Artikel 1. Artikel 1, § 3, 7° van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de Rijksbesturen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 december 2002, wordt vervangen als volgt :
" 7° het adoptieverlof en het opvangverlof, in zoverre dat het personeelslid geen gebruik maakte van de bepalingen van artikel 30ter, §§ 1 tot 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Het artikel 30ter, § 4 van dezelfde wet is evenwel van toepassing op het personeelslid dat bij overeenkomst wordt aangeworven en dat gebruik maakt van het adoptieverlof of het opvangverlof voorzien bij dit besluit; "
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
12 OKTOBER 2005. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen.
Titre
12 OCTOBRE 2005. - Arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat.
Documentinformatie
Numac: 2005002113
Datum: 2005-10-12
Info du document
Numac: 2005002113
Date: 2005-10-12
Tekst (21)
Texte (21)
Article 1. L'article 1er, § 3, 7° de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat, modifié par l'arrêté royal du 12 décembre 2002, est remplacé comme suit :
" 7° au congé d'adoption et au congé d'accueil, dans la mesure où le membre du personnel n'a pas fait usage des dispositions de l'article 30ter, §§ 1er à 3 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats du travail. L'article 30ter, § 4 de la même loi est cependant applicable au membre du personnel engagé par contrat de travail qui fait usage du congé d'adoption ou d'accueil prévu par le présent arrêté; "
" 7° au congé d'adoption et au congé d'accueil, dans la mesure où le membre du personnel n'a pas fait usage des dispositions de l'article 30ter, §§ 1er à 3 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats du travail. L'article 30ter, § 4 de la même loi est cependant applicable au membre du personnel engagé par contrat de travail qui fait usage du congé d'adoption ou d'accueil prévu par le présent arrêté; "
Art.2. In artikel 11 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 september 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° Het tweede lid wordt vervangen als volgt :
" Indien het verlof gesplitst wordt en indien de ambtenaar het vraagt, omvat het een doorlopende periode van ten minste twee weken. "
2° Het derde lid wordt vervangen als volgt :
" De voorzitter van het directiecomité bepaalt de modaliteiten van een eventuele overdracht van jaarlijks vakantieverlof naar het volgende jaar. Dit geldt eveneens voor de overdracht indien een ambtenaar zijn jaarlijks vakantieverlof niet volledig of gedeeltelijk heeft kunnen opnemen door een afwezigheid wegens ziekte. Deze overdracht geldt voor maximum één jaar. "
1° Het tweede lid wordt vervangen als volgt :
" Indien het verlof gesplitst wordt en indien de ambtenaar het vraagt, omvat het een doorlopende periode van ten minste twee weken. "
2° Het derde lid wordt vervangen als volgt :
" De voorzitter van het directiecomité bepaalt de modaliteiten van een eventuele overdracht van jaarlijks vakantieverlof naar het volgende jaar. Dit geldt eveneens voor de overdracht indien een ambtenaar zijn jaarlijks vakantieverlof niet volledig of gedeeltelijk heeft kunnen opnemen door een afwezigheid wegens ziekte. Deze overdracht geldt voor maximum één jaar. "
Art.2. A l'article 11 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 5 septembre 2002, sont apportées les modifications suivantes :
1° L'alinéa 2 est remplacé comme suit :
" Si le congé est fractionné et si l'agent le demande, ce congé comporte une période continue d'au moins deux semaines. "
2° L'alinéa 3 est remplacé comme suit :
" Le président du comité de direction fixe les modalités d'un report éventuel du congé annuel de vacances à l'année suivante. Ceci vaut également en cas de report du congé annuel de vacances lorsque l'agent n'a pu prendre ce congé en tout ou en partie pour cause de maladie. Ce report est valable un an au maximum. "
1° L'alinéa 2 est remplacé comme suit :
" Si le congé est fractionné et si l'agent le demande, ce congé comporte une période continue d'au moins deux semaines. "
2° L'alinéa 3 est remplacé comme suit :
" Le président du comité de direction fixe les modalités d'un report éventuel du congé annuel de vacances à l'année suivante. Ceci vaut également en cas de report du congé annuel de vacances lorsque l'agent n'a pu prendre ce congé en tout ou en partie pour cause de maladie. Ce report est valable un an au maximum. "
Art.3. In artikel 12 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 26 mei 1999 en 12 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, vijfde lid worden de woorden " het artikel 30, §§ 2 en 3 ", vervangen door de woorden " het artikel 30, § 2 en het artikel 30ter ";
2° § 2 wordt vervangen als volgt :
" § 2. Indien de ambtenaar door de behoeften van de dienst zijn volledig jaarlijks vakantieverlof of een deel ervan niet heeft genomen vooraleer hij zijn ambt definitief neerlegt, dan heeft hij recht op een compensatietoelage waarvan het bedrag gelijk is aan de laatste activiteitswedde die overeenstemt met het aantal niet genomen verlofdagen.
