Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
21 JUNI 2005. - Besluit van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen van 21 juni 2005 tot wijziging van het besluit van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen van 5 december 1995 over het reglement op het eigen vermogen van de kredietinstellingen.
Titre
21 JUIN 2005. - Arrêté de la Commission bancaire, financière et des Assurances du 21 juin 2005 modifiant l'arrêté de la Commission bancaire et financière du 5 décembre 1995 concernant le règlement relatif aux fonds propres des établissements de crédit.
Tekst (3)
Texte (3)
Artikel 1. In het besluit van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen van 5 december 1995 over het reglement op het eigen vermogen van de kredietinstellingen (hierna " het reglement " genoemd) worden de in onderstaand artikel 2 vermelde wijzigingen aangebracht.
Article 1. Dans l'arrêté de la Commission bancaire et financière du 5 décembre 1995 concernant le règlement relatif aux fonds propres des établissements de crédit (ci-après " le règlement ") sont apportées les modifications énoncées à l'article 2 ci-dessous.
Art. 2. § 1. In artikel 14 van het reglement,
wordt in § 1, 1° het eerste lid vervangen als volgt :
" het eigen vermogen sensu stricto, bestaande uit de onder a) vermelde bestanddelen, na aftrek van de onder b) vermelde posten en na toevoeging van de onder c) vermelde bestanddelen. "
wordt in § 1, 1° een punt c) ingevoegd, luidende :
" c) de aan de instelling gestorte fondsen aangetrokken via schuldtitels met onbepaalde looptijd en andere financieringsinstrumenten in verband waarmee de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen de voorwaarden bepaalt om te worden opgenomen in het eigen vermogen sensu stricto. Deze fondsen worden in aanmerking genomen ten belope van maximaal 15 % van de som van de onder a) en c) vermelde bestanddelen, na aftrek van de onder b) vermelde bestanddelen. De Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen kan toestaan dat de limiet van 15 % wordt overschreden voor de instrumenten die, inzake consistentie en mogelijkheid tot aanzuivering van verliezen, dezelfde kenmerken hebben als aandelen. "
wordt in § 1, 2° het punt c) aangevuld als volgt : " ...; alsook de in § 1, c) vermelde gestorte fondsen voor het deel dat wordt uitgesloten uit het eigen vermogen sensu stricto omdat de voor die bestanddelen geldende limieten bereikt zijn. "
§ 2. Artikel 87, § 2 wordt vervangen als volgt :
" Voor de berekening van het eigen vermogen op geconsolideerde basis worden de belangen van derden in het eigen vermogen van geconsolideerde dochterondernemingen integraal toegevoegd aan het eigen vermogen sensu stricto op geconsolideerde basis onder voorbehoud van wat hierna wordt bepaald, onverminderd artikel 87bis, 10° :
- voor de belangen van derden die de in artikel 14, § 1, 1°, c) bedoelde instrumenten vertegenwoordigen die zijn uitgegeven door verbonden ondernemingen, gelden, om in het eigen vermogen te worden opgenomen, dezelfde voorwaarden en limieten als voor de rechtstreeks door de instelling uitgegeven instrumenten;
- de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen kan de opneming van belangen van derden in het eigen vermogen op geconsolideerde basis beperken, indien zij van oordeel is dat die eigenvermogensbestanddelen niet effectief bijdragen tot de dekking van de in artikel 82, § 1, 3° vermelde vereisten. "
§ 3. Er wordt een artikel 87bis ingevoegd, luidende :
" Voor de instellingen die de internationale standaarden voor jaarrekeningen gebruiken bij de opstelling van de periodieke verslagen op geconsolideerde basis die zij, met toepassing van artikel 44 van de wet van 22 maart 1993, aan de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen richten, wordt het bij de artikelen 14, 15 en 87 gedefinieerde eigen vermogen op geconsolideerde basis aangepast als volgt :
De aan de instelling gestorte fondsen aangetrokken via schuldtitels met onbepaalde looptijd en andere financieringsinstrumenten die, met toepassing van de artikelen 14 en 15, in het eigen vermogen van de instelling op vennootschappelijke basis worden of zouden worden opgenomen, mogen, met toepassing van de internationale standaarden voor jaarrekeningen, in het reglementair eigen vermogen op geconsolideerde basis worden opgenomen, ongeacht hun verwerkingswijze. Wanneer, met toepassing van de artikelen 14 en 15, reglementaire limieten gelden voor de opneming van die bestanddelen in het eigen vermogen op vennootschappelijke basis, gelden die limieten mutatis mutandis ook op geconsolideerde basis.
