Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
21 NOVEMBER 2005. - Koninklijk besluit over het aanvullend groepstoezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen, [herverzekeringsondernemingen,] beleggingsondernemingen en beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging in een financiële dienstengroep, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende het algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen en het koninklijk besluit van 12 augustus 1994 over het toezicht op geconsolideerde basis op kredietinstellingen. <KB2009-09-27/17, art. 27, 005; Inwerkingtreding : 25-10-2009> (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-11-2005 en tekstbijwerking tot 19-11-2013)
Titre
21 NOVEMBRE 2005. - Arrêté royal organisant la surveillance complémentaire des établissements de crédit, des entreprises d'assurances, [des entreprises de réassurance,] des entreprises d'investissement et des sociétés de gestion d'organismes de placement collectif, faisant partie d'un groupe de services financiers, et modifiant l'arrêté royal du 22 février 1991 portant règlement général relatif au contrôle des entreprises d'assurances et l'arrêté royal du 12 août 1994 relatif au contrôle sur base consolidée des établissements de crédit. <AR2009-09-27/17, art. 27, 005; En vigueur : 25-10-2009> (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-11-2005 et mise à jour au 19-11-2013)
Documentinformatie
Numac: 2005003820
Datum: 2005-11-21
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2005003820
Date: 2005-11-21
Moniteur: Voir
Tekst (70)
Texte (70)
TITEL I. - Aanvullend groepstoezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen, [1 herverzekeringsondernemingen,]1 beleggingsondernemingen en beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging in een financiële dienstengroep
TITRE Ier. - La surveillance complementaire des établissements de crédit, des entreprises d'assurances, [1 des entreprises de réassurance,]1 des entreprises d'investissement et des sociétés de gestion d'organismes de placement collectif, faisant partie d'un groupe de services financiers.
HOOFDSTUK I. - Definities.
CHAPITRE Ier. - Définitions.
Identificatie van financiële dienstengroepen
Identification des groupes de services financiers
Definities.
Définitions.
Artikel 1. Voor de toepassing van titel I van dit besluit wordt verstaan onder :
de verzekeringswet : de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;
[2 1°bis " de herverzekeringswet " : de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf;]2
de bankwet : de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen;
de wet op de beleggingsondernemingen : de wet van 6 april 1995 [1 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen]1;
de wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles : [3 de wet van 3 augustus 2012]3 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles;
de sectorale regelgeving : de bankwet, de verzekeringswet, [2 de herverzekeringswet,]2 de wet op de beleggingsondernemingen, de wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, en de in uitvoering van deze wetten genomen besluiten en reglementen, met uitsluiting van de bepalingen inzake het aanvullende groepstoezicht op gereglementeerde ondernemingen in een financiële dienstengroep; de vergelijkbare nationale regelgevingen en toezichtpraktijken in andere landen;
de richtlijn : de Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad;
een gereglementeerde onderneming : een rechtspersoon die hetzij een kredietinstelling is als gedefinieerd in artikel 1, tweede lid, van de bankwet, hetzij een verzekeringsonderneming als gedefinieerd in artikel 91bis, 1° en 2°, van de verzekeringswet, [2 hetzij een herverzekeringsonderneming als gedefinieerd in artikel 82, 3° en 4°, van de wet op het herverzekeringsbedrijf,]2 hetzij een beleggingsonderneming als gedefinieerd in artikel 44 van de wet op de beleggingsondernemingen, hetzij een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging als gedefinieerd [3 in artikel 3, 12° van de wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles]3, en elke andere onderneming opgericht naar buitenlands recht die, indien ze haar maatschappelijke zetel in België zou hebben, een toelating dient te verkrijgen voor de uitoefening van het bedrijf van beleggingsonderneming of beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging;
de financiële sector : de sector die bestaat uit een of meer van de volgende ondernemingen :
a) een gereglementeerde onderneming die een kredietinstelling is, een financiële instelling in de zin van artikel 3, § 1, 5°, van de bankwet, een onderneming die nevendiensten van het bankbedrijf verricht in de zin van artikel 1, punten 5 en 23, van Richtlijn 2000/12/EG van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen; deze ondernemingen behoren tot eenzelfde financiële sector, die de banksector' wordt genoemd;
b) een gereglementeerde onderneming [2 die een verzekerings- of herverzekeringsonderneming is]2, een verzekeringsholding in de zin van artikel 91bis, 9°, van de verzekeringswet; deze ondernemingen behoren tot eenzelfde financiële sector, die de verzekeringssector' wordt genoemd;
c) een gereglementeerde onderneming die een beleggingsonderneming is, een onderneming die nevendiensten verricht in de zin van artikel 46, 2°, van de wet op de beleggingsondernemingen, een financiële instelling in de zin van artikel 46, 7°, van de wet op de beleggingsondernemingen; deze ondernemingen behoren tot eenzelfde financiële sector, die de beleggingsdienstensector' wordt genoemd;
d) een gemengde financiële holding;
onder de kleinste financiële sector in een financiële dienstengroep wordt verstaan, de financiële sector met het kleinste gemiddelde in de zin van artikel 2, § 3, eerste lid, a), en onder de belangrijkste financiële sector in een financiële dienstengroep, de sector met het grootste gemiddelde in de zin van artikel 2, § 3, eerste lid, a);
het sectoraal groepstoezicht : het toezicht op gereglementeerde ondernemingen in uitvoering van artikel 49 van de bankwet, hoofdstuk VIIbis van de verzekeringswet, [2 titel VIII van de herverzekeringswet,]2 artikel 95 van de wet op de beleggingsondernemingen of [3 artikel 241 van de wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles]3, en het toezicht in uitvoering van vergelijkbare nationale regelgevingen en toezichtpraktijken in andere landen;
10° moederonderneming, dochteronderneming, controle, consortium, deelneming, gekwalificeerde deelneming : de begrippen in de zin van de omschrijving die ervan wordt gegeven in de bepalingen over het sectoraal groepstoezicht;
nauwe banden : het begrip in de zin van de omschrijving die ervan wordt gegeven in artikel 2, § 6, 10°bis, van de verzekeringswet, [2 artikel 4, 15°, van de herverzekeringswet,]2 artikel 3, § 1, 1°bis, van de bankwet, artikel 46, 2°bis, van de wet op de beleggingsondernemingen en [3 artikel 3, 33° van de wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles]3;
11° een groep : het geheel van ondernemingen dat gevormd wordt door een moederonderneming, haar dochterondernemingen, de ondernemingen waarin de moederonderneming of haar dochterondernemingen rechtstreeks of onrechtstreeks een deelneming aanhouden, alsook de ondernemingen waarmee een consortium wordt gevormd en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd of waarin deze laatste ondernemingen een deelneming aanhouden;
12° een financiële dienstengroep : een groep die voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) er is in de groep minstens één gereglementeerde onderneming, hetzij aan het hoofd van de groep, hetzij als een dochteronderneming, die een kredietinstelling is, een verzekeringsonderneming [2 , een herverzekeringsonderneming]2 of een beleggingsonderneming;
b) is de onderneming aan het hoofd van de groep een gereglementeerde onderneming, dan is deze hetzij een moederonderneming van een onderneming behorend tot de financiële sector, hetzij een onderneming die rechtstreeks of onrechtstreeks een deelneming aanhoudt in een onderneming behorend tot de financiële sector, dan wel een onderneming die een consortium vormt met een onderneming behorend tot de financiële sector;
c) is de onderneming aan het hoofd van de groep geen gereglementeerde onderneming, dan vinden de activiteiten van de groep in hoofdzaak plaats in de financiële sector;
d) de groep is bedrijvig in de verzekeringssector én in de banksector en/of de beleggingsdienstensector;
e) de activiteiten van de groep in de verzekeringssector en de activiteiten van de groep in de banksector en de beleggingsdienstensector zijn significant in de zin van artikel 2, § 3;
13° een gemengde financiële holding : een moederonderneming, andere dan een gereglementeerde onderneming, aan het hoofd van een financiële dienstengroep;
14° een bevoegde autoriteit : een nationale autoriteit die met toepassing van de sectorale regelgeving belast is met het prudentieel toezicht op gereglementeerde ondernemingen;
15° de relevante bevoegde autoriteiten :
a) de bevoegde autoriteiten uit de lidstaten van de Europese Economische Ruimte die verantwoordelijk zijn voor het sectoraal groepstoezicht op gereglementeerde ondernemingen die deel uitmaken van een financiële dienstengroep;
b) de bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht in de zin van artikel 19, indien deze niet behoort tot de onder a) bedoelde autoriteiten;
c) andere bevoegde autoriteiten, die, naar het oordeel van de onder a) en onder b) bedoelde autoriteiten, relevant zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het aanvullende toezicht m.b.t. een financiële dienstengroep;
16° intragroepverrichtingen : verrichtingen, rechtstreeks of onrechtstreeks, al dan niet tegen betaling, tussen gereglementeerde ondernemingen en andere ondernemingen in een financiële dienstengroep of met die ondernemingen door nauwe banden verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, welke verrichtingen al dan niet betrekking hebben op de uitvoering van een contractuele verplichting;
17° risicoconcentratie : het geheel van de posities ingenomen door ondernemingen in een financiële dienstengroep, die potentieel tot verlies aanleiding kunnen geven en die groot genoeg zijn om de financiële positie in het algemeen en de solvabiliteit in het bijzonder van de gereglementeerde ondernemingen in de financiële dienstengroep in gevaar te brengen, en welke voortvloeien uit tegenpartijrisico/kredietrisico, beleggingsrisico, verzekeringsrisico, marktrisico's, eventuele andere belangrijke risico's, of een combinatie of wisselwerking van deze risico's;
18° de [4 toezichthoudende overheid]4 : [3 de Nationale Bank van België of de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten, al naargelang de gereglementeerde onderneming, respectievelijk, ofwel een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming of een beursvennootschap, ofwel een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, is;]3
19° het Europees Comité voor Financiële Conglomeraten : het Comité ingesteld bij artikel 21 van de richtlijn;
20° de wet van 2 augustus 2002 : de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten.
[3 21° Gemengd Comité : het comité zoals bedoeld in artikel 54 van respectievelijk Verordening nr. 1093/2010, Verordening nr. 1094/2010 en Verordening nr. 1095/2010;
22° Verordening nr. 1093/2010 : Verordening nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de [4 toezichthoudende overheid]4;
23° Verordening nr. 1094/2010 : Verordening nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de [4 toezichthoudende overheid]4;
24° Verordening nr. 1095/2010 : Verordening nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de [4 toezichthoudende overheid]4;
25° Europees Comité voor Systeemrisico's : het Europees Comité voor Systeemrisico's opgericht bij Verordening nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico's;
26° de wet van 22 februari 1998 : de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België.]3

Article 1. Pour l'application du titre Ier du présent arrêté, il y a lieu d'entendre par :
la loi sur les assurances : la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances;
[2 1°bis la loi relative à la réassurance : la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance;]2
la loi bancaire : la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit;
la loi concernant les entreprises d'investissement : la loi du 6 avril 1995 [1 relative au statut et au contrôle des entreprises d'investissement]1;
la loi relative à certaines formes de gestion collective de portefeuilles d'investissement : [5 la loi du 3 août 2012]5 relative à certaines formes de gestion collective de portefeuilles d'investissement;
la réglementation sectorielle : la loi bancaire, la loi sur les assurances, [2 la loi relative à la réassurance,]2 la loi concernant les entreprises d'investissement, la loi relative à certaines formes de gestion collective de portefeuilles d'investissement, ainsi que les arrêtés et règlements pris en exécution de ces lois, à l'exception des dispositions relatives à la surveillance complémentaire des entreprises réglementées faisant partie d'un groupe de services financiers; les réglementations et pratiques de contrôle nationales comparables en vigueur dans d'autres Etats;
la directive : la Directive 2002/87/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 2002 relative à la surveillance complémentaire des établissements de crédit, des entreprises d'assurance et des entreprises d'investissement appartenant à un conglomérat financier, et modifiant les Directives 73/239/CEE, 79/267/CEE, 92/49/CEE, 92/96/CEE, 93/6/CEE et 93/22/CEE du Conseil et les Directives 98/78/CE et 2000/12/CE du Parlement européen et du Conseil;
une entreprise réglementée : une personne morale qui est soit un établissement de crédit tel que défini à l'article 1er, alinéa 2, de la loi bancaire, soit une entreprise d'assurances telle que définie à l'article 91bis, 1° et 2°, de la loi sur les assurances, [2 soit une entreprise de réassurance telle que définie à l'article 82, 3° et 4°, de la loi relative à la réassurance,]2 soit une entreprise d'investissement telle que définie à l'article 44 de la loi concernant les entreprises d'investissement, soit une société de gestion d'organismes de placement collectif telle que définie [5 à l'article 3, 12° de la loi relative à certaines formes de gestion collective de portefeuilles d'investissement]5, et toute autre entreprise constituée selon un droit étranger qui, si elle avait son siège social en Belgique, serait tenue d'obtenir un agrément pour exercer l'activité d'entreprise d'investissement ou de société de gestion d'organismes de placement collectif;
le secteur financier : un secteur composé de l'une ou plusieurs des entreprises suivantes :
a) une entreprise réglementée ayant la qualité d'établissement de crédit, un établissement financier au sens de l'article 3, § 1er, 5°, de la loi bancaire, une entreprise de services bancaires auxiliaires au sens de l'article 1er, points 5 et 23, de la Directive 2000/12/CE du 20 mars 2000 concernant l'accès à l'activité des établissements de crédit et son exercice; ces entreprises font partie du même secteur financier, dénommé secteur bancaire';
b) une entreprise réglementée ayant la qualité d'entreprise d'assurances [2 ou de réassurance]2, une société holding d'assurances au sens de l'article 91bis, 9°, de la loi sur les assurances; ces entreprises font partie du même secteur financier, dénommé secteur des assurances';
c) une entreprise réglementée ayant la qualité d'entreprise d'investissement, une entreprise qui fournit des services auxiliaires au sens de l'article 46, 2°, de la loi concernant les entreprises d'investissement, un établissement financier au sens de l'article 46, 7°, de la loi concernant les entreprises d'investissement; ces entreprises font partie du même secteur financier, dénommé secteur des services d'investissement';
d) une compagnie financière mixte;
le secteur financier le moins important au sein d'un groupe de services financiers s'entend du secteur financier qui présente la moyenne la plus basse au sens de l'article 2, § 3, alinéa 1er, a), et le secteur financier le plus important au sein d'un groupe de services financiers s'entend du secteur qui présente la moyenne la plus élevée au sens de l'article 2, § 3, alinéa 1er, a);
la surveillance sectorielle du groupe : la surveillance exercée sur les entreprises réglementées en application de l'article 49 de la loi bancaire, du chapitre VIIbis de la loi sur les assurances, [2 du titre VIII de la loi relative à la réassurance,]2 de l'article 95 de la loi concernant les entreprises d'investissement ou de [5 l'article 241 de la loi relative à certaines formes de gestion collective de portefeuilles d'investissement]5, ainsi que la surveillance exercée en application de réglementations et de pratiques de contrôle nationales comparables en vigueur dans d'autres Etats;
10° entreprise mère, filiale, contrôle, consortium, participation, participation qualifiée : les notions au sens de la définition qui en est donnée dans les dispositions relatives à la surveillance sectorielle du groupe;
liens étroits : la notion au sens de la définition qui en est donnée à l'article 2, § 6, 10°bis, de la loi sur les assurances, [2 à l'article 4, 15°, de la loi relative à la réassurance,]2 à l'article 3, § 1er, 1°bis, de la loi bancaire, à l'article 46, 2°bis, de la loi concernant les entreprises d'investissement et à [5 l'article 3, 33° de la loi relative à certaines formes de gestion collective de portefeuilles d'investissemen]5;
11° un groupe : un ensemble d'entreprises constitué d'une entreprise mère, de ses filiales, des entreprises dans lesquelles l'entreprise mère ou ses filiales détiennent directement ou indirectement une participation, ainsi que des entreprises avec lesquelles un consortium est formé et des entreprises qui sont contrôlées par ces dernières ou dans lesquelles ces dernières détiennent une participation;
12° un groupe de services financiers : un groupe qui satisfait aux conditions suivantes :
a) le groupe comprend au moins une entreprise réglementée ayant la qualité d'établissement de crédit, d'entreprise d'assurances [2 ou d'entreprise d'investissement]2 ou d'entreprise d'investissement, soit à la tête du groupe, soit en tant que filiale;
b) si l'entreprise à la tête du groupe est une entreprise réglementée, il s'agit soit de l'entreprise mère d'une entreprise appartenant au secteur financier, soit d'une entreprise qui détient directement ou indirectement une participation dans une entreprise appartenant au secteur financier, soit encore d'une entreprise qui forme un consortium avec une entreprise appartenant au secteur financier;
c) si l'entreprise à la tête du groupe n'est pas une entreprise réglementée, les activités du groupe s'exercent principalement dans le secteur financier;
d) le groupe exerce ses activités à la fois dans le secteur des assurances et dans le secteur bancaire et/ou le secteur des services d'investissement;
e) les activités du groupe dans le secteur des assurances et les activités du groupe dans le secteur bancaire et le secteur des services d'investissement sont importantes, au sens de l'article 2, § 3;
13° une compagnie financière mixte : une entreprise mère, autre qu'une entreprise réglementée, qui est à la tête d'un groupe de services financiers;
14° une autorité compétente : une autorité nationale chargée, en application de la réglementation sectorielle, du contrôle prudentiel des entreprises réglementées;
15° les autorités compétentes concernées :
a) les autorités compétentes des Etats membres de l'Espace économique européen, qui sont responsables de la surveillance sectorielle du groupe relative à des entreprises réglementées qui font partie d'un groupe de services financiers;
b) l'autorité compétente chargée de la surveillance complémentaire du groupe au sens de l'article 19, si elle ne fait pas partie des autorités visées au point a);
c) les autres autorités compétentes qui, de l'avis des autorités visées aux points a) et b), sont concernées par la réalisation des objectifs de la surveillance complémentaire d'un groupe de services financiers;
16° opérations intragroupe : les opérations effectuées, directement ou indirectement, à titre onéreux ou non, entre des entreprises réglementées et d'autres entreprises faisant partie du même groupe de services financiers ou des personnes physiques ou morales liées à ces entreprises par des liens étroits, que ces opérations concernent ou non l'exécution d'une obligation contractuelle;
17° concentration des risques : l'ensemble des positions prises par des entreprises faisant partie d'un groupe de services financiers, qui sont susceptibles de donner lieu à des pertes et qui sont suffisamment importantes pour compromettre la situation financière en général et la solvabilité en particulier des entreprises réglementées faisant partie dudit groupe de services financiers, ces positions pouvant résulter de risques de contrepartie/de crédit, d'investissement, d'assurance, de marché ou d'autres risques importants, ou d'une combinaison ou d'une interaction de ces risques;
18° [4 l'autorité de contrôle]4 : [5 la Banque Nationale de Belgique ou l'Autorité des services et marchés financiers, selon que l'entreprise réglementée est, respectivement, soit un établissement de crédit, une entreprise d'assurances, une entreprise de réassurance ou une société de bourse, soit une société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement ou une société de gestion d'organismes de placement collectif;]5
19° le Comité européen des Conglomérats financiers : le Comité institué par l'article 21 de la directive;
20° la loi du 2 août 2002 : la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers.
[5 21° comité mixte : le comité visé à l'article 54 respectivement du Règlement n° 1093/2010, du Règlement n° 1094/2010 et du Règlement n° 1095/2010;
22° Règlement n° 1093/2010 : le Règlement n° 1093/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 instituant une Autorité européenne de surveillance (Autorité bancaire européenne), modifiant la Décision n° 716/2009/CE et abrogeant la Décision 2009/78/CE de la Commission;
23° Règlement n° 1094/2010 : le Règlement n° 1094/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 instituant une Autorité européenne de surveillance (Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles), modifiant la Décision n° 716/2009/CE et abrogeant la Décision 2009/79/CE de la Commission;
24° le Règlement n° 1095/2010 : le Règlement n° 1095/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 instituant une Autorité européenne de surveillance (Autorité européenne des marchés financiers), modifiant la Décision n° 716/2009/CE et abrogeant la Décision 2009/77/CE de la Commission;
25° Comité européen du risque systémique : le Comité européen du risque systémique institué par le Règlement n° 1092/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 relatif à la surveillance macroprudentielle du système financier dans l'Union européenne et instituant un Comité européen du risque systémique;
26° la loi du 22 février 1998 : la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque Nationale de Belgique.]5

Definitie van een financiële dienstengroep.
Définition d'un groupe de services financiers.
Art. 2. § 1. Voor het bepalen of een groep een financiële dienstengroep is in de zin van artikel 1, 12°, zijn de in de hierna volgende paragrafen bepaalde drempels van toepassing.
§ 2. De activiteiten van een groep worden geacht in hoofdzaak in de financiële sector plaats te vinden in de zin van artikel 1, 12°, c), indien de verhouding tussen het gezamenlijke balanstotaal van de tot de financiële sector behorende ondernemingen in de groep, en het gezamenlijke balanstotaal van alle tot de groep behorende ondernemingen groter is dan 40 %.
§ 3. De activiteiten van de tot een groep behorende ondernemingen uit eenzelfde financiële sector worden geacht significant te zijn in de zin van artikel 1, 12°, e), indien,
a) hetzij het gemiddelde van volgende twee verhoudingen groter is dan 10 % : de verhouding tussen het gezamenlijke balanstotaal van alle ondernemingen in de groep die behoren tot die eenzelfde financiële sector en het gezamenlijke balanstotaal van alle tot de groep behorende ondernemingen uit de financiële sector, en de verhouding tussen de gezamenlijke solvabiliteitsvereisten van alle ondernemingen in de groep die behoren tot die eenzelfde financiële sector en de gezamenlijke solvabiliteitsvereisten van alle tot de groep behorende ondernemingen uit de financiële sector;
b) hetzij het gezamenlijke balanstotaal van de ondernemingen die behoren tot de kleinste financiële sector in de groep groter is dan 6 miljard EUR;
wanneer in dit geval de activiteiten van de tot de groep behorende ondernemingen uit die financiële sector evenwel kleiner zijn dan het in punt a) bedoelde gemiddelde, kunnen de [1 toezichthoudende overheid]1 als relevante bevoegde autoriteit en de andere relevante bevoegde autoriteiten gezamenlijk beslissen de groep niet als een financiële dienstengroep te kwalificeren, of de groep vrij te stellen van bepaalde bepalingen van dit besluit inzake het aanvullende groepstoezicht, indien de toepassing van die bepalingen onnodig, ongepast of misleidend zou zijn in het licht van de doelstellingen van het aanvullende groepstoezicht.
Voor de toepassing van het eerste lid worden de banksector en de beleggingsdienstensector samengenomen en beschouwd als behorende tot eenzelfde financiële sector.