Indien de ambtenaar zonder vooropzeg de hoedanigheid van ambtenaar verliest en hij door zijn vertrek met onmiddellijke ingang zijn volledig jaarlijks vakantieverlof of een deel ervan niet heeft kunnen nemen, dan heeft hij eveneens recht op een compensatietoelage waarvan het bedrag gelijk is aan de laatste activiteitswedde die overeenstemt met het aantal niet genomen verlofdagen.
Voor de toepassing van deze paragraaf is de wedde die in aanmerking dient te worden genomen deze voor volledige prestaties, in voorkomend geval aangevuld met de haard- en standplaatstoelage, de toelage voor het uitoefenen van een hoger ambt evenals de weddensupplementen die voor de berekening van het rustpensioen in aanmerking worden genomen. "
1° in § 1, vijfde lid worden de woorden " het artikel 30, §§ 2 en 3 ", vervangen door de woorden " het artikel 30, § 2 en het artikel 30ter ";
2° § 2 wordt vervangen als volgt :
" § 2. Indien de ambtenaar door de behoeften van de dienst zijn volledig jaarlijks vakantieverlof of een deel ervan niet heeft genomen vooraleer hij zijn ambt definitief neerlegt, dan heeft hij recht op een compensatietoelage waarvan het bedrag gelijk is aan de laatste activiteitswedde die overeenstemt met het aantal niet genomen verlofdagen.
Indien de ambtenaar zonder vooropzeg de hoedanigheid van ambtenaar verliest en hij door zijn vertrek met onmiddellijke ingang zijn volledig jaarlijks vakantieverlof of een deel ervan niet heeft kunnen nemen, dan heeft hij eveneens recht op een compensatietoelage waarvan het bedrag gelijk is aan de laatste activiteitswedde die overeenstemt met het aantal niet genomen verlofdagen.
Voor de toepassing van deze paragraaf is de wedde die in aanmerking dient te worden genomen deze voor volledige prestaties, in voorkomend geval aangevuld met de haard- en standplaatstoelage, de toelage voor het uitoefenen van een hoger ambt evenals de weddensupplementen die voor de berekening van het rustpensioen in aanmerking worden genomen. "
Art.3. A l'article 12 du même arrêté, modifié par les arrêtés royaux des 26 mai 1999 et 12 décembre 2002, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans § 1, l'alinéa 5, les mots " l'article 30, §§ 2 et 3 " sont remplacés par les mots " l'article 30, § 2 et l'article 30ter ".
2° le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Si par suite des nécessités du service, l'agent n'a pu prendre tout ou partie de son congé annuel de vacances avant la cessation définitive de ses fonctions, il bénéficie d'une allocation compensatoire dont le montant est égal au dernier traitement d'activité de l'agent afférent aux jours de congé non pris.
Si l'agent perd sans préavis la qualité d'agent et si suite à ce départ avec effet immédiat, il n'a pu prendre tout ou partie de son congé annuel de vacances, il a alors également droit à une allocation compensatoire dont le montant est égal au dernier traitement d'activité de l'agent afférent aux jours de congé non pris.
Pour l'application du présent paragraphe, le traitement à prendre en considération est celui qui est dû pour des prestations complètes, en ce compris, le cas échéant, les allocations de foyer ou de résidence et l'allocation pour l'exercice d'une fonction supérieure ainsi que les suppléments de traitement qui sont pris en considération pour le calcul de la pension de retraite. "
1° dans § 1, l'alinéa 5, les mots " l'article 30, §§ 2 et 3 " sont remplacés par les mots " l'article 30, § 2 et l'article 30ter ".
2° le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Si par suite des nécessités du service, l'agent n'a pu prendre tout ou partie de son congé annuel de vacances avant la cessation définitive de ses fonctions, il bénéficie d'une allocation compensatoire dont le montant est égal au dernier traitement d'activité de l'agent afférent aux jours de congé non pris.
Si l'agent perd sans préavis la qualité d'agent et si suite à ce départ avec effet immédiat, il n'a pu prendre tout ou partie de son congé annuel de vacances, il a alors également droit à une allocation compensatoire dont le montant est égal au dernier traitement d'activité de l'agent afférent aux jours de congé non pris.
