterdistributie voor de verbruikers alsook het netto resultaat van de waterverkoop en van de " Distributieactiviteit " worden berekend.
Elke rubriek wordt kort uitgelegd.
I. Waterverkoop.
Vermeld staan de omzetcijfers van de verdeler betreffende de waterverkoop en de heffing die berekend zijn volgens de gebruikelijke boekhoudkundige regels voor bedrijven, met inbegrip van de in hoofde van het sociaal fonds gefactureerde quotiteit.
II. Totale reële kostprijs voor verbruikers.
De totale reële kostprijs voor de verbruikers bestaat uit de som van de kost van de distributienetten en van sommige specifieke bijkomende lasten die opgenomen zijn.
II.A. Distributienetten.
Deze rubriek bestaat uit de reële kostprijs van het geheel van de distributienetten voor het boekjaar.
II.B. Andere lasten opgenomen in de reële kostprijs van het water.
Deze rubriek bestaat uit verschillende lasten zoals :
- de opportuniteitskost gevormd door de heffing op de ontvangsten van een quotiteit bestemd om de vernieuwing van het netwerk te financieren, verplicht tijdens de periode waarin de aflossingslasten onvoldoende zijn om de zelffinanciering daarvan te verzekeren; die kost wordt vastgesteld als het verschil tussen de renovatiekosten van het distributienet ten belope van maximum 1,5 % en de werkelijk geboekte aflossingslasten van het net.
- de facturering van de terugbetaling van de schuld (kapitaalbedrag) als tegenprestatie voor de aandelen bij de waterverdeler.
II.C. Totale Reële Kostprijs Distributie.
De Totale Reële Kostprijs Distributie is gelijk aan de som van de reële kostprijs van de distributienetten (afdeling II.A.) en van de andere lasten die opgenomen zijn in de waterverkoopprijs (afdeling II.B.).
II.D. Totale Reële Kostprijs Sanering.
De Totale Reële Kostprijs Sanering is gelijk aan het door de " SPGE " gefactureerde bedrag op grond van de m3 die verdeeld zijn in het kader van het dienstcontract betreffende de openbare sanering van het huishoudelijk afvalwater.
II.E. Sociaal fonds.
Het sociaal fonds stemt overeen met de bijdrage ten laste van de verdelers die vastgesteld is op grond van de gefactureerde m3 water overeenkomstig het decreet van 20 februari 2003 houdende oprichting van een Sociaal Waterfonds in het Waalse Gewest.
III. Netto resultaat van de waterverkoop.
Het netto resultaat van het boekjaar is het verschil tussen de waterverkoop (rubriek I) en de totale reële kostprijs voor de verbruikers (rubriek II).
IV. Netto resultaat van de aan derden gefactureerde werken.
Het gaat om de kosten van de (technische) operationele diensten voor rekening van derden.
Overeenstemmende inkomsten staan vermeld tegenover die lasten in de vorm van een facturering aan derden (bv. voor aansluitingskosten).
V. Netto resultaat van de " Distributieactiviteit ".
Het netto resultaat van de " Distributieactiviteit " bestaat uit de som van het nettoresultaat van de waterverkoop (rubriek III) en van het nettoresultaat van de aan derden gefactureerde netto werken (rubriek IV).
VI. Aanvullende informatie.
De kost van de voor eigen rekening uitgevoerde werken (de zogenaamde " vaste productie ") staat vermeld bij wijze van aanvullende informatie. De vaste productie bevat het geheel van de door de diensten van de verdeler uitgevoerde werken.
Art. N54. ANNEXE LIV : Définition des rubriques du compte d'exploitation récapitulatif du distributeur en Région wallonne.
Le compte d'exploitation récapitulatif permet de déterminer pour un distributeur donné, le coût-vérité total aux consommateurs de la distribution d'eau, le résultat net de la vente d'eau et le résultat net de l'activité " Distribution ".
Chaque rubrique est commentée brièvement.
I. Ventes d'eau.
Sont repris les chiffres d'affaires du distributeur relatif aux ventes d'eau et à la redevance établis selon les règles comptables usuelles des entreprises, y compris la quotité facturée au titre du fonds social.
II. Cout-Vérité total aux consommateurs.
Le coût-vérité total aux consommateurs se compose de la somme du coût des réseaux de distribution et de certaines charges additionnelles spécifiques incorporées.
II.A. Réseaux de Distribution.
Cette rubrique se compose du coût-vérité de l'ensemble des réseaux de distribution de l'exercice.
II.B. Autres charges incorporées dans le coût-vérité de l'eau.
Cette rubrique se compose de diverses charges, comme :
- le coût d'opportunité constitué par le prélèvement sur les recettes d'une quotité destinée à financer le renouvellement du réseau, rendu obligatoire pendant la période où les charges d'amortissement sont insuffisantes pour en assurer l'autofinancement; ce coût est déterminé comme la différence entre le coût de renouvellement du réseau de distribution à hauteur de maximum 1,5 % et les charges d'amortissement du réseau réellement comptabilisées;
- la facturation du remboursement de la dette (montant du capital) en contrepartie des parts dans l'entité de distribution d'eau.
II.C. Coût-Vérité Distribution Total.
Le Coût-Verité Distribution Total (CVDT) correspond à la somme du coût vérité des réseaux de distribution (section II.A.) et des autres charges incorporées au prix de vente d'eau (section II.B.).
II.D. Coût-Vérité Assainissement Total.
Le Coût-Vérité Assainissement Total (CVAT) correspond au montant facturé par la SPGE sur base des m3 distribués dans le cadre du contrat de service relatif à l'assainissement public des eaux usées domestiques.
II.E. Fonds social.
Le fonds social correspond à la contribution à charge des distributeurs fixée sur la base des mètres cubes d'eau facturés conformément au décret du 20 février 2003 relatif à la création d'un fonds social de l'eau en Région wallonne.
III. Résultat net de la vente d'eau.
Le résultat net de l'exercice est la différence entre les ventes d'eau (rubrique I) et le coût-vérité total aux consommateurs (rubrique II).