De [1 toezichthoudende overheid]1 als bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht deelt aan de betrokken bevoegde autoriteiten van andere landen van de Europese Economische Ruimte de beslissingen mee die genomen zijn met toepassing van het eerste lid, b), tweede lid.
§ 4. Voor de toepassing van de paragrafen 2 en 3 kunnen de relevante bevoegde autoriteiten gezamenlijk beslissen
a) voor de berekening van de drempels een onderneming buiten beschouwing te laten, om dezelfde reden als zij met toepassing van artikel 9, § 2, 2° lid, kunnen worden weggelaten voor de berekening van de solvabiliteitsvereisten;
b) een groep die niet meer voldoet aan de drempels van paragrafen 2 en 3, eerste lid, a), maar die er gedurende drie vorige opeenvolgende jaren aan voldaan heeft, als een financiële dienstengroep te kwalificeren ten einde een plotse verandering van toezichtregime te voorkomen, dan wel anders te beslissen of een eerder genomen beslissing te herzien omwille van blijvende significante wijzigingen in de structuur van de groep;
c) in uitzonderlijke gevallen het gezamenlijke balanstotaal als parameter te vervangen door, of aan te vullen met, één of beide van de hierna volgende andere parameters, indien zij van oordeel zijn dat deze andere parameters in het licht van de doelstellingen van het aanvullende groepstoezicht een betere weergave zijn van het bedrijf van de groep; deze andere parameters zijn de inkomensstructuur en de activiteiten buiten balanstelling van de groep; de [1 toezichthoudende overheid]1 bepaalt nader hoe deze parameters dienen te worden berekend.
Indien een groep overeenkomstig de paragrafen 2 en 3 als financiële dienstengroep wordt aangemerkt, worden de in het eerste lid, a) en b), bedoelde beslissingen genomen op basis van een voorstel van de bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht.
§ 5. Indien een aan aanvullend toezicht onderworpen financiële dienstengroep niet meer voldoet aan een of meerdere van de in de paragrafen 2 en 3 bepaalde drempels, worden de drempels gedurende de drie volgende jaren als volgt vervangen : 40 % wordt 35 %, 10 % wordt 8 % en 6 miljard EUR wordt 5 miljard EUR.
In afwijking van het eerste lid kan de bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht met akkoord van de andere relevante bevoegde autoriteiten beslissen deze lagere drempels niet of niet meer toe te passen in de bedoelde periode van drie jaar, daarbij rekening houdend met de doelstellingen van het aanvullende groepstoezicht.
§ 6. De in dit artikel bedoelde berekeningen inzake het gezamenlijke balanstotaal worden gemaakt op basis van het geaggregeerde balanstotaal van de tot de groep behorende ondernemingen met gebruik van hun meest recente jaarrekening, volgens de voorschriften bepaald door de [1 toezichthoudende overheid]1. Ondernemingen waarin de groep deelnemingen heeft worden in aanmerking genomen voor het bedrag van hun balanstotaal dat overeenkomt met het geaggregeerde proportionele aandeel van de groep. Indien voor een bepaalde groep of delen van de groep geconsolideerde jaarrekeningen worden opgesteld, worden deze gebruikt voor de berekeningen.
De in dit artikel bedoelde solvabiliteitsvereisten worden berekend volgens de bepalingen van de sectorale regelgeving die op de betreffende gereglementeerde ondernemingen van toepassing is.
Art. 2. § 1er. Pour déterminer si un groupe est un groupe de services financiers au sens de l'article 1er, 12°, les seuils définis dans les paragraphes suivants sont appliqués.
§ 2. Les activités d'un groupe sont réputées s'exercer principalement dans le secteur financier au sens de l'article 1er, 12°, c), si le rapport entre le total du bilan commun des entreprises du groupe appartenant au secteur financier et le total du bilan commun de l'ensemble des entreprises du groupe dépasse 40 %.
§ 3. Les activités des entreprises d'un groupe qui font partie du même secteur financier sont réputées importantes au sens de l'article 1er, 12°, e), si,
a) soit la moyenne des deux rapports suivants est supérieure à 10 % : le rapport entre le total du bilan commun des entreprises du groupe qui font partie du même secteur financier et le total du bilan commun de l'ensemble des entreprises du groupe qui appartiennent au secteur financier, et le rapport entre les exigences de solvabilité communes des entreprises du groupe qui font partie du même secteur financier et les exigences de solvabilité communes de l'ensemble des entreprises du groupe qui appartiennent au secteur financier;
b) soit le total du bilan commun des entreprises qui font partie du secteur financier le moins important au sein du groupe est supérieur à 6 milliards EUR;
si, dans ce cas, les activités des entreprises du groupe qui font partie dudit secteur financier, n'atteignent pas la moyenne visée au point a), [1 l'autorité de contrôle]1, en sa qualité d'autorité compétente concernée, et les autres autorités compétentes concernées peuvent décider, d'un commun accord, de ne pas considérer le groupe comme un groupe de services financiers, ou de dispenser le groupe de l'application de certaines dispositions du présent arrêté concernant la surveillance complémentaire du groupe, si l'application de ces dispositions n'est pas nécessaire ou serait inopportune ou source de confusion eu égard aux objectifs de la surveillance complémentaire du groupe.
Pour l'application de l'alinéa 1er, le secteur bancaire et le secteur des services d'investissement sont agrégés et considérés comme faisant partie du même secteur financier.
[1 L'autorité de contrôle]1, en sa qualité d'autorité compétente chargée de la surveillance complémentaire du groupe, notifie aux autorités compétentes concernées des autres Etats membres de l'Espace économique européen les décisions prises en application de l'alinéa 1er, b), deuxième alinéa.
§ 4. Aux fins de l'application des §§ 2 et 3, les autorités compétentes concernées peuvent décider, d'un commun accord,
a) de ne pas inclure une entreprise dans le calcul des seuils, pour la même raison que cette entreprise peut, en application de l'article 9, § 2, alinéa 2, ne pas être incluse dans le calcul des exigences de solvabilité;
b) de considérer comme un groupe de services financiers un groupe qui ne satisfait plus aux seuils prévus aux §§ 2 et 3, alinéa 1er, a), mais qui y a satisfait pendant trois années consécutives, de manière à éviter un brusque changement de régime de surveillance, ou de prendre une autre décision, voire de reconsiderer une décision antérieure, en cas de modification importante et durable de la structure du groupe;
c) dans des cas exceptionnels, de remplacer ou de compléter le critère fonde sur le total du bilan commun par l'un des paramètres suivants ou les deux, si elles estiment que ces paramètres, eu égard aux objectifs de la surveillance complémentaire du groupe, reproduisent mieux l'activité du groupe; ces paramètres sont la structure des revenus et les activités hors bilan du groupe; [1 l'autorité de contrôle]1 définit le mode de calcul de ces paramètres.
Si un groupe est considéré comme un groupe de services financiers conformément aux §§ 2 et 3, les décisions visées à l'alinéa 1er, a) et b), sont prises sur la base d'une proposition de l'autorité compétente chargée de la surveillance complémentaire du groupe.
§ 5. Si un groupe de services financiers soumis à la surveillance complémentaire ne satisfait plus à un ou plusieurs des seuils fixés aux §§ 2 et 3, ces seuils sont remplacés, pour les trois années suivantes, par les seuils suivants : 40 % devient 35 %, 10 % devient 8 % et 6 milliards EUR devient 5 milliards EUR.
Par derogation à l'alinéa 1er, l'autorité compétente chargée de la surveillance complémentaire du groupe peut décider, avec l'accord des autres autorités compétentes concernées, de ne pas ou de ne plus appliquer ces seuils inférieurs durant la période de trois ans précitée, en tenant compte des objectifs de la surveillance complémentaire du groupe.
§ 6. Les calculs relatifs au total du bilan commun, tels que visés dans le présent article, sont effectués sur la base du total du bilan agrégé des entreprises faisant partie du groupe, en partant de leurs comptes annuels les plus récents, selon les règles définies par [1 l'autorité de contrôle]1. Les entreprises dans lesquelles le groupe détient une participation, sont prises en compte à concurrence du montant de leur total de bilan qui correspond à la part proportionnelle agregée détenue par le groupe. Si, pour un groupe déterminé ou des parties du groupe, des comptes consolidés sont établis, les calculs sont effectués à partir de ces comptes.
Les exigences de solvabilité visées dans le présent article sont calculées selon les dispositions de la réglementation sectorielle qui est applicable aux entreprises réglementées concernées.
Identificatie en notificatie van een financiële dienstengroep.
Identification et notification d'un groupe de services financiers.
Art. 3. § 1. De [2 toezichthoudende overheid]2 gaat na of gereglementeerde ondernemingen naar Belgisch recht waarvoor zij een bedrijfsvergunning heeft verleend, deel uitmaken van een financiële dienstengroep. Daartoe werkt de [2 toezichthoudende overheid]2 nauw samen met de andere bevoegde autoriteiten die een vergunning hebben verleend aan andere tot die groep behorende gereglementeerde ondernemingen. Is de [2 toezichthoudende overheid]2 van oordeel dat de groep in kwestie een financiële dienstengroep is en niet reeds aan aanvullend groepstoezicht onderworpen is, dan deelt zij deelt dit mee aan de andere betrokken bevoegde autoriteiten uit lidstaten van de Europese Economische Ruimte.
§ 2. De [2 toezichthoudende overheid]2 in haar hoedanigheid van bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht stelt de moederonderneming van de groep, of bij ontstentenis van een moederonderneming de gereglementeerde onderneming met het grootste balanstotaal in de belangrijkste financiële sector in de groep, in kennis van de identificatie van de groep als een financiële dienstengroep, als mede van haar aanwijzing als autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht. De [2 toezichthoudende overheid]2 informeert hierover eveneens de bevoegde autoriteiten van andere landen van de Europese Economische Ruimte die bedrijfsvergunningen hebben verleend aan gereglementeerde ondernemingen in de groep, de bevoegde autoriteiten van het land waar de gemengde financiële holding haar hoofdkantoor heeft,[1 het Gemengd Comité]1, alsook, zo zij dit noodzakelijk acht voor de doelstellingen van het aanvullende toezicht, de bevoegde autoriteiten van landen buiten de Europese Economische Ruimte.
Art. 3. § 1er. [1 L'autorité de contrôle]1 vérifie si les entreprises réglementées de droit belge qu'elle a agréées, font partie d'un groupe de services financiers. Elle opère à cet effet en étroite collaboration avec les autres autorités compétentes qui ont agréé d'autres entreprises réglementées du groupe. Si [1 l'autorité de contrôle]1 estime que le groupe en question est un groupe de services financiers et que ce dernier n'est pas déjà soumis à une surveillance complémentaire, elle en avise les autres autorités compétentes concernées des Etats membres de l'Espace économique européen.
§ 2. [1 L'autorité de contrôle]1, en sa qualité d'autorité compétente chargée de la surveillance complémentaire du groupe, informe l'entreprise mère du groupe ou, à défaut d'entreprise mère, l'entreprise réglementée qui affiche le total de bilan le plus élevé dans le secteur financier le plus important du groupe, du fait que le groupe a été identifié comme groupe de services financiers et qu'elle-même a été désignée comme autorité chargée de la surveillance complémentaire du groupe. [1 L'autorité de contrôle]1 en informe également les autorités compétentes des autres Etats membres de l'Espace économique européen qui ont agréé des entreprises réglementées du groupe, les autorités compétentes de l'Etat dans lequel la compagnie financière mixte a son siège social, [2 le comité mixte]2, ainsi que, si elle le juge nécessaire eu égard aux objectifs de la surveillance complémentaire, les autorités compétentes d'Etats non membres de l'Espace économique européen.
HOOFDSTUK II. - Voorwerp en modaliteiten van het aanvullend groepstoezicht.
CHAPITRE II. - Objet et modalités de la surveillance complémentaire du groupe.
Afdeling I. - Toepassingsgebied.
Section Ire. - Champ d'application.
Art. 4. Gereglementeerde ondernemingen naar Belgisch recht aan het hoofd van een financiële dienstengroep en gereglementeerde ondernemingen naar Belgisch recht die deel uitmaken van een financiële dienstengroep met aan het hoofd een gereglementeerde onderneming opgericht naar het recht van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, worden aan een aanvullend groepstoezicht onderworpen.
Het aanvullende groepstoezicht wordt uitgeoefend volgens het bepaalde in de artikelen 9 tot en met 13. De bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht wordt aangeduid met toepassing van het bepaalde in artikel 19.
Financiële dienstengroepen met aan het hoofd een gemengde financiële holding naar het recht van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte
Art. 4. Les entreprises réglementées de droit belge qui se trouvent à la tête d'un groupe de services financiers et les entreprises réglementées de droit belge qui font partie d'un groupe de services financiers ayant à sa tête une entreprise réglementée constituée selon le droit d'un Etat membre de l'Espace économique européen, sont soumises à une surveillance complémentaire exercée au niveau du groupe.
La surveillance complémentaire du groupe est exercée selon les dispositions des articles 9 à 13. L'autorité compétente chargée de la surveillance complémentaire du groupe est désignée en application des dispositions de l'article 19.
Groupes de services financiers ayant à leur tête une compagnie financière mixte relevant du droit d'un Etat membre de l'Espace économique européen
Art. 5. Gereglementeerde ondernemingen naar Belgisch recht, die deel uitmaken van een financiële dienstengroep met aan het hoofd een gemengde financiële holding opgericht naar het recht van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, worden aan een aanvullend groepstoezicht onderworpen.
Het aanvullende groepstoezicht wordt uitgeoefend volgens het bepaalde in de artikelen 9 tot en met 16. De bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht wordt aangeduid met toepassing van het bepaalde in artikel 19.
Financiële dienstengroepen met aan het hoofd een onderneming naar het recht van een land buiten de Europese Economische Ruimte
Art. 5. Les entreprises réglementées de droit belge qui font partie d'un groupe de services financiers ayant à sa tête une compagnie financière mixte constituée selon le droit d'un Etat membre de l'Espace économique européen, sont soumises à une surveillance complémentaire exercée au niveau du groupe.
La surveillance complémentaire du groupe est exercée selon les dispositions des articles 9 à 16. L'autorité compétente chargée de la surveillance complémentaire du groupe est désignée en application des dispositions de l'article 19.
Groupes de services financiers ayant à leur tête une entreprise relevant du droit d'un Etat non membre de l'Espace économique européen
Art. 6. Gereglementeerde ondernemingen naar Belgisch recht, die deel uitmaken van een financiële dienstengroep met aan het hoofd een gemengde financiële holding of gereglementeerde onderneming, opgericht naar het recht van een land buiten de Europese Economische Ruimte, en die niet het voorwerp zijn van aanvullend groepstoezicht met toepassing van artikel 4 of artikel 5, worden aan een aanvullend groepstoezicht onderworpen.
Het aanvullende groepstoezicht wordt uitgeoefend volgens het bepaalde in artikel 17.
Art. 6. Les entreprises réglementées de droit belge qui font partie d'un groupe de services financiers ayant à sa tête une compagnie financière mixte ou une entreprise réglementée constituée selon le droit d'un Etat non membre de l'Espace économique européen, et qui ne font pas l'objet d'une surveillance complémentaire exercée au niveau du groupe en application de l'article 4 ou de l'article 5, sont soumises à une surveillance complémentaire exercée au niveau du groupe.
La surveillance complémentaire du groupe est exercée selon les dispositions de l'article 17.
Andere financiële dienstengroepen.
Autres groupes de services financiers.
Art. 7. Gereglementeerde ondernemingen naar Belgisch recht die niet zijn onderworpen aan een aanvullend groepstoezicht met toepassing van de artikelen 4, 5 en 6, zijn aan een aanvullend toezicht onderworpen volgens het bepaalde in artikel 18.
Art. 7. Les entreprises réglementées de droit belge qui ne sont pas soumises à une surveillance complémentaire exercée au niveau du groupe en application des articles 4, 5 et 6, sont soumises à une surveillance complémentaire selon les dispositions de l'article 18.
Subgroep vrijstelling.
Exemption au niveau du sous-groupe.
Art. 8. De [1 toezichthoudende overheid]1 als bevoegde autoriteit belast met het aanvullend toezicht met betrekking tot een financiële dienstengroep welke een subgroep is van een andere financiële dienstengroep die het voorwerp is van aanvullend toezicht als bepaald bij artikel 4 of 5, kan de subgroep geheel of gedeeltelijk vrijstellen van de bepalingen van dit besluit inzake het aanvullende groepstoezicht indien de doelstellingen van het aanvullende groepstoezicht op de gereglementeerde ondernemingen in voldoende mate bereikt worden door het aanvullend toezicht met betrekking tot de andere financiële dienstengroep.
Art. 8. [1 L'autorité de contrôle]1, en sa qualité d'autorité compétente chargée de la surveillance complémentaire d'un groupe de services financiers qui fait lui-même partie d'un autre groupe de services financiers soumis à une surveillance complémentaire telle que visée à l'article 4 ou à l'article 5, peut exempter le sous-groupe, en tout ou en partie, de l'application des dispositions du présent arrêté concernant la surveillance complémentaire du groupe si les objectifs de la surveillance complémentaire des entreprises réglementées sont atteints de manière suffisante par la surveillance complémentaire exercée sur l'autre groupe de services financiers.
Afdeling II. - Moederondernemingen uit een lidstaat van de Europese Economische Ruimte.
Section II. - Entreprises meres relevant d'un Etat membre de l'Espace économique européen.
Solvabiliteit.
Solvabilité.
Art. 9. § 1. De gereglementeerde ondernemingen naar Belgisch recht in een financiële dienstengroep zijn onderworpen aan een aanvullend solvabiliteitstoezicht op het niveau van de groep.
Het aanvullende toezicht slaat op :
de naleving van de vereiste dat het eigen vermogen steeds minstens gelijk is aan de solvabiliteitsvereisten;
het eigen vermogen en de solvabiliteitsvereisten op het niveau van de financiële dienstengroep worden berekend volgens een van de methoden bepaald in bijlage I;
het passend karakter van de beheersprocedures en de interne controleprocedures m.b.t. de solvabiliteitspositie van de groep, overeenkomstig het bepaalde in artikel 13.
§ 2. Voor de toepassing van § 1 worden alle ondernemingen in de groep, behorend tot de financiële sector, in het toepassingsgebied van het aanvullende groepstoezicht opgenomen.
In afwijking van het eerste lid kunnen voor de toepassing van § 1, tweede lid, 1°, ondernemingen uit het aanvullende groepstoezicht worden weggelaten om analoge redenen als zij met toepassing van de sectorale regelgeving worden weggelaten uit het sectoraal groepstoezicht. In het in artikel 107, 1°, van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen bedoelde geval mag van deze mogelijkheid slechts gebruik worden gemaakt indien de betrokken ondernemingen tezamen aan de gestelde voorwaarde voldoet. De weglating van een onderneming is onderworpen aan de voorafgaande toestemming van de [1 toezichthoudende overheid]1 als bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht. In het in artikel 108, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 30 januari 2001 bedoelde geval raadpleegt de [1 toezichthoudende overheid]1 voorafgaandelijk en behoudens hoogdringendheid de andere relevante bevoegde autoriteiten.
Art. 9. § 1er. Les entreprises réglementées de droit belge qui font partie d'un groupe de services financiers sont soumises à une surveillance complémentaire de la solvabilité au niveau du groupe.
La surveillance complémentaire porte sur :
le respect de l'exigence que les fonds propres soient en permanence au moins egaux aux exigences de solvabilité;
les fonds propres et les exigences de solvabilité au niveau du groupe de services financiers sont calculés selon l'une des méthodes définies a l'annexe Ire;
le caractère adéquat des procédures de gestion et des dispositifs de contrôle interne relatifs à la solvabilité du groupe, conformément aux dispositions de l'article 13.
§ 2. Pour l'application du § 1er, toutes les entreprises du groupe qui appartiennent au secteur financier tombent dans le champ d'application de la surveillance complémentaire du groupe.
Par dérogation à l'alinéa 1er, des entreprises peuvent, pour l'application du § 1er, alinéa 2, 1°, être exclues de la surveillance complémentaire du groupe pour des raisons analogues à celles qui, en application de la réglementation sectorielle, motivent leur exclusion de la surveillance sectorielle du groupe. Dans le cas visé à l'article 107, 1°, de l'arrêté royal du 30 janvier 2001 portant exécution du Code des sociétés, il ne peut être recouru à cette possibilité que si les entreprises concernées satisfont ensemble à la condition posée. L'exclusion d'une entreprise est soumise à l'autorisation préalable de [1 l'autorité de contrôle]1 en sa qualité d'autorité chargée de la surveillance complémentaire du groupe. Dans le cas visé à l'article 108, § 1er, de l'arrêté royal du 30 janvier 2001 précité, [1 l'autorité de contrôle]1 consulte au préalable, sauf en cas d'urgence, les autres autorités compétentes concernées.
Risicoconcentratie.
Concentration des risques.
Art. 10. § 1. De gereglementeerde ondernemingen naar Belgisch recht in een financiële dienstengroep zijn onderworpen aan een aanvullend toezicht op de risicoconcentratie op het niveau van de groep.
Het aanvullende toezicht slaat op :
de identificatie en de rapportering van significante risicoconcentraties;
het passend karakter van de beheersprocedures en de interne controleprocedures m.b.t. de risicoconcentratie van de groep, overeenkomstig het bepaalde in artikel 13.
Bij het toezicht wordt inzonderheid aandacht besteed aan volgende aspecten : het zgn. besmettingsrisico in de groep, de aanwezigheid van belangenconflicten, omzeiling van de sectorale regelgeving inzake risicoconcentratie en het niveau en de omvang van de risicoconcentratie.
§ 2. Voor de toepassing van § 1 worden alle ondernemingen in de groep behorend tot de financiële sector in het toepassingsgebied van het aanvullende groepstoezicht inzake risicoconcentratie opgenomen.
§ 3. Voor de toepassing van § 1, tweede lid, 1°, stelt de [1 toezichthoudende overheid]1 als bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht, in overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en na consultatie van de financiële dienstengroep, de drempels vast voor het identificeren en het rapporteren van elke significante risicoconcentratie. Zij legt de drempels vast op basis van een of beide van volgende parameters : het reglementaire eigen vermogen en de technische voorzieningen.
Indien geen drempels zijn vastgesteld, worden risicoconcentraties geacht significant te zijn indien deze groter zijn dan 10 % van de solvabiliteitsvereiste van de financiële dienstengroep in kwestie.
§ 4. Onverminderd het bepaalde in § 1 kan de [1 toezichthoudende overheid]1 als bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht begrenzingnormen of andere evenwaardige toezichtmaatregelen opleggen ter beheersing van de risicoconcentratie op het niveau van een financiële dienstengroep. Teneinde omzeiling tegen te gaan van de sectorale regelgeving inzake risicoconcentratie, kan zij ook beslissen de sectorale bepalingen terzake naar analogie toe te passen op het niveau van de financiële dienstengroep. Zij raadpleegt voorafgaandelijk de andere relevante bevoegde autoriteiten.