Pour l'application du présent paragraphe, le traitement à prendre en considération est celui qui est dû pour des prestations complètes, en ce compris, le cas échéant, les allocations de foyer ou de résidence et l'allocation pour l'exercice d'une fonction supérieure ainsi que les suppléments de traitement qui sont pris en considération pour le calcul de la pension de retraite. "
Art.4. In artikel 14 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 mei 1999, wordt een § 5 ingevoegd, luidende :
" § 5. Indien een ambtenaar zijn ambt definitief neerlegt vóór de periode bedoeld in § 2, dan heeft hij recht op een aantal verlofdagen gelijk aan het aantal feestdagen die samenvielen met een niet-werkdag in de periode dat hij nog wel in dienst was. Deze kunnen genomen worden onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof, zoals bedoeld in artikel 11 en 12, § 2. "
" § 5. Indien een ambtenaar zijn ambt definitief neerlegt vóór de periode bedoeld in § 2, dan heeft hij recht op een aantal verlofdagen gelijk aan het aantal feestdagen die samenvielen met een niet-werkdag in de periode dat hij nog wel in dienst was. Deze kunnen genomen worden onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof, zoals bedoeld in artikel 11 en 12, § 2. "
Art.4. Dans l'article 14 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 26 mai 1999, il est inséré un § 5, rédigé comme suit :
" § 5. Si un agent démissionne de ses fonctions avant la période visée au § 2, il a droit à un nombre de jours de congé égal au nombre de jours fériés qui coïncidaient avec un jour non-ouvrable au cours de la période où il était encore en service. Ceux-ci peuvent être pris aux mêmes conditions que le congé annuel de vacances, conformément aux articles 11 et 12, § 2. "
" § 5. Si un agent démissionne de ses fonctions avant la période visée au § 2, il a droit à un nombre de jours de congé égal au nombre de jours fériés qui coïncidaient avec un jour non-ouvrable au cours de la période où il était encore en service. Ceux-ci peuvent être pris aux mêmes conditions que le congé annuel de vacances, conformément aux articles 11 et 12, § 2. "
Art.5. In de Nederlandse tekst van artikel 24 van hetzelfde besluit worden de woorden " het bevallingsverlof " vervangen door de woorden " het moederschapsverlof ".
Art.5. Dans le texte néerlandais de l'article 24 du même arrêté, les mots " het bevallingsverlof " sont remplacés par les mots " het moederschapsverlof ".
Art.6. Artikel 25 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 mei 1999, wordt vervangen als volgt :
" Art. 25. De bezoldiging over de periode gedurende welke de vrouwelijke ambtenaar moederschapsverlof geniet, mag niet meer dan vijftien weken bestrijken of negentien weken in geval van meervoudige geboorte.
De bezoldiging voor de verlenging van de postnatale rust toegestaan in toepassing van artikel 33bis mag niet meer dan 24 weken bestrijken. "
" Art. 25. De bezoldiging over de periode gedurende welke de vrouwelijke ambtenaar moederschapsverlof geniet, mag niet meer dan vijftien weken bestrijken of negentien weken in geval van meervoudige geboorte.
De bezoldiging voor de verlenging van de postnatale rust toegestaan in toepassing van artikel 33bis mag niet meer dan 24 weken bestrijken. "
Art.6. L'article 25 du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 26 mai 1999, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 25. La rémunération due pour la période pendant laquelle l'agent féminin se trouve en congé de maternité ne peut couvrir plus de quinze semaines ou de dix-neuf semaines en cas de naissance multiple.
La rémunération due pour la prolongation du repos postnatal accordé en application de l'article 33bis ne peut couvrir plus de 24 semaines. "
" Art. 25. La rémunération due pour la période pendant laquelle l'agent féminin se trouve en congé de maternité ne peut couvrir plus de quinze semaines ou de dix-neuf semaines en cas de naissance multiple.
La rémunération due pour la prolongation du repos postnatal accordé en application de l'article 33bis ne peut couvrir plus de 24 semaines. "
Art.7. In artikel 26 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden " zes weken " vervangen door de woorden " vijf weken ";
2° in het tweede lid worden de woorden " acht weken " vervangen door de woorden " zeven weken ".
1° in het eerste lid worden de woorden " zes weken " vervangen door de woorden " vijf weken ";
2° in het tweede lid worden de woorden " acht weken " vervangen door de woorden " zeven weken ".
Art.7. A l'article 26 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 26 mai 1999, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa 1er, les mots " pendant les six semaines " sont remplacés par les mots " pendant les cinq semaines ";
2° dans l'alinéa 2, les mots " pendant les huit semaines " sont remplacés par les mots " pendant les sept semaines ".
