Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
24 FEBRUARI 2005. - Ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 9 november 2004 houdende het selecteren en begeleiden van projecten voor projectgebonden mechanismen in het kader van het Protocol van Kyoto.
Titre
24 FEVRIER 2005. - Arrêté ministériel modifiant l'arrêté ministériel du 9 novembre 2004 portant sélection et encadrement de projets pour les mécanismes de projet dans le cadre du protocole de Kyoto (TRADUCTION).
Documentinformatie
Info du document
Numac: 2005035604
Date: 2005-02-24
Inhoud
Inhoud
Tekst (20)
Texte (1)
Artikel 1. In artikel 1 van het ministerieel besluit van 9 november 2004 houdende het selecteren en begeleiden van projecten voor projectgebonden mechanismen in het kader van het Protocol van Kyoto, hierna genoemd het besluit, wordt 3° vervangen door wat volgt : " 3° projectontwikkelaar : rechtspersoon welke het JI/CDM-project indient, verantwoordelijk is voor de algehele implementatie van het JI-of CDM-project en instaat voor de overdracht van de emissiekredieten naar de Vlaamse Overheid, zoals vermeld in de definities van de referentietermen ".
Article M. Pour le texte, voir version néerlandaise.
Art. 2. Aan artikel 1 van het besluit wordt een 8° toegevoegd, die luidt als volgt : " 8° projecteigenaar : rechtspersoon die eigenaar is van een project waaruit de emissiekredieten resulteren. De projecteigenaar kan de eigenaar worden van de emissiekredieten en derhalve contractpartij zijn voor de Vlaamse Overheid, zoals vermeld in de definities van de referentietermen ".
-
Art. 3. § 1. In artikel 7, eerste lid, van het besluit wordt tussen de woorden " projectontwikkelaar " en " die " de woorden " en/of de projecteigenaar " ingevoegd.
§ 2. In artikel 7 van het besluit wordt het tweede lid vervangen door wat volgt : " Het projectvoorstel omvat de verklaring van interesse van de projecteigenaar en projectontwikkelaar, de projectconceptnota, informatie over het stadium van principiële goedkeuring door het gastland, jaarrekeningen van de laatste drie jaar van projecteigenaar en projectontwikkelaar, een verklaring op erewoord van de projectontwikkelaar en projecteigenaar dat zij in orde zijn met de overheidsverplichtingen en -vergunningen in het land van vestiging, verklaring op eer van de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar dat hij in de afgelopen 3 jaar niet meer dan 100.000 euro overheidssteun heeft ontvangen in het kader van de Europese, de minimis' regeling en indien projectontwikkelaar en projecteigenaar verschillende partijen zijn waarbij enkel projectontwikkelaar contractpartij zal zijn voor de Vlaamse Overheid : een schriftelijke overeenkomst tussen projecteigenaar en projectontwikkelaar waarin de eigendom van de Emissiekredieten, welke resulteren uit het project door de projecteigenaar onvoorwaardelijk en onbezwaard wordt overgedragen aan de projectontwikkelaar en een onherroepelijke en onvoorwaardelijke schriftelijke volmacht tussen de projectontwikkelaar en de projecteigenaar dat aantoont dat de projectontwikkelaar ter zake bevoegd is de projecteigenaar te vertegenwoordigen en het contract te ondertekenen, zoals vermeld in de opmerkingen onder 1.4 in de referentietermen. "
§ 2. In artikel 7 van het besluit wordt het tweede lid vervangen door wat volgt : " Het projectvoorstel omvat de verklaring van interesse van de projecteigenaar en projectontwikkelaar, de projectconceptnota, informatie over het stadium van principiële goedkeuring door het gastland, jaarrekeningen van de laatste drie jaar van projecteigenaar en projectontwikkelaar, een verklaring op erewoord van de projectontwikkelaar en projecteigenaar dat zij in orde zijn met de overheidsverplichtingen en -vergunningen in het land van vestiging, verklaring op eer van de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar dat hij in de afgelopen 3 jaar niet meer dan 100.000 euro overheidssteun heeft ontvangen in het kader van de Europese, de minimis' regeling en indien projectontwikkelaar en projecteigenaar verschillende partijen zijn waarbij enkel projectontwikkelaar contractpartij zal zijn voor de Vlaamse Overheid : een schriftelijke overeenkomst tussen projecteigenaar en projectontwikkelaar waarin de eigendom van de Emissiekredieten, welke resulteren uit het project door de projecteigenaar onvoorwaardelijk en onbezwaard wordt overgedragen aan de projectontwikkelaar en een onherroepelijke en onvoorwaardelijke schriftelijke volmacht tussen de projectontwikkelaar en de projecteigenaar dat aantoont dat de projectontwikkelaar ter zake bevoegd is de projecteigenaar te vertegenwoordigen en het contract te ondertekenen, zoals vermeld in de opmerkingen onder 1.4 in de referentietermen. "
-
Art. 4. § 1. In artikel 8, eerste lid, van het besluit, worden de woorden " binnen maximaal vijfenveertig kalenderdagen " vervangen door de woorden " binnen maximaal tachtig kalenderdagen ".
§ 2. In artikel 8, 2°, van het besluit worden de woorden " de projectontwikkelaar of betrokken projectpartner " vervangen door de woorden " de projectontwikkelaar en de projecteigenaar ".
§ 3. In artikel 8, 8°, a) van het besluit worden de volgende woorden toegevoegd " van de projectontwikkelaar en projecteigenaar ".
§ 4. In artikel 8, 8°, b) van het besluit worden de woorden " de financiële capaciteit van de onderneming " vervangen door " de financiële capaciteit van de projectontwikkelaar en de projecteigenaar ".
§ 5. In artikel 8 van het besluit wordt het laatste lid vervangen door wat volgt : " De projectontwikkelaar kan op verzoek van het technisch comité, zijn projectvoorstel vervolledigen tot eenendertig dagen na het versturen van de vraag tot bijkomende info en binnen maximaal negenendertig dagen na afsluiting van de oproep ".
§ 2. In artikel 8, 2°, van het besluit worden de woorden " de projectontwikkelaar of betrokken projectpartner " vervangen door de woorden " de projectontwikkelaar en de projecteigenaar ".
§ 3. In artikel 8, 8°, a) van het besluit worden de volgende woorden toegevoegd " van de projectontwikkelaar en projecteigenaar ".
§ 4. In artikel 8, 8°, b) van het besluit worden de woorden " de financiële capaciteit van de onderneming " vervangen door " de financiële capaciteit van de projectontwikkelaar en de projecteigenaar ".
§ 5. In artikel 8 van het besluit wordt het laatste lid vervangen door wat volgt : " De projectontwikkelaar kan op verzoek van het technisch comité, zijn projectvoorstel vervolledigen tot eenendertig dagen na het versturen van de vraag tot bijkomende info en binnen maximaal negenendertig dagen na afsluiting van de oproep ".
-
Art. 5. In artikel 9 van het besluit wordt het laatste lid vervangen door wat volgt : " Het technisch comité rangschikt de projectvoorstellen op basis van de beoordelingscriteria en legt ze binnen maximaal tachtig dagen na afsluiten van de oproeptermijn ter goedkeuring voor aan de minister ".
-
Art. 6. In artikel 10, derde lid, van het besluit wordt tussen de woorden " de projectontwikkelaar " en het woord " is " de woorden " en/of projecteigenaar " ingevoegd.
-
Art. 7. In artikel 11 van het besluit wordt tussen de woorden " de projectontwikkelaar " en de woorden " het Vlaams Gewest " de woorden " en/of projecteigenaar " ingevoegd.
-
Art. 8. In artikel 14 van het besluit worden de woorden " De onderneming " vervangen door de woorden " De projectontwikkelaar en/of projecteigenaar ".
-
Art. 9. De referentietermen worden als bijlage bij dit besluit gevoegd en maken er integraal deel van uit.
-
Art. 10. Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Brussel, 24 februari 2005.
F. MOERMAN
Brussel, 24 februari 2005.
F. MOERMAN
-
BIJLAGEN.
-
Art. N0. Referentietermen voor indieners van CDM- en JI-projecten in het kader van een oproep van het Vlaams Gewest gericht op de aankoop van emissiekredieten van projectontwikkelaars.
De Vlaamse overheid heeft al het mogelijke gedaan om te verzekeren dat de gegevens in dit document correct en nauwkeurig zijn. Deze handleiding heeft als doel meer duiding te geven bij de internationale en gewestelijke procedures en het potentieel om een economische meerwaarde te realiseren uit de broeikasgasreducties gerealiseerd via de projectgebonden flexibiliteitsmechanismen. Het internationale en nationale beleid zijn echter nog volop in ontwikkeling en onderhevig aan verandering. De Vlaamse overheid is niet aansprakelijk voor de directe of indirecte verliezen of schade die kunnen voortkomen uit het gebruik van deze richtsnoeren. Indien het project niet uitgevoerd kan worden of geen emissiekredieten kan verwerven door factoren of beslissingen op internationaal niveau dan kan de Vlaamse overheid hiervoor niet verantwoordelijk worden gesteld.
1. Situering van de oproep
Het Kyotoprotocol legt vast dat geïndustrialiseerde landen en de landen met een overgangseconomie hun uitstoot van broeikasgassen met minimaal 5 % moeten verlagen ten opzichte van het niveau in 1990. Deze verplichtingen moeten gerealiseerd worden in de periode 2008-2012 en ze hebben betrekking op een korf van 6 broeikasgassen. België moet zijn uitstoot van broeikasgassen in deze eerste verbintenissenperiode met 7.5 % reduceren ten opzichte van 1990. Deze reductie vormt de Belgische bijdrage aan de verdeling over de lidstaten van de EU-verplichting die in het Kyotoprotocol is overeengekomen. Bij de lastenverdeling tussen de gewesten en de federale Overheid is overeengekomen dat het Vlaams gewest een reductiedoelstelling opneemt van 5.2 % ten opzichte van zijn emissieniveau in 1990.
Het Protocol biedt de ondertekenende landen echter de mogelijkheid om meer broeikasgassen uit te stoten dan de hen toegewezen emissiequota via de projectgebonden flexibiliteitsmechanismen. Deze mechanismen laten de geïndustrialiseerde landen toe om de broeikasgasemissies terug te dringen in landen waar dat tegen een lagere kost kan. Emissies die via deze mechanismen in het buitenland worden gerealiseerd tellen mee in de nationale reductieverplichting. Het protocol voorziet de volgende twee projectgebonden mechanismen :
- Gezamenlijke uitvoering (Joint implementation, hiernaar wordt verder verwezen als JI) : Dit mechanisme omvat de implementatie van emissiereductieprojecten in de zogenaamde Annex I-landen oftewel landen die zelf ook emissiereductieresultaten moeten voorleggen. De investerende bedrijven of landen kunnen de resulterende uitstootvermindering (deels) op eigen rekening schrijven en op deze wijze emissiekredieten (namelijk ERU's) opbouwen.
- Mechanisme voor schone ontwikkeling (Clean development mechanism, hiernaar wordt verder verwezen als CDM) : Dit mechanisme verwijst naar investeringen in emissiereductieprojecten in niet-Annex I-landen, die zelf geen emissiereductiedoelstellingen kregen opgelegd voor de eerste verbintenissenperiode (veelal ontwikkelingslanden). De investerende bedrijven of landen kunnen de resulterende uitstootvermindering (deels) op eigen rekening schrijven en op deze wijze emissiekredieten (namelijk CER's) opbouwen.
Het Vlaamse gewest opteert er in haar klimaatbeleid expliciet voor om de nadruk te leggen op de uitvoering van kwalitatief goede binnenlandse maatregelen. Daarnaast voorziet Vlaanderen tevens de inzet van de projectgebonden flexibiliteitsmechanismen. Hieraan wordt onder meer vorm gegeven door de ontwikkeling van deze oproep voor de aankoop van reductie-eenheden. Hierbij financiert de Vlaamse overheid niet het project zelf maar koopt ze, tegen een vooraf afgesproken prijs, (een deel van) de verwachte CER's of ERU's van de projecteigenaar.
De procedure bestaat globaal uit de volgende stappen :
- projectontwikkelaars met een potentiële interesse in het opzetten van een CDM- of JI-project dienen, in het kader van de oproep, een algemene projectbeschrijving in. Op basis hiervan wordt een voorselectie gemaakt van de projectvoorstellen.
- De geselecteerde projectontwikkelaars worden uitgenodigd hun projectdossier verder uit te werken. De projectvoorstellen worden vervolgens opnieuw gescreend.
- Voor de geselecteerde projecten worden er verkoopcontracten voor de gegenereerde emissiekredieten afgesloten tussen de projecteigenaar en/of projectontwikkelaar en het Vlaams gewest.
1.1. Doel van de referentietermen
Het doel van deze richtsnoeren is het algemene kader schetsen voor projectontwikkelaars en/of projecteigenaars die wensen in te gaan op een oproep van het Vlaamse gewest gericht op de aankoop van emissiekredieten. Hiertoe worden de procedures en de selectiecriteria toegelicht die het Vlaams gewest zal hanteren. Op deze manier werden de basisregels voor CDM/JI, vastgelegd in het Kyotoprotocol en de Akkoorden van Marrakesh, vertaald in een werkdocument voor projectontwikkelaars.
1.2. Bereik van de referentietermen
Het Kyotoprotocol beschrijft de projectgebonden mechanismen slechts summier in artikelen 6 en 12 zodat verdere uitwerking noodzakelijk was. In de akkoorden van Marrakesh van 9 november 2001 werden de modaliteiten en procedures voor de effectieve inzet van deze mechanismen verder uitgewerkt. Tevens werd er een Executive Board (EB) voor CDM aangesteld. Ondanks deze initiatieven blijven er bepaalde onzekerheden bestaan rond de praktische inzet van de mechanismen. Deze referentietermen zullen dan ook op continue basis worden herzien en bijgewerkt naarmate de Conferentie der Partijen (COP), ingesteld onder het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering, de CDM Executive Board of JI Supervisory Committee de richtlijnen voor CDM en JI verder verfijnt. Bij onzekerheden in het internationale kader wordt getracht de risico's van de aanpak zoveel mogelijk te beperken. Er zal in dit geval worden getracht procedures voorop te stellen die conform zijn met de algemene doelstellingen van het Klimaatverdrag en van het Kyotoprotocol. Op deze wijze wordt getracht de kwaliteit van de gegenereerde emissiereducties te garanderen en uitsluiting van de projecten te vermijden wanneer de internationale regels verder worden verfijnd.
De samenstelling van de in te dienen projectdossiers alsook de opmaak van de in te dienen formulieren kunnen worden bijgesteld naarmate meer expertise en ervaring wordt opgebouwd met de projectgebonden flexibiliteitsmechanismen. Wanneer nieuwe of gewijzigde formulieren voorhanden zijn, moeten deze gebruikt worden. Wijzigingen worden gecommuniceerd via de website van de Vlaamse overheid.
1.3. Wie kan een projectvoorstel indienen.
Elke private of openbare entiteit, die volgens het internationale kader in aanmerking komt om deel te nemen aan een projectactiviteit.
1.4. Definities en functies van de verschillende projectpartners
Teneinde de rollen van verschillende organisaties en rechtspersonen, welke bij een JI/CDM-project betrokken kunnen zijn, te verduidelijken, worden de volgende definities gehanteerd :
Projectpartner (PP) : een projectpartner is in het algemeen een organisatie welke op verbindende wijze, middels een overeenkomst, deelneemt in het project en een belangrijke rol speelt bij het welslagen van het JI/CDM-project. Binnen de projectpartners onderscheiden we de projecteigenaar, de projectontwikkelaar, de mede-investeerder(s), de onderaannemers en de andere projectpartners
Projectontwikkelaar (PO) : de rechtspersoon welke het JI/CDM-project indient, verantwoordelijk is voor de algehele implementatie van het JI-of CDM-project en instaat voor de overdracht van de emissiekredieten naar de Vlaamse Overheid.
Toelichting : de Projectontwikkelaar kan alleen dan de enige contractpartij zijn voor de Vlaamse Overheid indien :
- de eigendom van de Emissiekredieten, welke resulteren uit het project, bij schriftelijke overeenkomst door de Projecteigenaar onvoorwaardelijk en onbezwaard wordt overgedragen aan de Projectontwikkelaar.
- de Projectontwikkelaar aan de overige beoordelingscriteria voldoet.
Projecteigenaar (PE) : rechtspersoon die eigenaar is van een project waaruit de emissiekredieten resulteren. De projecteigenaar zal (veelal) de eigenaar worden van de emissiekredieten en derhalve contractpartij zijn voor de Vlaamse Overheid.
Toelichting : Indien de projecteigenaar zelf het JI/CDM-project indient bij het Vlaams gewest, vallen de rollen van projecteigenaar en projectontwikkelaar samen. De projecteigenaar is dan de contractpartij voor de Vlaamse Overheid.
In sommige gevallen kan de Projecteigenaar de eigendomsrechten op de Emissiekredieten overdragen aan een andere organisatie, de Projectontwikkelaar, waarbij de Projectontwikkelaar dan als enige contractpartij voor de Vlaamse Overheid zal fungeren. Deze overdracht dient middels een schriftelijke overeenkomst te worden vastgelegd (zie ook definitie Projectontwikkelaar).
Mede-investeerder (MI) : rechtspersoon die financiële verplichtingen aangaat met de projectontwikkelaar en/of - eigenaar inzake het project.
Onderaannemer (OA) : een leverancier van diensten en/of goederen ten behoeve van het JI/CDM project.
Andere JI/CDM-projectpartner (APP) : rechtspersoon welke op verbindende wijze in het project deelneemt, een essentiële rol speelt bij het welslagen van het JI/CDM-project, en daartoe met de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar een overeenkomst heeft getekend en in het project niet kan aangeduid worden als projectontwikkelaar, projecteigenaar, mede-investeerder of onderaannemer.
Toelichting : Andere projectpartners kunnen bijvoorbeeld zijn : een projectadviseur, een afnemer van elektriciteit of andere producten, eigenaar van het terrein waarop het project wordt geïmplementeerd enzovoorts.
Opmerkingen :
1) Zowel Projecteigenaar als Projectontwikkelaar dienen alle betreffende documenten horende bij het Projectdossier Deel I (zie stap 1-3) en Deel II (zie stap 6-7) te ondertekenen c.q. te overhandigen met uitzondering van de stukken die aangeven in welke mate het project al de goedkeuring kreeg van het gastland, de letter of endorsement, de letter of approval en referenties die de ervaring van de Projectontwikkelaar met de projectactiviteit aantonen (enkel projectontwikkelaar).
2) In geval middels een onherroepelijke en onvoorwaardelijke schriftelijke volmacht tussen de Projectontwikkelaar en de Projecteigenaar kan aangetoond worden dat de Projectontwikkelaar ter zake bevoegd is de Projecteigenaar te vertegenwoordigen en alle betreffende documenten te ondertekenen c.q. overhandigen, dan moeten deze documenten enkel door de Projectontwikkelaar worden getekend c.q. overhandigd (met uitzondering van de jaarrekening, de verklaring op erewoord inzake overheidsverplichtingen en sociale zekerheid, de interesseverklaring voor deelname en de ondertekening van de OESO richtlijnen en PCN : zowel door projectontwikkelaar en projecteigenaar rekening houdend met opm 3). Vandaar de gebruikte notatie Projectontwikkelaar en/of Projecteigenaar doorheen de referentietermen.
3) Op verzoek van de Projecteigenaar of Projectontwikkelaar kan het Vlaams Gewest bepalen dat ondertekening c.q. overhandiging van specifieke documenten door een van de rechtspersonen volstaat. Bijvoorbeeld ingeval het voorleggen van een jaarrekening van de Projecteigenaar wanneer dit een openbare instantie is.
4) De samenwerkingscontracten met mede-investeerder, onderaannemer en andere Projectpartners, dienen ondertekend te worden tussen de betreffende partner en de Projectontwikkelaar en/of Projecteigenaar (cfr. Opmerking 2)
Onderstaande figuur geeft de verschillende overeenkomsten tussen alle projectpartners weer.
(Figuur niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25297).
1.5. De aard van de ingediende projecten
Het Vlaams gewest wenst, in het kader van de oproep, emissiekredieten aan te kopen van projectontwikkelaars en/of projecteigenaars van projecten waarbij volgende technologieën worden ingezet :
1. Duurzame energie uit hernieuwbare energiebronnen :
Zoals :
1.1. Zonne-energie
1.2. Windenergie
1.3. Waterkracht < 20 MW
1.4. Getijdenenergie en golfslagenergie
1.5. Aardwarmte (inclusief koude-warmteopslag)
1.6. Biogas voortkomend uit de vergisting van organisch-biologische stoffen :
a) in vergistingsinstallaties
b) in stortplaatsen
1.7. Energie opgewekt uit volgende organisch-biologische stoffen indien zij niet samen met restafval verwerkt worden :
a) producten, bestaande uit plantaardige materialen of delen daarvan van landbouw of bosbouw;
b) dierlijke mest;
c) organisch-biologische afvalstoffen die selectief ingezameld werden en niet in aanmerking komen voor materiaalrecyclage;
d) organisch-biologische afvalstoffen die gesorteerd worden uit restafval en niet in aanmerking komen voor materiaalrecyclage.
1.8. Warmtepompen
1.9. Bio-oliemotor : Het opwekken van warmte en mechanische of elektrische energie door het benutten van de energie-inhoud van uit biomassa verkregen secundaire vloeibare energiedragers. Er moet sprake zijn van een netto opbrengst van energie, gerekend over de totale keten van voorbehandeling tot en met eindproduct. Het totaal energetisch rendement moet ten minste 40 % bedragen. Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het netto energetisch rendement van de opwekking van mechanische of elektrische energie en tweederde deel van het netto energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof.
2. Energie-efficiëntie maatregelen
Zoals :
2.1. Warmtekrachtkoppelinginstallatie (WKK-installatie) en trigeneratie : De gecombineerde productie van thermische en mechanische of elektrische energie die geconcipieerd is in functie van de warmtebehoeften en die leidt tot energiebesparing in vergelijking met de gescheiden productie van dezelfde hoeveelheden thermische en mechanische of elektrische energie in moderne referentie-installaties waarvan het rendement jaarlijks gedefinieerd en gepubliceerd wordt.
2.2. Beperking van de energieverliezen en de ventilatieverliezen in bestaande gebouwen en broeikassen.
2.3. Beperking van het energieverlies door in gebruik zijnde apparaten, leidingen, afsluiters en kanalen te isoleren of in gebruik zijnde warme of koude vloeistofbaden af te dekken
2.4. Terugwinnen van afvalwarmte met het oog op gebruik in warmteprocessen (inclusief verwarming van gebouwen) in het eigen bedrijf
2.5. Aanwenden van expansie-energie die vrijkomt bij bestaande productieprocessen of bij de ontspanning van fluida onder druk gebracht voor transport
2.6. Toerentalregeling : Regeling van de aandrijving van machines.
2.7. Afstandsverwarming : De afstandsverwarming kan gevoed worden gevoed door een WKK-installatie, recuperatiewarmte uit processen, een installatie voor de verbranding van biomassa of afval, geothermische energie of afvalwarmte van elektriciteitscentrales.
2.8. Brandstofcelsysteem : Het gecombineerd opwekken van warmte en elektrische energie, waarbij een gasvormige brandstof rechtstreeks wordt omgezet in elektrische energie en waarbij vrijkomende warmte nuttig wordt aangewend en waarbij het totaal energetisch rendement gemiddeld op jaarbasis ten minste 65 % bedraagt. Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het energetisch rendement van de opwekking van kracht en tweederde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte berekend op de onderste verbrandingswaarde van aardgas.
3. Brandstofomschakeling oftewel de omschakeling van CO2-intensieve brandstoffen naar brandstoffen met een lagere CO2-uitstoot
4. Reducties van de uitstoot van andere broeikasgassen (niet CO2) in de industriële sector
Er kan hier bijvoorbeeld gedacht worden aan reducties van lachgas uit de adipinezuur producerende industrie etc.
Investeringen in hernieuwbare energie en in energie-efficiëntie aan de vraagzijde genieten de voorkeur.
Er is geen ondergrens vastgesteld voor het aantal emissiekredieten dat door een projectontwikkelaar en/of projecteigenaar aan de Vlaamse Overheid te koop moet worden aangeboden. Dit betekent dat ook kleinschalige projecten in aanmerking kunnen komen. Om de geografische spreiding van CDM-projecten te bevorderen en om transactiekosten te drukken, voorziet het internationale kader speciale regels voor de ontwikkeling van kleinschalige CDM-projecten. Deze betreffen in de eerste plaats een vereenvoudiging van de procedures en modaliteiten die nodig zijn om het project in de CDM-kader te plaatsten. In het kader van de oproep kunnen zowel kleinschalige (eventueel geclusterd waarbij de internationale regels voor clustering van Small Scale projects gelden) als grotere CDM-projecten aan bod komen.
1.6. Risico's verbonden aan een CDM/JI-project
Naast het landenrisico en het projectgebonden risico, waarmee een conventioneel project ook geconfronteerd wordt, zijn aan een CDM/JI-project tevens volgende specifieke risico's verbonden :
- Kyotorisico : heeft betrekking op de onzekerheden in het internationale kader en de onvolledigheid van de modaliteiten en procedures voor CDM en JI op internationaal niveau (zoals bijvoorbeeld de goedkeuring van gehanteerde methodologieën en de accreditatie van validatoren)
- Kredietrisico : heeft betrekking op de betrouwbaarheid van het referentiescenario en het effectief kunnen realiseren van de contractueel vastgelegde emissiereducties.
