Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
8 DECEMBER 2005. - Decreet tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (VERTALING). (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 02-01-2006 en tekstbijwerking tot 04-07-2007)
Titre
8 DECEMBRE 2005. - Décret modifiant la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'action sociale. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 02-01-2006 et mise à jour au 04-07-2007)
Documentinformatie
Info du document
Tekst (22)
Texte (22)
Artikel 1. Dit decreet regelt, overeenkomstig artikel 138 van de Grondwet, een materie bedoeld in artikel 128 van de Grondwet.
Article 1. Le présent décret règle, en vertu de l'article 138 de la Constitution, une matière visée à l'article 128 de celle-ci.
Art.2. Afdeling 1 van hoofdstuk II van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wordt vervangen als volgt :
  "Afdeling 1 - Samenstelling en vorming van de raad voor maatschappelijk welzijn.
  Art. 6. § 1. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bestuurd door een raad voor maatschappelijk welzijn bestaande uit :
  - negen leden voor een bevolking die de vijftienduizend inwoners niet overschrijdt;
  - elf leden voor een bevolking van vijftienduizend en één tot vijftigduizend inwoners;
  - dertien leden voor een bevolking van vijftigduizend en één tot honderdvijftigduizend inwoners;
  - vijftien leden voor een bevolking van meer dan honderdvijftigduizend inwoners.
  § 2. Voor de bepaling van het aantal leden wordt het bevolkingscijfer in aanmerking genomen dat als basis gediend heeft voor het bepalen van de samenstelling van de gemeenteraad die de raad voor maatschappelijk welzijn zal kiezen.
  Art. 7. Om tot lid van een raad voor maatschappelijk welzijn verkozen te kunnen worden en om het te kunnen blijven, moet men :
  1° gemeenteraadskiezer zijn;
  2° ten minste achttien zijn;
  3° zijn hoofdverblijf hebben in de gebiedsomschrijving van het centrum.
  Niet verkiesbaar zijn :
  1° zij die door veroordeling ontzet zijn van het recht om gekozen te worden;
  2° zij die met toepassing van artikel 6 van het Kieswetboek uitgesloten zijn van het kiesrecht;
  3° zij die overeenkomstig artikel 7 van hetzelfde Wetboek in de uitoefening van het kiesrecht geschorst zijn;
  4° zij die, onverminderd de toepassing van de bepalingen in 1° en 3°, veroordeeld zijn, zelfs met uitstel, wegens één van de in de artikelen 240, 241, 243 en 245 tot 248 van het Strafwetboek omschreven misdrijven, gepleegd in de uitoefening van een gemeenteambt; waarbij deze onverkiesbaarheid twaalf jaar na de veroordeling eindigt;
  5° de niet-Belgische onderdanen van de Europese Unie die ontheven of geschorst zijn van het verkiesbaarheidsrecht in hun Staat van herkomst. In geval van twijfel over de verkiesbaarheid van de kandidaat kan de bestendige deputatie eisen dat hij een attest van de bevoegde overheden van zijn Staat van herkomst indient waarin verklaard wordt dat hij, op de datum van de verkiezing, niet ontheven of geschorst is van het verkiesbaarheidsrecht in deze Staat, of dat deze overheden daarvan niets bekend is;
  6° zij die veroordeeld werden wegens overtredingen bedoeld in de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden of op basis van de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd, waarbij deze onverkiesbaarheid achttien jaar na de veroordeling eindigt;
  7° zij die, onverminderd de toepassing van de bepalingen in 1° en 2°, bestuurder waren van een vereniging op de datum van de feiten naar aanleiding waarvan zij veroordeeld zijn wegens één van de overtredingen bepaald bij de wet van 30 juli 1981 en de wet van 23 maart 1995, waarbij deze onverkiesbaarheid achttien jaar na de veroordeling eindigt.
  Het vorige lid is niet van toepassing op de bestuurders die het bewijs leveren dat zij niet op de hoogte waren van de feiten waarop de veroordeling gegrond was of dat ze binnen dito rechtspersoon uit hun ambt zijn getreden zodra ze daarvan kennis genomen hebben;
  8° zij die uit hun mandaat ontzet zijn overeenkomstig artikel 38, § 2 of § 4, van deze wet of overeenkomstig de artikelen L1122-7, § 2, L1123-17, § 1, L2212-7, § 2, of L2212-45, § 3, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, waarbij deze onverkiesbaarheid eindigt zes jaar na de kennisgeving van de beslissing van de Regering of van haar afgevaardigde waarbij de afzetting wordt vastgesteld.
  De verkiesbaarheidsvoorwaarden moeten uiterlijk op de verkiezingsdag vervuld zijn.
  Art. 8. De leden van de raad voor maatschappelijk welzijn mogen geen bloed- of aanverwanten zijn tot en met de tweede graad, noch door de echt verbonden zijn of wettelijk samenwonen.
  Aanverwantschap die na de verkiezing tot stand komt onder de leden van de raad, stelt geen einde aan hun mandaat.
  De kandidaat die tot het minst vertegenwoordigde geslacht behoort, met uitzondering van de personen die het voorwerp zijn van dit motief van onverenigbaarheid, krijgt de voorkeur.
  Art. 9. Van de raden voor maatschappelijk welzijn mogen niet deel uitmaken :
  1° de provinciegouverneurs, de gouverneur en vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en de adjunct-gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant;
  2° de leden van het provinciecollege en de leden van het college ingesteld bij artikel 83quinquies, § 2, van de bijzondere wet van 2 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen;
  3° de provinciegriffiers;
  4° de arrondissementscommissarissen;
  5° de burgemeesters en de schepenen, alsmede de leden van de colleges van de agglomeraties en federaties van gemeenten;
  6° de militairen in actieve dienst, behalve de wederopgeroepen reserveofficieren;
  7° elke persoon die personeelslid is of een toelage of een wedde ontvangt van de gemeente, met uitzondering van de vrijwillige brandweerlieden en van het onderwijspersoneel;
  8° elke persoon die personeelslid van het centrum is, met inbegrip van de personen bedoeld in het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies, die hun activiteiten uitoefenen in één van de instellingen of diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ten gevolge van een beslissing van één van de organen van het centrum;
  9° de beambten van het bosbeheer, wanneer hun bevoegdheid zich uitstrekt tot beboste eigendommen die aan het bosbeheer onderworpen zijn en die toebehoren aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn waarin zij hun ambt wensen uit te oefenen;
  10° elke persoon die in een lokale basisoverheid van een andere lidstaat van de Europese Unie een ambt of mandaat uitoefent dat gelijkwaardig is aan dat van adviseur voor maatschappelijk welzijn. De Regering maakt een niet beperkende lijst op van de ambten of mandaten die als gelijkwaardig beschouwd worden;
  11° de staatsraden bij de Raad van State;
  12° de leden van de hoven, rechtbanken, parketten en de griffiers.
  Art. 10. De zetels binnen de raad voor maatschappelijk welzijn worden onder de politieke fracties verdeeld naar verhouding van het aantal zetels waarover elke politieke fractie binnen de gemeenteraad beschikt.
  De zetels binnen de raad voor maatschappelijk welzijn worden verdeeld door het aantal in te vullen zetels te verdelen door het aantal gemeenteraadsleden, vermenigvuldigd met het aantal zetels waarover elke fractie binnen de gemeenteraad beschikt.
  Het aantal eenheden geeft het aantal rechtstreeks verworven zetels aan.
  De niet-toegekende zetels(s) wordt (worden) toegewezen in de orde van belangrijkheid van de decimalen.
  Bij staking van stemmen wordt de zetel toegewezen aan de lijsten die aan het meerderheidspact deelnemen.
  Elke politieke fractie, in de zin van artikel L1123-1, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie legt een kandidatenlijst over.
  Het aantal kandidaten op de lijst stemt overeen met het aantal dat aan de politieke fractie toekomt overeenkomstig het tweede en het derde lid.
  Een lijst is ontvankelijk voorzover ze door de meerderheid van de gemeenteraadsleden van eenzelfde politieke fractie getekend en door de voorgedragen kandidaten medeondertekend wordt. Als ze minstens drie personen telt, mag het aantal kandidaten van elk geslacht niet hoger zijn dan twee derde van het aantal toegewezen zetels, enerzijds, en dan één derde van de gemeenteraadsleden, anderzijds.
  Als ze slechts twee personen telt, mag het niet hoger zijn dan de helft.
  Art. 11. De voorzitter van de gemeenteraad, bijgestaan door de gemeentesecretaris, ontvangt de lijsten uiterlijk tussen de derde en de vierde maandag van november na de gemeenteverkiezingen.
  Art. 12. De leden van de raad voor maatschappelijk welzijn worden in openbare zitting aangewezen tijdens de installatievergadering van de gemeenteraad van de gemeente die de gebiedsomschrijving van het centrum vormt.
  De kandidaten die vermeld staan op een lijst getekend door een meerderheid van de betrokken politieke fractie worden van rechtswege door de gemeenteraad gekozen.
  Als alle kandidaten evenwel van hetzelfde geslacht zijn, draagt de politieke fractie waaraan overeenkomstig artikel 10 de laatste zetel is toegewezen, een kandidaat van het andere geslacht voor.
  De voorzitter van de gemeenteraad kondigt onmiddellijk de verkiezingsuitslag af.
  Art. 13. Als er tijdens de installatievergadering van de gemeenteraad vastgesteld wordt dat een politieke fractie geen lijst heeft overgelegd, zoals bedoeld in artikel 11, wordt de gemeenteraad opnieuw bijeengeroepen binnen een termijn van minstens vijftien dagen.
  Als betrokken fractie tijdens deze tweede vergadering een lijst overlegt die voldoet aan de voorschriften van artikel 11, worden de kandidaten die erop vermeld staan aangewezen.
  Bij gebreke daarvan worden de vacante zetels overeenkomstig artikel 10 onder de overige politieke fracties verdeeld. Elke betrokken politieke fractie wordt erom verzocht op haar beurt een bijkomende kandidatenlijst over te leggen die voldoet aan de voorschriften van artikel 10. Als deze lijst getekend wordt door een volstrekte meerderheid van de leden van betrokken politieke fractie, wordt (worden) de kandidaat (kandidaten) die erop vermeld staat (staan) aangewezen.
  Wanneer een politieke fractie erom verzocht wordt verschillende kandidatenlijsten over te leggen, zorgt zij ervoor dat het globaal aantal kandidaten van elk geslacht niet hoger is dan twee derde van het aantal toegewezen zetels.
  Art. 14. Wanneer een lid vóór het verstrijken van zijn mandaat ophoudt deel uit te maken van de raad voor maatschappelijk welzijn of om zijn vervanging vraagt overeenkomstig artikel 15, § 3, draagt de politieke fractie die hem voorgedragen heeft een kandidaat voor van het geslacht van het vervangen lid, tenzij het geslacht van deze kandidaat het minst vertegenwoordigd is binnen de raad.
  Art. 15. § 1. Het dossier van de verkiezing van de leden van de raden voor maatschappelijk welzijn wordt onverwijld aan het provinciecollege toegezonden.
  Elk bezwaar tegen de verkiezing moet, op straffe van verval, schriftelijk bij het provinciecollege worden ingediend binnen vijf dagen volgend op de afkondiging van de verkiezingsuitslag.
  Ongeacht of bij haar al dan niet bezwaar is ingediend, doet de bestendige deputatie als administratief rechtscollege uitspraak over de geldigheid van de verkiezing binnen twintig dagen na ontvangst van het dossier en herstelt ze, in voorkomend geval, de bij het vaststellen van de verkiezingsuitslag begane vergissingen.
  Indien binnen deze termijn geen uitspraak is gedaan, wordt de verkiezing als regelmatig beschouwd.
  Het feit dat de verkiezing geldigheid heeft verkregen door het verstrijken van de termijn of de beslissing van het provinciecollege, wordt door de zorg van de gouverneur medegedeeld aan de gemeenteraad en aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
  Er wordt bij ter post aangetekende brief kennis van gegeven aan de leden wier verkiezing werd vernietigd en aan de personen die bezwaren hebben ingediend.