IV. Résultat net des travaux facturés aux tiers.
Il s'agit des frais des services opérationnels (techniques) réalisés pour des tiers.
Des revenus correspondants sont reconnus en regard de ces charges sous la forme d'une facturation aux tiers (par exemple pour les frais de raccordement).
V. Résultat net de l'activité " Distribution ".
Le résultat net de l'activité " Distribution " se compose de la somme du résultat net de la vente d'eau (rubrique III) et du résultat net des travaux nets facturés aux tiers (rubrique IV).
VI. Information complémentaire.
Le coût des travaux réalisés pour compte propre (aussi appelée production immobilisée) est mentionné à titre d'information complémentaire. La production immobilisée comprend l'ensemble des travaux réalisés par les services du distributeur.
Art. N55. [1 BIJLAGE LV. - Bepalingen betreffende de riviercontracten.
A. Minimuminhoud van het voorbereidend dossier voor het riviercontract.
Het voorbereidend dossier voor het riviercontract waarvan sprake in artikel R.51 omvat minstens volgende gegevens :
een presentatie van de initiatiefnemer;
de aanwijzing van het betrokken onderstroomgebied of van het vak van het onderstroomgebied betrokken bij het project en de lijst van de gemeenten op het grondgebied waarvan hij/zij gelegen is;
een bibliografisch onderzoek betreffende de bestaande toestand;
een omschrijving van de oorspronkelijke toestand van het betrokken stroomgebied, opgesteld op grond van de beschikbare gegevens;
een samenvatting van de plaatselijke belangen of problemen die aanzetten tot de invoering van een riviercontract;
de beraadslaging en het besluit van de gemeenteraden waarbij beslist wordt aan te sluiten bij een riviercontract en dit contract te financieren voor de duur van het neerschrijven van het protocolakkoord;
het advies van de provinciecolleges, opgenomen in de beraadslagingen en besluiten van de provinciecolleges op het dossier als de provincies eraan deelachtig zijn;
de vermelding van de vorm, als vereniging of vennootschap, die gekozen is voor de oprichting van het riviercontract en de ontwerp-statuten van de rechtspersoon;
de aard en de resultaten van de gezamenlijke, reeds aangevatte raadplegingen;
10° de bestaande lokale structuren die als doorgeefluik willen optreden voor het neerschrijven van het protocolakkoord en hun middelen (logistieke, technische, wetenschappelijke, financiële steun);
11° de gedetailleerde vermelding van de begrotingsposten in verband met het riviercontract tijdens het neerschrijven van het ontwerp van protocolakkoord waarvan sprake in artikel R.52, § 1, het jaarlijks bedrag van de verbintenis van elke betrokken gemeente en provincie in de deelname aan de werking ervan gedurende de duur van het neerschrijven van het protocolakkoord;
12° de omschrijving van de activiteitengebieden van het riviercontract;
13° de omschrijving van het grotere verband : algemene werkmethode, werkprogramma en deelnamemethode;
14° de juiste samenstelling van het riviercomité waarin de groepen waarvan sprake in artikel D.32, § 1, lid 2, gedetailleerd opgenomen zijn.
B. Jaarlijks activiteitenverslag.
Het jaarlijks activiteitenverslag bevat minstens :
de algemene voortgang van de opdrachten van het riviercontract;
het aantal acties voorzien voor het afgelopen jaar;
het aantal en de omvang van de in het afgelopen jaar daadwerkelijk uitgevoerde acties, gerangschikt in functie van de aanvankelijke planning in het programma (dat jaar, de vorige jaren of buiten het programma om);
een korte samenvatting van elke gevoerde actie (beëindigd of lopende);
de invoering en de voortgang van de terreininventaris, de invoering van de gegevens en de opstelling van de kaartdocumenten;
de opstelling van een verbindingsbrief tussen de leden van het riviercontract;
de animaties en de sensibilisering van het brede publiek en de doelgroepen;
een persoverzicht;
de thema's van de werkgroepen en de voortgang van de werkzaamheden;
10° het aantal en de data's van de ontmoetingen met de gemeente- en provinciecolleges, van de vergaderingen van het Bureau, de werkgroepen, van de vergaderingen van het riviercomité;
11° de samenvatting van de positieve en negatieve punten waargenomen tijdens het afgelopen jaar, met betrekking tot zowel de uitvoering van de projecten en de tot stand gebrachte algemene werkmethode, zoals het deelnamecijfer en de moeilijkheden bij de uitvoering van sommige projecten;
12° het voorstellen van oplossingen voorgedragen door het riviercomité voor betere resultaten van het riviercontract (voorstellen tot verhelping voor de komende jaren);
13° een tabel van de gevoerde onderzoeken, waarbij minstens hun opschrift, auteur, de nagestreefde doelstellingen en de verkregen resultaten opgenomen worden;
14° het overzicht van de uitgaven verricht tijdens het afgelopen jaar volgens de verschillende begrotingsposten (personeel, verplaatsingen, werkingen, onderaanneming, voorlichting, sensibilisering), goedgekeurd door het riviercomité;
15° de previsionele bedragen van het volgende jaar, gebudgetiseerd voor de verschillende posten, goedgekeurd door het riviercomité.
In bijlage bij het jaarverslag worden gevoegd :
de adresgegevens van de daadwerkelijke deelnemers aan de vergaderingen van de gemeente- en provinciecolleges, van de raad van bestuur, aan de werkgroepen, aan de vergaderingen van de algemene vergadering van het riviercontract;
de notulen, op papieren en elektronische informatiedrager, van die vergaderingen;
een exemplaar van alle documenten opgesteld en verspreid door het riviercontract inzake voorlichting en sensibilisering, zoals dozen en plaatjes.
C. Bedrag van de gewestelijke werkingssubsidies per onderstroomgebied :
Art. N55. [1 Annexe LV. - Dispositions relatives aux contrats de rivière.