De projectontwikkelaar zelf verzekert dat zijn project steeds conform is met de geldende internationale, Europese en Vlaamse richtsnoeren. Ook staat hij in voor de implementatie van het project en de tijdige levering van de emissiekredieten.
2. Projectverloop in het kader van de oproep
2.1. Overzicht projectstappen CDM
Projectontwikkelingsfase
Onderstaande figuur geeft een overzicht van de verschillende stappen uit de projectontwikkelingsfase van het CDM-project, die zullen gevolgd worden in het kader van de oproep, en de rol van de verschillende betrokken factoren in iedere stap :
(Figuur niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25299).
Stap 1. Ontwikkelen projectidee
In deze voorbereidingsfase onderhandelen de verschillende initiatiefnemers van het project hun onderlinge rol binnen de projectontwikkeling en -uitvoering en hun wederzijdse verantwoordelijkheden en verhoudingen.
Stap 2. Opmaken Projectdossier DEEL 1
De projectontwikkelaar maakt een algemeen projectdossier op zoals beschreven in hoofdstuk 3 onder stap 1-3 'Indienen projectdossier DEEL 1'.
Stap 3. Eerste beoordeling van het project door gastland
De projectontwikkelaar legt het projectidee voor aan het gastland. Het gastland toetst het project aan zijn randvoorwaarden voor CDM-projecten en geeft eventueel een principieel akkoord aan het project (indien mogelijk onder de vorm van een letter of endorsement, zoals voorzien in bijlage 2). De principiële goedkeuring van het project door het gastland, wordt, tezamen met deel I van het projectdossier (zie stap 2), ingediend bij het Vlaams Gewest.
Stap 4. Eerste doorlichting van het project door de Vlaamse overheid
Op basis van het projectdossier DEEL 1 wordt het project voor de eerste maal getoetst aan de randvoorwaarden opgelegd door het Kyotoprotocol, de Akkoorden van Marrakesh, de CDM Executive Board en aan de Vlaamse beleidsvisie. Daarna wordt een rangschikking gemaakt van de ontvankelijke projecten. Na beslissing van de Vlaamse overheid worden de projectontwikkelaars van geselecteerde projecten uitgenodigd om het projectdossier DEEL 2 samen te stellen en in te dienen.
Stap 5. Afsluiten optieovereenkomst
Er wordt een optieovereenkomst opgesteld waarin de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar met de Vlaamse overheid overeenkomt binnen een bepaalde periode het projectdossier DEEL 2 op te stellen en aan te leveren. De Vlaamse overheid legt vast dat zij het project ten eerste male positief evalueert en de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar in de gelegenheid stelt het project nader te ontwikkelen en realiseren. Tevens verwerft de Vlaamse Overheid het optierecht op alle emissiekredieten welke resulteren uit het project.
Stap 6. Opmaken projectdossier DEEL 2
De projectontwikkelaar maakt een volledig projectdossier op, dat bestaat uit deelementen beschreven in hoofdstuk 3 onder stap 6 Indienen projectdossier DEEL 2'. Het geheel wordt ingediend bij het Vlaams Gewest.
Stap 7. Schriftelijke goedkeuring van het project door het gastland - Letter of Approval
De projectontwikkelaar voegt de schriftelijke goedkeuring van het project door het gastland toe aan het projectdossier in de vorm van een Letter of Approval.
Stap 8. Tweede doorlichting van het project door de Vlaamse overheid
Het volledige projectdossier wordt getoetst aan de randvoorwaarden voor CDM-projecten en aan de Vlaamse beleidsvisie. De ingediende documenten worden getoetst op volledigheid, correctheid en eventuele wijzigingen. Voor de goedgekeurde projecten worden de contractonderhandelingen (zie stap 9) opgestart. De projectontwikkelaar dient het project in voor validatie.
Stap 9. Afsluiten van het definitief aankoopcontract
De Vlaamse overheid sluit een contract af met de projectontwikkelaar en/of eigenaar (zie opm. 1.4) om (een deel van) de emissiekredieten, die resulteren uit het project, aan te kopen.
Stap 10. Validatie
Een door de CDM Executive Board geaccrediteerde onafhankelijke consultant licht de projectactiviteit door en screent het project ten opzichte van de algemene richtsnoeren voor CDM (= validatie). De projectontwikkelaar is verantwoordelijk voor de organisatie van de validatie.
Stap 11. Registratie (na eventuele revisie)
De registratie van een gevalideerd project bij de Executive Board is de formele aanvaarding door de Executive Board van het project als CDM-activiteit. Deze kan worden voorafgegaan door een revisie van het validatierapport door de CDM Executive Board. De projectontwikkelaar staat in voor de registratie.
Operationele fase
De onderstaande figuur geeft een overzicht van de verschillende projectstappen in de operationele fase van het project en de rol van de verschillende betrokken partijen in iedere stap.
(Figuur niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25300).
Stap 12. Projectopvolging en opstellen opvolgingsrapport (= monitoring)
De projectontwikkelaar zorgt voor de projectopvolging op basis van een opvolgingsplan. Tijdens deze fase worden de vooruitgang in de beoogde broeikasgasemissiereductie periodiek berekend/gemeten. De projectontwikkelaar stelt de Vlaamse Overheid in kennis van de resultaten van de opvolging.
Stap 13. Verificatie
Een door de CDM Executive Board geaccrediteerde onafhankelijke consultant reviseert op regelmatige tijdstippen ex-post de gerealiseerde emissiereductie (= verificatie). De projectontwikkelaar staat in voor de verificatie en stelt de Vlaamse Overheid in kennis van de resultaten.
Stap 14. Certificatie
De door de CDM Executive Board geaccrediteerde onafhankelijke consultant bevestigt in een certificatierapport dat het project binnen een bepaald tijdsinterval de geverifieerde broeikasgasemissiereducties heeft gerealiseerd in overeenstemming met alle relevante randvoorwaarden. Een copij van het certificatierapport wordt overgemaakt aan de Vlaamse Overheid.
Stap 15 : Eventuele revisie door de CDM Executive Board (EB)
Onder bepaalde omstandigheden kan de EB een revisie vragen. Op dit moment (februari 2005) is daarover echter nog geen duidelijkheid.
Stap 16. Uitgifte van CER's
Het door de operationele entiteit opgemaakte certificatierapport bevat een verzoek aan de Executive Board om de hoeveelheid CER's uit te geven die werden geverifieerd. Bij goedkeuring door de Executive Board (eventueel na een revisie) geeft de beheerder van het CDM-register de gecertificeerde hoeveelheid CER's uit. Hij schrijft ze over naar de rekeningen van de contractuele begunstigden.
2.2. Overzicht projectstappen JI
Daar de meeste gastlanden op het moment van schrijven niet voldoen aan de randvoorwaarden voor JI track 1, wordt verwacht dat in eerste instantie de procedures voor JI track 2 gevolgd zullen worden.
Projectontwikkelingsfase
Onderstaande figuur geeft een overzicht van de verschillende stappen uit de projectontwikkelingsfase van het JI-project, die zullen gevolgd worden in het kader van de oproep, en de rol van de verschillende betrokken factoren in iedere stap :
(Figuur niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25301).
Stap 1. Ontwikkelen projectidee
In deze voorbereidingsfase onderhandelen de initiatiefnemers van het project hun onderlinge rol binnen de projectontwikkeling en -uitvoering en hun wederzijdse verantwoordelijkheden en verhoudingen.
Stap 2. Opmaken Projectdossier DEEL 1
De projectontwikkelaar maakt een algemeen projectdossier op zoals beschreven in hoofdstuk 3 onder stap 1-3 Indienen projectdossier DEEL 1'.
Stap 3. Eerste beoordeling van het project door gastland
De projectontwikkelaar legt het projectidee voor aan het gastland. Het gastland toetst het project aan zijn randvoorwaarden voor JI-projecten en geeft eventueel een principieel akkoord aan het project (indien mogelijk onder de vorm van een letter of endorsement, zoals voorzien in bijlage 3). De principiële goedkeuring van het project door het gastland, wordt, tezamen met deel I van het projectdossier (zie stap 2), ingediend bij het Vlaams Gewest.
Stap 4. Eerste doorlichting van het project door de Vlaamse overheid
Op basis van het projectdossier DEEL 1 wordt het project voor de eerste maal getoetst aan de randvoorwaarden opgelegd door het Kyotoprotocol, de Akkoorden van Marrakesh, de CDM Executive Board en aan de Vlaamse beleidsvisie. Daarna wordt een rangschikking gemaakt van de ontvankelijke projecten. Na beslissing van de Vlaamse overheid worden de projectontwikkelaars van geselecteerde projecten uitgenodigd om een volledig projectdossier samen te stellen.
Stap 5. Afsluiten optieovereenkomst
Er wordt een optieovereenkomst opgesteld waarin de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar met de Vlaamse overheid overeenkomt binnen een bepaalde periode het projectdossier DEEL 2 op te stellen en aan te leveren. De Vlaamse overheid legt vast dat zij het project ten eerste male positief evalueert en de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar in de gelegenheid stelt het project nader te ontwikkelen en realiseren. Tevens verwerft de Vlaamse overheid het optierecht op alle emissiekredieten welke resulteren uit het project.
Stap 6. Opmaken projectdossier DEEL 2
De projectontwikkelaar maakt een volledig projectdossier op, dat bestaat uit de elementen beschreven onder hoofdstuk 3 onder stap 6 Indienen projectdossier DEEL 2'. Het geheel wordt ingediend bij het Vlaams Gewest.
Stap 7. Schriftelijke goedkeuring van het project door het gastland - Letter of Approval
De projectontwikkelaar voegt de schriftelijke goedkeuring van het project door het gastland toe aan het projectdossier in de vorm van een Letter of Approval.
Stap 8. Tweede doorlichting van het project door de Vlaamse overheid
Het volledige projectdossier wordt getoetst aan de randvoorwaarden voor JI-projecten en aan de Vlaamse beleidsvisie. De ingediende documenten worden tevens getoetst op volledigheid, correctheid en eventuele wijzigingen.
Voor de goedgekeurde projecten worden de contractonderhandelingen (zie stap 9) opgestart. De projectontwikkelaar dient het project in voor validatie.
Stap 9. Afsluiten van het definitief aankoopcontract
De Vlaamse overheid sluit een contract af met de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar om (een deel van) de emissiekredieten, die resulteren uit het project, aan te kopen.
Stap 10. Determinatie
Een onafhankelijke entiteit licht de projectactiviteit door en screent het project ten opzichte van de algemene richtsnoeren voor JI (= determinatie). De projectontwikkelaar is verantwoordelijk voor de organisatie van de determinatie.
Stap 11. Eventuele revisie
De JI Supervisory Committee kan besluiten een revisie uit te voeren van het determinatierapport.
Operationele fase
De onderstaande figuur geeft een overzicht van de verschillende projectstappen in de operationele fase van het project en de rol van de verschillende betrokken partijen in iedere stap.
(Figuur niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25302).
Stap 12. Opvolging en opstellen opvolgingsrapport (monitoring)
De projectontwikkelaar staat in voor de projectopvolging op basis van een opvolgingsplan. Tijdens deze fase worden de vooruitgang in de beoogde broeikasgasemissie reductie periodiek berekend/gemeten. De projectontwikkelaar stelt de Vlaamse Overheid in kennis van de resultaten van de opvolging.
Stap 13. Verificatie
Een onafhankelijke entiteit reviseert op regelmatige tijdstippen ex-post de gerealiseerde emissiereductie (= verificatie). De projectontwikkelaar staat in voor de verificatie en stelt de Vlaamse Overheid in kennis van de resultaten.
Stap 14. Eventuele revisie JI Supervisory Committee
De JI Supervisory Committee kan het verificatierapport onderwerpen aan een revisie. Het JI Steering Committee is momenteel (februari 2005) nog niet geïnstalleerd. Het toekomstig JI Steering Committee kan nieuwe richtlijnen uitvaardigen waarmee rekening zal moeten worden gehouden.
Stap 15. Uitgave van ERU's
Het gastland geeft nieuwe emissiekredieten uit onder de vorm van ERU's. Deze worden in mindering gebracht worden in het nationaal register van het gastland. De ERU's worden getransfereerd volgens de bepalingen in het contract.
2.3. Timing van de projectcyclus in het kader van de oproep
(Figuur niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25303).
3. Indienen van een project en selectieprocedure in het kader van de oproep
Stap 1-3 : Indienen projectdossier DEEL 1
De projectontwikkelaar dient in deze fase het projectdossier DEEL 1 in bij het Vlaams gewest. Dit dossier wordt samengesteld uit volgende elementen :
- Projectconceptnota, opgesteld volgens het model in bijlage 1, ondertekend door Projectontwikkelaar en Projecteigenaar. (cfr. 1.4 opmerking 3)
- Verklaring op erewoord van projectontwikkelaar en projecteigenaar dat zij volledig in regel zijn met de overheidsverplichtingen of -vergunningen in het land van vestiging (o.a. betaling van bijdrage aan de sociale zekerheid en van (in)directe belastingen)
- Jaarrekening van de laatste 3 jaren van projectontwikkelaar en projecteigenaar (uitzondering : indien een van beide een openbare instantie is, wordt geen jaarrekening van deze instantie verwacht zie 1.4 opm. 3)
- Interesseverklaring voor deelname aan de oproep, ondertekend door projectontwikkelaar en projecteigenaar
- Stukken die aangeven in welke mate het project al de goedkeuring kreeg van het gastland
- Verklaring op eer van de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar dat hij in de afgelopen 3 jaar niet meer dan 100.000 euro overheidssteun heeft ontvangen in het kader van de Europese de minimis' regeling.
- Indien projecteigenaar en projectontwikkelaar verschillende partijen zijn waarbij enkel de projectontwikkelaar contractpartij zal zijn van de Vlaamse overheid : een schriftelijke overeenkomst tussen projecteigenaar en projectontwikkelaar waarin de eigendom van de Emissiekredieten, welke resulteren uit het project door de projecteigenaar onvoorwaardelijk en onbezwaard wordt overgedragen aan de projectontwikkelaar en een onherroepelijke en onvoorwaardelijke schriftelijke volmacht tussen de projectontwikkelaar en de projecteigenaar dat aantoont dat de projectontwikkelaar ter zake bevoegd is de projecteigenaar te vertegenwoordigen en het contract te ondertekenen (zie ook opm 1.4).
De projectontwikkelaar wordt tevens uitgenodigd om alle relevante documenten, die de kans op slagen van het project helpen onderbouwen en motiveren, als bijlage aan het projectdossier DEEL 1 toe te voegen (bijvoorbeeld MER, bewijsstukken van aflevering van de nodige vergunningen in het gastland, bewijsstukken projectfinanciering, validatierapport, rendabiliteitsanalyse, ...). Deze zullen worden gebruikt bij de risicoanalyse voor het project (zie punt 4.3.A).
In de interesseverklaring voor deelname, ondertekend door projectontwikkelaar en projecteigenaar, wordt ook de eigendomsstructuur van het project toegelicht en worden de verschillende projectpartners en hun onderlinge relatie beschreven aan de hand van de definities uit deze referentietermen.
Indien projecteigenaar en projectpartner verschillende partijen zijn dient de overeenkomst tussen projectontwikkelaar en projecteigenaar te bevestigen dat de overdracht van de eigendomsrechten op de emissiekredieten van projecteigenaar naar projectontwikkelaar gebeurt en dat de projectontwikkelaar als contractpartij fungeert om de optie-overeenkomst en ERAO af te sluiten met de Vlaamse Overheid.
Voorstellen kunnen worden ingediend binnen de daartoe vastgestelde termijnen en mogen opgesteld worden in het Engels, het Nederlands of het Frans. Voorstellen dienen zowel digitaal als in 'hard copy' te worden aangeleverd.
Stap 4 : Eerste doorlichting van het project in het kader van de oproep
Het Vlaams gewest maakt een selectie en rangschikking van de ingediende projectvoorstellen. Hierbij worden volgende 3 stappen doorlopen :
4.1. Toetsing van het projectdossier DEEL 1 op volledigheid en tijdigheid van indiening.
Een project, waarvan het projectdossier DEEL 1 onvolledig of niet binnen de voorziene tijdsspanne werd ingediend, komt niet in aanmerking voor verdere selectie.
4.2. Toetsing van het projectdossier DEEL 1 aan de ontvankelijkheidscriteria.
Het Vlaams gewest toetst het project voor de eerste maal aan de internationale randvoorwaarden en aan de Vlaamse beleidsvisie. De toetsing gebeurt aan de hand van 10 ontvankelijkheidscriteria. Het niet voldoen aan één van deze ontvankelijkheidscriteria leidt tot de uitsluiting van het project voor verdere selectie. Het Vlaams gewest kan steeds bijkomende informatie opvragen bij de projectontwikkelaar ter verduidelijking van zijn dossier, indien dit nodig is om het project naar behoren te kunnen beoordelen in functie van onderstaande ontvankelijkheidscriteria. Het niet verstrekken van deze informatie binnen de vooropgestelde termijn leidt eveneens tot uitsluiting. Volgende ontvankelijkheidscriteria worden in rekening gebracht :
De Vlaamse overheid heeft al het mogelijke gedaan om te verzekeren dat de gegevens in dit document correct en nauwkeurig zijn. Deze handleiding heeft als doel meer duiding te geven bij de internationale en gewestelijke procedures en het potentieel om een economische meerwaarde te realiseren uit de broeikasgasreducties gerealiseerd via de projectgebonden flexibiliteitsmechanismen. Het internationale en nationale beleid zijn echter nog volop in ontwikkeling en onderhevig aan verandering. De Vlaamse overheid is niet aansprakelijk voor de directe of indirecte verliezen of schade die kunnen voortkomen uit het gebruik van deze richtsnoeren. Indien het project niet uitgevoerd kan worden of geen emissiekredieten kan verwerven door factoren of beslissingen op internationaal niveau dan kan de Vlaamse overheid hiervoor niet verantwoordelijk worden gesteld.
1. Situering van de oproep
Het Kyotoprotocol legt vast dat geïndustrialiseerde landen en de landen met een overgangseconomie hun uitstoot van broeikasgassen met minimaal 5 % moeten verlagen ten opzichte van het niveau in 1990. Deze verplichtingen moeten gerealiseerd worden in de periode 2008-2012 en ze hebben betrekking op een korf van 6 broeikasgassen. België moet zijn uitstoot van broeikasgassen in deze eerste verbintenissenperiode met 7.5 % reduceren ten opzichte van 1990. Deze reductie vormt de Belgische bijdrage aan de verdeling over de lidstaten van de EU-verplichting die in het Kyotoprotocol is overeengekomen. Bij de lastenverdeling tussen de gewesten en de federale Overheid is overeengekomen dat het Vlaams gewest een reductiedoelstelling opneemt van 5.2 % ten opzichte van zijn emissieniveau in 1990.
Het Protocol biedt de ondertekenende landen echter de mogelijkheid om meer broeikasgassen uit te stoten dan de hen toegewezen emissiequota via de projectgebonden flexibiliteitsmechanismen. Deze mechanismen laten de geïndustrialiseerde landen toe om de broeikasgasemissies terug te dringen in landen waar dat tegen een lagere kost kan. Emissies die via deze mechanismen in het buitenland worden gerealiseerd tellen mee in de nationale reductieverplichting. Het protocol voorziet de volgende twee projectgebonden mechanismen :
- Gezamenlijke uitvoering (Joint implementation, hiernaar wordt verder verwezen als JI) : Dit mechanisme omvat de implementatie van emissiereductieprojecten in de zogenaamde Annex I-landen oftewel landen die zelf ook emissiereductieresultaten moeten voorleggen. De investerende bedrijven of landen kunnen de resulterende uitstootvermindering (deels) op eigen rekening schrijven en op deze wijze emissiekredieten (namelijk ERU's) opbouwen.
- Mechanisme voor schone ontwikkeling (Clean development mechanism, hiernaar wordt verder verwezen als CDM) : Dit mechanisme verwijst naar investeringen in emissiereductieprojecten in niet-Annex I-landen, die zelf geen emissiereductiedoelstellingen kregen opgelegd voor de eerste verbintenissenperiode (veelal ontwikkelingslanden). De investerende bedrijven of landen kunnen de resulterende uitstootvermindering (deels) op eigen rekening schrijven en op deze wijze emissiekredieten (namelijk CER's) opbouwen.
Het Vlaamse gewest opteert er in haar klimaatbeleid expliciet voor om de nadruk te leggen op de uitvoering van kwalitatief goede binnenlandse maatregelen. Daarnaast voorziet Vlaanderen tevens de inzet van de projectgebonden flexibiliteitsmechanismen. Hieraan wordt onder meer vorm gegeven door de ontwikkeling van deze oproep voor de aankoop van reductie-eenheden. Hierbij financiert de Vlaamse overheid niet het project zelf maar koopt ze, tegen een vooraf afgesproken prijs, (een deel van) de verwachte CER's of ERU's van de projecteigenaar.
De procedure bestaat globaal uit de volgende stappen :
- projectontwikkelaars met een potentiële interesse in het opzetten van een CDM- of JI-project dienen, in het kader van de oproep, een algemene projectbeschrijving in. Op basis hiervan wordt een voorselectie gemaakt van de projectvoorstellen.
- De geselecteerde projectontwikkelaars worden uitgenodigd hun projectdossier verder uit te werken. De projectvoorstellen worden vervolgens opnieuw gescreend.
- Voor de geselecteerde projecten worden er verkoopcontracten voor de gegenereerde emissiekredieten afgesloten tussen de projecteigenaar en/of projectontwikkelaar en het Vlaams gewest.
1.1. Doel van de referentietermen
Het doel van deze richtsnoeren is het algemene kader schetsen voor projectontwikkelaars en/of projecteigenaars die wensen in te gaan op een oproep van het Vlaamse gewest gericht op de aankoop van emissiekredieten. Hiertoe worden de procedures en de selectiecriteria toegelicht die het Vlaams gewest zal hanteren. Op deze manier werden de basisregels voor CDM/JI, vastgelegd in het Kyotoprotocol en de Akkoorden van Marrakesh, vertaald in een werkdocument voor projectontwikkelaars.
1.2. Bereik van de referentietermen
Het Kyotoprotocol beschrijft de projectgebonden mechanismen slechts summier in artikelen 6 en 12 zodat verdere uitwerking noodzakelijk was. In de akkoorden van Marrakesh van 9 november 2001 werden de modaliteiten en procedures voor de effectieve inzet van deze mechanismen verder uitgewerkt. Tevens werd er een Executive Board (EB) voor CDM aangesteld. Ondanks deze initiatieven blijven er bepaalde onzekerheden bestaan rond de praktische inzet van de mechanismen. Deze referentietermen zullen dan ook op continue basis worden herzien en bijgewerkt naarmate de Conferentie der Partijen (COP), ingesteld onder het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering, de CDM Executive Board of JI Supervisory Committee de richtlijnen voor CDM en JI verder verfijnt. Bij onzekerheden in het internationale kader wordt getracht de risico's van de aanpak zoveel mogelijk te beperken. Er zal in dit geval worden getracht procedures voorop te stellen die conform zijn met de algemene doelstellingen van het Klimaatverdrag en van het Kyotoprotocol. Op deze wijze wordt getracht de kwaliteit van de gegenereerde emissiereducties te garanderen en uitsluiting van de projecten te vermijden wanneer de internationale regels verder worden verfijnd.
De samenstelling van de in te dienen projectdossiers alsook de opmaak van de in te dienen formulieren kunnen worden bijgesteld naarmate meer expertise en ervaring wordt opgebouwd met de projectgebonden flexibiliteitsmechanismen. Wanneer nieuwe of gewijzigde formulieren voorhanden zijn, moeten deze gebruikt worden. Wijzigingen worden gecommuniceerd via de website van de Vlaamse overheid.
1.3. Wie kan een projectvoorstel indienen.
Elke private of openbare entiteit, die volgens het internationale kader in aanmerking komt om deel te nemen aan een projectactiviteit.
1.4. Definities en functies van de verschillende projectpartners
Teneinde de rollen van verschillende organisaties en rechtspersonen, welke bij een JI/CDM-project betrokken kunnen zijn, te verduidelijken, worden de volgende definities gehanteerd :
Projectpartner (PP) : een projectpartner is in het algemeen een organisatie welke op verbindende wijze, middels een overeenkomst, deelneemt in het project en een belangrijke rol speelt bij het welslagen van het JI/CDM-project. Binnen de projectpartners onderscheiden we de projecteigenaar, de projectontwikkelaar, de mede-investeerder(s), de onderaannemers en de andere projectpartners
Projectontwikkelaar (PO) : de rechtspersoon welke het JI/CDM-project indient, verantwoordelijk is voor de algehele implementatie van het JI-of CDM-project en instaat voor de overdracht van de emissiekredieten naar de Vlaamse Overheid.
Toelichting : de Projectontwikkelaar kan alleen dan de enige contractpartij zijn voor de Vlaamse Overheid indien :
- de eigendom van de Emissiekredieten, welke resulteren uit het project, bij schriftelijke overeenkomst door de Projecteigenaar onvoorwaardelijk en onbezwaard wordt overgedragen aan de Projectontwikkelaar.
- de Projectontwikkelaar aan de overige beoordelingscriteria voldoet.
Projecteigenaar (PE) : rechtspersoon die eigenaar is van een project waaruit de emissiekredieten resulteren. De projecteigenaar zal (veelal) de eigenaar worden van de emissiekredieten en derhalve contractpartij zijn voor de Vlaamse Overheid.
