Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Verdrag :
a. wordt het begrip, " overheidsfunctionaris " uitgelegd op grond van de omschrijving van " ambtenaar ", " overheidsdienaar ", burgemeester ", " minister " of " rechter " in het nationaal recht van de Staat waarin de betrokken persoon die taak uitoefent en zoals het wordt toegepast in zijn strafrecht;
b. omvat de hierboven onder a. genoemde term " rechter " de leden van het openbaar ministerie en de personen die rechterlijke taken uitoefenen;
c. kan de vervolgende Staat, in geval van vervolging waarbij een overheidsfunctionaris van een andere Staat betrokken is, de omschrijving van " overheidsfunctionaris " slechts toepassen voorzover die omschrijving verenigbaar is met zijn nationale recht;
d. wordt verstaan onder " rechtspersoon " ieder lichaam dat een dergelijke hoedanigheid krachtens het toepasselijke nationale recht bezit, met uitzondering van Staten of andere openbare lichamen bij de uitoefening van overheidsbevoegdheden, en van publiekrechtelijke internationale organisaties.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
27 JANUARI 1999. - Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie.
Titre
27 JANVIER 1999. - Convention pénale sur la corruption.
Documentinformatie
Numac: 2004A15044
Datum: 1999-01-27
Info du document
Numac: 2004A15044
Date: 1999-01-27
Inhoud
Tekst (49)
Texte (49)
HOOFDSTUK I. - Begripsomschrijvingen.
CHAPITRE Ier. - Terminologie.
Article 1. Terminologie
Aux fins de la présente Convention :
a. l'expression " agent public " est interprétée par référence à la définition de " fonctionnaire ", " officier public ", " maire ", " ministre " ou " juge " dans le droit national de l'Etat dans lequel la personne en question exerce cette fonction et telle qu'elle est appliquée dans son droit pénal;
b. le terme " juge " qui figure à l'alinéa a. ci-dessus comprend les membres du ministère public et les personnes exerçant des fonctions judiciaires;
c. dans le cas de poursuites impliquant un agent public d'un autre Etat, l'Etat qui poursuit ne peut appliquer la définition d'agent public que dans la mesure où cette définition est compatible avec son droit national;
d. " personne morale " s'entend de toute entité ayant ce statut en vertu du droit national applicable, exception faite des Etats ou des autres entités publiques dans l'exercice de leurs prérogatives de puissance publique et des organisations internationales publiques.
Aux fins de la présente Convention :
a. l'expression " agent public " est interprétée par référence à la définition de " fonctionnaire ", " officier public ", " maire ", " ministre " ou " juge " dans le droit national de l'Etat dans lequel la personne en question exerce cette fonction et telle qu'elle est appliquée dans son droit pénal;
b. le terme " juge " qui figure à l'alinéa a. ci-dessus comprend les membres du ministère public et les personnes exerçant des fonctions judiciaires;
c. dans le cas de poursuites impliquant un agent public d'un autre Etat, l'Etat qui poursuit ne peut appliquer la définition d'agent public que dans la mesure où cette définition est compatible avec son droit national;
d. " personne morale " s'entend de toute entité ayant ce statut en vertu du droit national applicable, exception faite des Etats ou des autres entités publiques dans l'exercice de leurs prérogatives de puissance publique et des organisations internationales publiques.
HOOFDSTUK II. - Maatregelen te nemen op nationaal niveau.
CHAPITRE II. - Mesures à prendre au niveau national.
Art. 2. Actieve omkoping van nationale overheidsfunctionarissen.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als strafbaar feit aan te merken, wanneer opzettelijk gepleegd, het beloven, aanbieden of geven, rechtstreeks of onrechtstreeks, van elk onverschuldigd voordeel aan een van haar overheidsfunctionarissen, voor hem zelf of voor iemand anders, opdat hij een handeling verricht of nalaat te verrichten in de uitoefening van zijn taken.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als strafbaar feit aan te merken, wanneer opzettelijk gepleegd, het beloven, aanbieden of geven, rechtstreeks of onrechtstreeks, van elk onverschuldigd voordeel aan een van haar overheidsfunctionarissen, voor hem zelf of voor iemand anders, opdat hij een handeling verricht of nalaat te verrichten in de uitoefening van zijn taken.
Art. 2. Corruption active d'agents publics nationaux
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction pénale, conformément à son droit interne, lorsque l'acte a été commis intentionnellement, le fait de proposer, d'offrir ou de donner, directement ou indirectement, tout avantage indu à l'un de ses agents publics, pour lui-même ou pour quelqu'un d'autre, afin qu'il accomplisse ou s'abstienne d'accomplir un acte dans l'exercice de ses fonctions.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction pénale, conformément à son droit interne, lorsque l'acte a été commis intentionnellement, le fait de proposer, d'offrir ou de donner, directement ou indirectement, tout avantage indu à l'un de ses agents publics, pour lui-même ou pour quelqu'un d'autre, afin qu'il accomplisse ou s'abstienne d'accomplir un acte dans l'exercice de ses fonctions.
Art. 3. Passieve omkoping van nationale overheidsfunctionarissen.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als strafbaar feit aan te merken, wanneer opzettelijk gepleegd, het door een van haar overheidsfunctionarissen vragen of ontvangen, rechtstreeks of onrechtstreeks, van elk onverschuldigd voordeel, voor hem zelf of voor iemand anders, of het aanvaarden van het aanbod of de belofte daarvan, om een handeling te verrichten of na te laten te verrichten in de uitoefening van zijn taken.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als strafbaar feit aan te merken, wanneer opzettelijk gepleegd, het door een van haar overheidsfunctionarissen vragen of ontvangen, rechtstreeks of onrechtstreeks, van elk onverschuldigd voordeel, voor hem zelf of voor iemand anders, of het aanvaarden van het aanbod of de belofte daarvan, om een handeling te verrichten of na te laten te verrichten in de uitoefening van zijn taken.
Art. 3. Corruption passive d'agents publics nationaux
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction pénale, conformément à son droit interne, lorsque l'acte a été commis intentionnellement, le fait pour un de ses agents publics de solliciter ou de recevoir, directement ou indirectement, tout avantage indu pour lui-même ou quelqu'un d'autre ou d'en accepter l'offre ou la promesse afin d'accomplir ou de s'abstenir d'accomplir un acte dans l'exercice de ses fonctions.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction pénale, conformément à son droit interne, lorsque l'acte a été commis intentionnellement, le fait pour un de ses agents publics de solliciter ou de recevoir, directement ou indirectement, tout avantage indu pour lui-même ou quelqu'un d'autre ou d'en accepter l'offre ou la promesse afin d'accomplir ou de s'abstenir d'accomplir un acte dans l'exercice de ses fonctions.
Art. 4. Omkoping van leden van nationale openbare vergaderingen.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als strafbaar feit aan te merken de gedragingen bedoeld in de artikelen 2 en 3, wanneer daarbij betrokken is enige persoon die lid is van om het even welke nationale openbare vergadering met wetgevende of administratieve bevoegdheden.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als strafbaar feit aan te merken de gedragingen bedoeld in de artikelen 2 en 3, wanneer daarbij betrokken is enige persoon die lid is van om het even welke nationale openbare vergadering met wetgevende of administratieve bevoegdheden.
Art. 4. Corruption de membres d'assemblées publiques nationales.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction pénale, conformément à son droit interne, les actes visés aux articles 2 et 3 lorsqu'ils impliquent toute personne membre d'une quelconque assemblée publique nationale exerçant des pouvoirs législatifs ou administratifs.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction pénale, conformément à son droit interne, les actes visés aux articles 2 et 3 lorsqu'ils impliquent toute personne membre d'une quelconque assemblée publique nationale exerçant des pouvoirs législatifs ou administratifs.
Art. 5. Omkoping van buitenlandse overheidsfunctionarissen.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als strafbaar feit aan te merken de gedragingen bedoeld in de artikelen 2 en 3, wanneer daarbij een overheidsfunctionaris van enige andere Staat betrokken is.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als strafbaar feit aan te merken de gedragingen bedoeld in de artikelen 2 en 3, wanneer daarbij een overheidsfunctionaris van enige andere Staat betrokken is.
Art. 5. Corruption d'agents publics étrangers.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction pénale, conformément à son droit interne, les actes visés aux articles 2 et 3 lorsqu'ils impliquent un agent public de tout autre Etat.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction pénale, conformément à son droit interne, les actes visés aux articles 2 et 3 lorsqu'ils impliquent un agent public de tout autre Etat.
Art. 6. _ Omkoping van leden van buitenlandse openbare vergaderingen.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als strafbaar feit aan te merken de gedragingen bedoeld in de artikelen 2 en 3, wanneer daarbij betrokken is enige persoon die lid is van om het even welke openbare vergadering met wetgevende of administratieve bevoegdheden van enige andere Staat.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als strafbaar feit aan te merken de gedragingen bedoeld in de artikelen 2 en 3, wanneer daarbij betrokken is enige persoon die lid is van om het even welke openbare vergadering met wetgevende of administratieve bevoegdheden van enige andere Staat.
Art. 6. Corruption de membres d'assemblées publiques étrangères.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction pénale, conformément à son droit interne, les actes visés aux articles 2 et 3 lorsqu'ils impliquent toute personne membre d'une quelconque assemblée publique exerçant des pouvoirs législatifs ou administratifs de tout autre Etat.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction pénale, conformément à son droit interne, les actes visés aux articles 2 et 3 lorsqu'ils impliquent toute personne membre d'une quelconque assemblée publique exerçant des pouvoirs législatifs ou administratifs de tout autre Etat.
Art. 7. Actieve omkoping in de particuliere sector.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als strafbaar feit aan te merken, wanneer opzettelijk gepleegd, in het kader van zakelijke activiteiten, het beloven, aanbieden of geven, rechtstreeks of onrechtstreeks, van elk onverschuldigd voordeel aan enige persoon die leiding geeft aan of werkt voor een eenheid in de particuliere sector, voor hem zelf of voor iemand anders, opdat hij een handeling verricht of nalaat te verrichten in strijd met zijn plichten.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als strafbaar feit aan te merken, wanneer opzettelijk gepleegd, in het kader van zakelijke activiteiten, het beloven, aanbieden of geven, rechtstreeks of onrechtstreeks, van elk onverschuldigd voordeel aan enige persoon die leiding geeft aan of werkt voor een eenheid in de particuliere sector, voor hem zelf of voor iemand anders, opdat hij een handeling verricht of nalaat te verrichten in strijd met zijn plichten.
Art. 7. Corruption active dans le secteur privé.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction pénale, conformément à son droit interne, lorsque l'acte a été commis intentionnellement, dans le cadre d'une activité commerciale, le fait de promettre d'offrir ou de donner, directement ou indirectement, tout avantage indu à toute personne qui dirige ou travaille pour une entité du secteur privé, pour elle-même ou pour quelqu'un d'autre, afin qu'elle accomplisse ou s'abstienne d'accomplir un acte en violation de ses devoirs.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction pénale, conformément à son droit interne, lorsque l'acte a été commis intentionnellement, dans le cadre d'une activité commerciale, le fait de promettre d'offrir ou de donner, directement ou indirectement, tout avantage indu à toute personne qui dirige ou travaille pour une entité du secteur privé, pour elle-même ou pour quelqu'un d'autre, afin qu'elle accomplisse ou s'abstienne d'accomplir un acte en violation de ses devoirs.
Art. 8. Passieve omkoping in de particuliere sector.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als strafbaar feit aan te merken, wanneer opzettelijk gepleegd, in het kader van zakelijke activiteiten, het vragen of ontvangen, rechtstreeks of onrechtstreeks, door een ieder die leiding geeft aan of werkt voor een eenheid in de particuliere sector, van elk onverschuldigd voordeel, of het aannemen van het aanbod of de belofte daarvan, voor hem zelf of voor iemand anders, om een handeling te verrichten of na te laten in strijd met zijn plichten.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als strafbaar feit aan te merken, wanneer opzettelijk gepleegd, in het kader van zakelijke activiteiten, het vragen of ontvangen, rechtstreeks of onrechtstreeks, door een ieder die leiding geeft aan of werkt voor een eenheid in de particuliere sector, van elk onverschuldigd voordeel, of het aannemen van het aanbod of de belofte daarvan, voor hem zelf of voor iemand anders, om een handeling te verrichten of na te laten in strijd met zijn plichten.
Art. 8. Corruption passive dans le secteur privé.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction pénale, conformément à son droit interne, lorsque l'acte a été commis intentionnellement, dans le cadre d'une activité commerciale, le fait pour toute personne qui dirige ou travaille pour une entité du secteur privé de solliciter ou de recevoir, directement ou par l'intermédiaire de tiers, un avantage indu ou d'en accepter l'offre ou la promesse, pour elle-même ou pour quelqu'un d'autre, afin qu'elle accomplisse ou s'abstienne d'accomplir un acte en violation de ses devoirs.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction pénale, conformément à son droit interne, lorsque l'acte a été commis intentionnellement, dans le cadre d'une activité commerciale, le fait pour toute personne qui dirige ou travaille pour une entité du secteur privé de solliciter ou de recevoir, directement ou par l'intermédiaire de tiers, un avantage indu ou d'en accepter l'offre ou la promesse, pour elle-même ou pour quelqu'un d'autre, afin qu'elle accomplisse ou s'abstienne d'accomplir un acte en violation de ses devoirs.
Art. 9. Omkoping van internationale ambtenaren.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als strafbaar feit aan te merken de gedragingen bedoeld in de artikelen 2 en 3, wanneer daarbij betrokken is enige persoon die de hoedanigheid van ambtenaar of contractueel ambtenaar in de zin van het personeelsstatuut bezit, bij elke publiekrechtelijke internationale of supranationale organisatie waarvan de Partij lid is, dan wel enige persoon, ongeacht of hij bij een dergelijke organisatie gedetacheerd is of niet, die taken uitoefent welke overeenkomen met die van genoemde ambtenaren of contractuele ambtenaren.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als strafbaar feit aan te merken de gedragingen bedoeld in de artikelen 2 en 3, wanneer daarbij betrokken is enige persoon die de hoedanigheid van ambtenaar of contractueel ambtenaar in de zin van het personeelsstatuut bezit, bij elke publiekrechtelijke internationale of supranationale organisatie waarvan de Partij lid is, dan wel enige persoon, ongeacht of hij bij een dergelijke organisatie gedetacheerd is of niet, die taken uitoefent welke overeenkomen met die van genoemde ambtenaren of contractuele ambtenaren.
Art. 9. Corruption de fonctionnaires internationaux.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction pénale, conformément à son droit interne, les actes mentionnés aux articles 2 et 3 lorsqu'ils impliquent toute personne qui a la qualité de fonctionnaire ou d'agent contractuel, au sens du statut des agents, de toute organisation publique internationale ou supranationale dont la Partie est membre, ainsi que toute personne, qu'elle soit détachée ou non auprès d'une telle organisation, qui exerce des fonctions correspondant à celles desdits fonctionnaires ou agents.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction pénale, conformément à son droit interne, les actes mentionnés aux articles 2 et 3 lorsqu'ils impliquent toute personne qui a la qualité de fonctionnaire ou d'agent contractuel, au sens du statut des agents, de toute organisation publique internationale ou supranationale dont la Partie est membre, ainsi que toute personne, qu'elle soit détachée ou non auprès d'une telle organisation, qui exerce des fonctions correspondant à celles desdits fonctionnaires ou agents.
Art. 10. Omkoping van leden van internationale parlementaire vergaderingen.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als strafbaar feit aan te merken, de gedragingen bedoeld in artikel 4, wanneer daarbij betrokken is enige persoon die lid is van een parlementaire vergadering van een internationale of supranationale organisatie waarvan de Partij lid is.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als strafbaar feit aan te merken, de gedragingen bedoeld in artikel 4, wanneer daarbij betrokken is enige persoon die lid is van een parlementaire vergadering van een internationale of supranationale organisatie waarvan de Partij lid is.
Art. 10. Corruption de membres d'assemblées parlementaires internationales.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction pénale, conformément à son droit interne, les actes visés à l'article 4 lorsqu'ils impliquent toute personne membre d'une assemblée parlementaire d'une organisation internationale ou supranationale dont la Partie est membre.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction pénale, conformément à son droit interne, les actes visés à l'article 4 lorsqu'ils impliquent toute personne membre d'une assemblée parlementaire d'une organisation internationale ou supranationale dont la Partie est membre.
Art. 11. Omkoping van rechters en ambtenaren van internationale gerechtshoven.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als strafbaar feit aan te merken, de gedragingen bedoeld in de artikelen 2 en 3, wanneer daarbij betrokken is enige persoon die rechterlijke taken uitoefent in een internationaal gerechtshof waarvan de Partij de rechtsmacht heeft aanvaard of enige persoon die ambtenaar op de griffie van een dergelijk gerechtshof is.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als strafbaar feit aan te merken, de gedragingen bedoeld in de artikelen 2 en 3, wanneer daarbij betrokken is enige persoon die rechterlijke taken uitoefent in een internationaal gerechtshof waarvan de Partij de rechtsmacht heeft aanvaard of enige persoon die ambtenaar op de griffie van een dergelijk gerechtshof is.
Art. 11. Corruption de juges et d'agents de cours internationales.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction pénale, conformément à son droit interne, les actes mentionnés aux articles 2 et 3 lorsqu'ils impliquent toute personne exerçant des fonctions judiciaires au sein d'une cour internationale dont la compétence est acceptée par la Partie ou tout fonctionnaire au greffe d'une telle cour.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction pénale, conformément à son droit interne, les actes mentionnés aux articles 2 et 3 lorsqu'ils impliquent toute personne exerçant des fonctions judiciaires au sein d'une cour internationale dont la compétence est acceptée par la Partie ou tout fonctionnaire au greffe d'une telle cour.