A. Contenu minimal du dossier préparatoire au contrat de rivière.
Le dossier préparatoire au contrat de rivière visé à l'article R.51 comprend au minimum les éléments suivants :
une présentation de l'initiateur;
la désignation du sous-bassin hydrographique concerné ou de la portion de sous-bassin hydrographique concernée par le projet et la liste des communes sur le territoire desquelles il (elle) est sis(e);
une étude bibliographique relative à la situation existante;
une définition de l'état initial du réseau hydrographique concerné, établi au départ des données disponibles;
un récapitulatif des intérêts ou problèmes locaux qui plaident en faveur de la mise en place d'un contrat de rivière;
La délibération des conseils communaux décidant d'adhérer au contrat de rivière et de financer celui-ci pour la durée de l'élaboration du protocole d'accord;
l'avis des collèges provinciaux, reprise dans les délibérations des collèges provinciaux sur le dossier si les provinces sont parties prenantes;
la mention de la forme associative ou sociétale choisie pour la création du contrat de rivière et le projet de statuts de la personne morale;
la nature et les résultats de l'ensemble des consultations déjà engagées;
10° les structures locales existantes qui acceptent de servir de relais pour l'élaboration du protocole d'accord et leurs moyens (appuis logistiques, techniques, scientifiques, financiers);
11° reprend le détail des postes budgétaires liés au fonctionnement du contrat de rivière durant l'élaboration du projet de protocole d'accord visé à l'article R.52, § 1er, le montant annuel de l'engagement de chaque commune et de chaque province concernée dans la participation au fonctionnement de celui-ci pendant la durée d'élaboration du protocole d'accord;
12° la description des domaines d'activités du contrat de rivière;
13° la définition du cadre de travail : méthodologie générale, programme de travail et méthode de participation;
14° la composition précise du comité de rivière détaillant les groupes visés à l'article D.32, § 1er, alinéa 2.
B. Rapport annuel d'activités.
Le rapport annuel d'activités contient au minimum :
l'état d'avancement général des missions du contrat de rivière;
le nombre d'actions prévues pour l'année écoulée;
le nombre et l'ampleur des actions effectivement réalisées dans l'année écoulée, classées en fonction de leur planning initial dans le programme (cette année-là, les années antérieures ou hors programme);
une synthèse succincte de chaque action menée (finalisée ou en cours);
la mise en place et l'état d'avancement de l'inventaire de terrain, de l'encodage et de la cartographie;
la rédaction d'un bulletin de liaison entre les membres du contrat de rivière;
les animations et sensibilisation du grand public et de publics ciblés;
une revue de presse;
les thématiques des groupes de travail et l'état d'avancement des travaux;
10° le nombre et les dates des entrevues avec les collèges communaux et provincial(aux), des réunions du Bureau, des groupes de travail, des réunions du comité de rivière;
11° la synthèse des points positifs et négatifs observés dans le courant de l'année écoulée, concernant tant la mise en oeuvre des projets que la méthodologie générale développée, tels le taux de participation et les difficultés de mise en oeuvre de certains projets;
12° la formulation de solutions préconisées par le comité de rivière pour améliorer les résultats du contrat de rivière (propositions de remédiation pour les années futures);
13° un tableau des études menées, reprenant au minimum leur intitulé, leur auteur, les objectifs poursuivis et les résultats obtenus;
14° le relevé des dépenses effectuées pendant l'année écoulée suivant les différents postes budgétaires (personnel, déplacements, fonctionnement, sous-traitance, information, sensibilisation), approuvé par le comité de rivière;
15° les montants prévisionnels de l'année suivante budgétisés pour les différents postes, approuvés par le comité de rivière.
En annexe du rapport annuel sont joints :
les coordonnées des participants effectifs, aux réunions des collèges communaux et provincial(aux), du conseil d'administration, aux groupes de travail, aux réunions de l'assemblée générale du contrat de rivière;
les procès-verbaux, sur format papier et sur support informatique, de ces réunions;
un exemplaire de tous les documents rédigés et diffusés par le contrat de rivière en matière d'information et de sensibilisation, tels que toutes boîtes et plaquettes d'information.
C. Montant des subventions régionales de fonctionnement par sous-bassin hydrographique :
OnderstroomgebiedMaximum jaarlijks bedrag van het
gewestelijk aandeel in de
werkingssubsidie * (euro)
Ambleve/Amel95 167,49
Dender89 796,63
Dijle-Gete113 621,74
Schelde-Leie105 829,86
Haine129 564,30
Lesse100 463,39
Maas stroomopwaarts133 240,63
Maas stroomafwaarts193 601,39
Moesel83 511,78
Oise2 312,41
Ourthe122 497,21
Samber176 904,03
Semois-Chiers117 570,47
Zenne98 935,35
Vesder102 983,32

Wijzigingen

</td></tr><tr><td valign="top">TOTAAL</td><td valign="top">1 666 000,00</td></tr></table>OnderstroomgebiedMaximum jaarlijks bedrag van hetgewestelijk aandeel in dewerkingssubsidie * (euro)Ambleve/Amel95 167,49Dender89 796,63Dijle-Gete113 621,74Schelde-Leie105 829,86Haine129 564,30Lesse100 463,39Maas stroomopwaarts133 240,63Maas stroomafwaarts193 601,39Moesel83 511,78Oise2 312,41Ourthe122 497,21Samber176 904,03Semois-Chiers117 570,47Zenne98 935,35Vesder102 983,32------------TOTAAL1 666 000,00
Sous-bassin hydrographiqueMontant annuel maximal de la part
regionale de la subvention de
fonctionnement * (euros)
Ambleve95 167,49
Dendre89 796,63
Dyle-Gette113 621,74
Escaut-Lys105 829,86
Haine129 564,30
Lesse100 463,39
Meuse amont133 240,63
Meuse aval193 601,39
Moselle83 511,78
Oise2 312,41
Ourthe122 497,21
Sambre176 904,03
Semois-Chiers117 570,47
Senne98 935,35
Vesdre102 983,32

Wijzigingen

</td></tr><tr><td valign="top">TOTAL</td><td valign="top">1 666 000,00</td></tr></table>Sous-bassin hydrographiqueMontant annuel maximal de la partregionale de la subvention defonctionnement * (euros)Ambleve95 167,49Dendre89 796,63Dyle-Gette113 621,74Escaut-Lys105 829,86Haine129 564,30Lesse100 463,39Meuse amont133 240,63Meuse aval193 601,39Moselle83 511,78Oise2 312,41Ourthe122 497,21Sambre176 904,03Semois-Chiers117 570,47Senne98 935,35Vesdre102 983,32------------TOTAL1 666 000,00
* Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten.