  De in het voorgaande lid bedoelde natuurlijke en rechtspersonen kunnen bij de Raad van State beroep instellen binnen vijftien dagen na de mededeling of de kennisgeving.
  De gouverneur kan eenzelfde beroep instellen binnen vijftien dagen na de beslissing van het provinciecollege of na het verstrijken van de termijn.
  Binnen acht dagen na ontvangst van ieder beroep dat bij de Raad van State wordt ingesteld, deelt de hoofdgriffier van dit rechtscollege zulks mede aan de gouverneur, alsmede aan het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en aan de gemeenteraad.
  Hij geeft hen kennis van het arrest van de Raad van State.
  Wanneer een vernietiging definitief geworden is, wordt tot een nieuwe verkiezing overgegaan.
  § 2. Het mandaat van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn vangt aan op 1 januari volgend op de gemeenteverkiezingen.
  De installatievergadering vindt plaats uiterlijk 15 januari.
  Het lid dat ontslag neemt, blijft zijn mandaat uitoefenen tot zijn opvolger is beëdigd.
  Het ter plaatsvervanging verkozen lid voleindigt het mandaat van het lid dat hij opvolgt. Het lid dat een ouderschapsverlof wenst te nemen, wegens de geboorte of de adoptie van een kind, wordt, op zijn schriftelijk verzoek gericht aan het vast bureau, vervangen ten vroegste vanaf de zevende week vóór de vermoedelijke datum van de geboorte of van de adoptie tot het einde van de achtste week na de dag van de geboorte of de adoptie. De vervanging bedoeld in het derde lid is evenwel pas mogelijk na de beëdiging van het te vervangen lid.
  § 4. Wanneer, op de dag van de installatie van de raad voor maatschappelijk welzijn, het ontslag, dat bij aangetekende brief is aangeboden door een verkozene waarvoor de in artikel 9, 8°, bedoelde onverenigbaarheid geldt, nog niet werd aanvaard of wanneer dat ontslag het voorwerp uitmaakt van een beroep bij de toeziende overheid, wordt de verkozene vervangen tot de dag waarop het ontslag wordt aanvaard of het geschil is beslecht.
  Art. 16. Het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat wegens een handicap zijn mandaat niet alleen kan uitoefenen, kan zich laten bijstaan door een vertrouwenspersoon die het kiest uit de kiezers van de gemeente die voldoen aan de verkiesbaarheidsvereisten voor het mandaat van lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, en die niet deel uitmaken van het personeel van de gemeente of van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van betrokken gemeente.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt rekening gehouden met de criteria ter bepaling van de hoedanigheid van gehandicapt gemeenteraadslid.
  Bij het verstrekken van die bijstand beschikt de vertrouwenspersoon over dezelfde middelen en is hij onderworpen aan dezelfde verplichtingen als het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn. Hij heeft evenwel geen recht op aanwezigheidsgeld
  Art. 17. § 1. Alvorens in functie te treden, worden de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn en de vertrouwenspersonen bedoeld in artikel 16 tot de eedaflegging opgeroepen door de burgemeester of de afgevaardigde schepen.
  Zij leggen in zijn handen de volgende eed af : "Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen".
  In geval van volledige vernieuwing van de raad heeft de eedaflegging plaats tijdens de installatievergadering.
  Elke andere eedaflegging geschiedt enkel ten overstaan van de burgemeester en in afwezigheid van de gemeentesecretaris.
  Hiervan wordt een door de burgemeester en de secretaris ondertekend proces-verbaal opgemaakt dat aan de voorzitter van de raad voor sociale actie wordt gestuurd.
  § 2. Indien de burgemeester of afgevaardigde schepen nalaat de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn tot de eedaflegging op te roepen, worden de leden door de gouverneur opgeroepen en leggen ze de eed af in zijn handen of in de handen van een door hem aangeduide commissaris.
  De gouverneur neemt deze maatregelen binnen dertig dagen nadat hij kennis heeft gekregen van het verzuim.
  De kosten van deze procedure komen ten laste van de burgemeester of de afgevaardigde schepen die verzuimd heeft uitvoering te geven aan dit artikel.
  Art. 18. Wanneer een lid na de eedaflegging niet meer voldoet aan één van de voorwaarden van verkiesbaarheid of in een toestand van onverenigbaarheid komt te verkeren, stelt de burgemeester of de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn de Regering hiervan onverwijld in kennis.
  Wanneer het evenwel om een onverenigbaarheid van ambten gaat, dient de burgemeester het raadslid vooraf op dezelfde wijze te verzoeken uit het onverenigbare ambt ontslag te nemen.
  Het lid beschikt over vijftien dagen om gevolg te geven aan dat verzoek.
  De Regering of haar afgevaardigde, bij wie de zaak krachtens het vorige lid of ambtshalve aanhangig is gemaakt, bezorgt betrokkene tegen bericht van ontvangst een kennisgeving van de feiten die een ambtsneerlegging tot gevolg kunnen hebben.
  Ten vroegste acht dagen na ontvangst van de kennisgeving bedoeld in het vorige lid en na betrokkene, eventueel bijgestaan door de raadsman van zijn keuze, te hebben gehoord op zijn verzoek, stelt de Regering of haar afgevaardigde het ontslag vast in een gemotiveerde beslissing. Deze beslissing wordt door de Regering of haar afgevaardigde meegedeeld aan de burgemeester, die de raad voor maatschappelijk welzijn informeert.
  Een beroep, gegrond op artikel 16 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan tegen deze beslissing ingesteld worden.
  Het moet ingesteld worden binnen acht dagen na de kennisgeving ervan.
  Art. 19. Het ontslag uit het ambt van raadslid wordt schriftelijk meegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn en aan de gemeenteraad, die het aanvaardt op de eerste vergadering volgend op de mededeling.
  Het ontslag heeft uitwerking op de datum waarop het door de raad aanvaard wordt.
  Art. 20. In geval van zware nalatigheid of kennelijk wangedrag kunnen de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn door de Regering of haar afgevaardigde geschorst of afgezet worden op voorstel van de raad voor maatschappelijk welzijn, de gemeenteraad, de gouverneur, het provinciecollege of zelfs van ambtswege. De schorsing mag niet langer dan drie maanden duren.
  Betrokken lid wordt vooraf opgeroepen en, op zijn verzoek, gehoord, bijgestaan door de raadsman van zijn keuze; het advies van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt om advies verzocht.
  De beslissing van de Regering of van haar afgevaardigde wordt ter kennis gebracht van betrokkene en meegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn, de gemeenteraad, de gouverneur en het provinciecollege. Betrokkene, de raad voor maatschappelijk welzijn en de gemeenteraad beschikken over het recht om beroep in te stellen bij de Raad van State binnen vijftien dagen na de mededeling of na afloop van de termijn waarbinnen de Regering of haar afgevaardigde moet beslissen.
  In de gevallen waarin zij zich over een voorstel tot schorsing of herroeping moet uitspreken, beslist de Regering of haar afgevaardigde binnen een termijn van drie maanden vanaf de dag waarop het voorstel haar is meegedeeld. Zij kan deze termijn met drie maanden verlengen; de beslissing tot verlenging heeft slechts gevolg als ze vóór het verstrijken van de aanvankelijke termijn van drie maanden meegedeeld wordt aan de gemeenteraad, de raad voor maatschappelijk welzijn, de gouverneur en het provinciecollege. Als een beslissing niet meegedeeld wordt binnen de voorgeschreven termijn, eventueel verlengd, wordt het stilzwijgen van de Regering of van haar afgevaardigde beschouwd als een beslissing tot verwerping van het voorstel.
  De beslissing tot verlenging wordt binnen acht dagen aan betrokkene meegedeeld.
  Art. 21. De Raad van State beschikt over een termijn van zes maanden na ontvangst van het verzoekschrift om volgens de door de Koning bepaalde rechtspleging uitspraak te doen over de beroepen ingediend met toepassing van artikel 15.
  Art. 22. § 1. De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn is het lid van deze raad wiens identiteit vermeld staat in het meerderheidspact bedoeld in de artikelen L1123-1 en volgende van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie.
  § 2. Vóór de aanneming van het meerderheidspact door de gemeenteraad, wordt de raad voor maatschappelijk welzijn voorgezeten door de voorzitter verkozen onder de vorige gemeentelijke legislatuur indien hij nog lid van de raad is en, bij gebreke daarvan, door het raadslid met de grootste anciënniteit als raadslid voor maatschappelijk welzijn onder de politieke fracties die voldoen aan de democratische beginselen opgenomen o.a. in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd of van elke andere vorm van genocide, alsook aan de door de Grondwet gewaarborgde rechten en vrijheden.
  § 3. Bij verhindering van de voorzitter wordt zijn ambt waargenomen door het raadslid dat door hem schriftelijk wordt aangewezen.
  Bij gebrek aan zulke aanwijzing, wijst de raad onder zijn leden een plaatsvervanger aan en wordt, zo nodig, in afwachting van die aanwijzing, het ambt van voorzitter waargenomen door het lid met de hoogste anciënniteit als raadslid voor maatschappelijk welzijn.
  Als verhinderd wordt beschouwd de voorzitter die het ambt van minister, staatssecretaris, lid van een regering of gewestelijk staatssecretaris uitoefent gedurende de periode waarin dat ambt wordt uitgeoefend. De voorzitter die bij de geboorte of de adoptie van een kind ouderschapsverlof wenst op te nemen, wordt op eigen verzoek, schriftelijk gericht aan het vast bureau, vervangen tijdens de periode bedoeld in artikel 15, § 3.
  § 4. De functies van de voorzitter eindigen wanneer hij ontslag neemt uit zijn ambt, wanneer zijn mandaat van raadslid verstrijkt of wanneer de gemeenteraad jegens hem een constructieve motie van wantrouwen stemt.
  Het ontslag uit het ambt van voorzitter wordt schriftelijk meegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn en aan de gemeenteraad, die het in een gemotiveerde beslissing aanvaardt op de eerste vergadering volgend op de mededeling.
  Het ontslag heeft uitwerking op de datum waarop het door de raad aanvaard wordt.
  § 5. In geval van overlijden van de voorzitter of wanneer aan zijn mandaat een einde komt om een andere reden dan de volledige vernieuwing van de raad en onverminderd de stemming van een motie van wantrouwen t.o.v. het gemeentecollege, wordt hij tot de raad een nieuwe voorzitter heeft verkozen door het lid met de hoogste anciënniteit als raadslid voor maatschappelijk welzijn vervangen onder de politieke fracties die voldoen aan de democratische beginselen opgenomen o.a. in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd of van elke andere vorm van genocide, alsook aan de door de Grondwet gewaarborgde rechten en vrijheden.
  De Regering bepaalt de ambtskledij of het onderscheidingsteken van de voorzitter. "
Art.2. La section 1re du chapitre II de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale, comprenant les articles 6 à 23, est remplacée par les dispositions suivantes :
  " Section Ire - La composition et la formation du conseil de l'action sociale.
  Art. 6. § 1er. Le centre public d'action sociale est administré par un conseil de l'action sociale composé de :
  - neuf membres pour une population ne dépassant pas quinze mille habitants;
  - onze membres pour une population de quinze mille un à cinquante mille habitants;
  - treize membres pour une population de cinquante mille un à cent cinquante mille habitants;
  - quinze membres pour une population de plus de cent cinquante mille habitants.
  § 2. Pour la détermination du nombre des membres, est pris en considération le chiffre de population en fonction duquel a été déterminée la composition du conseil communal qui élira le conseil de l'action sociale.
  Art. 7. Pour pouvoir être élu et rester membre d'un conseil de l'action sociale, il faut :
  1° avoir la qualité d'électeur au conseil communal;
  2° être âgé de dix-huit ans au moins;
  3° avoir sa résidence principale dans le ressort du centre.