Art. 12. Ongeoorloofde beïnvloeding.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als strafbaar feit aan te merken, wanneer opzettelijk gepleegd, het beloven, aanbieden of geven, rechtstreeks of onrechtstreeks, van elk onverschuldigd voordeel als beloning, aan enige persoon die beweert of bevestigt in staat te zijn invloed uit te oefenen op de besluitvorming door een van de personen bedoeld in de artikelen 2, 4 tot en met 6 en 9 tot en met 11, ongeacht of het onverschuldigde voordeel voor hem zelf is of voor iemand anders, alsmede het vragen, ontvangen of aanvaarden van het aanbod of de belofte daarvan als beloning voor bedoelde beïnvloeding, ongeacht of de invloed al dan niet is uitgeoefend, dan wel of de veronderstelde beïnvloeding al dan niet leidt tot het beoogde resultaat.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als strafbaar feit aan te merken, wanneer opzettelijk gepleegd, het beloven, aanbieden of geven, rechtstreeks of onrechtstreeks, van elk onverschuldigd voordeel als beloning, aan enige persoon die beweert of bevestigt in staat te zijn invloed uit te oefenen op de besluitvorming door een van de personen bedoeld in de artikelen 2, 4 tot en met 6 en 9 tot en met 11, ongeacht of het onverschuldigde voordeel voor hem zelf is of voor iemand anders, alsmede het vragen, ontvangen of aanvaarden van het aanbod of de belofte daarvan als beloning voor bedoelde beïnvloeding, ongeacht of de invloed al dan niet is uitgeoefend, dan wel of de veronderstelde beïnvloeding al dan niet leidt tot het beoogde resultaat.
Art. 12. Trafic d'influence.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction pénale, conformément à son droit interne, lorsque l'acte a été commis intentionnellement, le fait de proposer, d'offrir ou de donner, directement ou indirectement, tout avantage indu à titre de rémunération à quiconque affirme ou confirme être capable d'exercer une influence sur la prise de décision de toute personne visée aux articles 2, 4 à 6 et 9 à 11, que l'avantage indu soit pour lui-même ou pour quelqu'un d'autre, ainsi que le fait de solliciter, de recevoir ou d'en accepter l'offre ou la promesse à titre de rémunération pour ladite influence, que l'influence soit ou non exercée ou que l'influence supposée produise ou non le résultat recherché.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction pénale, conformément à son droit interne, lorsque l'acte a été commis intentionnellement, le fait de proposer, d'offrir ou de donner, directement ou indirectement, tout avantage indu à titre de rémunération à quiconque affirme ou confirme être capable d'exercer une influence sur la prise de décision de toute personne visée aux articles 2, 4 à 6 et 9 à 11, que l'avantage indu soit pour lui-même ou pour quelqu'un d'autre, ainsi que le fait de solliciter, de recevoir ou d'en accepter l'offre ou la promesse à titre de rémunération pour ladite influence, que l'influence soit ou non exercée ou que l'influence supposée produise ou non le résultat recherché.
Art. 13. Witwassen van de opbrengsten van corruptiedelicten.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als strafbaar feit aan te merken, de gedragingen vermeld in het Verdrag van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven in artikel 6, eerste en tweede lid, onder de daarin genoemde omstandigheden, wanneer het basisdelict wordt gevormd door een van de krachtens de artikelen 2 tot en met 12 van dit Verdrag strafbaar gestelde feiten, voorzover de Partij geen voorbehoud heeft gemaakt of een verklaring heeft afgelegd ten aanzien van deze strafbare feiten, dan wel deze strafbare feiten in het licht van de wetgeving met betrekking tot het witwassen van geld niet als ernstige strafbare feiten beschouwt.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als strafbaar feit aan te merken, de gedragingen vermeld in het Verdrag van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven in artikel 6, eerste en tweede lid, onder de daarin genoemde omstandigheden, wanneer het basisdelict wordt gevormd door een van de krachtens de artikelen 2 tot en met 12 van dit Verdrag strafbaar gestelde feiten, voorzover de Partij geen voorbehoud heeft gemaakt of een verklaring heeft afgelegd ten aanzien van deze strafbare feiten, dan wel deze strafbare feiten in het licht van de wetgeving met betrekking tot het witwassen van geld niet als ernstige strafbare feiten beschouwt.
Art. 13. Blanchiment du produit des délits de la corruption.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction pénale, conformément à son droit interne, les actes mentionnés dans la Convention du Conseil de l'Europe relative au blanchiment, au dépistage, à la saisie et à la confiscation des produits du crime (STE n 141), à l'article 6, paragraphes 1er et 2, dans les conditions y prévues, lorsque l'infraction principale est constituée par l'une des infractions établies en vertu des articles 2 à 12 de la présente Convention, dans la mesure où la Partie n'a pas formulé de réserve ou de déclaration à l'égard de ces infractions ou ne considère pas ces infractions comme des infractions graves au regard de la législation relative au blanchiment de l'argent.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction pénale, conformément à son droit interne, les actes mentionnés dans la Convention du Conseil de l'Europe relative au blanchiment, au dépistage, à la saisie et à la confiscation des produits du crime (STE n 141), à l'article 6, paragraphes 1er et 2, dans les conditions y prévues, lorsque l'infraction principale est constituée par l'une des infractions établies en vertu des articles 2 à 12 de la présente Convention, dans la mesure où la Partie n'a pas formulé de réserve ou de déclaration à l'égard de ces infractions ou ne considère pas ces infractions comme des infractions graves au regard de la législation relative au blanchiment de l'argent.
Art. 14. Boekhoudkundige delicten.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als met strafrechtelijke of andere straffen gestrafte feiten aan te merken, het volgende handelen of nalaten, wanneer opzettelijk gepleegd, teneinde de strafbare feiten bedoeld in de artikelen 2 tot en met 12 te plegen, te verhelen of te verhullen, voor zover de Partij geen voorbehoud heeft gemaakt of verklaring heeft afgelegd :
a. het opstellen of gebruiken van een factuur of van enig ander document of boekhoudkundig geschrift waarin onware of onvolledige gegevens zijn opgenomen;
b. het onwettig nalaten een betaling te boeken.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als met strafrechtelijke of andere straffen gestrafte feiten aan te merken, het volgende handelen of nalaten, wanneer opzettelijk gepleegd, teneinde de strafbare feiten bedoeld in de artikelen 2 tot en met 12 te plegen, te verhelen of te verhullen, voor zover de Partij geen voorbehoud heeft gemaakt of verklaring heeft afgelegd :
a. het opstellen of gebruiken van een factuur of van enig ander document of boekhoudkundig geschrift waarin onware of onvolledige gegevens zijn opgenomen;
b. het onwettig nalaten een betaling te boeken.
Art. 14. Infractions comptables.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction passible de sanctions pénales ou autres types de sanctions, conformément à son droit interne, lorsqu'ils sont commis intentionnellement, les actes ou omissions suivants, destinés à commettre, dissimuler ou déguiser des infractions visées par les articles 2 à 12, dans la mesure où la Partie n'a pas formulé de réserve ou de déclaration :
a. établir ou utiliser une facture ou tout autre document ou écriture comptable qui contient des informations fausses ou incomplètes;
b. omettre de manière illicite de comptabiliser un versement.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction passible de sanctions pénales ou autres types de sanctions, conformément à son droit interne, lorsqu'ils sont commis intentionnellement, les actes ou omissions suivants, destinés à commettre, dissimuler ou déguiser des infractions visées par les articles 2 à 12, dans la mesure où la Partie n'a pas formulé de réserve ou de déclaration :
a. établir ou utiliser une facture ou tout autre document ou écriture comptable qui contient des informations fausses ou incomplètes;
b. omettre de manière illicite de comptabiliser un versement.
Art. 15. Deelneming.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als strafbaar feit aan te merken, ieder daad van medeplichtigheid aan de krachtens dit Verdrag strafbaar gestelde feiten.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar nationaal recht als strafbaar feit aan te merken, ieder daad van medeplichtigheid aan de krachtens dit Verdrag strafbaar gestelde feiten.
Art. 15. Actes de participation.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction pénale, conformément à son droit interne, tout acte de complicité d'une des infractions pénales établies en vertu de la présente Convention.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour ériger en infraction pénale, conformément à son droit interne, tout acte de complicité d'une des infractions pénales établies en vertu de la présente Convention.
Art. 16. Immuniteit.
De bepalingen van dit Verdrag laten onverlet de bepalingen van enig Verdrag, Protocol of Statuut alsmede van de teksten over hun toepassing, voor zover zulks het opheffen van de immuniteit betreft.
De bepalingen van dit Verdrag laten onverlet de bepalingen van enig Verdrag, Protocol of Statuut alsmede van de teksten over hun toepassing, voor zover zulks het opheffen van de immuniteit betreft.
Art. 16. Immunité. Les dispositions de la présente Convention ne portent pas atteinte aux dispositions de tout traité, protocole ou statut, ainsi que de leurs textes d'application, en ce qui concerne la levée de l'immunité.
Art. 17. Rechtsmacht.
1. Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om rechtsmacht te vestigen ten aanzien van een krachtens de artikelen 2 tot en met 14 van dit Verdrag strafbaar gesteld feit, wanneer :
a. het strafbare feit geheel of gedeeltelijk is gepleegd op haar grondgebied;
b. de dader van het strafbare feit een van haar onderdanen, een van haar overheidsfunctionarissen of een van de leden van haar nationale openbare vergaderingen is;
c. een van haar overheidsfunctionarissen, een van de leden van haar openbare nationale vergaderingen of een van de in de artikelen 9 tot en met 11 bedoelde personen, die tevens een van haar onderdanen is, bij het strafbare feit betrokken is.
2. Iedere Staat kan op het tijdstip van ondertekening of van de neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding in een aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, verklaren dat hij zich het recht voorbehoudt om de regels inzake de rechtsmacht, omschreven in de onderdelen b. en c. van het eerste lid van dit artikel of een gedeelte van een van die onderdelen, niet of slechts in bepaalde gevallen of onder specifieke omstandigheden toe te passen.
3. Wanneer een Partij gebruik heeft gemaakt van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde mogelijkheid van voorbehoud, neemt zij de maatregelen die nodig blijken te zijn om rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de krachtens dit Verdrag strafbaar gestelde feiten, wanneer de vermoedelijke dader zich op haar grondgebied bevindt en niet uitsluitend op grond van zijn nationaliteit kan worden uitgeleverd aan een andere Partij na een verzoek om uitlevering.
4. Dit Verdrag sluit de uitoefening door een Partij van om het even welke overeenkomstig het nationaal recht gevestigde rechtsmacht niet uit.
1. Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om rechtsmacht te vestigen ten aanzien van een krachtens de artikelen 2 tot en met 14 van dit Verdrag strafbaar gesteld feit, wanneer :
a. het strafbare feit geheel of gedeeltelijk is gepleegd op haar grondgebied;
b. de dader van het strafbare feit een van haar onderdanen, een van haar overheidsfunctionarissen of een van de leden van haar nationale openbare vergaderingen is;
c. een van haar overheidsfunctionarissen, een van de leden van haar openbare nationale vergaderingen of een van de in de artikelen 9 tot en met 11 bedoelde personen, die tevens een van haar onderdanen is, bij het strafbare feit betrokken is.
2. Iedere Staat kan op het tijdstip van ondertekening of van de neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding in een aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, verklaren dat hij zich het recht voorbehoudt om de regels inzake de rechtsmacht, omschreven in de onderdelen b. en c. van het eerste lid van dit artikel of een gedeelte van een van die onderdelen, niet of slechts in bepaalde gevallen of onder specifieke omstandigheden toe te passen.
3. Wanneer een Partij gebruik heeft gemaakt van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde mogelijkheid van voorbehoud, neemt zij de maatregelen die nodig blijken te zijn om rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de krachtens dit Verdrag strafbaar gestelde feiten, wanneer de vermoedelijke dader zich op haar grondgebied bevindt en niet uitsluitend op grond van zijn nationaliteit kan worden uitgeleverd aan een andere Partij na een verzoek om uitlevering.
4. Dit Verdrag sluit de uitoefening door een Partij van om het even welke overeenkomstig het nationaal recht gevestigde rechtsmacht niet uit.
Art. 17. Compétence.
1. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour établir sa compétence relativement à une infraction pénale établie en vertu des articles 2 à 14 de la présente Convention, lorsque :
a. l'infraction est commise en tout ou en partie sur son territoire;
b. l'auteur de l'infraction est un de ses ressortissants, un de ses agents publics ou un de ses membres d'assemblées publiques nationales;
c. l'infraction implique l'un de ses agents publics ou membres de ses assemblées publiques nationales ou toute personne visée aux articles 9 à 11, qui est en même temps un de ses ressortissants.
2. Chaque Etat peut, au moment de la signature ou du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, dans une déclaration adressée au Secrétaire général du Conseil de l'Europe, préciser qu'il se réserve le droit de ne pas appliquer, ou de n'appliquer que dans des cas ou conditions spécifiques, les règles de compétence définies aux paragraphes 1er b. et c. du présent article ou une partie quelconque de ces paragraphes.
3. Lorsqu'une Partie a fait usage de la possibilité de réserve prévue au paragraphe 2 du présent article, elle adopte les mesures qui se révèlent nécessaires pour établir sa compétence relativement aux infractions pénales, établies en vertu de la présente Convention, lorsque l'auteur présumé de l'infraction est présent sur son territoire et ne peut être extradé vers une autre Partie au seul titre de sa nationalité, après une demande d'extradition.
4. La présente Convention n'exclut pas l'exercice par une Partie de toute compétence pénale établie conformément à son droit interne.
1. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour établir sa compétence relativement à une infraction pénale établie en vertu des articles 2 à 14 de la présente Convention, lorsque :
a. l'infraction est commise en tout ou en partie sur son territoire;
b. l'auteur de l'infraction est un de ses ressortissants, un de ses agents publics ou un de ses membres d'assemblées publiques nationales;
c. l'infraction implique l'un de ses agents publics ou membres de ses assemblées publiques nationales ou toute personne visée aux articles 9 à 11, qui est en même temps un de ses ressortissants.
2. Chaque Etat peut, au moment de la signature ou du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, dans une déclaration adressée au Secrétaire général du Conseil de l'Europe, préciser qu'il se réserve le droit de ne pas appliquer, ou de n'appliquer que dans des cas ou conditions spécifiques, les règles de compétence définies aux paragraphes 1er b. et c. du présent article ou une partie quelconque de ces paragraphes.
3. Lorsqu'une Partie a fait usage de la possibilité de réserve prévue au paragraphe 2 du présent article, elle adopte les mesures qui se révèlent nécessaires pour établir sa compétence relativement aux infractions pénales, établies en vertu de la présente Convention, lorsque l'auteur présumé de l'infraction est présent sur son territoire et ne peut être extradé vers une autre Partie au seul titre de sa nationalité, après une demande d'extradition.
4. La présente Convention n'exclut pas l'exercice par une Partie de toute compétence pénale établie conformément à son droit interne.
Art. 18. Aansprakelijkheid van rechtspersonen.
1. Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om zich ervan te verzekeren dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de krachtens dit Verdrag strafbaar gestelde feiten van actieve omkoping, ongeoorloofde beïnvloeding en witwassen van kapitaal, wanneer deze te hunner voordele zijn gepleegd door om het even welke natuurlijke persoon, handelend ofwel individueel, ofwel als lid van een orgaan van de rechtspersoon, die binnen de rechtspersoon een leidinggevende functie vervult, die gegrond is op :
een bevoegdheid om de rechtspersoon te vertegenwoordigen; of
een bevoegdheid om namens de rechtspersoon beslissingen te nemen; of
een bevoegdheid om controle binnen de rechtspersoon uit te oefenen;
alsmede voor de deelname van een dergelijk natuurlijk persoon als medeplichtige aan of als uitlokker van het plegen van de bovenvermelde strafbare feiten.
2. Afgezien van de reeds in het eerste lid bedoelde gevallen, neemt elke Partij de noodzakelijke maatregelen om zich ervan te verzekeren dat een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld, wanneer het gebrek aan toezicht of controle van de kant van een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid het plegen van de in het eerste lid vermelde strafbare feiten ten voordele van de genoemde rechtspersoon door een aan zijn gezag onderworpen natuurlijk persoon mogelijk heeft gemaakt.
3. De aansprakelijkheid van de rechtspersoon krachtens het eerste en het tweede lid sluit vervolging van de natuurlijke personen, daders, uitlokkers of medeplichtigen, van of aan de in het eerste lid vermelde strafbare feiten, niet uit.
1. Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om zich ervan te verzekeren dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de krachtens dit Verdrag strafbaar gestelde feiten van actieve omkoping, ongeoorloofde beïnvloeding en witwassen van kapitaal, wanneer deze te hunner voordele zijn gepleegd door om het even welke natuurlijke persoon, handelend ofwel individueel, ofwel als lid van een orgaan van de rechtspersoon, die binnen de rechtspersoon een leidinggevende functie vervult, die gegrond is op :
een bevoegdheid om de rechtspersoon te vertegenwoordigen; of
een bevoegdheid om namens de rechtspersoon beslissingen te nemen; of
een bevoegdheid om controle binnen de rechtspersoon uit te oefenen;
alsmede voor de deelname van een dergelijk natuurlijk persoon als medeplichtige aan of als uitlokker van het plegen van de bovenvermelde strafbare feiten.
2. Afgezien van de reeds in het eerste lid bedoelde gevallen, neemt elke Partij de noodzakelijke maatregelen om zich ervan te verzekeren dat een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld, wanneer het gebrek aan toezicht of controle van de kant van een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid het plegen van de in het eerste lid vermelde strafbare feiten ten voordele van de genoemde rechtspersoon door een aan zijn gezag onderworpen natuurlijk persoon mogelijk heeft gemaakt.
3. De aansprakelijkheid van de rechtspersoon krachtens het eerste en het tweede lid sluit vervolging van de natuurlijke personen, daders, uitlokkers of medeplichtigen, van of aan de in het eerste lid vermelde strafbare feiten, niet uit.