Het gewestelijk subsidieaandeel is verbonden aan de voorwaarde dat de betrokken gemeenten of provincie(s) hun betalingen uitvoeren.]1
* Dans les limites des crédits budgétaires disponibles.
La part de la subvention régionale est conditionnée aux paiements des communes et de la ou des province(s) concernée(s).]1
Art. N55 bis. ANNEXE LVbis. - Formulaire de demande de déclaration d'utilité publique.
(NOTE : l'ARW 2009-02-12/38, art. 2, 019; Inwerkingtreding : 30-03-2009, ajoute une annexe LVbis. Cette nouvelle annexe LV est omise par Justel pour motifs techniques. Voir M.B. 10-03-2009, p. 21151-21153)
Art. N55 ter. BIJLAGE LVter. - Tabel van de referentietermijnen voor het in overeenstemming brengen
Art. N55 ter. [1 ANNEXE LVter - Tableau des délais de référence de mise en conformité
DoelGebied IIaGebied IIb
Referentie
van het artikel
TermijnenReferentie
van het artikel
Termijnen
circuits of terreinen voor motorsportenR. 165. § 1, 1°2 jaarR. 165. § 1, 1°4 jaar
verliesputten, met de afvoer van het regenwater inbegrepenR. 165. § 1, 2°2 jaarR. 165. § 1, 2°4 jaar
Bovengrondse opslag van koolwaterstoffen en stoffen van lijst I of IIR. 165. § 2, 3°3 jaarR. 165. § 2, 3°4 jaar
Bovengrondse opslag van vaste stoffen van lijst I of IIR. 165. § 2, 4°3 jaarR. 165. § 2, 4°4 jaar
Leiding voor koolwaterstoffen en producten lijst I of IIR. 165. § 2, 5°3 jaarR. 165. § 2, 5°4 jaar
overdekte omheinde dierenruimtenR. 165. § 2, 7°2 jaarR. 165. § 2, 7°2 jaar
installatie voor de wegwerking of de valorisatie van afvalR. 165. § 2, 8°2 jaarR. 165. § 2, 8°2 jaar
Opslag van bestaande vloeibare koolwaterstoffenR. 165. § 3, 1°3 jaarR. 165. § 3, 1°12 jaar
in onbruik geraakte tanksR. 165. § 3, 2°3 jaarR. 165. § 3, 2°4 jaar
individueel zuiveringsssysteem (noodgeval of uitzonderlijk geval)R. 165. § 3, 3°onmiddellijkR. 165. § 3, 3°onmiddellijk
centrum voor technische ondergravingR. 166. § 1, 1°4 jaarR. 167. § 1er, 1°4 jaar
Ingegraven opslag van koolwaterstoffen en gevaarlijke stoffenR. 166. § 1, 2°Volgens de dichtheidstests bedoeld in artikel R. 167 § 5 en uiterlijk binnen drie jaarR. 165. § 2, 3° en § 3, 1°Volgens de dichtheidstests bedoeld in artikel R. 167 § 5 en uiterlijk binnen twaalf jaar
ondergrondse verspreiding van huishoudelijke effluentenR. 166. § 1, 3°2 jaar
opslag van organische stoffen buiten de productiesiteR. 166. § 1, 4°1 jaar
plaats met een permanente dierenconcentratieR. 166. § 1, 5°1 jaar
opslag van risicoproductenR. 166. § 1, 6°2 jaar
niet-waterdichte vergaarkomR. 166. § 1, 7°4 jaar
kampeerterreinR. 166. § 1, 8°2 jaar
bestaande wegR. 166. § 2, 1°, eerste lid2 jaar
nieuwe wegR. 166. § 2, 1°, tweede lidonmiddellijk
parkeerzone > 5 voertuigenR. 166. § 2, 2°2 jaar
riool, afvoerleiding of waterdichte geulR. 166. § 2, 3°2 jaar
mobiele bestaande plaats met dierenconcentratieR. 166. § 2, 4°1 jaar
transformatorR. 166. § 2, 5°2 jaarR. 167. § 2, 3°2 jaar
Opslag op de hoeve van dierlijke meststoffen en opslag van inkuilingsproductenR. 166. § 3, 1°, eerste en derde lid2 jaarR. 167. § 2, 2°, behalve vierde lid2 jaar
Ingegraven tank voor de opslag van koolwaterstoffen en stoffen van de lijsten I of II R. 167. § 2, 4°4 jaar
bord R. 167. § 3, 1°1 jaar
DoelGebied IIaGebied IIb
Referentie
van het artikel
TermijnenReferentie
van het artikelTermijnen
circuits of terreinen voor motorsportenR. 165. § 1, 1°2 jaarR. 165. § 1, 1°4 jaar
verliesputten, met de afvoer van het regenwater inbegrepenR. 165. § 1, 2°2 jaarR. 165. § 1, 2°4 jaar
Bovengrondse opslag van koolwaterstoffen en stoffen van lijst I of IIR. 165. § 2, 3°3 jaarR. 165. § 2, 3°4 jaar
Bovengrondse opslag van vaste stoffen van lijst I of IIR. 165. § 2, 4°3 jaarR. 165. § 2, 4°4 jaar
Leiding voor koolwaterstoffen en producten lijst I of IIR. 165. § 2, 5°3 jaarR. 165. § 2, 5°4 jaar
overdekte omheinde dierenruimtenR. 165. § 2, 7°2 jaarR. 165. § 2, 7°2 jaar
installatie voor de wegwerking of de valorisatie van afvalR. 165. § 2, 8°2 jaarR. 165. § 2, 8°2 jaar
Opslag van bestaande vloeibare koolwaterstoffenR. 165. § 3, 1°3 jaarR. 165. § 3, 1°12 jaar
in onbruik geraakte tanksR. 165. § 3, 2°3 jaarR. 165. § 3, 2°4 jaar
individueel zuiveringsssysteem (noodgeval of uitzonderlijk geval)R. 165. § 3, 3°onmiddellijkR. 165. § 3, 3°onmiddellijk
centrum voor technische ondergravingR. 166. § 1, 1°4 jaarR. 167. § 1er, 1°4 jaar
