Artikel D1. § 1. Het water maakt deel uit van het gemeenschappelijk erfgoed van het Waalse Gewest. De kringloop van het water wordt op globale en geïntegreerde wijze beheerd met de blijvende bekommernis om in het kader van een duurzame ontwikkeling tegelijk de kwaliteit en het voortbestaan van die rijkdom te waarborgen [3 en door rekening te houden met de aanpassingen aan de klimaatverandering]3.
[2 In die hoedanigheid zijn de diensten voor de waterproductie en -distributie, de diensten bevoegd voor de opvang en de sanering van het afvalwater en de waterbeheerdiensten, voor alle gebruikers, diensten van algemeen economisch belang. Het Waalse Gewest kan die diensten begeleiden, organiseren, ondersteunen en financieren.]2
§ 2. Het waterbeleid in het Waalse Gewest heeft als doelstellingen :
1° aquatische ecosystemen en, wat de waterbehoeften ervan betreft, terrestrische ecosystemen en waterrijke gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van aquatische ecosystemen, voor verdere achteruitgang behoeden, en beschermen en verbeteren;
2° duurzaam gebruik van water bevorderen, op basis van de bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn;
3° verhoogde bescherming en verbetering van het aquatische milieu beogen, onder andere door specifieke maatregelen voor de progressieve vermindering van lozingen, emissies en verliezen van prioritaire stoffen en voor het stopzetten of geleidelijk beëindigen van lozingen, emissies of verliezen van prioritaire gevaarlijke stoffen;
4° zorgen voor de progressieve vermindering van de verontreiniging van grondwater en oppervlaktewater en verdere verontreiniging hiervan voorkomen;
5° bijdragen aan de afzwakking van de gevolgen van overstromingen en perioden van droogte;
6° de menselijke gezondheid beschermen tegen de schadelijke gevolgen van de aantasting van het voor menselijke consumptie bestemde water door de gezondheid en de schoonheid ervan te waarborgen in overeenstemming met Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water.
Op die manier draagt de kaderrichtlijn Water bij tot :
1° de beschikbaarheid van voldoende oppervlaktewater en grondwater van goede kwaliteit voor een duurzaam, evenwichtig en billijk gebruik van water;
2° de gevoelige vermindering van de verontreiniging van grond- en oppervlaktewater;
3° de bescherming van territoriale en mariene wateren;
4° het bereiken van de doelstellingen van de toepasselijke internationale overeenkomsten, met inbegrip van die welke tot doel hebben de verontreiniging van het mariene milieu te voorkomen en te elimineren en het stopzetten of geleidelijk beëindigen van lozingen, emissies of verliezen van prioritaire gevaarlijke stoffen die een onaanvaardbaar gevaar voor of via het aquatisch milieu inhouden met als ultieme doelstelling het bereiken, in het mariene milieu, van concentraties die dicht bij de basisniveaus liggen voor de natuurlijk aanwezige stoffen en die dicht bij nul liggen voor de door de mens voortgebrachte stoffen;
5° de valorisering van het water als economische hulpbron en de verdeling van die hulpbron om bij alle verschillende gebruiken, activiteiten of werken aan de vereisten inzake gezondheid, volksgezondheid, veiligheid van de burgers en bevoorrading van de bevolking met drinkwater, de instandhouding en het vrije verloop van water en de bescherming tegen de overstromingen, de landbouw, de visvangst, de nijverheid, de energieproductie, het vervoer, het toerisme en de watersport, evenals alle andere toegelaten menselijke activiteiten te voldoen of ze te verzoenen.
§ 3. Iedere persoon heeft het recht om over drinkwater van voldoende kwaliteit en in voldoende hoeveelheid te beschikken voor zijn voeding, zijn huishoudelijke behoeften en zijn gezondheid. De voor de uitoefening van dat recht verrichte waterwinningen en lozingen van afvalwater mogen de natuurlijke functies en het voortbestaan van de rijkdom niet in gevaar brengen.
[1 § 4. Op basis van het principe van internationale solidariteit nemen het Gewest en zijn burgers deel aan de effectieve uitvoering van het recht op water door ontwikkelingsacties.]1
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
27 MEI 2004. - Milieuwetboek - Boek 2 : Waterwetboek. - Decretale gedeelte. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-09-2004 en tekstbijwerking tot 29-12-2025)
Titre
27 MAI 2004. - Code de l'Environnement - Livre 2 : Code de l'Eau. - Partie décrétale. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 23-09-2004 et mise à jour au 29-12-2025)
Documentinformatie
Numac: 2004A02818
Datum: 2004-05-27
Info du document
Numac: 2004A02818
Date: 2004-05-27
Inhoud
DEEL I. - Algemeen.
TITEL I. - Beginselen.
TITEL II. - Begripsomschrijvingen.
TITEL III. - Adviesinstanties.
HOOFDSTUK I.
HOOFDSTUK II. - Comité voor watercontrole.
TITEL IV. - Kostenterugwinning voor waterdiensten.
TITEL V. [1 - Uitvoering van de Europese verpli...
DEEL II. - Geïntegreerd beheer van de natuurlij...
TITEL I. - Districten, stroomgebieden en deelst...
HOOFDSTUK I. - Samenstelling van de Waalse stro...
HOOFDSTUK II. - Samenstelling van de internatio...
HOOFDSTUK III. - Bevoegde overheid.
HOOFDSTUK IV. - Internationale coördinatie.
TITEL II. - Beschrijvende toestand van het stro...
HOOFDSTUK I. - Kenmerken van het Waalse stroomg...
HOOFDSTUK II. - Programma voor de monitoring en...
TITEL III. - Leefmilieudoelstellingen.
TITEL IV. - Coördinatieactie.
HOOFDSTUK I. - Maatregelenprogramma.
HOOFDSTUK II. - Beheersplan.
Afdeling 1. - Principes.
Afdeling 2. - Opstellingsprocedure.
HOOFDSTUK III. - Riviercontract.
TITEL V. - Waterlopen.
HOOFDSTUK I. - Algemeen.
Afdeling 1. [1 Begripsomschrijving]1
Afdeling 2. [1 Doelstellingen]1
Afdeling 3. [1 Coördinatie-actie]1
Afdeling 4. [1 Het vrij rondzwemmen van de viss...
HOOFDSTUK II. - Onbevaarbare waterlopen.
Afdeling 1. - Bepaling van de onbevaarbare wate...
Afdeling 1/1. [1 Atlas van de onbevaarbare wate...
Afdeling 2. - Onderhoudswerken en kleine herste...
Afdeling 3. [1 Werken onderworpen aan de domani...
Afdeling 4. - Algemene bepalingen.
HOOFDSTUK III.
Afdeling 1.
Afdeling 2.
Afdeling 3.
HOOFDSTUK IV. [1 Ongeklasserde waterlopen]1
HOOFDSTUK V. - [1 Bepalingen over beoordeling e...
Afdeling 1. [1 - Doel]1
Afdeling 2. - [1 Kaarten van de gebieden waar g...
Afdeling 3. - [1 Overstromingsrisicobeheersplan]1
A. [1 Beginselen en inhoud van het overstroming...
B. [1 Procedure voor het opstellen]1
Afdeling 4. [1 - Gecentraliseerde dienst voor d...
HOOFDSTUK VI. [1 Subsidies]1
TITEL VI. - Wateringen.
HOOFDSTUK I. - Inrichting van de wateringen.
HOOFDSTUK II. - Het beheer van de wateringen.
Afdeling 1. - De algemene vergadering.
Afdeling 2. - Het bestuur.
Afdeling 3. - De ontvanger-griffier.
Afdeling 4. - De wachters en de sluiswachters o...
HOOFDSTUK III. - De belastingen ten behoeve van...
Afdeling 1. - Het vestigen der belastingen.
Afdeling 2. - Wijze van invordering der belasti...
Afdeling 3. - Waarborgen voor de invordering de...
Afdeling 4. - De verjaringen.
HOOFDSTUK IV. - De werken door de wateringen ui...
HOOFDSTUK V. - De toezichtsmaatregelen en ambts...
HOOFDSTUK VI. - Verschillende bepalingen.
TITEL VII. - Bescherming van het water.
HOOFDSTUK I. - Bescherming van het oppervlaktew...
Afdeling 1. - Doelstellingen inzake kwaliteit e...
Afdeling 2. - Handelingen waarvoor een milieuve...
Afdeling 3. - Gecombineerde aanpak.
Afdeling 4. - Bijzondere beschermingsmaatregele...
HOOFDSTUK II. - Bescherming van het grond- en w...
Afdeling 1. - Algemene maatregelen van bescherm...
Afdeling 2. - Handelingen waarvoor een milieuve...
Afdeling 3. - Winningszones.
Onderafdeling 1. - Waterwinningszones.
Onderafdeling 2. - Voorkomingszones.
Onderafdeling 3. - Toezichtszones.
Afdeling 4. - Bijzondere maatregelen.
Afdeling 5. [1 - Bescherming van tot drinkwater...
HOOFDSTUK III. - Territoriale bevoegdverklaring.
TITEL VIII. - Financiering van het beheer van d...
DEEL III. - Beheer van de antropogene watercyclus.
TITEL I. - Fasen van de antropogene watercyclus.
HOOFDSTUK I. - Waterproductie en -verdeling.
Afdeling 1. - Voor menselijke consumptie bestem...
Onderafdeling 1. [1 - Doelstellingen en bevoegd...
Onderafdeling 2. - Toepassingsgebied.
Onderafdeling 3. - Verplichtingen van de levera...
A. Algemene verplichtingen.
B. Controle.
C. Herstelmaatregelen en gebruiksbeperkingen.
D. Afwijkingen.
E. Informatie.
Onderafdeling 4. [1 Beoordeling van de risico's...
Afdeling 2. [1 - Algemene voorwaarden voor de o...
Onderafdeling 1. - Definities.
Onderafdeling 2. - Toegang tot de openbare wate...
Onderafdeling 3. - Bevoorrading, gebruik en bes...
Onderafdeling 4. - Registratie van het verbruik.
Onderafdeling 5. - Informatie.
HOOFDSTUK II. - Herstel van schade veroorzaakt ...
HOOFDSTUK III. - Zuivering van het water.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Afdeling 2. - Bepalingen betreffende de rioleri...
Afdeling 3. [1 - Bepalingen betreffende het ope...
Onderafdeling 1. [1 - Opdrachten]1
Onderafdeling 2. [1 - Bijzondere verplichtingen]1
Onderafdeling 3. [1 - Organisatie]1
Onderafdeling 4. [1 - Evaluatie en controle]1
Afdeling 4. [1 - Certificering van installateur...
HOOFDSTUK IV. - Gemeenschappelijke bepalingen i...
Afdeling 1. [1 Verklaring van openbaar nut betr...
Afdeling 2. [1 Certificering "Water" voor bebou...
TITEL II. - Financiering van het beheer van de ...
HOOFDSTUK I. - Waterprijs.
Afdeling 1. [1 - Tarifering en facturering van ...
Onderafdeling I. [1 - Tarifering van voor mense...
Onderafdeling 2. - Facturatie.
Onderafdeling 3. - Betaling van de facturen en ...
Afdeling 1bis. [1 - Fonds de solidarité interna...
Onderafdeling 1. [1 - Algemene bepalingen.]1
A. [1 Begripsomschrijving.]1
B.
Onderafdeling 2.
Onderafdeling 3.
Onderafdeling 4.
Onderafdeling 5.
Afdeling 2. - Sociaal Waterfonds.
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen.
A. Toepassingsgebied.
B. Definitie.
C. Doelstelling.
Onderafdeling 2. - Financieel mechanisme.
A. Algemene bepalingen.
B. Regels betreffende de tegemoetkoming in de b...
C. Opdrachten van de "S.P.G.E." in het kader va...
D. Verplichtingen van de verdelers.
HOOFDSTUK II. [1 - Mechanismen tot terugwinning...
Afdeling 1. [1 - Algemene bepalingen]1
Afdeling 2. [1 - Belasting en bijdrage op de wa...
Onderafdeling 1. [1 - Winplaatsen voor tot drin...
Onderafdeling 2. [1 - Winplaatsen van grondwate...
Onderafdeling 2/1. [1 Winningen van bemalingswa...
Onderafdeling 3. [1 - Waterwinnningen van niet ...
Afdeling 3. [1 - Belasting op de lozing van ind...
Onderafdeling 1. [1 - Algemene bepalingen]1
Onderafdeling 2. [1 - Bijzondere bepalingen bet...
Onderafdeling 3. [1 - Bijzondere bepalingen bet...
Afdeling 4. [1 - Belasting op de milieulasten v...
Afdeling 5. [1 - Aangifte, betaling en invorder...
Afdeling 6. [1 - Subsidies]1
HOOFDSTUK III. [1 - Budgettaire bepalingen]1
TITEL III.. - Instellingen voor het beheer van ...
HOOFDSTUK I. - Inzake bescherming van winningen...
Afdeling I. - "Société publique de gestion de l...
Onderafdeling I. - Oprichting, maatschappelijk ...
Onderafdeling 2. [1 - Maatschappelijk kapitaal,...
A. Maatschappelijk kapitaal.
B. [1 Raad van bestuur en directiecomité]1.
C. [1 Coördinatiecomité van de watersector.]1
D. [1 Controle van de rekeningen.]1
Onderafdeling 3. - Beheerscontract.
A. Aard en inhoud van het beheerscontract.
B. Sluiting en duur van het beheerscontract.
C. Bedrijfsplan en instrumentenborden.
Onderafdeling 4. - Technische bijstand en perso...
Onderafdeling 5. - Comité van de deskundigen.
Onderafdeling 6. - Ontbinding van de [1 S.P.G.E...
Onderafdeling 7. - Diverse bepalingen.
Afdeling 2. - [1 Saneringsinstellingen]1
HOOFDSTUK II.. - Inzake waterproductie en -dist...
Afdeling I. - Algemene bepalingen.
Afdeling 2. - Doel van de maatschappij en openb...
Afdeling 3. - Beheerscontract.
Onderafdeling I. (...)
Afdeling 2. (...)
Afdeling 4. - Autonomie.
Afdeling 5. - Algemene Vergadering.
Afdeling 6. - [1 Beheer en vertegenwoordiging]1.
Onderafdeling 1. [1 Algemeen]1
Onderafdeling 1/1. [1 Raad van Bestuur.]1
Onderafdeling 2. - Het mandaat van bestuurder.
Onderafdeling 3. - Het Directiecomité.
Onderafdeling 4. - (Bijkantoren en raden voor d...
A. Diensten.
B. Adviescomités.
C. Zonecomités.
Afdeling 7. - Administratief toezicht en controle.
Onderafdeling I. - Administratief toezicht.
Onderafdeling 2. - Controle op de rekeningen.
Afdeling 8. - Boekhouding en jaarrekeningen.
Afdeling 9. [1 Eigen kapitalen]1
Afdeling 10. - Personeel.
Afdeling 11. - Voorlopige bepalingen.
Deel IV. - [1 Vaststelling van de overtredingen...
TITEL I. - [1 Bestraffing van de overtredingen ...
TITEL II. - [1 Bestraffing van de overtredingen...
TITEL III. - [1 Vaststelling van de overtreding...
TITEL IV. - [1 Bestraffing van de overtredingen...
TITEL V. - [1 Vaststelling van de overtredingen...
TITEL VI. [1 - Sancties voor overtredingen inza...
TITEL VII. - [1 Bestraffing van de overtredinge...
TITEL VIII. - [1 Bestraffing van de overtreding...
TITEL IX. - [1 Bestraffing van de overtredingen...
TITEL X. [1 Sanctie voor de gewone overtredinge...
DEEL V. - Overgangsbepalingen.
BIJLAGEN.
Inhoud
PARTIE Ire. Généralités.
TITRE 1er. - Principes.
TITRE II. - Définitions.
TITRE III. - Instances consultatives.
CHAPITRE Ier.
CHAPITRE II. - Comité de contrôle de l'eau.
TITRE IV. - Récupération des coûts des services...
TITRE V. [1 - Exécution des obligations europée...
PARTIE II. - Gestion intégrée du cycle naturel ...
TITRE 1er. - Districts, bassins et sous-bassins...
CHAPITRE Ier. - Constitution des bassins et sou...
CHAPITRE II. - Constitution des districts hydro...
CHAPITRE III. - Autorité compétente.
CHAPITRE IV. - Coordination internationale.
TITRE II. - Etat descriptif du bassin hydrograp...
CHAPITRE Ier. - Caractéristiques du bassin hydr...
CHAPITRE II. - Programmes de surveillance et me...
TITRE III. - Objectifs environnementaux.
TITRE IV. - Action de coordination.
CHAPITRE Ier. - Programme de mesures.
CHAPITRE II. - Plan de gestion.
Section 1re. - Principes.
Section 2. - Procédure d'élaboration.
CHAPITRE III. - Contrat de rivière.
TITRE V. - Cours d'eau.
CHAPITRE Ier. - Généralités.
Section 1ère. [1 Définition ]1
Section 2. [1 Objectifs ]1
Section 3. [1 Action de coordination]1
Section 4. [1 Libre circulation des poissons]1
CHAPITRE II. - Cours d'eau non navigables.
Section 1re. - Détermination des cours d'eau no...
Section1/1. [1 Atlas des cours d'eau non naviga...
Section 2. - Travaux d'entretien et de petite r...
Section 3. [1 Travaux soumis à autorisation dom...
Section 4. - Dispositions générales.
CHAPITRE III.
Section 1re.
Section 2.
Section 3.
CHAPITRE IV. [1 Cours d'eau non classés]1
CHAPITRE V. - [1 Dispositions relatives à l'éva...
Section 1re. [1 - Objet]1
Section 2. - [1 Cartes des zones soumises à l'a...
Section 3. - [1 Plan de gestion des risques d'i...
A. [1 Principes et contenu du plan de gestion d...
B. [1 Procédure d'élaboration]1
Section 4. [1 - Service centralisé d'annonce, d...
CHAPITRE VI. [1 Subsides]1
TITRE VI. - Wateringues.
CHAPITRE Ier. - Organisation des wateringues.
CHAPITRE II. - Administration des wateringues.
Section 1re. - Assemblées générales.
Section 2. - Direction.
Section 3. - Receveur-greffier.
Section 4. - Gardes et éclusiers.
CHAPITRE III. - Impôts au profit de la wateringue.
Section 1re. - Etablissement de l'impôt.
Section 2. - Mode de recouvrement de l'impôt.
Section 3. - Garanties pour le recouvrement de ...
Section 4. - Prescriptions.
CHAPITRE IV. - Travaux à exécuter par les water...
CHAPITRE V. - Mesures de surveillance et travau...
CHAPITRE VI. - Dispositions diverses.
TITRE VII. - Protection de l'eau.
CHAPITRE Ier. - Protection des eaux de surface.
Section 1re. - Objectifs de qualité et zones de...
Section 2. - Actes pouvant être soumis à permis...
Section 4. - Approche combinée.
Section 4. - Mesures particulières de protectio...
CHAPITRE II. - Protection des eaux souterraines...
Section 1re. - Mesures générales de protection.
Section 2. - Actes pouvant être soumis à permis...
Section 3. - Zones de captage.
Sous-section 1re. - Zones de prise d'eau.
Sous-section 2. - Zones de prévention.
Sous-section 3. - Zones de surveillance.
Section 4. - Mesures particulières.
Section 5. [1 - Protection des eaux potabilisab...
CHAPITRE III. - Habilitations territoriales.
TITRE VIII. - Financement de la gestion du cycl...
PARTIE III. - Gestion du cycle anthropique de l...
TITRE 1er. - Phases du cycle anthropique de l'eau.
CHAPITRE Ier. - Production et distribution d'eau.
Section 1re. - Eau destinée à la consommation h...
Sous-section 1re. [1 - Objectifs et habilitatio...
Sous-section 2. - Champ d'application.
Sous-section 3. - Obligations du fournisseur.
A. Obligations générales.
B. Contrôle.
C. Mesures correctrices et restrictions d'utili...
D. Dérogations.
E. Informations.
Sous-section 4. [1 - Evaluation des risques lié...
Section 2. [1 - Conditions générales de distrib...
Sous-section 1re. - Définitions.
Sous-section 2. - Accès à la distribution publi...
Sous-section 3. - Approvisionnement, utilisatio...
Sous-section 4. - Enregistrement des consommati...
Sous-section 5. - Information.
CHAPITRE II. - Réparation des dommages provoqué...
CHAPITRE III. - Assainissement de l'eau.
Section 1re. - Dispositions générales.
Section 2. - Dispositions relatives à l'égoutta...
Section 3. [1 - Dispositions relatives à la ges...
Sous-section 1ère. [1 - Missions]1
Sous-section 2. [1 - Obligations particulières]1
Sous-section 3. [1 - Organisation]1
Sous-section 4. [1 - Evaluation et contrôle]1
Section 4. [1 - Certification des installateurs...
CHAPITRE IV. - Dispositions communes à la produ...
SECTION 1. [1 Déclaration d'utilité publique re...
SECTION 2. [1 Certification Eau des immeubles b...
TITRE II. - Financement de la gestion du cycle ...
CHAPITRE Ier. - Prix de l'eau.
Section 1re. [1 - Tarification et facturation d...
Sous-section 1re. [1 - Tarification de l'eau de...
Sous-section 2. - Facturation.
Sous-section 3. - Paiement des factures et reco...
Section 1rebis. [1 - Fonds de solidarité intern...
Sous-section 1re. [1 - Dispositions générales.]1
A. [1 Définitions.]1
B.
Sous-section 2.
Sous-section3.
Sous-section 4.
Sous-section 5.
Section 2. - Fonds social de l'eau.
Sous-section 1re. - Dispositions générales.
A. Champ d'application.
B. Définition.
C. Objectif.
Sous-section 2. - Mécanisme financier.
A. Dispositions générales.
B. Règles relatives à l'intervention dans le pa...
C. Missions de la S.P.G.E. dans le cadre du fon...
D. Obligations des distributeurs.
CHAPITRE II. [1 - Mécanismes de récupération de...
Section 1re. [1 - Dispositions générales]1
Section 2. [1 - Taxe et contribution sur les pr...
Sous-section 1re. [1 - Prises d'eau potabilisab...
Sous-section 2. [1 - Prises d'eau souterraine n...
Sous-section 2/1. [1 Prises d'eau d'exhaure]1
Sous-section 3. [1 - Prises d'eau de surface no...
Section 3. [1 - Taxe sur le déversement des eau...
Sous-section 1re. [1 - Dispositions générales]1
Sous-section 2. [1 - Dispositions particulières...
Sous-section 3. [1 - Dispositions particulières...
Section 4. [1 - Taxe sur les charges environnem...
Section 5. [1 - Déclaration, paiement et recouv...
Section 6. [1 - Subventions]1
CHAPITRE III. [1 - Dispositions budgétaires]1
TITRE III. - Organismes de gestion du cycle ant...
CHAPITRE Ier. - Dans le domaine de la protectio...
Section 1re. - Société publique de Gestion de l...
Sous-section 1re. - Création, objet social et l...
Sous-section 2. [1 - Capital social, conseil d'...
A. Capital social.
B. [1 Conseil d'administration et comité de dir...
C. [1 Comité de coordination du secteur de l'ea...
D. [1 Contrôle des comptes]1
Sous-section 3. - Contrat de gestion.
A. Nature et contenu du contrat de gestion.
B. Conclusion et durée du contrat de gestion.
C. Plan d'entreprise et tableaux de bord.
Sous-section 4. - Assistance technique et perso...
Sous-section 5. - Comité des experts.
Sous-section 6. - Dissolution de la [1 " S.P.G....
Sous-section 7. - Dispositions diverses.
Section 2. - [1 Organismes d'assainissement]1
CHAPITRE II. - Dans le domaine de la production...
Section 1re. - Généralités.
Section 2. - Objet de la Société et missions de...
Section 3. - Contrat de gestion.
Sous-section 1re. (Abrogé)
Sous-section 2. (Abrogé)
Section 4. - Autonomie.
Section 5. - Assemblée générale.
Section 6. [1 - Gestion et représentation]1
Sous-section 1re. [1 - Généralités]1
Sous-section 1/1. [1 - Conseil d'administration]1
Sous-section 2. - Mandat d'administrateur.
Sous-section 3. - Comité de direction.
Sous-section 4. - (Succursales d'exploitation e...
A. Services.
B. Comités consultatifs.
C. Comités de zone.
Section 7. - Tutelle administrative et contrôle.
Sous-section 1re. - Tutelle administrative.
Sous-section 2. - Contrôle des comptes.
Section 8. - Comptabilité et comptes annuels.
Section 9. [1 - Capitaux propres]1
Section 10. - Personnel.
Section 11. - Dispositions provisoires.
PARTIE IV. - [1 Constatation des infractions et...
TITRE Ier. - [1 Sanctions des infractions en ma...
TITRE II. - [1 Sanctions des infractions en mat...
TITRE III. - [1 Constatation des infractions et...
TITRE IV. - [1 Sanctions des infractions en mat...
TITRE V. - [1 Constatation des infractions et s...
TITRE VI. [1 - Sanctions des infractions en mat...
TITRE VII. - [1 Sanctions des infractions en ma...
TITRE VIII. - [1 Sanctions des infractions en m...
TITRE IX. - [1 Sanctions des infractions en mat...
TITRE X. [1 Sanction des infractions communes e...
PARTIE V. - Dispositions transitoires.
ANNEXES.
Tekst (750)
Texte (750)
DEEL I. - Algemeen.
PARTIE Ire. Généralités.
TITEL I. - Beginselen.
TITRE 1er. - Principes.
Article D1. § 1er. L'eau fait partie du patrimoine commun de la Région wallonne. Le cycle de l'eau est géré de façon globale et intégrée, dans le constant souci d'assurer à la fois la qualité et la pérennité de la ressource, dans le cadre d'un développement durable [3 et en prenant en compte les adaptations au changement climatique]3.
[2 A ce titre, les services de production et de distribution d'eau, les services de collecte et d'assainissement des eaux usées et les services de gestion de l'eau constituent, pour tous les usagers, des services d'intérêt économique général. La Région wallonne peut encadrer, organiser, soutenir et financer ces services.]2
§ 2. La politique de l'eau en Région wallonne a pour objectifs :
1° de prévenir toute dégradation supplémentaire, de préserver et d'améliorer l'état des écosystèmes aquatiques ainsi que, en ce qui concerne leurs besoins en eau, des écosystèmes terrestres et des zones humides qui en dépendent directement;
2° de promouvoir une utilisation durable de l'eau, fondée sur la protection à long terme des ressources en eau disponibles;
3° de viser à renforcer la protection de l'environnement aquatique ainsi qu'à l'améliorer, notamment par des mesures spécifiques conçues pour réduire progressivement les rejets, émissions et pertes de substances prioritaires, et pour arrêter ou supprimer progressivement les rejets, émissions et pertes de substances dangereuses prioritaires;
4° d'assurer la réduction progressive de la pollution des eaux souterraines et des eaux de surface et de prévenir l'aggravation de leur pollution;
5° de contribuer à atténuer les effets des inondations et des sécheresses;
6° de protéger la santé des personnes des effets néfastes de la contamination des eaux destinées à la consommation humaine en garantissant la salubrité et la propreté de celles-ci, et ce, conformément à la directive du Conseil des Communautés n° 98/83/C.E. du 3 novembre 1998 relative à la qualité des eaux destinées à la consommation humaine.
Elle contribue ainsi :
1° à assurer un approvisionnement suffisant en eau de surface et en eau souterraine de bonne qualité pour les besoins d'une utilisation durable, équilibrée et équitable de l'eau;
2° à réduire sensiblement la pollution des eaux souterraines et des eaux de surface;
3° à protéger les eaux territoriales et marines;
4° à réaliser les objectifs des accords internationaux pertinents, y compris ceux qui visent à prévenir et à éliminer la pollution de l'environnement marin, et à arrêter ou à supprimer progressivement les rejets, émissions et pertes de substances dangereuses prioritaires présentant un risque inacceptable pour ou via l'environnement aquatique, dans le but ultime d'obtenir, dans l'environnement marin, des concentrations qui soient proches des niveaux de fond pour les substances présentes naturellement et proches de zéro pour les substances synthétiques produites par l'homme;
5° à assurer la valorisation de l'eau comme ressource économique et la répartition de cette ressource de manière à satisfaire ou à concilier, lors des différents usages, activités ou travaux, les exigences de la santé, de la salubrité publique, de la sécurité civile et de l'alimentation en eau potable de la population, de la conservation et du libre écoulement des eaux et de la protection contre les inondations, de l'agriculture, de la pêche, de l'industrie, de la production d'énergie, des transports, du tourisme et des sports nautiques, ainsi que de toutes autres activités humaines autorisées.
§ 3. Toute personne a le droit de disposer d'une eau potable de qualité et en quantité suffisante pour son alimentation, ses besoins domestiques et sa santé. Les prélèvements d'eau et les rejets d'eaux usées qui sont effectués pour l'exercice de ce droit ne peuvent mettre en danger les fonctions naturelles et la pérennité de la ressource.
[1 § 4. Sur la base du principe de solidarité internationale, la Région et ses citoyens participent à la mise en oeuvre effective du droit à l'eau par des actions de développement.]1
[2 A ce titre, les services de production et de distribution d'eau, les services de collecte et d'assainissement des eaux usées et les services de gestion de l'eau constituent, pour tous les usagers, des services d'intérêt économique général. La Région wallonne peut encadrer, organiser, soutenir et financer ces services.]2
§ 2. La politique de l'eau en Région wallonne a pour objectifs :
1° de prévenir toute dégradation supplémentaire, de préserver et d'améliorer l'état des écosystèmes aquatiques ainsi que, en ce qui concerne leurs besoins en eau, des écosystèmes terrestres et des zones humides qui en dépendent directement;
2° de promouvoir une utilisation durable de l'eau, fondée sur la protection à long terme des ressources en eau disponibles;
3° de viser à renforcer la protection de l'environnement aquatique ainsi qu'à l'améliorer, notamment par des mesures spécifiques conçues pour réduire progressivement les rejets, émissions et pertes de substances prioritaires, et pour arrêter ou supprimer progressivement les rejets, émissions et pertes de substances dangereuses prioritaires;
4° d'assurer la réduction progressive de la pollution des eaux souterraines et des eaux de surface et de prévenir l'aggravation de leur pollution;
5° de contribuer à atténuer les effets des inondations et des sécheresses;
6° de protéger la santé des personnes des effets néfastes de la contamination des eaux destinées à la consommation humaine en garantissant la salubrité et la propreté de celles-ci, et ce, conformément à la directive du Conseil des Communautés n° 98/83/C.E. du 3 novembre 1998 relative à la qualité des eaux destinées à la consommation humaine.
Elle contribue ainsi :
1° à assurer un approvisionnement suffisant en eau de surface et en eau souterraine de bonne qualité pour les besoins d'une utilisation durable, équilibrée et équitable de l'eau;
2° à réduire sensiblement la pollution des eaux souterraines et des eaux de surface;
3° à protéger les eaux territoriales et marines;
4° à réaliser les objectifs des accords internationaux pertinents, y compris ceux qui visent à prévenir et à éliminer la pollution de l'environnement marin, et à arrêter ou à supprimer progressivement les rejets, émissions et pertes de substances dangereuses prioritaires présentant un risque inacceptable pour ou via l'environnement aquatique, dans le but ultime d'obtenir, dans l'environnement marin, des concentrations qui soient proches des niveaux de fond pour les substances présentes naturellement et proches de zéro pour les substances synthétiques produites par l'homme;
5° à assurer la valorisation de l'eau comme ressource économique et la répartition de cette ressource de manière à satisfaire ou à concilier, lors des différents usages, activités ou travaux, les exigences de la santé, de la salubrité publique, de la sécurité civile et de l'alimentation en eau potable de la population, de la conservation et du libre écoulement des eaux et de la protection contre les inondations, de l'agriculture, de la pêche, de l'industrie, de la production d'énergie, des transports, du tourisme et des sports nautiques, ainsi que de toutes autres activités humaines autorisées.
§ 3. Toute personne a le droit de disposer d'une eau potable de qualité et en quantité suffisante pour son alimentation, ses besoins domestiques et sa santé. Les prélèvements d'eau et les rejets d'eaux usées qui sont effectués pour l'exercice de ce droit ne peuvent mettre en danger les fonctions naturelles et la pérennité de la ressource.
[1 § 4. Sur la base du principe de solidarité internationale, la Région et ses citoyens participent à la mise en oeuvre effective du droit à l'eau par des actions de développement.]1
TITEL II. - Begripsomschrijvingen.
TITRE II. - Définitions.
Art. D2. Voor de toepassing van dit boek wordt verstaan onder :
1° "agglomeratie" : gebied waarin de bevolking en/of de economische activiteiten voldoende geconcentreerd zijn om het opvangen van stedelijk afvalwater en de afvoer ervan naar een waterzuiveringsstation of een uiteindelijke lozingsplaats mogelijk te maken;
[12 1°bis "eigenaar" :
- elke persoon die houder is van een recht van eigendom, vruchtgebruik, blote eigendom, gebruik, bewoning, opstal, erfpacht op een gebouw dat op de openbare distributie aangesloten is;
- elke persoon die voor zijn verbruik een wateraankoopovereenkomst heeft gesloten zonder gebruik te maken van een openbaar waterdistributienet;]12
2° "gecombineerde benadering" : benadering waarbij de verontreiniging aan de bron aangepakt wordt door de vaststelling van emissiegrenswaarden en milieukwaliteitsnormen;
3° "watervoerende laag" : één of meerdere ondergrondse rotslagen of andere geologische lagen die voldoende poreus en doorlaatbaar zijn voor een significante grondwaterstroming of de onttrekking van aanzienlijke hoeveelheden grondwater;
4° [12 "collectieve sanering" : het geheel van de handelingen inzake de opvang van afvalwater, openbare waterzuivering en afwateringswerken als bedoeld in artikel 217, tweede lid, met inbegrip van het afvoeren van overstromingswater naar mijnverzakkingsgebieden in zoverre dit onontbeerlijk is voor het behalen van resultaten inzake de collectieve sanering;]12
[12 4°bis "autonome sanering" : sanering van de huishoudelijke afvalwateren van een woning of van een geheel van woningen waarbij geen handeling inzake de openbare inzameling en zuivering van het afvalwater nodig is;]12
[17 4°ter. "abnormale toename van het verbruik van drinkwater" : hoeveelheid water van meer dan 50m3 en tweemaal het volume water dat sinds de laatste indexmeting is verbruikt, meegedeeld door de gebruiker of gezien door een personeelslid van de verdeler en die het mogelijk heeft gemaakt om een maandelijkse, driemaandelijkse of jaarlijkse regularisatiefactuur op te stellen;]17
5° "stroomgebiedsoverheid" : de bestuurlijke overheid die bevoegd is voor het beheer van alle Waalse stroomgebieden;
6° "stroomgebied" : elk gebied vanwaar al het over een oppervlak lopend water via een reeks rivieren, stromen en, eventueel, meren naar zee stroomt, waarin het door één enkele monding, trechtermonding of delta terechtkomt;
7° "Waals stroomgebied" : het deel van elk internationaal stroomgebiedsdistrict dat op het grondgebied van het Waalse Gewest gelegen is;
8° "boot" : vaartuig dat zich al dan niet met behulp van een motor op het wateroppervlak drijvende kan houden;
[9 8° bis " goede chemische toestand van oppervlaktewater " : de chemische toestand die vereist is om te voldoen aan de milieudoelstellingen voor oppervlaktewater, vastgesteld in artikel D.22, § 1, 1°, d.w.z. de chemische toestand van een oppervlaktewaterlichaam waarin de concentraties van verontreinigende stoffen niet boven de milieukwaliteitsnormen liggen die zijn vastgesteld door de Regering;]9
[9 8° ter " goede oppervlaktewatertoestand " : de toestand van een oppervlaktewaterlichaam waarvan zowel de ecologische als de chemische toestand ten minste " goed" zijn;[9
[9 8° quater " goede grondwatertoestand " : de toestand van een grondwaterlichaam waarvan zowel de kwantitatieve als de chemische toestand ten minste " goed " zijn krachtens de bepalingen van dit Wetboek;]9
[9 8° quinquies " goede ecologische toestand " : de toestand van een overeenkomstig bijlage VI van het decretale gedeelte als zodanig ingedeeld oppervlaktewaterlichaam;]9
[15 8°sexies "oever" : talud aan weerszijden van de waterloop, landinwaarts begrensd door de top van de oever;]15
[15 8°septies "pand" : afleidingskanaal dat een gedeelte van het debiet afleidt van een ongeklasseerde waterloop of een onbevaarbare waterloop; alle panden worden gelijkgesteld met ongeklasseerde waterlopen, met uitzondering van die welke op de dag van inwerkingtreding van dit artikel als onbevaarbare waterlopen of waterwegen zijn ingedeeld;]15
9° "last van de dienst" : het geheel der verplichtingen die opgelegd worden aan de persoon die, naar gelang het geval, de hoedanigheid van abonnee of gebruiker heeft;
10° "verzamelleidingen" : leidingen die de rioleringen verbinden met de plaatsen die voorzien zijn of vermoedelijk voorzien zijn voor de zuivering van afvalwater;
11° "comité voor watercontrole" : comité ingesteld bij artikel 4;
12° [14 ...]14
13° "internationale commissie ter bescherming van de Maas" : de internationale commissie ingesteld bij het internationale Maas-akkoord;
14° "internationale commissie ter bescherming van de Schelde" : de internationale commissie ingesteld bij het internationale Schelde-akkoord;
15° "meter" : meetinstrument en toebehoren voor de bepaling van de over een bepaalde periode verbruikte waterhoeveelheid;
[12 15°bis "verbruiker" : elke persoon die gebruik maakt van het water dat door een leverancier ter beschikking gesteld wordt;]12
[16 15°ter. Winningsovereenkomst: overeenkomst gesloten tussen de "S.P.G.E.", de houder van de waterwinning zoals bedoeld in artikel D.169, het Waalse Gewest en de veldwerkers die, na een milieudiagnose, en via een inspraakgerichte benadering gericht is op:
1° de vermindering van de druk, met inbegrip van diffuse verontreiniging, die wordt uitgeoefend in preventie- of zelfs monitoringgebieden of het stroomgebied van winningen van tot drinkwater verwerkbaar water die een kwalitatief risico vormen;
2° het behoud en het herstel van de goede kwantitatieve toestand;
3° de identificatie van de potentiële kosten om deze druk en diffuse verontreiniging te verminderen die kunnen worden gedekt door een financieel programma van de "S.P.G.E.".
15° quater. Grondwaterovereenkomst: overeenkomst tussen een of meerdere publiek- of privaatrechtelijke personen en de "S.P.G.E.", gesloten in het kader van een participatieve aanpak, na een diagnose van een grondwaterlichaam dat gevaar loopt en waarvan de productie van drinkwater een van de belangrijkste toepassingen is, en gericht op de bestrijding van de kwantitatieve en kwalitatieve druk, in overeenstemming met de doelstellingen en maatregelen die door de stroomgebiedsoverheid zijn vastgesteld in het kader van de beheerplannen van de stroomgebieden. De grondwaterovereenkomst is onafhankelijk van de dienstovereenkomst voor de bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water;]16
16° [19 dienstencontract voor sanering" : overeenkomst gesloten tussen een verdeler en de "Société publique de gestion de l'eau" (Openbare maatschappij voor waterbeheer) waarbij de verdeler de diensten van de Maatschappij huurt om volgens een bepaalde planning de collectieve zuivering en het openbare beheer van de autonome zuivering te verrichten van een waterhoeveelheid die overeenstemt met de geproduceerde waterhoeveelheid die hij in het Waalse Gewest verdeelt;]19
[11 16°bis " dienstovereenkomst inzake industriële sanering " : de door de Waalse Regering goedgekeurde dienstovereenkomst waarbij de in artikel D.22 vastgelegde doelstellingen nagestreefd moeten worden en die gesloten wordt tussen een bedrijf dat industriële afvalwateren in een openbaar zuiveringsstation loost, de erkende saneringsinstelling bedoeld in de artikelen D.343 tot D.345en de "S.P.G.E";]11
17° " dienstencontract inzake waterzuivering en -opvang" : overeenkomst gesloten tussen de "Société publique de Gestion de l'Eau" en de [1 erkenden saneringsinstellingen]1 waarbij laatstgenoemden tegen vergoeding in naam en opdracht van eerstgenoemde overheidstaken, onderzoeken, de bouw van zuiveringssystemen en de zuivering van bepaalde hoeveelheden afvalwater uitvoeren;
18° " dienstencontract voor de bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water" : overeenkomst gesloten tussen een producent [19 ...]19 en de "Société publique de Gestion de l'Eau" waarbij laatstgenoemde tegen vergoeding de bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water zoals bepaald in de programma's [13 bedoeld in artikel D.288, § 2, tweede lid,]13 laat uitvoeren;
19° "controles van de emissies" : controles die een specifieke emissiegrens vereisen, bijvoorbeeld een emissiegrenswaarde, of waarbij op een andere wijze grenzen of voorwaarden worden opgelegd aan de gevolgen, de aard of aan andere kenmerken van een emissie of van functioneringsvoorwaarden die de emissies beïnvloeden;
[15 19°bis "waterloop" : oppervlakte van het grondgebied van het gebied dat wordt ingenomen door natuurlijke wateren die continu of met tussenpozen in de zomerbedding stromen, met uitzondering van de afvloeiingsgrachten van het afvloeiings- of spuiwater;]15
[15 19°ter "ongeklasserde waterloop" : een waterloop die niet als waterweg of onbevaarbare waterloop is ingedeeld;]15
20° [15 "onbevaarbare waterlopen" : de waterlopen die de Regering niet bij de klasse van de waterwegen heeft ondergebracht, stroomafwaarts van het punt waar de oppervlakte van al het land waarvan de waterafvoer door de waterloop wordt verzorgd minstens honderd hectare bedraagt; dat punt wordt oorsprong van de waterloop genoemd;]15
[11 20°bis " industriële saneringskosten " : hierna " C.A.I. ", de kostprijs van de dienst verleend door de " S.P.G.E. " ten gunste van het bedrijf dat industriële afvalwateren in een openbaar zuiveringsstation loost, en berekend overeenkomstig artikel D. 260, op basis van de exploitatiekosten, de investeringskosten en de beheerskosten;]11
21° "milieukosten" : kostprijs van de schade van het watergebruik voor het leefmilieu, de ecosystemen en de gebruikers van het leefmilieu;
22° "kosten voor de hulpbron" : kostprijs van de uitputting van de bodemrijkdom die het teloorgaan van bepaalde mogelijkheden voor andere gebruikers teweegbrengt als gevolg van het inkrimpen van de bodemrijkdommen tot onder het natuurlijke hernieuwings- of recuperatiecijfer;
23° "reële kostprijs voor de sanering" : kostprijs, berekend per kubieke meter, die de gezamenlijke kostprijs voor de openbare sanering van het huishoudelijk afvalwater inhoudt;
24° "reële kostprijs voor de verdeling" : kostprijs, berekend per kubieke meter, die de gezamenlijke kostprijs voor de waterproductie en de waterverdeling inhoudt, met inbegrip van de kostprijs voor de bescherming van het met het oog op de openbare verdeling ontnomen water;
[15 24°bis "top van de oever" : lijn die de punten verbindt waarbuiten het water bij overstromingen buiten de zomerbedding overstroomt;]15
25° "datum van de kennisgeving" : de eerste dag na de afgifte aan de post van het stuk waarvan kennis gegeven wordt;
26° "lozing van afvalwater" : het afvalwater dat via leidingen of via elk ander middel, met uitzondering van het natuurlijke afvloeien van hemelwater, in grondwater of oppervlaktewater binnendringt;
27° "directe lozing in het grondwater" : lozing van verontreinigende stoffen in grondwater zonder dat het via de bodem of de ondergrond doorsijpelt;
[7 27°bis : "dijk" : iedere onoverstroombare verhoging die langs een waterloop of landinwaarts is aangebracht om de hoge waterstand in die waterloop te keren;]7
[13 27°ter : " kaderrichtlijn inzake waterbeleid" : Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid;]13
28° [19 "verdeler" : uitbater van het openbare waterdistributienet;]19
29° "internationaal stroomgebiedsdistrict" : een land- en zeegebied bestaande uit één of meerdere aan elkaar grenzende stroomgebieden van meerdere lid-Staten van de Europese Gemeenschap, met de bijkomende grond- en kustwateren, dat als voornaamste eenheid voor het stroomgebiedsbeheer wordt omschreven;
30° "kustwateren" : de oppervlaktewateren, gelegen aan de landzijde van een lijn waarvan elk punt zich op een afstand bevindt van één zeemijl zeewaarts van het dichtstbijzijnde punt van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten, zo nodig uitgebreid tot de buitengrens van een overgangswater;
31° "binnenwateren" : het stilstaand of stromende water op het landoppervlak en het grondwater aan de landzijde van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten;
32° "koelwater" : het water dat in de nijverheid gebruikt wordt voor de afkoeling in open kringloop en dat niet in aanraking is gekomen met de af te koelen stoffen;
33° "voor menselijke consumptie bestemd water" : water, dat onbehandeld of na behandeling bestemd is om gedronken te worden, te koken, levensmiddelen te bereiden of voor andere huishoudelijke doeleinden [20 zowel in openbare als in private plaatsen,]20 ongeacht de herkomst ervan, en ongeacht of het verdeeld wordt via een distributiekanaal via leidingen of vanaf een privé-aansluitpunt, [20 een collectieve tank,]20 een watertankwagen of -boot, [7 of verstrekt in flessen of containers als het voor niet-commerciële doeleinden wordt bestemd]7 evenals het water dat verstrekt wordt aan de voedingsmiddelenbedrijven via een distributienet voor het in die ondernemingen bewerkt of behandeld wordt [21 , tenzij de leverancier en het levensmiddelenbedrijf uitdrukkelijk instemmen met een levering van niet voor menselijke consumptie bestemd water]21;
34° "oppervlaktewater" : binnenwateren, met uitzondering van grondwater, overgangswater en kustwateren, behalve voor zover het de scheikundige toestand betreft, ook de territoriale wateren;
35° "gewoon oppervlaktewater" : het water van de bevaarbare waterwegen, het water van de niet-bevaarbare waterlopen, met inbegrip van hun ondergrondse loop, de beken en rivieren, zelfs met intermitterend stromend water stroomopwaarts van het punt waar ze ondergebracht zijn bij de niet-bevaarbare waterlopen, het water van meren, vijvers en ander stromend en stilstaand water, met uitzondering van het water van de kunstmatige afvoerwegen;
36° "overgangswater" : een oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van een riviermonding, dat gedeeltelijk zout is in de nabijheid van kustwateren maar dat in belangrijke mate beïnvloed is door zoetwaterstromen;
[11 36°bis " bemalingswater " : water afgevoerd via een geschikt technisch middel om een groeve of mijn in droge toestand te kunnen exploiteren;]11
[11 36°ter " geothermale wateren " : grondwateren waarvan de temperatuur 50° C overschrijdt wegens een verblijf in de diepte en die geëxploiteerd kunnen worden met het oog op de productie en de distributie van warmte of elektriciteit via een openbaar netwerk;]11
[11 36°quater " grijswater of gootwater " : huishoudafvalwater afkomstig van sanitaire installaties, wasmachines en keukens en waarin geen fecale materies, urine of toiletpapier voorkomen;]11
[11 36°quinquies "zwartwater" : huishoudafvalwater afkomstig van wc's en waarin uitsluitend fecale materies, urine, toiletpapier of spoelwater voorkomen;]11
[19 36°sexies "verwerkbaar bemalingswater": bemalingswater dat kan worden gebruikt als tot drinkwater verwerkbaar water of dat bestemd is voor menselijke consumptie en dat rechtstreeks of onrechtstreeks wordt verkocht aan een producent met publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid;]19
37° "tot drinkwater verwerkbaar water" : alle grond- of oppervlaktewater dat op natuurlijke wijze of na een aangepaste fysisch-chemische of microbiologische behandeling bestemd is om verdeeld te worden en zonder gevaar voor de gezondheid gedronken kan worden;
38° "grondwater" : al het water dat zich onder het bodemoppervlak bevindt in de verzadigde bodem en rechtstreeks in voeling staat met de bodem of ondergrond;
39° "afvalwater" :
- het kunstmatig verontreinigd water of het water waarvan gebruik is gemaakt, met inbegrip van het koelwater;
- het kunstmatig van regen afkomstige afvloeiend hemelwater;
- het met het oog op lozing gezuiverde water;
[2 - slijk [12 ...]12 en bestemd om geloosd te worden en in een waterzuiveringsstation behandeld te worden.]2
40° [11 ...]11
41° "huishoudelijk afvalwater" :
a) het water dat enkel bevat :
- water afkomstig van sanitaire installaties;
- water afkomstig uit keukens;
- water afkomstig van de schoonmaak van gebouwen zoals woningen kantoren, ruimtes voor klein- of groothandel, schouwburgen, kazernes, campings, gevangenissen, onderwijsinrichtingen met of zonder internaat, hospitalen, klinieken en andere inrichtingen waar niet-besmettelijke zieken ondergebracht zijn en verzorgd worden, zwembaden, hotels, restaurants, drankslijterijen, kapsalons;
- water afkomstig van de thuis verrichte huishoudelijke was;
- water afkomstig van de reiniging van niet van motoren voorziene rijtuigen (fietsen, tandems, driewielers enz) en van rijwielen met hulpmotoren (cilinderinhoud die de 50 cm3 niet te boven gaat);
- water afkomstig van de reiniging van minder dan tien voertuigen en hun aanhangwagens per dag (zoals voertuigen, bestelwagens en vrachtwagens, autobussen en autocars, tractoren, motorfietsen), met uitzondering van spoorvoertuigen;
- evenals, in voorkomend geval, regenwater;
b) afvalwater afkomstig van wasinrichtingen waarvan de wasmachines uitsluitend door de klanten worden gebruikt;
c) [3 het afvalwater verschillend van het afvalwater omschreven in bovengenoemde punten a. en b. afkomstig van inrichtingen die een dagelijkse vuilkracht van 100 I.E. of minder lozen vóór behandeling en vrij van gevaarlijke stoffen zoals omschreven in artikel D.2, 79°, met uitzondering van de inrichtingen vermeld door de Regering waarvoor het afvalwater schadelijk is voor de riolering en/of voor de normale werking van een waterzuiveringsstation of het milieu dat het afvalwater ontvangt en dat niet bij de klasse van het huishoudelijk afvalwater mag worden ondergebracht.
De I.E. bedoeld in het vorige lid vertegenwoordigt een vuilkrachteenheid met :
- een biochemisch zuurstofverbruik over vijf dagen (BZV5) van 60 g per dag;
- een chemische zuurstofverbruik (CZV) van 135 g per dag;
- een gehalte aan zwevende stoffen (ZS) van 135 g per dag;
- een gehalte aan stikstof van 9,9 g zuurstof per dag;
- een gehalte aan totaalfosfor van 2,2 g per dag;
- een volume van 0,18 m3 per dag.]3
[4 d. bij gelijkstelling, slijk [12 ...]12 en bestemd om geloosd te worden en in een waterzuiveringsstation behandeld te worden.]4
42° "industrieel afvalwater" : ander afvalwater dan huishoudelijk afvalwater [11 ...]11;
43° "openbare riolering" : openbare waterafvoerwegen, bestaande uit ondergrondse leidingen bestemd voor de opvang van afvalwater;
44° "zuivering" : primaire, secundaire of gepaste afvalwaterbehandeling, voor lozing ervan in een stroomgebied, met het oog op de inachtneming van de normen en voorschriften met betrekking tot het stedelijk afvalwater en met het oog op het bekomen, in het ontvangende milieu, van water dat beantwoordt aan de dwingende waarden of aan de richtwaarden, overeenkomstig de bepalingen betreffende het ontvangende water;
45° "oppervlaktewatertoestand" : de algemene aanduiding van de toestand van een oppervlaktewaterlichaam, bepaald door de ecologische en de scheikundige toestand ervan, en wel door de slechtste van beide toestanden;
46° "grondwatertoestand" : de algemene aanduiding van de toestand van een grondwaterlichaam, bepaald door de ecologische en de scheikundige toestand ervan, en wel door de slechtste van beide toestanden;
47° "scheikundige toestand van oppervlaktewater" : de aanduiding van de concentratie aan verontreinigende stoffen in het water, het sediment of de levende wezens;
48° "scheikundige toestand van grondwater" : de aanduiding van de geleidbaarheid en van de concentraties aan verontreinigende stoffen in een grondwaterlichaam;
49° "ecologische toestand" : de aanduiding van de kwaliteit van de structuur en van het functioneren van de aquatische ecosystemen die met het oppervlaktewater geassocieerd zijn [9 overeenkomstig bijlage VI van het decretale gedeelte]9;
50° "kwantitatieve toestand" : de aanduiding van de mate waarin een grondwaterlichaam door directe of indirecte wateronttrekking beïnvloed wordt [9 verkregen d.m.v. piëzometrische metingen ervan op lange termijn of op basis van andere parameters of gegevens, zoals hydrologische balansen van het grondwaterlichaam of de waterstanddebieten van de verenigde waterlopen]9;
51° [5 "ambtenaar belast met de invordering" : de ambtenaar die in het ambt van "ontvanger der belastingen en retributies" is geïnstalleerd [18 van het Departement Inning en Invordering de Waalse Overheidsdienst Financiën]18; de Waalse Regering kan evenwel die begripsomschrijving wijzigen in geval van wijziging van de structuur van de Waalse Overheidsdienst om de erin bedoelde ambtenaar aan te passen aan de nieuwe structuur;]5
52° "sociaal waterfonds" : het financiële mechanisme omschreven in de artikelen 237 tot en met 251 waaraan de verdelers, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de "Société publique de Gestion de l'Eau" een bijdrage leveren;
[10 52°bis " boring " : elke actie die erin bestaat een gat te boren vanaf de aardoppervlakte, een bestaand bouwwerk of een ondergrondse holte die de kwaliteit van het grondwater zou kunnen aantasten;]10
53° [20 "waterleverancier": een entiteit die voor menselijke consumptie bestemd water levert, zoals de uitbater van een openbaar net voor de waterdistributie via waterleidingen, de uitbater van een privщ-wateraansluitpunt waardoor de verbruikers via waterleidingen bevoorraad kunnen worden zonder dat een openbaar waterleidingennet ingeschakeld wordt, of de operator die water verstrekt met een watertankwagen of -boot;]20;
[17 53°bis. "verborgen lekkage": lekkages die moeilijk op te sporen zijn in een private distributie-installatie die een woning bevoorraadt, met uitzondering van lekkages die het gevolg zijn van het uitvallen van huishoudelijke apparaten, sanitaire of verwarmingsinstallaties en de aansluiting van die apparaten en installaties;]17
54° [12 "slijk" : product van de ruiming van een septische put of van een individueel zuiveringssysteem;]12
[7 54°bis "overstroming" : het tijdelijk onder water staan van land dat normaliter niet onder water staat, met mogelijke uitsluiting van overstromingen door rioolstelsels;]7
[12 54°ter [20 "private distributie-installatie": de leidingen, toestellen en accessoires geяnstalleerd tussen de kranen die, zowel in openbare als in private ruimten, het onroerend goed en zijn uitrusting voorzien van water bestemd voor menselijke consumptie en die niet onder de verantwoordelijkheid van de leverancier vallen. Als het onroerend goed is aangesloten op een distributienetwerk, begint de private distributie-installatie op het knooppunt;]20]12
[20 54° quater "prioritaire locaties": grote niet-residentiыle locaties waar veel gebruikers potentieel blootgesteld zijn aan watergerelateerde risico's, in het bijzonder locaties die gebruikt worden door het publiek, in overeenstemming met de inventaris uitgevoerd door de Waalse Regering;]20
55° "woning" : individuele woning in de zin van artikel 1, 4°, van de Waalse Huisvestingscode;
56° "meer" : een massa stilstaand landoppervlaktewater;
[15 56°bis "zomerbedding" : oppervlakte van het grondgebied, al dan niet kunstmatig gemaakt, dat wordt ingenomen door het hoogste water van een waterloop vóór de overloop, met inbegrip van de gewone waterlozing en de oevers tot aan de top van de oever;]15
[15 56°ter "het vrij rondzwemmen van de vissen" : verplaatsing van vis die een groot deel of bepaalde leeftijdsklassen van de populatie van een soort betreft en die plaatsvindt tijdens de levenscyclus van de soort met een voorspelbare periodiciteit, waarbij ten minste twee verschillende habitats betrokken zijn;]15
57° "kunstmatig waterlichaam" : oppervlaktewaterlichaam dat tot stand komt door de menselijke bedrijvigheid;
58° "oppervlaktewaterlichaam" : een onderscheiden oppervlaktewater van aanzienlijke omvang, zoals een meer, een reservoir, een rivier, een stroom of een kanaal, een deel van een rivier, een stroom of een kanaal, overgangswater of een strook kustwater;
59° "sterk veranderd waterlichaam" : oppervlaktewaterlichaam dat door fysische kwaliteitswijzigingen ingevolge de menselijke bedrijvigheid wezenlijk is veranderd van aard, zoals aangewezen door de stroomgebiedsoverheid [9 overeenkomstig de bepalingen van de artikelen D.17-1, § 1, D.22, § 7, en van bijlage V van het decretale gedeelte]9;
60° "grondwaterlichaam" : een afzonderlijke grondwatermassa binnen één of meerdere watervoerende lagen;
61° "algemene beschermingsmaatregelen" : maatregelen ter bescherming van het grondwater en het tot drinkwater verwerkbaar water, geldend voor het gehele grondgebied van het Waalse Gewest;
62° "milieukwaliteitsnorm" : de concentratie van een bepaalde verontreinigende stof of groep van verontreinigende stoffen in water, sediment of biota die om de menselijke gezondheid en het leefmilieu te beschermen, niet overschreden mag worden [9 zoals bepaald door de Regering]9;
63° "kennisgeving" : het versturen van een procedureakte als origineel of als afschrift, bij ter post aangetekend schrijven;
64° "leefmilieudoelstellingen" : doelstellingen vervat in artikel 22;
[15 64°bis "hindernis voor de volledige bewegingsvrijheid van de vissen" : elke structuur die het vrije verkeer van vis zijdelings of van stroomafwaarts naar stroomopwaarts van de waterloop en vice versa belemmert;]15
65° "waterwinningswerken" : alle putten, waterwinningen, draineringen en, in het algemeen, alle werken en installaties die als doel of gevolg het winnen van water hebben, met inbegrip van de waterwinningspunten bij het ontspringen van bronnen;
[15 65°bis "vissluizen" : elke constructie of vaste installatie die zich buiten of in de zomerbedding bevindt voor het opwaarts of neerwaarts laten zakken van vissen migratie;]15
[12 65°bis "verbindingspunt" : de grens tussen het distributienet en de private distributie-installatie die zich meteen stroomafwaarts de teller bevindt, uitgangskoppeling inbegrepen. Bij gebrek aan teller wordt dat verbindingspunt bepaald bij een overeenkomst tussen de eigenaar en de leverancier. Bij gebrek aan overeenkomst wordt dat punt vastgelegd aan de grens van het privé domein;]12
66° [9 " verontreinigende stof " : iedere stof die tot verontreiniging kan leiden, met name de in bijlage VII van het decretale gedeelte genoemde stoffen waarvan de lijst door de Regering nader bepaald wordt voor oppervlakte- en grondwateren;]9
67° "verontreiniging" : de directe of indirecte inbreng door menselijke activiteiten van stoffen of warmte in lucht, water of bodem die de gezondheid van de mens of de kwaliteit van aquatische ecosystemen of van rechtstreeks van aquatische ecosystemen afhankelijke terrestrische ecosystemen kunnen aantasten, schade berokkenen aan materiële goederen dan wel de belevingswaarde van het milieu of ander rechtmatig milieugebruik aantasten of daaraan in de weg staan;
68° [9 " goed ecologisch potentieel " : de toestand van een sterk veranderd of kunstmatig waterlichaam, aldus ingedeeld overeenkomstig de bepalingen van bijlage VI van het decretale gedeelte;]9
69° "waterwinning" : waterwinningsverrichting, met inbegrip van het uitputten van toevallige toevloeiingen;
[19 69°bis "producent" : elke natuurlijke of rechtspersoon die water dat wordt gebruikt als tot drinkwater verwerkbaar water of dat bestemd is voor menselijke consumptie uit het natuurlijk milieu onttrekt, of die dit water in het groot verwerft, voor zover dit water een openbaar distributienet bevoorraadt.
In afwijking van lid 1 heeft de uitbater van een steengroeve niet de hoedanigheid van producent voor het verwerkbare bemalingswater dat hij onttrekt;]19
70° "aansluiting" : geheel der waterleidingen en instrumenten voor de waterbevoorrading van een pand, vanaf de waterwinning op de moederleiding van de verdeler [20 tot het knooppunt]20;
71° [11 " belastingplichtige " : elke persoon, met inbegrip van de intercommunales, met uitzondering van de opdrachten i.v.m. het statuut van erkende saneringsinstelling die aan heffing of bijdrage onderworpen waterhoeveelheden opneemt, elke persoon onderworpen aan de belasting op de lozing van afvalwater alsook elke persoon onderworpen aan de belasting op de milieulasten veroorzaakt door landbouwbedrijven;]11
[9 71° bis " beschikbare grondwatervoorraad " : het jaargemiddelde op lange termijn van de totale aanvulling van het grondwaterlichaam, verminderd met het jaargemiddelde op lange termijn van het debiet dat nodig is om voor bijbehorende oppervlaktewateren de doelstellingen van ecologische kwaliteit van artikel D.22 te bereiken, teneinde een significante verslechtering van de ecologische toestand van die wateren alsmede significante schade aan de bijbehorende terrestrische ecosystemen te voorkomen;]9
[7 [9 71°ter]9 "overstromingsrisico" : de kans dat zich een overstroming voordoet in combinatie met de mogelijke negatieve gevolgen van een overstroming voor de gezondheid van de mens, het milieu, het cultureel erfgoed en de economische bedrijvigheid;]7
[15 71°quater "ooibossen" : elke houtachtige en inheemse plantenvorming die langs een waterloop groeit in een gebied met groot overstromingsgevaar in de zin van artikel D. 53-2;]15
72° "rivier" : binnenwaterlichaam dat voor het merendeel op het bodemoppervlak stroomt, maar dat eveneens op een deel van zijn traject ondergronds kan stromen;
[15 72°bis "sectorale opdeling" : het in kaart brengen van de lineaire verdeling van waterlopen in homogene sectoren op basis van het ecologische grondgebied, de breedte van de gebieden die onderhevig zijn aan het risico van overstromingen en het landgebruik van deze gebieden;]15
73° "dienstverlening" : geheel der technische en bestuurlijke handelingen met het oog op het waarborgen van de openbare waterverdeling;
74° "waterdiensten" : alle diensten die ten behoeve van de huishoudens, openbare instellingen of andere economische actoren voorzien in :
a) onttrekking, opstuwing, opslag, behandeling en distributie van oppervlakte- of grondwater;
b) installaties voor de verzameling en behandeling van afvalwater, die daarna in oppervlaktewater lozen;
75° "betekening" : de afgifte bij gerechtsdeurwaardersexploot van een afschrift van de akte;
76° "S.P.G.E." : de "Société publique de Gestion de l'Eau" (Openbare Maatschappij voor Waterbeheer);
77° "deelstroomgebied" : het gebied vanwaar al het over het oppervlak lopende water een reeks stromen, rivieren en eventueel meren volgt, tot een bepaald punt in een waterloop (gewoonlijk een meer of een samenvloeiing van rivieren);
78° "Waals deelstroomgebied" : het deel van een Waals stroomgebied zoals bedoeld in artikel 7;
79° "gevaarlijke stoffen" : de stoffen of groepen van stoffen die giftig, persistent en bioaccumuleerbaar zijn, en andere stoffen of groepen van stoffen die aanleiding geven tot evenveel bezorgdheid;
80° "prioritaire gevaarlijke stoffen" : stoffen aangewezen door de regering;
81° "prioritaire stoffen" : stoffen aangewezen door de regering;
[13 81°bis : "Individueel zuiveringssysteem" : uitrusting waarmee het huishoudelijk afvalwater geloosd door een woning of een groep van woningen gezuiverd kan worden en waarmeer het gezuiverde water afgevoerd kan worden;]13
82° "gebruiker" : elke persoon die de dienstverlening openbare waterverdeling geniet als bewoner van een aangesloten pand;
83° "watergebruik" : de waterdiensten, evenals elke andere activiteit geïdentificeerd volgens de bewoordingen van de omschrijving [9 overeenkomstig de bepalingen van de artikelen D.17, D.17-1, D.17-2 en van bijlage V van het decretale gedeelte]9, met significante gevolgen op de toestand van het water;
84° "richtwaarden" : parametrische waarden waaraan het oppervlaktewater in een bepaald gebied conform dient te zijn binnen een niet nader bepaalde termijn;
85° "dwingende waarden" : parametrische waarden waaraan het oppervlaktewater in een bepaald gebied conform dient te zijn ofwel onmiddellijk ofwel binnen een nader bepaalde termijn;
86° "emissiegrenswaarden" : de in bepaalde specifieke parameters uitgedrukte massa, de concentratie en/of het niveau van een emissie die tijdens één of meerdere vastgestelde periodes niet overschreden mag worden. De emissiegrenswaarden kunnen eveneens voor bepaalde groepen, families of categorieën van stoffen vastgesteld worden;
87° "parametrische waarden" : metingen van verschillende kenmerken van een parameter;
88° "kunstmatige afvloeiingswegen" : riolen, grachten of waterleidingen die bestemd zijn voor het afvloeien van regenwater of gezuiverd afvalwater;
89° "waterwegen" : [15 waterwegen, grote waterbouwkundige kunstwerken en hun bijhorigheden bedoeld in artikel 2 van het decreet van 19 maart 2009 betreffende de instandhouding van het gewestelijke openbaar wegen- en waterwegendomein;]15
90° "gebied" : in de zin van artikel 218, deel van het grondgebied dat geen agglomeratie uitmaakt, maar in een deelstroomgebied gelegen is en voldoende homogeen is om er een saneringsregeling door te voeren;
91° "gebied van tot drinkwater verwerkbaar water" : gebied voor de bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water vastgesteld krachtens artikel 156;
92° "verdelingsgebied" : geografisch gebied waarin het voor menselijke consumptie bestemde water afkomstig is van één of meerdere bronnen en waarin de kwaliteit als éénvormig wordt beschouwd;
93° "waterwinningsgebied" : geografisch gebied waarin de werken voor waterwinning aan de oppervlakte geïnstalleerd zijn;
94° "preventiegebied" : geografisch gebied waarin elke verontreinigende stof de waterwinning kan binnendringen zonder dat die stof op voldoende wijze afgebroken of opgelost kan worden zonder dat hij doeltreffend gerecupereerd kan worden;
95° "bewakingsgebied" : geografisch gebied dat het bevoorradingsbekken al dan niet gedeeltelijk omvat en het hydrogeologisch bekken, of deel ervan, dat een bestaand of eventueel waterwinningsgebied zou kunnen bevoorraden.
[12 96° "openbaar beheer van de autonome sanering" : geheel van de sensibiliserings-, administratieve en financiële handelingen toegewezen aan de overheden om te zorgen voor de uitvoering en de vlotte werking van de autonome sanering door de eigenaar of de gebruiker van de woning en om een aan de collectieve sanering gelijkwaardig beschermingsniveau mogelijk te maken.]12
1° "agglomeratie" : gebied waarin de bevolking en/of de economische activiteiten voldoende geconcentreerd zijn om het opvangen van stedelijk afvalwater en de afvoer ervan naar een waterzuiveringsstation of een uiteindelijke lozingsplaats mogelijk te maken;
[12 1°bis "eigenaar" :
- elke persoon die houder is van een recht van eigendom, vruchtgebruik, blote eigendom, gebruik, bewoning, opstal, erfpacht op een gebouw dat op de openbare distributie aangesloten is;
- elke persoon die voor zijn verbruik een wateraankoopovereenkomst heeft gesloten zonder gebruik te maken van een openbaar waterdistributienet;]12
2° "gecombineerde benadering" : benadering waarbij de verontreiniging aan de bron aangepakt wordt door de vaststelling van emissiegrenswaarden en milieukwaliteitsnormen;
3° "watervoerende laag" : één of meerdere ondergrondse rotslagen of andere geologische lagen die voldoende poreus en doorlaatbaar zijn voor een significante grondwaterstroming of de onttrekking van aanzienlijke hoeveelheden grondwater;
4° [12 "collectieve sanering" : het geheel van de handelingen inzake de opvang van afvalwater, openbare waterzuivering en afwateringswerken als bedoeld in artikel 217, tweede lid, met inbegrip van het afvoeren van overstromingswater naar mijnverzakkingsgebieden in zoverre dit onontbeerlijk is voor het behalen van resultaten inzake de collectieve sanering;]12
[12 4°bis "autonome sanering" : sanering van de huishoudelijke afvalwateren van een woning of van een geheel van woningen waarbij geen handeling inzake de openbare inzameling en zuivering van het afvalwater nodig is;]12
[17 4°ter. "abnormale toename van het verbruik van drinkwater" : hoeveelheid water van meer dan 50m3 en tweemaal het volume water dat sinds de laatste indexmeting is verbruikt, meegedeeld door de gebruiker of gezien door een personeelslid van de verdeler en die het mogelijk heeft gemaakt om een maandelijkse, driemaandelijkse of jaarlijkse regularisatiefactuur op te stellen;]17
5° "stroomgebiedsoverheid" : de bestuurlijke overheid die bevoegd is voor het beheer van alle Waalse stroomgebieden;
6° "stroomgebied" : elk gebied vanwaar al het over een oppervlak lopend water via een reeks rivieren, stromen en, eventueel, meren naar zee stroomt, waarin het door één enkele monding, trechtermonding of delta terechtkomt;
7° "Waals stroomgebied" : het deel van elk internationaal stroomgebiedsdistrict dat op het grondgebied van het Waalse Gewest gelegen is;
8° "boot" : vaartuig dat zich al dan niet met behulp van een motor op het wateroppervlak drijvende kan houden;
[9 8° bis " goede chemische toestand van oppervlaktewater " : de chemische toestand die vereist is om te voldoen aan de milieudoelstellingen voor oppervlaktewater, vastgesteld in artikel D.22, § 1, 1°, d.w.z. de chemische toestand van een oppervlaktewaterlichaam waarin de concentraties van verontreinigende stoffen niet boven de milieukwaliteitsnormen liggen die zijn vastgesteld door de Regering;]9
[9 8° ter " goede oppervlaktewatertoestand " : de toestand van een oppervlaktewaterlichaam waarvan zowel de ecologische als de chemische toestand ten minste " goed" zijn;[9
[9 8° quater " goede grondwatertoestand " : de toestand van een grondwaterlichaam waarvan zowel de kwantitatieve als de chemische toestand ten minste " goed " zijn krachtens de bepalingen van dit Wetboek;]9
[9 8° quinquies " goede ecologische toestand " : de toestand van een overeenkomstig bijlage VI van het decretale gedeelte als zodanig ingedeeld oppervlaktewaterlichaam;]9
[15 8°sexies "oever" : talud aan weerszijden van de waterloop, landinwaarts begrensd door de top van de oever;]15
[15 8°septies "pand" : afleidingskanaal dat een gedeelte van het debiet afleidt van een ongeklasseerde waterloop of een onbevaarbare waterloop; alle panden worden gelijkgesteld met ongeklasseerde waterlopen, met uitzondering van die welke op de dag van inwerkingtreding van dit artikel als onbevaarbare waterlopen of waterwegen zijn ingedeeld;]15
9° "last van de dienst" : het geheel der verplichtingen die opgelegd worden aan de persoon die, naar gelang het geval, de hoedanigheid van abonnee of gebruiker heeft;
10° "verzamelleidingen" : leidingen die de rioleringen verbinden met de plaatsen die voorzien zijn of vermoedelijk voorzien zijn voor de zuivering van afvalwater;
11° "comité voor watercontrole" : comité ingesteld bij artikel 4;
12° [14 ...]14
13° "internationale commissie ter bescherming van de Maas" : de internationale commissie ingesteld bij het internationale Maas-akkoord;
14° "internationale commissie ter bescherming van de Schelde" : de internationale commissie ingesteld bij het internationale Schelde-akkoord;
15° "meter" : meetinstrument en toebehoren voor de bepaling van de over een bepaalde periode verbruikte waterhoeveelheid;
[12 15°bis "verbruiker" : elke persoon die gebruik maakt van het water dat door een leverancier ter beschikking gesteld wordt;]12
[16 15°ter. Winningsovereenkomst: overeenkomst gesloten tussen de "S.P.G.E.", de houder van de waterwinning zoals bedoeld in artikel D.169, het Waalse Gewest en de veldwerkers die, na een milieudiagnose, en via een inspraakgerichte benadering gericht is op:
1° de vermindering van de druk, met inbegrip van diffuse verontreiniging, die wordt uitgeoefend in preventie- of zelfs monitoringgebieden of het stroomgebied van winningen van tot drinkwater verwerkbaar water die een kwalitatief risico vormen;
2° het behoud en het herstel van de goede kwantitatieve toestand;
3° de identificatie van de potentiële kosten om deze druk en diffuse verontreiniging te verminderen die kunnen worden gedekt door een financieel programma van de "S.P.G.E.".
15° quater. Grondwaterovereenkomst: overeenkomst tussen een of meerdere publiek- of privaatrechtelijke personen en de "S.P.G.E.", gesloten in het kader van een participatieve aanpak, na een diagnose van een grondwaterlichaam dat gevaar loopt en waarvan de productie van drinkwater een van de belangrijkste toepassingen is, en gericht op de bestrijding van de kwantitatieve en kwalitatieve druk, in overeenstemming met de doelstellingen en maatregelen die door de stroomgebiedsoverheid zijn vastgesteld in het kader van de beheerplannen van de stroomgebieden. De grondwaterovereenkomst is onafhankelijk van de dienstovereenkomst voor de bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water;]16
16° [19 dienstencontract voor sanering" : overeenkomst gesloten tussen een verdeler en de "Société publique de gestion de l'eau" (Openbare maatschappij voor waterbeheer) waarbij de verdeler de diensten van de Maatschappij huurt om volgens een bepaalde planning de collectieve zuivering en het openbare beheer van de autonome zuivering te verrichten van een waterhoeveelheid die overeenstemt met de geproduceerde waterhoeveelheid die hij in het Waalse Gewest verdeelt;]19
[11 16°bis " dienstovereenkomst inzake industriële sanering " : de door de Waalse Regering goedgekeurde dienstovereenkomst waarbij de in artikel D.22 vastgelegde doelstellingen nagestreefd moeten worden en die gesloten wordt tussen een bedrijf dat industriële afvalwateren in een openbaar zuiveringsstation loost, de erkende saneringsinstelling bedoeld in de artikelen D.343 tot D.345en de "S.P.G.E";]11
17° " dienstencontract inzake waterzuivering en -opvang" : overeenkomst gesloten tussen de "Société publique de Gestion de l'Eau" en de [1 erkenden saneringsinstellingen]1 waarbij laatstgenoemden tegen vergoeding in naam en opdracht van eerstgenoemde overheidstaken, onderzoeken, de bouw van zuiveringssystemen en de zuivering van bepaalde hoeveelheden afvalwater uitvoeren;
18° " dienstencontract voor de bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water" : overeenkomst gesloten tussen een producent [19 ...]19 en de "Société publique de Gestion de l'Eau" waarbij laatstgenoemde tegen vergoeding de bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water zoals bepaald in de programma's [13 bedoeld in artikel D.288, § 2, tweede lid,]13 laat uitvoeren;
19° "controles van de emissies" : controles die een specifieke emissiegrens vereisen, bijvoorbeeld een emissiegrenswaarde, of waarbij op een andere wijze grenzen of voorwaarden worden opgelegd aan de gevolgen, de aard of aan andere kenmerken van een emissie of van functioneringsvoorwaarden die de emissies beïnvloeden;
[15 19°bis "waterloop" : oppervlakte van het grondgebied van het gebied dat wordt ingenomen door natuurlijke wateren die continu of met tussenpozen in de zomerbedding stromen, met uitzondering van de afvloeiingsgrachten van het afvloeiings- of spuiwater;]15
[15 19°ter "ongeklasserde waterloop" : een waterloop die niet als waterweg of onbevaarbare waterloop is ingedeeld;]15
20° [15 "onbevaarbare waterlopen" : de waterlopen die de Regering niet bij de klasse van de waterwegen heeft ondergebracht, stroomafwaarts van het punt waar de oppervlakte van al het land waarvan de waterafvoer door de waterloop wordt verzorgd minstens honderd hectare bedraagt; dat punt wordt oorsprong van de waterloop genoemd;]15
[11 20°bis " industriële saneringskosten " : hierna " C.A.I. ", de kostprijs van de dienst verleend door de " S.P.G.E. " ten gunste van het bedrijf dat industriële afvalwateren in een openbaar zuiveringsstation loost, en berekend overeenkomstig artikel D. 260, op basis van de exploitatiekosten, de investeringskosten en de beheerskosten;]11
21° "milieukosten" : kostprijs van de schade van het watergebruik voor het leefmilieu, de ecosystemen en de gebruikers van het leefmilieu;
22° "kosten voor de hulpbron" : kostprijs van de uitputting van de bodemrijkdom die het teloorgaan van bepaalde mogelijkheden voor andere gebruikers teweegbrengt als gevolg van het inkrimpen van de bodemrijkdommen tot onder het natuurlijke hernieuwings- of recuperatiecijfer;
23° "reële kostprijs voor de sanering" : kostprijs, berekend per kubieke meter, die de gezamenlijke kostprijs voor de openbare sanering van het huishoudelijk afvalwater inhoudt;
24° "reële kostprijs voor de verdeling" : kostprijs, berekend per kubieke meter, die de gezamenlijke kostprijs voor de waterproductie en de waterverdeling inhoudt, met inbegrip van de kostprijs voor de bescherming van het met het oog op de openbare verdeling ontnomen water;
[15 24°bis "top van de oever" : lijn die de punten verbindt waarbuiten het water bij overstromingen buiten de zomerbedding overstroomt;]15
25° "datum van de kennisgeving" : de eerste dag na de afgifte aan de post van het stuk waarvan kennis gegeven wordt;
26° "lozing van afvalwater" : het afvalwater dat via leidingen of via elk ander middel, met uitzondering van het natuurlijke afvloeien van hemelwater, in grondwater of oppervlaktewater binnendringt;
27° "directe lozing in het grondwater" : lozing van verontreinigende stoffen in grondwater zonder dat het via de bodem of de ondergrond doorsijpelt;
[7 27°bis : "dijk" : iedere onoverstroombare verhoging die langs een waterloop of landinwaarts is aangebracht om de hoge waterstand in die waterloop te keren;]7
[13 27°ter : " kaderrichtlijn inzake waterbeleid" : Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid;]13
28° [19 "verdeler" : uitbater van het openbare waterdistributienet;]19
29° "internationaal stroomgebiedsdistrict" : een land- en zeegebied bestaande uit één of meerdere aan elkaar grenzende stroomgebieden van meerdere lid-Staten van de Europese Gemeenschap, met de bijkomende grond- en kustwateren, dat als voornaamste eenheid voor het stroomgebiedsbeheer wordt omschreven;
30° "kustwateren" : de oppervlaktewateren, gelegen aan de landzijde van een lijn waarvan elk punt zich op een afstand bevindt van één zeemijl zeewaarts van het dichtstbijzijnde punt van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten, zo nodig uitgebreid tot de buitengrens van een overgangswater;
31° "binnenwateren" : het stilstaand of stromende water op het landoppervlak en het grondwater aan de landzijde van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten;
32° "koelwater" : het water dat in de nijverheid gebruikt wordt voor de afkoeling in open kringloop en dat niet in aanraking is gekomen met de af te koelen stoffen;
33° "voor menselijke consumptie bestemd water" : water, dat onbehandeld of na behandeling bestemd is om gedronken te worden, te koken, levensmiddelen te bereiden of voor andere huishoudelijke doeleinden [20 zowel in openbare als in private plaatsen,]20 ongeacht de herkomst ervan, en ongeacht of het verdeeld wordt via een distributiekanaal via leidingen of vanaf een privé-aansluitpunt, [20 een collectieve tank,]20 een watertankwagen of -boot, [7 of verstrekt in flessen of containers als het voor niet-commerciële doeleinden wordt bestemd]7 evenals het water dat verstrekt wordt aan de voedingsmiddelenbedrijven via een distributienet voor het in die ondernemingen bewerkt of behandeld wordt [21 , tenzij de leverancier en het levensmiddelenbedrijf uitdrukkelijk instemmen met een levering van niet voor menselijke consumptie bestemd water]21;
34° "oppervlaktewater" : binnenwateren, met uitzondering van grondwater, overgangswater en kustwateren, behalve voor zover het de scheikundige toestand betreft, ook de territoriale wateren;
35° "gewoon oppervlaktewater" : het water van de bevaarbare waterwegen, het water van de niet-bevaarbare waterlopen, met inbegrip van hun ondergrondse loop, de beken en rivieren, zelfs met intermitterend stromend water stroomopwaarts van het punt waar ze ondergebracht zijn bij de niet-bevaarbare waterlopen, het water van meren, vijvers en ander stromend en stilstaand water, met uitzondering van het water van de kunstmatige afvoerwegen;
36° "overgangswater" : een oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van een riviermonding, dat gedeeltelijk zout is in de nabijheid van kustwateren maar dat in belangrijke mate beïnvloed is door zoetwaterstromen;
[11 36°bis " bemalingswater " : water afgevoerd via een geschikt technisch middel om een groeve of mijn in droge toestand te kunnen exploiteren;]11
[11 36°ter " geothermale wateren " : grondwateren waarvan de temperatuur 50° C overschrijdt wegens een verblijf in de diepte en die geëxploiteerd kunnen worden met het oog op de productie en de distributie van warmte of elektriciteit via een openbaar netwerk;]11
[11 36°quater " grijswater of gootwater " : huishoudafvalwater afkomstig van sanitaire installaties, wasmachines en keukens en waarin geen fecale materies, urine of toiletpapier voorkomen;]11
[11 36°quinquies "zwartwater" : huishoudafvalwater afkomstig van wc's en waarin uitsluitend fecale materies, urine, toiletpapier of spoelwater voorkomen;]11
[19 36°sexies "verwerkbaar bemalingswater": bemalingswater dat kan worden gebruikt als tot drinkwater verwerkbaar water of dat bestemd is voor menselijke consumptie en dat rechtstreeks of onrechtstreeks wordt verkocht aan een producent met publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid;]19
37° "tot drinkwater verwerkbaar water" : alle grond- of oppervlaktewater dat op natuurlijke wijze of na een aangepaste fysisch-chemische of microbiologische behandeling bestemd is om verdeeld te worden en zonder gevaar voor de gezondheid gedronken kan worden;
38° "grondwater" : al het water dat zich onder het bodemoppervlak bevindt in de verzadigde bodem en rechtstreeks in voeling staat met de bodem of ondergrond;
39° "afvalwater" :
- het kunstmatig verontreinigd water of het water waarvan gebruik is gemaakt, met inbegrip van het koelwater;
- het kunstmatig van regen afkomstige afvloeiend hemelwater;
- het met het oog op lozing gezuiverde water;
[2 - slijk [12 ...]12 en bestemd om geloosd te worden en in een waterzuiveringsstation behandeld te worden.]2
40° [11 ...]11
41° "huishoudelijk afvalwater" :
a) het water dat enkel bevat :
- water afkomstig van sanitaire installaties;
- water afkomstig uit keukens;
- water afkomstig van de schoonmaak van gebouwen zoals woningen kantoren, ruimtes voor klein- of groothandel, schouwburgen, kazernes, campings, gevangenissen, onderwijsinrichtingen met of zonder internaat, hospitalen, klinieken en andere inrichtingen waar niet-besmettelijke zieken ondergebracht zijn en verzorgd worden, zwembaden, hotels, restaurants, drankslijterijen, kapsalons;
- water afkomstig van de thuis verrichte huishoudelijke was;
- water afkomstig van de reiniging van niet van motoren voorziene rijtuigen (fietsen, tandems, driewielers enz) en van rijwielen met hulpmotoren (cilinderinhoud die de 50 cm3 niet te boven gaat);
- water afkomstig van de reiniging van minder dan tien voertuigen en hun aanhangwagens per dag (zoals voertuigen, bestelwagens en vrachtwagens, autobussen en autocars, tractoren, motorfietsen), met uitzondering van spoorvoertuigen;
- evenals, in voorkomend geval, regenwater;
b) afvalwater afkomstig van wasinrichtingen waarvan de wasmachines uitsluitend door de klanten worden gebruikt;
c) [3 het afvalwater verschillend van het afvalwater omschreven in bovengenoemde punten a. en b. afkomstig van inrichtingen die een dagelijkse vuilkracht van 100 I.E. of minder lozen vóór behandeling en vrij van gevaarlijke stoffen zoals omschreven in artikel D.2, 79°, met uitzondering van de inrichtingen vermeld door de Regering waarvoor het afvalwater schadelijk is voor de riolering en/of voor de normale werking van een waterzuiveringsstation of het milieu dat het afvalwater ontvangt en dat niet bij de klasse van het huishoudelijk afvalwater mag worden ondergebracht.