Art. 18. Responsabilité des personnes morales.
1. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour s'assurer que les personnes morales puissent être tenues pour responsables des infractions de corruption active, de trafic d'influence et de blanchiment de capitaux établies en vertu de la présente Convention, lorsqu'elles sont commises pour leur compte par toute personne physique, agissant soit individuellement, soit en tant que membre d'un organe de la personne morale, qui exerce un pouvoir de direction en son sein, sur les bases suivantes :
un pouvoir de représentation de la personne morale; ou
une autorité pour prendre des décisions au nom de la personne morale; ou
une autorité pour exercer un contrôle au sein de la personne morale;
ainsi que de la participation d'une telle personne physique en qualité de complice ou d'instigatrice à la commission des infractions mentionnées ci-dessus.
2. Abstraction faite des cas déjà prévus au paragraphe 1er, chaque Partie prend les mesures nécessaires pour s'assurer qu'une personne morale puisse être tenue pour responsable lorsque l'absence de surveillance ou de contrôle de la part d'une personne physique visée au paragraphe 1er a rendu possible la commission des infractions mentionnées au paragraphe 1er pour le compte de ladite personne morale par une personne physique soumise à son autorité.
3. La responsabilité de la personne morale en vertu des paragraphes 1er et 2 n'exclut pas les poursuites pénales contre les personnes physiques auteurs, instigatrices ou complices des infractions mentionnées au paragraphe 1.
1. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour s'assurer que les personnes morales puissent être tenues pour responsables des infractions de corruption active, de trafic d'influence et de blanchiment de capitaux établies en vertu de la présente Convention, lorsqu'elles sont commises pour leur compte par toute personne physique, agissant soit individuellement, soit en tant que membre d'un organe de la personne morale, qui exerce un pouvoir de direction en son sein, sur les bases suivantes :
un pouvoir de représentation de la personne morale; ou
une autorité pour prendre des décisions au nom de la personne morale; ou
une autorité pour exercer un contrôle au sein de la personne morale;
ainsi que de la participation d'une telle personne physique en qualité de complice ou d'instigatrice à la commission des infractions mentionnées ci-dessus.
2. Abstraction faite des cas déjà prévus au paragraphe 1er, chaque Partie prend les mesures nécessaires pour s'assurer qu'une personne morale puisse être tenue pour responsable lorsque l'absence de surveillance ou de contrôle de la part d'une personne physique visée au paragraphe 1er a rendu possible la commission des infractions mentionnées au paragraphe 1er pour le compte de ladite personne morale par une personne physique soumise à son autorité.
3. La responsabilité de la personne morale en vertu des paragraphes 1er et 2 n'exclut pas les poursuites pénales contre les personnes physiques auteurs, instigatrices ou complices des infractions mentionnées au paragraphe 1.
Art. 19. Straffen en maatregelen.
1. Rekening houdend met de ernst van de krachtens dit Verdrag strafbaar gestelde feiten, voorziet iedere Partij ten aanzien van de overeenkomstig de artikelen 2 tot en met 14 strafbaar gestelde feiten, in doeltreffende, evenredige en afschrikkende straffen en maatregelen, waarvan, wanneer zij zijn gepleegd door natuurlijke personen, vrijheidsbenemende straffen deel uitmaken die aanleiding kunnen geven tot uitlevering.
2. Iedere Partij verzekert zich ervan dat in geval van aansprakelijkheid vastgesteld krachtens artikel 18, eerste en tweede lid, rechtspersonen in aanmerking kunnen komen voor doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties van strafrechtelijke of niet strafrechtelijke aard, daaronder begrepen geldelijke straffen.
3. Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om het verbeurd verklaren of het anderszins ontnemen van de instrumenten en opbrengsten van krachtens dit Verdrag strafbaar gestelde feiten of van de bezittingen waarvan de waarde overeenkomt met de opbrengsten, mogelijk te maken.
1. Rekening houdend met de ernst van de krachtens dit Verdrag strafbaar gestelde feiten, voorziet iedere Partij ten aanzien van de overeenkomstig de artikelen 2 tot en met 14 strafbaar gestelde feiten, in doeltreffende, evenredige en afschrikkende straffen en maatregelen, waarvan, wanneer zij zijn gepleegd door natuurlijke personen, vrijheidsbenemende straffen deel uitmaken die aanleiding kunnen geven tot uitlevering.
2. Iedere Partij verzekert zich ervan dat in geval van aansprakelijkheid vastgesteld krachtens artikel 18, eerste en tweede lid, rechtspersonen in aanmerking kunnen komen voor doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties van strafrechtelijke of niet strafrechtelijke aard, daaronder begrepen geldelijke straffen.
3. Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om het verbeurd verklaren of het anderszins ontnemen van de instrumenten en opbrengsten van krachtens dit Verdrag strafbaar gestelde feiten of van de bezittingen waarvan de waarde overeenkomt met de opbrengsten, mogelijk te maken.
Art. 19. Sanctions et mesures.
1. Compte tenu de la gravité des infractions pénales établies en vertu de la présente Convention, chaque Partie prévoit, à l'égard des infractions établies conformément aux articles 2 à 14, des sanctions et des mesures effectives, proportionnées et dissuasives incluant, lorsqu'elles sont commises par des personnes physiques, des sanctions privatives de liberté pouvant donner lieu à l'extradition.
2. Chaque Partie s'assure qu'en cas de responsabilité établie en vertu de l'article 18, paragraphes 1er et 2, les personnes morales soient passibles de sanctions efficaces, proportionnées et dissuasives de nature pénale ou non pénale, y compris des sanctions pécuniaires.
3. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour lui permettre de confisquer ou de priver autrement des instruments et des produits des infractions pénales établies en vertu de la présente Convention, ou des biens dont la valeur correspond à ces produits.
1. Compte tenu de la gravité des infractions pénales établies en vertu de la présente Convention, chaque Partie prévoit, à l'égard des infractions établies conformément aux articles 2 à 14, des sanctions et des mesures effectives, proportionnées et dissuasives incluant, lorsqu'elles sont commises par des personnes physiques, des sanctions privatives de liberté pouvant donner lieu à l'extradition.
2. Chaque Partie s'assure qu'en cas de responsabilité établie en vertu de l'article 18, paragraphes 1er et 2, les personnes morales soient passibles de sanctions efficaces, proportionnées et dissuasives de nature pénale ou non pénale, y compris des sanctions pécuniaires.
3. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour lui permettre de confisquer ou de priver autrement des instruments et des produits des infractions pénales établies en vertu de la présente Convention, ou des biens dont la valeur correspond à ces produits.
Art. 20. Gespecialiseerde autoriteiten.
Iedere Partij neemt de maatregelen die noodzakelijk blijken te zijn om ervoor te zorgen dat personen of organen gespecialiseerd zijn in de bestrijding van corruptie. Zij beschikken, in het kader van de grondbeginselen van het rechtsstelsel van de Partij, over de nodige onafhankelijkheid om hun taken doeltreffend en ongehinderd door elke ongeoorloofde druk te kunnen uitoefenen. De Partijen zien erop toe dat het personeel van bedoelde organen beschikt over een opleiding en financiële middelen die aansluiten op de uit te oefenen taken.
Iedere Partij neemt de maatregelen die noodzakelijk blijken te zijn om ervoor te zorgen dat personen of organen gespecialiseerd zijn in de bestrijding van corruptie. Zij beschikken, in het kader van de grondbeginselen van het rechtsstelsel van de Partij, over de nodige onafhankelijkheid om hun taken doeltreffend en ongehinderd door elke ongeoorloofde druk te kunnen uitoefenen. De Partijen zien erop toe dat het personeel van bedoelde organen beschikt over een opleiding en financiële middelen die aansluiten op de uit te oefenen taken.
Art. 20. Autorités spécialisées.
Chaque Partie adopte les mesures qui se révèlent nécessaires pour que des personnes ou des entités soient spécialisées dans la lutte contre la corruption. Elles disposeront de l'indépendance nécessaire, dans le cadre des principes fondamentaux du système juridique de la Partie, pour pouvoir exercer leurs fonctions efficacement et libres de toute pression illicite. Les Parties veillent à ce que le personnel desdites entités dispose d'une formation et des ressources financières adaptées aux fonctions qu'elles exercent.
Chaque Partie adopte les mesures qui se révèlent nécessaires pour que des personnes ou des entités soient spécialisées dans la lutte contre la corruption. Elles disposeront de l'indépendance nécessaire, dans le cadre des principes fondamentaux du système juridique de la Partie, pour pouvoir exercer leurs fonctions efficacement et libres de toute pression illicite. Les Parties veillent à ce que le personnel desdites entités dispose d'une formation et des ressources financières adaptées aux fonctions qu'elles exercent.
Art. 21. Samenwerking tussen nationale autoriteiten.
Iedere Partij neemt de gepaste maatregelen die nodig blijken te zijn om zich ervan te verzekeren dat de overheidsinstanties alsmede elke overheidsfunctionaris overeenkomstig het nationale recht samenwerken met de autoriteiten die belast zijn met opsporing en vervolging van strafbare feiten :
a. door laatstgenoemde autoriteiten, op eigen initiatief, te informeren wanneer redelijke gronden bestaan om te vermoeden dat een van de krachtens de artikelen 2 tot en met 14 strafbaar gestelde feiten is gepleegd; of
b. door laatstgenoemde autoriteiten, op verzoek, alle noodzakelijke informatie te verschaffen.
Iedere Partij neemt de gepaste maatregelen die nodig blijken te zijn om zich ervan te verzekeren dat de overheidsinstanties alsmede elke overheidsfunctionaris overeenkomstig het nationale recht samenwerken met de autoriteiten die belast zijn met opsporing en vervolging van strafbare feiten :
a. door laatstgenoemde autoriteiten, op eigen initiatief, te informeren wanneer redelijke gronden bestaan om te vermoeden dat een van de krachtens de artikelen 2 tot en met 14 strafbaar gestelde feiten is gepleegd; of
b. door laatstgenoemde autoriteiten, op verzoek, alle noodzakelijke informatie te verschaffen.
Art. 21. Coopération entre autorités nationales.
Chaque Partie adopte les mesures appropriées qui se révèlent nécessaires pour s'assurer que les autorités publiques, ainsi que tout agent public, coopèrent, en conformité avec le droit national, avec les autorités chargées des investigations et poursuites des infractions pénales :
a. en informant les autorités en question, de leur propre initiative, lorsqu'il existe des motifs raisonnables de considérer que l'une des infractions pénales établies en vertu des articles 2 à 14 a été commise; ou
b. en fournissant, sur demande, aux autorités en question toutes les informations nécessaires.
Chaque Partie adopte les mesures appropriées qui se révèlent nécessaires pour s'assurer que les autorités publiques, ainsi que tout agent public, coopèrent, en conformité avec le droit national, avec les autorités chargées des investigations et poursuites des infractions pénales :
a. en informant les autorités en question, de leur propre initiative, lorsqu'il existe des motifs raisonnables de considérer que l'une des infractions pénales établies en vertu des articles 2 à 14 a été commise; ou
b. en fournissant, sur demande, aux autorités en question toutes les informations nécessaires.
Art. 22. Bescherming van hen die samenwerken met de justitie en van getuigen.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om een doeltreffende en gepaste bescherming te waarborgen :
a. van de personen die informatie verschaffen over de krachtens de artikelen 2 tot en met 14 strafbaar gestelde feiten of die op een andere wijze samenwerken met de autoriteiten die belast zijn met opsporing en vervolging;
b. van getuigen die een verklaring afleggen over dergelijke strafbare feiten.
Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om een doeltreffende en gepaste bescherming te waarborgen :
a. van de personen die informatie verschaffen over de krachtens de artikelen 2 tot en met 14 strafbaar gestelde feiten of die op een andere wijze samenwerken met de autoriteiten die belast zijn met opsporing en vervolging;
b. van getuigen die een verklaring afleggen over dergelijke strafbare feiten.
Art. 22. Protection des collaborateurs de justice et des témoins.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour assurer une protection effective et appropriée :
a. aux personnes qui fournissent des informations concernant des infractions pénales établies en vertu des articles 2 à 14 ou qui collaborent d'une autre manière avec les autorités chargées des investigations ou des poursuites;
b. aux témoins qui font une déposition concernant de telles infractions.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour assurer une protection effective et appropriée :
a. aux personnes qui fournissent des informations concernant des infractions pénales établies en vertu des articles 2 à 14 ou qui collaborent d'une autre manière avec les autorités chargées des investigations ou des poursuites;
b. aux témoins qui font une déposition concernant de telles infractions.
Art. 23. Maatregelen ter vergemakkelijking van de vergaring van bewijs en van de verbeurdverklaring van de opbrengsten.
1. Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen, daaronder begrepen die welke het gebruik van bijzondere opsporingstechnieken overeenkomstig de nationale wetgeving toestaan en nodig blijken te zijn om de vergaring van bewijs met betrekking tot de krachtens de artikelen 2 tot en met 14 strafbaar gestelde feiten te vergemakkelijken en om het identificeren, onderzoeken en bevriezen van en het beslag leggen op instrumenten en opbrengsten van corruptie of van de bezittingen waarvan de waarde overeenkomt met dergelijke opbrengsten, en die vatbaar zijn voor de maatregelen omschreven in het derde lid van artikel 19 van dit Verdrag, mogelijk te maken.
2. Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om haar gerechten of andere bevoegde autoriteiten bevoegd te verklaren tot het gelasten van informatie over of de beslaglegging op bancaire, financiële of commerciële dossiers teneinde de in het eerste lid van dit artikel bedoelde maatregelen te nemen.
3. Het bankgeheim vormt geen beletsel voor de in het eerste en het tweede lid van dit artikel omschreven maatregelen.
1. Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen, daaronder begrepen die welke het gebruik van bijzondere opsporingstechnieken overeenkomstig de nationale wetgeving toestaan en nodig blijken te zijn om de vergaring van bewijs met betrekking tot de krachtens de artikelen 2 tot en met 14 strafbaar gestelde feiten te vergemakkelijken en om het identificeren, onderzoeken en bevriezen van en het beslag leggen op instrumenten en opbrengsten van corruptie of van de bezittingen waarvan de waarde overeenkomt met dergelijke opbrengsten, en die vatbaar zijn voor de maatregelen omschreven in het derde lid van artikel 19 van dit Verdrag, mogelijk te maken.
2. Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om haar gerechten of andere bevoegde autoriteiten bevoegd te verklaren tot het gelasten van informatie over of de beslaglegging op bancaire, financiële of commerciële dossiers teneinde de in het eerste lid van dit artikel bedoelde maatregelen te nemen.
3. Het bankgeheim vormt geen beletsel voor de in het eerste en het tweede lid van dit artikel omschreven maatregelen.
Art. 23. Mesures visant à faciliter la collecte de preuves et la confiscation des produits.
1. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres, y compris celles permettant l'utilisation de techniques d'investigation spéciales conformément à la législation nationale, qui se révèlent nécessaires pour faciliter la collecte de preuves relatives aux infractions pénales établies en vertu des articles 2 à 14 et pour lui permettre d'identifier, de rechercher, de geler et de saisir les instruments et les produits de la corruption ou des biens dont la valeur correspond à ces produits, susceptibles de faire l'objet de mesures aux termes du paragraphe 3 de l'article 19 de la présente Convention.
2. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour habiliter ses tribunaux ou ses autres autorités compétentes à ordonner la communication ou la saisie de dossiers bancaires, financiers ou commerciaux afin de mettre en oeuvre les mesures visées au paragraphe 1 du présent article.
3. Le secret bancaire ne constitue pas un obstacle aux mesures définies aux paragraphes 1er et 2 du présent article.
1. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres, y compris celles permettant l'utilisation de techniques d'investigation spéciales conformément à la législation nationale, qui se révèlent nécessaires pour faciliter la collecte de preuves relatives aux infractions pénales établies en vertu des articles 2 à 14 et pour lui permettre d'identifier, de rechercher, de geler et de saisir les instruments et les produits de la corruption ou des biens dont la valeur correspond à ces produits, susceptibles de faire l'objet de mesures aux termes du paragraphe 3 de l'article 19 de la présente Convention.
2. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour habiliter ses tribunaux ou ses autres autorités compétentes à ordonner la communication ou la saisie de dossiers bancaires, financiers ou commerciaux afin de mettre en oeuvre les mesures visées au paragraphe 1 du présent article.
3. Le secret bancaire ne constitue pas un obstacle aux mesures définies aux paragraphes 1er et 2 du présent article.
HOOFDSTUK III. - Voortgangscontrole op de tenuitvoerlegging.
CHAPITRE III. - Suivi de la mise en oeuvre.
Art. 24. Toezicht. De Groep van Staten tegen Corruptie (GRECO) draagt zorg voor de voortgangscontrole op de tenuitvoerlegging van dit Verdrag door de lid-Staten.
Art. 24. Suivi. Le Groupe d'Etats contre la Corruption (GRECO) assure le suivi de la mise en oeuvre de la présente Convention par les Parties.
HOOFDSTUK IV. - Internationale samenwerking.
CHAPITRE IV. - Coopération internationale.
Art. 25. Algemene beginselen en maatregelen die van toepassing zijn op de internationale samenwerking
1. De Partijen werken, overeenkomstig de bepalingen van de relevante internationale instrumenten inzake de internationale strafrechtelijke samenwerking of de afspraken die zijn overeengekomen op grond van uniforme of wederkerige wetgeving, en overeenkomstig hun nationaal recht, in zo ruim mogelijke mate met elkaar samen ten behoeve van onderzoeken en procedures met betrekking tot de strafbare feiten die vallen binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag.
2. Wanneer tussen Partijen geen internationaal instrument of onderlinge afspraak als bedoeld in het eerste lid van kracht is, zijn de artikelen 26 tot en met 31 van dit hoofdstuk van toepassing.