1° dans l'alinéa 1er, les mots " pendant les six semaines " sont remplacés par les mots " pendant les cinq semaines ";
2° dans l'alinéa 2, les mots " pendant les huit semaines " sont remplacés par les mots " pendant les sept semaines ".
Art.8. In de Nederlandse tekst van artikel 27 van hetzelfde besluit worden de woorden " in bevallingsverlof " vervangen door de woorden " in moederschapsverlof ".
Art.8. Dans le texte néerlandais de l'article 27 du même arrêté, les mots " in bevallingsverlof " sont remplacés par les mots " in moederschapsverlof ".
Art.9. In artikel 28 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijk besluiten van 26 mei 1999 en 12 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
" Op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar wordt het moederschapsverlof, in toepassing van artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971, na de negende week verlengd met een periode waarvan de duur gelijk is aan de duur van de periode waarin zij verder gearbeid heeft vanaf de zesde week vóór de werkelijke datum van de bevalling of vanaf de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht. Deze periode wordt, bij vroeggeboorte, verminderd met de dagen waarop arbeid verricht werd tijdens de periode van zeven dagen die de bevalling voorafgaat. ";
2° er wordt een derde lid ingevoegd, luidende :
" Ingeval van geboorte van een meerling, wordt op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar de periode van arbeidsonderbreking na de negende week, eventueel verlengd overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid, verlengd met een periode van (maximaal) twee weken. "
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
" Op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar wordt het moederschapsverlof, in toepassing van artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971, na de negende week verlengd met een periode waarvan de duur gelijk is aan de duur van de periode waarin zij verder gearbeid heeft vanaf de zesde week vóór de werkelijke datum van de bevalling of vanaf de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht. Deze periode wordt, bij vroeggeboorte, verminderd met de dagen waarop arbeid verricht werd tijdens de periode van zeven dagen die de bevalling voorafgaat. ";
2° er wordt een derde lid ingevoegd, luidende :
" Ingeval van geboorte van een meerling, wordt op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar de periode van arbeidsonderbreking na de negende week, eventueel verlengd overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid, verlengd met een periode van (maximaal) twee weken. "
Art.9. A l'article 28 du même arrêté, modifié par les arrêtés royaux des 26 mai 1999 et 12 décembre 2002, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa 1er est remplacé par le texte suivant :
" A la demande de l'agent féminin, le congé de maternité est, en application de l'article 39 de la loi sur le travail du 16 mars 1971 prolongé, après la neuvième semaine, d'une période dont la durée est égale à la durée de la période au cours de laquelle elle a continué à travailler à partir de la sixième semaine avant la date réelle de l'accouchement ou à partir de la huitième semaine lorsqu'une naissance multiple est attendue. En cas de naissance prématurée, cette période est réduite à concurrence des jours pendant lesquels elle a travaillé pendant la période de sept jours qui précède l'accouchement. ";
2° il est inséré un alinéa 3, rédigé comme suit :
" En cas de naissance multiple, à la demande de l'agent féminin, la période d'interruption de travail après la neuvième semaine, éventuellement prolongée conformément aux dispositions de l'alinéa 2, est prolongée au maximum d'une période de deux semaines. "
1° l'alinéa 1er est remplacé par le texte suivant :
" A la demande de l'agent féminin, le congé de maternité est, en application de l'article 39 de la loi sur le travail du 16 mars 1971 prolongé, après la neuvième semaine, d'une période dont la durée est égale à la durée de la période au cours de laquelle elle a continué à travailler à partir de la sixième semaine avant la date réelle de l'accouchement ou à partir de la huitième semaine lorsqu'une naissance multiple est attendue. En cas de naissance prématurée, cette période est réduite à concurrence des jours pendant lesquels elle a travaillé pendant la période de sept jours qui précède l'accouchement. ";
2° il est inséré un alinéa 3, rédigé comme suit :
" En cas de naissance multiple, à la demande de l'agent féminin, la période d'interruption de travail après la neuvième semaine, éventuellement prolongée conformément aux dispositions de l'alinéa 2, est prolongée au maximum d'une période de deux semaines. "
Art.10. In de Nederlandse tekst van artikel 33, § 2 en § 3, tweede lid van hetzelfde besluit worden de woorden " het bevallingsverlof " vervangen door de woorden " het moederschapsverlof ".
Art.10. Dans le texte néerlandais de l'article 33, § 2 et § 3, alinéa 2 du même arrêté, les mots " het bevallingsverlof " sont remplacés par les mots " het moederschapsverlof ".