De I.E. bedoeld in het vorige lid vertegenwoordigt een vuilkrachteenheid met :
- een biochemisch zuurstofverbruik over vijf dagen (BZV5) van 60 g per dag;
- een chemische zuurstofverbruik (CZV) van 135 g per dag;
- een gehalte aan zwevende stoffen (ZS) van 135 g per dag;
- een gehalte aan stikstof van 9,9 g zuurstof per dag;
- een gehalte aan totaalfosfor van 2,2 g per dag;
- een volume van 0,18 m3 per dag.]3
[4 d. bij gelijkstelling, slijk [12 ...]12 en bestemd om geloosd te worden en in een waterzuiveringsstation behandeld te worden.]4
42° "industrieel afvalwater" : ander afvalwater dan huishoudelijk afvalwater [11 ...]11;
43° "openbare riolering" : openbare waterafvoerwegen, bestaande uit ondergrondse leidingen bestemd voor de opvang van afvalwater;
44° "zuivering" : primaire, secundaire of gepaste afvalwaterbehandeling, voor lozing ervan in een stroomgebied, met het oog op de inachtneming van de normen en voorschriften met betrekking tot het stedelijk afvalwater en met het oog op het bekomen, in het ontvangende milieu, van water dat beantwoordt aan de dwingende waarden of aan de richtwaarden, overeenkomstig de bepalingen betreffende het ontvangende water;
45° "oppervlaktewatertoestand" : de algemene aanduiding van de toestand van een oppervlaktewaterlichaam, bepaald door de ecologische en de scheikundige toestand ervan, en wel door de slechtste van beide toestanden;
46° "grondwatertoestand" : de algemene aanduiding van de toestand van een grondwaterlichaam, bepaald door de ecologische en de scheikundige toestand ervan, en wel door de slechtste van beide toestanden;
47° "scheikundige toestand van oppervlaktewater" : de aanduiding van de concentratie aan verontreinigende stoffen in het water, het sediment of de levende wezens;
48° "scheikundige toestand van grondwater" : de aanduiding van de geleidbaarheid en van de concentraties aan verontreinigende stoffen in een grondwaterlichaam;
49° "ecologische toestand" : de aanduiding van de kwaliteit van de structuur en van het functioneren van de aquatische ecosystemen die met het oppervlaktewater geassocieerd zijn [9 overeenkomstig bijlage VI van het decretale gedeelte]9;
50° "kwantitatieve toestand" : de aanduiding van de mate waarin een grondwaterlichaam door directe of indirecte wateronttrekking beïnvloed wordt [9 verkregen d.m.v. piëzometrische metingen ervan op lange termijn of op basis van andere parameters of gegevens, zoals hydrologische balansen van het grondwaterlichaam of de waterstanddebieten van de verenigde waterlopen]9;
51° [5 "ambtenaar belast met de invordering" : de ambtenaar die in het ambt van "ontvanger der belastingen en retributies" is geïnstalleerd [18 van het Departement Inning en Invordering de Waalse Overheidsdienst Financiën]18; de Waalse Regering kan evenwel die begripsomschrijving wijzigen in geval van wijziging van de structuur van de Waalse Overheidsdienst om de erin bedoelde ambtenaar aan te passen aan de nieuwe structuur;]5
52° "sociaal waterfonds" : het financiële mechanisme omschreven in de artikelen 237 tot en met 251 waaraan de verdelers, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de "Société publique de Gestion de l'Eau" een bijdrage leveren;
[10 52°bis " boring " : elke actie die erin bestaat een gat te boren vanaf de aardoppervlakte, een bestaand bouwwerk of een ondergrondse holte die de kwaliteit van het grondwater zou kunnen aantasten;]10
53° [20 "waterleverancier": een entiteit die voor menselijke consumptie bestemd water levert, zoals de uitbater van een openbaar net voor de waterdistributie via waterleidingen, de uitbater van een privщ-wateraansluitpunt waardoor de verbruikers via waterleidingen bevoorraad kunnen worden zonder dat een openbaar waterleidingennet ingeschakeld wordt, of de operator die water verstrekt met een watertankwagen of -boot;]20;
[17 53°bis. "verborgen lekkage": lekkages die moeilijk op te sporen zijn in een private distributie-installatie die een woning bevoorraadt, met uitzondering van lekkages die het gevolg zijn van het uitvallen van huishoudelijke apparaten, sanitaire of verwarmingsinstallaties en de aansluiting van die apparaten en installaties;]17
54° [12 "slijk" : product van de ruiming van een septische put of van een individueel zuiveringssysteem;]12
[7 54°bis "overstroming" : het tijdelijk onder water staan van land dat normaliter niet onder water staat, met mogelijke uitsluiting van overstromingen door rioolstelsels;]7
[12 54°ter [20 "private distributie-installatie": de leidingen, toestellen en accessoires geяnstalleerd tussen de kranen die, zowel in openbare als in private ruimten, het onroerend goed en zijn uitrusting voorzien van water bestemd voor menselijke consumptie en die niet onder de verantwoordelijkheid van de leverancier vallen. Als het onroerend goed is aangesloten op een distributienetwerk, begint de private distributie-installatie op het knooppunt;]20]12
[20 54° quater "prioritaire locaties": grote niet-residentiыle locaties waar veel gebruikers potentieel blootgesteld zijn aan watergerelateerde risico's, in het bijzonder locaties die gebruikt worden door het publiek, in overeenstemming met de inventaris uitgevoerd door de Waalse Regering;]20
55° "woning" : individuele woning in de zin van artikel 1, 4°, van de Waalse Huisvestingscode;
56° "meer" : een massa stilstaand landoppervlaktewater;
[15 56°bis "zomerbedding" : oppervlakte van het grondgebied, al dan niet kunstmatig gemaakt, dat wordt ingenomen door het hoogste water van een waterloop vóór de overloop, met inbegrip van de gewone waterlozing en de oevers tot aan de top van de oever;]15
[15 56°ter "het vrij rondzwemmen van de vissen" : verplaatsing van vis die een groot deel of bepaalde leeftijdsklassen van de populatie van een soort betreft en die plaatsvindt tijdens de levenscyclus van de soort met een voorspelbare periodiciteit, waarbij ten minste twee verschillende habitats betrokken zijn;]15
57° "kunstmatig waterlichaam" : oppervlaktewaterlichaam dat tot stand komt door de menselijke bedrijvigheid;
58° "oppervlaktewaterlichaam" : een onderscheiden oppervlaktewater van aanzienlijke omvang, zoals een meer, een reservoir, een rivier, een stroom of een kanaal, een deel van een rivier, een stroom of een kanaal, overgangswater of een strook kustwater;
59° "sterk veranderd waterlichaam" : oppervlaktewaterlichaam dat door fysische kwaliteitswijzigingen ingevolge de menselijke bedrijvigheid wezenlijk is veranderd van aard, zoals aangewezen door de stroomgebiedsoverheid [9 overeenkomstig de bepalingen van de artikelen D.17-1, § 1, D.22, § 7, en van bijlage V van het decretale gedeelte]9;
60° "grondwaterlichaam" : een afzonderlijke grondwatermassa binnen één of meerdere watervoerende lagen;
61° "algemene beschermingsmaatregelen" : maatregelen ter bescherming van het grondwater en het tot drinkwater verwerkbaar water, geldend voor het gehele grondgebied van het Waalse Gewest;
62° "milieukwaliteitsnorm" : de concentratie van een bepaalde verontreinigende stof of groep van verontreinigende stoffen in water, sediment of biota die om de menselijke gezondheid en het leefmilieu te beschermen, niet overschreden mag worden [9 zoals bepaald door de Regering]9;
63° "kennisgeving" : het versturen van een procedureakte als origineel of als afschrift, bij ter post aangetekend schrijven;
64° "leefmilieudoelstellingen" : doelstellingen vervat in artikel 22;
[15 64°bis "hindernis voor de volledige bewegingsvrijheid van de vissen" : elke structuur die het vrije verkeer van vis zijdelings of van stroomafwaarts naar stroomopwaarts van de waterloop en vice versa belemmert;]15
65° "waterwinningswerken" : alle putten, waterwinningen, draineringen en, in het algemeen, alle werken en installaties die als doel of gevolg het winnen van water hebben, met inbegrip van de waterwinningspunten bij het ontspringen van bronnen;
[15 65°bis "vissluizen" : elke constructie of vaste installatie die zich buiten of in de zomerbedding bevindt voor het opwaarts of neerwaarts laten zakken van vissen migratie;]15
[12 65°bis "verbindingspunt" : de grens tussen het distributienet en de private distributie-installatie die zich meteen stroomafwaarts de teller bevindt, uitgangskoppeling inbegrepen. Bij gebrek aan teller wordt dat verbindingspunt bepaald bij een overeenkomst tussen de eigenaar en de leverancier. Bij gebrek aan overeenkomst wordt dat punt vastgelegd aan de grens van het privé domein;]12
66° [9 " verontreinigende stof " : iedere stof die tot verontreiniging kan leiden, met name de in bijlage VII van het decretale gedeelte genoemde stoffen waarvan de lijst door de Regering nader bepaald wordt voor oppervlakte- en grondwateren;]9
67° "verontreiniging" : de directe of indirecte inbreng door menselijke activiteiten van stoffen of warmte in lucht, water of bodem die de gezondheid van de mens of de kwaliteit van aquatische ecosystemen of van rechtstreeks van aquatische ecosystemen afhankelijke terrestrische ecosystemen kunnen aantasten, schade berokkenen aan materiële goederen dan wel de belevingswaarde van het milieu of ander rechtmatig milieugebruik aantasten of daaraan in de weg staan;
68° [9 " goed ecologisch potentieel " : de toestand van een sterk veranderd of kunstmatig waterlichaam, aldus ingedeeld overeenkomstig de bepalingen van bijlage VI van het decretale gedeelte;]9
69° "waterwinning" : waterwinningsverrichting, met inbegrip van het uitputten van toevallige toevloeiingen;
[19 69°bis "producent" : elke natuurlijke of rechtspersoon die water dat wordt gebruikt als tot drinkwater verwerkbaar water of dat bestemd is voor menselijke consumptie uit het natuurlijk milieu onttrekt, of die dit water in het groot verwerft, voor zover dit water een openbaar distributienet bevoorraadt.
In afwijking van lid 1 heeft de uitbater van een steengroeve niet de hoedanigheid van producent voor het verwerkbare bemalingswater dat hij onttrekt;]19
70° "aansluiting" : geheel der waterleidingen en instrumenten voor de waterbevoorrading van een pand, vanaf de waterwinning op de moederleiding van de verdeler [20 tot het knooppunt]20;
71° [11 " belastingplichtige " : elke persoon, met inbegrip van de intercommunales, met uitzondering van de opdrachten i.v.m. het statuut van erkende saneringsinstelling die aan heffing of bijdrage onderworpen waterhoeveelheden opneemt, elke persoon onderworpen aan de belasting op de lozing van afvalwater alsook elke persoon onderworpen aan de belasting op de milieulasten veroorzaakt door landbouwbedrijven;]11
[9 71° bis " beschikbare grondwatervoorraad " : het jaargemiddelde op lange termijn van de totale aanvulling van het grondwaterlichaam, verminderd met het jaargemiddelde op lange termijn van het debiet dat nodig is om voor bijbehorende oppervlaktewateren de doelstellingen van ecologische kwaliteit van artikel D.22 te bereiken, teneinde een significante verslechtering van de ecologische toestand van die wateren alsmede significante schade aan de bijbehorende terrestrische ecosystemen te voorkomen;]9
[7 [9 71°ter]9 "overstromingsrisico" : de kans dat zich een overstroming voordoet in combinatie met de mogelijke negatieve gevolgen van een overstroming voor de gezondheid van de mens, het milieu, het cultureel erfgoed en de economische bedrijvigheid;]7
[15 71°quater "ooibossen" : elke houtachtige en inheemse plantenvorming die langs een waterloop groeit in een gebied met groot overstromingsgevaar in de zin van artikel D. 53-2;]15
72° "rivier" : binnenwaterlichaam dat voor het merendeel op het bodemoppervlak stroomt, maar dat eveneens op een deel van zijn traject ondergronds kan stromen;
[15 72°bis "sectorale opdeling" : het in kaart brengen van de lineaire verdeling van waterlopen in homogene sectoren op basis van het ecologische grondgebied, de breedte van de gebieden die onderhevig zijn aan het risico van overstromingen en het landgebruik van deze gebieden;]15
73° "dienstverlening" : geheel der technische en bestuurlijke handelingen met het oog op het waarborgen van de openbare waterverdeling;
74° "waterdiensten" : alle diensten die ten behoeve van de huishoudens, openbare instellingen of andere economische actoren voorzien in :
a) onttrekking, opstuwing, opslag, behandeling en distributie van oppervlakte- of grondwater;
b) installaties voor de verzameling en behandeling van afvalwater, die daarna in oppervlaktewater lozen;
75° "betekening" : de afgifte bij gerechtsdeurwaardersexploot van een afschrift van de akte;
76° "S.P.G.E." : de "Société publique de Gestion de l'Eau" (Openbare Maatschappij voor Waterbeheer);
77° "deelstroomgebied" : het gebied vanwaar al het over het oppervlak lopende water een reeks stromen, rivieren en eventueel meren volgt, tot een bepaald punt in een waterloop (gewoonlijk een meer of een samenvloeiing van rivieren);
78° "Waals deelstroomgebied" : het deel van een Waals stroomgebied zoals bedoeld in artikel 7;
79° "gevaarlijke stoffen" : de stoffen of groepen van stoffen die giftig, persistent en bioaccumuleerbaar zijn, en andere stoffen of groepen van stoffen die aanleiding geven tot evenveel bezorgdheid;
80° "prioritaire gevaarlijke stoffen" : stoffen aangewezen door de regering;
81° "prioritaire stoffen" : stoffen aangewezen door de regering;
[13 81°bis : "Individueel zuiveringssysteem" : uitrusting waarmee het huishoudelijk afvalwater geloosd door een woning of een groep van woningen gezuiverd kan worden en waarmeer het gezuiverde water afgevoerd kan worden;]13
82° "gebruiker" : elke persoon die de dienstverlening openbare waterverdeling geniet als bewoner van een aangesloten pand;
83° "watergebruik" : de waterdiensten, evenals elke andere activiteit geïdentificeerd volgens de bewoordingen van de omschrijving [9 overeenkomstig de bepalingen van de artikelen D.17, D.17-1, D.17-2 en van bijlage V van het decretale gedeelte]9, met significante gevolgen op de toestand van het water;
84° "richtwaarden" : parametrische waarden waaraan het oppervlaktewater in een bepaald gebied conform dient te zijn binnen een niet nader bepaalde termijn;
85° "dwingende waarden" : parametrische waarden waaraan het oppervlaktewater in een bepaald gebied conform dient te zijn ofwel onmiddellijk ofwel binnen een nader bepaalde termijn;
86° "emissiegrenswaarden" : de in bepaalde specifieke parameters uitgedrukte massa, de concentratie en/of het niveau van een emissie die tijdens één of meerdere vastgestelde periodes niet overschreden mag worden. De emissiegrenswaarden kunnen eveneens voor bepaalde groepen, families of categorieën van stoffen vastgesteld worden;
87° "parametrische waarden" : metingen van verschillende kenmerken van een parameter;
88° "kunstmatige afvloeiingswegen" : riolen, grachten of waterleidingen die bestemd zijn voor het afvloeien van regenwater of gezuiverd afvalwater;
89° "waterwegen" : [15 waterwegen, grote waterbouwkundige kunstwerken en hun bijhorigheden bedoeld in artikel 2 van het decreet van 19 maart 2009 betreffende de instandhouding van het gewestelijke openbaar wegen- en waterwegendomein;]15
90° "gebied" : in de zin van artikel 218, deel van het grondgebied dat geen agglomeratie uitmaakt, maar in een deelstroomgebied gelegen is en voldoende homogeen is om er een saneringsregeling door te voeren;
91° "gebied van tot drinkwater verwerkbaar water" : gebied voor de bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water vastgesteld krachtens artikel 156;
92° "verdelingsgebied" : geografisch gebied waarin het voor menselijke consumptie bestemde water afkomstig is van één of meerdere bronnen en waarin de kwaliteit als éénvormig wordt beschouwd;
93° "waterwinningsgebied" : geografisch gebied waarin de werken voor waterwinning aan de oppervlakte geïnstalleerd zijn;
94° "preventiegebied" : geografisch gebied waarin elke verontreinigende stof de waterwinning kan binnendringen zonder dat die stof op voldoende wijze afgebroken of opgelost kan worden zonder dat hij doeltreffend gerecupereerd kan worden;
95° "bewakingsgebied" : geografisch gebied dat het bevoorradingsbekken al dan niet gedeeltelijk omvat en het hydrogeologisch bekken, of deel ervan, dat een bestaand of eventueel waterwinningsgebied zou kunnen bevoorraden.
[12 96° "openbaar beheer van de autonome sanering" : geheel van de sensibiliserings-, administratieve en financiële handelingen toegewezen aan de overheden om te zorgen voor de uitvoering en de vlotte werking van de autonome sanering door de eigenaar of de gebruiker van de woning en om een aan de collectieve sanering gelijkwaardig beschermingsniveau mogelijk te maken.]12
Wijzigingen
Art. D2. Pour l'application du présent livre, on entend par :
1° "agglomération" : zone dans laquelle la population et/ou les activités économiques sont suffisamment concentrées pour qu'il soit possible de collecter les eaux urbaines résiduaires pour les acheminer vers une station d'épuration ou un point de rejet final;
[12 1°bis "propriétaire" :
- toute personne titulaire d'un droit de propriété, d'usufruit, de nue-propriété, d'usage, d'habitation, de superficie, d'emphytéose sur un immeuble raccordé à la distribution publique;
- toute personne titulaire d'un contrat d'achat d'eau en vue de sa consommation sans passer par un réseau public de distribution d'eau;]12
2° "approche combinée" : approche visant la réduction de la pollution à la source par la fixation de valeurs limites d'émission et de normes de qualité environnementale;
3° "aquifère" : une ou plusieurs couches souterraines de roche ou d'autres couches géologiques d'une porosité et d'une perméabilité suffisantes pour permettre soit un courant significatif d'eau souterraine, soit le captage de quantités importantes d'eau souterraine;
4° [12 "assainissement collectif" : ensemble des opérations de collecte des eaux usées, d'épuration publique et de travaux d'égouttage visés à l'article D.217, alinéa 2, y compris le démergement en zone d'affaissements miniers en ce qu'il constitue une action indispensable aux performances de l'assainissement collectif;]12
[12 4°bis "assainissement autonome" : assainissement des eaux usées domestiques d'une habitation ou d'un ensemble d'habitations ne nécessitant pas d'opération de collecte et d'épuration publiques des eaux usées;]12
[17 4°ter. " augmentation anormale de la consommation d'eau potable " : volume d'eau excédant à la fois 50m3 et le double du volume d'eau consommé depuis le dernier relevé d'index, communiqué par l'usager ou vu par un agent du distributeur et ayant permis l'établissement d'une facture de régularisation périodique mensuelle, trimestrielle ou annuelle;]17
5° "autorité de bassin" : l'autorité administrative qui a pour attribution la gestion de l'ensemble de chaque bassin hydrographique wallon;
6° "bassin hydrographique" : toute zone dans laquelle toutes les eaux de ruissellement convergent à travers un réseau de rivières, fleuves et éventuellement de lacs vers la mer, dans laquelle elles se déversent par une seule embouchure, estuaire ou delta;
7° "bassin hydrographique wallon" : la portion de chaque district hydrographique international située sur le territoire de la Région wallonne;
8° "bateau" : bâtiment capable de se maintenir à la surface de l'eau, avec ou sans moteur;
[9 8° bis " bon état chimique d'une eau de surface " : l'état chimique requis pour atteindre les objectifs environnementaux fixés à l'article D.22, § 1er, 1°, pour les eaux de surface, c'est-à-dire l'état chimique atteint par une masse d'eau de surface dans laquelle les concentrations de polluants ne dépassent pas les normes de qualité environnementale fixées par le Gouvernement;]9
[9 8° ter " bon état d'une eau de surface " : l'état atteint par une masse d'eau de surface lorsque son état écologique et son état chimique sont au moins " bons ";]9
[9 8° quater " bon état d'une eau souterraine " : l'état atteint par une masse d'eau souterraine lorsque son état quantitatif et son état chimique sont au moins " bons " en vertu des dispositions du présent Code;]9
[9 8° quinquies " bon état écologique " : l'état d'une masse d'eau de surface, classé conformément à l'annexe VI de la partie décrétale;]9
[15 8°sexies " berge " : talus situé de part et d'autre du cours d'eau, limité vers l'intérieur des terres par la crête de berge;]15
[15 8°septies " bief " : canal de dérivation détournant une partie du débit d'un cours d'eau non classé ou d'un cours d'eau non navigable; tous les biefs sont assimilés à des cours d'eau non classés, sauf ceux classés parmi les cours d'eau non navigables ou les voies hydrauliques au jour de l'entrée en vigueur du présent article;]15
9° "charge du service" : ensemble des obligations qui s'imposent à la personne qui a la qualité, selon le cas, d'abonné ou d'usager;
10° "collecteurs" : conduites reliant les réseaux d'égouts aux emplacements prévus ou prévisibles pour réaliser l'épuration des eaux usées;
11° "comité de contrôle de l'eau" : comité institué par l'article 4;
12° [14 ...]14
13° "commission internationale de la Meuse" : la commission internationale instituée par l'accord international sur la Meuse;
14° "commission internationale de l'Escaut" : la commission internationale instituée par l'accord international sur l'Escaut;
15° "compteur" : dispositif métrologique et ses accessoires permettant de déterminer les volumes d'eau consommés pendant une période déterminée;
[12 15°bis "consommateur" : toute personne qui jouit de l'eau mise à disposition par un fournisseur;]12
[16 15°ter. Contrat de captage : convention conclue entre la S.P.G.E., le titulaire de prise d'eau tel que visé à l'article D.169, la Région wallonne et les acteurs de terrain qui vise, suite à un diagnostic environnemental, et par le biais d'une démarche participative à :
1° réduire les pressions, dont les pollutions diffuses, exercées dans des zones de prévention, voire de surveillance ou le bassin d'alimentation de prises d'eau potabilisable à risque d'un point de vue qualitatif;
2° préserver ou restaurer le bon état quantitatif;
3° identifier des coûts potentiels pour réduire ces pressions et pollutions diffuses qui peuvent être pris en charge dans un programme financier de la S.P.G.E.
15°quater. Contrat de nappe : convention conclue entre une ou plusieurs personnes de droit public ou de droit privé et la S.P.G.E. dans une démarche participative, suite à un diagnostic réalisé sur une masse d'eau souterraine à risque et dont l'un des usages principaux est la production d'eau potabilisable et visant à lutter contre les pressions quantitatives et qualitatives, selon les objectifs et les mesures adoptés par l'autorité de bassin dans le cadre des plans de gestion des bassins hydrographiques. Le contrat de nappe est indépendant du contrat de service de protection de l'eau potabilisable;]16
16° [19 contrat de service d'assainissement " : convention conclue entre un distributeur et la Société publique de gestion de l'eau au terme de laquelle le distributeur loue les services de la Société pour réaliser, selon une planification déterminée, l'assainissement collectif et la gestion publique de l'assainissement autonome d'un volume d'eau correspondant au volume d'eau qu'il distribue en Région wallonne;]19
[11 16°bis " contrat de service d'assainissement industriel " : le contrat de service approuvé par le Gouvernement wallon et visant à assurer l'atteinte des objectifs fixés à l'article D.22, et conclu entre une entreprise rejetant des eaux usées industrielles dans une station d'épuration publique, l'organisme d'assainissement agréé visé aux articles D.343 à D.345 et la S.P.G.E.]11
17° "contrat de service d'épuration et de collecte" : convention conclue entre la Société publique de gestion de l'eau et les [1 organismes d'assainissement agréés]1, au terme de laquelle [1 ces derniers]1 assurent, contre une rémunération, au nom et pour le compte de la première, des missions de service public, les études, la construction de dispositifs d'épuration et l'épuration de volumes d'eaux usées déterminés;
18° "contrat de service de protection de l'eau potabilisable" : convention conclue entre un producteur [19 ...]19 et la Société publique de gestion de l'eau, au terme de laquelle cette dernière fait assurer, contre une rémunération, la protection des eaux potabilisables, telle que déterminée dans les programmes [13 visés à l'article D288, § 2, alinéa 2;]13;
19° "contrôles des émissions" : des contrôles exigeant une limite d'émission spécifique, par exemple une valeur limite d'émission, ou imposant d'une autre manière des limites ou conditions aux effets, à la nature ou à d'autres caractéristiques d'une émission ou de conditions de fonctionnement qui influencent les émissions;
[15 19°bis " cours d'eau " : surface du territoire qui est occupée par des eaux naturelles s'écoulant de façon continue ou intermittente dans le lit mineur, à l'exclusion des fossés d'écoulement des eaux de ruissellement ou de drainage;]15
[15 19°ter " cours d'eau non classé " : cours d'eau non classé parmi les voies hydrauliques ou les cours d'eau non navigables;]15
20° [15 " cours d'eau non navigables " : cours d'eau non classés par le Gouvernement parmi les voies hydrauliques, en aval du point où la superficie de l'ensemble des terres dont l'évacuation des eaux est assurée par le cours d'eau atteint au moins 100 hectares; ce point s'appelle origine du cours d'eau;]15
[11 20°bis " coût assainissement industriel " : ci-après dénommé C.A.I., le coût du service presté par la S.P.G.E. au bénéfice de l'entreprise, rejetant des eaux usées industrielles dans une station d'épuration publique et qui est calculé, conformément à l'article D.260, sur base du coût d'exploitation, du coût d'investissement et des frais de gestion;]11
21° "coût pour l'environnement" : coût des dégâts que les utilisations de l'eau occasionnent à l'environnement, aux écosystèmes et aux utilisateurs de l'environnement;
22° "coût pour les ressources" : coût de l'appauvrissement de la ressource entraînant la disparition de certaines possibilités pour d'autres utilisateurs à la suite de l'amoindrissement des ressources au-delà de leur taux naturel de renouvellement ou de récupération;
23° "coût-vérité à l'assainissement" : ci-après dénommé C.V.A., calculé par mètre cube, il comprend l'ensemble des coûts liés à l'assainissement des eaux usées domestiques;
24° "coût-vérité à la distribution" : ci-après dénommé C.V.D., calculé par mètre cube, il comprend l'ensemble des coûts de la production d'eau et de la distribution d'eau, en ce compris les coûts de protection des eaux prélevées en vue de la distribution publique;
[15 24°bis " crête de berge " : ligne reliant les points au-delà desquels les eaux débordent en dehors du lit mineur à l'occasion des crues;]15
25° "date de la notification" : le lendemain de la remise de la pièce notifiée à la poste;
26° "déversement d'eaux usées" : introduction d'eaux usées dans une eau souterraine ou dans une eau de surface par canalisations ou par tout autre moyen à l'exception du ruissellement naturel des eaux pluviales;
27° "déversement direct dans les eaux souterraines" : déversement de polluants dans les eaux souterraines sans infiltration à travers le sol ou le sous-sol;
[7 27°bis : "digue" : tout remblai insubmersible, aménagé le long d'un cours d'eau ou à l'intérieur des terres afin de retenir les crues du cours d'eau;]7
[13 27°ter : " Directive-cadre sur l'eau " : la Directive 2000/60/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2000 établissant un cadre pour une politique communautaire dans le domaine de l'eau;]13
28° [19 " distributeur " : exploitant du réseau public de distribution d'eau;]19
29° "district hydrographique international" : une zone terrestre et maritime, composée d'un ou de plusieurs bassins hydrographiques partagés entre plusieurs Etats membres de la Communauté européenne, ainsi que des eaux souterraines et eaux côtières associées, identifiée comme principale unité aux fins de la gestion des bassins hydrographiques;
30° "eaux côtières" : les eaux de surface situées en deçà d'une ligne dont tout point est situé à une distance d'un mille marin au-delà du point le plus proche de la ligne de base servant pour la mesure de la largeur des eaux territoriales et qui s'étendent, le cas échéant, jusqu'à la limite extérieure d'une eau de transition;
31° "eaux intérieures" : toutes les eaux stagnantes et les eaux courantes à la surface du sol et toutes les eaux souterraines en amont de la ligne de base servant pour la mesure de la largeur des eaux territoriales;
32° "eaux de refroidissement" : les eaux qui sont utilisées dans l'industrie pour le refroidissement en circuit ouvert et qui ne sont pas entrées en contact avec les matières à refroidir;
33° "eaux destinées à la consommation humaine" : les eaux, soit en l'état, soit après traitement, destinées à la boisson, à la cuisson, à la préparation d'aliments, ou à d'autres usages domestiques [20 dans des lieux publics comme dans des lieux privés]20, quelle que soit leur origine, et qu'elles soient fournies par un réseau de distribution par canalisations ou à partir d'une prise d'eau privée [20 d'une citerne collective,]20 d'un camion-citerne ou d'un bateau-citerne, [7 ou fournies en bouteilles ou en conteneurs lorsqu'elles sont destinées à être utilisées à des fins non commerciales]7 ainsi que les eaux fournies aux établissements alimentaires à partir d'un réseau de distribution avant toute manipulation ou tout traitement dans ces établissements [21 , à moins que le fournisseur et l'établissement alimentaire conviennent expressément d'une fourniture en eau non destinée à la consommation humaine]21;
34° "eaux de surface" : les eaux intérieures, à l'exception des eaux souterraines, les eaux de transition et les eaux côtières, sauf en ce qui concerne leur état chimique, pour lequel les eaux territoriales sont également incluses;
35° "eaux de surface ordinaires" : les eaux des voies navigables, les eaux des cours d'eau non navigables, y compris leurs parcours souterrains, les ruisseaux et rivières, même à débit intermittent en amont du point où ils sont classés comme cours d'eau non navigables, les eaux des lacs, des étangs et autres eaux courantes et stagnantes à l'exception des eaux des voies artificielles d'écoulement;
36° "eaux de transition" : les masses d'eaux de surface à proximité des embouchures de rivières, qui sont partiellement salines en raison de leur proximité d'eaux côtières mais qui sont fondamentalement influencées par des courants d'eau douce;
[11 36°bis " eaux d'exhaure " : les eaux évacuées par un moyen technique adéquat afin de permettre l'exploitation à sec d'une carrière ou d'une mine;]11
[11 36°ter " eaux géothermales " : les eaux souterraines dont la température est supérieure à 50 ° C du fait d'un séjour en profondeur et qui peuvent être exploitées en vue de la production et la distribution de chaleur ou d'électricité par réseau public;]11
[11 36°quater " eaux grises ou eaux ménagères " : les eaux usées domestiques provenant d'installations sanitaires, de lave-linges et de cuisines et ne contenant pas de matières fécales, d'urines ou de papier de toilette;]11
[11 36°quinquies " eaux noires ou eaux vannes " : les eaux usées domestiques provenant des toilettes et constituées exclusivement de matières fécales, d'urines, de papier de toilette et d'eau de rinçage;]11
[19 36°sexies " eaux d'exhaure valorisables " : eaux d'exhaure potabilisables ou destinées à la consommation humaine cédées, directement ou indirectement, à un producteur disposant de la personnalité morale de droit public;]19
37° "eaux potabilisables" : toutes eaux souterraines ou de surface qui, naturellement ou après un traitement approprié physico-chimique ou microbiologique, est destinée à être distribuée pour être bue sans danger pour la santé;
38° "eaux souterraines" : toutes les eaux se trouvant sous la surface du sol dans la zone de saturation et en contact direct avec le sol ou le sous-sol;
39° "eaux usées" :
- eaux polluées artificiellement ou ayant fait l'objet d'une utilisation, en ce compris les eaux de refroidissement;
- eaux de ruissellement artificiel d'origine pluviale;
- eaux épurées en vue de leur rejet;
[2 - gadoues [12 ...]12 qui sont destinées à être déversées et traitées dans une station d'épuration des eaux.]2
40° [11 ...]11
41° "eaux usées domestiques" :
a) les eaux qui ne contiennent que :
- des eaux provenant d'installations sanitaires;
- des eaux de cuisine;
- des eaux provenant du nettoyage de bâtiments, tels qu'habitations, bureaux, locaux où est exercé un commerce de gros ou de détail, salles de spectacle, casernes, campings, prisons, établissements d'enseignement avec ou sans internat, hôpitaux, cliniques et autres établissements où des malades non contagieux sont hébergés et reçoivent des soins, bassins de natation, hôtels, restaurants, débits de boissons, salons de coiffure;
- des eaux de lessive à domicile;
- des eaux de lavage des cycles non pourvus de moteurs (bicyclettes, tandems, tricycles, etc.) et des cyclomoteurs (cylindrée n'excédant pas 50 cm3);
- des eaux de lavage de moins de dix véhicules et de leurs remorques par jour (tels que voitures, camionnettes et camions, autobus et autocars, tracteurs, motocyclettes), à l'exception des véhicules sur rail;
- ainsi que, le cas échéant, des eaux de pluie;
b) les eaux usées provenant des établissements de lavage de linge dont les machines sont utilisées exclusivement par la clientèle;
c. [3 les eaux usées distinctes des eaux usées définies aux points a. et b. ci-dessus provenant d'établissements déversant une charge polluante journalière inférieure ou égale à 100 E.H. avant traitement et exemptes de substances dangereuses telles que définies à l'article D.2, 79°, à l'exclusion des établissements désignés par le Gouvernement pour lesquels les eaux usées sont nuisibles aux égouts ou au fonctionnement normal d'une station d'épuration ou au milieu récepteur et ne peuvent pas être classées comme eaux usées domestiques.
L'E.H. visé à l'alinéa précédent représente une unité de charge polluante ayant :
- une demande biochimique d'oxygène en cinq jours (D.B.O.5) de 60 grammes par jour;
- une demande chimique en oxygène (D.C.O.) de 135 grammes par jour;
- une teneur en matières en suspension (M.E.S.) de 90 grammes par jour;
- une teneur en azote total de 9,9 grammes par jour;
- une teneur en phosphore total de 2,2 grammes par jour;
- un débit de 0,18 m3 par jour.]3
[4 d. par assimilation, les gadoues [12 ...]12 qui sont destinées à être déversées et traitées dans une station d'épuration des eaux.]4
42° "eaux usées industrielles" : eaux usées autres que les eaux usées domestiques [11 ...]11;
43° "égouts publics" : voies publiques d'écoulement d'eau constituées de conduites souterraines et affectées à la collecte d'eaux usées;
44° "épuration" : traitement primaire, secondaire ou approprié de l'eau usée, avant rejet dans un bassin hydrographique, en vue de respecter les normes et prescriptions relatives aux eaux urbaines résiduaires et en vue d'atteindre dans le milieu récepteur une eau répondant aux valeurs impératives ou aux valeurs guides conformément aux dispositions relatives aux eaux réceptrices;
45° "état d'une eau de surface" : l'expression générale de l'état d'une masse d'eau de surface, déterminé par la plus mauvaise valeur de son état écologique et de son état chimique;
46° "état d'une eau souterraine" : l'expression générale de l'état d'une masse d'eau souterraine, déterminé par la plus mauvaise valeur de son état quantitatif et de son état chimique;
47° "état chimique d'une eau de surface" : l'expression de la concentration des polluants dans l'eau, le sédiment ou les êtres vivants;
48° "état chimique d'une eau souterraine" : l'expression de la conductivité et des concentrations de polluants dans une masse d'eau souterraine;
49° "état écologique" : l'expression de la qualité de la structure et du fonctionnement des écosystèmes aquatiques associés aux eaux de surface [9 conformément à l'annexe VI de la partie décrétale]9;
50° "état quantitatif" : l'expression du degré d'incidence des captages directs et indirects sur une masse d'eau souterraine [9 obtenue à partir des mesures piézométriques à long terme de celle-ci ou sur la base d'autres paramètres ou informations tels que les bilans hydrologiques de la masse d'eau souterraine ou les débits d'étiage des cours d'eau associés]9;
51° [5 "fonctionnaire chargé du recouvrement" : le fonctionnaire institué dans la fonction de "receveur des taxes et redevances" auprès [18 du Département de la Perception et du Recouvrement du Service public de Wallonie Finances]18; le Gouvernement wallon peut toutefois modifier cette définition en cas de modification de structure du Service public de Wallonie, en vue d'adapter le fonctionnaire y visé à la nouvelle structure;]5
52° "fonds social de l'eau" : le mécanisme financier décrit aux articles 237 à 251 et faisant intervenir les distributeurs, les centres publics d'aide sociale et la S.P.G.E.;
[10 52°bis " forage " : toute action qui consiste à percer un trou depuis la surface du sol, d'un ouvrage existant ou d'une excavation souterraine susceptible d'altérer la nappe d'eau souterraine;]10
53° [20 " fournisseur d'eau " : une entité fournissant des eaux destinées à la consommation humaine telle que l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau par canalisations, l'exploitant d'une prise d'eau privée ou d'une citerne collective qui permettent d'alimenter par des canalisations des consommateurs sans passer par un réseau public de distribution d'eau, ou l'opérateur qui fournit l'eau à partir d'un camion-citerne ou d'un bateau-citerne; ]20
[17 53°bis. " fuite cachée " : toute fuite difficilement décelable sur une installation privée de distribution alimentant un logement, à l'exclusion des fuites consécutives à la défectuosité d'appareils ménagers, d'installations sanitaires ou de chauffage et de leur raccordement;]17
54° [12 "gadoues" : le produit de la vidange d'une fosse septique ou d'un système d'épuration individuelle;]12
[7 54°bis "inondation" : submersion temporaire par l'eau de terres qui ne sont pas submergées en temps normal, à l'exclusion des inondations dues aux réseaux d'égouts;]7
[12 54ter [20 " installation privée de distribution " : les canalisations, appareillages et accessoires installés entre les robinets qui, dans des lieux publics comme dans des lieux privés, alimentent le bien immeuble et ses équipements en eau destinée à la consommation humaine et qui ne relèvent pas de la responsabilité du fournisseur. Lorsque le bien immeuble est raccordé à un réseau de distribution, l'installation privée de distribution commence au point de jonction; ]20
[20 54° quater " lieux prioritaires " : les lieux non résidentiels et de grande taille, où de nombreux utilisateurs sont potentiellement exposés à des risques liés à l'eau, en particulier les lieux à l'usage du public, conformément au recensement réalisé par le Gouvernement wallon;]20
55° "logement" : logement individuel au sens de l'article 1er, 4°, du Code wallon du logement;
56° "lac" : une masse d'eau intérieure de surface stagnante;
[15 56°bis " lit mineur " : surface du territoire, artificialisée ou non, occupée par les plus hautes eaux d'un cours d'eau avant débordement, comprenant le chenal ordinaire d'écoulement et les berges jusqu'à la crête de berge;]15
[15 56°ter " libre circulation des poissons " : déplacement de poissons qui concerne une grande partie ou certaines classes d'âge de la population d'une espèce et qui ont lieu durant le cycle de vie de l'espèce avec une périodicité prévisible, deux habitats distincts au moins étant concernés;]15
57° "masse d'eau artificielle" : masse d'eau de surface créée par l'activité humaine;
58° "masse d'eau de surface" : une partie distincte et significative des eaux de surface telles qu'un lac, un réservoir, une rivière, un fleuve ou un canal, une partie de rivière, de fleuve ou de canal, une eau de transition ou une portion d'eaux côtières;
59° "masse d'eau fortement modifiée" : masse d'eau de surface qui, par suite d'altérations physiques dues à l'activité humaine, est fondamentalement modifiée quant à son caractère, telle que désignée par l'autorité de bassin [9 conformément aux dispositions des articles D.17-1, § 1er, D.22, § 7, et de l'annexe V de la partie décrétale]9;
60° "masse d'eau souterraine" : un volume distinct d'eau souterraine à l'intérieur d'un ou de plusieurs aquifères;
61° "mesures générales de protection" : mesures de protection des eaux souterraines et des eaux potabilisables applicables à tout le territoire de la Région wallonne;
62° "norme de qualité environnementale" : la concentration d'un polluant ou d'un groupe de polluants dans l'eau, les sédiments ou le biote qui ne doit pas être dépassée, afin de protéger la santé humaine et l'environnement [9 telle que définie par le Gouvernement]9;
63° "notification" : l'envoi d'un acte de procédure en original ou en copie par lettre recommandée à la poste;
64° "objectifs environnementaux" : objectifs fixés à l'article 22;
[15 64°bis " obstacle à la libre circulation des poissons " : tout ouvrage qui entrave la libre circulation des poissons latéralement ou de l'aval vers l'amont du cours d'eau et vice-versa;]15
65° "ouvrages de prises d'eau" : tous les puits, captages, drainages et, en général, tous les ouvrages et installations ayant pour objectif ou pour effet d'opérer une prise d'eau, y compris les captages de sources à l'émergence;
[15 65°bis " passe à poissons " : toute construction ou installation fixe située en dehors ou dans le lit mineur assurant la montaison ou la dévalaison de poissons;]15
[12 65°bis "point de jonction" : la frontière entre le réseau de distribution et l'installation privée de distribution qui se trouve immédiatement en aval du compteur, joint de sortie exclu. En l'absence de compteur, ce point de jonction est défini par convention entre le propriétaire et le fournisseur. En l'absence de convention, ce point est défini à la limite du domaine privé;]12
66° [9 " polluant " : toute substance pouvant entraîner une pollution, en particulier celles figurant dans l'annexe VII de la partie décrétale dont le Gouvernement précise la liste pour les eaux de surface et les eaux souterraines;]9
67° "pollution" : l'introduction directe ou indirecte, par suite de l'activité humaine, de substances ou de chaleur dans l'air, l'eau ou le sol, susceptibles de porter atteinte à la santé humaine ou à la qualité des écosystèmes aquatiques ou des écosystèmes terrestres dépendant directement des écosystèmes aquatiques, qui entraînent des détériorations aux biens matériels, une détérioration ou une entrave à l'agrément de l'environnement ou à d'autres utilisations légitimes de ce dernier;
68° [9 " bon potentiel écologique " : l'état d'une masse d'eau fortement modifiée ou artificielle, classé conformément aux dispositions de l'annexe VI de la partie décrétale;]9
69° "prise d'eau" : opération de prélèvement d'eau, y compris l'épuisement d'afflux fortuits;
[19 69°bis " producteur " : toute personne morale ou physique qui capte dans le milieu naturel de l'eau potabilisable ou destinée à la consommation humaine, ou qui l'acquiert en gros, à la condition que cette eau alimente un réseau public de distribution.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'exploitant d'une carrière n'a pas la qualité de producteur pour l'eau d'exhaure valorisable qu'il capte;]19
70° "raccordement" : ensemble des canalisations et appareillages utilisés pour l'alimentation en eau d'un immeuble, depuis la prise effectuée sur la conduite mère du distributeur jusqu'au [20 point de jonction]20;
71° [11 " redevable " : toute personne y compris les intercommunales, à l'exception des missions liées au statut d'organisme d'assainissement agréé qui prélève des volumes d'eau soumis à redevance ou contribution, toute personne soumise à la taxe sur le déversement des eaux usées ainsi que toute personne soumise à la taxe sur les charges environnementales générées par les exploitations agricoles;]11
[9 71°bis " ressource disponible d'eau souterraine " : le taux moyen annuel à long terme de la recharge totale de la masse d'eau souterraine moins le taux annuel à long terme de l'écoulement requis pour atteindre les objectifs de qualité écologique des eaux de surface associées fixés à l'article D.22, afin d'éviter toute diminution significative de l'état écologique de ces eaux et d'éviter toute dégradation significative des écosystèmes terrestres associés;]9
[7 [9 71°ter]9 "risque d'inondation" : la combinaison de la probabilité d'une inondation et des conséquences négatives potentielles pour la santé humaine, l'environnement, le patrimoine culturel et l'activité économique associées à une inondation;]7
[15 71°quater " ripisylve " : toute formation végétale ligneuse et indigène qui croît au bord d'un cours d'eau en zone d'aléa d'inondation élevé au sens de l'article D. 53-2;]15
72° "rivière" : une masse d'eau intérieure coulant en majeure partie sur la surface du sol mais qui peut couler en sous-sol sur une partie de son parcours;
[15 72°bis " sectorisation " : découpage cartographique du linéaire des cours d'eau en secteurs homogènes sur base du territoire écologique, de la largeur des zones soumises à l'aléa d'inondation et de l'occupation du sol de ces zones;]15
73° "service" : ensemble des actes techniques et administratifs en vue d'assurer la distribution publique de l'eau;
74° "services liés à l'utilisation de l'eau" : tous les services qui couvrent, pour les ménages, les institutions publiques ou une activité économique quelconque :
a) le captage, l'endiguement, le stockage, le traitement et la distribution d'eau de surface ou d'eau souterraine;
b) les installations de collecte et de traitement des eaux usées qui effectuent ensuite des rejets dans les eaux de surface;
75° "signification" : la remise d'une copie de l'acte par exploit d'huissier de justice;
76° "S.P.G.E." : la Société publique de gestion de l'eau visée à l'article 331;
77° "sous-bassin" : toute zone dans laquelle toutes les eaux de ruissellement convergent à travers un réseau de rivières, de fleuves et éventuellement de lacs vers un point particulier d'un cours d'eau (normalement un lac ou un confluent);
78° "sous-bassin hydrographique wallon" : la portion d'un bassin hydrographique wallon visé à l'article 7;
79° "substances dangereuses" : les substances ou groupes de substances qui sont toxiques, persistantes et bioaccumulables, et autres substances ou groupes de substances qui sont considérées, à un degré équivalent, comme sujettes à caution;
80° "substances dangereuses prioritaires" : substances désignées par le Gouvernement;
81° "substances prioritaires" : substances désignées par le Gouvernement;
[13 81°bis : " Système d'épuration individuelle " : équipement permettant l'épuration des eaux usées domestiques rejetées par une habitation ou un groupe d'habitations et l'évacuation des eaux épurées;]13
82° "usager" : toute personne qui jouit du service de la distribution publique de l'eau en tant qu'occupant d'un immeuble raccordé;
83° "utilisation de l'eau" : les services liés à l'utilisation de l'eau ainsi que toute autre activité, identifiée aux termes de l'état descriptif [9 conformément aux dispositions des articles D.17, D.17-1, D.17-2 et de l'annexe V de la partie décrétale]9, susceptibles d'influer de manière sensible sur l'état des eaux;
84° "valeurs guides" : valeurs paramétriques auxquelles les eaux de surface, dans une zone déterminée, devront être conformes dans un délai qui n'est pas déterminé;
85° "valeurs impératives" : valeurs paramétriques auxquelles les eaux de surface, dans une zone déterminée, doivent être conformes soit immédiatement, soit dans un délai déterminé;
86° "valeurs limites d'émission" : la masse, exprimée en fonction de certains paramètres spécifiques, la concentration et/ou le niveau d'une émission à ne pas dépasser au cours d'une ou de plusieurs périodes données. Les valeurs limites d'émission peuvent être fixées également pour certains groupes, familles ou catégories de substances;
87° "valeurs paramétriques" : mesures des différentes caractéristiques d'un paramètre;
88° "voies artificielles d'écoulement" : rigoles, fossés ou aqueducs affectés à l'évacuation des eaux pluviales ou d'eaux usées épurées;
89° "voies hydrauliques" : [15 voies hydrauliques, grands ouvrages hydrauliques et leurs dépendances visés à l'article 2 du décret du 19 mars 2009 relatif à la conservation du domaine public régional routier et des voies hydrauliques;]15
90° "zone" : au sens de l'article 218, partie du territoire ne constituant pas une agglomération mais située au sein d'un sous-bassin hydrographique et suffisamment homogène pour y appliquer un régime d'assainissement;
91° "zone d'eaux potabilisables" : zone de protection d'eaux potabilisables établie en vertu de l'article 156;
92° "zone de distribution" : zone géographique dans laquelle les eaux destinées à la consommation humaine proviennent d'une ou de plusieurs sources et à l'intérieur de laquelle la qualité est considérée comme uniforme;
93° "zone de prises d'eau" : aire géographique dans laquelle sont installés les ouvrages de surface des prises d'eau;
94° "zone de prévention" : aire géographique dans laquelle le captage peut être atteint par tout polluant sans que celui-ci soit dégradé ou dissous de façon suffisante, sans qu'il soit possible de le récupérer de façon efficace;
95° "zone de surveillance" : aire géographique qui comprend le bassin ou partie de bassin d'alimentation et le bassin ou partie de bassin hydrogéologique qui sont susceptibles d'alimenter une zone de prise d'eau existante ou éventuelle;
[12 96° "gestion publique de l'assainissement autonome" : ensemble d'actes de sensibilisation, administratifs et financiers confiés aux pouvoirs publics en vue d'assurer la mise en oeuvre et le bon fonctionnement de l'assainissement autonome par le propriétaire ou l'occupant de l'habitation et de permettre un niveau de protection de l'environnement équivalent à l'assainissement collectif.]12
1° "agglomération" : zone dans laquelle la population et/ou les activités économiques sont suffisamment concentrées pour qu'il soit possible de collecter les eaux urbaines résiduaires pour les acheminer vers une station d'épuration ou un point de rejet final;
[12 1°bis "propriétaire" :
- toute personne titulaire d'un droit de propriété, d'usufruit, de nue-propriété, d'usage, d'habitation, de superficie, d'emphytéose sur un immeuble raccordé à la distribution publique;
- toute personne titulaire d'un contrat d'achat d'eau en vue de sa consommation sans passer par un réseau public de distribution d'eau;]12
2° "approche combinée" : approche visant la réduction de la pollution à la source par la fixation de valeurs limites d'émission et de normes de qualité environnementale;
3° "aquifère" : une ou plusieurs couches souterraines de roche ou d'autres couches géologiques d'une porosité et d'une perméabilité suffisantes pour permettre soit un courant significatif d'eau souterraine, soit le captage de quantités importantes d'eau souterraine;
4° [12 "assainissement collectif" : ensemble des opérations de collecte des eaux usées, d'épuration publique et de travaux d'égouttage visés à l'article D.217, alinéa 2, y compris le démergement en zone d'affaissements miniers en ce qu'il constitue une action indispensable aux performances de l'assainissement collectif;]12
[12 4°bis "assainissement autonome" : assainissement des eaux usées domestiques d'une habitation ou d'un ensemble d'habitations ne nécessitant pas d'opération de collecte et d'épuration publiques des eaux usées;]12
[17 4°ter. " augmentation anormale de la consommation d'eau potable " : volume d'eau excédant à la fois 50m3 et le double du volume d'eau consommé depuis le dernier relevé d'index, communiqué par l'usager ou vu par un agent du distributeur et ayant permis l'établissement d'une facture de régularisation périodique mensuelle, trimestrielle ou annuelle;]17
5° "autorité de bassin" : l'autorité administrative qui a pour attribution la gestion de l'ensemble de chaque bassin hydrographique wallon;
6° "bassin hydrographique" : toute zone dans laquelle toutes les eaux de ruissellement convergent à travers un réseau de rivières, fleuves et éventuellement de lacs vers la mer, dans laquelle elles se déversent par une seule embouchure, estuaire ou delta;
7° "bassin hydrographique wallon" : la portion de chaque district hydrographique international située sur le territoire de la Région wallonne;
8° "bateau" : bâtiment capable de se maintenir à la surface de l'eau, avec ou sans moteur;
[9 8° bis " bon état chimique d'une eau de surface " : l'état chimique requis pour atteindre les objectifs environnementaux fixés à l'article D.22, § 1er, 1°, pour les eaux de surface, c'est-à-dire l'état chimique atteint par une masse d'eau de surface dans laquelle les concentrations de polluants ne dépassent pas les normes de qualité environnementale fixées par le Gouvernement;]9
[9 8° ter " bon état d'une eau de surface " : l'état atteint par une masse d'eau de surface lorsque son état écologique et son état chimique sont au moins " bons ";]9
[9 8° quater " bon état d'une eau souterraine " : l'état atteint par une masse d'eau souterraine lorsque son état quantitatif et son état chimique sont au moins " bons " en vertu des dispositions du présent Code;]9
[9 8° quinquies " bon état écologique " : l'état d'une masse d'eau de surface, classé conformément à l'annexe VI de la partie décrétale;]9
[15 8°sexies " berge " : talus situé de part et d'autre du cours d'eau, limité vers l'intérieur des terres par la crête de berge;]15
[15 8°septies " bief " : canal de dérivation détournant une partie du débit d'un cours d'eau non classé ou d'un cours d'eau non navigable; tous les biefs sont assimilés à des cours d'eau non classés, sauf ceux classés parmi les cours d'eau non navigables ou les voies hydrauliques au jour de l'entrée en vigueur du présent article;]15
9° "charge du service" : ensemble des obligations qui s'imposent à la personne qui a la qualité, selon le cas, d'abonné ou d'usager;
10° "collecteurs" : conduites reliant les réseaux d'égouts aux emplacements prévus ou prévisibles pour réaliser l'épuration des eaux usées;
11° "comité de contrôle de l'eau" : comité institué par l'article 4;
12° [14 ...]14
13° "commission internationale de la Meuse" : la commission internationale instituée par l'accord international sur la Meuse;
14° "commission internationale de l'Escaut" : la commission internationale instituée par l'accord international sur l'Escaut;
15° "compteur" : dispositif métrologique et ses accessoires permettant de déterminer les volumes d'eau consommés pendant une période déterminée;
[12 15°bis "consommateur" : toute personne qui jouit de l'eau mise à disposition par un fournisseur;]12
[16 15°ter. Contrat de captage : convention conclue entre la S.P.G.E., le titulaire de prise d'eau tel que visé à l'article D.169, la Région wallonne et les acteurs de terrain qui vise, suite à un diagnostic environnemental, et par le biais d'une démarche participative à :
1° réduire les pressions, dont les pollutions diffuses, exercées dans des zones de prévention, voire de surveillance ou le bassin d'alimentation de prises d'eau potabilisable à risque d'un point de vue qualitatif;
2° préserver ou restaurer le bon état quantitatif;
3° identifier des coûts potentiels pour réduire ces pressions et pollutions diffuses qui peuvent être pris en charge dans un programme financier de la S.P.G.E.
15°quater. Contrat de nappe : convention conclue entre une ou plusieurs personnes de droit public ou de droit privé et la S.P.G.E. dans une démarche participative, suite à un diagnostic réalisé sur une masse d'eau souterraine à risque et dont l'un des usages principaux est la production d'eau potabilisable et visant à lutter contre les pressions quantitatives et qualitatives, selon les objectifs et les mesures adoptés par l'autorité de bassin dans le cadre des plans de gestion des bassins hydrographiques. Le contrat de nappe est indépendant du contrat de service de protection de l'eau potabilisable;]16
16° [19 contrat de service d'assainissement " : convention conclue entre un distributeur et la Société publique de gestion de l'eau au terme de laquelle le distributeur loue les services de la Société pour réaliser, selon une planification déterminée, l'assainissement collectif et la gestion publique de l'assainissement autonome d'un volume d'eau correspondant au volume d'eau qu'il distribue en Région wallonne;]19
[11 16°bis " contrat de service d'assainissement industriel " : le contrat de service approuvé par le Gouvernement wallon et visant à assurer l'atteinte des objectifs fixés à l'article D.22, et conclu entre une entreprise rejetant des eaux usées industrielles dans une station d'épuration publique, l'organisme d'assainissement agréé visé aux articles D.343 à D.345 et la S.P.G.E.]11
17° "contrat de service d'épuration et de collecte" : convention conclue entre la Société publique de gestion de l'eau et les [1 organismes d'assainissement agréés]1, au terme de laquelle [1 ces derniers]1 assurent, contre une rémunération, au nom et pour le compte de la première, des missions de service public, les études, la construction de dispositifs d'épuration et l'épuration de volumes d'eaux usées déterminés;
18° "contrat de service de protection de l'eau potabilisable" : convention conclue entre un producteur [19 ...]19 et la Société publique de gestion de l'eau, au terme de laquelle cette dernière fait assurer, contre une rémunération, la protection des eaux potabilisables, telle que déterminée dans les programmes [13 visés à l'article D288, § 2, alinéa 2;]13;
19° "contrôles des émissions" : des contrôles exigeant une limite d'émission spécifique, par exemple une valeur limite d'émission, ou imposant d'une autre manière des limites ou conditions aux effets, à la nature ou à d'autres caractéristiques d'une émission ou de conditions de fonctionnement qui influencent les émissions;
[15 19°bis " cours d'eau " : surface du territoire qui est occupée par des eaux naturelles s'écoulant de façon continue ou intermittente dans le lit mineur, à l'exclusion des fossés d'écoulement des eaux de ruissellement ou de drainage;]15
[15 19°ter " cours d'eau non classé " : cours d'eau non classé parmi les voies hydrauliques ou les cours d'eau non navigables;]15
20° [15 " cours d'eau non navigables " : cours d'eau non classés par le Gouvernement parmi les voies hydrauliques, en aval du point où la superficie de l'ensemble des terres dont l'évacuation des eaux est assurée par le cours d'eau atteint au moins 100 hectares; ce point s'appelle origine du cours d'eau;]15
[11 20°bis " coût assainissement industriel " : ci-après dénommé C.A.I., le coût du service presté par la S.P.G.E. au bénéfice de l'entreprise, rejetant des eaux usées industrielles dans une station d'épuration publique et qui est calculé, conformément à l'article D.260, sur base du coût d'exploitation, du coût d'investissement et des frais de gestion;]11
21° "coût pour l'environnement" : coût des dégâts que les utilisations de l'eau occasionnent à l'environnement, aux écosystèmes et aux utilisateurs de l'environnement;
22° "coût pour les ressources" : coût de l'appauvrissement de la ressource entraînant la disparition de certaines possibilités pour d'autres utilisateurs à la suite de l'amoindrissement des ressources au-delà de leur taux naturel de renouvellement ou de récupération;
23° "coût-vérité à l'assainissement" : ci-après dénommé C.V.A., calculé par mètre cube, il comprend l'ensemble des coûts liés à l'assainissement des eaux usées domestiques;
24° "coût-vérité à la distribution" : ci-après dénommé C.V.D., calculé par mètre cube, il comprend l'ensemble des coûts de la production d'eau et de la distribution d'eau, en ce compris les coûts de protection des eaux prélevées en vue de la distribution publique;
[15 24°bis " crête de berge " : ligne reliant les points au-delà desquels les eaux débordent en dehors du lit mineur à l'occasion des crues;]15
25° "date de la notification" : le lendemain de la remise de la pièce notifiée à la poste;
26° "déversement d'eaux usées" : introduction d'eaux usées dans une eau souterraine ou dans une eau de surface par canalisations ou par tout autre moyen à l'exception du ruissellement naturel des eaux pluviales;
27° "déversement direct dans les eaux souterraines" : déversement de polluants dans les eaux souterraines sans infiltration à travers le sol ou le sous-sol;
[7 27°bis : "digue" : tout remblai insubmersible, aménagé le long d'un cours d'eau ou à l'intérieur des terres afin de retenir les crues du cours d'eau;]7
[13 27°ter : " Directive-cadre sur l'eau " : la Directive 2000/60/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2000 établissant un cadre pour une politique communautaire dans le domaine de l'eau;]13
28° [19 " distributeur " : exploitant du réseau public de distribution d'eau;]19
29° "district hydrographique international" : une zone terrestre et maritime, composée d'un ou de plusieurs bassins hydrographiques partagés entre plusieurs Etats membres de la Communauté européenne, ainsi que des eaux souterraines et eaux côtières associées, identifiée comme principale unité aux fins de la gestion des bassins hydrographiques;
30° "eaux côtières" : les eaux de surface situées en deçà d'une ligne dont tout point est situé à une distance d'un mille marin au-delà du point le plus proche de la ligne de base servant pour la mesure de la largeur des eaux territoriales et qui s'étendent, le cas échéant, jusqu'à la limite extérieure d'une eau de transition;
31° "eaux intérieures" : toutes les eaux stagnantes et les eaux courantes à la surface du sol et toutes les eaux souterraines en amont de la ligne de base servant pour la mesure de la largeur des eaux territoriales;
32° "eaux de refroidissement" : les eaux qui sont utilisées dans l'industrie pour le refroidissement en circuit ouvert et qui ne sont pas entrées en contact avec les matières à refroidir;
33° "eaux destinées à la consommation humaine" : les eaux, soit en l'état, soit après traitement, destinées à la boisson, à la cuisson, à la préparation d'aliments, ou à d'autres usages domestiques [20 dans des lieux publics comme dans des lieux privés]20, quelle que soit leur origine, et qu'elles soient fournies par un réseau de distribution par canalisations ou à partir d'une prise d'eau privée [20 d'une citerne collective,]20 d'un camion-citerne ou d'un bateau-citerne, [7 ou fournies en bouteilles ou en conteneurs lorsqu'elles sont destinées à être utilisées à des fins non commerciales]7 ainsi que les eaux fournies aux établissements alimentaires à partir d'un réseau de distribution avant toute manipulation ou tout traitement dans ces établissements [21 , à moins que le fournisseur et l'établissement alimentaire conviennent expressément d'une fourniture en eau non destinée à la consommation humaine]21;
34° "eaux de surface" : les eaux intérieures, à l'exception des eaux souterraines, les eaux de transition et les eaux côtières, sauf en ce qui concerne leur état chimique, pour lequel les eaux territoriales sont également incluses;
35° "eaux de surface ordinaires" : les eaux des voies navigables, les eaux des cours d'eau non navigables, y compris leurs parcours souterrains, les ruisseaux et rivières, même à débit intermittent en amont du point où ils sont classés comme cours d'eau non navigables, les eaux des lacs, des étangs et autres eaux courantes et stagnantes à l'exception des eaux des voies artificielles d'écoulement;
36° "eaux de transition" : les masses d'eaux de surface à proximité des embouchures de rivières, qui sont partiellement salines en raison de leur proximité d'eaux côtières mais qui sont fondamentalement influencées par des courants d'eau douce;
[11 36°bis " eaux d'exhaure " : les eaux évacuées par un moyen technique adéquat afin de permettre l'exploitation à sec d'une carrière ou d'une mine;]11
[11 36°ter " eaux géothermales " : les eaux souterraines dont la température est supérieure à 50 ° C du fait d'un séjour en profondeur et qui peuvent être exploitées en vue de la production et la distribution de chaleur ou d'électricité par réseau public;]11
[11 36°quater " eaux grises ou eaux ménagères " : les eaux usées domestiques provenant d'installations sanitaires, de lave-linges et de cuisines et ne contenant pas de matières fécales, d'urines ou de papier de toilette;]11
[11 36°quinquies " eaux noires ou eaux vannes " : les eaux usées domestiques provenant des toilettes et constituées exclusivement de matières fécales, d'urines, de papier de toilette et d'eau de rinçage;]11
[19 36°sexies " eaux d'exhaure valorisables " : eaux d'exhaure potabilisables ou destinées à la consommation humaine cédées, directement ou indirectement, à un producteur disposant de la personnalité morale de droit public;]19
37° "eaux potabilisables" : toutes eaux souterraines ou de surface qui, naturellement ou après un traitement approprié physico-chimique ou microbiologique, est destinée à être distribuée pour être bue sans danger pour la santé;
38° "eaux souterraines" : toutes les eaux se trouvant sous la surface du sol dans la zone de saturation et en contact direct avec le sol ou le sous-sol;
39° "eaux usées" :
- eaux polluées artificiellement ou ayant fait l'objet d'une utilisation, en ce compris les eaux de refroidissement;
- eaux de ruissellement artificiel d'origine pluviale;
- eaux épurées en vue de leur rejet;
[2 - gadoues [12 ...]12 qui sont destinées à être déversées et traitées dans une station d'épuration des eaux.]2
40° [11 ...]11
41° "eaux usées domestiques" :
a) les eaux qui ne contiennent que :
- des eaux provenant d'installations sanitaires;
- des eaux de cuisine;
- des eaux provenant du nettoyage de bâtiments, tels qu'habitations, bureaux, locaux où est exercé un commerce de gros ou de détail, salles de spectacle, casernes, campings, prisons, établissements d'enseignement avec ou sans internat, hôpitaux, cliniques et autres établissements où des malades non contagieux sont hébergés et reçoivent des soins, bassins de natation, hôtels, restaurants, débits de boissons, salons de coiffure;
- des eaux de lessive à domicile;
- des eaux de lavage des cycles non pourvus de moteurs (bicyclettes, tandems, tricycles, etc.) et des cyclomoteurs (cylindrée n'excédant pas 50 cm3);
- des eaux de lavage de moins de dix véhicules et de leurs remorques par jour (tels que voitures, camionnettes et camions, autobus et autocars, tracteurs, motocyclettes), à l'exception des véhicules sur rail;
- ainsi que, le cas échéant, des eaux de pluie;
b) les eaux usées provenant des établissements de lavage de linge dont les machines sont utilisées exclusivement par la clientèle;
c. [3 les eaux usées distinctes des eaux usées définies aux points a. et b. ci-dessus provenant d'établissements déversant une charge polluante journalière inférieure ou égale à 100 E.H. avant traitement et exemptes de substances dangereuses telles que définies à l'article D.2, 79°, à l'exclusion des établissements désignés par le Gouvernement pour lesquels les eaux usées sont nuisibles aux égouts ou au fonctionnement normal d'une station d'épuration ou au milieu récepteur et ne peuvent pas être classées comme eaux usées domestiques.
L'E.H. visé à l'alinéa précédent représente une unité de charge polluante ayant :
- une demande biochimique d'oxygène en cinq jours (D.B.O.5) de 60 grammes par jour;
- une demande chimique en oxygène (D.C.O.) de 135 grammes par jour;
- une teneur en matières en suspension (M.E.S.) de 90 grammes par jour;
- une teneur en azote total de 9,9 grammes par jour;
- une teneur en phosphore total de 2,2 grammes par jour;
- un débit de 0,18 m3 par jour.]3
[4 d. par assimilation, les gadoues [12 ...]12 qui sont destinées à être déversées et traitées dans une station d'épuration des eaux.]4
42° "eaux usées industrielles" : eaux usées autres que les eaux usées domestiques [11 ...]11;
43° "égouts publics" : voies publiques d'écoulement d'eau constituées de conduites souterraines et affectées à la collecte d'eaux usées;
44° "épuration" : traitement primaire, secondaire ou approprié de l'eau usée, avant rejet dans un bassin hydrographique, en vue de respecter les normes et prescriptions relatives aux eaux urbaines résiduaires et en vue d'atteindre dans le milieu récepteur une eau répondant aux valeurs impératives ou aux valeurs guides conformément aux dispositions relatives aux eaux réceptrices;
45° "état d'une eau de surface" : l'expression générale de l'état d'une masse d'eau de surface, déterminé par la plus mauvaise valeur de son état écologique et de son état chimique;
46° "état d'une eau souterraine" : l'expression générale de l'état d'une masse d'eau souterraine, déterminé par la plus mauvaise valeur de son état quantitatif et de son état chimique;
47° "état chimique d'une eau de surface" : l'expression de la concentration des polluants dans l'eau, le sédiment ou les êtres vivants;
48° "état chimique d'une eau souterraine" : l'expression de la conductivité et des concentrations de polluants dans une masse d'eau souterraine;
49° "état écologique" : l'expression de la qualité de la structure et du fonctionnement des écosystèmes aquatiques associés aux eaux de surface [9 conformément à l'annexe VI de la partie décrétale]9;
50° "état quantitatif" : l'expression du degré d'incidence des captages directs et indirects sur une masse d'eau souterraine [9 obtenue à partir des mesures piézométriques à long terme de celle-ci ou sur la base d'autres paramètres ou informations tels que les bilans hydrologiques de la masse d'eau souterraine ou les débits d'étiage des cours d'eau associés]9;
51° [5 "fonctionnaire chargé du recouvrement" : le fonctionnaire institué dans la fonction de "receveur des taxes et redevances" auprès [18 du Département de la Perception et du Recouvrement du Service public de Wallonie Finances]18; le Gouvernement wallon peut toutefois modifier cette définition en cas de modification de structure du Service public de Wallonie, en vue d'adapter le fonctionnaire y visé à la nouvelle structure;]5
52° "fonds social de l'eau" : le mécanisme financier décrit aux articles 237 à 251 et faisant intervenir les distributeurs, les centres publics d'aide sociale et la S.P.G.E.;
[10 52°bis " forage " : toute action qui consiste à percer un trou depuis la surface du sol, d'un ouvrage existant ou d'une excavation souterraine susceptible d'altérer la nappe d'eau souterraine;]10
53° [20 " fournisseur d'eau " : une entité fournissant des eaux destinées à la consommation humaine telle que l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau par canalisations, l'exploitant d'une prise d'eau privée ou d'une citerne collective qui permettent d'alimenter par des canalisations des consommateurs sans passer par un réseau public de distribution d'eau, ou l'opérateur qui fournit l'eau à partir d'un camion-citerne ou d'un bateau-citerne; ]20
[17 53°bis. " fuite cachée " : toute fuite difficilement décelable sur une installation privée de distribution alimentant un logement, à l'exclusion des fuites consécutives à la défectuosité d'appareils ménagers, d'installations sanitaires ou de chauffage et de leur raccordement;]17
54° [12 "gadoues" : le produit de la vidange d'une fosse septique ou d'un système d'épuration individuelle;]12
[7 54°bis "inondation" : submersion temporaire par l'eau de terres qui ne sont pas submergées en temps normal, à l'exclusion des inondations dues aux réseaux d'égouts;]7
[12 54ter [20 " installation privée de distribution " : les canalisations, appareillages et accessoires installés entre les robinets qui, dans des lieux publics comme dans des lieux privés, alimentent le bien immeuble et ses équipements en eau destinée à la consommation humaine et qui ne relèvent pas de la responsabilité du fournisseur. Lorsque le bien immeuble est raccordé à un réseau de distribution, l'installation privée de distribution commence au point de jonction; ]20
[20 54° quater " lieux prioritaires " : les lieux non résidentiels et de grande taille, où de nombreux utilisateurs sont potentiellement exposés à des risques liés à l'eau, en particulier les lieux à l'usage du public, conformément au recensement réalisé par le Gouvernement wallon;]20
55° "logement" : logement individuel au sens de l'article 1er, 4°, du Code wallon du logement;
56° "lac" : une masse d'eau intérieure de surface stagnante;
[15 56°bis " lit mineur " : surface du territoire, artificialisée ou non, occupée par les plus hautes eaux d'un cours d'eau avant débordement, comprenant le chenal ordinaire d'écoulement et les berges jusqu'à la crête de berge;]15
[15 56°ter " libre circulation des poissons " : déplacement de poissons qui concerne une grande partie ou certaines classes d'âge de la population d'une espèce et qui ont lieu durant le cycle de vie de l'espèce avec une périodicité prévisible, deux habitats distincts au moins étant concernés;]15
57° "masse d'eau artificielle" : masse d'eau de surface créée par l'activité humaine;
58° "masse d'eau de surface" : une partie distincte et significative des eaux de surface telles qu'un lac, un réservoir, une rivière, un fleuve ou un canal, une partie de rivière, de fleuve ou de canal, une eau de transition ou une portion d'eaux côtières;
59° "masse d'eau fortement modifiée" : masse d'eau de surface qui, par suite d'altérations physiques dues à l'activité humaine, est fondamentalement modifiée quant à son caractère, telle que désignée par l'autorité de bassin [9 conformément aux dispositions des articles D.17-1, § 1er, D.22, § 7, et de l'annexe V de la partie décrétale]9;
60° "masse d'eau souterraine" : un volume distinct d'eau souterraine à l'intérieur d'un ou de plusieurs aquifères;
61° "mesures générales de protection" : mesures de protection des eaux souterraines et des eaux potabilisables applicables à tout le territoire de la Région wallonne;
62° "norme de qualité environnementale" : la concentration d'un polluant ou d'un groupe de polluants dans l'eau, les sédiments ou le biote qui ne doit pas être dépassée, afin de protéger la santé humaine et l'environnement [9 telle que définie par le Gouvernement]9;
63° "notification" : l'envoi d'un acte de procédure en original ou en copie par lettre recommandée à la poste;
64° "objectifs environnementaux" : objectifs fixés à l'article 22;
[15 64°bis " obstacle à la libre circulation des poissons " : tout ouvrage qui entrave la libre circulation des poissons latéralement ou de l'aval vers l'amont du cours d'eau et vice-versa;]15
65° "ouvrages de prises d'eau" : tous les puits, captages, drainages et, en général, tous les ouvrages et installations ayant pour objectif ou pour effet d'opérer une prise d'eau, y compris les captages de sources à l'émergence;
[15 65°bis " passe à poissons " : toute construction ou installation fixe située en dehors ou dans le lit mineur assurant la montaison ou la dévalaison de poissons;]15
[12 65°bis "point de jonction" : la frontière entre le réseau de distribution et l'installation privée de distribution qui se trouve immédiatement en aval du compteur, joint de sortie exclu. En l'absence de compteur, ce point de jonction est défini par convention entre le propriétaire et le fournisseur. En l'absence de convention, ce point est défini à la limite du domaine privé;]12
66° [9 " polluant " : toute substance pouvant entraîner une pollution, en particulier celles figurant dans l'annexe VII de la partie décrétale dont le Gouvernement précise la liste pour les eaux de surface et les eaux souterraines;]9
67° "pollution" : l'introduction directe ou indirecte, par suite de l'activité humaine, de substances ou de chaleur dans l'air, l'eau ou le sol, susceptibles de porter atteinte à la santé humaine ou à la qualité des écosystèmes aquatiques ou des écosystèmes terrestres dépendant directement des écosystèmes aquatiques, qui entraînent des détériorations aux biens matériels, une détérioration ou une entrave à l'agrément de l'environnement ou à d'autres utilisations légitimes de ce dernier;
68° [9 " bon potentiel écologique " : l'état d'une masse d'eau fortement modifiée ou artificielle, classé conformément aux dispositions de l'annexe VI de la partie décrétale;]9
69° "prise d'eau" : opération de prélèvement d'eau, y compris l'épuisement d'afflux fortuits;
[19 69°bis " producteur " : toute personne morale ou physique qui capte dans le milieu naturel de l'eau potabilisable ou destinée à la consommation humaine, ou qui l'acquiert en gros, à la condition que cette eau alimente un réseau public de distribution.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'exploitant d'une carrière n'a pas la qualité de producteur pour l'eau d'exhaure valorisable qu'il capte;]19
70° "raccordement" : ensemble des canalisations et appareillages utilisés pour l'alimentation en eau d'un immeuble, depuis la prise effectuée sur la conduite mère du distributeur jusqu'au [20 point de jonction]20;
71° [11 " redevable " : toute personne y compris les intercommunales, à l'exception des missions liées au statut d'organisme d'assainissement agréé qui prélève des volumes d'eau soumis à redevance ou contribution, toute personne soumise à la taxe sur le déversement des eaux usées ainsi que toute personne soumise à la taxe sur les charges environnementales générées par les exploitations agricoles;]11
[9 71°bis " ressource disponible d'eau souterraine " : le taux moyen annuel à long terme de la recharge totale de la masse d'eau souterraine moins le taux annuel à long terme de l'écoulement requis pour atteindre les objectifs de qualité écologique des eaux de surface associées fixés à l'article D.22, afin d'éviter toute diminution significative de l'état écologique de ces eaux et d'éviter toute dégradation significative des écosystèmes terrestres associés;]9
[7 [9 71°ter]9 "risque d'inondation" : la combinaison de la probabilité d'une inondation et des conséquences négatives potentielles pour la santé humaine, l'environnement, le patrimoine culturel et l'activité économique associées à une inondation;]7
[15 71°quater " ripisylve " : toute formation végétale ligneuse et indigène qui croît au bord d'un cours d'eau en zone d'aléa d'inondation élevé au sens de l'article D. 53-2;]15
72° "rivière" : une masse d'eau intérieure coulant en majeure partie sur la surface du sol mais qui peut couler en sous-sol sur une partie de son parcours;
[15 72°bis " sectorisation " : découpage cartographique du linéaire des cours d'eau en secteurs homogènes sur base du territoire écologique, de la largeur des zones soumises à l'aléa d'inondation et de l'occupation du sol de ces zones;]15
73° "service" : ensemble des actes techniques et administratifs en vue d'assurer la distribution publique de l'eau;
74° "services liés à l'utilisation de l'eau" : tous les services qui couvrent, pour les ménages, les institutions publiques ou une activité économique quelconque :
a) le captage, l'endiguement, le stockage, le traitement et la distribution d'eau de surface ou d'eau souterraine;
b) les installations de collecte et de traitement des eaux usées qui effectuent ensuite des rejets dans les eaux de surface;
75° "signification" : la remise d'une copie de l'acte par exploit d'huissier de justice;
76° "S.P.G.E." : la Société publique de gestion de l'eau visée à l'article 331;
77° "sous-bassin" : toute zone dans laquelle toutes les eaux de ruissellement convergent à travers un réseau de rivières, de fleuves et éventuellement de lacs vers un point particulier d'un cours d'eau (normalement un lac ou un confluent);
78° "sous-bassin hydrographique wallon" : la portion d'un bassin hydrographique wallon visé à l'article 7;
79° "substances dangereuses" : les substances ou groupes de substances qui sont toxiques, persistantes et bioaccumulables, et autres substances ou groupes de substances qui sont considérées, à un degré équivalent, comme sujettes à caution;
80° "substances dangereuses prioritaires" : substances désignées par le Gouvernement;
81° "substances prioritaires" : substances désignées par le Gouvernement;
[13 81°bis : " Système d'épuration individuelle " : équipement permettant l'épuration des eaux usées domestiques rejetées par une habitation ou un groupe d'habitations et l'évacuation des eaux épurées;]13
82° "usager" : toute personne qui jouit du service de la distribution publique de l'eau en tant qu'occupant d'un immeuble raccordé;
83° "utilisation de l'eau" : les services liés à l'utilisation de l'eau ainsi que toute autre activité, identifiée aux termes de l'état descriptif [9 conformément aux dispositions des articles D.17, D.17-1, D.17-2 et de l'annexe V de la partie décrétale]9, susceptibles d'influer de manière sensible sur l'état des eaux;
84° "valeurs guides" : valeurs paramétriques auxquelles les eaux de surface, dans une zone déterminée, devront être conformes dans un délai qui n'est pas déterminé;
85° "valeurs impératives" : valeurs paramétriques auxquelles les eaux de surface, dans une zone déterminée, doivent être conformes soit immédiatement, soit dans un délai déterminé;
86° "valeurs limites d'émission" : la masse, exprimée en fonction de certains paramètres spécifiques, la concentration et/ou le niveau d'une émission à ne pas dépasser au cours d'une ou de plusieurs périodes données. Les valeurs limites d'émission peuvent être fixées également pour certains groupes, familles ou catégories de substances;
87° "valeurs paramétriques" : mesures des différentes caractéristiques d'un paramètre;
88° "voies artificielles d'écoulement" : rigoles, fossés ou aqueducs affectés à l'évacuation des eaux pluviales ou d'eaux usées épurées;
89° "voies hydrauliques" : [15 voies hydrauliques, grands ouvrages hydrauliques et leurs dépendances visés à l'article 2 du décret du 19 mars 2009 relatif à la conservation du domaine public régional routier et des voies hydrauliques;]15
90° "zone" : au sens de l'article 218, partie du territoire ne constituant pas une agglomération mais située au sein d'un sous-bassin hydrographique et suffisamment homogène pour y appliquer un régime d'assainissement;
91° "zone d'eaux potabilisables" : zone de protection d'eaux potabilisables établie en vertu de l'article 156;
92° "zone de distribution" : zone géographique dans laquelle les eaux destinées à la consommation humaine proviennent d'une ou de plusieurs sources et à l'intérieur de laquelle la qualité est considérée comme uniforme;
93° "zone de prises d'eau" : aire géographique dans laquelle sont installés les ouvrages de surface des prises d'eau;
94° "zone de prévention" : aire géographique dans laquelle le captage peut être atteint par tout polluant sans que celui-ci soit dégradé ou dissous de façon suffisante, sans qu'il soit possible de le récupérer de façon efficace;
95° "zone de surveillance" : aire géographique qui comprend le bassin ou partie de bassin d'alimentation et le bassin ou partie de bassin hydrogéologique qui sont susceptibles d'alimenter une zone de prise d'eau existante ou éventuelle;
[12 96° "gestion publique de l'assainissement autonome" : ensemble d'actes de sensibilisation, administratifs et financiers confiés aux pouvoirs publics en vue d'assurer la mise en oeuvre et le bon fonctionnement de l'assainissement autonome par le propriétaire ou l'occupant de l'habitation et de permettre un niveau de protection de l'environnement équivalent à l'assainissement collectif.]12
Wijzigingen
Art. D2bis.
Art. D2bis.
Art. D2ter. [1 § 1er. De termijnen bedoeld in de artikelen D.252 tot D290 worden berekend overeenkomstig de artikelen 52, eerste lid, 53, 53bis et 54 van het Gerechtelijk wetboek.
§ 2. Als de artikelen D.252 tot D290, alsook het regelgevend gedeelte van Boek II en de desbetreffende overige uitvoeringsbesluiten, melding maken van de bevoegdheden van ambtenaren van de diensten van het Waalse Gewest en van de Waalse openbare instellingen aangewezen door de Waalse Regering om de dienst van de bij die bepalingen vastgelegde belastingen en taksen waar te nemen, kunnen die ambtenaren zowel van de statutaire personeelsleden als van het contractuele personeel van de dienst of van betrokken instelling deel uitmaken.]1
§ 2. Als de artikelen D.252 tot D290, alsook het regelgevend gedeelte van Boek II en de desbetreffende overige uitvoeringsbesluiten, melding maken van de bevoegdheden van ambtenaren van de diensten van het Waalse Gewest en van de Waalse openbare instellingen aangewezen door de Waalse Regering om de dienst van de bij die bepalingen vastgelegde belastingen en taksen waar te nemen, kunnen die ambtenaren zowel van de statutaire personeelsleden als van het contractuele personeel van de dienst of van betrokken instelling deel uitmaken.]1
Art. D2ter. [1 § 1er. Les délais mentionnés aux articles D.252 à D290 sont calculés conformément aux articles 52, alinéa 1er, 53, 53bis et 54, du Code judiciaire.
§ 2. Lorsque les articles D.252 à D290, ainsi que la partie réglementaire du Livre II et les autres arrêtés pris pour leur exécution, mentionnent les compétences de fonctionnaires des services de la Région wallonne et des établissements publics wallons désignés par le Gouvernement wallon pour assurer le service des impôts et taxes établis par ces dispositions, ces fonctionnaires peuvent faire partie aussi bien des agents statutaires que du personnel contractuel du service ou de l'établissement en cause.]1
§ 2. Lorsque les articles D.252 à D290, ainsi que la partie réglementaire du Livre II et les autres arrêtés pris pour leur exécution, mentionnent les compétences de fonctionnaires des services de la Région wallonne et des établissements publics wallons désignés par le Gouvernement wallon pour assurer le service des impôts et taxes établis par ces dispositions, ces fonctionnaires peuvent faire partie aussi bien des agents statutaires que du personnel contractuel du service ou de l'établissement en cause.]1
Wijzigingen
TITEL III. - Adviesinstanties.
TITRE III. - Instances consultatives.
HOOFDSTUK I.
CHAPITRE Ier.
Art. D3.
Art. D3.
HOOFDSTUK II. - Comité voor watercontrole.
CHAPITRE II. - Comité de contrôle de l'eau.
Art. D4. § 1. Er wordt een Comité voor watercontrole ingesteld, dat via zijn adviezen ervoor moet zorgen dat de prijs van het water gebaseerd wordt op het algemeen belang en het waterbeleid gevoerd in het Waalse Gewest en het in rekening nemen van de reële kostprijs. Dit Comité zorgt voor de toepassing door de operatoren van de antropogene watercyclus van de bepalingen bedoeld in de artikelen 194 tot 209, 228 tot 233, 417 tot 419, 443 en 444, en van de reglementaire bepalingen die krachtens deze genomen worden.
§ 2. Het Controlecomité bestaat uit veertien gewone en veertien plaatsvervangende leden benoemd door de Regering, waaronder :
1° vier vertegenwoordigers van de gemeenten gekozen uit een dubbeltal dat voorgedragen wordt door de "Union des villes et communes de Wallonie";
2° twee vertegenwoordigers van het Gewest;
3° twee vertegenwoordigers van de verbruikers gekozen uit een dubbeltal dat voorgedragen wordt door de centrale Raad voor de consumptie;
4° zes vertegenwoordigers gekozen uit een dubbeltal dat voorgedragen wordt door de "C.E.R.S.W." (Sociaal-economische Raad van het Waalse Gewest).
Bovendien wonen de volgende personen het Controlecomité bij :
1° twee vertegenwoordigers van de "S.P.G.E." (Openbare Maatschappij voor Waterbeheer);
2° twee vertegenwoordigers van de producenten en twee vertegenwoordigers van de door de in artikel 333, § 2, 4°, van het decreet bedoelde handelsvennootschap aangewezen [1 saneringsinstellingen]1.
De hoedanigheid van lid van de Raad van bestuur van de "S.P.G.E." [3 ...]3 is onverenigbaar met die van lid van het Comité voor controle op het waterbeheer.
§ 3. Elke prijswijziging van het water wordt noodzakelijkerwijze voorgelegd voor advies aan het controlecomité vóór elke andere procedure opgelegd door andere wetgevingen.
Het controlecomité beschikt over dertig dagen om een advies in te dienen. Bij verstrijken van deze termijn wordt het advies geacht gunstig te zijn. Het wordt verstuurd ter informatie naar de Algemene Inspectie voor prijs en concurrentie.
[2 Elke verdeler geeft hem uiterlijk 31 maart kennis van het gemiddelde rendement van zijn net over het vorige jaar. De modaliteiten voor de berekening van het gemiddelde rendement worden door de Regering vastgelegd.]2
§ 4. De Regering bepaalt de zetel van het Comité, de werkwijze, de duur van de mandaten van zijn leden alsmede het bedrag van de eventueel toegekende vergoedingen en presentiegelden.
De leden van het Comité kunnen elk ogenblik ontslagen worden in geval van onmogelijkheid hun ambt uit te oefenen of wegens grove tekortkoming of wanneer ze de hoedanigheid waarvoor ze zijn benoemd, verliezen [4 , en dit onvermiderd de werkingsregels bepaald bij het decreet van 6 november 2008 houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie]4.
§ 5. Het secretariaat van het Comité wordt waargenomen door het personeel van de "Conseil économique et social de la Région wallonne", overeenkomstig artikel 4, § 3, van het decreet van 25 mei 1983 tot wijziging van de kaderwet van 15 juli 1970, houdende organisatie van de planning en economische decentralisatie en tot oprichting van een economische en sociale Raad van het Waalse Gewest.
§ 2. Het Controlecomité bestaat uit veertien gewone en veertien plaatsvervangende leden benoemd door de Regering, waaronder :
1° vier vertegenwoordigers van de gemeenten gekozen uit een dubbeltal dat voorgedragen wordt door de "Union des villes et communes de Wallonie";
2° twee vertegenwoordigers van het Gewest;
3° twee vertegenwoordigers van de verbruikers gekozen uit een dubbeltal dat voorgedragen wordt door de centrale Raad voor de consumptie;
4° zes vertegenwoordigers gekozen uit een dubbeltal dat voorgedragen wordt door de "C.E.R.S.W." (Sociaal-economische Raad van het Waalse Gewest).
Bovendien wonen de volgende personen het Controlecomité bij :
1° twee vertegenwoordigers van de "S.P.G.E." (Openbare Maatschappij voor Waterbeheer);
2° twee vertegenwoordigers van de producenten en twee vertegenwoordigers van de door de in artikel 333, § 2, 4°, van het decreet bedoelde handelsvennootschap aangewezen [1 saneringsinstellingen]1.
De hoedanigheid van lid van de Raad van bestuur van de "S.P.G.E." [3 ...]3 is onverenigbaar met die van lid van het Comité voor controle op het waterbeheer.
§ 3. Elke prijswijziging van het water wordt noodzakelijkerwijze voorgelegd voor advies aan het controlecomité vóór elke andere procedure opgelegd door andere wetgevingen.
Het controlecomité beschikt over dertig dagen om een advies in te dienen. Bij verstrijken van deze termijn wordt het advies geacht gunstig te zijn. Het wordt verstuurd ter informatie naar de Algemene Inspectie voor prijs en concurrentie.
[2 Elke verdeler geeft hem uiterlijk 31 maart kennis van het gemiddelde rendement van zijn net over het vorige jaar. De modaliteiten voor de berekening van het gemiddelde rendement worden door de Regering vastgelegd.]2
§ 4. De Regering bepaalt de zetel van het Comité, de werkwijze, de duur van de mandaten van zijn leden alsmede het bedrag van de eventueel toegekende vergoedingen en presentiegelden.
De leden van het Comité kunnen elk ogenblik ontslagen worden in geval van onmogelijkheid hun ambt uit te oefenen of wegens grove tekortkoming of wanneer ze de hoedanigheid waarvoor ze zijn benoemd, verliezen [4 , en dit onvermiderd de werkingsregels bepaald bij het decreet van 6 november 2008 houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie]4.
§ 5. Het secretariaat van het Comité wordt waargenomen door het personeel van de "Conseil économique et social de la Région wallonne", overeenkomstig artikel 4, § 3, van het decreet van 25 mei 1983 tot wijziging van de kaderwet van 15 juli 1970, houdende organisatie van de planning en economische decentralisatie en tot oprichting van een economische en sociale Raad van het Waalse Gewest.
Art. D4. § 1er. Il est institué un comité de contrôle de l'eau chargé de veiller, par ses avis, à ce que l'évolution du prix de l'eau soit orientée dans le sens de l'intérêt général et de la politique de l'eau menée au niveau de la Région wallonne, et à la prise en compte du coût-vérité. Il assure l'application, par les opérateurs du cycle anthropique de l'eau, des dispositions visées aux articles 194 à 209, 228 à 233, 417 à 419, 443 et 444, et des dispositions réglementaires prises en vertu de celles-ci.
§ 2. Le comité de contrôle est composé de quatorze membres effectifs et de quatorze membres suppléants nommés par le Gouvernement, dont :
1° quatre représentants des communes sur la base d'une liste double proposée par l'Union des villes et communes de Wallonie;
2° deux représentants de la Région;
3° deux représentants des consommateurs sur la base d'une liste double proposée par le conseil central de la consommation;
4° six représentants sur la base d'une liste double proposée par le C.E.S.R.W.
En outre, assistent au comité de contrôle :
1° deux représentants de la S.P.G.E.;
2° deux représentants des producteurs et deux représentants des [1 organismes d'assainissement]1 désignés par la société commerciale visée à l'article 333, § 2, 4°.
La qualité de membre du conseil d'administration de la S.P.G.E. [3 ...]3 est incompatible avec celle de membre du comité de contrôle de l'eau.
§ 3. Toute modification du prix de l'eau est obligatoirement soumise pour avis au comité de contrôle préalablement à toute autre formalité imposée par d'autres législations.
Le comité de contrôle dispose d'un délai de trente jours pour remettre son avis. Passé ce délai, l'avis est réputé favorable. Il est envoyé pour information à l'Inspection générale des prix et de la concurrence.
[2 Pour le 31 mars au plus tard, chaque distributeur lui communique le rendement moyen, de l'année antérieure, de son réseau. Les modalités de calcul du rendement moyen sont fixées par le Gouvernement.]2
§ 4. Le Gouvernement fixe le siège du comité, les modalités de fonctionnement, la durée du mandat de ses membres, ainsi que le montant des indemnités et jetons de présence éventuellement octroyés.
Les membres du comité sont révocables en tout temps en cas d'impossibilité d'exercice de leur fonction ou pour faute grave ou lorsqu'ils perdent la qualité pour laquelle ils ont été nommés [4 , et ce, sans préjudice des règles de fonctionnement définies par le décret du 6 novembre 2008 portant rationalisation de la fonction consultative ]4.
§ 5. Le secrétariat du comité est assuré par le personnel du Conseil économique et social de la Région wallonne conformément à l'article 4, § 3, du décret du 25 mai 1983 modifiant la loi-cadre du 15 juillet 1970 portant organisation de la planification et de la décentralisation économique et instaurant un Conseil économique et social de la Région wallonne.
§ 2. Le comité de contrôle est composé de quatorze membres effectifs et de quatorze membres suppléants nommés par le Gouvernement, dont :
1° quatre représentants des communes sur la base d'une liste double proposée par l'Union des villes et communes de Wallonie;
2° deux représentants de la Région;
3° deux représentants des consommateurs sur la base d'une liste double proposée par le conseil central de la consommation;
4° six représentants sur la base d'une liste double proposée par le C.E.S.R.W.
En outre, assistent au comité de contrôle :
1° deux représentants de la S.P.G.E.;
2° deux représentants des producteurs et deux représentants des [1 organismes d'assainissement]1 désignés par la société commerciale visée à l'article 333, § 2, 4°.