3. De artikelen 26 tot en met 31 van dit hoofdstuk zijn ook van toepassing wanneer zij gunstiger zijn dan de bepalingen die zijn opgenomen in de internationale instrumenten of in de afspraken als bedoeld in het eerste lid.
1. De Partijen werken, overeenkomstig de bepalingen van de relevante internationale instrumenten inzake de internationale strafrechtelijke samenwerking of de afspraken die zijn overeengekomen op grond van uniforme of wederkerige wetgeving, en overeenkomstig hun nationaal recht, in zo ruim mogelijke mate met elkaar samen ten behoeve van onderzoeken en procedures met betrekking tot de strafbare feiten die vallen binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag.
2. Wanneer tussen Partijen geen internationaal instrument of onderlinge afspraak als bedoeld in het eerste lid van kracht is, zijn de artikelen 26 tot en met 31 van dit hoofdstuk van toepassing.
3. De artikelen 26 tot en met 31 van dit hoofdstuk zijn ook van toepassing wanneer zij gunstiger zijn dan de bepalingen die zijn opgenomen in de internationale instrumenten of in de afspraken als bedoeld in het eerste lid.
Art. 25. Principes généraux et mesures s'appliquant à la coopération internationale.
1. Les Parties coopèrent, conformément aux dispositions des instruments internationaux pertinents sur la coopération internationale en matière pénale ou aux arrangements établis sur la base des législations uniformes ou réciproques et à leur droit national, dans la mesure la plus large possible les unes avec les autres, aux fins d'investigations et de procédures concernant les infractions pénales relevant du champ d'application de la présente Convention.
2. Lorsque aucun instrument international ou arrangement parmi ceux visés au paragraphe 1er ci-dessus n'est en vigueur entre les Parties, les articles 26 à 31 du présent chapitre s'appliquent.
3. Les articles 26 à 31 du présent chapitre s'appliquent également lorsqu'ils sont plus favorables que les dispositions contenues dans les instruments internationaux ou arrangements visés au paragraphe 1er, ci-dessus.
1. Les Parties coopèrent, conformément aux dispositions des instruments internationaux pertinents sur la coopération internationale en matière pénale ou aux arrangements établis sur la base des législations uniformes ou réciproques et à leur droit national, dans la mesure la plus large possible les unes avec les autres, aux fins d'investigations et de procédures concernant les infractions pénales relevant du champ d'application de la présente Convention.
2. Lorsque aucun instrument international ou arrangement parmi ceux visés au paragraphe 1er ci-dessus n'est en vigueur entre les Parties, les articles 26 à 31 du présent chapitre s'appliquent.
3. Les articles 26 à 31 du présent chapitre s'appliquent également lorsqu'ils sont plus favorables que les dispositions contenues dans les instruments internationaux ou arrangements visés au paragraphe 1er, ci-dessus.
Art. 26. Wederzijdse rechtshulp.
1. De Partijen verlenen elkaar in zo ruim mogelijke mate rechtshulp door verzoeken afkomstig van autoriteiten die krachtens hun nationale wetgeving bevoegd zijn tot het opsporen of vervolgen van de strafbare feiten die vallen binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag onverwijld te behandelen.
2. Rechtshulp in de zin van het eerste lid van dit artikel kan worden geweigerd indien de aangezochte Partij van mening is dat het voldoen aan het verzoek zou kunnen leiden tot aantasting van haar fundamentele belangen, de nationale soevereiniteit, de nationale veiligheid of de openbare orde.
3. De Partijen kunnen niet met een beroep op het bankgeheim weigeren om krachtens dit hoofdstuk samen te werken. Wanneer haar nationaal recht het vereist, kan een Partij eisen dat een verzoek om samenwerking dat de opheffing van het bankgeheim zou inhouden, aan de goedkeuring wordt onderworpen van ofwel een rechter, ofwel een andere rechterlijke autoriteit, daaronder begrepen van het openbaar ministerie, welke autoriteit optreedt inzake strafbare feiten.
1. De Partijen verlenen elkaar in zo ruim mogelijke mate rechtshulp door verzoeken afkomstig van autoriteiten die krachtens hun nationale wetgeving bevoegd zijn tot het opsporen of vervolgen van de strafbare feiten die vallen binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag onverwijld te behandelen.
2. Rechtshulp in de zin van het eerste lid van dit artikel kan worden geweigerd indien de aangezochte Partij van mening is dat het voldoen aan het verzoek zou kunnen leiden tot aantasting van haar fundamentele belangen, de nationale soevereiniteit, de nationale veiligheid of de openbare orde.
3. De Partijen kunnen niet met een beroep op het bankgeheim weigeren om krachtens dit hoofdstuk samen te werken. Wanneer haar nationaal recht het vereist, kan een Partij eisen dat een verzoek om samenwerking dat de opheffing van het bankgeheim zou inhouden, aan de goedkeuring wordt onderworpen van ofwel een rechter, ofwel een andere rechterlijke autoriteit, daaronder begrepen van het openbaar ministerie, welke autoriteit optreedt inzake strafbare feiten.
Art. 26. Entraide. 1. Les Parties s'accordent l'entraide la plus large possible pour traiter sans délai des requêtes émanant des autorités qui sont habilitées, en vertu de leurs lois nationales, à enquêter sur ou à poursuivre les infractions pénales relevant du champ d'application de la présente Convention.
2. L'entraide au sens du paragraphe 1er du présent article peut être refusée si la Partie requise considère que le fait d'accéder à la demande serait de nature à porter atteinte à ses intérêts fondamentaux, à la souveraineté nationale, à la sécurité nationale ou à l'ordre public.
3. Les Parties ne sauraient invoquer le secret bancaire pour justifier leur refus de coopérer en vertu du présent chapitre. Lorsque son droit interne l'exige, une Partie peut exiger qu'une demande de coopération qui impliquerait la levée du secret bancaire soit autorisée, soit par un juge, soit par une autre autorité judiciaire, y compris le ministère public, ces autorités agissant en matière d'infractions pénales.
2. L'entraide au sens du paragraphe 1er du présent article peut être refusée si la Partie requise considère que le fait d'accéder à la demande serait de nature à porter atteinte à ses intérêts fondamentaux, à la souveraineté nationale, à la sécurité nationale ou à l'ordre public.
3. Les Parties ne sauraient invoquer le secret bancaire pour justifier leur refus de coopérer en vertu du présent chapitre. Lorsque son droit interne l'exige, une Partie peut exiger qu'une demande de coopération qui impliquerait la levée du secret bancaire soit autorisée, soit par un juge, soit par une autre autorité judiciaire, y compris le ministère public, ces autorités agissant en matière d'infractions pénales.
Art. 27. Uitlevering.
1. De strafbare feiten die vallen onder het toepassingsgebied van dit Verdrag worden geacht in elk tussen de Partijen bestaand uitleveringsverdrag te zijn begrepen als uitleveringsdelicten. De Partijen verbinden zich ertoe deze strafbare feiten op te nemen als uitleveringsdelicten in ieder uitleveringsverdrag dat tussen hen wordt gesloten.
2. Indien een Partij die uitlevering afhankelijk stelt van het bestaan van een verdrag, een verzoek om uitlevering ontvangt van een andere Partij waarmee zij geen uitleveringsverdrag heeft gesloten, kan zij dit Verdrag beschouwen als wettelijke basis voor uitlevering wegens ieder overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gesteld feit.
3. De Partijen die uitlevering niet afhankelijk stellen van het bestaan van een verdrag, erkennen de overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten als uitleveringsdelicten.
4. Uitlevering is onderworpen aan de voorwaarden bepaald in de wetgeving van de aangezochte Partij of in de toepasselijke uitleveringsverdragen, daaronder begrepen de gronden waarop de aangezochte Partij de uitlevering kan weigeren.
5. Indien de uitlevering voor een overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gesteld feit wordt geweigerd uitsluitend op grond van de nationaliteit van de persoon, of omdat de aangezochte Partij van oordeel is dat zij in dat geval tot kennisneming bevoegd is, legt de aangezochte Partij de zaak met het oog op vervolging voor aan haar bevoegde autoriteiten, tenzij met de verzoekende Partij anders is overeengekomen, en deelt zij de definitieve uitkomst daarvan te gelegener tijd mee aan de verzoekende Partij.
1. De strafbare feiten die vallen onder het toepassingsgebied van dit Verdrag worden geacht in elk tussen de Partijen bestaand uitleveringsverdrag te zijn begrepen als uitleveringsdelicten. De Partijen verbinden zich ertoe deze strafbare feiten op te nemen als uitleveringsdelicten in ieder uitleveringsverdrag dat tussen hen wordt gesloten.
2. Indien een Partij die uitlevering afhankelijk stelt van het bestaan van een verdrag, een verzoek om uitlevering ontvangt van een andere Partij waarmee zij geen uitleveringsverdrag heeft gesloten, kan zij dit Verdrag beschouwen als wettelijke basis voor uitlevering wegens ieder overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gesteld feit.
3. De Partijen die uitlevering niet afhankelijk stellen van het bestaan van een verdrag, erkennen de overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten als uitleveringsdelicten.
4. Uitlevering is onderworpen aan de voorwaarden bepaald in de wetgeving van de aangezochte Partij of in de toepasselijke uitleveringsverdragen, daaronder begrepen de gronden waarop de aangezochte Partij de uitlevering kan weigeren.
5. Indien de uitlevering voor een overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gesteld feit wordt geweigerd uitsluitend op grond van de nationaliteit van de persoon, of omdat de aangezochte Partij van oordeel is dat zij in dat geval tot kennisneming bevoegd is, legt de aangezochte Partij de zaak met het oog op vervolging voor aan haar bevoegde autoriteiten, tenzij met de verzoekende Partij anders is overeengekomen, en deelt zij de definitieve uitkomst daarvan te gelegener tijd mee aan de verzoekende Partij.
Art. 27. Extradition.
1. Les infractions pénales relevant du champ d'application de la présente Convention sont considérées comme incluses dans tout traité d'extradition en vigueur entre les Parties en tant qu'infractions donnant lieu à l'extradition. Les Parties s'engagent à inclure ces infractions dans tout traité d'extradition qu'elles concluront en tant qu'infractions donnant lieu à l'extradition.
2. Si une Partie qui subordonne l'extradition à l'existence d'un traité reçoit une demande d'extradition d'une Partie avec laquelle elle n'a pas conclu pareil traité, elle peut considérer la présente Convention comme base légale de l'extradition pour toutes les infractions établies conformément à la présente Convention.
3. Les Parties qui ne subordonnent pas l'extradition à l'existence d'un traité reconnaissent les infractions établies conformément à la présente Convention en tant qu'infractions donnant lieu à extradition.
4. L'extradition est subordonnée aux conditions prévues par le droit de la Partie requise ou par les traités d'extradition applicables, y compris les motifs pour lesquels la Partie requise peut refuser l'extradition.
5. Si l'extradition demandée à raison d'une infraction établie conformément à la présente Convention est refusée uniquement sur la base de la nationalité de la personne qui fait l'objet de la requête, ou parce que la Partie requise se considère compétente en l'espèce, la Partie requise soumet l'affaire à ses autorités compétentes aux fins de poursuites, sauf si d'autres dispositions ont été convenues avec la Partie requérante, et l'informe en temps opportun du résultat définitif.
1. Les infractions pénales relevant du champ d'application de la présente Convention sont considérées comme incluses dans tout traité d'extradition en vigueur entre les Parties en tant qu'infractions donnant lieu à l'extradition. Les Parties s'engagent à inclure ces infractions dans tout traité d'extradition qu'elles concluront en tant qu'infractions donnant lieu à l'extradition.
2. Si une Partie qui subordonne l'extradition à l'existence d'un traité reçoit une demande d'extradition d'une Partie avec laquelle elle n'a pas conclu pareil traité, elle peut considérer la présente Convention comme base légale de l'extradition pour toutes les infractions établies conformément à la présente Convention.
3. Les Parties qui ne subordonnent pas l'extradition à l'existence d'un traité reconnaissent les infractions établies conformément à la présente Convention en tant qu'infractions donnant lieu à extradition.
4. L'extradition est subordonnée aux conditions prévues par le droit de la Partie requise ou par les traités d'extradition applicables, y compris les motifs pour lesquels la Partie requise peut refuser l'extradition.
5. Si l'extradition demandée à raison d'une infraction établie conformément à la présente Convention est refusée uniquement sur la base de la nationalité de la personne qui fait l'objet de la requête, ou parce que la Partie requise se considère compétente en l'espèce, la Partie requise soumet l'affaire à ses autorités compétentes aux fins de poursuites, sauf si d'autres dispositions ont été convenues avec la Partie requérante, et l'informe en temps opportun du résultat définitif.
Art. 28. Informatie uit eigen beweging.
Onverminderd haar eigen onderzoeken en procedures, kan een Partij zonder voorafgaand verzoek aan een andere Partij feitelijke gegevens verstrekken wanneer zij van oordeel is dat het vrijgeven van bedoelde gegevens de ontvangende Partij kan helpen bij het instellen of uitvoeren van onderzoeken of strafvervolgingen ter zake van de krachtens dit Verdrag strafbaar gestelde feiten of kan leiden tot een verzoek van die Partij in de zin van dit hoofdstuk.
Onverminderd haar eigen onderzoeken en procedures, kan een Partij zonder voorafgaand verzoek aan een andere Partij feitelijke gegevens verstrekken wanneer zij van oordeel is dat het vrijgeven van bedoelde gegevens de ontvangende Partij kan helpen bij het instellen of uitvoeren van onderzoeken of strafvervolgingen ter zake van de krachtens dit Verdrag strafbaar gestelde feiten of kan leiden tot een verzoek van die Partij in de zin van dit hoofdstuk.
Art. 28. Informations spontanées.
Sans préjudice de ses propres investigations ou procédures, une Partie peut, sans demande préalable, communiquer à une autre Partie des informations factuelles lorsqu'elle considère que la divulgation desdites informations est susceptible d'aider la Partie bénéficiaire à entamer ou à effectuer des investigations ou des poursuites concernant les infractions établies en vertu de la présente Convention ou est susceptible d'entraîner une requête de cette Partie au sens du présent chapitre.
Sans préjudice de ses propres investigations ou procédures, une Partie peut, sans demande préalable, communiquer à une autre Partie des informations factuelles lorsqu'elle considère que la divulgation desdites informations est susceptible d'aider la Partie bénéficiaire à entamer ou à effectuer des investigations ou des poursuites concernant les infractions établies en vertu de la présente Convention ou est susceptible d'entraîner une requête de cette Partie au sens du présent chapitre.
Art. 29. Centrale autoriteit.
1. De Partijen wijzen een centrale autoriteit of, waar nodig, verscheidene centrale autoriteiten aan belast met het verzenden en het beantwoorden van de krachtens dit hoofdstuk opgestelde verzoeken en met de uitvoering daarvan of de doorzending aan de autoriteiten die bevoegd zijn deze uit te voeren.
2. Iedere Partij deelt, op het tijdstip van ondertekening of van de neerlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, de Secretaris-generaal van de Raad van Europa de naam en het adres van de ingevolge het eerste lid aangewezen autoriteiten mee.
1. De Partijen wijzen een centrale autoriteit of, waar nodig, verscheidene centrale autoriteiten aan belast met het verzenden en het beantwoorden van de krachtens dit hoofdstuk opgestelde verzoeken en met de uitvoering daarvan of de doorzending aan de autoriteiten die bevoegd zijn deze uit te voeren.
2. Iedere Partij deelt, op het tijdstip van ondertekening of van de neerlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, de Secretaris-generaal van de Raad van Europa de naam en het adres van de ingevolge het eerste lid aangewezen autoriteiten mee.
Art. 29. Autorité centrale.
1. Les Parties désignent une autorité centrale ou, au besoin, plusieurs autorités centrales, chargée(s) d'envoyer les demandes formulées en vertu du présent chapitre, d'y répondre, de les exécuter ou de les transmettre aux autorités qui ont compétence pour les exécuter.
2. Chaque Partie communique au Secrétaire général du Conseil de l'Europe, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, la dénomination et l'adresse des autorités désignées en application du paragraphe 1 du présent article.
1. Les Parties désignent une autorité centrale ou, au besoin, plusieurs autorités centrales, chargée(s) d'envoyer les demandes formulées en vertu du présent chapitre, d'y répondre, de les exécuter ou de les transmettre aux autorités qui ont compétence pour les exécuter.
2. Chaque Partie communique au Secrétaire général du Conseil de l'Europe, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, la dénomination et l'adresse des autorités désignées en application du paragraphe 1 du présent article.
Art. 30. Rechtstreekse contacten.
1. De centrale autoriteiten onderhouden rechtstreeks contact met elkaar.
2. In spoedeisende gevallen kunnen de verzoeken om rechtshulp of daarop betrekking hebbende mededelingen rechtstreeks verzonden worden door de rechterlijke autoriteiten, daaronder begrepen het openbaar ministerie, van de verzoekende Partij aan zodanige autoriteiten van de aangezochte Partij. In dergelijke gevallen moet tegelijkertijd door de centrale autoriteit van de verzoekende Partij een afschrift worden gezonden aan de centrale autoriteit van de aangezochte Partij.
3. Elk verzoek of mededeling overeenkomstig het eerste en tweede lid van dit artikel, kan worden gedaan door middel van Interpol.
4. Wanneer een verzoek overeenkomstig het tweede lid van dit artikel is gedaan en de benaderde autoriteit niet bevoegd is om daaraan gevolg te geven, zendt deze het verzoek door naar de bevoegde autoriteit en stelt deze de verzoekende Partij daarvan rechtstreeks op de hoogte.
5. De verzoeken of mededelingen gedaan overeenkomstig het tweede lid van dit artikel, die geen toepassing van dwangmiddelen vergen, kunnen door de bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij rechtstreeks worden toegezonden aan de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij.
6. Iedere Staat kan, op het tijdstip van ondertekening of van de neerlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, de Secretaris-generaal van de Raad van Europa meedelen dat, om redenen van doelmatigheid, de met inachtneming van dit hoofdstuk opgestelde verzoeken gezonden moeten worden aan zijn centrale autoriteit.