Parallel met het 1° en onverminderd de bepalingen van artikel 87, worden de aan de instelling gestorte fondsen aangetrokken via schuldtitels met onbepaalde looptijd of schuldtitels die converteerbaar zijn in aandelen van de emittent, en via andere financieringsinstrumenten die in het boekhoudkundig eigen vermogen op geconsolideerde basis worden opgenomen met toepassing van de internationale standaarden voor jaarrekeningen, uitgesloten uit het reglementair eigen vermogen op geconsolideerde basis, in zoverre zij, met toepassing van de artikelen 14 en 15, niet in het eigen vermogen op vennootschappelijke basis worden of zouden worden opgenomen.
Hier worden voornamelijk de in eigen aandelen converteerbare schulden en de bedragen met betrekking tot baisseposities in eigen aandelen bedoeld, die in het boekhoudkundig eigen vermogen op geconsolideerde basis worden geboekt. Het aandeel van de converteerbare schulden mag echter in het reglementair eigen vermogen worden opgenomen in zoverre de converteerbare schuld zelf in het eigen vermogen sensu stricto of in het aanvullend eigen vermogen wordt opgenomen conform de artikelen 14 en 15.
De niet-gerealiseerde meer- of minderwaarden op de afgeleide instrumenten die als dekking van de kasstromen worden gekwalificeerd, worden uitgesloten uit het reglementair eigen vermogen.
De verwerking van de niet-gerealiseerde meer- of minderwaarden op voor de verkoop beschikbare financiële activa die bij de herwaarderingsreserves worden geboekt, wordt aangepast als volgt :
- de niet-gerealiseerde meer- of minderwaarden op vastrentende effecten en kredieten worden niet opgenomen in het reglementair eigen vermogen;
- de niet-gerealiseerde meerwaarde op aandelen en andere niet-vastrentende effecten wordt opgenomen in het aanvullend eigen vermogen ten belope van 90 % van haar boekwaarde na aftrek van de belastinglatenties. De meerwaarde wordt op nettobasis berekend op alle betrokken financiële activa. Een eventuele minderwaarde wordt afgetrokken van het eigen vermogen sensu stricto.
De niet-gerealiseerde meer- of minderwaarden op schuldinstrumenten van de instelling die verband houden met veranderingen in het eigen kredietrisico van de instelling en die bij de resultaten of de reserves worden geboekt (schommeling ten opzichte van vorig jaar) omdat gebruik wordt gemaakt van de optie om financiële instrumenten tegen reële waarde te waarderen, worden niet in aanmerking genomen in het reglementair eigen vermogen. Die meer- of minderwaarden worden berekend ten opzichte van de boekwaarde die de uitgegeven schuldinstrumenten zouden hebben indien geen gebruik zou worden gemaakt van de optie om financiële instrumenten tegen reële waarde te waarderen.
De niet-gerealiseerde meerwaarden op vastgoedbeleggingen worden afgetrokken van het eigen vermogen sensu stricto en opgenomen in het aanvullend eigen vermogen ten belope van 90 % van hun boekwaarde, na aftrek van de belastinglatenties. De niet-gerealiseerde minderwaarden worden afgetrokken van het eigen vermogen sensu stricto. De meer- of minderwaarden worden gebouw per gebouw bepaald.