La qualité de membre du conseil d'administration de la S.P.G.E. [3 ...]3 est incompatible avec celle de membre du comité de contrôle de l'eau.
§ 3. Toute modification du prix de l'eau est obligatoirement soumise pour avis au comité de contrôle préalablement à toute autre formalité imposée par d'autres législations.
Le comité de contrôle dispose d'un délai de trente jours pour remettre son avis. Passé ce délai, l'avis est réputé favorable. Il est envoyé pour information à l'Inspection générale des prix et de la concurrence.
[2 Pour le 31 mars au plus tard, chaque distributeur lui communique le rendement moyen, de l'année antérieure, de son réseau. Les modalités de calcul du rendement moyen sont fixées par le Gouvernement.]2
§ 4. Le Gouvernement fixe le siège du comité, les modalités de fonctionnement, la durée du mandat de ses membres, ainsi que le montant des indemnités et jetons de présence éventuellement octroyés.
Les membres du comité sont révocables en tout temps en cas d'impossibilité d'exercice de leur fonction ou pour faute grave ou lorsqu'ils perdent la qualité pour laquelle ils ont été nommés [4 , et ce, sans préjudice des règles de fonctionnement définies par le décret du 6 novembre 2008 portant rationalisation de la fonction consultative ]4.
§ 5. Le secrétariat du comité est assuré par le personnel du Conseil économique et social de la Région wallonne conformément à l'article 4, § 3, du décret du 25 mai 1983 modifiant la loi-cadre du 15 juillet 1970 portant organisation de la planification et de la décentralisation économique et instaurant un Conseil économique et social de la Région wallonne.
TITEL IV. - Kostenterugwinning voor waterdiensten.
TITRE IV. - Récupération des coûts des services liés à l'utilisation de l'eau.
Art. D5. Het Waalse Gewest houdt rekening met het beginsel van terugwinning van de kosten van waterdiensten, inclusief milieukosten en kosten van de hulpbronnen.
De lidstaten kunnen daarbij de sociale effecten, de milieueffecten en de economische effecten van de kostenterugwinning voor waterdiensten, inclusief milieukosten en kosten van de hulpbronnen, alsmede de geografische en klimatologische omstandigheden van de betrokken gebieden in acht nemen.
De lidstaten kunnen daarbij de sociale effecten, de milieueffecten en de economische effecten van de kostenterugwinning voor waterdiensten, inclusief milieukosten en kosten van de hulpbronnen, alsmede de geografische en klimatologische omstandigheden van de betrokken gebieden in acht nemen.
Art. D5. Il est tenu compte, en Région wallonne, du principe de la récupération des coûts des services liés à l'utilisation de l'eau, y compris les coûts pour l'environnement et les ressources.
Il peut être tenu compte des effets sociaux, environnementaux et économiques de la récupération des coûts des services liés à l'utilisation de l'eau, y compris les coûts pour l'environnement et les ressources, ainsi que des conditions géographiques et climatiques de la région ou des régions concernées.
Il peut être tenu compte des effets sociaux, environnementaux et économiques de la récupération des coûts des services liés à l'utilisation de l'eau, y compris les coûts pour l'environnement et les ressources, ainsi que des conditions géographiques et climatiques de la région ou des régions concernées.
Art. D6. De stroomgebiedsoverheid zorgt er tegen het jaar 2010 voor om aan de wetgever de aangepaste voorstellen te doen zodat :
1° het waterprijsbeleid adequate prikkels bevat voor de gebruikers om de watervoorraden efficiënt te benutten, en daardoor een bijdrage te leveren aan de milieudoelstellingen bedoeld in artikel 22;
2° de diverse watergebruikssectoren, ten minste onderverdeeld in huishoudens, bedrijven en landbouw, een redelijke bijdrage leveren aan de terugwinning van kosten van waterdiensten, die gebaseerd is op de economische analyse uitgevoerd volgens artikel 17 en rekening houdt met het beginsel dat de vervuiler betaalt.
[1 De stroomgebiedautoriteit is vrij om de bepalingen van het eerste lid niet toepassen indien zulks conform is met gevestigde gebruiken voor een bepaalde vorm van watergebruik, voor zover het doel van dit Wetboek en het bereiken daarvan niet in het gedrang gebracht worden. De stroomgebiedautoriteit motiveert in de stroomgebiedsbeheersplannen waarom zij het eerste lid niet onverkort toepast.]1
1° het waterprijsbeleid adequate prikkels bevat voor de gebruikers om de watervoorraden efficiënt te benutten, en daardoor een bijdrage te leveren aan de milieudoelstellingen bedoeld in artikel 22;
2° de diverse watergebruikssectoren, ten minste onderverdeeld in huishoudens, bedrijven en landbouw, een redelijke bijdrage leveren aan de terugwinning van kosten van waterdiensten, die gebaseerd is op de economische analyse uitgevoerd volgens artikel 17 en rekening houdt met het beginsel dat de vervuiler betaalt.
[1 De stroomgebiedautoriteit is vrij om de bepalingen van het eerste lid niet toepassen indien zulks conform is met gevestigde gebruiken voor een bepaalde vorm van watergebruik, voor zover het doel van dit Wetboek en het bereiken daarvan niet in het gedrang gebracht worden. De stroomgebiedautoriteit motiveert in de stroomgebiedsbeheersplannen waarom zij het eerste lid niet onverkort toepast.]1
Art. D6. L'autorité de bassin agit elle-même et veille, d'ici à 2010, à faire au législateur les propositions adéquates pour que :
1° la politique de tarification de l'eau incite les usagers à utiliser les ressources de manière efficace et contribue ainsi à la réalisation des objectifs environnementaux visés à l'article 22;
2° les différents secteurs économiques, décomposés en distinguant au moins le secteur industriel, le secteur des ménages et le secteur agricole, contribuent de manière appropriée à la récupération des coûts des services de l'eau, sur la base de l'analyse économique réalisée conformément à l'article 17 et compte tenu du principe du pollueur-payeur.
[1 L'autorité de bassin peut ne pas appliquer les dispositions de l'alinéa premier si cela est conforme à des pratiques établies pour une activité d'utilisation de l'eau donnée, dans la mesure où cela ne remet pas en question les buts du présent Code et ne compromet pas la réalisation de ses objectifs. L'autorité de bassin fait rapport, dans les plans de gestion de district hydrographique, sur les raisons pour lesquelles il n'a pas été fait application dans son intégralité de l'alinéa premier.]1
1° la politique de tarification de l'eau incite les usagers à utiliser les ressources de manière efficace et contribue ainsi à la réalisation des objectifs environnementaux visés à l'article 22;
2° les différents secteurs économiques, décomposés en distinguant au moins le secteur industriel, le secteur des ménages et le secteur agricole, contribuent de manière appropriée à la récupération des coûts des services de l'eau, sur la base de l'analyse économique réalisée conformément à l'article 17 et compte tenu du principe du pollueur-payeur.
[1 L'autorité de bassin peut ne pas appliquer les dispositions de l'alinéa premier si cela est conforme à des pratiques établies pour une activité d'utilisation de l'eau donnée, dans la mesure où cela ne remet pas en question les buts du présent Code et ne compromet pas la réalisation de ses objectifs. L'autorité de bassin fait rapport, dans les plans de gestion de district hydrographique, sur les raisons pour lesquelles il n'a pas été fait application dans son intégralité de l'alinéa premier.]1
Wijzigingen
TITEL V. [1 - Uitvoering van de Europese verplichtingen]1
TITRE V. [1 - Exécution des obligations européennes]1
Art. D6 -1. [1 De Regering bepaalt, in de aangelegenheden waarop dit Wetboek slaat, alle maatregelen die nodig zijn voor de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en uit de besluiten genomen door de bij dat Verdrag ingestelde autoriteiten, meer bepaald de besluiten tot uitvoering van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid.]1
Art. D6 -1. [1 Le Gouvernement arrête, dans les matières visées par le présent Code, toutes les mesures qui sont nécessaires pour assurer l'exécution des obligations découlant du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne et des actes pris par les autorités instituées par ce Traité, en particulier les actes visant à mettre en oeuvre la Directive 2000/60/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2000 établissant un cadre pour l'action communautaire dans le domaine de l'eau.]1
DEEL II. - Geïntegreerd beheer van de natuurlijke watercyclus.
PARTIE II. - Gestion intégrée du cycle naturel de l'eau.
TITEL I. - Districten, stroomgebieden en deelstroomgebieden.
TITRE 1er. - Districts, bassins et sous-bassins hydrographiques.
HOOFDSTUK I. - Samenstelling van de Waalse stroomgebieden en deelstroomgebieden.
CHAPITRE Ier. - Constitution des bassins et sous-bassins hydrographiques wallons.
Art. D7. Er bestaan in het Waalse Gewest vier stroomgebieden en vijftien deelstroomgebieden :
1° het stroomgebied van de Maas dat de deelstroomgebieden bevat van de Maas stroomopwaarts, de Maas stroomafwaarts, de Samber, de Ourthe, de Amblève, de Semois-Chiers, de Vesder en de Lesse;
2° het stroomgebied van de Schelde dat de deelstroomgebieden bevat van de Schelde-Leie, de Dender, de Dijle-Gete, de Haine en de Zenne;
3° het stroomgebied van de Seine dat het deelstroomgebied bevat van de Oise;
4° het stroomgebied van de Rijn dat het deelstroomgebied bevat van de Moezel.
1° het stroomgebied van de Maas dat de deelstroomgebieden bevat van de Maas stroomopwaarts, de Maas stroomafwaarts, de Samber, de Ourthe, de Amblève, de Semois-Chiers, de Vesder en de Lesse;
2° het stroomgebied van de Schelde dat de deelstroomgebieden bevat van de Schelde-Leie, de Dender, de Dijle-Gete, de Haine en de Zenne;
3° het stroomgebied van de Seine dat het deelstroomgebied bevat van de Oise;
4° het stroomgebied van de Rijn dat het deelstroomgebied bevat van de Moezel.
Art. D7. Il y a, en Région wallonne, quatre bassins hydrographiques et quinze sous-bassins hydrographiques :
1° le bassin hydrographique de la Meuse qui comprend les sous-bassins hydrographiques de la Meuse amont, de la Meuse aval, de la Sambre, de l'Ourthe, de l'Amblève, de la Semois-Chiers, de la Vesdre et de la Lesse;
2° le bassin hydrographique de l'Escaut qui comprend les sous-bassins hydrographiques de l'Escaut-Lys, de la Dendre, de la Dyle-Gette, de la Haine et de la Senne;
3° le bassin hydrographique de la Seine qui comprend le sous-bassin hydrographique de l'Oise;
4° le bassin hydrographique du Rhin comprenant le sous-bassin hydrographique de la Moselle.
1° le bassin hydrographique de la Meuse qui comprend les sous-bassins hydrographiques de la Meuse amont, de la Meuse aval, de la Sambre, de l'Ourthe, de l'Amblève, de la Semois-Chiers, de la Vesdre et de la Lesse;
2° le bassin hydrographique de l'Escaut qui comprend les sous-bassins hydrographiques de l'Escaut-Lys, de la Dendre, de la Dyle-Gette, de la Haine et de la Senne;
3° le bassin hydrographique de la Seine qui comprend le sous-bassin hydrographique de l'Oise;
4° le bassin hydrographique du Rhin comprenant le sous-bassin hydrographique de la Moselle.
Art. D8. § 1. Voor elk deel van een internationaal stroomgebiedsdistrict in het Waalse Gewest wordt een Waals stroomgebied opgericht. De delen van de internationale stroomgebiedsdistricten op het grondgebied van het Waalse Gewest bestaan respectievelijk uit het Waalse stroomgebied van de Maas, de Schelde, de Seine en de Rijn.
§ 2. Elk Waals stroomgebied kan bestaan uit één of meerdere Waalse deelstroomgebieden die overeenkomen met de deelstroomgebieden opgesomd in artikel 7.
§ 2. Elk Waals stroomgebied kan bestaan uit één of meerdere Waalse deelstroomgebieden die overeenkomen met de deelstroomgebieden opgesomd in artikel 7.
Art. D8. § 1er. Il est établi, pour la portion de chaque district hydrographique international située en Région wallonne, un bassin hydrographique wallon. Les portions des districts hydrographiques internationaux situées sur le territoire de la Région wallonne constituent les bassins hydrographiques wallons respectivement de la Meuse, de l'Escaut, de la Seine et du Rhin.
§ 2. Il peut être établi dans chaque bassin hydrographique wallon un ou plusieurs sous-bassins hydrographiques wallons correspondant aux sous-bassins hydrographiques énumérés à l'article 7.
§ 2. Il peut être établi dans chaque bassin hydrographique wallon un ou plusieurs sous-bassins hydrographiques wallons correspondant aux sous-bassins hydrographiques énumérés à l'article 7.
Art. D9. Het grondwater dat niet volledig het stroomgebied van de Maas, Schelde, Seine of Rijn volgt, wordt door de Regering bepaald en toegewezen aan het dichtstbijgelegen of het meest geschikte Waalse stroomgebied.
Art. D9. Le Gouvernement procède à l'identification des eaux souterraines qui ne correspondent pas complètement au bassin hydrographique de la Meuse, de l'Escaut, de la Seine ou du Rhin et rattache ces eaux souterraines au bassin hydrographique wallon le plus proche ou le plus approprié.
HOOFDSTUK II. - Samenstelling van de internationale stroomgebiedsdistricten.
CHAPITRE II. - Constitution des districts hydrographiques internationaux.
Art. D10. Het stroomgebied van de Maas wordt toegewezen aan het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Maas.
Het stroomgebied van de Schelde wordt toegewezen aan het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde.
Het stroomgebied van de Seine wordt toegewezen aan het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Seine.
Het stroomgebied van de Rijn wordt toegewezen aan het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Rijn.
Het stroomgebied van de Schelde wordt toegewezen aan het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde.
Het stroomgebied van de Seine wordt toegewezen aan het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Seine.
Het stroomgebied van de Rijn wordt toegewezen aan het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Rijn.
Art. D10. Le bassin hydrographique de la Meuse est rattaché au district hydrographique international de la Meuse.
Le bassin hydrographique de l'Escaut est rattaché au district hydrographique international de l'Escaut.
Le bassin hydrographique de la Seine est rattaché au district hydrographique international de la Seine.
Le bassin hydrographique du Rhin est rattaché au district hydrographique international du Rhin.
Le bassin hydrographique de l'Escaut est rattaché au district hydrographique international de l'Escaut.
Le bassin hydrographique de la Seine est rattaché au district hydrographique international de la Seine.
Le bassin hydrographique du Rhin est rattaché au district hydrographique international du Rhin.
HOOFDSTUK III. - Bevoegde overheid.
CHAPITRE III. - Autorité compétente.
Art. D11. § 1. Voor elk Waals stroomgebied heeft een stroomgebiedsoverheid als opdracht te helpen bij de toepassing van de regels van de artikelen [1 D.5, D.6, D.16 tot D.19, D.22 tot D.24, D.26 tot D.30, D.53-2 tot D.53-11, D.160 en D.168]1 of van elke relevante wetgeving en de maatregelen voor deze toepassing te coördineren. De stroomgebiedsoverheid kan binnen de perken en de voorwaarden van de artikelen 16 tot 19, 23, 24, 26 tot 28 en 168, haar opdrachten vervullen in elk Waals deelstroomgebied.
§ 2. Voor elk Waals stroomgebied oefent de Regering de opdrachten uit van de stroomgebiedsoverheid.
§ 3. De Regering brengt de Europese Commissie op de hoogte van deze toewijzing alsmede van de toewijzing van elke internationale instelling waaraan het Waalse Gewest deelneemt.
§ 4. De Regering brengt de Europese commissie op de hoogte van elke wijziging van de gegevens verleend overeenkomstig het vorig paragraaf binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze wijziging.
§ 5. De Regering kan een coördinatieplatform oprichten voor het uitvoeren van de bepalingen van dit boek, ze bepaalt de werkingsmodaliteiten ervan. Dit platform omvat de betrokken administraties, de vertegenwoordigers van de Regering, AQUAWAL, de S.P.G.E. en de wetenschappelijke excellentiecentra. [2 Het brengt regelmatig de beleidsgroep Leefmilieu op de hoogte van de resultaten van zijn werkzaamheden of studies.]2
§ 2. Voor elk Waals stroomgebied oefent de Regering de opdrachten uit van de stroomgebiedsoverheid.
§ 3. De Regering brengt de Europese Commissie op de hoogte van deze toewijzing alsmede van de toewijzing van elke internationale instelling waaraan het Waalse Gewest deelneemt.
§ 4. De Regering brengt de Europese commissie op de hoogte van elke wijziging van de gegevens verleend overeenkomstig het vorig paragraaf binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze wijziging.
§ 5. De Regering kan een coördinatieplatform oprichten voor het uitvoeren van de bepalingen van dit boek, ze bepaalt de werkingsmodaliteiten ervan. Dit platform omvat de betrokken administraties, de vertegenwoordigers van de Regering, AQUAWAL, de S.P.G.E. en de wetenschappelijke excellentiecentra. [2 Het brengt regelmatig de beleidsgroep Leefmilieu op de hoogte van de resultaten van zijn werkzaamheden of studies.]2
Art. D11. § 1er. Pour chaque bassin hydrographique wallon, une autorité de bassin a pour mission de contribuer à l'application des règles établies aux articles [1 D.5, D.6, D.16 à D.19, D.22 à D.24, D.26 à D.30, D.53-2 à D.53-11, D.160 et D.168]1 ou par toute autre législation pertinente et de coordonner les mesures prises pour cette application. L'autorité de bassin peut exercer, dans les conditions et les limites des articles 16 à 19, 23, 24, 26 à 28 et 168, ses missions au sein de chaque sous-bassin hydrographique wallon.
§ 2. Le Gouvernement exerce, pour chaque bassin hydrographique wallon, les missions de l'autorité de bassin.
§ 3. Le Gouvernement porte cette désignation à la connaissance de la Commission européenne ainsi que la désignation de tout organisme international auquel la Région wallonne participe.
§ 4. Le Gouvernement informe la Commission européenne de toute modification des données fournies en application du paragraphe précédent, dans les trois mois de la prise d'effet de cette modification.
§ 5. Le Gouvernement peut mettre en place une plate-forme de coordination pour la mise en oeuvre des dispositions du présent livre, il en détermine les modalités de fonctionnement. Celle-ci regroupe les administrations concernées, les représentants du Gouvernement, AQUAWAL, la S.P.G.E. et les centres d'excellence scientifique. [2 Elle informe régulièrement le pôle "Environnement" des résultats de ses travaux ou de ses études.]2
§ 2. Le Gouvernement exerce, pour chaque bassin hydrographique wallon, les missions de l'autorité de bassin.
§ 3. Le Gouvernement porte cette désignation à la connaissance de la Commission européenne ainsi que la désignation de tout organisme international auquel la Région wallonne participe.
§ 4. Le Gouvernement informe la Commission européenne de toute modification des données fournies en application du paragraphe précédent, dans les trois mois de la prise d'effet de cette modification.
§ 5. Le Gouvernement peut mettre en place une plate-forme de coordination pour la mise en oeuvre des dispositions du présent livre, il en détermine les modalités de fonctionnement. Celle-ci regroupe les administrations concernées, les représentants du Gouvernement, AQUAWAL, la S.P.G.E. et les centres d'excellence scientifique. [2 Elle informe régulièrement le pôle "Environnement" des résultats de ses travaux ou de ses études.]2
HOOFDSTUK IV. - Internationale coördinatie.
CHAPITRE IV. - Coordination internationale.
Art. D12. § 1. Binnen de perken van zijn bevoegdheden onderhandelt en sluit het Waalse Gewest de internationale en interregionale akkoorden af die noodzakelijk zijn voor de oprichting en organisatie van de internationale stroomgebiedsdistricten.
§ 2. Het bevordert de internationale en interregionale coördinatie die noodzakelijk is voor het vervullen van de verplichtingen opgelegd bij de richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid [1 , alsook bij Richtlijn 2007/60/EG van 23 oktober 2007 over beoordeling en beheer van overstromingsrisico's met het oog op de opstelling van één internationaal overstromingsrisicobeheersplan, of van een geheel van overstromingsrisicobeheersplannen die op het niveau van het internationale stroomgebiedsdistrict worden gecoördineerd]1.
§ 2. Het bevordert de internationale en interregionale coördinatie die noodzakelijk is voor het vervullen van de verplichtingen opgelegd bij de richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid [1 , alsook bij Richtlijn 2007/60/EG van 23 oktober 2007 over beoordeling en beheer van overstromingsrisico's met het oog op de opstelling van één internationaal overstromingsrisicobeheersplan, of van een geheel van overstromingsrisicobeheersplannen die op het niveau van het internationale stroomgebiedsdistrict worden gecoördineerd]1.
Art. D12. § 1er. Dans la limite de ses compétences, la Région wallonne négocie et conclut les accords internationaux et interrégionaux nécessaires à la création et à l'organisation des districts hydrographiques internationaux.
§ 2. Elle promeut la coordination internationale et interrégionale nécessaire à l'accomplissement des obligations imposées par la directive 2000/60/C.E. du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2000 établissant un cadre pour l'action communautaire dans le domaine de l'eau [1 , ainsi que par la Directive 2007/60/CE du 23 octobre 2007 relative à l'évaluation et à la gestion des risques d'inondation en vue d'élaborer un plan de gestion des risques d'inondation international unique ou un ensemble de plans de gestion des risques d'inondation coordonnés au niveau du district hydrographique international]1.
§ 2. Elle promeut la coordination internationale et interrégionale nécessaire à l'accomplissement des obligations imposées par la directive 2000/60/C.E. du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2000 établissant un cadre pour l'action communautaire dans le domaine de l'eau [1 , ainsi que par la Directive 2007/60/CE du 23 octobre 2007 relative à l'évaluation et à la gestion des risques d'inondation en vue d'élaborer un plan de gestion des risques d'inondation international unique ou un ensemble de plans de gestion des risques d'inondation coordonnés au niveau du district hydrographique international]1.
Wijzigingen
Art. D13. De Regering treft de nuttige reglementen en beslissingen met het oog op het bijeenbrengen van de inlichtingen die noodzakelijk zijn voor het opstellen van de bescheiden die aan de internationale instellingen ter kennis moeten worden gebracht.
Art. D13. Le Gouvernement prend les règlements et décisions utiles en vue d'assurer la collecte des informations nécessaires pour établir les documents à communiquer aux organismes internationaux.
Art. D14. De Regering bepaalt de regels voor de samenstelling van de afvaardiging van de Waalse Regering bij de Internationale Scheldecommissie.
Art. D14. Le Gouvernement fixe les règles de composition de la délégation du Gouvernement wallon à la commission internationale de l'Escaut.
Art. D15. De Regering bepaalt de regels voor de samenstelling van de afvaardiging van de Waalse Regering bij de Internationale Maascommissie.
Art. D15. Le Gouvernement fixe les règles de composition de la délégation du Gouvernement wallon à la commission internationale de la Meuse.
TITEL II. - Beschrijvende toestand van het stroomgebied.
TITRE II. - Etat descriptif du bassin hydrographique.
HOOFDSTUK I. - Kenmerken van het Waalse stroomgebied, beschrijving van de gevolgen van de menselijke activiteit op het milieu en economische analyse van het waterverbruik.
CHAPITRE Ier. - Caractéristiques du bassin hydrographique wallon, description des effets de l'activité humaine sur l'environnement et analyse économique de l'utilisation de l'eau.
Art. D16. Om een beschrijvende toestand van de waterhulpbronnen op te maken, bepaalt de stroomgebiedsoverheid de ligging en de grenzen van de oppervlaktewaterlichamen, het grondwater en de grondwaterlichamen die deel uitmaken van de Waalse stroomgebieden.
De stroomgebiedsoverheid kan beginnen met de bepaling van de ligging en de grenzen van de oppervlaktewaterlichamen, het grondwater en de grondwaterlichamen die deel uitmaken van de Waalse deelstroomgebieden. Deze gegevens worden daarna samengevoegd en, in voorkomend geval, aangepast om de ligging en de grenzen te bepalen van de oppervlaktewaterlichamen, het grondwater en de grondwaterlichamen die deel uitmaken van de Waalse stroomgebieden.
De stroomgebiedsoverheid kan beginnen met de bepaling van de ligging en de grenzen van de oppervlaktewaterlichamen, het grondwater en de grondwaterlichamen die deel uitmaken van de Waalse deelstroomgebieden. Deze gegevens worden daarna samengevoegd en, in voorkomend geval, aangepast om de ligging en de grenzen te bepalen van de oppervlaktewaterlichamen, het grondwater en de grondwaterlichamen die deel uitmaken van de Waalse stroomgebieden.
Art. D16. Afin d'établir un état descriptif des ressources hydriques, l'autorité de bassin détermine l'emplacement et les limites des masses d'eau de surface, des eaux souterraines et des masses d'eau souterraine qui font partie des bassins hydrographiques wallons.
L'autorité de bassin peut commencer par déterminer l'emplacement et les limites des masses d'eau de surface, des eaux souterraines et des masses d'eau souterraine qui font partie des sous-bassins hydrographiques wallons. Ces données sont ensuite agrégées et, le cas échéant, adaptées afin de déterminer l'emplacement et les limites des masses d'eau de surface, des eaux souterraines et des masses d'eau souterraine qui font partie des bassins hydrographiques wallons.
L'autorité de bassin peut commencer par déterminer l'emplacement et les limites des masses d'eau de surface, des eaux souterraines et des masses d'eau souterraine qui font partie des sous-bassins hydrographiques wallons. Ces données sont ensuite agrégées et, le cas échéant, adaptées afin de déterminer l'emplacement et les limites des masses d'eau de surface, des eaux souterraines et des masses d'eau souterraine qui font partie des bassins hydrographiques wallons.
Art. D17. § 1. [1 Overeenkomstig bijlage V bij het decretale gedeelte, in elk Waals stroomgebied]1 maakt de stroomgebiedsoverheid een beschrijvende toestand op. Deze toestand bevat.
1° een analyse van de kenmerken van het Waalse stroomgebied;
2° een beschrijving van de effecten van menselijke activiteiten op de toestand van het oppervlaktewater en op het grondwater;
3° een economische analyse van het watergebruik;
4° de saneringsplannen bedoeld in artikel 218;
5° het wettelijk en reglementair kader, met inbegrip van een voorstelling van de maatregelen die reeds van toepassing zijn in het Waalse stroomgebied zoals bedoeld in titel VII.
§ 2. [1 ...]1
§ 3. [1 ...]1
§ 4. De stroomgebiedsoverheid kan beginnen met de opmaak van de beschrijving van elk Waals deelstroomgebied. De gegevens worden daarna samengevoegd en, in voorkomend geval, aangepast om de beschrijving van het Waalse stroomgebied samen te stellen.
§ 5. De Regering bepaalt de inhoud van de analyse van de kenmerken van het Waalse stroomgebied en de beschrijving van de invloed van de menselijke activiteit op de toestand van het oppervlaktewater en het grondwater, alsmede de procedures en de technische bepalingen noodzakelijk voor hun uitwerking. De Regering bepaalt ook de inhoud van de economische analyse van het watergebruik.
§ 6. De Regering kan optimaliseringsonderzoeken van het geïntegreerde beheer van de stroomgebieden of deelstroomgebieden uitvoeren.
§ 7. De beschrijving van de invloed van de menselijke activiteit en de analyses bedoeld in paragraaf 1 moeten om de zes jaar door de stroomgebiedsoverheid herbekeken worden en zo nodig bijgewerkt worden.
1° een analyse van de kenmerken van het Waalse stroomgebied;
2° een beschrijving van de effecten van menselijke activiteiten op de toestand van het oppervlaktewater en op het grondwater;
3° een economische analyse van het watergebruik;
4° de saneringsplannen bedoeld in artikel 218;
5° het wettelijk en reglementair kader, met inbegrip van een voorstelling van de maatregelen die reeds van toepassing zijn in het Waalse stroomgebied zoals bedoeld in titel VII.
§ 2. [1 ...]1
§ 3. [1 ...]1
§ 4. De stroomgebiedsoverheid kan beginnen met de opmaak van de beschrijving van elk Waals deelstroomgebied. De gegevens worden daarna samengevoegd en, in voorkomend geval, aangepast om de beschrijving van het Waalse stroomgebied samen te stellen.
§ 5. De Regering bepaalt de inhoud van de analyse van de kenmerken van het Waalse stroomgebied en de beschrijving van de invloed van de menselijke activiteit op de toestand van het oppervlaktewater en het grondwater, alsmede de procedures en de technische bepalingen noodzakelijk voor hun uitwerking. De Regering bepaalt ook de inhoud van de economische analyse van het watergebruik.
§ 6. De Regering kan optimaliseringsonderzoeken van het geïntegreerde beheer van de stroomgebieden of deelstroomgebieden uitvoeren.
§ 7. De beschrijving van de invloed van de menselijke activiteit en de analyses bedoeld in paragraaf 1 moeten om de zes jaar door de stroomgebiedsoverheid herbekeken worden en zo nodig bijgewerkt worden.
Art. D17. § 1er. [1 Conformément à l'annexe V de la partie décrétale, dans chaque bassin hydrographique wallon]1, l'autorité de bassin établit un état descriptif qui comprend :
1° une analyse des caractéristiques du bassin hydrographique wallon;
2° une description des effets de l'activité humaine sur l'état des eaux de surface et des eaux souterraines;
3° une analyse économique de l'utilisation de l'eau;
4° les plans d'assainissement visés à l'article 218;
5° le cadre légal et réglementaire, y compris une présentation des mesures déjà d'application dans le bassin hydrographique wallon, telles que visées au titre VII.
§ 2. [1 ...]1
§ 3. [1 ...]1
§ 4. L'autorité de bassin peut commencer par élaborer l'état descriptif de chaque sous-bassin hydrographique wallon. Les données sont ensuite agrégées et, le cas échéant, adaptées en vue de constituer l'état descriptif du bassin hydrographique wallon.
§ 5. Le Gouvernement arrête le contenu de l'analyse des caractéristiques du bassin hydrographique wallon et de la description des effets de l'activité humaine sur l'état des eaux de surface et des eaux souterraines, ainsi que les procédures et les dispositions techniques nécessaires à leur élaboration. Il arrête également le contenu de l'analyse économique de l'utilisation de l'eau.
§ 6. Le Gouvernement peut faire réaliser des études d'optimalisation de la gestion intégrée des bassins ou sous-bassins hydrographiques.
§ 7. La description des effets de l'activité humaine et les analyses visées au paragraphe 1er doivent être réexaminées et, si nécessaire, mises à jour tous les six ans par l'autorité de bassin.
1° une analyse des caractéristiques du bassin hydrographique wallon;
2° une description des effets de l'activité humaine sur l'état des eaux de surface et des eaux souterraines;
3° une analyse économique de l'utilisation de l'eau;
4° les plans d'assainissement visés à l'article 218;
5° le cadre légal et réglementaire, y compris une présentation des mesures déjà d'application dans le bassin hydrographique wallon, telles que visées au titre VII.
§ 2. [1 ...]1
§ 3. [1 ...]1
§ 4. L'autorité de bassin peut commencer par élaborer l'état descriptif de chaque sous-bassin hydrographique wallon. Les données sont ensuite agrégées et, le cas échéant, adaptées en vue de constituer l'état descriptif du bassin hydrographique wallon.
§ 5. Le Gouvernement arrête le contenu de l'analyse des caractéristiques du bassin hydrographique wallon et de la description des effets de l'activité humaine sur l'état des eaux de surface et des eaux souterraines, ainsi que les procédures et les dispositions techniques nécessaires à leur élaboration. Il arrête également le contenu de l'analyse économique de l'utilisation de l'eau.
§ 6. Le Gouvernement peut faire réaliser des études d'optimalisation de la gestion intégrée des bassins ou sous-bassins hydrographiques.
§ 7. La description des effets de l'activité humaine et les analyses visées au paragraphe 1er doivent être réexaminées et, si nécessaire, mises à jour tous les six ans par l'autorité de bassin.
Wijzigingen
Art. D17 -1. [1 § 1. Overeenkomstig bijlage V van het decretale gedeelte, heeft de analyse van de eigenschappen van de oppervlaktewateren betrekking op :
1° de indeling van de oppervlaktewaterlichamen in de categoriëen " rivieren ", " meren " of als kunstmatig dan wel als sterk veranderd oppervlaktewaterlichaam;
2° het onderscheid van de waterlichamen in typen voor elke oppervlaktewatercategorie met behulp van de waarden voor de verplichte descriptoren en die facultatieve descriptoren, of combinaties van descriptoren, welke nodig zijn voor een betrouwbare afleiding van de voor dat type specifieke biologische referentieomstandigheden;
3° het onderscheid van kunstmatige en sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen in typen met behulp van de descriptoren voor de oppervlaktewatercategorie die het meest lijkt op het betrokken sterk veranderde of kunstmatige waterlichaam, en
4° de bepaling van de referentievoorwaarden die kenmerkend zijn voor elk type oppervlaktewaterlichaam.
§ 2. De analyse van de eigenschappen van de grondwateren slaat met name op :
1° een eerste karakterisering van alle grondwaterlichamen om te beoordelen voor welke doeleinden zij gebruikt worden en in hoeverre zij gevaar lopen niet te voldoen aan de milieudoelstellingen zoals bedoeld in artikel 22;
2° een nadere karakterisering van de grondwaterlichamen die de in artikel 22 bedoelde doelstellingen niet zouden halen om nauwkeuriger te kunnen beoordelen hoe groot het gevaar is hiervoor.
Op grond van de eerste karakteriseringsanalyse, bedoeld in het eerste lid, 1°, wordt in ieder geval het volgende geïdentificeerd :
1° locatie en grenzen van de grondwaterlichamen;
2° mogelijke vormen van belasting van het grondwaterlichaam of de grondwaterlichamen, zoals :
a) diffuse bronnen van verontreiniging;
b) verontreiniging uit puntbronnen;
c) onttrekking van water;
d) kunstmatige aanvulling;
3° algemene aard van het superstraat in het stroomgebied waaruit het grondwaterlichaam wordt aangevuld;
4° grondwaterlichamen waarbij rechtstreeks afhankelijke oppervlaktewaterecosystemen of terrestrische ecosystemen bestaan.
De karakterisering bedoeld in het eerste lid, 2°, omvat relevante gegevens over de effecten van menselijke activiteiten en, voorzover dienstig, gegevens over :
1° geologische kenmerken van het grondwaterlichaam, met inbegrip van grootte en soort van de geologische eenheden;
2° hydrogeologische kenmerken van het grondwaterlichaam, met inbegrip van doorlaatbaarheid, porositeit en begrenzing;
3° kenmerken van de oppervlakteafzettingen en bodems in het stroomgebied waaruit het grondwaterlichaam wordt aangevuld, met inbegrip van dikte, porositeit, doorlaatbaarheid, en absorptie-eigenschappen van de afzettingen en bodems;
4° stratificatiekarakteristieken van het grondwater in het grondwaterlichaam;
5° een inventarisatie van de bijbehorende oppervlaktesystemen, met inbegrip van terrestrische ecosystemen en oppervlaktewaterlichamen waarmee het grondwaterlichaam dynamisch verbonden is;
6° schattingen van richtingen en mate van de uitwisseling van water tussen het grondwaterlichaam en bijbehorende oppervlaktesystemen;
7° voldoende gegevens om het jaarlijkse gemiddelde van de totale aanvulling op lange termijn te berekenen;
8° kenmerken van de chemische samenstelling van het grondwater, inbegrepen de beschrijving van de bijdragen uit menselijke activiteiten. De stroomgebiedautoriteit kan bij de vastlegging van de natuurlijke achtergrondwaarden voor deze grondwaterlichamen gebruikmaken van typologieën voor de beschrijving van het grondwater
§ 3. Voor grensoverschrijdende grondwaterlichamen tussen twee of meer lidstaten of grondwaterlichamen waarvan bij de eerste karakterisering overeenkomstig § 2, eerste lid, 1°, en § 2, tweede lid, van hetzelfde artikel blijkt dat zij gevaar lopen niet te voldoen aan de krachtens artikel D.22 voor ieder lichaam vastgestelde doelstellingen, worden voor ieder grondwaterlichaam de volgende gegevens, voorzover relevant, vergaard en bijgehouden :
a) de ligging van de punten in het grondwaterlichaam waar water wordt onttrokken, met uitzondering van :
- punten voor de onttrekking van water die minder leveren dan gemiddeld 10 m3 per dag, of;
- punten voor de onttrekking van water voor menselijke consumptie die minder leveren dan gemiddeld 10 m3 per dag of die minder dan 50 personen bedienen;
b) de gemiddelde hoeveelheden water die jaarlijks aan die punten worden onttrokken;
c) de chemische samenstelling van water dat uit het grondwaterlichaam wordt onttrokken;
d) de ligging van de punten waar rechtstreeks water in het grondwaterlichaam wordt geloosd;
e) de mate van lozing op die punten;
f) de chemische samenstelling van de lozingen in het grondwaterlichaam en
g) het bodemgebruik in het stroomgebied of de stroomgebieden waaruit het grondwaterlichaam wordt aangevuld, met inbegrip van het inbrengen van verontreinging en door de mens veroorzaakte veranderingen in de kenmerken van de aanvulling, zoals regenwater en afleiding van afstromend water door landafdichtingen, kunstmatige aanvulling, dammen of drainage.
§ 4. De stroomgebiedautoriteit bepaalt voor welke grondwaterlichamen uit hoofde van artikel D.22 lagere doelstellingen worden aangegeven, ook op grond van een beoordeling rekening houdend met de effecten van de toestand van het lichaam op :
1° oppervlaktewater en bijbehorende terrestrische ecosystemen;
2° waterhuishouding, bescherming tegen overstromingen en drainage;
3° menselijke ontwikkeling.
Ze bepaalt voor welke grondwaterlichamen uit hoofde van artikel D.22, § 6, minder strenge doelstellingen worden vastgesteld, indien het grondwaterlichaam door de effecten van menselijke activiteiten, zoals bepaald in overeenstemming met artikel D.17, zo verontreinigd is dat het bereiken van een goede chemische toestand van grondwater niet haalbaar of buitensporig duur is.]1
1° de indeling van de oppervlaktewaterlichamen in de categoriëen " rivieren ", " meren " of als kunstmatig dan wel als sterk veranderd oppervlaktewaterlichaam;
2° het onderscheid van de waterlichamen in typen voor elke oppervlaktewatercategorie met behulp van de waarden voor de verplichte descriptoren en die facultatieve descriptoren, of combinaties van descriptoren, welke nodig zijn voor een betrouwbare afleiding van de voor dat type specifieke biologische referentieomstandigheden;
3° het onderscheid van kunstmatige en sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen in typen met behulp van de descriptoren voor de oppervlaktewatercategorie die het meest lijkt op het betrokken sterk veranderde of kunstmatige waterlichaam, en
4° de bepaling van de referentievoorwaarden die kenmerkend zijn voor elk type oppervlaktewaterlichaam.
§ 2. De analyse van de eigenschappen van de grondwateren slaat met name op :
1° een eerste karakterisering van alle grondwaterlichamen om te beoordelen voor welke doeleinden zij gebruikt worden en in hoeverre zij gevaar lopen niet te voldoen aan de milieudoelstellingen zoals bedoeld in artikel 22;
2° een nadere karakterisering van de grondwaterlichamen die de in artikel 22 bedoelde doelstellingen niet zouden halen om nauwkeuriger te kunnen beoordelen hoe groot het gevaar is hiervoor.
Op grond van de eerste karakteriseringsanalyse, bedoeld in het eerste lid, 1°, wordt in ieder geval het volgende geïdentificeerd :
1° locatie en grenzen van de grondwaterlichamen;
2° mogelijke vormen van belasting van het grondwaterlichaam of de grondwaterlichamen, zoals :
a) diffuse bronnen van verontreiniging;
b) verontreiniging uit puntbronnen;
c) onttrekking van water;
d) kunstmatige aanvulling;
3° algemene aard van het superstraat in het stroomgebied waaruit het grondwaterlichaam wordt aangevuld;
4° grondwaterlichamen waarbij rechtstreeks afhankelijke oppervlaktewaterecosystemen of terrestrische ecosystemen bestaan.
De karakterisering bedoeld in het eerste lid, 2°, omvat relevante gegevens over de effecten van menselijke activiteiten en, voorzover dienstig, gegevens over :
1° geologische kenmerken van het grondwaterlichaam, met inbegrip van grootte en soort van de geologische eenheden;
2° hydrogeologische kenmerken van het grondwaterlichaam, met inbegrip van doorlaatbaarheid, porositeit en begrenzing;
3° kenmerken van de oppervlakteafzettingen en bodems in het stroomgebied waaruit het grondwaterlichaam wordt aangevuld, met inbegrip van dikte, porositeit, doorlaatbaarheid, en absorptie-eigenschappen van de afzettingen en bodems;
4° stratificatiekarakteristieken van het grondwater in het grondwaterlichaam;
5° een inventarisatie van de bijbehorende oppervlaktesystemen, met inbegrip van terrestrische ecosystemen en oppervlaktewaterlichamen waarmee het grondwaterlichaam dynamisch verbonden is;
6° schattingen van richtingen en mate van de uitwisseling van water tussen het grondwaterlichaam en bijbehorende oppervlaktesystemen;
7° voldoende gegevens om het jaarlijkse gemiddelde van de totale aanvulling op lange termijn te berekenen;
8° kenmerken van de chemische samenstelling van het grondwater, inbegrepen de beschrijving van de bijdragen uit menselijke activiteiten. De stroomgebiedautoriteit kan bij de vastlegging van de natuurlijke achtergrondwaarden voor deze grondwaterlichamen gebruikmaken van typologieën voor de beschrijving van het grondwater
§ 3. Voor grensoverschrijdende grondwaterlichamen tussen twee of meer lidstaten of grondwaterlichamen waarvan bij de eerste karakterisering overeenkomstig § 2, eerste lid, 1°, en § 2, tweede lid, van hetzelfde artikel blijkt dat zij gevaar lopen niet te voldoen aan de krachtens artikel D.22 voor ieder lichaam vastgestelde doelstellingen, worden voor ieder grondwaterlichaam de volgende gegevens, voorzover relevant, vergaard en bijgehouden :
a) de ligging van de punten in het grondwaterlichaam waar water wordt onttrokken, met uitzondering van :
- punten voor de onttrekking van water die minder leveren dan gemiddeld 10 m3 per dag, of;
- punten voor de onttrekking van water voor menselijke consumptie die minder leveren dan gemiddeld 10 m3 per dag of die minder dan 50 personen bedienen;
b) de gemiddelde hoeveelheden water die jaarlijks aan die punten worden onttrokken;
c) de chemische samenstelling van water dat uit het grondwaterlichaam wordt onttrokken;
d) de ligging van de punten waar rechtstreeks water in het grondwaterlichaam wordt geloosd;
e) de mate van lozing op die punten;
f) de chemische samenstelling van de lozingen in het grondwaterlichaam en
g) het bodemgebruik in het stroomgebied of de stroomgebieden waaruit het grondwaterlichaam wordt aangevuld, met inbegrip van het inbrengen van verontreinging en door de mens veroorzaakte veranderingen in de kenmerken van de aanvulling, zoals regenwater en afleiding van afstromend water door landafdichtingen, kunstmatige aanvulling, dammen of drainage.
§ 4. De stroomgebiedautoriteit bepaalt voor welke grondwaterlichamen uit hoofde van artikel D.22 lagere doelstellingen worden aangegeven, ook op grond van een beoordeling rekening houdend met de effecten van de toestand van het lichaam op :
1° oppervlaktewater en bijbehorende terrestrische ecosystemen;
2° waterhuishouding, bescherming tegen overstromingen en drainage;
3° menselijke ontwikkeling.
Ze bepaalt voor welke grondwaterlichamen uit hoofde van artikel D.22, § 6, minder strenge doelstellingen worden vastgesteld, indien het grondwaterlichaam door de effecten van menselijke activiteiten, zoals bepaald in overeenstemming met artikel D.17, zo verontreinigd is dat het bereiken van een goede chemische toestand van grondwater niet haalbaar of buitensporig duur is.]1
Art. D17 -1. [1 § 1er. Conformément à l'annexe V de la partie décrétale, l'analyse des caractéristiques des eaux de surface porte sur :
1° le classement des masses d'eau de surface dans les catégories " rivières ", " lacs " ou comme des masses d'eau de surface artificielles ou des masses d'eau de surface fortement modifiées;
2° la répartition des masses d'eau en types pour chaque catégorie d'eau de surface selon les valeurs des descripteurs obligatoires et autres descripteurs ou combinaisons de descripteurs facultatifs nécessaires pour garantir que des conditions de référence biologique caractéristiques puissent être valablement induites;
3° la répartition des masses d'eau de surface fortement modifiées ou artificielles en types conformément aux descripteurs applicables à celle des catégories d'eau de surface qui ressemble le plus à la masse d'eau fortement modifiée ou artificielle, et
4° la détermination des conditions de référence caractéristiques pour chaque type de masses d'eau de surface.
§ 2. L'analyse des caractéristiques des eaux souterraines porte notamment sur :
1° une caractérisation initiale de toutes les masses d'eaux souterraines pour évaluer leurs utilisations et la mesure dans laquelle elles sont susceptibles de ne pas répondre aux objectifs environnementaux tels que visés à l'article 22;
2° une caractérisation plus détaillée des masses d'eaux souterraines qui sont susceptibles de ne pas atteindre les objectifs environnementaux tels que visés à l'article 22, afin d'établir une évaluation plus précise de l'importance de ce risque.
L'analyse de la caractérisation initiale visée à l'alinéa 1er, 1°, définit au moins :
1° l'emplacement et les limites des masses d'eau souterraine;
2° les pressions auxquelles la ou les masses d'eau souterraine sont susceptibles d'être soumises, y compris :
a) les sources de pollution diffuses;
b) les sources de pollution ponctuelles;
c) le captage;
d) la recharge artificielle;
3° le caractère général des couches supérieures de la zone de captage dont la masse d'eau souterraine reçoit sa recharge;
4° les masses d'eau souterraines pour lesquelles il existe des écosystèmes d'eaux de surface ou des écosystèmes terrestres directement dépendants.
La caractérisation visée à l'alinéa 1er, 2°, comporte des informations pertinentes sur l'incidence de l'activité humaine et contient, le cas échéant, des informations pertinentes concernant :
1° les caractéristiques géologiques de la masse d'eau souterraine, y compris l'étendue et le type des unités géologiques;
2° les caractéristiques hydrogéologiques de la masse d'eau souterraine, y compris la conductivité hydraulique, la porosité et le confinement;
3° les caractéristiques des dépôts superficiels et des sols dans la zone de captage dont la masse d'eau souterraine reçoit sa recharge, y compris l'épaisseur, la porosité, la conductivité hydraulique et les propriétés d'absorption des dépôts et des sols;
4° les caractéristiques de stratification de l'eau souterraine au sein de la masse;
5° un inventaire des systèmes de surface associés, y compris les écosystèmes terrestres et les masses d'eau de surface auxquels la masse d'eau souterraine est dynamiquement liée;
6° des estimations de direction et taux d'échange de l'eau entre la masse souterraine et les systèmes de surface associés, et
7° les données suffisantes pour calculer le taux moyen annuel à long terme de la recharge totale;
8° la caractérisation de la composition chimique des eaux souterraines, y compris la spécification des contributions découlant des activités humaines. Pour la caractérisation des eaux souterraines, l'autorité de bassin utilise, le cas échéant, des typologies lorsqu'elle établit des niveaux naturels pour ces masses d'eau souterraine.
§ 3. Pour les masses d'eau souterraine qui traversent la frontière entre deux Etats membres ou plus ou qui sont recensées après la caractérisation initiale entreprise conformément au § 2, alinéa 1er, 1°, et au § 2, alinéa 2, du même article comme risquant de ne pas répondre aux objectifs fixés pour chaque masse dans le cadre de l'article D.22, les informations suivantes sont, le cas échéant, recueillies et tenues à jour pour chaque masse d'eau souterraine :
a) la localisation des points de la masse utilisés pour le captage d'eau, à l'exception :
- des points de captage fournissant en moyenne moins de 10 m3 par jour, ou;
- des points de captage d'eau destinés à la consommation humaine fournissant en moyenne moins de 10 m3 par jour ou desservant moins de cinquante personnes;
b) le taux de captage annuel moyen à partir de ces points;
c) la composition chimique de l'eau captée de la masse d'eau souterraine;
d) la localisation des points de la masse d'eau souterraine où des rejets directs ont lieu;
e) le débit des rejets en ces points;
f) la composition chimique des rejets dans la masse d'eau souterraine, et
g) l'utilisation des terres dans le ou les captages d'eau d'où la masse d'eau reçoit sa recharge, y compris les rejets de polluants, les modifications anthropogéniques apportées aux caractéristiques de réalimentation, telles que le détournement des eaux de pluie et de ruissellement en raison de l'imperméabilisation des terres, de la réalimentation artificielle, de la construction de barrages ou du drainage.
§ 4. L'autorité de bassin identifie également les masses d'eau souterraine pour lesquelles des objectifs moins élevés doivent être spécifiés en vertu de l'article D.22, notamment du fait de la prise en considération des effets de l'état de la masse d'eau souterraine sur :
1° les eaux de surface et les écosystèmes terrestres associés;
2° la régulation de l'eau, la protection contre les inondations et le drainage des sols;
3° le développement humain.
Elle recense les masses d'eau souterraine pour lesquelles des objectifs moins élevés doivent être précisés en application de l'article D.22, § 6, lorsque par suite des effets de l'activité humaine, déterminés conformément à l'article D.17, la masse d'eau souterraine est tellement polluée que la réalisation d'un bon état chimique d'une eau souterraine est impossible ou d'un coût disproportionné.]1
1° le classement des masses d'eau de surface dans les catégories " rivières ", " lacs " ou comme des masses d'eau de surface artificielles ou des masses d'eau de surface fortement modifiées;
2° la répartition des masses d'eau en types pour chaque catégorie d'eau de surface selon les valeurs des descripteurs obligatoires et autres descripteurs ou combinaisons de descripteurs facultatifs nécessaires pour garantir que des conditions de référence biologique caractéristiques puissent être valablement induites;
3° la répartition des masses d'eau de surface fortement modifiées ou artificielles en types conformément aux descripteurs applicables à celle des catégories d'eau de surface qui ressemble le plus à la masse d'eau fortement modifiée ou artificielle, et
4° la détermination des conditions de référence caractéristiques pour chaque type de masses d'eau de surface.
§ 2. L'analyse des caractéristiques des eaux souterraines porte notamment sur :
1° une caractérisation initiale de toutes les masses d'eaux souterraines pour évaluer leurs utilisations et la mesure dans laquelle elles sont susceptibles de ne pas répondre aux objectifs environnementaux tels que visés à l'article 22;
2° une caractérisation plus détaillée des masses d'eaux souterraines qui sont susceptibles de ne pas atteindre les objectifs environnementaux tels que visés à l'article 22, afin d'établir une évaluation plus précise de l'importance de ce risque.
L'analyse de la caractérisation initiale visée à l'alinéa 1er, 1°, définit au moins :
1° l'emplacement et les limites des masses d'eau souterraine;
2° les pressions auxquelles la ou les masses d'eau souterraine sont susceptibles d'être soumises, y compris :
a) les sources de pollution diffuses;
b) les sources de pollution ponctuelles;
c) le captage;
d) la recharge artificielle;
3° le caractère général des couches supérieures de la zone de captage dont la masse d'eau souterraine reçoit sa recharge;
4° les masses d'eau souterraines pour lesquelles il existe des écosystèmes d'eaux de surface ou des écosystèmes terrestres directement dépendants.
La caractérisation visée à l'alinéa 1er, 2°, comporte des informations pertinentes sur l'incidence de l'activité humaine et contient, le cas échéant, des informations pertinentes concernant :
1° les caractéristiques géologiques de la masse d'eau souterraine, y compris l'étendue et le type des unités géologiques;
2° les caractéristiques hydrogéologiques de la masse d'eau souterraine, y compris la conductivité hydraulique, la porosité et le confinement;
3° les caractéristiques des dépôts superficiels et des sols dans la zone de captage dont la masse d'eau souterraine reçoit sa recharge, y compris l'épaisseur, la porosité, la conductivité hydraulique et les propriétés d'absorption des dépôts et des sols;
4° les caractéristiques de stratification de l'eau souterraine au sein de la masse;
5° un inventaire des systèmes de surface associés, y compris les écosystèmes terrestres et les masses d'eau de surface auxquels la masse d'eau souterraine est dynamiquement liée;
6° des estimations de direction et taux d'échange de l'eau entre la masse souterraine et les systèmes de surface associés, et
7° les données suffisantes pour calculer le taux moyen annuel à long terme de la recharge totale;
8° la caractérisation de la composition chimique des eaux souterraines, y compris la spécification des contributions découlant des activités humaines. Pour la caractérisation des eaux souterraines, l'autorité de bassin utilise, le cas échéant, des typologies lorsqu'elle établit des niveaux naturels pour ces masses d'eau souterraine.
§ 3. Pour les masses d'eau souterraine qui traversent la frontière entre deux Etats membres ou plus ou qui sont recensées après la caractérisation initiale entreprise conformément au § 2, alinéa 1er, 1°, et au § 2, alinéa 2, du même article comme risquant de ne pas répondre aux objectifs fixés pour chaque masse dans le cadre de l'article D.22, les informations suivantes sont, le cas échéant, recueillies et tenues à jour pour chaque masse d'eau souterraine :
a) la localisation des points de la masse utilisés pour le captage d'eau, à l'exception :
- des points de captage fournissant en moyenne moins de 10 m3 par jour, ou;
- des points de captage d'eau destinés à la consommation humaine fournissant en moyenne moins de 10 m3 par jour ou desservant moins de cinquante personnes;
b) le taux de captage annuel moyen à partir de ces points;
c) la composition chimique de l'eau captée de la masse d'eau souterraine;
d) la localisation des points de la masse d'eau souterraine où des rejets directs ont lieu;
e) le débit des rejets en ces points;
f) la composition chimique des rejets dans la masse d'eau souterraine, et
g) l'utilisation des terres dans le ou les captages d'eau d'où la masse d'eau reçoit sa recharge, y compris les rejets de polluants, les modifications anthropogéniques apportées aux caractéristiques de réalimentation, telles que le détournement des eaux de pluie et de ruissellement en raison de l'imperméabilisation des terres, de la réalimentation artificielle, de la construction de barrages ou du drainage.
§ 4. L'autorité de bassin identifie également les masses d'eau souterraine pour lesquelles des objectifs moins élevés doivent être spécifiés en vertu de l'article D.22, notamment du fait de la prise en considération des effets de l'état de la masse d'eau souterraine sur :
1° les eaux de surface et les écosystèmes terrestres associés;
2° la régulation de l'eau, la protection contre les inondations et le drainage des sols;
3° le développement humain.
Elle recense les masses d'eau souterraine pour lesquelles des objectifs moins élevés doivent être précisés en application de l'article D.22, § 6, lorsque par suite des effets de l'activité humaine, déterminés conformément à l'article D.17, la masse d'eau souterraine est tellement polluée que la réalisation d'un bon état chimique d'une eau souterraine est impossible ou d'un coût disproportionné.]1
Art. D17 -2. [1 § 1. De stroomgebiedautoriteit verzamelt informatie over soort en omvang van de significante antropogene belastingen waaraan oppervlaktewaterlichamen in elk stroomgebiedsdistrict onderhevig kunnen zijn, en houdt die informatie bij. Het betreft met name :
1° schatting en identificatie van significante verontreiniging uit puntbronnen, met name door in bijlage VII bedoelde stoffen, afkomstig van stedelijke, industriële, agrarische en andere installaties en activiteiten, onder meer gebaseerd op informatie die is vergaard krachtens :
a) de artikelen 15 en 17 van Richtlijn 91/271/EEG van de raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater;
b) de artikelen 9 en 15 van Richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging,
en, voor de doeleinden van het eerste stroomgebiedsbeheersplan :
c) artikel 10 van Richtlijn 2006/11/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 25 februari 2006 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd;
d) de Richtlijnen 2006/7/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van Richtlijn 76/160/EEG, 2006/44/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 6 september 2006 betreffende de kwaliteit van zoet water dat bescherming of verbetering behoeft teneinde geschikt te zijn voor het leven van vissen en 2006/113/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 12 december 2006 inzake de vereiste kwaliteit van schelpdierwater;
2° schatting en identificatie van significante verontreiniging uit diffuse bronnen, met name door in bijlage VII bedoelde stoffen, afkomstig van stedelijke, industriële, agrarische en andere installaties en activiteiten, onder meer gebaseerd op informatie die is vergaard krachtens :
a) de artikelen 3, 5 en 6 van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen;
b) de artikelen 7 en 17 van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen;
c) Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden,
en, voor de doeleinden van het eerste stroomgebiedsbeheersplan :
d) de Richtlijnen 2006/7/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van Richtlijn 76/160/EEG, 2006/11/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 25 februari 2006 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd, 2006/44/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 6 september 2006 betreffende de kwaliteit van zoet water dat bescherming of verbetering behoeft teneinde geschikt te zijn voor het leven van vissen en 2006/113/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 12 december 2006 inzake de vereiste kwaliteit van schelpdierwater;
3° schatting en identificatie van significante wateronttrekking voor stedelijk, industrieel, agrarisch en ander gebruik, met inbegrip van seizoenschommelingen en de totale vraag per jaar, en van het waterverlies in de distributiestelsels;
4° schatting en identificatie van de effecten van significante regulering van de waterstroming, met inbegrip van overbrenging en omleiding van water, op de stromingskenmerken en waterbalansen in hun geheel;
5° identificatie van significante morfologische veranderingen van waterlichamen;
6° schatting en identificatie van andere significante antropogene invloeden op de toestand van oppervlaktewateren, en;
7° schattingen van bodemgebruikspatronen, waaronder de identificatie van de belangrijkste stedelijke, industriële en agrarische gebieden en, voorzover relevant, visgronden en bossen.
§ 2. De stroomgebiedautoriteit beoordeelt in hoeverre de oppervlaktewatertoestand van lichamen gevoelig is voor de vormen van belasting vermeld in paragraaf 1.
De stroomgebiedautoriteit gebruikt de overeenkomstig paragraaf 1 verzamelde informatie en alle andere relevante informatie, met inbegrip van bestaande milieumonitoringsgegevens, om een beoordeling te maken van de kans dat oppervlaktewaterlichamen in het stroomgebiedsdistrict niet zullen voldoen aan de milieukwaliteitsdoelstellingen die artikel D.22 aan die lichamen stelt.
Voor lichamen waarvan is gebleken dat zij gevaar lopen niet te voldoen aan de milieukwaliteitsdoelstellingen moet, voorzover dienstig, een verdere karakterisering plaatsvinden om het ontwerp van de bij artikel D.19 voorgeschreven monitoringsprogramma's en de bij artikel D.23 voorgeschreven maatregelenprogramma's te optimaliseren.]1
1° schatting en identificatie van significante verontreiniging uit puntbronnen, met name door in bijlage VII bedoelde stoffen, afkomstig van stedelijke, industriële, agrarische en andere installaties en activiteiten, onder meer gebaseerd op informatie die is vergaard krachtens :
a) de artikelen 15 en 17 van Richtlijn 91/271/EEG van de raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater;
b) de artikelen 9 en 15 van Richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging,
en, voor de doeleinden van het eerste stroomgebiedsbeheersplan :
c) artikel 10 van Richtlijn 2006/11/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 25 februari 2006 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd;
d) de Richtlijnen 2006/7/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van Richtlijn 76/160/EEG, 2006/44/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 6 september 2006 betreffende de kwaliteit van zoet water dat bescherming of verbetering behoeft teneinde geschikt te zijn voor het leven van vissen en 2006/113/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 12 december 2006 inzake de vereiste kwaliteit van schelpdierwater;
2° schatting en identificatie van significante verontreiniging uit diffuse bronnen, met name door in bijlage VII bedoelde stoffen, afkomstig van stedelijke, industriële, agrarische en andere installaties en activiteiten, onder meer gebaseerd op informatie die is vergaard krachtens :
a) de artikelen 3, 5 en 6 van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen;
b) de artikelen 7 en 17 van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen;
c) Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden,
en, voor de doeleinden van het eerste stroomgebiedsbeheersplan :
d) de Richtlijnen 2006/7/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van Richtlijn 76/160/EEG, 2006/11/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 25 februari 2006 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd, 2006/44/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 6 september 2006 betreffende de kwaliteit van zoet water dat bescherming of verbetering behoeft teneinde geschikt te zijn voor het leven van vissen en 2006/113/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 12 december 2006 inzake de vereiste kwaliteit van schelpdierwater;
3° schatting en identificatie van significante wateronttrekking voor stedelijk, industrieel, agrarisch en ander gebruik, met inbegrip van seizoenschommelingen en de totale vraag per jaar, en van het waterverlies in de distributiestelsels;
4° schatting en identificatie van de effecten van significante regulering van de waterstroming, met inbegrip van overbrenging en omleiding van water, op de stromingskenmerken en waterbalansen in hun geheel;
5° identificatie van significante morfologische veranderingen van waterlichamen;
6° schatting en identificatie van andere significante antropogene invloeden op de toestand van oppervlaktewateren, en;
7° schattingen van bodemgebruikspatronen, waaronder de identificatie van de belangrijkste stedelijke, industriële en agrarische gebieden en, voorzover relevant, visgronden en bossen.
§ 2. De stroomgebiedautoriteit beoordeelt in hoeverre de oppervlaktewatertoestand van lichamen gevoelig is voor de vormen van belasting vermeld in paragraaf 1.
De stroomgebiedautoriteit gebruikt de overeenkomstig paragraaf 1 verzamelde informatie en alle andere relevante informatie, met inbegrip van bestaande milieumonitoringsgegevens, om een beoordeling te maken van de kans dat oppervlaktewaterlichamen in het stroomgebiedsdistrict niet zullen voldoen aan de milieukwaliteitsdoelstellingen die artikel D.22 aan die lichamen stelt.
Voor lichamen waarvan is gebleken dat zij gevaar lopen niet te voldoen aan de milieukwaliteitsdoelstellingen moet, voorzover dienstig, een verdere karakterisering plaatsvinden om het ontwerp van de bij artikel D.19 voorgeschreven monitoringsprogramma's en de bij artikel D.23 voorgeschreven maatregelenprogramma's te optimaliseren.]1
Art. D17 -2. [1 § 1er. L'autorité de bassin collecte et met à jour des informations sur le type et l'ampleur des pressions anthropogéniques importantes auxquelles les masses d'eau de surface peuvent être soumises dans chaque district hydrographique, notamment :
1° estimation et identification des pollutions ponctuelles importantes, notamment par les substances énumérées à l'annexe VII, dues à des installations et activités urbaines, industrielles, agricoles et autres, sur la base notamment des informations recueillies dans le cadre :
a) des articles 15 et 17 de la Directive 91/271/CEE du Conseil du 21 mai 1991 relative au traitement des eaux urbaines résiduaires;
b) des articles 9 et 15 de la Directive 2008/1/CE du Parlement européen et du Conseil du 15 janvier 2008 relative à la prévention et à la réduction intégrées de la pollution,
et, aux fins du premier plan de gestion de district hydrographique :
c) de l'article 10 de la Directive 2006/11/CE du Parlement européen et du Conseil du 25 février 2006 concernant la pollution causée par certaines substances dangereuses déversées dans le milieu aquatique de la Communauté;
d) des Directives 2006/7/CE du Parlement européen et du Conseil du 15 février 2006 concernant la qualité des eaux de baignade et abrogeant la Directive 76/160/CEE, 2006/44/CE du Parlement européen et du Conseil du 6 septembre 2006 concernant la qualité des eaux douces ayant besoin d'être protégées ou améliorées pour être aptes à la vie des poissons et 2006/113/CE du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2006 relative à la qualité requise des eaux conchylicoles;
2° estimation et identification des pollutions diffuses importantes, notamment par les substances énumérées à l'annexe VII, dues à des installations et activités urbaines, industrielles, agricoles et autres, sur la base notamment des informations recueillies dans le cadre :
a) des articles 3, 5 et 6 de la Directive 91/676/CEE du Conseil du 12 décembre 1991 concernant la protection des eaux contre la pollution par les nitrates à partir de sources agricoles;
b) des articles 7 et 17 de la Directive 91/414/CEE du Conseil du 15 juillet 1991 concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques;
c) de la Directive 98/8/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 février 1998 concernant la mise sur le marché des produits biocides,
et, aux fins du premier plan de gestion de district hydrographique :
d) des Directives 2006/7/CE du Parlement européen et du Conseil du 15 février 2006 concernant la qualité des eaux de baignade et abrogeant la Directive 76/160/CEE, 2006/11/CE du Parlement européen et du Conseil du 25 février 2006 concernant la pollution causée par certaines substances dangereuses déversées dans le milieu aquatique de la Communauté, 2006/44/CE du Parlement européen et du Conseil du 6 septembre 2006 concernant la qualité des eaux douces ayant besoin d'être protégées ou améliorées pour être aptes à la vie des poissons et 2006/113/CE du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2006 relative à la qualité requise des eaux conchylicoles;
3° estimation et identification des captages importants d'eau à des fins urbaines, industrielles, agricoles et autres, y compris les variations saisonnières et la demande annuelle totale, et des pertes d'eau dans les systèmes de distribution;
4° estimation et identification de l'incidence des régulations importantes du débit d'eau, y compris les transferts et diversions d'eau, sur les caractéristiques générales du débit et les équilibres hydrologiques;
5° identification des altérations morphologiques importantes subies par les masses d'eau;
6° estimation et identification des autres incidences anthropogéniques importantes sur l'état des eaux de surface, et
7° estimation des modèles d'aménagement du territoire, y compris l'identification des principales zones urbaines, industrielles et agricoles et, le cas échéant, des zones de pêche et des forêts.
§ 2. L'autorité de bassin évalue la manière dont l'état des masses d'eau de surface réagit aux pressions indiquées au paragraphe 1er.
L'autorité de bassin utilise les informations collectées conformément au paragraphe 1er et toute autre information pertinente, y compris les données existantes de la surveillance environnementale, pour évaluer la probabilité que les masses d'eau de surface à l'intérieur du district hydrographique ne soient plus conformes aux objectifs de qualité environnementaux fixés pour les masses en vertu de l'article D.22.
Pour les masses identifiées comme risquant de ne pas répondre aux objectifs de qualité environnementaux, une caractérisation plus poussée est, le cas échéant, effectuée pour optimiser la conception à la fois des programmes de surveillance requis en vertu de l'article D.19 et des programmes de mesures requis en vertu de l'article D.23.]1
1° estimation et identification des pollutions ponctuelles importantes, notamment par les substances énumérées à l'annexe VII, dues à des installations et activités urbaines, industrielles, agricoles et autres, sur la base notamment des informations recueillies dans le cadre :
a) des articles 15 et 17 de la Directive 91/271/CEE du Conseil du 21 mai 1991 relative au traitement des eaux urbaines résiduaires;
b) des articles 9 et 15 de la Directive 2008/1/CE du Parlement européen et du Conseil du 15 janvier 2008 relative à la prévention et à la réduction intégrées de la pollution,
et, aux fins du premier plan de gestion de district hydrographique :
c) de l'article 10 de la Directive 2006/11/CE du Parlement européen et du Conseil du 25 février 2006 concernant la pollution causée par certaines substances dangereuses déversées dans le milieu aquatique de la Communauté;
d) des Directives 2006/7/CE du Parlement européen et du Conseil du 15 février 2006 concernant la qualité des eaux de baignade et abrogeant la Directive 76/160/CEE, 2006/44/CE du Parlement européen et du Conseil du 6 septembre 2006 concernant la qualité des eaux douces ayant besoin d'être protégées ou améliorées pour être aptes à la vie des poissons et 2006/113/CE du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2006 relative à la qualité requise des eaux conchylicoles;
2° estimation et identification des pollutions diffuses importantes, notamment par les substances énumérées à l'annexe VII, dues à des installations et activités urbaines, industrielles, agricoles et autres, sur la base notamment des informations recueillies dans le cadre :
a) des articles 3, 5 et 6 de la Directive 91/676/CEE du Conseil du 12 décembre 1991 concernant la protection des eaux contre la pollution par les nitrates à partir de sources agricoles;
b) des articles 7 et 17 de la Directive 91/414/CEE du Conseil du 15 juillet 1991 concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques;
c) de la Directive 98/8/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 février 1998 concernant la mise sur le marché des produits biocides,
et, aux fins du premier plan de gestion de district hydrographique :
d) des Directives 2006/7/CE du Parlement européen et du Conseil du 15 février 2006 concernant la qualité des eaux de baignade et abrogeant la Directive 76/160/CEE, 2006/11/CE du Parlement européen et du Conseil du 25 février 2006 concernant la pollution causée par certaines substances dangereuses déversées dans le milieu aquatique de la Communauté, 2006/44/CE du Parlement européen et du Conseil du 6 septembre 2006 concernant la qualité des eaux douces ayant besoin d'être protégées ou améliorées pour être aptes à la vie des poissons et 2006/113/CE du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2006 relative à la qualité requise des eaux conchylicoles;
3° estimation et identification des captages importants d'eau à des fins urbaines, industrielles, agricoles et autres, y compris les variations saisonnières et la demande annuelle totale, et des pertes d'eau dans les systèmes de distribution;
4° estimation et identification de l'incidence des régulations importantes du débit d'eau, y compris les transferts et diversions d'eau, sur les caractéristiques générales du débit et les équilibres hydrologiques;
5° identification des altérations morphologiques importantes subies par les masses d'eau;
6° estimation et identification des autres incidences anthropogéniques importantes sur l'état des eaux de surface, et
7° estimation des modèles d'aménagement du territoire, y compris l'identification des principales zones urbaines, industrielles et agricoles et, le cas échéant, des zones de pêche et des forêts.
§ 2. L'autorité de bassin évalue la manière dont l'état des masses d'eau de surface réagit aux pressions indiquées au paragraphe 1er.
L'autorité de bassin utilise les informations collectées conformément au paragraphe 1er et toute autre information pertinente, y compris les données existantes de la surveillance environnementale, pour évaluer la probabilité que les masses d'eau de surface à l'intérieur du district hydrographique ne soient plus conformes aux objectifs de qualité environnementaux fixés pour les masses en vertu de l'article D.22.
Pour les masses identifiées comme risquant de ne pas répondre aux objectifs de qualité environnementaux, une caractérisation plus poussée est, le cas échéant, effectuée pour optimiser la conception à la fois des programmes de surveillance requis en vertu de l'article D.19 et des programmes de mesures requis en vertu de l'article D.23.]1
Art. D18. In elk Waals stroomgebied zorgt de stroomgebiedsoverheid voor het aanleggen van één of meer registers van elk beschermd gebied in het Waalse deelstroomgebied.
De Regering bepaalt de inhoud van het register van beschermde gebieden.
De stroomgebiedsoverheid kan beginnen met het aanleggen van één of meer registers van elk beschermd gebied in elk Waals deelstroomgebied. Deze gegevens worden vervolgens samengevoegd en, in voorkomend geval, aangepast om het register van elk beschermd gebied van het Waalse stroomgebied te vormen.
De registers van de beschermde gebieden worden uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding van dit wetboek opgesteld en worden door de stroomgebiedsoverheid voortdurend gevolgd en bijgewerkt.
De Regering bepaalt de inhoud van het register van beschermde gebieden.
De stroomgebiedsoverheid kan beginnen met het aanleggen van één of meer registers van elk beschermd gebied in elk Waals deelstroomgebied. Deze gegevens worden vervolgens samengevoegd en, in voorkomend geval, aangepast om het register van elk beschermd gebied van het Waalse stroomgebied te vormen.
De registers van de beschermde gebieden worden uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding van dit wetboek opgesteld en worden door de stroomgebiedsoverheid voortdurend gevolgd en bijgewerkt.
Art. D18. L'autorité de bassin élabore dans chaque bassin hydrographique wallon un ou plusieurs registres de toutes les zones protégées situées dans le bassin hydrographique wallon.
Le Gouvernement arrête le contenu du registre des zones protégées.
L'autorité de bassin peut commencer par élaborer un ou plusieurs registres de toutes les zones protégées situées dans chaque sous-bassin hydrographique wallon. Ces données sont ensuite agrégées et, le cas échéant, adaptées en vue de constituer le registre de toutes les zones protégées du bassin hydrographique wallon.
Les registres des zones protégées sont établis au plus tard un an après l'entrée en vigueur du présent Code et sont régulièrement réexaminés et remis à jour par l'autorité de bassin.
Le Gouvernement arrête le contenu du registre des zones protégées.
L'autorité de bassin peut commencer par élaborer un ou plusieurs registres de toutes les zones protégées situées dans chaque sous-bassin hydrographique wallon. Ces données sont ensuite agrégées et, le cas échéant, adaptées en vue de constituer le registre de toutes les zones protégées du bassin hydrographique wallon.
Les registres des zones protégées sont établis au plus tard un an après l'entrée en vigueur du présent Code et sont régulièrement réexaminés et remis à jour par l'autorité de bassin.
HOOFDSTUK II. - Programma voor de monitoring en noodmaatregelen.
CHAPITRE II. - Programmes de surveillance et mesures d'urgence.
Art. D19. § 1. De stroomgebiedsoverheid draagt zorg voor de opstelling van één of meer programma's voor de systematische monitoring van de toestand van het oppervlaktewater, grondwater en de beschermde gebieden, teneinde een samenhangend en bijgewerkt totaalbeeld te krijgen van de watertoestand binnen het Waalse stroomgebied. De Regering bepaalt de inhoud, de procedures en de technische bepalingen die nodig zijn voor de oprichting van het monitoringsprogramma.
§ 2. Voor het oppervlaktewater houden die programma's voor de monitoring in :
1° ecologische en chemische toestand en ecologisch potentieel;
2° volume en niveau of snelheid van stroming, voorzover van belang voor ecologische en chemische toestand en het ecologische potentieel.
Voor grondwater houden die programma's monitoring van de chemische en de kwantitatieve toestand in.
Als dit water zich bevindt in een beschermd gebied, worden de programma's voor monitoring aangevuld met de bepalingen in de wetgeving krachtens welke het beschermde gebied is ingesteld.
§ 3. De stroomgebiedsoverheid kan beginnen met het uitwerken van één of meer programma's voor de monitoring van de watertoestand en van de beschermde gebieden in elk Waals deelstroomgebied. Deze gegevens worden samengevoegd en, in voorkomend geval, aangepast voor de uitwerking van één of meer programma's voor de monitoring van de watertoestand en de beschermde gebieden van het Waalse stroomgebied.
§ 4. De programma's voor monitoring bedoeld in paragraaf 1 zijn uiterlijk op 22 december 2006 operationeel.
§ 2. Voor het oppervlaktewater houden die programma's voor de monitoring in :
1° ecologische en chemische toestand en ecologisch potentieel;
2° volume en niveau of snelheid van stroming, voorzover van belang voor ecologische en chemische toestand en het ecologische potentieel.
Voor grondwater houden die programma's monitoring van de chemische en de kwantitatieve toestand in.
Als dit water zich bevindt in een beschermd gebied, worden de programma's voor monitoring aangevuld met de bepalingen in de wetgeving krachtens welke het beschermde gebied is ingesteld.
§ 3. De stroomgebiedsoverheid kan beginnen met het uitwerken van één of meer programma's voor de monitoring van de watertoestand en van de beschermde gebieden in elk Waals deelstroomgebied. Deze gegevens worden samengevoegd en, in voorkomend geval, aangepast voor de uitwerking van één of meer programma's voor de monitoring van de watertoestand en de beschermde gebieden van het Waalse stroomgebied.
§ 4. De programma's voor monitoring bedoeld in paragraaf 1 zijn uiterlijk op 22 december 2006 operationeel.
Art. D19. § 1er. L'autorité de bassin établit un ou plusieurs programmes de surveillance systématique de l'état des eaux de surface, des eaux souterraines et des zones protégées afin de dresser un tableau cohérent, complet et actualisé de l'état des eaux au sein du bassin hydrographique wallon. Le Gouvernement arrête le contenu, les procédures et les dispositions techniques nécessaires à l'établissement du programme de surveillance.
§ 2. Dans le cas des eaux de surface, les programmes de surveillance portent notamment sur :
1° l'état écologique et chimique et le potentiel écologique;
2° le volume et le niveau ou le débit dans la mesure pertinente pour l'état écologique et chimique et le potentiel écologique.
Dans le cas des eaux souterraines, les programmes de surveillance portent notamment sur la surveillance de l'état chimique et quantitatif.
Si ces eaux appartiennent à une zone protégée, les programmes de surveillance sont complétés par les dispositions contenues dans la législation sur la base de laquelle la zone protégée a été établie.
§ 3. L'autorité de bassin peut commencer par élaborer un ou plusieurs programmes de surveillance de l'état des eaux et des zones protégées de chaque sous-bassin hydrographique wallon. Ces données sont agrégées et, le cas échéant, adaptées en vue d'élaborer un ou plusieurs programmes de surveillance de l'état des eaux et des zones protégées du bassin hydrographique wallon.
§ 4. Les programmes de surveillance visés au paragraphe 1er doivent être opérationnels au plus tard le 22 décembre 2006.
§ 2. Dans le cas des eaux de surface, les programmes de surveillance portent notamment sur :
1° l'état écologique et chimique et le potentiel écologique;
2° le volume et le niveau ou le débit dans la mesure pertinente pour l'état écologique et chimique et le potentiel écologique.
Dans le cas des eaux souterraines, les programmes de surveillance portent notamment sur la surveillance de l'état chimique et quantitatif.
Si ces eaux appartiennent à une zone protégée, les programmes de surveillance sont complétés par les dispositions contenues dans la législation sur la base de laquelle la zone protégée a été établie.
§ 3. L'autorité de bassin peut commencer par élaborer un ou plusieurs programmes de surveillance de l'état des eaux et des zones protégées de chaque sous-bassin hydrographique wallon. Ces données sont agrégées et, le cas échéant, adaptées en vue d'élaborer un ou plusieurs programmes de surveillance de l'état des eaux et des zones protégées du bassin hydrographique wallon.
§ 4. Les programmes de surveillance visés au paragraphe 1er doivent être opérationnels au plus tard le 22 décembre 2006.
Art. D20. De Regering kan ambtenaren en agenten belasten met het houden van toezicht op het water.
De Regering kan tevens, bij besluit of overeenkomst, openbare personen, met inbegrip van [1 de in overeenstemming met artikel D.343 erkende saneringsinstellingen]1, met opdrachten voor het houden van toezicht belasten.
De Regering kan, bij overeenkomst, aan privé-personen taken of opdrachten toevertrouwen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het toezicht op het water. Zij bepaalt, bij besluit, de voorwaarden waaraan deze privé-personen moeten beantwoorden om met deze taken of opdrachten te worden belast.
De Regering kan tevens, bij besluit of overeenkomst, openbare personen, met inbegrip van [1 de in overeenstemming met artikel D.343 erkende saneringsinstellingen]1, met opdrachten voor het houden van toezicht belasten.
De Regering kan, bij overeenkomst, aan privé-personen taken of opdrachten toevertrouwen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het toezicht op het water. Zij bepaalt, bij besluit, de voorwaarden waaraan deze privé-personen moeten beantwoorden om met deze taken of opdrachten te worden belast.
Art. D20. Le Gouvernement peut charger des fonctionnaires et agents de la surveillance des eaux.
Il peut aussi charger de missions de surveillance, par arrêté ou par contrat, des personnes publiques, y compris les [1 organismes d'assainissement agréés conformément à l'article D.343]1.
Il peut confier, par contrat, à des personnes privées des tâches ou des missions nécessaires à l'exercice de la surveillance des eaux. Il fixe, par arrêté, les conditions auxquelles ces personnes privées doivent répondre pour être chargées de ces tâches ou missions.
Il peut aussi charger de missions de surveillance, par arrêté ou par contrat, des personnes publiques, y compris les [1 organismes d'assainissement agréés conformément à l'article D.343]1.
Il peut confier, par contrat, à des personnes privées des tâches ou des missions nécessaires à l'exercice de la surveillance des eaux. Il fixe, par arrêté, les conditions auxquelles ces personnes privées doivent répondre pour être chargées de ces tâches ou missions.
Wijzigingen
Art. D21. § 1. In geval van een ernstige en plotselinge vervuiling van het water of een onmiddellijke bedreiging van een ernstige vervuiling kan de Regering ambtshalve alle noodzakelijke maatregelen treffen om de vervuiling te voorkomen of te verminderen; zij kan tevens de gouverneur van de provincie of de burgemeester belasten met het treffen van de spoedeisende maatregelen die door haar aan hen worden aangeduid.
De Regering stelt de datum vast waarop de spoedeisende maatregelen aflopen; zij kan verschillende data vaststellen voor bepaalde of elk van de maatregelen die zij heeft getroffen of voorgeschreven.
De Regering kan de gouverneur van de provincie of de burgemeester belasten de datum vast te stellen waarop de spoedeisende maatregelen aflopen die door hen krachtens lid één zijn getroffen.
§ 2. De Regering kan, volgens de modaliteiten van een reglement dat door haar wordt opgesteld, terugvorderbare voorschotten aan de autoriteiten toekennen die, krachtens paragraaf één, ermee zijn belast spoedeisende maatregelen te treffen.
§ 3. De Regering kan een dienst voor onmiddellijke tussenkomsten oprichten waarvan zij de organisatie en de opdrachten regelt. De Regering kan de deelneming voorzien van de overheden die aan deze dienst ondergeschikt zijn gemaakt. Zij kan tevens overeenkomsten met particulieren of ondernemingen afsluiten voor het verzekeren van bepaalde taken die tot haar opdracht behoren.
De Regering stelt de datum vast waarop de spoedeisende maatregelen aflopen; zij kan verschillende data vaststellen voor bepaalde of elk van de maatregelen die zij heeft getroffen of voorgeschreven.
De Regering kan de gouverneur van de provincie of de burgemeester belasten de datum vast te stellen waarop de spoedeisende maatregelen aflopen die door hen krachtens lid één zijn getroffen.
§ 2. De Regering kan, volgens de modaliteiten van een reglement dat door haar wordt opgesteld, terugvorderbare voorschotten aan de autoriteiten toekennen die, krachtens paragraaf één, ermee zijn belast spoedeisende maatregelen te treffen.
§ 3. De Regering kan een dienst voor onmiddellijke tussenkomsten oprichten waarvan zij de organisatie en de opdrachten regelt. De Regering kan de deelneming voorzien van de overheden die aan deze dienst ondergeschikt zijn gemaakt. Zij kan tevens overeenkomsten met particulieren of ondernemingen afsluiten voor het verzekeren van bepaalde taken die tot haar opdracht behoren.
Art. D21. § 1er. En cas de pollution grave et soudaine des eaux ou de menace immédiate de pollution grave, le Gouvernement peut prendre d'office toutes les mesures nécessaires pour éviter ou réduire la pollution; il peut aussi charger le gouverneur de la province ou le bourgmestre de prendre les mesures d'urgence qu'il leur indique.
Le Gouvernement détermine la date à laquelle prennent fin les mesures d'urgence; il peut fixer des dates différentes pour certaines ou pour chacune des mesures qu'il a prises ou prescrit de prendre.
Le Gouvernement peut charger le gouverneur de la province ou le bourgmestre de déterminer la date à laquelle prennent fin les mesures d'urgence prises par ceux-ci en vertu de l'alinéa 1er.
§ 2. Le Gouvernement peut accorder, suivant les modalités d'un règlement qu'il établit, des avances récupérables aux autorités chargées, en vertu du paragraphe 1er, de prendre des mesures d'urgence.
§ 3. Le Gouvernement peut créer un service d'intervention immédiate dont il règle l'organisation et les missions. Il peut prévoir la participation des pouvoirs subordonnés à ce service. Il peut aussi conclure des contrats avec des particuliers ou des entreprises pour assurer certaines tâches entrant dans sa mission.
Le Gouvernement détermine la date à laquelle prennent fin les mesures d'urgence; il peut fixer des dates différentes pour certaines ou pour chacune des mesures qu'il a prises ou prescrit de prendre.
Le Gouvernement peut charger le gouverneur de la province ou le bourgmestre de déterminer la date à laquelle prennent fin les mesures d'urgence prises par ceux-ci en vertu de l'alinéa 1er.
§ 2. Le Gouvernement peut accorder, suivant les modalités d'un règlement qu'il établit, des avances récupérables aux autorités chargées, en vertu du paragraphe 1er, de prendre des mesures d'urgence.
§ 3. Le Gouvernement peut créer un service d'intervention immédiate dont il règle l'organisation et les missions. Il peut prévoir la participation des pouvoirs subordonnés à ce service. Il peut aussi conclure des contrats avec des particuliers ou des entreprises pour assurer certaines tâches entrant dans sa mission.
TITEL III. - Leefmilieudoelstellingen.
TITRE III. - Objectifs environnementaux.
Art. D22. § 1. Bij de tenuitvoerlegging van het in het stroomgebiedbeheersplan omschreven maatregelenprogramma zal het stroomgebied bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen bepaald in artikel 1 en, in het bijzonder zorgen voor :
1° voor oppervlaktewateren :
a) het voorkomen van de achteruitgang van de toestand van alle oppervlaktelichamen;
b) het beschermen, verbeteren en herstellen van alle oppervlaktewateren met de bedoeling uiterlijk 22 december 2015 een goede toestand van het oppervlaktewater te bereiken [1 overeenkomstig de bepalingen van bijlage VI bij het decretale gedeelte]1;
c) het beschermen en verbeteren van alle kunstmatige en sterk veranderde waterlichamen, met de bedoeling uiterlijk 22 december 2015 een goed ecologisch potentieel en een goede chemische toestand van het oppervlaktewater te bereiken [1 overeenkomstig de bepalingen van bijlage VI bij het decretale gedeelte]1;
d. het geleidelijk verminderen van de verontreiniging door prioritaire stoffen en het stopzetten of geleidelijk beëindigen van de emissies, lozingen en verliezen van gevaarlijke prioritaire stoffen;
e) de beheersing van de emissies in oppervlaktewateren overeenkomstig de gecombineerde aanpak;
2° voor grondwater :
a) het voorkomen of beperken van de inbreng van verontreinigende stoffen in het grondwater;
b) het voorkomen van de achteruitgang van de toestand van alle grondwaterlichamen;
c) het beschermen, verbeteren en herstellen van alle grondwaterlichamen en zorgen voor een evenwicht tussen onttrekking en aanvulling van grondwater, met de bedoeling uiterlijk 22 december 2015 een goede grondwatertoestand te bereiken [1 overreenkomstig de bepalingen van bijlage VI bij het decretale gedeelte]1;
d) het ombuigen van elke significante en aanhoudende stijgende tendens van de concentratie van een verontreinigende stof ten gevolge van menselijke activiteiten, teneinde de grondwaterverontreiniging geleidelijk te verminderen;
3° voor beschermde gebieden vastgesteld krachtens artikel 18, op uiterlijk 22 december 2015, het voldoen aan alle normen en doelstellingen, voorzover niet anders bepaald in de wetgeving waaronder het betrokken beschermde gebied is ingesteld.
§ 2. De goede toestand van het water moet op 22 december 2015 bereikt worden, onder voorbehoud van toepassing van de uitzonderingen bedoeld in de paragrafen 5, 6, 7, 8 en 9.
[1 De Regering bepaalt voor de grondwaterlichamen de algemene criteria inzake de goede toestand en de grenzen tussen de kwantitatieve toestand " goed " en de kwantitatieve toestand " matig ", alsook tussen de chemische toestand " goed " en de chemische toestand " matig ". De Regering bepaalt ook de regels voor de presentatie van de toestand van grondwater.
De Regering bepaalt voor elk type oppervlaktewaterlichaam de grenzen tussen de verschillende ecologische toestandsklassen op basis van de algemene criteria voor de goede toestand en van de normatieve definities van de ecologische toestandsklassen vermeld in bijlage VI bij het decretale gedeelte.
De Regering bepaalt de grenzen tussen de goede chemische toestand en een chemische toestand die niet goed is. De in bijlage VI omschreven regels inzake de presentatie van de ecologische toestand worden door de Regering ten uitvoer gelegd.]1
De stroomgebiedsoverheid bepaalt in het beheersplan de specifieke referentievoorwaarden voor elk soort waterlichaam, teneinde de goede toestand omschreven krachtens het vorig lid te bereiken en, desgevallend, de waarden nader te bepalen die de toestand "zeer goed" van de toestanden "goed", "matig", "ontoereikend" en "slecht" scheiden.
§ 3. Wanneer meer dan één van de leefmilieudoelstellingen betrekking heeft op een waterlichaam, is de strengste van toepassing.