Toelichting : Indien de projecteigenaar zelf het JI/CDM-project indient bij het Vlaams gewest, vallen de rollen van projecteigenaar en projectontwikkelaar samen. De projecteigenaar is dan de contractpartij voor de Vlaamse Overheid.
In sommige gevallen kan de Projecteigenaar de eigendomsrechten op de Emissiekredieten overdragen aan een andere organisatie, de Projectontwikkelaar, waarbij de Projectontwikkelaar dan als enige contractpartij voor de Vlaamse Overheid zal fungeren. Deze overdracht dient middels een schriftelijke overeenkomst te worden vastgelegd (zie ook definitie Projectontwikkelaar).
Mede-investeerder (MI) : rechtspersoon die financiële verplichtingen aangaat met de projectontwikkelaar en/of - eigenaar inzake het project.
Onderaannemer (OA) : een leverancier van diensten en/of goederen ten behoeve van het JI/CDM project.
Andere JI/CDM-projectpartner (APP) : rechtspersoon welke op verbindende wijze in het project deelneemt, een essentiële rol speelt bij het welslagen van het JI/CDM-project, en daartoe met de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar een overeenkomst heeft getekend en in het project niet kan aangeduid worden als projectontwikkelaar, projecteigenaar, mede-investeerder of onderaannemer.
Toelichting : Andere projectpartners kunnen bijvoorbeeld zijn : een projectadviseur, een afnemer van elektriciteit of andere producten, eigenaar van het terrein waarop het project wordt geïmplementeerd enzovoorts.
Opmerkingen :
1) Zowel Projecteigenaar als Projectontwikkelaar dienen alle betreffende documenten horende bij het Projectdossier Deel I (zie stap 1-3) en Deel II (zie stap 6-7) te ondertekenen c.q. te overhandigen met uitzondering van de stukken die aangeven in welke mate het project al de goedkeuring kreeg van het gastland, de letter of endorsement, de letter of approval en referenties die de ervaring van de Projectontwikkelaar met de projectactiviteit aantonen (enkel projectontwikkelaar).
2) In geval middels een onherroepelijke en onvoorwaardelijke schriftelijke volmacht tussen de Projectontwikkelaar en de Projecteigenaar kan aangetoond worden dat de Projectontwikkelaar ter zake bevoegd is de Projecteigenaar te vertegenwoordigen en alle betreffende documenten te ondertekenen c.q. overhandigen, dan moeten deze documenten enkel door de Projectontwikkelaar worden getekend c.q. overhandigd (met uitzondering van de jaarrekening, de verklaring op erewoord inzake overheidsverplichtingen en sociale zekerheid, de interesseverklaring voor deelname en de ondertekening van de OESO richtlijnen en PCN : zowel door projectontwikkelaar en projecteigenaar rekening houdend met opm 3). Vandaar de gebruikte notatie Projectontwikkelaar en/of Projecteigenaar doorheen de referentietermen.
3) Op verzoek van de Projecteigenaar of Projectontwikkelaar kan het Vlaams Gewest bepalen dat ondertekening c.q. overhandiging van specifieke documenten door een van de rechtspersonen volstaat. Bijvoorbeeld ingeval het voorleggen van een jaarrekening van de Projecteigenaar wanneer dit een openbare instantie is.
4) De samenwerkingscontracten met mede-investeerder, onderaannemer en andere Projectpartners, dienen ondertekend te worden tussen de betreffende partner en de Projectontwikkelaar en/of Projecteigenaar (cfr. Opmerking 2)
Onderstaande figuur geeft de verschillende overeenkomsten tussen alle projectpartners weer.
(Figuur niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25297).
1.5. De aard van de ingediende projecten
Het Vlaams gewest wenst, in het kader van de oproep, emissiekredieten aan te kopen van projectontwikkelaars en/of projecteigenaars van projecten waarbij volgende technologieën worden ingezet :
1. Duurzame energie uit hernieuwbare energiebronnen :
Zoals :
1.1. Zonne-energie
1.2. Windenergie
1.3. Waterkracht < 20 MW
1.4. Getijdenenergie en golfslagenergie
1.5. Aardwarmte (inclusief koude-warmteopslag)
1.6. Biogas voortkomend uit de vergisting van organisch-biologische stoffen :
a) in vergistingsinstallaties
b) in stortplaatsen
1.7. Energie opgewekt uit volgende organisch-biologische stoffen indien zij niet samen met restafval verwerkt worden :
a) producten, bestaande uit plantaardige materialen of delen daarvan van landbouw of bosbouw;
b) dierlijke mest;
c) organisch-biologische afvalstoffen die selectief ingezameld werden en niet in aanmerking komen voor materiaalrecyclage;
d) organisch-biologische afvalstoffen die gesorteerd worden uit restafval en niet in aanmerking komen voor materiaalrecyclage.
1.8. Warmtepompen
1.9. Bio-oliemotor : Het opwekken van warmte en mechanische of elektrische energie door het benutten van de energie-inhoud van uit biomassa verkregen secundaire vloeibare energiedragers. Er moet sprake zijn van een netto opbrengst van energie, gerekend over de totale keten van voorbehandeling tot en met eindproduct. Het totaal energetisch rendement moet ten minste 40 % bedragen. Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het netto energetisch rendement van de opwekking van mechanische of elektrische energie en tweederde deel van het netto energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof.
2. Energie-efficiëntie maatregelen
Zoals :
2.1. Warmtekrachtkoppelinginstallatie (WKK-installatie) en trigeneratie : De gecombineerde productie van thermische en mechanische of elektrische energie die geconcipieerd is in functie van de warmtebehoeften en die leidt tot energiebesparing in vergelijking met de gescheiden productie van dezelfde hoeveelheden thermische en mechanische of elektrische energie in moderne referentie-installaties waarvan het rendement jaarlijks gedefinieerd en gepubliceerd wordt.
2.2. Beperking van de energieverliezen en de ventilatieverliezen in bestaande gebouwen en broeikassen.
2.3. Beperking van het energieverlies door in gebruik zijnde apparaten, leidingen, afsluiters en kanalen te isoleren of in gebruik zijnde warme of koude vloeistofbaden af te dekken
2.4. Terugwinnen van afvalwarmte met het oog op gebruik in warmteprocessen (inclusief verwarming van gebouwen) in het eigen bedrijf
2.5. Aanwenden van expansie-energie die vrijkomt bij bestaande productieprocessen of bij de ontspanning van fluida onder druk gebracht voor transport
2.6. Toerentalregeling : Regeling van de aandrijving van machines.
2.7. Afstandsverwarming : De afstandsverwarming kan gevoed worden gevoed door een WKK-installatie, recuperatiewarmte uit processen, een installatie voor de verbranding van biomassa of afval, geothermische energie of afvalwarmte van elektriciteitscentrales.
2.8. Brandstofcelsysteem : Het gecombineerd opwekken van warmte en elektrische energie, waarbij een gasvormige brandstof rechtstreeks wordt omgezet in elektrische energie en waarbij vrijkomende warmte nuttig wordt aangewend en waarbij het totaal energetisch rendement gemiddeld op jaarbasis ten minste 65 % bedraagt. Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het energetisch rendement van de opwekking van kracht en tweederde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte berekend op de onderste verbrandingswaarde van aardgas.
3. Brandstofomschakeling oftewel de omschakeling van CO2-intensieve brandstoffen naar brandstoffen met een lagere CO2-uitstoot
4. Reducties van de uitstoot van andere broeikasgassen (niet CO2) in de industriële sector
Er kan hier bijvoorbeeld gedacht worden aan reducties van lachgas uit de adipinezuur producerende industrie etc.
Investeringen in hernieuwbare energie en in energie-efficiëntie aan de vraagzijde genieten de voorkeur.
Er is geen ondergrens vastgesteld voor het aantal emissiekredieten dat door een projectontwikkelaar en/of projecteigenaar aan de Vlaamse Overheid te koop moet worden aangeboden. Dit betekent dat ook kleinschalige projecten in aanmerking kunnen komen. Om de geografische spreiding van CDM-projecten te bevorderen en om transactiekosten te drukken, voorziet het internationale kader speciale regels voor de ontwikkeling van kleinschalige CDM-projecten. Deze betreffen in de eerste plaats een vereenvoudiging van de procedures en modaliteiten die nodig zijn om het project in de CDM-kader te plaatsten. In het kader van de oproep kunnen zowel kleinschalige (eventueel geclusterd waarbij de internationale regels voor clustering van Small Scale projects gelden) als grotere CDM-projecten aan bod komen.
1.6. Risico's verbonden aan een CDM/JI-project
Naast het landenrisico en het projectgebonden risico, waarmee een conventioneel project ook geconfronteerd wordt, zijn aan een CDM/JI-project tevens volgende specifieke risico's verbonden :
- Kyotorisico : heeft betrekking op de onzekerheden in het internationale kader en de onvolledigheid van de modaliteiten en procedures voor CDM en JI op internationaal niveau (zoals bijvoorbeeld de goedkeuring van gehanteerde methodologieën en de accreditatie van validatoren)
- Kredietrisico : heeft betrekking op de betrouwbaarheid van het referentiescenario en het effectief kunnen realiseren van de contractueel vastgelegde emissiereducties.
De projectontwikkelaar zelf verzekert dat zijn project steeds conform is met de geldende internationale, Europese en Vlaamse richtsnoeren. Ook staat hij in voor de implementatie van het project en de tijdige levering van de emissiekredieten.
2. Projectverloop in het kader van de oproep
2.1. Overzicht projectstappen CDM
Projectontwikkelingsfase
Onderstaande figuur geeft een overzicht van de verschillende stappen uit de projectontwikkelingsfase van het CDM-project, die zullen gevolgd worden in het kader van de oproep, en de rol van de verschillende betrokken factoren in iedere stap :
(Figuur niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25299).
Stap 1. Ontwikkelen projectidee
In deze voorbereidingsfase onderhandelen de verschillende initiatiefnemers van het project hun onderlinge rol binnen de projectontwikkeling en -uitvoering en hun wederzijdse verantwoordelijkheden en verhoudingen.
Stap 2. Opmaken Projectdossier DEEL 1
De projectontwikkelaar maakt een algemeen projectdossier op zoals beschreven in hoofdstuk 3 onder stap 1-3 'Indienen projectdossier DEEL 1'.
Stap 3. Eerste beoordeling van het project door gastland
De projectontwikkelaar legt het projectidee voor aan het gastland. Het gastland toetst het project aan zijn randvoorwaarden voor CDM-projecten en geeft eventueel een principieel akkoord aan het project (indien mogelijk onder de vorm van een letter of endorsement, zoals voorzien in bijlage 2). De principiële goedkeuring van het project door het gastland, wordt, tezamen met deel I van het projectdossier (zie stap 2), ingediend bij het Vlaams Gewest.
Stap 4. Eerste doorlichting van het project door de Vlaamse overheid
Op basis van het projectdossier DEEL 1 wordt het project voor de eerste maal getoetst aan de randvoorwaarden opgelegd door het Kyotoprotocol, de Akkoorden van Marrakesh, de CDM Executive Board en aan de Vlaamse beleidsvisie. Daarna wordt een rangschikking gemaakt van de ontvankelijke projecten. Na beslissing van de Vlaamse overheid worden de projectontwikkelaars van geselecteerde projecten uitgenodigd om het projectdossier DEEL 2 samen te stellen en in te dienen.
Stap 5. Afsluiten optieovereenkomst
Er wordt een optieovereenkomst opgesteld waarin de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar met de Vlaamse overheid overeenkomt binnen een bepaalde periode het projectdossier DEEL 2 op te stellen en aan te leveren. De Vlaamse overheid legt vast dat zij het project ten eerste male positief evalueert en de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar in de gelegenheid stelt het project nader te ontwikkelen en realiseren. Tevens verwerft de Vlaamse Overheid het optierecht op alle emissiekredieten welke resulteren uit het project.
Stap 6. Opmaken projectdossier DEEL 2
De projectontwikkelaar maakt een volledig projectdossier op, dat bestaat uit deelementen beschreven in hoofdstuk 3 onder stap 6 Indienen projectdossier DEEL 2'. Het geheel wordt ingediend bij het Vlaams Gewest.
Stap 7. Schriftelijke goedkeuring van het project door het gastland - Letter of Approval
De projectontwikkelaar voegt de schriftelijke goedkeuring van het project door het gastland toe aan het projectdossier in de vorm van een Letter of Approval.
Stap 8. Tweede doorlichting van het project door de Vlaamse overheid
Het volledige projectdossier wordt getoetst aan de randvoorwaarden voor CDM-projecten en aan de Vlaamse beleidsvisie. De ingediende documenten worden getoetst op volledigheid, correctheid en eventuele wijzigingen. Voor de goedgekeurde projecten worden de contractonderhandelingen (zie stap 9) opgestart. De projectontwikkelaar dient het project in voor validatie.
Stap 9. Afsluiten van het definitief aankoopcontract
De Vlaamse overheid sluit een contract af met de projectontwikkelaar en/of eigenaar (zie opm. 1.4) om (een deel van) de emissiekredieten, die resulteren uit het project, aan te kopen.
Stap 10. Validatie
Een door de CDM Executive Board geaccrediteerde onafhankelijke consultant licht de projectactiviteit door en screent het project ten opzichte van de algemene richtsnoeren voor CDM (= validatie). De projectontwikkelaar is verantwoordelijk voor de organisatie van de validatie.
Stap 11. Registratie (na eventuele revisie)
De registratie van een gevalideerd project bij de Executive Board is de formele aanvaarding door de Executive Board van het project als CDM-activiteit. Deze kan worden voorafgegaan door een revisie van het validatierapport door de CDM Executive Board. De projectontwikkelaar staat in voor de registratie.
Operationele fase
De onderstaande figuur geeft een overzicht van de verschillende projectstappen in de operationele fase van het project en de rol van de verschillende betrokken partijen in iedere stap.
(Figuur niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25300).
Stap 12. Projectopvolging en opstellen opvolgingsrapport (= monitoring)
De projectontwikkelaar zorgt voor de projectopvolging op basis van een opvolgingsplan. Tijdens deze fase worden de vooruitgang in de beoogde broeikasgasemissiereductie periodiek berekend/gemeten. De projectontwikkelaar stelt de Vlaamse Overheid in kennis van de resultaten van de opvolging.
Stap 13. Verificatie
Een door de CDM Executive Board geaccrediteerde onafhankelijke consultant reviseert op regelmatige tijdstippen ex-post de gerealiseerde emissiereductie (= verificatie). De projectontwikkelaar staat in voor de verificatie en stelt de Vlaamse Overheid in kennis van de resultaten.
Stap 14. Certificatie
De door de CDM Executive Board geaccrediteerde onafhankelijke consultant bevestigt in een certificatierapport dat het project binnen een bepaald tijdsinterval de geverifieerde broeikasgasemissiereducties heeft gerealiseerd in overeenstemming met alle relevante randvoorwaarden. Een copij van het certificatierapport wordt overgemaakt aan de Vlaamse Overheid.
Stap 15 : Eventuele revisie door de CDM Executive Board (EB)
Onder bepaalde omstandigheden kan de EB een revisie vragen. Op dit moment (februari 2005) is daarover echter nog geen duidelijkheid.
Stap 16. Uitgifte van CER's
Het door de operationele entiteit opgemaakte certificatierapport bevat een verzoek aan de Executive Board om de hoeveelheid CER's uit te geven die werden geverifieerd. Bij goedkeuring door de Executive Board (eventueel na een revisie) geeft de beheerder van het CDM-register de gecertificeerde hoeveelheid CER's uit. Hij schrijft ze over naar de rekeningen van de contractuele begunstigden.
2.2. Overzicht projectstappen JI
Daar de meeste gastlanden op het moment van schrijven niet voldoen aan de randvoorwaarden voor JI track 1, wordt verwacht dat in eerste instantie de procedures voor JI track 2 gevolgd zullen worden.
Projectontwikkelingsfase
Onderstaande figuur geeft een overzicht van de verschillende stappen uit de projectontwikkelingsfase van het JI-project, die zullen gevolgd worden in het kader van de oproep, en de rol van de verschillende betrokken factoren in iedere stap :
(Figuur niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25301).
Stap 1. Ontwikkelen projectidee
In deze voorbereidingsfase onderhandelen de initiatiefnemers van het project hun onderlinge rol binnen de projectontwikkeling en -uitvoering en hun wederzijdse verantwoordelijkheden en verhoudingen.
Stap 2. Opmaken Projectdossier DEEL 1
De projectontwikkelaar maakt een algemeen projectdossier op zoals beschreven in hoofdstuk 3 onder stap 1-3 Indienen projectdossier DEEL 1'.
Stap 3. Eerste beoordeling van het project door gastland
De projectontwikkelaar legt het projectidee voor aan het gastland. Het gastland toetst het project aan zijn randvoorwaarden voor JI-projecten en geeft eventueel een principieel akkoord aan het project (indien mogelijk onder de vorm van een letter of endorsement, zoals voorzien in bijlage 3). De principiële goedkeuring van het project door het gastland, wordt, tezamen met deel I van het projectdossier (zie stap 2), ingediend bij het Vlaams Gewest.
Stap 4. Eerste doorlichting van het project door de Vlaamse overheid
Op basis van het projectdossier DEEL 1 wordt het project voor de eerste maal getoetst aan de randvoorwaarden opgelegd door het Kyotoprotocol, de Akkoorden van Marrakesh, de CDM Executive Board en aan de Vlaamse beleidsvisie. Daarna wordt een rangschikking gemaakt van de ontvankelijke projecten. Na beslissing van de Vlaamse overheid worden de projectontwikkelaars van geselecteerde projecten uitgenodigd om een volledig projectdossier samen te stellen.
Stap 5. Afsluiten optieovereenkomst
Er wordt een optieovereenkomst opgesteld waarin de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar met de Vlaamse overheid overeenkomt binnen een bepaalde periode het projectdossier DEEL 2 op te stellen en aan te leveren. De Vlaamse overheid legt vast dat zij het project ten eerste male positief evalueert en de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar in de gelegenheid stelt het project nader te ontwikkelen en realiseren. Tevens verwerft de Vlaamse overheid het optierecht op alle emissiekredieten welke resulteren uit het project.
Stap 6. Opmaken projectdossier DEEL 2
De projectontwikkelaar maakt een volledig projectdossier op, dat bestaat uit de elementen beschreven onder hoofdstuk 3 onder stap 6 Indienen projectdossier DEEL 2'. Het geheel wordt ingediend bij het Vlaams Gewest.
Stap 7. Schriftelijke goedkeuring van het project door het gastland - Letter of Approval
De projectontwikkelaar voegt de schriftelijke goedkeuring van het project door het gastland toe aan het projectdossier in de vorm van een Letter of Approval.
Stap 8. Tweede doorlichting van het project door de Vlaamse overheid
Het volledige projectdossier wordt getoetst aan de randvoorwaarden voor JI-projecten en aan de Vlaamse beleidsvisie. De ingediende documenten worden tevens getoetst op volledigheid, correctheid en eventuele wijzigingen.
Voor de goedgekeurde projecten worden de contractonderhandelingen (zie stap 9) opgestart. De projectontwikkelaar dient het project in voor validatie.
Stap 9. Afsluiten van het definitief aankoopcontract
De Vlaamse overheid sluit een contract af met de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar om (een deel van) de emissiekredieten, die resulteren uit het project, aan te kopen.
Stap 10. Determinatie
Een onafhankelijke entiteit licht de projectactiviteit door en screent het project ten opzichte van de algemene richtsnoeren voor JI (= determinatie). De projectontwikkelaar is verantwoordelijk voor de organisatie van de determinatie.
Stap 11. Eventuele revisie
De JI Supervisory Committee kan besluiten een revisie uit te voeren van het determinatierapport.
Operationele fase
De onderstaande figuur geeft een overzicht van de verschillende projectstappen in de operationele fase van het project en de rol van de verschillende betrokken partijen in iedere stap.
(Figuur niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25302).
Stap 12. Opvolging en opstellen opvolgingsrapport (monitoring)
De projectontwikkelaar staat in voor de projectopvolging op basis van een opvolgingsplan. Tijdens deze fase worden de vooruitgang in de beoogde broeikasgasemissie reductie periodiek berekend/gemeten. De projectontwikkelaar stelt de Vlaamse Overheid in kennis van de resultaten van de opvolging.
Stap 13. Verificatie
Een onafhankelijke entiteit reviseert op regelmatige tijdstippen ex-post de gerealiseerde emissiereductie (= verificatie). De projectontwikkelaar staat in voor de verificatie en stelt de Vlaamse Overheid in kennis van de resultaten.
Stap 14. Eventuele revisie JI Supervisory Committee
De JI Supervisory Committee kan het verificatierapport onderwerpen aan een revisie. Het JI Steering Committee is momenteel (februari 2005) nog niet geïnstalleerd. Het toekomstig JI Steering Committee kan nieuwe richtlijnen uitvaardigen waarmee rekening zal moeten worden gehouden.
Stap 15. Uitgave van ERU's
Het gastland geeft nieuwe emissiekredieten uit onder de vorm van ERU's. Deze worden in mindering gebracht worden in het nationaal register van het gastland. De ERU's worden getransfereerd volgens de bepalingen in het contract.
2.3. Timing van de projectcyclus in het kader van de oproep
(Figuur niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25303).
3. Indienen van een project en selectieprocedure in het kader van de oproep
Stap 1-3 : Indienen projectdossier DEEL 1
De projectontwikkelaar dient in deze fase het projectdossier DEEL 1 in bij het Vlaams gewest. Dit dossier wordt samengesteld uit volgende elementen :
- Projectconceptnota, opgesteld volgens het model in bijlage 1, ondertekend door Projectontwikkelaar en Projecteigenaar. (cfr. 1.4 opmerking 3)
- Verklaring op erewoord van projectontwikkelaar en projecteigenaar dat zij volledig in regel zijn met de overheidsverplichtingen of -vergunningen in het land van vestiging (o.a. betaling van bijdrage aan de sociale zekerheid en van (in)directe belastingen)
- Jaarrekening van de laatste 3 jaren van projectontwikkelaar en projecteigenaar (uitzondering : indien een van beide een openbare instantie is, wordt geen jaarrekening van deze instantie verwacht zie 1.4 opm. 3)
- Interesseverklaring voor deelname aan de oproep, ondertekend door projectontwikkelaar en projecteigenaar
- Stukken die aangeven in welke mate het project al de goedkeuring kreeg van het gastland
- Verklaring op eer van de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar dat hij in de afgelopen 3 jaar niet meer dan 100.000 euro overheidssteun heeft ontvangen in het kader van de Europese de minimis' regeling.
- Indien projecteigenaar en projectontwikkelaar verschillende partijen zijn waarbij enkel de projectontwikkelaar contractpartij zal zijn van de Vlaamse overheid : een schriftelijke overeenkomst tussen projecteigenaar en projectontwikkelaar waarin de eigendom van de Emissiekredieten, welke resulteren uit het project door de projecteigenaar onvoorwaardelijk en onbezwaard wordt overgedragen aan de projectontwikkelaar en een onherroepelijke en onvoorwaardelijke schriftelijke volmacht tussen de projectontwikkelaar en de projecteigenaar dat aantoont dat de projectontwikkelaar ter zake bevoegd is de projecteigenaar te vertegenwoordigen en het contract te ondertekenen (zie ook opm 1.4).
De projectontwikkelaar wordt tevens uitgenodigd om alle relevante documenten, die de kans op slagen van het project helpen onderbouwen en motiveren, als bijlage aan het projectdossier DEEL 1 toe te voegen (bijvoorbeeld MER, bewijsstukken van aflevering van de nodige vergunningen in het gastland, bewijsstukken projectfinanciering, validatierapport, rendabiliteitsanalyse, ...). Deze zullen worden gebruikt bij de risicoanalyse voor het project (zie punt 4.3.A).
In de interesseverklaring voor deelname, ondertekend door projectontwikkelaar en projecteigenaar, wordt ook de eigendomsstructuur van het project toegelicht en worden de verschillende projectpartners en hun onderlinge relatie beschreven aan de hand van de definities uit deze referentietermen.
Indien projecteigenaar en projectpartner verschillende partijen zijn dient de overeenkomst tussen projectontwikkelaar en projecteigenaar te bevestigen dat de overdracht van de eigendomsrechten op de emissiekredieten van projecteigenaar naar projectontwikkelaar gebeurt en dat de projectontwikkelaar als contractpartij fungeert om de optie-overeenkomst en ERAO af te sluiten met de Vlaamse Overheid.
Voorstellen kunnen worden ingediend binnen de daartoe vastgestelde termijnen en mogen opgesteld worden in het Engels, het Nederlands of het Frans. Voorstellen dienen zowel digitaal als in 'hard copy' te worden aangeleverd.
Stap 4 : Eerste doorlichting van het project in het kader van de oproep
Het Vlaams gewest maakt een selectie en rangschikking van de ingediende projectvoorstellen. Hierbij worden volgende 3 stappen doorlopen :
4.1. Toetsing van het projectdossier DEEL 1 op volledigheid en tijdigheid van indiening.
Een project, waarvan het projectdossier DEEL 1 onvolledig of niet binnen de voorziene tijdsspanne werd ingediend, komt niet in aanmerking voor verdere selectie.