Ingegraven opslag van koolwaterstoffen en gevaarlijke stoffenR. 166. § 1, 2°Volgens de dichtheidstests bedoeld in artikel R. 167 § 5 en uiterlijk binnen drie jaarR. 165. § 2, 3° en § 3, 1°Volgens de dichtheidstests bedoeld in artikel R. 167 § 5 en uiterlijk binnen twaalf jaar
ondergrondse verspreiding van huishoudelijke effluentenR. 166. § 1, 3°2 jaar
opslag van organische stoffen buiten de productiesiteR. 166. § 1, 4°1 jaar
plaats met een permanente dierenconcentratieR. 166. § 1, 5°1 jaar
opslag van risicoproductenR. 166. § 1, 6°2 jaar
niet-waterdichte vergaarkomR. 166. § 1, 7°4 jaar
kampeerterreinR. 166. § 1, 8°2 jaar
bestaande wegR. 166. § 2, 1°, eerste lid2 jaar
nieuwe wegR. 166. § 2, 1°, tweede lidonmiddellijk
parkeerzone > 5 voertuigenR. 166. § 2, 2°2 jaar
riool, afvoerleiding of waterdichte geulR. 166. § 2, 3°2 jaar
mobiele bestaande plaats met dierenconcentratieR. 166. § 2, 4°1 jaar
transformatorR. 166. § 2, 5°2 jaarR. 167. § 2, 3°2 jaar
Opslag op de hoeve van dierlijke meststoffen en opslag van inkuilingsproductenR. 166. § 3, 1°, eerste en derde lid2 jaarR. 167. § 2, 2°, behalve vierde lid2 jaar
Ingegraven tank voor de opslag van koolwaterstoffen en stoffen van de lijsten I of IIR. 167. § 2, 4°4 jaar
bordR. 167. § 3, 1°1 jaar
]1
ObjetZone IIaZone IIb
Référence
de l'article
DélaisRéférence
de l'article
Délais
circuit ou terrain de sports moteursR. 165. § 1er, 1°2 ansR. 165. § 1er, 1°4 ans
puits perdu, y compris pour l'évacuation des eaux pluvialesR. 165. § 1er, 2°2 ansR. 165. § 1er, 2°4 ans
Stockage aérien d'hydrocarbures et de substances des listes I ou IIR. 165. § 2, 3°3 ansR. 165. § 2, 3°4 ans
Stockage aérien de substances solides des listes I ou IIR. 165. § 2, 4°3 ansR. 165. § 2, 4°4 ans
Conduite transport d'hydrocarbures et de produits liste I ou IIR. 165. § 2, 5°3 ansR. 165. § 2, 5°4 ans
enclos couvert pour animauxR. 165. § 2, 7°2 ansR. 165. § 2, 7°2 ans
installation d'élimination ou de valorisation des déchetsR. 165. § 2, 8°2 ansR. 165. § 2, 8°2 ans
Stockage d'hydrocarbures liquides existantsR. 165. § 3, 1°3 ansR. 165. § 3, 1°12 ans
réservoir abandonnéR. 165. § 3, 2°3 ansR. 165. § 3, 2°4 ans
système d'épuration individuelle (cas d'urgence ou exceptionnels)R. 165. § 3, 3°immédiatR. 165. § 3, 3°immédiat
centre d'enfouissement techniqueR. 166. § 1er, 1°4 ansR. 167. § 1er, 1°4 ans
Stockage enterré d'hydrocarbures et de substances dangereusesR. 166. § 1er, 2°Suivant tests d'étanchéité prévus à l'article R. 167. § 5 et au plus tard dans les 3 ansR. 165. § 2, 3° et § 3, 1°Suivant tests d'étanchéité prévus à l'article R. 167. § 5 et au plus tard dans les 12 ans
épandage souterrain d'effluents domestiquesR. 166. § 1er, 3°2 ans
stockage de matières organiques en dehors du site de productionR. 166. § 1er, 4°1 an
lieu de concentration d'animaux à caractère permanentR. 166. § 1er, 5°1 an
entreposage de produits à risquesR. 166. § 1er, 6°2 ans
bassin d'orage non étanchesR. 166. § 1er, 7°4 ans
terrain de campingR. 166. § 1er, 8°2 ans
voirie existanteR. 166. § 2, 1°, 1er alinéa2 ans
voirie nouvelleR. 166. § 2, 1°, 2 e alinéaimmédiat
aire de stationnement > 5 véhiculesR. 166. § 2, 2°2 ans
égout, conduit d'évacuation ou caniveau étancheR. 166. § 2, 3°2 ans
lieu de concentration d'animaux mobile existantR. 166. § 2, 4°1 an
transformateurR. 166. § 2, 5°2 ansR. 167. § 2, 3°2 ans
stockage à la ferme d'effluents d'élevage et stockage de produits d'ensilageR. 166. § 3, 1°, 1er et 3 e alinéas2 ansR. 167. § 2, 2°, sauf 4 e alinéa2 ans
Réservoir enterré pour stockage d'hydrocarbures et de substances des listes I ou II R. 167. § 2, 4°4 ans
panneau R. 167. § 3, 1°1 an
ObjetZone IIaZone IIb
Référence
de l'articleDélaisRéférence
de l'articleDélais
circuit ou terrain de sports moteursR. 165. § 1er, 1°2 ansR. 165. § 1er, 1°4 ans
puits perdu, y compris pour l'évacuation des eaux pluvialesR. 165. § 1er, 2°2 ansR. 165. § 1er, 2°4 ans
Stockage aérien d'hydrocarbures et de substances des listes I ou IIR. 165. § 2, 3°3 ansR. 165. § 2, 3°4 ans
Stockage aérien de substances solides des listes I ou IIR. 165. § 2, 4°3 ansR. 165. § 2, 4°4 ans
Conduite transport d'hydrocarbures et de produits liste I ou IIR. 165. § 2, 5°3 ansR. 165. § 2, 5°4 ans
enclos couvert pour animauxR. 165. § 2, 7°2 ansR. 165. § 2, 7°2 ans
installation d'élimination ou de valorisation des déchetsR. 165. § 2, 8°2 ansR. 165. § 2, 8°2 ans