Art.11. Artikel 33bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 12 december 2002, wordt vervangen als volgt :
" Art. 33bis. Wanneer het pasgeboren kind na de eerste zeven dagen te rekenen vanaf zijn geboorte in de verplegingsinrichting moet opgenomen blijven, kan op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar de postnatale rustperiode verlengd worden met een duur gelijk aan de periode dat haar kind na die eerste zeven dagen in de verplegingsinrichting opgenomen blijft. De duur van deze verlenging mag vierentwintig weken niet overschrijden. Met dat doel bezorgt de vrouwelijke ambtenaar aan de overheid waaronder zij ressorteert :
1° bij het einde van de postnatale rustperiode, een getuigschrift van de verplegingsinrichting waaruit blijkt dat het pasgeboren kind in de verplegingsinrichting opgenomen blijft na de eerste zeven dagen vanaf zijn geboorte en met vermelding van de duur van de opname;
2° in voorkomend geval een nieuw getuigschrift van de verplegingsinrichting bij het einde van de verlenging die voortvloeit uit het bepaalde in dit lid waaruit blijkt dat tijdens deze verlenging het pasgeboren kind de verplegingsinrichting nog niet heeft mogen verlaten en met vermelding van de duur van de opname. "
" Art. 33bis. Wanneer het pasgeboren kind na de eerste zeven dagen te rekenen vanaf zijn geboorte in de verplegingsinrichting moet opgenomen blijven, kan op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar de postnatale rustperiode verlengd worden met een duur gelijk aan de periode dat haar kind na die eerste zeven dagen in de verplegingsinrichting opgenomen blijft. De duur van deze verlenging mag vierentwintig weken niet overschrijden. Met dat doel bezorgt de vrouwelijke ambtenaar aan de overheid waaronder zij ressorteert :
1° bij het einde van de postnatale rustperiode, een getuigschrift van de verplegingsinrichting waaruit blijkt dat het pasgeboren kind in de verplegingsinrichting opgenomen blijft na de eerste zeven dagen vanaf zijn geboorte en met vermelding van de duur van de opname;
2° in voorkomend geval een nieuw getuigschrift van de verplegingsinrichting bij het einde van de verlenging die voortvloeit uit het bepaalde in dit lid waaruit blijkt dat tijdens deze verlenging het pasgeboren kind de verplegingsinrichting nog niet heeft mogen verlaten en met vermelding van de duur van de opname. "
Art.11. L'article 33bis du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 12 décembre 2002, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 33bis. Dans le cas où, après les sept premiers jours à compter de sa naissance, le nouveau-né doit rester dans l'établissement hospitalier, le congé de repos postnatal peut, à la demande de l'agent féminin, être prolongé d'une durée égale à la période pendant laquelle son enfant est resté hospitalisé après les sept premiers jours. La durée de cette prolongation ne peut dépasser vingt-quatre semaines. A cet effet, l'agent féminin remet à l'autorité dont elle relève :
1° à la fin de la période de repos postnatal, une attestation de l'établissement hospitalier certifiant que le nouveau-né est resté hospitalisé après les sept premiers jours à dater de sa naissance et mentionnant la durée de l'hospitalisation;
2° le cas échéant, à la fin de la période de prolongation qui résulte des dispositions prévues dans le présent alinéa, une nouvelle attestation de l'établissement hospitalier certifiant que le nouveau-né n'a pas encore quitté l'établissement hospitalier et mentionnant la durée de l'hospitalisation. "
" Art. 33bis. Dans le cas où, après les sept premiers jours à compter de sa naissance, le nouveau-né doit rester dans l'établissement hospitalier, le congé de repos postnatal peut, à la demande de l'agent féminin, être prolongé d'une durée égale à la période pendant laquelle son enfant est resté hospitalisé après les sept premiers jours. La durée de cette prolongation ne peut dépasser vingt-quatre semaines. A cet effet, l'agent féminin remet à l'autorité dont elle relève :
1° à la fin de la période de repos postnatal, une attestation de l'établissement hospitalier certifiant que le nouveau-né est resté hospitalisé après les sept premiers jours à dater de sa naissance et mentionnant la durée de l'hospitalisation;
2° le cas échéant, à la fin de la période de prolongation qui résulte des dispositions prévues dans le présent alinéa, une nouvelle attestation de l'établissement hospitalier certifiant que le nouveau-né n'a pas encore quitté l'établissement hospitalier et mentionnant la durée de l'hospitalisation. "
Art.12. In artikel 33ter, § 3, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 12 december 2002, worden de woorden " twee maanden " vervangen door de woorden " twee weken ".