4.2. Toetsing van het projectdossier DEEL 1 aan de ontvankelijkheidscriteria.
Het Vlaams gewest toetst het project voor de eerste maal aan de internationale randvoorwaarden en aan de Vlaamse beleidsvisie. De toetsing gebeurt aan de hand van 10 ontvankelijkheidscriteria. Het niet voldoen aan één van deze ontvankelijkheidscriteria leidt tot de uitsluiting van het project voor verdere selectie. Het Vlaams gewest kan steeds bijkomende informatie opvragen bij de projectontwikkelaar ter verduidelijking van zijn dossier, indien dit nodig is om het project naar behoren te kunnen beoordelen in functie van onderstaande ontvankelijkheidscriteria. Het niet verstrekken van deze informatie binnen de vooropgestelde termijn leidt eveneens tot uitsluiting. Volgende ontvankelijkheidscriteria worden in rekening gebracht :
-
A. aard van het project
CDM/JI Ontvankelijkheidscriterium 1 :
Noch het Kyotoprotocol, noch de Akkoorden van Marrakesh geven een
omschrijving van de term project'. Om de milieu-effectiviteit van
het Protocol te garanderen wordt de term project' binnen deze
referentietermen geinterpreteerd als een activiteit met een
fysisch karakter en een begrensde omvang en duur en niet als een
plan, campagne (bv. Sensibiliseringscampagne voor
broeikasgasreducerend gedrag) of beleidsmaatregel (bv. subsidies).
De bepaling van het referentiescenario voor broeikasgasemissies en
de impact van een plan of programma hierop is immers bijzonder
moeilijk in te schatten.
Om te garanderen dat een project niet onder het Business As
Usual'-scenario (BAU) valt, zal enkel gewerkt worden met projecten
die in een opstartfase zijn en waarbij op dat moment nog geen
emissiereductie is gerealiseerd.
Ter beoordeling aangereikte informatie :
- Projectconceptnota
CDM/JI B. beoordeling projectontwikkelaar(s) en projecteigenaar
Ontvankelijkheidscriterium 2 :
Projectontwikkelaar en projecteigenaar hebben geen openstaande
schulden bij de overheid en/of instanties voor sociale
verzekeringen.
Ter beoordeling aangereikte informatie :
- Verklaring op erewoord van projectontwikkelaar en projecteigenaar
dat zij volledig in regel zijn met de overheidsverplichtingen of
-vergunningen in het land van vestiging (o.a. betaling van
bijdrage aan de sociale zekerheid en van (in)directe belastingen)
- Jaarrekeningen van projectontwikkelaar en projecteigenaar van de
laatste 3 jaren (met uitzondering van openbare instanties).
C. beoordeling gastland
Ontvankelijkheidscriterium 3 :
CDM C.1. Het gastland van het CDM-project moet :
C.1.1. het Kyotoprotocol geratificeerd hebben. Bijkomende
informatie over de status van ratificatie kan gevonden worden op
de website van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake
klimaatverandering : www.unfccc.int
C.1.2. een nationaal orgaan (designated national authority, DNA)
aanduiden voor de goedkeuring en administratie van CDM-projecten
die onder haar bevoegdheid worden uitgevoerd;
C.1.3. het CDM-project goedkeuren;
C.1.4. bevestigen dat het project kadert binnen haar duurzame
ontwikkelingsobjectieven;
JI C.2. Het gastland van het second track JI-project moet :
C.2.1. het Kyotoprotocol geratificeerd hebben;
C.2.2. het JI-project goedkeuren;
CDM/JI C.3. De risicoappreciatie voor de buitenlandse investering is
aanvaardbaar. Het politieke risico en de kans op verlies door
aantasting van het eigendomsrecht zijn beperkt.
Ter beoordeling aangereikte informatie :
- Projectconceptnota
- Stukken die aangeven in welke mate het project al de goedkeuring
kreeg van het gastland. Eventueel kan gebruik gemaakt worden van
een letter of endorsement (model in bijlage 2/3).
Beoordeling :
Criteria C.1.1., C.1.2. en C.2.1. kunnen onmiddellijk beoordeeld
worden op basis van de PCN.
Criteria C.1.3., C.1.4., C.2.2., C.2.3. en C.2.4. vormen het
onderwerp van de Letter of Approval en kunnen slechts beoordeeld
worden nadat dit document beschikbaar wordt gesteld. Het kunnen
voorleggen van de letter of approval, op basis van het model in
bijlage 4 of 5, is een vereiste voor de definitieve goedkeuring
van het project. In deze eerste fase geeft de projectontwikkelaar
de vooruitgang van de onderhandelingen met het gastland aan (zie
Projectconceptnota 3.2.3.). Hij staaft dit met de nodige stukken
die aangeven in welke mate het project al de goedkeuring kreeg van
het gastland (bv. de officiele letter of approval, een principiele
goedkeuring, ). De staat van goedkeuring door het gastland wordt
in deze eerste fase kwalitatief beoordeeld en wordt in rekening
gebracht bij de rangschikking van projecten.
Criterium C.3. wordt beoordeeld aan de hand van het risicoprofiel
van het gastland, zoals gepubliceerd door de kredietverzekeraar
Delcredere (Zie www.delcredere.be). Meer bepaald wordt het
oorlogsrisico en het risico van onteigeningen en
overheidsmaatregelen voor directe investeringen geanalyseerd. In
het geval het gastland voor een van beide risico's tot de hoogste
risicocategorieen behoort (beoordeling 6 of 7), dient de
projectontwikkelaar in de Projectconceptnota (punt 3.3.) voldoende
te motiveren op welke wijze hiermee rekening werd gehouden bij de
projectontwikkeling of waarom het risico niet van toepassing is op
het project. Het risicoprofiel van het gastland wordt kwalitatief
beoordeeld en wordt in rekening gebracht bij de rangschikking van
projecten.
CDM/JI D. Ingezette technologie
Ontvankelijkheidscriterium 4 :
De ingezette technologie moet behoren tot de lijst weergegeven
onder 1.4 Aard van de ingediende projecten'. Investeringen in
hernieuwbare energie of in energie-efficientie aan vraagzijde
genieten de voorkeur.
Ter beoordeling aangereikte informatie :
- Projectconceptnota
CDM/JI E. Emissiereductie broeikasgas(sen) - eerste doorlichting
Ontvankelijkheidscriterium 5 :
E.1. Het project moet resulteren in een emissiereductie die
betrekking heeft op een broeikasgas dat behoort tot een
vastgelegde korf van 6 gassen (CO2, CH4, NO, HFK's, PFK's, SF6).
E.2. Het project moet additioneel zijn in vergelijking met het
referentiescenario.
E.3. De emissiereductie moet reeel en blijvend zijn.
Ter beoordeling aangereikte informatie :
- Projectconceptnota
CDM/JI F. Niet-broeikasgasgerelateerde milieu-effecten - eerste
doorlichting
Ontvankelijkheidscriterium 6 :
Het project mag geen significante negatieve impact hebben op andere
niet-broeikasgasgerelateerde milieu-aspecten.
Ter beoordeling aangereikte informatie :
- Projectconceptnota
CDM/JI G. Socio-economische effecten - eerste doorlichting
Ontvankelijkheidscriterium 7 :
G.1. Het project mag geen negatieve impact hebben op
socio-culturele aspecten in het gastland.
G.2. Projectontwikkelaar en projecteigenaar dienen de principes van
sociale verantwoordelijkheid, zoals geformuleerd door de OESO voor
multilaterale ondernemingen te onderschrijven. Het niet
onderschrijven van deze principes door de projectontwikkelaar en
projecteigenaar leidt tot uitsluiting (uitz. openbare instanties
zie ook 1.4 opm. 3).
Ter beoordeling aangereikte informatie :
- Projectconceptnota
CDM/JI H. Financieel-economische duurzaamheid - eerste doorlichting
Ontvankelijkheidscriterium 8 :
H.1. Er is een positief perspectief op de continuiteit van de
onderneming van de projectontwikkelaar en projecteigenaar.
H.2. De projectontwikkelaar en de projecteigenaar hebben geen
achterstallige betalingsverplichtingen bij belastingen of sociale
verzekeringen
H.3. De financiele capaciteit van de projectontwikkelaar en
projecteigenaar staat in goede verhouding tot de projectomvang en
de benodigde investeringen.
Beoordeling :
In een eerste fase worden voor de projectontwikkelaar en
projecteigenaar onder meer volgende ratio's geanalyseerd :
- verhouding tussen het balanstotaal en het product van het aantal
aangeboden emissiekredieten en de prijs van de emissiekredieten
- verhouding balanstotaal en de omvang van de investeringen
- liquiditeit van de onderneming
- solvabiliteit van de onderneming
Ter beoordeling aangereikte informatie :
- Jaarrekeningen van de laatste drie jaren van projectontwikkelaar
en projecteigenaar
- Projectconceptnota
CDM I. Technologische additionaliteit
Ontvankelijkheidscriterium 9 :
De projectactiviteit dient gepaard te gaan met de overdracht van
milieuvriendelijke technologie en know-how naar het gastland. Het
moet gaan om een technologie waarvan de toepasbaarheid reeds
bewezen is. Indien de technologie nog nergens commercieel wordt
toegepast, moet de projectontwikkelaar ze eerst laten doorlichten
door een gespecialiseerd en onafhankelijk orgaan, dat de
technologische en financiele leefbaarheid van de technologie
bevestigt. De technologie moet repliceerbaar zijn in het gastland
Ter beoordeling aangereikte informatie :
- Projectconceptnota
CDM J. Financiele additionaliteit
Ontvankelijkheidscriterium 10 :
Indien eventuele overheidsfondsen worden gebruikt voor het project
mogen deze geen deel uitmaken van de officiele fondsen voor
ontwikkelingssamenwerking, tenzij het gastland verklaart hier geen
bezwaar tegen te hebben.
Ter beoordeling aangereikte informatie :
- Verklaring van het gastland dat zij geen bezwaar hebben tegen het
gebruik van deze overheidsfondsen in het CDM-project. Dit is een
element van de letter of approval voor CDM (bijlage 4)
4.3. Rangschikking ontvankelijke projecten
Projecten, waarvoor het projectdossier DEEL 1 volledig en tijdig werd ingediend en die voldoen aan alle ontvankelijkheidscriteria, worden vervolgens gerangschikt, rekening houdend met volgende elementen :
- Een inschatting van het risico dat het project het volledige traject niet succesvol zal doorlopen. Hier worden onder meer volgende aspecten in rekening gebracht :
- Ervaring van de projectontwikkelaar met de projectactiviteit
- Stand van zaken van de projectfinanciering
- Stand van zaken van de vereiste vergunningen, licenties of noodzakelijke technische goedkeuringen (bv. MER's) in het gastland
- Stand van zaken van de goedkeuring van het project door het gastland
- Voortgang van het project in het kader van de internationale richtsnoeren voor CDM/JI (bv. bestaat er een door de CDM EB goedgekeurde methodologie voor de projecttechnologie, voortgang validatieproces,)
- Duurzaamheid van het project (financieel-economische duurzaamheid, bijdrage aan duurzame ontwikkeling op sociaal en ecologisch vlak) en additionaliteit
- Prijs van de aangeboden emissiekredieten, rekening houdend met de aard van de projecttechnologie en met het aantal aangeleverde emissiekredieten (CER's/ERU's)
Het Vlaams gewest kan de projectontwikkelaar steeds bijkomende informatie vragen, indien dit noodzakelijk is om de hierboven beschreven rangschikking van projecten naar behoren te kunnen uitvoeren. Het niet aanleveren van deze informatie door de projectontwikkelaar binnen de vooropgestelde termijn zal leiden tot uitsluiting. Voorkeur wordt gegeven aan kwalitatief goede projecten met een beperkt risico en een gunstige aankoopprijs. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten worden optiecontracten voor de aankoop van CER's en ERU's afgesloten met de projectontwikkelaars en/of projecteigenaars van de hoogst gerangschikte projecten. Projectontwikkelaars en/of projecteigenaars van niet geselecteerde projecten worden hiervan op de hoogte gesteld binnen het tijdskader weergegeven onder 2.3.
Stap 5. Afsluiten optieovereenkomst tussen de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar en het Vlaams Gewest
- Indien het project geselecteerd is na een eerste beoordeling door de Vlaamse overheid, zal een optieovereenkomst worden afgesloten tussen de projectontwikkelaar en/of de projecteigenaar en de Vlaamse overheid. De belangrijkste elementen van deze overeenkomst zijn :
- De eigendomsstructuur van de gegeneerde emissiekredieten
- Het aantal emissiekredieten, dat aan de Vlaamse overheid wordt aangeboden, en de prijs die hiervoor door het Vlaams gewest zal betaald worden. De Vlaamse overheid zal het ERAO onder dezelfde voorwaarden opstellen als de optieovereenkomst voor zover het aantal aangeboden emissiekredieten in de definitieve contractfase niet meer dan +/- 10 % afwijkt.
- Indien in de definitieve contractfase meer dan 110 % van het initiële aantal emissiekredieten wordt aangeboden, neemt de Vlaamse overheid een voorkooprecht op deze extra emissiekredieten. De prijs voor deze emissiekredieten wordt afzonderlijk onderhandeld.
- Indien in de definitieve contractfase minder dan 90 % van het initiële aantal emissiekredieten wordt aangeboden, zal de rangschikking van de projecten (zie 4.3.) worden aangepast. Afhankelijk van het resultaat van deze rangschikking wordt eventueel verder onderhandeld over een ERAO. Hierbij kunnen andere voorwaarden gelden als deze uit de optieovereenkomst.
- De optieovereenkomst heeft een duur van 9 maanden. In deze periode zal de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar alle gevraagde documenten aanleveren.
- De optieovereenkomst verplicht de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar de emissiekredieten exclusief aan de Vlaamse Overheid aan te bieden gedurende de duur van de overeenkomst.
De standaardtekst van de optieovereenkomst is te vinden in bijlage 7.
Stap 6-7 : Opmaken projectdossier DEEL 2 en schriftelijke goedkeuring van het gastland
De projectontwikkelaar dient in deze fase het projectdossier DEEL 2 in bij het Vlaams Gewest. Dit dossier wordt samengesteld uit volgende elementen :
- Contracten en overeenkomsten tussen de verschillende projectpartners ondertekend door projectontwikkelaar en/of projecteigenaar en de betreffende projectpartner (overeenkomstig de figuur onder 1.4 en opmerking 3 en met uitzondering van contracten met onderaannemers)
- Indien projecteigenaar en projectontwikkelaar verschillende partijen zijn waarbij enkel de projectontwikkelaar contractpartij zal zijn van de Vlaamse overheid : Contract tussen projecteigenaar en projectontwikkelaar waarin de eigendom van de Emissiekredieten, welke resulteren uit het project door de Projecteigenaar onvoorwaardelijk en onbezwaard wordt overgedragen aan de Projectontwikkelaar en een onherroepelijke en onvoorwaardelijke schriftelijke volmacht tussen de projectontwikkelaar en de projecteigenaar dat aantoont dat de projectontwikkelaar ter zake bevoegd is de projecteigenaar te vertegenwoordigen en het contract te ondertekenen (indien het optiecontract door beide partijen werd ondertekend, en bijgevolg het officiële contract en de volmacht nog niet werd toegevoegd bij het projectdossier Deel I, en de ERAO enkel door projectontwikkelaar zal worden ondertekend). (zie ook opm 1.4)
- Letter of Approval (model in bijlage 4 of 5)
- Project Design Document (PDD), opgesteld volgens het meest recente model goedgekeurd door de CDM Executive Board, voorzien van de nodige bijlagen
- Indien het gastland voor het project een milieueffectrapport vereist, wordt dit als bijlage aan het PDD toegevoegd. Anders wordt het PDD aangevuld met een analyse van de milieu-impact zoals beschreven in bijlage 6.
- Analyse van de socio-economische impact van het project zoals beschreven in bijlage 6
- Business- en investeringsplan van het project, gecombineerd met de bewijsstukken dat de financiering van het project is voorzien en eventueel de meest recente jaarrekening van de projectontwikkelaar, de projecteigenaar en mede-investeerders (zie eerste puntje).
- Offerte van emissiekredieten in de vorm van ERU's (JI) of CER's (CDM) aan de Vlaamse overheid door de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar (afhankelijk van de ondertekening van de optieovereenkomst)
Voorstellen kunnen worden ingediend binnen de daartoe vastgestelde termijnen en mogen opgesteld worden in het Engels, het Nederlands of het Frans. De PDD moet in een taal toegestaan door de EB worden opgesteld. Voorstellen dienen zowel digitaal als in 'hard copy' te worden aangeleverd. De letter of approval kan ook in een latere fase aan het projectdossier worden toegevoegd. Zonder dit document is een goedkeuring van het project door het Vlaamse gewest echter onmogelijk.
Hieronder worden de verschillende deelelementen van projectdossier DEEL 2 kort toegelicht :
CDM/JI Ontvankelijkheidscriterium 1 :
Noch het Kyotoprotocol, noch de Akkoorden van Marrakesh geven een
omschrijving van de term project'. Om de milieu-effectiviteit van
het Protocol te garanderen wordt de term project' binnen deze
referentietermen geinterpreteerd als een activiteit met een
fysisch karakter en een begrensde omvang en duur en niet als een
plan, campagne (bv. Sensibiliseringscampagne voor
broeikasgasreducerend gedrag) of beleidsmaatregel (bv. subsidies).
De bepaling van het referentiescenario voor broeikasgasemissies en
de impact van een plan of programma hierop is immers bijzonder
moeilijk in te schatten.
Om te garanderen dat een project niet onder het Business As
Usual'-scenario (BAU) valt, zal enkel gewerkt worden met projecten
die in een opstartfase zijn en waarbij op dat moment nog geen
emissiereductie is gerealiseerd.
Ter beoordeling aangereikte informatie :
- Projectconceptnota
CDM/JI B. beoordeling projectontwikkelaar(s) en projecteigenaar
Ontvankelijkheidscriterium 2 :
Projectontwikkelaar en projecteigenaar hebben geen openstaande
schulden bij de overheid en/of instanties voor sociale
verzekeringen.
Ter beoordeling aangereikte informatie :
- Verklaring op erewoord van projectontwikkelaar en projecteigenaar
dat zij volledig in regel zijn met de overheidsverplichtingen of
-vergunningen in het land van vestiging (o.a. betaling van
bijdrage aan de sociale zekerheid en van (in)directe belastingen)
- Jaarrekeningen van projectontwikkelaar en projecteigenaar van de
laatste 3 jaren (met uitzondering van openbare instanties).
C. beoordeling gastland
Ontvankelijkheidscriterium 3 :
CDM C.1. Het gastland van het CDM-project moet :
C.1.1. het Kyotoprotocol geratificeerd hebben. Bijkomende
informatie over de status van ratificatie kan gevonden worden op
de website van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake
klimaatverandering : www.unfccc.int
C.1.2. een nationaal orgaan (designated national authority, DNA)
aanduiden voor de goedkeuring en administratie van CDM-projecten
die onder haar bevoegdheid worden uitgevoerd;
C.1.3. het CDM-project goedkeuren;
C.1.4. bevestigen dat het project kadert binnen haar duurzame
ontwikkelingsobjectieven;
JI C.2. Het gastland van het second track JI-project moet :
C.2.1. het Kyotoprotocol geratificeerd hebben;
C.2.2. het JI-project goedkeuren;
CDM/JI C.3. De risicoappreciatie voor de buitenlandse investering is
aanvaardbaar. Het politieke risico en de kans op verlies door
aantasting van het eigendomsrecht zijn beperkt.
Ter beoordeling aangereikte informatie :
- Projectconceptnota
- Stukken die aangeven in welke mate het project al de goedkeuring
kreeg van het gastland. Eventueel kan gebruik gemaakt worden van
een letter of endorsement (model in bijlage 2/3).
Beoordeling :
Criteria C.1.1., C.1.2. en C.2.1. kunnen onmiddellijk beoordeeld
worden op basis van de PCN.
Criteria C.1.3., C.1.4., C.2.2., C.2.3. en C.2.4. vormen het
onderwerp van de Letter of Approval en kunnen slechts beoordeeld
worden nadat dit document beschikbaar wordt gesteld. Het kunnen
voorleggen van de letter of approval, op basis van het model in
bijlage 4 of 5, is een vereiste voor de definitieve goedkeuring
van het project. In deze eerste fase geeft de projectontwikkelaar
de vooruitgang van de onderhandelingen met het gastland aan (zie
Projectconceptnota 3.2.3.). Hij staaft dit met de nodige stukken
die aangeven in welke mate het project al de goedkeuring kreeg van
het gastland (bv. de officiele letter of approval, een principiele
goedkeuring, ). De staat van goedkeuring door het gastland wordt
in deze eerste fase kwalitatief beoordeeld en wordt in rekening
gebracht bij de rangschikking van projecten.
Criterium C.3. wordt beoordeeld aan de hand van het risicoprofiel
van het gastland, zoals gepubliceerd door de kredietverzekeraar
Delcredere (Zie www.delcredere.be). Meer bepaald wordt het
oorlogsrisico en het risico van onteigeningen en
overheidsmaatregelen voor directe investeringen geanalyseerd. In
het geval het gastland voor een van beide risico's tot de hoogste
risicocategorieen behoort (beoordeling 6 of 7), dient de
projectontwikkelaar in de Projectconceptnota (punt 3.3.) voldoende
te motiveren op welke wijze hiermee rekening werd gehouden bij de
projectontwikkeling of waarom het risico niet van toepassing is op
het project. Het risicoprofiel van het gastland wordt kwalitatief
beoordeeld en wordt in rekening gebracht bij de rangschikking van
projecten.
CDM/JI D. Ingezette technologie
Ontvankelijkheidscriterium 4 :
De ingezette technologie moet behoren tot de lijst weergegeven
onder 1.4 Aard van de ingediende projecten'. Investeringen in
hernieuwbare energie of in energie-efficientie aan vraagzijde
genieten de voorkeur.
Ter beoordeling aangereikte informatie :
- Projectconceptnota
CDM/JI E. Emissiereductie broeikasgas(sen) - eerste doorlichting
Ontvankelijkheidscriterium 5 :
E.1. Het project moet resulteren in een emissiereductie die
betrekking heeft op een broeikasgas dat behoort tot een
vastgelegde korf van 6 gassen (CO2, CH4, NO, HFK's, PFK's, SF6).
E.2. Het project moet additioneel zijn in vergelijking met het
referentiescenario.
E.3. De emissiereductie moet reeel en blijvend zijn.
Ter beoordeling aangereikte informatie :
- Projectconceptnota
CDM/JI F. Niet-broeikasgasgerelateerde milieu-effecten - eerste
doorlichting
Ontvankelijkheidscriterium 6 :
Het project mag geen significante negatieve impact hebben op andere
niet-broeikasgasgerelateerde milieu-aspecten.
Ter beoordeling aangereikte informatie :
- Projectconceptnota
CDM/JI G. Socio-economische effecten - eerste doorlichting
Ontvankelijkheidscriterium 7 :
G.1. Het project mag geen negatieve impact hebben op
socio-culturele aspecten in het gastland.
G.2. Projectontwikkelaar en projecteigenaar dienen de principes van
sociale verantwoordelijkheid, zoals geformuleerd door de OESO voor
multilaterale ondernemingen te onderschrijven. Het niet
onderschrijven van deze principes door de projectontwikkelaar en
projecteigenaar leidt tot uitsluiting (uitz. openbare instanties
zie ook 1.4 opm. 3).
Ter beoordeling aangereikte informatie :
- Projectconceptnota
CDM/JI H. Financieel-economische duurzaamheid - eerste doorlichting
Ontvankelijkheidscriterium 8 :
H.1. Er is een positief perspectief op de continuiteit van de
onderneming van de projectontwikkelaar en projecteigenaar.
H.2. De projectontwikkelaar en de projecteigenaar hebben geen
achterstallige betalingsverplichtingen bij belastingen of sociale
verzekeringen
H.3. De financiele capaciteit van de projectontwikkelaar en
projecteigenaar staat in goede verhouding tot de projectomvang en
de benodigde investeringen.
Beoordeling :
In een eerste fase worden voor de projectontwikkelaar en
projecteigenaar onder meer volgende ratio's geanalyseerd :
- verhouding tussen het balanstotaal en het product van het aantal
aangeboden emissiekredieten en de prijs van de emissiekredieten
- verhouding balanstotaal en de omvang van de investeringen
- liquiditeit van de onderneming
- solvabiliteit van de onderneming
Ter beoordeling aangereikte informatie :
- Jaarrekeningen van de laatste drie jaren van projectontwikkelaar
en projecteigenaar
- Projectconceptnota
CDM I. Technologische additionaliteit
Ontvankelijkheidscriterium 9 :
De projectactiviteit dient gepaard te gaan met de overdracht van
milieuvriendelijke technologie en know-how naar het gastland. Het
moet gaan om een technologie waarvan de toepasbaarheid reeds
bewezen is. Indien de technologie nog nergens commercieel wordt
toegepast, moet de projectontwikkelaar ze eerst laten doorlichten
door een gespecialiseerd en onafhankelijk orgaan, dat de
technologische en financiele leefbaarheid van de technologie
bevestigt. De technologie moet repliceerbaar zijn in het gastland
Ter beoordeling aangereikte informatie :
- Projectconceptnota
CDM J. Financiele additionaliteit
Ontvankelijkheidscriterium 10 :
Indien eventuele overheidsfondsen worden gebruikt voor het project
mogen deze geen deel uitmaken van de officiele fondsen voor
ontwikkelingssamenwerking, tenzij het gastland verklaart hier geen
bezwaar tegen te hebben.