Indien een gemengde financiële holding aan het hoofd staat van een financiële dienstengroep, wordt deze holding opgenomen in het sectorale groepstoezicht inzake risicoconcentratie dat op de belangrijkste financiële sector in de groep wordt uitgeoefend.
Art. 10. § 1er. Les entreprises réglementées de droit belge qui font partie d'un groupe de services financiers sont soumises à une surveillance complémentaire en matière de concentration des risques au niveau du groupe.
La surveillance complémentaire porte sur :
l'identification et le reporting des concentrations de risques importantes;
le caractère adéquat des procédures de gestion et des dispositifs de contrôle interne en matière de concentration des risques du groupe, conformément aux dispositions de l'article 13.
La surveillance porte en particulier sur les aspects suivants : le risque dit de contagion au sein du groupe, l'existence de conflits d'intérêts, les contournements de la réglementation en matière de concentration des risques, ainsi que le niveau et l'ampleur de la concentration des risques.
§ 2. Pour l'application du § 1er, toutes les entreprises du groupe qui appartiennent au secteur financier tombent dans le champ d'application de la surveillance complémentaire du groupe en matière de concentration des risques.
§ 3. Pour l'application du § 1er, alinéa 2, 1°, [1 l'autorité de contrôle]1 fixe, en sa qualité d'autorité chargée de la surveillance complémentaire du groupe, en concertation avec les autres autorités compétentes concernées et après consultation du groupe de services financiers, les seuils pour l'identification et le reporting de chaque concentration de risques importante. Elle détermine les seuils sur la base des deux paramètres suivants ou de l'un de ces paramètres seulement : les fonds propres réglementaires et les provisions techniques.
Si aucun seuil n'a été fixé, les concentrations de risques sont réputées importantes si elles excèdent 10 % de l'exigence de solvabilité du groupe de services financiers en question.
§ 4. Sans préjudice des dispositions du § 1er, [1 l'autorité de contrôle]1 peut, en sa qualité d'autorité chargée de la surveillance complémentaire du groupe, imposer des normes de limitation ou d'autres mesures de surveillance équivalentes pour la maîtrise de la concentration des risques au niveau d'un groupe de services financiers. Afin de s'opposer au contournement de la réglementation sectorielle en matière de concentration des risques, elle peut également décider d'appliquer les dispositions sectorielles en la matière par analogie au niveau du groupe de services financiers. Elle consulte préalablement les autres autorités compétentes concernées.
Si une compagnie financière mixte est à la tête d'un groupe de services financiers, cette compagnie est incluse dans la surveillance sectorielle du groupe en matière de concentration des risques qui est exercée sur le secteur financier le plus important du groupe.
Intragroepverrichtingen.
Opérations intragroupe.
Art. 11. § 1. De gereglementeerde ondernemingen naar Belgisch recht in een financiële dienstengroep zijn onderworpen aan een aanvullend toezicht op de intragroepverrichtingen binnen de groep.
Het aanvullende toezicht slaat op :
de identificatie en de rapportering van significante intragroepverrichtingen;
het passend karakter van de beheersprocedures en de interne controleprocedures m.b.t. intragroep-verrichtingen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 13.
Bij het toezicht wordt inzonderheid aandacht besteed aan volgende aspecten : het zgn. besmettingsrisico in de groep, de aanwezigheid van belangenconflicten, omzeiling van de sectorale regelgeving inzake intragroepverrichtingen en het niveau en de omvang van de intragroepverrichtingen.
§ 2. Voor de toepassing van § 1 worden alle ondernemingen in de groep, evenals de door nauwe banden met ondernemingen in de groep verbonden personen, opgenomen in het toepassingsgebied van het aanvullende groepstoezicht op intragroepverrichtingen.
§ 3. Voor de toepassing van § 1, tweede lid, 1°, stelt de [1 toezichthoudende overheid]1 als bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht, in overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en na consultatie van de financiële dienstengroep, passende drempels vast voor het identificeren en het rapporteren van significante intragroepverrichtingen. Zij legt de drempels vast op basis van een of beide van volgende parameters : het reglementaire eigen vermogen en de technische voorzieningen.
Indien geen drempels zijn vastgesteld, worden intragroepverrichtingen geacht significant te zijn indien deze groter zijn dan 5 % van de solvabiliteitsvereiste van de financiële dienstengroep in kwestie.
§ 4. Onverminderd het bepaalde in § 1 kan de [1 toezichthoudende overheid]1 als bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht begrenzingnormen of andere evenwaardige toezichtmaatregelen opleggen ter verwezenlijking van de doelstellingen van het aanvullende groepstoezicht inzake intragroepverrichtingen. Teneinde omzeiling tegen te gaan van de sectorale regelgeving inzake intragroepverrichtingen, kan zij ook beslissen de sectorale bepalingen terzake naar analogie toe te passen op het niveau van de financiële dienstengroep. Zij raadpleegt voorafgaandelijk de andere relevante bevoegde autoriteiten.
Indien een gemengde financiële holding aan het hoofd staat van een financiële dienstengroep, wordt deze holding opgenomen in het sectorale groepstoezicht inzake intragroepverrichtingen dat op de belangrijkste financiële sector in de groep wordt uitgeoefend.
Art. 11. § 1er. Les entreprises réglementées de droit belge qui font partie d'un groupe de services financiers sont soumises à une surveillance complémentaire en matière d'opérations intragroupe au sein du groupe.
La surveillance complémentaire porte sur :
l'identification et le reporting des opérations intragroupe importantes;
le caractère adéquat des procédures de gestion et des dispositifs de contrôle interne en matière d'opérations intragroupe, conformément aux dispositions de l'article 13.
La surveillance porte en particulier sur les aspects suivants : le risque dit de contagion au sein du groupe, l'existence de conflits d'intérêts, les contournements de la réglementation en matière d'opérations intragroupe, ainsi que le niveau et l'ampleur des opérations intragroupe.
§ 2. Pour l'application du § 1er, toutes les entreprises du groupe, ainsi que les personnes liées à des entreprises du groupe par des liens étroits, tombent dans le champ d'application de la surveillance complémentaire du groupe en matière d'opérations intragroupe.
§ 3. Pour l'application du § 1er, alinéa 2, 1°, [1 l'autorité de contrôle]1 fixe, en sa qualité d'autorité chargée de la surveillance complémentaire du groupe, en concertation avec les autres autorités compétentes concernées et après consultation du groupe de services financiers, des seuils adéquats pour l'identification et le reporting de toute opération intragroupe importante. Elle détermine les seuils sur la base des deux paramètres suivants ou de l'un de ces paramètres seulement : les fonds propres réglementaires et les provisions techniques.
Si aucun seuil n'a été fixé, les opérations intragroupe sont réputées importantes si elles excèdent 5 % de l'exigence de solvabilité du groupe de services financiers en question.
§ 4. Sans préjudice des dispositions du § 1er, [1 l'autorité de contrôle]1 peut, en sa qualité d'autorité chargée de la surveillance complémentaire du groupe, imposer des normes de limitation ou d'autres mesures de surveillance équivalentes pour la réalisation des objectifs de la surveillance complémentaire du groupe en matière d'opérations intragroupe. Afin de s'opposer au contournement de la réglementation sectorielle en matière d'opérations intragroupe, elle peut également décider d'appliquer les dispositions sectorielles en la matière par analogie au niveau du groupe de services financiers. Elle consulte préalablement les autres autorités compétentes concernées.
Si une compagnie financière mixte est à la tête d'un groupe de services financiers, cette compagnie est incluse dans la surveillance sectorielle du groupe en matière d'opérations intragroupe qui est exercée sur le secteur financier le plus important du groupe.
Periodieke rapportering.
Reporting périodique.
Art. 12. § 1. Voor het in deze afdeling geregelde aanvullende groepstoezicht wordt aan de bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht, volgens de modaliteiten die deze bepaalt en minstens tweemaal per jaar, de volgende staten voorgelegd :
een boekhoudstaat die betrekking heeft op de financiële positie van de financiële dienstengroep, bestaande uit minstens de balans en resultatenrekening;
een staat waaruit de naleving blijkt van de normen bepaald bij of in uitvoering van artikel 9, § 1, tweede lid, 1°, artikel 10, § 4, en artikel 11, § 4, en een staat met opgave van de significante risicoconcentraties en significante intragroepverrichtingen bedoeld in artikel 10, § 1, tweede lid, 1°, en artikel 11, § 1, tweede lid, 1°;
te dien einde bepaalt de [2 toezichthoudende overheid]2 als bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht in overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten de categorieën verrichtingen, risico's en posities die voor de opvolging van de risicoconcentratie en de significante intragroepverrichtingen moeten worden gerapporteerd; zij houdt daarbij rekening met de specifieke groeps- en risicobeheerstructuur van de betrokken financiële dienstengroep.
§ 2. De in § 1 bedoelde staten worden gerapporteerd door de onderneming aan het hoofd van de financiële dienstengroep. Indien deze onderneming een gemengde financiële holding is, kan de [2 toezichthoudende overheid]2 als bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht, na overleg met de andere bevoegde autoriteiten en de betrokken groep, een gereglementeerde onderneming in de groep aanduiden die instaat voor de rapportering van de staten.
[1 § 3. De effectieve leiding van de onderneming die overeenkomstig § 2 instaat voor de rapportering van de in § 1 vermelde staten, in voorkomend geval het directiecomité, verklaart aan de [2 toezichthoudende overheid]2 dat de staten die zij aan het einde van het eerste halfjaar en aan het einde van het boekjaar overmaakt in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen. Daartoe is vereist dat deze staten volledig zijn d.i. alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld, en juist zijn, d.i. de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld. Zij bevestigt het nodige gedaan te hebben opdat de voornoemde staten volgens de geldende richtlijnen van de [2 toezichthoudende overheid]2 opgemaakt zijn, en opgesteld zijn met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening, of, voor de periodieke rapporteringsstaten die geen betrekking hebben op het einde van het boekjaar, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar.]1
Art. 12. § 1er. Pour la surveillance complémentaire du groupe réglée dans la présente section, les états suivants sont soumis à l'autorité compétente chargée de la surveillance complémentaire du groupe, selon les modalités qu'elle détermine, et au moins deux fois par an :
un état comptable portant sur la situation financière du groupe de services financiers et comprenant au moins le bilan et le compte de résultats;
un état constatant le respect des normes définies par ou en exécution de l'article 9, § 1er, alinéa 2, 1°, de l'article 10, § 4, et de l'article 11, § 4, ainsi qu'un état indiquant les concentrations de risques importantes et les opérations intragroupe importantes visées à l'article 10, § 1er, alinéa 2, 1°, et à l'article 11, § 1er, alinéa 2, 1°;
à cette fin, [2 l'autorité de contrôle]2 détermine, en sa qualité d'autorité chargée de la surveillance complémentaire du groupe, en concertation avec les autres autorités compétentes concernées, les catégories d'opérations, de risques et de positions qui doivent être notifiées pour le suivi de la concentration des risques et des opérations intragroupe importantes; elle tient compte à cet égard des spécificités de la structure de groupe et de la gestion des risques du groupe de services financiers concerné.
§ 2. Les états visés au § 1er sont notifiés par l'entreprise située à la tête du groupe de services financiers. Si cette entreprise est une compagnie financière mixte, [2 l'autorité de contrôle]2 peut, en sa qualité d'autorité chargée de la surveillance complémentaire du groupe, après concertation avec les autres autorités compétentes et avec le groupe concerné, désigner une entreprise réglementée du groupe qui sera chargée de la notification des états.
[1 § 3. La direction effective de l'entreprise chargée, conformément au § 2, de la notification des états visés au § 1er, le cas échéant le comité de direction, déclare à [2 l'autorité de contrôle]2 que les états qui lui sont transmis par l'entreprise à la fin du premier semestre social et à la fin de l'exercice social, sont conformes à la comptabilité et aux inventaires. Il est à cet effet requis que ces états soient complets, c'est-à-dire qu'ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu'ils soient corrects, c'est-à-dire qu'ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis. La direction effective confirme avoir fait le nécessaire pour que les états précités soient établis selon les instructions en vigueur de [2 l'autorité de contrôle]2, ainsi que par application des règles de comptabilisation et d'évaluation présidant à l'établissement des comptes consolidés, ou, s'agissant des états périodiques qui ne se rapportent pas à la fin de l'exercice, par application des règles de comptabilisation et d'évaluation qui ont présidé à l'établissement des comptes consolidés afférents au dernier exercice.]1
Risicobeheer- en interne controleprocedures.
Procédures de gestion des risques et dispositifs de contrôle interne.
Art. 13. § 1. De gereglementeerde ondernemingen naar Belgisch recht in een financiële dienstengroep beschikken over voor de groep passende risicobeheer- en interne controleprocedures, en een dito administratieve en boekhoudkundige organisatie.
§ 2. De risicobeheerprocedures omvatten :
a) een passend bestuur en beheer, met goedkeuring en periodieke evaluatie van de strategie en het beleid door de bevoegde vennootschapsorganen, inzonderheid deze van de moederonderneming, met betrekking tot alle belangrijke risico's die op het niveau van de financiële dienstengroep zijn aangegaan;
b) een passend solvabiliteitsbeleid, dat mede de toekomstige gevolgen anticipeert voor de groep van de gevolgde bedrijfsstrategie op het risicoprofiel van de groep en de solvabiliteitsvereisten bedoeld in artikel 9;
c) passende procedures die waarborgen dat de risicobeheer- en opvolgingssystemen voldoende zijn geïntegreerd in de organisatie van de groep en dat de in de ondernemingen van de groep gehanteerde systemen met elkaar in overeenstemming zijn, zodat op het niveau van de financiële dienstengroep de risico's correct worden geïdentificeerd, opgevolgd en beheerst.
[1 d) regelmatig geactualiseerde regelingen om bij te dragen tot herstel- en saneringsregelingen en -plannen, en deze zo nodig te ontwikkelen.]1
§ 3. De interne controleprocedures omvatten :
a) passende procedures voor het opvolgen van de solvabiliteitspositie op niveau van de groep, zodat alle belangrijke risico's correct worden geïdentificeerd en opgevolgd en het eigen vermogen voldoende is in het licht van de gelopen risico's;
b) het passend karakter van de procedures en systemen voor de identificatie, meting, opvolging en beheersing van de intragroepverrichtingen en risicoconcentraties.
§ 4. De gereglementeerde ondernemingen naar Belgisch recht beschikken over een passende boekhoudkundige en administratieve organisatie die de juistheid en conformiteit met de geldende regels waarborgt van de voor het aanvullende groepstoezicht verstrekte gegevens en inlichtingen en de opstelling van de jaarrekeningen.
Art. 13. § 1er. Les entreprises réglementées de droit belge qui font partie d'un groupe de services financiers doivent disposer de procédures de gestion des risques et de dispositifs de contrôle interne, ainsi que d'une organisation administrative et comptable, qui soient adéquats pour le groupe.
§ 2. Les procédures de gestion des risques comprennent :
a) une administration et une gestion adéquates, avec approbation et évaluation périodique de la stratégie et de la politique par les organes compétents, en particulier ceux de l'entreprise mère, et portant sur tous les risques importants encourus au niveau du groupe de services financiers;
b) une politique de solvabilité adéquate, qui contribue à anticiper pour le groupe les conséquences futures de la stratégie d'exploitation suivie sur le profil de risque du groupe et les exigences de solvabilité visées à l'article 9;
c) des procédures adéquates garantissant que les systèmes de gestion et de suivi des risques sont suffisamment intégrés à l'organisation du groupe et que les systèmes utilisés dans les entreprises du groupe concordent entre eux, de telle sorte qu'au niveau du groupe de services financiers, les risques fassent l'objet d'une identification, d'un suivi et d'une maîtrise corrects.
[1 d) des dispositifs régulièrement mis à jour pour participer à la réalisation et, le cas échéant, au développement de mécanismes et de plans de sauvetage et de résolution des défaillances appropriés.]1
§ 3. Les dispositifs de contrôle interne comprennent :
a) des procédures adéquates pour le suivi de la solvabilité au niveau du groupe, de telle sorte que tous les risques importants fassent l'objet d'une identification et d'un suivi corrects et que les fonds propres soient suffisants au regard des risques encourus;
b) le caractère adéquat des procédures et des systèmes pour l'identification, la mesure, le suivi et la maîtrise des opérations intragroupe et des concentrations de risques.
§ 4. Les entreprises réglementées de droit belge doivent disposer d'une organisation administrative et comptable qui garantisse le caractère correct et conforme aux règles en vigueur des renseignements et informations communiqués pour la surveillance complémentaire du groupe et de l'établissement des comptes annuels.
Aandeelhouderschap.
Actionnariat.
Art. 14. § 1. Onverminderd de bepalingen van de sectorale regelgeving en van de (wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen), moet iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die het voornemen heeft om rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming te verwerven in een gemengde financiële holding naar Belgisch recht te verwerven, de [1 toezichthoudende overheid]1 daarvan vooraf in kennis stellen met vermelding van het percentage van de deelneming. Tot kennisgeving is eveneens gehouden, iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die het voornemen heeft de omvang van zijn gekwalificeerde deelneming zodanig te vergroten dat het percentage van de door hem gehouden stemrechten of aandelen 20 %, 33 % of 50 % bereikt of overschrijdt of dat de gemengde financiële holding zijn dochteronderneming wordt. <KB 2008-02-14/42, art. 30, 003; Inwerkingtreding : 01-09-2008>
Binnen een maand na de inwerkingtreding van dit besluit moet elke natuurlijke of rechtspersoon die, in een gemengde financiële holding naar Belgisch recht, aandelen bezit die beantwoorden aan de criteria van het eerste lid, de [1 toezichthoudende overheid]1 hiervan in kennis stellen, overeenkomstig de in het eerste lid vastgestelde regels.
§ 2. De [1 toezichthoudende overheid]1 beschikt over een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de datum van de in de eerste paragraaf bedoelde kennisgeving, om zich tegen het voornemen te verzetten indien zij, gelet op de noodzaak een gezonde en voorzichtige bedrijfsvoering van de gereglementeerde onderneming in de groep te waarborgen, niet overtuigd is van de geschiktheid van de in de eerste paragraaf bedoelde persoon.
§ 3. Iedere natuurlijke of rechtspersoon die het voornemen heeft zijn rechtstreekse of onrechtstreekse gekwalificeerde deelneming in een gemengde financiële holding naar Belgisch recht over te dragen, moet de [1 toezichthoudende overheid]1 daarvan vooraf in kennis stellen onder vermelding van het percentage van de betrokken deelneming. Tot kennisgeving is eveneens gehouden iedere natuurlijke of rechtspersoon die het voornemen heeft de omvang van zijn gekwalificeerde deelneming zodanig te verkleinen dat het percentage van de door hem gehouden stemrechten of aandelen onder 20 %, 33 % of 50 % daalt of dat de gemengde financiële holding ophoudt zijn dochteronderneming te zijn.
§ 4. Zodra zij daarvan kennis hebben, stellen de gemengde financiële holdings naar Belgisch recht de [1 toezichthoudende overheid]1 in kennis van de verwerving of vervreemding van deelnemingen in hun kapitaal, waardoor stijging boven of daling onder een van de drempels als bedoeld in paragrafen 1 en 3 optreedt.
Tevens stellen zij de [1 toezichthoudende overheid]1 ten minste eens per jaar in kennis van de identiteit van de aandeelhouders of vennoten die gekwalificeerde deelnemingen bezitten, alsmede van de omvang van de voornoemde deelnemingen zoals deze met name blijkt uit de gegevens die worden vastgelegd bij de jaarlijkse algemene vergadering van aandeelhouders of vennoten, of uit de informatie die is ontvangen uit hoofde van de verplichtingen van ter beurze genoteerde vennootschappen.
§ 5. Indien de door de in paragraaf 1 bedoelde personen uitgeoefende invloed een voorzichtige en gezonde bedrijfsvoering van de gereglementeerde ondernemingen zou kunnen belemmeren, kan de [1 toezichthoudende overheid]1 de passende maatregelen treffen om aan deze toestand een einde te maken. Onverminderd de andere maatregelen waarin de wetgeving in uitvoering waarvan dit koninklijk besluit is genomen voorziet, kunnen die maatregelen aanmaningen omvatten en kunnen gaan tot het aan de bevoegde rechtbank, die zetelt als in kort geding, vragen van de schorsing van de uitoefening van de stemrechten die verbonden zijn aan de aandelen die door de betrokken aandeelhouders of vennoten worden gehouden. De rechtbank kan tevens alle of een deel van de beslissingen van een algemene vergadering nietig verklaren die in voornoemde gevallen zijn gehouden.
Soortgelijke maatregelen zijn van toepassing op natuurlijke personen of rechtspersonen die de in paragrafen 1 en 3 bedoelde verplichting inzake voorafgaande kennisgeving niet naleven. Wanneer een deelneming wordt verworven ondanks het bezwaar van de [1 toezichthoudende overheid]1, vraagt deze aan de bevoegde rechtbank, die zetelt als in kort geding, de schorsing van de uitoefening van de betrokken stemrechten of de nietigverklaring van de uitgebrachte stemmen.
§ 6. Indien de [1 toezichthoudende overheid]1 niet de bevoegde autoriteit is belast met het aanvullende groepstoezicht werkt zij voor de toepassing van dit artikel nauw samen met deze laatste autoriteit.
Art. 14. § 1er. Sans préjudice des dispositions de la réglementation sectorielle et de la (loi du 2 mai 2007 relative à la publicité des participations importantes), toute personne physique ou morale qui se propose d'acquérir directement ou indirectement une participation qualifiée dans une compagnie financière mixte de droit belge est tenue de le notifier préalablement à [1 l'autorité de contrôle]1 en mentionnant le pourcentage de sa participation. Est également tenue à notification toute personne physique ou morale qui se propose d'augmenter sa participation qualifiée de telle sorte que le pourcentage des droits de vote ou des titres détenus par elle atteigne ou dépasse 20 %, 33 % ou 50 % ou que la compagnie financière mixte devienne sa filiale. <AR 2008-02-14/42, art. 30, 003; En vigueur : 01-09-2008>
Dans le mois de l'entrée en vigueur du présent arrêté, toute personne physique ou morale qui détient dans une compagnie financière mixte de droit belge des titres répondant aux critères de l'alinéa 1er est tenue de le notifier à [1 l'autorité de contrôle]1, conformément aux règles établies audit alinéa 1er.
§ 2. [1 L'autorité de contrôle]1 dispose d'un délai de trois mois, à compter de la date de la notification visée au § 1er, pour s'opposer au projet si elle a des raisons de considérer que la personne visée au § 1er ne présente pas les qualités nécessaires au regard du besoin de garantir une gestion saine et prudente de l'entreprise réglementée au sein du groupe.