1. De centrale autoriteiten onderhouden rechtstreeks contact met elkaar.
2. In spoedeisende gevallen kunnen de verzoeken om rechtshulp of daarop betrekking hebbende mededelingen rechtstreeks verzonden worden door de rechterlijke autoriteiten, daaronder begrepen het openbaar ministerie, van de verzoekende Partij aan zodanige autoriteiten van de aangezochte Partij. In dergelijke gevallen moet tegelijkertijd door de centrale autoriteit van de verzoekende Partij een afschrift worden gezonden aan de centrale autoriteit van de aangezochte Partij.
3. Elk verzoek of mededeling overeenkomstig het eerste en tweede lid van dit artikel, kan worden gedaan door middel van Interpol.
4. Wanneer een verzoek overeenkomstig het tweede lid van dit artikel is gedaan en de benaderde autoriteit niet bevoegd is om daaraan gevolg te geven, zendt deze het verzoek door naar de bevoegde autoriteit en stelt deze de verzoekende Partij daarvan rechtstreeks op de hoogte.
5. De verzoeken of mededelingen gedaan overeenkomstig het tweede lid van dit artikel, die geen toepassing van dwangmiddelen vergen, kunnen door de bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij rechtstreeks worden toegezonden aan de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij.
6. Iedere Staat kan, op het tijdstip van ondertekening of van de neerlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, de Secretaris-generaal van de Raad van Europa meedelen dat, om redenen van doelmatigheid, de met inachtneming van dit hoofdstuk opgestelde verzoeken gezonden moeten worden aan zijn centrale autoriteit.
Art. 30. Correspondance directe.
1. Les autorités centrales communiquent directement entre elles.
2. En cas d'urgence, les demandes d'entraide judiciaire ou communications y relatives peuvent être envoyées directement par les autorités judiciaires, y compris le ministère public, de la Partie requérante à de telles autorités de la Partie requise. En pareil cas, une copie doit être envoyée simultanément à l'autorité centrale de la Partie requise par l'intermédiaire de l'autorité centrale de la Partie requérante.
3. Toute demande ou communication formulée en application des paragraphes 1er et 2 du présent article peut être présentée par l'intermédiaire de l'Organisation internationale de police criminelle (Interpol).
4. Si une demande est présentée en vertu du paragraphe 2 du présent article et si l'autorité saisie n'est pas compétente pour y donner suite, elle la transmet à l'autorité compétente de son pays et en informe directement la Partie requérante.
5. Les demandes ou communications, présentées en vertu du paragraphe 2 du présent chapitre, qui n'impliquent pas de mesures coercitives, peuvent être transmises directement par l'autorité compétente de la Partie requérante à l'autorité compétente de la Partie requise.
6. Chaque Etat peut, au moment de la signature ou du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, informer le Secrétaire Général du Conseil de l'Europe que, dans un souci d'efficacité, les demandes formulées en application de ce chapitre doivent être adressées à son autorité centrale.
1. Les autorités centrales communiquent directement entre elles.
2. En cas d'urgence, les demandes d'entraide judiciaire ou communications y relatives peuvent être envoyées directement par les autorités judiciaires, y compris le ministère public, de la Partie requérante à de telles autorités de la Partie requise. En pareil cas, une copie doit être envoyée simultanément à l'autorité centrale de la Partie requise par l'intermédiaire de l'autorité centrale de la Partie requérante.
3. Toute demande ou communication formulée en application des paragraphes 1er et 2 du présent article peut être présentée par l'intermédiaire de l'Organisation internationale de police criminelle (Interpol).
4. Si une demande est présentée en vertu du paragraphe 2 du présent article et si l'autorité saisie n'est pas compétente pour y donner suite, elle la transmet à l'autorité compétente de son pays et en informe directement la Partie requérante.
5. Les demandes ou communications, présentées en vertu du paragraphe 2 du présent chapitre, qui n'impliquent pas de mesures coercitives, peuvent être transmises directement par l'autorité compétente de la Partie requérante à l'autorité compétente de la Partie requise.
6. Chaque Etat peut, au moment de la signature ou du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, informer le Secrétaire Général du Conseil de l'Europe que, dans un souci d'efficacité, les demandes formulées en application de ce chapitre doivent être adressées à son autorité centrale.
Art. 31. Inlichtingen.
De aangezochte Partij licht de verzoekende Partij onverwijld in over het onmiddellijk gevolg dat aan een krachtens dit hoofdstuk opgesteld verzoek is gegeven, alsmede over het resultaat daarvan. De aangezochte Partij licht eveneens de verzoekende Staat onverwijld in over om het even welke omstandigheden die de uitvoering van de verzochte maatregelen onmogelijk maken of deze aanzienlijk dreigen te vertragen.
De aangezochte Partij licht de verzoekende Partij onverwijld in over het onmiddellijk gevolg dat aan een krachtens dit hoofdstuk opgesteld verzoek is gegeven, alsmede over het resultaat daarvan. De aangezochte Partij licht eveneens de verzoekende Staat onverwijld in over om het even welke omstandigheden die de uitvoering van de verzochte maatregelen onmogelijk maken of deze aanzienlijk dreigen te vertragen.
Art. 31. Information.
La Partie requise informe sans délai la Partie requérante de la suite donnée aussitôt à une demande formulée en vertu du présent chapitre et du résultat définitif de la suite donnée à la demande. La Partie requise informe également sans délai la Partie requérante de toutes circonstances rendant impossible l'exécution des mesures sollicitées ou risquant de la retarder considérablement.
La Partie requise informe sans délai la Partie requérante de la suite donnée aussitôt à une demande formulée en vertu du présent chapitre et du résultat définitif de la suite donnée à la demande. La Partie requise informe également sans délai la Partie requérante de toutes circonstances rendant impossible l'exécution des mesures sollicitées ou risquant de la retarder considérablement.
HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen.
CHAPITRE V. - Dispositions finales.
Art. 32. Ondertekening en inwerkingtreding.
1. Dit Verdrag staat open voor ondertekening door de lidstaten van de Raad van Europa en door Staten, die geen lid zijnde van de Raad, aan de opstelling hebben deelgenomen. Deze Staten kunnen hun instemming te worden gebonden tot uitdrukking brengen door :
a. ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of
b. ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, gevolgd door bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
2. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden neergelegd bij de Secretaris-generaal van de Raad van Europa.
3. Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum waarop veertien Staten overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid hun instemming door het Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking hebben gebracht. Elk van deze Staten die op het tijdstip van de bekrachtiging geen lid is van de Groep van Staten tegen Corruptie (GRECO) wordt daarvan automatisch lid op de datum van de inwerkingtreding van dit Verdrag.
4. Ten aanzien van iedere ondertekenende Staat die later zijn instemming door dit Verdrag gebonden te worden tot uitdrukking brengt, treedt het in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum waarop overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid zijn instemming door het Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking is gebracht. Een ondertekenende Staat die op het tijdstip van de bekrachtiging geen lid is van de Groep van Staten tegen Corruptie (GRECO) wordt daarvan automatisch lid op de datum waarop het Verdrag ten aanzien van hem in werking treedt.
1. Dit Verdrag staat open voor ondertekening door de lidstaten van de Raad van Europa en door Staten, die geen lid zijnde van de Raad, aan de opstelling hebben deelgenomen. Deze Staten kunnen hun instemming te worden gebonden tot uitdrukking brengen door :
a. ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of
b. ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, gevolgd door bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
2. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden neergelegd bij de Secretaris-generaal van de Raad van Europa.
3. Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum waarop veertien Staten overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid hun instemming door het Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking hebben gebracht. Elk van deze Staten die op het tijdstip van de bekrachtiging geen lid is van de Groep van Staten tegen Corruptie (GRECO) wordt daarvan automatisch lid op de datum van de inwerkingtreding van dit Verdrag.
4. Ten aanzien van iedere ondertekenende Staat die later zijn instemming door dit Verdrag gebonden te worden tot uitdrukking brengt, treedt het in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum waarop overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid zijn instemming door het Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking is gebracht. Een ondertekenende Staat die op het tijdstip van de bekrachtiging geen lid is van de Groep van Staten tegen Corruptie (GRECO) wordt daarvan automatisch lid op de datum waarop het Verdrag ten aanzien van hem in werking treedt.
Art. 32. Signature et entrée en vigueur.
1. La présente Convention est ouverte à la signature des Etats membres du Conseil de l'Europe et des Etats non membres qui ont participé à son élaboration. Ces Etats peuvent exprimer leur consentement à être liés par :
a. signature sans réserve de ratification, d'acceptation ou d'approbation; ou
b. signature sous réserve de ratification, d'acceptation ou d'approbation, suivie de ratification, d'acceptation ou d'approbation.
2. Les instruments de ratification, d'acceptation ou d'approbation seront déposés près le Secrétaire général du Conseil de l'Europe.
3. La présente Convention entrera en vigueur le premier jour du mois qui suit l'expiration d'une période de trois mois après la date à laquelle quatorze Etats auront exprimé leur consentement à être liés par la Convention, conformément aux dispositions du paragraphe 1er. Un tel Etat qui n'est pas membre du Groupe d'Etats contre la Corruption (GRECO) au moment de la ratification le deviendra automatiquement le jour de l'entrée en vigueur de la présente Convention.
4. Pour tout Etat signataire qui exprimera ultérieurement son consentement à être lié par la Convention, celle-ci entrera en vigueur le premier jour du mois qui suit l'expiration d'une période de trois mois après la date de l'expression de son consentement à être lié par la Convention conformément aux dispositions du paragraphe 1er. Un Etat signataire non membre du Groupe d'Etats contre la Corruption (GRECO) au moment de la ratification le deviendra automatiquement le jour de l'entrée en vigueur de la présente Convention à son égard.
1. La présente Convention est ouverte à la signature des Etats membres du Conseil de l'Europe et des Etats non membres qui ont participé à son élaboration. Ces Etats peuvent exprimer leur consentement à être liés par :
a. signature sans réserve de ratification, d'acceptation ou d'approbation; ou
b. signature sous réserve de ratification, d'acceptation ou d'approbation, suivie de ratification, d'acceptation ou d'approbation.
2. Les instruments de ratification, d'acceptation ou d'approbation seront déposés près le Secrétaire général du Conseil de l'Europe.
3. La présente Convention entrera en vigueur le premier jour du mois qui suit l'expiration d'une période de trois mois après la date à laquelle quatorze Etats auront exprimé leur consentement à être liés par la Convention, conformément aux dispositions du paragraphe 1er. Un tel Etat qui n'est pas membre du Groupe d'Etats contre la Corruption (GRECO) au moment de la ratification le deviendra automatiquement le jour de l'entrée en vigueur de la présente Convention.
4. Pour tout Etat signataire qui exprimera ultérieurement son consentement à être lié par la Convention, celle-ci entrera en vigueur le premier jour du mois qui suit l'expiration d'une période de trois mois après la date de l'expression de son consentement à être lié par la Convention conformément aux dispositions du paragraphe 1er. Un Etat signataire non membre du Groupe d'Etats contre la Corruption (GRECO) au moment de la ratification le deviendra automatiquement le jour de l'entrée en vigueur de la présente Convention à son égard.
Art. 33. Toetreding tot het Verdrag.
1. Na de inwerkingtreding van dit Verdrag, kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa, na raadpleging van de Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag, de Europese Gemeenschap alsmede iedere Staat die geen lid is van de Raad en niet heeft deelgenomen aan het opstellen ervan uitnodigen tot dit Verdrag toe te treden bij een beslissing welke overeenkomstig artikel 20, d., van het Statuut van de Raad van Europa met meerderheid van stemmen is genomen, en met eenstemmigheid van de vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Partijen die recht hebben in het Comité zitting te nemen.
2. Ten aanzien van de Europese Gemeenschap en ten aanzien van iedere toetredende Staat, treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum van neerlegging van de akte van toetreding bij de Secretaris-generaal van de Raad van Europa. De Europese Gemeenschap en iedere toetredende Staat worden op de datum waarop dit Verdrag ten aanzien van hen in werking treedt automatisch lid van de Groep van Staten tegen Corruptie (GRECO), indien zij daarvan op het tijdstip van de toetreding nog geen lid zijn.
1. Na de inwerkingtreding van dit Verdrag, kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa, na raadpleging van de Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag, de Europese Gemeenschap alsmede iedere Staat die geen lid is van de Raad en niet heeft deelgenomen aan het opstellen ervan uitnodigen tot dit Verdrag toe te treden bij een beslissing welke overeenkomstig artikel 20, d., van het Statuut van de Raad van Europa met meerderheid van stemmen is genomen, en met eenstemmigheid van de vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Partijen die recht hebben in het Comité zitting te nemen.
2. Ten aanzien van de Europese Gemeenschap en ten aanzien van iedere toetredende Staat, treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum van neerlegging van de akte van toetreding bij de Secretaris-generaal van de Raad van Europa. De Europese Gemeenschap en iedere toetredende Staat worden op de datum waarop dit Verdrag ten aanzien van hen in werking treedt automatisch lid van de Groep van Staten tegen Corruptie (GRECO), indien zij daarvan op het tijdstip van de toetreding nog geen lid zijn.
Art. 33. Adhésion à la Convention.
1. Après l'entrée en vigueur de la présente Convention, le Comité des Ministres du Conseil de l'Europe pourra, après avoir consulté les Etats contractants à la Convention, inviter la Communauté européenne ainsi que tout Etat non membre du Conseil n'ayant pas participé à son élaboration à adhérer à la présente Convention par une décision prise à la majorité prévue à l'article 20, d. du Statut du Conseil de l'Europe et à l'unanimité des représentants des Etats contractants ayant le droit de siéger au Comité des Ministres.
2. Pour la Communauté européenne et pour tout Etat adhérent, la Convention entrera en vigueur le premier jour du mois qui suit l'expiration d'une période de trois mois après la date de dépôt de l'instrument d'adhésion près le Secrétaire Général du Conseil de l'Europe. La Communauté européenne et tout Etat adhérent deviendront automatiquement membres du GRECO, s'ils ne le sont pas déjà au moment de l'adhésion, le jour de l'entrée en vigueur de la présente Convention à leur égard.
1. Après l'entrée en vigueur de la présente Convention, le Comité des Ministres du Conseil de l'Europe pourra, après avoir consulté les Etats contractants à la Convention, inviter la Communauté européenne ainsi que tout Etat non membre du Conseil n'ayant pas participé à son élaboration à adhérer à la présente Convention par une décision prise à la majorité prévue à l'article 20, d. du Statut du Conseil de l'Europe et à l'unanimité des représentants des Etats contractants ayant le droit de siéger au Comité des Ministres.
2. Pour la Communauté européenne et pour tout Etat adhérent, la Convention entrera en vigueur le premier jour du mois qui suit l'expiration d'une période de trois mois après la date de dépôt de l'instrument d'adhésion près le Secrétaire Général du Conseil de l'Europe. La Communauté européenne et tout Etat adhérent deviendront automatiquement membres du GRECO, s'ils ne le sont pas déjà au moment de l'adhésion, le jour de l'entrée en vigueur de la présente Convention à leur égard.
Art. 34. Territoriale toepasselijkheid.
1. Iedere Staat kan op het tijdstip van ondertekening of van neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding het grondgebied of de grondgebieden nader aanduiden waarop dit Verdrag van toepassing is.
2. Iedere Staat kan, op elk later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring de toepassing van dit Verdrag uitbreiden tot elk ander in de verklaring nader aangeduid grondgebied. Ten aanzien van dat grondgebied treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum van ontvangst van die verklaring door de Secretaris-generaal.
3. Iedere krachtens de twee vorige leden gedane verklaring kan met betrekking tot elk in die verklaring nader aangeduid grondgebied worden ingetrokken door een aan de Secretaris-generaal gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum van ontvangst van die kennisgeving door de Secretaris-generaal.
1. Iedere Staat kan op het tijdstip van ondertekening of van neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding het grondgebied of de grondgebieden nader aanduiden waarop dit Verdrag van toepassing is.
2. Iedere Staat kan, op elk later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring de toepassing van dit Verdrag uitbreiden tot elk ander in de verklaring nader aangeduid grondgebied. Ten aanzien van dat grondgebied treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum van ontvangst van die verklaring door de Secretaris-generaal.
3. Iedere krachtens de twee vorige leden gedane verklaring kan met betrekking tot elk in die verklaring nader aangeduid grondgebied worden ingetrokken door een aan de Secretaris-generaal gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum van ontvangst van die kennisgeving door de Secretaris-generaal.
Art. 34. Application territoriale.
1. Tout Etat pourra, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, désigner le ou les territoires auxquels s'appliquera la présente Convention.
2. Toute Partie pourra, à tout autre moment par la suite, par une déclaration adressée au Secrétaire général du Conseil de l'Europe, étendre l'application de la présente Convention à tout autre territoire désigné dans la déclaration. La Convention entrera en vigueur à l'égard de ce territoire le premier jour du mois qui suit l'expiration d'une période de trois mois après la date de réception de ladite déclaration par le Secrétaire général.
3. Toute déclaration faite en vertu des deux paragraphes précédents pourra être retirée, en ce qui concerne tout territoire désigné dans cette déclaration, par notification adressée au Secrétaire général du Conseil de l'Europe. Le retrait prendra effet le premier jour du mois qui suit l'expiration d'une période de trois mois après la date de réception de ladite notification par le Secrétaire général.
1. Tout Etat pourra, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, désigner le ou les territoires auxquels s'appliquera la présente Convention.
2. Toute Partie pourra, à tout autre moment par la suite, par une déclaration adressée au Secrétaire général du Conseil de l'Europe, étendre l'application de la présente Convention à tout autre territoire désigné dans la déclaration. La Convention entrera en vigueur à l'égard de ce territoire le premier jour du mois qui suit l'expiration d'une période de trois mois après la date de réception de ladite déclaration par le Secrétaire général.