Ter beoordeling aangereikte informatie :
- Verklaring van het gastland dat zij geen bezwaar hebben tegen het
gebruik van deze overheidsfondsen in het CDM-project. Dit is een
element van de letter of approval voor CDM (bijlage 4)
4.3. Rangschikking ontvankelijke projecten
Projecten, waarvoor het projectdossier DEEL 1 volledig en tijdig werd ingediend en die voldoen aan alle ontvankelijkheidscriteria, worden vervolgens gerangschikt, rekening houdend met volgende elementen :
- Een inschatting van het risico dat het project het volledige traject niet succesvol zal doorlopen. Hier worden onder meer volgende aspecten in rekening gebracht :
- Ervaring van de projectontwikkelaar met de projectactiviteit
- Stand van zaken van de projectfinanciering
- Stand van zaken van de vereiste vergunningen, licenties of noodzakelijke technische goedkeuringen (bv. MER's) in het gastland
- Stand van zaken van de goedkeuring van het project door het gastland
- Voortgang van het project in het kader van de internationale richtsnoeren voor CDM/JI (bv. bestaat er een door de CDM EB goedgekeurde methodologie voor de projecttechnologie, voortgang validatieproces,)
- Duurzaamheid van het project (financieel-economische duurzaamheid, bijdrage aan duurzame ontwikkeling op sociaal en ecologisch vlak) en additionaliteit
- Prijs van de aangeboden emissiekredieten, rekening houdend met de aard van de projecttechnologie en met het aantal aangeleverde emissiekredieten (CER's/ERU's)
Het Vlaams gewest kan de projectontwikkelaar steeds bijkomende informatie vragen, indien dit noodzakelijk is om de hierboven beschreven rangschikking van projecten naar behoren te kunnen uitvoeren. Het niet aanleveren van deze informatie door de projectontwikkelaar binnen de vooropgestelde termijn zal leiden tot uitsluiting. Voorkeur wordt gegeven aan kwalitatief goede projecten met een beperkt risico en een gunstige aankoopprijs. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten worden optiecontracten voor de aankoop van CER's en ERU's afgesloten met de projectontwikkelaars en/of projecteigenaars van de hoogst gerangschikte projecten. Projectontwikkelaars en/of projecteigenaars van niet geselecteerde projecten worden hiervan op de hoogte gesteld binnen het tijdskader weergegeven onder 2.3.
Stap 5. Afsluiten optieovereenkomst tussen de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar en het Vlaams Gewest
- Indien het project geselecteerd is na een eerste beoordeling door de Vlaamse overheid, zal een optieovereenkomst worden afgesloten tussen de projectontwikkelaar en/of de projecteigenaar en de Vlaamse overheid. De belangrijkste elementen van deze overeenkomst zijn :
- De eigendomsstructuur van de gegeneerde emissiekredieten
- Het aantal emissiekredieten, dat aan de Vlaamse overheid wordt aangeboden, en de prijs die hiervoor door het Vlaams gewest zal betaald worden. De Vlaamse overheid zal het ERAO onder dezelfde voorwaarden opstellen als de optieovereenkomst voor zover het aantal aangeboden emissiekredieten in de definitieve contractfase niet meer dan +/- 10 % afwijkt.
- Indien in de definitieve contractfase meer dan 110 % van het initiële aantal emissiekredieten wordt aangeboden, neemt de Vlaamse overheid een voorkooprecht op deze extra emissiekredieten. De prijs voor deze emissiekredieten wordt afzonderlijk onderhandeld.
- Indien in de definitieve contractfase minder dan 90 % van het initiële aantal emissiekredieten wordt aangeboden, zal de rangschikking van de projecten (zie 4.3.) worden aangepast. Afhankelijk van het resultaat van deze rangschikking wordt eventueel verder onderhandeld over een ERAO. Hierbij kunnen andere voorwaarden gelden als deze uit de optieovereenkomst.
- De optieovereenkomst heeft een duur van 9 maanden. In deze periode zal de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar alle gevraagde documenten aanleveren.
- De optieovereenkomst verplicht de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar de emissiekredieten exclusief aan de Vlaamse Overheid aan te bieden gedurende de duur van de overeenkomst.
De standaardtekst van de optieovereenkomst is te vinden in bijlage 7.
Stap 6-7 : Opmaken projectdossier DEEL 2 en schriftelijke goedkeuring van het gastland
De projectontwikkelaar dient in deze fase het projectdossier DEEL 2 in bij het Vlaams Gewest. Dit dossier wordt samengesteld uit volgende elementen :
- Contracten en overeenkomsten tussen de verschillende projectpartners ondertekend door projectontwikkelaar en/of projecteigenaar en de betreffende projectpartner (overeenkomstig de figuur onder 1.4 en opmerking 3 en met uitzondering van contracten met onderaannemers)
- Indien projecteigenaar en projectontwikkelaar verschillende partijen zijn waarbij enkel de projectontwikkelaar contractpartij zal zijn van de Vlaamse overheid : Contract tussen projecteigenaar en projectontwikkelaar waarin de eigendom van de Emissiekredieten, welke resulteren uit het project door de Projecteigenaar onvoorwaardelijk en onbezwaard wordt overgedragen aan de Projectontwikkelaar en een onherroepelijke en onvoorwaardelijke schriftelijke volmacht tussen de projectontwikkelaar en de projecteigenaar dat aantoont dat de projectontwikkelaar ter zake bevoegd is de projecteigenaar te vertegenwoordigen en het contract te ondertekenen (indien het optiecontract door beide partijen werd ondertekend, en bijgevolg het officiële contract en de volmacht nog niet werd toegevoegd bij het projectdossier Deel I, en de ERAO enkel door projectontwikkelaar zal worden ondertekend). (zie ook opm 1.4)
- Letter of Approval (model in bijlage 4 of 5)
- Project Design Document (PDD), opgesteld volgens het meest recente model goedgekeurd door de CDM Executive Board, voorzien van de nodige bijlagen
- Indien het gastland voor het project een milieueffectrapport vereist, wordt dit als bijlage aan het PDD toegevoegd. Anders wordt het PDD aangevuld met een analyse van de milieu-impact zoals beschreven in bijlage 6.
- Analyse van de socio-economische impact van het project zoals beschreven in bijlage 6
- Business- en investeringsplan van het project, gecombineerd met de bewijsstukken dat de financiering van het project is voorzien en eventueel de meest recente jaarrekening van de projectontwikkelaar, de projecteigenaar en mede-investeerders (zie eerste puntje).
- Offerte van emissiekredieten in de vorm van ERU's (JI) of CER's (CDM) aan de Vlaamse overheid door de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar (afhankelijk van de ondertekening van de optieovereenkomst)
Voorstellen kunnen worden ingediend binnen de daartoe vastgestelde termijnen en mogen opgesteld worden in het Engels, het Nederlands of het Frans. De PDD moet in een taal toegestaan door de EB worden opgesteld. Voorstellen dienen zowel digitaal als in 'hard copy' te worden aangeleverd. De letter of approval kan ook in een latere fase aan het projectdossier worden toegevoegd. Zonder dit document is een goedkeuring van het project door het Vlaamse gewest echter onmogelijk.
Hieronder worden de verschillende deelelementen van projectdossier DEEL 2 kort toegelicht :
-
CDM/JI A. Contracten en overeenkomsten tussen de verschillende
projectpartnerss
In dit contract leggen de verschillende projectpartners hun
onderlinge rol binnen de projectontwikkeling en -uitvoering, hun
wederzijdse verantwoordelijkheden en verhoudingen vast. Het
contract wordt ondertekend door de projectontwikkelaar en/ of
projecteigenaar en de betreffende projectpartner. Ook de
eigendomsstructuur van het project wordt opgenomen. Contracten met
onderaannemers worden niet opgevraagd. Indien projecteigenaar en
projectpartner verschillende partijen zijn dient de overeenkomst
tussen projectontwikkelaar en projecteigenaar te bevestigen dat de
overdracht van de eigendomsrechten op de emissiekredieten van
projecteigenaar naar projectontwikkelaar gebeurt en dat de
projectontwikkelaar als contractpartij fungeert om de ERAO af te
sluiten met de Vlaamse Overheid.
B. Letter of Approval
Het Kyotoprotocol legt vast dat de partijen betrokken bij de
projectgebonden flexibele mechanismen hun goedkeuring moeten geven
aan de gerealiseerde projecten. Dit gebeurt onder de vorm van een
Letter of Approval (LoA), volgens model uit bijlage 4 en 5.
In deze verklaring moeten de volgende elementen aan bod komen :
CDM Het gastland hecht schriftelijk haar goedkeuring aan het project.
Tevens moet het bevestigen dat het project bijdraagt aan de
duurzame ontwikkeling in het gastland en dat het vrijwillig
deelneemt aan CDM. Voor CDM-projecten, waarbij overheidsfondsen
worden gebruikt voor het project, dient het gastland te verklaren
dat het geen bezwaar heeft tegen het gebruik van deze
overheidsfondsen in het CDM-project
JI De Akkoorden van Marrakesh geven geen specifieke richtlijnen over
de vorm of inhoud van de goedkeuring. De projectontwikkelaar
onderzoekt het legale kader van het gastland dat aangeeft wat de
voorwaarden zijn voor de uitgave en transfer van ERU's. De
voorwaarden moeten contractueel worden vastgelegd tussen de
betrokken partijen. Deze goedkeuring wordt gegeven door het Focal
Point in het gastland.
C. Project Design Document
CDM Voor een CDM-project moet dit document het meest recente formaat,
goedgekeurd door de CDM Executive Board, hebben.
JI Bij gebrek aan richtlijnen (1) van de JI Supervisory Committee over
de informatie die moet worden opgenomen in een PDD voor een
JI-project, wordt ook voor JI-projecten het door de CDM Executive
Board goedgekeurde model toegepast, voor zover het van toepassing
is. Voor JI-projecten worden projectontwikkelaars geadviseerd om
contact op te nemen met de bevoegde instanties in het gastland om
na te gaan of dit specifieke eisen stelt aan de structuur en/of
inhoud van het PDD.
De volgende elementen komen in het PDD aan bod :
CDM/JI C.1 Algemene beschrijving van het project
Bevat een beschrijving van de doelstelling, opzet, uitvoering,
tijdsduur en de gebruikte technologie van het project
CDM/JI C.2 Studie referentiescenario en motivering additionaliteit
Een gedetailleerde studie van het referentiescenario (met
gehanteerde methodologieen, beschrijving referentiescenario,
berekening emissiereductie, motivering additionaliteit) wordt als
bijlage aan het PDD toegevoegd
CDM/JI C.3. Uitgebreide beschrijving van de niet-broeikasgasgerelateerde
milieuimpact
Indien het gastland voor het project een milieueffectrapport
vereist wordt dit als bijlage aan het PDD toegevoegd.
CDM/JI C.4. Opvolgings- en verificatieplan :
Een gedetailleerd opvolgingsplan, dat aangeeft hoe en aan de hand
van welke indicatoren de emissiereductieresultaten van het project
in zijn operationele fase zullen worden opgevolgd, wordt als
bijlage aan het PDD toegevoegd. Dit plan wordt opgesteld aan de
hand van een door de CDM Executive Board goedgekeurde
methodologie.
JI C.5. Overzicht van de resultaten van de publieksconsultatie
Volgens de richtlijnen voor JI moeten nationale overheden
richtlijnen en procedures ontwikkelen voor publieksconsultaties.
De projectontwikkelaar contacteert hiervoor het Focal Point van
het gastland. In het PDD wordt weergegeven hoe deze consultaties
werden uitgevoerd, wat de specifieke resultaten waren en hoe de
projectontwikkelaar deze in rekening heeft genomen.
CDM De Akkoorden van Marrakesh leggen voor CDM vast dat lokale
belangengroepen moeten worden uitgenodigd om het projectvoorstel
(PDD) te becommentarieren. Het resultaat van deze
publieksconsultatie wordt vervolgens toegevoegd aan het PDD. In
het PDD wordt beschreven welke procedure gehanteerd werd om lokale
belangengroepen te raadplegen en tevens wordt een overzicht
gegeven van de verzamelde commentaren. De projectontwikkelaar moet
een rapport opmaken, waarin beschreven wordt hoe rekening werd
gehouden met de verzamelde commentaren.
CDM/JI C.6. Duur van het project
Bevat een inschatting van de totale levensduur van het project en
van de kredietperiode.
CDM/JI C.7. Gebruik overheidsgelden
De projectontwikkelaar en/of projecteigenaar dient alle
overheidsgelden die zijn toegewezen aan het project of waarvoor
een aanvraag werd ingediend te rapporteren en op te nemen in het
PDD.
CDM/JI D. Milieueffectrapport of beschrijving van de milieuimpacten
Het project dient steeds aan de lokale milieureglementering te
voldoen.
De projectontwikkelaar dient na te gaan welke de
niet-broeikasgasgerelateerde milieuimpacten zijn van het
CDM/JI-project. Indien er in het gastland geen vereiste is dat er
een milieueffectrapport wordt opgesteld, dient de
projectontwikkelaar in voldoende mate de milieueffecten van het
CDM/JI-project te beschrijven op basis van het model in bijlage 6.
CDM/JI E. Beschrijving van de socio-economische (o.m. op tewerkstelling)
impact van het project
De projectontwikkelaar en projecteigenaar dient ten allen tijde aan
de lokale sociale reglementering te voldoen.
De projectontwikkelaar dient na te gaan welke de socio-economische
impacten zijn van het CDM/JI-project. In dit kader dient de
projectontwikkelaar in voldoende mate de socio-economische
effecten van het CDM/JI-project te beschrijven op basis van het
model in bijlage 6.
Tezamen met de resultaten van de publieksconsultatie van lokale en
internationale belangengroepen, zullen deze documenten aan de
basis liggen van de evaluatie van de sociale duurzaamheid van het
project.
CDM/JI F. Business- en investeringsplan van het project, gecombineerd met
de bewijsstukken dat de financiering van het project is voorzien
en eventueel de meest recente jaarrekening van de
projectontwikkelaar, projecteigenaar en mede-investeerders
In deze fase wordt zowel de financiele draagkracht van de
projectontwikkelaar, projecteigenaar en mede-investeerders als de
financiele haalbaarheid van het project doorgelicht. Hiertoe wordt
enerzijds de meest recente jaarrekening van de projectontwikkelaar
en projecteigenaar en mede-investeerders aangeleverd, indien deze
geen deel uitmaakte van DEEL 1 van het projectdossier. Anderzijds
verschaft de projectontwikkelaar een gedetailleerd en kwantitatief
onderbouwd business- en investeringsplan voor het CDM- of
JI-project. Dit plan dient in elk geval volgende elementen te
beschrijven :
- De wijze waarop het CDM/JI-project gefinancierd zal worden,
gecombineerd met een overzicht van de noodzakelijke investeringen,
verwachte operationele kosten en opbrengsten. Bewijsstukken van de
financiering (financieringsovereenkomsten, bankverklaringen,)
worden bijgevoegd.
- Analyse van de financiele haalbaarheid van het CDM/JI-project.
Hierin wordt de interne rentevoet van het project weergegeven met
en zonder de extra opbrengsten uit de CER's/ERU's. De berekeningen
worden onderbouwd met een spreadsheet in MS Excel en worden
uitgevoerd in Euro. Ook de gevoeligheid van de rentabiliteit van
het project voor de risico- en projectfactoren wordt weergegeven.
- Marktanalyse
- Risicoanalyse van het project en initiatieven om de risico's te
beheersen. Onder meer wordt aangegeven of de projectontwikkelaar
verwacht of voor het CDM/JI-project een kredietverzekering zal
kunnen worden afgesloten.
CDM/JI G. Offerte van emissiekredieten onder de vorm van ERU's (JI) of
CER's (CDM) aan de Vlaamse overheid
Aan de hand van de PDD geeft de projectontwikkelaar en/of
projecteigenaar (afhankelijk van de ondertekening van de
optie-overeenkomst)een nauwkeurige berekening van het aantal
CER's/ERU's dat door zijn project zal worden gegenereerd en dat
zal worden aangeboden aan het Vlaams gewest.
projectpartnerss
In dit contract leggen de verschillende projectpartners hun
onderlinge rol binnen de projectontwikkeling en -uitvoering, hun
wederzijdse verantwoordelijkheden en verhoudingen vast. Het
contract wordt ondertekend door de projectontwikkelaar en/ of
projecteigenaar en de betreffende projectpartner. Ook de
eigendomsstructuur van het project wordt opgenomen. Contracten met
onderaannemers worden niet opgevraagd. Indien projecteigenaar en
projectpartner verschillende partijen zijn dient de overeenkomst
tussen projectontwikkelaar en projecteigenaar te bevestigen dat de
overdracht van de eigendomsrechten op de emissiekredieten van
projecteigenaar naar projectontwikkelaar gebeurt en dat de
projectontwikkelaar als contractpartij fungeert om de ERAO af te
sluiten met de Vlaamse Overheid.
B. Letter of Approval
Het Kyotoprotocol legt vast dat de partijen betrokken bij de
projectgebonden flexibele mechanismen hun goedkeuring moeten geven
aan de gerealiseerde projecten. Dit gebeurt onder de vorm van een
Letter of Approval (LoA), volgens model uit bijlage 4 en 5.
In deze verklaring moeten de volgende elementen aan bod komen :
CDM Het gastland hecht schriftelijk haar goedkeuring aan het project.
Tevens moet het bevestigen dat het project bijdraagt aan de
duurzame ontwikkeling in het gastland en dat het vrijwillig
deelneemt aan CDM. Voor CDM-projecten, waarbij overheidsfondsen
worden gebruikt voor het project, dient het gastland te verklaren
dat het geen bezwaar heeft tegen het gebruik van deze
overheidsfondsen in het CDM-project
JI De Akkoorden van Marrakesh geven geen specifieke richtlijnen over
de vorm of inhoud van de goedkeuring. De projectontwikkelaar
onderzoekt het legale kader van het gastland dat aangeeft wat de
voorwaarden zijn voor de uitgave en transfer van ERU's. De
voorwaarden moeten contractueel worden vastgelegd tussen de
betrokken partijen. Deze goedkeuring wordt gegeven door het Focal
Point in het gastland.
C. Project Design Document
CDM Voor een CDM-project moet dit document het meest recente formaat,
goedgekeurd door de CDM Executive Board, hebben.
JI Bij gebrek aan richtlijnen (1) van de JI Supervisory Committee over
de informatie die moet worden opgenomen in een PDD voor een
JI-project, wordt ook voor JI-projecten het door de CDM Executive
Board goedgekeurde model toegepast, voor zover het van toepassing
is. Voor JI-projecten worden projectontwikkelaars geadviseerd om
contact op te nemen met de bevoegde instanties in het gastland om
na te gaan of dit specifieke eisen stelt aan de structuur en/of
inhoud van het PDD.
De volgende elementen komen in het PDD aan bod :
CDM/JI C.1 Algemene beschrijving van het project
Bevat een beschrijving van de doelstelling, opzet, uitvoering,
tijdsduur en de gebruikte technologie van het project
CDM/JI C.2 Studie referentiescenario en motivering additionaliteit
Een gedetailleerde studie van het referentiescenario (met
gehanteerde methodologieen, beschrijving referentiescenario,
berekening emissiereductie, motivering additionaliteit) wordt als
bijlage aan het PDD toegevoegd
CDM/JI C.3. Uitgebreide beschrijving van de niet-broeikasgasgerelateerde
milieuimpact
Indien het gastland voor het project een milieueffectrapport
vereist wordt dit als bijlage aan het PDD toegevoegd.
CDM/JI C.4. Opvolgings- en verificatieplan :
Een gedetailleerd opvolgingsplan, dat aangeeft hoe en aan de hand
van welke indicatoren de emissiereductieresultaten van het project
in zijn operationele fase zullen worden opgevolgd, wordt als
bijlage aan het PDD toegevoegd. Dit plan wordt opgesteld aan de
hand van een door de CDM Executive Board goedgekeurde
methodologie.
JI C.5. Overzicht van de resultaten van de publieksconsultatie
Volgens de richtlijnen voor JI moeten nationale overheden
richtlijnen en procedures ontwikkelen voor publieksconsultaties.
De projectontwikkelaar contacteert hiervoor het Focal Point van
het gastland. In het PDD wordt weergegeven hoe deze consultaties
werden uitgevoerd, wat de specifieke resultaten waren en hoe de
projectontwikkelaar deze in rekening heeft genomen.
CDM De Akkoorden van Marrakesh leggen voor CDM vast dat lokale
belangengroepen moeten worden uitgenodigd om het projectvoorstel
(PDD) te becommentarieren. Het resultaat van deze
publieksconsultatie wordt vervolgens toegevoegd aan het PDD. In
het PDD wordt beschreven welke procedure gehanteerd werd om lokale
belangengroepen te raadplegen en tevens wordt een overzicht
gegeven van de verzamelde commentaren. De projectontwikkelaar moet
een rapport opmaken, waarin beschreven wordt hoe rekening werd
gehouden met de verzamelde commentaren.
CDM/JI C.6. Duur van het project
Bevat een inschatting van de totale levensduur van het project en
van de kredietperiode.
CDM/JI C.7. Gebruik overheidsgelden
De projectontwikkelaar en/of projecteigenaar dient alle
overheidsgelden die zijn toegewezen aan het project of waarvoor
een aanvraag werd ingediend te rapporteren en op te nemen in het
PDD.
CDM/JI D. Milieueffectrapport of beschrijving van de milieuimpacten
Het project dient steeds aan de lokale milieureglementering te
voldoen.
De projectontwikkelaar dient na te gaan welke de
niet-broeikasgasgerelateerde milieuimpacten zijn van het
CDM/JI-project. Indien er in het gastland geen vereiste is dat er
een milieueffectrapport wordt opgesteld, dient de
projectontwikkelaar in voldoende mate de milieueffecten van het
CDM/JI-project te beschrijven op basis van het model in bijlage 6.
CDM/JI E. Beschrijving van de socio-economische (o.m. op tewerkstelling)
impact van het project
De projectontwikkelaar en projecteigenaar dient ten allen tijde aan
de lokale sociale reglementering te voldoen.
De projectontwikkelaar dient na te gaan welke de socio-economische
impacten zijn van het CDM/JI-project. In dit kader dient de
projectontwikkelaar in voldoende mate de socio-economische
effecten van het CDM/JI-project te beschrijven op basis van het
model in bijlage 6.
Tezamen met de resultaten van de publieksconsultatie van lokale en
internationale belangengroepen, zullen deze documenten aan de
basis liggen van de evaluatie van de sociale duurzaamheid van het
project.
CDM/JI F. Business- en investeringsplan van het project, gecombineerd met
de bewijsstukken dat de financiering van het project is voorzien
en eventueel de meest recente jaarrekening van de
projectontwikkelaar, projecteigenaar en mede-investeerders
In deze fase wordt zowel de financiele draagkracht van de
projectontwikkelaar, projecteigenaar en mede-investeerders als de
financiele haalbaarheid van het project doorgelicht. Hiertoe wordt
enerzijds de meest recente jaarrekening van de projectontwikkelaar
en projecteigenaar en mede-investeerders aangeleverd, indien deze
geen deel uitmaakte van DEEL 1 van het projectdossier. Anderzijds
verschaft de projectontwikkelaar een gedetailleerd en kwantitatief
onderbouwd business- en investeringsplan voor het CDM- of
JI-project. Dit plan dient in elk geval volgende elementen te
beschrijven :
- De wijze waarop het CDM/JI-project gefinancierd zal worden,
gecombineerd met een overzicht van de noodzakelijke investeringen,
verwachte operationele kosten en opbrengsten. Bewijsstukken van de
financiering (financieringsovereenkomsten, bankverklaringen,)
worden bijgevoegd.
- Analyse van de financiele haalbaarheid van het CDM/JI-project.
Hierin wordt de interne rentevoet van het project weergegeven met
en zonder de extra opbrengsten uit de CER's/ERU's. De berekeningen
worden onderbouwd met een spreadsheet in MS Excel en worden
uitgevoerd in Euro. Ook de gevoeligheid van de rentabiliteit van
het project voor de risico- en projectfactoren wordt weergegeven.
- Marktanalyse
- Risicoanalyse van het project en initiatieven om de risico's te
beheersen. Onder meer wordt aangegeven of de projectontwikkelaar
verwacht of voor het CDM/JI-project een kredietverzekering zal
kunnen worden afgesloten.
CDM/JI G. Offerte van emissiekredieten onder de vorm van ERU's (JI) of
CER's (CDM) aan de Vlaamse overheid
Aan de hand van de PDD geeft de projectontwikkelaar en/of
projecteigenaar (afhankelijk van de ondertekening van de
optie-overeenkomst)een nauwkeurige berekening van het aantal
CER's/ERU's dat door zijn project zal worden gegenereerd en dat
zal worden aangeboden aan het Vlaams gewest.
-
( (1) De Akkoorden van Marrakesh geven enkel aan dat voor JI de volgende
informatie vervat moet zijn in het PDD :
- goedkeuring van het project door de betrokken partijen
- informatie die aangeeft dat het project resulteert in een
additionele emissiereductie
- informatie die aangeeft dat het project een geschikt baseline- en
opvolgingsplan heeft.
Verder moet de projectontwikkelaar de volgende informatie voorleggen
aan een geaccrediteerde onafhankelijke entiteit voor de determinatie
van de verkiesbaarheid van het project onder het JI-regime :
- informatie over de milieuimpact van het project
- projectbeschrijvingeen overzicht van de publieksconsultaties, die
werden uitgevoerd in functie van de nationale wetgeving en de
resultaten hiervan. )
Stap 8 : Tweede doorlichting van het project
Het Vlaams Gewest licht de goedgekeurde projectvoorstellen nogmaals door. Het Vlaams Gewest kan steeds bijkomende informatie opvragen bij de projectontwikkelaar ter verduidelijking van zijn dossier, indien dit nodig is om het project naar behoren te kunnen beoordelen in functie van de onder 8.2 beschreven criteria. Het niet verstrekken van deze informatie binnen de vooropgestelde termijn leidt tot uitsluiting.