  Ne sont pas éligibles :
  1° ceux qui sont privés du droit d'éligibilité par condamnation;
  2° ceux qui sont exclus de l'électorat par application de l'article 6 du Code électoral;
  3° ceux qui sont frappés de la suspension des droits électoraux par application de l'article 7 du même Code;
  4° ceux qui, sans préjudice de l'application des dispositions prévues aux points 1° à 3°, ont été condamnés, même avec sursis, du chef de l'une des infractions prévues aux articles 240, 241, 243 et 245 à 248 du Code pénal, commises dans l'exercice de fonctions communales, cette inéligibilité cessant douze ans après la condamnation;
  5° les ressortissants non belges de l'Union européenne qui sont déchus ou suspendus du droit d'éligibilité dans leur Etat d'origine. En cas de doute sur l'éligibilité du candidat, la députation permanente peut exiger que ce candidat produise une attestation émanant des autorités compétentes de son Etat d'origine et certifiant qu'il n'est pas déchu ni suspendu, à la date de l'élection, du droit d'éligibilité dans cet Etat, ou que ces autorités n'ont pas connaissance d'une telle déchéance ou suspension;
  6° ceux qui ont été condamnés pour des infractions visées par la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer certains actes inspirés par le racisme ou la xénophobie ou sur la base de la loi du 23 mars 1995 tendant à réprimer la négation, la minimisation, la justification ou l'approbation du génocide commis par le régime national-socialiste allemand pendant la Seconde Guerre mondiale, cette inéligibilité cessant dix-huit ans après la condamnation;
  7° ceux qui, sans préjudice de l'application des dispositions prévues aux points 1° et 2°, étaient administrateurs d'une association au moment des faits à la suite desquels elle a été condamnée pour l'une des infractions prévues par la loi du 30 juillet 1981 ou la loi du 23 mars 1995, cette inéligibilité cessant dix-huit ans après la condamnation.
  Il n'est pas fait application de l'alinéa précédent aux administrateurs qui apportent la preuve qu'ils ne connaissaient pas les faits qui ont fondé la condamnation en cause ou que, lorsqu'ils en ont eu connaissance, ils ont aussitôt démissionné de leur fonction au sein de ladite personne morale;
  8° ceux qui ont été déchus de leur mandat en application de l'article 38, § 2 ou § 4, de la présente loi ou des articles L1122-7, § 2, L1123-17, § 1er, L2212-7, § 2, ou L2212-45, § 3, du Code de la démocratie locale et de la décentralisation, cette inéligibilité cessant six ans après la notification de la décision du Gouvernement ou de son délégué constatant la déchéance.
  Les conditions d'éligibilité doivent être réunies au plus tard le jour de l'élection.
  Art. 8. Les membres du conseil de l'action sociale ne peuvent être parents ou alliés jusqu'au deuxième degré, ni être unis par les liens du mariage ou cohabitants légaux.
  L'alliance entre les membres du conseil survenue postérieurement à l'élection ne met pas fin à leur mandat.
  Le candidat appartenant au sexe le moins représenté au sein du conseil, à l'exception des personnes concernées par le présent motif d'incompatibilité, est préféré.
  Art. 9. Ne peuvent faire partie des conseils de l'action sociale :
  1° les gouverneurs de province, le gouverneur et le vice-gouverneur de l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale et le gouverneur adjoint de la province du Brabant flamand;
  2° les membres du collège provincial et les membres du collège institué par l'article 83quinquies, § 2, de la loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux institutions bruxelloises;
  3° les greffiers provinciaux;
  4° les commissaires d'arrondissement;
  5° les bourgmestres et les échevins, ainsi que les membres des collèges des agglomérations et des fédérations de communes;
  6° les militaires en service actif, à l'exception des officiers de réserve, rappelés sous les armes;
  7° toute personne qui est membre du personnel communal, ou qui reçoit un subside ou un traitement de la commune, à l'exception des pompiers volontaires et du personnel enseignant;
  8° toute personne qui est membre du personnel du centre, en ce compris les personnes visées par l'arrêté royal n° 78 du 10 novembre 1967 relatif à l'exercice de l'art de guérir, de l'art infirmier, des professions paramédicales et aux commissions médicales, qui exercent leurs activités dans l'un des établissements ou services du centre public d'action sociale à la suite d'une décision de l'un des organes du centre;
  9° les employés de l'administration forestière, lorsque leur compétence s'étend à des propriétés boisées soumises au régime forestier appartenant au centre public d'action sociale dans lequel ils désirent exercer leurs fonctions;
  10° toute personne qui exerce une fonction ou un mandat équivalant à celui de conseiller de l'action sociale dans une collectivité locale de base d'un autre Etat membre de l'Union européenne. Le Gouvernement dresse une liste non exhaustive des fonctions ou mandats considérés comme équivalents;
  11° les conseillers du Conseil d'Etat;
  12° les membres des cours, tribunaux, parquets et les greffiers.
  Art. 10. Les sièges au conseil de l'action sociale sont répartis par groupes politiques proportionnellement au nombre de sièges dont chaque groupe politique bénéficie au sein du conseil communal.
  La répartition des sièges au conseil de l'action sociale s'opère en divisant le nombre de sièges à pourvoir par le nombre de membres du conseil communal, multiplié par le nombre de sièges détenus par chaque groupe au sein du conseil communal.
  Le nombre d'unités indique le nombre de sièges immédiatement acquis.
  Le ou les siège(s) non attribué(s) est (sont) dévolu(s) dans l'ordre d'importance des décimales.
  En cas d'égalité, le siège est attribué aux listes participant au pacte de majorité.
  Chaque groupe politique, au sens de l'article L1123-1, § 1er, alinéa 1er, du Code de la démocratie locale et de la décentralisation, présente une liste de candidats.
  Une liste ne peut comprendre plus de candidats qu'il n'en revient au groupe politique en application des alinéas 1er et 2.
  Une liste n'est recevable que pour autant qu'elle soit signée par la majorité des conseillers communaux d'un même groupe politique et qu'elle soit contresignée par les candidats présentés. Lorsqu'elle comporte au moins trois personnes, le nombre de candidats de chaque sexe ne peut dépasser, d'une part, deux tiers du nombre de sièges attribués et, d'autre part, pas plus d'un tiers de conseillers communaux.
  Lorsqu'elle ne comporte que deux personnes, elle ne peut dépasser la moitié.
  Art. 11. Le président du conseil communal, assisté du secrétaire communal, reçoit les listes au plus tard entre le troisième et le quatrième lundi de novembre qui suivent les élections communales.
  Art. 12. La désignation des membres du conseil de l'action sociale a lieu en séance publique lors de la séance d'installation du conseil communal de la commune qui constitue le ressort du centre.
  Sont élus de plein droit par le conseil communal, les candidats repris sur une liste signée par une majorité du groupe politique concerné.
  Toutefois, si tous les candidats élus sont du même sexe, le groupe politique s'étant vu attribuer le dernier siège en application de l'article 10 propose un candidat de l'autre sexe.
  Le président du conseil communal proclame immédiatement le résultat de l'élection.
  Art. 13. Si, lors de la séance d'installation du conseil communal, il est constaté qu'un groupe politique n'a pas déposé une liste de candidats telle que visée à l'article 11, le conseil communal est, à nouveau, convoqué dans un délai qui ne peut être inférieur à quinze jours.
  Si, lors de cette seconde réunion, une liste répondant au prescrit de l'article 11 est déposée par le groupe concerné, les candidats qui y figurent sont désignés.
  A défaut, les sièges vacants sont répartis entre les autres groupes politiques conformément à l'article 10. Chaque groupe politique concerné est appelé à déposer à son tour une liste complémentaire de candidats répondant au prescrit de l'article 10. Si cette liste est signée par une majorité absolue des membres du groupe politique concerné, le ou les candidats qui y figurent sont élus.
  Lorsqu'un groupe politique est appelé à déposer plusieurs listes de candidats, il doit veiller à ce que le nombre global de candidats de chaque sexe ne dépasse pas deux tiers du nombre de sièges attribués.
  Art. 14. Lorsqu'un membre cesse de faire partie du conseil de l'action sociale avant l'expiration de son mandat ou sollicite son remplacement en application de l'article 15, § 3, le groupe politique qui l'a présenté propose un candidat du même sexe que le membre remplacé, à moins que ce candidat soit du sexe le moins représenté au sein du conseil.
  Art. 15. § 1er. Le dossier de l'élection des membres des conseils de l'action sociale est transmis sans délai au collège provincial.
  Toute réclamation contre l'élection doit, à peine de déchéance, être introduite par écrit auprès du collège provincial dans les cinq jours qui suivent la proclamation du résultat de l'élection.
  Qu'elle ait été ou non saisie d'une réclamation, la députation permanente statue, en tant que juridiction administrative, sur la validité de l'élection dans les vingt jours de la réception du dossier et, le cas échéant, elle redresse les erreurs qui ont été commises dans l'établissement du résultat de l'élection. Si aucune décision n'est intervenue dans ce délai, l'élection est tenue pour régulière.
  La validation de l'élection, par l'expiration du délai ou la décision du collège provincial, est communiquée par les soins du gouverneur au conseil communal et au centre public d'action sociale. Elle est notifiée, par lettre recommandée à la poste, aux membres dont l'élection a été annulée et aux réclamants.
  Dans les quinze jours qui suivent la communication ou la notification, un recours devant le Conseil d'Etat est ouvert aux personnes morales et physiques reprises à l'alinéa précédent. Le même recours est ouvert au gouverneur dans les quinze jours qui suivent la décision du collège provincial ou l'expiration du délai.
  Dans les huit jours de la réception de tout recours formé auprès du Conseil d'Etat, le greffier en chef de cette juridiction en informe le gouverneur, ainsi que le centre public d'action sociale et le conseil communal. Il leur communique l'arrêt rendu par le Conseil d'Etat.
  Lorsqu'une annulation est devenue définitive, il est procédé à une nouvelle élection.
  § 2. Le mandat des membres du conseil de l'action sociale prend cours le 1er janvier suivant les élections communales.
  La séance d'installation a lieu au plus tard le 15 janvier.
  § 3. Le membre démissionnaire reste en fonction jusqu'à la prestation de serment de son remplaçant.
  Le membre élu en remplacement achève le mandat du membre auquel il succède.
  Le membre qui veut prendre un congé parental à l'occasion de la naissance ou de l'adoption d'un enfant est remplacé à sa demande adressée par écrit au bureau permanent au plus tôt à partir de la septième semaine qui précède la date présumée de la naissance ou de l'adoption jusqu'à la fin de la huitième semaine qui suit la naissance ou l'adoption.
  L'interruption de l'exercice du mandat est prorogée à sa demande écrite, au-delà de la huitième semaine, d'une durée égale à celle pendant laquelle il a continué à exercer son mandat durant la période de sept semaines précédant le jour de la naissance ou de l'adoption.
  Le remplacement visé au troisième alinéa est possible pour autant que le membre à remplacer ait prêté serment.
  § 4. Lorsque, à la date de l'installation du conseil de l'action sociale, la démission, offerte par lettre recommandée, d'un élu frappé par une incompatibilité visée à l'article 9, 8°, n'a pas encore été acceptée ou si cette démission fait l'objet d'un recours auprès des autorités tutélaires, l'élu est remplacé jusqu'à l'acceptation de la démission ou jusqu'à la fin du litige.
  Art. 16. Le membre du conseil de l'action sociale qui, en raison d'un handicap, ne peut exercer seul son mandat peut, pour l'accomplissement de ce mandat, se faire assister par une personne de confiance choisie parmi les électeurs de la commune qui satisfait aux conditions d'éligibilité pour le mandat de membre du conseil de l'action sociale, et qui n'est pas membre du personnel communal ni du personnel du centre public de l'action sociale de la commune concernée.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, les critères déterminant la qualité de conseiller handicapé au niveau communal sont pris en compte.
  Lorsqu'elle fournit cette assistance, la personne de confiance dispose des mêmes moyens et est soumise aux mêmes obligations que le membre du conseil de l'action sociale. Elle n'a toutefois pas droit à des jetons de présence.
  Art. 17. § 1er. Avant d'entrer en fonction, les membres du conseil de l'action sociale et les personnes de confiance visées à l'article 16 sont, aux fins de prêter serment, convoqués par le bourgmestre ou l'échevin délégué pour ce faire. Ils prêtent, en ses mains, le serment suivant : "Je jure de m'acquitter fidèlement des devoirs de ma charge.".