3. Toute déclaration faite en vertu des deux paragraphes précédents pourra être retirée, en ce qui concerne tout territoire désigné dans cette déclaration, par notification adressée au Secrétaire général du Conseil de l'Europe. Le retrait prendra effet le premier jour du mois qui suit l'expiration d'une période de trois mois après la date de réception de ladite notification par le Secrétaire général.
Art. 35. Verhouding tot andere Verdragen en Overeenkomsten.
1. Dit Verdrag laat onverlet de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit internationale multilaterale verdragen betreffende specifieke aangelegenheden.
2. De Partijen bij het Verdrag kunnen onderling bilaterale of multilaterale overeenkomsten sluiten inzake aangelegenheden die door dit verdrag worden geregeld, teneinde de bepalingen daarvan aan te vullen of te versterken of de toepassing van de daarin neergelegde beginselen te vergemakkelijken.
3. Indien twee of meer Partijen reeds een overeenkomst of verdrag hebben gesloten met betrekking tot een onderwerp dat door dit Verdrag wordt bestreken, of hun betrekkingen te dezer zake anderszins hebben geregeld, hebben zij de bevoegdheid die overeenkomst, dat verdrag of die betrekkingen dienovereenkomstig te regelen, in plaats van dit Verdrag, indien dit de internationale samenwerking vergemakkelijkt.
1. Dit Verdrag laat onverlet de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit internationale multilaterale verdragen betreffende specifieke aangelegenheden.
2. De Partijen bij het Verdrag kunnen onderling bilaterale of multilaterale overeenkomsten sluiten inzake aangelegenheden die door dit verdrag worden geregeld, teneinde de bepalingen daarvan aan te vullen of te versterken of de toepassing van de daarin neergelegde beginselen te vergemakkelijken.
3. Indien twee of meer Partijen reeds een overeenkomst of verdrag hebben gesloten met betrekking tot een onderwerp dat door dit Verdrag wordt bestreken, of hun betrekkingen te dezer zake anderszins hebben geregeld, hebben zij de bevoegdheid die overeenkomst, dat verdrag of die betrekkingen dienovereenkomstig te regelen, in plaats van dit Verdrag, indien dit de internationale samenwerking vergemakkelijkt.
Art. 35. Relations avec d'autres conventions et accords.
1. La présente Convention ne porte pas atteinte aux droits et obligations découlant de conventions internationales multilatérales concernant des questions particulières.
2. Les Parties à la Convention pourront conclure entre elles des accords bilatéraux ou multilatéraux relatifs aux questions réglées par la présente Convention, aux fins de compléter ou de renforcer les dispositions de celle-ci ou pour faciliter l'application des principes qu'elle consacre.
3. Lorsque deux ou plusieurs Parties ont déjà conclu un accord ou un traité sur un sujet couvert par la présente Convention, ou lorsqu'elles ont établi d'une autre manière leurs relations quant à ce sujet, elles auront la faculté d'appliquer ledit accord, traité ou arrangement au lieu de la présente Convention, dès lors qu'il facilite la coopération internationale.
1. La présente Convention ne porte pas atteinte aux droits et obligations découlant de conventions internationales multilatérales concernant des questions particulières.
2. Les Parties à la Convention pourront conclure entre elles des accords bilatéraux ou multilatéraux relatifs aux questions réglées par la présente Convention, aux fins de compléter ou de renforcer les dispositions de celle-ci ou pour faciliter l'application des principes qu'elle consacre.
3. Lorsque deux ou plusieurs Parties ont déjà conclu un accord ou un traité sur un sujet couvert par la présente Convention, ou lorsqu'elles ont établi d'une autre manière leurs relations quant à ce sujet, elles auront la faculté d'appliquer ledit accord, traité ou arrangement au lieu de la présente Convention, dès lors qu'il facilite la coopération internationale.
Art. 36. Verklaringen.
Iedere Staat kan, op het tijdstip van ondertekening of van neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, verklaren dat hij de actieve en passieve omkoping van buitenlandse overheidsfunctionarissen in de zin van artikel 5, van internationale ambtenaren in de zin van artikel 9 of van rechters en ambtenaren bij internationale gerechtshoven in de zin van artikel 11, als strafbare feiten aan zal merken slechts voor zover de overheidsfunctionaris of de rechter een handeling verricht of nalaat te verrichten in strijd met zijn plichten.
Iedere Staat kan, op het tijdstip van ondertekening of van neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, verklaren dat hij de actieve en passieve omkoping van buitenlandse overheidsfunctionarissen in de zin van artikel 5, van internationale ambtenaren in de zin van artikel 9 of van rechters en ambtenaren bij internationale gerechtshoven in de zin van artikel 11, als strafbare feiten aan zal merken slechts voor zover de overheidsfunctionaris of de rechter een handeling verricht of nalaat te verrichten in strijd met zijn plichten.
Art. 36. Déclarations.
Tout Etat peut, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, déclarer qu'il érigera en infraction pénale la corruption active et passive d'agents publics étrangers au sens de l'article 5, de fonctionnaires internationaux au sens de l'article 9 ou de juges et d'agents de cours internationales au sens de l'article 11, uniquement dans la mesure où l'agent public ou le juge accomplit ou s'abstient d'accomplir un acte en violation de ses devoirs officiels.
Tout Etat peut, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, déclarer qu'il érigera en infraction pénale la corruption active et passive d'agents publics étrangers au sens de l'article 5, de fonctionnaires internationaux au sens de l'article 9 ou de juges et d'agents de cours internationales au sens de l'article 11, uniquement dans la mesure où l'agent public ou le juge accomplit ou s'abstient d'accomplir un acte en violation de ses devoirs officiels.
Art. 37. Voorbehouden.
1. Iedere Staat kan, op het tijdstip van ondertekening of van neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, verklaren dat hij de gedragingen bedoeld in de artikelen 4, 6 tot en met 8, 10 en 12, of het in artikel 5 bedoelde delict van passieve omkoping, niet of gedeeltelijk, als strafbaar feit in zijn nationaal recht zal aanmerken.
2. Iedere Staat kan, op het tijdstip van ondertekening of van neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, verklaren dat hij gebruik maakt van het voorbehoud als omschreven in artikel 17, tweede lid.
3. Iedere Staat kan, op het tijdstip van ondertekening of van neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, verklaren dat hij een verzoek om rechtshulp krachtens artikel 26, eerste lid, kan weigeren indien het verzoek een feit betreft dat de aangezochte Staat beschouwt als een politiek delict.
4. Een Staat kan, met toepassing van het eerste, tweede en derde lid van dit artikel, bij de in genoemde leden vermelde bepalingen niet meer dan vijf voorbehouden maken. Elk ander voorbehoud is niet toegestaan. Gelijksoortige voorbehouden met betrekking tot de artikelen 4, 6 en 10 worden beschouwd als een voorbehoud.
1. Iedere Staat kan, op het tijdstip van ondertekening of van neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, verklaren dat hij de gedragingen bedoeld in de artikelen 4, 6 tot en met 8, 10 en 12, of het in artikel 5 bedoelde delict van passieve omkoping, niet of gedeeltelijk, als strafbaar feit in zijn nationaal recht zal aanmerken.
2. Iedere Staat kan, op het tijdstip van ondertekening of van neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, verklaren dat hij gebruik maakt van het voorbehoud als omschreven in artikel 17, tweede lid.
3. Iedere Staat kan, op het tijdstip van ondertekening of van neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, verklaren dat hij een verzoek om rechtshulp krachtens artikel 26, eerste lid, kan weigeren indien het verzoek een feit betreft dat de aangezochte Staat beschouwt als een politiek delict.
4. Een Staat kan, met toepassing van het eerste, tweede en derde lid van dit artikel, bij de in genoemde leden vermelde bepalingen niet meer dan vijf voorbehouden maken. Elk ander voorbehoud is niet toegestaan. Gelijksoortige voorbehouden met betrekking tot de artikelen 4, 6 en 10 worden beschouwd als een voorbehoud.
Art. 37. Réserves. 1. Tout Etat peut, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, déclarer qu'il n'érigera pas en infractions pénales conformément à son droit interne, en tout ou en partie, les actes visés aux articles 4, 6 à 8, 10 et 12 ou les infractions de corruption passive visées à l'article 5.
2. Tout Etat peut, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, déclarer qu'il fait usage de la réserve figurant à l'article 17, paragraphe 2.
3. Tout Etat peut, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, déclarer qu'il peut refuser une demande d'entraide judiciaire en vertu de l'article 26, paragraphe 1, si la demande concerne une infraction que la Partie requise considère comme une infraction politique.
4. Un Etat ne peut pas, en application des paragraphes 1er, 2 et 3 du présent article, faire des réserves à plus de cinq des dispositions mentionnées auxdits paragraphes. Aucune autre réserve n'est admise. Les réserves de même nature relatives aux articles 4, 6 et 10 seront considérées comme une seule réserve.
2. Tout Etat peut, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, déclarer qu'il fait usage de la réserve figurant à l'article 17, paragraphe 2.
3. Tout Etat peut, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, déclarer qu'il peut refuser une demande d'entraide judiciaire en vertu de l'article 26, paragraphe 1, si la demande concerne une infraction que la Partie requise considère comme une infraction politique.
4. Un Etat ne peut pas, en application des paragraphes 1er, 2 et 3 du présent article, faire des réserves à plus de cinq des dispositions mentionnées auxdits paragraphes. Aucune autre réserve n'est admise. Les réserves de même nature relatives aux articles 4, 6 et 10 seront considérées comme une seule réserve.
Art. 38. Geldigheid en herziening van verklaringen en voorbehouden.
1. De verklaringen bedoeld in artikel 36, en de voorbehouden bedoeld in artikel 37, zijn drie jaar geldig, gerekend vanaf de eerste dag van de inwerkingtreding van dit Verdrag ten aanzien van de betrokken Staat. Dergelijke verklaringen en voorbehouden kunnen evenwel worden verlengd met tijdvakken van dezelfde duur.
2. Twaalf maanden voor de datum van het verstrijken van de geldigheidsduur van de verklaring of het voorbehoud geeft de Secretaris-generaal van de Raad van Europa van dat verstrijken kennis aan de betrokken Staat. Drie maanden voor de datum van het verstrijken geeft de Staat de Secretaris-generaal kennis van zijn voornemen om de verklaring of het voorbehoud te handhaven, te wijzigen of in te trekken. Bij gebreke van een kennisgeving van de betrokken Staat deelt de Secretaris-generaal die Staat mee dat zijn verklaring of voorbehoud automatisch is verlengd voor een periode van zes maanden, Indien de betrokken Staat voor het verstrijken van die periode geen kennis geeft van zijn besluit tot het handhaven of het wijzigen van de verklaring, vervalt de verklaring of het voorbehoud.
3. Indien een Partij overeenkomstig de artikelen 36 en 37 een verklaring aflegt of een voorbehoud maakt, geeft zij voor de verlenging of op verzoek uitleg aan de GRECO over de gronden die de handhaving verantwoorden.
1. De verklaringen bedoeld in artikel 36, en de voorbehouden bedoeld in artikel 37, zijn drie jaar geldig, gerekend vanaf de eerste dag van de inwerkingtreding van dit Verdrag ten aanzien van de betrokken Staat. Dergelijke verklaringen en voorbehouden kunnen evenwel worden verlengd met tijdvakken van dezelfde duur.
2. Twaalf maanden voor de datum van het verstrijken van de geldigheidsduur van de verklaring of het voorbehoud geeft de Secretaris-generaal van de Raad van Europa van dat verstrijken kennis aan de betrokken Staat. Drie maanden voor de datum van het verstrijken geeft de Staat de Secretaris-generaal kennis van zijn voornemen om de verklaring of het voorbehoud te handhaven, te wijzigen of in te trekken. Bij gebreke van een kennisgeving van de betrokken Staat deelt de Secretaris-generaal die Staat mee dat zijn verklaring of voorbehoud automatisch is verlengd voor een periode van zes maanden, Indien de betrokken Staat voor het verstrijken van die periode geen kennis geeft van zijn besluit tot het handhaven of het wijzigen van de verklaring, vervalt de verklaring of het voorbehoud.
3. Indien een Partij overeenkomstig de artikelen 36 en 37 een verklaring aflegt of een voorbehoud maakt, geeft zij voor de verlenging of op verzoek uitleg aan de GRECO over de gronden die de handhaving verantwoorden.
Art. 38. Validité et examen des déclarations et réserves.
1. Les déclarations prévues à l'article 36 et les réserves prévues à l'article 37 sont valables trois ans à compter du premier jour de l'entrée en vigueur de la Convention pour l'Etat concerné. Toutefois, ces réserves peuvent être renouvelées pour des périodes de la même durée.
2. Douze mois avant l'expiration de la déclaration ou réserve, le Secrétaire général du Conseil de l'Europe informe l'Etat concerné de cette expiration. Trois mois avant la date d'expiration, l'Etat notifie au Secrétaire général son intention de maintenir, de modifier ou de retirer la déclaration ou la réserve. Dans le cas contraire, le Secrétaire général informe cet Etat que sa déclaration ou réserve est automatiquement prolongée pour une période de six mois. Si l'Etat concerné ne notifie pas sa décision de maintenir ou modifier ses réserves avant l'expiration de cette période, la ou les réserves tombent.
3. Lorsqu'une Partie formule une déclaration ou une réserve conformément aux articles 36 et 37, elle fournit, avant son renouvellement ou sur demande, des explications au GRECO quant aux motifs justifiant son maintien.
1. Les déclarations prévues à l'article 36 et les réserves prévues à l'article 37 sont valables trois ans à compter du premier jour de l'entrée en vigueur de la Convention pour l'Etat concerné. Toutefois, ces réserves peuvent être renouvelées pour des périodes de la même durée.
2. Douze mois avant l'expiration de la déclaration ou réserve, le Secrétaire général du Conseil de l'Europe informe l'Etat concerné de cette expiration. Trois mois avant la date d'expiration, l'Etat notifie au Secrétaire général son intention de maintenir, de modifier ou de retirer la déclaration ou la réserve. Dans le cas contraire, le Secrétaire général informe cet Etat que sa déclaration ou réserve est automatiquement prolongée pour une période de six mois. Si l'Etat concerné ne notifie pas sa décision de maintenir ou modifier ses réserves avant l'expiration de cette période, la ou les réserves tombent.
3. Lorsqu'une Partie formule une déclaration ou une réserve conformément aux articles 36 et 37, elle fournit, avant son renouvellement ou sur demande, des explications au GRECO quant aux motifs justifiant son maintien.
Art. 39. Wijzigingen.
1. Wijzigingen van dit Verdrag kunnen worden voorgesteld door iedere Partij en worden door de Secretaris-generaal van de Raad van Europa meegedeeld aan de lidstaten van de Raad van Europa en aan elke Staat, die geen lid zijnde van de Raad, is toegetreden of uitgenodigd is toe te treden tot dit Verdrag overeenkomstig de bepalingen van artikel 23.
2. Iedere door een Partij voorgestelde wijziging wordt meegedeeld aan het Europese Commissie voor strafrechtelijke vraagstukken (CDPC) die haar oordeel over de voorgestelde wijziging voorlegt aan het Comité van Ministers.
3. Het Comité van Ministers onderzoekt de voorgestelde wijziging en het door de CDPC voorgelegde oordeel en kan, na raadpleging van de niet-lidstaten die Partij zijn bij dit Verdrag, de wijziging aannemen.
4. De tekst van elke wijziging. aangenomen door het Comité van Ministers overeenkomstig het derde lid van dit artikel, wordt toegezonden aan de Partijen voor aanvaarding.
5. Iedere overeenkomstig het derde lid van dit artikel aangenomen wijziging treedt in werking op de dertigste dag nadat alle Partijen de Secretaris-generaal hebben meegedeeld dat zij haar hebben aanvaard.
1. Wijzigingen van dit Verdrag kunnen worden voorgesteld door iedere Partij en worden door de Secretaris-generaal van de Raad van Europa meegedeeld aan de lidstaten van de Raad van Europa en aan elke Staat, die geen lid zijnde van de Raad, is toegetreden of uitgenodigd is toe te treden tot dit Verdrag overeenkomstig de bepalingen van artikel 23.
2. Iedere door een Partij voorgestelde wijziging wordt meegedeeld aan het Europese Commissie voor strafrechtelijke vraagstukken (CDPC) die haar oordeel over de voorgestelde wijziging voorlegt aan het Comité van Ministers.
3. Het Comité van Ministers onderzoekt de voorgestelde wijziging en het door de CDPC voorgelegde oordeel en kan, na raadpleging van de niet-lidstaten die Partij zijn bij dit Verdrag, de wijziging aannemen.
4. De tekst van elke wijziging. aangenomen door het Comité van Ministers overeenkomstig het derde lid van dit artikel, wordt toegezonden aan de Partijen voor aanvaarding.
5. Iedere overeenkomstig het derde lid van dit artikel aangenomen wijziging treedt in werking op de dertigste dag nadat alle Partijen de Secretaris-generaal hebben meegedeeld dat zij haar hebben aanvaard.
Art. 39. Amendements.
1. Des amendements à la présente Convention peuvent être proposés par chaque Partie et toute proposition sera communiquée par le Secrétaire général du Conseil de l'Europe aux Etats membres du Conseil de l'Europe et à chaque Etat non membre qui a adhéré ou a été invité à adhérer à la présente Convention conformément aux dispositions de l'article 33.
2. Tout amendement proposé par une Partie est communiqué au Comité européen pour les problèmes criminels (CDPC) qui soumet au Comité des Ministres son avis sur l'amendement proposé.
3. Le Comité des Ministres examine l'amendement proposé et l'avis soumis par le CDPC et, après consultation des Etats non membres parties à la présente Convention, peut adopter l'amendement.
4. Le texte de tout amendement adopté par le Comité des Ministres conformément au paragraphe 3 du présent article est transmis aux Parties pour acceptation.