Bij de tweede doorlichting worden de volgende 3 stappen doorlopen :
8.1. Toetsing van het projectdossier DEEL 2 op volledigheid en tijdigheid van indiening.
Een project, waarvan het projectdossier DEEL 2 onvolledig of niet binnen de voorziene tijdsspanne werd ingediend, komt niet in aanmerking voor verdere selectie.
8.2. Toetsing van het projectdossier DEEL 2 aan de ontvankelijkheidscriteria
Tijdens deze evaluatieronde wordt het project opnieuw getoetst aan volgende ontvankelijkheidscriteria :
informatie vervat moet zijn in het PDD :
- goedkeuring van het project door de betrokken partijen
- informatie die aangeeft dat het project resulteert in een
additionele emissiereductie
- informatie die aangeeft dat het project een geschikt baseline- en
opvolgingsplan heeft.
Verder moet de projectontwikkelaar de volgende informatie voorleggen
aan een geaccrediteerde onafhankelijke entiteit voor de determinatie
van de verkiesbaarheid van het project onder het JI-regime :
- informatie over de milieuimpact van het project
- projectbeschrijvingeen overzicht van de publieksconsultaties, die
werden uitgevoerd in functie van de nationale wetgeving en de
resultaten hiervan. )
Stap 8 : Tweede doorlichting van het project
Het Vlaams Gewest licht de goedgekeurde projectvoorstellen nogmaals door. Het Vlaams Gewest kan steeds bijkomende informatie opvragen bij de projectontwikkelaar ter verduidelijking van zijn dossier, indien dit nodig is om het project naar behoren te kunnen beoordelen in functie van de onder 8.2 beschreven criteria. Het niet verstrekken van deze informatie binnen de vooropgestelde termijn leidt tot uitsluiting.
Bij de tweede doorlichting worden de volgende 3 stappen doorlopen :
8.1. Toetsing van het projectdossier DEEL 2 op volledigheid en tijdigheid van indiening.
Een project, waarvan het projectdossier DEEL 2 onvolledig of niet binnen de voorziene tijdsspanne werd ingediend, komt niet in aanmerking voor verdere selectie.
8.2. Toetsing van het projectdossier DEEL 2 aan de ontvankelijkheidscriteria
Tijdens deze evaluatieronde wordt het project opnieuw getoetst aan volgende ontvankelijkheidscriteria :
-
CDM/JI A. Niet-broeikasgasgerelateerde milieueffecten - tweede
doorlichting ecologische duurzaamheid
Ontvankelijkheidscriterium :
Het project mag geen significante negatieve impact hebben op andere
niet-broeikasgasgerelateerde milieu-aspecten.
Ter beoordeling aangereikte informatie :
- MER, indien vereist of analyse milieuimpact volgens het model in
bijlage 6
CDM/JI B. Socio-economische effecten - tweede doorlichting sociale
duurzaamheid
Ontvankelijkheidscriterium :
Het project mag geen negatieve impact hebben op socio-economische
aspecten in het gastland.
Ter beoordeling aangereikte informatie :
- analyse socio-economische impact volgens het model in bijlage 6
- Verslag commentaren van lokale en internationale belangengroepen
CDM/JI C. Financieel-economische duurzaamheid - tweede doorlichting
Ontvankelijkheidscriterium :
Er is een positief perspectief op de continuiteit van de
projectontwikkelaar(s) en projecteigenaar en het project.
Ter beoordeling aangereikte informatie :
- Business- en investeringsplan van het project, gecombineerd met
de bewijsstukken dat de financiering van het project is voorzien
en eventueel de meest recente jaarrekening van de
projectontwikkelaar,projecteigenaar en mede-investeerders
Beoordeling :
- gebeurt op basis van de informatie in het business- of
investeringsplan met onder meer als criteria : de netto actuele
waarde, de terugverdienperiode, de interne rendementsgraad, de
risicobeheersing, de kwaliteit van het werkprogramma, de aanwezige
expertise, kwaliteit van de samenwerking en het projectmanagement
- criteria voor de valorisatie de commercialisatie zijn : kwaliteit
van de geleverde marktanalyse, realistische marktvooruitzichten,
kwaliteit van de valorisatiestrategie, de te vervullen voorwaarden
voor commercieel succes en de concurrentie.
- De projectontwikkelaar moet kunnen aantonen dat er financiering
voor zijn project voorzien is
CDM/JI D. Emissiereductie broeikasgas(sen) - doorlichting additionaliteit
Ontvankelijkheidscriterium :
- Het project moet additioneel zijn in vergelijking met het
referentiescenario.
- De emissiereductie moet reeel en blijvend zijn.
Ter beoordeling aangereikte informatie :
-PDD en bijlagen
Beoordeling :
- Het PDD moet duidelijk aantonen dat de projectsituatie gepaard
gaat met minder emissies dan het referentiescenario en een
inschatting maken van de gerealiseerde emissiereductie.
- Het PDD moet op transparante en conservatieve wijze
additionaliteit motiveren
8.3. Herziening rangschikking
Zoals hoger vermeld kan de definitieve rangschikking van projectvoorstellen nog wijzigen afhankelijk van de beoordelingsresultaten van het projectdossier DEEL 2.
Het aantal door de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar aangeboden emissiekredieten mag in deze fase ten hoogste 10 % afwijken van het aantal dat in de PCN is vermeld. Indien de afwijking groter is, zal dit tot een herbeoordeling van het voorstel leiden en kan de Vlaamse overheid haar optie beëindigen.
De projecten die het volledige traject met een positief resultaat hebben doorlopen worden door het Vlaams Gewest goedgekeurd. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten worden contracten voor de aankoop van CER's en ERU's afgesloten met de projectontwikkelaars en/of projecteigenaars van de hoogst gerangschikte projecten. Projectontwikkelaars en/of projecteigenaars van niet goedgekeurde projecten worden hiervan op de hoogte gesteld binnen het tijdskader weergegeven onder 2.3.
Stap 9. Afsluiten definitieve contract (ERAO)
Nadat de gedetailleerde beoordeling van het project heeft plaatsgevonden en ingediende documenten compleet en juist bevonden zijn, wordt een definitief contract opgesteld tussen projectontwikkelaar en/of projecteigenaar (afhankelijk van de ondertekening van de optie-overeenkomst en de Vlaamse overheid waarin de gemaakte afspraken worden bekrachtigd. In deze Emissiereductieaankoopovereenkomst (ERAO) is de eigendomsstructuur van de door het project gegenereerde emissiekredieten een belangrijk element, alsook het leveringsschema van de emissiekredieten en het betalingsschema door de Vlaamse overheid.
De projectdocumenten welke de projectontwikkelaar al eerder heeft aangeleverd, alsook de referentietermen, zullen een integraal onderdeel vormen van de ERAO.
De Vlaamse overheid stelt voor dat tweejaarlijks, binnen 2 maanden na afloop van het tweede kredietjaar, een door een externe en geaccrediteerde entiteit geverifieerd monitoringsrapport wordt voorgelegd, maar de frequentie van rapportage wordt in overleg tussen de Vlaamse overheid en de projectontwikkelaar overeengekomen.
De ERAO wordt opgesteld met daarin tenminste twee ontbindende voorwaarden, te weten : (i) het succesvol afronden de validatie en (ii) de registratie van het project bij de Executive Board.
De Vlaamse overheid kan binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten aan de indiener van een projectactiviteit, waarmee een aankoopcontract wordt afgesloten, een tegemoetkoming verstrekken voor (een deel van) de administratieve kosten die gepaard gaan met het voorbereiden van en deelnemen aan projectactiviteiten. In dit kader kan ook worden beslist om begeleiding te voorzien onder de vorm van immateriële dienstverlening. Indien dit het geval is, wordt het uitdrukkelijk vermeld in de oproep.
Stap 10. Screening van het project door een hiertoe door UNFCCC geaccrediteerde entiteit (validatie of determinatie)
Het internationale kader voorziet voor elk CDM en second track JI project een zogenaamde validatie/determinatie. Tijdens dit proces reviseert een door UNFCCC geaccrediteerde een onafhankelijke entiteit de projectdocumentatie. Het proces wordt uitgevoerd op basis van het PDD.
De projectontwikkelaar kiest en contracteert de validerende of determinerende entiteit en brengt de Vlaamse overheid hiervan op de hoogte. Het succesvol afronden van de validatie/determinatie is een ontbindende voorwaarde van het ERAO. Een copij van het validatierapport wordt na afronden van het validatieproces overgemaakt aan het Vlaams Gewest.
Na validatie of determinatie is de projectdocumentatie volledig en zijn de berekende emissiereducties definitief. Indien de validerende of determinerende entiteit het project duurzaam en additioneel heeft bevonden, vervalt de eerste ontbindende voorwaarde van het definitieve contract opgesteld tussen projectontwikkelaar en/of projecteigenaar en de Vlaamse overheid.
Stap 11. Registratie en eventueel revisie van het CDM-project - Eventueel revisie van het JI-project
Het internationale kader voorziet dat elk CDM-project moet geregistreerd worden bij de CDM Executive Board. De registratie van het project is een ontbindende voorwaarde in het ERAO. De projectontwikkelaar neemt de nodige stappen tot registratie. Een copij van het registratieformulier wordt na afronden van de registratie overgemaakt aan het Vlaams Gewest.
Na registratie van het project op de hiervoor aangegeven wijze vervalt de tweede ontbindende voorwaarde van de ERAO opgesteld tussen projectontwikkelaar en/of projecteigenaar en de Vlaamse overheid.
Stap 12 & 13. Projectopvolging en verificatie
Het internationale kader voorziet dat de projectontwikkelaar de gerealiseerde emissiereducties opvolgt aan de hand van de indicatoren beschreven in het opvolgingsplan. Het opvolgingsplan is een gedetailleerde beschrijving van de wijze waarop de projectontwikkelaar de gerealiseerde emissiereducties zal meten en monitoren en maakt deel uit van het PDD. Een door de CDM Executive Board geaccrediteerde onafhankelijke consultant reviseert op regelmatige tijdstippen ex-post de gerealiseerde emissiereductie (= verificatie).
De projectontwikkelaar kan ervoor kiezen gedurende de kredietperiode periodiek een externe entiteit een monitoringrapport te laten opstellen, doch hij kan dit ook zelf ter hand nemen. In geval van monitoring door een externe en geaccrediteerde entiteit, kunnen de monitoringrapporten direct onderdeel vormen van het verificatierapport. De projectontwikkelaar staat in voor de verificatie en stelt de Vlaamse overheid in kennis van de resultaten.
De projectontwikkelaar dient tweejaarlijks aan de Vlaamse overheid te rapporteren hoeveel emissiekredieten in de betreffende periode zijn geproduceerd. De frequentie van rapportage wordt in overleg tussen de Vlaamse overheid en de projectontwikkelaar overeengekomen. Hij legt hiertoe een monitoringrapport en verificatierapport voor aan de Vlaamse overheid over de voorbije periode. Hierop volgend gebeurt de overdracht en betaling van emissiekredieten.
De Vlaamse overheid kan beslissen om binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten voorafbetalingen te doen op de aankoop van emissiekredieten. Indien deze mogelijk bestaat, wordt dit uitdrukkelijk vermeld in de oproep.
doorlichting ecologische duurzaamheid
Ontvankelijkheidscriterium :
Het project mag geen significante negatieve impact hebben op andere
niet-broeikasgasgerelateerde milieu-aspecten.
Ter beoordeling aangereikte informatie :
- MER, indien vereist of analyse milieuimpact volgens het model in
bijlage 6
CDM/JI B. Socio-economische effecten - tweede doorlichting sociale
duurzaamheid
Ontvankelijkheidscriterium :
Het project mag geen negatieve impact hebben op socio-economische
aspecten in het gastland.
Ter beoordeling aangereikte informatie :
- analyse socio-economische impact volgens het model in bijlage 6
- Verslag commentaren van lokale en internationale belangengroepen
CDM/JI C. Financieel-economische duurzaamheid - tweede doorlichting
Ontvankelijkheidscriterium :
Er is een positief perspectief op de continuiteit van de
projectontwikkelaar(s) en projecteigenaar en het project.
Ter beoordeling aangereikte informatie :
- Business- en investeringsplan van het project, gecombineerd met
de bewijsstukken dat de financiering van het project is voorzien
en eventueel de meest recente jaarrekening van de
projectontwikkelaar,projecteigenaar en mede-investeerders
Beoordeling :
- gebeurt op basis van de informatie in het business- of
investeringsplan met onder meer als criteria : de netto actuele
waarde, de terugverdienperiode, de interne rendementsgraad, de
risicobeheersing, de kwaliteit van het werkprogramma, de aanwezige
expertise, kwaliteit van de samenwerking en het projectmanagement
- criteria voor de valorisatie de commercialisatie zijn : kwaliteit
van de geleverde marktanalyse, realistische marktvooruitzichten,
kwaliteit van de valorisatiestrategie, de te vervullen voorwaarden
voor commercieel succes en de concurrentie.
- De projectontwikkelaar moet kunnen aantonen dat er financiering
voor zijn project voorzien is
CDM/JI D. Emissiereductie broeikasgas(sen) - doorlichting additionaliteit
Ontvankelijkheidscriterium :
- Het project moet additioneel zijn in vergelijking met het
referentiescenario.
- De emissiereductie moet reeel en blijvend zijn.
Ter beoordeling aangereikte informatie :
-PDD en bijlagen
Beoordeling :
- Het PDD moet duidelijk aantonen dat de projectsituatie gepaard
gaat met minder emissies dan het referentiescenario en een
inschatting maken van de gerealiseerde emissiereductie.
- Het PDD moet op transparante en conservatieve wijze
additionaliteit motiveren
8.3. Herziening rangschikking
Zoals hoger vermeld kan de definitieve rangschikking van projectvoorstellen nog wijzigen afhankelijk van de beoordelingsresultaten van het projectdossier DEEL 2.
Het aantal door de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar aangeboden emissiekredieten mag in deze fase ten hoogste 10 % afwijken van het aantal dat in de PCN is vermeld. Indien de afwijking groter is, zal dit tot een herbeoordeling van het voorstel leiden en kan de Vlaamse overheid haar optie beëindigen.
De projecten die het volledige traject met een positief resultaat hebben doorlopen worden door het Vlaams Gewest goedgekeurd. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten worden contracten voor de aankoop van CER's en ERU's afgesloten met de projectontwikkelaars en/of projecteigenaars van de hoogst gerangschikte projecten. Projectontwikkelaars en/of projecteigenaars van niet goedgekeurde projecten worden hiervan op de hoogte gesteld binnen het tijdskader weergegeven onder 2.3.
Stap 9. Afsluiten definitieve contract (ERAO)
Nadat de gedetailleerde beoordeling van het project heeft plaatsgevonden en ingediende documenten compleet en juist bevonden zijn, wordt een definitief contract opgesteld tussen projectontwikkelaar en/of projecteigenaar (afhankelijk van de ondertekening van de optie-overeenkomst en de Vlaamse overheid waarin de gemaakte afspraken worden bekrachtigd. In deze Emissiereductieaankoopovereenkomst (ERAO) is de eigendomsstructuur van de door het project gegenereerde emissiekredieten een belangrijk element, alsook het leveringsschema van de emissiekredieten en het betalingsschema door de Vlaamse overheid.
De projectdocumenten welke de projectontwikkelaar al eerder heeft aangeleverd, alsook de referentietermen, zullen een integraal onderdeel vormen van de ERAO.
De Vlaamse overheid stelt voor dat tweejaarlijks, binnen 2 maanden na afloop van het tweede kredietjaar, een door een externe en geaccrediteerde entiteit geverifieerd monitoringsrapport wordt voorgelegd, maar de frequentie van rapportage wordt in overleg tussen de Vlaamse overheid en de projectontwikkelaar overeengekomen.
De ERAO wordt opgesteld met daarin tenminste twee ontbindende voorwaarden, te weten : (i) het succesvol afronden de validatie en (ii) de registratie van het project bij de Executive Board.
De Vlaamse overheid kan binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten aan de indiener van een projectactiviteit, waarmee een aankoopcontract wordt afgesloten, een tegemoetkoming verstrekken voor (een deel van) de administratieve kosten die gepaard gaan met het voorbereiden van en deelnemen aan projectactiviteiten. In dit kader kan ook worden beslist om begeleiding te voorzien onder de vorm van immateriële dienstverlening. Indien dit het geval is, wordt het uitdrukkelijk vermeld in de oproep.
Stap 10. Screening van het project door een hiertoe door UNFCCC geaccrediteerde entiteit (validatie of determinatie)
Het internationale kader voorziet voor elk CDM en second track JI project een zogenaamde validatie/determinatie. Tijdens dit proces reviseert een door UNFCCC geaccrediteerde een onafhankelijke entiteit de projectdocumentatie. Het proces wordt uitgevoerd op basis van het PDD.
De projectontwikkelaar kiest en contracteert de validerende of determinerende entiteit en brengt de Vlaamse overheid hiervan op de hoogte. Het succesvol afronden van de validatie/determinatie is een ontbindende voorwaarde van het ERAO. Een copij van het validatierapport wordt na afronden van het validatieproces overgemaakt aan het Vlaams Gewest.
Na validatie of determinatie is de projectdocumentatie volledig en zijn de berekende emissiereducties definitief. Indien de validerende of determinerende entiteit het project duurzaam en additioneel heeft bevonden, vervalt de eerste ontbindende voorwaarde van het definitieve contract opgesteld tussen projectontwikkelaar en/of projecteigenaar en de Vlaamse overheid.
Stap 11. Registratie en eventueel revisie van het CDM-project - Eventueel revisie van het JI-project
Het internationale kader voorziet dat elk CDM-project moet geregistreerd worden bij de CDM Executive Board. De registratie van het project is een ontbindende voorwaarde in het ERAO. De projectontwikkelaar neemt de nodige stappen tot registratie. Een copij van het registratieformulier wordt na afronden van de registratie overgemaakt aan het Vlaams Gewest.
Na registratie van het project op de hiervoor aangegeven wijze vervalt de tweede ontbindende voorwaarde van de ERAO opgesteld tussen projectontwikkelaar en/of projecteigenaar en de Vlaamse overheid.
Stap 12 & 13. Projectopvolging en verificatie
Het internationale kader voorziet dat de projectontwikkelaar de gerealiseerde emissiereducties opvolgt aan de hand van de indicatoren beschreven in het opvolgingsplan. Het opvolgingsplan is een gedetailleerde beschrijving van de wijze waarop de projectontwikkelaar de gerealiseerde emissiereducties zal meten en monitoren en maakt deel uit van het PDD. Een door de CDM Executive Board geaccrediteerde onafhankelijke consultant reviseert op regelmatige tijdstippen ex-post de gerealiseerde emissiereductie (= verificatie).
De projectontwikkelaar kan ervoor kiezen gedurende de kredietperiode periodiek een externe entiteit een monitoringrapport te laten opstellen, doch hij kan dit ook zelf ter hand nemen. In geval van monitoring door een externe en geaccrediteerde entiteit, kunnen de monitoringrapporten direct onderdeel vormen van het verificatierapport. De projectontwikkelaar staat in voor de verificatie en stelt de Vlaamse overheid in kennis van de resultaten.
De projectontwikkelaar dient tweejaarlijks aan de Vlaamse overheid te rapporteren hoeveel emissiekredieten in de betreffende periode zijn geproduceerd. De frequentie van rapportage wordt in overleg tussen de Vlaamse overheid en de projectontwikkelaar overeengekomen. Hij legt hiertoe een monitoringrapport en verificatierapport voor aan de Vlaamse overheid over de voorbije periode. Hierop volgend gebeurt de overdracht en betaling van emissiekredieten.
De Vlaamse overheid kan beslissen om binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten voorafbetalingen te doen op de aankoop van emissiekredieten. Indien deze mogelijk bestaat, wordt dit uitdrukkelijk vermeld in de oproep.
-
Art. N1. Bijlage 1. Projectconceptnota voor kandidaatprojecten.
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25310-25312).
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25310-25312).
-
Art. N2. Bijlage 2. Letter of Endorsement voor CDM.
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25312).
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25312).
-
Art. N3. Bijlage 3. Letter of Endorsement voor JI.
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25313).
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25313).
-
Art. N4. Bijlage 4. Letter of Approval voor CDM.
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25313).
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25313).
-
Art. N5. Bijlage 5. Letter of Approval voor JI.
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25314).
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25314).
-
Art. N6. Bijlage 6. Analyse ecologische en socio-economische impact.
6.1. Ecologische effecten van het project tijdens de opbouw
Het volgende hoofdstuk beschrijft de milieu-effecten van de projectactiviteit gedurende de opbouwfase. Belangrijke effecten op water en lucht, rekening houdend met afval en lawaai, moeten in detail worden beschreven alsook de verlagingsmaatregelen die werden genomen. De relevante regelgeving (nationale wetten, richtlijnen enz.) moet worden nageleefd. Indien die niet bestaat of niet van toepassing is, moet rekening worden gehouden met de huidige nationale technologische praktijk/normen. Gelieve eveneens in detail te beschrijven indien uw projectactiviteit verder gaat dan die minimale vereisten.
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25314).
Maak de tabel groter indien nodig.
6.2. Ecologische effecten tijdens de duur van het project
Het volgende hoofdstuk gaat dieper in op de milieu-effecten van de projectactiviteit tijdens de duur van het project. Belangrijke effecten op water en lucht, rekening houdend met bodemgebruik, biodiversiteit en afval, moeten gedetailleerd worden beschreven alsook de verlagingsmaatregelen die werden genomen. De relevante regelgeving (nationale wetten, richtlijnen enz.) moet worden nageleefd. Indien die niet bestaat of niet van toepassing is, moet men rekening houden met de huidige nationale technologische praktijk/normen. Gelieve eveneens in detail te beschrijven indien uw projectactiviteit verder gaat dan die minimale vereisten of andere positieve effecten heeft.
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25315-25316).
6.3. Socio-economische aspecten
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25317).
6.1. Ecologische effecten van het project tijdens de opbouw
Het volgende hoofdstuk beschrijft de milieu-effecten van de projectactiviteit gedurende de opbouwfase. Belangrijke effecten op water en lucht, rekening houdend met afval en lawaai, moeten in detail worden beschreven alsook de verlagingsmaatregelen die werden genomen. De relevante regelgeving (nationale wetten, richtlijnen enz.) moet worden nageleefd. Indien die niet bestaat of niet van toepassing is, moet rekening worden gehouden met de huidige nationale technologische praktijk/normen. Gelieve eveneens in detail te beschrijven indien uw projectactiviteit verder gaat dan die minimale vereisten.
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25314).
Maak de tabel groter indien nodig.
6.2. Ecologische effecten tijdens de duur van het project
Het volgende hoofdstuk gaat dieper in op de milieu-effecten van de projectactiviteit tijdens de duur van het project. Belangrijke effecten op water en lucht, rekening houdend met bodemgebruik, biodiversiteit en afval, moeten gedetailleerd worden beschreven alsook de verlagingsmaatregelen die werden genomen. De relevante regelgeving (nationale wetten, richtlijnen enz.) moet worden nageleefd. Indien die niet bestaat of niet van toepassing is, moet men rekening houden met de huidige nationale technologische praktijk/normen. Gelieve eveneens in detail te beschrijven indien uw projectactiviteit verder gaat dan die minimale vereisten of andere positieve effecten heeft.
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25315-25316).
6.3. Socio-economische aspecten
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2005, p. 25317).
-
Art. N7. Bijlage 7. Emissiereductieoptieovereenkomst betrekking hebbend op een JI/CDM-project
tussen
Het Vlaamse Gewest
en
(PROJECTONTWIKKELAAR)
en/of
(PROJECTEIGENAAR)
PARTIJEN :
(1) (NAAM VAN PROJECTONTWIKKELAAR), statutair gevestigd te (VESTIGINGSPLAATS), met kantooradres (KANTOORADRES), te dezer zake rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer / Mevr. (NAAM), (FUNCTIE) hierna te noemen : "PROJECTONTWIKKELAAR ";
en/of
(2) (NAAM VAN PROJECTEIGENAAR), statutair gevestigd te (VESTIGINGSPLAATS), met kantooradres (KANTOORADRES), te dezer zake rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer / Mevr. (NAAM), (FUNCTIE) hierna te noemen : "PROJECTEIGENAAR ";
en
(3) Het Vlaamse Gewest, te dezer zake vertegenwoordigd door en handelend via het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, (Administratie), te dezer zake rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer/ Mevr. (NAAM), (FUNCTIE), hierna te noemen : 'Het Vlaamse Gewest';
hierna individueel aan te duiden als 'Partij' en gezamenlijk als 'Partijen';
Onder verwijzing naar de Project Concept Nota ('PCN') en bijbehorende documentatie ingediend door de Projectontwikkelaar en/of Projecteigenaar bij Het Vlaamse Gewest met referentie (DATUM) onder de op (DATUM) door Het Vlaamse Gewest gepubliceerde oproep om projectvoorstellen in te dienen voor de implementatie van JI- en CDM-projecten (hierna te noemen :
'de Oproep'), hierna aangeduid als : 'het Project', hebben Partijen overeenstemming bereikt over de voorwaarden van een optieovereenkomst, waarbij Het Vlaamse Gewest een koopoptie verkrijgt op de Emissiekredieten welke resulteren uit het Project;
IN AANMERKING NEMENDE DAT :
- België heeft het Kyotoprotocol geratificeerd en is tezamen met haar Gewesten thans actief om te voldoen aan de vereisten gesteld aan Kyotoprotocol artikel 6 en 12 projecten, welke voortvloeien uit de Marrakesh akkoorden (UNFCCC/CoP7);
- Het Vlaamse Gewest heeft in dat kader de Oproep geplaatst, waarop de door haar opgestelde Referentietermen en bijbehorende bijlagen van overeenkomstige toepassing zijn;
- de Projectontwikkelaar en/of Projecteigenaar heeft middels de indiening van een PCN en bijbehorende documentatie onder deze Oproep aangegeven het Project te willen ontwikkelen en uit te voeren teneinde Emissiereducties te realiseren;
- de Projectontwikkelaar en/of Projecteigenaar heeft zich daarmee bereid verklaard de uit het Project voortvloeiende Emissiekredieten aan Het Vlaamse Gewest te willen verkopen;
- Het Vlaamse Gewest heeft recentelijk het door de Projectontwikkelaar en/of Projecteigenaar ingediende Project ten eerste male positief geëvalueerd en wenst de Projectontwikkelaar en/of Projecteigenaar thans in de gelegenheid te stellen het Project nader te ontwikkelen en realiseren;
- Partijen zijn daarbij op voorhand overeengekomen dat Het Vlaamse Gewest onder de in deze optieovereenkomst en bijbehorende bijlagen gestelde voorwaarden (hierna te noemen : 'de Optieovereenkomst') een optierecht verkrijgt ter zake van de koop van de Emissiekredieten voortvloeiende uit het Project.