§ 4. De stroomgebiedsoverheid gaat maatregelen invoeren ter vermindering van de concentratie van verontreinigende stoffen in het grondwater op grond van de criteria vastgelegd door de Europese gemeenschap of, bij gebrek aan dergelijke criteria, op grond van aangepaste criteria die ze voor 22 december 2005 vastlegt. Bij gebrek aan door de stroomgebiedsoverheid aangenomen criteria geldt voor de ombuiging van de stijgende tendens als beginpunt een maximum van 75 % van het niveau van de in de bestaande communautaire wetgeving vastgestelde kwaliteitsnormen voor grondwater.
Deze maatregelen worden ten uitvoer gelegd onder voorbehoud van de toepassing van de afwijkingen bedoeld in de paragrafen 8 en 9 en onverminderd de toepassing van paragraaf 11.
§ 5. De stroomgebiedsoverheid kan voor bepaalde waterlichamen leefmilieudoelstellingen aanwijzen waarvan de verwezenlijking na 2015 zal plaatsvinden, mits de toestand van het betrokken waterlichaam niet verder verslechtert en wanneer aan alle navolgende voorwaarden wordt voldaan :
1° de verlenging van de termijn komt ten minste overeen met één van de drie volgende redenen :
a) de vereiste verbeteringen van de toestand van de waterlichamen zijn technisch slechts haalbaar in periodes die de gestelde termijn overschrijden;
b) de verwezenlijking van de verbeteringen binnen de termijn zou onevenredig kostbaar zijn;
c) de natuurlijke omstandigheden beletten een tijdige verbetering van de toestand van het waterlichaam;
2° de verlenging van de termijn en de redenen daarvoor worden in het Waalse stroomgebiedbeheersplan specifiek vermeld en toegelicht;
3° verlengingen worden beperkt tot maximaal twee bijwerkingen van het Waalse stroomgebiedbeheersplan, behalve wanneer de natuurlijke omstandigheden van dien aard zijn dat de doelstellingen niet binnen die termijn kunnen worden bereikt;
4° in het Waalse stroomgebiedbeheersplan wordt een overzicht gegeven van de ingevolge artikel 23 vereiste maatregelen die noodzakelijk worden geacht om de waterlichamen vóór het verstrijken van de verlengde termijn geleidelijk in de vereiste toestand te brengen, de redenen voor significante vertraging bij de operationalisering van deze maatregelen, alsmede het vermoedelijke tijdschema voor de uitvoering ervan. In de bijwerkingen van het Waalse stroomgebiedbeheersplan wordt een evaluatie van de uitvoering van die maatregelen opgenomen, alsmede een overzicht van eventuele extra maatregelen.
§ 6. De stroomgebiedsoverheid mag voor specifieke waterlichamen minder strenge leefmilieudoelstellingen vaststellen, wanneer die lichamen in een zodanige mate door menselijke activiteiten zijn aangetast of hun natuurlijke gesteldheid van dien aard is dat het bereiken van die doelstellingen niet haalbaar of onevenredig kostbaar zou zijn, en aan alle navolgende voorwaarden wordt voldaan :
1° aan de ecologische en sociaal-economische behoeften die door zulke menselijke activiteiten worden gediend, kan niet worden voldaan met andere, voor het milieu aanmerkelijk gunstigere middelen die geen onevenredig hoge kosten met zich brengen;
2° de oppervlaktewateren moeten de best mogelijke ecologische en chemische toestand bereiken die haalbaar is, gezien de redelijkerwijs niet te vermijden effecten vanwege de aard van de menselijke activiteiten of verontreiniging;
3° de grondwateren mogen zo gering mogelijke veranderingen in de goede grondwatertoestand vertonen, gezien de redelijkerwijs niet te vermijden effecten vanwege de aard van de menselijke activiteiten of verontreiniging;
4° er treedt geen verdere achteruitgang op in de toestand van het aangetaste waterlichaam;
5° de vaststelling van minder strenge leefmilieudoelstellingen en de redenen daarvoor worden in het Waalse stroomgebiedbeheersplan specifiek vermeld, en die doelstellingen worden om de zes jaar getoetst.
§ 7. De stroomgebiedsoverheid mag oppervlaktewaterlichamen als kunstmatig of sterk veranderd aanmerken, indien :
1° de voor het bereiken van een goede ecologische toestand noodzakelijke wijzigingen van de hydromorfologische kenmerken van die lichamen significante negatieve effecten zouden hebben op :
a) het milieu in bredere zin;
b) scheepvaart, met inbegrip van havenfaciliteiten, of recreatie;
c) activiteiten waarvoor water wordt opgeslagen, zoals drinkwatervoorziening, energieopwekking of irrigatie;
d) waterhuishouding, bescherming tegen overstromingen, afwatering;
e) andere even belangrijke duurzame activiteiten voor menselijke ontwikkeling;
2° het nuttige doel dat met de kunstmatige of veranderde aard van het waterlichaam gediend wordt, om redenen van technische haalbaarheid of onevenredig hoge kosten redelijkerwijs niet kan worden bereikt met andere, voor het milieu aanmerkelijk gunstiger middelen.
Het aanmerken van een waterlichaam als kunstmatig of sterk veranderd en de redenen daarvoor worden uitdrukkelijk vermeld in het Waalse stroomgebiedbeheersplan en worden om de zes jaar herzien.
[1 Wat de kunstmatige en sterk veranderde waterlichamen betreft, bepaalt de Regering de grenzen tussen de verschillende klassen ecologisch potentieel op basis van de algemene criteria voor het goede ecologische potentieel en van de normatieve definities van de klassen ecologisch potentieel vermeld in bijlage VI bij het decretale gedeelte. De in bijlage VI omschreven regels inzake de presentatie van ecologisch potentieel worden door de Regering ten uitvoer gelegd.
Wat de kunstmatige en sterk veranderde waterlichamen betreft, moet het ecologische potentieel, onder voorbehoud van de uitzonderingen bedoeld in de paragrafen 5, 6, 8 en 9, tegen 22 december 2015 bereikt worden.]1
De stroomgebiedsoverheid bepaalt in het beheersplan de specifieke referentievoorwaarden waaraan elk kunstmatig of sterk veranderd waterlichaam moet beantwoorden, teneinde het goede ecologische potentieel omschreven krachtens het vorig lid te bereiken en, desgevallend, de grenzen te bepalen die het ecologisch potentieel "goed" van het ecologisch potentieel "matig", "ontoereikend" of "slecht" scheiden.
§ 8. De stroomgebiedsoverheid kan beslissen dat een tijdelijke achteruitgang van de toestand van waterlichamen wordt toegelaten, indien deze het resultaat is van omstandigheden die zich door een natuurlijke oorzaak of overmacht voordoen of die zijn veroorzaakt door niet te voorziene ongevallen, op voorwaarde dat aan alle navolgende voorwaarden is voldaan :
1°alle haalbare stappen worden ondernomen om verdere achteruitgang van de toestand te voorkomen teneinde het bereiken van de doelstellingen voor andere, niet door die omstandigheden getroffen waterlichamen niet in het gedrang te brengen;
2° de voorwaarden waaronder uitzonderlijke of redelijkerwijs niet te voorziene omstandigheden mogen worden aangevoerd, met inbegrip van de vaststelling van passende indicatoren, worden in het Waalse stroomgebiedbeheersplan vermeld;
3° de maatregelen die in dergelijke uitzonderlijke omstandigheden moeten worden genomen, worden opgenomen in het maatregelenprogramma en mogen het herstel van de kwaliteit van het waterlichaam niet in de weg staan wanneer die omstandigheden niet meer bestaan;
4° de gevolgen van uitzonderlijke of redelijkerwijs niet te voorziene omstandigheden worden jaarlijks geëvalueerd, en onder voorbehoud van de redenen zoals uiteengezet in paragraaf 5, 1°, worden alle haalbare maatregelen genomen om het waterlichaam zo snel als redelijkerwijs haalbaar is te herstellen in de toestand waarin het zich bevond voordat de effecten van die omstandigheden intraden, en
5° in de volgende bijwerking van het Waalse stroomgebiedbeheersplan wordt een overzicht gegeven van de effecten van de omstandigheden en van de maatregelen die zijn of zullen worden genomen.
§ 9. De stroomgebiedsoverheid kan beslissen om een toelating te verlenen voor het niet bereiken van een goede grondwatertoestand, een goede ecologische toestand, of in voorkomend geval een goed ecologisch potentieel, of het niet-voorkomen van achteruitgang van de toestand van een oppervlakte- of grondwaterlichaam ten gevolge van nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een oppervlaktewaterlichaam of wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen, of voor het niet-voorkomen van de achteruitgang van een zeer goede toestand van een oppervlaktewater naar een goede toestand als deze achteruitgang het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling, en als aan alle volgende voorwaarden is voldaan :
1° alle haalbare stappen worden ondernomen om de negatieve effecten op de toestand van het waterlichaam tegen te gaan;
2° de redenen voor die veranderingen of wijzigingen worden specifiek vermeld en toegelicht in het Waalse stroomgebiedbeheersplan en worden om de zes jaar getoetst;
3° de redenen voor die veranderingen of wijzigingen zijn van hoger openbaar belang of de nut ervan voor de gezondheid van de mens, de handhaving van de veiligheid van de mens of duurzame ontwikkeling is belangrijker dan de verwezenlijking van leefmilieudoelstellingen vastgelegd in het eerste paragraaf;
4° het nuttige doel dat met die veranderingen of wijzigingen wordt gediend, kan vanwege technische haalbaarheid of onevenredig hoge kosten niet worden bereikt met andere, voor het milieu aanmerkelijk gunstigere middelen.
[3 Voor de toepassing van het eerste lid, 3А, worden de planning, de bouw en de exploitatie van installaties voor hernieuwbare energie, de aansluiting van die installaties op het net, het bijbehorende net zelf en opslagactiva, in de zin van artikel 16septies van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, bij de afweging van de rechtsbelangen in individuele gevallen geacht in het hoger openbaar belang te zijn.]3
[3 In specifieke, naar behoren gemotiveerde omstandigheden, kan de Regering de toepassing van het vorige lid beperken tot bepaalde delen van het grondgebied, tot bepaalde soorten technologie of tot projecten met bepaalde technische kenmerken overeenkomstig de prioriteiten bepaald in het Lucht-Klimaat-Energieplan bedoeld in het decreet van 16 november 2023 betreffende koolstofneutraliteit. ]3
§ 10. De stroomgebiedsoverheid oefent bevoegdheden uit die opgesomd zijn in de paragrafen 5, 6, 7, eerste lid, 8 en 9 na het inwinnen van het advies [2 van de beleidsgroep Leefmilieu]2. Een rapport wordt door de stroomgebiedsoverheid opgesteld om het gebruik van dergelijke bepalingen te rechtvaardigen.
§ 11. Het bereiken van de leefmilieudoelstellingen in andere waterlichamen wordt niet verhinderd of in gevaar gebracht door de toepassing van dit artikel en is verenigbaar met de toepassing van andere voorschriften inzake milieubescherming.
§ 12. Stappen moeten worden genomen door de stroomgebiedsoverheid om ervoor te zorgen dat de toepassing van dit artikel, met name de paragrafen 5, 6, 7, 8 en 9 ten minste hetzelfde beschermingsniveau waarborgt als de bestaande wetgeving.
1° voor oppervlaktewateren :
a) het voorkomen van de achteruitgang van de toestand van alle oppervlaktelichamen;
b) het beschermen, verbeteren en herstellen van alle oppervlaktewateren met de bedoeling uiterlijk 22 december 2015 een goede toestand van het oppervlaktewater te bereiken [1 overeenkomstig de bepalingen van bijlage VI bij het decretale gedeelte]1;
c) het beschermen en verbeteren van alle kunstmatige en sterk veranderde waterlichamen, met de bedoeling uiterlijk 22 december 2015 een goed ecologisch potentieel en een goede chemische toestand van het oppervlaktewater te bereiken [1 overeenkomstig de bepalingen van bijlage VI bij het decretale gedeelte]1;
d. het geleidelijk verminderen van de verontreiniging door prioritaire stoffen en het stopzetten of geleidelijk beëindigen van de emissies, lozingen en verliezen van gevaarlijke prioritaire stoffen;
e) de beheersing van de emissies in oppervlaktewateren overeenkomstig de gecombineerde aanpak;
2° voor grondwater :
a) het voorkomen of beperken van de inbreng van verontreinigende stoffen in het grondwater;
b) het voorkomen van de achteruitgang van de toestand van alle grondwaterlichamen;
c) het beschermen, verbeteren en herstellen van alle grondwaterlichamen en zorgen voor een evenwicht tussen onttrekking en aanvulling van grondwater, met de bedoeling uiterlijk 22 december 2015 een goede grondwatertoestand te bereiken [1 overreenkomstig de bepalingen van bijlage VI bij het decretale gedeelte]1;
d) het ombuigen van elke significante en aanhoudende stijgende tendens van de concentratie van een verontreinigende stof ten gevolge van menselijke activiteiten, teneinde de grondwaterverontreiniging geleidelijk te verminderen;
3° voor beschermde gebieden vastgesteld krachtens artikel 18, op uiterlijk 22 december 2015, het voldoen aan alle normen en doelstellingen, voorzover niet anders bepaald in de wetgeving waaronder het betrokken beschermde gebied is ingesteld.
§ 2. De goede toestand van het water moet op 22 december 2015 bereikt worden, onder voorbehoud van toepassing van de uitzonderingen bedoeld in de paragrafen 5, 6, 7, 8 en 9.
[1 De Regering bepaalt voor de grondwaterlichamen de algemene criteria inzake de goede toestand en de grenzen tussen de kwantitatieve toestand " goed " en de kwantitatieve toestand " matig ", alsook tussen de chemische toestand " goed " en de chemische toestand " matig ". De Regering bepaalt ook de regels voor de presentatie van de toestand van grondwater.
De Regering bepaalt voor elk type oppervlaktewaterlichaam de grenzen tussen de verschillende ecologische toestandsklassen op basis van de algemene criteria voor de goede toestand en van de normatieve definities van de ecologische toestandsklassen vermeld in bijlage VI bij het decretale gedeelte.
De Regering bepaalt de grenzen tussen de goede chemische toestand en een chemische toestand die niet goed is. De in bijlage VI omschreven regels inzake de presentatie van de ecologische toestand worden door de Regering ten uitvoer gelegd.]1
De stroomgebiedsoverheid bepaalt in het beheersplan de specifieke referentievoorwaarden voor elk soort waterlichaam, teneinde de goede toestand omschreven krachtens het vorig lid te bereiken en, desgevallend, de waarden nader te bepalen die de toestand "zeer goed" van de toestanden "goed", "matig", "ontoereikend" en "slecht" scheiden.
§ 3. Wanneer meer dan één van de leefmilieudoelstellingen betrekking heeft op een waterlichaam, is de strengste van toepassing.
§ 4. De stroomgebiedsoverheid gaat maatregelen invoeren ter vermindering van de concentratie van verontreinigende stoffen in het grondwater op grond van de criteria vastgelegd door de Europese gemeenschap of, bij gebrek aan dergelijke criteria, op grond van aangepaste criteria die ze voor 22 december 2005 vastlegt. Bij gebrek aan door de stroomgebiedsoverheid aangenomen criteria geldt voor de ombuiging van de stijgende tendens als beginpunt een maximum van 75 % van het niveau van de in de bestaande communautaire wetgeving vastgestelde kwaliteitsnormen voor grondwater.
Deze maatregelen worden ten uitvoer gelegd onder voorbehoud van de toepassing van de afwijkingen bedoeld in de paragrafen 8 en 9 en onverminderd de toepassing van paragraaf 11.
§ 5. De stroomgebiedsoverheid kan voor bepaalde waterlichamen leefmilieudoelstellingen aanwijzen waarvan de verwezenlijking na 2015 zal plaatsvinden, mits de toestand van het betrokken waterlichaam niet verder verslechtert en wanneer aan alle navolgende voorwaarden wordt voldaan :
1° de verlenging van de termijn komt ten minste overeen met één van de drie volgende redenen :
a) de vereiste verbeteringen van de toestand van de waterlichamen zijn technisch slechts haalbaar in periodes die de gestelde termijn overschrijden;
b) de verwezenlijking van de verbeteringen binnen de termijn zou onevenredig kostbaar zijn;
c) de natuurlijke omstandigheden beletten een tijdige verbetering van de toestand van het waterlichaam;
2° de verlenging van de termijn en de redenen daarvoor worden in het Waalse stroomgebiedbeheersplan specifiek vermeld en toegelicht;
3° verlengingen worden beperkt tot maximaal twee bijwerkingen van het Waalse stroomgebiedbeheersplan, behalve wanneer de natuurlijke omstandigheden van dien aard zijn dat de doelstellingen niet binnen die termijn kunnen worden bereikt;
4° in het Waalse stroomgebiedbeheersplan wordt een overzicht gegeven van de ingevolge artikel 23 vereiste maatregelen die noodzakelijk worden geacht om de waterlichamen vóór het verstrijken van de verlengde termijn geleidelijk in de vereiste toestand te brengen, de redenen voor significante vertraging bij de operationalisering van deze maatregelen, alsmede het vermoedelijke tijdschema voor de uitvoering ervan. In de bijwerkingen van het Waalse stroomgebiedbeheersplan wordt een evaluatie van de uitvoering van die maatregelen opgenomen, alsmede een overzicht van eventuele extra maatregelen.
§ 6. De stroomgebiedsoverheid mag voor specifieke waterlichamen minder strenge leefmilieudoelstellingen vaststellen, wanneer die lichamen in een zodanige mate door menselijke activiteiten zijn aangetast of hun natuurlijke gesteldheid van dien aard is dat het bereiken van die doelstellingen niet haalbaar of onevenredig kostbaar zou zijn, en aan alle navolgende voorwaarden wordt voldaan :
1° aan de ecologische en sociaal-economische behoeften die door zulke menselijke activiteiten worden gediend, kan niet worden voldaan met andere, voor het milieu aanmerkelijk gunstigere middelen die geen onevenredig hoge kosten met zich brengen;
2° de oppervlaktewateren moeten de best mogelijke ecologische en chemische toestand bereiken die haalbaar is, gezien de redelijkerwijs niet te vermijden effecten vanwege de aard van de menselijke activiteiten of verontreiniging;
3° de grondwateren mogen zo gering mogelijke veranderingen in de goede grondwatertoestand vertonen, gezien de redelijkerwijs niet te vermijden effecten vanwege de aard van de menselijke activiteiten of verontreiniging;
4° er treedt geen verdere achteruitgang op in de toestand van het aangetaste waterlichaam;
5° de vaststelling van minder strenge leefmilieudoelstellingen en de redenen daarvoor worden in het Waalse stroomgebiedbeheersplan specifiek vermeld, en die doelstellingen worden om de zes jaar getoetst.
§ 7. De stroomgebiedsoverheid mag oppervlaktewaterlichamen als kunstmatig of sterk veranderd aanmerken, indien :
1° de voor het bereiken van een goede ecologische toestand noodzakelijke wijzigingen van de hydromorfologische kenmerken van die lichamen significante negatieve effecten zouden hebben op :
a) het milieu in bredere zin;
b) scheepvaart, met inbegrip van havenfaciliteiten, of recreatie;
c) activiteiten waarvoor water wordt opgeslagen, zoals drinkwatervoorziening, energieopwekking of irrigatie;
d) waterhuishouding, bescherming tegen overstromingen, afwatering;
e) andere even belangrijke duurzame activiteiten voor menselijke ontwikkeling;
2° het nuttige doel dat met de kunstmatige of veranderde aard van het waterlichaam gediend wordt, om redenen van technische haalbaarheid of onevenredig hoge kosten redelijkerwijs niet kan worden bereikt met andere, voor het milieu aanmerkelijk gunstiger middelen.
Het aanmerken van een waterlichaam als kunstmatig of sterk veranderd en de redenen daarvoor worden uitdrukkelijk vermeld in het Waalse stroomgebiedbeheersplan en worden om de zes jaar herzien.
[1 Wat de kunstmatige en sterk veranderde waterlichamen betreft, bepaalt de Regering de grenzen tussen de verschillende klassen ecologisch potentieel op basis van de algemene criteria voor het goede ecologische potentieel en van de normatieve definities van de klassen ecologisch potentieel vermeld in bijlage VI bij het decretale gedeelte. De in bijlage VI omschreven regels inzake de presentatie van ecologisch potentieel worden door de Regering ten uitvoer gelegd.
Wat de kunstmatige en sterk veranderde waterlichamen betreft, moet het ecologische potentieel, onder voorbehoud van de uitzonderingen bedoeld in de paragrafen 5, 6, 8 en 9, tegen 22 december 2015 bereikt worden.]1
De stroomgebiedsoverheid bepaalt in het beheersplan de specifieke referentievoorwaarden waaraan elk kunstmatig of sterk veranderd waterlichaam moet beantwoorden, teneinde het goede ecologische potentieel omschreven krachtens het vorig lid te bereiken en, desgevallend, de grenzen te bepalen die het ecologisch potentieel "goed" van het ecologisch potentieel "matig", "ontoereikend" of "slecht" scheiden.
§ 8. De stroomgebiedsoverheid kan beslissen dat een tijdelijke achteruitgang van de toestand van waterlichamen wordt toegelaten, indien deze het resultaat is van omstandigheden die zich door een natuurlijke oorzaak of overmacht voordoen of die zijn veroorzaakt door niet te voorziene ongevallen, op voorwaarde dat aan alle navolgende voorwaarden is voldaan :
1°alle haalbare stappen worden ondernomen om verdere achteruitgang van de toestand te voorkomen teneinde het bereiken van de doelstellingen voor andere, niet door die omstandigheden getroffen waterlichamen niet in het gedrang te brengen;
2° de voorwaarden waaronder uitzonderlijke of redelijkerwijs niet te voorziene omstandigheden mogen worden aangevoerd, met inbegrip van de vaststelling van passende indicatoren, worden in het Waalse stroomgebiedbeheersplan vermeld;
3° de maatregelen die in dergelijke uitzonderlijke omstandigheden moeten worden genomen, worden opgenomen in het maatregelenprogramma en mogen het herstel van de kwaliteit van het waterlichaam niet in de weg staan wanneer die omstandigheden niet meer bestaan;
4° de gevolgen van uitzonderlijke of redelijkerwijs niet te voorziene omstandigheden worden jaarlijks geëvalueerd, en onder voorbehoud van de redenen zoals uiteengezet in paragraaf 5, 1°, worden alle haalbare maatregelen genomen om het waterlichaam zo snel als redelijkerwijs haalbaar is te herstellen in de toestand waarin het zich bevond voordat de effecten van die omstandigheden intraden, en
5° in de volgende bijwerking van het Waalse stroomgebiedbeheersplan wordt een overzicht gegeven van de effecten van de omstandigheden en van de maatregelen die zijn of zullen worden genomen.
§ 9. De stroomgebiedsoverheid kan beslissen om een toelating te verlenen voor het niet bereiken van een goede grondwatertoestand, een goede ecologische toestand, of in voorkomend geval een goed ecologisch potentieel, of het niet-voorkomen van achteruitgang van de toestand van een oppervlakte- of grondwaterlichaam ten gevolge van nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een oppervlaktewaterlichaam of wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen, of voor het niet-voorkomen van de achteruitgang van een zeer goede toestand van een oppervlaktewater naar een goede toestand als deze achteruitgang het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling, en als aan alle volgende voorwaarden is voldaan :
1° alle haalbare stappen worden ondernomen om de negatieve effecten op de toestand van het waterlichaam tegen te gaan;
2° de redenen voor die veranderingen of wijzigingen worden specifiek vermeld en toegelicht in het Waalse stroomgebiedbeheersplan en worden om de zes jaar getoetst;
3° de redenen voor die veranderingen of wijzigingen zijn van hoger openbaar belang of de nut ervan voor de gezondheid van de mens, de handhaving van de veiligheid van de mens of duurzame ontwikkeling is belangrijker dan de verwezenlijking van leefmilieudoelstellingen vastgelegd in het eerste paragraaf;
4° het nuttige doel dat met die veranderingen of wijzigingen wordt gediend, kan vanwege technische haalbaarheid of onevenredig hoge kosten niet worden bereikt met andere, voor het milieu aanmerkelijk gunstigere middelen.
[3 Voor de toepassing van het eerste lid, 3А, worden de planning, de bouw en de exploitatie van installaties voor hernieuwbare energie, de aansluiting van die installaties op het net, het bijbehorende net zelf en opslagactiva, in de zin van artikel 16septies van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, bij de afweging van de rechtsbelangen in individuele gevallen geacht in het hoger openbaar belang te zijn.]3
[3 In specifieke, naar behoren gemotiveerde omstandigheden, kan de Regering de toepassing van het vorige lid beperken tot bepaalde delen van het grondgebied, tot bepaalde soorten technologie of tot projecten met bepaalde technische kenmerken overeenkomstig de prioriteiten bepaald in het Lucht-Klimaat-Energieplan bedoeld in het decreet van 16 november 2023 betreffende koolstofneutraliteit. ]3
§ 10. De stroomgebiedsoverheid oefent bevoegdheden uit die opgesomd zijn in de paragrafen 5, 6, 7, eerste lid, 8 en 9 na het inwinnen van het advies [2 van de beleidsgroep Leefmilieu]2. Een rapport wordt door de stroomgebiedsoverheid opgesteld om het gebruik van dergelijke bepalingen te rechtvaardigen.
§ 11. Het bereiken van de leefmilieudoelstellingen in andere waterlichamen wordt niet verhinderd of in gevaar gebracht door de toepassing van dit artikel en is verenigbaar met de toepassing van andere voorschriften inzake milieubescherming.
§ 12. Stappen moeten worden genomen door de stroomgebiedsoverheid om ervoor te zorgen dat de toepassing van dit artikel, met name de paragrafen 5, 6, 7, 8 en 9 ten minste hetzelfde beschermingsniveau waarborgt als de bestaande wetgeving.
Art. D22. § 1er. En rendant opérationnels les programmes de mesures prévus dans les plans de gestion, l'autorité de bassin contribue à la réalisation des objectifs définis à l'article 1er et s'efforce, en particulier :
1° en ce qui concerne les eaux de surface :
a) de prévenir la détérioration de l'état de toutes les masses d'eau de surface;
b) de protéger, d'améliorer et de restaurer toutes les masses d'eau de surface, afin de parvenir à un bon état des eaux de surface au plus tard le 22 décembre 2015 [1 conformément aux dispositions de l'annexe VI de la partie décrétale]1;
c) de protéger et d'améliorer toutes les masses d'eau artificielles et fortement modifiées, en vue d'obtenir un bon potentiel écologique et un bon état chimique des eaux de surface au plus tard le 22 décembre 2015 [1 conformément aux dispositions de l'annexe VI de la partie décrétale]1;
d) de réduire progressivement la pollution due aux substances prioritaires et d'arrêter ou de supprimer progressivement les émissions, les rejets et les pertes de substances dangereuses prioritaires;
e) de contrôler les émissions dans les eaux de surface selon l'approche combinée;
2° en ce qui concerne les eaux souterraines :
a) de prévenir ou de limiter le rejet de polluants dans les eaux souterraines;
b) de prévenir la détérioration de l'état de toutes les masses d'eau souterraine;
c) de protéger, d'améliorer et de restaurer toutes les masses d'eau souterraine, ainsi que d'assurer un équilibre entre les captages et le renouvellement des eaux souterraines afin d'obtenir un bon état des masses d'eau souterraine au plus tard le 22 décembre 2015 [1 conformément aux dispositions de l'annexe VI de la partie décrétale]1;
d) d'inverser toute tendance à la hausse, significative et durable, de la concentration de tout polluant résultant de l'impact de l'activité humaine afin de réduire progressivement la pollution des eaux souterraines;
3° en ce qui concerne les zones protégées identifiées en vertu de l'article 18, d'assurer le respect de toutes les normes et de tous les objectifs au plus tard le 22 décembre 2015, sauf disposition contraire dans la législation sur la base de laquelle les différentes zones protégées ont été établies.
§ 2. Le bon état des eaux doit être atteint pour le 22 décembre 2015, sous réserve de l'application des exceptions visées aux paragraphes 5, 6, 7, 8 et 9.
[1 Le Gouvernement détermine, pour les masses d'eau souterraine, les critères généraux du bon état et les limites séparant l'état quantitatif " bon " de l'état quantitatif " médiocre " et l'état chimique " bon " de l'état chimique " médiocre ". Le Gouvernement fixe également les règles de présentation de l'état des eaux souterraines.
Le Gouvernement fixe, pour chaque type de masses d'eau de surface, les limites séparant les différentes classes d'état écologique sur la base des critères généraux du bon état et des définitions normatives des classes d'état écologique figurant à l'annexe VI de la partie décrétale.
Le Gouvernement définit les limites séparant le bon état chimique d'un état chimique qui n'est pas bon. Le Gouvernement met en oeuvre les règles de présentation de l'état écologique définies à l'annexe VI.]1
Il appartient à l'autorité de bassin de fixer, dans le plan de gestion, les conditions de référence spécifiques, pour chaque type de masses d'eau, afin d'arriver au bon état décrit en vertu de l'alinéa précédent, et de préciser, le cas échéant, les valeurs séparant l'état "très bon" des états "bon", "moyen", "médiocre" et "mauvais".
§ 3. Lorsque plusieurs objectifs environnementaux sont applicables à une masse d'eau, le plus strict d'entre eux s'applique.
§ 4. L'autorité de bassin établit les mesures destinées à réduire la concentration de polluants dans les eaux souterraines sur la base des critères établis par la Communauté européenne ou, en l'absence de tels critères, sur la base de critères appropriés qu'elle fixe pour le 22 décembre 2005. A défaut de critères adoptés par l'autorité de bassin, le point de départ des inversions de tendance à retenir sera de 75 %, au maximum, du niveau de qualité établi dans la législation communautaire applicable aux eaux souterraines.
Ces mesures sont mises en oeuvre sous réserve de l'application des dérogations visées aux paragraphes 8 et 9 et sans préjudice de l'application du paragraphe 11.
§ 5. L'autorité de bassin peut désigner, pour certaines masses d'eau, des objectifs environnementaux dont la réalisation sera postérieure au 22 décembre 2015, à condition que l'état de la masse d'eau concernée ne se détériore pas davantage et lorsque toutes les conditions suivantes sont réunies :
1° le report d'échéance répond à au moins une des trois raisons suivantes :
a) les améliorations nécessaires de l'état des masses d'eau ne peuvent, pour des raisons de faisabilité technique, être réalisées qu'en plusieurs étapes excédant les délais indiqués;
b) l'achèvement des améliorations nécessaires dans les délais serait exagérément coûteux;
c) les conditions naturelles ne permettent pas de réaliser les améliorations de l'état des masses d'eau dans les délais prévus;
2° le report de l'échéance et les motifs de ce report sont explicitement indiqués et expliqués dans le plan de gestion du bassin hydrographique wallon;
3° les reports sont limités à un maximum de deux nouvelles mises à jour du plan de gestion du bassin hydrographique wallon, sauf dans les cas où les conditions naturelles sont telles que les objectifs ne peuvent être réalisés dans ce délai;
4° un résumé des mesures requises en vertu de l'article 23 qui sont jugées nécessaires pour amener progressivement les masses d'eau à leur état requis dans le délai reporté, les motifs de tout retard important dans la mise en oeuvre de ces mesures et le calendrier prévu pour leur mise en oeuvre sont indiqués dans le plan de gestion du bassin hydrographique wallon. Un état de la mise en oeuvre de ces mesures et un résumé de toute mesure additionnelle sont inclus dans les mises à jour du plan de gestion du bassin hydrographique wallon.
§ 6. L'autorité de bassin peut fixer, pour certaines masses d'eau spécifiques, des objectifs environnementaux moins stricts lorsque celles-ci sont tellement touchées par l'activité humaine ou que leur condition naturelle est telle que la réalisation de ces objectifs serait impossible ou d'un coût disproportionné, et que les conditions suivantes sont réunies :
1° les besoins environnementaux et sociaux auxquels répond cette activité humaine ne peuvent pas être assurés par d'autres moyens constituant une option environnementale meilleure et dont le coût n'est pas disproportionné;
2° les eaux de surface présentent un état écologique et chimique optimal compte tenu des incidences qui n'auraient raisonnablement pas pu être évitées à cause de la nature des activités humaines ou de la pollution;
3° les eaux souterraines présentent des modifications minimales par rapport à un bon état de ces eaux compte tenu des incidences qui n'auraient raisonnablement pas pu être évitées à cause de la nature des activités humaines ou de la pollution;
4° aucune autre détérioration de l'état des masses d'eau concernées ne se produit;
5° les objectifs environnementaux moins stricts sont explicitement indiqués et motivés dans le plan de gestion du bassin hydrographique wallon et sont revus tous les six ans.
§ 7. L'autorité de bassin peut désigner une masse d'eau de surface comme étant artificielle ou fortement modifiée lorsque :
1° les modifications à apporter aux caractéristiques hydromorphologiques de cette masse d'eau pour obtenir un bon état écologique auraient des incidences négatives importantes sur :
a) l'environnement au sens large;
b) la navigation, y compris les installations portuaires ou les loisirs;
c) les activités aux fins desquelles l'eau est stockée, telles que l'approvisionnement en eau destinée à la consommation humaine, la production d'électricité ou l'irrigation;
d) la régularisation des débits, la protection contre les inondations et le drainage des sols;
e) d'autres activités de développement humain durable tout aussi importantes;
2° les objectifs bénéfiques poursuivis par les caractéristiques artificielles ou modifiées de la masse d'eau ne peuvent, pour des raisons de faisabilité technique ou de coûts disproportionnés, être atteints raisonnablement par d'autres moyens qui constituent une option environnementale sensiblement meilleure.
Cette désignation ainsi que les raisons de cette désignation doivent être explicitement mentionnées dans le plan de gestion du bassin hydrographique wallon et être revues tous les six ans.
[1 Pour les masses d'eau de surface artificielles et fortement modifiées, le Gouvernement fixe les limites séparant les différentes classes de potentiel écologique sur la base des critères généraux du bon potentiel écologique et des définitions normatives des classes de potentiel écologique figurant à l'annexe VI de la partie décrétale. Le Gouvernement met en oeuvre les règles de présentation du potentiel écologique définies à l'annexe VI.
Pour les masses d'eau de surface artificielles et fortement modifiées, le bon potentiel écologique doit, sous réserve des exceptions visées aux paragraphes 5, 6, 8 et 9, être atteint pour le 22 décembre 2015.]1
Il appartient à l'autorité de bassin de fixer, dans le plan de gestion, les conditions de référence spécifiques que doit remplir chaque masse d'eau artificielle ou fortement modifiée, afin d'arriver au bon potentiel écologique décrit en vertu de l'alinéa précédent, et de définir, le cas échéant, les limites concrètes séparant le "bon" potentiel écologique du potentiel écologique "moyen", "médiocre" et "mauvais".
§ 8. L'autorité de bassin peut décider que la détérioration temporaire de l'état d'une masse d'eau suite à une cause naturelle exceptionnelle, de force majeure ou suite à un accident imprévisible est admise, pour autant que toutes les conditions suivantes soient réunies :
1° toutes les mesures faisables sont prises pour prévenir toute nouvelle dégradation de l'état et pour ne pas compromettre la réalisation des objectifs dans d'autres masses d'eau non touchées par ces circonstances;
2° les conditions dans lesquelles de telles circonstances exceptionnelles ou non raisonnablement prévisibles peuvent être déclarées, y compris l'adoption des indicateurs appropriés, sont indiquées dans le plan de gestion du bassin hydrographique wallon;
3° les mesures à prendre dans de telles circonstances exceptionnelles sont indiquées dans le programme de mesures et ne compromettent pas la récupération de la qualité de la masse d'eau une fois que les circonstances sont passées;
4° les effets des circonstances exceptionnelles ou qui n'auraient raisonnablement pas pu être prévues sont revus chaque année et, sous réserve des motifs énoncés au paragraphe 5, 1°, toutes les mesures faisables sont prises pour restaurer, dans les meilleurs délais raisonnablement possibles, la masse d'eau dans l'état qui était le sien avant les effets de ces circonstances;
5° un résumé des effets des circonstances et des mesures prises ou à prendre est inclus dans la mise à jour suivante du plan de gestion du bassin hydrographique wallon.
§ 9. L'autorité de bassin peut décider qu'il est admis de ne pas rétablir le bon état d'une eau souterraine, le bon état écologique ou, le cas échéant, le bon potentiel écologique ou de ne pas empêcher la détérioration de l'état d'une masse d'eau de surface ou d'eau souterraine, en raison de nouvelles modifications des caractéristiques physiques d'une masse d'eau de surface ou de changements du niveau des masses d'eau souterraine, ou de ne pas prévenir la détérioration d'une eau de surface ayant un très bon état de telle sorte qu'elle n'atteint plus qu'un bon état, si cette détérioration résulte de nouvelles activités de développement humain durable et que toutes les conditions suivantes sont réunies :
1° toutes les mesures pratiques sont prises pour atténuer l'incidence négative sur l'état de la masse d'eau;
2° les raisons des modifications ou altérations sont explicitement indiquées et motivées dans le plan de gestion du bassin hydrographique wallon et sont revues tous les six ans;
3° les modifications ou les altérations répondent à un intérêt général majeur ou sont plus bénéfiques pour la santé humaine, le maintien de la sécurité pour les personnes ou le développement durable que la réalisation des objectifs environnementaux fixés au paragraphe 1er;
4° les objectifs bénéfiques atteints par ces modifications ou ces altérations ne peuvent, pour des raisons de faisabilité technique ou de coûts disproportionnés, être atteints par d'autres moyens qui constituent une option environnementale sensiblement meilleure.
[3 Pour l'application de l'alinéa 1er, 3°, la planification, la construction et l'exploitation d'installations d'énergie renouvelable, le raccordement de ces installations au réseau, le réseau connexe proprement dit et les actifs de stockage, au sens de l'article 16septies de la directive (UE) 2018/2001 du Parlement européen et du Conseil du 11 décembre 2018 relative à la promotion de l'utilisation de l'énergie produite à partir de sources renouvelables, sont présumés relever de l'intérêt général majeur lors de la mise en balance des intérêts juridiques dans les cas individuels.]3
[3 Dans des circonstances spécifiques dûment justifiées, le Gouvernement peut restreindre l'application de l'alinéa 2 à certaines parties du territoire, à certains types de technologie ou à des projets présentant certaines caractéristiques techniques conformément aux priorités définies dans le Plan Air Climat Energie visé dans le décret du 16 novembre 2023 Neutralité Carbone.]3
§ 10. L'autorité de bassin exerce les compétences énumérées aux paragraphes 5, 6, 7, alinéa 1er, 8 et 9, après avoir pris l'avis [2 du pôle "Environnement"]2. L'autorité de bassin établit un rapport justifiant spécialement le recours à ces dispositions.
§ 11. L'application du présent article n'empêche pas et ne compromet pas la réalisation des objectifs environnementaux dans d'autres masses et reste cohérente avec l'application d'autres dispositions en matière de protection de l'environnement.
§ 12. Des mesures sont prises par l'autorité de bassin de manière à ce que l'application du présent article, notamment les paragraphes 5, 6, 7, 8 et 9, garantisse au moins le même niveau de protection que la législation actuellement en vigueur.
1° en ce qui concerne les eaux de surface :
a) de prévenir la détérioration de l'état de toutes les masses d'eau de surface;
b) de protéger, d'améliorer et de restaurer toutes les masses d'eau de surface, afin de parvenir à un bon état des eaux de surface au plus tard le 22 décembre 2015 [1 conformément aux dispositions de l'annexe VI de la partie décrétale]1;
c) de protéger et d'améliorer toutes les masses d'eau artificielles et fortement modifiées, en vue d'obtenir un bon potentiel écologique et un bon état chimique des eaux de surface au plus tard le 22 décembre 2015 [1 conformément aux dispositions de l'annexe VI de la partie décrétale]1;
d) de réduire progressivement la pollution due aux substances prioritaires et d'arrêter ou de supprimer progressivement les émissions, les rejets et les pertes de substances dangereuses prioritaires;
e) de contrôler les émissions dans les eaux de surface selon l'approche combinée;
2° en ce qui concerne les eaux souterraines :
a) de prévenir ou de limiter le rejet de polluants dans les eaux souterraines;
b) de prévenir la détérioration de l'état de toutes les masses d'eau souterraine;
c) de protéger, d'améliorer et de restaurer toutes les masses d'eau souterraine, ainsi que d'assurer un équilibre entre les captages et le renouvellement des eaux souterraines afin d'obtenir un bon état des masses d'eau souterraine au plus tard le 22 décembre 2015 [1 conformément aux dispositions de l'annexe VI de la partie décrétale]1;
d) d'inverser toute tendance à la hausse, significative et durable, de la concentration de tout polluant résultant de l'impact de l'activité humaine afin de réduire progressivement la pollution des eaux souterraines;
3° en ce qui concerne les zones protégées identifiées en vertu de l'article 18, d'assurer le respect de toutes les normes et de tous les objectifs au plus tard le 22 décembre 2015, sauf disposition contraire dans la législation sur la base de laquelle les différentes zones protégées ont été établies.
§ 2. Le bon état des eaux doit être atteint pour le 22 décembre 2015, sous réserve de l'application des exceptions visées aux paragraphes 5, 6, 7, 8 et 9.
[1 Le Gouvernement détermine, pour les masses d'eau souterraine, les critères généraux du bon état et les limites séparant l'état quantitatif " bon " de l'état quantitatif " médiocre " et l'état chimique " bon " de l'état chimique " médiocre ". Le Gouvernement fixe également les règles de présentation de l'état des eaux souterraines.
Le Gouvernement fixe, pour chaque type de masses d'eau de surface, les limites séparant les différentes classes d'état écologique sur la base des critères généraux du bon état et des définitions normatives des classes d'état écologique figurant à l'annexe VI de la partie décrétale.
Le Gouvernement définit les limites séparant le bon état chimique d'un état chimique qui n'est pas bon. Le Gouvernement met en oeuvre les règles de présentation de l'état écologique définies à l'annexe VI.]1
Il appartient à l'autorité de bassin de fixer, dans le plan de gestion, les conditions de référence spécifiques, pour chaque type de masses d'eau, afin d'arriver au bon état décrit en vertu de l'alinéa précédent, et de préciser, le cas échéant, les valeurs séparant l'état "très bon" des états "bon", "moyen", "médiocre" et "mauvais".
§ 3. Lorsque plusieurs objectifs environnementaux sont applicables à une masse d'eau, le plus strict d'entre eux s'applique.
§ 4. L'autorité de bassin établit les mesures destinées à réduire la concentration de polluants dans les eaux souterraines sur la base des critères établis par la Communauté européenne ou, en l'absence de tels critères, sur la base de critères appropriés qu'elle fixe pour le 22 décembre 2005. A défaut de critères adoptés par l'autorité de bassin, le point de départ des inversions de tendance à retenir sera de 75 %, au maximum, du niveau de qualité établi dans la législation communautaire applicable aux eaux souterraines.
Ces mesures sont mises en oeuvre sous réserve de l'application des dérogations visées aux paragraphes 8 et 9 et sans préjudice de l'application du paragraphe 11.
§ 5. L'autorité de bassin peut désigner, pour certaines masses d'eau, des objectifs environnementaux dont la réalisation sera postérieure au 22 décembre 2015, à condition que l'état de la masse d'eau concernée ne se détériore pas davantage et lorsque toutes les conditions suivantes sont réunies :
1° le report d'échéance répond à au moins une des trois raisons suivantes :
a) les améliorations nécessaires de l'état des masses d'eau ne peuvent, pour des raisons de faisabilité technique, être réalisées qu'en plusieurs étapes excédant les délais indiqués;
b) l'achèvement des améliorations nécessaires dans les délais serait exagérément coûteux;
c) les conditions naturelles ne permettent pas de réaliser les améliorations de l'état des masses d'eau dans les délais prévus;
2° le report de l'échéance et les motifs de ce report sont explicitement indiqués et expliqués dans le plan de gestion du bassin hydrographique wallon;
3° les reports sont limités à un maximum de deux nouvelles mises à jour du plan de gestion du bassin hydrographique wallon, sauf dans les cas où les conditions naturelles sont telles que les objectifs ne peuvent être réalisés dans ce délai;
4° un résumé des mesures requises en vertu de l'article 23 qui sont jugées nécessaires pour amener progressivement les masses d'eau à leur état requis dans le délai reporté, les motifs de tout retard important dans la mise en oeuvre de ces mesures et le calendrier prévu pour leur mise en oeuvre sont indiqués dans le plan de gestion du bassin hydrographique wallon. Un état de la mise en oeuvre de ces mesures et un résumé de toute mesure additionnelle sont inclus dans les mises à jour du plan de gestion du bassin hydrographique wallon.
§ 6. L'autorité de bassin peut fixer, pour certaines masses d'eau spécifiques, des objectifs environnementaux moins stricts lorsque celles-ci sont tellement touchées par l'activité humaine ou que leur condition naturelle est telle que la réalisation de ces objectifs serait impossible ou d'un coût disproportionné, et que les conditions suivantes sont réunies :
1° les besoins environnementaux et sociaux auxquels répond cette activité humaine ne peuvent pas être assurés par d'autres moyens constituant une option environnementale meilleure et dont le coût n'est pas disproportionné;
2° les eaux de surface présentent un état écologique et chimique optimal compte tenu des incidences qui n'auraient raisonnablement pas pu être évitées à cause de la nature des activités humaines ou de la pollution;
3° les eaux souterraines présentent des modifications minimales par rapport à un bon état de ces eaux compte tenu des incidences qui n'auraient raisonnablement pas pu être évitées à cause de la nature des activités humaines ou de la pollution;
4° aucune autre détérioration de l'état des masses d'eau concernées ne se produit;
5° les objectifs environnementaux moins stricts sont explicitement indiqués et motivés dans le plan de gestion du bassin hydrographique wallon et sont revus tous les six ans.
§ 7. L'autorité de bassin peut désigner une masse d'eau de surface comme étant artificielle ou fortement modifiée lorsque :
1° les modifications à apporter aux caractéristiques hydromorphologiques de cette masse d'eau pour obtenir un bon état écologique auraient des incidences négatives importantes sur :
a) l'environnement au sens large;
b) la navigation, y compris les installations portuaires ou les loisirs;
c) les activités aux fins desquelles l'eau est stockée, telles que l'approvisionnement en eau destinée à la consommation humaine, la production d'électricité ou l'irrigation;
d) la régularisation des débits, la protection contre les inondations et le drainage des sols;
e) d'autres activités de développement humain durable tout aussi importantes;
2° les objectifs bénéfiques poursuivis par les caractéristiques artificielles ou modifiées de la masse d'eau ne peuvent, pour des raisons de faisabilité technique ou de coûts disproportionnés, être atteints raisonnablement par d'autres moyens qui constituent une option environnementale sensiblement meilleure.
Cette désignation ainsi que les raisons de cette désignation doivent être explicitement mentionnées dans le plan de gestion du bassin hydrographique wallon et être revues tous les six ans.
[1 Pour les masses d'eau de surface artificielles et fortement modifiées, le Gouvernement fixe les limites séparant les différentes classes de potentiel écologique sur la base des critères généraux du bon potentiel écologique et des définitions normatives des classes de potentiel écologique figurant à l'annexe VI de la partie décrétale. Le Gouvernement met en oeuvre les règles de présentation du potentiel écologique définies à l'annexe VI.
Pour les masses d'eau de surface artificielles et fortement modifiées, le bon potentiel écologique doit, sous réserve des exceptions visées aux paragraphes 5, 6, 8 et 9, être atteint pour le 22 décembre 2015.]1
Il appartient à l'autorité de bassin de fixer, dans le plan de gestion, les conditions de référence spécifiques que doit remplir chaque masse d'eau artificielle ou fortement modifiée, afin d'arriver au bon potentiel écologique décrit en vertu de l'alinéa précédent, et de définir, le cas échéant, les limites concrètes séparant le "bon" potentiel écologique du potentiel écologique "moyen", "médiocre" et "mauvais".
§ 8. L'autorité de bassin peut décider que la détérioration temporaire de l'état d'une masse d'eau suite à une cause naturelle exceptionnelle, de force majeure ou suite à un accident imprévisible est admise, pour autant que toutes les conditions suivantes soient réunies :
1° toutes les mesures faisables sont prises pour prévenir toute nouvelle dégradation de l'état et pour ne pas compromettre la réalisation des objectifs dans d'autres masses d'eau non touchées par ces circonstances;
2° les conditions dans lesquelles de telles circonstances exceptionnelles ou non raisonnablement prévisibles peuvent être déclarées, y compris l'adoption des indicateurs appropriés, sont indiquées dans le plan de gestion du bassin hydrographique wallon;
3° les mesures à prendre dans de telles circonstances exceptionnelles sont indiquées dans le programme de mesures et ne compromettent pas la récupération de la qualité de la masse d'eau une fois que les circonstances sont passées;
4° les effets des circonstances exceptionnelles ou qui n'auraient raisonnablement pas pu être prévues sont revus chaque année et, sous réserve des motifs énoncés au paragraphe 5, 1°, toutes les mesures faisables sont prises pour restaurer, dans les meilleurs délais raisonnablement possibles, la masse d'eau dans l'état qui était le sien avant les effets de ces circonstances;
5° un résumé des effets des circonstances et des mesures prises ou à prendre est inclus dans la mise à jour suivante du plan de gestion du bassin hydrographique wallon.
§ 9. L'autorité de bassin peut décider qu'il est admis de ne pas rétablir le bon état d'une eau souterraine, le bon état écologique ou, le cas échéant, le bon potentiel écologique ou de ne pas empêcher la détérioration de l'état d'une masse d'eau de surface ou d'eau souterraine, en raison de nouvelles modifications des caractéristiques physiques d'une masse d'eau de surface ou de changements du niveau des masses d'eau souterraine, ou de ne pas prévenir la détérioration d'une eau de surface ayant un très bon état de telle sorte qu'elle n'atteint plus qu'un bon état, si cette détérioration résulte de nouvelles activités de développement humain durable et que toutes les conditions suivantes sont réunies :
1° toutes les mesures pratiques sont prises pour atténuer l'incidence négative sur l'état de la masse d'eau;
2° les raisons des modifications ou altérations sont explicitement indiquées et motivées dans le plan de gestion du bassin hydrographique wallon et sont revues tous les six ans;
3° les modifications ou les altérations répondent à un intérêt général majeur ou sont plus bénéfiques pour la santé humaine, le maintien de la sécurité pour les personnes ou le développement durable que la réalisation des objectifs environnementaux fixés au paragraphe 1er;
4° les objectifs bénéfiques atteints par ces modifications ou ces altérations ne peuvent, pour des raisons de faisabilité technique ou de coûts disproportionnés, être atteints par d'autres moyens qui constituent une option environnementale sensiblement meilleure.
[3 Pour l'application de l'alinéa 1er, 3°, la planification, la construction et l'exploitation d'installations d'énergie renouvelable, le raccordement de ces installations au réseau, le réseau connexe proprement dit et les actifs de stockage, au sens de l'article 16septies de la directive (UE) 2018/2001 du Parlement européen et du Conseil du 11 décembre 2018 relative à la promotion de l'utilisation de l'énergie produite à partir de sources renouvelables, sont présumés relever de l'intérêt général majeur lors de la mise en balance des intérêts juridiques dans les cas individuels.]3
[3 Dans des circonstances spécifiques dûment justifiées, le Gouvernement peut restreindre l'application de l'alinéa 2 à certaines parties du territoire, à certains types de technologie ou à des projets présentant certaines caractéristiques techniques conformément aux priorités définies dans le Plan Air Climat Energie visé dans le décret du 16 novembre 2023 Neutralité Carbone.]3
§ 10. L'autorité de bassin exerce les compétences énumérées aux paragraphes 5, 6, 7, alinéa 1er, 8 et 9, après avoir pris l'avis [2 du pôle "Environnement"]2. L'autorité de bassin établit un rapport justifiant spécialement le recours à ces dispositions.
§ 11. L'application du présent article n'empêche pas et ne compromet pas la réalisation des objectifs environnementaux dans d'autres masses et reste cohérente avec l'application d'autres dispositions en matière de protection de l'environnement.
§ 12. Des mesures sont prises par l'autorité de bassin de manière à ce que l'application du présent article, notamment les paragraphes 5, 6, 7, 8 et 9, garantisse au moins le même niveau de protection que la législation actuellement en vigueur.
TITEL IV. - Coördinatieactie.
TITRE IV. - Action de coordination.
HOOFDSTUK I. - Maatregelenprogramma.
CHAPITRE Ier. - Programme de mesures.
Art. D23. § 1. Voor elk Waals stroomgebied wordt door de stroomgebiedsoverheid een maatregelenprogramma opgesteld, teneinde de doelstellingen vastgesteld overeenkomstig artikel 22 te verwezenlijken [1 rekening houdend met de analyses bedoeld in artikel D.17.]1.
§ 2. Elk maatregelenprogramma omvat de in paragraaf 3 genoemde "basismaatregelen" en, waar nodig, de in paragraaf 4 genoemde "aanvullende maatregelen".
§ 3. Elk programma omvat minstens :
1° maatregelen die voor de toepassing van de communautaire wetgeving voor de waterbescherming nodig zijn, met inbegrip van maatregelen die krachtens de in artikel 160 genoemde wetgeving vereist zijn en de maatregelen opgesomd door de regering;
2° maatregelen die bijdragen tot de kostenterugwinning voor waterdiensten;
3° aangepaste maatregelen voor een efficiënt gebruik van de waterhulpbronnen om hun beschikbaarheid voor de volgende generaties in stand te houden;
4° de vereiste maatregelen voor de uitvoering van de saneringsplannen per deelstroomgebied, bedoeld in artikel 218;
5° maatregelen om aan de voorschriften van artikel 168 te voldoen, met inbegrip van maatregelen om de waterkwaliteit veilig te stellen teneinde het niveau van de zuivering dat voor de productie van voor menselijke consumptie bestemd water vereist is, te verminderen;
6° de beheersingsmaatregelen van de onttrekking van oppervlaktewater en grondwater en de opstuwing van oppervlaktewater. De stroomgebiedsoverheid kan onttrekkingen en opstuwingen die geen significant effect hebben op de watertoestand, van deze beheersingsmaatregelen vrijstellen;
7° beheersingsmaatregelen voor de kunstmatige aanvulling of vergroting van grondwaterlichamen;
8° beheersingsmaatregelen voor lozingen door puntbronnen;
9° beheersingsmaatregelen voor lozingen door diffuse bronnen;
10° [1 maatregelen waarmee de doelstellingen gehaald kunnen worden in geval van belangrijke negatieve effecten geïdentificeerd via de beschrijving ervan, overeenkomstig artikel D.17 en bijlage V bij het decretale gedeelte, meer bepaald maatregelen om ervoor te zorgen dat de hydromorfologische toestand van de waterlichamen verenigbaar is met het bereiken van de vereiste ecologische toestand of een goed ecologisch potentieel in het geval van waterlichamen die aangemerkt zijn als kunstmatig of sterk veranderd. De desbetreffende controles kunnen de vorm aannemen van een voorafgaande machtigings- of registratievereiste gegrond op dwingende algemene regels. Die controles worden periodiek herzien en, in voorkomend geval, bijgewerkt;]1
11° een verbod op de rechtstreekse lozing van verontreinigende stoffen in het grondwater;
12° maatregelen ter opruiming van de gevaarlijke prioritaire stoffen en voor de progressieve vermindering van de verontreinigende stoffen in het oppervlaktewater;
13° maatregelen die nodig zijn ter voorkoming van aanzienlijke lekkage van verontreinigende stoffen uit technische installaties en ter voorkoming en/of beperking van de gevolgen van incidentele verontreiniging, met inbegrip van de passende maatregelen om het risico voor de aquatische ecosystemen te beperken.
14° maatregelen ter vermindering van de gevolgen van overstromingen en droogte;
15° specifieke maatregelen ter voorkoming en beheersing van grondwaterverontreiniging overeenkomstig de maatregelen vastgesteld door het Europees Parlement en de Raad;
16° maatregelen om een geïntegreerd en afgesproken beheer te ontwikkelen via de informatie, de sensibilisatie en de samenwerking van de betrokken actoren en het publiek in de verschillende fasen van de opmaking van de beheersplannen bedoeld in artikel 24;
[2 17° de maatregelen van het gewestelijk plan van de waterhulpbronnen, in het bijzonder met het oog op de beveiliging van de waterbevoorrading van Wallonië door het opwaarderen van de beschikbare hulpbronnen en infrastructuren en om de waterwinningen te rationaliseren.]2
Het maatregelenprogramma wordt opgesteld en bijgewerkt overeenkomstig de artikelen 26 tot 31. De Regering kan regels betreffende de inhoud van het maatregelenprogramma opstellen. Deze maatregelen kunnen, in voorkomend geval, bestaan uit reeds genomen maatregelen ter uitvoering van de bepalingen van de reglementaire en wetgevende teksten toepasselijk op het Waalse Gewest in dit bereik.
Voor elke rubriek probeert de stroomgebiedsoverheid het verschil te maken tussen de aan te brengen verbeteringen aan de reeds toepasbare maatregelen in het Waalse stroomgebied en de nieuw te nemen maatregelen.
§ 4. Elk programma kan aanvullende maatregelen bevatten waarvan de niet-limitatieve lijst door de Regering opgesteld wordt. Zulke maatregelen worden door de stroomgebiedsoverheid gespecificeerd in het maatregelenprogramma als zij aangenomen worden. De stroomgebiedsoverheid kan met het oog op extra bescherming of verbetering van het water nog andere aanvullende maatregelen vaststellen, met inbegrip van maatregelen ter uitvoering van de relevante internationale overeenkomsten, bedoeld in artikel 1.
§ 5. De stroomgebiedsoverheid kan beginnen met het opstellen van een maatregelenprogramma van elk Waals deelstroomgebied. Deze programma's worden vervolgens samengevoegd en, in voorkomend geval, aangepast om het ontwerp-maatregelenprogramma te vormen en daarna het maatregelenprogramma van elk Waals stroomgebied.
§ 6. De voorgeschreven bepalingen van het maatregelenprogramma hebben een indicatieve waarde voor de stroomgebiedsoverheid, de gewestelijke administratie, de gewestelijke instellingen van openbaar nut, de particulieren belast met een opdracht van openbare dienst en, in de materies van gewestelijk belang, de provincies, gemeenten en gemeenteverenigingen.
§ 7. Wanneer uit monitoringsgegevens of andere gegevens blijkt dat de doelstellingen uit hoofde van artikel 22 vermoedelijk niet worden bereikt, zorgt de stroomgebiedsoverheid ervoor dat :
1° de reden van het eventuele falen worden onderzocht;
2° de betrokken vergunningen en toestemmingen onderzocht en zo nodig herzien worden;
3° de monitoringsprogramma's getoetst en zo nodig bijgesteld worden;
4° eventueel noodzakelijke aanvullende maatregelen worden getroffen teneinde die doelstellingen te bereiken, waaronder indien nodig de vaststelling van strengere milieukwaliteitsnormen [1 volgens de procedures bedoeld in bijlage VI van het decretale gedeelte]1.
Indien deze reden het resultaat zijn van redelijkerwijs niet te voorziene of uitzonderlijke omstandigheden die het gevolg zijn van natuurlijke oorzaken of overmacht, met name omvangrijke overstromingen of lange droogteperioden, kan de stroomgebiedsoverheid bepalen dat aanvullende maatregelen niet haalbaar zijn.
§ 8. Het maatregelenprogramma van het Waalse stroomgebied kan uitgevoerd worden in elk Waals deelstroomgebied.
§ 9. Ter uitvoering van de maatregelen uit hoofde van paragraaf 3 worden alle passende stappen ondernomen opdat de verontreiniging van mariene wateren niet toeneemt. Onverminderd de bestaande wetgeving mag de toepassing van maatregelen uit hoofde van paragraaf 3 in geen geval direct of indirect tot meer verontreiniging van oppervlaktewateren leiden. Dit voorschrift is niet van toepassing indien het tot meer verontreiniging van het milieu in zijn geheel zou leiden.
§ 10. De maatregelenprogramma's worden uiterlijk op 22 december 2009 opgesteld en alle maatregelen dienen uiterlijk op 22 december 2012 operationeel te zijn. De maatregelenprogramma's worden getoetst en zo nodig om de zes jaar bijgesteld door de stroomgebiedsoverheid. [1 De nieuwe of de herziene maatregelen zijn operationeel uiterlijk drie jaar na de aanneming van de bijgewerkte maatregelenprogramma's.]1
§ 2. Elk maatregelenprogramma omvat de in paragraaf 3 genoemde "basismaatregelen" en, waar nodig, de in paragraaf 4 genoemde "aanvullende maatregelen".
§ 3. Elk programma omvat minstens :
1° maatregelen die voor de toepassing van de communautaire wetgeving voor de waterbescherming nodig zijn, met inbegrip van maatregelen die krachtens de in artikel 160 genoemde wetgeving vereist zijn en de maatregelen opgesomd door de regering;
2° maatregelen die bijdragen tot de kostenterugwinning voor waterdiensten;
3° aangepaste maatregelen voor een efficiënt gebruik van de waterhulpbronnen om hun beschikbaarheid voor de volgende generaties in stand te houden;
4° de vereiste maatregelen voor de uitvoering van de saneringsplannen per deelstroomgebied, bedoeld in artikel 218;
5° maatregelen om aan de voorschriften van artikel 168 te voldoen, met inbegrip van maatregelen om de waterkwaliteit veilig te stellen teneinde het niveau van de zuivering dat voor de productie van voor menselijke consumptie bestemd water vereist is, te verminderen;
6° de beheersingsmaatregelen van de onttrekking van oppervlaktewater en grondwater en de opstuwing van oppervlaktewater. De stroomgebiedsoverheid kan onttrekkingen en opstuwingen die geen significant effect hebben op de watertoestand, van deze beheersingsmaatregelen vrijstellen;
7° beheersingsmaatregelen voor de kunstmatige aanvulling of vergroting van grondwaterlichamen;
8° beheersingsmaatregelen voor lozingen door puntbronnen;
9° beheersingsmaatregelen voor lozingen door diffuse bronnen;
10° [1 maatregelen waarmee de doelstellingen gehaald kunnen worden in geval van belangrijke negatieve effecten geïdentificeerd via de beschrijving ervan, overeenkomstig artikel D.17 en bijlage V bij het decretale gedeelte, meer bepaald maatregelen om ervoor te zorgen dat de hydromorfologische toestand van de waterlichamen verenigbaar is met het bereiken van de vereiste ecologische toestand of een goed ecologisch potentieel in het geval van waterlichamen die aangemerkt zijn als kunstmatig of sterk veranderd. De desbetreffende controles kunnen de vorm aannemen van een voorafgaande machtigings- of registratievereiste gegrond op dwingende algemene regels. Die controles worden periodiek herzien en, in voorkomend geval, bijgewerkt;]1
11° een verbod op de rechtstreekse lozing van verontreinigende stoffen in het grondwater;
12° maatregelen ter opruiming van de gevaarlijke prioritaire stoffen en voor de progressieve vermindering van de verontreinigende stoffen in het oppervlaktewater;
13° maatregelen die nodig zijn ter voorkoming van aanzienlijke lekkage van verontreinigende stoffen uit technische installaties en ter voorkoming en/of beperking van de gevolgen van incidentele verontreiniging, met inbegrip van de passende maatregelen om het risico voor de aquatische ecosystemen te beperken.
14° maatregelen ter vermindering van de gevolgen van overstromingen en droogte;
15° specifieke maatregelen ter voorkoming en beheersing van grondwaterverontreiniging overeenkomstig de maatregelen vastgesteld door het Europees Parlement en de Raad;
16° maatregelen om een geïntegreerd en afgesproken beheer te ontwikkelen via de informatie, de sensibilisatie en de samenwerking van de betrokken actoren en het publiek in de verschillende fasen van de opmaking van de beheersplannen bedoeld in artikel 24;
[2 17° de maatregelen van het gewestelijk plan van de waterhulpbronnen, in het bijzonder met het oog op de beveiliging van de waterbevoorrading van Wallonië door het opwaarderen van de beschikbare hulpbronnen en infrastructuren en om de waterwinningen te rationaliseren.]2
Het maatregelenprogramma wordt opgesteld en bijgewerkt overeenkomstig de artikelen 26 tot 31. De Regering kan regels betreffende de inhoud van het maatregelenprogramma opstellen. Deze maatregelen kunnen, in voorkomend geval, bestaan uit reeds genomen maatregelen ter uitvoering van de bepalingen van de reglementaire en wetgevende teksten toepasselijk op het Waalse Gewest in dit bereik.
Voor elke rubriek probeert de stroomgebiedsoverheid het verschil te maken tussen de aan te brengen verbeteringen aan de reeds toepasbare maatregelen in het Waalse stroomgebied en de nieuw te nemen maatregelen.
§ 4. Elk programma kan aanvullende maatregelen bevatten waarvan de niet-limitatieve lijst door de Regering opgesteld wordt. Zulke maatregelen worden door de stroomgebiedsoverheid gespecificeerd in het maatregelenprogramma als zij aangenomen worden. De stroomgebiedsoverheid kan met het oog op extra bescherming of verbetering van het water nog andere aanvullende maatregelen vaststellen, met inbegrip van maatregelen ter uitvoering van de relevante internationale overeenkomsten, bedoeld in artikel 1.
§ 5. De stroomgebiedsoverheid kan beginnen met het opstellen van een maatregelenprogramma van elk Waals deelstroomgebied. Deze programma's worden vervolgens samengevoegd en, in voorkomend geval, aangepast om het ontwerp-maatregelenprogramma te vormen en daarna het maatregelenprogramma van elk Waals stroomgebied.
§ 6. De voorgeschreven bepalingen van het maatregelenprogramma hebben een indicatieve waarde voor de stroomgebiedsoverheid, de gewestelijke administratie, de gewestelijke instellingen van openbaar nut, de particulieren belast met een opdracht van openbare dienst en, in de materies van gewestelijk belang, de provincies, gemeenten en gemeenteverenigingen.
§ 7. Wanneer uit monitoringsgegevens of andere gegevens blijkt dat de doelstellingen uit hoofde van artikel 22 vermoedelijk niet worden bereikt, zorgt de stroomgebiedsoverheid ervoor dat :
1° de reden van het eventuele falen worden onderzocht;
2° de betrokken vergunningen en toestemmingen onderzocht en zo nodig herzien worden;
3° de monitoringsprogramma's getoetst en zo nodig bijgesteld worden;
4° eventueel noodzakelijke aanvullende maatregelen worden getroffen teneinde die doelstellingen te bereiken, waaronder indien nodig de vaststelling van strengere milieukwaliteitsnormen [1 volgens de procedures bedoeld in bijlage VI van het decretale gedeelte]1.
Indien deze reden het resultaat zijn van redelijkerwijs niet te voorziene of uitzonderlijke omstandigheden die het gevolg zijn van natuurlijke oorzaken of overmacht, met name omvangrijke overstromingen of lange droogteperioden, kan de stroomgebiedsoverheid bepalen dat aanvullende maatregelen niet haalbaar zijn.
§ 8. Het maatregelenprogramma van het Waalse stroomgebied kan uitgevoerd worden in elk Waals deelstroomgebied.
§ 9. Ter uitvoering van de maatregelen uit hoofde van paragraaf 3 worden alle passende stappen ondernomen opdat de verontreiniging van mariene wateren niet toeneemt. Onverminderd de bestaande wetgeving mag de toepassing van maatregelen uit hoofde van paragraaf 3 in geen geval direct of indirect tot meer verontreiniging van oppervlaktewateren leiden. Dit voorschrift is niet van toepassing indien het tot meer verontreiniging van het milieu in zijn geheel zou leiden.
§ 10. De maatregelenprogramma's worden uiterlijk op 22 december 2009 opgesteld en alle maatregelen dienen uiterlijk op 22 december 2012 operationeel te zijn. De maatregelenprogramma's worden getoetst en zo nodig om de zes jaar bijgesteld door de stroomgebiedsoverheid. [1 De nieuwe of de herziene maatregelen zijn operationeel uiterlijk drie jaar na de aanneming van de bijgewerkte maatregelenprogramma's.]1
Art. D23. § 1er. En vue d'atteindre les objectifs fixés en application de l'article 22, l'autorité de bassin établit un programme de mesures pour chaque bassin hydrographique wallon [1 en tenant compte des analyses visées à l'article D.17]1.
§ 2. Chaque programme de mesures comprend les "mesures de base" indiquées au paragraphe 3 et, si nécessaire, des "mesures complémentaires" indiquées au paragraphe 4.
§ 3. Chaque programme comprend au minimum :
1° les mesures requises pour l'application de la législation communautaire pour la protection de l'eau, y compris les mesures requises dans le cadre de la législation mentionnée à l'article 160 et les mesures énumérées par le Gouvernement;
2° les mesures qui contribuent à la récupération des coûts des services liés à l'utilisation de l'eau;
3° les mesures adéquates d'incitation à une utilisation efficace des ressources en eau en vue de maintenir leur disponibilité pour les générations futures;
4° les mesures requises pour l'exécution des plans d'assainissement par sous-bassin hydrographique, visés à l'article 218;
5° les mesures requises pour répondre aux exigences de l'article 168, notamment les mesures visant à préserver la qualité de l'eau de manière à réduire le degré de traitement de purification nécessaire à la production d'eau destinée à la consommation humaine;
6° les mesures de contrôle des captages dans les eaux de surface et les eaux souterraines et des endiguements d'eaux de surface. L'autorité de bassin peut exempter de ces contrôles les captages ou endiguements qui n'ont pas d'incidence significative sur l'état des eaux;
7° les mesures de contrôle de la recharge et de l'augmentation artificielle des eaux souterraines;
8° les mesures de contrôle de rejets provenant de sources ponctuelles;
9° les mesures de contrôle de rejets provenant de sources diffuses;
10° [1 les mesures permettant la réalisation des objectifs en cas d'incidences négatives importantes identifiées par la description des effets, établie en application de l'article D.17 et de l'annexe V de la partie décrétale, en particulier des mesures destinées à faire en sorte que les conditions hydromorphologiques de la masse d'eau permettent d'atteindre l'état écologique requis ou un bon potentiel écologique pour les masses d'eau désignées comme artificielles ou fortement modifiées. Les contrôles effectués à cette fin peuvent prendre la forme d'une exigence d'autorisation préalable ou d'enregistrement fondée sur des règles générales contraignantes. Ces contrôles sont périodiquement revus et, le cas échéant, mis à jour;]1
11° l'interdiction du rejet direct de polluants dans les eaux souterraines;
12° les mesures d'élimination des substances dangereuses prioritaires et de réduction progressive des autres substances polluantes dans les eaux de surface;
13° les mesures permettant de prévenir les fuites importantes de polluants provenant d'installations techniques, de prévenir et/ou de réduire l'incidence des accidents de pollution, y compris les mesures appropriées pour réduire les risques encourus par les écosystèmes aquatiques;
14° les mesures contribuant à atténuer les effets des inondations et des sécheresses;
15° les mesures spécifiques visant à prévenir et à contrôler la pollution des eaux souterraines, conformément aux mesures adoptées par le Parlement européen et le Conseil;
16° les mesures développant une gestion intégrée et concertée via l'information, la sensibilisation et l'association des acteurs concernés et du public aux différentes étapes de mise en oeuvre des plans de gestion visés à l'article 24;
[2 17° les mesures du schéma régional des ressources en eau, en particulier pour sécuriser l'alimentation en eau de la Wallonie par la valorisation des ressources et infrastructures disponibles et pour rationaliser les prises d'eau.]2
Le programme de mesures est élaboré et mis à jour conformément aux articles 26 à 31. Le Gouvernement peut établir des règles relatives au contenu du programme de mesures. Ces mesures peuvent consister, le cas échéant, en des mesures déjà prises en exécution des dispositions de textes législatifs et réglementaires applicables en Région wallonne dans le domaine traité.
L'autorité de bassin s'efforce de faire, pour chaque rubrique, la distinction entre les corrections à apporter aux mesures déjà applicables dans le bassin hydrographique wallon et les mesures nouvelles à prendre.
§ 4. Chaque programme peut comprendre des mesures complémentaires dont la liste non exhaustive est établie par le Gouvernement. Lorsque de telles mesures sont adoptées, elles sont détaillées par l'autorité de bassin dans le programme de mesures. L'autorité de bassin peut également adopter d'autres mesures complémentaires afin de fournir une protection additionnelle ou une amélioration des eaux, notamment dans le cadre de la mise en oeuvre des accords internationaux pertinents visés à l'article 1er.
§ 5. L'autorité de bassin peut commencer par élaborer un programme de mesures de chaque sous-bassin hydrographique wallon. Ces programmes sont ensuite agrégés et, le cas échéant, adaptés en vue de constituer le projet de programme de mesures puis le programme de mesures de chaque bassin hydrographique wallon.
§ 6. Les dispositions prescriptives du programme de mesures ont valeur indicative pour l'autorité de bassin, l'administration régionale, les organismes régionaux d'intérêt public, les personnes privées chargées d'une mission de service public et, dans les matières d'intérêt régional, les provinces, les communes et les associations de communes.
§ 7. Lorsque les données provenant des contrôles ou d'autres données indiquent que les objectifs définis en vertu de l'article 22 ont peu de chances d'être atteints, l'autorité de bassin veille à ce que :
1° les motifs de l'éventuelle absence de résultats soient recherchés;
2° les permis et autorisations pertinents soient examinés et, le cas échéant, revus;
3° les programmes de surveillance soient revus et, le cas échéant, ajustés;
4° les mesures supplémentaires qui peuvent être nécessaires pour réaliser ces objectifs soient élaborées, y compris, le cas échéant, l'institution de normes de qualité environnementale plus strictes [1 selon les procédures visées à l'annexe VI de la partie décrétale]1.
Lorsque ces motifs résultent de circonstances dues à des causes naturelles ou de force majeure, qui sont exceptionnelles ou qui n'auraient raisonnablement pas pu être prévues, en particulier les inondations d'une gravité exceptionnelle et les sécheresses prolongées, l'autorité de bassin peut décider que des mesures supplémentaires sont impossibles à prendre.
§ 8. Le programme de mesures du bassin hydrographique wallon peut être exécuté dans chaque sous-bassin hydrographique wallon.
§ 9. Lors de la mise en oeuvre des mesures visées au paragraphe 3, toutes les dispositions nécessaires sont prises pour ne pas augmenter la pollution des eaux marines. Sans préjudice de la législation existante, l'application de mesures prises dans le cadre du paragraphe 3 ne peut en aucun cas causer, directement ou indirectement, un accroissement de la pollution des eaux de surface. Cette exigence n'est pas applicable dans le cas où il en résulterait un accroissement de la pollution de l'environnement dans son ensemble.
§ 10. Les programmes de mesures sont établis au plus tard le 22 décembre 2009 et toutes les mesures sont opérationnelles au plus tard le 22 décembre 2012. Ils sont réexaminés et, si nécessaire, mis à jour tous les six ans par l'autorité de bassin. [1 Les mesures nouvelles ou révisées sont opérationnelles au plus tard trois ans après l'adoption des programmes de mesures mis à jour.]1
§ 2. Chaque programme de mesures comprend les "mesures de base" indiquées au paragraphe 3 et, si nécessaire, des "mesures complémentaires" indiquées au paragraphe 4.
§ 3. Chaque programme comprend au minimum :
1° les mesures requises pour l'application de la législation communautaire pour la protection de l'eau, y compris les mesures requises dans le cadre de la législation mentionnée à l'article 160 et les mesures énumérées par le Gouvernement;
2° les mesures qui contribuent à la récupération des coûts des services liés à l'utilisation de l'eau;
3° les mesures adéquates d'incitation à une utilisation efficace des ressources en eau en vue de maintenir leur disponibilité pour les générations futures;
4° les mesures requises pour l'exécution des plans d'assainissement par sous-bassin hydrographique, visés à l'article 218;
5° les mesures requises pour répondre aux exigences de l'article 168, notamment les mesures visant à préserver la qualité de l'eau de manière à réduire le degré de traitement de purification nécessaire à la production d'eau destinée à la consommation humaine;
6° les mesures de contrôle des captages dans les eaux de surface et les eaux souterraines et des endiguements d'eaux de surface. L'autorité de bassin peut exempter de ces contrôles les captages ou endiguements qui n'ont pas d'incidence significative sur l'état des eaux;
7° les mesures de contrôle de la recharge et de l'augmentation artificielle des eaux souterraines;
8° les mesures de contrôle de rejets provenant de sources ponctuelles;
9° les mesures de contrôle de rejets provenant de sources diffuses;
10° [1 les mesures permettant la réalisation des objectifs en cas d'incidences négatives importantes identifiées par la description des effets, établie en application de l'article D.17 et de l'annexe V de la partie décrétale, en particulier des mesures destinées à faire en sorte que les conditions hydromorphologiques de la masse d'eau permettent d'atteindre l'état écologique requis ou un bon potentiel écologique pour les masses d'eau désignées comme artificielles ou fortement modifiées. Les contrôles effectués à cette fin peuvent prendre la forme d'une exigence d'autorisation préalable ou d'enregistrement fondée sur des règles générales contraignantes. Ces contrôles sont périodiquement revus et, le cas échéant, mis à jour;]1
11° l'interdiction du rejet direct de polluants dans les eaux souterraines;
12° les mesures d'élimination des substances dangereuses prioritaires et de réduction progressive des autres substances polluantes dans les eaux de surface;
13° les mesures permettant de prévenir les fuites importantes de polluants provenant d'installations techniques, de prévenir et/ou de réduire l'incidence des accidents de pollution, y compris les mesures appropriées pour réduire les risques encourus par les écosystèmes aquatiques;
14° les mesures contribuant à atténuer les effets des inondations et des sécheresses;
15° les mesures spécifiques visant à prévenir et à contrôler la pollution des eaux souterraines, conformément aux mesures adoptées par le Parlement européen et le Conseil;
16° les mesures développant une gestion intégrée et concertée via l'information, la sensibilisation et l'association des acteurs concernés et du public aux différentes étapes de mise en oeuvre des plans de gestion visés à l'article 24;
[2 17° les mesures du schéma régional des ressources en eau, en particulier pour sécuriser l'alimentation en eau de la Wallonie par la valorisation des ressources et infrastructures disponibles et pour rationaliser les prises d'eau.]2
Le programme de mesures est élaboré et mis à jour conformément aux articles 26 à 31. Le Gouvernement peut établir des règles relatives au contenu du programme de mesures. Ces mesures peuvent consister, le cas échéant, en des mesures déjà prises en exécution des dispositions de textes législatifs et réglementaires applicables en Région wallonne dans le domaine traité.
L'autorité de bassin s'efforce de faire, pour chaque rubrique, la distinction entre les corrections à apporter aux mesures déjà applicables dans le bassin hydrographique wallon et les mesures nouvelles à prendre.
§ 4. Chaque programme peut comprendre des mesures complémentaires dont la liste non exhaustive est établie par le Gouvernement. Lorsque de telles mesures sont adoptées, elles sont détaillées par l'autorité de bassin dans le programme de mesures. L'autorité de bassin peut également adopter d'autres mesures complémentaires afin de fournir une protection additionnelle ou une amélioration des eaux, notamment dans le cadre de la mise en oeuvre des accords internationaux pertinents visés à l'article 1er.
§ 5. L'autorité de bassin peut commencer par élaborer un programme de mesures de chaque sous-bassin hydrographique wallon. Ces programmes sont ensuite agrégés et, le cas échéant, adaptés en vue de constituer le projet de programme de mesures puis le programme de mesures de chaque bassin hydrographique wallon.
§ 6. Les dispositions prescriptives du programme de mesures ont valeur indicative pour l'autorité de bassin, l'administration régionale, les organismes régionaux d'intérêt public, les personnes privées chargées d'une mission de service public et, dans les matières d'intérêt régional, les provinces, les communes et les associations de communes.
§ 7. Lorsque les données provenant des contrôles ou d'autres données indiquent que les objectifs définis en vertu de l'article 22 ont peu de chances d'être atteints, l'autorité de bassin veille à ce que :
1° les motifs de l'éventuelle absence de résultats soient recherchés;
2° les permis et autorisations pertinents soient examinés et, le cas échéant, revus;
3° les programmes de surveillance soient revus et, le cas échéant, ajustés;
4° les mesures supplémentaires qui peuvent être nécessaires pour réaliser ces objectifs soient élaborées, y compris, le cas échéant, l'institution de normes de qualité environnementale plus strictes [1 selon les procédures visées à l'annexe VI de la partie décrétale]1.
Lorsque ces motifs résultent de circonstances dues à des causes naturelles ou de force majeure, qui sont exceptionnelles ou qui n'auraient raisonnablement pas pu être prévues, en particulier les inondations d'une gravité exceptionnelle et les sécheresses prolongées, l'autorité de bassin peut décider que des mesures supplémentaires sont impossibles à prendre.
§ 8. Le programme de mesures du bassin hydrographique wallon peut être exécuté dans chaque sous-bassin hydrographique wallon.
§ 9. Lors de la mise en oeuvre des mesures visées au paragraphe 3, toutes les dispositions nécessaires sont prises pour ne pas augmenter la pollution des eaux marines. Sans préjudice de la législation existante, l'application de mesures prises dans le cadre du paragraphe 3 ne peut en aucun cas causer, directement ou indirectement, un accroissement de la pollution des eaux de surface. Cette exigence n'est pas applicable dans le cas où il en résulterait un accroissement de la pollution de l'environnement dans son ensemble.
§ 10. Les programmes de mesures sont établis au plus tard le 22 décembre 2009 et toutes les mesures sont opérationnelles au plus tard le 22 décembre 2012. Ils sont réexaminés et, si nécessaire, mis à jour tous les six ans par l'autorité de bassin. [1 Les mesures nouvelles ou révisées sont opérationnelles au plus tard trois ans après l'adoption des programmes de mesures mis à jour.]1
HOOFDSTUK II. - Beheersplan.
CHAPITRE II. - Plan de gestion.
Afdeling 1. - Principes.
Section 1re. - Principes.
Art. D24. § 1. Een beheersplan van elk Waals stroomgebied wordt door de stroomgebiedsoverheid opgesteld. De Regering bepaalt de inhoud van het beheersplan van het Waalse stroomgebied.
Elk plan omvat o.a. :
1° een algemene beschrijving van de kenmerken van het Waalse stroomgebied alsmede een samenvatting van de beschrijving van de gevolgen van de menselijke activiteit op de watertoestand en van de economische analyse;
2° de kaarten van de toezichtsnetwerken en de cartografische weergave van de beschermde gebieden;
3° een lijst met de vastgestelde leefmilieudoelstellingen voor het Waalse stroomgebied, met inbegrip van de identificatie van de gevallen waarvoor afwijkingen worden toegelaten overeenkomstig artikel 22;
4° een samenvatting van het of de maatregelenprogramma('s);
5° een samenvatting van de genomen maatregelen voor de informatie of raadpleging van het publiek;
6° een balans van het vorig beheersplan.
Elk plan bevat, indien nodig, een register en een samenvatting van de beheersplannen opgesteld krachtens paragraaf 2.
§ 2. De stroomgebiedsoverheid kan beginnen met het opstellen van een beheersplan van elk Waals deelstroomgebied. Deze plannen worden vervolgens samengevoegd en, in voorkomend geval, aangepast om het ontwerp van beheersplan te vormen en vervolgens het beheersplan van het Waalse stroomgebied.
§ 3. Het beheersplan van het Waalse stroomgebied wordt opgesteld en bijgesteld overeenkomstig de artikelen 26 tot 31. Het wordt uiterlijk op 22 december 2009 bekendgemaakt en wordt om de zes jaar getoetst en bijgesteld door de stroomgebiedsoverheid.
§ 4. Het beheersplan van het Waalse stroomgebied is vergezeld van gegevens betreffende zijn voorzienbaar effect op de prijs van het water, op de budgettaire gevolgen voor de openbare overheden, zijn voorzienbare effecten uit sociaal, economisch en milieuoogpunt.
Elk plan omvat o.a. :
1° een algemene beschrijving van de kenmerken van het Waalse stroomgebied alsmede een samenvatting van de beschrijving van de gevolgen van de menselijke activiteit op de watertoestand en van de economische analyse;
2° de kaarten van de toezichtsnetwerken en de cartografische weergave van de beschermde gebieden;
3° een lijst met de vastgestelde leefmilieudoelstellingen voor het Waalse stroomgebied, met inbegrip van de identificatie van de gevallen waarvoor afwijkingen worden toegelaten overeenkomstig artikel 22;
4° een samenvatting van het of de maatregelenprogramma('s);
5° een samenvatting van de genomen maatregelen voor de informatie of raadpleging van het publiek;
6° een balans van het vorig beheersplan.
Elk plan bevat, indien nodig, een register en een samenvatting van de beheersplannen opgesteld krachtens paragraaf 2.
§ 2. De stroomgebiedsoverheid kan beginnen met het opstellen van een beheersplan van elk Waals deelstroomgebied. Deze plannen worden vervolgens samengevoegd en, in voorkomend geval, aangepast om het ontwerp van beheersplan te vormen en vervolgens het beheersplan van het Waalse stroomgebied.
§ 3. Het beheersplan van het Waalse stroomgebied wordt opgesteld en bijgesteld overeenkomstig de artikelen 26 tot 31. Het wordt uiterlijk op 22 december 2009 bekendgemaakt en wordt om de zes jaar getoetst en bijgesteld door de stroomgebiedsoverheid.
§ 4. Het beheersplan van het Waalse stroomgebied is vergezeld van gegevens betreffende zijn voorzienbaar effect op de prijs van het water, op de budgettaire gevolgen voor de openbare overheden, zijn voorzienbare effecten uit sociaal, economisch en milieuoogpunt.
Art. D24. § 1er. L'autorité de bassin établit un plan de gestion de chaque bassin hydrographique wallon. Le Gouvernement arrête le contenu du plan de gestion du bassin hydrographique wallon.
Chaque plan comprend notamment :
1° une description générale des caractéristiques du bassin hydrographique wallon ainsi qu'un résumé de la description des effets de l'activité humaine sur l'état des eaux et de l'analyse économique;
2° les cartes des réseaux de surveillance et la représentation cartographique des zones protégées;
3° une liste des objectifs environnementaux fixés pour le bassin hydrographique wallon, en ce compris l'identification des cas où des dérogations sont admises conformément à l'article 22;
4° un résumé du ou des programmes de mesures;
5° un résumé des mesures prises pour l'information et la consultation du public;
6° un bilan du plan de gestion précédent.
Chaque plan comprend, au besoin, un registre et un résumé des plans de gestion établis en vertu du paragraphe 2.
§ 2. L'autorité de bassin peut commencer par élaborer un plan de gestion de chaque sous-bassin hydrographique wallon. Ces plans sont ensuite agrégés et, le cas échéant, adaptés en vue de constituer le projet de plan de gestion du bassin hydrographique wallon puis le plan de gestion du bassin hydrographique wallon.
§ 3. Le plan de gestion du bassin hydrographique wallon est élabore et mis à jour conformément aux articles 26 à 31. Il est publié au plus tard le 22 décembre 2009 et est réexaminé et mis à jour tous les six ans par l'autorité de bassin.
§ 4. Le plan de gestion du bassin hydrographique wallon est accompagné de données relatives à son effet prévisible sur le prix de l'eau, aux implications budgétaires pour les pouvoirs publics, à ses effets prévisibles des points de vue social, économique et environnemental.
Chaque plan comprend notamment :
1° une description générale des caractéristiques du bassin hydrographique wallon ainsi qu'un résumé de la description des effets de l'activité humaine sur l'état des eaux et de l'analyse économique;
2° les cartes des réseaux de surveillance et la représentation cartographique des zones protégées;
3° une liste des objectifs environnementaux fixés pour le bassin hydrographique wallon, en ce compris l'identification des cas où des dérogations sont admises conformément à l'article 22;
4° un résumé du ou des programmes de mesures;
5° un résumé des mesures prises pour l'information et la consultation du public;
6° un bilan du plan de gestion précédent.
Chaque plan comprend, au besoin, un registre et un résumé des plans de gestion établis en vertu du paragraphe 2.
§ 2. L'autorité de bassin peut commencer par élaborer un plan de gestion de chaque sous-bassin hydrographique wallon. Ces plans sont ensuite agrégés et, le cas échéant, adaptés en vue de constituer le projet de plan de gestion du bassin hydrographique wallon puis le plan de gestion du bassin hydrographique wallon.
§ 3. Le plan de gestion du bassin hydrographique wallon est élabore et mis à jour conformément aux articles 26 à 31. Il est publié au plus tard le 22 décembre 2009 et est réexaminé et mis à jour tous les six ans par l'autorité de bassin.
§ 4. Le plan de gestion du bassin hydrographique wallon est accompagné de données relatives à son effet prévisible sur le prix de l'eau, aux implications budgétaires pour les pouvoirs publics, à ses effets prévisibles des points de vue social, économique et environnemental.
Art. D25. Het beheersplan bevat een plan van de zuiveringsinstallaties dat de sites vermeld die kunnen dienen voor de vestiging van een zuiveringsstation.
De Regering stelt de voorwaarden vast die tot doel hebben de coherentie tussen de ligging van de voor de oprichting van zuiveringsstations bestemde sites en de regels betreffende de ruimtelijke ordening te waarborgen. Ze kan bovendien de criteria en voorwaarden voor de afwijking van de plannen van aanleg en de gemeentelijke plannen van aanleg nader bepalen.