  La prestation de serment a lieu, en cas de renouvellement total du conseil, pendant la séance d'installation. Toute autre prestation de serment se fait entre les mains du seul bourgmestre et en présence du secrétaire communal. Il en est dressé un procès-verbal, signé par le bourgmestre et par le secrétaire, et transmis au président du conseil de l'action sociale.
  § 2. Si le bourgmestre ou l'échevin délégué néglige de convoquer les membres du conseil de l'action sociale aux fins de leur faire prêter serment, le gouverneur convoque lui-même les membres, et ceux-ci prêtent le serment entre ses mains ou entre les mains d'un commissaire désigné par lui.
  Le gouverneur prendra cette mesure dans les trente jours qui suivront le jour auquel il aura eu connaissance de la négligence.
  Les frais de cette procédure seront à la charge du bourgmestre ou de l'échevin délégué qui aura négligé d'exécuter le présent article.
  Art. 18. Lorsque, après avoir prêté serment, un membre perd une des conditions d'éligibilité ou vient à se trouver dans une situation d'incompatibilité, le bourgmestre ou le président du conseil de l'action sociale en informe sans délai le Gouvernement.
  Le bourgmestre doit, toutefois, s'il s'agit d'une incompatibilité de fonctions, inviter au préalable, de la même manière, le membre à démissionner de la fonction incompatible. Le membre dispose d'un délai de quinze jours pour donner suite à cette invitation.
  Le Gouvernement ou son délégué, saisi en vertu de l'alinéa précédent ou d'office, communique à l'intéressé, contre récépissé, une notification des faits qui sont de nature à entraîner la cessation de fonction.
  Huit jours au plus tôt après la réception de la notification visée à l'alinéa précédent, et, s'il en a fait la demande, après avoir entendu l'intéressé, éventuellement accompagné du conseil de son choix, le Gouvernement ou son délégué constate la déchéance dans une décision motivée. Cette décision est notifiée par les soins du Gouvernement ou de son délégué au bourgmestre qui en informe le conseil de l'action sociale. Un recours, fondé sur l'article 16 des lois coordonnées sur le Conseil d'Etat, est ouvert contre cette décision. Il doit être introduit dans les huit jours de sa notification.
  Art. 19. La démission des fonctions de conseiller est notifiée par écrit au conseil de l'action sociale et au conseil communal, lequel l'accepte lors de la première séance suivant cette notification.
  La démission prend effet à la date où le conseil l'accepte.
  Art. 20. Les membres du conseil de l'action sociale peuvent, en cas de négligence grave ou d'inconduite notoire, être suspendus ou révoqués par le Gouvernement ou son délégué, sur la proposition du conseil de l'action sociale, du conseil communal, du gouverneur, du collège provincial ou même d'office. La suspension ne pourra excéder trois mois.
  Le membre intéressé est préalablement convoqué et, s'il le demande, entendu, assisté du conseil de son choix; l'avis du conseil de l'action sociale est demandé.
  La décision du Gouvernement ou de son délégué est notifiée à l'intéressé et communiquée au conseil de l'action sociale, au conseil communal, au gouverneur et au collège provincial. Un recours au Conseil d'Etat est ouvert à l'intéressé, au conseil de l'action sociale et au conseil communal dans les quinze jours de la notification ou à l'expiration du délai imparti au Gouvernement ou à son délégué pour statuer.
  Dans les cas où il est saisi d'une proposition de suspension ou de révocation, le Gouvernement ou son délégué statue dans un délai de trois mois à partir du jour où la proposition lui a été notifiée. Il peut proroger ce délai de trois mois; la décision de prorogation ne produit ses effets que si elle est notifiée au conseil communal, au conseil de l'action sociale, au gouverneur et au collège provincial avant l'expiration du délai initial de trois mois. A défaut de notification d'une décision dans le délai prescrit, éventuellement prorogé, le silence du Gouvernement ou de son délégué est réputé constituer une décision de rejet de la proposition.
  La décision de prorogation est notifiée à l'intéressé dans les huit jours.
  Art. 21. Le Conseil d'Etat dispose d'un délai de six mois après la réception de la requête pour statuer, suivant la procédure déterminée par le Roi, sur les recours introduits en application de l'article 15.
  Art. 22. § 1er. Le président du conseil de l'action sociale est le membre de ce conseil dont l'identité est reprise dans le pacte de majorité visé aux articles L1123-1 et suivants du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.
  § 2. Avant l'adoption du pacte de majorité par le conseil communal, le conseil de l'action sociale est présidé par le président élu sous la législature communale précédente s'il est toujours membre du conseil et, à défaut, par le conseiller ayant la plus grande ancienneté en tant que conseiller de l'action sociale parmi les formations politiques qui respectent les principes démocratiques énoncés notamment par la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, par la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer la négation, la minimisation, la justification ou l'approbation du génocide commis par le régime national-socialiste pendant la Seconde Guerre mondiale ou toute autre forme de génocide, ainsi que les droits et libertés garantis par la Constitution.
  § 3. En cas d'empêchement du président, ses fonctions sont assumées par le membre du conseil qu'il désigne par écrit. A défaut d'une telle désignation, le conseil désigne un remplaçant parmi ses membres et, en attendant cette désignation, les fonctions de président sont exercées, s'il y a lieu, par le conseiller ayant la plus grande ancienneté en tant que conseiller de l'action sociale.
  Est considéré comme empêché le président qui exerce la fonction de ministre, de secrétaire d'Etat, de membre d'un gouvernement ou de secrétaire d'Etat régional pendant la période d'exercice de cette fonction.
  Le président qui veut prendre un congé parental à cause de la naissance ou de l'adoption d'un enfant est remplacé à sa demande adressée par écrit au bureau permanent, pour la période visée à l'article 15, § 3.
  § 4. Les fonctions du président prennent fin lorsqu'il démissionne de ses fonctions, lorsque son mandat de conseiller prend fin ou lorsque le conseil communal vote une motion de méfiance constructive le concernant.
  La démission des fonctions de président est notifiée par écrit au conseil de l'action sociale et au conseil communal, lequel l'accepte dans une décision motivée lors de la première séance suivant cette notification.
  La démission prend effet à la date où le conseil l'accepte.
  § 5. En cas de décès ou de démission du président ou lorsque son mandat prend fin pour un motif autre que le renouvellement complet du conseil, et sans préjudice du vote d'une motion de méfiance à l'égard du collège communal, il est remplacé par le conseiller ayant la plus grande ancienneté en tant que conseiller de l'action sociale parmi les formations politiques qui respectent les principes démocratiques énoncés notamment par la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, par la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer la négation, la minimisation, la justification ou l'approbation du génocide commis par le régime national-socialiste pendant la Seconde Guerre mondiale ou toute autre forme de génocide, ainsi que les droits et libertés garantis par la Constitution jusqu'à ce qu'un nouveau président soit élu par le conseil communal.
  § 6. Le Gouvernement détermine l'habit officiel ou le signe distinctif du président. "
Art.3. Artikel 25 van dezelfde wet wordt opgeheven :
Art.3. L'article 25 de la même loi est abrogé.
Art.4. In artikel 26, § 1, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden "Hij kan er zich laten vertegenwoordigen door een schepen aangewezen door het college van burgemeester en schepenen" geschrapt.
Art.4. A l'article 26, § 1er, alinéa 1er, de la même loi, les mots "Il peut s'y faire représenter par un échevin délégué par le collège des bourgmestre et échevins" sont supprimés.
Art.5. Artikel 26bis, § 5, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "§ 5. Het overlegcomité zorgt voor het jaarlijks opmaken van een verslag over het geheel van de bestaande en de te ontwikkelen samenwerkingsverbanden tussen de gemeente en het centrum voor maatschappelijk welzijn. Dat verslag heeft ook betrekking op de kostenbesparingen en de afschaffingen van de dubbele banen of de overlappingen van activiteiten van het centrum voor maatschappelijk welzijn en de gemeente. Dat rapport wordt bij de begroting van het centrum gevoegd.
  Dat rapport wordt overgelegd op een jaarlijkse gemeenschappelijke en openbare vergadering van de gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn. "
Art.5. L'article 26bis, § 5, de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
  "§ 5. Le comité de concertation veille à établir annuellement un rapport sur l'ensemble des synergies existantes et à développer entre la commune et le centre d'action sociale. Ce rapport est également relatif aux économies d'échelle et aux suppressions des doubles emplois ou chevauchements d'activités du centre public d'action sociale et de la commune. Ce rapport est annexé au budget du centre.
  Ce rapport est présenté lors d'une réunion annuelle commune et publique du conseil communal et du conseil de l'action sociale.".
Art.6. Artikel 27, §§ 3 en 4, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "3. Het vast bureau en elk bijzonder comité tellen leden van elk geslacht.
  Het vast bureau telt, met inbegrip van zijn voorzitter, :
  - drie leden voor een raad van negen leden;
  - vier leden voor een raad van elf of dertien leden;
  - vijf leden voor een raad van vijftien leden;
  Voor elk bijzonder comité wordt het aantal leden door de raad bepaald. Elk comité mag evenwel, met inbegrip van de voorzitter, niet minder tellen dan :
  - drie leden voor een raad van negen leden;
  - vier leden voor een raad van elf of dertien leden;
  - vijf leden voor een raad van vijftien leden.
  § 4. De voorzitter van de raad is van rechtswege en met beraadslagende stem voorzitter van het vast bureau en van de bijzondere comités. Het vast bureau en de bijzondere comités kunnen evenwel, in aanwezigheid van de voorzitter, binnen hun midden een ondervoorzitter aanwijzen die het voorzitterschap van de zittingen zal waarnemen in de plaats van het raadslid dat de zittingen moet voorzitten krachtens artikel 22, § 3.
  § 5. De leden van het vast bureau en van de bijzondere comités mogen geen bloed- of aanverwant zijn tot en met de derde graad.
  De leden van het vast bureau en van elk bijzonder comité worden, met uitzondering van de voorzitter, in evenveel stemronden aangewezen als er in te vullen zetels zijn, waarbij elk raadslid over één stem beschikt. Bij staking van stemmen wordt de oudste kandidaat verkozen.
  Indien bij de verkiezing van het laatste lid van het vast bureau of van een bijzonder comité blijkt dat alle overige leden van dat orgaan van hetzelfde geslacht zijn, mag slechts één kandidaat van het andere geslacht voorgedragen worden.
  Behoudens in geval van ontslag of verlies van het mandaat van raadslid, zijn de leden van het vast bureau en de leden van de bijzondere comités aangewezen voor de bestaansduur van het bureau of het comité waarvan zij deel uitmaken.
  Wanneer het mandaat van een lid van het vast bureau of van een bijzonder comité eindigt, wordt in zijn vervanging voorzien door de aanwijzing van een lid dat op dezelfde lijst is verkozen.
  Er wordt van het vierde lid afgeweken wanneer geen ander lid van de raad voor maatschappelijk welzijn op dezelfde lijst is verkozen als het te vervangen lid van het vast bureau of van het bijzonder comité of wanneer laatstgenoemd lid naar aanleiding van een staking van stemmen zijn verkiezing binnen het vast bureau of het bijzonder comité slechts aan zijn leeftijd te danken heeft. In beide gevallen kan elk raadslid verkozen worden.
  Er wordt eveneens van het vierde lid afgeweken wanneer, na toepassing ervan, het vast bureau of een bijzonder comité uitsluitend leden van hetzelfde geslacht zou tellen. In dit geval kan elk raadslid dat tot het andere geslacht behoort, verkozen worden.".
Art.6. L'article 27, §§ 3 et 4, de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
  "§ 3. Le bureau permanent et les comités spéciaux comptent, chacun, des membres de chaque sexe.
  Le bureau permanent, son président inclus, compte :
  - trois membres pour un conseil de neuf membres;
  - quatre membres pour un conseil de onze ou treize membres;
  - cinq membres pour un conseil de quinze membres.
  Pour chaque comité spécial, le nombre de membres est fixé par le conseil. Chaque comité ne peut toutefois, le président inclus, compter moins de :
  - trois membres pour un conseil de neuf membres;
  - quatre membres pour un conseil de onze ou treize membres;
  - cinq membres pour un conseil de quinze membres.