Stockage d'hydrocarbures liquides existantsR. 165. § 3, 1°3 ansR. 165. § 3, 1°12 ans
réservoir abandonnéR. 165. § 3, 2°3 ansR. 165. § 3, 2°4 ans
système d'épuration individuelle (cas d'urgence ou exceptionnels)R. 165. § 3, 3°immédiatR. 165. § 3, 3°immédiat
centre d'enfouissement techniqueR. 166. § 1er, 1°4 ansR. 167. § 1er, 1°4 ans
Stockage enterré d'hydrocarbures et de substances dangereusesR. 166. § 1er, 2°Suivant tests d'étanchéité prévus à l'article R. 167. § 5 et au plus tard dans les 3 ansR. 165. § 2, 3° et § 3, 1°Suivant tests d'étanchéité prévus à l'article R. 167. § 5 et au plus tard dans les 12 ans
épandage souterrain d'effluents domestiquesR. 166. § 1er, 3°2 ans
stockage de matières organiques en dehors du site de productionR. 166. § 1er, 4°1 an
lieu de concentration d'animaux à caractère permanentR. 166. § 1er, 5°1 an
entreposage de produits à risquesR. 166. § 1er, 6°2 ans
bassin d'orage non étanchesR. 166. § 1er, 7°4 ans
terrain de campingR. 166. § 1er, 8°2 ans
voirie existanteR. 166. § 2, 1°, 1er alinéa2 ans
voirie nouvelleR. 166. § 2, 1°, 2 e alinéaimmédiat
aire de stationnement > 5 véhiculesR. 166. § 2, 2°2 ans
égout, conduit d'évacuation ou caniveau étancheR. 166. § 2, 3°2 ans
lieu de concentration d'animaux mobile existantR. 166. § 2, 4°1 an
transformateurR. 166. § 2, 5°2 ansR. 167. § 2, 3°2 ans
stockage à la ferme d'effluents d'élevage et stockage de produits d'ensilageR. 166. § 3, 1°, 1er et 3 e alinéas2 ansR. 167. § 2, 2°, sauf 4 e alinéa2 ans
Réservoir enterré pour stockage d'hydrocarbures et de substances des listes I ou IIR. 167. § 2, 4°4 ans
panneauR. 167. § 3, 1°1 an
]1
Art. N55 quater. [1 BIJLAGE LVquater - Tabel van de referentietermijnen voor het in overeenstemming brengen
Art. N55 quater. [1 Annexe LVquater - Tableau des délais de référence de mise en conformité
Doel Gebied IIa Gebied IIB
Referentie van het artikel Termijnen Referentie van het artikel Termijnen
Verliesputten, met de afvoer van het regenwater inbegrepen R.165. § 1, 2° 2 jaar R.165. § 1, 2° 4 jaar
Opslag van stoffen van de lijsten I of II R.165. § 2, 3° 3 jaar R.165. § 2, 3°° 4 jaar
Opslag van 100 liter tot 3 000 liter koolwaterstoffenR.165. § 2, 3° Einde van de levensduur van de tank of elke toestand die het vervuilingsrisico imminent maakt R.165. § 2, 3° Einde van de levensduur van de tank of elke toestand die het vervuilingsrisico imminent maakt
Opslag van koolwaterstoffen in een voorkomingsgebied waarin de waterwinning voor menselijke consumptie bestemd is in de vorm van verpakt bron- of natuurlijk mineraal water R.165. § 2, 3° 3 jaar R.165. § 2, 3° 4 jaar
Bovengrondse opslag van vaste stoffen van de lijsten I of II R.165. § 2, 4° 3 jaar R.165. § 2, 4° 4 jaar
Leiding voor koolwaterstoffen en producten lijst I of II R.165. § 2, 5° 3 jaar R.165. § 2, 5° 4 jaar
Overdekte omheinde dierenruimten R.165. § 2, 7° 2 jaar R.165. § 2, 7° 2 jaar
De opslag en de installaties voor de verzameling, de verwijdering of de valorisatie van afval bedoeld in het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen R.165. § 2, 8° 2 jaar R.165. § 2, 8° 2 jaar
In onbruik geraakte tank R.165. § 3, 2° 3 jaar R.165. § 3, 2° 4 jaar
Individueel zuiveringssysteem (noodgeval of uitzonderlijk geval) R.165. § 3, 3° Onmiddellijk R.165. § 3, 3° Onmiddellijk
Centrum voor technische ondergraving R.166. § 1, 1° 4 jaar R.167. § 1, 1° 4 jaar
Opslag van producten die stoffen van lijst I of II bevatten, met inbegrip van meststoffen R.166. § 1, 2° 3 jaar
Ondergrondse verspreiding van huishoudelijke effluenten R.166. § 1, 3° 2 jaar
Opslag van organische stoffen buiten de productiesite R.166. § 1, 4° 1 jaar
Plaats met een permanente dierenconcentratie R.166. § 1, 5° 1 jaar
Opslag van risicoproducten R.166. § 1, 6° 2 jaar
Niet-waterdichte vergaarkom R.166. § 1, 7° 4 jaar
Kampeerterreinen R.166. § 1, 8° 2 jaar
Bestaande weg R.166. § 2, 1°, eerste lid 2 jaar
Nieuwe weg R.166. § 2, 1°, tweede lid Onmiddellijk
Parkeerzone > 5 voertuigen R.166. § 2, 2° 2 jaar
Riool, afvoerleiding of waterdichte geul R.166. § 2, 3° 2 jaar
Mobiele bestaande plaats met dierenconcentratie R.166. § 2, 4° 1 jaar
Transformator R.166. § 2, 5° 2 jaar R.167. § 2, 3° 2 jaar
Opslag op de hoeve van dierlijke meststoffen en opslag van inkuilingsproducten R.166. 3, 1°, eerste en derde lid 2 jaar R.167. § 2, 2°, behalve vierde lid 2 jaar