De Regering stelt de voorwaarden vast die tot doel hebben de coherentie tussen de ligging van de voor de oprichting van zuiveringsstations bestemde sites en de regels betreffende de ruimtelijke ordening te waarborgen. Ze kan bovendien de criteria en voorwaarden voor de afwijking van de plannen van aanleg en de gemeentelijke plannen van aanleg nader bepalen.
Art. D25. Le plan de gestion comporte un plan des installations d'épuration qui reprend les sites susceptibles d'être affectés à l'implantation des stations d'épuration.
Le Gouvernement fixe les modalités visant à assurer la cohérence entre l'implantation des sites destinés à accueillir des stations d'épuration et les règles relatives à l'aménagement du territoire. Il peut préciser, en outre, les critères et conditions de dérogations aux plans de secteurs et aux plans communaux d'aménagement.
Le Gouvernement fixe les modalités visant à assurer la cohérence entre l'implantation des sites destinés à accueillir des stations d'épuration et les règles relatives à l'aménagement du territoire. Il peut préciser, en outre, les critères et conditions de dérogations aux plans de secteurs et aux plans communaux d'aménagement.
Afdeling 2. - Opstellingsprocedure.
Section 2. - Procédure d'élaboration.
Art. D26. § 1. Bij de opstelling van het beheersplan bedoeld in artikel 24, § 1, zal de stroomgebiedsoverheid een ontwerp van tijdschema en werkprogramma opstellen, met inbegrip van de vermelding van de te nemen raadplegingsmaatregelen [1 , alsook een voorlopige synthese van de belangrijke vragen die in het stroomgebied worden gesteld inzake het waterbeheer]1.
§ 2. [1 Minstens drie jaar vóór de voorziene datum van publicatie van het beheersplan worden de ontwerpen van tijdschema en werkprogramma alsook de voorlopige synthese van de belangrijke vragen per uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en door de stroomgebiedsoverheid onderworpen aan een terinzagelegging van minstens zes maanden. Tegelijk worden door de stroomgebiedsoverheid de ontwerpen van tijdschema en werkprogramma, de synthese van de belangrijke vragen alsook de informatie gebruikt voor de opstelling ervan, ter beschikking gesteld op het portaal van het Waalse Gewest bestemd voor de Kaderrichtlijn inzake waterbeleid en in elke gemeente van het betrokken Waals stroomgebied.]1
§ 3. De terinzagelegging wordt aangekondigd in elke gemeente van het Waalse stroomgebied door middel van een aanplakbiljet of van een bericht geplaatst in minstens drie kranten die verspreid worden over heel het grondgebied van het Waalse Gewest waarvan één in de Duitse taal. Indien een gemeente- of reclameblad gratis wordt uitgedeeld aan de bevolking wordt het bericht daarin gepubliceerd.
Om een enkel stroomgebiedbeheersplan voort te brengen, wordt de terinzagelegging ook schriftelijk aangekondigd aan de andere staten of regio's van het internationaal stroomgebiedsdistrict.
Begin en einde van de termijn voor terinzagelegging worden meegedeeld in het bericht, alsmede de adressen van de website en de plaatsen waar de ontwerpen van tijdschema en werkprogramma [1 alsook de synthese van de belangrijke vragen]1 geraadpleegd kunnen worden en het adres waar de schriftelijke opmerkingen toegezonden kunnen worden, de plaats en het ogenblik waarop de mondelinge opmerkingen worden ontvangen.
§ 4. Samen met de terinzagelegging van de ontwerpen van tijdschema en werkprogramma [1 en de voorlopige synthese van de belangrijke vragen]1 wint de stroomgebiedsoverheid het advies in van de gemeenten van het Waalse stroomgebied, AQUAWAL, [3 de beleidsgroep Leefmilieu]3, de "Société publique de Gestion de l'Eau", [4 de "Société wallonne des Eaux"]4 [3 ...]3, [2 ...]2 de betrokken "Commission de conservation", het Comité voor Watercontrole, alsmede van elke andere instantie waarvan zij het advies nuttig acht.
§ 5. De adviezen worden vóór het einde van de terinzagelegging aan de stroomgebiedsoverheid overgemaakt. Bij gebrek worden ze geacht gunstig te zijn.
§ 6. [1 Binnen zestig dagen na het einde van de terinzagelegging bepaalt de stroomgebiedsoverheid het tijdschema, het werkprogramma en de synthese van de belangrijke vragen. Haar beslissing wordt met reden omkleed. Het tijdschema, het werkprogramma en de synthese van de belangrijke vragen worden per uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en zijn raadpleegbaar op het portaal van het Waalse Gewest bestemd voor de Kaderrichtlijn inzake waterbeleid.]1
§ 7. Deze procedure is ook van toepassing op de procedures voor de bijwerking van het beheersplan.
§ 2. [1 Minstens drie jaar vóór de voorziene datum van publicatie van het beheersplan worden de ontwerpen van tijdschema en werkprogramma alsook de voorlopige synthese van de belangrijke vragen per uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en door de stroomgebiedsoverheid onderworpen aan een terinzagelegging van minstens zes maanden. Tegelijk worden door de stroomgebiedsoverheid de ontwerpen van tijdschema en werkprogramma, de synthese van de belangrijke vragen alsook de informatie gebruikt voor de opstelling ervan, ter beschikking gesteld op het portaal van het Waalse Gewest bestemd voor de Kaderrichtlijn inzake waterbeleid en in elke gemeente van het betrokken Waals stroomgebied.]1
§ 3. De terinzagelegging wordt aangekondigd in elke gemeente van het Waalse stroomgebied door middel van een aanplakbiljet of van een bericht geplaatst in minstens drie kranten die verspreid worden over heel het grondgebied van het Waalse Gewest waarvan één in de Duitse taal. Indien een gemeente- of reclameblad gratis wordt uitgedeeld aan de bevolking wordt het bericht daarin gepubliceerd.
Om een enkel stroomgebiedbeheersplan voort te brengen, wordt de terinzagelegging ook schriftelijk aangekondigd aan de andere staten of regio's van het internationaal stroomgebiedsdistrict.
Begin en einde van de termijn voor terinzagelegging worden meegedeeld in het bericht, alsmede de adressen van de website en de plaatsen waar de ontwerpen van tijdschema en werkprogramma [1 alsook de synthese van de belangrijke vragen]1 geraadpleegd kunnen worden en het adres waar de schriftelijke opmerkingen toegezonden kunnen worden, de plaats en het ogenblik waarop de mondelinge opmerkingen worden ontvangen.
§ 4. Samen met de terinzagelegging van de ontwerpen van tijdschema en werkprogramma [1 en de voorlopige synthese van de belangrijke vragen]1 wint de stroomgebiedsoverheid het advies in van de gemeenten van het Waalse stroomgebied, AQUAWAL, [3 de beleidsgroep Leefmilieu]3, de "Société publique de Gestion de l'Eau", [4 de "Société wallonne des Eaux"]4 [3 ...]3, [2 ...]2 de betrokken "Commission de conservation", het Comité voor Watercontrole, alsmede van elke andere instantie waarvan zij het advies nuttig acht.
§ 5. De adviezen worden vóór het einde van de terinzagelegging aan de stroomgebiedsoverheid overgemaakt. Bij gebrek worden ze geacht gunstig te zijn.
§ 6. [1 Binnen zestig dagen na het einde van de terinzagelegging bepaalt de stroomgebiedsoverheid het tijdschema, het werkprogramma en de synthese van de belangrijke vragen. Haar beslissing wordt met reden omkleed. Het tijdschema, het werkprogramma en de synthese van de belangrijke vragen worden per uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en zijn raadpleegbaar op het portaal van het Waalse Gewest bestemd voor de Kaderrichtlijn inzake waterbeleid.]1
§ 7. Deze procedure is ook van toepassing op de procedures voor de bijwerking van het beheersplan.
Art. D26. § 1er. En vue de l'élaboration du plan de gestion visé à l'article 24, § 1er, l'autorité de bassin élabore un projet de calendrier et un projet de programme de travail, y compris un relevé des mesures qui seront prises en matière de consultation [1 , ainsi qu'une synthèse provisoire des questions importantes qui se posent dans le bassin hydrographique en matière de gestion de l'eau]1.
§ 2. [1 Trois ans au moins avant la date de publication envisagée du plan de gestion, les projets de calendrier et de programme de travail, ainsi que la synthèse provisoire des questions importantes sont publiés par extraits au Moniteur belge et soumis par l'autorité de bassin à une enquête publique d'une durée minimale de six mois. Simultanément, l'autorité de bassin met à disposition les projets de calendrier et de programme de travail, la synthèse provisoire des questions importantes ainsi que les informations utilisées pour leur élaboration, sur le portail de la Région wallonne consacré à la Directive-cadre sur l'eau et dans chaque commune du bassin hydrographique wallon concerné.]1
§ 3. L'enquête publique est annoncée dans chacune des communes du bassin hydrographique wallon, tant par voie d'affiches que par un avis inséré dans au moins trois journaux diffusés dans l'ensemble de la Région wallonne, dont un de langue allemande. S'il existe un bulletin communal d'information ou un journal publicitaire distribués gratuitement à la population, l'avis y est inséré.
En vue de produire un seul plan de gestion de district hydrographique international, l'enquête publique est également annoncée par écrit aux autres Etats ou régions du district hydrographique international.
Le début et la fin du délai de l'enquête publique sont précisés dans l'annonce, ainsi que les adresses du site internet et des lieux où les projets de calendrier et de programme de travail [1 ainsi que la synthèse des questions importantes]1 peuvent être consultés et l'adresse à laquelle les observations écrites peuvent être envoyées, le lieu et le moment ou les observations verbales sont reçues.
§ 4. En même temps qu'elle soumet les projets de calendrier et de programme de travail [1 et la synthèse provisoire des questions importantes]1 à enquête publique, l'autorité de bassin consulte les communes du bassin hydrographique wallon, AQUAWAL, [3 le pôle "Environnement"]3, la Société publique de gestion de l'eau, [4 la Société wallonne des Eaux, ]4 [3 ...]3 [2 ...]2, la commission de conservation concernée, le comité de contrôle de l'eau, ainsi que toutes personnes et instances qu'elle juge utile de consulter.
§ 5. Les avis sont transmis avant la fin de l'enquête publique à l'autorité de bassin. A défaut, ils sont réputés favorables.
§ 6. [1 Dans les soixante jours qui suivent la fin de l'enquête publique, l'autorité de bassin arrête le calendrier, le programme de travail et la synthèse des questions importantes. Sa décision est motivée. Le calendrier, le programme de travail et la synthèse des questions importantes sont publiés par extraits au Moniteur belge et sont rendus accessibles sur le portail de la Région wallonne consacré à la Directive-cadre sur l'eau.]1
§ 7. La présente procédure s'applique également aux procédures de mise à jour du plan de gestion.
§ 2. [1 Trois ans au moins avant la date de publication envisagée du plan de gestion, les projets de calendrier et de programme de travail, ainsi que la synthèse provisoire des questions importantes sont publiés par extraits au Moniteur belge et soumis par l'autorité de bassin à une enquête publique d'une durée minimale de six mois. Simultanément, l'autorité de bassin met à disposition les projets de calendrier et de programme de travail, la synthèse provisoire des questions importantes ainsi que les informations utilisées pour leur élaboration, sur le portail de la Région wallonne consacré à la Directive-cadre sur l'eau et dans chaque commune du bassin hydrographique wallon concerné.]1
§ 3. L'enquête publique est annoncée dans chacune des communes du bassin hydrographique wallon, tant par voie d'affiches que par un avis inséré dans au moins trois journaux diffusés dans l'ensemble de la Région wallonne, dont un de langue allemande. S'il existe un bulletin communal d'information ou un journal publicitaire distribués gratuitement à la population, l'avis y est inséré.
En vue de produire un seul plan de gestion de district hydrographique international, l'enquête publique est également annoncée par écrit aux autres Etats ou régions du district hydrographique international.
Le début et la fin du délai de l'enquête publique sont précisés dans l'annonce, ainsi que les adresses du site internet et des lieux où les projets de calendrier et de programme de travail [1 ainsi que la synthèse des questions importantes]1 peuvent être consultés et l'adresse à laquelle les observations écrites peuvent être envoyées, le lieu et le moment ou les observations verbales sont reçues.
§ 4. En même temps qu'elle soumet les projets de calendrier et de programme de travail [1 et la synthèse provisoire des questions importantes]1 à enquête publique, l'autorité de bassin consulte les communes du bassin hydrographique wallon, AQUAWAL, [3 le pôle "Environnement"]3, la Société publique de gestion de l'eau, [4 la Société wallonne des Eaux, ]4 [3 ...]3 [2 ...]2, la commission de conservation concernée, le comité de contrôle de l'eau, ainsi que toutes personnes et instances qu'elle juge utile de consulter.
§ 5. Les avis sont transmis avant la fin de l'enquête publique à l'autorité de bassin. A défaut, ils sont réputés favorables.
§ 6. [1 Dans les soixante jours qui suivent la fin de l'enquête publique, l'autorité de bassin arrête le calendrier, le programme de travail et la synthèse des questions importantes. Sa décision est motivée. Le calendrier, le programme de travail et la synthèse des questions importantes sont publiés par extraits au Moniteur belge et sont rendus accessibles sur le portail de la Région wallonne consacré à la Directive-cadre sur l'eau.]1
§ 7. La présente procédure s'applique également aux procédures de mise à jour du plan de gestion.
Art. D27.
Art. D27.
Art. D28. § 1. [4 Bij de opstelling van het beheersplan bedoeld in artikel 24, § 1, zal de stroomgebiedsoverheid een ontwerp van beheersplan en maatregelenprogramma opstellen, met name op grond van de adviezen en opmerkingen ingewonnen na de procedures van artikel D.26.
In dezelfde tijd als ze de ontwerpen van beheersplannen en maatregelenprogramma goedkeurt, onderwerpt de stroomgebiedsoverheid ze aan de milieueffectbeoordeling bedoeld in artikel D.53 van Boek I van het Milieuwetboek.
De vrijstelling bedoeld in artikel D.53, § 1, tweede en derde lid, van Boek I van het Milieuwetboek kan niet toegepast worden.
Wanneer de informatie vereist in artikel D.56 van Boek I van het Milieuwetboek in het ontwerp van beheerplan of maatregelenprogramma op voldoende wijze wordt gegeven, kan het verslag over de milieugevolgen beperkt worden tot een precieze verwijzing naar dit ontwerp.
Artikel D.57, § 3, van Boek I van het Milieuwetboek is niet van toepassing op de in dit artikel bedoelde milieueffectenbeoordeling.]4
§ 2. [4 Minstens een jaar vóór de voorziene datum van publicatie van het beheersplan bedoeld in artikel D.24, § 1, worden de ontwerpen van beheersplan en van maatregelenprogramma alsook het krachtens § 1 opgemaakte verslag over de milieugevolgen door de stroomgebiedsoverheid onderworpen aan een terinzagelegging van minstens zes maanden.
Artikel D.29-13, § 2, van Boek I van het Milieuwetboek is niet van toepassing op dit artikel behalve wat betreft de gemeentelijke dienstwaarneming bedoeld in artikel D.29-16, § 1, van Boek I van het Milieuwetboek buiten de gewoonlijke openingsuren van de kantoren die tijdens de periodes bedoeld in artikel D.29-13, § 2, van Boek I van het Milieuwetboek opgeschort kan worden.
Naast de aankondigingsmodaliteiten bedoeld in de artikelen D.29-7 tot D.29-9 van Boek I van het Milieuwetboek worden de ontwerpen van beheersplan en van maatregelenprogramma per uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
Om een enkel internationaal stroomgebiedbeheersplan voort te brengen, wordt de terinzagelegging ook schriftelijk aangekondigd aan de andere staten of regio's van het internationaal stroomgebiedsdistrict.
Begin en einde van de termijn voor terinzagelegging worden meegedeeld in het bericht alsmede de adressen van het portaal van het Waalse Gewest bestemd voor de Kaderrichtlijn inzake waterbeleid en de plaatsen waar het ontwerp van beheersplan en maatregelenprogramma geraadpleegd kan worden en het adres waar de schriftelijke opmerkingen toegezonden kunnen worden.]4
§ 3. [4 De stroomgebiedsoverheid stelt het in artikel D.24, § 1, bedoelde ontwerp van beheersplan en het ontwerp van maatregelenprogramma alsook het verslag over de milieugevolgen en de informatie gebruikt voor de uitvoering ervan ter beschikking op het portaal van het Waalse Gewest bestemd voor de Kaderrichtlijn inzake waterbeleid en in elke gemeente van het betrokken Waalse stroomgebied.]4
§ 4. Samen met de terinzagelegging van de ontwerpen van beheersplan en maatregelenprogramma [4 en de verslagen over de milieugevolgen" ingevoegd tussen de woorden]4 wint de stroomgebiedsoverheid het advies in van de gemeenten van het Waalse stroomgebied, "AQUAWAL", [6 de beleidsgroep Leefmilieu]6, de "Société publique de gestion de l'eau", [8 de "Société wallonne des Eaux"]8 [6 ...]6, [5 ...]5 de betrokken "Commission de conservation", het Comité voor watercontrole, [2 het Visbeheerscomité, zoals ingesteld bij artikel 22 van het decreet van 27 maart 2014 betreffende de riviervisserij, het visbeleid en de visserijstructuren, [7 de Beleidsgroep Landelijke Aangelegenheden, afdeling "Visvangst", bedoeld in artikel 2/6, § § 1,2 en 5, van et decreet van 6 november 2008 houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie]7]2 alsmede van elke andere instantie waarvan zij het advies nuttig acht.
[4 De aangevraagde adviezen worden vier maanden na het begin van de terinzagelegging aan de stroomgebiedsoverheid overgemaakt. Zo niet worden ze geacht gunstig te zijn. De adviezen worden op het portaal van het Waalse Gewest bestemd voor de Kaderrichtlijn inzake waterbeleid bekengemaakt en kunnen ingezien worden tot het einde van het onderzoek.]4
§ 5. [4 Binnen acht dagen na het einde van de terinzagelegging maken de gemeenten het proces-verbaal van afsluiting bedoeld in artikel D.29-19 van Boek I van het Milieuwetboek aan de stroomgebiedsoverheid over.
De resultaten van de terinzagelegging alsmede de adviezen van de instanties bedoeld in paragraaf 4 worden in beschouwing genomen bij de goedkeuring van het beheersplan en het maatregelenprogramma.
Het beheersplan bevat een samenvatting van de maatregelen genomen voor de informatie en raadpleging van het publiek, alsook de resultaten van deze maatregelen.]4
§ 6. [4 Het beheersplan en het maatregelenprogramma worden om de zes jaar vanaf 22 december 2009 goedgekeurd door de stroomgebiedsoverheid.
Het beheersplan en het maatregelenprogramma worden per uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
De voorgeschreven bepalingen van het maatregelenprogramma hebben een indicatieve waarde tien dagen na de bekendmaking van het maatregelenprogramma in het Belgisch Staatsblad.
Binnen tien dagen na bekendmaking in het Belgisch Staatsblad worden de personen en instanties die zijn geraadpleegd krachtens paragraaf 4 daarover geïnformeerd. Binnen dezelfde termijn worden het beheersplan en het maatregelenprogramma op het portaal van het Waalse Gewest bestemd voor de Kaderrichtlijn inzake waterbeleid bekendgemaakt.]4
§ 7. [4 Deze procedure is ook van toepassing op de procedures voor de bijwerking van het beheersplan en het maatregelenprogramma.]4
In dezelfde tijd als ze de ontwerpen van beheersplannen en maatregelenprogramma goedkeurt, onderwerpt de stroomgebiedsoverheid ze aan de milieueffectbeoordeling bedoeld in artikel D.53 van Boek I van het Milieuwetboek.
De vrijstelling bedoeld in artikel D.53, § 1, tweede en derde lid, van Boek I van het Milieuwetboek kan niet toegepast worden.
Wanneer de informatie vereist in artikel D.56 van Boek I van het Milieuwetboek in het ontwerp van beheerplan of maatregelenprogramma op voldoende wijze wordt gegeven, kan het verslag over de milieugevolgen beperkt worden tot een precieze verwijzing naar dit ontwerp.
Artikel D.57, § 3, van Boek I van het Milieuwetboek is niet van toepassing op de in dit artikel bedoelde milieueffectenbeoordeling.]4
§ 2. [4 Minstens een jaar vóór de voorziene datum van publicatie van het beheersplan bedoeld in artikel D.24, § 1, worden de ontwerpen van beheersplan en van maatregelenprogramma alsook het krachtens § 1 opgemaakte verslag over de milieugevolgen door de stroomgebiedsoverheid onderworpen aan een terinzagelegging van minstens zes maanden.
Artikel D.29-13, § 2, van Boek I van het Milieuwetboek is niet van toepassing op dit artikel behalve wat betreft de gemeentelijke dienstwaarneming bedoeld in artikel D.29-16, § 1, van Boek I van het Milieuwetboek buiten de gewoonlijke openingsuren van de kantoren die tijdens de periodes bedoeld in artikel D.29-13, § 2, van Boek I van het Milieuwetboek opgeschort kan worden.
Naast de aankondigingsmodaliteiten bedoeld in de artikelen D.29-7 tot D.29-9 van Boek I van het Milieuwetboek worden de ontwerpen van beheersplan en van maatregelenprogramma per uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
Om een enkel internationaal stroomgebiedbeheersplan voort te brengen, wordt de terinzagelegging ook schriftelijk aangekondigd aan de andere staten of regio's van het internationaal stroomgebiedsdistrict.
Begin en einde van de termijn voor terinzagelegging worden meegedeeld in het bericht alsmede de adressen van het portaal van het Waalse Gewest bestemd voor de Kaderrichtlijn inzake waterbeleid en de plaatsen waar het ontwerp van beheersplan en maatregelenprogramma geraadpleegd kan worden en het adres waar de schriftelijke opmerkingen toegezonden kunnen worden.]4
§ 3. [4 De stroomgebiedsoverheid stelt het in artikel D.24, § 1, bedoelde ontwerp van beheersplan en het ontwerp van maatregelenprogramma alsook het verslag over de milieugevolgen en de informatie gebruikt voor de uitvoering ervan ter beschikking op het portaal van het Waalse Gewest bestemd voor de Kaderrichtlijn inzake waterbeleid en in elke gemeente van het betrokken Waalse stroomgebied.]4
§ 4. Samen met de terinzagelegging van de ontwerpen van beheersplan en maatregelenprogramma [4 en de verslagen over de milieugevolgen" ingevoegd tussen de woorden]4 wint de stroomgebiedsoverheid het advies in van de gemeenten van het Waalse stroomgebied, "AQUAWAL", [6 de beleidsgroep Leefmilieu]6, de "Société publique de gestion de l'eau", [8 de "Société wallonne des Eaux"]8 [6 ...]6, [5 ...]5 de betrokken "Commission de conservation", het Comité voor watercontrole, [2 het Visbeheerscomité, zoals ingesteld bij artikel 22 van het decreet van 27 maart 2014 betreffende de riviervisserij, het visbeleid en de visserijstructuren, [7 de Beleidsgroep Landelijke Aangelegenheden, afdeling "Visvangst", bedoeld in artikel 2/6, § § 1,2 en 5, van et decreet van 6 november 2008 houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie]7]2 alsmede van elke andere instantie waarvan zij het advies nuttig acht.
[4 De aangevraagde adviezen worden vier maanden na het begin van de terinzagelegging aan de stroomgebiedsoverheid overgemaakt. Zo niet worden ze geacht gunstig te zijn. De adviezen worden op het portaal van het Waalse Gewest bestemd voor de Kaderrichtlijn inzake waterbeleid bekengemaakt en kunnen ingezien worden tot het einde van het onderzoek.]4
§ 5. [4 Binnen acht dagen na het einde van de terinzagelegging maken de gemeenten het proces-verbaal van afsluiting bedoeld in artikel D.29-19 van Boek I van het Milieuwetboek aan de stroomgebiedsoverheid over.
De resultaten van de terinzagelegging alsmede de adviezen van de instanties bedoeld in paragraaf 4 worden in beschouwing genomen bij de goedkeuring van het beheersplan en het maatregelenprogramma.
Het beheersplan bevat een samenvatting van de maatregelen genomen voor de informatie en raadpleging van het publiek, alsook de resultaten van deze maatregelen.]4
§ 6. [4 Het beheersplan en het maatregelenprogramma worden om de zes jaar vanaf 22 december 2009 goedgekeurd door de stroomgebiedsoverheid.
Het beheersplan en het maatregelenprogramma worden per uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
De voorgeschreven bepalingen van het maatregelenprogramma hebben een indicatieve waarde tien dagen na de bekendmaking van het maatregelenprogramma in het Belgisch Staatsblad.
Binnen tien dagen na bekendmaking in het Belgisch Staatsblad worden de personen en instanties die zijn geraadpleegd krachtens paragraaf 4 daarover geïnformeerd. Binnen dezelfde termijn worden het beheersplan en het maatregelenprogramma op het portaal van het Waalse Gewest bestemd voor de Kaderrichtlijn inzake waterbeleid bekendgemaakt.]4
§ 7. [4 Deze procedure is ook van toepassing op de procedures voor de bijwerking van het beheersplan en het maatregelenprogramma.]4
Wijzigingen
Art. D28. § 1er. [4 En vue de l'élaboration du plan de gestion visé à l'article D.24, § 1er, l'autorité de bassin élabore un projet de plan de gestion ainsi qu'un projet de programme de mesures, établis notamment sur la base des avis et observations recueillis à l'issue des procédures prévues à l'article D.26.
En même temps qu'elle arrête les projets de plan de gestion et de programme de mesures, l'autorité de bassin les soumet à l'évaluation des incidences sur l'environnement visée à l'article D.53 du Livre Ier du Code de l'Environnement.
Il ne peut être fait application de l'exemption prévue à l'article D.53, § 1er, alinéas 2 et 3, du Livre Ier du Code de l'Environnement.
Lorsque l'information exigée à l'article D.56 du Livre Ier du Code de l'Environnement est donnée de manière suffisante dans le projet de plan de gestion ou le projet de programme de mesures, le rapport sur les incidences environnementales peut être limité sur le point à une référence précise à ce projet.
L'article D.57, § 3, du Livre Ier du Code de l'Environnement ne s'applique pas à l'évaluation des incidences environnementales prévue par le présent article.]4
§ 2. [4 Un an au moins avant la date de publication envisagée du plan de gestion visé à l'article D.24, § 1er, l'autorité de bassin soumet le projet de plan de gestion et le projet de programme de mesures, ainsi que le rapport sur les incidences environnementales établi en vertu du paragraphe 1er, à une enquête publique d'une durée minimale de six mois.
L'article D.29-13, § 2, du Livre Ier du Code de l'Environnement ne s'applique pas au présent article, sauf en ce qui concerne la permanence communale visée à l'article D.29-16, § 1er, du Livre Ier du Code de l'Environnement en dehors des heures d'ouverture habituelles des bureaux qui peut être suspendue durant les périodes visées à l'article D.29-13, § 2, du Livre Ier du Code de l'Environnement.
Outre les formalités de publicité prévues aux articles D.29-7 à D.29-9 du Livre Ier du Code de l'Environnement, le projet de plan de gestion et le projet de programme de mesures sont publiés par extraits au Moniteur belge.
En vue de produire un seul plan de gestion de district hydrographique international, l'enquête publique est également annoncée par écrit aux autres Etats ou régions du district hydrographique international.
Le début et la fin du délai de l'enquête publique sont précisés dans l'annonce, ainsi que les adresses du portail de la Région wallonne consacré à la Directive-cadre sur l'eau et des lieux où le projet de plan de gestion et le projet de programme de mesures peuvent être consultés et l'adresse à laquelle les observations écrites peuvent être envoyées]4
§ 3. [4 L'autorité de bassin met à disposition le projet de plan de gestion visé à l'article D.24, § 1er, et le projet de programme de mesures, ainsi que le rapport sur les incidences environnementales et les informations utilisées pour leur élaboration, sur le portail de la Région wallonne consacré à la Directive-cadre sur l'eau et dans chaque commune du bassin hydrographique wallon concerné.]4
§ 4. En même temps qu'elle soumet les projets de plan de gestion et de programme de mesures [4 et les rapports sur les incidences environnementales]4 à enquête publique, l'autorité de bassin consulte les communes du bassin hydrographique wallon, AQUAWAL, [6 le pôle "Environnement"]6, la Société publique de gestion de l'eau, [8 la Société wallonne des Eaux,]8 [6 ...]6 [5 ...]5, la commission de conservation concernée, le comité de contrôle de l'eau, [2 Comité de gestion piscicole tel qu'institué par l'article 22 du décret du 27 mars 2014 relatif à la pêche fluviale, à la gestion piscicole et aux structures halieutiques, [7 le pôle "Ruralité", section "Pêche", visé à l'article 2/6, §§ 1er, 2 et 5, du décret du 6 novembre 2008 portant rationalisation de la fonction consultative]7]2 ainsi que toutes personnes et instances qu'elle juge utile de consulter.
[4 Les avis sollicités sont transmis quatre mois après le début de l'enquête publique à l'autorité de bassin. A défaut, ils sont réputés favorables. Les avis sont publiés sur le portail de la Région wallonne consacré à la Directive-cadre sur l'eau et consultables jusqu'à la fin de l'enquête.]4
§ 5. [4 Dans les huit jours de la fin de l'enquête publique, les communes transmettent à l'autorité de bassin le procès-verbal de clôture prévu à l'article D.29-19 du Livre Ier du Code de l'Environnement.
Les résultats de l'enquête publique ainsi que les avis émis par les instances visées au paragraphe 4 sont pris en considération lors de l'adoption du plan de gestion et du programme de mesures.
Le plan de gestion comprend un résumé des mesures prises pour l'information et la consultation du public et les résultats de ces mesures.]4
§ 6. [4 L'autorité de bassin adopte le plan de gestion et le programme de mesures tous les six ans à compter du 22 décembre 2009.
Le plan de gestion et le programme de mesures sont publiés par extraits au Moniteur belge.
Les dispositions prescriptives du programme de mesures ont valeur indicative dix jours après la publication du programme de mesures au Moniteur belge.
Dans les quinze jours de la publication au Moniteur belge, les personnes ou instances qui ont été consultées en vertu du paragraphe 4 en sont informées. Dans le même délai, le plan de gestion et le programme de mesures sont publiés sur le portail de la Région wallonne consacré à la Directive-cadre sur l'eau.]4
§ 7. [4 La présente procédure s'applique également aux procédures de mise à jour du plan de gestion et du programme de mesures.]4
En même temps qu'elle arrête les projets de plan de gestion et de programme de mesures, l'autorité de bassin les soumet à l'évaluation des incidences sur l'environnement visée à l'article D.53 du Livre Ier du Code de l'Environnement.
Il ne peut être fait application de l'exemption prévue à l'article D.53, § 1er, alinéas 2 et 3, du Livre Ier du Code de l'Environnement.
Lorsque l'information exigée à l'article D.56 du Livre Ier du Code de l'Environnement est donnée de manière suffisante dans le projet de plan de gestion ou le projet de programme de mesures, le rapport sur les incidences environnementales peut être limité sur le point à une référence précise à ce projet.
L'article D.57, § 3, du Livre Ier du Code de l'Environnement ne s'applique pas à l'évaluation des incidences environnementales prévue par le présent article.]4
§ 2. [4 Un an au moins avant la date de publication envisagée du plan de gestion visé à l'article D.24, § 1er, l'autorité de bassin soumet le projet de plan de gestion et le projet de programme de mesures, ainsi que le rapport sur les incidences environnementales établi en vertu du paragraphe 1er, à une enquête publique d'une durée minimale de six mois.
L'article D.29-13, § 2, du Livre Ier du Code de l'Environnement ne s'applique pas au présent article, sauf en ce qui concerne la permanence communale visée à l'article D.29-16, § 1er, du Livre Ier du Code de l'Environnement en dehors des heures d'ouverture habituelles des bureaux qui peut être suspendue durant les périodes visées à l'article D.29-13, § 2, du Livre Ier du Code de l'Environnement.
Outre les formalités de publicité prévues aux articles D.29-7 à D.29-9 du Livre Ier du Code de l'Environnement, le projet de plan de gestion et le projet de programme de mesures sont publiés par extraits au Moniteur belge.
En vue de produire un seul plan de gestion de district hydrographique international, l'enquête publique est également annoncée par écrit aux autres Etats ou régions du district hydrographique international.
Le début et la fin du délai de l'enquête publique sont précisés dans l'annonce, ainsi que les adresses du portail de la Région wallonne consacré à la Directive-cadre sur l'eau et des lieux où le projet de plan de gestion et le projet de programme de mesures peuvent être consultés et l'adresse à laquelle les observations écrites peuvent être envoyées]4
§ 3. [4 L'autorité de bassin met à disposition le projet de plan de gestion visé à l'article D.24, § 1er, et le projet de programme de mesures, ainsi que le rapport sur les incidences environnementales et les informations utilisées pour leur élaboration, sur le portail de la Région wallonne consacré à la Directive-cadre sur l'eau et dans chaque commune du bassin hydrographique wallon concerné.]4
§ 4. En même temps qu'elle soumet les projets de plan de gestion et de programme de mesures [4 et les rapports sur les incidences environnementales]4 à enquête publique, l'autorité de bassin consulte les communes du bassin hydrographique wallon, AQUAWAL, [6 le pôle "Environnement"]6, la Société publique de gestion de l'eau, [8 la Société wallonne des Eaux,]8 [6 ...]6 [5 ...]5, la commission de conservation concernée, le comité de contrôle de l'eau, [2 Comité de gestion piscicole tel qu'institué par l'article 22 du décret du 27 mars 2014 relatif à la pêche fluviale, à la gestion piscicole et aux structures halieutiques, [7 le pôle "Ruralité", section "Pêche", visé à l'article 2/6, §§ 1er, 2 et 5, du décret du 6 novembre 2008 portant rationalisation de la fonction consultative]7]2 ainsi que toutes personnes et instances qu'elle juge utile de consulter.
[4 Les avis sollicités sont transmis quatre mois après le début de l'enquête publique à l'autorité de bassin. A défaut, ils sont réputés favorables. Les avis sont publiés sur le portail de la Région wallonne consacré à la Directive-cadre sur l'eau et consultables jusqu'à la fin de l'enquête.]4
§ 5. [4 Dans les huit jours de la fin de l'enquête publique, les communes transmettent à l'autorité de bassin le procès-verbal de clôture prévu à l'article D.29-19 du Livre Ier du Code de l'Environnement.
Les résultats de l'enquête publique ainsi que les avis émis par les instances visées au paragraphe 4 sont pris en considération lors de l'adoption du plan de gestion et du programme de mesures.
Le plan de gestion comprend un résumé des mesures prises pour l'information et la consultation du public et les résultats de ces mesures.]4
§ 6. [4 L'autorité de bassin adopte le plan de gestion et le programme de mesures tous les six ans à compter du 22 décembre 2009.
Le plan de gestion et le programme de mesures sont publiés par extraits au Moniteur belge.
Les dispositions prescriptives du programme de mesures ont valeur indicative dix jours après la publication du programme de mesures au Moniteur belge.
Dans les quinze jours de la publication au Moniteur belge, les personnes ou instances qui ont été consultées en vertu du paragraphe 4 en sont informées. Dans le même délai, le plan de gestion et le programme de mesures sont publiés sur le portail de la Région wallonne consacré à la Directive-cadre sur l'eau.]4
§ 7. [4 La présente procédure s'applique également aux procédures de mise à jour du plan de gestion et du programme de mesures.]4
Wijzigingen
Art. D29.
Art. D29.
Art. D30. § 1. De stroomgebiedsoverheid zendt de Europese commissie en eventuele andere betrokken lidstaten afschriften van de Waalse stroomgebiedbeheersplannen binnen drie maanden na publicatie daarvan toe.
§ 2. De stroomgebiedsoverheid legt beknopte verslagen voor met betrekking tot :
- de krachtens artikel 17 vereiste beschrijvende toestand;
- de in artikel 19 bedoelde monitoringsprogramma's die ten behoeve van het eerste beheersplan zijn uitgevoerd binnen drie maanden na de voltooiing daarvan.
§ 3. Binnen drie jaar na de publicatie van elk Waals stroomgebiedbeheersplan of van elke bijstelling legt de stroomgebiedsoverheid een tussentijds verslag voor over de vordering in de uitvoering van het geplande maatregelenprogramma.
§ 2. De stroomgebiedsoverheid legt beknopte verslagen voor met betrekking tot :
- de krachtens artikel 17 vereiste beschrijvende toestand;
- de in artikel 19 bedoelde monitoringsprogramma's die ten behoeve van het eerste beheersplan zijn uitgevoerd binnen drie maanden na de voltooiing daarvan.
§ 3. Binnen drie jaar na de publicatie van elk Waals stroomgebiedbeheersplan of van elke bijstelling legt de stroomgebiedsoverheid een tussentijds verslag voor over de vordering in de uitvoering van het geplande maatregelenprogramma.
Art. D30. § 1er. Dans les trois mois de leur publication, l'autorité de bassin communique des copies des plans de gestion des bassins hydrographiques wallons à la Commission européenne et aux autres Etats membres concernés.
§ 2. L'autorité de bassin présente des rapports de synthèse sur :
- l'état descriptif requis en vertu de l'article 17;
- les programmes de surveillance visés à l'article 19 entrepris aux fins du premier plan de gestion, dans les trois mois de leur achèvement.
§ 3. L'autorité de bassin présente, dans un délai de trois ans à compter de la publication de chaque plan de gestion de bassin hydrographique wallon ou de la mise à jour de celui-ci, un rapport intermédiaire décrivant l'état d'avancement de la mise en oeuvre du programme de mesures prévu.
§ 2. L'autorité de bassin présente des rapports de synthèse sur :
- l'état descriptif requis en vertu de l'article 17;
- les programmes de surveillance visés à l'article 19 entrepris aux fins du premier plan de gestion, dans les trois mois de leur achèvement.
§ 3. L'autorité de bassin présente, dans un délai de trois ans à compter de la publication de chaque plan de gestion de bassin hydrographique wallon ou de la mise à jour de celui-ci, un rapport intermédiaire décrivant l'état d'avancement de la mise en oeuvre du programme de mesures prévu.
Art. D31. Indien een stroomgebiedsoverheid een probleem constateert dat voor zijn waterbeheer gevolgen heeft, maar niet door die stroomgebiedsoverheid kan worden opgelost, kan ze dat probleem voorleggen aan de Europese commissie en eventuele andere betrokken staten of regio's en daarbij aanbevelingen doen voor de oplossing ervan.
Art. D31. Dans le cas où l'autorité de bassin constate un problème qui influe sur la gestion des eaux relevant de sa compétence mais qu'elle ne peut résoudre elle-même, elle peut faire rapport sur ce point à la Commission européenne et à tout autre Etat ou région concerné et formuler des recommandations relatives à la résolution du problème.
HOOFDSTUK III. - Riviercontract.
CHAPITRE III. - Contrat de rivière.
Art. D32. § 1. Op initiatief van de plaatselijke overheid, van operatoren van de watercyclus of verenigingen kan binnen elk deelstroomgebied een riviercontract opgemaakt worden. In afwijking toegestaan overeenkomstig de door de Regering vastgelegde modaliteiten kunnen verschillende riviercontracten per deelstroomgebied opgemaakt worden.
Het riviercontract bestaat uit de volgende drie groepen :
- de leden voorgedragen door de betrokken gemeenteraden en provincieraden;
- de leden voorgedragen door de plaatselijke actoren;
- de leden voorgedragen door de betrokken administraties en adviesorganen.
De plaatselijke actoren bedoeld in het vorig lid zijn :
- de verenigingen die op het gebied van het milieu actief zijn;
- de actoren i.v.m. de verschillende activiteiten die een noemenswaardige weerslag hebben op het deelstroomgebied, zoals landbouw, bosbouw, bedrijven, ambachtsondernemingen, handel, sport, toerisme;
- de actoren i.v.m. de culturele en educatieve activiteiten die in hetzelfde deelstroomgebied uitgeoefend worden.
De beslissingsorganen worden georganiseerd zodat ze representatief zijn van de vennoten, waarbij geen enkele groep vennoten, met inbegrip van die bestaande uit de gemeenten en provincies, predominant is.
§. 2. In geval van verschillende riviercontracten binnen éénzelfde deelstroomgebied coördineren zij hun actie volgens de modaliteiten die de Regering bepaalt.
§. 3. Het riviercontract beoogt een geïntegreerde, globale en overlegde informatie en sensibilisering m.b.t. de watercyclus en de organisatie van een dialoog tussen al zijn leden om een protocolakkoord op te maken.
Dit protocolakkoord draagt bij tot het halen van de milieudoelstellingen bedoeld in de artikelen D.1 en D. 22 door elke ondertekenaar ervan in het kader van zijn verantwoordelijkheden ertoe te verbinden welbepaalde doelstellingen te halen.
De Regering kan technische opdrachten aan het riviercontract toewijzen.
§. 4. De Regering kan het riviercontract subsidies toekennen volgens de regels die zij bepaalt. Zij kan de toekenning van deze subsidies aan een activiteitsprogramma onderwerpen.
Het riviercontract maakt een jaarlijks activiteitenverslag op. In geval van verschillende riviercontracten binnen éénzelfde deelstroomgebied wordt per deelstroomgebied één gecoördineerd jaarlijks activiteitenverslag opgesteld.
Het riviercontract wordt jaarlijks geëvalueerd door het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Energie, Afdeling Water, en meegedeeld aan de Minister die voor het waterbeleid bevoegd is.
Het riviercontract bestaat uit de volgende drie groepen :
- de leden voorgedragen door de betrokken gemeenteraden en provincieraden;
- de leden voorgedragen door de plaatselijke actoren;
- de leden voorgedragen door de betrokken administraties en adviesorganen.
De plaatselijke actoren bedoeld in het vorig lid zijn :
- de verenigingen die op het gebied van het milieu actief zijn;
- de actoren i.v.m. de verschillende activiteiten die een noemenswaardige weerslag hebben op het deelstroomgebied, zoals landbouw, bosbouw, bedrijven, ambachtsondernemingen, handel, sport, toerisme;
- de actoren i.v.m. de culturele en educatieve activiteiten die in hetzelfde deelstroomgebied uitgeoefend worden.
De beslissingsorganen worden georganiseerd zodat ze representatief zijn van de vennoten, waarbij geen enkele groep vennoten, met inbegrip van die bestaande uit de gemeenten en provincies, predominant is.
§. 2. In geval van verschillende riviercontracten binnen éénzelfde deelstroomgebied coördineren zij hun actie volgens de modaliteiten die de Regering bepaalt.
§. 3. Het riviercontract beoogt een geïntegreerde, globale en overlegde informatie en sensibilisering m.b.t. de watercyclus en de organisatie van een dialoog tussen al zijn leden om een protocolakkoord op te maken.
Dit protocolakkoord draagt bij tot het halen van de milieudoelstellingen bedoeld in de artikelen D.1 en D. 22 door elke ondertekenaar ervan in het kader van zijn verantwoordelijkheden ertoe te verbinden welbepaalde doelstellingen te halen.
De Regering kan technische opdrachten aan het riviercontract toewijzen.
§. 4. De Regering kan het riviercontract subsidies toekennen volgens de regels die zij bepaalt. Zij kan de toekenning van deze subsidies aan een activiteitsprogramma onderwerpen.
Het riviercontract maakt een jaarlijks activiteitenverslag op. In geval van verschillende riviercontracten binnen éénzelfde deelstroomgebied wordt per deelstroomgebied één gecoördineerd jaarlijks activiteitenverslag opgesteld.
Het riviercontract wordt jaarlijks geëvalueerd door het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Energie, Afdeling Water, en meegedeeld aan de Minister die voor het waterbeleid bevoegd is.
Art. D32. § 1er. A l'initiative de pouvoirs locaux, d'opérateurs du cycle de l'eau ou d'associations, il peut être créé un contrat de rivière au sein de chaque sous-bassin hydrographique. Par dérogation octroyée conformément aux modalités arrêtées par le Gouvernement, il peut être créé plusieurs contrats de rivière par sous-bassin hydrographique.
Le contrat de rivière est constitué des trois groupes suivants :
- les membres proposés par les conseils communaux et les conseils provinciaux concernés;
- les membres proposés par les acteurs locaux;
- les membres proposés par les administrations et les organes consultatifs concernés.
Les acteurs locaux visés à l'alinéa précédent sont :
- les associations actives dans le domaine environnemental;
- les acteurs liés aux différentes activités qui ont un impact significatif sur le sous-bassin hydrographique, tels l'agriculture, la sylviculture, les entreprises, l'artisanat, le commerce, les sports, le tourisme;
- les acteurs liés aux activités culturelles et éducatives qui s'exercent dans le même sous-bassin.
Les organes de décision sont organisés de manière à être représentatifs des associés, sans qu'il y ait prédominance d'un groupe d'associés, en ce compris celui constitué par les communes et les provinces.
§. 2. En cas de pluralité de contrats de rivière au sein d'un même sous-bassin hydrographique, ils coordonnent leur action suivant les modalités déterminées par le Gouvernement.
§. 3. Le contrat de rivière a pour objet d'informer et de sensibiliser de manière intégrée, globale et concertée le cycle de l'eau et d'organiser le dialogue entre l'ensemble de ses membres en vue d'établir un protocole d'accord.
Ce protocole d'accord contribue à atteindre les objectifs environnementaux établis aux articles D.1er et D.22 en engageant ses signataires, chacun dans le cadre de ses responsabilités, à atteindre des objectifs déterminés.
Le Gouvernement peut attribuer au contrat de rivière des missions techniques.
§. 4. Le Gouvernement peut octroyer des subventions au contrat de rivière selon les règles qu'il détermine. Il peut les conditionner à un programme d'activité.
Le contrat de rivière établit un rapport annuel d'activités. En cas de pluralité de contrats de rivière au sein d'un même sous-bassin hydrographique, un rapport annuel d'activités coordonné par sous-bassin hydrographique est établi.
L'évaluation du contrat de rivière est réalisée annuellement par la Direction générale des ressources naturelles et de l'environnement, Division de l'eau, et communiquée au Ministre ayant l'Eau dans ses attributions.
Le contrat de rivière est constitué des trois groupes suivants :
- les membres proposés par les conseils communaux et les conseils provinciaux concernés;
- les membres proposés par les acteurs locaux;
- les membres proposés par les administrations et les organes consultatifs concernés.
Les acteurs locaux visés à l'alinéa précédent sont :
- les associations actives dans le domaine environnemental;
- les acteurs liés aux différentes activités qui ont un impact significatif sur le sous-bassin hydrographique, tels l'agriculture, la sylviculture, les entreprises, l'artisanat, le commerce, les sports, le tourisme;
- les acteurs liés aux activités culturelles et éducatives qui s'exercent dans le même sous-bassin.
Les organes de décision sont organisés de manière à être représentatifs des associés, sans qu'il y ait prédominance d'un groupe d'associés, en ce compris celui constitué par les communes et les provinces.
§. 2. En cas de pluralité de contrats de rivière au sein d'un même sous-bassin hydrographique, ils coordonnent leur action suivant les modalités déterminées par le Gouvernement.
§. 3. Le contrat de rivière a pour objet d'informer et de sensibiliser de manière intégrée, globale et concertée le cycle de l'eau et d'organiser le dialogue entre l'ensemble de ses membres en vue d'établir un protocole d'accord.
Ce protocole d'accord contribue à atteindre les objectifs environnementaux établis aux articles D.1er et D.22 en engageant ses signataires, chacun dans le cadre de ses responsabilités, à atteindre des objectifs déterminés.
Le Gouvernement peut attribuer au contrat de rivière des missions techniques.
§. 4. Le Gouvernement peut octroyer des subventions au contrat de rivière selon les règles qu'il détermine. Il peut les conditionner à un programme d'activité.
Le contrat de rivière établit un rapport annuel d'activités. En cas de pluralité de contrats de rivière au sein d'un même sous-bassin hydrographique, un rapport annuel d'activités coordonné par sous-bassin hydrographique est établi.
L'évaluation du contrat de rivière est réalisée annuellement par la Direction générale des ressources naturelles et de l'environnement, Division de l'eau, et communiquée au Ministre ayant l'Eau dans ses attributions.
TITEL V. - Waterlopen.
TITRE V. - Cours d'eau.
HOOFDSTUK I. - Algemeen.
CHAPITRE Ier. - Généralités.
Afdeling 1. [1 Begripsomschrijving]1
Section 1ère. [1 Définition ]1
Art. D33. [1 Dit hoofdstuk is van toepassing op waterwegen, onbevaarbare waterlopen en ongeklasseerde waterlopen.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder "bouwwerk": elke constructie of vaste installatie die zich in, boven of onder de zomerbedding van een waterloop bevindt, dwars of lateraal.]1
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder "bouwwerk": elke constructie of vaste installatie die zich in, boven of onder de zomerbedding van een waterloop bevindt, dwars of lateraal.]1
Art. D33. [1 Le présent chapitre est applicable aux voies hydrauliques, aux cours d'eau non navigables et aux cours d'eau non classés.
Pour l'application du présent chapitre, on entend par " ouvrage " : toute construction ou installation fixe qui se situe dans, au-dessus ou en dessous du lit mineur d'un cours d'eau, transversalement ou latéralement.]1
Pour l'application du présent chapitre, on entend par " ouvrage " : toute construction ou installation fixe qui se situe dans, au-dessus ou en dessous du lit mineur d'un cours d'eau, transversalement ou latéralement.]1
Wijzigingen
Afdeling 2. [1 Doelstellingen]1
Section 2. [1 Objectifs ]1
Art. D33/1. [1 De bepalingen van deze titel zijn gericht op een geïntegreerd, evenwichtig en duurzaam beheer van waterlopen. Dit beheer heeft tot doel de volgende hoofdfuncties van waterlopen te vervullen of met elkaar in overeenstemming te brengen :
1° hydraulisch, door de vlotte afvloeiing van de wateren in stand te houden en overstromingsrisico's te beheersen;
2° ecologisch, door het behoud, de verbetering en het herstel van de hydromorfologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen, met name om te zorgen voor een betere werking van het aquatische ecosysteem en de naleving van de doelstellingen die zijn vastgesteld voor de beschermde gebieden bedoeld in artikel D. 18;
3° sociaal-economisch;
4° sociaal-cultureel.]1
1° hydraulisch, door de vlotte afvloeiing van de wateren in stand te houden en overstromingsrisico's te beheersen;
2° ecologisch, door het behoud, de verbetering en het herstel van de hydromorfologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen, met name om te zorgen voor een betere werking van het aquatische ecosysteem en de naleving van de doelstellingen die zijn vastgesteld voor de beschermde gebieden bedoeld in artikel D. 18;
3° sociaal-economisch;
4° sociaal-cultureel.]1
Art. D33/1. [1 Les dispositions du présent titre ont pour objet une gestion intégrée, équilibrée et durable des cours d'eau. Cette gestion vise à satisfaire ou à concilier les principales fonctions suivantes des cours d'eau :
1° hydraulique, par la conservation du libre écoulement des eaux et la gestion des risques d'inondation;
2° écologique, par la préservation, l'amélioration et la restauration de la qualité hydromorphologique des masses d'eau de surface, afin d'assurer notamment une meilleure fonctionnalité de l'écosytème aquatique et le respect des objectifs établis pour les zones protégées visées à l'article D. 18;
3° socio-économique;
4° socio-culturelle.]1
1° hydraulique, par la conservation du libre écoulement des eaux et la gestion des risques d'inondation;
2° écologique, par la préservation, l'amélioration et la restauration de la qualité hydromorphologique des masses d'eau de surface, afin d'assurer notamment une meilleure fonctionnalité de l'écosytème aquatique et le respect des objectifs établis pour les zones protégées visées à l'article D. 18;
3° socio-économique;
4° socio-culturelle.]1
Art. D33/2. [1 Het Gewest en de andere overheden, elk in het kader van hun bevoegdheden en in onderlinge coördinatie, streven naar het behoud, de verbetering of het herstel van de ooibossen en de ecologische continuïteit van de waterlopen, waardoor de goede werking van de ecosystemen en de strijd tegen invasieve soorten mogelijk wordt.]1
Art. D33/2. [1 La Région et les autres autorités publiques, chacune dans le cadre de ses compétences et en coordination entre elles, visent comme objectifs la préservation, l'amélioration ou la restauration de la ripisylve, ainsi que la continuité écologique des cours d'eau qui permet le bon fonctionnement des écosystèmes et la lutte contre les espèces invasives.]1
Afdeling 3. [1 Coördinatie-actie]1
Section 3. [1 Action de coordination]1
Art. D33/3. [1 Om de milieudoelstellingen met betrekking tot de hydromorfologie van de waterloop, zoals vastgesteld overeenkomstig artikel D. 22, en de passende doelstellingen voor het beheer van het overstromingsrisico als bedoeld in artikel D. 53-3, te bereiken, wordt voor elk Waals onderstroomgebied een actieprogramma voor rivieren opgesteld door middel van een geïntegreerde en sectorale aanpak, hierna "PARIS" "Programmes d'Action sur les Rivières par une approche Intégrée et Sectorisée" (Actieprogramma's op de rivieren door een geïntegreerde en sectorgerichte aanpak) genoemd.
In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen D. 33/4 tot en met D. 33/6 niet van toepassing op ongeklasseerde waterlopen, met uitzondering van de sectoren die gelegen zijn in het district van een watering, in zwemzones of in een Natura 2000-gebied.".
De Regering kan de toegang van vee tot waterlopen in bepaalde gebieden verbieden wanneer dit de verwezenlijking van de in artikel D.22, § 1, 1°, omschreven doelstellingen in gevaar brengt.]1
In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen D. 33/4 tot en met D. 33/6 niet van toepassing op ongeklasseerde waterlopen, met uitzondering van de sectoren die gelegen zijn in het district van een watering, in zwemzones of in een Natura 2000-gebied.".
De Regering kan de toegang van vee tot waterlopen in bepaalde gebieden verbieden wanneer dit de verwezenlijking van de in artikel D.22, § 1, 1°, omschreven doelstellingen in gevaar brengt.]1
Art. D33/3. [1 En vue d'atteindre les objectifs environnementaux relatifs à l'hydromorphologie du cours d'eau et fixés en application de l'article D. 22, et les objectifs appropriés en matière de gestion des risques d'inondation visés à l'article D. 53-3, il est établi un programme d'actions sur les rivières par une approche intégrée et sectorisée pour chaque sous-bassin hydrographique wallon, dénommé ci-après " PARIS ".
Par dérogation à l'alinéa 1er, les articles D. 33/4 à D. 33/6 ne sont pas applicables aux cours d'eau non classés, à l'exception des secteurs situés dans la circonscription d'une wateringue, en zones de baignade ou dans un site Natura 2000. ".
Le Gouvernement peut interdire l'accès du bétail aux cours d'eau dans des zones déterminées lorsque celui-ci compromet l'atteinte des objectifs définis à l'article D.22, § 1er, 1°.]1
Par dérogation à l'alinéa 1er, les articles D. 33/4 à D. 33/6 ne sont pas applicables aux cours d'eau non classés, à l'exception des secteurs situés dans la circonscription d'une wateringue, en zones de baignade ou dans un site Natura 2000. ".
Le Gouvernement peut interdire l'accès du bétail aux cours d'eau dans des zones déterminées lorsque celui-ci compromet l'atteinte des objectifs définis à l'article D.22, § 1er, 1°.]1
Art. D33/3 TOEKOMSTIG RECHT. [1 Om de milieudoelstellingen met betrekking tot de hydromorfologie van de waterloop, zoals vastgesteld overeenkomstig artikel D. 22, en de passende doelstellingen voor het beheer van het overstromingsrisico als bedoeld in artikel D. 53-3, te bereiken, wordt voor elk Waals onderstroomgebied een actieprogramma voor rivieren opgesteld door middel van een geïntegreerde en sectorale aanpak, hierna "PARIS" "Programmes d'Action sur les Rivières par une approche Intégrée et Sectorisée" (Actieprogramma's op de rivieren door een geïntegreerde en sectorgerichte aanpak) genoemd.
In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen D. 33/4 tot en met D. 33/6 niet van toepassing op ongeklasseerde waterlopen, met uitzondering van de sectoren die gelegen zijn in het district van een watering, in zwemzones of in een Natura 2000-gebied.".
De Regering kan de toegang van vee tot waterlopen in bepaalde gebieden verbieden wanneer dit de verwezenlijking van de in artikel D.22, § 1, 1°, omschreven doelstellingen in gevaar brengt.]1
[2 Wanneer een teeltgrond aan een waterloop grenst, wordt een permanent plantendek, bestaande uit bos- of kruidachtige vegetatie, over een breedte van zes meter vanaf de kruinlijn van de oever onderhouden.
Het vierde lid van dit artikel is niet van toepassing op de percelen van de biologische landbouw zoals bedoeld bij artikel 3, 10°, van het Waalse Landbouwwetboek.]2
In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen D. 33/4 tot en met D. 33/6 niet van toepassing op ongeklasseerde waterlopen, met uitzondering van de sectoren die gelegen zijn in het district van een watering, in zwemzones of in een Natura 2000-gebied.".
De Regering kan de toegang van vee tot waterlopen in bepaalde gebieden verbieden wanneer dit de verwezenlijking van de in artikel D.22, § 1, 1°, omschreven doelstellingen in gevaar brengt.]1
[2 Wanneer een teeltgrond aan een waterloop grenst, wordt een permanent plantendek, bestaande uit bos- of kruidachtige vegetatie, over een breedte van zes meter vanaf de kruinlijn van de oever onderhouden.
Het vierde lid van dit artikel is niet van toepassing op de percelen van de biologische landbouw zoals bedoeld bij artikel 3, 10°, van het Waalse Landbouwwetboek.]2
Art. D33/3 DROIT FUTUR. [1 En vue d'atteindre les objectifs environnementaux relatifs à l'hydromorphologie du cours d'eau et fixés en application de l'article D. 22, et les objectifs appropriés en matière de gestion des risques d'inondation visés à l'article D. 53-3, il est établi un programme d'actions sur les rivières par une approche intégrée et sectorisée pour chaque sous-bassin hydrographique wallon, dénommé ci-après " PARIS ".
Par dérogation à l'alinéa 1er, les articles D. 33/4 à D. 33/6 ne sont pas applicables aux cours d'eau non classés, à l'exception des secteurs situés dans la circonscription d'une wateringue, en zones de baignade ou dans un site Natura 2000. ".
Le Gouvernement peut interdire l'accès du bétail aux cours d'eau dans des zones déterminées lorsque celui-ci compromet l'atteinte des objectifs définis à l'article D.22, § 1er, 1°.]1
[2 Lorsqu'une terre de culture borde un cours d'eau, un couvert végétal permanent, composé de végétation ligneuse ou herbacée, est respecté sur une largeur de six mètres à partir de la crête de la berge.
L'alinéa 4 du présent article ne s'applique pas aux parcelles exploitées en culture biologique telle que définie par l'article 3, 10°, du Code wallon de l'Agriculture.]2
Par dérogation à l'alinéa 1er, les articles D. 33/4 à D. 33/6 ne sont pas applicables aux cours d'eau non classés, à l'exception des secteurs situés dans la circonscription d'une wateringue, en zones de baignade ou dans un site Natura 2000. ".
Le Gouvernement peut interdire l'accès du bétail aux cours d'eau dans des zones déterminées lorsque celui-ci compromet l'atteinte des objectifs définis à l'article D.22, § 1er, 1°.]1
[2 Lorsqu'une terre de culture borde un cours d'eau, un couvert végétal permanent, composé de végétation ligneuse ou herbacée, est respecté sur une largeur de six mètres à partir de la crête de la berge.
L'alinéa 4 du présent article ne s'applique pas aux parcelles exploitées en culture biologique telle que définie par l'article 3, 10°, du Code wallon de l'Agriculture.]2
Art. D33/4. [1 Elk PARIS voert de maatregelen met betrekking tot de hydromorfologie van de rivieren uit die zijn opgenomen in de beheersplannen van de Waalse stroomgebieden bedoeld in artikel D. 24 en in de beheersplannen van de overstromingsrisico's bedoeld in artikel D. 53-3. Het bevat op zijn minst :
1° de sectorale opdeling van de waterloop en een cartografische inventaris van elke sector;
2° de bepaling en de hiërarchisering van de uitdagingen in elke sector van de rivier: ecologisch, hydraulisch, sociaal-economisch en sociaal-cultureel;
3° de vaststelling van de beheersdoelstellingen voor elke sector, op basis van de vastgestelde uitdagingen;
4° de herinnering aan de maatregelen met betrekking tot de hydromorfologie van de waterloop opgenomen in de beheersplannen bedoeld in de artikelen D. 24 en D. 53-3;
5° een herinnering aan de doelstellingen, verbodsbepalingen en maatregelen die van toepassing zijn in de beschermde gebieden krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
6° de planning in tijd en ruimte van acties om de aan elke sector toegewezen beheersdoelstellingen te bereiken;
7° de evaluatie van de financiële middelen die moeten worden toegewezen aan de voor elke sector uit te voeren werkzaamheden.]1
1° de sectorale opdeling van de waterloop en een cartografische inventaris van elke sector;
2° de bepaling en de hiërarchisering van de uitdagingen in elke sector van de rivier: ecologisch, hydraulisch, sociaal-economisch en sociaal-cultureel;
3° de vaststelling van de beheersdoelstellingen voor elke sector, op basis van de vastgestelde uitdagingen;
4° de herinnering aan de maatregelen met betrekking tot de hydromorfologie van de waterloop opgenomen in de beheersplannen bedoeld in de artikelen D. 24 en D. 53-3;
5° een herinnering aan de doelstellingen, verbodsbepalingen en maatregelen die van toepassing zijn in de beschermde gebieden krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
6° de planning in tijd en ruimte van acties om de aan elke sector toegewezen beheersdoelstellingen te bereiken;
7° de evaluatie van de financiële middelen die moeten worden toegewezen aan de voor elke sector uit te voeren werkzaamheden.]1
Art. D33/4. [1 Chaque PARIS met en oeuvre les mesures relatives à l'hydromorphologie des rivières contenues dans les plans de gestion des bassins hydrographiques wallons visés à l'article D. 24 et dans les plans de gestion des risques d'inondation visés à l'article D. 53-3. Il comporte au minimum :
1° la sectorisation du cours d'eau et un état des lieux cartographique de chaque secteur;
2° la détermination et la hiérarchisation des enjeux de chaque secteur de la rivière : écologique, hydraulique, socio-économique et socio-culturel;
3° la fixation d'objectifs de gestion de chaque secteur, en fonction des enjeux identifiés;
4° le rappel des mesures relatives à l'hydromorphologie du cours d'eau contenues dans les plans de gestion visés aux articles D. 24 et D. 53-3;
5° le rappel des objectifs, des interdictions et des mesures applicables dans les zones protégées en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
6° la planification dans le temps et dans l'espace des actions permettant d'atteindre les objectifs de gestion assignés à chaque secteur;
7° l'évaluation des moyens financiers à affecter aux travaux à réaliser pour chaque secteur.]1
1° la sectorisation du cours d'eau et un état des lieux cartographique de chaque secteur;
2° la détermination et la hiérarchisation des enjeux de chaque secteur de la rivière : écologique, hydraulique, socio-économique et socio-culturel;
3° la fixation d'objectifs de gestion de chaque secteur, en fonction des enjeux identifiés;
4° le rappel des mesures relatives à l'hydromorphologie du cours d'eau contenues dans les plans de gestion visés aux articles D. 24 et D. 53-3;
5° le rappel des objectifs, des interdictions et des mesures applicables dans les zones protégées en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
6° la planification dans le temps et dans l'espace des actions permettant d'atteindre les objectifs de gestion assignés à chaque secteur;
7° l'évaluation des moyens financiers à affecter aux travaux à réaliser pour chaque secteur.]1
Art. D33/5. [1 § 1. Uiterlijk één jaar vóór de aanneming van de beheersplannen bedoeld in de artikelen D. 24 en D. 53-3, bepaalt de stroomgebiedsautoriteit de sectorale opdeling van de waterlopen en de cartografische inventaris van elke sector. Deze zijn beschikbaar op het Waalse geoportaal.
§ 2. Uiterlijk één jaar na de aanneming van de beheersplannen bedoeld in de artikelen D. 24 en D. 53-3 neemt de stroomgebiedsautoriteit voor elk Waals onderstroomgebied een ontwerp-PARIS aan dat is opgesteld door de beheerders van de waterwegen en onbevaarbare waterlopen, alsook door de wateringen, en dat de in artikel D. 33/4, 2° tot 7° bedoelde elementen bevat.
Dit project is onderworpen aan een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten omschreven in Boek I van het Milieuwetboek.
Terzelfdertijd worden de bevoegde diensten van de administratie geraadpleegd met het oog op de opstelling van de beheersplannen van de Waalse stroomgebieden bedoeld in artikel D. 24 en de beheersplannen van de overstromingsrisico's bedoeld in artikel D. 53-3, de bevoegde diensten binnen de gewestelijke administratie voor natuurbehoud en visserij, de gemeenten van het betrokken Waalse onderstroomgebied, AQUAWAL, de "Société publique de gestion de l'eau" (Openbare maatschappij voor waterbeheer), de betrokken "Commission de conservation" (Instandhoudingscommissie), het Comité voor Watercontrole, het Visbeheerscomité, het riviercontract, het beheerscomité bedoeld in artikel 15 van het decreet van 16 juli 1985 betreffende de natuurparken, het "Comité belge des Grands Barrages" (Belgisch Comité voor Grote Stuwdammen), de beleidsgroepen "Leefmilieu", "Landelijke Aangelegenheden" en "Ruimtelijke ordening", alsook alle personen en instanties die nuttig worden geacht om te raadplegen.
Indien zij niet binnen 45 dagen na het verzoek worden uitgebracht, wordt de procedure voortgezet.
§ 3. Uiterlijk één jaar na de aanneming van de beheersplannen bedoeld in de artikelen D. 24 en D. 53-3 neemt de stroomgebiedsautoriteit de PARIS aan. Vervolgens worden zij om de zes jaar opnieuw onderzocht en, indien nodig, bijgewerkt overeenkomstig de paragrafen 1 en 2.
De voorgeschreven bepalingen van de PARIS hebben een indicatieve waarde en de overige bepalingen van de PARIS hebben een omschrijvende waarde.
§ 4. De stroomgebiedsautoriteit dient binnen drie jaar na de aanneming van elke PARIS of de bijwerking ervan een tussentijds vorderingsverslag over de uitvoering ervan in.
§ 5. Wanneer buitengewone en dringende omstandigheden de uitvoering van acties die niet in de PARIS voorzien zijn, vereisen, om rampen te voorkomen of de gevolgen ervan te beperken, onderneemt de betrokken beheerder deze acties na voorafgaand elke andere betrokken overheidsdienst te hebben verwittigd.]1
§ 2. Uiterlijk één jaar na de aanneming van de beheersplannen bedoeld in de artikelen D. 24 en D. 53-3 neemt de stroomgebiedsautoriteit voor elk Waals onderstroomgebied een ontwerp-PARIS aan dat is opgesteld door de beheerders van de waterwegen en onbevaarbare waterlopen, alsook door de wateringen, en dat de in artikel D. 33/4, 2° tot 7° bedoelde elementen bevat.
Dit project is onderworpen aan een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten omschreven in Boek I van het Milieuwetboek.
Terzelfdertijd worden de bevoegde diensten van de administratie geraadpleegd met het oog op de opstelling van de beheersplannen van de Waalse stroomgebieden bedoeld in artikel D. 24 en de beheersplannen van de overstromingsrisico's bedoeld in artikel D. 53-3, de bevoegde diensten binnen de gewestelijke administratie voor natuurbehoud en visserij, de gemeenten van het betrokken Waalse onderstroomgebied, AQUAWAL, de "Société publique de gestion de l'eau" (Openbare maatschappij voor waterbeheer), de betrokken "Commission de conservation" (Instandhoudingscommissie), het Comité voor Watercontrole, het Visbeheerscomité, het riviercontract, het beheerscomité bedoeld in artikel 15 van het decreet van 16 juli 1985 betreffende de natuurparken, het "Comité belge des Grands Barrages" (Belgisch Comité voor Grote Stuwdammen), de beleidsgroepen "Leefmilieu", "Landelijke Aangelegenheden" en "Ruimtelijke ordening", alsook alle personen en instanties die nuttig worden geacht om te raadplegen.
Indien zij niet binnen 45 dagen na het verzoek worden uitgebracht, wordt de procedure voortgezet.
§ 3. Uiterlijk één jaar na de aanneming van de beheersplannen bedoeld in de artikelen D. 24 en D. 53-3 neemt de stroomgebiedsautoriteit de PARIS aan. Vervolgens worden zij om de zes jaar opnieuw onderzocht en, indien nodig, bijgewerkt overeenkomstig de paragrafen 1 en 2.
De voorgeschreven bepalingen van de PARIS hebben een indicatieve waarde en de overige bepalingen van de PARIS hebben een omschrijvende waarde.
§ 4. De stroomgebiedsautoriteit dient binnen drie jaar na de aanneming van elke PARIS of de bijwerking ervan een tussentijds vorderingsverslag over de uitvoering ervan in.
§ 5. Wanneer buitengewone en dringende omstandigheden de uitvoering van acties die niet in de PARIS voorzien zijn, vereisen, om rampen te voorkomen of de gevolgen ervan te beperken, onderneemt de betrokken beheerder deze acties na voorafgaand elke andere betrokken overheidsdienst te hebben verwittigd.]1
Art. D33/5. [1 § 1er. Au plus tard un an avant l'adoption des plans de gestion visés aux articles D. 24 et D. 53-3, l'autorité de bassin arrête la sectorisation des cours d'eau et l'état des lieux cartographique de chaque secteur. Ceux-ci sont disponibles sur le géoportail wallon.
§ 2. Au plus tard un an après l'adoption des plans de gestion visés aux articles D. 24 et D. 53-3, l'autorité de bassin adopte un projet de PARIS de chaque sous-bassin hydrographique wallon élaboré par les gestionnaires des voies hydrauliques et des cours d'eau non navigables, ainsi que par les wateringues, et contenant les éléments visés à l'article D. 33/4, 2° à 7°.
Ce projet est soumis à enquête publique selon les modalités définies au Livre Ier du Code de l'Environnement.
Concomitamment, sont consultés les services compétents au sein de l'administration pour élaborer les plans de gestion des bassins hydrographiques wallons visés à l'article D. 24 et les plans de gestion des risques d'inondation visés à l'article D. 53-3, les services compétents au sein de l'administration régionale en matière de conservation de la nature et de la pêche, les communes du sous-bassin hydrographique wallon concerné, AQUAWAL, la Société publique de gestion de l'eau, la commission de conservation concernée, le comité de contrôle de l'eau, le Comité de gestion piscicole, le contrat de rivière, la commission de gestion visé à l'article 15 du décret du 16 juillet 1985 relatif aux parcs naturels, le Comité belge des Grands Barrages, les pôles " Environnement ", " ruralité " et " aménagement du territoire " ainsi que toutes personnes et instances jugées utiles de consulter.
A défaut d'être rendus dans les quarante-cinq jours de la demande, la procédure est poursuivie.
§ 3. Au plus tard un an après l'adoption des plans de gestion visés aux articles D. 24 et D. 53-3, l'autorité de bassin adopte les PARIS. Elle procède par la suite tous les six ans à leur réexamen, et le cas échéant à leur mise à jour, conformément aux paragraphes 1er et 2.
Les dispositions prescriptives des PARIS ont valeur indicative, et les autres dispositions des PARIS ont valeur descriptive.
§ 4. L'autorité de bassin présente, dans les trois ans à compter de l'adoption de chaque PARIS ou de la mise à jour de celui-ci, un rapport intermédiaire d'avancement de sa mise en oeuvre.
§ 5. Lorsque des circonstances extraordinaires et urgentes nécessitent la mise en oeuvre d'actions non prévues dans le PARIS, pour prévenir des désastres ou en diminuer les effets, le gestionnaire concerné les entreprend après avoir averti préalablement tout autre service public concerné.]1
§ 2. Au plus tard un an après l'adoption des plans de gestion visés aux articles D. 24 et D. 53-3, l'autorité de bassin adopte un projet de PARIS de chaque sous-bassin hydrographique wallon élaboré par les gestionnaires des voies hydrauliques et des cours d'eau non navigables, ainsi que par les wateringues, et contenant les éléments visés à l'article D. 33/4, 2° à 7°.
Ce projet est soumis à enquête publique selon les modalités définies au Livre Ier du Code de l'Environnement.
Concomitamment, sont consultés les services compétents au sein de l'administration pour élaborer les plans de gestion des bassins hydrographiques wallons visés à l'article D. 24 et les plans de gestion des risques d'inondation visés à l'article D. 53-3, les services compétents au sein de l'administration régionale en matière de conservation de la nature et de la pêche, les communes du sous-bassin hydrographique wallon concerné, AQUAWAL, la Société publique de gestion de l'eau, la commission de conservation concernée, le comité de contrôle de l'eau, le Comité de gestion piscicole, le contrat de rivière, la commission de gestion visé à l'article 15 du décret du 16 juillet 1985 relatif aux parcs naturels, le Comité belge des Grands Barrages, les pôles " Environnement ", " ruralité " et " aménagement du territoire " ainsi que toutes personnes et instances jugées utiles de consulter.
A défaut d'être rendus dans les quarante-cinq jours de la demande, la procédure est poursuivie.
§ 3. Au plus tard un an après l'adoption des plans de gestion visés aux articles D. 24 et D. 53-3, l'autorité de bassin adopte les PARIS. Elle procède par la suite tous les six ans à leur réexamen, et le cas échéant à leur mise à jour, conformément aux paragraphes 1er et 2.
Les dispositions prescriptives des PARIS ont valeur indicative, et les autres dispositions des PARIS ont valeur descriptive.
§ 4. L'autorité de bassin présente, dans les trois ans à compter de l'adoption de chaque PARIS ou de la mise à jour de celui-ci, un rapport intermédiaire d'avancement de sa mise en oeuvre.
§ 5. Lorsque des circonstances extraordinaires et urgentes nécessitent la mise en oeuvre d'actions non prévues dans le PARIS, pour prévenir des désastres ou en diminuer les effets, le gestionnaire concerné les entreprend après avoir averti préalablement tout autre service public concerné.]1
Art. D33/6. [1 Tegelijk met de vaststelling van het PARIS-project stelt de stroomgebiedsautoriteit het in artikel D. 56 van Boek 1 van dit Wetboek bedoelde milieueffectrapport op.
Wanneer de informatie vereist in artikel D.56 van datzelfde Boek 1 voldoende wordt verstrekt in het beheersplan van het stroomgebied, het maatregelenprogramma of het plan voor het beheer van de overstromingsrisico's, kan het milieueffectrapport in dit verband worden beperkt tot een specifieke verwijzing naar dit project.]1
Wanneer de informatie vereist in artikel D.56 van datzelfde Boek 1 voldoende wordt verstrekt in het beheersplan van het stroomgebied, het maatregelenprogramma of het plan voor het beheer van de overstromingsrisico's, kan het milieueffectrapport in dit verband worden beperkt tot een specifieke verwijzing naar dit project.]1
Art. D33/6. [1 En même temps qu'elle arrête le projet de PARIS, l'autorité de bassin rédige le rapport sur les incidences environnementales visé à l'article D. 56 du Livre 1er du présent Code.
Lorsque l'information exigée à l'article D. 56 du même Livre 1er est donnée de manière suffisante dans le plan de gestion du bassin hydrographique, le programme de mesures ou le plan de gestion des risques d'inondation, le rapport sur les incidences environnementales peut être limité sur ce point à une référence précise à ce projet.]1
Lorsque l'information exigée à l'article D. 56 du même Livre 1er est donnée de manière suffisante dans le plan de gestion du bassin hydrographique, le programme de mesures ou le plan de gestion des risques d'inondation, le rapport sur les incidences environnementales peut être limité sur ce point à une référence précise à ce projet.]1
Afdeling 4. [1 Het vrij rondzwemmen van de vissen]1
Section 4. [1 Libre circulation des poissons]1
Art. D33/7. [1 De Regering stelt een lijst op van de vissoorten waarvan het vrij rondzwemmen in het Waalse Gewest is gewaarborgd overeenkomstig de artikelen D. 33/8 tot en met D. 33/11.]1
Art. D33/7. [1 Le Gouvernement fixe la liste des espèces piscicoles dont la libre circulation est assurée en Région wallonne conformément aux articles D. 33/8 à D. 33/11.]1
Art. D33/8. [1 In elk Waals stroomgebied stelt de stroomgebiedsautoriteit een inventaris op van de bestaande hindernissen voor de volledige bewegingsvrijheid van de vissen, waarbij elk van deze hindernissen als zodanig wordt gekwalificeerd :
1° klein;
2° belangrijk;
3° aanzienlijk;
4° onoverkomelijk.
De inventaris wordt uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding van dit artikel opgesteld, wordt ten minste een keer om de zes jaar opnieuw onderzocht en wordt, indien nodig, door de stroomgebiedsautoriteit bijgewerkt. Deze inventaris is beschikbaar op het Waalse geoportaal.]1
1° klein;
2° belangrijk;
3° aanzienlijk;
4° onoverkomelijk.
De inventaris wordt uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding van dit artikel opgesteld, wordt ten minste een keer om de zes jaar opnieuw onderzocht en wordt, indien nodig, door de stroomgebiedsautoriteit bijgewerkt. Deze inventaris is beschikbaar op het Waalse geoportaal.]1
Art. D33/8. [1 Dans chaque bassin hydrographique wallon, l'autorité de bassin dresse un inventaire des obstacles existants à la libre circulation des poissons, en qualifiant chacun d'eux de :
1° mineur;
2° important;
3° majeur;
4° infranchissable.
L'inventaire est établi au plus tard un an après l'entrée en vigueur du présent article, est réexaminé au moins une fois tous les six ans et est, le cas échéant, actualisé par l'autorité de bassin. Cet inventaire est disponible sur le géoportail wallon.]1
1° mineur;
2° important;
3° majeur;
4° infranchissable.
L'inventaire est établi au plus tard un an après l'entrée en vigueur du présent article, est réexaminé au moins une fois tous les six ans et est, le cas échéant, actualisé par l'autorité de bassin. Cet inventaire est disponible sur le géoportail wallon.]1
Art. D33/9. [1 De stroomgebiedsautoriteit stelt, na het advies te hebben ingewonnen van de beheerders van de betrokken waterlopen en het Departement Natuur en Bossen van het Operationeel Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, een strategische prioriteitenkaart op met de prioritaire waterlopen voor het herstel van het vrij rondzwemmen van de vissen van de verschillende soorten bedoeld in artikel D. 33/7.
De strategische prioriteitenkaart wordt uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding van dit artikel opgesteld, wordt ten minste een keer om de zes jaar opnieuw onderzocht en wordt, indien nodig, door de stroomgebiedsautoriteit bijgewerkt. Deze kaart is beschikbaar op het Waalse geoportaal.]1
De strategische prioriteitenkaart wordt uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding van dit artikel opgesteld, wordt ten minste een keer om de zes jaar opnieuw onderzocht en wordt, indien nodig, door de stroomgebiedsautoriteit bijgewerkt. Deze kaart is beschikbaar op het Waalse geoportaal.]1
Art. D33/9. [1 L'autorité de bassin établit une carte stratégique des priorités reprenant la liste des cours d'eau prioritaires pour le rétablissement de la libre circulation des poissons des différentes espèces visées à l'article D. 33/7, après avoir recueilli l'avis des gestionnaires des cours d'eau concernés et du Département de la nature et des forêts de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement.
La carte stratégique des priorités est établie au plus tard un an après l'entrée en vigueur du présent article, est réexaminée au moins une fois tous les six ans et est, le cas échéant, actualisée par l'autorité de bassin. Cette carte est disponible sur le géoportail wallon.]1
La carte stratégique des priorités est établie au plus tard un an après l'entrée en vigueur du présent article, est réexaminée au moins une fois tous les six ans et est, le cas échéant, actualisée par l'autorité de bassin. Cette carte est disponible sur le géoportail wallon.]1
Art. D33/10. [1 Het is verboden nieuwe hindernissen te creëren in de zomerbedding van een waterloop zonder een oplossing te bieden die de volledige bewegingsvrijheid van de soorten bedoeld in artikel D. 33/7 garandeert.
Bestaande hindernissen die als aanzienlijk of onoverkomelijk zijn aangemerkt in de zin van artikel D. 33/8 en die zich bevinden in de zomerbedding van een waterloop die is opgenomen op de strategische prioriteitenkaart bedoeld in artikel D. 33/9, maken het voorwerp uit van inrichtingswerken of, bij gebreke daarvan, worden verwijderd overeenkomstig artikel 8 van het besluit van 19 maart 2009 betreffende de instandhouding van het gewestelijke openbaar wegen- en waterwegendomein, artikel D. 41/2 of artikel D. 45.
In afwijking van lid 2 vallen de bestaande grote stuwdammen die zijn opgenomen in het register van het "Comité international des grands barrages"(Internationaal Comité voor grote dammen) en nog steeds in bedrijf zijn, niet onder deze paragraaf.]1
Bestaande hindernissen die als aanzienlijk of onoverkomelijk zijn aangemerkt in de zin van artikel D. 33/8 en die zich bevinden in de zomerbedding van een waterloop die is opgenomen op de strategische prioriteitenkaart bedoeld in artikel D. 33/9, maken het voorwerp uit van inrichtingswerken of, bij gebreke daarvan, worden verwijderd overeenkomstig artikel 8 van het besluit van 19 maart 2009 betreffende de instandhouding van het gewestelijke openbaar wegen- en waterwegendomein, artikel D. 41/2 of artikel D. 45.
In afwijking van lid 2 vallen de bestaande grote stuwdammen die zijn opgenomen in het register van het "Comité international des grands barrages"(Internationaal Comité voor grote dammen) en nog steeds in bedrijf zijn, niet onder deze paragraaf.]1
Art. D33/10. [1 Il est interdit de créer tout nouvel obstacle dans le lit mineur d'un cours d'eau sans prévoir une solution garantissant la libre circulation des espèces visées à l'article D. 33/7.
Les obstacles existants caractérisés comme étant majeurs ou infranchissables en vertu de l'article D. 33/8 et situés dans le lit mineur d'un cours d'eau figurant sur la carte stratégique des priorités visée à l'article D. 33/9, font l'objet de travaux d'aménagement ou à défaut sont supprimés conformément à l'article 8 du décret du 19 mars 2009 relatif à la conservation du domaine public régional routier et des voies hydrauliques, à l'article D. 41/2 ou à l'article D. 45.
Par dérogation à l'alinéa 2, les grands barrages-réservoirs existants, repris dans le registre du Comité international des grands barrages, et encore en activité, ne sont pas concernés par le présent paragraphe.]1
Les obstacles existants caractérisés comme étant majeurs ou infranchissables en vertu de l'article D. 33/8 et situés dans le lit mineur d'un cours d'eau figurant sur la carte stratégique des priorités visée à l'article D. 33/9, font l'objet de travaux d'aménagement ou à défaut sont supprimés conformément à l'article 8 du décret du 19 mars 2009 relatif à la conservation du domaine public régional routier et des voies hydrauliques, à l'article D. 41/2 ou à l'article D. 45.
Par dérogation à l'alinéa 2, les grands barrages-réservoirs existants, repris dans le registre du Comité international des grands barrages, et encore en activité, ne sont pas concernés par le présent paragraphe.]1
Art. D33/11. [1 De afgifte van een vergunning voor de bouw van een hindernis in de zomerbedding van een waterweg, een onbevaarbare waterloop of een ongeklasseerde waterloop is afhankelijk van de naleving van een gereserveerd debiet dat voldoende is om het vrij rondzwemmen van de vissen alsook de installatie, in voorkomend geval, van voorzieningen die de toegang van de soorten bedoeld in artikel D 33/7 tot de in- en uitlaatkanalen verhinderen. Het gereserveerd debiet wordt bepaald door rekening te houden met het betrokken visgebied, de vestiging van de hindernis en het hydraulische regime van de waterloop.]1
Art. D33/11. [1 La délivrance d'une autorisation relative à un obstacle à construire dans le lit mineur d'une voie hydraulique, d'un cours d'eau non navigable ou d'un cours d'eau non classé, est conditionnée par le respect d'un débit réservé suffisant pour assurer la libre circulation des poissons ainsi que l'installation, le cas échéant, de dispositifs empêchant la pénétration des espèces visées à l'article D. 33/7 dans les canaux d'amenée et de fuite. Le débit réservé est fixé en prenant en considération la zone piscicole concernée, l'implantation de l'obstacle et le régime hydraulique du cours d'eau.]1
Art. D33/12. [1 Onverminderd de toepassing van andere dwang- of veiligheidsmaatregelen nemen zij, indien een gevaar de bescherming of het geïntegreerde, evenwichtige en duurzame beheer van waterlopen ernstig in gevaar brengt en indien de gebruiker of exploitant weigert de bevelen van de beheerders aangewezen overeenkomstig artikel D. 35 op te volgen, alle passende maatregelen om een einde te maken aan dat gevaar, en met name :
1° bevel geven tot de volledige of gedeeltelijke opheffing van het gebruik of de exploitatie;
2° de bouwwerken verzegelen en, desnoods, overgaan tot de onmiddellijke tijdelijke sluiting van de inrichting.
De beheerder deelt zijn beslissing mee door afgifte tegen ontvangstbewijs of per aangetekende brief met bericht van ontvangst.
De gebruiker of de exploitant tegen wie de maatregel is genomen en andere belanghebbenden kunnen bij aangetekend schrijven aan de beheerder die de maatregel heeft genomen, om opheffing of wijziging van de maatregel verzoeken. De aanvraag is niet opschortend.
De aanvraag wordt geacht te zijn geweigerd indien de beheerder niet binnen een maand te rekenen van de dag van ontvangst van de aanvraag een beslissing heeft genomen.]1
1° bevel geven tot de volledige of gedeeltelijke opheffing van het gebruik of de exploitatie;
2° de bouwwerken verzegelen en, desnoods, overgaan tot de onmiddellijke tijdelijke sluiting van de inrichting.
De beheerder deelt zijn beslissing mee door afgifte tegen ontvangstbewijs of per aangetekende brief met bericht van ontvangst.
De gebruiker of de exploitant tegen wie de maatregel is genomen en andere belanghebbenden kunnen bij aangetekend schrijven aan de beheerder die de maatregel heeft genomen, om opheffing of wijziging van de maatregel verzoeken. De aanvraag is niet opschortend.
De aanvraag wordt geacht te zijn geweigerd indien de beheerder niet binnen een maand te rekenen van de dag van ontvangst van de aanvraag een beslissing heeft genomen.]1
Art. D33/12. [1 Sans préjudice de l'application d'autres mesures de contrainte ou de sécurité, si un danger met gravement en péril la protection ou la gestion intégrée, équilibrée et durable des cours d'eau, et si l'utilisateur ou l'exploitant refuse d'obtempérer aux injonctions des gestionnaires désignés en vertu de l'article D. 35, ceux-ci prennent toute mesure utile pour faire cesser ce danger, et notamment :
1° ordonner la cessation totale ou partielle de l'utilisation ou de l'exploitation;
2° mettre les ouvrages sous scellés et, au besoin, procéder à la fermeture provisoire immédiate de l'établissement.
Le gestionnaire communique sa décision soit par remise contre récépissé, soit par envoi recommandé avec accusé de réception.
L'utilisateur ou l'exploitant à l'encontre de qui la mesure a été prise et les autres personnes intéressées peuvent demander la levée ou la modification de cette mesure, par lettre recommandée au gestionnaire qui a pris la mesure. La demande n'est pas suspensive.
La demande est censée être refusée si le gestionnaire n'a pas statué dans un délai d'un mois à dater du jour de la réception de la demande.]1
1° ordonner la cessation totale ou partielle de l'utilisation ou de l'exploitation;
2° mettre les ouvrages sous scellés et, au besoin, procéder à la fermeture provisoire immédiate de l'établissement.
Le gestionnaire communique sa décision soit par remise contre récépissé, soit par envoi recommandé avec accusé de réception.
L'utilisateur ou l'exploitant à l'encontre de qui la mesure a été prise et les autres personnes intéressées peuvent demander la levée ou la modification de cette mesure, par lettre recommandée au gestionnaire qui a pris la mesure. La demande n'est pas suspensive.
La demande est censée être refusée si le gestionnaire n'a pas statué dans un délai d'un mois à dater du jour de la réception de la demande.]1
HOOFDSTUK II. - Onbevaarbare waterlopen.
CHAPITRE II. - Cours d'eau non navigables.
Afdeling 1. - Bepaling van de onbevaarbare waterlopen.
Section 1re. - Détermination des cours d'eau non navigables.