  § 4. Le président du conseil est de droit, et avec voix délibérative, président du bureau permanent et des comités spéciaux. Toutefois, le bureau permanent et les comités spéciaux peuvent, le président présent, désigner en leur sein un vice-président chargé de présider les séances en lieu et place du conseiller appelé à présider les séances en vertu de l'article 22, § 3.
  § 5. Les membres du bureau permanent et des comités spéciaux ne peuvent être parents ou alliés jusqu'au troisième degré inclusivement.
  § 6. Les membres du bureau permanent et les membres de chaque comité spécial, autres que le président, sont désignés par autant de scrutins qu'il y a de sièges à pourvoir, chaque conseiller disposant d'une voix. En cas de parité de voix, le candidat le plus âgé est élu.
  Si, au moment de procéder à l'élection du dernier membre du bureau permanent ou du dernier membre d'un comité spécial, il apparaît que les autres membres de cet organe sont tous du même sexe, seul un candidat de l'autre sexe peut être présenté.
  Sauf en cas de démission ou de perte du mandat de conseiller, les membres du bureau permanent et ceux des comités spéciaux sont désignés pour la durée d'existence du bureau ou du comité dont ils font partie.
  Lorsque le mandat d'un membre du bureau permanent ou d'un comité spécial prend fin, il est pourvu à son remplacement par la désignation d'un membre élu sur la même liste que lui.
  Il est dérogé à l'alinéa 4 lorsqu' aucun autre membre du conseil de l'action sociale n'a été élu sur la même liste que le membre du bureau permanent ou du comité spécial qu'il convient de remplacer ou lorsque ce dernier ne doit son élection au bureau permanent ou dans un comité spécial qu'en raison de son âge à la suite d'une parité de voix. Dans ces deux cas, tout membre du conseil peut être élu.
  Il est également dérogé à l'alinéa 4, lorsqu'à la suite de son application, le bureau permanent ou un comité spécial serait composé exclusivement de membres d'un même sexe. Dans ce cas, tout membre du conseil, appartenant à l'autre sexe, peut être élu.".
Art.7. Er wordt een artikel 34bis ingevoegd, luidend als volgt :
  "Art. 34bis. Bovenop de verplichting opgelegd bij artikel 26 bis, § 5, tweede lid, kan de raad voor maatschappelijk welzijn gemeenschappelijke zittingen met de gemeenteraad houden. ".
Art.7. Un article 34bis, libellé comme suit, est inséré :
  "Art. 34bis. Outre l'obligation imposée par l'article 26bis, § 5, alinéa 2, le conseil de l'action sociale peut tenir des séances communes avec le conseil communal.".
Art.8. ( voormalig artikel 7bis ). Artikel 38 van dezelfde wet aanvullen met een paragraaf 4 en een paragraaf 5, luidend als volgt : "§ 4. De som van het presentiegeld van het raadslid voor maatschappelijk welzijn en van de vergoedingen, wedden, aanwezigheidsgelden en andere voordelen zoals bepaald bij de Regering die het als vergoeding ontvangt voor activiteiten die buiten zijn mandaat uitgeoefend worden, is gelijk aan of lager dan anderhalve keer het bedrag van de parlementaire vergoeding van de leden van de Kamer der volksvertegenwoordigers en de Senaat.
  In dit bedrag worden meegerekend, de vergoedingen, wedden, aanwezigheidsgelden en andere voordelen bepaald bij de Regering, die voortvloeien uit de uitoefening van een openbaar mandaat, een openbare functie, een afgeleid openbaar mandaat of een openbare opdracht van politieke aard.
  Onder afgeleid mandaat wordt verstaan elke functie die een in deze wet bedoelde mandataris uitoefent binnen een rechtspersoon of een feitelijke vereniging en die hem uit hoofde van zijn oorspronkelijk mandaat is toevertrouwd, hetzij door de overheid waar hij dat mandaat uitoefent, hetzij op eender welke andere wijze.
  Bij overschrijding van de grens bedoeld in het eerste lid wordt het bedrag van het presentiegeld van het raadslid en/of van de vergoedingen, wedden, aanwezigheidsgelden en andere voordelen zoals bepaald bij de Regering die het als vergoeding ontvangt voor activiteiten die buiten zijn mandaat uitgeoefend worden, evenredig verminderd.
  Het raadslid voor maatschappelijk welzijn moet binnen zes maanden na zijn eedaflegging bij de secretaris van het centrum aangifte doen van de openbare mandaten, functies, afgeleide mandaten of opdrachten van politieke aard die buiten zijn mandaat om uitgeoefend worden en van de door de Regering bepaalde vergoedingen, wedden, presentiegelden en andere voordelen die voor de uitvoering daarvan ontvangen werden.
  Het raadslid voor maatschappelijk welzijn moet bij de secretaris aangifte doen van elke verandering die zich in de loop van de legislatuur voordoet i.v.m. de openbare mandaten, functies, afgeleide mandaten of opdrachten van politieke aard uitgeoefend buiten zijn mandaat, en van door de Regering bepaalde vergoedingen, wedden, presentiegelden en andere voordelen die voor de uitvoering daarvan ontvangen werden.
  De secretaris van het centrum maakt deze aangiften over aan de Regering of haar afgevaardigde, desgevallend samen met een verminderingsplan.
  Bij overschrijding van de grens bedoeld in het eerste lid zorgt de Regering of haar afgevaardigde ervoor dat de in het vierde lid bedoelde evenredige vermindering doorgevoerd wordt op de wijze en binnen de termijnen die zij bepaalt.
  Het raadslid voor maatschappelijk welzijn wordt vooraf gehoord door de Regering of haar afgevaardigde, of door diens vertegenwoordiger.
  Het centrum en de privaat- of publiekrechtelijke rechtspersonen die de door de Regering bepaalde vergoedingen, wedden, presentiegelden en andere voordelen schuldig zijn, moeten de verminderingen op de sommen toepassen naar belope van de bedragen bepaald door de Regering of haar afgevaardigde.
  Het raadslid dat nalaat één of meer bezoldigde mandaten aan te geven of die een valse aangifte indient, houdt op deel uit te maken van de raad voor maatschappelijk welzijn.
  De Regering of haar afgevaardigde bezorgt betrokkene volgens de door haar bepaalde modaliteiten en tegen bericht van ontvangst een kennisgeving van de feiten die ontslag als gevolg kunnen hebben.
  Betrokkene beschikt vervolgens over twee maanden om zijn aangifte te rechtvaardigen of te wijzigen. Als betrokkene zich na afloop van die twee maanden niet heeft gerechtvaardigd of zijn aangifte niet heeft gecorrigeerd, wordt hem een laatste herinneringsbrief aangetekend toegezonden, waarna hij over een laatste termijn van een maand beschikt.
  Indien betrokkene zelfs zonder enige kennisgeving kennis heeft van de oorzaak van het verval en zijn functies blijft uitoefenen, is hij strafbaar met de straffen bepaald bij artikel 262 van het Strafwetboek.
  Na betrokkene, eventueel bijgestaan door de raadsman van zijn keuze, te hebben gehoord op zijn verzoek, stelt de Regering of haar afgevaardigde het verval vast in een gemotiveerde beslissing. Deze beslissing wordt door de Regering of haar afgevaardigde meegedeeld aan betrokken raadslid en aan de voorzitter, die de raad informeert. Een beroep, gegrond op artikel 16 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan tegen deze beslissing ingesteld worden.
  Het moet ingesteld worden binnen acht dagen na de kennisgeving ervan.
  Een jaarverslag betreffende de toepassing van dit artikel wordt door de Regering of haar afgevaardigde bekendgemaakt volgens de modaliteiten die zij bepaalt.
  Deze paragraaf 4 is niet van toepassing op de wedden ontvangen door de federale ministers en staatssecretarissen en door de leden van een gewest- of gemeenschapsregering.
  De Regering bepaalt de modaliteiten voor de uitvoering van dit artikel.
  § 5. Het raadslid voor maatschappelijk welzijn dient jaarlijks vóór 1 april van het daaropvolgende jaar, op de wijze en volgens de modaliteiten die de Regering bepaalt, bij de Regering of haar afgevaardigde een schriftelijke aangifte in waarin het melding maakt van alle mandaten, leidende ambten of beroepen, van welke aard ook, die het tijdens het vorige jaar heeft uitgeoefend, zowel in de overheidssector als voor rekening van enige andere natuurlijke persoon of rechtspersoon, feitelijke instelling of vereniging die in België of in het buitenland gevestigd is.
  Deze aangifte vermeldt voor elk mandaat, ambt of beroep of het al dan niet bezoldigd is, alsook de bedragen die jaarlijks ontvangen worden voor de uitoefening van elk openbaar mandaat.
  De aangiften bedoeld in het eerste lid worden door de Regering of haar afgevaardigde bekendgemaakt overeenkomstig de modaliteiten die zij bepaalt.
  Het raadslid voor maatschappelijk welzijn dat nalaat één of meer mandaten aan te geven of die een valse aangifte indient, houdt op deel uit te maken van de raad voor maatschappelijk welzijn.
  De Regering of haar afgevaardigde bezorgt betrokkene tegen bericht van ontvangst een kennisgeving van de feiten die het verval als gevolg kunnen hebben.
  Betrokkene beschikt vervolgens over twee maanden om zijn aangifte te rechtvaardigen of te wijzigen. Als betrokkene zich na afloop van die twee maanden niet heeft gerechtvaardigd of zijn aangifte niet heeft gewijzigd, wordt hem een laatste herinneringsbrief aangetekend toegezonden, waarna hij over een laatste termijn van een maand beschikt.
  Indien betrokkene zelfs zonder enige kennisgeving kennis heeft van de oorzaak van het verval en zijn functies blijft uitoefenen, is hij strafbaar met de straffen bepaald bij artikel 262 van het Strafwetboek.
  Na betrokkene, eventueel bijgestaan door de raadsman van zijn keuze, te hebben gehoord op zijn verzoek, stelt de Regering of haar afgevaardigde het verval vast in een gemotiveerde beslissing. Deze beslissing wordt door de Regering of haar afgevaardigde meegedeeld aan betrokken raadslid en aan de voorzitter, die de raad voor maatschappelijk welzijn informeert. Een beroep, gegrond op artikel 16 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan tegen deze beslissing ingesteld worden.
  Het moet ingesteld worden binnen acht dagen na de kennisgeving ervan.
  De Regering bepaalt de modaliteiten voor de uitvoering van dit artikel.
Art.8. (ancien article 7bis ). A l'article 38 de la même loi, ajouter les paragraphes 4 et 5 suivants :
  "§ 4. La somme du jeton de présence du conseiller de l'action sociale et des indemnités, traitements, jetons de présence et autres avantages tels que définis par le Gouvernement, perçus par le conseiller précité en rétribution d'activités exercées en dehors de son mandat, est égale ou inférieure à une fois et demie le montant de l'indemnité parlementaire perçue par les membres de la Chambre des représentants et du Sénat.
  Sont pris en considération pour le calcul de ce montant, les indemnités, traitements, jetons de présence et autres avantages tels que définis par le Gouvernement découlant de l'exercice d'un mandat, d'une fonction, d'un mandat dérivé ou d'une charge publics d'ordre politique.
  On entend par mandat dérivé toute fonction exercée par un mandataire visé dans la présente loi au sein d'une personne juridique ou d'une association de fait et qui lui a été confié en raison de son mandat originaire, soit par l'autorité dans laquelle il exerce celui-ci, soit de toute autre manière.
  En cas de dépassement de la limite fixée à l'alinéa 1er, le montant du jeton de présence perçu par le conseiller et/ou des indemnités, traitements, jetons de présence et autres avantages tels que définis par le Gouvernement perçus en rétribution d'activités exercées en dehors de son mandat est réduit à due concurrence.
  Le conseiller de l'action sociale est tenu de déclarer auprès du secrétaire du centre, dans les six mois qui suivent sa prestation de serment, les mandats, fonctions, mandats dérivés ou charges publics d'ordre politique exercés en dehors de son mandat et les indemnités, traitements, jetons de présence et autres avantages tels que définis par le Gouvernement perçus en exécution de ceux-ci.