§ 3. Toute personne physique ou morale qui se propose de céder sa participation qualifiée directe ou indirecte dans une compagnie financière mixte de droit belge est tenue de le notifier préalablement à [1 l'autorité de contrôle]1 en mentionnant le pourcentage de la participation concernée. Est également tenue à notification toute personne physique ou morale qui se propose de réduire sa participation qualifiée de telle sorte que le pourcentage des droits de vote ou des titres détenus par elle tombe sous le seuil de 20 %, 33 % ou 50 % ou que la compagnie financière mixte cesse d'être sa filiale.
§ 4. Dès qu'elles en ont connaissance, les compagnies financières mixtes de droit belge notifient à [1 l'autorité de contrôle]1 toute acquisition ou cession de participations dans leur capital qui entraine un passage de seuil tel que visé aux §§ 1er et 3.
Elles notifient également à [1 l'autorité de contrôle]1, au moins une fois par an, l'identité des actionnaires ou associés détenant des participations qualifiées, ainsi que l'ampleur de ces participations telles qu'elles ressortent des données établies lors des assemblées générales annuelles des actionnaires ou associés, ou des informations reçues dans le cadre des obligations des sociétés cotées.
§ 5. S'il existe un risque que l'influence exercée par les personnes visées au § 1er empêche une gestion saine et prudente des entreprises réglementées, [1 l'autorité de contrôle]1 peut prendre les mesures adéquates pour mettre fin à cette situation. Sans préjudice des autres mesures prévues par la législation en exécution de laquelle est prise le présent arrêté, ces mesures peuvent comprendre des injonctions et peuvent aller jusqu'à la requête faite au tribunal compétent, siégeant comme en référé, de suspendre l'exercice des droits de vote liés aux titres détenus par les actionnaires ou associés. Le tribunal peut également frapper de nullité tout ou partie des décisions de l'assemblée générale prises dans les cas précités.
Des mesures similaires s'appliquent aux personnes physiques ou morales qui ne respecteraient pas l'obligation visée aux §§ 1er et 3 en matière de notification préalable. Lorsqu'une participation est acquise en dépit de l'objection de [1 l'autorité de contrôle]1, cette dernière demande au tribunal compétent, siégeant comme en référé, de suspendre l'exercice des droits de vote concernés ou de frapper de nullité les votes exprimés.
§ 6. Si [1 l'autorité de contrôle]1 n'est pas l'autorité chargée de la surveillance complémentaire du groupe, elle opère, pour l'application du présent article, en étroite collaboration avec ladite autorité chargée de la surveillance complémentaire du groupe.
Leiding.
Dirigeants.
Art. 15. § 1. De effectieve leiding van een gemengde financiële holding naar Belgisch recht moet worden toevertrouwd aan minstens twee natuurlijke personen. Zij moeten de voor de uitoefening van deze functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende ervaring bezitten.
[De personen die deelnemen aan het bestuur of het beleid van een gemengde financiële holding naar Belgisch recht, zonder deel te nemen aan de effectieve leiding, moeten over de voor de uitoefening van hun taak vereiste deskundigheid en passende ervaring beschikken.
Indien de statuten van een gemengde financiële holding naar Belgisch recht voorzien in de oprichting van een directiecomité als bedoeld in artikel 524bis van het wetboek van vennootschappen, bestaat dit directiecomité uit minstens twee bestuurders.] <KB 2007-10-29/33, art. 40, 1°, 002; Inwerkingtreding : 08-11-2007>
§ 2. De bepalingen van de artikelen 19, [2 6bis], 27 en 28 van de bankwet, van de artikelen 9bis en 90, §§ 2 en volgende, van de verzekeringswet, [1 van de artikelen 17, § 2, 25, § 2, 26 en 27 van de herverzekeringswet,]1 van de artikelen 61, [69bis], 70 en 71 van de wet op de beleggingsondernemingen en van [2 de artikelen 200, 211 en 212 van de wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles]2, zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op de in § 1 bedoelde personen. <KB 2007-10-29/33, art. 40, 2°, 002; Inwerkingtreding : 08-11-2007>
§ 3. Indien de [3 toezichthoudende overheid]3 niet de bevoegde autoriteit is belast met het aanvullende groepstoezicht werkt zij voor de toepassing van dit artikel nauw samen met deze laatste autoriteit.
Art. 15. § 1er. La direction effective d'une compagnie financière mixte de droit belge doit être confiée à deux personnes physiques au moins. Celles-ci doivent posséder l'honorabilité professionnelle nécessaire et l'expérience adéquate pour exercer cette fonction.
[Les personnes qui prennent part à l'administration ou à la gestion d'une compagnie financière mixte de droit belge, sans participer à sa direction effective, doivent disposer de l'expertise nécessaire et de l'expérience adéquate pour assumer leurs tâches.
Si les statuts d'une compagnie financière mixte de droit belge prévoient la constitution d'un comité de direction tel que visé à l'article 524bis du Code des sociétés, ce comité de direction comprend au moins deux administrateurs.] <AR 2007-10-29/33, art. 40, 1°, 002; En vigueur : 08-11-2007>
§ 2. Les dispositions des articles 19, [2 6bis], 27 et 28 de la loi bancaire, des articles 9bis et 90, §§ 2 et suivants, de la loi sur les assurances, [1 des articles 17, § 2, 25, § 2, 26 et 27 de la loi relative à la réassurance,]1 des articles 61, [69bis], 70 et 71 de la loi concernant les entreprises d'investissement, et [3 des articles 200, 211 et 212 de la loi relative à certaines formes de gestion collective de portefeuilles d'investissement]3, sont applicables par analogie aux personnes visées au § 1er. <AR 2007-10-29/33, art. 40, 2°, 002; En vigueur : 08-11-2007>
§ 3. Si [2 l'autorité de contrôle]2
n'est pas l'autorité chargée de la surveillance complémentaire du groupe, elle opère, pour l'application du présent article, en étroite collaboration avec ladite autorité chargée de la surveillance complémentaire du groupe.
De opdracht van commissaris bij een gemengde financiële holding.
Les fonctions du commissaire auprès d'une compagnie financière mixte.
Art. 16. § 1. De opdracht van commissaris zoals bedoeld in het wetboek van vennootschappen wordt in een gemengde financiële holding naar Belgisch recht toevertrouwd aan een of meer revisoren of revisorenvennootschappen, die door de [3 toezichthoudende overheid]3 erkend zijn overeenkomstig, naargelang het geval, artikel 52 van de bankwet, [2 artikel 40 van de verzekeringswet, artikel 42 van de herverzekeringswet]2 of artikel 96 van de wet op de beleggingsondernemingen.
Het college van revisoren of de revisorenvennootschappen, aangesteld bij een gemengde financiële holding, moeten zo zijn samengesteld dat zij, hetzij individueel, hetzij tezamen, erkend zijn in elk van de financiële sectoren waarin de financiële dienstengroep een betekenisvolle activiteit heeft. De [3 toezichthoudende overheid]3 kan met verwijzing naar de parameters bedoeld in artikel 2, §§ 3 en 4, bepalen wat onder betekenisvolle activiteit moet worden verstaan.
De bepalingen van de sectorale regelgeving inzake revisortoezicht zijn van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde commissaris.
§ 2. [1 De commissarissen aangesteld bij de in § 1 bedoelde gemengde financiële holdings verlenen hun medewerking aan het toezicht van de [3 toezichthoudende overheid]3, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig deze paragraaf, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de [3 toezichthoudende overheid]3. Daartoe :
beoordelen zij het passend karakter van de risicobeheerprocedures, de interne controleprocedures en de administratieve en boekhoudkundige organisatie, als bedoeld in artikel 13. Zij delen hun bevindingen ter zake mee aan de [3 toezichthoudende overheid]3;
brengen zij verslag uit bij de [3 toezichthoudende overheid]3 over :
a) de resultaten van het beperkt nazicht van de in artikel 12 bedoelde staten die de gemengde financiële holdings aan het einde van het eerste halfjaar aan de [3 toezichthoudende overheid]3 bezorgen waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat deze staten per einde halfjaar niet in alle materieel belangrijke opzichten volgens de geldende richtlijnen van de [3 toezichthoudende overheid]3 werden opgesteld. Bovendien bevestigen zij dat deze staten per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid, d.i. alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld, en juistheid, d.i. de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld; en bevestigen zij geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat deze staten per einde halfjaar niet zijn opgesteld met toepassing van de boeking- en waarderingsregels voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar; de [3 toezichthoudende overheid]3 kan de hier bedoelde staten nader bepalen;
b) de resultaten van de controle van de in artikel 12 bedoelde staten die de gemengde financiële holdings aan het einde van het boekjaar aan de [3 toezichthoudende overheid]3 bezorgen waarin bevestigd wordt dat deze staten in alle materieel belangrijke opzichten werden opgesteld volgens de geldende richtlijnen van de [3 toezichthoudende overheid]3. Bovendien bevestigen zij dat deze staten per einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid, d.i. alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld, en juistheid, d.i. de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld; en bevestigen zij dat deze staten per einde van het boekjaar werden opgesteld met toepassing van de boeking- en waarderingsregels voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening; de [3 toezichthoudende overheid]3 kan de hier bedoelde staten nader bepalen;
brengen zij, op eigen initiatief, verslag uit bij de [3 toezichthoudende overheid]3 zodra zij kennis krijgen van beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de in 1° en 2° en de in de artikelen 9 tot 11 bedoelde aspecten op betekenisvolle wijze beïnvloeden of kunnen beïnvloeden, of kunnen wijzen op een overtreding van dit besluit.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, 3°, kan de [3 toezichthoudende overheid]3 de commissarissen vragen haar periodiek of op haar verzoek over voormelde aspecten verslag uit te brengen.]1

§ 3. Wanneer de moederonderneming een gemengde financiële holding is opgericht naar het recht van een ander land van de Europese Economische Ruimte, en het aanvullende groepstoezicht uitgeoefend wordt door de [3 toezichthoudende overheid]3, wordt de opdracht bepaald bij § 2 op overeenkomstige wijze uitgeoefend door de commissaris die met een vergelijkbare taak bij de gemengde financiële holding is aangesteld. Bij afwezigheid van een dergelijke commissaris wordt bedoelde opdracht uitgeoefend door de commissaris aangesteld bij een gereglementeerde onderneming naar Belgisch recht in de groep.
Art. 16. § 1er. Les fonctions du commissaire telles que visées par le Code des sociétés sont confiées, dans une compagnie financière mixte de droit belge, à un ou plusieurs réviseurs ou sociétés de réviseurs agréés par [3 l'autorité de contrôle]3 conformément, selon le cas, à l'article 52 de la loi bancaire, [2 à l'article 40 de la loi sur les assurances, à l'article 42 de la loi relative à la réassurance]2 ou à l'article 96 de la loi concernant les entreprises d'investissement.
Le collège des réviseurs ou les sociétés de réviseurs désignés auprès d'une compagnie financière mixte doivent présenter une composition telle qu'ils soient, soit individuellement soit ensemble, agréés dans chacun des secteurs financiers dans lesquels le groupe de services financiers exerce une activité importante. [3 L'autorité de contrôle]3 peut, par référence aux paramètres visés à l'article 2, §§ 3 en 4, déterminer ce qu'il y a lieu d'entendre par activité importante.
Les dispositions de la réglementation sectorielle en matière de contrôle révisoral sont applicables par analogie au commissaire visé à l'alinéa 1er.
§ 2. [1 Les commissaires désignés auprès de compagnies financières mixtes visées au § 1er collaborent au contrôle exercé par [3 l'autorité de contrôle]3, sous leur responsabilité personnelle et exclusive et conformément au présent paragraphe, aux règles de la profession et aux instructions de [3 l'autorité de contrôle]3. A cette fin :
ils évaluent le caractère adéquat des procédures de gestion des risques, des dispositifs de contrôle interne, ainsi que de l'organisation administrative et comptable, visés à l'article 13. Ils communiquent leurs conclusions en la matière à [3 l'autorité de contrôle]3;
ils font rapport à [3 l'autorité de contrôle]3 sur :
a) les résultats de l'examen limité des états visés à l'article 12, transmis par les compagnies financières mixtes à [3 l'autorité de contrôle]3 à la fin du premier semestre social, confirmant qu'ils n'ont pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que ces états n'ont pas, sous tous égards significativement importants, été établis selon les instructions en vigueur de [3 l'autorité de contrôle]3. Ils confirment en outre que ces états arrêtés en fin de semestre sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards significativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu'ils sont complets, c'est-à-dire qu'ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu'ils sont corrects, c'est-à-dire qu'ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis; ils confirment également n'avoir pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que ces états arrêtés en fin de semestre n'ont pas été établis par application des règles de comptabilisation et d'évaluation qui ont présidé à l'établissement des comptes consolidés afférents au dernier exercice; [3 l'autorité de contrôle]3 peut préciser quels sont en l'occurrence les états visés;
b) les résultats du contrôle des états visés à l'article 12, transmis par les compagnies financières mixtes à [3 l'autorité de contrôle]3 à la fin de l'exercice social, confirmant que ces états ont, sous tous égards significativement importants, été établis selon les instructions en vigueur de [3 l'autorité de contrôle]3. Ils confirment en outre que ces états arrêtés en fin d'exercice sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards significativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu'ils sont complets, c'est-à-dire qu'ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu'ils sont corrects, c'est-à-dire qu'ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis; ils confirment également que ces états arrêtés en fin d'exercice ont été établis par application des règles de comptabilisation et d'évaluation présidant à l'établissement des comptes consolidés; [3 l'autorité de contrôle]3 peut préciser quels sont en l'occurrence les états visés;
ils font d'initiative rapport à [3 l'autorité de contrôle]3 dès qu'ils constatent des décisions, des faits ou des évolutions qui influencent ou peuvent influencer de façon significative les aspects visés aux 1° et 2° et aux articles 9 à 11 ou qui peuvent constituer des violations du présent arrêté.
Sans préjudice des dispositions de l'alinéa 1er, 3°, [3 l'autorité de contrôle]3 peut demander aux commissaires de lui faire des rapports périodiques ou occasionnels sur les aspects précités.]1

§ 3. Lorsque l'entreprise mère est une compagnie financière mixte constituée selon le droit d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen, et que la surveillance complémentaire du groupe est exercée par [3 l'autorité de contrôle]3, les fonctions visées au § 2 sont exercées de façon analogue par le commissaire chargé de fonctions similaires auprès de la compagnie financière mixte. En l'absence d'un tel commissaire, les fonctions visées sont exercées par le commissaire désigné auprès d'une entreprise réglementée de droit belge du groupe.
Afdeling III. - Moederondernemingen van buiten de Europese Economische Ruimte.
Section III. - Entreprises mères relevant d'un Etat non membre de l'Espace économique européen.
Voorwerp en modaliteiten van toezicht.
Objet et modalités de la surveillance.
Art. 17. § 1. De gereglementeerde ondernemingen naar Belgisch recht, die deel uitmaken van een financiële dienstengroep met aan het hoofd een gemengde financiële holding of een gereglementeerde onderneming opgericht naar het recht van een land buiten de Europese Economische Ruimte, en die niet het voorwerp zijn van aanvullend groepstoezicht met toepassing van artikel 4 of artikel 5, worden onderworpen aan een aanvullend groepstoezicht volgens de bepalingen van dit artikel.
§ 2. De [2 toezichthoudende overheid]2 verifieert of de in § 1 bedoelde ondernemingen onderworpen zijn aan een door een bevoegde autoriteit van buiten de Europese Economische Ruimte uitgeoefend toezicht dat gelijkwaardig is met het aanvullende groepstoezicht uit hoofde van de bepalingen van de artikelen 4 en 5. Alvorens een beslissing te nemen raadpleegt de [2 toezichthoudende overheid]2 de relevante bevoegde autoriteiten over de al dan niet gelijkwaardigheid van dit aanvullende groepstoezicht. [1 De toezichthoudende overheid spant zich tot het uiterste in om te voldoen aan alle toepasselijke richtsnoeren opgesteld door het Gemengd Comité overeenkomstig de artikelen 16 en 56 van respectievelijk Verordening nr. 1093/2010, Verordening nr. 1094/2010 en Verordening nr. 1095/2010.]1.
Indien met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 19 een andere bevoegde autoriteit dan de [2 toezichthoudende overheid]2 belast zou zijn met het aanvullende groepstoezicht, geschiedt de verificatie en raadpleging door deze andere bevoegde autoriteit en kan de [2 toezichthoudende overheid]2 haar bevindingen en zienswijze over de in het eerste lid bedoelde gelijkwaardigheid aan deze andere bevoegde autoriteit meedelen.
[1 Wanneer de toezichthoudende overheid van mening verschilt over een door een andere bevoegde autoriteit uit hoofde van het eerste lid genomen besluit, is artikel 19 van respectievelijk Verordening nr. 1093/2010, Verordening nr. 1094/2010 en Verordening nr. 1095/2010 van toepassing.]1
§ 3. Indien de procedure bedoeld in § 2 leidt tot de vaststelling dat een gelijkwaardig aanvullend groepstoezicht ontbreekt, worden de betrokken gereglementeerde onderneming naar Belgisch recht onderworpen aan een aanvullend groepstoezicht met overeenkomstige toepassing van de regeling voor financiële dienstengroepen met aan het hoofd een onderneming naar het recht van een land van de Europese Economische Ruimte als bedoeld bij de artikelen 4 en 5.
§ 4. In afwijking van § 3 kan de [2 toezichthoudende overheid]2 als bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht, na overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten, beslissen een andere methode van aanvullend groepstoezicht toe te passen, welke methode de doelstellingen van het aanvullende toezicht als bepaald door de richtlijn dient te verwezenlijken. De [2 toezichthoudende overheid]2 kan meer bepaald eisen dat de gereglementeerde ondernemingen opgericht naar het recht van een land van de Europese Economische Ruimte worden gegroepeerd in een financiële dienstengroep met aan het hoofd een onderneming opgericht naar het recht van een land van de Europese Economische ruimte, met betrekking tot dewelke het bepaalde van artikelen 4 en 5 van toepassing is. De [2 toezichthoudende overheid]2 als bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht stelt de overige betrokken bevoegde autoriteiten van landen van de Europese Economische Ruimte, alsook de Europese [2 toezichthoudende overheid]2 in kennis van elke beslissing genomen met toepassing van deze paragraaf.
Art. 17. § 1er. Les entreprises réglementées de droit belge qui font partie d'un groupe de services financiers ayant à sa tête une compagnie financière mixte ou une entreprise réglementée constituée selon le droit d'un Etat non membre de l'Espace économique européen, et qui ne font pas l'objet d'une surveillance complémentaire exercée au niveau du groupe en application de l'article 4 ou de l'article 5, sont soumises à une surveillance complémentaire exercée au niveau du groupe selon les dispositions du présent article.
§ 2. [1 L'autorité de contrôle]1 vérifie si les entreprises visées au § 1er sont soumises à une surveillance, exercée par une autorité compétente d'un Etat non membre de l'Espace économique européen, équivalente à la surveillance complémentaire du groupe visée par les dispositions des articles 4 et 5. Avant de prendre sa décision, [1 l'autorité de contrôle]1 consulte les autorités compétentes concernées quant au caractère équivalent ou non de cette surveillance complémentaire du groupe.[2 L'autorité de contrôle met tout en oeuvre pour respecter toute orientation applicable élaborée par le comité mixte conformément aux articles 16 et 56 du Règlement n° 1093/2010, du Règlement n° 1094/2010 et du Règlement n° 1095/2010 respectivement.]2.
Si, par application analogue des dispositions de l'article 19, une autorité compétente autre que [1 l'autorité de contrôle]1 est chargée de la surveillance complémentaire du groupe, la vérification et la consultation sont effectuées par cette autre autorité compétente, et [1 l'autorité de contrôle]1 peut communiquer à cette autre autorité compétente ses constatations et son point de vue sur l'équivalence visée à l'alinéa 1er.
[2 Si l'autorité de contrôle n'est pas d'accord avec la décision prise par une autre autorité compétente en vertu de l'alinéa 1er, l'article 19 du Règlement n° 1093/2010, du Règlement n° 1094/2010 et du Règlement n° 1095/2010 respectivement s'applique.]2
§ 3. Si la procédure visée au § 2 permet de conclure à l'absence d'une surveillance complémentaire du groupe équivalente, les entreprises réglementées de droit belge concernées sont soumises à une surveillance complémentaire du groupe par application analogue du régime applicable aux groupes de services financiers ayant à leur tête une entreprise relevant du droit d'un Etat membre de l'Espace économique européen tels que visés aux articles 4 et 5.
§ 4. Par dérogation au § 3, [1 l'autorité de contrôle]1 peut, en sa qualité d'autorité compétente chargée de la surveillance complémentaire du groupe, décider, après concertation avec les autres autorités compétentes concernées, d'appliquer une autre méthode de surveillance complémentaire du groupe, laquelle méthode doit réaliser les objectifs de la surveillance complémentaire du groupe tels que définis par la directive. [1 L'autorité de contrôle]1 peut, en particulier, exiger que les entreprises réglementées constituées selon le droit d'un Etat membre de l'Espace économique européen soient groupées dans un groupe de services financiers ayant à sa tête une entreprise constituée selon le droit d'un Etat membre de l'Espace économique européen, et auquel s'appliquent les dispositions des articles 4 et 5. [1 L'autorité de contrôle]1 avise, en sa qualité d'autorité compétente chargée de la surveillance complémentaire du groupe, les autres autorités compétentes concernées d'Etats membres de l'Espace économique européen, ainsi que [1 l'autorité de contrôle]1 européenne, de toute décision prise en application du présent paragraphe.
Afdeling IV. - Andere financiële groepen.
Section IV. - Autres groupes financiers.
Identificatie en voorwerp van toezicht.
Identification et objet de la surveillance.
Art. 18. Indien in andere dan de in de artikelen 4, 5 en 6 bedoelde gevallen een onderneming een deelneming of een andere kapitaalbinding heeft met één of meer andere ondernemingen, of, buiten een deelneming of andere kapitaalbinding, op dergelijke ondernemingen invloed van betekenis uitoefent, en een van de voormelde ondernemingen een gereglementeerde onderneming naar Belgisch recht is, kan de [1 toezichthoudende overheid]1 als relevante bevoegde autoriteit samen met de andere relevante bevoegde autoriteiten van landen van de Europese Economische Ruimte in gemeenschappelijk overleg beslissen een aanvullend groepstoezicht uit te oefenen op de gereglementeerde ondernemingen in de groep. De relevante bevoegde autoriteiten bepalen gezamenlijk de modaliteiten van dit aanvullende groepstoezicht, en meer in het bijzonder welke artikelen van dit besluit alsdan van toepassing zijn. Zij nemen hun beslissing, rekening houdend met de doelstellingen van het aanvullende groepstoezicht als bepaald in dit besluit. De bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht op de groep wordt aangeduid met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 19.
Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid is vereist dat wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 1, 12°, d) en e).
Indien met toepassing van het eerste lid beslist wordt tot aanvullend groepstoezicht, is het bepaalde bij artikel 3, § 2, op overeenkomstige wijze van toepassing.
Art. 18. Si, dans des cas autres que ceux visés aux articles 4, 5 et 6, une entreprise a une participation dans, ou un autre lien en capital avec, une ou plusieurs autres entreprises, ou, en dehors de toute participation ou de tout autre lien en capital, exerce une influence notable sur de telles entreprises, et que l'une des entreprises précitées soit une entreprise réglementée de droit belge, [1 l'autorité de contrôle]1 peut, en sa qualité d'autorité compétente concernée, décider en concertation avec les autres autorités compétentes concernées d'Etats membres de l'Espace économique européen d'exercer une surveillance complémentaire sur les entreprises réglementées du groupe. Les autorités compétentes concernées définissent conjointement les modalités de cette surveillance complémentaire du groupe, et déterminent en particulier les articles du présent arrêté qui sont applicables. Elles prennent leur décision en tenant compte des objectifs de la surveillance complémentaire du groupe tels que définis par le présent arrêté. L'autorité compétente chargée de la surveillance complémentaire du groupe est désignée par application analogue des dispositions de l'article 19.
Pour l'application des dispositions de l'alinéa 1er, il doit être satisfait aux conditions de l'article 1er, 12°, d) et e).
Si par application de l'alinéa 1er, il est décidé de procéder à une surveillance complémentaire du groupe, les dispositions de l'article 3, § 2, sont applicables par analogie.
Afdeling V. - Bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht.
Section V. - Autorité compétente chargée de la surveillance complémentaire du groupe.
Aanwijzing.
Désignation.
Art. 19. § 1. Het aanvullende groepstoezicht op gereglementeerde ondernemingen naar Belgisch recht in een financiële dienstengroep als bedoeld in artikel 4 en 5, wordt uitgeoefend door de [1 toezichthoudende overheid]1.
§ 2. In afwijking van § 1 en wanneer de gereglementeerde onderneming aan het hoofd van de financiële dienstengroep een buitenlandse onderneming is met zetel in een land van de Europese Economische Ruimte, wordt het aanvullende groepstoezicht uitgeoefend door de bevoegde autoriteit van die gereglementeerde onderneming.
§ 3. In afwijking van § 1 en wanneer de gemengde financiële holding aan het hoofd van de financiële dienstengroep een buitenlandse onderneming is met zetel in een land van de Europese Economische Ruimte, wordt het aanvullende groepstoezicht als volgt uitgeoefend :
indien de gemengde financiële holding in bedoeld land een dochteronderneming heeft die een gereglementeerde onderneming is, door de bevoegde autoriteit van dat land;
zijn er in die dat land meerdere dochterondernemingen die een gereglementeerde onderneming zijn, met elk een verschillende bevoegde autoriteit, dan wordt het aanvullende groepstoezicht uitgeoefend door de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming in de belangrijkste financiële sector;
indien meerdere gemengde financiële holdings, met zetel in verschillende landen van de Europese Economische Ruimte, aan het hoofd staan van de financiële dienstengroep, en er in elk van deze landen een gereglementeerde onderneming is, wordt het aanvullende groepstoezicht uitgeoefend door de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming met het hoogste balanstotaal indien de activiteiten van deze ondernemingen plaatsvinden in dezelfde financiële sector, of door de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming in de belangrijkste financiële sector;
indien meerdere gereglementeerde ondernemingen met zetel in de Europese Economische Ruimte dezelfde gemengde financiële holding als moederonderneming hebben en aan geen van deze ondernemingen vergunning is verleend in het land waar de gemengde financiële holding haar zetel heeft, wordt het aanvullende groepstoezicht uitgeoefend door de bevoegde autoriteit die vergunning heeft verleend aan de gereglementeerde onderneming met het hoogste balanstotaal in de belangrijkste financiële sector;
indien de financiële dienstengroep een groep is zonder moederonderneming aan het hoofd van de groep, of in de andere dan de voormelde gevallen, wordt het aanvullende groepstoezicht uitgeoefend door de bevoegde autoriteit die vergunning heeft verleend aan de gereglementeerde onderneming met het hoogste balanstotaal in de belangrijkste financiële sector;
§ 4. De [1 toezichthoudende overheid]1 en de andere relevante bevoegde autoriteiten kunnen in bijzondere gevallen in gemeen overleg overeenkomen om van de in §§ 1, 2 en 3 bepaalde bevoegdheidsregeling af te wijken, indien de toepassing ervan - gelet op de structuur van de financiële dienstengroep en het relatieve belang van het bedrijf van de groep in de verschillende landen van de Europese Economische Ruimte - niet passend zou zijn, en een andere bevoegde autoriteit belasten met het aanvullende groepstoezicht. Zij consulteren de financiële dienstengroep alvorens hierover een beslissing te nemen.
Art. 19. § 1er. La surveillance complémentaire du groupe exercée sur les entreprises réglementées de droit belge faisant partie d'un groupe de services financiers tel que visé aux articles 4 et 5 est exercée par [1 l'autorité de contrôle]1.
§ 2. Par dérogation au § 1er et lorsque l'entreprise réglementée à la tête du groupe de services financiers est une entreprise étrangère dont le siège social se situe dans un Etat membre de l'Espace économique européen, la surveillance complémentaire du groupe est exercée par l'autorité compétente de cette entreprise réglementée.
§ 3. Par dérogation au § 1er et lorsque la compagnie financière mixte à la tête du groupe de services financiers est une entreprise étrangère dont le siège social se situe dans un Etat membre de l'Espace économique européen, la surveillance complémentaire du groupe est exercée selon les règles suivantes :
si la compagnie financière mixte dans l'Etat visé a une filiale qui est une entreprise réglementée, par l'autorité compétente de cet Etat;
s'il y a dans cet Etat plusieurs filiales qui sont des entreprises réglementées, avec chacune une autorité compétente différente, la surveillance complémentaire du groupe est exercée par l'autorité compétente de l'entreprise réglementée du secteur financier le plus important;
si plusieurs compagnies financières mixtes ayant leur siège social dans différents Etats membres de l'Espace économique européen sont à la tête du groupe de services financiers, et qu'il y ait une entreprise réglementée dans chacun de ces Etats, la surveillance complémentaire du groupe est exercée par l'autorité compétente de l'entreprise réglementée ayant le total de bilan le plus élevé si les activités de ces entreprises se situent dans le même secteur financier, ou par l'autorité compétente de l'entreprise réglementée du secteur financier le plus important;
si plusieurs entreprises réglementées ayant leur siège social dans l'Espace économique européen ont comme entreprise mère la même compagnie financière mixte et qu'aucune de ces entreprises ne dispose d'un agrément dans l'Etat où la compagnie financière mixte a son siège social, la surveillance complémentaire du groupe est exercée par l'autorité compétente ayant accordé l'agrément à l'entreprise réglementée dont le total de bilan est le plus élevé dans le secteur financier le plus important;
si le groupe de services financiers est un groupe sans entreprise mère à la tête du groupe, ainsi que dans les cas autres que les cas précités, la surveillance complémentaire du groupe est exercée par l'autorité compétente ayant accordé l'agrément à l'entreprise réglementée dont le total de bilan est le plus élevé dans le secteur financier le plus important;
§ 4. [1 L'autorité de contrôle]1 et les autres autorités compétentes concernées peuvent, dans des cas particuliers, convenir d'un commun accord de déroger aux règles de compétence définies aux §§ 1er, 2 et 3 si leur application, compte tenu de la structure du groupe de services financiers et l'importance relative de l'activité du groupe dans les différents Etats membres de l'Espace économique européen, n'est pas adéquate, et charger une autre autorité compétente de la surveillance complémentaire du groupe. Elles consultent le groupe de services financiers avant de prendre une décision en la matière.
Taken.
Tâches.
Art. 20. § 1. De taken van de bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht omvatten :
a) het coördineren van de vergaring en de verspreiding van relevante en essentiële informatie, in normale omstandigheden en in noodsituaties, met inbegrip van de verspreiding van informatie die van belang is voor het toezicht door een bevoegde autoriteit krachtens de sectorale regelgeving;
b) het toezicht op, inclusief de evaluatie van, de financiële situatie van de financiële dienstengroep;
c) het toezicht op de naleving van de bepalingen van de artikelen 9, 10 en 11 inzake solvabiliteit, risicoconcentratie en intragroepverrichtingen, en op de naleving van de rapporteringverplichtingen bedoeld in artikel 12;
d) het toezicht op, inclusief de evaluatie van, de structuur, de organisatie en de interne controleprocedures van de financiële dienstengroep, als bepaald in artikel 13;
e) het plannen en coördineren van toezichtactiviteiten, in normale omstandigheden en in noodsituaties, in samenwerking met de andere relevante bevoegde autoriteiten;
f) het nemen van maatregelen en sancties t.a.v. de gemengde financiële holding, als voorzien bij de artikelen 102 en 103 van de bankwet, de artikelen 81 en 82 van de verzekeringswet, [1 de artikelen 73 en 74 van de herverzekeringswet,]1 de artikelen 108 en 109 van de wet op de beleggingsondernemingen en [2 de artikelen 254 en 255 van de wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles]2;
g) andere taken, maatregelen en beslissingen die hem zijn toegewezen door of in uitvoering van dit besluit en de richtlijn.
§ 2. De relevante bevoegde autoriteiten, desgevallend in overleg met andere bevoegde autoriteiten, kunnen overeenkomen de bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht andere toezichtstaken toe te vertrouwen, buiten de in § 1 bedoelde taken.
§ 3. Wanneer de [3 toezichthoudende overheid]3 optreedt als bevoegde autoriteit, zonder belast te zijn met het aanvullend groepstoezicht, werkt zij, onverminderd het bepaalde bij hoofdstuk III, samen met de andere bevoegde autoriteiten en met de bevoegde autoriteit belast met het aanvullend groepstoezicht, met het oog op de uitvoering van de in § 1 bedoelde taken.
§ 4. Onverminderd de delegatie van specifieke toezichtbevoegdheden en -verantwoordelijkheden overeenkomstig de sectorale regelgeving, doet de aanwijzing van een bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht geen afbreuk aan de in de sectorale regelgeving bepaalde taken en verantwoordelijkheden van de betrokken bevoegde autoriteiten.
Art. 20. § 1er. Les tâches de l'autorité compétente chargée de la surveillance complémentaire du groupe comprennent :
a) la coordination de la collecte et de la diffusion des informations utiles et essentielles, en situation normale ainsi qu'en situation d'urgence, en ce compris la diffusion des informations importantes pour la surveillance par une autorité compétente en vertu de la réglementation sectorielle;
b) le contrôle, en ce compris l'évaluation, de la situation financière du groupe de services financiers;
c) le contrôle du respect des dispositions des articles 9, 10 et 11 en matière de solvabilité, de concentration des risques et d'opérations intragroupe, ainsi que du respect des obligations de reporting visées à l'article 12;
d) le contrôle, en ce compris l'évaluation, de la structure, de l'organisation et des dispositifs de contrôle interne du groupe de services financiers, tels que visés à l'article 13;
e) la planification et la coordination d'activités de surveillance, en situation normale ainsi qu'en situation d'urgence, en coopération avec les autres autorités compétentes concernées;
f) la prise de mesures et de sanctions à l'égard de la compagnie financière mixte, telles que prévues par les articles 102 et 103 de la loi bancaire, les articles 81 et 82 de la loi sur les assurances, [1 les articles 73 et 74 de la loi relative à la réassurance,]1les articles 108 et 109 de la loi concernant les entreprises d'investissement et [3 les articles 254 et 255 de la loi relative à certaines formes de gestion collective de portefeuilles d'investissement]3;
g) d'autres tâches, mesures et décisions qui leur sont dévolues en vertu ou en exécution du présent arrêté et de la directive.
§ 2. Les autorités compétentes concernées peuvent, le cas échéant en concertation avec d'autres autorités compétentes, convenir de confier à l'autorité compétente chargée de la surveillance complémentaire du groupe d'autres tâches de surveillance que celles prévues au § 1er.
§ 3. Lorsque [2 l'autorité de contrôle]2 agit en qualité d'autorité compétente, sans être chargée de la surveillance complémentaire du groupe, elle collabore, sans préjudice des dispositions du chapitre III, avec les autres autorités compétentes ainsi qu'avec l'autorité compétente chargée de la surveillance complémentaire du groupe, en vue de l'exécution des tâches visées au § 1er.
§ 4. Sans préjudice de la délégation de compétences et de responsabilités de surveillance spécifiques conformément à la réglementation sectorielle, la désignation d'une autorité compétente chargée de la surveillance complémentaire du groupe ne modifie en rien les tâches et responsabilités des autorités compétentes concernées telles que définies par la réglementation sectorielle.
HOOFDSTUK III. - Informatieverstrekking, verificatie ter plaatse, samenwerking en informatie-uitwisseling tussen bevoegde autoriteiten.
CHAPITRE III. - Communication d'informations, vérification sur place, coopération et échange d'informations entre autorités compétentes.
Informatieverstrekking aan de Commissie.
Communication d'informations à la Commission.
Art. 21. § 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 12 inzake periodieke rapportering, kan de [1 toezichthoudende overheid]1 de van een financiële dienstengroep deel uitmakende gereglementeerde en niet gereglementeerde ondernemingen vragen haar alle gegevens en inlichtingen te verstrekken die nuttig zijn voor haar toezicht als bepaald in hoofdstuk II.
§ 2. De buiten het aanvullende groepstoezicht gelaten ondernemingen behorende tot een financiële dienstengroep moeten de [1 toezichthoudende overheid]1 alle gegevens en inlichtingen te verstrekken die deze dienstig acht voor haar aanvullende groepstoezicht.
Indien een gereglementeerde onderneming naar Belgisch recht die deel uitmaakt van een financiële dienstengroep niet in het aanvullende groepstoezicht wordt opgenomen door de buitenlandse bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht, verstrekt de onderneming aan het hoofd van de groep de [1 toezichthoudende overheid]1 de gegevens en inlichtingen die zij dienstig acht voor haar toezicht op die gereglementeerde onderneming in uitvoering van de sectorale regelgeving.
§ 3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, kunnen de in §§ 1 en 2 bedoelde gegevens en inlichtingen aan de [1 toezichthoudende overheid]1 worden meegedeeld door de naar Belgisch recht opgerichte gemengde financiële holding of gereglementeerde ondernemingen, deel uitmakend van de financiële dienstengroep. In dit geval blijft de buitenlandse onderneming samen met de rapporterende onderneming verantwoordelijk voor de juistheid en de stipte mededeling van de informatie.
Wanneer de ondernemingen op wie de in §§ 1 en 2 bedoelde verplichtingen van toepassing zijn hun zetel buiten de Europese Economische Ruimte hebben, kan de [1 toezichthoudende overheid]1 eisen dat de gegevens en inlichtingen haar worden meegedeeld door de gemengde financiële holding of de gereglementeerde ondernemingen, met zetel in een land van de Europese Economische Ruimte en deel uitmakend van de financiële dienstengroep.
§ 4. De commissarissen-revisoren aangesteld bij een naar Belgisch recht opgerichte gereglementeerde onderneming of gemengde financiële holding hebben voor de uitoefening van hun opdracht in uitvoering van de sectorale regelgeving en van dit besluit, toegang tot en inzage in alle documenten en stukken die uitgaan van ondernemingen in de groep, ongeacht of zij in het aanvullende groepstoezicht zijn opgenomen of buiten het aanvullende groepstoezicht zijn gelaten.
Het bepaalde bij artikel 76 van de wet van 2 augustus 2002 is van toepassing wat de informatie betreft waarvan zij kennis hebben genomen in uitvoering van het eerste lid.
Art. 21. § 1er. Sans préjudice des dispositions de l'article 12 en matière de reporting périodique, [1 l'autorité de contrôle]1 peut demander aux entreprises réglementées ou non qui font partie d'un groupe de services financiers de lui communiquer tous les renseignements et informations utiles pour sa surveillance telle que définie au chapitre II.
§ 2. Les entreprises qui ne sont pas incluses dans la surveillance complémentaire du groupe et qui font partie d'un groupe de services financiers sont tenues de communiquer à [1 l'autorité de contrôle]1 tous les renseignements et informations que celle-ci estime nécessaires pour sa surveillance complémentaire du groupe.
Si une entreprise réglementée de droit belge qui fait partie d'un groupe de services financiers n'est pas incluse dans la surveillance complémentaire du groupe par l'autorité compétente étrangère chargée de la surveillance complémentaire du groupe, la société a la tête du groupe transmet à [1 l'autorité de contrôle]1 les renseignements et informations que celle-ci juge utiles pour sa surveillance de l'entreprise réglementée en exécution de la réglementation sectorielle.
§ 3. Sans préjudice des dispositions de l'alinéa 2, les renseignements et informations visés aux §§ 1er et 2 peuvent être communiqués à [1 l'autorité de contrôle]1 par la compagnie financière mixte ou les entreprises réglementées constituée(s) selon le droit belge et faisant partie du groupe de services financiers. Dans ce cas, l'entreprise étrangère demeure, avec l'entreprise qui fait rapport, responsable de ce que ces renseignements et informations sont corrects et communiqués de façon ponctuelle.
Lorsque les entreprises soumises aux obligations visées aux §§ 1er et 2 ont leur siège social en dehors de l'Espace économique européen, [1 l'autorité de contrôle]1 peut exiger que les renseignements et informations lui soient communiqués par la compagnie financière mixte ou les entreprises réglementées ayant leur siège social dans un Etat membre de l'Espace économique européen et faisant partie du groupe de services financiers.
§ 4. Les commissaires-réviseurs désignés auprès d'une entreprise réglementée ou d'une compagnie financière mixte constituée selon le droit belge ont, pour l'exercice de leurs fonctions en exécution de la réglementation sectorielle et du présent arrêté, accès à et peuvent prendre connaissance de tous les documents et pièces émanant des entreprises du groupe, que ces entreprises soient ou non incluses dans la surveillance complémentaire du groupe.
Les dispositions de l'article 76 de la loi du 2 août 2002 sont applicables en ce qui concerne les informations dont ils ont pris connaissance en exécution de l'alinéa 1er.
Informatieverstrekking aan buitenlandse bevoegde autoriteiten.
Communication d'informations aux autorités compétentes étrangères.
Art. 22. De gereglementeerde en niet gereglementeerde ondernemingen naar Belgisch recht die deel uitmaken van een financiële dienstengroep verstrekken de buitenlandse bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht op de financiële dienstengroep, de gegevens en inlichtingen die deze dienstig acht voor haar toezicht :
wanneer deze autoriteit ressorteert onder een land van de Europese Economische Ruimte, in het kader van haar toezicht als bepaald door de richtlijn;
wanneer deze autoriteit ressorteert onder een land buiten de Europese Economische Ruimte en de verplichting tot samenwerking en informatieverstrekking voortvloeit uit samenwerkingsovereenkomsten die de [1 toezichthoudende overheid]1 met de betrokken buitenlandse bevoegde autoriteit heeft gesloten.
Art. 22. Les entreprises réglementées ou non de droit belge qui font partie d'un groupe de services financiers communiquent à l'autorité compétente étrangère chargée de la surveillance complémentaire du groupe de services financiers les renseignements et informations que celle-ci juge utiles pour sa surveillance :
lorsque cette autorité relève d'un Etat membre de l'Espace économique européen, dans le cadre de sa surveillance telle que définie par la directive;
lorsque cette autorité relève d'un Etat non membre de l'Espace économique européen et que l'obligation de coopération et d'information découle d'accords de coopération conclus par [1 l'autorité de contrôle]1 avec l'autorité compétente étrangère concernée.
Gegevensuitwisseling binnen de groep.
Echange de données au sein du groupe.
Art. 23. De ondernemingen naar Belgisch en buitenlands recht die deel uitmaken van een financiële dienstengroep delen elkaar de gegevens en inlichtingen mee die nodig zijn voor de uitoefening van het aanvullende groepstoezicht als bepaald bij dit besluit, zonder dat zij beperkingen van privaatrechtelijke aard kunnen tegen stellen, tenzij andersluidende wettelijke bepalingen.
Art. 23. Les entreprises de droit belge et étranger qui font partie d'un groupe de services financiers se communiquent mutuellement les renseignements et informations utiles pour l'exercice de la surveillance complémentaire du groupe organisée par le présent arrêté, sans pouvoir y opposer d'objections tirées du droit privé, sauf dispositions légales contraires.
Verificatie ter plaatse.
Vérification sur place.
Art. 24. § 1. De [1 toezichthoudende overheid]1 kan de naleving van de verplichtingen bepaald bij dit besluit en de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en inlichtingen ter plaatse in de in artikel 21 bedoelde ondernemingen nagaan. Zij kan op kosten van deze ondernemingen commissarissen-revisoren of door haar daartoe erkende buitenlandse deskundigen hiermee belasten.
§ 2. Wanneer de in § 1 bedoelde ondernemingen gevestigd zijn in een ander land van de Europese Economische Ruimte, verricht de [1 toezichthoudende overheid]1 deze toetsing of laat zij die verrichten, nadat de bevoegde autoriteit uit dit andere land hiervan in kennis is gesteld en voorzover deze de toetsing niet zelf verricht of toestaat dat een revisor of deskundige ze verricht. Indien de [1 toezichthoudende overheid]1 de toetsing niet zelf verricht, zal zij niettemin aan de verificatie deelnemen zo zij dit noodzakelijk acht.
Wanneer bedoelde ondernemingen hun zetel buiten de Europese Economische Ruimte hebben, worden de modaliteiten van de verificatie ter plaatse, geregeld in overeenkomsten als bedoeld in artikel 22, 2°.
§ 3. Buitenlandse bevoegde autoriteiten zijn in het kader van hun aanvullend groepstoezicht gerechtigd om ter plaatse in ondernemingen bedoeld in artikel 21, met zetel in België, de gegevens en inlichtingen te toetsen die zij hebben ontvangen of kunnen erkende revisoren of door hen erkende deskundigen hiermee belasten, zodanig dat
indien de bevoegde autoriteit ressorteert onder een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, de regeling van § 2, eerste lid, van overeenkomstige toepassing is;
indien de bevoegde autoriteit ressorteert onder een land buiten de Europese Economische Ruimte, de regeling van § 2, tweede lid, van overeenkomstige toepassing is.