Art. D34. [1 De zomerbedding van een onbevaarbare waterloop wordt verondersteld toe te behoren aan de beheerder aangewezen krachtens artikel D. 35, en valt onder het publieke domein.
Gedurende zes maanden, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving die hen wordt overgemaakt door de beheerder van de niet-bevaarbare waterloop, kan elke omwonende van de zomerbedding waarvan het tracé kunstmatig is gewijzigd, toestemming krijgen om in volle eigendom over de vrijgekomen grond te beschikken, door zich ertoe te verbinden, naar schatting van deskundigen, de eigendom of de toegevoegde waarde ervan te betalen.]1
Gedurende zes maanden, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving die hen wordt overgemaakt door de beheerder van de niet-bevaarbare waterloop, kan elke omwonende van de zomerbedding waarvan het tracé kunstmatig is gewijzigd, toestemming krijgen om in volle eigendom over de vrijgekomen grond te beschikken, door zich ertoe te verbinden, naar schatting van deskundigen, de eigendom of de toegevoegde waarde ervan te betalen.]1
Art. D34. [1 Le lit mineur d'un cours d'eau non navigable est présumé appartenir au gestionnaire désigné en vertu de l'article D. 35, et relève du domaine public.
Pendant six mois à dater de la notification qui leur est transmise par le gestionnaire du cours d'eau non navigable, tout riverain du lit mineur dont le tracé a été artificiellement modifié a la faculté de se faire autoriser à disposer en pleine propriété du terrain devenu libre, en s'engageant à en payer, à dire d'experts, soit la propriété, soit la plus-value.]1
Pendant six mois à dater de la notification qui leur est transmise par le gestionnaire du cours d'eau non navigable, tout riverain du lit mineur dont le tracé a été artificiellement modifié a la faculté de se faire autoriser à disposer en pleine propriété du terrain devenu libre, en s'engageant à en payer, à dire d'experts, soit la propriété, soit la plus-value.]1
Wijzigingen
Art. D35. [1 De onbevaarbare waterlopen zijn ingedeeld in drie categorieën :
1° eerste categorie: de delen van de onbevaarbare waterlopen stroomafwaarts van het punt waar hun stroomgebied ten minste vijfduizend hectare beslaat;
2° tweede categorie: delen van de onbevaarbare waterlopen die niet in de eerste of derde categorie zijn ingedeeld;
3° derde categorie: de onbevaarbare waterlopen of delen daarvan, stroomafwaarts van hun oorsprong, zolang zij de gemeentegrens niet hebben bereikt, vóór de fusie van de gemeenten in de zin van de wet van 30 december 1975 houdende bekrachtiging van koninklijke besluiten genomen in uitvoering van de wet van 23 juli 1971 betreffende de samenvoeging van gemeenten en de wijziging van hun grenzen en houdende afschaffing van de randfederaties opgericht door de wet van 26 juli 1971 houdende organisatie van de agglomeraties en de federaties van gemeenten, en waar die oorsprong is gelegen.
De directeur-generaal van het Operationeel Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, zijn afgevaardigde(n), wordt aangewezen als beheerder van de onbevaarbare waterlopen van eerste categorie.
De provincie, vertegenwoordigd door haar Provinciecollege, afgevaardigde(n), wordt aangewezen als beheerder van de onbevaarbare waterlopen van tweede categorie.
De gemeente, vertegenwoordigd door haar gemeentecollege, wordt aangewezen als beheerder van de onbevaarbare waterlopen van derde categorie.]1
1° eerste categorie: de delen van de onbevaarbare waterlopen stroomafwaarts van het punt waar hun stroomgebied ten minste vijfduizend hectare beslaat;
2° tweede categorie: delen van de onbevaarbare waterlopen die niet in de eerste of derde categorie zijn ingedeeld;
3° derde categorie: de onbevaarbare waterlopen of delen daarvan, stroomafwaarts van hun oorsprong, zolang zij de gemeentegrens niet hebben bereikt, vóór de fusie van de gemeenten in de zin van de wet van 30 december 1975 houdende bekrachtiging van koninklijke besluiten genomen in uitvoering van de wet van 23 juli 1971 betreffende de samenvoeging van gemeenten en de wijziging van hun grenzen en houdende afschaffing van de randfederaties opgericht door de wet van 26 juli 1971 houdende organisatie van de agglomeraties en de federaties van gemeenten, en waar die oorsprong is gelegen.
De directeur-generaal van het Operationeel Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, zijn afgevaardigde(n), wordt aangewezen als beheerder van de onbevaarbare waterlopen van eerste categorie.
De provincie, vertegenwoordigd door haar Provinciecollege, afgevaardigde(n), wordt aangewezen als beheerder van de onbevaarbare waterlopen van tweede categorie.
De gemeente, vertegenwoordigd door haar gemeentecollege, wordt aangewezen als beheerder van de onbevaarbare waterlopen van derde categorie.]1
Art. D35. [1 Les cours d'eau non navigables sont répartis en trois catégories :
1° première catégorie : les parties des cours d'eau non navigables, en aval du point où leur bassin hydrographique atteint au moins cinq mille hectares;
2° deuxième catégorie : les parties de cours d'eau non navigables qui ne sont classés ni en première ni en troisième catégorie;
3° troisième catégorie : les cours d'eau non navigables ou parties de ceux-ci, en aval de leur origine, tant qu'ils n'ont pas atteint la limite de la commune, avant la fusion des communes au sens de la loi du 30 décembre 1975 portant ratification d'arrêtés royaux pris en exécution de la loi du 23 juillet 1971 concernant la fusion des communes et la modification de leurs limites et portant suppression des fédérations périphériques créées par la loi du 26 juillet 1971 organisant les agglomérations et les fédérations de communes, et où est située cette origine.
Le Directeur général de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, son ou ses délégués, est désigné comme gestionnaire des cours d'eau non navigables de première catégorie.
La province, représentée par son Collège provincial, son ou ses délégués, est désignée comme gestionnaire des cours d'eau non navigables de deuxième catégorie.
La commune, représentée par son Collège communal, est désignée comme gestionnaire des cours d'eau non navigables de troisième catégorie.]1
1° première catégorie : les parties des cours d'eau non navigables, en aval du point où leur bassin hydrographique atteint au moins cinq mille hectares;
2° deuxième catégorie : les parties de cours d'eau non navigables qui ne sont classés ni en première ni en troisième catégorie;
3° troisième catégorie : les cours d'eau non navigables ou parties de ceux-ci, en aval de leur origine, tant qu'ils n'ont pas atteint la limite de la commune, avant la fusion des communes au sens de la loi du 30 décembre 1975 portant ratification d'arrêtés royaux pris en exécution de la loi du 23 juillet 1971 concernant la fusion des communes et la modification de leurs limites et portant suppression des fédérations périphériques créées par la loi du 26 juillet 1971 organisant les agglomérations et les fédérations de communes, et où est située cette origine.
Le Directeur général de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, son ou ses délégués, est désigné comme gestionnaire des cours d'eau non navigables de première catégorie.
La province, représentée par son Collège provincial, son ou ses délégués, est désignée comme gestionnaire des cours d'eau non navigables de deuxième catégorie.
La commune, représentée par son Collège communal, est désignée comme gestionnaire des cours d'eau non navigables de troisième catégorie.]1
Wijzigingen
Art. D35/1. [1 De Regering bepaalt :
1° de oorsprong van de waterloop die overeenkomt met het punt waar de oppervlakte van al het land waarvan de waterafvoer door de waterloop wordt verzorgd minstens honderd hectare bedraagt;
2° de punten van waaruit waterlopen in eerste en tweede categorie worden ingedeeld.]1
1° de oorsprong van de waterloop die overeenkomt met het punt waar de oppervlakte van al het land waarvan de waterafvoer door de waterloop wordt verzorgd minstens honderd hectare bedraagt;
2° de punten van waaruit waterlopen in eerste en tweede categorie worden ingedeeld.]1
Art. D35/1. [1 Le Gouvernement détermine :
1° l'origine du cours d'eau, correspondant au point où la superficie de l'ensemble des terres dont l'évacuation des eaux est assurée par le cours d'eau atteint au moins cent hectares;
2° les points à partir desquels les cours d'eau sont classés en première et en deuxième catégories.]1
1° l'origine du cours d'eau, correspondant au point où la superficie de l'ensemble des terres dont l'évacuation des eaux est assurée par le cours d'eau atteint au moins cent hectares;
2° les points à partir desquels les cours d'eau sont classés en première et en deuxième catégories.]1
Art. D35/2. [1 Vanwege een duidelijk ecologisch, hydraulisch, sociaal-economisch of sociaal-cultureel belang kan de Regering het volgende doen :
1° een waterloop of een deel van een waterloop waarvan de oppervlakte van al het land waarvan de waterafvoer door de waterloop wordt verzorgd, geen honderd hectare omvat, als onbevaarbare waterloop indelen, en de categorie ervan bepalen;
2° onbevaarbare waterlopen of delen daarvan van de derde of tweede categorie naar een hogere categorie overbrengen, of onbevaarbare waterlopen van de eerste of tweede categorie naar een lagere categorie overbrengen;
3° onbevaarbare waterlopen of delen daarvan, ongeacht de categorie waartoe zij behoren, in een lagere klasse indelen.
De Regering wint eerst het advies in van de beheerder(s) van de betrokken onbevaarbare waterlopen.]1
1° een waterloop of een deel van een waterloop waarvan de oppervlakte van al het land waarvan de waterafvoer door de waterloop wordt verzorgd, geen honderd hectare omvat, als onbevaarbare waterloop indelen, en de categorie ervan bepalen;
2° onbevaarbare waterlopen of delen daarvan van de derde of tweede categorie naar een hogere categorie overbrengen, of onbevaarbare waterlopen van de eerste of tweede categorie naar een lagere categorie overbrengen;
3° onbevaarbare waterlopen of delen daarvan, ongeacht de categorie waartoe zij behoren, in een lagere klasse indelen.
De Regering wint eerst het advies in van de beheerder(s) van de betrokken onbevaarbare waterlopen.]1
Art. D35/2. [1 En raison d'un intérêt écologique, hydraulique, socio-économique ou socio-culturel manifeste, le Gouvernement peut :
1° classer parmi les cours d'eau non navigables tout cours d'eau ou partie de cours d'eau dont la superficie de l'ensemble des terres dont l'évacuation des eaux est assurée par le cours d'eau n'atteint pas cent hectares, et en déterminer la catégorie;
2° transférer des cours d'eau non navigables ou parties de ceux-ci de la troisième ou de la deuxième catégorie à une catégorie supérieure, ou bien transférer des cours d'eau non navigables de la première ou de la deuxième catégorie à une catégorie inférieure;
3° déclasser des cours d'eau non navigables ou parties de ceux-ci, quelle que soit leur catégorie.
Le Gouvernement recueille au préalable l'avis du ou des gestionnaires des cours d'eau non navigables concernés.]1
1° classer parmi les cours d'eau non navigables tout cours d'eau ou partie de cours d'eau dont la superficie de l'ensemble des terres dont l'évacuation des eaux est assurée par le cours d'eau n'atteint pas cent hectares, et en déterminer la catégorie;
2° transférer des cours d'eau non navigables ou parties de ceux-ci de la troisième ou de la deuxième catégorie à une catégorie supérieure, ou bien transférer des cours d'eau non navigables de la première ou de la deuxième catégorie à une catégorie inférieure;
3° déclasser des cours d'eau non navigables ou parties de ceux-ci, quelle que soit leur catégorie.
Le Gouvernement recueille au préalable l'avis du ou des gestionnaires des cours d'eau non navigables concernés.]1
Afdeling 1/1. [1 Atlas van de onbevaarbare waterlopen]1
Section1/1. [1 Atlas des cours d'eau non navigables]1
Art. D36. [1 Voor elk Waals onderstroomgebied stelt de dienst die binnen de Waalse gewestelijke administratie bevoegd is voor de onbevaarbare waterlopen een atlas van onbevaarbare waterlopen op en houdt deze bij, met minimaal de volgende elementen :
1° de afwateringsassen van onbevaarbare waterlopen;
2° de punten van oorsprong bedoeld in artikel D. 35/1;
3° de punten voor de indeling van onbevaarbare waterlopen in de eerste categorie, alsook tussen de onbevaarbare waterlopen van tweede en derde categorie;
4° de punten van vijfduizend hectare bedoeld in artikel D.35;
5° de benaming van de onbevaarbare waterlopen en hun categorie;
6° de handelingen, werken en kunstwerken die overeenkomstig de artikelen D. 37, D. 40, D. 133 en D. 133/1 zijn toegestaan of aangegeven vanaf de inwerkingtreding van deze bepaling.
De opstelling van de atlas wordt uitgevoerd met de hulp van de beheerders van de waterlopen van tweede en derde categorie. De Regering kan de lijst met gedetailleerde informatie in de atlas nader bepalen of aanvullen.]1
1° de afwateringsassen van onbevaarbare waterlopen;
2° de punten van oorsprong bedoeld in artikel D. 35/1;
3° de punten voor de indeling van onbevaarbare waterlopen in de eerste categorie, alsook tussen de onbevaarbare waterlopen van tweede en derde categorie;
4° de punten van vijfduizend hectare bedoeld in artikel D.35;
5° de benaming van de onbevaarbare waterlopen en hun categorie;
6° de handelingen, werken en kunstwerken die overeenkomstig de artikelen D. 37, D. 40, D. 133 en D. 133/1 zijn toegestaan of aangegeven vanaf de inwerkingtreding van deze bepaling.
De opstelling van de atlas wordt uitgevoerd met de hulp van de beheerders van de waterlopen van tweede en derde categorie. De Regering kan de lijst met gedetailleerde informatie in de atlas nader bepalen of aanvullen.]1
Art. D36. [1 Pour chaque sous-bassin hydrographique wallon, le service compétent en matière de cours d'eau non navigables au sein de l'administration régionale wallonne établit et tient à jour un atlas des cours d'eau non navigables, comprenant au minimum :
1° les axes d'écoulement des cours d'eau non navigables;
2° les points d'origine visés à l'article D. 35/1;
3° les points de classement des cours d'eau non navigables en première catégorie, ainsi qu'entre cours d'eau non navigables de deuxième et de troisième catégories;
4° les points de cinq mille hectares visés à l'article D. 35;
5° la dénomination des cours d'eau non navigables et leur catégorie;
6° les actes, travaux et ouvrages autorisés ou déclarés en vertu des articles D. 37, D. 40, D. 133 et D. 133/1 à partir de l'entrée en vigueur de la présente disposition.
L'établissement de l'atlas est réalisé avec le concours des gestionnaires des cours d'eau de deuxième et de troisième catégories. Le Gouvernement peut préciser ou compléter la liste des informations détaillées contenues à l'atlas.]1
1° les axes d'écoulement des cours d'eau non navigables;
2° les points d'origine visés à l'article D. 35/1;
3° les points de classement des cours d'eau non navigables en première catégorie, ainsi qu'entre cours d'eau non navigables de deuxième et de troisième catégories;
4° les points de cinq mille hectares visés à l'article D. 35;
5° la dénomination des cours d'eau non navigables et leur catégorie;
6° les actes, travaux et ouvrages autorisés ou déclarés en vertu des articles D. 37, D. 40, D. 133 et D. 133/1 à partir de l'entrée en vigueur de la présente disposition.
L'établissement de l'atlas est réalisé avec le concours des gestionnaires des cours d'eau de deuxième et de troisième catégories. Le Gouvernement peut préciser ou compléter la liste des informations détaillées contenues à l'atlas.]1
Wijzigingen
Art. D36/1. [1 Elke beheerder van onbevaarbare waterlopen stelt de overheid die verantwoordelijk is voor de atlas onverwijld alle informatie ter beschikking waarover hij beschikt en die nuttig is voor de bijwerking ervan, en in ieder geval het proces-verbaal van gelijkvormigheid van de werken bedoeld in artikel D. 41/1.
Voor de handelingen en werken die zijn toegestaan of aangegeven in de zomerbedding van onbevaarbare waterlopen, in de gebieden met een overstromingsrisico of op minder dan zes meter van de top van de oever, maken de bevoegde overheden aan de overheid verantwoordelijk voor de atlas een kopie over van de milieuvergunning, de stedenbouwkundige vergunning, de bebouwingsvergunning, de globale vergunning, de geïntegreerde vergunning of de milieuverklaring, met inbegrip van de bijgevoegde plannen en documenten.
Op verzoek van de voor de atlas verantwoordelijke overheid en onverminderd de vertrouwelijkheid van persoonsgegevens of commerciële of industriële informatie, verstrekken de administraties van het Waalse Gewest, de provincies en de gemeenten alle inlichtingen waarover zij beschikken, en delen zij alle administratieve en gerechtelijke beslissingen en alle andere informatie waarover zij beschikken mee waardoor de atlas kan worden bijgesteld en bijgewerkt.]1
Voor de handelingen en werken die zijn toegestaan of aangegeven in de zomerbedding van onbevaarbare waterlopen, in de gebieden met een overstromingsrisico of op minder dan zes meter van de top van de oever, maken de bevoegde overheden aan de overheid verantwoordelijk voor de atlas een kopie over van de milieuvergunning, de stedenbouwkundige vergunning, de bebouwingsvergunning, de globale vergunning, de geïntegreerde vergunning of de milieuverklaring, met inbegrip van de bijgevoegde plannen en documenten.
Op verzoek van de voor de atlas verantwoordelijke overheid en onverminderd de vertrouwelijkheid van persoonsgegevens of commerciële of industriële informatie, verstrekken de administraties van het Waalse Gewest, de provincies en de gemeenten alle inlichtingen waarover zij beschikken, en delen zij alle administratieve en gerechtelijke beslissingen en alle andere informatie waarover zij beschikken mee waardoor de atlas kan worden bijgesteld en bijgewerkt.]1
Art. D36/1. [1 Tout gestionnaire de cours d'eau non navigables met sans délai à disposition de l'autorité en charge de l'atlas tous les renseignements en sa possession qui sont utiles à la mise à jour de celui-ci, et en tout cas le procès-verbal de conformité des travaux visé à l'article D. 41/1.
En ce qui concerne les actes et travaux autorisés ou déclarés dans le lit mineur des cours d'eau non navigables, en zones soumises à l'aléa d'inondation ou à moins de six mètres de la crête de berge, les autorités compétentes transmettent à l'autorité en charge de l'atlas une copie du permis d'environnement, du permis d'urbanisme, du permis d'urbanisation, du permis unique, du permis intégré ou de la déclaration environnementale, y compris les plans et documents y annexés.
Sur demande de l'autorité en charge de l'atlas, et sans préjudice de la confidentialité des données à caractère personnel ou des informations commerciales ou industrielles, les administrations de la Région wallonne, des provinces et des communes fournissent tous renseignements en leur possession, et communiquent les décisions administratives et judiciaires et toute autre information en leur possession susceptibles de permettre l'élaboration et la mise à jour de l'atlas.]1
En ce qui concerne les actes et travaux autorisés ou déclarés dans le lit mineur des cours d'eau non navigables, en zones soumises à l'aléa d'inondation ou à moins de six mètres de la crête de berge, les autorités compétentes transmettent à l'autorité en charge de l'atlas une copie du permis d'environnement, du permis d'urbanisme, du permis d'urbanisation, du permis unique, du permis intégré ou de la déclaration environnementale, y compris les plans et documents y annexés.
Sur demande de l'autorité en charge de l'atlas, et sans préjudice de la confidentialité des données à caractère personnel ou des informations commerciales ou industrielles, les administrations de la Région wallonne, des provinces et des communes fournissent tous renseignements en leur possession, et communiquent les décisions administratives et judiciaires et toute autre information en leur possession susceptibles de permettre l'élaboration et la mise à jour de l'atlas.]1
Art. D36/2. [1 De atlas van onbevaarbare waterlopen bedoeld in artikel D. 36 is beschikbaar op het Waalse geoportaal.]1
Art. D36/2. [1 L'atlas des cours d'eau non navigables visé à l'article D. 36 est disponible sur le géoportail wallon.]1
Afdeling 2. - Onderhoudswerken en kleine herstellingen.
Section 2. - Travaux d'entretien et de petite réparation.
Art. D37. [1 § 1. Onderhouds- en kleine herstelwerken zijn werken die zich op regelmatige tijdstippen herhalen om de hydraulische, ecologische, sociaal-economische en sociaal-culturele doelstellingen toegewezen aan de onbevaarbare waterlopen te waarborgen, en met name :
1° het schoonmaken van onbevaarbare waterlopen, met inbegrip van de overwelfde vlakken, en namelijk de ruiming, het reprofileren alsook de inzameling van puin, takken, ijsblokken en grof materiaal;
2° het onderhoud en kleine herstellingen van kunstwerken die toebehoren aan beheerders in onbevaarbare waterlopen, met inbegrip van de consolidatie van ingestorte oevers ter hoogte van dergelijke constructies en het verwijderen van de aanslibbingen die met dergelijke constructies verband houden, onverminderd de toepassing van artikel D. 39;
3° het onderhoud en de verwijdering van vegetatie langs de oevers van onbevaarbare waterlopen, namelijk door de verwijdering van struikgewas, het hakken, het kort snoeien, het snoeien van struiken, het verscheuren, de verwijdering van boomstronken, de aanplantingen, het losrukken van distels, het maaien en de vernietiging van invasieve planten;
4° het kleine herstel en de versterking van dijken langs onbevaarbare waterlopen en het verwijderen van al hetgeen zich daarop bevindt, ongeacht of deze dijken eigendom zijn van privaat- of publiekrechtelijke personen;
5° het onderhouden, het kleine herstel en het verzekeren van de normale werking van de pompstations in verband met de onbevaarbare waterlopen, ongeacht of zij aan privaat- of publiekrechtelijke eigenaars toebehoren.
§ 2. De beheerders aangewezen krachtens artikel D. 35 voeren onderhouds- en kleine herstelwerkzaamheden uit, overeenkomstig een algemeen reglement inzake onbevaarbare waterlopen vastgesteld door de Regering.
Op de waterlopen van de derde categorie worden de onderhouds- en kleine herstelwerken uitgevoerd na het advies te hebben ingewonnen van de beheerder van de onbevaarbare waterlopen tweede categorie.
In afwijking van het eerste lid worden de vijvers, de watervlakken en de stuwdamreservoirs die worden doorkruist door een onbevaarbare waterloop onderhouden en hersteld door degenen aan wie zij toebehoren, bij gebreke waarvan de beheerder van de onbevaarbare waterloop de eigenaar kan aanmanen om de onderhouds- en kleine herstelwerken binnen een bepaalde termijn uit te voeren.
In geval van dringende noodzakelijkheid kan de beheerder de onderhouds- en kleine herstelwerken aan vijvers, watervlakken en stuwdamreservoirs die niet van hem zijn, uitvoeren zonder de eigenaar hiervoor vooraf in gebreke te stellen. In dit geval worden de kosten van het werk op de eigenaar verhaald op overlegging van een gewone staat opgemaakt door de beheerder die de werken heeft uitgevoerd.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 mogen bepaalde onderhouds- en kleine herstelwerken, na het voorwerp te hebben uitgemaakt van een voorafgaande aangifte, door andere personen dan de beheerders worden uitgevoerd.
Onverminderd de elektronische verzending wordt de aangifte per aangetekende brief met ontvangstbewijs of door elk middel dat vaste datum verleent of door afgifte tegen ontvangstbewijs aan de betrokken beheerder verzonden.
De Regering stelt de lijst op van de onderhouds- en kleine herstelwerken die door andere personen dan de beheerders mogen worden uitgevoerd, alsmede de vorm en de inhoud van de aangifte.
De verklaring is niet ontvankelijk indien zij in strijd met het tweede lid is verzonden of afgegeven of indien de gegevens of documenten die krachtens het derde lid vereist zijn, ontbreken. Indien de aangifte niet ontvankelijk is, richt de beheerder een beslissing aan de aangever waarin de onontvankelijkheidsgronden zijn opgenomen, binnen 15 dagen te rekenen van de datum van ontvangst van de aangifte.
Indien de aangifte ontvankelijk is, stelt de beheerder de aangever daarvan binnen vijfenveertig dagen na de datum van ontvangst van de aangifte in kennis en kan hij aanvullende voorwaarden stellen voor de uitvoering van de onderhouds- en kleine herstelwerken. Indien de aangifte niet binnen deze termijn wordt verzonden, wordt zij zonder aanvullende voorwaarden ontvankelijk geacht.
De aangever kan overgaan tot de uitvoering van de werken :
1° vijfenveertig dagen na de datum van ontvangst van de aangifte, indien deze overeenkomstig het vierde lid niet onontvankelijk is verklaard;
2° zestig dagen na de datum van ontvangst van de verklaring, indien de bevoegde overheid overeenkomstig het vijfde lid bijkomende voorwaarden stelt voor de uitvoering ervan.]1
1° het schoonmaken van onbevaarbare waterlopen, met inbegrip van de overwelfde vlakken, en namelijk de ruiming, het reprofileren alsook de inzameling van puin, takken, ijsblokken en grof materiaal;
2° het onderhoud en kleine herstellingen van kunstwerken die toebehoren aan beheerders in onbevaarbare waterlopen, met inbegrip van de consolidatie van ingestorte oevers ter hoogte van dergelijke constructies en het verwijderen van de aanslibbingen die met dergelijke constructies verband houden, onverminderd de toepassing van artikel D. 39;
3° het onderhoud en de verwijdering van vegetatie langs de oevers van onbevaarbare waterlopen, namelijk door de verwijdering van struikgewas, het hakken, het kort snoeien, het snoeien van struiken, het verscheuren, de verwijdering van boomstronken, de aanplantingen, het losrukken van distels, het maaien en de vernietiging van invasieve planten;
4° het kleine herstel en de versterking van dijken langs onbevaarbare waterlopen en het verwijderen van al hetgeen zich daarop bevindt, ongeacht of deze dijken eigendom zijn van privaat- of publiekrechtelijke personen;
5° het onderhouden, het kleine herstel en het verzekeren van de normale werking van de pompstations in verband met de onbevaarbare waterlopen, ongeacht of zij aan privaat- of publiekrechtelijke eigenaars toebehoren.
§ 2. De beheerders aangewezen krachtens artikel D. 35 voeren onderhouds- en kleine herstelwerkzaamheden uit, overeenkomstig een algemeen reglement inzake onbevaarbare waterlopen vastgesteld door de Regering.
Op de waterlopen van de derde categorie worden de onderhouds- en kleine herstelwerken uitgevoerd na het advies te hebben ingewonnen van de beheerder van de onbevaarbare waterlopen tweede categorie.
In afwijking van het eerste lid worden de vijvers, de watervlakken en de stuwdamreservoirs die worden doorkruist door een onbevaarbare waterloop onderhouden en hersteld door degenen aan wie zij toebehoren, bij gebreke waarvan de beheerder van de onbevaarbare waterloop de eigenaar kan aanmanen om de onderhouds- en kleine herstelwerken binnen een bepaalde termijn uit te voeren.
In geval van dringende noodzakelijkheid kan de beheerder de onderhouds- en kleine herstelwerken aan vijvers, watervlakken en stuwdamreservoirs die niet van hem zijn, uitvoeren zonder de eigenaar hiervoor vooraf in gebreke te stellen. In dit geval worden de kosten van het werk op de eigenaar verhaald op overlegging van een gewone staat opgemaakt door de beheerder die de werken heeft uitgevoerd.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 mogen bepaalde onderhouds- en kleine herstelwerken, na het voorwerp te hebben uitgemaakt van een voorafgaande aangifte, door andere personen dan de beheerders worden uitgevoerd.
Onverminderd de elektronische verzending wordt de aangifte per aangetekende brief met ontvangstbewijs of door elk middel dat vaste datum verleent of door afgifte tegen ontvangstbewijs aan de betrokken beheerder verzonden.
De Regering stelt de lijst op van de onderhouds- en kleine herstelwerken die door andere personen dan de beheerders mogen worden uitgevoerd, alsmede de vorm en de inhoud van de aangifte.
De verklaring is niet ontvankelijk indien zij in strijd met het tweede lid is verzonden of afgegeven of indien de gegevens of documenten die krachtens het derde lid vereist zijn, ontbreken. Indien de aangifte niet ontvankelijk is, richt de beheerder een beslissing aan de aangever waarin de onontvankelijkheidsgronden zijn opgenomen, binnen 15 dagen te rekenen van de datum van ontvangst van de aangifte.
Indien de aangifte ontvankelijk is, stelt de beheerder de aangever daarvan binnen vijfenveertig dagen na de datum van ontvangst van de aangifte in kennis en kan hij aanvullende voorwaarden stellen voor de uitvoering van de onderhouds- en kleine herstelwerken. Indien de aangifte niet binnen deze termijn wordt verzonden, wordt zij zonder aanvullende voorwaarden ontvankelijk geacht.
De aangever kan overgaan tot de uitvoering van de werken :
1° vijfenveertig dagen na de datum van ontvangst van de aangifte, indien deze overeenkomstig het vierde lid niet onontvankelijk is verklaard;
2° zestig dagen na de datum van ontvangst van de verklaring, indien de bevoegde overheid overeenkomstig het vijfde lid bijkomende voorwaarden stelt voor de uitvoering ervan.]1
Art. D37. [1 § 1er. Les travaux d'entretien et de petite réparation correspondent aux travaux qui se reproduisent à intervalle régulier afin d'assurer les objectifs hydrauliques, écologiques, socio-économiques et socio-culturels assignés aux cours d'eau non navigables, et notamment :
1° le nettoyage des cours d'eau non navigables, y compris dans les parties voutées, et notamment le curage, la remise sous profils ainsi que la collecte de débris, de branchages, d'embâcles et de matériaux encombrants;
2° l'entretien et la petite réparation des ouvrages appartenant aux gestionnaires qui sont situés dans les cours d'eau non navigables, en ce compris la consolidation des berges affaissées au droit de ces ouvrages et l'enlèvement des atterrissements liés à ces ouvrages, sans préjudice de l'application de l'article D. 39;
3° l'entretien et l'élimination de la végétation située sur les berges des cours d'eau non navigables, notamment par débroussaillage, abattage, débardage, recépage, ébranchage, déchiquetage, dessouchage, plantation, échardonnage, faucardage, et la destruction des plantes invasives;
4° la petite réparation et le renforcement des digues qui existent le long des cours d'eau non navigables et l'enlèvement de tout ce qui s'y trouve, que ces digues appartiennent à des personnes de droit privé ou public;
5° l'entretien, la petite réparation et les mesures propres à assurer le fonctionnement normal des stations de pompage en lien avec les cours d'eau non navigables, que celles-ci appartiennent à des personnes de droit privé ou public.
§ 2. Les gestionnaires désignés en vertu de l'article D. 35 exécutent les travaux d'entretien et de petite réparation, conformément à un règlement général sur les cours d'eau non navigables arrêté par le Gouvernement.
Sur les cours d'eau de la troisième catégorie, les travaux d'entretien et de petite réparation sont exécutés après avoir sollicité l'avis du gestionnaire des cours d'eau non navigables de deuxième catégorie.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les étangs, les plans d'eau et les réservoirs de barrage qui sont traversés par un cours d'eau non navigable sont entretenus et réparés par ceux à qui ils appartiennent, à défaut de quoi le gestionnaire du cours d'eau non navigable peut mettre en demeure le propriétaire d'exécuter les travaux d'entretien et de petite réparation endéans un délai déterminé.
En cas d'extrême urgence, le gestionnaire peut exécuter les travaux d'entretien et de petite réparation aux étangs, plans d'eau et réservoirs de barrage qui ne lui appartiennent pas, sans au préalable mettre en demeure le propriétaire à cet effet. Dans ce cas, le coût des travaux est récupéré à charge du propriétaire sur simple état dressé par le gestionnaire qui aura procédé aux travaux.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, certains travaux d'entretien et de petite réparation peuvent être exécutés par d'autres personnes que les gestionnaires, après avoir fait l'objet d'une déclaration préalable.
Sans préjudice de l'envoi par voie électronique, la déclaration est envoyée par recommandé avec accusé de réception ou par tout envoi conférant date certaine ou remise contre récépissé au gestionnaire concerné.
Le Gouvernement arrête la liste des travaux d'entretien et de petite réparation qui peuvent être exécutés par d'autres personnes que les gestionnaires, ainsi que la forme et le contenu de la déclaration.
La déclaration est irrecevable si elle a été envoyée ou remise en violation de l'alinéa 2 ou s'il manque des renseignements ou des documents requis en vertu de l'alinéa 3. Si la déclaration est irrecevable, le gestionnaire envoie au déclarant une décision mentionnant les motifs de l'irrecevabilité dans les quinze jours à compter de la date de réception de la déclaration.
Si la déclaration est recevable, le gestionnaire en informe le déclarant dans les quarante-cinq jours à compter de la date de réception de la déclaration, et peut prescrire des conditions complémentaires d'exécution des travaux d'entretien et de petite réparation. A défaut d'envoi dans ce délai, la déclaration est réputée recevable sans conditions complémentaires.
Le déclarant peut passer à l'exécution des travaux :
1° quarante-cinq jours à compter de la date à laquelle la déclaration est reçue si celle-ci n'a pas été déclarée irrecevable conformément à l'alinéa 4;
2° soixante jours à compter de la date à laquelle la déclaration est reçue si l'autorité compétente prescrit des conditions complémentaires d'exécution conformément à l'alinéa 5.]1
1° le nettoyage des cours d'eau non navigables, y compris dans les parties voutées, et notamment le curage, la remise sous profils ainsi que la collecte de débris, de branchages, d'embâcles et de matériaux encombrants;
2° l'entretien et la petite réparation des ouvrages appartenant aux gestionnaires qui sont situés dans les cours d'eau non navigables, en ce compris la consolidation des berges affaissées au droit de ces ouvrages et l'enlèvement des atterrissements liés à ces ouvrages, sans préjudice de l'application de l'article D. 39;
3° l'entretien et l'élimination de la végétation située sur les berges des cours d'eau non navigables, notamment par débroussaillage, abattage, débardage, recépage, ébranchage, déchiquetage, dessouchage, plantation, échardonnage, faucardage, et la destruction des plantes invasives;
4° la petite réparation et le renforcement des digues qui existent le long des cours d'eau non navigables et l'enlèvement de tout ce qui s'y trouve, que ces digues appartiennent à des personnes de droit privé ou public;
5° l'entretien, la petite réparation et les mesures propres à assurer le fonctionnement normal des stations de pompage en lien avec les cours d'eau non navigables, que celles-ci appartiennent à des personnes de droit privé ou public.
§ 2. Les gestionnaires désignés en vertu de l'article D. 35 exécutent les travaux d'entretien et de petite réparation, conformément à un règlement général sur les cours d'eau non navigables arrêté par le Gouvernement.
Sur les cours d'eau de la troisième catégorie, les travaux d'entretien et de petite réparation sont exécutés après avoir sollicité l'avis du gestionnaire des cours d'eau non navigables de deuxième catégorie.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les étangs, les plans d'eau et les réservoirs de barrage qui sont traversés par un cours d'eau non navigable sont entretenus et réparés par ceux à qui ils appartiennent, à défaut de quoi le gestionnaire du cours d'eau non navigable peut mettre en demeure le propriétaire d'exécuter les travaux d'entretien et de petite réparation endéans un délai déterminé.
En cas d'extrême urgence, le gestionnaire peut exécuter les travaux d'entretien et de petite réparation aux étangs, plans d'eau et réservoirs de barrage qui ne lui appartiennent pas, sans au préalable mettre en demeure le propriétaire à cet effet. Dans ce cas, le coût des travaux est récupéré à charge du propriétaire sur simple état dressé par le gestionnaire qui aura procédé aux travaux.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, certains travaux d'entretien et de petite réparation peuvent être exécutés par d'autres personnes que les gestionnaires, après avoir fait l'objet d'une déclaration préalable.
Sans préjudice de l'envoi par voie électronique, la déclaration est envoyée par recommandé avec accusé de réception ou par tout envoi conférant date certaine ou remise contre récépissé au gestionnaire concerné.
Le Gouvernement arrête la liste des travaux d'entretien et de petite réparation qui peuvent être exécutés par d'autres personnes que les gestionnaires, ainsi que la forme et le contenu de la déclaration.
La déclaration est irrecevable si elle a été envoyée ou remise en violation de l'alinéa 2 ou s'il manque des renseignements ou des documents requis en vertu de l'alinéa 3. Si la déclaration est irrecevable, le gestionnaire envoie au déclarant une décision mentionnant les motifs de l'irrecevabilité dans les quinze jours à compter de la date de réception de la déclaration.
Si la déclaration est recevable, le gestionnaire en informe le déclarant dans les quarante-cinq jours à compter de la date de réception de la déclaration, et peut prescrire des conditions complémentaires d'exécution des travaux d'entretien et de petite réparation. A défaut d'envoi dans ce délai, la déclaration est réputée recevable sans conditions complémentaires.
Le déclarant peut passer à l'exécution des travaux :
1° quarante-cinq jours à compter de la date à laquelle la déclaration est reçue si celle-ci n'a pas été déclarée irrecevable conformément à l'alinéa 4;
2° soixante jours à compter de la date à laquelle la déclaration est reçue si l'autorité compétente prescrit des conditions complémentaires d'exécution conformément à l'alinéa 5.]1
Wijzigingen
Art. D38. [1 De kosten veroorzaakt door de onderhouds- en kleine herstelwerken komen ten laste van degenen die het initiatief daartoe hebben genomen. Een bijdrage in die kosten mag ten laste gelegd worden van de privaat- of publiekrechtelijke personen die gebruiker zijn van de waterloop of die eigenaar zijn van een kunstwerk, in verhouding tot de verzwaring van de kosten van die werken welke het gevolg is van het gebruik van de waterloop of van het bestaan van het kunstwerk.
Die bijdrage wordt bepaald door de beheerder van de onbevaarbare waterloop.]1
Die bijdrage wordt bepaald door de beheerder van de onbevaarbare waterloop.]1
Art. D38. [1 Les frais occasionnés par les travaux d'entretien et de petite réparation sont supportés par ceux qui en ont pris l'initiative. Une part contributive dans ces frais peut être mise à charge des personnes de droit privé ou public qui font usage du cours d'eau ou qui sont propriétaires d'un ouvrage, au prorata de l'aggravation des frais provoquée par l'usage du cours d'eau ou par l'existence de l'ouvrage.
Le gestionnaire du cours d'eau non navigable fixe cette part contributive.]1
Le gestionnaire du cours d'eau non navigable fixe cette part contributive.]1
Wijzigingen
Art. D39. [1 De bijzondere verplichtingen welke, hetzij door het gebruik, hetzij door titels of overeenkomsten opgelegd worden, blijven behouden en moeten uitgevoerd worden onder de leiding van de beheerder aangewezen overeenkomstig artikel D. 35.
Alle kunstwerken die niet toebehoren aan de beheerders, aanwezig onder, in of boven de zomerbedding, worden onderhouden en hersteld door degenen aan wie ze toebehoren, bij gebreke waarvan de beheerder van de onbevaarbare waterloop de eigenaar kan aanmanen om de onderhouds- en herstelwerken binnen een bepaalde termijn uit te voeren.
Bij gebrek aan uitvoering binnen de voorgeschreven termijn kan de beheerder dit zelf uitvoeren of laten uitvoeren.
In geval van dringende noodzakelijkheid kan de beheerder de onderhouds- en herstelwerken aan kunstwerken die niet van hem zijn, uitvoeren zonder de eigenaar hiervoor vooraf in gebreke te stellen.
In deze gevallen worden de kosten van de werken op de eigenaar verhaald op overlegging van een gewone staat opgemaakt door de beheerder die de werken heeft uitgevoerd.]1
Alle kunstwerken die niet toebehoren aan de beheerders, aanwezig onder, in of boven de zomerbedding, worden onderhouden en hersteld door degenen aan wie ze toebehoren, bij gebreke waarvan de beheerder van de onbevaarbare waterloop de eigenaar kan aanmanen om de onderhouds- en herstelwerken binnen een bepaalde termijn uit te voeren.
Bij gebrek aan uitvoering binnen de voorgeschreven termijn kan de beheerder dit zelf uitvoeren of laten uitvoeren.
In geval van dringende noodzakelijkheid kan de beheerder de onderhouds- en herstelwerken aan kunstwerken die niet van hem zijn, uitvoeren zonder de eigenaar hiervoor vooraf in gebreke te stellen.
In deze gevallen worden de kosten van de werken op de eigenaar verhaald op overlegging van een gewone staat opgemaakt door de beheerder die de werken heeft uitgevoerd.]1
Art. D39. [1 Les obligations spéciales imposées, soit par l'usage, soit par des titres ou des conventions, sont maintenues et sont exécutées sous la direction du gestionnaire désigné en vertu de l'article D. 35.
Tous les ouvrages qui n'appartiennent pas aux gestionnaires, présents sous, dans ou au-dessus du lit mineur, sont entretenus et réparés par ceux à qui ils appartiennent, à défaut de quoi le gestionnaire du cours d'eau non navigable peut mettre en demeure le propriétaire d'exécuter les travaux d'entretien et de réparation dans un délai déterminé.
En l'absence d'exécution dans le délai imparti, le gestionnaire peut y procéder lui-même ou y faire procéder.
En cas d'extrême urgence, le gestionnaire peut exécuter les travaux d'entretien et de réparation aux ouvrages qui ne lui appartiennent pas, sans au préalable mettre en demeure le propriétaire à cet effet.
Dans ces cas, le coût des travaux est récupéré à charge du propriétaire sur simple état dressé par le gestionnaire qui aura procédé aux travaux.]1
Tous les ouvrages qui n'appartiennent pas aux gestionnaires, présents sous, dans ou au-dessus du lit mineur, sont entretenus et réparés par ceux à qui ils appartiennent, à défaut de quoi le gestionnaire du cours d'eau non navigable peut mettre en demeure le propriétaire d'exécuter les travaux d'entretien et de réparation dans un délai déterminé.
En l'absence d'exécution dans le délai imparti, le gestionnaire peut y procéder lui-même ou y faire procéder.
En cas d'extrême urgence, le gestionnaire peut exécuter les travaux d'entretien et de réparation aux ouvrages qui ne lui appartiennent pas, sans au préalable mettre en demeure le propriétaire à cet effet.
Dans ces cas, le coût des travaux est récupéré à charge du propriétaire sur simple état dressé par le gestionnaire qui aura procédé aux travaux.]1
Wijzigingen
Afdeling 3. [1 Werken onderworpen aan de domaniale vergunning van de beheerder]1
Section 3. [1 Travaux soumis à autorisation domaniale du gestionnaire]1
Art. D40. [1 § 1. De voorafgaande en schriftelijke domaniale vergunning van de beheerder aangewezen krachtens artikel D. 35 is vereist voor alle werken zoals verdieping, verbreding, herstel en in het algemeen alle wijzigingen onder, in of boven de zomerbedding van de onbevaarbare waterloop of de daarin gevestigde kunstwerken, alsook de verwijdering of aanleg van dergelijke waterlopen.
§ 2. De beheerder kan zijn domaniale vergunning toekennen in de vorm van een eenzijdige handeling of een contract, voor bepaalde of onbepaalde tijd en, in voorkomend geval, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.
§ 3. De domaniale vergunning in de vorm van een eenzijdige handeling wordt altijd op precaire basis verleend.
De beheerder stuurt haar beslissing aan de aanvrager, alsook aan elke geraadpleegde instantie binnen honderdtwintig dagen vanaf de eerste dag na ontvangst van de aanvraag.
De aanvraag wordt geacht geweigerd te zijn als de beslissing niet wordt verzonden binnen de termijn bedoeld in het tweede lid. De domaniale vergunning kan worden ingetrokken, gewijzigd of opgeschort, zonder vergoeding ten gunste van de houder.
De begunstigde is ten opzichte van derden en het Waalse Gewest aansprakelijk voor het verlies, de schade, de ongevallen of de beschadigingen die kunnen voortvloeien uit het gebruik van de domaniale vergunning.
§ 4. De Regering bepaalt de procedure voor het verlenen van de domaniale vergunning en de samenstelling van het bij de aanvraag te voegen dossier, alsook de omvang van de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de domaniale vergunning. De Regering bepaalt ook de procedure voor het wijzigen, schorsen of intrekken van de domaniale vergunning die is afgegeven in de vorm van een eenzijdige handeling.]1
§ 2. De beheerder kan zijn domaniale vergunning toekennen in de vorm van een eenzijdige handeling of een contract, voor bepaalde of onbepaalde tijd en, in voorkomend geval, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.
§ 3. De domaniale vergunning in de vorm van een eenzijdige handeling wordt altijd op precaire basis verleend.
De beheerder stuurt haar beslissing aan de aanvrager, alsook aan elke geraadpleegde instantie binnen honderdtwintig dagen vanaf de eerste dag na ontvangst van de aanvraag.
De aanvraag wordt geacht geweigerd te zijn als de beslissing niet wordt verzonden binnen de termijn bedoeld in het tweede lid. De domaniale vergunning kan worden ingetrokken, gewijzigd of opgeschort, zonder vergoeding ten gunste van de houder.
De begunstigde is ten opzichte van derden en het Waalse Gewest aansprakelijk voor het verlies, de schade, de ongevallen of de beschadigingen die kunnen voortvloeien uit het gebruik van de domaniale vergunning.
§ 4. De Regering bepaalt de procedure voor het verlenen van de domaniale vergunning en de samenstelling van het bij de aanvraag te voegen dossier, alsook de omvang van de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de domaniale vergunning. De Regering bepaalt ook de procedure voor het wijzigen, schorsen of intrekken van de domaniale vergunning die is afgegeven in de vorm van een eenzijdige handeling.]1
Art. D40. [1 § 1er. L'autorisation domaniale, préalable et écrite du gestionnaire désigné en vertu de l'article D. 35 est requise pour tous travaux tels qu'approfondissement, élargissement, rectification et généralement toutes modifications sous, dans ou au-dessus du lit mineur du cours d'eau non navigable ou des ouvrages y établis, ainsi que la suppression ou la création de tels cours d'eau.
§ 2. Le gestionnaire peut accorder son autorisation domaniale sous la forme d'un acte unilatéral ou sous celle d'un contrat, pour une durée déterminée ou indéterminée, et le cas échéant moyennant le respect de certaines conditions.
§ 3. L'autorisation domaniale délivrée sous la forme d'un acte unilatéral est toujours accordée à titre précaire.
Le gestionnaire envoie sa décision au demandeur, ainsi qu'à chaque instance consultée dans les cent vingt jours à partir du premier jour suivant la réception de la demande.
Elle est censée être refusée à défaut de l'envoi de la décision dans le délai prévu à l'alinéa 2. L'autorisation domaniale peut être retirée, modifiée ou suspendue, sans indemnité au profit du titulaire.
Le bénéficiaire est responsable vis-à-vis des tiers et de la Région wallonne des pertes, dégâts, accidents ou dommages pouvant résulter de l'usage de l'autorisation domaniale.
§ 4. Le Gouvernement fixe la procédure de délivrance de l'autorisation domaniale et la composition du dossier à joindre à la demande, ainsi que l'étendue des droits et obligations découlant de l'autorisation domaniale. Le Gouvernement définit également la procédure de modification, de suspension ou de retrait de l'autorisation domaniale délivrée sous la forme d'un acte unilatéral.]1
§ 2. Le gestionnaire peut accorder son autorisation domaniale sous la forme d'un acte unilatéral ou sous celle d'un contrat, pour une durée déterminée ou indéterminée, et le cas échéant moyennant le respect de certaines conditions.
§ 3. L'autorisation domaniale délivrée sous la forme d'un acte unilatéral est toujours accordée à titre précaire.
Le gestionnaire envoie sa décision au demandeur, ainsi qu'à chaque instance consultée dans les cent vingt jours à partir du premier jour suivant la réception de la demande.
Elle est censée être refusée à défaut de l'envoi de la décision dans le délai prévu à l'alinéa 2. L'autorisation domaniale peut être retirée, modifiée ou suspendue, sans indemnité au profit du titulaire.
Le bénéficiaire est responsable vis-à-vis des tiers et de la Région wallonne des pertes, dégâts, accidents ou dommages pouvant résulter de l'usage de l'autorisation domaniale.
§ 4. Le Gouvernement fixe la procédure de délivrance de l'autorisation domaniale et la composition du dossier à joindre à la demande, ainsi que l'étendue des droits et obligations découlant de l'autorisation domaniale. Le Gouvernement définit également la procédure de modification, de suspension ou de retrait de l'autorisation domaniale délivrée sous la forme d'un acte unilatéral.]1
Wijzigingen
Art. D41. [1 Onverminderd de door de openbare besturen eventuele verleende toelagen worden de door die werken bedoeld in artikel D. 40 veroorzaakte kosten gedragen door hen die er het initiatief van genomen hebben.
Wanneer de in artikel D. 40 bedoelde werken worden uitgevoerd door de beheerder van de onbevaarbare waterloop, kan deze een deel van de uitgaven in rekening brengen bij personen naar privaat- of publiekrecht die van deze werken profiteren of deze noodzakelijk hebben gemaakt.]1
Wanneer de in artikel D. 40 bedoelde werken worden uitgevoerd door de beheerder van de onbevaarbare waterloop, kan deze een deel van de uitgaven in rekening brengen bij personen naar privaat- of publiekrecht die van deze werken profiteren of deze noodzakelijk hebben gemaakt.]1
Art. D41. [1 Sans préjudice des subsides le cas échéant alloués par les pouvoirs publics, les frais occasionnés par les travaux visés à l'article D. 40 sont supportés par ceux qui en ont pris l'initiative.
Lorsque les travaux visés à l'article D. 40 sont exécutés par le gestionnaire du cours d'eau non navigable, celui-ci peut mettre une partie de la dépense à charge des personnes de droit privé ou public qui bénéficient de ces travaux ou qui les ont rendus nécessaires.]1
Lorsque les travaux visés à l'article D. 40 sont exécutés par le gestionnaire du cours d'eau non navigable, celui-ci peut mettre une partie de la dépense à charge des personnes de droit privé ou public qui bénéficient de ces travaux ou qui les ont rendus nécessaires.]1
Wijzigingen
Art. D41/1. [1 De beheerder inspecteert alle krachtens artikel D. 40 toegestane werken na voltooiing en stelt een proces-verbaal op waarin wordt verklaard dat de werken zijn uitgevoerd overeenkomstig de gestelde voorwaarden of dat deze niet met deze voorwaarden overeenstemmen. In geval van niet-overeenstemming is een nieuwe controle noodzakelijk na de uitvoering van de nieuwe werken.
Daartoe brengt de opdrachtgever de beheerder binnen tien dagen na de voltooiing van de werken op de hoogte van de voltooiing van de werken.]1
Daartoe brengt de opdrachtgever de beheerder binnen tien dagen na de voltooiing van de werken op de hoogte van de voltooiing van de werken.]1
Art. D41/1. [1 Le gestionnaire contrôle après achèvement tous les travaux autorisés en vertu de l'article D. 40, et dresse un procès-verbal certifiant que les travaux ont été exécutés conformément aux conditions posées ou constatant qu'ils n'y sont pas conformes. En cas de non conformité, un nouveau contrôle est nécessaire après l'exécution des nouveaux travaux.
A cet effet, dans les dix jours suivant la fin des travaux, le maître d'ouvrage avise le gestionnaire de l'achèvement de ceux-ci.]1
A cet effet, dans les dix jours suivant la fin des travaux, le maître d'ouvrage avise le gestionnaire de l'achèvement de ceux-ci.]1
Art. D41/2. [1 § 1. In geval van het ontbreken of de schending van de vergunning die is verleend krachtens artikel D. 40, § 3 of krachtens een eerdere wetgeving, maant de beheerder de overtreder aan om een einde te maken aan de onregelmatigheid door het uitvoeren van werken en, indien nodig, om de zomerbedding of de daarin gevestigde kunstwerken te herstellen of te laten herstellen. Deze ingebrekestelling wordt per aangetekende brief of door elk middel dat vaste datum verleent verzonden en vermeldt de termijn waarbinnen de overtreder zich hieraan moet houden. Bij gebrek aan het in overeenstemming brengen of herstelling binnen de voorgeschreven termijn kan de beheerder dit zelf uitvoeren of laten uitvoeren.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de beheerder van ambtswege, zonder voorafgaande ingebrekestelling hiervoor aan de overtreder, werken uitvoeren of laten uitvoeren of het openbaar domein herstellen of laten herstellen, indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
1° in geval van dringende noodzakelijkheid of wanneer de dwingende behoeften van de openbare dienst dit rechtvaardigen;
2° indien het om dwingende technische, milieu- of veiligheidsredenen niet raadzaam is om de overtreder toe te staan de waterloop zelf te herstellen of te laten herstellen
3° indien de overtreder niet gemakkelijk te identificeren is en niet gemakkelijk kan worden geïdentificeerd.
§ 3. In alle gevallen is de overtreder gedwongen tot de terugbetaling van alle uitvoeringskosten op overlegging van een gewone staat opgemaakt door de beheerder die voor de uitvoering heeft gezorgd of laten zorgen.]1
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de beheerder van ambtswege, zonder voorafgaande ingebrekestelling hiervoor aan de overtreder, werken uitvoeren of laten uitvoeren of het openbaar domein herstellen of laten herstellen, indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
1° in geval van dringende noodzakelijkheid of wanneer de dwingende behoeften van de openbare dienst dit rechtvaardigen;
2° indien het om dwingende technische, milieu- of veiligheidsredenen niet raadzaam is om de overtreder toe te staan de waterloop zelf te herstellen of te laten herstellen
3° indien de overtreder niet gemakkelijk te identificeren is en niet gemakkelijk kan worden geïdentificeerd.
§ 3. In alle gevallen is de overtreder gedwongen tot de terugbetaling van alle uitvoeringskosten op overlegging van een gewone staat opgemaakt door de beheerder die voor de uitvoering heeft gezorgd of laten zorgen.]1
Art. D41/2. [1 § 1er. En cas d'absence ou de violation de l'autorisation délivrée en vertu de l'article D. 40, § 3 ou en vertu d'une législation antérieure, le gestionnaire met en demeure le contrevenant de mettre fin à l'irrégularité par l'exécution de travaux et, si nécessaire, de remettre ou faire remettre le lit mineur ou les ouvrages y établis en état. Cette mise en demeure est adressée par recommandé ou par tout envoi conférant date certaine et précise le délai imparti au contrevenant pour s'exécuter. En l'absence de mise en conformité ou de remise en état dans le délai imparti, le gestionnaire peut y procéder lui-même ou y faire procéder.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le gestionnaire peut d'office exécuter ou faire exécuter des travaux ou remettre ou faire remettre le domaine public en état, sans au préalable mettre en demeure le contrevenant à cet effet, si l'une des conditions suivantes est rencontrée :
1° en cas d'extrême urgence ou lorsque les nécessités impératives du service public le justifient;
2° s'il est contre-indiqué de permettre au contrevenant de remettre ou faire remettre lui-même le cours d'eau en état, pour des raisons impératives d'ordre technique, environnemental ou de sécurité;
3° si le contrevenant n'est pas et ne peut pas aisément être identifié.
§ 3. Dans tous les cas, le contrevenant est contraint au remboursement de tous les frais d'exécution sur simple état dressé par le gestionnaire qui a procédé ou fait procéder à l'exécution.]1
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le gestionnaire peut d'office exécuter ou faire exécuter des travaux ou remettre ou faire remettre le domaine public en état, sans au préalable mettre en demeure le contrevenant à cet effet, si l'une des conditions suivantes est rencontrée :
1° en cas d'extrême urgence ou lorsque les nécessités impératives du service public le justifient;
2° s'il est contre-indiqué de permettre au contrevenant de remettre ou faire remettre lui-même le cours d'eau en état, pour des raisons impératives d'ordre technique, environnemental ou de sécurité;
3° si le contrevenant n'est pas et ne peut pas aisément être identifié.
§ 3. Dans tous les cas, le contrevenant est contraint au remboursement de tous les frais d'exécution sur simple état dressé par le gestionnaire qui a procédé ou fait procéder à l'exécution.]1
Afdeling 4. - Algemene bepalingen.
Section 4. - Dispositions générales.
Art. D42.
Art. D42.
Art. D42 -1.[1 § 1. De gronden die langs een onbevaarbare geklasseerde waterloop in de openlucht liggen en als weiland dienen, worden uiterlijk op 1 januari 2023 zodanig afgesloten om de toegang van het vee tot de waterloop tijdens het hele jaar te voorkomen.
Het gedeelte van de omheining gelegen aan de rand van de waterloop bevindt zich op een afstand van minimaal één meter vanaf de oeverkruin van de waterloop naar de binnenzijde van de gronden.
In afwijking bedraagt deze minimale afstand 0,75 meter voor de omheiningen geplaatst vóór 1 april 2014.
De omheining wordt geplaatst zonder een hindernis te vormen voor de doorgang van het materiaal dat gebruikt wordt voor de uitvoering van de gewone werken tot onderhoud of kleine herstelling van de waterlopen.
§ 2. Wanneer het passeren met droge voeten in of in de onmiddellijke nabijheid van de weiden gelegen aan beide kanten van de waterloop onmogelijk is, kunnen hekken in de omheiningen gelegen langs die waterloop geïnstalleerd worden om een doorwaadbare doorgang mogelijk te maken. Tijdens de tijd die nodig is voor de oversteek van de waterloop kunnen die hekken open zijn. Het weiden wordt zodanig georganiseerd dat de frequentie en het aantal oversteken worden verminderd.
§ 3. De Regering kan, volgens de door haar vastgestelde procedure, een afwijking toekennen voor de verplichting bedoeld in paragraaf 1 voor de gronden die het voorwerp uitmaken van een zeer extensieve wei die gunstig is voor biodiversiteit.
§ 4. In afwijking van paragraaf 1, mag een toegang tot water met minimale milieueffecten over een lengte van maximaal vier meter worden ingericht onder de volgende voorwaarden:
a) de toegang van vee tot de waterloop gebeurt via de installatie van een voorziening die voorkomt dat het vee de waterloop oversteekt en die de lozing van uitwerpselen in de waterloop beperkt;
b) de vier meter oever die toegang geeft tot de waterloop zijn licht glooiend en mogen niet worden aangelegd met bouwafval of andere inerte afvalstoffen;
c) het aantal toegangspunten is beperkt tot één per aangegeven perceel per landbouwer. Voor percelen met meer dan honderd meter oever mag er één toegang zijn per honderd meter oever van het aangegeven perceel;
d) de belemmering van waterafvoer of van pleziervaartuigen is verboden. Het plaatsen van planken of andere voorzieningen in de kleine bedding van de waterloop om het waterpeil te verhogen en het graven van oevers zijn verboden. De inrichtingen mogen niet worden gebruikt als vaste doorwaadbare plaats en moeten worden onderhouden zoals een voorzichtig en redelijk persoon zou doen.
De uitgevoerde inrichtingen moeten jaarlijks worden aangegeven bij het versturen van de oppervlakteaangifte en worden voor het eerst aangegeven in 2025.
Deze afwijking is niet van toepassing op de volgende gebieden die door de Regering zijn vastgesteld en waarvoor specifieke wetgeving geldt: Natura 2000-gebieden en hun bufferzones, zwemgebieden en hun stroomopwaartse gebieden, op delen van waterlopen waar bootverkeer is toegestaan en in waterlichamen met specifieke uitdagingen.
De voorkeur wordt gegeven aan alternatieve oplossingen die bestaan of eenvoudig te implementeren zijn om de toegang van vee tot de waterloop te voorkomen. Afhankelijk van de configuratie van het gebied en indien meer specifieke inrichtingen nodig zijn, kan de Regering, volgens dezelfde procedure als in paragraaf 3, een afwijking toestaan van de verplichting bedoeld in paragraaf 1, nadat de administratie het gebied heeft bezocht.
In geval van een verslechtering van de kwaliteit van waterlichamen gebonden aan de in dit artikel genoemde afwijkingen, of in geval van een verslechtering of onderhoud waardoor de inrichting niet kan worden gehandhaafd, is de toegang voor vee tot de waterloop verboden.]1
Het gedeelte van de omheining gelegen aan de rand van de waterloop bevindt zich op een afstand van minimaal één meter vanaf de oeverkruin van de waterloop naar de binnenzijde van de gronden.
In afwijking bedraagt deze minimale afstand 0,75 meter voor de omheiningen geplaatst vóór 1 april 2014.
De omheining wordt geplaatst zonder een hindernis te vormen voor de doorgang van het materiaal dat gebruikt wordt voor de uitvoering van de gewone werken tot onderhoud of kleine herstelling van de waterlopen.
§ 2. Wanneer het passeren met droge voeten in of in de onmiddellijke nabijheid van de weiden gelegen aan beide kanten van de waterloop onmogelijk is, kunnen hekken in de omheiningen gelegen langs die waterloop geïnstalleerd worden om een doorwaadbare doorgang mogelijk te maken. Tijdens de tijd die nodig is voor de oversteek van de waterloop kunnen die hekken open zijn. Het weiden wordt zodanig georganiseerd dat de frequentie en het aantal oversteken worden verminderd.
§ 3. De Regering kan, volgens de door haar vastgestelde procedure, een afwijking toekennen voor de verplichting bedoeld in paragraaf 1 voor de gronden die het voorwerp uitmaken van een zeer extensieve wei die gunstig is voor biodiversiteit.
§ 4. In afwijking van paragraaf 1, mag een toegang tot water met minimale milieueffecten over een lengte van maximaal vier meter worden ingericht onder de volgende voorwaarden:
a) de toegang van vee tot de waterloop gebeurt via de installatie van een voorziening die voorkomt dat het vee de waterloop oversteekt en die de lozing van uitwerpselen in de waterloop beperkt;
b) de vier meter oever die toegang geeft tot de waterloop zijn licht glooiend en mogen niet worden aangelegd met bouwafval of andere inerte afvalstoffen;
c) het aantal toegangspunten is beperkt tot één per aangegeven perceel per landbouwer. Voor percelen met meer dan honderd meter oever mag er één toegang zijn per honderd meter oever van het aangegeven perceel;
d) de belemmering van waterafvoer of van pleziervaartuigen is verboden. Het plaatsen van planken of andere voorzieningen in de kleine bedding van de waterloop om het waterpeil te verhogen en het graven van oevers zijn verboden. De inrichtingen mogen niet worden gebruikt als vaste doorwaadbare plaats en moeten worden onderhouden zoals een voorzichtig en redelijk persoon zou doen.
De uitgevoerde inrichtingen moeten jaarlijks worden aangegeven bij het versturen van de oppervlakteaangifte en worden voor het eerst aangegeven in 2025.
Deze afwijking is niet van toepassing op de volgende gebieden die door de Regering zijn vastgesteld en waarvoor specifieke wetgeving geldt: Natura 2000-gebieden en hun bufferzones, zwemgebieden en hun stroomopwaartse gebieden, op delen van waterlopen waar bootverkeer is toegestaan en in waterlichamen met specifieke uitdagingen.
De voorkeur wordt gegeven aan alternatieve oplossingen die bestaan of eenvoudig te implementeren zijn om de toegang van vee tot de waterloop te voorkomen. Afhankelijk van de configuratie van het gebied en indien meer specifieke inrichtingen nodig zijn, kan de Regering, volgens dezelfde procedure als in paragraaf 3, een afwijking toestaan van de verplichting bedoeld in paragraaf 1, nadat de administratie het gebied heeft bezocht.
In geval van een verslechtering van de kwaliteit van waterlichamen gebonden aan de in dit artikel genoemde afwijkingen, of in geval van een verslechtering of onderhoud waardoor de inrichting niet kan worden gehandhaafd, is de toegang voor vee tot de waterloop verboden.]1
Art. D42 -1.[1 § 1er. Les terres situées en bordure d'un cours d'eau classé et non navigable à ciel ouvert et servant de pâture, sont clôturées au plus tard le 1er janvier 2023 de manière à empêcher toute l'année l'accès du bétail au cours d'eau.
La partie de la clôture située en bordure du cours d'eau se trouve à une distance minimale d'un mètre mesurée à partir de la crête de berge du cours d'eau vers l'intérieur des terres.
Par dérogation, cette distance minimale est de 0,75 mètre pour les clôtures placées avant le 1er avril 2014.
La clôture ne crée pas une entrave au passage du matériel utilisé pour l'exécution des travaux d'entretien ou de petite réparation du cours d'eau.
§ 2. Lorsqu'un passage à pied sec est impossible dans ou à proximité immédiate des pâtures situées de part et d'autre du cours d'eau, des barrières peuvent être installées dans les clôtures situées en bordure de ce cours d'eau afin de permettre une traversée à gué. Ces barrières peuvent être ouvertes le temps nécessaire à la traversée du cours d'eau. Le pâturage est organisé de manière à réduire la fréquence et le nombre de traversées.
§ 3. Le Gouvernement peut accorder, selon la procédure qu'il détermine, une dérogation à l'obligation prévue au paragraphe 1er pour les terres faisant l'objet d'un pâturage très extensif favorable à la biodiversité.
§ 4. Par dérogation au paragraphe 1er, un accès à l'eau minimisant les incidences environnementales peut être aménagé sur une longueur maximale de quatre mètres aux conditions suivantes :
a) l'accès au cours d'eau par le bétail est fait par la mise en place d'un dispositif empêchant la traversée du cours d'eau et limitant les apports de déjections animales dans le cours d'eau;
b) les quatre mètres de berge donnant l'accès au cours d'eau sont en pente douce et ne peuvent être aménagés avec des déchets de construction et autres inertes;
c) le nombre de points d'accès est limité à un par parcelle déclarée par agriculteur. Pour des parcelles de plus de cent mètres de rive, il peut y avoir un accès par cent mètres de rive de parcelle déclarée;
d) les entraves à l'écoulement de l'eau ou aux embarcations de loisir sont proscrites. Le placement de planches ou d'autres dispositifs dans le lit mineur du cours d'eau permettant de rehausser la lame d'eau ainsi que le creusement de berge est proscrit. Les aménagements ne peuvent être utilisés comme passage à gué permanent et doivent être entretenus comme le ferait une personne prudente et raisonnable.
Les aménagements réalisés doivent être déclarés chaque année lors de l'envoi de la déclaration de superficie et sont déclarés pour la première fois en 2025.
Cette dérogation n'est pas applicable pour les zones suivantes telles que définies par le Gouvernement et faisant l'objet de législations propres : les zones Natura 2000 et leurs zones tampons, les zones de baignade et leurs zones amonts, sur les tronçons des cours d'eau faisant l'objet d'une autorisation de circulation d'embarcation et dans les masses d'eau à enjeux spécifiques.
Des solutions alternatives existantes ou simples à mettre en oeuvre pour permettre d'éviter l'accès du cours d'eau au bétail sont privilégiées. En fonction de la configuration des lieux et si des aménagements plus spécifiques sont nécessaires, le Gouvernement peut accorder, selon la même procédure qu'au paragraphe 3, une dérogation à l'obligation prévue au paragraphe 1er, après visite de l'administration sur le terrain.
En cas de constatation de dégradation de la qualité des masses d'eau liée aux dérogations reprises au présent article ou en cas de constatation de dégradation ou d'entretien ne permettant pas le maintien de l'aménagement, l'accès du bétail au cours d'eau est interdit. ]1
La partie de la clôture située en bordure du cours d'eau se trouve à une distance minimale d'un mètre mesurée à partir de la crête de berge du cours d'eau vers l'intérieur des terres.
Par dérogation, cette distance minimale est de 0,75 mètre pour les clôtures placées avant le 1er avril 2014.
La clôture ne crée pas une entrave au passage du matériel utilisé pour l'exécution des travaux d'entretien ou de petite réparation du cours d'eau.
§ 2. Lorsqu'un passage à pied sec est impossible dans ou à proximité immédiate des pâtures situées de part et d'autre du cours d'eau, des barrières peuvent être installées dans les clôtures situées en bordure de ce cours d'eau afin de permettre une traversée à gué. Ces barrières peuvent être ouvertes le temps nécessaire à la traversée du cours d'eau. Le pâturage est organisé de manière à réduire la fréquence et le nombre de traversées.
§ 3. Le Gouvernement peut accorder, selon la procédure qu'il détermine, une dérogation à l'obligation prévue au paragraphe 1er pour les terres faisant l'objet d'un pâturage très extensif favorable à la biodiversité.
§ 4. Par dérogation au paragraphe 1er, un accès à l'eau minimisant les incidences environnementales peut être aménagé sur une longueur maximale de quatre mètres aux conditions suivantes :
a) l'accès au cours d'eau par le bétail est fait par la mise en place d'un dispositif empêchant la traversée du cours d'eau et limitant les apports de déjections animales dans le cours d'eau;
b) les quatre mètres de berge donnant l'accès au cours d'eau sont en pente douce et ne peuvent être aménagés avec des déchets de construction et autres inertes;
c) le nombre de points d'accès est limité à un par parcelle déclarée par agriculteur. Pour des parcelles de plus de cent mètres de rive, il peut y avoir un accès par cent mètres de rive de parcelle déclarée;
d) les entraves à l'écoulement de l'eau ou aux embarcations de loisir sont proscrites. Le placement de planches ou d'autres dispositifs dans le lit mineur du cours d'eau permettant de rehausser la lame d'eau ainsi que le creusement de berge est proscrit. Les aménagements ne peuvent être utilisés comme passage à gué permanent et doivent être entretenus comme le ferait une personne prudente et raisonnable.
Les aménagements réalisés doivent être déclarés chaque année lors de l'envoi de la déclaration de superficie et sont déclarés pour la première fois en 2025.
Cette dérogation n'est pas applicable pour les zones suivantes telles que définies par le Gouvernement et faisant l'objet de législations propres : les zones Natura 2000 et leurs zones tampons, les zones de baignade et leurs zones amonts, sur les tronçons des cours d'eau faisant l'objet d'une autorisation de circulation d'embarcation et dans les masses d'eau à enjeux spécifiques.
Des solutions alternatives existantes ou simples à mettre en oeuvre pour permettre d'éviter l'accès du cours d'eau au bétail sont privilégiées. En fonction de la configuration des lieux et si des aménagements plus spécifiques sont nécessaires, le Gouvernement peut accorder, selon la même procédure qu'au paragraphe 3, une dérogation à l'obligation prévue au paragraphe 1er, après visite de l'administration sur le terrain.
En cas de constatation de dégradation de la qualité des masses d'eau liée aux dérogations reprises au présent article ou en cas de constatation de dégradation ou d'entretien ne permettant pas le maintien de l'aménagement, l'accès du bétail au cours d'eau est interdit. ]1
Wijzigingen
Art. D43. [1 § 1. De omwonenden, de gebruikers en de eigenaars van kunstwerken op de onbevaarbare waterloop :
1° zorgen voor de doorgang van de personeelsleden van de administratie, van de werknemers, van de machines die nodig zijn voor de uitvoering van de werken en van de andere personen die belast zijn met de uitvoering van de werken of studies;
2° laten op hun gronden of eigendommen op een strook van zes meter te rekenen van de bovenste rand van de oever, de voorwerpen die uit de bedding van de waterloop worden verwijderd, alsmede de materialen, gereedschappen en werktuigen die nodig zijn voor de uitvoering van de werken, plaatsen.
De voorwerpen die uit de bedding van de waterloop worden verwijderd worden beheerd overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen en de uitvoeringsbesluiten ervan.
§ 2. Er is geen vergoeding verschuldigd aan de omwonenden, gebruikers en eigenaren van kunstwerken wegens het deponeren van voorwerpen afkomstig van onderhouds- en ruimingswerken op hun eigendommen, over een strook van zes meter, te rekenen van de bovenste rand van de oever.
§ 3. De omwonenden, de gebruikers en de eigenaars van kunstwerken kunnen aanspraak maken op een schadeloosstelling voor de schade die zij hebben geleden naar aanleiding van de uitvoering van andere werken dan onderhoud en kleine herstelling [2 tenzij deze werken op enigerlei wijze noodzakelijk zijn gemaakt door de omwonenden, gebruikers of de eigenaars of indien zij voor hun rekening worden uitgevoerd]2. Die schadeloosstelling wordt in de kosten van de werken verrekend.
§ 4. De Regering stelt de politie- en beheersregels vast die van toepassing zijn op niet-bevaarbare waterlopen met betrekking tot de vergunningen die vereist zijn voor het planten en bouwen van gebouwen langs deze waterlopen.]1
1° zorgen voor de doorgang van de personeelsleden van de administratie, van de werknemers, van de machines die nodig zijn voor de uitvoering van de werken en van de andere personen die belast zijn met de uitvoering van de werken of studies;
2° laten op hun gronden of eigendommen op een strook van zes meter te rekenen van de bovenste rand van de oever, de voorwerpen die uit de bedding van de waterloop worden verwijderd, alsmede de materialen, gereedschappen en werktuigen die nodig zijn voor de uitvoering van de werken, plaatsen.
De voorwerpen die uit de bedding van de waterloop worden verwijderd worden beheerd overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen en de uitvoeringsbesluiten ervan.
§ 2. Er is geen vergoeding verschuldigd aan de omwonenden, gebruikers en eigenaren van kunstwerken wegens het deponeren van voorwerpen afkomstig van onderhouds- en ruimingswerken op hun eigendommen, over een strook van zes meter, te rekenen van de bovenste rand van de oever.
§ 3. De omwonenden, de gebruikers en de eigenaars van kunstwerken kunnen aanspraak maken op een schadeloosstelling voor de schade die zij hebben geleden naar aanleiding van de uitvoering van andere werken dan onderhoud en kleine herstelling [2 tenzij deze werken op enigerlei wijze noodzakelijk zijn gemaakt door de omwonenden, gebruikers of de eigenaars of indien zij voor hun rekening worden uitgevoerd]2. Die schadeloosstelling wordt in de kosten van de werken verrekend.
§ 4. De Regering stelt de politie- en beheersregels vast die van toepassing zijn op niet-bevaarbare waterlopen met betrekking tot de vergunningen die vereist zijn voor het planten en bouwen van gebouwen langs deze waterlopen.]1
Art. D43. [1 § 1er. Les riverains, les usagers et les propriétaires d'ouvrages sur les cours d'eau non navigables :
1° livrent passage aux agents de l'administration, aux ouvriers, aux engins nécessaires pour l'exécution des travaux et aux autres personnes chargées de l'exécution de travaux ou d'études;
2° laissent déposer sur leurs propriétés, sur une bande de six mètres, à compter de la crête de berge, les matières enlevées du lit du cours d'eau, ainsi que les matériaux, l'outillage et les engins nécessaires pour l'exécution des travaux.
Les matières enlevées du lit du cours d'eau sont gérées conformément aux dispositions du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets et de ses arrêtés d'application.
§ 2. Aucune indemnité n'est due aux riverains, aux usagers et aux propriétaires d'ouvrages en raison du dépôt des matières provenant des travaux d'entretien et de curage, sur leurs propriétés, sur une bande de six mètres, à compter de la crête de berge.
§ 3. Les riverains, usagers et les propriétaires d'ouvrages ont droit à un dédommagement pour le préjudice qu'ils subissent à l'occasion de l'exécution de travaux autres que ceux d'entretien et de petite réparation [2 sauf si ces travaux ont d'une quelconque manière été rendus nécessaires par les riverains, usagers ou les propriétaires ou s'ils sont réalisés pour leur compte]2. Ce dédommagement est compris dans les frais des travaux.
§ 4. Le Gouvernement fixe les règles de police et de gestion applicables aux cours d'eau non navigables en ce qui concerne les autorisations requises pour les plantations et pour la construction de bâtiments le long de ces cours d'eau.]1
1° livrent passage aux agents de l'administration, aux ouvriers, aux engins nécessaires pour l'exécution des travaux et aux autres personnes chargées de l'exécution de travaux ou d'études;
2° laissent déposer sur leurs propriétés, sur une bande de six mètres, à compter de la crête de berge, les matières enlevées du lit du cours d'eau, ainsi que les matériaux, l'outillage et les engins nécessaires pour l'exécution des travaux.
Les matières enlevées du lit du cours d'eau sont gérées conformément aux dispositions du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets et de ses arrêtés d'application.
§ 2. Aucune indemnité n'est due aux riverains, aux usagers et aux propriétaires d'ouvrages en raison du dépôt des matières provenant des travaux d'entretien et de curage, sur leurs propriétés, sur une bande de six mètres, à compter de la crête de berge.
§ 3. Les riverains, usagers et les propriétaires d'ouvrages ont droit à un dédommagement pour le préjudice qu'ils subissent à l'occasion de l'exécution de travaux autres que ceux d'entretien et de petite réparation [2 sauf si ces travaux ont d'une quelconque manière été rendus nécessaires par les riverains, usagers ou les propriétaires ou s'ils sont réalisés pour leur compte]2. Ce dédommagement est compris dans les frais des travaux.
§ 4. Le Gouvernement fixe les règles de police et de gestion applicables aux cours d'eau non navigables en ce qui concerne les autorisations requises pour les plantations et pour la construction de bâtiments le long de ces cours d'eau.]1
Art. D44. [1 § 1. Teneinde de beheerders in staat te stellen de doelstellingen van artikel D. 33/1 te bereiken, wordt de minnelijke verwerving van onroerende goederen die nodig zijn voor het beheer van onbevaarbare waterlopen zoveel mogelijk uitgevoerd.
De beheerder bespreekt met de belangstellende eigenaars, de voorwaarden van de aankoop, hetzij voor geld, hetzij via een ruiling.
De overeenkomsten inzake afstand in der minne, de kwijtingen en andere handelingen in verband met het verkrijgen van onroerende goederen, kunnen zonder kosten worden gesloten door toedoen van de beheerder, onverminderd het recht voor de overdrager om de tussenkomst van een notaris naar keuze te vragen.
§ 2. De beheerder aangewezen krachtens artikel D. 35 kan van algemeen nut verklaren, de onteigening van de onroerende goederen die noodzakelijk zijn voor een geïntegreerd, evenwichtig en duurzaam beheer van onbevaarbare waterlopen.
Voor de berekening van de waarde van het onteigende gebouw wordt geen rekening gehouden met de minderwaarde voortvloeiend uit de verplichtingen in verband met de bezetting van de grond door de werken of kunstwerken van de beheerder.
De onteigening wordt voortgezet volgens de regels bepaald bij de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, en onverminderd artikel 2 van het decreet van 6 mei 1988 betreffende de onteigeningen ten algemenen nutte.]1
De beheerder bespreekt met de belangstellende eigenaars, de voorwaarden van de aankoop, hetzij voor geld, hetzij via een ruiling.
De overeenkomsten inzake afstand in der minne, de kwijtingen en andere handelingen in verband met het verkrijgen van onroerende goederen, kunnen zonder kosten worden gesloten door toedoen van de beheerder, onverminderd het recht voor de overdrager om de tussenkomst van een notaris naar keuze te vragen.
§ 2. De beheerder aangewezen krachtens artikel D. 35 kan van algemeen nut verklaren, de onteigening van de onroerende goederen die noodzakelijk zijn voor een geïntegreerd, evenwichtig en duurzaam beheer van onbevaarbare waterlopen.
Voor de berekening van de waarde van het onteigende gebouw wordt geen rekening gehouden met de minderwaarde voortvloeiend uit de verplichtingen in verband met de bezetting van de grond door de werken of kunstwerken van de beheerder.
De onteigening wordt voortgezet volgens de regels bepaald bij de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, en onverminderd artikel 2 van het decreet van 6 mei 1988 betreffende de onteigeningen ten algemenen nutte.]1
Art. D44. [1 § 1er. En vue de permettre aux gestionnaires de réaliser les objectifs fixés à l'article D. 33/1, il est procédé, autant que possible, à l'acquisition à l'amiable de biens immeubles nécessaires à la gestion des cours d'eau non navigables.
Le gestionnaire débat, avec les propriétaires intéressés, les conditions de l'acquisition, soit à prix d'argent, soit par la voie d'échange.
Les contrats de cession amiable, les quittances et autres actes relatifs à l'acquisition des immeubles peuvent être passés sans frais à l'intervention du gestionnaire, sans préjudice du droit pour le cédant de requérir l'intervention du notaire de son choix.
§ 2. Le gestionnaire désigné en vertu de l'article D. 35 peut décréter d'utilité publique l'expropriation de biens immeubles nécessaires à la gestion intégrée, équilibrée et durable des cours d'eau non navigables.
Pour le calcul de la valeur de l'immeuble exproprié, il n'est pas tenu compte de la moins-value résultant des contraintes liées à l'occupation du terrain par les travaux ou ouvrages du gestionnaire.
L'expropriation est poursuivie selon les règles prévues par la loi du 26 juillet 1962 relative à la procédure d'extrême urgence en matière d'expropriation pour cause d'utilité publique, et sans préjudice de l'article 2 du décret du 6 mai 1988 relatif aux expropriations pour cause d'utilité publique.]1
Le gestionnaire débat, avec les propriétaires intéressés, les conditions de l'acquisition, soit à prix d'argent, soit par la voie d'échange.
Les contrats de cession amiable, les quittances et autres actes relatifs à l'acquisition des immeubles peuvent être passés sans frais à l'intervention du gestionnaire, sans préjudice du droit pour le cédant de requérir l'intervention du notaire de son choix.
§ 2. Le gestionnaire désigné en vertu de l'article D. 35 peut décréter d'utilité publique l'expropriation de biens immeubles nécessaires à la gestion intégrée, équilibrée et durable des cours d'eau non navigables.
Pour le calcul de la valeur de l'immeuble exproprié, il n'est pas tenu compte de la moins-value résultant des contraintes liées à l'occupation du terrain par les travaux ou ouvrages du gestionnaire.
L'expropriation est poursuivie selon les règles prévues par la loi du 26 juillet 1962 relative à la procédure d'extrême urgence en matière d'expropriation pour cause d'utilité publique, et sans préjudice de l'article 2 du décret du 6 mai 1988 relatif aux expropriations pour cause d'utilité publique.]1
Wijzigingen
Art. D44/1. [1 § 1. In het algemeen belang en met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen bepaald in de artikelen D.1, § 2, eerste lid, 5°, kan de Regering aan de beheerders van waterlopen toelating verlenen om werken, installaties en inrichtingen uit te voeren of te laten uitvoeren op percelen en kunstwerken die hen niet toebehoren, en die aanwezig zijn onder, in of boven de kleine bedding van een waterloop of binnen een afstand van zes meter van de oeverkruin, zonder de bestemming ervan te wijzigen en zonder onteigening.
De kunstwerken en percelen die niet toebehoren aan de beheerders blijven de verantwoordelijkheid van hun eigenaars wanneer de werken, installaties en inrichtingen voltooid zijn. Eigenaars blijven gebonden aan de in deze titel beschreven verplichtingen met betrekking tot handelingen en werken, installaties en inrichtingen die worden uitgevoerd krachtens lid 1.
Het is verboden om handelingen te verrichten die schade kunnen toebrengen aan de in lid 1 genoemde werken, installaties en inrichtingen.
De Regering kan een deel van de kosten van de in het eerste lid bedoelde werken ten laste leggen van de privaatrechtelijke of publiekrechtelijke personen die voordeel halen uit deze werken of die ze noodzakelijk hebben gemaakt.
§ 2. Bij overtreding van de bij of krachtens dit artikel gestelde verbodsbepalingen en voorschriften maant de beheerder de overtreder aan om een einde te maken aan de onregelmatigheid door het uitvoeren van werken en zo nodig de betreffende kunstwerken en percelen te (doen) herstellen. Deze ingebrekestelling wordt per aangetekende post met ontvangstbevestiging of door afgifte tegen ontvangstbewijs verzonden en vermeldt de termijn waarbinnen de overtreder zich hieraan moet houden.
Als het in overeenstemming brengen of het herstel niet binnen de gestelde termijn wordt uitgevoerd, mag de beheerder het zelf uitvoeren of laten uitvoeren.
In afwijking van het eerste lid kan de beheerder van ambtswege de werken uitvoeren of laten uitvoeren, of de werken, installaties en inrichtingen herstellen of laten herstellen, zonder de overtreder daartoe vooraf aan te manen, in gevallen van dringende spoed of wanneer de dwingende eisen van de openbare dienst zulks rechtvaardigen.
In alle gevallen is de overtreder gedwongen tot de terugbetaling van alle uitvoeringskosten op overlegging van een gewone staat opgemaakt door de beheerder die voor de uitvoering heeft gezorgd of laten zorgen.
§ 3. De Regering bepaalt de specifieke modaliteiten inzake publiciteit, informatie en beroep met betrekking tot beslissingen genomen krachtens paragraaf 1, lid 1.
De specifieke publiciteitsmodaliteiten moeten minstens voorzien in een kennisgeving van de beslissing aan de eigenaars van de betrokken percelen en kunstwerken.
De in lid 2 bedoelde kennisgeving bevat minstens de volgende gegevens:
1° de redenen voor het uitvoeren van de werken, installaties of inrichtingen, alsook de omvang van de erfdienstbaarheid van openbaar nut en het betrokken algemeen belang;
2° de rechtsmiddelen waarover de eigenaar beschikt.]1
De kunstwerken en percelen die niet toebehoren aan de beheerders blijven de verantwoordelijkheid van hun eigenaars wanneer de werken, installaties en inrichtingen voltooid zijn. Eigenaars blijven gebonden aan de in deze titel beschreven verplichtingen met betrekking tot handelingen en werken, installaties en inrichtingen die worden uitgevoerd krachtens lid 1.
Het is verboden om handelingen te verrichten die schade kunnen toebrengen aan de in lid 1 genoemde werken, installaties en inrichtingen.
De Regering kan een deel van de kosten van de in het eerste lid bedoelde werken ten laste leggen van de privaatrechtelijke of publiekrechtelijke personen die voordeel halen uit deze werken of die ze noodzakelijk hebben gemaakt.
§ 2. Bij overtreding van de bij of krachtens dit artikel gestelde verbodsbepalingen en voorschriften maant de beheerder de overtreder aan om een einde te maken aan de onregelmatigheid door het uitvoeren van werken en zo nodig de betreffende kunstwerken en percelen te (doen) herstellen. Deze ingebrekestelling wordt per aangetekende post met ontvangstbevestiging of door afgifte tegen ontvangstbewijs verzonden en vermeldt de termijn waarbinnen de overtreder zich hieraan moet houden.
Als het in overeenstemming brengen of het herstel niet binnen de gestelde termijn wordt uitgevoerd, mag de beheerder het zelf uitvoeren of laten uitvoeren.
In afwijking van het eerste lid kan de beheerder van ambtswege de werken uitvoeren of laten uitvoeren, of de werken, installaties en inrichtingen herstellen of laten herstellen, zonder de overtreder daartoe vooraf aan te manen, in gevallen van dringende spoed of wanneer de dwingende eisen van de openbare dienst zulks rechtvaardigen.
In alle gevallen is de overtreder gedwongen tot de terugbetaling van alle uitvoeringskosten op overlegging van een gewone staat opgemaakt door de beheerder die voor de uitvoering heeft gezorgd of laten zorgen.
§ 3. De Regering bepaalt de specifieke modaliteiten inzake publiciteit, informatie en beroep met betrekking tot beslissingen genomen krachtens paragraaf 1, lid 1.
De specifieke publiciteitsmodaliteiten moeten minstens voorzien in een kennisgeving van de beslissing aan de eigenaars van de betrokken percelen en kunstwerken.
De in lid 2 bedoelde kennisgeving bevat minstens de volgende gegevens:
1° de redenen voor het uitvoeren van de werken, installaties of inrichtingen, alsook de omvang van de erfdienstbaarheid van openbaar nut en het betrokken algemeen belang;
2° de rechtsmiddelen waarover de eigenaar beschikt.]1
Art. D44/1. [1 § 1er. Dans l'intérêt général et afin de réaliser les objectifs fixés aux articles D.1, § 2, alinéa 1er, 5°, le Gouvernement peut autoriser les gestionnaires de cours d'eau à exécuter ou faire exécuter tous travaux, installations et aménagements aux parcelles et ouvrages qui ne lui appartiennent pas, présents sous, dans ou au-dessus du lit mineur d'un cours d'eau ou à moins de six mètres de la crête de berge, sans modifier l'usage auquel ils sont affectés et sans dépossession.
Les ouvrages et parcelles n'appartenant pas aux gestionnaires demeurent à charge de leur propriétaire après exécution des travaux, installations et aménagements. Les propriétaires restent tenus des obligations prévues au présent titre vis-à-vis des actes et travaux, installations et aménagement réalisés en vertu de l'alinéa 1er.
Il est interdit de poser tout acte de nature à nuire aux travaux, installations et aménagements visés à l'alinéa 1er.
Le Gouvernement peut mettre une partie de la dépense des travaux visés à l'alinéa 1er à charge des personnes de droit privé ou public qui bénéficient de ces travaux ou qui les ont rendus nécessaires.
§ 2. En cas de violation des interdictions et prescriptions prévues par ou en vertu du présent article, le gestionnaire met en demeure le contrevenant de mettre fin à l'irrégularité par l'exécution de travaux et, si nécessaire, de remettre ou faire remettre les ouvrages y établis et les parcelles en état. Cette mise en demeure est adressée par envoi recommandé avec accusé de réception ou par remise contre récépissé et précise le délai imparti au contrevenant pour s'exécuter.