Bord R.167. § 3, 1° 1 jaar
Doel Gebied IIa Gebied IIBReferentie van het artikel Termijnen Referentie van het artikel Termijnen
Verliesputten, met de afvoer van het regenwater inbegrepen R.165. § 1, 2° 2 jaar R.165. § 1, 2° 4 jaarOpslag van stoffen van de lijsten I of II R.165. § 2, 3° 3 jaar R.165. § 2, 3°° 4 jaarOpslag van 100 liter tot 3 000 liter koolwaterstoffen
R.165. § 2, 3° Einde van de levensduur van de tank of elke toestand die het vervuilingsrisico imminent maakt R.165. § 2, 3° Einde van de levensduur van de tank of elke toestand die het vervuilingsrisico imminent maaktOpslag van koolwaterstoffen in een voorkomingsgebied waarin de waterwinning voor menselijke consumptie bestemd is in de vorm van verpakt bron- of natuurlijk mineraal water R.165. § 2, 3° 3 jaar R.165. § 2, 3° 4 jaarBovengrondse opslag van vaste stoffen van de lijsten I of II R.165. § 2, 4° 3 jaar R.165. § 2, 4° 4 jaarLeiding voor koolwaterstoffen en producten lijst I of II R.165. § 2, 5° 3 jaar R.165. § 2, 5° 4 jaarOverdekte omheinde dierenruimten R.165. § 2, 7° 2 jaar R.165. § 2, 7° 2 jaarDe opslag en de installaties voor de verzameling, de verwijdering of de valorisatie van afval bedoeld in het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen R.165. § 2, 8° 2 jaar R.165. § 2, 8° 2 jaarIn onbruik geraakte tank R.165. § 3, 2° 3 jaar R.165. § 3, 2° 4 jaarIndividueel zuiveringssysteem (noodgeval of uitzonderlijk geval) R.165. § 3, 3° Onmiddellijk R.165. § 3, 3° OnmiddellijkCentrum voor technische ondergraving R.166. § 1, 1° 4 jaar R.167. § 1, 1° 4 jaarOpslag van producten die stoffen van lijst I of II bevatten, met inbegrip van meststoffen R.166. § 1, 2° 3 jaar Ondergrondse verspreiding van huishoudelijke effluenten R.166. § 1, 3° 2 jaar Opslag van organische stoffen buiten de productiesite R.166. § 1, 4° 1 jaar Plaats met een permanente dierenconcentratie R.166. § 1, 5° 1 jaar Opslag van risicoproducten R.166. § 1, 6° 2 jaar Niet-waterdichte vergaarkom R.166. § 1, 7° 4 jaar Kampeerterreinen R.166. § 1, 8° 2 jaar Bestaande weg R.166. § 2, 1°, eerste lid 2 jaar Nieuwe weg R.166. § 2, 1°, tweede lid Onmiddellijk Parkeerzone > 5 voertuigen R.166. § 2, 2° 2 jaar Riool, afvoerleiding of waterdichte geul R.166. § 2, 3° 2 jaar Mobiele bestaande plaats met dierenconcentratie R.166. § 2, 4° 1 jaar Transformator R.166. § 2, 5° 2 jaar R.167. § 2, 3° 2 jaarOpslag op de hoeve van dierlijke meststoffen en opslag van inkuilingsproducten R.166. 3, 1°, eerste en derde lid 2 jaar R.167. § 2, 2°, behalve vierde lid 2 jaarBord R.167. § 3, 1° 1 jaar
]1
Objet Zone IIa Zone IIb
Référence de l'article Délais Référence de l'article Délais
Puits perdu, y compris pour l'évacuation des eaux pluviales R.165. § 1er, 2° 2 ans R.165. § 1er, 2° 4 ans
Stockage de substances des listes I ou II R.165. § 2, 3° 3 ans R.165. § 2, 3°° 4 ans
Stockage d'hydrocarbures de 100 à moins de 3 000 litres R.165. § 2, 3° Fin de vie du réservoir ou toute situation rendant le risque de pollution imminent R.165. § 2, 3° Fin de vie du réservoir ou toute situation rendant le risque de pollution imminent
Stockage d'hydrocarbures dans une zone de prévention pour laquelle la prise d'eau est destinée à la consommation humaine sous forme conditionnée d'eau de source ou minérale naturelle R.165. § 2, 3° 3 ans R.165. § 2, 3° 4 ans
Stockage aérien de substances solides des listes I ou II R.165. § 2, 4° 3 ans R.165. § 2, 4° 4 ans
Conduite transport d'hydrocarbures et de produits liste I ou II R.165. § 2, 5° 3 ans R.165. § 2, 5° 4 ans
Enclos couvert pour animaux R.165. § 2, 7° 2 ans R.165. § 2, 7° 2 ans
Les stockages et les installations de regroupement, d'élimination ou de valorisation des déchets visés par le décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets R.165. § 2, 8° 2 ans R.165. § 2, 8° 2 ans
Réservoir abandonné R.165. § 3, 2° 3 ans R.165. § 3, 2° 4 ans
Système d'épuration individuelle (cas d'urgence ou exceptionnels) R.165. § 3, 3° Immédiat R.165. § 3, 3° immédiat
Centre d'enfouissement technique R.166. § 1er, 1° 4 ans R.167. § 1er, 1° 4 ans
Stockage de produits contenant des substances des listes I ou II, y compris les engrais R.166 § 1er, 2° 3 ans
Epandage souterrain d'effluents domestiques R.166. § 1er, 3° 2 ans