  Le conseiller de l'action sociale est tenu de déclarer auprès du secrétaire du centre tout changement en cours de législature relatif aux mandats, fonctions, mandats dérivés ou charges publics d'ordre politique exercés en dehors de son mandat et les indemnités, traitements, jetons de présence et autres avantages tels que définis par le Gouvernement perçus en exécution de ceux-ci.
  Le secrétaire du centre transmet ces déclarations, accompagnées, s'il échet, d'un plan de réduction, au Gouvernement ou à son délégué.
  En cas de dépassement de la limite fixée à l'alinéa 1er, le Gouvernement ou son délégué veillera, dans les formes et délais fixés par le Gouvernement, à ce que la réduction à due concurrence visée à l'alinéa 4 soit opérée.
  Le conseiller de l'action sociale sera préalablement entendu par le Gouvernement ou son délégué ou le représentant de celui-ci.
  Le centre et les personnes morales de droit privé ou de droit public débiteurs des traitements, indemnités, jetons de présence et autres avantages tels que définis par le Gouvernement seront tenus à procéder à la réduction sur les sommes et à concurrence des montants ordonnés par le Gouvernement ou son délégué.
  Le conseiller qui omet de déclarer un ou plusieurs mandats rémunérés ou qui dépose une fausse déclaration cesse de faire partie du conseil de l'action sociale.
  Selon les modalités fixées par le Gouvernement, le Gouvernement ou son délégué communique à l'intéressé, contre récépissé, une notification des faits de nature à entraîner la déchéance.
  L'intéressé dispose alors de deux mois pour justifier ou rectifier sa déclaration. Si, au terme de ces deux mois, l'intéressé ne s'est pas justifié ou n'a pas rectifié sa déclaration, un dernier rappel adressé par pli recommandé lui est fait, il dispose alors d'un dernier délai d'un mois.
  Si, ayant connaissance de la cause de sa déchéance, même en l'absence de toute notification, l'intéressé continue l'exercice de ses fonctions, il est passible des peines commuées par l'article 262 du Code pénal.
  Selon les modalités fixées par le Gouvernement et, s'il en a fait la demande, après avoir entendu l'intéressé, éventuellement accompagné du conseil de son choix, le Gouvernement ou son délégué constate la déchéance dans une décision motivée. Cette décision est notifiée par les soins du Gouvernement ou de son délégué au membre du conseil intéressé et au président qui en informe le conseil. Un recours, fondé sur l'article 16 des lois coordonnées sur le Conseil d'Etat, est ouvert contre cette décision.
  Il doit être introduit dans les huit jours de sa notification.
  Le Gouvernement ou son délégué publiera, selon les modalités déterminées par le Gouvernement, un rapport annuel relatif à l'application du présent article.
  Le présent paragraphe 4 ne s'applique pas aux traitements perçus par les ministres et secrétaires d'Etat fédéraux et par les membres d'un gouvernement régional ou communautaire.
  Le Gouvernement arrête les modalités d'exécution du présent article.
  § 5. Annuellement, le conseiller de l'action sociale est tenu de déposer auprès du Gouvernement ou de son délégué, dans les formes et selon les modalités fixées par le Gouvernement, avant le 1er avril de l'année suivante, une déclaration écrite dans laquelle il mentionne tous les mandats, fonctions dirigeantes ou professions, quelle qu'en soit la nature, qu'il a exercés au cours de l'année précédente, tant dans le secteur public que pour le compte de toute personne physique ou morale, de tout organisme ou association de fait, établis en Belgique ou à l'étranger.
  Cette déclaration précise pour chaque mandat, fonction ou profession, s'il est rémunéré ou non, et les montants perçus annuellement pour l'exercice de chaque mandat public.
  Le Gouvernement ou son délégué publie, conformément aux modalités arrêtées par le Gouvernement, les déclarations visées à l'alinéa 1er.
  Le conseiller de l'action sociale qui omet de déclarer un ou plusieurs mandats ou qui dépose une fausse déclaration cesse de faire partie du conseil de l'action sociale.
  Le Gouvernement ou son délégué communique à l'intéressé, contre récépissé, une notification des faits de nature à entraîner la déchéance.
  L'intéressé dispose alors de deux mois pour justifier ou rectifier sa déclaration. Si, au terme de ces deux mois, l'intéressé ne s'est pas justifié ou n'a pas rectifié sa déclaration, un dernier rappel adressé par pli recommandé lui est fait, il dispose alors d'un dernier délai d'un mois.
  Si, ayant connaissance de la cause de sa déchéance, même en l'absence de toute notification, l'intéressé continue l'exercice de ses fonctions, il est passible des peines commuées par l'article 262 du Code pénal.
  Selon les modalités fixées par le Gouvernement et, s'il en a fait la demande, après avoir entendu l'intéressé, éventuellement accompagné du conseil de son choix, le Gouvernement ou son délégué constate la déchéance dans une décision motivée. Cette décision est notifiée par les soins du Gouvernement ou de son délégué au membre intéressé du conseil et au président qui en informe le conseil de l'action sociale. Un recours, fondé sur l'article 16 des lois coordonnées sur le Conseil d'Etat, est ouvert contre cette décision.
  Il doit être introduit dans les huit jours de sa notification.
  Le Gouvernement fixe les modalités d'exécution du présent article. "
Art.9. (voormalig artikel 7ter ). Artikel 38, § 2, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "§ 2. De som van het presentiegeld van het raadslid voor maatschappelijk welzijn en van de vergoedingen, wedden, aanwezigheidsgelden en andere voordelen, zoals bepaald bij de Regering, die genoemde voorzitter als bezoldiging ontvangt voor activiteiten die buiten zijn mandaat om uitgeoefend worden, is gelijk aan of lager dan anderhalve keer het bedrag van de parlementaire vergoeding van de leden van de Kamer der volksvertegenwoordigers en de Senaat.
  In dit bedrag worden meeberekend, de vergoedingen, wedden, aanwezigheidsgelden en andere voordelen, zoals bepaald bij de Regering, die voortvloeien uit de uitoefening van een openbaar mandaat, een openbare functie, een afgeleid ambt of een publieke opdracht van politieke aard.
  Onder afgeleid mandataris wordt verstaan elke functie die een in deze wet bedoelde mandataris uitoefent binnen een rechtspersoon of een feitelijke vereniging en die hem uit hoofde van zijn oorspronkelijk mandaat is toevertrouwd, hetzij door de overheid waar hij dat mandaat uitoefent, hetzij op eender welke andere wijze.
  Bij overschrijding van de grens die in het eerste lid vastligt, wordt het bedrag van het presentiegeld van het raadslid en/of van de vergoedingen, wedden, aanwezigheidsgelden en andere voordelen zoals bepaald bij de Regering die het als vergoeding ontvangt voor activiteiten die buiten zijn mandaat om uitgeoefend worden, naar verhouding verminderd.
  De voorzitter voor maatschappelijk welzijn moet binnen zes maanden na zijn eedaflegging bij de secretaris van het centrum aangifte doen van de openbare mandaten, functies, afgeleide mandaten of opdrachten van politieke aard die buiten zijn mandaat om uitgeoefend worden en van de door de Regering bepaalde vergoedingen, wedden, presentiegelden en andere voordelen die voor de uitvoering daarvan ontvangen werden.
  De voorzitter voor maatschappelijk welzijn moet bij de secretaris van het centrum aangifte doen van elke wijziging die zich in de loop van de legislatuur voordoet i.v.m. de openbare mandaten, functies, afgeleide mandaten of opdrachten van politieke aard die buiten zijn mandaat om uitgeoefend worden en van de door de Regering bepaalde vergoedingen, wedden, presentiegelden en andere voordelen die voor de uitvoering daarvan ontvangen werden.
  De secretaris van het centrum maakt deze aangiften aan de Regering of haar afgevaardigde over, desgevallend samen met een verminderingsplan.
  Bij overschrijding van de grens bedoeld in het eerste lid, zorgt de Regering of haar afgevaardigde ervoor dat de in het vierde lid bedoelde evenredige vermindering wordt doorgevoerd op de wijze en binnen de termijnen die zij bepaalt.
  De voorzitter van het centrum wordt vooraf gehoord door de Regering of haar afgevaardigde, of door diens vertegenwoordiger.
  Het centrum en de privaat- of publiekrechtelijke rechtspersonen die de door de Regering bepaalde vergoedingen, wedden, presentiegelden en andere voordelen schuldig zijn, moeten de verminderingen op de sommen toepassen naar belope van de bedragen bepaald door de Regering of haar afgevaardigde.
  De Regering of haar afgevaardigde bezorgt betrokkene volgens de door haar bepaalde modaliteiten en tegen bericht van ontvangst een kennisgeving van de feiten die het verval tot gevolg kunnen hebben.
  Betrokkene beschikt vervolgens over twee maanden om zijn aangifte te rechtvaardigen of te wijzigen. Als betrokkene zich na afloop van die twee maanden niet heeft gerechtvaardigd of zijn aangifte niet heeft gewijzigd, wordt hem een laatste herinneringsbrief aangetekend toegezonden, waarna hij over een laatste termijn van een maand beschikt.
  Indien betrokkene, zelfs zonder enige kennisgeving, kennis heeft van de oorzaak van het verval en zijn functies blijft uitoefenen, is hij strafbaar met de straffen bepaald bij artikel 262 van het Strafwetboek.
  Na betrokkene, eventueel bijgestaan door de raadsman van zijn keuze, op zijn verzoek te hebben gehoord, stelt de Regering of haar afgevaardigde het verval in een gemotiveerde beslissing vast volgens de modaliteiten die zij bepaalt. Deze beslissing wordt door de Regering of haar afgevaardigde meegedeeld aan betrokken raadslid en aan de voorzitter, die de raad informeert. Een beroep, gegrond op artikel 16 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan tegen deze beslissing ingesteld worden.
  Het moet ingesteld worden binnen acht dagen na de kennisgeving ervan.
  Een jaarverslag betreffende de toepassing van dit artikel wordt door de Regering of haar afgevaardigde bekendgemaakt volgens de modaliteiten die zij bepaalt.
  De Regering bepaalt de modaliteiten voor de uitvoering van dit artikel.
  § 3. Het raadslid voor maatschappelijk welzijn dient jaarlijks vóór 1 april van het daaropvolgende jaar, op de wijze en volgens de modaliteiten die de Regering bepaalt, bij de Regering of haar afgevaardigde een schriftelijke aangifte in waarin het melding maakt van alle mandaten, leidende ambten of beroepen, van welke aard ook, die het tijdens het vorige jaar heeft uitgeoefend, zowel in de overheidssector als voor rekening van enige andere natuurlijke persoon of rechtspersoon, feitelijke instelling of vereniging die in België of in het buitenland gevestigd is.
  Deze aangifte vermeldt voor elk mandaat, ambt of beroep of het al dan niet bezoldigd is, alsook de bedragen die jaarlijks ontvangen worden voor de uitoefening van elk privaat en openbaar mandaat.
  De aangiften bedoeld in het eerste lid worden door de Regering of haar afgevaardigde bekendgemaakt overeenkomstig de modaliteiten die zij bepaalt.
  De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn die nalaat één of meer mandaten aan te geven of die een valse aangifte indient, houdt op deel uit te maken van de raad voor maatschappelijk welzijn.
  De Regering of haar afgevaardigde bezorgt betrokkene tegen bericht van ontvangst een kennisgeving van de feiten die het verval tot gevolg kunnen hebben.
  Betrokkene beschikt vervolgens over twee maanden om zijn aangifte te rechtvaardigen of te wijzigen. Als betrokkene zich na afloop van die twee maanden niet heeft gerechtvaardigd of zijn aangifte niet heeft gewijzigd, wordt hem een laatste herinneringsbrief aangetekend toegezonden, waarna hij over een laatste termijn van een maand beschikt.
  Indien betrokkene, zelfs zonder enige kennisgeving, kennis heeft van de oorzaak van het verval en zijn functies blijft uitoefenen, is hij strafbaar met de straffen bepaald bij artikel 262 van het Strafwetboek.