En l'absence de mise en conformité ou de remise en état dans le délai imparti, le gestionnaire peut y procéder lui-même ou y faire procéder.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le gestionnaire peut d'office exécuter ou faire exécuter ces travaux ou remettre ou faire remettre les ouvrages, installations et aménagements en état, sans au préalable mettre en demeure le contrevenant à cet effet, en cas d'extrême urgence ou lorsque les nécessités impératives du service public le justifient.
Dans tous les cas visés au présent paragraphe, le contrevenant est contraint au remboursement de tous les frais d'exécution sur simple état dressé par le gestionnaire qui a procédé ou fait procéder à l'exécution.
§ 3. Le Gouvernement détermine les modalités particulières de publicité, d'information et de recours relatives aux décisions prises en vertu du paragraphe 1er, alinéa 1er.
Les modalités particulières de publicité prévoient, au minimum, une notification de la décision aux propriétaires des parcelles et ouvrages concernés.
La notification visée à l'alinéa 2 contient au minimum les éléments suivants :
1° les motifs qui justifient l'exécution des travaux, installations ou aménagements ainsi que l'étendue de la servitude d'utilité publique et l'intérêt général rencontré;
2° les voies de recours dont dispose le propriétaire. ]1
Les ouvrages et parcelles n'appartenant pas aux gestionnaires demeurent à charge de leur propriétaire après exécution des travaux, installations et aménagements. Les propriétaires restent tenus des obligations prévues au présent titre vis-à-vis des actes et travaux, installations et aménagement réalisés en vertu de l'alinéa 1er.
Il est interdit de poser tout acte de nature à nuire aux travaux, installations et aménagements visés à l'alinéa 1er.
Le Gouvernement peut mettre une partie de la dépense des travaux visés à l'alinéa 1er à charge des personnes de droit privé ou public qui bénéficient de ces travaux ou qui les ont rendus nécessaires.
§ 2. En cas de violation des interdictions et prescriptions prévues par ou en vertu du présent article, le gestionnaire met en demeure le contrevenant de mettre fin à l'irrégularité par l'exécution de travaux et, si nécessaire, de remettre ou faire remettre les ouvrages y établis et les parcelles en état. Cette mise en demeure est adressée par envoi recommandé avec accusé de réception ou par remise contre récépissé et précise le délai imparti au contrevenant pour s'exécuter.
En l'absence de mise en conformité ou de remise en état dans le délai imparti, le gestionnaire peut y procéder lui-même ou y faire procéder.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le gestionnaire peut d'office exécuter ou faire exécuter ces travaux ou remettre ou faire remettre les ouvrages, installations et aménagements en état, sans au préalable mettre en demeure le contrevenant à cet effet, en cas d'extrême urgence ou lorsque les nécessités impératives du service public le justifient.
Dans tous les cas visés au présent paragraphe, le contrevenant est contraint au remboursement de tous les frais d'exécution sur simple état dressé par le gestionnaire qui a procédé ou fait procéder à l'exécution.
§ 3. Le Gouvernement détermine les modalités particulières de publicité, d'information et de recours relatives aux décisions prises en vertu du paragraphe 1er, alinéa 1er.
Les modalités particulières de publicité prévoient, au minimum, une notification de la décision aux propriétaires des parcelles et ouvrages concernés.
La notification visée à l'alinéa 2 contient au minimum les éléments suivants :
1° les motifs qui justifient l'exécution des travaux, installations ou aménagements ainsi que l'étendue de la servitude d'utilité publique et l'intérêt général rencontré;
2° les voies de recours dont dispose le propriétaire. ]1
Art. D45. [1 De beheerder van de onbevaarbare waterloop verzoekt om de naleving van bepaalde voorwaarden, de uitvoering van werken of, bij gebreke daarvan, het wegruimen van kunstwerken toegelaten vóór de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, indien deze kunstwerken een ernstige bedreiging vormen :
1° voor de openbare veiligheid of ter voorkoming van overstromingsgevaar;
2° voor het aquatische milieu, met name wanneer het wordt onderworpen aan kritieke hydromorfologische omstandigheden die onverenigbaar zijn met de bescherming, verbetering of het herstel ervan.
Behoudens speciaal gemotiveerde dringende noodzakelijkheid, biedt de beheerder aan elk van de eigenaars van de betrokken kunstwerken de gelegenheid om hun opmerkingen te laten gelden. De Regering bepaalt de modaliteiten van de procedure.
Bij gebrek aan uitvoering binnen de voorgeschreven termijn kan de beheerder dit zelf uitvoeren of laten uitvoeren. In dit geval is de eigenaar gedwongen tot de terugbetaling van alle uitvoeringskosten op overlegging van een gewone staat opgemaakt door de beheerder die voor de uitvoering heeft gezorgd.]1
1° voor de openbare veiligheid of ter voorkoming van overstromingsgevaar;
2° voor het aquatische milieu, met name wanneer het wordt onderworpen aan kritieke hydromorfologische omstandigheden die onverenigbaar zijn met de bescherming, verbetering of het herstel ervan.
Behoudens speciaal gemotiveerde dringende noodzakelijkheid, biedt de beheerder aan elk van de eigenaars van de betrokken kunstwerken de gelegenheid om hun opmerkingen te laten gelden. De Regering bepaalt de modaliteiten van de procedure.
Bij gebrek aan uitvoering binnen de voorgeschreven termijn kan de beheerder dit zelf uitvoeren of laten uitvoeren. In dit geval is de eigenaar gedwongen tot de terugbetaling van alle uitvoeringskosten op overlegging van een gewone staat opgemaakt door de beheerder die voor de uitvoering heeft gezorgd.]1
Art. D45. [1 Le gestionnaire du cours d'eau non navigable sollicite le respect de certaines conditions, l'exécution de travaux ou à défaut la suppression des ouvrages autorisés avant la date d'entrée en vigueur du présent chapitre, lorsque ces ouvrages présentent une menace grave :
1° pour la sécurité publique ou pour prévenir le risque d'inondations;
2° pour le milieu aquatique, et notamment lorsque celui-ci est soumis à des conditions hydromorphologiques critiques incompatibles avec sa protection, son amélioration ou sa restauration.
Sauf urgence spécialement motivée, le gestionnaire donne à chacun des propriétaires des ouvrages concernés la possibilité de faire valoir leurs observations. Le Gouvernement fixe les modalités de la procédure.
En l'absence d'exécution dans le délai imparti, le gestionnaire peut y procéder lui-même ou y faire procéder. Dans ce cas, le propriétaire est contraint au remboursement de tous les frais d'exécution sur simple état dressé par le gestionnaire qui a procédé à l'exécution.]1
1° pour la sécurité publique ou pour prévenir le risque d'inondations;
2° pour le milieu aquatique, et notamment lorsque celui-ci est soumis à des conditions hydromorphologiques critiques incompatibles avec sa protection, son amélioration ou sa restauration.
Sauf urgence spécialement motivée, le gestionnaire donne à chacun des propriétaires des ouvrages concernés la possibilité de faire valoir leurs observations. Le Gouvernement fixe les modalités de la procédure.
En l'absence d'exécution dans le délai imparti, le gestionnaire peut y procéder lui-même ou y faire procéder. Dans ce cas, le propriétaire est contraint au remboursement de tous les frais d'exécution sur simple état dressé par le gestionnaire qui a procédé à l'exécution.]1
Wijzigingen
Art. D45/1. [1 In geval van schade ten gevolge van overmacht, met inbegrip van door de Regering erkende natuurrampen, mag de beheerder ambtshalve andere werken dan de onderhouds- en herstellingswerken bedoeld in artikel D.39 (laten) uitvoeren, aan bestaande kunstwerken die hem niet toebehoren, al dan niet vergund door de beheerder krachtens artikel D.40 of krachtens vroegere wetgeving, aanwezig onder, in of boven de kleine bedding van de waterloop, zonder voorafgaandelijke ingebrekestelling van de eigenaar, in gevallen van uiterste hoogdringendheid of wanneer de dwingende noden van de openbare dienst het rechtvaardigen.
De kunstwerken die niet toebehoren aan de beheerder blijven in alle gevallen de verantwoordelijkheid van hun eigenaar, zonder beschouwd te worden als regularisatie van niet-toegestane kunstwerken, en de eigenaar kan verplicht worden om alle uitvoeringskosten terug te betalen op overlegging van een gewone staat opgemaakt door de beheerder die voor de uitvoering heeft gezorgd of laten zorgen.]1
De kunstwerken die niet toebehoren aan de beheerder blijven in alle gevallen de verantwoordelijkheid van hun eigenaar, zonder beschouwd te worden als regularisatie van niet-toegestane kunstwerken, en de eigenaar kan verplicht worden om alle uitvoeringskosten terug te betalen op overlegging van een gewone staat opgemaakt door de beheerder die voor de uitvoering heeft gezorgd of laten zorgen.]1
Art. D45/1. [1 Pour tous dommages résultant d'un cas de force majeure, dont les calamités naturelles reconnues par le Gouvernement, le gestionnaire peut d'office exécuter ou faire exécuter conservatoirement tous travaux autres que les travaux d'entretien et de réparation visés à l'article D.39, à des ouvrages existants qui ne lui appartiennent pas, autorisés ou non par le gestionnaire en vertu de l'article D.40 ou d'une législation antérieure, présents sous, dans ou au-dessus du lit mineur du cours d'eau, sans au préalable mettre en demeure son propriétaire à cet effet, en cas d'extrême urgence ou lorsque les nécessités impératives du service public le justifient.
Les ouvrages n'appartenant pas au gestionnaire demeurent dans tous les cas à charge de leur propriétaire, sans valoir régularisation d'ouvrages non autorisés, et celui-ci peut être contraint au remboursement de tous les frais d'exécution sur simple état dressé par le gestionnaire qui a procédé ou fait procéder à l'exécution. ]1
Les ouvrages n'appartenant pas au gestionnaire demeurent dans tous les cas à charge de leur propriétaire, sans valoir régularisation d'ouvrages non autorisés, et celui-ci peut être contraint au remboursement de tous les frais d'exécution sur simple état dressé par le gestionnaire qui a procédé ou fait procéder à l'exécution. ]1
Art. D46. [1 Tegen de beslissingen genomen krachtens de artikelen D. 33/12, D. 38, D. 39, derde lid, D. 40, § 3, D. 41, tweede lid, D. 41/2, paragrafen 2 en 3, D. 45, derde lid [2 , D.44/1, § 2, vierde lid, D.45/1, tweede lid,]2 en D. 47, kan beroep worden ingesteld bij de Regering.
Op straffe van nietigheid wordt het beroep ingediend binnen twintig dagen na de kennisgeving van de beslissing of na de aanplakking van de beslissing op de gebruikelijke plaatsen in de betrokken gemeente(n). Indien de beslissing in meerdere gemeenten wordt aangeplakt, wordt de termijn verlengd tot de twintigste dag volgend op de eerste dag van de aanplakking in de gemeente die als laatste de beslissing heeft aangeplakt.
De Regering bepaalt de modaliteiten voor de indiening en de behandeling van het beroep.
De Regering stuurt haar beslissing aan de aanvrager binnen honderdtwintig dagen, te rekenen vanaf de eerste dag na ontvangst van het beroep of, in het geval van meervoudige beroepen, vanaf de eerste dag na ontvangst van het laatste beroep.
Als de beslissing niet binnen de in het vierde lid voorgeschreven termijn wordt verstuurd, wordt de in eerste instantie genomen beslissing bevestigd.]1
Op straffe van nietigheid wordt het beroep ingediend binnen twintig dagen na de kennisgeving van de beslissing of na de aanplakking van de beslissing op de gebruikelijke plaatsen in de betrokken gemeente(n). Indien de beslissing in meerdere gemeenten wordt aangeplakt, wordt de termijn verlengd tot de twintigste dag volgend op de eerste dag van de aanplakking in de gemeente die als laatste de beslissing heeft aangeplakt.
De Regering bepaalt de modaliteiten voor de indiening en de behandeling van het beroep.
De Regering stuurt haar beslissing aan de aanvrager binnen honderdtwintig dagen, te rekenen vanaf de eerste dag na ontvangst van het beroep of, in het geval van meervoudige beroepen, vanaf de eerste dag na ontvangst van het laatste beroep.
Als de beslissing niet binnen de in het vierde lid voorgeschreven termijn wordt verstuurd, wordt de in eerste instantie genomen beslissing bevestigd.]1
Art. D46. [1 Un recours au Gouvernement peut être exercé contre les décisions prises en vertu des articles D. 33/12, D. 38, D. 39, alinéa 3, D. 40, § 3, D. 41, alinéa 2, D. 41/2, paragraphes 2 et 3, D. 45, alinéa 3 [2 , D.44/1, § 2, alinéa 4, D.45/1, alinéa 2,]2 et D. 47.
A peine de forclusion, le recours est introduit dans les vingt jours à partir de la notification de la décision ou à partir de l'affichage de la décision aux endroits habituels dans la ou les communes concernées. Si la décision est affichée dans plusieurs communes, le délai est prolongé jusqu'au vingtième jour suivant le premier jour de l'affichage dans la commune qui y a procédé la dernière.
Le Gouvernement détermine les modalités d'introduction et d'instruction du recours.
Le Gouvernement envoie sa décision au requérant dans les cent vingt jours, à partir du premier jour suivant la réception du recours, ou en cas de pluralité de recours, à dater du premier jour suivant la réception du dernier recours.
A défaut d'envoi de la décision dans le délai visé à l'alinéa 4, la décision prise en première instance est confirmée.]1
A peine de forclusion, le recours est introduit dans les vingt jours à partir de la notification de la décision ou à partir de l'affichage de la décision aux endroits habituels dans la ou les communes concernées. Si la décision est affichée dans plusieurs communes, le délai est prolongé jusqu'au vingtième jour suivant le premier jour de l'affichage dans la commune qui y a procédé la dernière.
Le Gouvernement détermine les modalités d'introduction et d'instruction du recours.
Le Gouvernement envoie sa décision au requérant dans les cent vingt jours, à partir du premier jour suivant la réception du recours, ou en cas de pluralité de recours, à dater du premier jour suivant la réception du dernier recours.
A défaut d'envoi de la décision dans le délai visé à l'alinéa 4, la décision prise en première instance est confirmée.]1
Art. D47. [1 Dit hoofdstuk is van toepassing op de wateringen die zich op een waterloop bevinden :
1° van eerste categorie;
2° van tweede of derde categorie, behalve wat betreft de werken die krachtens de artikelen D. 132 tot en met D. 138 door de wateringen moeten worden uitgevoerd. Op voorafgaand verzoek kunnen de wateringen evenwel van de beheerder van de waterlopen van tweede of derde categorie de toepassing verkrijgen van artikel D. 38 voor de tenlasteneming van de kosten betreffende de onderhouds- en kleine herstelwerken.]1
1° van eerste categorie;
2° van tweede of derde categorie, behalve wat betreft de werken die krachtens de artikelen D. 132 tot en met D. 138 door de wateringen moeten worden uitgevoerd. Op voorafgaand verzoek kunnen de wateringen evenwel van de beheerder van de waterlopen van tweede of derde categorie de toepassing verkrijgen van artikel D. 38 voor de tenlasteneming van de kosten betreffende de onderhouds- en kleine herstelwerken.]1
Art. D47. [1 Le présent chapitre est d'application dans les wateringues situées sur un cours d'eau :
1° de première catégorie;
2° de deuxième ou de troisième catégorie, sauf en ce qui concerne les travaux à exécuter par les wateringues en vertu des articles D. 132 à D. 138. Sur demande préalable, les wateringues peuvent néanmoins obtenir du gestionnaire du cours d'eau de deuxième ou de troisième catégorie, le bénéfice de l'application de l'article D. 38 pour la prise en charge des frais relatifs aux travaux d'entretien et de petite réparation.]1
1° de première catégorie;
2° de deuxième ou de troisième catégorie, sauf en ce qui concerne les travaux à exécuter par les wateringues en vertu des articles D. 132 à D. 138. Sur demande préalable, les wateringues peuvent néanmoins obtenir du gestionnaire du cours d'eau de deuxième ou de troisième catégorie, le bénéfice de l'application de l'article D. 38 pour la prise en charge des frais relatifs aux travaux d'entretien et de petite réparation.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK III.
CHAPITRE III.
Afdeling 1.
Section 1re.
Art. D48.
Art. D48.
Art. D49.
Art. D49.
Afdeling 2.
Section 2.
Art. D50.
Art. D50.
Afdeling 3.
Section 3.
Art. D51.
Art. D51.
HOOFDSTUK IV. [1 Ongeklasserde waterlopen]1
CHAPITRE IV. [1 Cours d'eau non classés]1
Art. D52. [1 De Regering stelt de politionele en beheersregels vast die van toepassing zijn op ongeklasseerde waterlopen, met name wat betreft :
1° het onderhoud en de kleine herstellingen van deze waterlopen;
2° de werken zoals verdieping, verbreding, herstel en in het algemeen alle wijzigingen onder, in of boven de zomerbedding van deze waterlopen of de daarin gevestigde kunstwerken, alsook de verwijdering of aanleg van dergelijke waterlopen;
3° de vergunningen die vereist zijn voor het planten en bouwen van gebouwen langs deze waterlopen;
4° het verbod om op enigerlei wijze het vrij rondzwemmen van de vissen of de waterafvoer te belemmeren, of om de normale toestand van de ongeklasserde waterloop, zijn oevers of de kunstwerken die zich daarop bevinden te beschadigen;
5° het wegnemen van een hindernis voor het vrije rondzwemmen van de vissen of de aan een dergelijk kunstwerk te verrichten inrichtingswerken;
De Regering stelt overtredingen van de derde of vierde categorie vast in de zin van artikel D. 151 van boek I van dit Wetboek.]1
1° het onderhoud en de kleine herstellingen van deze waterlopen;
2° de werken zoals verdieping, verbreding, herstel en in het algemeen alle wijzigingen onder, in of boven de zomerbedding van deze waterlopen of de daarin gevestigde kunstwerken, alsook de verwijdering of aanleg van dergelijke waterlopen;
3° de vergunningen die vereist zijn voor het planten en bouwen van gebouwen langs deze waterlopen;
4° het verbod om op enigerlei wijze het vrij rondzwemmen van de vissen of de waterafvoer te belemmeren, of om de normale toestand van de ongeklasserde waterloop, zijn oevers of de kunstwerken die zich daarop bevinden te beschadigen;
5° het wegnemen van een hindernis voor het vrije rondzwemmen van de vissen of de aan een dergelijk kunstwerk te verrichten inrichtingswerken;
De Regering stelt overtredingen van de derde of vierde categorie vast in de zin van artikel D. 151 van boek I van dit Wetboek.]1
Art. D52. [1 Le Gouvernement fixe les règles de police et de gestion applicables aux cours d'eau non classés, notamment en ce qui concerne :
1° l'entretien et la petite réparation de ces cours d'eau;
2° les travaux tels qu'approfondissement, élargissement, rectification et généralement toutes modifications sous, dans ou au-dessus du lit mineur de ces cours d'eau ou des ouvrages y établis, ainsi que la suppression ou la création de tels cours d'eau;
3° les autorisations requises pour les plantations et pour la construction de bâtiments le long de ces cours d'eau;
4° l'interdiction d'entraver, de quelque façon que ce soit, la libre circulation des poissons ou l'écoulement de l'eau, ou d'endommager l'état normal du cours d'eau non classé, de ses berges ou des ouvrages qui s'y trouvent;
5° la suppression d'un obstacle à la libre circulation des poissons ou les travaux d'aménagement à réaliser sur un tel ouvrage;
Le Gouvernement établit des infractions de troisième ou de quatrième catégorie au sens de l'article D. 151 du livre Ier du présent Code.]1
1° l'entretien et la petite réparation de ces cours d'eau;
2° les travaux tels qu'approfondissement, élargissement, rectification et généralement toutes modifications sous, dans ou au-dessus du lit mineur de ces cours d'eau ou des ouvrages y établis, ainsi que la suppression ou la création de tels cours d'eau;
3° les autorisations requises pour les plantations et pour la construction de bâtiments le long de ces cours d'eau;
4° l'interdiction d'entraver, de quelque façon que ce soit, la libre circulation des poissons ou l'écoulement de l'eau, ou d'endommager l'état normal du cours d'eau non classé, de ses berges ou des ouvrages qui s'y trouvent;
5° la suppression d'un obstacle à la libre circulation des poissons ou les travaux d'aménagement à réaliser sur un tel ouvrage;
Le Gouvernement établit des infractions de troisième ou de quatrième catégorie au sens de l'article D. 151 du livre Ier du présent Code.]1
Wijzigingen
Art. D52 -1.[1 De in artikel 42/1 bedoelde verplichting is van toepassing wanneer de gronden die langs een ongeklasserde waterloop in de openlucht liggen en als weiland dienen, gelegen zijn in een gebied aangewezen krachtens de artikelen D.156 en D.157 van dit boek.]1
Art. D52 -1.[1 L'obligation prévue à l'article D. 42/1 s'applique lorsque les terres situées en bordure d'un cours d'eau non classé à ciel ouvert et servant de pâtures sont situées dans une zone désignée en vertu des articles D. 156 et D. 157 du présent livre.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK V. - [1 Bepalingen over beoordeling en beheer van overstromingsrisico's]1
CHAPITRE V. - [1 Dispositions relatives à l'évaluation et à la gestion des risques d'inondation]1
Afdeling 1. [1 - Doel]1
Section 1re. [1 - Objet]1
Art. D53 -1. [1 (vroeger art. D53)]1 [1 Met dit hoofdstuk wordt beoogd een kader voor de beoordeling en het beheer van overstromingsrisico's vast te stellen, ten einde de negatieve gevolgen die overstromingen voor de gezondheid van de mens, het milieu, het cultureel erfgoed en de economische bedrijvigheid met zich brengen, te beperken.
Elk Waals stroomgebied wordt beschouwd als een gebied waarvoor een potentieel significant overstromingsrisico bestaat of kan worden verwacht.]1
Elk Waals stroomgebied wordt beschouwd als een gebied waarvoor een potentieel significant overstromingsrisico bestaat of kan worden verwacht.]1
Art. D53 -1. [1 (ancien art. D53)]1 [1 Le présent chapitre a pour objet d'établir un cadre pour l'évaluation et la gestion des risques d'inondation, qui vise à réduire les conséquences négatives pour la santé humaine, l'environnement, le patrimoine culturel et l'activité économique associées aux inondations.
Chaque bassin hydrographique wallon est considéré comme une zone pour laquelle des risques potentiels importants d'inondation existent ou dont la matérialisation peut être considérée comme probable.]1
Chaque bassin hydrographique wallon est considéré comme une zone pour laquelle des risques potentiels importants d'inondation existent ou dont la matérialisation peut être considérée comme probable.]1
Wijzigingen
Afdeling 2. - [1 Kaarten van de gebieden waar gevaar voor overstroming bestaat en kaarten van het risico voor schade te wijten aan de overstromingen]1
Section 2. - [1 Cartes des zones soumises à l'aléa d'inondation et cartes du risque de dommages dus aux inondations]1
Art. D53 -2. [1 § 1. De stroomgebiedsoverheid bedoeld in artikel D.11, § 2, stelt op het niveau van elk Waals stroomgebied, een kaart van de gebieden waar gevaar voor overstroming bestaat en een kaart van het risico voor schade te wijten aan de overstromingen met de meest geschikte schaal op, uiterlijk op 22 december 2013.
§ 2. Het opstellen van kaarten van de gebieden waar gevaar voor overstroming bestaat en van kaarten van het risico voor schade te wijten aan de overstromingen, voor de gebieden gedeeld tussen het Waalse Gewest en een aangrenzend gewest of een aangrenzende Staat, vastgesteld overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2007/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 over beoordeling en beheer van overstromingsrisico's, maakt het voorwerp uit van een voorafgaande uitwisseling van informatie met de bevoegde overheden van de betrokken Staten en Gewesten.
§ 3. De kaarten van de gebieden waar gevaar voor overstroming bestaat, hebben betrekking op de geografische gebieden die volgens de volgende scenario's kunnen worden overstroomd :
a) kleine kans op overstromingen of scenario's van buitengewone gebeurtenissen;
b) middelgrote kans op overstromingen (herhalingsperiode => 100 jaar);
c) grote kans op overstromingen, indien van toepassing.
§ 4. Voor elk van de in § 3 bedoelde scenario's worden de volgende gegevens vermeld :
a) de omvang van de overstroming;
b) de waterdiepte of, indien van toepassing, het waterniveau;
c) de stroomsnelheid of het betrokken waterdebiet, indien van toepassing.
§ 5. De kaarten van het risico voor schade te wijten aan de overstromingen moeten aan de hand van de volgende gegevens een beeld geven van de potentiële negatieve gevolgen van overstromingen in het kader van de in § 3 bedoelde scenario's :
a) het indicatieve aantal potentieel getroffen inwoners;
b) het type economische bedrijvigheid van het potentieel getroffen gebied;
c) de installaties bedoeld in punt 1.1 tot 1.6.8 van bijlage I bij het decretaal gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek, die in geval van overstroming voor incidentele verontreiniging kunnen zorgen en de volgende beschermde gebieden die potentieel getroffen kunnen zijn :
1° de gebieden die overeenkomstig artikel D.156 zijn aangewezen voor de winning van voor menselijke consumptie bestemd oppervlaktewater en de preventie- en monitoringsgebieden die overeenkomstig de artikelen D.172 en D.175 zijn vastgelegd voor de winning van voor menselijke consumptie bestemd grond- of oppervlaktewater;
2° de waterlichamen die zijn aangeduid als recreatiewater, met inbegrip van de zwemzones die krachtens artikel D.156 worden aangewezen;
3° de gebieden die als beschermingszones van de habitats en soorten zijn aangewezen en waar de instandhouding of verbetering van de watertoestand een belangrijke factor van deze bescherming vormt, met name de Natura 2000-locaties;
d) andere informatie die de stroomgebiedsoverheid nuttig acht, zoals de vermelding van gebieden waar overstromingen met een groot gehalte aan vervoerde sedimenten alsook puinstromen kunnen voorkomen, alsmede informatie over andere belangrijke bronnen van vervuiling.
§ 6. Ten aanzien van gebieden waar overstroming door grondwater wordt veroorzaakt, worden de kaarten van de gebieden waar gevaar voor overstroming bestaat uitsluitend opgesteld met betrekking tot het in paragraaf 3, onder a), bedoelde scenario.
§ 7. Binnen drie maanden te rekenen van de dag waarop ze worden opgesteld en bijgesteld, stelt de stroomgebiedsoverheid afschriften van de kaarten van de gebieden waar gevaar voor overstroming bestaat en van de kaarten van het risico voor schade te wijten aan de overstromingen en van hun bijstellingen ter beschikking van de Europese Commissie en de betrokken lidstaten en Gewesten.
§ 8. De kaarten van de gebieden waar gevaar voor overstroming bestaat en de kaarten van het risico voor schade te wijten aan de overstromingen worden uiterlijk op 22 december 2019 en daarna om de zes jaar getoetst en zo nodig bijgesteld. Tijdens deze toetsing wordt rekening gehouden met het vermoedelijke effect van de klimaatverandering op het plaatsvinden van overstromingen.
§ 9. De kaarten bedoeld in dit artikel kunnen ook ingekeken worden op de Internetsite "Portail environnement" (Milieuportaal) van het Waalse Gewest.]1
§ 2. Het opstellen van kaarten van de gebieden waar gevaar voor overstroming bestaat en van kaarten van het risico voor schade te wijten aan de overstromingen, voor de gebieden gedeeld tussen het Waalse Gewest en een aangrenzend gewest of een aangrenzende Staat, vastgesteld overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2007/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 over beoordeling en beheer van overstromingsrisico's, maakt het voorwerp uit van een voorafgaande uitwisseling van informatie met de bevoegde overheden van de betrokken Staten en Gewesten.
§ 3. De kaarten van de gebieden waar gevaar voor overstroming bestaat, hebben betrekking op de geografische gebieden die volgens de volgende scenario's kunnen worden overstroomd :
a) kleine kans op overstromingen of scenario's van buitengewone gebeurtenissen;
b) middelgrote kans op overstromingen (herhalingsperiode => 100 jaar);
c) grote kans op overstromingen, indien van toepassing.
§ 4. Voor elk van de in § 3 bedoelde scenario's worden de volgende gegevens vermeld :
a) de omvang van de overstroming;
b) de waterdiepte of, indien van toepassing, het waterniveau;
c) de stroomsnelheid of het betrokken waterdebiet, indien van toepassing.
§ 5. De kaarten van het risico voor schade te wijten aan de overstromingen moeten aan de hand van de volgende gegevens een beeld geven van de potentiële negatieve gevolgen van overstromingen in het kader van de in § 3 bedoelde scenario's :
a) het indicatieve aantal potentieel getroffen inwoners;
b) het type economische bedrijvigheid van het potentieel getroffen gebied;
c) de installaties bedoeld in punt 1.1 tot 1.6.8 van bijlage I bij het decretaal gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek, die in geval van overstroming voor incidentele verontreiniging kunnen zorgen en de volgende beschermde gebieden die potentieel getroffen kunnen zijn :
1° de gebieden die overeenkomstig artikel D.156 zijn aangewezen voor de winning van voor menselijke consumptie bestemd oppervlaktewater en de preventie- en monitoringsgebieden die overeenkomstig de artikelen D.172 en D.175 zijn vastgelegd voor de winning van voor menselijke consumptie bestemd grond- of oppervlaktewater;
2° de waterlichamen die zijn aangeduid als recreatiewater, met inbegrip van de zwemzones die krachtens artikel D.156 worden aangewezen;
3° de gebieden die als beschermingszones van de habitats en soorten zijn aangewezen en waar de instandhouding of verbetering van de watertoestand een belangrijke factor van deze bescherming vormt, met name de Natura 2000-locaties;
d) andere informatie die de stroomgebiedsoverheid nuttig acht, zoals de vermelding van gebieden waar overstromingen met een groot gehalte aan vervoerde sedimenten alsook puinstromen kunnen voorkomen, alsmede informatie over andere belangrijke bronnen van vervuiling.
§ 6. Ten aanzien van gebieden waar overstroming door grondwater wordt veroorzaakt, worden de kaarten van de gebieden waar gevaar voor overstroming bestaat uitsluitend opgesteld met betrekking tot het in paragraaf 3, onder a), bedoelde scenario.
§ 7. Binnen drie maanden te rekenen van de dag waarop ze worden opgesteld en bijgesteld, stelt de stroomgebiedsoverheid afschriften van de kaarten van de gebieden waar gevaar voor overstroming bestaat en van de kaarten van het risico voor schade te wijten aan de overstromingen en van hun bijstellingen ter beschikking van de Europese Commissie en de betrokken lidstaten en Gewesten.
§ 8. De kaarten van de gebieden waar gevaar voor overstroming bestaat en de kaarten van het risico voor schade te wijten aan de overstromingen worden uiterlijk op 22 december 2019 en daarna om de zes jaar getoetst en zo nodig bijgesteld. Tijdens deze toetsing wordt rekening gehouden met het vermoedelijke effect van de klimaatverandering op het plaatsvinden van overstromingen.
§ 9. De kaarten bedoeld in dit artikel kunnen ook ingekeken worden op de Internetsite "Portail environnement" (Milieuportaal) van het Waalse Gewest.]1
Art. D53 -2. [1 § 1er. L'autorité de bassin visée à l'article D.11, § 2, arrête, à l'échelon de chaque bassin hydrographique wallon, une carte des zones soumises à l'aléa d'inondation et une carte du risque de dommages dus aux inondations, à l'échelle la plus appropriée, pour le 22 décembre 2013 au plus tard.
§ 2. L'élaboration de cartes des zones soumises à l'aléa d'inondation et de cartes du risque de dommages dus aux inondations pour les zones communes à la Région wallonne et à un Etat ou Région limitrophe répertoriées conformément à l'article 5 de la Directive 2007/60/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2007 relative à l'évaluation et à la gestion des risques d'inondation, fait l'objet d'un échange d'informations préalable avec les autorités compétentes des Etats et Régions concernés.
§ 3. Les cartes des zones soumises à l'aléa d'inondation couvrent les zones géographiques susceptibles d'être inondées selon les scénarios suivants :
a) crue de faible probabilité ou scénarios d'événements extrêmes;
b) crue de probabilité moyenne (période de retour probable supérieure ou égale à cent ans);
c) crue de forte probabilité, le cas échéant.
§ 4. Pour chaque scénario visé au § 3, les éléments suivants doivent apparaître :
a) l'étendue de l'inondation;
b) les hauteurs d'eau ou le niveau d'eau, selon le cas;
c) le cas échéant, la vitesse du courant ou le débit de crue correspondant.
§ 5. Les cartes du risque de dommages dus aux inondations montrent les conséquences négatives potentielles associées aux inondations dans les scénarios visés au § 3, et exprimées au moyen des paramètres suivants :
a) le nombre indicatif d'habitants potentiellement touchés;
b) les types d'activités économiques dans la zone potentiellement touchée;
c) les installations visées au point 1.1 à 1.6.8 de l'annexe 1re de la partie décrétale du Livre 1er du Code de l'Environnement, qui sont susceptibles de provoquer une pollution accidentelle en cas d'inondation, et les zones protégées potentiellement touchées suivantes :
1° les zones désignées pour le captage d'eau de surface potabilisable en application de l'article D.156 et les zones de prévention et de surveillance déterminées pour le captage d'eau souterraine ou de surface potabilisable en application des articles D.172 et D.175;
2° les masses d'eau désignées en tant qu'eaux de plaisance, y compris les zones de baignade désignées en vertu de l'article D.156;
3° les zones désignées comme zone de protection des habitats et des espèces et où le maintien ou l'amélioration de l'état des eaux constitue un facteur important de cette protection, notamment les sites Natura 2000;
d) les autres informations que l'autorité de bassin juge utiles, telles que l'indication des zones où peuvent se produire des inondations charriant un volume important de sédiments ou des débris, et des informations sur d'autres sources importantes de pollution.
§ 6. Pour les zones où les inondations sont dues aux eaux souterraines, l'élaboration de cartes des zones soumises à l'aléa d'inondation est limitée au scénario visé au paragraphe 3, point a).
§ 7. Dans les trois mois à dater du jour où elles ont été arrêtées ou mises à jour, l'autorité de bassin communique des copies des cartes des zones soumises à l'aléa d'inondation et les cartes du risque de dommages dus aux inondations et de leurs mises à jour à la Commission européenne et aux autres Etats membres et Régions concernés.
§ 8. Les cartes des zones soumises à l'aléa d'inondation et les cartes du risque de dommages dus aux inondations sont réexaminées et, si nécessaire, mises à jour pour le 22 décembre 2019 au plus tard et, par la suite, tous les six ans. L'incidence probable des changements climatiques sur la survenance des inondations est prise en compte lors de ce réexamen.
§ 9. Les cartes visées au présent article sont diffusées sur le site Internet Portail environnement de la Région wallonne.]1
§ 2. L'élaboration de cartes des zones soumises à l'aléa d'inondation et de cartes du risque de dommages dus aux inondations pour les zones communes à la Région wallonne et à un Etat ou Région limitrophe répertoriées conformément à l'article 5 de la Directive 2007/60/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2007 relative à l'évaluation et à la gestion des risques d'inondation, fait l'objet d'un échange d'informations préalable avec les autorités compétentes des Etats et Régions concernés.
§ 3. Les cartes des zones soumises à l'aléa d'inondation couvrent les zones géographiques susceptibles d'être inondées selon les scénarios suivants :
a) crue de faible probabilité ou scénarios d'événements extrêmes;
b) crue de probabilité moyenne (période de retour probable supérieure ou égale à cent ans);
c) crue de forte probabilité, le cas échéant.
§ 4. Pour chaque scénario visé au § 3, les éléments suivants doivent apparaître :
a) l'étendue de l'inondation;
b) les hauteurs d'eau ou le niveau d'eau, selon le cas;
c) le cas échéant, la vitesse du courant ou le débit de crue correspondant.
§ 5. Les cartes du risque de dommages dus aux inondations montrent les conséquences négatives potentielles associées aux inondations dans les scénarios visés au § 3, et exprimées au moyen des paramètres suivants :
a) le nombre indicatif d'habitants potentiellement touchés;
b) les types d'activités économiques dans la zone potentiellement touchée;
c) les installations visées au point 1.1 à 1.6.8 de l'annexe 1re de la partie décrétale du Livre 1er du Code de l'Environnement, qui sont susceptibles de provoquer une pollution accidentelle en cas d'inondation, et les zones protégées potentiellement touchées suivantes :
1° les zones désignées pour le captage d'eau de surface potabilisable en application de l'article D.156 et les zones de prévention et de surveillance déterminées pour le captage d'eau souterraine ou de surface potabilisable en application des articles D.172 et D.175;
2° les masses d'eau désignées en tant qu'eaux de plaisance, y compris les zones de baignade désignées en vertu de l'article D.156;
3° les zones désignées comme zone de protection des habitats et des espèces et où le maintien ou l'amélioration de l'état des eaux constitue un facteur important de cette protection, notamment les sites Natura 2000;
d) les autres informations que l'autorité de bassin juge utiles, telles que l'indication des zones où peuvent se produire des inondations charriant un volume important de sédiments ou des débris, et des informations sur d'autres sources importantes de pollution.
§ 6. Pour les zones où les inondations sont dues aux eaux souterraines, l'élaboration de cartes des zones soumises à l'aléa d'inondation est limitée au scénario visé au paragraphe 3, point a).
§ 7. Dans les trois mois à dater du jour où elles ont été arrêtées ou mises à jour, l'autorité de bassin communique des copies des cartes des zones soumises à l'aléa d'inondation et les cartes du risque de dommages dus aux inondations et de leurs mises à jour à la Commission européenne et aux autres Etats membres et Régions concernés.
§ 8. Les cartes des zones soumises à l'aléa d'inondation et les cartes du risque de dommages dus aux inondations sont réexaminées et, si nécessaire, mises à jour pour le 22 décembre 2019 au plus tard et, par la suite, tous les six ans. L'incidence probable des changements climatiques sur la survenance des inondations est prise en compte lors de ce réexamen.
§ 9. Les cartes visées au présent article sont diffusées sur le site Internet Portail environnement de la Région wallonne.]1
Afdeling 3. - [1 Overstromingsrisicobeheersplan]1
Section 3. - [1 Plan de gestion des risques d'inondation]1
A. [1 Beginselen en inhoud van het overstromingsrisicobeheersplan]1
A. [1 Principes et contenu du plan de gestion des risques d'inondation]1
Art. D53 -3. [1 § 1. Op basis van de in artikel D.53-2 bedoelde kaarten stelt de stroomgebiedsoverheid voor elk Waals stroomgebied een overstromingsrisicobeheersplan op.
Het overstromingsrisicobeheersplan van het Waals stroomgebied wordt opgesteld en bijgesteld overeenkomstig artikel D.53-4.
§ 2. De stroomgebiedsoverheid stelt adequate doelstellingen vast voor het beheer van de overstromingsrisico's waarbij aandacht wordt besteed aan de vermindering van de potentiële negatieve gevolgen van overstromingen voor de gezondheid van de mens, het milieu, het culturele erfgoed en de economische bedrijvigheid, en, indien nodig geacht, aan niet-structurele initiatieven en/of aan de vermindering van de kans op overstromingen.
§ 3. Overstromingsrisicobeheersplannen omvatten maatregelen om de overeenkomstig § 2 vastgestelde doelstellingen te verwezenlijken.
In overstromingsrisicobeheersplannen wordt rekening gehouden met een aantal relevante aspecten, zoals kosten en baten, de omvang van de overstroming, de waterafvoerroutes, de gebieden met het vermogen om overstromingswater vast te houden, zoals natuurlijke overstromingsgebieden en de gecontroleerde overstroming wanneer zich hoogwater voordoet, van bepaalde gronden gelegen langs een waterloop en begrensd door dijken, valleiranden of op andere wijze, de milieudoelstellingen bedoeld in artikel D.22, bestaande of beoogde kunstwerken langs de waterlopen en waterwegen, bodem- en waterbeheer, ruimtelijke ordening, grondgebruik, natuurbehoud, scheepvaart en haveninfrastructuur.
In overstromingsrisicobeheersplannen worden alle aspecten van overstromingsrisicobeheer behandeld, met speciale nadruk op preventie, bescherming en paraatheid, met inbegrip van systemen voor de voorspelling van en de vroegtijdige waarschuwing voor overstromingen en met speciale aandacht voor de kenmerken van het betrokken stroomgebied of deelstroomgebied. De overstromingsrisicobeheersplannen kunnen ook voorzien in de bevordering van een duurzaam landgebruik, de verbetering van de wateropvangcapaciteit.
§ 4. Deze overstromingsrisicobeheersplannen mogen geen maatregelen omvatten die door hun omvang en gevolgen leiden tot een aanzienlijke toename van het overstromingsrisico in stroomopwaarts of stroomafwaarts gelegen andere Gewesten of Staten die hetzelfde stroomgebied delen, tenzij deze maatregelen gecoördineerd werden en door de betrokken Gewesten en Lidstaten in het kader van artikel D.53-10 een overeengekomen oplossing bereikt werd.]1
Het overstromingsrisicobeheersplan van het Waals stroomgebied wordt opgesteld en bijgesteld overeenkomstig artikel D.53-4.
§ 2. De stroomgebiedsoverheid stelt adequate doelstellingen vast voor het beheer van de overstromingsrisico's waarbij aandacht wordt besteed aan de vermindering van de potentiële negatieve gevolgen van overstromingen voor de gezondheid van de mens, het milieu, het culturele erfgoed en de economische bedrijvigheid, en, indien nodig geacht, aan niet-structurele initiatieven en/of aan de vermindering van de kans op overstromingen.
§ 3. Overstromingsrisicobeheersplannen omvatten maatregelen om de overeenkomstig § 2 vastgestelde doelstellingen te verwezenlijken.
In overstromingsrisicobeheersplannen wordt rekening gehouden met een aantal relevante aspecten, zoals kosten en baten, de omvang van de overstroming, de waterafvoerroutes, de gebieden met het vermogen om overstromingswater vast te houden, zoals natuurlijke overstromingsgebieden en de gecontroleerde overstroming wanneer zich hoogwater voordoet, van bepaalde gronden gelegen langs een waterloop en begrensd door dijken, valleiranden of op andere wijze, de milieudoelstellingen bedoeld in artikel D.22, bestaande of beoogde kunstwerken langs de waterlopen en waterwegen, bodem- en waterbeheer, ruimtelijke ordening, grondgebruik, natuurbehoud, scheepvaart en haveninfrastructuur.
In overstromingsrisicobeheersplannen worden alle aspecten van overstromingsrisicobeheer behandeld, met speciale nadruk op preventie, bescherming en paraatheid, met inbegrip van systemen voor de voorspelling van en de vroegtijdige waarschuwing voor overstromingen en met speciale aandacht voor de kenmerken van het betrokken stroomgebied of deelstroomgebied. De overstromingsrisicobeheersplannen kunnen ook voorzien in de bevordering van een duurzaam landgebruik, de verbetering van de wateropvangcapaciteit.
§ 4. Deze overstromingsrisicobeheersplannen mogen geen maatregelen omvatten die door hun omvang en gevolgen leiden tot een aanzienlijke toename van het overstromingsrisico in stroomopwaarts of stroomafwaarts gelegen andere Gewesten of Staten die hetzelfde stroomgebied delen, tenzij deze maatregelen gecoördineerd werden en door de betrokken Gewesten en Lidstaten in het kader van artikel D.53-10 een overeengekomen oplossing bereikt werd.]1
Art. D53 -3. [1 § 1er. Sur la base des cartes visées à l'article D.53-2, l'autorité de bassin établit un plan de gestion des risques d'inondation de chaque bassin hydrographique wallon.
Le plan de gestion des risques d'inondation du bassin hydrographique wallon est élaboré et mis à jour conformément à l'article D.53-4.
§ 2. L'autorité de bassin définit des objectifs appropriés en matière de gestion des risques d'inondation en mettant l'accent sur la réduction des conséquences négatives potentielles d'une inondation pour la santé humaine, l'environnement, le patrimoine culturel et l'activité économique, et, si cela est jugé approprié, sur des initiatives non structurelles ou la réduction de la probabilité de survenance des inondations.
§ 3. Les plans de gestion des risques d'inondation comprennent des mesures pour atteindre les objectifs définis en vertu du § 2.
Les plans de gestion des risques d'inondation tiennent compte d'aspects pertinents tels que les coûts et avantages, l'étendue des inondations, les axes d'évacuation des eaux, les zones ayant la capacité de retenir les crues, comme les plaines d'inondation naturelles et l'inondation contrôlée, en cas d'épisode de crue, de certains terrains situés le long d'un cours d'eau et délimités par des digues, des bords de vallée ou autrement, les objectifs environnementaux visés à l'article D.22, les ouvrages d'art existants ou en projet le long des cours d'eau et des voies hydrauliques, la gestion des sols et des eaux, l'aménagement du territoire, l'occupation des sols, la conservation de la nature, la navigation et les infrastructures portuaires.
Les plans de gestion des risques d'inondation englobent tous les aspects de la gestion des risques d'inondation, en mettant l'accent sur la prévention, la protection et la préparation, y compris la prévision des inondations et les systèmes d'alerte précoce, et en tenant compte des caractéristiques du bassin hydrographique ou du sous-bassin considéré. Les plans de gestion des risques d'inondation peuvent également comprendre l'encouragement à des modes durables d'occupation des sols, l'amélioration de la rétention de l'eau.
§ 4. Ces plans de gestion des risques d'inondation ne peuvent comporter de mesures augmentant sensiblement, du fait de leur portée et de leur impact, les risques d'inondation en amont ou en aval dans d'autres Régions ou Etats partageant le même bassin hydrographique, à moins que ces mesures n'aient été coordonnées et qu'une solution ait été dégagée d'un commun accord entre les Régions et Etats membres concernés dans le cadre de l'article D.53-10.]1
Le plan de gestion des risques d'inondation du bassin hydrographique wallon est élaboré et mis à jour conformément à l'article D.53-4.
§ 2. L'autorité de bassin définit des objectifs appropriés en matière de gestion des risques d'inondation en mettant l'accent sur la réduction des conséquences négatives potentielles d'une inondation pour la santé humaine, l'environnement, le patrimoine culturel et l'activité économique, et, si cela est jugé approprié, sur des initiatives non structurelles ou la réduction de la probabilité de survenance des inondations.
§ 3. Les plans de gestion des risques d'inondation comprennent des mesures pour atteindre les objectifs définis en vertu du § 2.
Les plans de gestion des risques d'inondation tiennent compte d'aspects pertinents tels que les coûts et avantages, l'étendue des inondations, les axes d'évacuation des eaux, les zones ayant la capacité de retenir les crues, comme les plaines d'inondation naturelles et l'inondation contrôlée, en cas d'épisode de crue, de certains terrains situés le long d'un cours d'eau et délimités par des digues, des bords de vallée ou autrement, les objectifs environnementaux visés à l'article D.22, les ouvrages d'art existants ou en projet le long des cours d'eau et des voies hydrauliques, la gestion des sols et des eaux, l'aménagement du territoire, l'occupation des sols, la conservation de la nature, la navigation et les infrastructures portuaires.
Les plans de gestion des risques d'inondation englobent tous les aspects de la gestion des risques d'inondation, en mettant l'accent sur la prévention, la protection et la préparation, y compris la prévision des inondations et les systèmes d'alerte précoce, et en tenant compte des caractéristiques du bassin hydrographique ou du sous-bassin considéré. Les plans de gestion des risques d'inondation peuvent également comprendre l'encouragement à des modes durables d'occupation des sols, l'amélioration de la rétention de l'eau.
§ 4. Ces plans de gestion des risques d'inondation ne peuvent comporter de mesures augmentant sensiblement, du fait de leur portée et de leur impact, les risques d'inondation en amont ou en aval dans d'autres Régions ou Etats partageant le même bassin hydrographique, à moins que ces mesures n'aient été coordonnées et qu'une solution ait été dégagée d'un commun accord entre les Régions et Etats membres concernés dans le cadre de l'article D.53-10.]1
Art. D53 -4. [1 § 1. De eerste overstromingsrisicobeheersplannen bedoeld in artikel D.53-2 bevatten de volgende elementen :
1° de overeenkomstig artikel D.53-2 opgestelde kaarten van de gebieden waar gevaar voor overstroming bestaat en de kaarten van het risico voor schade te wijten aan de overstromingen en de conclusies uit die kaarten;
2° de beschrijving van de overeenkomstig artikel D. 53-3, vastgestelde en gepaste doelstellingen van het overstromingsrisicobeheer;
3° de samenvatting van de maatregelen en de prioriteit die deze hebben ter verwezenlijking van de gepaste doelstellingen van het overstromingsrisicobeheer, met inbegrip van de overeenkomstig artikel D.53-3 genomen maatregelen en de in het kader van andere regelgevingen genomen overstromingsgerelateerde maatregelen, met inbegrip van :
- de artikelen D.62 tot D.77 van Boek I betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particulieren projecten;
- de bepalingen betreffende het opvangen van de risico's inherent aan zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn, vervat in het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning;
- de artikelen D.52 tot D.61 van Boek I betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's;
- de artikelen D.1 en D.22 van Boek II;
4° indien beschikbaar, voor gedeelde stroomgebieden of deelstroomgebieden, een beschrijving van de door de betrokken lidstaten vastgestelde methodologie voor de kosten-batenanalyse die wordt gebruikt bij het beoordelen van maatregelen met grensoverschrijdende gevolgen.
§ 2. Het overstromingsrisicobeheersplan bevat een omschrijving van de uitvoering van het plan met :
1° de beschrijving van de prioriteiten en de wijze waarop de vorderingen bij de uitvoering van het plan zullen worden gevolgd;
2° de samenvatting van de maatregelen/acties op het gebied van publieke voorlichting en inspraak;
3° een lijst van bevoegde autoriteiten en eventueel een beschrijving van het proces ter coördinatie van de werkzaamheden binnen een internationaal stroomgebiedsdistrict, en van het proces ter coördinatie van de werkzaamheden met de bepalingen van Deel II van Boek II.
§ 3. De volgende bijstellingen van de overstromingsrisicobeheersplannen bevatten de volgende elementen :
1. wijzigingen of bijstellingen die zijn aangebracht na de bekendmaking van de vorige versie van het overstromingsrisicobeheersplan, met inbegrip van een samenvatting van de toetsingen van de kaarten van de gebieden waar gevaar voor overstroming bestaat en de kaarten van het risico voor schade te wijten aan de overstromingen en van het overstromingsrisicobeheersplan;
2° een beoordeling van de vooruitgang die met het oog op het verwezenlijken van de in artikel D.53-3 bedoelde doelstellingen is geboekt;
3. een beschrijving van de maatregelen uit de vorige versie van het overstromingsrisicobeheersplan die gepland waren, maar niet werden uitgevoerd, en een verklaring voor het niet-uitvoeren ervan;
4. een beschrijving van de extra maatregelen die zijn getroffen na de bekendmaking van de vorige versie van het overstromingsrisicobeheersplan.]1
1° de overeenkomstig artikel D.53-2 opgestelde kaarten van de gebieden waar gevaar voor overstroming bestaat en de kaarten van het risico voor schade te wijten aan de overstromingen en de conclusies uit die kaarten;
2° de beschrijving van de overeenkomstig artikel D. 53-3, vastgestelde en gepaste doelstellingen van het overstromingsrisicobeheer;
3° de samenvatting van de maatregelen en de prioriteit die deze hebben ter verwezenlijking van de gepaste doelstellingen van het overstromingsrisicobeheer, met inbegrip van de overeenkomstig artikel D.53-3 genomen maatregelen en de in het kader van andere regelgevingen genomen overstromingsgerelateerde maatregelen, met inbegrip van :
- de artikelen D.62 tot D.77 van Boek I betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particulieren projecten;
- de bepalingen betreffende het opvangen van de risico's inherent aan zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn, vervat in het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning;
- de artikelen D.52 tot D.61 van Boek I betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's;
- de artikelen D.1 en D.22 van Boek II;
4° indien beschikbaar, voor gedeelde stroomgebieden of deelstroomgebieden, een beschrijving van de door de betrokken lidstaten vastgestelde methodologie voor de kosten-batenanalyse die wordt gebruikt bij het beoordelen van maatregelen met grensoverschrijdende gevolgen.
§ 2. Het overstromingsrisicobeheersplan bevat een omschrijving van de uitvoering van het plan met :
1° de beschrijving van de prioriteiten en de wijze waarop de vorderingen bij de uitvoering van het plan zullen worden gevolgd;
2° de samenvatting van de maatregelen/acties op het gebied van publieke voorlichting en inspraak;
3° een lijst van bevoegde autoriteiten en eventueel een beschrijving van het proces ter coördinatie van de werkzaamheden binnen een internationaal stroomgebiedsdistrict, en van het proces ter coördinatie van de werkzaamheden met de bepalingen van Deel II van Boek II.
§ 3. De volgende bijstellingen van de overstromingsrisicobeheersplannen bevatten de volgende elementen :
1. wijzigingen of bijstellingen die zijn aangebracht na de bekendmaking van de vorige versie van het overstromingsrisicobeheersplan, met inbegrip van een samenvatting van de toetsingen van de kaarten van de gebieden waar gevaar voor overstroming bestaat en de kaarten van het risico voor schade te wijten aan de overstromingen en van het overstromingsrisicobeheersplan;
2° een beoordeling van de vooruitgang die met het oog op het verwezenlijken van de in artikel D.53-3 bedoelde doelstellingen is geboekt;
3. een beschrijving van de maatregelen uit de vorige versie van het overstromingsrisicobeheersplan die gepland waren, maar niet werden uitgevoerd, en een verklaring voor het niet-uitvoeren ervan;
4. een beschrijving van de extra maatregelen die zijn getroffen na de bekendmaking van de vorige versie van het overstromingsrisicobeheersplan.]1
Art. D53 -4. [1 § 1er. Les premiers plans de gestion des risques d'inondation visés à l'article D.53-2 contiennent les éléments suivants :
1° les cartes des zones soumises à l'aléa d'inondation et les cartes du risque de dommages dus aux inondations préparées conformément à l'article D.53-2, et les conclusions qui peuvent en être tirées;
2° la description des objectifs appropriés en matière de gestion des risques d'inondation, définis conformément à l'article D.53-3;
3° la synthèse et le degré de priorité des mesures visant à atteindre les objectifs appropriés en matière de gestion des risques d'inondation, y compris les mesures prises conformément à l'article D.53-3, et des mesures en matière de lutte contre les inondations prises en vertu d'autres réglementations y compris :
- les articles D.62 à D.77 du Livre 1er relatives l'évaluation des incidences de certains projets publics et privés sur l'environnement;
- les dispositions concernant la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dangereuses contenues dans le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement;
- les articles D.52 à D.61 du Livre 1er relatifs à l'évaluation des incidences de certains plans et programmes sur l'environnement;
- les articles D.1er et D.22 du Livre II;
4° lorsqu'elle existe, pour les bassins hydrographiques ou sous-bassins communs, la description de la méthode d'analyse coûts-avantages, définie par les Etats membres concernés, utilisée pour évaluer les mesures ayant des effets transnationaux.
§ 2. Le plan de gestion des risques d'inondation contient une description de la mise en oeuvre du plan comprenant :
1° la description des priorités définies et des modalités de suivi des progrès réalisés dans la mise en oeuvre du plan;
2° la synthèse des mesures et des actions prises pour l'information et la consultation du public;
3° la liste des autorités compétentes et, le cas échéant, la description du processus de coordination au sein de tout district hydrographique international ainsi que du processus de coordination avec les dispositions de la Partie II du Livre II.
§ 3. Les mises à jour ultérieures des plans de gestion des risques d'inondation comprennent les éléments suivants :
1° les modifications ou mises à jour intervenues depuis la publication de la version précédente du plan de gestion des risques d'inondation, y compris un résumé des réexamens effectués des cartes des zones soumises à l'aléa d'inondations et cartes du risque de dommages dus aux inondations et du plan de gestion des risques d'inondation;
2° l'évaluation des progrès accomplis dans la réalisation des objectifs définis conformément à l'article D.53-3;
3° la description et l'explication des mesures prévues dans la version précédente du plan de gestion des risques d'inondation, dont la réalisation était planifiée, mais qui n'ont pas été mises en oeuvre;
4° la description des mesures supplémentaires prises depuis la publication de la version précédente du plan de gestion des risques d'inondation.]1
1° les cartes des zones soumises à l'aléa d'inondation et les cartes du risque de dommages dus aux inondations préparées conformément à l'article D.53-2, et les conclusions qui peuvent en être tirées;
2° la description des objectifs appropriés en matière de gestion des risques d'inondation, définis conformément à l'article D.53-3;
3° la synthèse et le degré de priorité des mesures visant à atteindre les objectifs appropriés en matière de gestion des risques d'inondation, y compris les mesures prises conformément à l'article D.53-3, et des mesures en matière de lutte contre les inondations prises en vertu d'autres réglementations y compris :
- les articles D.62 à D.77 du Livre 1er relatives l'évaluation des incidences de certains projets publics et privés sur l'environnement;
- les dispositions concernant la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dangereuses contenues dans le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement;
- les articles D.52 à D.61 du Livre 1er relatifs à l'évaluation des incidences de certains plans et programmes sur l'environnement;
- les articles D.1er et D.22 du Livre II;
4° lorsqu'elle existe, pour les bassins hydrographiques ou sous-bassins communs, la description de la méthode d'analyse coûts-avantages, définie par les Etats membres concernés, utilisée pour évaluer les mesures ayant des effets transnationaux.
§ 2. Le plan de gestion des risques d'inondation contient une description de la mise en oeuvre du plan comprenant :
1° la description des priorités définies et des modalités de suivi des progrès réalisés dans la mise en oeuvre du plan;
2° la synthèse des mesures et des actions prises pour l'information et la consultation du public;
3° la liste des autorités compétentes et, le cas échéant, la description du processus de coordination au sein de tout district hydrographique international ainsi que du processus de coordination avec les dispositions de la Partie II du Livre II.
§ 3. Les mises à jour ultérieures des plans de gestion des risques d'inondation comprennent les éléments suivants :
1° les modifications ou mises à jour intervenues depuis la publication de la version précédente du plan de gestion des risques d'inondation, y compris un résumé des réexamens effectués des cartes des zones soumises à l'aléa d'inondations et cartes du risque de dommages dus aux inondations et du plan de gestion des risques d'inondation;
2° l'évaluation des progrès accomplis dans la réalisation des objectifs définis conformément à l'article D.53-3;
3° la description et l'explication des mesures prévues dans la version précédente du plan de gestion des risques d'inondation, dont la réalisation était planifiée, mais qui n'ont pas été mises en oeuvre;
4° la description des mesures supplémentaires prises depuis la publication de la version précédente du plan de gestion des risques d'inondation.]1
Art. D53 -5. [1 De stroomgebiedsoverheid kan beginnen met het opstellen van een overstromingsrisicobeheersplan voor elk Waals deelstroomgebied. Vervolgens worden deze plannen samengevoegd en, desgevallend, aangepast om het ontwerp van overstromingsrisicobeheersplan van het Waals stroomgebied te vormen en daarna het overstromingsrisicobeheersplan van het Waals stroomgebied.]1
Art. D53 -5. [1 L'autorité de bassin peut commencer par élaborer un plan de gestion des risques d'inondation à l'échelle de chaque sous-bassin hydrographique wallon. Ces plans sont ensuite agrégés et, le cas échéant, adaptés en vue de constituer le projet de plan de gestion des risques d'inondation du bassin hydrographique wallon puis le plan de gestion des risques d'inondation du bassin hydrographique wallon.]1
B. [1 Procedure voor het opstellen]1
B. [1 Procédure d'élaboration]1
Art. D53 -6.[1 § 1. D.stroomgebiedsoverheid stelt een ontwerp van beheersplan op met het oog op de opstelling van het overstromingsrisicobeheersplan bedoeld in artikel D.53-3.
In dezelfde tijd als ze de ontwerpen van beheersplan goedkeurt, onderwerpt de stroomgebiedsoverheid ze aan de milieueffectbeoordeling bedoeld in artikel D.53 van Boek I van het Milieuwetboek.
De vrijstelling bedoeld in artikel D.53, § 1, tweede en derde lid, van Boek I van het Milieuwetboek kan niet toegepast worden.
Wanneer de informatie vereist in artikel D.56 van Boek I van het Milieuwetboek in het ontwerp van overstromingsrisicobeheersplan op voldoende wijze wordt gegeven, kan het verslag over de milieugevolgen beperkt worden tot een precieze verwijzing naar dit ontwerp.
Artikel D.57, § 3, van Boek I van het Milieuwetboek is niet van toepassing op de in dit artikel bedoelde milieueffectenbeoordeling.
§ 2. Minstens een jaar vóór de voorziene datum van publicatie van het beheersplan worden het ontwerp van overstromingsrisicobeheersplan alsook het krachtens § 1 opgemaakte verslag over de milieugevolgen door de Regering onderworpen aan een terinzagelegging die gezamenlijk met de in artikel D.28 bedoelde terinzagelegging betreffende de ontwerpen van beheersplan van stroomgebied en van maatregelenprogramma georganiseerd wordt.
De modaliteiten voor de organisatie van de in artikel D.28, § 2, bedoelde terinzagelegging zijn van toepassing op de krachtens dit artikel georganiseerde terinzagelegging.
§ 3. De stroomgebiedsoverheid stelt het ontwerp van het overstromingsrisicobeheersplan en het verslag over de milieugevolgen evenals de informatie gebruikt voor de uitvoering ervan ter beschikking op het portaal van het Waalse Gewest bestemd voor de Kaderrichtlijn inzake waterbeleid en in elke gemeente van het betrokken Waalse stroomgebied.
§ 4. Het ontwerp van overstromingsrisicobeheersplan en de verslagen over de milieugevolgen worden door de stroomgebiedsoverheid aan het advies van de instanties bedoeld in artikel D.28, § 4, voorgelegd volgens de modaliteiten bedoeld in dat artikel.
De adviezen worden op het Milieuportaal van het Waalse Gewest bekendgemaakt en kunnen ingezien worden tot het einde van het onderzoek.
§ 5. Binnen acht dagen na het einde van het openbaar onderzoek maken de gemeenten het proces-verbaal van afsluiting bedoeld in artikel D.29-19 van Boek I van het Milieuwetboek aan de stroomgebiedsoverheid over.
De resultaten van de terinzagelegging alsmede de adviezen van de instanties bedoeld in paragraaf 4 worden in beschouwing genomen bij de goedkeuring van het overstromingsrisicobeheersplan.
Het overstromingsrisicobeheersplan bevat een samenvatting van de maatregelen genomen voor de informatie en raadpleging van het publiek, alsook de resultaten van deze maatregelen.
§ 6. Het overstomingsrisicobeheersplan wordt om de zes jaar vanaf 22 december 2015 goedgekeurd door de stroomgebiedsoverheid.
Het overstomingsrisicobeheersplan wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
Binnen tien dagen na bekendmaking in het Belgisch Staatsblad worden de personen en instanties die zijn geraadpleegd krachtens paragraaf 4 daarover geïnformeerd. Binnen dezelfde termijn worden het overstromingsrisicobeheersplan ook op het Milieuportaal van het Waalse Gewest bekendgemaakt.
§ 7. Deze procedure is ook van toepassing op de procedures voor de bijwerking van het beheersplan en het maatregelenprogramma.]1
In dezelfde tijd als ze de ontwerpen van beheersplan goedkeurt, onderwerpt de stroomgebiedsoverheid ze aan de milieueffectbeoordeling bedoeld in artikel D.53 van Boek I van het Milieuwetboek.
De vrijstelling bedoeld in artikel D.53, § 1, tweede en derde lid, van Boek I van het Milieuwetboek kan niet toegepast worden.
Wanneer de informatie vereist in artikel D.56 van Boek I van het Milieuwetboek in het ontwerp van overstromingsrisicobeheersplan op voldoende wijze wordt gegeven, kan het verslag over de milieugevolgen beperkt worden tot een precieze verwijzing naar dit ontwerp.
Artikel D.57, § 3, van Boek I van het Milieuwetboek is niet van toepassing op de in dit artikel bedoelde milieueffectenbeoordeling.
§ 2. Minstens een jaar vóór de voorziene datum van publicatie van het beheersplan worden het ontwerp van overstromingsrisicobeheersplan alsook het krachtens § 1 opgemaakte verslag over de milieugevolgen door de Regering onderworpen aan een terinzagelegging die gezamenlijk met de in artikel D.28 bedoelde terinzagelegging betreffende de ontwerpen van beheersplan van stroomgebied en van maatregelenprogramma georganiseerd wordt.
De modaliteiten voor de organisatie van de in artikel D.28, § 2, bedoelde terinzagelegging zijn van toepassing op de krachtens dit artikel georganiseerde terinzagelegging.
§ 3. De stroomgebiedsoverheid stelt het ontwerp van het overstromingsrisicobeheersplan en het verslag over de milieugevolgen evenals de informatie gebruikt voor de uitvoering ervan ter beschikking op het portaal van het Waalse Gewest bestemd voor de Kaderrichtlijn inzake waterbeleid en in elke gemeente van het betrokken Waalse stroomgebied.
§ 4. Het ontwerp van overstromingsrisicobeheersplan en de verslagen over de milieugevolgen worden door de stroomgebiedsoverheid aan het advies van de instanties bedoeld in artikel D.28, § 4, voorgelegd volgens de modaliteiten bedoeld in dat artikel.
De adviezen worden op het Milieuportaal van het Waalse Gewest bekendgemaakt en kunnen ingezien worden tot het einde van het onderzoek.
§ 5. Binnen acht dagen na het einde van het openbaar onderzoek maken de gemeenten het proces-verbaal van afsluiting bedoeld in artikel D.29-19 van Boek I van het Milieuwetboek aan de stroomgebiedsoverheid over.
De resultaten van de terinzagelegging alsmede de adviezen van de instanties bedoeld in paragraaf 4 worden in beschouwing genomen bij de goedkeuring van het overstromingsrisicobeheersplan.
Het overstromingsrisicobeheersplan bevat een samenvatting van de maatregelen genomen voor de informatie en raadpleging van het publiek, alsook de resultaten van deze maatregelen.
§ 6. Het overstomingsrisicobeheersplan wordt om de zes jaar vanaf 22 december 2015 goedgekeurd door de stroomgebiedsoverheid.
Het overstomingsrisicobeheersplan wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
Binnen tien dagen na bekendmaking in het Belgisch Staatsblad worden de personen en instanties die zijn geraadpleegd krachtens paragraaf 4 daarover geïnformeerd. Binnen dezelfde termijn worden het overstromingsrisicobeheersplan ook op het Milieuportaal van het Waalse Gewest bekendgemaakt.
§ 7. Deze procedure is ook van toepassing op de procedures voor de bijwerking van het beheersplan en het maatregelenprogramma.]1
Art. D53 -6.[1 § 1er. L'autorité de bassin élabore un projet de plan de gestion en vue de l'élaboration du plan de gestion des risques d'inondation visé à l'article D.53-3.
En même temps qu'elle arrête les projets de plan de gestion, l'autorité de bassin les soumet à l'évaluation des incidences sur l'environnement visée à l'article D.53 du Livre Ier du Code de l'Environnement.
Il ne peut être fait application de l'exemption prévue à l'article D.53, § 1er, alinéas 2 et 3, du Livre Ier du Code de l'Environnement.
Lorsque l'information exigée à l'article D.56 du Livre Ier du Code de l'Environnement est donnée de manière suffisante dans le projet de plan de gestion des risques d'inondation, le rapport sur les incidences environnementales peut être limité sur ce point à une référence précise à ce projet.
L'article D.57, § 3, du Livre Ier du Code de l'Environnement ne s'applique pas à l'évaluation des incidences environnementales prévue par le présent article.
§ 2. Un an au moins avant la date de publication envisagée du plan de gestion, le Gouvernement soumet le projet de plan de gestion des risques d'inondation, ainsi que le rapport sur les incidences environnementales établi en vertu du paragraphe 1er, à une enquête publique, organisée conjointement à l'enquête publique relative aux projets de plan de gestion de bassin hydrographique et de programme de mesures, prévue à l'article D.28.
Les modalités d'organisation de l'enquête publique visée à l'article D.28, § 2, sont applicables à l'enquête publique organisée en vertu du présent article.
§ 3. L'autorité de bassin met à disposition le projet de plan de gestion des risques d'inondation et le rapport sur les incidences environnementales, ainsi que les informations utilisées pour leur élaboration, sur le portail Environnement de la Région wallonne et dans chaque commune du bassin hydrographique wallon concerné.
§ 4. L'autorité de bassin soumet le projet de plan de gestion des risques d'inondation, ainsi que les rapports sur les incidences environnementales, à l'avis des instances visées à l'article D.28, § 4, et selon les modalités de cet article.
Les avis sont publiés sur le portail Environnement de la Région wallonne et consultables jusqu'à la fin de l'enquête.
§ 5. Dans les huit jours de la fin de l'enquête publique, les communes transmettent à l'autorité de bassin le procès-verbal de clôture prévu à l'article D.29-19 du Livre Ier du Code de l'Environnement.
Les résultats de l'enquête publique ainsi que les avis émis par les instances visées au paragraphe 4 sont pris en considération lors de l'adoption du plan de gestion des risques d'inondation.
Le plan de gestion des risques d'inondation comprend un résumé des mesures prises pour l'information et la consultation du public et les résultats de ces mesures.
§ 6. L'autorité de bassin adopte le plan de gestion des risques d'inondation tous les 6 ans à compter du 22 décembre 2015.
Le plan de gestion des risques d'inondation est publié par extraits au Moniteur belge.
Dans les quinze jours de la publication au Moniteur belge, les personnes ou instances qui ont été consultées en vertu du paragraphe 4 en sont informées. Dans le même délai, le plan de gestion des risques d'inondation est également publié sur le portail Environnement de la Région wallonne.
§ 7. La présente procédure s'applique également aux procédures de mise à jour du plan de gestion.]1
En même temps qu'elle arrête les projets de plan de gestion, l'autorité de bassin les soumet à l'évaluation des incidences sur l'environnement visée à l'article D.53 du Livre Ier du Code de l'Environnement.
Il ne peut être fait application de l'exemption prévue à l'article D.53, § 1er, alinéas 2 et 3, du Livre Ier du Code de l'Environnement.
Lorsque l'information exigée à l'article D.56 du Livre Ier du Code de l'Environnement est donnée de manière suffisante dans le projet de plan de gestion des risques d'inondation, le rapport sur les incidences environnementales peut être limité sur ce point à une référence précise à ce projet.
L'article D.57, § 3, du Livre Ier du Code de l'Environnement ne s'applique pas à l'évaluation des incidences environnementales prévue par le présent article.
§ 2. Un an au moins avant la date de publication envisagée du plan de gestion, le Gouvernement soumet le projet de plan de gestion des risques d'inondation, ainsi que le rapport sur les incidences environnementales établi en vertu du paragraphe 1er, à une enquête publique, organisée conjointement à l'enquête publique relative aux projets de plan de gestion de bassin hydrographique et de programme de mesures, prévue à l'article D.28.
Les modalités d'organisation de l'enquête publique visée à l'article D.28, § 2, sont applicables à l'enquête publique organisée en vertu du présent article.
§ 3. L'autorité de bassin met à disposition le projet de plan de gestion des risques d'inondation et le rapport sur les incidences environnementales, ainsi que les informations utilisées pour leur élaboration, sur le portail Environnement de la Région wallonne et dans chaque commune du bassin hydrographique wallon concerné.
§ 4. L'autorité de bassin soumet le projet de plan de gestion des risques d'inondation, ainsi que les rapports sur les incidences environnementales, à l'avis des instances visées à l'article D.28, § 4, et selon les modalités de cet article.
Les avis sont publiés sur le portail Environnement de la Région wallonne et consultables jusqu'à la fin de l'enquête.
§ 5. Dans les huit jours de la fin de l'enquête publique, les communes transmettent à l'autorité de bassin le procès-verbal de clôture prévu à l'article D.29-19 du Livre Ier du Code de l'Environnement.
Les résultats de l'enquête publique ainsi que les avis émis par les instances visées au paragraphe 4 sont pris en considération lors de l'adoption du plan de gestion des risques d'inondation.
Le plan de gestion des risques d'inondation comprend un résumé des mesures prises pour l'information et la consultation du public et les résultats de ces mesures.
§ 6. L'autorité de bassin adopte le plan de gestion des risques d'inondation tous les 6 ans à compter du 22 décembre 2015.
Le plan de gestion des risques d'inondation est publié par extraits au Moniteur belge.
Dans les quinze jours de la publication au Moniteur belge, les personnes ou instances qui ont été consultées en vertu du paragraphe 4 en sont informées. Dans le même délai, le plan de gestion des risques d'inondation est également publié sur le portail Environnement de la Région wallonne.
§ 7. La présente procédure s'applique également aux procédures de mise à jour du plan de gestion.]1
Wijzigingen
Art. D53 -7.
Art. D53 -7.
Art. D53 -8. [1 De stroomgebiedsoverheid maakt de Europese Commissie en de andere betrokken lidstaten afschriften over van de overstromingsrisicobeheersplannen en hun bijstellingen binnen drie maanden na de bekendmaking ervan.]1
Art. D53 -8. [1 Dans les trois mois de leur publication, l'autorité de bassin communique des copies des plans de gestion des risques d'inondation et de leurs mises à jour à la Commission européenne et aux autres Etats membres concernés.]1
Art. D53 -9. [1 De overstromingsrisicobeheersplannen worden uiterlijk op 22 december 2021 en daarna om de zes jaar getoetst en zo nodig bijgesteld. Tijdens deze toetsingen wordt rekening gehouden met het vermoedelijke effect van de klimaatverandering op het plaatsvinden van overstromingen.]1
Art. D53 -9. [1 Le plan de gestion des risques d'inondation est réexaminé et, si nécessaire, mis à jour par l'autorité de bassin au plus tard le 22 décembre 2021 et par la suite, tous les six ans. L'incidence probable des changements climatiques sur la survenance des inondations est prise en compte lors de ces réexamens.]1
Art. D53 -10. [1 Indien de stroomgebiedsoverheid een probleem constateert dat voor het overstromingsrisicobeheer van zijn wateren gevolgen heeft, maar niet door die stroomgebiedsoverheid kan worden opgelost, kan ze dat probleem voorleggen aan de Europese commissie en aan de andere betrokken lidstaten of Gewesten en daarbij aanbevelingen doen voor de oplossing ervan.]1
Art. D53 -10. [1 Dans le cas où l'autorité de bassin constate un problème déterminé qui influe sur la gestion des risques d'inondation dus aux eaux relevant de sa compétence mais qu'elle ne peut résoudre elle-même, elle peut faire rapport sur ce point à la Commission européenne et à tout autre Etat membre ou Région concerné et formuler des recommandations relatives à la résolution du problème.]1
Art. D53 -11.[1 § 1. Teneinde de stroomgebiedsoverheid de mogelijkheid te geven om de doelstellingen vastgelegd bij de artikelen D.1., § 2, 50, en D.53-1, te halen, kan de Regering besluiten tot de onteigening ten algemenen nutte van onroerende goederen die nodig is voor het overstromingsrisicobeheer.
§ 2. Bij het bepalen van de waarde van het onteigende goed wordt geen rekening gehouden met de minderwaarde voortvloeiend uit de verplichtingen i.v.m. de bezetting van de grond door de installaties van de stroomgebiedsoverheid.
§ 3. [2 ...]2.]1
§ 2. Bij het bepalen van de waarde van het onteigende goed wordt geen rekening gehouden met de minderwaarde voortvloeiend uit de verplichtingen i.v.m. de bezetting van de grond door de installaties van de stroomgebiedsoverheid.
§ 3. [2 ...]2.]1
Art. D53 -11.[1 § 1er. En vue de permettre à l'autorité de bassin de réaliser les objectifs fixés aux articles D.1., § 2, 50, et D.53-1, le Gouvernement peut décréter d'utilité publique l'expropriation de biens immeubles nécessaires à la gestion des risques d'inondation.
§ 2. Pour le calcul de la valeur de l'immeuble exproprié, il n'est pas tenu compte de la moins-value résultant des contraintes liées à l'occupation du terrain par les installations de l'autorité de bassin.
§ 3. [2 ...]2.]1
§ 2. Pour le calcul de la valeur de l'immeuble exproprié, il n'est pas tenu compte de la moins-value résultant des contraintes liées à l'occupation du terrain par les installations de l'autorité de bassin.
§ 3. [2 ...]2.]1
Afdeling 4. [1 - Gecentraliseerde dienst voor de aankondiging, opvolging en verwachtingen inzake hoogwater en overstromingen]1
Section 4. [1 - Service centralisé d'annonce, de suivi et de prévisions des crues et des inondations]1
Art. D54. [1 De stroomgebiedsoverheid richt een gecentraliseerde dienst op voor de aankondiging, opvolging en verwachtingen inzake hoogwater en overstromingen. Ze regelt de organisatie en opdrachten van deze dienst. De beheerder van de waterwegen wordt door hem belast met de installatie en de werking van de dienst.]1
Art. D54. [1 L'autorité de bassin établit un service centralisé d'annonce, de suivi et de prévisions des crues et des inondations, dont elle règle l'organisation et les missions. Il charge le gestionnaire des voies hydrauliques d'en assurer la mise en place et le fonctionnement.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK VI. [1 Subsidies]1
CHAPITRE VI. [1 Subsides]1
Art. D54/1. [1 Binnen de perken van de beschikbare kredieten kan de Regering subsidies toekennen aan alle personen naar privaat- of publiekrecht voor de uitvoering van de volgende werken, met inbegrip van de aankoop van onroerende goederen :
1° de bouw, uitbreiding en verbouwing van pompstations die nodig zijn voor de werken die op initiatief van het Gewest worden uitgevoerd;
2° de aanleg, versterking en verhoging van dijken langs waterwegen of onbevaarbare waterlopen;
3° de hydraulische verbetering en het hydromorfologisch herstel van onbevaarbare waterlopen;
4° de bouw, uitbreiding en verbouwing van pompstations voor de afvoer van water van landbouwgrond;
5° het aanleggen van waterreserves van agrarisch belang;
6° de kunstwerken en inrichtingen ter verbetering van de aquatische habitats, en met name de aanleg van vistrappen;
7° de aanleg en verbetering van saneringsnetwerken voor de landbouw door middel van drainagebuizen of sloten.
De subsidies kunnen de kosten van de subsidiabele werken geheel of gedeeltelijk dekken, met inbegrip van de BTW, alsook een deel van de onderzoekskosten, kosten inzake veiligheidscoördinatie, voorafgaande geotechnische proeven en controle van de materialen, en het bedrag van de raming opgesteld door het Comité van aankoop van onroerende goederen, door de ontvanger van de registratie, door een notaris, door een landmeter-expert ingeschreven op de tabel van de federale raad van landmeters-experten, of door een architect ingeschreven bij de Orde van de Architecten in geval van aankoop van onbebouwde gebouwen.
De Regering bepaalt het subsidiepercentage voor elk van deze posten, in de wetenschap dat dit percentage ten minste dertig procent en ten hoogste tachtig procent van de kosten van de subsidiabele werken bedraagt. Op gemotiveerd voorstel van de Regering, ondersteund door het rapport van het Comité van aankoop van onroerende goederen, door de ontvanger van de registratie, door een notaris, door een landmeter-expert, of door een architect, kan de aankoop van gebouwen ook in aanmerking komen voor een subsidie wanneer de te verwerven goederen noodzakelijk zijn voor de uitvoering van subsidiabele werken. Het percentage van deze subsidie is gelijk aan het percentage dat van toepassing is op de werken waarvoor de goederen zijn gekocht.
De subsidieaanvraag bevat het advies van de beheerder van de betrokken waterloop en de door de Regering gevraagde documenten. De Regering bepaalt de regels volgens welke deze subsidies worden toegekend.]1
1° de bouw, uitbreiding en verbouwing van pompstations die nodig zijn voor de werken die op initiatief van het Gewest worden uitgevoerd;
2° de aanleg, versterking en verhoging van dijken langs waterwegen of onbevaarbare waterlopen;
3° de hydraulische verbetering en het hydromorfologisch herstel van onbevaarbare waterlopen;
4° de bouw, uitbreiding en verbouwing van pompstations voor de afvoer van water van landbouwgrond;
5° het aanleggen van waterreserves van agrarisch belang;
6° de kunstwerken en inrichtingen ter verbetering van de aquatische habitats, en met name de aanleg van vistrappen;
7° de aanleg en verbetering van saneringsnetwerken voor de landbouw door middel van drainagebuizen of sloten.
De subsidies kunnen de kosten van de subsidiabele werken geheel of gedeeltelijk dekken, met inbegrip van de BTW, alsook een deel van de onderzoekskosten, kosten inzake veiligheidscoördinatie, voorafgaande geotechnische proeven en controle van de materialen, en het bedrag van de raming opgesteld door het Comité van aankoop van onroerende goederen, door de ontvanger van de registratie, door een notaris, door een landmeter-expert ingeschreven op de tabel van de federale raad van landmeters-experten, of door een architect ingeschreven bij de Orde van de Architecten in geval van aankoop van onbebouwde gebouwen.
De Regering bepaalt het subsidiepercentage voor elk van deze posten, in de wetenschap dat dit percentage ten minste dertig procent en ten hoogste tachtig procent van de kosten van de subsidiabele werken bedraagt. Op gemotiveerd voorstel van de Regering, ondersteund door het rapport van het Comité van aankoop van onroerende goederen, door de ontvanger van de registratie, door een notaris, door een landmeter-expert, of door een architect, kan de aankoop van gebouwen ook in aanmerking komen voor een subsidie wanneer de te verwerven goederen noodzakelijk zijn voor de uitvoering van subsidiabele werken. Het percentage van deze subsidie is gelijk aan het percentage dat van toepassing is op de werken waarvoor de goederen zijn gekocht.
De subsidieaanvraag bevat het advies van de beheerder van de betrokken waterloop en de door de Regering gevraagde documenten. De Regering bepaalt de regels volgens welke deze subsidies worden toegekend.]1
Art. D54/1. [1 Dans la limite des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement peut allouer des subventions à toute personne de droit privé ou de droit public, pour l'exécution des travaux suivants, en ce compris l'acquisition de biens immeuble :
1° la construction, l'agrandissement et la transformation de stations de pompage nécessités par des travaux entrepris à l'initiative de la Région;
2° la construction, le renforcement et le rehaussement de digues le long de voies hydrauliques ou de cours d'eau non navigables;
3° l'amélioration hydraulique et la restauration hydromorphologique de cours d'eau non navigables;
4° la construction, l'agrandissement et la transformation de stations de pompage pour l'évacuation des eaux de terres agricoles;
5° la création de réserves d'eau d'intérêt agricole;
6° les ouvrages et aménagements visant à améliorer les habitats aquatiques et notamment l'aménagement de passes à poisson;
7° la création et l'amélioration de réseaux d'assainissement agricole au moyen de tuyaux de drainage ou de fossés.
Les subventions peuvent couvrir tout ou partie du coût des travaux subsidiables, T.V.A. comprise, ainsi qu'une partie des frais d'étude de coordination-sécurité, d'essais géotechniques préalables, de contrôle des matériaux, et du montant de l'estimation établie par le Comité d'Acquisition d'Immeubles, par le receveur de l'enregistrement, par un notaire, par un expert géomètre immobilier inscrit au tableau du conseil fédéral des géomètres-experts, ou par un architecte inscrit à l'Ordre des Architectes en cas d'acquisition d'immeubles non bâtis.
Le Gouvernement détermine le taux de la subvention pour chacun de ces postes, sachant que celui-ci est de minimum trente pour cent et de maximum quatre vingt pour cent du coût des travaux subsidiables. Sur proposition motivée du Gouvernement, appuyé du rapport du Comité d'Acquisition d'Immeubles, du receveur de l'enregistrement, d'un notaire, d'un expert géomètre immobilier, ou d'un architecte, l'acquisition d'immeubles peut également bénéficier d'un subside lorsque les biens à acquérir sont nécessaires à l'exécution de travaux subsidiables. Le taux de ce subside est égal à celui applicable aux travaux en vue desquels les biens sont acquis.
La demande de subvention contient l'avis du gestionnaire du cours d'eau concerné et les documents requis par le Gouvernement. Le Gouvernement détermine les règles selon lesquelles ces subventions sont accordées.]1
1° la construction, l'agrandissement et la transformation de stations de pompage nécessités par des travaux entrepris à l'initiative de la Région;
2° la construction, le renforcement et le rehaussement de digues le long de voies hydrauliques ou de cours d'eau non navigables;
3° l'amélioration hydraulique et la restauration hydromorphologique de cours d'eau non navigables;
4° la construction, l'agrandissement et la transformation de stations de pompage pour l'évacuation des eaux de terres agricoles;
5° la création de réserves d'eau d'intérêt agricole;
6° les ouvrages et aménagements visant à améliorer les habitats aquatiques et notamment l'aménagement de passes à poisson;
7° la création et l'amélioration de réseaux d'assainissement agricole au moyen de tuyaux de drainage ou de fossés.
Les subventions peuvent couvrir tout ou partie du coût des travaux subsidiables, T.V.A. comprise, ainsi qu'une partie des frais d'étude de coordination-sécurité, d'essais géotechniques préalables, de contrôle des matériaux, et du montant de l'estimation établie par le Comité d'Acquisition d'Immeubles, par le receveur de l'enregistrement, par un notaire, par un expert géomètre immobilier inscrit au tableau du conseil fédéral des géomètres-experts, ou par un architecte inscrit à l'Ordre des Architectes en cas d'acquisition d'immeubles non bâtis.
Le Gouvernement détermine le taux de la subvention pour chacun de ces postes, sachant que celui-ci est de minimum trente pour cent et de maximum quatre vingt pour cent du coût des travaux subsidiables. Sur proposition motivée du Gouvernement, appuyé du rapport du Comité d'Acquisition d'Immeubles, du receveur de l'enregistrement, d'un notaire, d'un expert géomètre immobilier, ou d'un architecte, l'acquisition d'immeubles peut également bénéficier d'un subside lorsque les biens à acquérir sont nécessaires à l'exécution de travaux subsidiables. Le taux de ce subside est égal à celui applicable aux travaux en vue desquels les biens sont acquis.
La demande de subvention contient l'avis du gestionnaire du cours d'eau concerné et les documents requis par le Gouvernement. Le Gouvernement détermine les règles selon lesquelles ces subventions sont accordées.]1
TITEL VI. - Wateringen.
TITRE VI. - Wateringues.
HOOFDSTUK I. - Inrichting van de wateringen.
CHAPITRE Ier. - Organisation des wateringues.
Art. D55. [1 Wateringen zijn openbare besturen, ingesteld met het oog op het tot stand brengen en handhaven, binnen de grenzen van hun territoriaal gebied, van een waterstelsel gunstig voor de landbouw in de zin van artikel 1 van het Waalse Landbouwwetboek, alsmede voor het beschermen van de gronden tegen overstromingen.]1
Art. D55. [1 Les wateringues sont des administrations publiques instituées en vue de la réalisation et du maintien, dans les limites de leur circonscription territoriale, d'un régime des eaux favorable à l'agriculture au sens de l'article 1er du Code wallon de l'agriculture, ainsi que pour la défense des terres contre les inondations.]1
Wijzigingen
Art. D56. [1 De Regering bepaalt het gebied van elke watering.
De zetel van de watering wordt door haar reglement vastgesteld. Hij is gelegen in de gemeente of in een van de gemeenten waarover het gebied van de watering zich uitstrekt, behoudens afwijking van de Regering.]1
De zetel van de watering wordt door haar reglement vastgesteld. Hij is gelegen in de gemeente of in een van de gemeenten waarover het gebied van de watering zich uitstrekt, behoudens afwijking van de Regering.]1
Art. D56. [1 Le Gouvernement détermine la circonscription de chaque wateringue.
Le siège de la wateringue est déterminé dans son règlement. Il est situé dans la commune ou dans une des communes sur le territoire desquelles s'étend la circonscription de la wateringue, sauf dérogation du Gouvernement.]1
Le siège de la wateringue est déterminé dans son règlement. Il est situé dans la commune ou dans une des communes sur le territoire desquelles s'étend la circonscription de la wateringue, sauf dérogation du Gouvernement.]1
Wijzigingen
Art. D57. [1 Onder de gelding van deze titel vallen alle besturen, verenigingen of gemeenschappen die bestaan onder de benaming wateringen en die effectief de opdrachten uitoefenen bedoeld in de wet van 5 juli 1956 betreffende de wateringen, voor het voorwerp bedoeld in artikel 55.
Besturen, verenigingen of gemeenschappen die bestaan onder de benaming wateringen en die op de datum van inwerkingtreding van deze titel alle voorwaarden bedoeld in de artikelen 112, 14, 16, 26, 27, 29 en 80 van de wet van 5 juli 1956 betreffende de wateringen niet vervuld hebben, worden niet beschouwd als instanties die de voorwaarden bedoeld in het eerste lid naleven. Bij gebrek aan meedelen aan de Regering van de inlichtingen die kunnen bewijzen dat ze deze voorwaarden vervullen drie maanden na de inwerkingtreding van deze titel, schrapt de Regering deze wateringen overeenkomstig artikel D. 59.