De niet-gerealiseerde meerwaarden op materiële vaste activa worden afgetrokken van het eigen vermogen sensu stricto en opgenomen in het aanvullend eigen vermogen ten belope van 90 % van hun boekwaarde, na aftrek van de belastinglatenties. De niet-gerealiseerde minderwaarden worden afgetrokken van het eigen vermogen sensu stricto. De meer- of minderwaarden worden gebouw per gebouw bepaald.
De uitgestelde belastingvorderingen met betrekking tot bestanddelen die in aanmerking worden genomen in het eigen vermogen, in verband waarmee de instelling, aan de hand van de geraamde belastbare winst voor de volgende vijf fiscale boekjaren, niet kan aantonen dat zij ze zou kunnen gebruiken, of met betrekking tot het gedeelte dat groter is dan 10 % van het eigen vermogen sensu stricto op geconsolideerde basis, worden afgetrokken van het eigen vermogen sensu stricto.
De activa die worden geboekt met betrekking tot de financiering van toegezegd-pensioenregelingen, worden afgetrokken van het eigen vermogen sensu stricto in zoverre de instelling niet kan aantonen dat als gevolg daarvan toekomstige economische voordelen voor haar beschikbaar zijn in de vorm van een verlaging van haar toekomstige bijdragen of een terugbetaling in contanten, hetzij rechtstreeks aan haar, hetzij onrechtstreeks aan een andere regeling die met een tekort te kampen zou hebben. De Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen kan eisen dat die activa geheel of gedeeltelijk worden afgetrokken, indien zij vaststelt dat de door de instelling gemaakte inschatting van de mogelijkheid om economisch voordeel te halen uit die activa, onvoldoende gefundeerd is.
10° Voor de verwerking van de belangen van derden gelden dezelfde aanpassingen als vermeld in de punten 1° tot 9°.
11° De Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen kan van een instelling eisen dat zij de niet-gerealiseerde winsten en verliezen die voortvloeien uit het feit dat gebruik wordt gemaakt van de optie om financiële instrumenten tegen reële waarde te waarderen, niet opneemt in haar reglementair eigen vermogen, indien zij van oordeel is dat de betrokken instelling daarvan niet op passende wijze gebruik maakt, waardoor haar reglementair eigen vermogen op ongerechtvaardigde wijze kan worden aangedikt.
12° De tussentijdse winst van het boekjaar mag worden opgenomen in het eigen vermogen sensu stricto in zoverre zij is gecontroleerd door de erkend(e) commissaris(sen)-revisor(en) van de instelling en alle voorzienbare kosten en dividenden ervan zijn afgetrokken. Als de tussentijdse winst wordt opgenomen in het aanvullend eigen vermogen, wordt de in artikel 15, § 1, derde lid, 2° bedoelde nettowinst van de handelsportefeuille niet meer in aanmerking genomen in het eigen vermogen.