KOMEN ALS VOLGT OVEREEN :
1. Definities :
Behoudens indien de context van deze Optieovereenkomst anders aangeeft, hebben de met een hoofdletter aangeduide woorden de betekenis zoals vermeld in de verklarende woordenlijst welke is opgenomen in de Referentietermen (Bijlage 1 van deze Optieovereenkomst).
2. Bijlagen
2.1 Alle in deze Optieovereenkomst genoemde en/of aan deze Optieovereenkomst gehechte bijlagen vormen een integraal onderdeel van deze Optieovereenkomst. De volgende documenten zullen als bijlage bij dit contract worden gevoegd :
Bijlage 1) Referentietermen (inclusief verklarende woordenlijst, stappenplan en alle bijbehorende bijlagen), hierna te noemen : 'de Referentietermen';
Bijlage 2) de standaard Emissie Reductie Aankoop Overeenkomst van toepassing op de koop van Emissiekredieten door Het Vlaamse Gewest, hierna te noemen : 'ERAO';
Bijlage 3) de Project Concept Nota zoals ingediend door de Projectontwikkelaar (REFERENTIE EN DATUM VAN HET VOORSTEL);
Bijlage 4) een schriftelijke overeenkomst tussen projecteigenaar en projectontwikkelaar waarin de eigendom van de Emissiekredieten, welke resulteren uit het project door de projecteigenaar onvoorwaardelijk en onbezwaard wordt overgedragen aan de projectontwikkelaar en een onherroepelijke en onvoorwaardelijke schriftelijke volmacht tussen de projectontwikkelaar en de projecteigenaar dat aantoont dat de projectontwikkelaar ter zake bevoegd is de projecteigenaar te vertegenwoordigen en het contract te ondertekenen (indien projecteigenaar en projectontwikkelaar verschillende partijen zijn waarbij enkel de projectontwikkelaar contractpartij zal zijn van de Vlaamse overheid)
Bijlage 5) een verklaring op erewoord in verband met de betaling van RSZ en van (in) directe belastingen door de Projectontwikkelaar en Projecteigenaar;
Bijlage 6) de meest recente jaarrekening(en) en balans van de Projectontwikkelaar en Projecteigenaar;
Bijlage 7) interesseverklaring(en) voor de gezamenlijke uitvoering van een Project onder de Oproep van Projectontwikkelaar en Projecteigenaar.
Bijlage 8) referenties die de ervaring van de Projectontwikkelaar met de projectactiviteit aantonen;
Bijlage 9) documenten welke aangeven in welke mate het Project al de goedkeuring heeft van het Gastland;
Bijlage 10) documenten welke de financieringsbronnen van het Project aangeven en een rentabiliteitsanalyse van het Project tonen.
Bijlage 11) Verklaring op eer van de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar dat hij in de afgelopen 3 jaar niet meer dan 100.000 euro overheidssteun heeft ontvangen in het kader van de Europese de minimis' regeling.
2.2. In geval van tegenstrijdigheid tussen de bepalingen van deze Optieovereenkomst en een van deze Bijlagen, prevaleert het bepaalde in deze Optieovereenkomst.
2.3 In geval van tegenstrijdigheid tussen deze Bijlagen, prevaleert de Bijlage met het laagste nummer.
3. Optierecht
3.1 De Projectontwikkelaar en/of Projecteigenaar verleent hierbij en Het Vlaamse Gewest verkrijgt hierbij een onherroepelijk en exclusief recht om, binnen een termijn van negen maanden na datum van ondertekening van deze Optieovereenkomst door beide Partijen, alle Emissiekredieten te kopen, welke resulteren uit het Project.
3.2 De Projectontwikkelaar en/of Projecteigenaar verplicht zich om, binnen een termijn van zes maanden na datum van ondertekening van deze Optieovereenkomst door beide Partijen, alle gegevens en documentatie benodigd voor de definitieve beoordeling van het Project door Het Vlaamse Gewest, zoals vermeld in de Referentietermen, in te dienen bij Het Vlaams Gewest :
3.3 Indien Het Vlaamse Gewest na de definitieve beoordeling van het Project van het hiervoor bedoelde optierecht (al dan niet ten dele) gebruik wenst te maken, zal zij de Projectontwikkelaar en/of Projecteigenaar hierover, binnen de voornoemde termijn van negen maanden na datum van ondertekening van deze Optieovereenkomst door beide Partijen, schriftelijk en aangetekend berichten.
3.4 Met betrekking tot de uit hoofde van de hiervoor bedoelde optie eventueel voortvloeiende koopovereenkomst zullen de navolgende voorwaarden van toepassing zijn :
- voor de Emissiekredieten welke krachtens de PCN onder het Project zullen worden gerealiseerd geldt ten hoogste de prijs zoals vermeld in deze PCN, zijnde Euro (PRIJS) per (EENHEID);
- de voorwaarden zoals opgenomen in de standaard ERAO (Bijlage 3 van deze Optieovereenkomst).
4. Informatie
4.1 De Projectontwikkelaar en/of Projecteigenaar verklaart aan Het Vlaamse Gewest te hebben verschaft en Het Vlaamse Gewest verklaart ter eerste evaluatie van het Project te hebben ontvangen van de gegevens en documenten als opgenomen in Bijlage 3 t/m 9 van deze Optieovereenkomst, welke ten grondslag liggen aan de eerste beoordeling van het Project en de totstandkoming van deze Optieovereenkomst.
4.2 De Projectontwikkelaar en/of Projecteigenaar zal zich bij de uitvoering van deze Optieovereenkomst en de nadere ontwikkeling en realisatie van het Project naar beste vermogen inspannen en de juistheid en geschiktheid van de aan Het Vlaamse Gewest te verschaffen informatie bevorderen en onverwijld enige fout die haar daarin ter kennis is gekomen herstellen.
5. Aansprakelijkheid
5.1Het Vlaamse Gewest is nimmer aansprakelijk voor de door de Projectontwikkelaar en/of haar projectpartnersgemaakte kosten, geleden (in-)directe schade, verlies en/of gederfde winst betrekking hebbend op de uitvoering van deze Optieovereenkomst. Zonder gehouden te zijn tot enige vorm van vergoeding is Het Vlaamse Gewest dan ook gerechtigd haar optierecht zoals bedoeld in artikel 3.1 van deze Optieovereenkomst om haar motiverende redenen niet uit te oefenen.
6. Overige bepalingen
6.1 Deze Optieovereenkomst bevat de volledige overeenkomst tussen Partijen met betrekking tot de nadere ontwikkeling en realisatie van het Project en het optierecht als bedoeld in artikel 3.1 en treedt in de plaats van alle voorafgaande of samenvallende mondelinge of schriftelijke overeenkomsten, behalve voorzover in deze Optieovereenkomst anders uitdrukkelijk is vermeld.
6.2 Indien enige bepaling in deze Optieovereenkomst naar het oordeel van de bevoegde rechter of instantie nietig, onverbindend, ongeldig of onuitvoerbaar is, zullen de overige bepalingen van de Optieovereenkomst volledig van kracht blijven. Partijen zullen dan trachten tot overeenstemming te komen over een alternatieve bepaling, die qua doel en strekking zo min mogelijk afwijkt van de betreffende bepaling.
6.3 De Projectontwikkelaar en/of Projecteigenaar kan haar rechten en/of verplichtingen krachtens deze Optieovereenkomst slechts geheel of gedeeltelijk overdragen na voorafgaande schriftelijke toestemming van Het Vlaamse Gewest.
7. Geheimhouding
(In overleg kan desgewenst een geheimhoudingsbepaling worden opgenomen.)
8. Duur
8.1 Deze Optieovereenkomst treedt in werking op de datum van ondertekening door Partijen en eindigt van rechtswege (zonder voorafgaande opzegging) :
a) indien Het Vlaamse Gewest het onder artikel 3.1. van deze Optieovereenkomst geldende optierecht niet uitoefent :
onmiddellijk na het verstrijken van de termijn van negen maanden, zoals bedoeld in dit artikel 3.1 van deze Optieovereenkomst; of
b) indien het Vlaamse Gewest middels schriftelijke en aangetekende kennisgeving krachtens artikel 3.3 van deze Optieovereenkomst heeft aangegeven gebruik te maken van haar optierecht :
terstond na ondertekening van de betreffende ERAO door Partijen.
9. Geschillenbeslechting en toepasselijk recht
Deze Overeenkomst en alle rechten en plichten van partijen worden geregeerd door en uitgelegd overeenkomstig het Belgisch Recht. Partijen zullen als gevolg van deze Overeenkomst ontstane geschillen dan wel geschillen voortvloeiende uit nadere overeenkomsten die daarvan het gevolg mochten zijn voorleggen aan de bevoegde rechter te Brussel.
Aldus overeengekomen en in drievoud opgemaakt en ondertekend te Brussel, op (DATUM)
NAMENS HET VLAAMS GEWEST,
(NAAM)
(FUNCTIE)
(NAAM VAN PROJECTONTWIKKELAAR)
(NAAM)
(FUNCTIE)
EN/OF
(NAAM VAN PROJECTEIGENAAR)
(NAAM)
(FUNCTIE)
Bijlagen :
Bijlage 1) Referentietermen voor indieners van CDM- en JI-projecten in het kader van een oproep van het Vlaams gewest gericht op de aankoop van emissiekredieten van projectontwikkelaars en/of projecteigenaars (inclusief verklarende woordenlijst, stappenplan en alle bijbehorende bijlagen);
Bijlage 2) de standaard EmissieReductiesAankoopOvereenkomst van toepassing op de koop van EmissieReducties door Het Vlaamse Gewest;
Bijlage 3) de ProjectConceptNota zoals ingediend door de Projectontwikkelaar;
Bijlage 4) een schriftelijke overeenkomst tussen projecteigenaar en projectontwikkelaar waarin de eigendom van de Emissiekredieten, welke resulteren uit het project door de projecteigenaar onvoorwaardelijk en onbezwaard wordt overgedragen aan de projectontwikkelaar en een onherroepelijke en onvoorwaardelijke schriftelijke volmacht tussen de projectontwikkelaar en de projecteigenaar dat aantoont dat de projectontwikkelaar ter zake bevoegd is de projecteigenaar te vertegenwoordigen en het contract te ondertekenen (indien projecteigenaar en projectontwikkelaar verschillende partijen zijn waarbij enkel de projectontwikkelaar contractpartij zal zijn van de Vlaamse overheid)
Bijlage 5) een verklaring op erewoord in verband met de betaling van RSZ en van (in) directe belastingen door de Projectontwikkelaar en Projecteigenaar;
Bijlage 6) de meest recente jaarrekening en balans van de Projectontwikkelaar en Projecteigenaar;
Bijlage 7) interesseverklaring(en) voor de gezamenlijke uitvoering van een Project onder de Oproep van de Projectontwikkelaar en Projecteigenaar.
Bijlage 8) referenties die de ervaring van de Projectontwikkelaar met de projectactiviteit aantonen;
Bijlage 9) documenten welke aangeven in welke mate het Project al de goedkeuring heeft van het Gastland;
Bijlage 10) documenten welke de financieringsbronnen van het Project aangeven en een rendabiliteitsanalyse van het Project tonen.
Bijlage 11) Verklaring op eer van de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar dat hij in de afgelopen 3 jaar niet meer dan 100.000 euro overheidssteun heeft ontvangen in het kader van de Europese de minimis' regeling.
tussen
Het Vlaamse Gewest
en
(PROJECTONTWIKKELAAR)
en/of
(PROJECTEIGENAAR)
PARTIJEN :
(1) (NAAM VAN PROJECTONTWIKKELAAR), statutair gevestigd te (VESTIGINGSPLAATS), met kantooradres (KANTOORADRES), te dezer zake rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer / Mevr. (NAAM), (FUNCTIE) hierna te noemen : "PROJECTONTWIKKELAAR ";
en/of
(2) (NAAM VAN PROJECTEIGENAAR), statutair gevestigd te (VESTIGINGSPLAATS), met kantooradres (KANTOORADRES), te dezer zake rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer / Mevr. (NAAM), (FUNCTIE) hierna te noemen : "PROJECTEIGENAAR ";
en
(3) Het Vlaamse Gewest, te dezer zake vertegenwoordigd door en handelend via het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, (Administratie), te dezer zake rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer/ Mevr. (NAAM), (FUNCTIE), hierna te noemen : 'Het Vlaamse Gewest';
hierna individueel aan te duiden als 'Partij' en gezamenlijk als 'Partijen';
Onder verwijzing naar de Project Concept Nota ('PCN') en bijbehorende documentatie ingediend door de Projectontwikkelaar en/of Projecteigenaar bij Het Vlaamse Gewest met referentie (DATUM) onder de op (DATUM) door Het Vlaamse Gewest gepubliceerde oproep om projectvoorstellen in te dienen voor de implementatie van JI- en CDM-projecten (hierna te noemen :
'de Oproep'), hierna aangeduid als : 'het Project', hebben Partijen overeenstemming bereikt over de voorwaarden van een optieovereenkomst, waarbij Het Vlaamse Gewest een koopoptie verkrijgt op de Emissiekredieten welke resulteren uit het Project;
IN AANMERKING NEMENDE DAT :
- België heeft het Kyotoprotocol geratificeerd en is tezamen met haar Gewesten thans actief om te voldoen aan de vereisten gesteld aan Kyotoprotocol artikel 6 en 12 projecten, welke voortvloeien uit de Marrakesh akkoorden (UNFCCC/CoP7);
- Het Vlaamse Gewest heeft in dat kader de Oproep geplaatst, waarop de door haar opgestelde Referentietermen en bijbehorende bijlagen van overeenkomstige toepassing zijn;
- de Projectontwikkelaar en/of Projecteigenaar heeft middels de indiening van een PCN en bijbehorende documentatie onder deze Oproep aangegeven het Project te willen ontwikkelen en uit te voeren teneinde Emissiereducties te realiseren;
- de Projectontwikkelaar en/of Projecteigenaar heeft zich daarmee bereid verklaard de uit het Project voortvloeiende Emissiekredieten aan Het Vlaamse Gewest te willen verkopen;
- Het Vlaamse Gewest heeft recentelijk het door de Projectontwikkelaar en/of Projecteigenaar ingediende Project ten eerste male positief geëvalueerd en wenst de Projectontwikkelaar en/of Projecteigenaar thans in de gelegenheid te stellen het Project nader te ontwikkelen en realiseren;
- Partijen zijn daarbij op voorhand overeengekomen dat Het Vlaamse Gewest onder de in deze optieovereenkomst en bijbehorende bijlagen gestelde voorwaarden (hierna te noemen : 'de Optieovereenkomst') een optierecht verkrijgt ter zake van de koop van de Emissiekredieten voortvloeiende uit het Project.
KOMEN ALS VOLGT OVEREEN :
1. Definities :
Behoudens indien de context van deze Optieovereenkomst anders aangeeft, hebben de met een hoofdletter aangeduide woorden de betekenis zoals vermeld in de verklarende woordenlijst welke is opgenomen in de Referentietermen (Bijlage 1 van deze Optieovereenkomst).
2. Bijlagen
2.1 Alle in deze Optieovereenkomst genoemde en/of aan deze Optieovereenkomst gehechte bijlagen vormen een integraal onderdeel van deze Optieovereenkomst. De volgende documenten zullen als bijlage bij dit contract worden gevoegd :
Bijlage 1) Referentietermen (inclusief verklarende woordenlijst, stappenplan en alle bijbehorende bijlagen), hierna te noemen : 'de Referentietermen';
Bijlage 2) de standaard Emissie Reductie Aankoop Overeenkomst van toepassing op de koop van Emissiekredieten door Het Vlaamse Gewest, hierna te noemen : 'ERAO';
Bijlage 3) de Project Concept Nota zoals ingediend door de Projectontwikkelaar (REFERENTIE EN DATUM VAN HET VOORSTEL);
Bijlage 4) een schriftelijke overeenkomst tussen projecteigenaar en projectontwikkelaar waarin de eigendom van de Emissiekredieten, welke resulteren uit het project door de projecteigenaar onvoorwaardelijk en onbezwaard wordt overgedragen aan de projectontwikkelaar en een onherroepelijke en onvoorwaardelijke schriftelijke volmacht tussen de projectontwikkelaar en de projecteigenaar dat aantoont dat de projectontwikkelaar ter zake bevoegd is de projecteigenaar te vertegenwoordigen en het contract te ondertekenen (indien projecteigenaar en projectontwikkelaar verschillende partijen zijn waarbij enkel de projectontwikkelaar contractpartij zal zijn van de Vlaamse overheid)
Bijlage 5) een verklaring op erewoord in verband met de betaling van RSZ en van (in) directe belastingen door de Projectontwikkelaar en Projecteigenaar;
Bijlage 6) de meest recente jaarrekening(en) en balans van de Projectontwikkelaar en Projecteigenaar;
Bijlage 7) interesseverklaring(en) voor de gezamenlijke uitvoering van een Project onder de Oproep van Projectontwikkelaar en Projecteigenaar.
Bijlage 8) referenties die de ervaring van de Projectontwikkelaar met de projectactiviteit aantonen;
Bijlage 9) documenten welke aangeven in welke mate het Project al de goedkeuring heeft van het Gastland;
Bijlage 10) documenten welke de financieringsbronnen van het Project aangeven en een rentabiliteitsanalyse van het Project tonen.
Bijlage 11) Verklaring op eer van de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar dat hij in de afgelopen 3 jaar niet meer dan 100.000 euro overheidssteun heeft ontvangen in het kader van de Europese de minimis' regeling.
2.2. In geval van tegenstrijdigheid tussen de bepalingen van deze Optieovereenkomst en een van deze Bijlagen, prevaleert het bepaalde in deze Optieovereenkomst.
2.3 In geval van tegenstrijdigheid tussen deze Bijlagen, prevaleert de Bijlage met het laagste nummer.
3. Optierecht
3.1 De Projectontwikkelaar en/of Projecteigenaar verleent hierbij en Het Vlaamse Gewest verkrijgt hierbij een onherroepelijk en exclusief recht om, binnen een termijn van negen maanden na datum van ondertekening van deze Optieovereenkomst door beide Partijen, alle Emissiekredieten te kopen, welke resulteren uit het Project.
3.2 De Projectontwikkelaar en/of Projecteigenaar verplicht zich om, binnen een termijn van zes maanden na datum van ondertekening van deze Optieovereenkomst door beide Partijen, alle gegevens en documentatie benodigd voor de definitieve beoordeling van het Project door Het Vlaamse Gewest, zoals vermeld in de Referentietermen, in te dienen bij Het Vlaams Gewest :
3.3 Indien Het Vlaamse Gewest na de definitieve beoordeling van het Project van het hiervoor bedoelde optierecht (al dan niet ten dele) gebruik wenst te maken, zal zij de Projectontwikkelaar en/of Projecteigenaar hierover, binnen de voornoemde termijn van negen maanden na datum van ondertekening van deze Optieovereenkomst door beide Partijen, schriftelijk en aangetekend berichten.
3.4 Met betrekking tot de uit hoofde van de hiervoor bedoelde optie eventueel voortvloeiende koopovereenkomst zullen de navolgende voorwaarden van toepassing zijn :
- voor de Emissiekredieten welke krachtens de PCN onder het Project zullen worden gerealiseerd geldt ten hoogste de prijs zoals vermeld in deze PCN, zijnde Euro (PRIJS) per (EENHEID);
- de voorwaarden zoals opgenomen in de standaard ERAO (Bijlage 3 van deze Optieovereenkomst).
4. Informatie
4.1 De Projectontwikkelaar en/of Projecteigenaar verklaart aan Het Vlaamse Gewest te hebben verschaft en Het Vlaamse Gewest verklaart ter eerste evaluatie van het Project te hebben ontvangen van de gegevens en documenten als opgenomen in Bijlage 3 t/m 9 van deze Optieovereenkomst, welke ten grondslag liggen aan de eerste beoordeling van het Project en de totstandkoming van deze Optieovereenkomst.
4.2 De Projectontwikkelaar en/of Projecteigenaar zal zich bij de uitvoering van deze Optieovereenkomst en de nadere ontwikkeling en realisatie van het Project naar beste vermogen inspannen en de juistheid en geschiktheid van de aan Het Vlaamse Gewest te verschaffen informatie bevorderen en onverwijld enige fout die haar daarin ter kennis is gekomen herstellen.
5. Aansprakelijkheid
5.1Het Vlaamse Gewest is nimmer aansprakelijk voor de door de Projectontwikkelaar en/of haar projectpartnersgemaakte kosten, geleden (in-)directe schade, verlies en/of gederfde winst betrekking hebbend op de uitvoering van deze Optieovereenkomst. Zonder gehouden te zijn tot enige vorm van vergoeding is Het Vlaamse Gewest dan ook gerechtigd haar optierecht zoals bedoeld in artikel 3.1 van deze Optieovereenkomst om haar motiverende redenen niet uit te oefenen.
6. Overige bepalingen
6.1 Deze Optieovereenkomst bevat de volledige overeenkomst tussen Partijen met betrekking tot de nadere ontwikkeling en realisatie van het Project en het optierecht als bedoeld in artikel 3.1 en treedt in de plaats van alle voorafgaande of samenvallende mondelinge of schriftelijke overeenkomsten, behalve voorzover in deze Optieovereenkomst anders uitdrukkelijk is vermeld.
6.2 Indien enige bepaling in deze Optieovereenkomst naar het oordeel van de bevoegde rechter of instantie nietig, onverbindend, ongeldig of onuitvoerbaar is, zullen de overige bepalingen van de Optieovereenkomst volledig van kracht blijven. Partijen zullen dan trachten tot overeenstemming te komen over een alternatieve bepaling, die qua doel en strekking zo min mogelijk afwijkt van de betreffende bepaling.
6.3 De Projectontwikkelaar en/of Projecteigenaar kan haar rechten en/of verplichtingen krachtens deze Optieovereenkomst slechts geheel of gedeeltelijk overdragen na voorafgaande schriftelijke toestemming van Het Vlaamse Gewest.
7. Geheimhouding
(In overleg kan desgewenst een geheimhoudingsbepaling worden opgenomen.)
8. Duur
8.1 Deze Optieovereenkomst treedt in werking op de datum van ondertekening door Partijen en eindigt van rechtswege (zonder voorafgaande opzegging) :
a) indien Het Vlaamse Gewest het onder artikel 3.1. van deze Optieovereenkomst geldende optierecht niet uitoefent :
onmiddellijk na het verstrijken van de termijn van negen maanden, zoals bedoeld in dit artikel 3.1 van deze Optieovereenkomst; of
b) indien het Vlaamse Gewest middels schriftelijke en aangetekende kennisgeving krachtens artikel 3.3 van deze Optieovereenkomst heeft aangegeven gebruik te maken van haar optierecht :
terstond na ondertekening van de betreffende ERAO door Partijen.
9. Geschillenbeslechting en toepasselijk recht
Deze Overeenkomst en alle rechten en plichten van partijen worden geregeerd door en uitgelegd overeenkomstig het Belgisch Recht. Partijen zullen als gevolg van deze Overeenkomst ontstane geschillen dan wel geschillen voortvloeiende uit nadere overeenkomsten die daarvan het gevolg mochten zijn voorleggen aan de bevoegde rechter te Brussel.