Art.12. Dans l'article 33ter, § 3, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 12 décembre 2002, les mots " deux mois " sont remplacés par les mots " deux semaines ".
Art.13. Het opschrift van hoofdstuk VI van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Hoofdstuk VI. Adoptieverlof en opvangverlof "
" Hoofdstuk VI. Adoptieverlof en opvangverlof "
Art.13. L'intitulé du chapitre VI du même arrêté est remplacé par l'intitulé suivant :
" Chapitre VI - Congé d'adoption et congé d'accueil "
" Chapitre VI - Congé d'adoption et congé d'accueil "
Art.14. Artikel 36 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 december 2002, wordt vervangen als volgt :
" Art. 36. Een adoptieverlof wordt toegestaan aan de ambtenaar die een kind beneden de tien jaar adopteert.
Het verlof bedraagt ten hoogste 6 weken. Het verlof kan gesplitst worden in weken en dient te worden genomen uiterlijk binnen de vier maanden na de opname van het kind in het gezin van de ambtenaar. Op vraag van de ambtenaar kan ten hoogste 3 weken van dit verlof opgenomen worden vooraleer het kind effectief in het gezin opgenomen wordt.
De ambtenaar die het verlof wenst te genieten bij toepassing van dit artikel, deelt aan de overheid onder welke hij ressorteert, de datum mee waarop het verlof zal aanvangen en de duur ervan. Die mededeling gebeurt schriftelijk minstens één maand vóór de aanvang van het verlof, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.
De ambtenaar dient de volgende documenten voor te leggen :
1° een attest, uitgereikt door de bevoegde centrale autoriteit van de Gemeenschap, waarin de toewijzing van het kind aan de ambtenaar, wordt bevestigd, om het verlof van ten hoogste 3 weken te verkrijgen vooraleer het kind opgenomen wordt in het gezin;
2° een attest dat de inschrijving van het kind in het bevolkings- of vreemdelingenregister bevestigt om het resterend verlof te kunnen opnemen;
De maximumduur van het adoptieverlof wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct. of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag. "
" Art. 36. Een adoptieverlof wordt toegestaan aan de ambtenaar die een kind beneden de tien jaar adopteert.
Het verlof bedraagt ten hoogste 6 weken. Het verlof kan gesplitst worden in weken en dient te worden genomen uiterlijk binnen de vier maanden na de opname van het kind in het gezin van de ambtenaar. Op vraag van de ambtenaar kan ten hoogste 3 weken van dit verlof opgenomen worden vooraleer het kind effectief in het gezin opgenomen wordt.
De ambtenaar die het verlof wenst te genieten bij toepassing van dit artikel, deelt aan de overheid onder welke hij ressorteert, de datum mee waarop het verlof zal aanvangen en de duur ervan. Die mededeling gebeurt schriftelijk minstens één maand vóór de aanvang van het verlof, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.
De ambtenaar dient de volgende documenten voor te leggen :
1° een attest, uitgereikt door de bevoegde centrale autoriteit van de Gemeenschap, waarin de toewijzing van het kind aan de ambtenaar, wordt bevestigd, om het verlof van ten hoogste 3 weken te verkrijgen vooraleer het kind opgenomen wordt in het gezin;
2° een attest dat de inschrijving van het kind in het bevolkings- of vreemdelingenregister bevestigt om het resterend verlof te kunnen opnemen;
De maximumduur van het adoptieverlof wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct. of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag. "
Art.14. L'article 36 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 12 décembre 2002, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 36. Un congé d'adoption est accordé à l'agent qui adopte un enfant de moins de dix ans.
Le congé est de 6 semaines au plus. Le congé peut être fractionné par semaine et doit être pris au plus tard dans les quatre mois qui suivent l'accueil de l'enfant dans la famille de l'agent. A la demande de l'agent, 3 semaines au plus de ce congé peuvent être prises avant que l'enfant n'ait été effectivement accueilli dans la famille.
L'agent qui désire bénéficier du congé par application du présent article communique à l'autorité dont il relève la date à laquelle le congé prendra cours et sa durée. Cette communication se fait par écrit au moins un mois avant le début du congé à moins que l'autorité n'accepte un délai plus court à la demande de l'intéressé.
L'agent doit présenter les documents suivants :
1° une attestation, délivrée par l'autorité centrale compétente de la Communauté, qui confirme l'attribution de l'enfant à l'agent pour obtenir le congé de 3 semaines au plus avant que l'enfant ne soit accueilli dans la famille;
2° une attestation qui confirme l'inscription de l'enfant au registre de la population ou au registre des étrangers pour pouvoir prendre le congé restant.