In afwachting van de toerekening ervan, mag ook het positieve resultaat van het laatste afgesloten boekjaar, verminderd met de te verwachten dividenduitkering, onder dezelfde voorwaarden worden opgenomen in het aanvullend eigen vermogen. "
Art. 2. § 1er. A l'article 14 du règlement,
au § 1, 1° : l'alinéa 1 est remplacé par le texte suivant :
" les fonds propres sensu stricto, se composant des éléments mentionnés sous a) et après déduction des postes mentionnés sous b) et addition des éléments mentionnés sous c). "
au § 1, 1° est ajouté un point c) rédigé comme suit :
" c) les fonds versés à l'établissement au moyen de titres à durée indéterminée et d'autres instruments de financement pour lesquels la Commission bancaire, financière et des assurances détermine les conditions pour une inclusion dans les fonds propres sensu stricto. Ces fonds sont pris en compte au maximum à concurrence de 15 % de la somme des éléments visés aux points a) et c), déduction faite des éléments mentionnés en b). La Commission bancaire, financière et des assurances peut autoriser un dépassement de la limite de 15 % pour les instruments présentant des caractéristiques de permanence et de possibilité d'apurement des pertes identiques à des actions. "
au § 1, 2°, le point c) est complété comme suit : " ...; ainsi que les fonds versés mentionnés au § 1, c) pour la partie qui est exclue des fonds propres sensu stricto en raison de la saturation des limites applicables à ces éléments. "
§ 2. L'article 87, § 2 est remplacé par la disposition suivante :
" Pour le calcul des fonds propres sur base consolidée, les intérêts de tiers dans les fonds propres de filiales consolidées sont intégralement incorporés dans les fonds propres consolidés sensu stricto sous réserve de ce qui est précisé ci-dessous, sans préjudice de l'article 87bis, 10° :
- les intérêts de tiers représentatifs d'instruments visés à l'article 14, § 1, 1°, c) émis par des entreprises liées sont soumis aux mêmes conditions et limites d'inclusion dans les fonds propres que si les instruments avaient été émis directement par l'établissement;
- la Commission bancaire, financière et des assurances peut limiter l'inclusion d'intérêts de tiers dans les fonds propres consolidés dans la mesure où elle estime que ces éléments de fonds propres ne contribuent pas effectivement à la couverture des exigences mentionnées à l'article 82, § 1, 3°. "
§ 3. Un article 87bis rédigé comme suit est inséré :
" Pour les établissements qui utilisent les normes comptables internationales pour l'établissement de leurs rapports périodiques sur base consolidée adressés à la Commission bancaire, financière et des assurances en application de l'article 44 de la loi du 22 mars 1993, les fonds propres sur base consolidée, tels que définis par les articles 14, 15 et 87, font l'objet des ajustements suivants :
Les fonds versés à l'établissement au moyen de titres à durée indéterminée et d'autres instruments de financement qui sont ou seraient inclus dans les fonds propres sur base sociale de l'établissement en application des articles 14 et 15 peuvent être inclus dans les fonds propres réglementaires sur base consolidée quel que soit leur traitement comptable en application des normes comptables internationales. Lorsque ces éléments sont soumis à des limites réglementaires quant à leur inclusion dans les fonds propres sur base sociale en application des dispositions des articles 14 et 15, ces limites s'appliquent mutatis mutandis sur base consolidée.
De manière symétrique au 1°, et sans préjudice des dispositions de l'article 87, les fonds versés à l'établissement au moyen de titres à durée indéterminée ou convertibles en actions de l'émetteur et au moyen d'autres instruments de financement qui sont repris dans les fonds propres comptables sur base consolidée en application des normes comptables internationales sont exclus des fonds propres réglementaires sur base consolidée dans la mesure où ils ne sont ou ne seraient pas inclus dans les fonds propres sur base sociale en application des articles 14 et 15.
Sont notamment visés la part des dettes convertibles en actions propres, ainsi que les montants afférents à des positions à la baisse en actions propres, qui sont comptabilisés dans les fonds propres comptables sur base consolidée. La part des dettes convertibles peut toutefois être incluse dans les fonds propres réglementaires dans la mesure où la dette convertible est elle-même incluse dans les fonds propres sensu stricto ou complémentaires conformément aux dispositions des articles 14 et 15.
Les plus- ou moins-values non réalisées sur des instruments dérivés qualifiés de couverture de flux de trésorerie sont exclues des fonds propres réglementaires.
Les plus- ou moins-values non réalisées sur des actifs financiers disponibles à la vente, enregistrées comptablement dans les réserves de réévaluation sont retraitées comme suit :
- les plus- ou moins-values non réalisées sur des titres à revenu fixe et des crédits ne sont pas reprises dans les fonds propres réglementaires;
- la plus-value non réalisée sur des actions et autres titres à revenu variable est reprise des fonds propres complémentaires à concurrence de 90 % de sa valeur comptable après déduction des latences fiscales. La plus-value est calculée sur base nette sur l'ensemble des actifs financiers concernés. En cas de moins-value, celle-ci est déduite des fonds propres sensu stricto.