Art. 24. § 1er. [1 L'autorité de contrôle]1 peut procéder à la vérification sur place, dans les entreprises visées à l'article 21, du respect des obligations visées par le présent arrêté ainsi que du caractère correct et complet des renseignements et informations communiqués. Elle peut, aux frais de ces entreprises, charger des commissaires-réviseurs ou des experts étrangers agréés par elle à cet effet, de procéder à ces vérifications.
§ 2. Lorsque les entreprises visées au § 1er sont établies dans un autre Etat membre de l'Espace économique européen, [1 l'autorité de contrôle]1 ne procède ou ne fait procéder a ces vérifications qu'après en avoir avisé l'autorité compétente de cet Etat et à moins que cette autorité ne procède elle-même à ces vérifications ou permette qu'un réviseur ou un expert y procède. Si [1 l'autorité de contrôle]1 ne procède pas elle-même à la vérification, elle peut néanmoins y être associée si elle le juge nécessaire.
Lorsque les entreprises visées ont leur siège social en dehors de l'Espace économique européen, les modalités de la vérification sur place sont réglées dans des accords tels que visés à l'article 22, 2°.
§ 3. Dans le cadre de leur surveillance complémentaire du groupe, les autorités compétentes étrangères sont habilitées à procéder sur place, dans les entreprises visées à l'article 21 ayant leur siège social en Belgique, à la vérification des renseignements et informations qu'elles ont reçus, ou peuvent charger des réviseurs agréés ou des experts agréés par elles d'y procéder, aux conditions suivantes :
lorsque l'autorité compétente relève d'un Etat membre de l'Espace économique européen, les dispositions du § 2, alinéa 1er, sont applicables par analogie;
lorsque l'autorité compétente relève d'un Etat non membre de l'Espace économique européen, les dispositions du § 2, alinéa 2, sont applicables par analogie.
Samenwerking en informatie-uitwisseling tussen bevoegde autoriteiten.
Coopération et échange d'informations entre autorités compétentes.
Art. 25. § 1. De [2 toezichthoudende overheid]2 werkt waar nodig samen met buitenlandse bevoegde autoriteiten [1 en het Europees Comité voor Systeemrisico's]1 bij de uitoefening van het toezicht op gereglementeerde ondernemingen die deel uitmaken van een financiële dienstengroep. De [2 toezichthoudende overheid]2 kan aan deze bevoegde autoriteiten [1 en het Europees Comité voor Systeemrisico's]1 de vertrouwelijke informatie meedelen die dienstig is voor de uitoefening van het toezicht krachtens de sectorale regelgeving en voor het aanvullende groepstoezicht m.b.t. financiële dienstengroepen. Onverminderd het bepaalde in de sectorale regelgeving, delen zij elkaar op aanvraag alle relevante informatie mee en delen uit eigen beweging alle essentiële informatie mee.
De [2 toezichthoudende overheid]2 kan informatie over ondernemingen die deel uitmaken van een financiële dienstengroep ook uitwisselen met de [1 respectievelijk in artikel 36/14, § 1, 1°, van de wet van 22 februari 1998 of]1 in artikel 75, § 1, 1°, van de wet van 2 augustus 2002 bedoelde autoriteiten die geen bevoegde autoriteit zijn [1 naargelang de Nationale Bank van België of de Autoriteit Financiële Diensten en Markten de toezichthoudende overheid is]1.
De samenwerking en informatie-uitwisseling bedoeld in deze paragraaf geschiedt met inachtneming van het bepaalde in [1 respectievelijk hoofdstuk IV/1, afdeling 4, van de wet van 22 februari 1998 of]1 hoofdstuk 3, afdeling 6, van de wet van 2 augustus 2002 [1 naargelang de Nationale Bank van België of de Autoriteit Financiële Diensten en Markten de toezichthoudende overheid is]1.
§ 2. De [2 toezichthoudende overheid]2 als bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht kan de buitenlandse bevoegde autoriteiten van de onderneming aan het hoofd van de groep verzoeken deze onderneming alle informatie te vragen die relevant is voor de uitoefening van haar aanvullende groepstoezicht, en vragen die informatie aan haar door te geven. Wanneer deze autoriteit ressorteert onder een land buiten de Europese Economische Ruimte, is het bepaalde van artikel 22, 2°, van overeenkomstige toepassing.
§ 3. Wanneer voor de toepassing van artikel 21, § 1, de gevraagde informatie in uitvoering van de sectorale regelgeving reeds gerapporteerd is aan een andere bevoegde autoriteit zal de bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht zich in de mate van het mogelijke tot die autoriteit richten voor het verkrijgen van die informatie.
Art. 25. § 1er. [1 L'autorité de contrôle]1 collabore, au besoin, avec des autorités compétentes étrangères [2 et le Comité européen du risque systémique]2 pour l'exercice du contrôle des entreprises réglementées qui font partie d'un groupe de services financiers. [1 L'autorité de contrôle]1 peut communiquer à ces autorités compétentes [2 et le Comité européen du risque systémique]2 les informations confidentielles utiles pour l'exercice de la surveillance en vertu de la règlementation sectorielle et pour la surveillance complémentaire de groupes de services financiers. Sans préjudice des dispositions de la réglementation sectorielle, elles se communiquent mutuellement, sur demande, toutes les informations utiles et communiquent de leur propre initiative toutes les informations essentielles.
[1 L'autorité de contrôle]1 peut également échanger des informations relatives à des entreprises faisant partie d'un groupe de services financiers avec les autorités visées à l'article 75, § 1er, 1°, de la loi du 2 août 2002 [2 respectivement à l'article 36/14, § 1er, 1°, de la loi du 22 février 1998 ou ]2 qui ne sont pas des autorités compétentes [2 , selon que l'autorité de contrôle est la Banque Nationale de Belgique ou l'Autorité des services et marchés financiers]2.
La coopération et l'échange d'informations visés au présent paragraphe se font dans le respect des dispositions [2 respectivement du chapitre IV/1, section 4, de la loi du 22 février 1998 ou]2 du chapitre 3, section 6, de la loi du 2 août 2002 [2 , selon que l'autorité de contrôle est la Banque Nationale de Belgique ou l'Autorité des services et marchés financiers]2.
§ 2. [1 L'autorité de contrôle]1 peut, en sa qualité d'autorité chargée de la surveillance complémentaire du groupe, demander aux autorités compétentes étrangères de l'entreprise à la tête du groupe de requérir de cette entreprise toutes les informations utiles pour l'exercice de sa surveillance complémentaire du groupe, et demander que ces informations lui soient transmises. Lorsque cette autorité relève d'un Etat non membre de l'Espace économique européen, les dispositions de l'article 22, 2°, sont applicables par analogie.
§ 3. Lorsque, pour l'application de l'article 21, § 1er, les informations demandées en exécution de la réglementation sectorielle ont déjà été communiquées à une autre autorité compétente, l'autorité compétente chargée de la surveillance complémentaire du groupe s'adressera dans la mesure du possible à cette autorité pour obtenir ces informations.
Samenwerkingsovereenkomsten.
Accords de coopération.
Art. 26. Onverminderd de samenwerkingsovereenkomsten bedoeld in de overige bepalingen van dit besluit, sluit de [1 toezichthoudende overheid]1 met buitenlandse bevoegde autoriteiten de overeenkomsten die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van het aanvullende groepstoezicht als bepaald bij dit besluit. Deze overeenkomsten regelen waar nodig de modaliteiten van uitoefening van dit toezicht, met inbegrip van de modaliteiten van samenwerking en informatie-uitwisseling onder bevoegde autoriteiten, met in acht neming van het bepaalde in hoofdstuk 3, afdeling 6, van de wet van 2 augustus 2002. Zij kunnen inzonderheid de procedures regelen van de besluitvorming tussen de relevante bevoegde autoriteiten als bedoeld in de artikelen 2, 3, 9, 17, 18, 24 en 27.
Art. 26. Sans préjudice des accords de coopération visés dans les autres dispositions du présent arrêté, [1 l'autorité de contrôle]1 conclut avec des autorités compétentes étrangères les accords qui sont nécessaires à la réalisation de la surveillance complémentaire du groupe telle que définie dans le présent arrêté. Ces accords règlent au besoin les modalités de l'exercice de ce contrôle, en ce comprises les modalités de coopération et d'échange d'informations entre autorités compétentes, dans le respect des dispositions du chapitre 3, section 6, de la loi du 2 août 2002. Ils peuvent en particulier régler les procédures de prise de décision entre les autorités compétentes concernées telles que visées aux articles 2, 3, 9, 17, 18, 24 et 27.
HOOFDSTUK IV. - Administratieve maatregelen en sancties.
CHAPITRE IV. - Mesures et sanctions administratives.
Art. 27. Wanneer de [2 toezichthoudende overheid]2 vaststelt dat een gereglementeerde onderneming, financiële holding, verzekeringsholding of gemengde financiële holding, welke deel uitmaakt van een financiële dienstengroep, de sectorale regelgeving onrechtmatig omzeilt of tracht te omzeilen, neemt zij ten aanzien van de gereglementeerde onderneming de herstelmaatregelen en kan zij ten aanzien van de voormelde ondernemingen de administratieve sancties opleggen, als voorzien in de artikelen 57, 102 en 103 van de bankwet, voor wat kredietinstellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings betreft, in de artikelen 26, 27, 81 en 82 van de verzekeringswet, voor wat verzekeringsondernemingen, verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings betreft, [1 in de artikelen 47, 48, 73 en 74 van de herverzekeringswet, voor wat herverzekeringsondernemingen betreft,]1 in de artikelen 104, 108 en 109 van de wet op de beleggingsondernemingen voor wat beleggingsondernemingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings betreft, en in de artikelen 197, 201 en 202 van de wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles voor wat beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging, financiële holdings en gemengde financiële holdings betreft.
De [2 toezichthoudende overheid]2 en de andere betrokken bevoegde autoriteiten coördineren waar nodig de administratieve maatregelen die zij nemen in uitvoering van de bepalingen inzake het aanvullende groepstoezicht m.b.t. financiële dienstengroepen.
Art. 27. Lorsque [2 l'autorité de contrôle]2 constate qu'une entreprise réglementée, compagnie financière, société holding d'assurances ou compagnie financière mixte, faisant partie d'un groupe de services financiers, contourne ou essaie de contourner la réglementation sectorielle, elle prend, à l'égard de l'entreprise réglementée, les mesures de redressement et peut imposer, aux entreprises précitées, les sanctions administratives telles que prévues aux articles 57, 102 et 103 de la loi bancaire, en ce qui concerne les établissements de crédit, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes, aux articles 26, 27, 81 et 82 de la loi sur les assurances, en ce qui concerne les entreprises d'assurances, les sociétés holdings d'assurances et les compagnies financières mixtes, [1 aux articles 47, 48, 73 et 74 de la loi relative à la réassurance, en ce qui concerne les entreprises de réassurance,]1 aux articles 104, 108 et 109 de la loi concernant les entreprises d'investissement, en ce qui concerne les entreprises d'investissement, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes, et aux articles 197, 201 et 202 de la loi relative à certaines formes de gestion collective de portefeuilles d'investissement, en ce qui concerne les sociétés de gestion d'organismes de placement collectif, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes.
[2 L'autorité de contrôle]2 et les autres autorités compétentes concernées coordonnent au besoin les mesures administratives qu'elles prennent en exécution des dispositions en matière de surveillance complémentaire des groupes de services financiers.
TITEL II. - Overige bepalingen
TITRE II. - Autres dispositions.
HOOFDSTUK I. - Wijzigingsbepalingen met betrekking tot het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende het algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen en het koninklijk besluit van 12 augustus 1994 over het toezicht op geconsolideerde basis op kredietinstellingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions modifiant l'arrêté royal du 22 février 1991 portant règlement général relatif au contrôle des entreprises d'assurances et l'arrêté royal du 12 août 1994 relatif au contrôle sur base consolidée des établissements de crédit.
Art. 28. § 1. In bijlage V, I, van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende het algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen worden de volgende wijzigingen aangebracht :
in punt 1.1. wordt de laatste zin van het eerste lid vervangen als volgt :
" De CBFA kan evenwel op elk ogenblik de toepassing van de methode van aftrek en aggregatie zoals beschreven in punt I.3. of de methode van aftrek van vereiste zoals beschreven in punt I.4. toestaan of opleggen, wanneer deze methodes meer aangepast zijn. ";
in punt 1.1. wordt het vierde lid aangevuld als volgt :
" Indien tussen ondernemingen in een verzekeringsgroep geen kapitaalbanden bestaan, bepaalt de CBFA met welk deel van het solvabiliteitstekort rekening dient gehouden. ";
in punt 1.2.a) wordt de tweede zin vervangen als volgt :
" Daartoe moeten de waarden van de bestanddelen bedoeld in artikel 15bis, § 4, van de wet worden geëlimineerd in de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge. De wijze van eliminatie hangt af van de toegepaste methode (methode gebaseerd op de consolidatie van de jaarrekeningen, methode van aftrek en aggregatie of methode van aftrek van vereiste). ";
in punt 2, eerste lid, worden de woorden " de bepalingen van het koninklijk besluit van 6 maart 1990 op de geconsolideerde jaarrekening van de ondernemingen, zoals van toepassing verklaard op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen door het koninklijk besluit van 13 februari 1996 betreffende de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen " vervangen door de woorden " de bepalingen van het wetboek van vennootschappen en het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen die het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening regelen ", en worden in het vijfde lid de woorden " in toepassing van het koninklijk besluit van 6 maart 1990 op de geconsolideerde jaarrekening van de ondernemingen, zoals van toepassing verklaard op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen door het koninklijk besluit van 13 februari 1996 betreffende de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen " weggelaten;
de bestaande tekst wordt aangevuld met een punt 4, luidende :
" 4. Berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge door toepassing van de methode van aftrek van vereiste
Onder dezelfde voorwaarden als voor de methode bedoeld in punt I.3. kan de CBFA het gebruik toestaan van de methode van aftrek van een vereiste.
De aangepaste solvabiliteitsmarge is als dan het verschil tussen :
i) de som van de vermogensbestanddelen die in aanmerking mogen worden genomen voor de solvabiliteitsmarge van de deelnemende verzekeringsonderneming, en
ii) de som van
- de solvabiliteitsvereiste van de deelnemende verzekeringsonderneming, en
- het proportioneel deel van de solvabiliteitsvereiste van de verbonden verzekeringsonderneming. ".
§ 2. In bijlage V, punt II, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
in het vierde lid worden de woorden " de bepalingen van het koninklijk besluit van 6 maart 1990 op de geconsolideerde jaarrekening van de ondernemingen, zoals van toepassing verklaard op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen door het koninklijk besluit van 13 februari 1996 " vervangen door de woorden " de bepalingen van het wetboek van vennootschappen en het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen die het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening regelen ";
het zevende lid wordt vervangen als volgt :
" Indien dit niet het geval is, zal naargelang het geval, hetzij de methode van aftrek en aggregatie zoals beschreven in punt I.3, hetzij de methode van aftrek van vereiste zoals beschreven in punt I.4, worden toegepast. ";
het achtste lid wordt vervangen als volgt :
" Wanneer blijkt dat de toepassing van de methode gebaseerd op de consolidatie van jaarrekeningen belangrijke praktische problemen stelt, kan de CBFA de toepassing toestaan of voorschrijven van hetzij de methode van aftrek en aggregatie zoals beschreven in punt I.3, hetzij de methode van aftrek van vereiste zoals beschreven in punt I.4. ";
de bestaande tekst wordt aangevuld met het volgende lid :
" Wanneer een verzekeringsonderneming naar Belgisch recht een dochteronderneming is van een andere verzekeringsonderneming, een verzekeringsholding of een herverzekeringsonderneming, met zetel in een derde land, kan de CBFA, in afwijking van de voorgaande bepalingen, met de bevoegde autoriteit van het land waar de moederonderneming haar zetel heeft of met een andere geschikte buitenlandse bevoegde autoriteit in een tussen hen afgesloten samenwerkingsovereenkomst overeenkomen dat deze laatste het aanvullend toezicht uitoefent, op voorwaarde dat dit toezicht evenwaardig is met de bepalingen van de Richtlijn 98/78/EG. In dat geval moet de naleving van de verplichtingen minstens eenmaal per jaar binnen vier maanden na de afsluiting van het boekjaar van de moederonderneming bevestigd worden aan de CBFA door de buitenlandse bevoegde autoriteit. Bij de verklaring van naleving dient de geconsolideerde jaarrekening gevoegd van de moederonderneming. Het bepaalde bij artikel 77 van de wet van 2 augustus 2002 is op bedoelde overeenkomsten van toepassing. ".
Art. 28. § 1er. Dans l'annexe V, I, de l'arrêté royal du 22 février 1991 portant règlement général relatif au contrôle des entreprises d'assurances sont apportées les modifications suivantes :
au point 1.1, la dernière phrase de l'alinéa 1er est remplacée par la phrase suivante :
" Toutefois, la CBFA peut autoriser ou imposer à tout moment l'application de la méthode de déduction et d'agrégation telle qu'elle est décrite au point I.3, ou la méthode basée sur la déduction d'exigences telle qu'elle est décrite au point I.4, lorsque ces méthodes sont plus adéquates. ";
au point 1.1, l'alinéa 4 est complété comme suit :
" S'il n'existe pas de liens en capital entre des entreprises faisant partie d'un groupe d'assurances, la CBFA détermine la partie du déficit de solvabilité qui doit être prise en compte. ";
au point 1.2.a), la deuxième phrase est remplacée par la phrase suivante :
" A cet effet, les valeurs des éléments visés à l'article 15bis, § 4, de la loi doivent être éliminées pour le calcul de la marge de solvabilité ajustée. Le mode d'élimination dépend de la méthode appliquée (méthode basée sur la consolidation comptable, méthode de déduction et d'agrégation ou méthode basée sur la déduction d'exigences). ";
au point 2, alinéa 1er, les mots " aux dispositions de l'arrêté royal du 6 mars 1990 relatif aux comptes consolidés des entreprises tel que rendu applicable aux entreprises d'assurances et de réassurances par l'arrêté royal du 13 février 1996 relatif aux comptes consolidés des entreprises d'assurances " sont remplacés par les mots " aux dispositions du Code des sociétés et de l'arrêté royal du 30 janvier 2001 portant exécution du Code des sociétés, qui régissent l'établissement des comptes consolidés " et, à l'alinéa 5, les mots " en application de l'arrêté royal du 6 mars 1990 relatif aux comptes consolidés des entreprises tel que rendu applicable aux entreprises d'assurances par l'arrêté royal du 13 février 1996 relatif aux comptes consolidés des entreprises d'assurances et de réassurances " sont supprimés;
le texte actuel est complété par un point 4, rédigé comme suit :
" 4. Calcul de la marge de solvabilité ajustée par application de la méthode basée sur la déduction d'exigences
La CBFA peut, dans les mêmes conditions que celles prévalant pour l'utilisation de la méthode visée au point I.3, autoriser l'application de la méthode basée sur la déduction d'exigences.
La marge de solvabilité ajustée est, dans ce cas, la différence entre :
i) la somme des éléments qui peuvent être pris en considération comme éléments constitutifs de la marge de solvabilité de l'entreprise d'assurances participante, et
ii) la somme
- de l'exigence de solvabilité de l'entreprise d'assurances participante, et
- de la part proportionnelle de l'exigence de solvabilité de l'entreprise d'assurances liée. ".
§ 2. Dans l'annexe V, point II, du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
à l'alinéa 4, les mots " aux dispositions de l'arrêté royal du 6 mars 1990 relatif aux comptes consolidés des entreprises tel que rendu applicable aux entreprises d'assurances et de réassurances par l'arrête royal du 13 février 1996 " sont remplacés par les mots " aux dispositions du Code des sociétés et de l'arrêté royal du 30 janvier 2001 portant exécution du Code des sociétés, qui régissent l'établissement des comptes consolidés ";
l'alinéa 7 est remplacé par l'alinéa suivant :
" Si tel n'est pas le cas, la méthode de déduction et d'agrégation telle qu'elle est décrite au point I.3, ou la méthode basée sur la déduction d'exigences telle qu'elle est décrite au point I.4, sera, selon le cas, appliquée. ";
l'alinéa 8 est remplacé par l'alinéa suivant :
" De même, lorsqu'il s'avère que l'application de la méthode basée sur la consolidation comptable pose des problèmes pratiques importants, la CBFA peut autoriser ou prescrire l'application, soit de la méthode de déduction et d'agrégation telle qu'elle est décrite au point I.3, soit de la méthode basée sur la déduction d'exigences telle qu'elle est décrite au point I.4. ";
le texte actuel est complété par l'alinéa suivant :
" Lorsqu'une entreprise d'assurances de droit belge est la filiale d'une autre entreprise d'assurances, d'une société holding d'assurances ou d'une entreprise de réassurances ayant son siège social dans un pays tiers, la CBFA peut, par dérogation aux dispositions précédentes, convenir, par voie d'accord de coopération, soit avec l'autorité compétente du pays dans lequel l'entreprise mère a établi son siège soit avec une autre autorité compétente étrangère appropriée, que cette dernière exercera la surveillance complémentaire, à condition que cette surveillance soit équivalente à celle prévue par la Directive 98/78/CE. Dans ce cas, le respect des obligations doit être confirmé à la CBFA au moins une fois par an, dans un délai de quatre mois à compter de la clôture de l'exercice social de l'entreprise mère, par l'autorité compétente étrangère. La déclaration de respect doit être accompagnée des comptes consolidés de l'entreprise mère. Les dispositions de l'article 77 de la loi du 2 août 2002 sont applicables aux accords visés. "
Art. 29. § 1. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 augustus 1994 over het toezicht op geconsolideerde basis op kredietinstellingen worden de volgende wijzigingen aangebracht :
de tekst van punt 2° wordt vervangen als volgt :
" 2° richtlijn : de richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen ";
het punt 3° wordt opgeheven;
de tekst van punt 7° wordt aangevuld als volgt :
" worden voor de toepassing van dit besluit met een financiële instelling gelijkgesteld, de beheervennoot-schappen van instellingen voor collectieve belegging als bedoeld in de wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, de vereffeningsinstellingen waarvan sprake in artikel 2, 17°, van de wet van 2 augustus 2002 en de instellingen waarvan het bedrijf bestaat uit het gehele of gedeeltelijke operationele beheer van diensten verstrekt door dergelijke vereffeningsinstellingen. ";
de tekst van punt 8° wordt vervangen als volgt :
" 8° financiële holding : een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk een of meer kredietinstellingen of financiële instellingen zijn en waarvan ten minste één dochteronderneming een kredietinstelling is, en die geen gemengde financiële holding is in de zin van artikel 49bis van de wet ";
de tekst van punt 9° wordt vervangen als volgt :
" 9° gemengde holding : een onderneming die noch een kredietinstelling is, noch een financiële holding, noch een gemengde financiële holding in de zin van artikel 49bis van de wet, en, alleen of gezamenlijk met anderen, de controle heeft over een of meerdere kredietinstellingen ";
de bestaande tekst wordt aangevuld als volgt :
" 11° de Commissie : de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen ".