La durée maximum du congé d'adoption est doublée lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins 4 points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales. "
" Art. 36. Un congé d'adoption est accordé à l'agent qui adopte un enfant de moins de dix ans.
Le congé est de 6 semaines au plus. Le congé peut être fractionné par semaine et doit être pris au plus tard dans les quatre mois qui suivent l'accueil de l'enfant dans la famille de l'agent. A la demande de l'agent, 3 semaines au plus de ce congé peuvent être prises avant que l'enfant n'ait été effectivement accueilli dans la famille.
L'agent qui désire bénéficier du congé par application du présent article communique à l'autorité dont il relève la date à laquelle le congé prendra cours et sa durée. Cette communication se fait par écrit au moins un mois avant le début du congé à moins que l'autorité n'accepte un délai plus court à la demande de l'intéressé.
L'agent doit présenter les documents suivants :
1° une attestation, délivrée par l'autorité centrale compétente de la Communauté, qui confirme l'attribution de l'enfant à l'agent pour obtenir le congé de 3 semaines au plus avant que l'enfant ne soit accueilli dans la famille;
2° une attestation qui confirme l'inscription de l'enfant au registre de la population ou au registre des étrangers pour pouvoir prendre le congé restant.
La durée maximum du congé d'adoption est doublée lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins 4 points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales. "
Art.15. Een artikel 36bis wordt ingevoegd in hetzelfde besluit, luidende :
" Art. 36bis. Een opvangverlof wordt toegestaan aan de ambtenaar die de pleegvoogdij opneemt van een kind beneden de tien jaar of die een minderjarige opneemt in zijn gezin ingevolge een rechterlijke beslissing tot plaatsing in een opvanggezin.
Het verlof bedraagt ten hoogste zes weken voor een kind beneden de 3 jaar en ten hoogste 4 weken in de andere gevallen. Het verlof vangt aan op de dag dat het kind in het gezin wordt opgenomen en kan niet gesplitst worden.
De maximumduur van het opvangverlof wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct. of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag. "
" Art. 36bis. Een opvangverlof wordt toegestaan aan de ambtenaar die de pleegvoogdij opneemt van een kind beneden de tien jaar of die een minderjarige opneemt in zijn gezin ingevolge een rechterlijke beslissing tot plaatsing in een opvanggezin.
Het verlof bedraagt ten hoogste zes weken voor een kind beneden de 3 jaar en ten hoogste 4 weken in de andere gevallen. Het verlof vangt aan op de dag dat het kind in het gezin wordt opgenomen en kan niet gesplitst worden.
De maximumduur van het opvangverlof wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct. of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag. "
Art.15. Un article 36bis, rédigé comme suit, est inséré dans le même arrêté :
" Art. 36bis. Un congé d'accueil est accordé à l'agent qui assure la tutelle officieuse d'un enfant de moins de dix ans ou qui accueille un mineur dans sa famille suite à une décision judiciaire de placement dans une famille d'accueil.
Le congé est de six semaines au plus pour un enfant de moins de 3 ans et de quatre semaines au plus dans les autres cas. Le congé débute le jour où l'enfant est accueilli dans la famille et ne peut pas être fractionné.
La durée maximum du congé d'accueil est doublée lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins 4 points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales. "
" Art. 36bis. Un congé d'accueil est accordé à l'agent qui assure la tutelle officieuse d'un enfant de moins de dix ans ou qui accueille un mineur dans sa famille suite à une décision judiciaire de placement dans une famille d'accueil.
Le congé est de six semaines au plus pour un enfant de moins de 3 ans et de quatre semaines au plus dans les autres cas. Le congé débute le jour où l'enfant est accueilli dans la famille et ne peut pas être fractionné.