Aldus overeengekomen en in drievoud opgemaakt en ondertekend te Brussel, op (DATUM)
NAMENS HET VLAAMS GEWEST,
(NAAM)
(FUNCTIE)
(NAAM VAN PROJECTONTWIKKELAAR)
(NAAM)
(FUNCTIE)
EN/OF
(NAAM VAN PROJECTEIGENAAR)
(NAAM)
(FUNCTIE)
Bijlagen :
Bijlage 1) Referentietermen voor indieners van CDM- en JI-projecten in het kader van een oproep van het Vlaams gewest gericht op de aankoop van emissiekredieten van projectontwikkelaars en/of projecteigenaars (inclusief verklarende woordenlijst, stappenplan en alle bijbehorende bijlagen);
Bijlage 2) de standaard EmissieReductiesAankoopOvereenkomst van toepassing op de koop van EmissieReducties door Het Vlaamse Gewest;
Bijlage 3) de ProjectConceptNota zoals ingediend door de Projectontwikkelaar;
Bijlage 4) een schriftelijke overeenkomst tussen projecteigenaar en projectontwikkelaar waarin de eigendom van de Emissiekredieten, welke resulteren uit het project door de projecteigenaar onvoorwaardelijk en onbezwaard wordt overgedragen aan de projectontwikkelaar en een onherroepelijke en onvoorwaardelijke schriftelijke volmacht tussen de projectontwikkelaar en de projecteigenaar dat aantoont dat de projectontwikkelaar ter zake bevoegd is de projecteigenaar te vertegenwoordigen en het contract te ondertekenen (indien projecteigenaar en projectontwikkelaar verschillende partijen zijn waarbij enkel de projectontwikkelaar contractpartij zal zijn van de Vlaamse overheid)
Bijlage 5) een verklaring op erewoord in verband met de betaling van RSZ en van (in) directe belastingen door de Projectontwikkelaar en Projecteigenaar;
Bijlage 6) de meest recente jaarrekening en balans van de Projectontwikkelaar en Projecteigenaar;
Bijlage 7) interesseverklaring(en) voor de gezamenlijke uitvoering van een Project onder de Oproep van de Projectontwikkelaar en Projecteigenaar.
Bijlage 8) referenties die de ervaring van de Projectontwikkelaar met de projectactiviteit aantonen;
Bijlage 9) documenten welke aangeven in welke mate het Project al de goedkeuring heeft van het Gastland;
Bijlage 10) documenten welke de financieringsbronnen van het Project aangeven en een rendabiliteitsanalyse van het Project tonen.
Bijlage 11) Verklaring op eer van de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar dat hij in de afgelopen 3 jaar niet meer dan 100.000 euro overheidssteun heeft ontvangen in het kader van de Europese de minimis' regeling.
-
Art. N8. Bijlage 8. Verklarende Woordenlijst
-
AA Assigned Amount of Toegewezen Hoeveelheid. Het zijn
de gekwantificeerde verbintenissen van de Partijen
inzake nationale broeikasgasemissies opgenomen in
Artikel 17 van het Kyotoprotocol. Elk land, vermeld
in bijlage B van het Protocol, wordt immers een
hoeveelheid broeikasgasemissies toegekend,
uitgedrukt in koolstofdioxide-equivalenten, die in
de eerste verbintenissenperiode 2008-2012 niet
overschreden mag worden.
AAU Assigned Amount Unit. Dit is de terminologie
gebruikt voor een toegekende verhandelbare
kwantiteitseenheid voor de in Annex A van het
Kyotoprotocol vermelde zes broeikasgassen, welke
kunnen worden overgedragen krachtens artikel 17 van
het Kyotoprotocol.
Adaptatiefonds Fonds voor de financiering van concrete
adaptatieprojecten van ontwikkelingslanden. Dit
fonds werd gecreeerd in het kader van het
Bonn-akkoord.
Andere projectpartner rechtspersoon welke op verbindende wijze in het
project deelneemt, een essentiele rol speelt bij
het welslagen van het JI/CDM-project, en daartoe
met de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar
een overeenkomst heeft getekend en in het project
niet kan aangeduid worden als projectontwikkelaar,
projecteigenaar, mede-investeerder of
onderaannemer.
Toelichting : Andere projectpartners kunnen
bijvoorbeeld zijn : een projectadviseur, een
afnemer van elektriciteit of andere producten,
eigenaar van het terrein waarop het project wordt
geimplementeerd enzovoorts.
Annex 1-landen Geindustrialiseerde landen en landen met een
overgangseconomie (36) opgelijst in annex 1 van het
UNFCCC.
Annex B-landen Geindustrialiseerde landen en landen met een
overgangseconomie (39) opgelijst in annex B van het
Kyotoprotocol. Deze landen hebben zich ertoe
verbonden om hun broeikasgasemissies in de periode
2008-2012 te controleren.
BAU (Business as Scenario dat zich zou voordoen in afwezigheid van
Usual)-scenario of het project
referentiescenario
CDM Clean Development Mechanism of Proper
ontwikkelingsmechanisme. Dit mechanisme
(vastgesteld door artikel 12 van het Protocol van
Kyoto) stelt de niet-annex-1-landen
(ontwikkelingslanden) in staat om gecertificeerde
emissiereductie-eenheden (CER's) in de vorm van
emissiekredieten over te dragen aan annex-1-landen,
die in deze landen
broeikasgasemissiereductieprojecten hebben
gefinancierd.
CDM EB Clean Development Mechanism Executive Board. Deze
superviseert de ontwikkeling van CDM-projecten
onder toezicht van de CoP. Werkt de procedures en
modaliteiten voor CDM verder uit.
CER Gecertificeerde emissiereductie
Dit is de terminologie die gebruikt wordt voor de
emissiekredieten gegenereerd via CDM
Certificatie de schriftelijke bevestiging door een operationele
entiteit dat het project binnen een bepaald
tijdsinterval de geverifieerde
broeikasgasemissiereducties heeft gerealiseerd in
overeenstemming met alle relevante randvoorwaarden.
Conceptnota Geresumeerde projectinformatie, die aan de basis
ligt van de preselectie van projecten
CoP Conference of Parties. Conferentie der Partijen.
Deze werd ingesteld door het Raamverdrag inzake
Klimaatverandering (artikel 7) als hoogste orgaan
bij dat Verdrag. Zij maakt regelmatig de balans op
over de staat van vordering van het Verdrag en
neemt besluiten die nodig zijn om de effectieve
toepassing ervan te bevorderen.
Determinatie Doorlichting van de projectactiviteit door een
Onafhankelijke entiteit en screening van het
project ten opzichte van de randvoorwaarden voor JI
Emissiekrediet alle (claims op) rechten, eenheden, kredieten of
andere voordelen, welke (kunnen) ontstaan als
gevolg van de door uitvoering van een CDM- of
JI-Project ontstane Emissiereducties, waaronder
zonder limiterend te zijn ERUs en CERs.
Emissiereductie alle gemonitorde emissiereducties van de in Annex A
van het Kyotoprotocol vermelde zes broeikasgassen
(Kooldioxide, Methaan, Distikstofoxyde, onvolledig
gehalogeneerde fluorkoolwaterstoffen,
Perfluorkoolwaterstoffen en Zwavelhexafluoride)
welke resulteren uit een Project.
ERAO EmissieReductieAankoopOvereenkomst. Omvat de
standaardvoorwaarden waaronder het Vlaamse Gewest
Emissiekredieten verwerft van Projectontwikkelaars
en/of projecteigenaars.
ERU Emissiereductie-eenheid
Dit is de terminologie die gebruikt wordt voor de
Emissiekredieten gegenereerd via JI
EUA EU Allowance. De door een EU-lidstaat aan een
gebruiker van een installatie, welke onder de
strekking van de Richtlijn Emissiehandel 2003/87/EC
valt, toegewezen verhandelbare rechten om een ton
CO2-equivalent gedurende een bepaalde periode uit
te stoten.
Flexibiliteits- Deze door het Kyotoprotocol voorziene mechanismen
mechanismen geven aan landen met dwingende begrenzings- of
beperkingsdoelstellingen voor broeikasgassen een
zekere mate van flexibiliteit om die doelstellingen
te bereiken.
Ze stellen deze landen in staat om
samen te werken met andere landen door de
onderlinge uitwisseling van emissierechten (AAU's)
of emissiekredieten (ERU's of CER's). Deze
geografische flexibiliteitsmechanismen maken het
voorwerp uit van artikelen 6, 12 en 17 van het
Kyotoprotocol : de (internationale) handel in
Emissiekredieten, de gezamenlijke uitvoering en het
proper ontwikkelingsmechanisme.
Gastland Land waarin het project wordt uitgevoerd
GWP Global Warming Potential = het
aardopwarmingsvermogen. Deze factor duidt de
potentiele bijdrage aan van 1 ton van een
broeikasgas tot de toename van het
broeikasgaseffect, in vergelijking met 1 ton CO2.
JI Joint implementation of Gezamenlijke uitvoering.
Volgens dit mechanisme, vastgesteld door artikel 6
van het Kyotoprotocol, kan een land van bijlage I
dat een project financiert waardoor de
broeikasgasemissies in een ander ontwikkeld land
worden verminderd, als compensatie voor deze
financiering kredieten krijgen in de vorm van
emissiereductie-eenheden (ERU's). De ERU's worden
opgeteld bij de emissiequota van het investerende
land en afgetrokken van de quota van het Gastland
van het Project. Het land dat het Project
financiert moet dus zijn eigen broeikasgasemissies
in mindere mate verlagen dan zonder die kredieten.
Dit mechanisme mag enkel worden gebruikt als
aanvulling op binnenlandse maatregelen.
Kredietperiode de vastgelegde periode waarin een specifiek Project
Emissiekredieten kan genereren en waarin geen
aanpassingen zullen gebeuren aan de emissies in het
referentiescenario
Marrakeshakkoorden Document dat de beslissingen en acties van de
zevende vergadering van de CoP beschrijft
Mede-investeerder rechtspersoon die financiele verplichtingen aangaat
(MI) met de projectontwikkelaar en/of - projecteigenaar
inzake het project.
Onafhankelijke Een legale entiteit die door de JI Supervisory
entiteit Committee geaccrediteerd is om determinatie en
verificatie van second-track-JI-projecten uit te
voeren
Onderaannemer (OA) Een leverancier van diensten en/of goederen ten
behoeve van het JI/CDM project.
Operationele entiteit Een legale entiteit die door de CDM Executive Board
geaccrediteerd is om validatie, verificatie en
certificatie van CDM-projecten uit te voeren
Opvolgingsplan Plan dat beschrijft hoe de broeikasgasemissies in de
(Monitoring plan) looptijd van het project zullen worden opgevolgd.
Het maakt deel uit van het PDD.
Partij van het Land dat het Kyotoprotocol geratificeerd heeft
Kyotoprotocol
PCN Projectconceptnota. Projectdocumentatie die de
Projectontwikkelaar ter eerste beoordeling dient
voor te leggen aan het Vlaams Gewest.
PDD Project Design Document. Projectdocumentatie die de
Projectontwikkelaar ter validatie/determinatie moet
voorleggen aan de Operationele/Onafhankelijke
entiteit
Project De projectactiviteit zoals omschreven in de PCN en
het PDD.
Projectgebonden Mechanismen voor het verkrijgen van bijkomende
flexibiliteits- emissiekredieten, verbonden aan een Project
mechanismen
Projectgrenzen De grenzen, gesteld voor een bepaald Project,
waarbinnen de effecten en de impact van het Project
op de broeikasgasemissie in rekening wordt gebracht
en gekwantificeerd
Projectontwikkelaar rechtspersoon welke het JI/CDM-project indient,
verantwoordelijk is voor de algehele implementatie
van het JI-of CDM-project en instaat voor de
overdracht van de emissiekredieten naar de Vlaamse
overheid.
Projectpartner een projectpartner is in het algemeen een
organisatie welke op verbindende wijze, middels een
overeenkomst, deelneemt in het project en een
belangrijke rol speelt bij het welslagen van het
JI/CDM-project. Binnen de projectpartners
onderscheiden we de projecteigenaar, de
projectontwikkelaar, de mede-investeerder(s), de
onderaannemers en de andere projectpartners.
Projecteigenaar rechtspersoon die eigenaar is van een project
waaruit de emissiekredieten resulteren. De
projecteigenaar zal (veelal) de eigenaar worden van
de emissiekredieten en derhalve contractpartij zijn
voor de Vlaamse overheid.
Putten Zie sinks
Referentietermen De referentievoorwaarden welke van toepassing zijn
op de betreffende oproep van het Vlaams Gewest om
projectvoorstellen in te dienen voor de
implementatie van JI- en CDM-projecten.
Referentiescenario Het meest waarschijnlijke scenario dat zich zal
voordoen in de afwezigheid van het CDM- of
JI-project
Registratie de formele aanvaarding door de CDM Executive Board
van het project als CDM-activiteit
Sinks Verwijst naar de verwijderingscapaciteit van
broeikasgassen uit menselijke activiteiten
gerelateerd aan bosbouwactiviteiten en aan
bestemming(swijziging) van de bodem
UNFCCC United Nations Framework Convention on Climate
Change of Raamverdrag van de Verenigde Naties
inzake Klimaatverandering. Het verdrag heeft tot
doel de concentraties van broeikasgassen in de
atmosfeer te stabiliseren op een niveau dat iedere
gevaarlijke antropogene verstoring van het klimaat
voorkomt.
Validatie Doorlichting van de projectactiviteit door een
onafhankelijke entiteit en screening van het
Project ten opzichte van de randvoorwaarden voor
CDM
VER (=optioneel) Verified Emission Reduction. Alle (claims op)
rechten, eenheden, kredieten of andere voordelen
welke (kunnen) ontstaan als gevolg van de door
uitvoering van een Project ontstane
Emissiereducties in aanvulling op het van
toepassing zijnde referentiescenario en
geverifieerd door een onafhankelijke entiteit, met
uitsluiting van ERU' s, CERs, RMU's, AAU' s en EUA'
s.
Verbintenissenperiode Periode waarvoor de Annex B landen van het
Kyotoprotocol zijn overeengekomen dat hun
broeikasgasuitstoot de toegewezen hoeveelheid niet
overschrijdt. De eerste verbintenissenperiode is
2008-2012.
Verificatie Periodieke revisie en ex-post bepaling van de
Emissie-reducties die door het Project worden tot
stand gebracht. Dit gebeurt door een Onafhankelijke
entiteit
Weglekeffect De netto verandering van antropogene
broeikasgasemissies die optreedt buiten de
projectgrenzen, die meetbaar of berekenbaar is en
die kan worden toegeschreven aan het Project
de gekwantificeerde verbintenissen van de Partijen
inzake nationale broeikasgasemissies opgenomen in
Artikel 17 van het Kyotoprotocol. Elk land, vermeld
in bijlage B van het Protocol, wordt immers een
hoeveelheid broeikasgasemissies toegekend,
uitgedrukt in koolstofdioxide-equivalenten, die in
de eerste verbintenissenperiode 2008-2012 niet
overschreden mag worden.
AAU Assigned Amount Unit. Dit is de terminologie
gebruikt voor een toegekende verhandelbare
kwantiteitseenheid voor de in Annex A van het
Kyotoprotocol vermelde zes broeikasgassen, welke
kunnen worden overgedragen krachtens artikel 17 van
het Kyotoprotocol.
Adaptatiefonds Fonds voor de financiering van concrete
adaptatieprojecten van ontwikkelingslanden. Dit
fonds werd gecreeerd in het kader van het
Bonn-akkoord.
Andere projectpartner rechtspersoon welke op verbindende wijze in het
project deelneemt, een essentiele rol speelt bij
het welslagen van het JI/CDM-project, en daartoe
met de projectontwikkelaar en/of projecteigenaar
een overeenkomst heeft getekend en in het project
niet kan aangeduid worden als projectontwikkelaar,
projecteigenaar, mede-investeerder of
onderaannemer.
Toelichting : Andere projectpartners kunnen
bijvoorbeeld zijn : een projectadviseur, een
afnemer van elektriciteit of andere producten,
eigenaar van het terrein waarop het project wordt
geimplementeerd enzovoorts.
Annex 1-landen Geindustrialiseerde landen en landen met een
overgangseconomie (36) opgelijst in annex 1 van het
UNFCCC.
Annex B-landen Geindustrialiseerde landen en landen met een
overgangseconomie (39) opgelijst in annex B van het
Kyotoprotocol. Deze landen hebben zich ertoe
verbonden om hun broeikasgasemissies in de periode
2008-2012 te controleren.
BAU (Business as Scenario dat zich zou voordoen in afwezigheid van
Usual)-scenario of het project
referentiescenario
CDM Clean Development Mechanism of Proper
ontwikkelingsmechanisme. Dit mechanisme
(vastgesteld door artikel 12 van het Protocol van
Kyoto) stelt de niet-annex-1-landen
(ontwikkelingslanden) in staat om gecertificeerde
emissiereductie-eenheden (CER's) in de vorm van
emissiekredieten over te dragen aan annex-1-landen,
die in deze landen
broeikasgasemissiereductieprojecten hebben
gefinancierd.
CDM EB Clean Development Mechanism Executive Board. Deze
superviseert de ontwikkeling van CDM-projecten
onder toezicht van de CoP. Werkt de procedures en
modaliteiten voor CDM verder uit.
CER Gecertificeerde emissiereductie
Dit is de terminologie die gebruikt wordt voor de
emissiekredieten gegenereerd via CDM
Certificatie de schriftelijke bevestiging door een operationele
entiteit dat het project binnen een bepaald
tijdsinterval de geverifieerde
broeikasgasemissiereducties heeft gerealiseerd in
overeenstemming met alle relevante randvoorwaarden.
Conceptnota Geresumeerde projectinformatie, die aan de basis
ligt van de preselectie van projecten
CoP Conference of Parties. Conferentie der Partijen.
Deze werd ingesteld door het Raamverdrag inzake
Klimaatverandering (artikel 7) als hoogste orgaan
bij dat Verdrag. Zij maakt regelmatig de balans op
over de staat van vordering van het Verdrag en
neemt besluiten die nodig zijn om de effectieve
toepassing ervan te bevorderen.
Determinatie Doorlichting van de projectactiviteit door een
Onafhankelijke entiteit en screening van het
project ten opzichte van de randvoorwaarden voor JI
Emissiekrediet alle (claims op) rechten, eenheden, kredieten of
andere voordelen, welke (kunnen) ontstaan als
gevolg van de door uitvoering van een CDM- of
JI-Project ontstane Emissiereducties, waaronder
zonder limiterend te zijn ERUs en CERs.
Emissiereductie alle gemonitorde emissiereducties van de in Annex A
van het Kyotoprotocol vermelde zes broeikasgassen
(Kooldioxide, Methaan, Distikstofoxyde, onvolledig
gehalogeneerde fluorkoolwaterstoffen,
Perfluorkoolwaterstoffen en Zwavelhexafluoride)
welke resulteren uit een Project.
ERAO EmissieReductieAankoopOvereenkomst. Omvat de
standaardvoorwaarden waaronder het Vlaamse Gewest
Emissiekredieten verwerft van Projectontwikkelaars
en/of projecteigenaars.
ERU Emissiereductie-eenheid
Dit is de terminologie die gebruikt wordt voor de
Emissiekredieten gegenereerd via JI
EUA EU Allowance. De door een EU-lidstaat aan een
gebruiker van een installatie, welke onder de
strekking van de Richtlijn Emissiehandel 2003/87/EC
valt, toegewezen verhandelbare rechten om een ton
CO2-equivalent gedurende een bepaalde periode uit
te stoten.
Flexibiliteits- Deze door het Kyotoprotocol voorziene mechanismen
mechanismen geven aan landen met dwingende begrenzings- of
beperkingsdoelstellingen voor broeikasgassen een
zekere mate van flexibiliteit om die doelstellingen
te bereiken.
Ze stellen deze landen in staat om
samen te werken met andere landen door de
onderlinge uitwisseling van emissierechten (AAU's)
of emissiekredieten (ERU's of CER's). Deze
geografische flexibiliteitsmechanismen maken het
voorwerp uit van artikelen 6, 12 en 17 van het
Kyotoprotocol : de (internationale) handel in
Emissiekredieten, de gezamenlijke uitvoering en het
proper ontwikkelingsmechanisme.
Gastland Land waarin het project wordt uitgevoerd
GWP Global Warming Potential = het
aardopwarmingsvermogen. Deze factor duidt de
potentiele bijdrage aan van 1 ton van een
broeikasgas tot de toename van het
broeikasgaseffect, in vergelijking met 1 ton CO2.
JI Joint implementation of Gezamenlijke uitvoering.
Volgens dit mechanisme, vastgesteld door artikel 6
van het Kyotoprotocol, kan een land van bijlage I
dat een project financiert waardoor de
broeikasgasemissies in een ander ontwikkeld land
worden verminderd, als compensatie voor deze
financiering kredieten krijgen in de vorm van
emissiereductie-eenheden (ERU's). De ERU's worden
opgeteld bij de emissiequota van het investerende
land en afgetrokken van de quota van het Gastland
van het Project. Het land dat het Project
financiert moet dus zijn eigen broeikasgasemissies
in mindere mate verlagen dan zonder die kredieten.
Dit mechanisme mag enkel worden gebruikt als
aanvulling op binnenlandse maatregelen.
Kredietperiode de vastgelegde periode waarin een specifiek Project
Emissiekredieten kan genereren en waarin geen
aanpassingen zullen gebeuren aan de emissies in het
referentiescenario
Marrakeshakkoorden Document dat de beslissingen en acties van de
zevende vergadering van de CoP beschrijft
Mede-investeerder rechtspersoon die financiele verplichtingen aangaat
(MI) met de projectontwikkelaar en/of - projecteigenaar
inzake het project.
Onafhankelijke Een legale entiteit die door de JI Supervisory
entiteit Committee geaccrediteerd is om determinatie en
verificatie van second-track-JI-projecten uit te
voeren
Onderaannemer (OA) Een leverancier van diensten en/of goederen ten
behoeve van het JI/CDM project.
Operationele entiteit Een legale entiteit die door de CDM Executive Board
geaccrediteerd is om validatie, verificatie en
certificatie van CDM-projecten uit te voeren
Opvolgingsplan Plan dat beschrijft hoe de broeikasgasemissies in de
(Monitoring plan) looptijd van het project zullen worden opgevolgd.
Het maakt deel uit van het PDD.
Partij van het Land dat het Kyotoprotocol geratificeerd heeft
Kyotoprotocol
PCN Projectconceptnota. Projectdocumentatie die de
Projectontwikkelaar ter eerste beoordeling dient
voor te leggen aan het Vlaams Gewest.
PDD Project Design Document. Projectdocumentatie die de
Projectontwikkelaar ter validatie/determinatie moet
voorleggen aan de Operationele/Onafhankelijke
entiteit
Project De projectactiviteit zoals omschreven in de PCN en
het PDD.
Projectgebonden Mechanismen voor het verkrijgen van bijkomende
flexibiliteits- emissiekredieten, verbonden aan een Project
mechanismen
Projectgrenzen De grenzen, gesteld voor een bepaald Project,
waarbinnen de effecten en de impact van het Project
op de broeikasgasemissie in rekening wordt gebracht
en gekwantificeerd
Projectontwikkelaar rechtspersoon welke het JI/CDM-project indient,
verantwoordelijk is voor de algehele implementatie
van het JI-of CDM-project en instaat voor de
overdracht van de emissiekredieten naar de Vlaamse
overheid.
Projectpartner een projectpartner is in het algemeen een
organisatie welke op verbindende wijze, middels een
overeenkomst, deelneemt in het project en een
belangrijke rol speelt bij het welslagen van het
JI/CDM-project. Binnen de projectpartners
onderscheiden we de projecteigenaar, de
projectontwikkelaar, de mede-investeerder(s), de
onderaannemers en de andere projectpartners.
Projecteigenaar rechtspersoon die eigenaar is van een project
waaruit de emissiekredieten resulteren. De
projecteigenaar zal (veelal) de eigenaar worden van
de emissiekredieten en derhalve contractpartij zijn
voor de Vlaamse overheid.
Putten Zie sinks
Referentietermen De referentievoorwaarden welke van toepassing zijn
op de betreffende oproep van het Vlaams Gewest om
projectvoorstellen in te dienen voor de
implementatie van JI- en CDM-projecten.
Referentiescenario Het meest waarschijnlijke scenario dat zich zal
voordoen in de afwezigheid van het CDM- of
JI-project
Registratie de formele aanvaarding door de CDM Executive Board
van het project als CDM-activiteit
Sinks Verwijst naar de verwijderingscapaciteit van
broeikasgassen uit menselijke activiteiten
gerelateerd aan bosbouwactiviteiten en aan
bestemming(swijziging) van de bodem
UNFCCC United Nations Framework Convention on Climate
Change of Raamverdrag van de Verenigde Naties
inzake Klimaatverandering. Het verdrag heeft tot
doel de concentraties van broeikasgassen in de
atmosfeer te stabiliseren op een niveau dat iedere
gevaarlijke antropogene verstoring van het klimaat
voorkomt.
Validatie Doorlichting van de projectactiviteit door een
onafhankelijke entiteit en screening van het
Project ten opzichte van de randvoorwaarden voor
CDM
VER (=optioneel) Verified Emission Reduction. Alle (claims op)
rechten, eenheden, kredieten of andere voordelen
welke (kunnen) ontstaan als gevolg van de door
uitvoering van een Project ontstane
Emissiereducties in aanvulling op het van
toepassing zijnde referentiescenario en
geverifieerd door een onafhankelijke entiteit, met
uitsluiting van ERU' s, CERs, RMU's, AAU' s en EUA'
s.
Verbintenissenperiode Periode waarvoor de Annex B landen van het
Kyotoprotocol zijn overeengekomen dat hun
broeikasgasuitstoot de toegewezen hoeveelheid niet
overschrijdt. De eerste verbintenissenperiode is
2008-2012.
Verificatie Periodieke revisie en ex-post bepaling van de
Emissie-reducties die door het Project worden tot
stand gebracht. Dit gebeurt door een Onafhankelijke
entiteit
Weglekeffect De netto verandering van antropogene
broeikasgasemissies die optreedt buiten de
projectgrenzen, die meetbaar of berekenbaar is en
die kan worden toegeschreven aan het Project
-