§ 2. In artikel 2, § 3, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
de tekst van punt 3° wordt aangevuld met het volgende lid :
" Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt onweerlegbaar beschouwd als deelneming, het rechtstreekse of onrechtstreekse bezit van maatschappelijke rechten die 20 % of meer vertegenwoordigen van de stemrechten of het kapitaal van een onderneming. ";
in punt 4°, eerste lid, worden de woorden " artikelen 13, 14 en 15 van het koninklijk besluit op de geconsolideerde jaarrekening van de ondernemingen " vervangen door de woorden " artikelen 107, 108 en 109 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen ", worden in het tweede lid de woorden " artikel 13, eerste lid, 1° " vervangen door de woorden " artikel 107, eerste lid, 1° ", en wordt het laatste lid opgeheven;
de bestaande tekst, wordt aangevuld met een punt 5°, luidende :
" 5° Verzekeringsondernemingen, herverzekeringsondernemingen en verzekeringsholdings, die hetzij een dochteronderneming zijn, hetzij waarin een deelneming wordt gehouden, worden onder de hiernavolgende voorwaarden opgenomen in de geconsolideerde positie voor de toepassing van de artikelen 3 en 4 :
a) indien de onderneming die de moederonderneming is of die de deelneming aanhoudt het hoofd van een financiële dienstengroep is m.b.t. dewelke aanvullend groepstoezicht uitgeoefend wordt in de zin van artikel 49bis, en de verzekeringsonderneming, herverzekeringsonderneming en verzekeringsholding in het aanvullend groepstoezicht worden opgenomen, worden deze buiten de geconsolideerde positie gelaten voor de toepassing van de artikelen 3 en 4;
b) indien de onderneming die de moederonderneming is of die de deelneming aanhoudt niet het hoofd van een financiële dienstengroep is in de zin van artikel 49bis, wordt de verzekeringsonderneming, herverzekeringsonderneming of verzekeringsholding in de geconsolideerde positie opgenomen :
- voor de toetsing van de solvabiliteitscoëfficiënten : de Commissie kan in het bijzonder een van de berekeningsmethoden toestaan of opleggen voorzien bij het in uitvoering van artikel 49bis van de wet genomen koninklijk besluit over de financiële dienstengroepen, dan wel de aftrekregel voorzien in de in uitvoering van artikel 43 van de wet genomen solvabiliteitsreglementering;
- voor de toetsing van de begrenzingnormen betreffende risicoconcentratie.
§ 3. De titel van hoofdstuk II van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : " Moederondernemingen die een kredietinstelling zijn met zetel in de Europese Economische Ruimte ".
§ 4. Artikel 3 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met de volgende paragraaf :
" § 4. Kredietinstellingen naar Belgisch recht die een dochteronderneming zijn van een kredietinstelling met zetel in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of waarin een dergelijke buitenlandse instelling een deelneming houdt, zijn op overeenkomstige wijze onderworpen aan een toezicht op basis van de geconsolideerde positie van de buitenlandse kredietinstelling overeenkomstig het bepaalde in de richtlijn. "
§ 5. De titel van hoofdstuk III van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : " Moederondernemingen die een financiële holding zijn met zetel in de Europese Economische Ruimte ".
§ 6. In artikel 4 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
in § 1, eerste lid, worden de woorden " met als moederonderneming een financiële holding " vervangen door de woorden " met als moederonderneming een financiële holding met zetel in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte ";
§ 1, tweede lid, 1°, wordt het tweede lid vervangen als volgt :
" met de solvabiliteitscoëfficiënten worden bedoeld, de solvabiliteitscoëfficiënten die de eigen vermogensverplichting definiëren in verhouding tot het risicovolume, met uitsluiting van de vereiste inzake de algemene solvabiliteitscoëfficiënt en de vereiste ter dekking van de vaste activa ";
in § 1, tweede lid, wordt een punt 1°bis ingevoegd, luidende :
" 1°bis het beleid, de organisatie en de interne controleprocedures voor het geconsolideerde geheel en de invloed van de geconsolideerde ondernemingen op andere ondernemingen ";
de tekst wordt aangevuld met de volgende paragrafen :
" § 3. Niettegenstaande het bepaalde in § 2, eerste lid, moet de Commissie in kennis worden gesteld van de identiteit van de natuurlijke personen of rechtspersonen die al dan niet stemrechtverlenende aandelen die al dan niet het kapitaal vertegenwoordigen van een financiële holding naar Belgisch recht wensen te verwerven, zodanig dat zij, rechtstreeks of onrechtstreeks, ten minste 5 % bezitten in het kapitaal of de stemrechten.
Het bepaalde bij artikel 24 van de wet is op overeenkomstige wijze van toepassing.
§ 4. Niettegenstaande het bepaalde in § 2, eerste lid, moet de effectieve leiding van een financiële holding naar Belgisch recht toevertrouwd worden aan ten minste twee natuurlijke personen, die voor de uitoefening van hun functies beschikken over de vereiste professionele betrouwbaarheid en de passende ervaring.
Het bepaalde bij artikelen 19, 26, 27 en 28 van de wet is op overeenkomstige wijze van toepassing. "
§ 7. In artikel 5 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
§ 3, derde lid, wordt vervangen als volgt :
" Voor de toepassing van het bepaalde bij § 2, 2°, en het eerste en het tweede lid van onderhavige paragraaf, sluit de Commissie met de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomsten, overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 75, § 1, 4°, en 77, § 2, van de wet van 2 augustus 2002 ";
§ 4 wordt opgeheven.
§ 8. In artikel 6 van hetzelfde besluit wordt § 2 opgeheven en wordt in §§ 1 en 3 elke verwijzing naar § 2 opgeheven.
§ 9. In artikel 7, § 2, eerste lid, 1°, van hetzelfde besluit worden de woorden " artikel 4, § 1, tweede lid, 2° " vervangen door de woorden " artikel 4, § 1, tweede lid, 1°bis en 2° ".
§ 10. In hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk IIIbis ingevoegd, luidende :
" Hoofdstuk IIIbis - Moederondernemingen met zetel buiten de Europese Economische Ruimte
Artikel 7bis. § 1. Kredietinstellingen naar Belgisch recht met als moederonderneming een kredietinstelling of financiële holding, met zetel buiten een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en welke kredietinstellingen niet reeds het voorwerp zijn van geconsolideerd toezicht overeenkomstig het bepaalde in de hoofdstukken II en III, worden aan geconsolideerd toezicht onderworpen volgens de bepalingen van dit artikel.
§ 2. De Commissie verifieert of de in § 1 bedoelde kredietinstellingen onderworpen zijn aan een door een bevoegde autoriteit van buiten de Europese Economische Ruimte uitgeoefend toezicht dat gelijkwaardig is met het geconsolideerd toezicht uit hoofde van de bepalingen van de hoofdstukken II en III. Alvorens een beslissing te nemen raadpleegt de Commissie de andere betrokken bevoegde autoriteiten uit landen van de Europese Economische Ruimte over de al dan niet gelijkwaardigheid van dit geconsolideerde toezicht. Zij houdt rekening met de richtsnoeren die het Europees Comité voor het Bankwezen dienaangaande uitbrengt overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn.
Indien met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 5 een andere bevoegde autoriteit dan de Commissie belast zou zijn met het geconsolideerde toezicht, kan de Commissie haar bevindingen en zienswijze over de in het eerste lid bedoelde gelijkwaardigheid aan deze andere bevoegde autoriteit meedelen.
§ 3. Indien de procedure in § 2 leidt tot de vaststelling dat een gelijkwaardig geconsolideerd toezicht ontbreekt, worden de betrokken kredietinstellingen naar Belgisch recht onderworpen aan een geconsolideerd toezicht met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in de hoofdstukken II en III
.
§ 4. In afwijking van § 3 kan de Commissie als bevoegde autoriteit belast met het geconsolideerde toezicht, na overleg met de andere betrokken bevoegde autoriteiten, beslissen een andere passende methode van toezicht toe te passen, welke methode de doelstellingen van het geconsolideerde toezicht als bepaald door de richtlijn dient te verwezenlijken. De Commissie kan meer bepaald eisen dat de kredietinstellingen en de eventuele andere instellingen onder prudentieel toezicht, opgericht naar het recht van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, worden ondergebracht in een groep met aan het hoofd een onderneming opgericht naar het recht van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en de bepalingen van hoofdstuk II en III toepassen op basis van de geconsolideerde positie van deze onderneming. De Commissie als bevoegde autoriteit belast met het geconsolideerde toezicht stelt de overige betrokken bevoegde autoriteiten en de Europese Commissie in kennis van elke beslissing genomen met toepassing van deze paragraaf.
§ 5. Voor de toepassing van het bepaalde bij §§ 3 en 4 sluit de Commissie de nodige overeenkomsten met de betrokken buitenlandse bevoegde autoriteiten overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 75, § 1, 4°, en 77, § 2, van de wet van 2 augustus 2002. ".
§ 11. In artikel 8, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
in § 1 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende :
" Het lid bepaalde bij artikel 4, § 1, tweede lid, 2°, is op overeenkomstige wijze van toepassing op de verrichtingen tussen de kredietinstelling en de gemengde holding en haar dochterondernemingen. ";
in § 2 worden de woorden " overeenkomsten afgesloten tussen de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen en de betrokken buitenlandse bevoegde autoriteiten " vervangen door de woorden " overeenkomsten afgesloten tussen de Commissie en de betrokken buitenlandse bevoegde autoriteiten, overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 75, § 1, 4°, en 77, § 2, van de wet van 2 augustus 2002 ".
§ 12. In hoofdstuk IV van hetzelfde besluit wordt een artikel 8bis ingevoegd, luidende :
" Artikel 8bis.
Onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit de toepassing van de reglementaire coëfficiënten inzake risicoconcentratie opgelegd in uitvoering van artikel 43 van de wet, oefent de Commissie een algemeen toezicht uit op de verrichtingen die plaatsvinden tussen een kredietinstelling naar Belgisch recht enerzijds en haar moederonderneming die een gemengde holding is en de andere dochterondernemingen van deze laatste anderzijds.
De kredietinstellingen dienen te beschikken over een passende administratieve en boekhoudkundige organisatie en risicobeheer- en interne controleprocedures, die een correcte identificatie, meting en opvolging van de in het eerste lid bedoelde verrichtingen waarborgen. De Commissie ziet hierop toe. Zij kan specifieke rapporteringverplichtingen voorschrijven betreffende de in het eerste lid bedoelde verrichtingen.
Indien de aard en de omvang van de in het eerste lid bedoelde verrichtingen een bedreiging vormen voor de financiële positie van de betrokken kredietinstelling, neemt de Commissie passende maatregelen. Onverminderd eventuele andere maatregelen kan zij eisen dat deze verrichtingen worden afgebouwd. ".
§ 13. In artikel 10, § 1, van hetzelfde besluit worden de woorden " hoofdstukken II en III " vervangen door " hoofdstukken II, III en IIIbis. "
§ 14. In artikel 11, 2°, van hetzelfde besluit worden de woorden " samenwerkingsovereenkomsten die de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen met de betrokken buitenlandse bevoegde autoriteiten heeft gesloten " vervangen door de woorden " samenwerkingsovereenkomsten die de Commissie met de betrokken buitenlandse bevoegde autoriteiten heeft gesloten, overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 75, § 1, 4°, en 77, § 2, van de wet van 2 augustus 2002 ".
§ 15. Artikel 13, § 2, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt aangevuld als volgt :
" Indien de Commissie de verificatie niet zelf verricht, zal zij niettemin daaraan deelnemen zo zij dit noodzakelijk acht. ".
§ 16. De artikelen 14, 15, 16 en 17 van hetzelfde besluit worden opgeheven.
§ 17. In hetzelfde besluit wordt, met uitzondering van artikel 1, 11°, elke verwijzing naar de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen vervangen door de Commissie en worden de woorden " de Europese Gemeenschap " vervangen door de woorden " de Europese Economische Ruimte ".
Art. 29. § 1er. A l'article 1er de l'arrêté royal du 12 août 1994 relatif au contrôle sur base consolidée des établissements de crédit sont apportées les modifications suivantes :
le 2° est remplacé par la disposition suivante :
" 2° la directive : la Directive 2000/12/CE du Parlement européen et du Conseil du 20 mars 2000 concernant l'accès à l'activité des établissements de crédit et son exercice; ";
le 3° est abrogé;
le 7° est complété comme suit :
" pour l'application du présent arrêté, sont assimilés à des établissements financiers les sociétés de gestion d'organismes de placement collectif visées dans la loi relative à certaines formes de gestion collective de portefeuilles d'investissement, les organismes de liquidation visés à l'article 2, 17°, de la loi du 2 août 2002 ainsi que les organismes dont l'activité consiste à assurer, en tout ou en partie, la gestion opérationnelle de services fournis par de tels organismes de liquidation ";
le 8° est remplacé par la disposition suivante :
" 8° compagnie financière : un établissement financier dont les entreprises filiales sont exclusivement ou principalement un ou plusieurs établissements de crédit ou établissements financiers, l'une au moins de ces filiales étant un établissement de crédit, et qui n'est pas une compagnie financière mixte au sens de l'article 49bis de la loi; ";
le 9° est remplacé par la disposition suivante :
" 9° compagnie mixte : une entreprise autre qu'un établissement de crédit, une compagnie financière ou une compagnie financière mixte au sens de l'article 49bis de la loi, qui contrôle exclusivement ou conjointement avec d'autres un ou plusieurs établissements de crédit; ";
le texte actuel est complété comme suit :
" 11° la Commission : la Commission bancaire, financière et des Assurances. ".
§ 2. A l'article 2, § 3, du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
le 3° est complété par l'alinéa suivant :
" Pour l'application des alinéas 1er et 2, est considéré de manière irréfragable comme constitutif d'une participation le fait de détenir, directement ou indirectement, des droits sociaux qui représentent 20 % ou plus des droits de vote ou du capital d'une entreprise. ";
au 4°, alinéa 1er, les mots " aux articles 13, 14 et 15 de l'arrêté royal relatif aux comptes consolides des entreprises " sont remplacés par les mots " aux articles 107, 108 et 109 de l'arrêté royal du 30 janvier 2001 portant exécution du Code des sociétés ", tandis qu'à l'alinéa 2, les mots " l'article 13, alinéa 1er, 1° " sont remplacés par les mots " l'article 107, alinéa 1er, 1° " et que le dernier alinéa est abrogé;
le texte actuel est complété par un 5°, rédigé comme suit :
" 5° Pour l'application des articles 3 et 4, les entreprises d'assurances, les entreprises de réassurances et les sociétés holdings d'assurances qui sont soit des filiales, soit des entreprises dans lesquelles est détenue une participation, sont incluses dans la situation consolidée aux conditions énoncées ci-dessous :
a) si l'entreprise qui est l'entreprise mère ou qui détient la participation, est à la tête d'un groupe de services financiers soumis à une surveillance complémentaire au sens de l'article 49bis, et que l'entreprise d'assurances, l'entreprise de réassurances et la société holding d'assurances sont incluses dans la surveillance complémentaire du groupe, ces dernières sont laissées en dehors de la situation consolidée pour l'application des articles 3 et 4;
b) si l'entreprise qui est l'entreprise mère ou qui détient la participation, n'est pas à la tête d'un groupe de services financiers au sens de l'article 49bis, l'entreprise d'assurances, l'entreprise de réassurances ou la société holding d'assurances est incluse dans la situation consolidée :
- pour la vérification des coefficients de solvabilité : la Commission peut, en particulier, permettre ou imposer l'utilisation de l'une des méthodes de calcul prévues par l'arrêté royal relatif aux groupes de services financiers, pris en exécution de l'article 49bis de la loi, ou l'application de la règle de déduction prévue par la réglementation en matière de solvabilité, prise en exécution de l'article 43 de la loi;
- pour la vérification des normes de limitation en matière de concentration des risques.
§ 3. L'intitulé du chapitre II du même arrêté est remplacé par l'intitulé suivant : " Des entreprises mères qui sont des établissements de crédit ayant leur siège social dans l'Espace économique européen ".
§ 4. L'article 3 du même arrêté est complété par le paragraphe suivant :
" § 4. Les établissements de crédit de droit belge qui sont filiales d'un établissement de crédit ayant son siège social dans un autre Etat membre de l'Espace économique européen ou dans lesquels un tel établissement étranger détient une participation, sont soumis, de manière analogue, à une surveillance exercée sur la base de la situation consolidée de l'établissement de crédit étranger, conformément aux dispositions de la directive "
§ 5. L'intitulé du chapitre III du même arrêté est remplacé par l'intitulé suivant : " Des entreprises mères qui sont des compagnies financières ayant leur siège social dans l'Espace économique européen ".
§ 6. A l'article 4 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
au § 1er, alinéa 1er, les mots " dont l'entreprise mère est une compagnie financière " sont remplacés par les mots " dont l'entreprise mère est une compagnie financière ayant son siège social dans un Etat membre de l'Espace économique européen ";
au § 1er, alinéa 2, 1°, le deuxième alinéa est remplacé par l'alinéa suivant :
" par coefficients de solvabilité, il y a lieu d'entendre les coefficients de solvabilité qui définissent l'obligation en fonds propres par rapport au volume des risques, à l'exclusion de l'exigence relative au coefficient de solvabilité général et de l'exigence visant la couverture des actifs immobilisés ";
au § 1er, alinéa 2, il est inséré un 1°bis, rédigé comme suit :
" 1°bis la gestion, l'organisation et les procédures de contrôle interne pour l'ensemble consolidé, ainsi que l'influence exercée par les entreprises comprises dans la situation consolidée sur d'autres entreprises ";
le texte est complété par les paragraphes suivants :
" § 3. Nonobstant les dispositions du § 2, alinéa 1er, la Commission doit être informée de l'identité des personnes physiques ou morales qui envisagent d'acquérir des titres ou parts, représentatifs ou non du capital, conférant ou non le droit de vote, d'une compagnie financière de droit belge en sorte qu'elles détiendraient, directement ou indirectement, 5 % au moins du capital ou des droits de vote.
Les dispositions de l'article 24 de la loi s'appliquent par analogie.
§ 4. Nonobstant les dispositions du § 2, alinéa 1er, la direction effective d'une compagnie financière de droit belge doit être confiée à deux personnes physiques au moins qui possèdent l'honorabilité professionnelle nécessaire et l'expérience adéquate pour exercer ces fonctions.
Les dispositions des articles 19, 26, 27 et 28 de la loi s'appliquent par analogie. "
§ 7. A l'article 5 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
le § 3, alinéa 3, est remplacé par l'alinéa suivant :
" Pour l'application des dispositions du § 2, 2°, et des alinéas 1er et 2 du présent paragraphe, la Commission conclut des conventions avec les autorités compétentes concernées, conformément aux dispositions des articles 75, § 1er, 4°, et 77, § 2, de la loi du 2 août 2002 ";
le § 4 est abrogé.
§ 8. A l'article 6 du même arrêté, le § 2 est abrogé et toute référence faite au § 2 dans les §§ 1er et 3 est supprimée.
§ 9. A l'article 7, § 2, alinéa 1er, 1°, du même arrêté, les mots " l'article 4, § 1er, alinéa 2, 2° " sont remplacés par les mots " l'article 4, § 1er, alinéa 2, 1°bis et 2° ".
§ 10. Il est inséré dans le même arrêté un chapitre IIIbis, rédigé comme suit :
" Chapitre IIIbis. Des entreprises mères ayant leur siège social en dehors de l'Espace économique européen
Article 7bis. § 1er. Les établissements de crédit de droit belge dont l'entreprise mère est un établissement de crédit ou une compagnie financière ayant son siège social dans un Etat non membre de l'Espace économique européen et qui ne font pas déjà l'objet d'un contrôle sur base consolidée conformément aux dispositions des chapitres II et III, sont soumis à un contrôle sur base consolidée selon les dispositions du présent article.
§ 2. La Commission vérifie si les établissements de crédit visés au § 1er sont soumis à un contrôle exercé par une autorité compétente d'un Etat non membre de l'Espace économique européen qui soit équivalent au contrôle sur base consolidée prévu par les dispositions des chapitres II et III. Avant de prendre sa décision, la Commission consulte les autres autorités compétentes concernées d'Etats membres de l'Espace économique européen sur l'équivalence ou non de ce contrôle sur base consolidée. Elle tient compte de toute ligne directrice émise par le Comité bancaire européen en la matière conformément aux dispositions de la directive.
Si, par application analogue des dispositions de l'article 5, une autorité compétente autre que la Commission est chargée du contrôle sur base consolidée, la Commission peut communiquer à cette autre autorité compétente ses constatations et son point de vue sur l'équivalence visée à l'alinéa 1er.
§ 3. Si la procédure prévue au § 2 permet de conclure à l'absence d'un contrôle sur base consolidée équivalent, les établissements de crédit de droit belge concernés sont soumis à un contrôle sur base consolidée par application analogue des dispositions des chapitres II et III.
§ 4. Par dérogation au § 3, la Commission peut, en sa qualité d'autorité compétente chargée du contrôle sur base consolidée, décider, après concertation avec les autres autorités compétentes concernées, d'appliquer une autre méthode de contrôle adéquate, laquelle doit réaliser les objectifs du contrôle sur base consolidée tels que vises par la directive. La Commission peut, en particulier, exiger que les établissements de crédit et les éventuels autres établissements soumis a une surveillance prudentielle qui sont constitués selon le droit d'un Etat membre de l'Espace économique européen, soient inclus dans un groupe ayant à sa tête une entreprise constituée selon le droit d'un Etat membre de l'Espace économique européen, et appliquer les dispositions des chapitres II et III sur la base de la situation consolidée de cette entreprise. La Commission, en sa qualité d'autorité compétente chargée du contrôle sur base consolidée, avise les autres autorités compétentes concernées et la Commission européenne de toute décision prise en application du présent paragraphe.
§ 5. Pour l'application des dispositions des §§ 3 et 4, la Commission conclut les conventions nécessaires avec les autorités compétentes étrangères concernées, conformément aux dispositions des articles 75, § 1er, 4°, et 77, § 2, de la loi du 2 août 2002 ".
§ 11. A l'article 8, du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
le § 1er est complété par l'alinéa suivant :
" La disposition énoncée à l'article 4, § 1er, alinéa 2, 2°, s'applique par analogie aux opérations effectuées entre l'établissement de crédit et la compagnie mixte et ses filiales. ";
au § 2, les mots " des conventions conclues entre la Commission bancaire, financière et des Assurances et les autorités compétentes étrangères concernées " sont remplacés par les mots " des conventions conclues entre la Commission et les autorités compétentes étrangères concernées conformément aux dispositions des articles 75, § 1er, 4°, et 77, § 2, de la loi du 2 août 2002 ".