5. Tout amendement adopté conformément au paragraphe 3 du présent article entrera en vigueur le trentième jour après que toutes les Parties auront informé le Secrétaire général qu'elles l'ont accepté.
1. Des amendements à la présente Convention peuvent être proposés par chaque Partie et toute proposition sera communiquée par le Secrétaire général du Conseil de l'Europe aux Etats membres du Conseil de l'Europe et à chaque Etat non membre qui a adhéré ou a été invité à adhérer à la présente Convention conformément aux dispositions de l'article 33.
2. Tout amendement proposé par une Partie est communiqué au Comité européen pour les problèmes criminels (CDPC) qui soumet au Comité des Ministres son avis sur l'amendement proposé.
3. Le Comité des Ministres examine l'amendement proposé et l'avis soumis par le CDPC et, après consultation des Etats non membres parties à la présente Convention, peut adopter l'amendement.
4. Le texte de tout amendement adopté par le Comité des Ministres conformément au paragraphe 3 du présent article est transmis aux Parties pour acceptation.
5. Tout amendement adopté conformément au paragraphe 3 du présent article entrera en vigueur le trentième jour après que toutes les Parties auront informé le Secrétaire général qu'elles l'ont accepté.
Art. 40. Beslechting van geschillen.
1. De Europese Commissie voor strafrechtelijke vraagstukken van de Raad van Europa wordt op de hoogte gehouden van de uitleg en de toepassing van dit Verdrag.
2. In geval van een geschil tussen de Partijen over de uitleg of de toepassing van dit Verdrag, trachten zij het geschil te beslechten door onderhandelingen of op elke andere vreedzame wijze naar hun keuze, daaronder begrepen het voorleggen van het geschil aan de Europese Commissie voor strafrechtelijke vraagstukken, aan een scheidsgerecht dat beslissingen neemt welke voor de Partijen bij het geschil bindend zijn, of aan het Internationaal Gerechtshof, als overeengekomen tussen de betrokken Partijen.
1. De Europese Commissie voor strafrechtelijke vraagstukken van de Raad van Europa wordt op de hoogte gehouden van de uitleg en de toepassing van dit Verdrag.
2. In geval van een geschil tussen de Partijen over de uitleg of de toepassing van dit Verdrag, trachten zij het geschil te beslechten door onderhandelingen of op elke andere vreedzame wijze naar hun keuze, daaronder begrepen het voorleggen van het geschil aan de Europese Commissie voor strafrechtelijke vraagstukken, aan een scheidsgerecht dat beslissingen neemt welke voor de Partijen bij het geschil bindend zijn, of aan het Internationaal Gerechtshof, als overeengekomen tussen de betrokken Partijen.
Art. 40. Règlement des différends.
1. Le Comité européen pour les problèmes criminels du Conseil de l'Europe sera tenu informé de l'interprétation et de l'application de la présente Convention.
2. En cas de différend entre les Parties sur l'interprétation ou l'application de la présente Convention, les Parties s'efforceront de parvenir à un règlement du différend par la négociation ou tout autre moyen pacifique de leur choix, y compris la soumission du différend au Comité européen pour les problèmes criminels, à un tribunal arbitral qui prendra des décisions qui lieront les Parties au différend, ou à la Cour internationale de justice, selon un accord commun entre les Parties concernées.
1. Le Comité européen pour les problèmes criminels du Conseil de l'Europe sera tenu informé de l'interprétation et de l'application de la présente Convention.
2. En cas de différend entre les Parties sur l'interprétation ou l'application de la présente Convention, les Parties s'efforceront de parvenir à un règlement du différend par la négociation ou tout autre moyen pacifique de leur choix, y compris la soumission du différend au Comité européen pour les problèmes criminels, à un tribunal arbitral qui prendra des décisions qui lieront les Parties au différend, ou à la Cour internationale de justice, selon un accord commun entre les Parties concernées.
Art. 41. Opzegging. 1. Iedere Partij kan te allen tijde dit Verdrag opzeggen door middel van een aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving.
2. De opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de maand na het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-generaal.
2. De opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de maand na het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-generaal.
Art. 41. Dénonciation.
1. Toute Partie peut, à tout moment, dénoncer la présente Convention en adressant une notification au Secrétaire général du Conseil de l'Europe.
2. La dénonciation prendra effet le premier jour du mois qui suit l'expiration d'une période de trois mois après la date de réception de la notification par le Secrétaire général.
1. Toute Partie peut, à tout moment, dénoncer la présente Convention en adressant une notification au Secrétaire général du Conseil de l'Europe.
2. La dénonciation prendra effet le premier jour du mois qui suit l'expiration d'une période de trois mois après la date de réception de la notification par le Secrétaire général.
Art. 42. Kennisgeving.
De Secretaris-generaal van de Raad van Europa stelt de lidstaten van de Raad van Europa en iedere Staat die tot dit Verdrag is toegetreden, in kennis van :
a. iedere ondertekening;
b. de neerlegging van iedere akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding;
c. iedere datum van inwerkingtreding van dit Verdrag overeenkomstig de artikelen 32 en 33;
d. iedere verklaring of ieder voorbehoud, afgelegd of gemaakt overeenkomstig artikel 36 of artikel 37;
e. iedere andere handeling, kennisgeving of mededeling met betrekking tot dit Verdrag.
TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, hiertoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.
GEDAAN te Straatsburg, op 27 januari 1999, in de Engelse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in een enkel exemplaar dat zal worden neergelegd in het archief van de Raad van Europa. De Secretaris-generaal van de Raad van Europa doet een gewaarmerkt afschrift toekomen aan iedere lidstaat van de Raad van Europa, aan niet-lidstaten die hebben deelgenomen aan de opstelling van dit Verdrag en aan iedere Staat die is uitgenodigd tot dit Verdrag toe te treden.
De Secretaris-generaal van de Raad van Europa stelt de lidstaten van de Raad van Europa en iedere Staat die tot dit Verdrag is toegetreden, in kennis van :
a. iedere ondertekening;
b. de neerlegging van iedere akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding;
c. iedere datum van inwerkingtreding van dit Verdrag overeenkomstig de artikelen 32 en 33;
d. iedere verklaring of ieder voorbehoud, afgelegd of gemaakt overeenkomstig artikel 36 of artikel 37;
e. iedere andere handeling, kennisgeving of mededeling met betrekking tot dit Verdrag.
TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, hiertoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.
GEDAAN te Straatsburg, op 27 januari 1999, in de Engelse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in een enkel exemplaar dat zal worden neergelegd in het archief van de Raad van Europa. De Secretaris-generaal van de Raad van Europa doet een gewaarmerkt afschrift toekomen aan iedere lidstaat van de Raad van Europa, aan niet-lidstaten die hebben deelgenomen aan de opstelling van dit Verdrag en aan iedere Staat die is uitgenodigd tot dit Verdrag toe te treden.
Art. 42. Notifications.
Le Secrétaire général du Conseil de l'Europe notifiera aux Etats membres du Conseil de l'Europe et à tout Etat ayant adhéré à la présente Convention :
a. toute signature;
b. le dépôt de tout instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion;
c. toute date d'entrée en vigueur de la présente Convention conformément à ses articles 32 et 33;
d. toute déclaration ou réserve en vertu de l'article 36 ou de l'article 37;
e. tout autre acte, notification ou communication ayant trait à la présente Convention.
EN FOI DE QUOI, les soussignés, dûment autorisés à cet effet, ont signé la présente Convention.
FAIT à Strasbourg, le 27 janvier 1999, en français et en anglais, les deux textes faisant également foi, en un seul exemplaire qui sera déposé dans les archives du Conseil de l'Europe. Le Secrétaire général du Conseil de l'Europe en communiquera copie certifiée conforme à chacun des Etats membres du Conseil de l'Europe, à tout Etat non membre ayant participé à l'élaboration de la Convention et à tout Etat invité à y adhérer.
Le Secrétaire général du Conseil de l'Europe notifiera aux Etats membres du Conseil de l'Europe et à tout Etat ayant adhéré à la présente Convention :
a. toute signature;
b. le dépôt de tout instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion;
c. toute date d'entrée en vigueur de la présente Convention conformément à ses articles 32 et 33;
d. toute déclaration ou réserve en vertu de l'article 36 ou de l'article 37;
e. tout autre acte, notification ou communication ayant trait à la présente Convention.
EN FOI DE QUOI, les soussignés, dûment autorisés à cet effet, ont signé la présente Convention.
FAIT à Strasbourg, le 27 janvier 1999, en français et en anglais, les deux textes faisant également foi, en un seul exemplaire qui sera déposé dans les archives du Conseil de l'Europe. Le Secrétaire général du Conseil de l'Europe en communiquera copie certifiée conforme à chacun des Etats membres du Conseil de l'Europe, à tout Etat non membre ayant participé à l'élaboration de la Convention et à tout Etat invité à y adhérer.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. (Op 25 april 2007 heeft het Koninkrijk België volgende verklaring neergelegd :
" Overeenkomstig artikel 38, paragraaf 2 van het Verdrag, verklaart de Regering van België dat ze de bedoeling heeft de voorbehouden geformuleerd overeenkomstig artikel 37 van het Verdrag volledig te handhaven ".
Voorbehouden.
1) " Overeenkomstig artikel 37, § 1, van het Verdrag verklaart België enkel de handelingen bedoeld in de artikelen 7 en 8 van het verdrag gepleegd met het oog op het verrichten of het nalaten van een handeling, zonder medeweten en zonder machtiging van, naar gelang van het geval, de raad van bestuur, de algemene vergadering, de lastgever of de werkgever, als een strafbaar feit aan te merken conform het nationaal recht. "
2) " Overeenkomstig artikel 37, § 1, van het Verdrag verklaart België de handelingen bedoeld in artikel 12 van het verdrag die niet strekken tot het gebruik door een persoon die een openbaar ambt uitoefent van echte of vermeende invloed waarover hij uit hoofde van zijn ambt beschikt, niet als een strafbaar feit aan te merken conform het nationaal recht. "
3) " Overeenkomstig artikel 37, § 2, van het verdrag houdt België zich het recht voor artikel 17, paragrafen 1, b) en c), enkel toe te passen als het strafbaar feit tevens strafbaar is gesteld in de wetgeving van de verdragsstaat waarin het is gepleegd (dubbele tenlastelegging) ".)
(De wet van 19 februari 2004 en het Verdrag werden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 10 mei 2004 (blzn. 37435 tot 37447).)
(Intrekken van een voorbehoud (neergelegd bij het Secretariaat-generaal van de Raad van Europa op 18 maart 2010). Inwerkingtreding van de intrekking : 1 juli 2010.De Belgische Regering verklaart het voorbehoud betreffende artikel 17 van het Verdrag, dat tezamen met het bekrachtiginginstrument neergelegd werd in te trekken. De tekst van dit voorbehoud luidt als volgt :" Overeenkomstig artikel 37, § 2, van het Verdrag houdt België zich het recht voor artikel 17, paragrafen 1, b) en c), enkel toe te passen als het strafbaar feit tevens strafbaar is gesteld in de wetgeving van de verdragsstaat waarin het is gepleegd (dubbele tenlastelegging). "Verlenging van voorbehouden (neergelegd bij het Secretariaat-generaal van de Raad van Europa op 18 maart 2010). Omvatte periode, voor wat de verlenging van de voorbehouden betreft : drie jaar vanaf 1 juli 2010. Overeenkomstig artikel 38, paragraaf 2 van het Verdrag, verklaart de Belgische Regering dat ze de voorbehouden met betrekking tot de artikelen 7, 8 en 12 van het Verdrag, volledig handhaaft, en dit voor de periode van 3 jaar vastgesteld in artikel 38, paragraaf 1 van het Verdrag." Overeenkomstig artikel 37, § 1, van het Verdrag verklaart België enkel de handelingen bedoeld in de artikelen 7 en 8 van het Verdrag gepleegd met het oog op het verrichten of het nalaten van een handeling, zonder medeweten en zonder machtiging van, naar gelang van het geval, de raad van bestuur, de algemene vergadering, de lastgever of de werkgever, als een strafbaar feit aan te merken conform het nationaal recht. "" Overeenkomstig artikel 37, § 1, van het Verdrag verklaart België de handelingen bedoeld in artikel 12 van het Verdrag die niet strekken tot het gebruik door een persoon die een openbaar ambt uitoefent van echte of vermeende invloed waarover hij uit hoofde van zijn ambt beschikt, niet als een strafbaar feit aan te merken conform het nationaal recht. ") (ADDENDUM, zie B.St. 14-05-2010, p. 26452)
" Overeenkomstig artikel 38, paragraaf 2 van het Verdrag, verklaart de Regering van België dat ze de bedoeling heeft de voorbehouden geformuleerd overeenkomstig artikel 37 van het Verdrag volledig te handhaven ".
Voorbehouden.
1) " Overeenkomstig artikel 37, § 1, van het Verdrag verklaart België enkel de handelingen bedoeld in de artikelen 7 en 8 van het verdrag gepleegd met het oog op het verrichten of het nalaten van een handeling, zonder medeweten en zonder machtiging van, naar gelang van het geval, de raad van bestuur, de algemene vergadering, de lastgever of de werkgever, als een strafbaar feit aan te merken conform het nationaal recht. "
2) " Overeenkomstig artikel 37, § 1, van het Verdrag verklaart België de handelingen bedoeld in artikel 12 van het verdrag die niet strekken tot het gebruik door een persoon die een openbaar ambt uitoefent van echte of vermeende invloed waarover hij uit hoofde van zijn ambt beschikt, niet als een strafbaar feit aan te merken conform het nationaal recht. "
3) " Overeenkomstig artikel 37, § 2, van het verdrag houdt België zich het recht voor artikel 17, paragrafen 1, b) en c), enkel toe te passen als het strafbaar feit tevens strafbaar is gesteld in de wetgeving van de verdragsstaat waarin het is gepleegd (dubbele tenlastelegging) ".)
(De wet van 19 februari 2004 en het Verdrag werden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 10 mei 2004 (blzn. 37435 tot 37447).)
(Intrekken van een voorbehoud (neergelegd bij het Secretariaat-generaal van de Raad van Europa op 18 maart 2010). Inwerkingtreding van de intrekking : 1 juli 2010.De Belgische Regering verklaart het voorbehoud betreffende artikel 17 van het Verdrag, dat tezamen met het bekrachtiginginstrument neergelegd werd in te trekken. De tekst van dit voorbehoud luidt als volgt :" Overeenkomstig artikel 37, § 2, van het Verdrag houdt België zich het recht voor artikel 17, paragrafen 1, b) en c), enkel toe te passen als het strafbaar feit tevens strafbaar is gesteld in de wetgeving van de verdragsstaat waarin het is gepleegd (dubbele tenlastelegging). "Verlenging van voorbehouden (neergelegd bij het Secretariaat-generaal van de Raad van Europa op 18 maart 2010). Omvatte periode, voor wat de verlenging van de voorbehouden betreft : drie jaar vanaf 1 juli 2010. Overeenkomstig artikel 38, paragraaf 2 van het Verdrag, verklaart de Belgische Regering dat ze de voorbehouden met betrekking tot de artikelen 7, 8 en 12 van het Verdrag, volledig handhaaft, en dit voor de periode van 3 jaar vastgesteld in artikel 38, paragraaf 1 van het Verdrag." Overeenkomstig artikel 37, § 1, van het Verdrag verklaart België enkel de handelingen bedoeld in de artikelen 7 en 8 van het Verdrag gepleegd met het oog op het verrichten of het nalaten van een handeling, zonder medeweten en zonder machtiging van, naar gelang van het geval, de raad van bestuur, de algemene vergadering, de lastgever of de werkgever, als een strafbaar feit aan te merken conform het nationaal recht. "" Overeenkomstig artikel 37, § 1, van het Verdrag verklaart België de handelingen bedoeld in artikel 12 van het Verdrag die niet strekken tot het gebruik door een persoon die een openbaar ambt uitoefent van echte of vermeende invloed waarover hij uit hoofde van zijn ambt beschikt, niet als een strafbaar feit aan te merken conform het nationaal recht. ") (ADDENDUM, zie B.St. 14-05-2010, p. 26452)
Art. N. (Le 25 avril 2007 le Royaume de Belgique a déposé la déclaration suivante :
" Conformément à l'article 38, paragraphe 2, de la Convention, le Gouvernement de la Belgique déclare qu'il a l'intention de maintenir, dans leur intégralité, les réserves formulées au titre de l'article 37 de la Convention ".
Réserves.
1) " Conformément à l'article 37, § 1er de la Convention, la Belgique déclare qu'elle n'érigera en infractions pénales conformément à son droit interne, que les actes visés aux articles 7 et 8 de la Convention commis en vue de l'accomplissement ou de l'abstention d'un acte à l'insu et sans autorisation, selon le cas, du conseil d'administration ou de l'assemblée générale, du mandant ou de l'employeur. "
2) " Conformément à l'article 37, § 1er, de la Convention, la Belgique déclare qu'elle n'érigera pas en infractions pénales conformément à son droit interne, les actes visés à l'article 12 de la Convention qui n'ont pas pour objet l'usage par une personne qui exerce une fonction publique, de l'influence réelle ou supposée dont elle dispose du fait de sa fonction. "
3) " Conformément à l'article 37, § 2, de la Convention, la Belgique se réserve le droit d'appliquer l'article 17 paragraphes 1er, b) et c), uniquement si l'infraction est également une infraction aux termes de la législation de l'Etat Partie dans laquelle elle a été commise, à moins que l'infraction ne concerne une personne qui exerce une fonction publique dans un Etat membre de l'Union européenne. " )
(La loi du 19 février 2004 et la Convention ont été publiées au Moniteur belge du 10 mai 2004 (pages 37435 à 37447).)