La durée maximum du congé d'accueil est doublée lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins 4 points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales. "
Art.16. Artikel 37 van hetzelfde besluit, wordt vervangen als volgt :
" Art. 37. Het adoptieverlof en het opvangverlof worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. "
" Art. 37. Het adoptieverlof en het opvangverlof worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. "
Art.16. L'article 37 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 37. Le congé d'adoption et le congé d'accueil sont assimilés à une période d'activité de service. "
" Art. 37. Le congé d'adoption et le congé d'accueil sont assimilés à une période d'activité de service. "
Art.17. Artikel 38, tweede lid van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 juni 2002, wordt aangevuld als volgt :
" 3° opvang tijdens de periodes van schoolvakantie van de kinderen die de leeftijd van 18 jaar niet hebben bereikt, wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct. of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag;
4° opvang tijdens de periodes van schoolvakantie van de kinderen die onder het statuut van verlengde minderjarigheid werden geplaatst. "
" 3° opvang tijdens de periodes van schoolvakantie van de kinderen die de leeftijd van 18 jaar niet hebben bereikt, wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct. of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag;
4° opvang tijdens de periodes van schoolvakantie van de kinderen die onder het statuut van verlengde minderjarigheid werden geplaatst. "
Art.17. L'article 38, alinéa 2 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 10 juin 2002, est complété comme suit :
" 3° accueil, pendant les périodes de vacances scolaires, des enfants qui n'ont pas atteint l'âge de 18 ans, lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins 4 points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales;
4° accueil, pendant les périodes de vacances scolaires, des enfants qui se trouvent sous le statut de la minorité prolongée. "
" 3° accueil, pendant les périodes de vacances scolaires, des enfants qui n'ont pas atteint l'âge de 18 ans, lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins 4 points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales;
4° accueil, pendant les périodes de vacances scolaires, des enfants qui se trouvent sous le statut de la minorité prolongée. "
Art.18. In artikel 39 van hetzelfde besluit wordt een tweede lid ingevoegd, luidende :
" Om het verlof in toepassing van artikel 38 van dit besluit te genieten, kan de dienst de ambtenaar vragen het bewijs te leveren dat een dwingende reden van familiaal belang zich voordoet. "
" Om het verlof in toepassing van artikel 38 van dit besluit te genieten, kan de dienst de ambtenaar vragen het bewijs te leveren dat een dwingende reden van familiaal belang zich voordoet. "
Art.18. Dans l'article 39 du même arrêté, il est inséré un alinéa 2, rédigé comme suit :
" Pour bénéficier du congé en application de l'article 38 du présent arrêté, l'agent peut être tenu par son service de fournir la preuve de l'existence d'un motif impérieux d'ordre familial. "
" Pour bénéficier du congé en application de l'article 38 du présent arrêté, l'agent peut être tenu par son service de fournir la preuve de l'existence d'un motif impérieux d'ordre familial. "
Art.19. In afwijking van artikel 25 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, gewijzigd door onderhavig besluit, wordt de periode gedurende welke de vrouwelijke ambtenaar moederschapsverlof geniet en bezoldigd wordt, verlengd met één week in zoverre dat de vrouwelijke ambtenaar bevallen is op of na 1 juli 2004 en reeds een prenataal verlof van zeven weken of negen weken genoten heeft in toepassing van de bepalingen van toepassing voor die datum.
Art.19. Par dérogation à l'article 25 de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat, tel que modifié par le présent arrêté, la période pendant laquelle l'agent féminin bénéficie d'un congé de maternité et est rémunéré, est prolongée d'une semaine pour autant que l'agent féminin a accouché le 1er juillet 2004 ou après cette date et a déjà bénéficié d'un congé prénatal de sept semaines ou de neuf semaines en application des dispositions en vigueur avant cette date.
Art.20. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand na die waarin het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van de artikelen 2 en 3, 2°, die uitwerking hebben met ingang van 2 juni 2004 en met uitzondering van de artikelen 6, 7, 9, 11 en 19, die uitwerking hebben met ingang van 1 juli 2004.
Artikel 14 is enkel van toepassing voorzover de adoptie heeft plaatsgevonden na de inwerkingtreding van dit artikel.
Artikel 14 is enkel van toepassing voorzover de adoptie heeft plaatsgevonden na de inwerkingtreding van dit artikel.
Art.20. Le présent arrêté entre en vigueur le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel il aura été publié au Moniteur belge, à l'exception des articles 2 et 3, 2°, qui produisent leurs effets le 2 juin 2004 et à l'exception des articles 6, 7, 9, 11 et 19, qui produisent leurs effets le 1er juillet 2004.
L'article 14 n'est applicable que pour autant que l'adoption ait eu lieu après l'entrée en vigueur dudit article.
L'article 14 n'est applicable que pour autant que l'adoption ait eu lieu après l'entrée en vigueur dudit article.
Art. 21. Onze Ministers en Onze Staatssecretarissen zijn, ieder wat hen betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 12 oktober 2005.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Ambtenarenzaken,
Ch. DUPONT.
Gegeven te Brussel, 12 oktober 2005.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Ambtenarenzaken,
Ch. DUPONT.
Art. 21. Nos Ministres et Nos Secrétaires d'Etat sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Bruxelles, le 12 octobre 2005.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de la Fonction publique,
Ch. DUPONT.
Donné à Bruxelles, le 12 octobre 2005.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de la Fonction publique,
Ch. DUPONT.