§ 12. Un article 8bis, rédigé comme suit, est inséré dans le chapitre IV du même arrêté :
" Article 8bis.
Sans préjudice des obligations qui découlent de l'application des coefficients réglementaires en matière de concentration des risques, imposés en exécution de l'article 43 de la loi, la Commission exerce un contrôle général sur les opérations qui ont lieu entre un établissement de crédit de droit belge, d'une part, et son entreprise mère qui est une compagnie mixte et les autres filiales de cette dernière, d'autre part.
Les établissements de crédit doivent disposer d'une organisation administrative et comptable adéquate, ainsi que de procédures de gestion des risques et de dispositifs de contrôle interne appropriés qui permettent d'identifier, de mesurer et de suivre correctement les opérations visées à l'alinéa 1er. La Commission veille à ce que tel soit bien le cas. Elle peut imposer des obligations de reporting spécifiques concernant les opérations visées à l'alinéa 1er.
Si la nature et l'ampleur des opérations visées à l'alinéa 1er compromettent la situation financière de l'établissement de crédit concerné, la Commission prend des mesures appropriées. Sans préjudice d'autres mesures éventuelles, elle peut exiger que ces opérations soient réduites. "
§ 13. A l'article 10, § 1er, du même arrêté, les mots " chapitres II et III " sont remplacés par les mots " chapitres II, III et IIIbis. "
§ 14. A l'article 11, 2°, du même arrête, les mots " de conventions de collaboration conclues par la Commission bancaire, financière et des Assurances avec les autorités compétentes étrangères concernées " sont remplaces par les mots " de conventions de collaboration conclues par la Commission avec les autorités compétentes étrangères concernées conformément aux dispositions des articles 75, § 1er, 4°, et 77, § 2, de la loi du 2 août 2002 ".
§ 15. L'article 13, § 2, alinéa 1er, du même arrêté est complété comme suit :
" Si la Commission ne procède pas elle-même à la vérification, elle peut néanmoins y être associée, si elle le juge nécessaire. ".
§ 16. Les articles 14, 15, 16 et 17 du même arrêté sont abrogés.
§ 17. Dans le même arrêté, les mots " Commission bancaire, financière et des Assurances " sont remplacés, sauf à l'article 1er, 11°, par le mot " Commission " et les mots " la Communauté européenne " sont remplacés par les mots " l'Espace économique européen ".
HOOFDSTUK II. - Slotbepalingen.
CHAPITRE II. - Dispositions finales.
Art. 30. Dit besluit treedt in werking op de dag van zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. De voorschriften van titel I en titel II, hoofdstuk I, zijn op de aan dit besluit onderworpen ondernemingen van toepassing met ingang van het boekjaar van deze ondernemingen dat aanvangt in 2005.
(In afwijking van het eerste lid dienen de gemengde financiële holdings naar Belgisch recht zich uiterlijk op 1 januari 2008 te conformeren aan het bepaalde bij artikel 15, § 1, derde lid.) <KB 2007-10-29/33, art. 41, 002; Inwerkingtreding : 08-11-2007>
Art. 30. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge. Les dispositions du Titre Ier et du titre II, chapitre Ier, s'appliquent aux entreprises soumises au présent arrêté à partir de l'exercice qui commence, pour ces entreprises, en 2005.
(Par dérogation à l'alinéa 1er, les compagnies financières mixtes de droit belge doivent se conformer aux dispositions de l'article 15, § 1er, alinéa 3, pour le 1er janvier 2008 au plus tard.) <AR 2007-10-29/33, art. 41, 002; En vigueur : 08-11-2007>
Art. 31. Onze Minister bevoegd voor Economie en Onze Minister bevoegd voor Financiën zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 21 november 2005.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Financiën,
D. REYNDERS
De Minister van Economie,
M. VERWILGHEN
Art. 31. Notre Ministre qui a l'Economie dans ses attributions et Notre Ministre qui a les Finances dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Bruxelles, le 21 novembre 2005.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre des Finances,
D. REYNDERS
Le Ministre de l'Economie,
M. VERWILGHEN
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. SOLVABILITEIT.
1. De gereglementeerde ondernemingen dienen op niveau van de financiële dienstengroep te beschikken over eigen vermogen dat steeds minstens gelijk is aan de solvabiliteitsvereisten berekend op groepsniveau. Het eigen vermogen en de solvabiliteitsvereisten worden berekend volgens een van de in punt 2 bepaalde methodes, met toepassing van de in de punten 3 en 4 bepaalde beginselen.
De [1 toezichthoudende overheid]1 in haar hoedanigheid van bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht op een financiële dienstengroep bepaalt de methode die wordt toegepast. Zij mag een combinatie van meerdere van deze methoden toestaan. Zij pleegt over de toe te passen methode voorafgaandelijk overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en met de betrokken financiële dienstengroep.
2. Berekeningsmethodes
2.1. Methode 1 : methode op basis van de geconsolideerde rekeningen
Het eigen vermogen en de solvabiliteitsvereisten op groepsniveau worden berekend op basis van de geconsolideerde positie van de groep, aan de hand van de geconsolideerde jaarrekeningen of tussentijdse geconsolideerde rekeningen. De geconsolideerde positie van de groep is de positie van het geconsolideerde geheel dat een consoliderende onderneming vormt met de andere in de consolidatie opgenomen ondernemingen. Onverminderd het bepaalde in punt 3.1., wordt de geconsolideerde positie bepaald met overeenkomstige toepassing van de sectorale regelgeving inzake sectoraal groepstoezicht als bepaald in artikel 49 van de bankwet, hoofdstuk VIIbis van de verzekeringswet en artikel 95 van de wet op de beleggingsondernemingen
De bestanddelen van het eigen vermogen op groepsniveau zijn die welke in de relevante sectorale regelgeving van de in de geconsolideerde positie opgenomen ondernemingen erkend worden als eigen vermogensbestanddeel.
De solvabiliteitsvereiste op groepsniveau is gelijk aan de som van de solvabiliteitsvereisten m.b.t. elke onderscheiden financiële sector die in de groep vertegenwoordigd is. De solvabiliteitsvereisten m.b.t. elke onderscheiden financiële sector worden berekend volgens de relevante sectorale regelgeving. Voor niet-gereglementeerde ondernemingen uit de financiële sector welke niet bij de bovengenoemde berekeningen van de sectorale solvabiliteitsvereisten zijn meegeteld, wordt een theoretisch solvabiliteitsvereiste berekend.
2.2. Methode 2 : methode gebaseerd op aggregatie en aftrek
Het eigen vermogen en de solvabiliteitsvereisten worden berekend aan de hand van de jaarrekeningen of tussentijdse rekeningen van elk van de ondernemingen in de groep.
Het eigen vermogen op groepsniveau is gelijk aan de som van de eigen vermogens van elke tot de financiële sector behorende gereglementeerde en niet-gereglementeerde onderneming in de financiële dienstengroep. De bestanddelen van het groeps-eigen vermogen zijn die welke in de relevante sectorale regelgeving van de desbetreffende ondernemingen erkend worden als eigen vermogensbestanddeel.
De solvabiliteitsvereiste op groepsniveau is gelijk aan de som van, enerzijds, de solvabiliteitsvereisten voor elke tot de financiële sector behorende gereglementeerde en niet-gereglementeerde onderneming in de financiële dienstengroep - berekend volgens de relevante sectorale regelgeving -, en anderzijds, de boekwaarde van alle deelnemingen in ondernemingen van de groep. Voor niet-gereglementeerde ondernemingen behorende tot de financiële sector, welke niet bij de bovengenoemde berekeningen van de sectorale solvabiliteitsvereisten zijn meegeteld, wordt een theoretisch solvabiliteitsvereiste berekend.
2.3. Methode 3 : methode gebaseerd op aftrek van vereisten
Het eigen vermogen en de solvabiliteitsvereisten worden berekend aan de hand van de jaarrekeningen of tussentijdse rekeningen van elk van de ondernemingen in de groep.
Het eigen vermogen dat in aanmerking wordt genomen is het eigen vermogen van de moederonderneming of de onderneming die aan het hoofd van de financiële dienstengroep. De bestanddelen van dit eigen vermogen zijn die welke in de relevante sectorale regelgeving van de desbetreffende onderneming worden erkend als eigen vermogensbestanddeel.
De solvabiliteitsvereiste is de som van, enerzijds, de solvabiliteitsvereiste van de moederonderneming of de onderneming aan het hoofd van de groep, en anderzijds, de boekwaarde van alle deelnemingen van eerstgenoemde in ondernemingen van de groep of de solvabiliteitsvereisten van deze ondernemingen als dat bedrag hoger is. Voor niet-gereglementeerde ondernemingen behorende tot de financiële sector wordt een theoretisch solvabiliteitsvereiste berekend.
3. Beginselen gemeenschappelijk aan de drie methodes
3.1. Met de solvabiliteitsvereisten voor de ondernemingen behorend tot de banksector worden bedoeld, de solvabiliteitsvereisten door de [1 toezichthoudende overheid]1 bij reglement voorgeschreven in uitvoering van artikel 43 van de bankwet, met uitsluiting van de vereiste inzake de algemene solvabiliteitscoëfficiënt en de vereiste ter dekking van de vaste activa.
Met de solvabiliteitsvereisten voor de ondernemingen behorend tot de verzekeringssector worden bedoeld, de solvabiliteitsmarge opgelegd bij de artikelen 15 en 91nonies van de verzekeringswet.
Met de solvabiliteitsvereisten voor de ondernemingen behorend tot de beleggingsdienstensector worden bedoeld, de solvabiliteitsvereisten door de [1 toezichthoudende overheid]1 bij reglement voorgeschreven in uitvoering van artikel 90 van de wet op de beleggingsondernemingen.
3.2. Eigen vermogenstekorten in dochterondernemingen (in geval van niet-gereglementeerde ondernemingen wordt het theoretische tekort berekend aan de hand van de theoretische solvabiliteitsvereiste) worden voor het totale bedrag in aanmerking genomen.
In afwijking hiervan kan de [1 toezichthoudende overheid]1 in haar hoedanigheid van bevoegde autoriteit belast met het aanvullende groepstoezicht toestaan dat het evenredig deel van het tekort in rekening wordt gebracht, indien haar op duidelijke wijze aangetoond wordt dat de verantwoordelijkheid van moederonderneming in de groep verhoudingsgewijze beperkt is tot het deel van het kapitaal dat zij in die onderneming bezitten, op grond van de verantwoordelijkheid die de overige aandeelhouders dragen in verhouding tot hun inbreng in het kapitaal en hun voldoende solvabiliteit.
Indien tussen de ondernemingen in een financiële dienstengroep geen kapitaalbanden bestaan, bepaalt de [1 toezichthoudende overheid]1, na overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten, het evenredige deel dat in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van het eigen vermogen van de groep. De [1 toezichthoudende overheid]1 houdt daarbij rekening met de verantwoordelijkheid en het risico waartoe de bestaande betrekkingen tussen die ondernemingen aanleiding geven.
3.3. Bij de berekening van het eigen vermogen op het niveau van een financiële dienstengroep zal elke artificiële eigen vermogensvorming binnen een financiële dienstengroep, zoals het meer dan eenmaal in aanmerking nemen van dezelfde eigen vermogensbestanddelen (multiple gearing') en de niet passende transformatie van de aard van werkmiddelen, worden geëlimineerd. Daartoe zullen de relevante beginselen van de sectorale regelgeving naar analogie worden toegepast.
3.4. De solvabiliteitsvereisten van de tot een bepaalde financiële sector behorende ondernemingen in een financiële dienstengroep, dienen te worden gedekt door eigenvermogensbestanddelen als gedefinieerd in de relevante sectorale regelgeving. Aanvullende solvabiliteitsvereisten op het niveau van de financiële dienstengroep moeten worden gedekt door eigen vermogensbestanddelen die in elk van de sectorale regelgevingen erkend worden (" sectoroverschrijdend eigen vermogen ").
Indien de sectorale regelgeving het in aanmerking nemen van eigen vermogensinstrumenten aan beperkingen onderwerpt, zijn deze beperkingen van overeenkomstige toepassing bij de berekening van het eigen vermogen op het niveau van de financiële dienstengroep.
Bij het in aanmerking nemen van eigen vermogensbestanddelen op het niveau van de financiële dienstengroep houdt de [1 toezichthoudende overheid]1 rekening met eventuele beperkingen in de beschikbaarheid en overdraagbaarheid ervan tussen de verschillende ondernemingen in de groep, in het licht van de doeleinden van het aanvullende groepstoezicht in het algemeen en de solvabiliteitsvoorschriften in het bijzonder.
De theoretische solvabiliteitsvereiste voor een niet-gereglementeerde onderneming uit de financiële sector is het solvabiliteitsvereiste waaraan een dergelijke onderneming krachtens de relevante sectorale voorschriften zou moeten voldoen indien het om een gereglementeerde onderneming van die specifieke financiële sector zou gaan. De solvabiliteitsvereiste van een gemengde financiële holding wordt berekend overeenkomstig de sectorale regelgeving van de belangrijkste financiële sector in de groep.
4. Beginselen gemeenschappelijk aan de methodes 2 en 3
Onverminderd het bepaalde in punt 3.1. inzake eigen vermogenstekorten in dochterondernemingen, wordt bij de toepassing van deze methodes rekening gehouden met het evenredig deel dat de moederonderneming of de onderneming met een deelneming bezit in een andere onderneming van de financiële dienstengroep. Onder evenredig deel wordt verstaan, het gedeelte van het geplaatste kapitaal dat rechtstreeks of onrechtstreeks door deze onderneming wordt gehouden.
Art. N. SOLVABILITE.
1. Les entreprises réglementées doivent disposer au niveau du groupe de services financiers de fonds propres au moins égaux aux exigences de solvabilité calculées au niveau du groupe. Les fonds propres et les exigences de solvabilité sont calcules selon l'une des méthodes définies au point 2, en application des principes définis aux points 3 et 4.
[1 L'autorité de contrôle]1 définit, en sa qualité d'autorité compétente chargée de la surveillance complémentaire d'un groupe de services financiers, la méthode qui est appliquée. Elle peut autoriser une combinaison de plusieurs de ces méthodes. Elle se concerte préalablement avec les autres autorités compétentes concernées ainsi qu'avec le groupe de services financiers concerné sur la méthode à appliquer.
2. Méthodes de calcul
2.1. Méthode n° 1 : méthode basée sur la consolidation comptable
Les fonds propres et les exigences de solvabilité au niveau du groupe sont calculés sur la base de la situation consolidée du groupe telle qu'attestée par les comptes annuels ou intérimaires consolidés. La situation consolidée du groupe est la situation de l'ensemble consolidé que constitue une entreprise consolidante avec les autres entreprises incluses dans le périmètre de consolidation. Sans préjudice des dispositions du point 3.1., la situation consolidée est déterminée par application analogue de la réglementation sectorielle en matière de contrôle sectoriel du groupe telle que définie à l'article 49 de la loi bancaire, au chapitre VIIbis de la loi sur les assurances et à l'article 95 de la loi concernant les entreprises d'investissement.
Les éléments de fonds propres au niveau du groupe sont ceux qui sont reconnus comme éléments de fonds propres par la réglementation sectorielle pertinente des entreprises incluses dans la situation consolidée.
L'exigence de solvabilité au niveau du groupe est égale à la somme des exigences de solvabilité imposées à chaque secteur financier distinct représenté au sein du groupe. Les exigences de solvabilité relatives à chaque secteur financier distinct sont calculées selon la réglementation sectorielle pertinente. Pour les entreprises non réglementées appartenant au secteur financier qui ne sont pas incluses dans les calculs précités des exigences de solvabilité sectorielles, le calcul se fait selon une exigence de solvabilité théorique.
2.2. Méthode n° 2 : méthode basée sur l'agrégation et la déduction
Les fonds propres et les exigences de solvabilité sont calculés sur la base des comptes annuels ou intérimaires de chacune des entreprises du groupe.
Les fonds propres au niveau du groupe sont égaux à la somme des fonds propres de chacune des entreprises réglementées ou non qui, dans le groupe de services financiers, appartient au secteur financier. Les éléments de fonds propres du groupe sont ceux qui sont reconnus comme élements de fonds propres par la réglementation sectorielle pertinente des entreprises concernées.
L'exigence de solvabilité au niveau du groupe est égale à la somme, d'une part, des exigences de solvabilité pour chacune des entreprises réglementées ou non qui, dans le groupe de services financiers, appartient au secteur financier - calculées selon la réglementation sectorielle pertinente - et, d'autre part, de la valeur comptable de toutes les participations dans des entreprises du groupe. Pour les entreprises non réglementées appartenant au secteur financier qui ne sont pas incluses dans les calculs précités des exigences de solvabilité sectorielles, le calcul se fait selon une exigence de solvabilité théorique.
2.3. Méthode n° 3 : méthode basée sur la déduction d'exigences
Les fonds propres et les exigences de solvabilité sont calculés sur la base des comptes annuels ou intérimaires de chacune des entreprises du groupe.
Les fonds propres pris en considération sont les fonds propres de l'entreprise mère ou de l'entreprise à la tête du groupe de services financiers. Les éléments de ces fonds propres sont ceux qui sont reconnus comme éléments de fonds propres par la réglementation sectorielle pertinente de l'entreprise concernée.
L'exigence de solvabilité est la somme, d'une part, de l'exigence de solvabilité de l'entreprise mère ou de l'entreprise à la tête du groupe, et, d'autre part, soit de la valeur comptable de toutes les participations de la précitée dans des entreprises du groupe, soit des exigences de solvabilité de ces entreprises, si ce chiffre est plus élevé. Pour les entreprises non réglementées appartenant au secteur financier, le calcul se fait selon une exigence de solvabilité théorique.
3. Principes communs aux trois méthodes
3.1. Par exigences de solvabilité pour les entreprises appartenant au secteur bancaire, il y a lieu d'entendre les exigences de solvabilité définies par [1 l'autorité de contrôle]1 par voie de règlement en exécution de l'article 43 de la loi bancaire, à l'exception de l'exigence en matière de coefficient général de solvabilité et de l'exigence de couverture des actifs immobilisés.
Par exigences de solvabilité pour les entreprises appartenant au secteur des assurances, il y a lieu d'entendre la marge de solvabilité imposée par les articles 15 et 91nonies de la loi sur les assurances.
Par exigences de solvabilité pour les entreprises appartenant au secteur des services d'investissement, il y a lieu d'entendre les exigences de solvabilité définies par [1 l'autorité de contrôle]1 par voie de règlement en exécution de l'article 90 de la loi concernant les entreprises d'investissement.
3.2. Les déficits de fonds propres dans des filiales (en cas d'entreprises non réglementées, le déficit théorique est calculé sur la base de l'exigence de solvabilité théorique) sont pris en considération pour le montant total.
Par dérogation, [1 l'autorité de contrôle]1 peut, en sa qualité d'autorité compétente chargée de la surveillance complémentaire du groupe, autoriser que soit prise en considération la quote-part du déficit, s'il lui est démontré clairement que la responsabilité de l'entreprise mère est proportionnellement limitée à la partie du capital qu'elle détient dans l'entreprise concernée, sur la base de la responsabilité que les autres actionnaires portent en proportion de leur apport dans le capital et sur la base de leur solvabilité suffisante.
S'il n'existe pas de liens en capital entre les entreprises d'un groupe de services financiers, [1 l'autorité de contrôle]1 détermine, après concertation avec les autres autorités compétentes concernées, la quote-part qui doit entrer en considération pour le calcul des fonds propres du groupe. [1 L'autorité de contrôle]1 tient compte a cet égard de la responsabilité et du risque auxquels les relations existantes entre ces entreprises peuvent donner lieu.
3.3. Lors du calcul des fonds propres au niveau d'un groupe de services financiers, toute création artificielle de fonds propres au sein d'un groupe de services financiers, telle que la prise en considération répétée des mêmes éléments de fonds propres (multiple gearing) et la transformation non adéquate de la nature des moyens, sera éliminée. A cet effet, les principes pertinents de la réglementation sectorielle seront applicables par analogie.
3.4. Les exigences de solvabilité des entreprises d'un groupe de services financiers qui font partie d'un secteur financier déterminé doivent être couvertes par des éléments de fonds propres tels que définis par la réglementation sectorielle pertinente. Les exigences de solvabilité complémentaires au niveau du groupe de services financiers doivent être couvertes par des éléments de fonds propres reconnus dans chacune des réglementations sectorielles (" fonds propres transsectoriels ").
Si la réglementation sectorielle soumet la prise en considération d'instruments de fonds propres à des limitations, celles-ci sont applicables par analogie au calcul des fonds propres au niveau du groupe de services financiers.
Lors de la prise en considération d'éléments de fonds propres au niveau du groupe de services financiers, [1 l'autorité de contrôle]1 tient compte de limitations éventuelles à leur disponibilité et à leur cessibilité entre les différentes entreprises du groupe, à la lumière des finalités de la surveillance complémentaire du groupe en général et des dispositions en matière de solvabilité en particulier.
L'exigence de solvabilité théorique pour une entreprise non réglementée du secteur financier est l'exigence de solvabilité à laquelle une telle entreprise devrait satisfaire en vertu des dispositions sectorielles pertinentes s'il s'agissait d'une entreprise réglementée de ce secteur financier spécifique. L'exigence de solvabilité d'une compagnie financière mixte est calculée conformément à la réglementation sectorielle du secteur financier le plus important du groupe.
4. Principes communs aux méthodes 2 et 3
Sans préjudice des dispositions du point 3.1. en matière de déficits de fonds propres dans les filiales, il est tenu compte, dans l'application de ces méthodes, de la quote-part que l'entreprise mère ou l'entreprise détenant une participation dans une autre entreprise du groupe de services financiers. Par quote-part, il y a lieu d'entendre la partie du capital place qui est détenue directement ou indirectement par cette entreprise.
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 21 november 2005 over het aanvullend groepstoezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen, beleggingsondernemingen en beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging in een financiële dienstengroep, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende het algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen en het koninklijk besluit van 12 augustus 1994 over het toezicht op geconsolideerde basis op kredietinstellingen.
Vu pour être annexé à Notre arrêté du 21 novembre 2005 organisant la surveillance complémentaire des établissements de crédit, des entreprises d'assurances, des entreprises d'investissement et des sociétés de gestion d'organismes de placement collectif, faisant partie d'un groupe de services financiers, et modifiant l'arrêté royal du 22 février 1991 portant règlement général relatif au contrôle des entreprises d'assurances et l'arrêté royal du 12 août 1994 relatif au contrôle sur base consolidée des établissements de crédit.
Gegeven te Brussel, 21 november 2005.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Financiën,
D. REYNDERS
De Minister van Economie,
M. VERWILGHEN.
Donné à Bruxelles, le 21 novembre 2005.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre des Finances,
D. REYNDERS
Le Ministre de l'Economie,
M. VERWILGHEN.