Stockage de matières organiques en dehors du site de production R.166. § 1er, 4° 1 an
Lieu de concentration d'animaux à caractère permanent R.166. § 1er, 5° 1 an
Entreposage de produits à risques R.166. § 1er, 6° 2 ans
Bassin d'orage non étanches R.166. § 1er, 7° 4 ans
Terrain de camping R.166. § 1er, 8° 2 ans
Voirie existante R.166. § 2, 1°, 1er alinéa 2 ans
Voirie nouvelle R.166. § 2, 1°, 2e alinéa Immédiat
Aire de stationnement > 5 véhicules R.166. § 2, 2° 2 ans
Egout, conduit d'évacuation ou caniveau étanche R.166. § 2, 3° 2 ans
Lieu de concentration d'animaux mobile existant R.166. § 2, 4° 1 an
Transformateur R.166. § 2, 5° 2 ans R.167. § 2, 3° 2 ans
Stockage à la ferme d'effluents d'élevage et stockage de produits d'ensilage R.166. § 3, 1°, 1er et 3e alinéas 2 ans R.167. § 2, 2°, sauf 4e alinéa 2 ans
Panneau R.167. § 3, 1° 1 an
Objet Zone IIa Zone IIbRéférence de l'article Délais Référence de l'article Délais
Puits perdu, y compris pour l'évacuation des eaux pluviales R.165. § 1er, 2° 2 ans R.165. § 1er, 2° 4 ansStockage de substances des listes I ou II R.165. § 2, 3°3 ans R.165. § 2, 3°° 4 ansStockage d'hydrocarbures de 100 à moins de 3 000 litres R.165. § 2, 3° Fin de vie du réservoir ou toute situation rendant le risque de pollution imminent R.165. § 2, 3° Fin de vie du réservoir ou toute situation rendant le risque de pollution imminentStockage d'hydrocarbures dans une zone de prévention pour laquelle la prise d'eau est destinée à la consommation humaine sous forme conditionnée d'eau de source ou minérale naturelle R.165. § 2, 3° 3 ans R.165. § 2, 3° 4 ansStockage aérien de substances solides des listes I ou II R.165. § 2, 4° 3 ans R.165. § 2, 4° 4 ansConduite transport d'hydrocarbures et de produits liste I ou II R.165. § 2, 5° 3 ans R.165. § 2, 5° 4 ansEnclos couvert pour animaux R.165. § 2, 7° 2 ans R.165. § 2, 7° 2 ansLes stockages et les installations de regroupement, d'élimination ou de valorisation des déchets visés par le décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets R.165. § 2, 8° 2 ans R.165. § 2, 8° 2 ansRéservoir abandonné R.165. § 3, 2° 3 ans R.165. § 3, 2° 4 ansSystème d'épuration individuelle (cas d'urgence ou exceptionnels) R.165. § 3, 3° Immédiat R.165. § 3, 3° immédiatCentre d'enfouissement technique R.166. § 1er, 1° 4 ans R.167. § 1er, 1° 4 ansStockage de produits contenant des substances des listes I ou II, y compris les engrais R.166 § 1er, 2° 3 ans Epandage souterrain d'effluents domestiques R.166. § 1er, 3° 2 ans Stockage de matières organiques en dehors du site de production R.166. § 1er, 4° 1 an Lieu de concentration d'animaux à caractère permanent R.166. § 1er, 5° 1 an Entreposage de produits à risques R.166. § 1er, 6° 2 ans Bassin d'orage non étanches R.166. § 1er, 7° 4 ans Terrain de camping R.166. § 1er, 8° 2 ans Voirie existante R.166. § 2, 1°, 1er alinéa 2 ans Voirie nouvelle R.166. § 2, 1°, 2e alinéa Immédiat Aire de stationnement > 5 véhicules R.166. § 2, 2° 2 ans Egout, conduit d'évacuation ou caniveau étanche R.166. § 2, 3° 2 ans Lieu de concentration d'animaux mobile existant R.166. § 2, 4° 1 an Transformateur R.166. § 2, 5° 2 ans R.167. § 2, 3° 2 ansStockage à la ferme d'effluents d'élevage et stockage de produits d'ensilage R.166. § 3, 1°, 1er et 3e alinéas 2 ans R.167. § 2, 2°, sauf 4e alinéa 2 ansPanneau R.167. § 3, 1° 1 an
]1
Art. N56. [1 Bijlage LVI. - AANWIJZINGSBORDEN VAN HET VOORKOMINGSGEBIED
(Beeld niet opgenomen omwille technische redenen, zie B.St. 27-04-2009, Franse versie, p. 33043-33044]1

Gewijzigd bij :

Art. N56. [1 Annexe LVI : Panneaux d'indication de zone de prévention
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 27-04-2009, p. 33044)]1

Modifié par :

Art. N56 bis. [1 Bijlage LVIbis: Aanwijzingsborden van het voorkomingsgebied van oppervlaktewaterwinning
]1

Art. N56 bis.[1 Annexe LVIbis : Panneaux d'indication de zone de prévention de prise d'eau de surface
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-01-2019, p. 9790)]1

Art. N57. [1 Bijlage LVII. - Model van dienstverlengingscontract voor industriële sanering
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-01-2019, p. 9840)]1

Gewijzigd bij :


Art. N57. [1 Annexe LVII. - Modèle de contrat de service d'assainissement industriel.
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-01-2019, p. 9790)]1

Modifié par :