(Retrait d'une réserve (déposée au Secrétariat général du Conseil de l'Europe le 18 mars 2010). Date d'effet du retrait : 1er juillet 2010. Le Gouvernement belge déclare lever la réserve relative à l'article 17 de la Convention qui avait été déposée en même temps que l'instrument de ratification et dont le texte est libellé comme suit :
" Conformément à l'article 37, paragraphe 2, de la Convention, la Belgique se réserve le droit d'appliquer l'article 17, paragraphes 1er, b et c, uniquement si l'infraction est également une infraction aux termes de la législation de l'Etat Partie dans lequel elle a été commise, à moins que l'infraction ne concerne une personne qui exerce une fonction publique dans un Etat membre de l'Union européenne ".
Renouvellement de réserves (déposé au Secrétariat Général du Conseil de l'Europe le 18 mars 2010). Période couverte pour le renouvellement des réserves : trois ans à partir du 1er juillet 2010.
Conformément à l'article 38, paragraphe 2, de la Convention, le Gouvernement belge déclare qu'il maintient intégralement ses réserves aux articles 7, 8 et 12 de la Convention, pour la période de trois ans définie à l'article 38, paragraphe 1, de la Convention.
" Conformément à l'article 37, paragraphe 1er, de la Convention, la Belgique déclare qu'elle n'érigera en infractions pénales conformément à son droit interne, que les actes visés aux articles 7 et 8 de la Convention commis en vue de l'accomplissement ou de l'abstention d'un acte à l'insu et sans autorisation, selon le cas, du conseil d'administration ou de l'assemblée générale, du mandant ou de l'employeur.
Conformément à l'article 37, paragraphe 1er, de la Convention, la Belgique déclare qu'elle n'érigera pas en infractions pénales conformément à son droit interne, les actes visés à l'article 12 de la Convention qui n'ont pas pour objet l'usage par une personne qui exerce une fonction publique, de l'influence réelle ou supposée dont elle dispose du fait de sa fonction. ") (ADDENDUM, voir M.B. 14-05-2010, p. 26452)
" Conformément à l'article 38, paragraphe 2, de la Convention, le Gouvernement de la Belgique déclare qu'il a l'intention de maintenir, dans leur intégralité, les réserves formulées au titre de l'article 37 de la Convention ".
Réserves.
1) " Conformément à l'article 37, § 1er de la Convention, la Belgique déclare qu'elle n'érigera en infractions pénales conformément à son droit interne, que les actes visés aux articles 7 et 8 de la Convention commis en vue de l'accomplissement ou de l'abstention d'un acte à l'insu et sans autorisation, selon le cas, du conseil d'administration ou de l'assemblée générale, du mandant ou de l'employeur. "
2) " Conformément à l'article 37, § 1er, de la Convention, la Belgique déclare qu'elle n'érigera pas en infractions pénales conformément à son droit interne, les actes visés à l'article 12 de la Convention qui n'ont pas pour objet l'usage par une personne qui exerce une fonction publique, de l'influence réelle ou supposée dont elle dispose du fait de sa fonction. "
3) " Conformément à l'article 37, § 2, de la Convention, la Belgique se réserve le droit d'appliquer l'article 17 paragraphes 1er, b) et c), uniquement si l'infraction est également une infraction aux termes de la législation de l'Etat Partie dans laquelle elle a été commise, à moins que l'infraction ne concerne une personne qui exerce une fonction publique dans un Etat membre de l'Union européenne. " )
(La loi du 19 février 2004 et la Convention ont été publiées au Moniteur belge du 10 mai 2004 (pages 37435 à 37447).)
(Retrait d'une réserve (déposée au Secrétariat général du Conseil de l'Europe le 18 mars 2010). Date d'effet du retrait : 1er juillet 2010. Le Gouvernement belge déclare lever la réserve relative à l'article 17 de la Convention qui avait été déposée en même temps que l'instrument de ratification et dont le texte est libellé comme suit :
" Conformément à l'article 37, paragraphe 2, de la Convention, la Belgique se réserve le droit d'appliquer l'article 17, paragraphes 1er, b et c, uniquement si l'infraction est également une infraction aux termes de la législation de l'Etat Partie dans lequel elle a été commise, à moins que l'infraction ne concerne une personne qui exerce une fonction publique dans un Etat membre de l'Union européenne ".
Renouvellement de réserves (déposé au Secrétariat Général du Conseil de l'Europe le 18 mars 2010). Période couverte pour le renouvellement des réserves : trois ans à partir du 1er juillet 2010.
Conformément à l'article 38, paragraphe 2, de la Convention, le Gouvernement belge déclare qu'il maintient intégralement ses réserves aux articles 7, 8 et 12 de la Convention, pour la période de trois ans définie à l'article 38, paragraphe 1, de la Convention.
" Conformément à l'article 37, paragraphe 1er, de la Convention, la Belgique déclare qu'elle n'érigera en infractions pénales conformément à son droit interne, que les actes visés aux articles 7 et 8 de la Convention commis en vue de l'accomplissement ou de l'abstention d'un acte à l'insu et sans autorisation, selon le cas, du conseil d'administration ou de l'assemblée générale, du mandant ou de l'employeur.
Conformément à l'article 37, paragraphe 1er, de la Convention, la Belgique déclare qu'elle n'érigera pas en infractions pénales conformément à son droit interne, les actes visés à l'article 12 de la Convention qui n'ont pas pour objet l'usage par une personne qui exerce une fonction publique, de l'influence réelle ou supposée dont elle dispose du fait de sa fonction. ") (ADDENDUM, voir M.B. 14-05-2010, p. 26452)
Staten Datum Type Datum Datum
authenti- instemming instemming interne
ficatie inwerking-
treding
- - - - -
ALBANIE 27/01/1999 Bekrachtiging 19/07/2001 01/07/2002
ANDORRA 08/11/2001
AZERBEIDZJAN 21/05/2003 Bekrachtiging 11/02/2004 01/06/2004
BELGIE 20/04/1999 Bekrachtiging 23/03/2004 01/07/2004
BOSNIE-HERZEGOVINA 01/03/2000 Bekrachtiging 30/01/2002 01/07/2002
BULGARIJE 27/01/1999 Bekrachtiging 07/11/2001 01/07/2002
CYPRUS 27/01/1999 Bekrachtiging 17/01/2001 01/07/2002
DENEMARKEN 27/01/1999 Bekrachtiging 02/08/2000 01/07/2002
DUITSLAND 27/01/1999
ESTLAND 08/06/2000 Bekrachtiging 06/12/2001 01/07/2002
FINLAND 27/01/1999 Bekrachtiging 03/10/2002 01/02/2003
FRANKRIJK 09/09/1999
GEORGIE 27/01/1999
GRIEKENLAND 27/01/1999
HONGARIJE 26/04/1999 Bekrachtiging 22/11/2000 01/07/2002
IERLAND 07/05/1999 Bekrachtiging 03/10/2003 01/02/2004
IJSLAND 27/01/1999 Bekrachtiging 11/02/2004 01/06/2004
ITALIE 27/01/1999
KROATIE 15/09/1999 Bekrachtiging 08/11/2000 01/07/2002
LETLAND 27/01/1999 Bekrachtiging 09/02/2001 01/07/2002
LITOUWEN 27/01/1999 Bekrachtiging 08/03/2002 01/07/2002
LUXEMBURG 27/01/1999
V.J.R. MACEDONIE 28/07/1999 Bekrachtiging 28/07/1999 01/07/2002
MALTA 20/11/2000 Bekrachtiging 15/05/2003 01/09/2003
MOLDOVA 24/06/1999 Bekrachtiging 14/01/2004 01/05/2004
NEDERLAND 29/06/2000 Bekrachtiging 11/04/2002 01/08/2002
NOORWEGEN 27/01/1999 Bekrachtiging 02/03/2004 01/07/2004
OEKRAINE 27/01/1999
OOSTENRIJK 13/10/2000
POLEN 27/01/1999 Bekrachtiging 11/12/2002 01/04/2003
PORTUGAL 30/04/1999 Bekrachtiging 07/05/2002 01/09/2002
ROEMENIE 27/01/1999 Bekrachtiging 11/07/2002 01/11/2002
RUSSISCHE FEDERATIE 27/01/1999
SAN MARINO 15/05/2003
SERVIE EN MONTENEGRO Toetreding 18/12/2002 01/04/2003
SLOVENIE 07/05/1999 Bekrachtiging 12/05/2000 01/07/2002
SLOWAKIJE 27/01/1999 Bekrachtiging 09/06/2000 01/07/2002
TSJECHISCHE REP. 15/10/1999 Bekrachtiging 08/09/2000 01/07/2002
TURKIJE 27/09/2001 Bekrachtiging 29/03/2004 01/07/2004
VERENIGD KONINKRIJK 27/01/1999 Bekrachtiging 09/12/2003 01/04/2004
ZWEDEN 27/01/1999
ZWITSERLAND 26/02/2001
authenti- instemming instemming interne
ficatie inwerking-
treding
- - - - -
ALBANIE 27/01/1999 Bekrachtiging 19/07/2001 01/07/2002
ANDORRA 08/11/2001
AZERBEIDZJAN 21/05/2003 Bekrachtiging 11/02/2004 01/06/2004
BELGIE 20/04/1999 Bekrachtiging 23/03/2004 01/07/2004
BOSNIE-HERZEGOVINA 01/03/2000 Bekrachtiging 30/01/2002 01/07/2002
BULGARIJE 27/01/1999 Bekrachtiging 07/11/2001 01/07/2002
CYPRUS 27/01/1999 Bekrachtiging 17/01/2001 01/07/2002
DENEMARKEN 27/01/1999 Bekrachtiging 02/08/2000 01/07/2002
DUITSLAND 27/01/1999
ESTLAND 08/06/2000 Bekrachtiging 06/12/2001 01/07/2002
FINLAND 27/01/1999 Bekrachtiging 03/10/2002 01/02/2003
FRANKRIJK 09/09/1999
GEORGIE 27/01/1999
GRIEKENLAND 27/01/1999
HONGARIJE 26/04/1999 Bekrachtiging 22/11/2000 01/07/2002
IERLAND 07/05/1999 Bekrachtiging 03/10/2003 01/02/2004
IJSLAND 27/01/1999 Bekrachtiging 11/02/2004 01/06/2004
ITALIE 27/01/1999
KROATIE 15/09/1999 Bekrachtiging 08/11/2000 01/07/2002
LETLAND 27/01/1999 Bekrachtiging 09/02/2001 01/07/2002
LITOUWEN 27/01/1999 Bekrachtiging 08/03/2002 01/07/2002
LUXEMBURG 27/01/1999
V.J.R. MACEDONIE 28/07/1999 Bekrachtiging 28/07/1999 01/07/2002
MALTA 20/11/2000 Bekrachtiging 15/05/2003 01/09/2003
MOLDOVA 24/06/1999 Bekrachtiging 14/01/2004 01/05/2004
NEDERLAND 29/06/2000 Bekrachtiging 11/04/2002 01/08/2002
NOORWEGEN 27/01/1999 Bekrachtiging 02/03/2004 01/07/2004
OEKRAINE 27/01/1999
OOSTENRIJK 13/10/2000
POLEN 27/01/1999 Bekrachtiging 11/12/2002 01/04/2003
PORTUGAL 30/04/1999 Bekrachtiging 07/05/2002 01/09/2002
ROEMENIE 27/01/1999 Bekrachtiging 11/07/2002 01/11/2002
RUSSISCHE FEDERATIE 27/01/1999
SAN MARINO 15/05/2003
SERVIE EN MONTENEGRO Toetreding 18/12/2002 01/04/2003
SLOVENIE 07/05/1999 Bekrachtiging 12/05/2000 01/07/2002
SLOWAKIJE 27/01/1999 Bekrachtiging 09/06/2000 01/07/2002
TSJECHISCHE REP. 15/10/1999 Bekrachtiging 08/09/2000 01/07/2002
TURKIJE 27/09/2001 Bekrachtiging 29/03/2004 01/07/2004
VERENIGD KONINKRIJK 27/01/1999 Bekrachtiging 09/12/2003 01/04/2004
ZWEDEN 27/01/1999
ZWITSERLAND 26/02/2001
Etats Date Type de Date Entrée
authentifi- consentement consentement vigueur
cation locale
- - - - -
ALBANIE 27/01/1999 Ratification 19/07/2001 01/07/2002
ALLEMAGNE 27/01/1999
ANDORRE 08/11/2001
AUTRICHE 13/10/2000
AZERBAIDJAN 21/05/2003 Ratification 11/02/2004 01/06/2004
BELGIQUE 20/04/1999 Ratification 23/03/2004 01/07/2004
BOSNIE-HERZEGOVINE 01/03/2000 Ratification 30/01/2002 01/07/2002
BULGARIE 27/01/1999 Ratification 07/11/2001 01/07/2002
CHYPRE 27/01/1999 Ratification 17/01/2001 01/07/2002
CROATIE 15/09/1999 Ratification 08/11/2000 01/07/2002
DANEMARK 27/01/1999 Ratification 02/08/2000 01/07/2002
ESTONIE 08/06/2000 Ratification 06/12/2001 01/07/2002
FINLANDE 27/01/1999 Ratification 03/10/2002 01/02/2003
FRANCE 09/09/1999
GEORGIE 27/01/1999
GRECE 27/01/1999
HONGRIE 26/04/1999 Ratification 22/11/2000 01/07/2002
IRLANDE 07/05/1999 Ratification 03/10/2003 01/02/2004
ISLANDE 27/01/1999 Ratification 11/02/2004 01/06/2004
ITALIE 27/01/1999
LETTONIE 27/01/1999 Ratification 09/02/2001 01/07/2002
LITUANIE 27/01/1999 Ratification 08/03/2002 01/07/2002
LUXEMBOURG 27/01/1999
A.R.Y. MACEDOINE 28/07/1999 Ratification 28/07/1999 01/07/2002
MALTE 20/11/2000 Ratification 15/05/2003 01/09/2003
MOLDAVIE 24/06/1999 Ratification 14/01/2004 01/05/2004
NORVEGE 27/01/1999 Ratification 02/03/2004 01/07/2004
PAYS-BAS 29/06/2000 Ratification 11/04/2002 01/08/2002
POLOGNE 27/01/1999 Ratification 11/12/2002 01/04/2003
PORTUGAL 30/04/1999 Ratification 07/05/2002 01/09/2002
ROUMANIE 27/01/1999 Ratification 11/07/2002 01/11/2002
ROYAUME UNI 27/01/1999 Ratification 09/12/2003 01/04/2004
RUSSIE(FED.) 27/01/1999
SAINT MARIN 15/05/2003
SERBIE ET MONTENEGRO Adhésion 18/12/2002 01/04/2003
SLOVAQUIE 27/01/1999 Ratification 09/06/2000 01/07/2002
SLOVENIE 07/05/1999 Ratification 12/05/2000 01/07/2002
SUEDE 27/01/1999
SUISSE 26/02/2001
TCHEQUE REPUBLIQUE 15/10/1999 Ratification 08/09/2000 01/07/2002
TURQUIE 27/09/2001 Ratification 29/03/2004 01/07/2004
UKRAINE 27/01/1999
authentifi- consentement consentement vigueur
cation locale
- - - - -
ALBANIE 27/01/1999 Ratification 19/07/2001 01/07/2002
ALLEMAGNE 27/01/1999
ANDORRE 08/11/2001
AUTRICHE 13/10/2000
AZERBAIDJAN 21/05/2003 Ratification 11/02/2004 01/06/2004
BELGIQUE 20/04/1999 Ratification 23/03/2004 01/07/2004
BOSNIE-HERZEGOVINE 01/03/2000 Ratification 30/01/2002 01/07/2002
BULGARIE 27/01/1999 Ratification 07/11/2001 01/07/2002
CHYPRE 27/01/1999 Ratification 17/01/2001 01/07/2002
CROATIE 15/09/1999 Ratification 08/11/2000 01/07/2002
DANEMARK 27/01/1999 Ratification 02/08/2000 01/07/2002
ESTONIE 08/06/2000 Ratification 06/12/2001 01/07/2002
FINLANDE 27/01/1999 Ratification 03/10/2002 01/02/2003
FRANCE 09/09/1999
GEORGIE 27/01/1999
GRECE 27/01/1999
HONGRIE 26/04/1999 Ratification 22/11/2000 01/07/2002
IRLANDE 07/05/1999 Ratification 03/10/2003 01/02/2004
ISLANDE 27/01/1999 Ratification 11/02/2004 01/06/2004
ITALIE 27/01/1999
LETTONIE 27/01/1999 Ratification 09/02/2001 01/07/2002
LITUANIE 27/01/1999 Ratification 08/03/2002 01/07/2002
LUXEMBOURG 27/01/1999
A.R.Y. MACEDOINE 28/07/1999 Ratification 28/07/1999 01/07/2002
MALTE 20/11/2000 Ratification 15/05/2003 01/09/2003
MOLDAVIE 24/06/1999 Ratification 14/01/2004 01/05/2004
NORVEGE 27/01/1999 Ratification 02/03/2004 01/07/2004
PAYS-BAS 29/06/2000 Ratification 11/04/2002 01/08/2002
POLOGNE 27/01/1999 Ratification 11/12/2002 01/04/2003
PORTUGAL 30/04/1999 Ratification 07/05/2002 01/09/2002
ROUMANIE 27/01/1999 Ratification 11/07/2002 01/11/2002
ROYAUME UNI 27/01/1999 Ratification 09/12/2003 01/04/2004
RUSSIE(FED.) 27/01/1999
SAINT MARIN 15/05/2003
SERBIE ET MONTENEGRO Adhésion 18/12/2002 01/04/2003
SLOVAQUIE 27/01/1999 Ratification 09/06/2000 01/07/2002
SLOVENIE 07/05/1999 Ratification 12/05/2000 01/07/2002
SUEDE 27/01/1999
SUISSE 26/02/2001
TCHEQUE REPUBLIQUE 15/10/1999 Ratification 08/09/2000 01/07/2002
TURQUIE 27/09/2001 Ratification 29/03/2004 01/07/2004
UKRAINE 27/01/1999