  Na betrokkene, eventueel bijgestaan door de raadsman van zijn keuze, op zijn verzoek te hebben gehoord, stelt de Regering of haar afgevaardigde het verval in een gemotiveerde beslissing vast volgens de modaliteiten die zij bepaalt. Deze beslissing wordt door de Regering of haar afgevaardigde meegedeeld aan betrokken voorzitter, aan de burgemeester en aan de raad voor maatschappelijk welzijn. Een beroep, gegrond op artikel 16 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan tegen deze beslissing ingesteld worden.
  Het moet ingesteld worden binnen acht dagen na de kennisgeving ervan."
Art.9. (ancien article 7ter ). L'article 38, § 2, de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
  "§ 2. La somme du traitement du président d'un conseil de l'action sociale et des indemnités, traitements, jetons de présence et autres avantages tels que définis par le Gouvernement, perçus par le président précité en rétribution d'activités exercées en dehors de son mandat, est égale ou inférieure à une fois et demie le montant de l'indemnité parlementaire perçue par les membres de la Chambre des représentants et du Sénat.
  Sont pris en considération pour le calcul de ce montant, les indemnités, traitements, jetons de présence et autres avantages tels que définis par le Gouvernement découlant de l'exercice d'un mandat, d'une fonction, d'un mandat dérivé ou d'une charge publics d'ordre politique.
  On entend par mandat dérivé toute fonction exercée par un mandataire visé dans la présente loi au sein d'une personne juridique ou d'une association de fait et qui lui a été confié en raison de son mandat originaire, soit par l'autorité dans laquelle il exerce celui-ci, soit de toute autre manière.
  En cas de dépassement de la limite fixée à l'alinéa 1er, le montant du traitement de président du conseil de l'action sociale et/ou des indemnités, traitements, jetons de présence et autres avantages tels que définis par le Gouvernement perçus en rétribution d'activités exercées en dehors de son mandat est réduit à due concurrence.
  Le président de l'action sociale est tenu de déclarer auprès du secrétaire du centre, dans les six mois qui suivent sa prestation de serment, les mandats, fonctions, mandats dérivés ou charges publics d'ordre politique exercés en dehors de son mandat et les indemnités, traitements, jetons de présence et autres avantages tels que définis par le Gouvernement perçus en exécution de ceux-ci.
  Le président de l'action sociale est tenu de déclarer auprès du secrétaire du centre tout changement en cours de législature relatif aux mandats, fonctions, mandats dérivés ou charges publics d'ordre politique exercés en dehors de son mandat et les indemnités, traitements, jetons de présence et autres avantages tels que définis par le Gouvernement perçus en exécution de ceux-ci.
  Le secrétaire du centre transmet ces déclarations, accompagnées, s'il échet, d'un plan de réduction, au Gouvernement ou à son délégué.
  En cas de dépassement de la limite fixée à l'alinéa 1er, le Gouvernement ou son délégué désigné veillera, dans les formes et délais fixés par le Gouvernement, à ce que la réduction à due concurrence visée à l'alinéa 4 soit opérée.
  Le président du centre sera préalablement entendu par le Gouvernement ou son délégué ou le représentant de celui-ci.
  Le centre et les personnes morales de droit privé ou de droit public débiteurs des traitements, indemnités, jetons de présence et autres avantages tels que définis par le Gouvernement seront tenus à procéder à la réduction sur les sommes et à concurrence des montants ordonnés par le Gouvernement ou son délégué.
  Selon les modalités fixées par le Gouvernement, le Gouvernement ou son délégué communique à l'intéressé, contre récépissé, une notification des faits de nature à entraîner la déchéance.
  L'intéressé dispose alors de deux mois pour justifier ou rectifier sa déclaration. Si, au terme de ces deux mois, l'intéressé ne s'est pas justifié ou n'a pas rectifié sa déclaration, un dernier rappel adressé par pli recommandé lui est fait, il dispose alors d'un dernier délai d'un mois.
  Si, ayant connaissance de la cause de sa déchéance, même en l'absence de toute notification, l'intéressé continue l'exercice de ses fonctions, il est passible des peines commuées par l'article 262 du Code pénal.
  Selon les modalités fixées par le Gouvernement et, s'il en a fait la demande, après avoir entendu l'intéressé, éventuellement accompagné du conseil de son choix, le Gouvernement ou son délégué constate la déchéance dans une décision motivée. Cette décision est notifiée par les soins du Gouvernement ou de son délégué au membre du conseil intéressé et au président qui en informe le conseil. Un recours, fondé sur l'article 16 des lois coordonnées sur le Conseil d'Etat, est ouvert contre cette décision.
  Il doit être introduit dans les huit jours de sa notification.
  Le Gouvernement ou son délégué publiera, selon les modalités déterminées par le Gouvernement, un rapport annuel relatif à l'application du présent article.
  Le Gouvernement fixe les modalités d'exécution du présent article.
  § 3. Annuellement, le président du conseil de l'action sociale est tenu de déposer auprès du Gouvernement ou de son délégué, dans les formes et selon les modalités fixées par le Gouvernement, avant le 1er avril de l'année suivante, une déclaration écrite dans laquelle il mentionne tous les mandats, fonctions dirigeantes ou professions, quelle qu'en soit la nature, qu'il a exercés au cours de l'année précédente, tant dans le secteur public que pour le compte de toute personne physique ou morale, de tout organisme ou association de fait, établis en Belgique ou à l'étranger.
  Cette déclaration précise pour chaque mandat, fonction ou profession, s'il est rémunéré ou non, et les montants perçus annuellement pour l'exercice de chaque mandat public et privé.
  Le Gouvernement ou son délégué publie, conformément aux modalités arrêtées par le Gouvernement, les déclarations visées à l'alinéa 1er.
  Le président du conseil de l'action sociale qui omet de déclarer un ou plusieurs mandats ou qui dépose une fausse déclaration cesse de faire partie du conseil de l'action sociale.
  Le Gouvernement ou son délégué communique à l'intéressé, contre récépissé, une notification des faits de nature à entraîner la déchéance.
  L'intéressé dispose alors de deux mois pour justifier ou rectifier sa déclaration. Si, au terme de ces deux mois, l'intéressé ne s'est pas justifié ou n'a pas rectifié sa déclaration, un dernier rappel adressé par pli recommandé lui est fait, il dispose alors d'un dernier délai d'un mois.
  Si, ayant connaissance de la cause de sa déchéance, même en l'absence de toute notification, l'intéressé continue l'exercice de ses fonctions, il est passible des peines commuées par l'article 262 du Code pénal.
  Selon les modalités fixées par le Gouvernement et, s'il en a fait la demande, après avoir entendu l'intéressé, éventuellement accompagné du conseil de son choix, le Gouvernement ou son délégué constate la déchéance dans une décision motivée. Cette décision est notifiée par les soins du Gouvernement ou de son délégué au président intéressé, au bourgmestre et au conseil de l'action sociale. Un recours, fondé sur l'article 16 des lois coordonnées sur le Conseil d'Etat, est ouvert contre cette décision.
  Il doit être introduit dans les huit jours de sa notification.
  Le Gouvernement fixe les modalités d'exécution du présent article. "
Art.10. (voormalig artikel 7quater ). Artikel 40 wordt aangevuld met een tweede lid, luidend als volgt :
  "De raad legt deontologische en ethische regels vast in zijn huishoudelijk reglement. Deze regels bekrachtigen o.a. de weigering tot aanvaarding van een mandaat dat niet ten volle waargenomen zou kunnen worden, de regelmatige deelname aan de zittingen van de raad, van het vast bureau of van een bijzonder comité, de relaties tussen de verkozenen en de plaatselijke administratie, het luisteren naar en de informatieverstrekking aan de burger."
Art.10. (ancien article 7quater ). A l'article 40, est ajouté un alinéa 2 libellé comme suit :
  "Le conseil arrête, dans son règlement d'ordre intérieur, des règles de déontologie et d'éthique. Ces règles consacrent, notamment, le refus d'accepter un mandat qui ne pourrait être assumé pleinement, la participation régulière aux séances du conseil, du bureau permanent ou d'un comité spécial, les relations entre les élus et l'administration locale, l'écoute et l'information du citoyen.".
Art.11. (voormalig artikel 8). In artikel 88, § 1, zesde lid, wordt de zin "Indien de voorzitter geen deel uitmaakt van de gemeenteraad, wordt hij ten minste zeven vrije dagen vóór de dag van die vergadering, door het college van burgemeester en schepenen hiervan verwittigd" geschrapt.
Art.11. (ancien article 8). A l'article 88, § 1er, alinéa 6, la phrase "Si le président ne fait pas partie du conseil communal, il est averti de la date de la réunion au moins cinq jours francs avant celle-ci par le collège des bourgmestre et échevins" est supprimée.
Art.12. (voormalig artikel 9). In artikel 89 wordt tussen het derde en het vierde lid een als volgt luidend lid ingevoegd :
  "Deze rekeningen worden door de voorzitter van het centrum besproken tijdens de zitting van de gemeenteraad op de agenda waarvan hun goedkeuring vermeld staat."
Art.12. (ancien article 9). A l'article 89, un alinéa libellé comme suit est ajouté entre le troisième et le quatrième alinéa :
  "Ces comptes sont commentés par le président du centre lors de la séance du conseil communal à l'ordre du jour de laquelle est inscrite leur approbation.".
Art.13. (voormalig artikel 9bis ). In artikel 89 wordt het eerste lid (NOTA : Justel leest "de eerste tweede leden; zie coördinatie verschaft door het waals Gewest, internetsite Wallex) vervangen als volgt :
  "De raad voor maatschappelijk welzijn legt de jaarrekeningen van het vorige boekjaar van het centrum jaarlijks vast en laat ze vergezeld gaan van de lijst van de aannemers van overheidsopdrachten van leveringen of diensten waarvoor de raad voor maatschappelijk welzijn de gunningwijze gekozen en de voorwaarden bepaald heeft. Hij legt jaarlijks ook de jaarrekeningen van het voorafgaande jaar vast voor elk van de ziekenhuizen onder zijn beheer tijdens een zitting die vóór 1 juni plaatsvindt. Tijdens de vergadering waarop de raad voor maatschappelijk welzijn deze jaarrekeningen vastlegt, brengt de voorzitter verslag uit over de toestand van het centrum en over het tijdens het voorafgaande boekjaar gevoerde beheer inzake de uitvoering van de budgettaire vooruitzichten, alsook wat betreft de ontvangsten en het gebruik van de toelagen toegekend door de Staat in het kader van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum en de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Het jaarverslag wordt ten minste zeven vrije dagen vóór de vergadering aan elk lid overgemaakt, samen met de rekeningen, maar zonder de bewijsstukken."
Art.13. (ancien article 9bis ). A l'article 89, l'alinéa 1er est remplacé par le texte suivant (NOTE de Justel à en juger par le contenu et par la coordination fournie par la Région wallonne, site Internet Wallex, ce sont les deux premiers alinéas qui doivent être remplacés comme indiqué) :
  "Le conseil de l'aide sociale arrête chaque année les comptes de l'exercice précédent du centre auxquels est jointe la liste des adjudicataires de marchés de travaux de fournitures ou de services pour lesquels le conseil de l'aide sociale a choisi le mode de passation et a fixé les conditions. Il arrête également chaque année les comptes de l'exercice précédent de chacun des hôpitaux gérés par celui-ci au cours d'une séance qui a lieu avant le 1er juin. Au cours de la séance pendant laquelle le conseil arrête lesdits comptes, le président rend compte de la situation du centre et de sa gestion au cours de l'exercice écoulé, en ce qui concerne la réalisation des prévisions budgétaires ainsi qu'en ce qui concerne la perception et l'utilisation des subventions octroyées par l'Etat dans le cadre de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale et de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale. Le rapport annuel sera transmis à chacun des conseillers, en même temps que les comptes, mais à l'exclusion des pièces justificatives, au moins sept jours francs avant la séance.".
Art.14. (voormalig artikel 10). In artikel 109 worden de woorden "die geen voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn mag zijn" toegevoegd na de woorden "voor het lid door dit college afgevaardigd".