Les plus- ou moins-values non réalisées sur des instruments de dettes de l'établissement, liées à des changements du risque de crédit propre de l'établissement et enregistrées en résultat ou en réserves (variation de l'année précédente) du fait de l'application de l'option de la valorisation à la juste valeur des instruments financiers, ne sont pas prises en compte dans les fonds propres réglementaires. Ces plus- ou moins- values sont calculées par rapport à la valeur comptable des instruments de dettes émis, telle qu'elle résulterait de la non-utilisation de la valorisation à la juste valeur.
Les plus-values non réalisées sur des immeubles de placement sont déduites des fonds propres sensu stricto et sont incluses dans les fonds propres complémentaires à concurrence de 90 % de leur valeur comptable, après déduction des latences fiscales. Les moins-values non réalisées sont déduites des fonds propres sensu stricto. Les plus- ou moins-values sont déterminées immeuble par immeuble.
Les plus-values non réalisées sur des immobilisations corporelles sont déduites des fonds propres sensu stricto et sont incluses dans les fonds propres complémentaires à concurrence de 90 % de leur valeur comptable, après déduction des latences fiscales. Les moins-values non réalisées sont déduites des fonds propres sensu stricto. Les plus- ou moins-values sont déterminées immeuble par immeuble.
Les actifs d'impôts différés, portant sur des éléments pris en compte dans les fonds propres, pour lesquels l'établissement ne peut démontrer, sur base des prévisions de bénéfice imposable des cinq prochains exercices fiscaux qu'il serait à même de les utiliser, ou pour la partie excédant 10 % des fonds propres sensu stricto sur base consolidée, sont déduits des fonds propres sensu stricto.
Les actifs comptabilisés au titre du financement des régimes de retraite à prestations définies sont à déduire des fonds propres sensu stricto dans la mesure où l'établissement ne peut démontrer qu'il peut en attendre des avantages économiques sous forme d'une diminution de ses cotisations futures ou d'un remboursement en trésorerie, soit directement, soit indirectement par affectation à un régime de retraite qui serait en déficit. La Commission bancaire, financière et des assurances peut requérir la déduction de ces actifs, en partie ou en totalité, si elle constate que l'estimation faite par l'établissement quant à la possibilité de tirer des avantages économiques de ces actifs est insuffisamment fondée.
10° Les intérêts de tiers font l'objet des mêmes retraitements que ceux repris aux points 1° à 9°.
11° La Commission bancaire, financière et des assurances peut exiger d'un établissement de ne pas inclure dans ses fonds propres réglementaires les gains et pertes non réalisés résultant de l'application de l'option de la valorisation à la juste valeur des instruments financiers si elle estime que l'utilisation qui en est faite est inadéquate et peut avoir pour effet d'accroître de manière injustifiée les fonds propres réglementaires.
12° Le bénéfice intérimaire de l'exercice peut être inclus dans les fonds propres sensu stricto dans la mesure où il a été vérifié par le ou les commissaires-réviseurs agréés de l'établissement et qu'il est net de toutes charges et dividendes prévisibles. Si le bénéfice intérimaire est inclus dans les fonds propres complémentaires, les bénéfices nets du portefeuille de négociation visés à l'article 15, § 1, alinéa 3, 2° ne sont plus pris en compte dans les fonds propres.
Le résultat positif du dernier exercice clôturé, dans l'attente de son affectation, diminué de la distribution attendue de dividendes peut être également inclus, dans les mêmes conditions, dans les fonds propres complémentaires. "
Art. 3. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2006.
Brussel, 21 juni 2005.
De Voorzitter,
E. WYMEERSCH.
Art. 3. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 2006.
Bruxelles, le 21 juin 2005.
Le Président,
E. WYMEERSCH.