Art.14. (ancien article 10). A l'article 109, les mots "qui ne peut être le président du centre d'action sociale" sont ajoutés après les mots "pour le membre délégué de ce collège".
Art.15. (voormalig artikel 11).
  1° In de artikelen 28, § 4, 42, 46, § 4, 52, 53, § 1, 56, § 2, 78, 88, 93, 94, 109, 111, 112bis en 114 worden de woorden "college van burgemeester en schepenen" vervangen door de woorden "gemeentelijk college".
  2° In de artikelen 53, 88, 89, 111 en 119 worden de woorden "Bestendige deputatie" vervangen door de woorden "provinciecollege".
Art.15. (ancien article 11).
  1° Aux articles 28, § 4, 42, 46, § 4, 52, 53, § 1er, 56, § 2, 78, 88, 93, 94, 109, 111, 112bis et 114, les mots "collège des bourgmestre et échevins" sont remplacés par les mots "collège communal".
  2° Aux articles 53, 88, 89, 111 et 119, les mots "Députation permanente" sont remplacés par les mots "collège provincial".
Art.16. (voormalig artikel 12). In de artikelen 108, 114 en 135 worden de woorden "De Minister, tot wiens bevoegdheid het Maatschappelijk Welzijn behoort," vervangen door het woord "Regering".
Art.16. (ancien article 12). Aux articles 108, 114 et 135, les mots "ministre qui a l'aide sociale dans ses attributions" sont remplacés par le mot "Gouvernement".
Art.17. (voormalig artikel 12). In de artikelen 26, §§ 1 en 2, 27, § 1, 28, §§ 1, 2 en 3, 29, 30, 31, 32, 33, § 1bis, 36, 38, 39, 40, 42, 43, 44, 45, §§ 1 en 2, 46, §§ 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7, 47, § 2, 48, 49, § 3, 52, 53, §§ 2 en 3, 55, § 2, 55bis, 79, § 1, 79, § 2, 80, 84, §§ 1, 2 en 3, 86, 88, §§ 1, 2, 3 en 4, 89, 90, 91, §§ 1, 2 en 3, 92, 93, §§ 1, 2, 3 en 4, 94, §§ 2, 3, 4, 5, 6, 9 en 10, 111, § 2, 112, 112bis, 115, § 2, 119, 140 en 142, § 2, van de Franse tekst worden de woorden "conseil de l'aide sociale" ou "conseillers de l'aide sociale" vervangen door de woorden "conseil de l'action sociale" ou "conseillers de l'action sociale".
Art.17. (ancien article 13). Aux articles 26, §§ 1er et 2, 27, § 1er, 28, §§ 1er, 2 et 3, 29, 30, 31, 32, 33, § 1erbis, 36, 38, 39, 40, 42, 43, 44, 45, §§ 1er et 2, 46, §§ 1er, 2, 3, 4, 5, 6 et 7, 47, § 2, 48, 49, § 3, 52, 53, §§ 2 et 3, 55, § 2, 55bis, 79, § 1er, 79, § 2, 80, 84, §§ 1er, 2 et 3, 86, 88, §§ 1er, 2, 3 et 4, 89, 90, 91, §§ 1er, 2 et 3, 92, 93, §§ 1er, 2, 3 et 4, 94, §§ 2, 3, 4, 5, 6, 9 et 10, 111, § 2, 112, 112bis, 115, § 2, 119, 140 et 142, § 2, les mots "conseil de l'aide sociale" ou "conseillers de l'aide sociale" sont remplacés par les mots "conseil de l'action sociale" ou "conseillers de l'action sociale".
Art.18. (voormalig artikel 13bis ). De voorzitters van O.C.M.W. in functie bij de inwerkingtreding van dit decreet worden voor de bepaling van hun recht op pensioen geacht hun mandaat tot 31 maart 2007 te hebben uitgeoefend.
Art.18. (ancien article 13bis ). Les présidents de C.P.A.S. en fonction au moment de l'entrée en vigueur du présent décret sont considérés, pour l'établissement de leur droit à la pension, comme ayant accompli leur mandat jusqu'au 31 mars 2007.
Art.19. (voormalig artikel 14). In de artikelen 26, § 2, 26bis, §§ 1, 2 en 5, 26ter, 28, §§ 1, 2 en 4, 29, 30, 31bis, 36, 37, 40, 41, 42, 43, 46, 47, 48, 49, §§ 1, 2, 3 en 4, 50, 52, 55, § 1, 55bis, 56, §§ 1 en 2, 75, 78, § 2, 79, §§ 1, 2 en 3, 80, 81, 84, § 2, 86, 87, 88, § 1, 89, 91, § 1, 92, 94, §§ 1, 2, 3, 7 en 9, 95, 96, 105, 106, § 1, 107, 108, 109, 110, 111, §§ 1 en 3, 112, 113, 114, 117, 118, 124, 128, § 2, 135, 136, 137, 139, 141, §§ 1 en 2, en 143, van de Franse tekst worden de woorden "centre public d'aide sociale" vervangen door de woorden "centre public d'action sociale".
Art.19. (ancien article 14). Aux articles 26, § 2, 26bis, §§ 1er, 2 et 5, 26ter, 28, §§ 1er, 2 et 4, 29, 30, 31bis, 36, 37, 40, 41, 42, 43, 46, 47, 48, 49, §§ 1er, 2, 3 et 4, 50, 52, 55, § 1er, 55bis, 56, §§ 1er et 2, 75, 78, § 2, 79, §§ 1er, 2 et 3, 80, 81, 84, § 2, 86, 87, 88, § 1er, 89, 91, § 1er, 92, 94, §§ 1er, 2, 3, 7 et 9, 95, 96, 105, 106, § 1er, 107, 108, 109, 110, 111, §§ 1er et 3, 112, 113, 114, 117, 118, 124, 128, § 2, 135, 136, 137, 139, 141, §§ 1er et 2, et 143, les mots "centre public d'aide sociale" sont remplacés par les mots "centre public d'action sociale".
Art.20. (voormalig artikel 14bis ). Onder afgeleid mandaat wordt verstaan elke functie die een in deze wet bedoelde mandataris uitoefent binnen een rechtspersoon of een feitelijke vereniging en die hem uit hoofde van zijn oorspronkelijk mandaat is toevertrouwd, hetzij door de overheid waar hij dat mandaat uitoefent, hetzij op eender welke andere wijze.
  Onder afgeleid mandaat wordt ook verstaan elke functie die een niet-verkozen persoon uitoefent binnen een rechtspersoon of een feitelijke vereniging en die hem rechtstreeks of onrechtstreeks door of binnen een centrum voor maatschappelijk welzijn is toevertrouwd.
Art.20. (ancien article 14bis ). Un mandat dérivé est toute fonction exercée par un mandataire visé dans la présente loi au sein d'une personne juridique ou d'une association de fait et qui lui a été confié en raison de son mandat originaire, soit par l'autorité dans laquelle il exerce celui-ci, soit de toute autre manière.
  Constitue également un mandat dérivé, toute fonction exercée par une personne non élue au sein d'une personne juridique ou d'une association de fait et qui lui a été confié de manière directe ou indirecte par un centre d'action sociale ou au sein de celui-ci.
Art.21. (voormalig artikel 14ter ). § 1. (De Regering is bevoegd om de bestaande wetgeving op te heffen, aan te vullen, te wijzigen of te vervangen met het oog op, enerzijds, de organisatie van de wijze waarop de in artikel 20 bedoelde mandaten uitgeoefend en eventueel bezoldigd worden en op, anderzijds, de vereenvoudiging, de samenbrenging, de verbetering en de coördinatie van de mechanismen en procedures bedoeld in artikel 38 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn). Daartoe kan zij :
  - de voorwaarden bepalen ter vastlegging van een kadaster van die mandaten;
  - de in artikel 20 bedoelde mandatarissen en niet-verkozen personen aangifteverplichtingen opleggen inzake het bestaan van hun mandaten en alle voordelen i.v.m. de uitoefening ervan;
  - de maximale bezoldigingsbedragen vastleggen die de betrokken mandatarissen en niet-verkozen personen kunnen genieten voor de uitoefening van hun afgeleide mandaten;
  - de voordelen bepalen waarvoor ze in aanmerking kunnen komen, alsook de wijze waarop de waarde ervan geraamd moet worden met inachtneming van de opgelegde maximale bezoldigingsbedragen;
  - een controleorgaan oprichten dat over onderzoeksmiddelen beschikt en dat de volgende opdrachten vervult : het kadaster van de afgeleide mandaten vastleggen, de aangiften van de betrokken mandatarissen en niet-verkozen personen onderzoeken en een strafprocedure organiseren als ze hun verplichtingen niet nakomen, op voorwaarde dat deze procedure de rechten van de verdediging in acht neemt en dat de Regering de straf neemt op voorstel van dat orgaan;
  - de samenstelling en de werking van het controleorgaan regelen;
  - de administratieve en eventueel strafrechtelijke straffen vastleggen die toegepast zullen worden op de mandatarissen en de niet verkozen personen die hun nieuwe verplichtingen niet nakomen.
  § 2. De bevoegdheden bedoeld in paragraaf 1 kunnen tot (31 december 2007) uitgeoefend worden.
  § 3. De overeenkomstig paragraaf 1 aangenomen besluiten worden vóór de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad ter informatie aan de voorzitter overgemaakt.
  § 4. De overeenkomstig paragraaf 1 aangenomen besluiten worden door het Parlement bij decreet bekrachtigd binnen zes maanden na de aanneming ervan. Bij gebreke daarvan worden ze van rechtswege opgeheven.
Art.21. (ancien article 14ter ). § 1er. (Le Gouvernement est habilité à abroger, compléter, modifier ou remplacer la législation existante afin, d'une part, d'organiser la manière dont sont exercés et dont sont éventuellement rétribues les mandats visés à l'article 20 et, d'autre part, de simplifier, regrouper, améliorer et coordonner les mécanismes et procédures visés à l'article 38 de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale). A ce titre, il peut notamment :
  - définir les conditions de l'établissement d'un cadastre de ces mandats;
  - imposer aux mandataires et aux personnes non élues visés à l'article 20 des obligations de déclaration quant à l'existence de leurs mandats et de tous les avantages qu'ils retirent de leur exercice;
  - déterminer les plafonds de rémunération dont peuvent bénéficier les mandataires et personnes non élues concernés pour l'exercice de leurs mandats dérives;
  - déterminer quels sont les avantages dont ils peuvent bénéficier et la manière d'évaluer la valeur de ceux-ci eu égard aux plafonds de rémunération imposés par ailleurs;
  - créer un organe de contrôle doté de moyens d'investigation qui aura pour mission d'établir le cadastre des mandats dérivés, de vérifier les déclarations des mandataires et personnes non élues concernés et d'organiser une procédure de sanction en cas de manquement à leurs obligations, étant entendu que celle-ci doit respecter les droits de la défense et que la sanction est prise par le Gouvernement sur proposition de cet organe;
  - régler la composition et le fonctionnement de l'organe de contrôle;
  - définir les sanctions administratives et éventuellement pénales qui s'appliqueront aux mandataires et personnes non élues qui auront méconnu leurs obligations nouvellement établies.
  § 2. Les pouvoirs conférés au paragraphe 1er peuvent être exercés jusqu'au (31 décembre 2007).
  § 3. Les arrêtés adoptés en application du paragraphe 1er sont transmis pour information, avant leur publication au Moniteur belge, au Président du Parlement.
  § 4. Les arrêtés adoptés en application du paragraphe 1er sont ratifiés par décret par le Parlement dans les six mois de leur adoption. A défaut, ils sont abrogés de plein droit.
Art. 22. (voormalig artikel 15). Dit decreet treedt in werking op 8 oktober 2006.
  De artikelen 8, 9, 13, 20 en 21 treden in werking zodra ze in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt worden.
Art. 22. (ancien article 15). Le présent décret entre en vigueur le 8 octobre 2006.
  Les articles 8, 9, 13, 20 et 21 entrent en vigueur dès leur publication au Moniteur belge.