De Regering stelt de naleving van de voorwaarden bedoeld in het tweede lid vast of, bij gebrek, gaat over tot de opheffing van de watering overeenkomstig artikel D. 59.]1
Besturen, verenigingen of gemeenschappen die bestaan onder de benaming wateringen en die op de datum van inwerkingtreding van deze titel alle voorwaarden bedoeld in de artikelen 112, 14, 16, 26, 27, 29 en 80 van de wet van 5 juli 1956 betreffende de wateringen niet vervuld hebben, worden niet beschouwd als instanties die de voorwaarden bedoeld in het eerste lid naleven. Bij gebrek aan meedelen aan de Regering van de inlichtingen die kunnen bewijzen dat ze deze voorwaarden vervullen drie maanden na de inwerkingtreding van deze titel, schrapt de Regering deze wateringen overeenkomstig artikel D. 59.
De Regering stelt de naleving van de voorwaarden bedoeld in het tweede lid vast of, bij gebrek, gaat over tot de opheffing van de watering overeenkomstig artikel D. 59.]1
Art. D57. [1 Sont soumises au présent titre, toutes administrations, associations ou collectivités existant sous la dénomination de wateringues et qui exercent de manière effective les missions visées par la loi du 5 juillet 1956 relative aux wateringues, pour l'objet prévu par l'article D. 55.
Ne sont pas considérées comme respectant les conditions visées à l'alinéa 1er, celles des administrations, associations ou collectivités existant sous la dénomination de wateringues qui n'ont pas rempli à la date d'entrée en vigueur du présent titre toutes les conditions visées aux articles 12, 14, 16, 26, 27, 29 et 80 de la loi du 5 juillet 1956 relative aux wateringues. A défaut d'avoir communiqué au Gouvernement les renseignements permettant d'établir qu'elles remplissent ces conditions trois mois après l'entrée en vigueur du présent titre, le Gouvernement supprime ces wateringues conformément à l'article D. 59.
Le Gouvernement constate le respect des conditions visées à l'alinéa 2 ou, à défaut, procède à la suppression de la wateringue conformément à l'article D. 59.]1
Ne sont pas considérées comme respectant les conditions visées à l'alinéa 1er, celles des administrations, associations ou collectivités existant sous la dénomination de wateringues qui n'ont pas rempli à la date d'entrée en vigueur du présent titre toutes les conditions visées aux articles 12, 14, 16, 26, 27, 29 et 80 de la loi du 5 juillet 1956 relative aux wateringues. A défaut d'avoir communiqué au Gouvernement les renseignements permettant d'établir qu'elles remplissent ces conditions trois mois après l'entrée en vigueur du présent titre, le Gouvernement supprime ces wateringues conformément à l'article D. 59.
Le Gouvernement constate le respect des conditions visées à l'alinéa 2 ou, à défaut, procède à la suppression de la wateringue conformément à l'article D. 59.]1
Wijzigingen
Art. D58. [1 Twee jaar na de inwerkingtreding van deze titel overhandigen de wateringen aan de Regering een administratief en financieel verslag dat de documenten bevat bedoeld in de artikelen D. 66 en D. 68, de notulen van de algemene vergaderingen en een lijst van de maatregelen die hun beraadslagingen hebben uitgevoerd, de inventaris en een samenvatting van de budgetten en rekeningen samen met een toelichting die de financiële toestand van de watering beschrijft.
De Regering maakt een evaluatie van het verslag bedoeld in het eerste lid. Op grond van deze evaluatie is ze bevoegd om alle nodige maatregelen te nemen voor de goede uitvoering van de opdrachten van de wateringen, in voorkomend geval, in samenwerking met het Provinciecollege, overeenkomstig de artikelen D. 59, D. 66, D. 74, D. 80, D. 121, D. 140 tot D. 149.]1
De Regering maakt een evaluatie van het verslag bedoeld in het eerste lid. Op grond van deze evaluatie is ze bevoegd om alle nodige maatregelen te nemen voor de goede uitvoering van de opdrachten van de wateringen, in voorkomend geval, in samenwerking met het Provinciecollege, overeenkomstig de artikelen D. 59, D. 66, D. 74, D. 80, D. 121, D. 140 tot D. 149.]1
Art. D58. [1 Deux ans après l'entrée en vigueur du présent titre, les wateringues remettent au Gouvernement un rapport administratif et financier qui contient les documents visés aux articles D. 66 et D. 68, les procès-verbaux des assemblées générales et un relevé des mesures qui ont exécuté leurs délibérations, l'inventaire et l'état récapitulatif des budgets et des comptes accompagnés d'un commentaire détaillant la situation financière de la wateringue.
Le Gouvernement évalue le rapport visé à l'alinéa 1er. Sur la base de cette évaluation, il est habilité à prendre les mesures nécessaires à la bonne exécution des missions des wateringues, le cas échéant en collaboration avec le Collège provincial, en application des articles D. 59, D. 66, D. 74, D. 80, D. 121, D. 140 à D. 149.]1
Le Gouvernement évalue le rapport visé à l'alinéa 1er. Sur la base de cette évaluation, il est habilité à prendre les mesures nécessaires à la bonne exécution des missions des wateringues, le cas échéant en collaboration avec le Collège provincial, en application des articles D. 59, D. 66, D. 74, D. 80, D. 121, D. 140 à D. 149.]1
Wijzigingen
Art. D59. [1 De Regering kan wateringen opheffen, er nieuwe creëren, de bestaande gebieden opsplitsen of wijzigen, verscheidene wateringen samensmelten of bevelen dat zij een vereniging vormen met het oog op hun gemeenschappelijke verdediging of voor de uitvoering van werken waarbij zij gemeenschappelijk belang hebben.
Het besluit waarbij een watering wordt opgeheven, waarbij een gebied wordt gesplitst of gewijzigd of waarbij verscheidene wateringen worden samengesmolten regelt de overgang van de vermogens.]1
Het besluit waarbij een watering wordt opgeheven, waarbij een gebied wordt gesplitst of gewijzigd of waarbij verscheidene wateringen worden samengesmolten regelt de overgang van de vermogens.]1
Art. D59. [1 Le Gouvernement peut supprimer des wateringues, en créer de nouvelles, scinder ou modifier les circonscriptions existantes, fusionner plusieurs wateringues ou ordonner leur association en vue de leur défense commune ou pour l'exécution de travaux dans leur commun intérêt.
L'arrêté qui décrète la suppression d'une wateringue, la scission ou la modification de circonscription d'une wateringue ou la fusion de plusieurs wateringues règle la dévolution des patrimoines.]1
L'arrêté qui décrète la suppression d'une wateringue, la scission ou la modification de circonscription d'une wateringue ou la fusion de plusieurs wateringues règle la dévolution des patrimoines.]1
Wijzigingen
Art. D60. [1 Aan de beslissingen bedoeld in artikel 59 gaat een openbaar onderzoek vooraf, georganiseerd volgens de modaliteiten omschreven in Boek I van het Milieuwetboek.".
Te dien einde wordt het ontwerp van beslissing, eventueel samen met de kaart van de wijzigingen of innovaties, gezonden naar alle wateringen die er belang bij kunnen hebben en ten gemeentehuize neergelegd in alle gemeenten die het aangaat.]1
Te dien einde wordt het ontwerp van beslissing, eventueel samen met de kaart van de wijzigingen of innovaties, gezonden naar alle wateringen die er belang bij kunnen hebben en ten gemeentehuize neergelegd in alle gemeenten die het aangaat.]1
Art. D60. [1 Les décisions visées à l'article D. 59 sont précédées d'une enquête publique organisée selon les modalités définies au Livre Ier du Code de l'Environnement.
A cet effet, le projet de la décision, accompagné éventuellement de la carte figurative des modifications ou des innovations, est envoyé à toutes les wateringues qu'il est susceptible d'intéresser et déposé dans les maisons communales des communes qu'il concerne.]1
A cet effet, le projet de la décision, accompagné éventuellement de la carte figurative des modifications ou des innovations, est envoyé à toutes les wateringues qu'il est susceptible d'intéresser et déposé dans les maisons communales des communes qu'il concerne.]1
Wijzigingen
Art. D61. [1 Gaat het in de beslissing om het vormen van een of meer nieuwe wateringen, door oprichting, samensmelting of opsplitsing, dan moet ieder van de nieuwe openbare besturen binnen de termijn bedoeld in het derde lid een reglement opmaken.
De Regering stelt een ontwerp op, dat het reglement tot voorbeeld zal dienen. Over het reglement wordt gestemd door een vergadering samengesteld uit de personen aan wie het ontwerp onder de voorwaarden gesteld door artikel 67 voorlopig stemrecht verleent en door de provinciegouverneur bijeengeroepen binnen de termijn die de Regering bepaalt. Het Provinciecollege zendt het reglement, met zijn advies, ter goedkeuring aan de Regering.
Heeft de vergadering haar het behoorlijk aangenomen reglement niet binnen drie maanden na de eerste bijeenkomst doen toekomen, dan stelt de Regering het reglement ambtshalve vast.]1
De Regering stelt een ontwerp op, dat het reglement tot voorbeeld zal dienen. Over het reglement wordt gestemd door een vergadering samengesteld uit de personen aan wie het ontwerp onder de voorwaarden gesteld door artikel 67 voorlopig stemrecht verleent en door de provinciegouverneur bijeengeroepen binnen de termijn die de Regering bepaalt. Het Provinciecollege zendt het reglement, met zijn advies, ter goedkeuring aan de Regering.
Heeft de vergadering haar het behoorlijk aangenomen reglement niet binnen drie maanden na de eerste bijeenkomst doen toekomen, dan stelt de Regering het reglement ambtshalve vast.]1
Art. D61. [1 Si la décision comporte la formation d'une ou plusieurs nouvelles wateringues, par création, fusion ou scission, chacune des nouvelles administrations publiques adopte un règlement dans le délai visé à l'alinéa 3.
Le Gouvernement dresse un projet dont le règlement s'inspire. Le règlement est voté par une assemblée composée des personnes auxquelles le projet attribue provisoirement le droit de vote dans les conditions prévues à l'article D. 67 et convoquée par le gouverneur de la province dans le délai fixé par le Gouvernement. Le Collège provincial transmet le règlement au Gouvernement, avec son avis, pour approbation.
Si l'assemblée ne lui fait pas parvenir dans les trois mois de la première réunion le règlement dûment voté, le Gouvernement arrête le règlement d'office.]1
Le Gouvernement dresse un projet dont le règlement s'inspire. Le règlement est voté par une assemblée composée des personnes auxquelles le projet attribue provisoirement le droit de vote dans les conditions prévues à l'article D. 67 et convoquée par le gouverneur de la province dans le délai fixé par le Gouvernement. Le Collège provincial transmet le règlement au Gouvernement, avec son avis, pour approbation.
Si l'assemblée ne lui fait pas parvenir dans les trois mois de la première réunion le règlement dûment voté, le Gouvernement arrête le règlement d'office.]1
Wijzigingen
Art. D62. [1 Gaat het in de beslissing om het vormen van een vereniging van wateringen, dan verzoekt het Provinciecollege deze wateringen het reglement van hun vereniging op te stellen binnen de door de Regering vastgestelde termijn. Het Provinciecollege zendt het reglement, met zijn advies, ter goedkeuring aan de Regering.
Hebben de wateringen haar niet binnen de genoemde termijn het reglement van hun vereniging doen toekomen, dan stelt de Regering dit reglement ambtshalve vast.]1
Hebben de wateringen haar niet binnen de genoemde termijn het reglement van hun vereniging doen toekomen, dan stelt de Regering dit reglement ambtshalve vast.]1
Art. D62. [1 Si la décision comporte une association de wateringues, le Collège provincial invite celles-ci à établir le règlement de leur association dans le délai indiqué par le Gouvernement. Le Collège provincial transmet le règlement au Gouvernement, avec son avis, pour approbation.
Si les wateringues ne lui ont pas fait parvenir dans le délai susvisé le règlement de leur association, le Gouvernement arrête celui-ci d'office.]1
Si les wateringues ne lui ont pas fait parvenir dans le délai susvisé le règlement de leur association, le Gouvernement arrête celui-ci d'office.]1
Wijzigingen
Art. D63. [1 De wateringen kunnen zich ook uit eigen beweging verenigen met het oog op hun gemeenschappelijke verdediging of voor de uitvoering van werken waarbij zij gemeenschappelijk belang hebben. In dat geval stellen zij het reglement van hun vereniging vast onder voorbehoud van de Regeringsgoedkeuring, het Provinciecollege gehoord.]1
Art. D63. [1 Les wateringues peuvent aussi, de leur propre initiative, s'associer en vue de leur défense commune ou pour l'exécution de travaux dans leur intérêt commun. Elles établissent, en ce cas, le règlement de leur association sous réserve de l'approbation du Gouvernement, le Collège provincial entendu.]1
Wijzigingen
Art. D64. De vereniging van wateringen bezit rechtspersoonlijkheid. Het reglement van de vereniging bepaalt haar benaming, haar zetel, haar doel, de wijze van benoemingen en afzetting van de beheerders en hun bevoegdheden, de wijze van vereffening.
Verenigde wateringen behouden in de groepering hun rechtspersoonlijkheid.
Verenigde wateringen behouden in de groepering hun rechtspersoonlijkheid.
Art. D64. L'association de wateringues possède la personnalité [1 juridique]1. Le règlement de l'association détermine sa dénomination, son siège, son objet, le mode de nomination et de révocation des administrateurs ainsi que leurs pouvoirs et le mode de liquidation.
Les wateringues associées conservent dans le groupement leur personnalité juridique.
Les wateringues associées conservent dans le groupement leur personnalité juridique.
Wijzigingen
HOOFDSTUK II. - Het beheer van de wateringen.
CHAPITRE II. - Administration des wateringues.
Afdeling 1. - De algemene vergadering.
Section 1re. - Assemblées générales.
Art. D65. De algemene vergadering van de watering bestaat uit de stemgerechtigde ingelanden.
Ingelanden zijn in de zin van deze titel, zij die een titel hebben van zakelijke rechten waaraan genot van de in het gebied van de watering gelegen erven verbonden is.
Ingelanden zijn in de zin van deze titel, zij die een titel hebben van zakelijke rechten waaraan genot van de in het gebied van de watering gelegen erven verbonden is.
Art. D65. L'assemblée générale de la wateringue se compose de ceux des adhérités qui ont droit au vote.
Sont adhérités au sens du présent titre tous titulaires de droits réels emportant jouissance sur les fonds sis dans la circonscription de la wateringue.
Sont adhérités au sens du présent titre tous titulaires de droits réels emportant jouissance sur les fonds sis dans la circonscription de la wateringue.
Art. D66. [1 Door het bestuur van de watering wordt een legger opgemaakt van al de in de watering gelegen erven.
Deze legger wordt jaarlijks door het bestuur bijgewerkt.
Indien de besproeiingsdirectie de in de leden 1 en 2 bedoelde verplichtingen niet nakomt, stelt het Provinciaal College, na ondervraging overleg met de griffier van het kadaster en op kosten van de besproeiing, het registratienummer op en keurt hem goed.
Het Provinciecollege kan de in de legger vastgestelde vergissingen herstellen.]1
Deze legger wordt jaarlijks door het bestuur bijgewerkt.
Indien de besproeiingsdirectie de in de leden 1 en 2 bedoelde verplichtingen niet nakomt, stelt het Provinciaal College, na ondervraging overleg met de griffier van het kadaster en op kosten van de besproeiing, het registratienummer op en keurt hem goed.
Het Provinciecollege kan de in de legger vastgestelde vergissingen herstellen.]1
Art. D66. [1 Il est dressé par la direction de la wateringue un registre matricule de tous les fonds compris dans la wateringue.
Ce registre matricule est actualisé chaque année par la direction.
Si la direction de la wateringue ne se conforme pas aux obligations visées aux alinéas 1 et 2, le Collège provincial dresse et arrête le registre matricule, après avoir interrogé le conservateur du cadastre aux frais de la wateringue.
Le Collège provincial peut rectifier les erreurs constatées dans le registre matricule.]1
Ce registre matricule est actualisé chaque année par la direction.
Si la direction de la wateringue ne se conforme pas aux obligations visées aux alinéas 1 et 2, le Collège provincial dresse et arrête le registre matricule, après avoir interrogé le conservateur du cadastre aux frais de la wateringue.
Le Collège provincial peut rectifier les erreurs constatées dans le registre matricule.]1
Wijzigingen
Art. D67. [1 Het reglement van elke watering moet, in billijke mate, de vertegenwoordiging van de kleine eigendommen waarborgen. Het moet, ten minste, stemrecht waarborgen aan iedere ingelande die, in het gebied van de watering, grond bezit ter grootte van :
1° één halve hectare in een gebied van minder dan 100 hectaren;
2° één hectare in een gebied van 100 tot 499 hectaren;
3° twee hectaren in een gebied van 500 tot 999 hectaren;
4° drie hectaren in een gebied van 1.000 tot 4.999 hectaren;
5° vier hectaren in een gebied van 5.000 tot 9.999 hectaren;
6° vijf hectaren in een gebied van 10.000 hectaren en meer.
Eigenaars die afzonderlijk geen stemrecht hebben, kunnen hun eigendommen groeperen tot het in het reglement vastgestelde minimum, om gezamenlijk een afgevaardigde naar de algemene vergadering te zenden.
Elk lid van de algemene vergadering beschikt slechts over een stem.]1
1° één halve hectare in een gebied van minder dan 100 hectaren;
2° één hectare in een gebied van 100 tot 499 hectaren;
3° twee hectaren in een gebied van 500 tot 999 hectaren;
4° drie hectaren in een gebied van 1.000 tot 4.999 hectaren;
5° vier hectaren in een gebied van 5.000 tot 9.999 hectaren;
6° vijf hectaren in een gebied van 10.000 hectaren en meer.
Eigenaars die afzonderlijk geen stemrecht hebben, kunnen hun eigendommen groeperen tot het in het reglement vastgestelde minimum, om gezamenlijk een afgevaardigde naar de algemene vergadering te zenden.
Elk lid van de algemene vergadering beschikt slechts over een stem.]1
Art. D67. [1 Le règlement de chaque wateringue assure, dans une juste mesure, la représentation des petites propriétés, et garantit, au moins, le droit de vote à chaque adhérité qui possède dans la circonscription de la wateringue des terres d'une superficie de :
1° 0,5 hectare dans une circonscription de moins de 100 hectares;
2° 1 hectare dans une circonscription de 100 à 499 hectares;
3° 2 hectares dans une circonscription de 500 à 999 hectares;
4° 3 hectares dans une circonscription de 1.000 à 4.999 hectares;
5° 4 hectares dans une circonscription de 5.000 à 9.999 hectares;
6° 5 hectares dans une circonscription de 10.000 hectares et plus.
Les propriétaires n'ayant pas isolément droit de vote peuvent grouper leurs propriétés pour atteindre le minimum fixé par le règlement, en vue d'envoyer collectivement un délégué à l'assemblée générale.
Chaque membre de l'assemblée générale dispose seulement d'une seule voix.]1
1° 0,5 hectare dans une circonscription de moins de 100 hectares;
2° 1 hectare dans une circonscription de 100 à 499 hectares;
3° 2 hectares dans une circonscription de 500 à 999 hectares;
4° 3 hectares dans une circonscription de 1.000 à 4.999 hectares;
5° 4 hectares dans une circonscription de 5.000 à 9.999 hectares;
6° 5 hectares dans une circonscription de 10.000 hectares et plus.
Les propriétaires n'ayant pas isolément droit de vote peuvent grouper leurs propriétés pour atteindre le minimum fixé par le règlement, en vue d'envoyer collectivement un délégué à l'assemblée générale.
Chaque membre de l'assemblée générale dispose seulement d'une seule voix.]1
Wijzigingen
Art. D68. Het bestuur van de watering is gehouden de lijst van de stemgerechtigden op te maken.
Deze lijst wordt ieder jaar vóór 1 oktober herzien en, te rekenen van die datum, gedurende één maand ter beschikking gehouden van belanghebbenden, die gedurende die termijn en op straffe van verval, hun eventuele bezwaren bij de Regering moeten indienen. Ze beslist zonder verwijl en, in ieder geval, vóór het einde van het jaar.
Zij die op de aldus vastgestelde lijst niet voorkomen, hebben geen recht van stemmen in de loop van het volgende jaar.
Deze lijst wordt ieder jaar vóór 1 oktober herzien en, te rekenen van die datum, gedurende één maand ter beschikking gehouden van belanghebbenden, die gedurende die termijn en op straffe van verval, hun eventuele bezwaren bij de Regering moeten indienen. Ze beslist zonder verwijl en, in ieder geval, vóór het einde van het jaar.
Zij die op de aldus vastgestelde lijst niet voorkomen, hebben geen recht van stemmen in de loop van het volgende jaar.
Art. D68. La direction de la wateringue dresse la liste des personnes auxquelles appartient le droit de vote.
Cette liste est révisée chaque année avant le 1er octobre et tenue pendant un mois, à partir de cette date, à la disposition des intéressés, lesquels doivent, durant ce délai et sous peine de forclusion, introduire auprès du Gouvernement leurs réclamations éventuelles. Il statue sans délai et, en tout cas, avant la fin de l'année.
Les personnes ne figurant pas sur la liste ainsi arrêtée n'exerceront pas le droit de vote au cours de l'année suivante.
Cette liste est révisée chaque année avant le 1er octobre et tenue pendant un mois, à partir de cette date, à la disposition des intéressés, lesquels doivent, durant ce délai et sous peine de forclusion, introduire auprès du Gouvernement leurs réclamations éventuelles. Il statue sans délai et, en tout cas, avant la fin de l'année.
Les personnes ne figurant pas sur la liste ainsi arrêtée n'exerceront pas le droit de vote au cours de l'année suivante.
Art. D69. Behoort het stemrecht aan een rechtspersoon, dan wijst deze een speciaal gemachtigde aan om het uit te oefenen.
Behoort het stemrecht aan eigenaars van onverdeelde goederen, of aan een eigenaar samen met houders van een recht van vruchtgebruik, erfpacht, opstal, gebruik of bewoning, dan kan dat stemrecht slechts worden uitgeoefend door een gemeenschappelijke mandataris, die door de belanghebbenden of, bij gebreke van overeenstemming, door de vrederechter wordt aangesteld. Deze doet uitspraak binnen een maand nadat het verzoek hem daartoe door de meest gerede partij is toegezonden.
Behoort het stemrecht aan eigenaars van onverdeelde goederen, of aan een eigenaar samen met houders van een recht van vruchtgebruik, erfpacht, opstal, gebruik of bewoning, dan kan dat stemrecht slechts worden uitgeoefend door een gemeenschappelijke mandataris, die door de belanghebbenden of, bij gebreke van overeenstemming, door de vrederechter wordt aangesteld. Deze doet uitspraak binnen een maand nadat het verzoek hem daartoe door de meest gerede partij is toegezonden.
Art. D69. Si le droit de vote appartient à une personne morale, il est exercé par un mandataire spécialement désigné par elle à cet effet.
Si le droit de vote appartient à des propriétaires indivis ou à un propriétaire en même temps qu'à des titulaires de droits d'usufruit, d'emphytéose, de superficie, d'usage ou d'habitation, ce droit de vote ne peut être exercé que par un mandataire commun désigné par les intéressés ou, à défaut d'entente, par le juge de paix. Ce magistrat statue dans le mois de la requête qui lui est adressée à cet effet par la partie la plus diligente.
Si le droit de vote appartient à des propriétaires indivis ou à un propriétaire en même temps qu'à des titulaires de droits d'usufruit, d'emphytéose, de superficie, d'usage ou d'habitation, ce droit de vote ne peut être exercé que par un mandataire commun désigné par les intéressés ou, à défaut d'entente, par le juge de paix. Ce magistrat statue dans le mois de la requête qui lui est adressée à cet effet par la partie la plus diligente.
Art. D70. Stemgerechtigden kunnen zich op de algemene vergaderingen door een gevolmachtigde naar hun keuze, die al dan niet ingelande is, laten vertegenwoordigen.
Een gevolmachtigde kan slechts drager zijn van één volmacht.
Een gevolmachtigde kan slechts drager zijn van één volmacht.
Art. D70. Les personnes ayant droit de vote peuvent se faire représenter aux assemblées générales par un mandataire de leur choix, adhérité ou non.
Un mandataire ne peut être porteur que d'une seule procuration.
Un mandataire ne peut être porteur que d'une seule procuration.
Art. D71. [1 De provinciegouverneur, het lid van het Provinciecollege bevoegd voor de onbevaarbare waterlopen, alsmede de burgemeesters van de gemeenten waarover het gebied van de watering zich uitstrekt of hun gemachtigden maken van rechtswege, maar zonder stemrecht, deel uit van de algemene vergadering.
De door de Regering aangewezen ambtenaar wordt op de algemene vergaderingen uitgenodigd. Zij hebben daarin raadgevende stem.]1
De door de Regering aangewezen ambtenaar wordt op de algemene vergaderingen uitgenodigd. Zij hebben daarin raadgevende stem.]1
Art. D71. [1 Le gouverneur de la province, le membre du Collège provincial qui a les cours d'eau non navigables dans ses attributions ainsi que les bourgmestres des communes sur lesquelles s'étend la circonscription de la wateringue ou leurs délégués font partie de droit, mais sans voix délibérative, de l'assemblée générale.
Le fonctionnaire compétent désigné par le Gouvernement est convoqué aux assemblées générales. Il y a voix consultative.]1
Le fonctionnaire compétent désigné par le Gouvernement est convoqué aux assemblées générales. Il y a voix consultative.]1
Wijzigingen
Art. D72.
Art. D72.
Art. D73. [1 Onverminderd de bevoegdheden haar door bijzondere bepalingen toegekend, omvat de bevoegdheid van de algemene vergadering :
1° het opmaken van het huishoudelijk reglement;
2° het opmaken van bijzondere politiereglementen van de watering onder de voorwaarden bepaald bij artikel D. 75;
3° de beslissingen betreffende het aanleggen en verbeteren van de verdedigings- of bevloeiingswerken;
4° het opmaken van de begroting van de watering;
5° het onderzoek van de rekeningen en het geven van ontlasting aan de rekenplichtigen;
6° de beslissingen betreffende het principe en de voorwaarden van de verhuring en verpachtingen van goederen van de watering en het eventueel kwijtschelden van verplichtingen aangegaan door huurders, pachters en aannemers van werken of leveranties;
7° het vervreemden of andere daden van beschikking met betrekking tot de goederen van de watering;
8° de geldleningen door de watering aan te gaan;
9° het goedkeuren van de belasting ten behoeve van de watering.]1
1° het opmaken van het huishoudelijk reglement;
2° het opmaken van bijzondere politiereglementen van de watering onder de voorwaarden bepaald bij artikel D. 75;
3° de beslissingen betreffende het aanleggen en verbeteren van de verdedigings- of bevloeiingswerken;
4° het opmaken van de begroting van de watering;
5° het onderzoek van de rekeningen en het geven van ontlasting aan de rekenplichtigen;
6° de beslissingen betreffende het principe en de voorwaarden van de verhuring en verpachtingen van goederen van de watering en het eventueel kwijtschelden van verplichtingen aangegaan door huurders, pachters en aannemers van werken of leveranties;
7° het vervreemden of andere daden van beschikking met betrekking tot de goederen van de watering;
8° de geldleningen door de watering aan te gaan;
9° het goedkeuren van de belasting ten behoeve van de watering.]1
Art. D73. [1 Sans préjudice des attributions qui lui sont conférées par des dispositions spéciales, la compétence de l'assemblée générale s'étend aux objets suivants :
1° l'élaboration du règlement d'ordre et d'administration intérieurs;
2° l'élaboration de règlements de police particuliers de la wateringue, dans les conditions prévues à l'article D. 75;
3° les décisions relatives à la construction et à l'amélioration des ouvrages de défense ou d'irrigation;
4° l'établissement du budget de la wateringue;
5° l'examen des comptes et la décharge à donner aux comptables;
6° les décisions relatives au principe et aux conditions des locations et affermages des biens de la wateringue ainsi que la remise éventuelle d'obligations assumées par les locataires, les fermiers, les adjudicataires d'ouvrages ou de fournitures;
7° les aliénations et autres actes de disposition quant aux biens de la wateringue;
8° les emprunts à contracter par la wateringue;
9° le vote de l'imposition au profit de la wateringue.]1
1° l'élaboration du règlement d'ordre et d'administration intérieurs;
2° l'élaboration de règlements de police particuliers de la wateringue, dans les conditions prévues à l'article D. 75;
3° les décisions relatives à la construction et à l'amélioration des ouvrages de défense ou d'irrigation;
4° l'établissement du budget de la wateringue;
5° l'examen des comptes et la décharge à donner aux comptables;
6° les décisions relatives au principe et aux conditions des locations et affermages des biens de la wateringue ainsi que la remise éventuelle d'obligations assumées par les locataires, les fermiers, les adjudicataires d'ouvrages ou de fournitures;
7° les aliénations et autres actes de disposition quant aux biens de la wateringue;
8° les emprunts à contracter par la wateringue;
9° le vote de l'imposition au profit de la wateringue.]1
Wijzigingen
Art. D74. [1 De algemene vergadering is gehouden jaarlijks op de begroting de uitgaven te brengen die ingevolge de wet of bij overeenkomst te haren laste komen.
Indien de ontvangsten geraamd op de begroting ontoereikend zijn, voorziet de algemene vergadering daarin door het invoeren van gewone of buitengewone belastingen.
Blijft de algemene vergadering in gebreke aan die voorschriften te voldoen, dan wordt daarin door het Provinciecollege voorzien, het bestuur van de watering gehoord. Het Provinciecollege geeft kennis van haar beslissing aan het bestuur van de watering en het bestuur geeft er kennis van aan de ingelanden. Het bestuur van de watering, de ingelanden en de provinciegouverneur kunnen bij de Regering in beroep gaan tegen de beslissing van het Provinciecollege.
Daartoe beschikken zij over een termijn van vijftien dagen. Deze periode begint voor de gouverneur op de dag van de beslissing en voor het bestuur van de watering en de ingelanden op de dag van kennisgeving.]1
Indien de ontvangsten geraamd op de begroting ontoereikend zijn, voorziet de algemene vergadering daarin door het invoeren van gewone of buitengewone belastingen.
Blijft de algemene vergadering in gebreke aan die voorschriften te voldoen, dan wordt daarin door het Provinciecollege voorzien, het bestuur van de watering gehoord. Het Provinciecollege geeft kennis van haar beslissing aan het bestuur van de watering en het bestuur geeft er kennis van aan de ingelanden. Het bestuur van de watering, de ingelanden en de provinciegouverneur kunnen bij de Regering in beroep gaan tegen de beslissing van het Provinciecollege.
Daartoe beschikken zij over een termijn van vijftien dagen. Deze periode begint voor de gouverneur op de dag van de beslissing en voor het bestuur van de watering en de ingelanden op de dag van kennisgeving.]1
Art. D74. [1 L'assemblée générale porte annuellement au budget les dépenses qui sont légalement ou conventionnellement à sa charge.
Si les recettes prévues au budget sont insuffisantes, l'assemblée générale y supplée par l'établissement d'impositions ordinaires ou extraordinaires.
A défaut par l'assemblée générale de satisfaire à ces prescriptions, il y est pourvu par le Collège provincial, la direction de la wateringue entendue. Le Collège provincial notifie sa décision à la direction de la wateringue et celle-ci la notifie aux adhérités. La direction de la wateringue, les adhérités et le gouverneur de province peuvent en appeler auprès du Gouvernement de la décision du Collège provincial.
Ils disposent, à cet effet, d'un délai de quinze jours. Ce délai prend cours, pour le gouverneur, à partir du jour de la décision, et pour la direction de la wateringue et les adhérités, à partir de la notification.]1
Si les recettes prévues au budget sont insuffisantes, l'assemblée générale y supplée par l'établissement d'impositions ordinaires ou extraordinaires.
A défaut par l'assemblée générale de satisfaire à ces prescriptions, il y est pourvu par le Collège provincial, la direction de la wateringue entendue. Le Collège provincial notifie sa décision à la direction de la wateringue et celle-ci la notifie aux adhérités. La direction de la wateringue, les adhérités et le gouverneur de province peuvent en appeler auprès du Gouvernement de la décision du Collège provincial.
Ils disposent, à cet effet, d'un délai de quinze jours. Ce délai prend cours, pour le gouverneur, à partir du jour de la décision, et pour la direction de la wateringue et les adhérités, à partir de la notification.]1
Wijzigingen
Art. D75. [1 Het bijzonder politiereglement van de watering heeft slechts als doel het behoud van de waterlozingen en bevloeiingen, van de kunstwerken en hun aanhorigheden.
Het reglement kan de inbreuken op zijn bepalingen of op sommige daarvan als overtreding vaststellen. Die overtredingen worden gestraft met een gevangenisstraf van één dag tot zeven dagen en met een geldboete van één euro tot vijfentwintig euro of slechts met één van die straffen. Behalve de straf beveelt de rechter, zo nodig, de herstelling van de overtreding binnen de door hem vastgestelde termijn en hij bepaalt dat bij niet-uitvoering het bestuur van de watering erin voorziet op kosten van de overtreder, die, krachtens het vonnis, tot terugbetaling van de uitgave gedwongen kan worden op een eenvoudige staat door dit college opgemaakt.
Het reglement mag niet in strijd zijn met de wetten of algemene verordeningen. Het wordt bindend met ingang van de tiende dag na de bekendmaking. De wijze waarop deze bekendmaking geschiedt en de vormen waarin ze wordt gesteld, worden door de Regering bepaald.]1
Het reglement kan de inbreuken op zijn bepalingen of op sommige daarvan als overtreding vaststellen. Die overtredingen worden gestraft met een gevangenisstraf van één dag tot zeven dagen en met een geldboete van één euro tot vijfentwintig euro of slechts met één van die straffen. Behalve de straf beveelt de rechter, zo nodig, de herstelling van de overtreding binnen de door hem vastgestelde termijn en hij bepaalt dat bij niet-uitvoering het bestuur van de watering erin voorziet op kosten van de overtreder, die, krachtens het vonnis, tot terugbetaling van de uitgave gedwongen kan worden op een eenvoudige staat door dit college opgemaakt.
Het reglement mag niet in strijd zijn met de wetten of algemene verordeningen. Het wordt bindend met ingang van de tiende dag na de bekendmaking. De wijze waarop deze bekendmaking geschiedt en de vormen waarin ze wordt gesteld, worden door de Regering bepaald.]1
Art. D75. [1 Le règlement de police particulier de la wateringue a uniquement pour objet la conservation des voies d'écoulement et d'irrigation, des ouvrages et de leurs dépendances.
Le règlement peut ériger en contravention les infractions à ses dispositions ou à certaines d'entre elles. Ces contraventions sont punies d'un emprisonnement d'un jour à sept jours et d'une amende d'1 euro à 25 euros ou d'une des peines seulement. Outre la pénalité, le juge ordonne, s'il y a lieu, la réparation de la contravention dans le délai qu'il détermine et il statue qu'en cas d'inexécution, la direction de la wateringue y pourvoit aux frais du contrevenant qui, en vertu du jugement, peut être contraint au remboursement de la dépense sur simple état dressé par ce collège.
Le règlement n'est pas contraire aux lois ni aux règlements généraux. Il est obligatoire à partir du dixième jour qui suit sa publication. Le Gouvernement détermine les formes de publication et de sa constatation.]1
Le règlement peut ériger en contravention les infractions à ses dispositions ou à certaines d'entre elles. Ces contraventions sont punies d'un emprisonnement d'un jour à sept jours et d'une amende d'1 euro à 25 euros ou d'une des peines seulement. Outre la pénalité, le juge ordonne, s'il y a lieu, la réparation de la contravention dans le délai qu'il détermine et il statue qu'en cas d'inexécution, la direction de la wateringue y pourvoit aux frais du contrevenant qui, en vertu du jugement, peut être contraint au remboursement de la dépense sur simple état dressé par ce collège.
Le règlement n'est pas contraire aux lois ni aux règlements généraux. Il est obligatoire à partir du dixième jour qui suit sa publication. Le Gouvernement détermine les formes de publication et de sa constatation.]1
Wijzigingen
Art. D76. De besluiten van de algemene vergadering worden met volstrekte meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemming beslist de stem van de voorzitter.
Geheime stemming geschiedt van rechtswege wanneer één vierde der aanwezige leden zulks vragen.
Geheime stemming geschiedt van rechtswege wanneer één vierde der aanwezige leden zulks vragen.
Art. D76. Les résolutions de l'assemblée générale sont prises à la majorité absolue des suffrages. En cas de partage des voix, la voix du président est prépondérante.
Le scrutin secret est de droit lorsque le quart des membres présents le demandent.
Le scrutin secret est de droit lorsque le quart des membres présents le demandent.
Art. D77. [1 Na twee achtereenvolgende, uit de briefwisseling blijkende waarschuwingen, kan het Provinciecollege één of meer commissarissen gelasten zich ter plaatse te begeven, op kosten van de watering die verzuimde aan de waarschuwingen te voldoen, met opdracht om de gevraagde inlichtingen of opmerkingen in te winnen of de maatregelen, voorgeschreven door de decretale en reglementaire bepalingen, en de ter uitvoering van deze titel genomen beslissingen van alle bevoegde overheden ten uitvoer te leggen.
De invordering van die kosten geschiedt door de ontvanger volgens de vormen en invorderingsprocedures bepaald bij het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de Waalse gewestelijke belastingen, op bevel van het Provinciecollege.]1
De invordering van die kosten geschiedt door de ontvanger volgens de vormen en invorderingsprocedures bepaald bij het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de Waalse gewestelijke belastingen, op bevel van het Provinciecollege.]1
Art. D77. [1 Après deux avertissements consécutifs, constatés par la correspondance, le Collège provincial peut charger un ou plusieurs commissaires de se transporter sur les lieux, aux frais de la wateringue en retard de satisfaire aux avertissements, à l'effet de recueillir les renseignements ou observations demandés, ou de mettre à exécution les mesures prescrites par les dispositions décrétales et réglementaires ainsi que les décisions de toutes autorités compétentes prises en exécution du présent titre.
La rentrée de ces frais est poursuivie par le receveur, selon les formes et les procédures de recouvrement prévues par le décret du 6 mai 1999 relatif à l'établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales wallonnes, sur l'exécutoire du Collège provincial.]1
La rentrée de ces frais est poursuivie par le receveur, selon les formes et les procédures de recouvrement prévues par le décret du 6 mai 1999 relatif à l'établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales wallonnes, sur l'exécutoire du Collège provincial.]1
Wijzigingen
Art. D78. [1 Onverminderd de bijzondere decretale en reglementaire bepalingen, zijn aan de goedkeuring van het Provinciecollege onderworpen :
1° overeenkomsten tussen wateringen onderling of tussen wateringen en derde personen betreffende afwatering of watertoevoer;
2° vervreemdingen, verkrijgingen, ruilingen en dadingen welke onroerende goederen of rechten betreffen en de huurovereenkomsten;
3° geldleningen en overeenkomsten, waaruit lasten van blijvende aard voortvloeien voor de watering;
4° beslissingen houdende vaststelling van de belastingen ten behoeve van de watering;
5° begrotingen en rekeningen.]1
1° overeenkomsten tussen wateringen onderling of tussen wateringen en derde personen betreffende afwatering of watertoevoer;
2° vervreemdingen, verkrijgingen, ruilingen en dadingen welke onroerende goederen of rechten betreffen en de huurovereenkomsten;
3° geldleningen en overeenkomsten, waaruit lasten van blijvende aard voortvloeien voor de watering;
4° beslissingen houdende vaststelling van de belastingen ten behoeve van de watering;
5° begrotingen en rekeningen.]1
Art. D78. [1 Sans préjudice des dispositions décrétales et réglementaires spéciales, sont soumis à l'approbation du Collège provincial :
1° les conventions entre plusieurs wateringues ou entre wateringues et tierces personnes, concernant l'écoulement ou l'adduction des eaux;
2° les aliénations, acquisitions, échanges et transactions ayant pour objet des biens ou droits immobiliers et les baux;
3° les emprunts et les conventions d'où résultent, pour la wateringue, des charges permanentes;
4° les délibérations fixant les impositions au profit de la wateringue;
5° les budgets et les comptes.]1
1° les conventions entre plusieurs wateringues ou entre wateringues et tierces personnes, concernant l'écoulement ou l'adduction des eaux;
2° les aliénations, acquisitions, échanges et transactions ayant pour objet des biens ou droits immobiliers et les baux;
3° les emprunts et les conventions d'où résultent, pour la wateringue, des charges permanentes;
4° les délibérations fixant les impositions au profit de la wateringue;
5° les budgets et les comptes.]1
Wijzigingen
Art. D79. [1 Aan het advies van het Provinciecollege en aan de Regeringsgoedkeuring zijn onderworpen:
1° de reglementen van de wateringen, alsook de in deze reglementen aangebrachte wijzigingen;
2° de krachtens artikel 63 tussen verscheidene wateringen gesloten overeenkomsten, betreffende hun vereniging, alsook de reglementen van elke vereniging van wateringen.
De Regering kan, het Provinciecollege gehoord, de reglementen ambtshalve aanvullen met alle nodige bepalingen ter uitvoering van deze titel.]1
1° de reglementen van de wateringen, alsook de in deze reglementen aangebrachte wijzigingen;
2° de krachtens artikel 63 tussen verscheidene wateringen gesloten overeenkomsten, betreffende hun vereniging, alsook de reglementen van elke vereniging van wateringen.
De Regering kan, het Provinciecollege gehoord, de reglementen ambtshalve aanvullen met alle nodige bepalingen ter uitvoering van deze titel.]1
Art. D79. [1 Sont soumis à l'avis du Collège provincial et à l'approbation du Gouvernement :
1° les règlements des wateringues ainsi que les modifications apportées à ces règlements;
2° les conventions d'association conclues entre plusieurs wateringues en vertu de l'article D. 63, ainsi que les règlements de toute association de wateringues.
Le Gouvernement peut, le Collège provincial entendu, inscrire d'office dans les règlements toute disposition destinée à assurer l'exécution du présent titre.]1
1° les règlements des wateringues ainsi que les modifications apportées à ces règlements;
2° les conventions d'association conclues entre plusieurs wateringues en vertu de l'article D. 63, ainsi que les règlements de toute association de wateringues.
Le Gouvernement peut, le Collège provincial entendu, inscrire d'office dans les règlements toute disposition destinée à assurer l'exécution du présent titre.]1
Wijzigingen
Art. D80. [1 De beslissingen van de algemene vergaderingen die niet worden onderworpen aan de goedkeuring van de hogere overheid, kunnen door het Provinciecollege vernietigd worden indien zij strijdig zijn met deze titel, met het door de hogere overheid goedgekeurd reglement van de watering, met de algemene belangen of met die van een ander bestuur, openbare instelling of inrichting.
De beslissing kan door het Provinciecollege niet meer vernietigd worden na het verstrijken van een termijn van twee maanden, te rekenen van de dag waarop het Provinciecollege kennis heeft gekregen van de beslissing.
Tijdens die termijn van twee maanden kan het Provinciecollege de uitvoering van de beslissing schorsen; deze schorsing neemt een einde ten laatste bij het verstrijken van die termijn.]1
De beslissing kan door het Provinciecollege niet meer vernietigd worden na het verstrijken van een termijn van twee maanden, te rekenen van de dag waarop het Provinciecollege kennis heeft gekregen van de beslissing.
Tijdens die termijn van twee maanden kan het Provinciecollege de uitvoering van de beslissing schorsen; deze schorsing neemt een einde ten laatste bij het verstrijken van die termijn.]1
Art. D80. [1 Les délibérations des assemblées générales non soumises à l'approbation de l'autorité supérieure peuvent être annulées par le Collège provincial, si elles sont contraires au présent titre, au règlement de la wateringue approuvé par l'autorité supérieure, aux intérêts généraux ou à ceux d'une autre administration ou d'une autre institution ou établissement publics.
La délibération ne peut plus être annulée par le Collège provincial, après l'expiration d'un délai de deux mois, à dater du jour où le Collège provincial a reçu communication de la délibération.
Pendant ce délai de deux mois, le Collège provincial peut suspendre l'exécution de la délibération; cette suspension prend fin au plus tard à l'expiration de ce délai.]1
La délibération ne peut plus être annulée par le Collège provincial, après l'expiration d'un délai de deux mois, à dater du jour où le Collège provincial a reçu communication de la délibération.
Pendant ce délai de deux mois, le Collège provincial peut suspendre l'exécution de la délibération; cette suspension prend fin au plus tard à l'expiration de ce délai.]1
Wijzigingen
Afdeling 2. - Het bestuur.
Section 2. - Direction.
Art. D81. Iedere watering heeft een bestuur, bestaande uit een voorzitter, een ondervoorzitter en beheerders, wier aantal bepaald wordt door het reglement.
Het bestuur wordt bijgestaan door een ontvanger-griffier.
Het bestuur wordt bijgestaan door een ontvanger-griffier.
Art. D81. Chaque wateringue a une direction composée d'un président et d'un vice-président ainsi que d'administrateurs, dont le nombre est fixé par le règlement.
La direction est assistée d'un receveur-greffier.
La direction est assistée d'un receveur-greffier.
Art. D82. [1 De leden van het bestuur en de ontvanger-griffier mogen onderling bloed- noch aanverwant zijn in de eerste en in de tweede graad. Zij zijn niet onderling samenwonend of door het huwelijk verbonden.
In geval van aanverwantschap, ontstaan sinds de benoeming, mag degene die ze heeft doen ontstaan, zijn ambt niet verder waarnemen. Wanneer de samenwoning of het huwelijk na de benoeming plaatsvindt, mag een van de twee samenwonenden of echtgenoten zijn ambt niet verder waarnemen.
De gouverneur kan afwijkingen van dit artikel toestaan, op eensluitend en gemotiveerd advies van het Provinciecollege.]1
In geval van aanverwantschap, ontstaan sinds de benoeming, mag degene die ze heeft doen ontstaan, zijn ambt niet verder waarnemen. Wanneer de samenwoning of het huwelijk na de benoeming plaatsvindt, mag een van de twee samenwonenden of echtgenoten zijn ambt niet verder waarnemen.
De gouverneur kan afwijkingen van dit artikel toestaan, op eensluitend en gemotiveerd advies van het Provinciecollege.]1
Art. D82. [1 Les membres de la direction et le receveur-greffier ne sont ni parents ni alliés les uns des autres, au premier et au deuxième degré. Ils ne sont pas entre eux cohabitants ou unis par le mariage.
En cas d'alliance survenue depuis la nomination, celui qui l'a fait naître ne continue pas ses fonctions. Lorsque la cohabitation ou le mariage survient après la nomination, l'un des deux cohabitants ou époux ne continue pas ses fonctions.
Le gouverneur peut accorder des dérogations au présent article, sur avis motivé et conforme du Collège provincial.]1
En cas d'alliance survenue depuis la nomination, celui qui l'a fait naître ne continue pas ses fonctions. Lorsque la cohabitation ou le mariage survient après la nomination, l'un des deux cohabitants ou époux ne continue pas ses fonctions.
Le gouverneur peut accorder des dérogations au présent article, sur avis motivé et conforme du Collège provincial.]1
Wijzigingen
Art. D83. [1 De gouverneur benoemt de voorzitter, de ondervoorzitter en de beheerders wanneer de watering aan minder dan vier ingelanden toebehoort.
De gouverneur kan een of meer bestuursleden buiten de ingelanden benoemen; in dat geval maken deze leden van rechtswege deel uit van de algemene vergadering.]1
De gouverneur kan een of meer bestuursleden buiten de ingelanden benoemen; in dat geval maken deze leden van rechtswege deel uit van de algemene vergadering.]1
Art. D83. [1 Le gouverneur nomme le président, le vice-président et les administrateurs lorsque la wateringue appartient à moins de quatre adhérités.
Le gouverneur peut nommer un ou plusieurs membres de la direction en dehors des adhérités; dans ce cas, les dits membres font partie de droit de l'assemblée générale.]1
Le gouverneur peut nommer un ou plusieurs membres de la direction en dehors des adhérités; dans ce cas, les dits membres font partie de droit de l'assemblée générale.]1
Wijzigingen
Art. D84. [1 Buiten het geval bedoeld in artikel D. 83 benoemt de algemene vergadering :
1° de leden van het bestuur bij geheime stemming, onder de ingelanden;
2° zij wijst onder de leden van het bestuur, bij twee afzonderlijke stemmingen, de voorzitter en de ondervoorzitter aan.
Zij die verkozen mochten worden onder de ingelanden die geen stemrecht hebben, verkrijgen dit recht krachtens hun benoeming.]1
1° de leden van het bestuur bij geheime stemming, onder de ingelanden;
2° zij wijst onder de leden van het bestuur, bij twee afzonderlijke stemmingen, de voorzitter en de ondervoorzitter aan.
Zij die verkozen mochten worden onder de ingelanden die geen stemrecht hebben, verkrijgen dit recht krachtens hun benoeming.]1
Art. D84. [1 Hormis le cas prévu à l'article D. 83, l'assemblée générale :
1° nomme les membres de la direction, au scrutin secret, parmi les adhérités;
2° désigne parmi les membres de la direction et par deux votes distincts, le président et le vice-président.
Ceux qui seraient choisis parmi les adhérités n'ayant pas le droit de vote acquièrent ce droit en vertu de leur nomination.]1
1° nomme les membres de la direction, au scrutin secret, parmi les adhérités;
2° désigne parmi les membres de la direction et par deux votes distincts, le président et le vice-président.
Ceux qui seraient choisis parmi les adhérités n'ayant pas le droit de vote acquièrent ce droit en vertu de leur nomination.]1
Wijzigingen
Art. D85. [1 De voorzitter, ondervoorzitter en beheerders moeten op de datum van hun benoeming of verkiezing of van de vernieuwing van hun mandaat, meerderjarig zijn. Behoudens bijzondere toestemming van de Regering moeten zij hun gewone verblijfplaats hebben in een van de gemeenten waarover het gebied van de watering zich uitstrekt, of in een aangrenzende gemeente.]1
Art. D85. [1 Le président, le vice-président et les administrateurs doivent être majeurs à la date de leur nomination ou de leur élection ou à la date du renouvellement de leur mandat. Sauf autorisation spéciale du Gouvernement, ils doivent avoir leur résidence habituelle dans une des communes sur le territoire desquelles s'étend la wateringue ou dans une commune limitrophe.]1
Wijzigingen
Art. D86. Het mandaat van voorzitter, van ondervoorzitter en van beheerder duurt zes jaar. Het kan worden vernieuwd.
Het reglement van de watering stelt een orde van aftreden vast.
Het reglement van de watering stelt een orde van aftreden vast.
Art. D86. Le mandat du président, du vice-président et des administrateurs est de six ans. Il est renouvelable.
Le règlement de la wateringue fixe un ordre de sortie de charge.
Le règlement de la wateringue fixe un ordre de sortie de charge.
Art. D87. [1 De bestuursleden leggen de eed af in handen van de Regering of van zijn gemachtigde.]1
Art. D87. [1 Les membres de la direction prêtent serment entre les mains du gouverneur ou de son délégué.]1
Wijzigingen
Art. D88. [1 Behoudens bijzondere toestemming van de gouverneur mag niemand in meer dan één watering voorzitter, ondervoorzitter of beheerder zijn.]1
Art. D88. [1 Sauf autorisation spéciale du gouverneur, nul ne peut être président, vice-président ou administrateur dans plus d'une wateringue.]1
Wijzigingen
Art. D89. [1 Een voorzitter die verhinderd is, wordt vervangen door de ondervoorzitter, en indien ook deze verhinderd is, door de oudste beheerder in jaren.
Zijn al de beheerders verhinderd, dan wijst de gouverneur een derde persoon aan om het ambt van voorzitter tijdelijk waar te nemen]1
Zijn al de beheerders verhinderd, dan wijst de gouverneur een derde persoon aan om het ambt van voorzitter tijdelijk waar te nemen]1
Art. D89. [1 Le président empêché est remplacé par le vice-président, et en cas d'empêchement de celui-ci, par l'administrateur le plus âgé.
En cas d'empêchement de tous les administrateurs, le gouverneur désigne un tiers pour remplir temporairement l'office de président.]1
En cas d'empêchement de tous les administrateurs, le gouverneur désigne un tiers pour remplir temporairement l'office de président.]1
Wijzigingen
Art. D90. [1 Klachten tegen de voorzitter worden aan de algemene vergaderingen voorgelegd. Voor het onderzoek van die klachten in de algemene vergadering, wordt de voorzitter vervangen overeenkomstig artikel D. 89.
De algemene vergadering hoort de voorzitter. Als ze acht :
1° dat de klacht ongegrond is, dan beslist zij dat er geen aanleiding is tot straf;
2° dat een straf nodig is, dan zendt zij het dossier, samen met haar besluit, aan de gouverneur.
De gouverneur, na de voorzitter gehoord te hebben, kan beslissen dat er geen aanleiding is tot straf ofwel de voorzitter schorsen of afzetten. De gouverneur beslist over dit voorstel.]1
De algemene vergadering hoort de voorzitter. Als ze acht :
1° dat de klacht ongegrond is, dan beslist zij dat er geen aanleiding is tot straf;
2° dat een straf nodig is, dan zendt zij het dossier, samen met haar besluit, aan de gouverneur.
De gouverneur, na de voorzitter gehoord te hebben, kan beslissen dat er geen aanleiding is tot straf ofwel de voorzitter schorsen of afzetten. De gouverneur beslist over dit voorstel.]1
Art. D90. [1 Les plaintes contre le président sont portées devant l'assemblée générale. Pour l'examen de ces plaintes à l'assemblée générale, le président est remplacé, conformément à l'article D. 89.
L'assemblée générale entend le président. Si elle estime :
1° que la plainte est non fondée, elle décide qu'il n'y a pas lieu à sanction;
2° qu'une sanction doit être prise, elle transmet le dossier, accompagné de sa délibération, au gouverneur.
Le gouverneur, après avoir entendu le président, peut décider qu'aucune sanction ne doit être prise, ou décider sa suspension ou sa destitution. Le gouverneur statue sur cette proposition.]1
L'assemblée générale entend le président. Si elle estime :
1° que la plainte est non fondée, elle décide qu'il n'y a pas lieu à sanction;
2° qu'une sanction doit être prise, elle transmet le dossier, accompagné de sa délibération, au gouverneur.
Le gouverneur, après avoir entendu le président, peut décider qu'aucune sanction ne doit être prise, ou décider sa suspension ou sa destitution. Le gouverneur statue sur cette proposition.]1
Wijzigingen
Art. D91. [1 De algemene vergadering kan de ondervoorzitter en de beheerders schorsen op verslag van de voorzitter en na de betrokkene te hebben gehoord.
Meent zij dat de schorsing meer dan één maand moet duren, of dat de betrokken ondervoorzitter of beheerder moet worden afgezet, dan wordt haar besluit aan de gouverneur overgemaakt. De gouverneur beslist over het voorstel van het Provinciecollege, na de betrokkene gehoord te hebben.]1
Meent zij dat de schorsing meer dan één maand moet duren, of dat de betrokken ondervoorzitter of beheerder moet worden afgezet, dan wordt haar besluit aan de gouverneur overgemaakt. De gouverneur beslist over het voorstel van het Provinciecollege, na de betrokkene gehoord te hebben.]1
Art. D91. [1 L'assemblée générale peut suspendre le vice-président et les administrateurs sur le rapport que lui fait le président et après avoir entendu l'intéressé.
Si elle estime que la suspension doit avoir une durée de plus d'un mois ou que le vice-président ou l'administrateur en cause doit être destitué, sa délibération est transmise au gouverneur. Celui-ci statue sur la proposition du Collège provincial, après avoir entendu l'intéressé.]1
Si elle estime que la suspension doit avoir une durée de plus d'un mois ou que le vice-président ou l'administrateur en cause doit être destitué, sa délibération est transmise au gouverneur. Celui-ci statue sur la proposition du Collège provincial, après avoir entendu l'intéressé.]1
Wijzigingen
Art. D92. [1 Het Provinciecollege kan eveneens, ambtshalve, na de betrokkenen gehoord te hebben, en na het advies van de op haar initiatief speciaal daarvoor bijeengeroepen algemene vergadering ingewonnen te hebben, aan de gouverneur de schorsing of afzetting voorstellen van de voorzitter en ten laste van de ondervoorzitter en de beheerders de schorsing of de afzetting uitspreken.
De algemene vergadering geeft haar advies eerst na de betrokkenen gehoord te hebben.]1
De algemene vergadering geeft haar advies eerst na de betrokkenen gehoord te hebben.]1
Art. D92. [1 Le Collège provincial peut aussi, d'office, après avoir entendu les intéressés et après avoir pris l'avis de l'assemblée générale spécialement convoquée à cet effet à son initiative, proposer au gouverneur la suspension ou la destitution du président et prononcer à charge du vice-président et des administrateurs la suspension ou la destitution.
L'assemblée générale donne son avis seulement après avoir entendu les intéressés.]1
L'assemblée générale donne son avis seulement après avoir entendu les intéressés.]1
Wijzigingen
Art. D93. [1 Onverminderd de bevoegdheden, door bijzondere bepalingen verleend, is het bestuur belast :
1° met het voorbereiden van de werkzaamheden van de algemene vergadering;
2° met het uitvoeren van haar beslissingen;
3° met het dagelijks bestuur en met het toezicht op de belangen van de watering, en in het bijzonder met het onderhoud en de kleine herstelling van de waterwegen en van de verdedigings- of bevloeiingswerken;
4° met het beheer van het domein van de watering;
5° met het opmaken van de voorwaarden en de keuze van de wijze waarop de opdrachten voor aanneming van werken, leveringen of diensten worden geplaatst;
6° met het nazien van de boeken en de kas, gehouden door de ontvanger-griffier;
7° met het bijhouden van de lijst van de ingelanden die belasting ten behoeve van de watering schuldig zijn en van het kohier van deze belastingen;
8° met het vaststellen van de wedden en lonen van de wachters, de sluiswachters en van de overige leden van het personeel van watering, behalve van de ontvanger-griffier.]1
1° met het voorbereiden van de werkzaamheden van de algemene vergadering;
2° met het uitvoeren van haar beslissingen;
3° met het dagelijks bestuur en met het toezicht op de belangen van de watering, en in het bijzonder met het onderhoud en de kleine herstelling van de waterwegen en van de verdedigings- of bevloeiingswerken;
4° met het beheer van het domein van de watering;
5° met het opmaken van de voorwaarden en de keuze van de wijze waarop de opdrachten voor aanneming van werken, leveringen of diensten worden geplaatst;
6° met het nazien van de boeken en de kas, gehouden door de ontvanger-griffier;
7° met het bijhouden van de lijst van de ingelanden die belasting ten behoeve van de watering schuldig zijn en van het kohier van deze belastingen;
8° met het vaststellen van de wedden en lonen van de wachters, de sluiswachters en van de overige leden van het personeel van watering, behalve van de ontvanger-griffier.]1
Art. D93. [1 Sans préjudice des attributions qui lui sont conférées par des dispositions spéciales, la direction est chargée :
1° de la préparation des travaux de l'assemblée générale;
2° de l'exécution des décisions de celle-ci;
3° de la gestion et de la surveillance journalière des intérêts de la wateringue et en particulier de l'entretien et de la petite réparation des cours d'eau et des ouvrages de défense ou d'irrigation;
4° de l'administration du domaine de la wateringue;
5° de l'élaboration des conditions et du choix du mode de passation des marchés publics de travaux, de fournitures ou de services;
6° de la vérification des livres et de la caisse tenue par le receveur-greffier;
7° de la tenue de la liste des adhérités redevables des impôts au profit de la wateringue ainsi que du rôle de ces impôts;
8° de la détermination des traitements et salaires des gardes, des éclusiers et des autres membres du personnel de la wateringue, hormis le receveur-greffier.]1
1° de la préparation des travaux de l'assemblée générale;
2° de l'exécution des décisions de celle-ci;
3° de la gestion et de la surveillance journalière des intérêts de la wateringue et en particulier de l'entretien et de la petite réparation des cours d'eau et des ouvrages de défense ou d'irrigation;
4° de l'administration du domaine de la wateringue;
5° de l'élaboration des conditions et du choix du mode de passation des marchés publics de travaux, de fournitures ou de services;
6° de la vérification des livres et de la caisse tenue par le receveur-greffier;
7° de la tenue de la liste des adhérités redevables des impôts au profit de la wateringue ainsi que du rôle de ces impôts;
8° de la détermination des traitements et salaires des gardes, des éclusiers et des autres membres du personnel de la wateringue, hormis le receveur-greffier.]1
Wijzigingen
Art. D94. [1 De Voorzitter :
1° roept de algemene vergadering samen op de plaats daartoe door het reglement bepaald;
2° zit deze vergadering voor;
3° in voorkomend geval, roept de algemene vergadering bijeen op schriftelijk verzoek van ten minste een derde van de leden.]1
1° roept de algemene vergadering samen op de plaats daartoe door het reglement bepaald;
2° zit deze vergadering voor;
3° in voorkomend geval, roept de algemene vergadering bijeen op schriftelijk verzoek van ten minste een derde van de leden.]1
Art. D94. [1 Le président :
1° convoque l'assemblée générale au lieu fixé par le règlement;
2° préside cette assemblée;
3° le cas échéant, convoque l'assemblée générale sur la demande écrite d'un tiers au moins des membres.]1
1° convoque l'assemblée générale au lieu fixé par le règlement;
2° préside cette assemblée;
3° le cas échéant, convoque l'assemblée générale sur la demande écrite d'un tiers au moins des membres.]1
Wijzigingen
Art. D95. [1 De voorzitter vraagt de goedkeuring van de hogere overheid voor de daden en beslissingen aan die goedkeuring onderworpen]1
Art. D95. [1 Le président sollicite l'approbation de l'autorité supérieure pour les actes et délibérations qui y sont soumis.]1
Wijzigingen
Art. D96. [1 De voorzitter gelast de betaling van de werken, leveranties en diensten na oplevering van de bewijsstukken betreffende de uitgave, die moeten bewaard worden om tot staving van de rekeningen te worden overlegd.]1
Art. D96. [1 Le président ordonne le paiement des travaux, fournitures et services après réception des pièces justificatives de la dépense, lesquelles sont conservées pour être produites à l'appui des comptes.]1
Wijzigingen
Art. D97. [1 De voorzitter :
1° voert de beslissingen van het bestuur uit;
2° treedt in rechte op voor de watering overeenkomstig de aanwijzingen van het bestuur en na daartoe gemachtigd te zijn door de algemene vergadering en door de gouverneur voor rechtsgedingen als eiser, anders dan de bezitsvorderingen en de vorderingen in kortgeding;
3° tekent al de akten en bescheiden van de watering, zonder zijn ambtsbevoegdheid te moeten rechtvaardigen tegenover derden. De akten en bescheiden betreffende het geldelijk beheer van de watering moeten evenwel medeondertekend worden door de ontvanger-griffier.
De obligaties van geldleningen worden getekend door de voorzitter en medeondertekend door een beheerder.]1
1° voert de beslissingen van het bestuur uit;
2° treedt in rechte op voor de watering overeenkomstig de aanwijzingen van het bestuur en na daartoe gemachtigd te zijn door de algemene vergadering en door de gouverneur voor rechtsgedingen als eiser, anders dan de bezitsvorderingen en de vorderingen in kortgeding;
3° tekent al de akten en bescheiden van de watering, zonder zijn ambtsbevoegdheid te moeten rechtvaardigen tegenover derden. De akten en bescheiden betreffende het geldelijk beheer van de watering moeten evenwel medeondertekend worden door de ontvanger-griffier.
De obligaties van geldleningen worden getekend door de voorzitter en medeondertekend door een beheerder.]1
Art. D97. [1 Le président :
1° exécute les décisions de la direction;
2° représente la wateringue en justice en se conformant aux instructions de la direction et après y avoir été autorisé par l'assemblée générale et par le gouverneur pour les actions judiciaires en tant que demanderesse, autres que les actions possessoires et les actions en référé;
3° signe tous les actes et documents de la wateringue sans avoir à justifier à l'égard des tiers de ses pouvoirs. Les actes et documents se rattachant à la gestion financière de la wateringue doivent, toutefois, être contresignés par le receveur-greffier.
Les obligations d'emprunt sont signées par le président et contresignées par un administrateur.]1
1° exécute les décisions de la direction;
2° représente la wateringue en justice en se conformant aux instructions de la direction et après y avoir été autorisé par l'assemblée générale et par le gouverneur pour les actions judiciaires en tant que demanderesse, autres que les actions possessoires et les actions en référé;
3° signe tous les actes et documents de la wateringue sans avoir à justifier à l'égard des tiers de ses pouvoirs. Les actes et documents se rattachant à la gestion financière de la wateringue doivent, toutefois, être contresignés par le receveur-greffier.
Les obligations d'emprunt sont signées par le président et contresignées par un administrateur.]1
Wijzigingen
Art. D98. [1 De voorzitter heeft de leiding van en houdt toezicht over het personeel van de watering.]1
Art. D98. [1 Le président dirige et surveille le personnel employé par la wateringue.]1
Wijzigingen
Art. D99. [1 In processen-verbaal stelt de voorzitter de overtredingen vast, omschreven bij deze titel, bij de ter uitvoering daarvan genomen besluiten of bij het politiereglement van de watering.]1
Art. D99. [1 Le président constate, dans des procès-verbaux, les infractions prévues par le présent titre, par les arrêtés pris en exécution de celui-ci ou par le règlement de police de la wateringue.]1
Wijzigingen
Art. D100. [1 In spoedeisende gevallen neemt de voorzitter de beslissingen die tot de bevoegdheid van het bestuur behoren, mits hij bij dit bestuur daarover zo spoedig mogelijk verslag uitbrengt.]1
Art. D100. [1 En cas d'urgence, le président prend les décisions qui relèvent de la compétence de la direction, à charge de lui en faire rapport dans le plus bref délai.]1
Wijzigingen
Art. D101. [1 Bij hoge waterstand en als de watering in gevaar van overstroming verkeert, begeven de bestuursleden zich naar de bedreigde plaatsen en treffen er de nodige maatregelen.]1
Art. D101. [1 En période de crue et si la wateringue risque d'être inondée, les membres de la direction se rendent aux endroits menacés et y prennent toutes les mesures que la situation impose.]1
Wijzigingen
Afdeling 3. - De ontvanger-griffier.
Section 3. - Receveur-greffier.
Art. D102. De ontvanger-griffier wordt door de algemene vergadering benoemd.
Art. D102. Le receveur-greffier est nommé par l'assemblée générale.
Art. D103. [1 De ontvanger-griffier moet meerderjarig zijn. Zijn ambt neemt een einde bij het bereiken van de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd, met dit voorbehoud dat hij de dienst waarneemt tot de dag dat zijn opvolger de eed aflegt.
De algemene vergadering stelt zijn wedde vast, die door het Provinciecollege moet goedgekeurd worden.]1
De algemene vergadering stelt zijn wedde vast, die door het Provinciecollege moet goedgekeurd worden.]1
Art. D103. [1 Le receveur-greffier doit être majeur. Ses fonctions prennent fin à l'âge légal de la pension, sous réserve d'assurer le service jusqu'à la date de prestation de serment de son successeur.
L'assemblée générale fixe son traitement, qui est approuvé par le Collège provincial]1
L'assemblée générale fixe son traitement, qui est approuvé par le Collège provincial]1
Wijzigingen
Art. D104. Hij legt ter vergadering van het bestuur de eed af in handen van de voorzitter.
Art. D104. Il prête serment en séance de la direction, entre les mains du président.
Art. D105. Hij stort een borgsom waarvan het bedrag door de algemene vergadering wordt vastgesteld.
Deze borgsom mag het bedrag van zijn jaarwedde niet overschrijden; zij wordt hem eerst terugbetaald na het neerleggen van zijn ambt en na goedkeuring, door de algemene vergadering, van zijn rekening van klerk tot meester.
Deze borgsom mag het bedrag van zijn jaarwedde niet overschrijden; zij wordt hem eerst terugbetaald na het neerleggen van zijn ambt en na goedkeuring, door de algemene vergadering, van zijn rekening van klerk tot meester.
Art. D105. Il fournit un cautionnement dont le montant est fixé par l'assemblée générale.
Ce cautionnement ne peut dépasser un montant correspondant au traitement d'une année; il ne lui est remboursé qu'après la cessation de ses fonctions et l'approbation par l'assemblée générale de son compte de clerc à maître.
Ce cautionnement ne peut dépasser un montant correspondant au traitement d'une année; il ne lui est remboursé qu'après la cessation de ses fonctions et l'approbation par l'assemblée générale de son compte de clerc à maître.
Art. D106.
Art. D106.
Art. D107. De ontvanger-griffier stelt de notulen op van de algemene vergaderingen en van de bestuursvergaderingen en ondertekent ze samen met de voorzitter.
Art. D107. Le receveur-greffier rédige les procès-verbaux des assemblées générales et des séances de la direction et les signe avec le président.
Art. D108. Hij is verantwoordelijk voor de bewaring van de boeken, de stukken van comptabiliteit en beheer alsook het archief van de watering.
Art. D108. Il est responsable de la garde des livres, des pièces de comptabilité et d'administration, ainsi que des archives de la wateringue.
Art. D109. [1 De ontvanger-griffier legt deze bescheiden voor op ieder verzoek van de voorzitter, van het bestuur, van het Provinciecollege of van de provinciegouverneur.
Gedurende vijftien dagen vóór elke algemene vergadering kan ieder lid ter plaatse inzage nemen van de bescheiden betreffende de punten die aan de orde zijn.
Van het archief van de watering kan inzage worden genomen door eenieder op verzoek gericht aan de voorzitter.]1
Gedurende vijftien dagen vóór elke algemene vergadering kan ieder lid ter plaatse inzage nemen van de bescheiden betreffende de punten die aan de orde zijn.
Van het archief van de watering kan inzage worden genomen door eenieder op verzoek gericht aan de voorzitter.]1
Art. D109. [1 Le receveur-greffier présente ces documents à toute réquisition du président, de la direction, du Collège provincial ou du gouverneur de la province.
Pendant les quinze jours qui précèdent chaque assemblée générale, chacun des membres peut prendre connaissance sans déplacement des documents relatifs aux questions qui figurent à l'ordre du jour.
Les archives de la wateringue peuvent être consultées par toute personne sur demande adressée au président.]1
Pendant les quinze jours qui précèdent chaque assemblée générale, chacun des membres peut prendre connaissance sans déplacement des documents relatifs aux questions qui figurent à l'ordre du jour.
Les archives de la wateringue peuvent être consultées par toute personne sur demande adressée au président.]1
Wijzigingen
Art. D110. [1 Meent het bestuur dat een sanctie moet worden getroffen ten laste van de ontvanger-griffier, dan brengt het de zaak vóór de algemene vergadering. Deze hoort de belanghebbende. Zij kan hem voor één maand schorsen. Acht zij een strengere sanctie noodzakelijk, dan kan zij aan de gouverneur de schorsing voor meer dan een maand of de afzetting voorstellen.
De gouverneur beslist over het voorstel van het Provinciecollege.]1
De gouverneur beslist over het voorstel van het Provinciecollege.]1
Art. D110. [1 Si la direction estime qu'une sanction doit être prise à charge du receveur-greffier, elle porte l'affaire devant l'assemblée générale. Celle-ci entend l'intéressé. Elle peut le suspendre pour un mois. Si elle estime qu'une sanction plus sévère doit être prise, elle peut proposer au gouverneur la suspension pour plus d'un mois ou la destitution.
Le gouverneur statue sur la proposition du Collège provincial.]1
Le gouverneur statue sur la proposition du Collège provincial.]1
Wijzigingen
Art. D111. Is de ontvanger-griffier geschorst of verhinderd zijn ambt te vervullen, dan voorziet het bestuur in zijn tijdelijke vervanging.
Art. D111. Si le receveur-greffier est suspendu ou se trouve empêché de remplir ses fonctions, la direction pourvoit à son remplacement temporaire.
Afdeling 4. - De wachters en de sluiswachters of sluismeesters.
Section 4. - Gardes et éclusiers.
Art. D112. [1 De wachters en sluiswachters worden door het bestuur benoemd, geschorst of uit hun ambt ontzet.
Het Provinciecollege kan ook de wachters en sluiswachters schorsen of uit hun ambt ontzetten, het bestuur van de watering gehoord.
Geen tuchtstraf wordt getroffen tenzij de belanghebbende vooraf gehoord is.]1
Het Provinciecollege kan ook de wachters en sluiswachters schorsen of uit hun ambt ontzetten, het bestuur van de watering gehoord.
Geen tuchtstraf wordt getroffen tenzij de belanghebbende vooraf gehoord is.]1
Art. D112. [1 La direction nomme, suspend ou destitue les gardes et les éclusiers.
Le Collège provincial peut aussi suspendre ou destituer les gardes et les éclusiers, la direction de la wateringue entendue.
Aucune sanction disciplinaire n'est prise sans que l'intéressé ait été entendu au préalable.]1
Le Collège provincial peut aussi suspendre ou destituer les gardes et les éclusiers, la direction de la wateringue entendue.
Aucune sanction disciplinaire n'est prise sans que l'intéressé ait été entendu au préalable.]1
Wijzigingen
Art. D113. Om wachter of sluiswachter te zijn, moet men meer dan 21 zijn en minder dan 65 jaar oud.
Art. D113. Il faut, pour être garde ou éclusier, avoir plus de vingt et un ans et moins de soixante-cinq ans.
Art. D114. De wachters en sluiswachters leggen de eed af vóór de vrederechter van het kanton waarin de watering haar zetel heeft.
Art. D114. Les gardes et les éclusiers prêtent serment devant le juge de paix du canton dans lequel la wateringue a son siège.
Art. D115. In processen-verbaal, [1 ...]1, stellen zij de overtredingen vast omschreven bij deze titel en bij het politiereglement van de watering.
In de wateringen waar geen wachter noch sluiswachter is, behoort die politiebevoegdheid aan de ontvanger-griffier.
In de wateringen waar geen wachter noch sluiswachter is, behoort die politiebevoegdheid aan de ontvanger-griffier.
Art. D115. Ils constatent, dans des procès-verbaux [1 ...]1, les infractions prévues par le présent titre et par le règlement de police de la wateringue.
Dans les wateringues où il n'y a ni garde ni éclusier, ce pouvoir de police appartient au receveur-greffier.
Dans les wateringues où il n'y a ni garde ni éclusier, ce pouvoir de police appartient au receveur-greffier.
Wijzigingen
Art. D116. Zij kunnen belast worden met de dienst van bode of dwangbeveldrager.
Art. D116. Ils peuvent être chargés de faire office de messager et de porteur de contrainte.
HOOFDSTUK III. - De belastingen ten behoeve van de wateringen.
CHAPITRE III. - Impôts au profit de la wateringue.
Afdeling 1. - Het vestigen der belastingen.
Section 1re. - Etablissement de l'impôt.
Art. D117. Op al de erven binnen het gebied van de watering kan een belasting ten behoeve van de watering worden geheven op de grondslagen en volgens het onderscheid te bepalen bij het reglement.
Dit reglement mag het aandeel in de belasting differentieel onder de verschillende categorieën van erven vaststellen.
De belastingvoet wordt jaarlijks door de algemene vergadering vastgesteld.
Dit reglement mag het aandeel in de belasting differentieel onder de verschillende categorieën van erven vaststellen.
De belastingvoet wordt jaarlijks door de algemene vergadering vastgesteld.
Art. D117. Tous les fonds compris dans la circonscription peuvent être frappés de l'impôt au profit de la wateringue sur les bases et suivant les distinctions à établir par le règlement.
Celui-ci peut déterminer différentielle ment la proportion d'intervention dans l'impôt des diverses catégories de fonds.
Le taux de l'impôt est fixé annuellement par l'assemblée générale.
Celui-ci peut déterminer différentielle ment la proportion d'intervention dans l'impôt des diverses catégories de fonds.
Le taux de l'impôt est fixé annuellement par l'assemblée générale.
Art. D118. Voor de betaling van de belasting, van de intresten en de kosten heeft de watering een hoofdelijke rechtsvordering tegen de eigenaars, erfpachters, opstalhouders, vruchtgebruikers en houders van een recht van gebruik van eenzelfde erf.
De mede-eigenaars van een erf zijn ook hoofdelijk gehouden.
De mede-eigenaars van een erf zijn ook hoofdelijk gehouden.
Art. D118. Pour le paiement de l'impôt, des intérêts et des frais, la wateringue peut poursuivre solidairement les propriétaires, emphytéotes, superficiaires, usufruitiers et titulaires d'un droit d'usage d'un même fonds.
Tous les indivisaires d'un fonds sont aussi tenus solidairement.
Tous les indivisaires d'un fonds sont aussi tenus solidairement.
Art. D119. Erfgenamen en erfopvolgers van een overleden schuldenaar zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schuld.
Art. D119. Les héritiers et successeurs d'un débiteur décédé sont tenus solidairement de la dette.
Afdeling 2. - Wijze van invordering der belastingen.
Section 2. - Mode de recouvrement de l'impôt.
Art. D120. [1 Het kohier van de belasting ten behoeve van de watering wordt elk jaar door de algemene vergadering opgemaakt en vastgesteld volgens de regels bepaald door het reglement.
Het wordt door het Provinciecollege uitvoerbaar verklaard.
Een aanvullend kohier kan door de algemene vergadering worden opgemaakt voor het heffen van buitengewone belastingen.
Bezwaren worden vóór de Regering gebracht binnen drie maanden na ontvangst van het aanslagbiljet, in de vormen en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 25 tot 27 van het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de Waalse gewestelijke belastingen.
Tegen de beslissingen over deze bezwaren door de Regering getroffen, mag men zich in verbreking voorzien overeenkomstig de bepalingen van artikel 28 van hetzelfde decreet.]1
Het wordt door het Provinciecollege uitvoerbaar verklaard.
Een aanvullend kohier kan door de algemene vergadering worden opgemaakt voor het heffen van buitengewone belastingen.
Bezwaren worden vóór de Regering gebracht binnen drie maanden na ontvangst van het aanslagbiljet, in de vormen en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 25 tot 27 van het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de Waalse gewestelijke belastingen.
Tegen de beslissingen over deze bezwaren door de Regering getroffen, mag men zich in verbreking voorzien overeenkomstig de bepalingen van artikel 28 van hetzelfde decreet.]1
Art. D120. [1 L'assemblée générale arrête le rôle de l'impôt au profit de la wateringue chaque année, suivant les règles établies par le règlement.
Il est rendu exécutoire par le Collège provincial.
L'assemblée générale peut dresser un rôle supplémentaire pour le prélèvement d'impôts extraordinaires.
Les réclamations sont portées devant le Gouvernement dans les trois mois de la réception de l'avertissement-extrait du rôle, dans les formes et les conditions prévues par les articles 25 à 27 du décret du 6 mai 1999 relatif à l'établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales wallonnes.
Les décisions rendues sur ces réclamations par le Gouvernement peuvent faire l'objet d'un recours judiciaire, conformément à l'article 28 du même décret.]1
Il est rendu exécutoire par le Collège provincial.
L'assemblée générale peut dresser un rôle supplémentaire pour le prélèvement d'impôts extraordinaires.
Les réclamations sont portées devant le Gouvernement dans les trois mois de la réception de l'avertissement-extrait du rôle, dans les formes et les conditions prévues par les articles 25 à 27 du décret du 6 mai 1999 relatif à l'établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales wallonnes.
Les décisions rendues sur ces réclamations par le Gouvernement peuvent faire l'objet d'un recours judiciaire, conformément à l'article 28 du même décret.]1
Wijzigingen
Art. D121. [1 De belasting moet betaald zijn binnen de termijnen vastgesteld door de algemene vergadering.
Het reglement voorziet in de betaling van een verwijlinterest.
De ontvanger-griffier is verantwoordelijk voor de belastingen die door zijn schuld niet binnen de gestelde tijd zijn geïnd. In afwachting van de inning kan hij door het Provinciecollege gedwongen worden persoonlijk het bedrag voor te schieten om de uitgaven van de watering te dekken, zonder uit dien hoofde op enige intrest aanspraak te hebben.]1
Het reglement voorziet in de betaling van een verwijlinterest.
De ontvanger-griffier is verantwoordelijk voor de belastingen die door zijn schuld niet binnen de gestelde tijd zijn geïnd. In afwachting van de inning kan hij door het Provinciecollege gedwongen worden persoonlijk het bedrag voor te schieten om de uitgaven van de watering te dekken, zonder uit dien hoofde op enige intrest aanspraak te hebben.]1
Art. D121. [1 L'impôt doit être payé dans les délais fixés par l'assemblée générale.
Le règlement prévoit le paiement d'un intérêt de retard.
Le receveur-greffier est responsable des impôts non recouvrés par sa faute dans les délais requis. En attendant leur recouvrement, il peut être contraint par le Collège provincial d'en faire l'avance pour couvrir les dépenses de la wateringue, sans pouvoir prétendre de ce chef aucun intérêt.]1
Le règlement prévoit le paiement d'un intérêt de retard.
Le receveur-greffier est responsable des impôts non recouvrés par sa faute dans les délais requis. En attendant leur recouvrement, il peut être contraint par le Collège provincial d'en faire l'avance pour couvrir les dépenses de la wateringue, sans pouvoir prétendre de ce chef aucun intérêt.]1
Wijzigingen
Art. D122. Buitengewone belastingen kunnen over verscheidene dienstjaren verdeeld worden, met goedkeuring van [1 het Provinciecollege]1.
Art. D122. Les impôts extraordinaires peuvent être répartis sur plusieurs exercices moyennant l'approbation du [1 Collège provincial]1.
Wijzigingen
Art. D123. [1 De ontvanger-griffier volgt, voor de invordering van de belastingen, van de intresten en de kosten, de regels vastgesteld voor de invordering door het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de Waalse gewestelijke belastingen.]1
Art. D123. [1 Le receveur-greffier use, pour le recouvrement de l'impôt, des intérêts et des frais, des modes établis pour le recouvrement par le décret du 6 mai 1999 relatif à l'établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales wallonnes.]1
Wijzigingen
Art. D124. [1 De kosten van dwangbevel en tenuitvoerlegging worden vastgesteld overeenkomstig het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de Waalse gewestelijke belastingen.]1
Art. D124. [1 Les frais de contrainte et d'exécution sont établis conformément au décret du 6 mai 1999 relatif à l'établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales wallonnes.]1
Wijzigingen
Afdeling 3. - Waarborgen voor de invordering der belasting.
Section 3. - Garanties pour le recouvrement de l'impôt.
Art. D125. De schuldenaren van de belasting ten behoeve van de watering staan in met hun in het gebied van de watering gelegen onroerende goederen en met al hun roerende goederen.
Art. D125. Les redevables de l'impôt au profit de la wateringue sont tenus sur leurs biens immobiliers situés dans la circonscription de la wateringue et sur tous leurs biens mobiliers.
Art. D126. De gewone en buitengewone belastingen ten behoeve van de watering, de intresten en de kosten zijn gewaarborgd door een algemeen voorrecht op de inkomsten en op de roerende goederen van alle aard van de belastingplichtige en door een wettelijke hypotheek op al de hem toebehorende goederen in het gebied van de watering gelegen en die daarvoor vatbaar zijn.
Art. D126. Les impôts ordinaires et extraordinaires au profit de la wateringue, les intérêts et les frais sont garantis par un privilège général sur les revenus et les biens meubles de toute nature du redevable et par une hypothèque légale grevant tous les biens de celui-ci situés dans la circonscription de la wateringue et qui en sont susceptibles.
Art. D127. Het voorrecht neemt rang onmiddellijk na dat hetwelk ingesteld is ten voordele van de Openbare Schatkist voor de invordering der directe belastingen, onverminderd artikel 13 van de wet van 5 juli 1871 en artikel 4 van de wet van 11 april 1895.
Het wordt uitgeoefend gedurende twee jaar te rekenen van de datum van de uitvoerbaarverklaring van het kohier.
Bij beslag op de inkomsten of goederen vóór het verstrijken van die termijn blijft het voorrecht behouden tot hun tegeldemaking.
Met beslag gelijkgesteld wordt het verzoek van de ontvanger-griffier bij [1 aangetekende zending]1 gedaan aan de pachters, huurders, ontvangers, agenten, huismeesters, notarissen, deurwaarders, griffiers, curators, vertegenwoordigers en andere bewaarnemers en schuldenaars van de inkomsten, sommen, waarden of roerende goederen om, op het bedrag van de fondsen of waarden die zij verschuldigd zijn of die zich in hun handen bevinden, ter ontlasting van de belastingplichtigen, te betalen tot beloop van al of een deel van de door de laatstgenoemden aan de watering verschuldigde belastingen.
De uitwerking van dit verzoek strekt zich uit tot de voorwaardelijke schuldvorderingen of die op termijn, op welk tijdstip ook zij opeisbaar worden.
Het wordt uitgeoefend gedurende twee jaar te rekenen van de datum van de uitvoerbaarverklaring van het kohier.
Bij beslag op de inkomsten of goederen vóór het verstrijken van die termijn blijft het voorrecht behouden tot hun tegeldemaking.
Met beslag gelijkgesteld wordt het verzoek van de ontvanger-griffier bij [1 aangetekende zending]1 gedaan aan de pachters, huurders, ontvangers, agenten, huismeesters, notarissen, deurwaarders, griffiers, curators, vertegenwoordigers en andere bewaarnemers en schuldenaars van de inkomsten, sommen, waarden of roerende goederen om, op het bedrag van de fondsen of waarden die zij verschuldigd zijn of die zich in hun handen bevinden, ter ontlasting van de belastingplichtigen, te betalen tot beloop van al of een deel van de door de laatstgenoemden aan de watering verschuldigde belastingen.
De uitwerking van dit verzoek strekt zich uit tot de voorwaardelijke schuldvorderingen of die op termijn, op welk tijdstip ook zij opeisbaar worden.
Art. D127. Le privilège prend rang immédiatement après celui établi en faveur du Trésor public pour le recouvrement des impôts directs sans préjudice de l'article 13 de la loi du 5 juillet 1871 et de l'article 4 de la loi du 11 avril 1895.
Il s'exerce pendant deux ans à compter de la date de l'exécutoire du rôle.
La saisie des revenus ou des biens avant l'expiration de ce délai conserve le privilège jusqu'à leur réalisation.
Est assimilée à la saisie, la demande du receveur-greffier, faite par [1 envoi recommandé]1, aux fermiers, locataires, receveurs, agents, économes, notaires, huissiers, greffiers, curateurs, représentants et autres dépositaires et débiteurs de revenus, sommes, valeurs ou meubles, de payer en l'acquit des redevables, sur le montant des fonds ou valeurs qu'ils doivent ou qui sont entre leurs mains, jusqu'à concurrence de tout ou partie des impôts au profit de la wateringue dus par ces derniers.
Ces demandes étendent leurs effets aux créances conditionnelles ou à terme, quelle que soit l'époque de leur exigibilité.
Il s'exerce pendant deux ans à compter de la date de l'exécutoire du rôle.
La saisie des revenus ou des biens avant l'expiration de ce délai conserve le privilège jusqu'à leur réalisation.
Est assimilée à la saisie, la demande du receveur-greffier, faite par [1 envoi recommandé]1, aux fermiers, locataires, receveurs, agents, économes, notaires, huissiers, greffiers, curateurs, représentants et autres dépositaires et débiteurs de revenus, sommes, valeurs ou meubles, de payer en l'acquit des redevables, sur le montant des fonds ou valeurs qu'ils doivent ou qui sont entre leurs mains, jusqu'à concurrence de tout ou partie des impôts au profit de la wateringue dus par ces derniers.
Ces demandes étendent leurs effets aux créances conditionnelles ou à terme, quelle que soit l'époque de leur exigibilité.
Wijzigingen
Art. D128. § 1. De wettelijke hypotheek schaadt geenszins de vorige voorrechten en hypotheken.
§ 2. Zij neemt rang vanaf haar inschrijving.
Behalve wanneer de rechten van de watering in gevaar verkeren, mag de inschrijving slechts worden genomen vanaf het verstrijken van een termijn van zes maanden, ingaande op de datum van de uitvoerbaarverklaring van het kohier waarin de gewaarborgde belastingen zijn opgenomen.
§ 3. De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ontvanger-griffier belast met de invordering.
De inschrijving heeft plaats niettegenstaande verzet, betwisting of beroep op voorlegging van een door de ontvanger-griffier voor echt verklaard afschrift van het aanslagbiljet houdende vermelding van de datum van de uitvoerbaarverklaring van het kohier.
§ 4. Onverminderd de toepassing van artikel 87 van de wet van 16 december 1851 kan de inschrijving worden gevorderd voor een door de ontvanger-griffier in het borderel te bepalen bedrag dat de intresten en toebehoren, die vóór de vereffening van de aan de watering verschuldigde belasting zouden kunnen verschuldigd zijn, vertegenwoordigt.
§ 5. De ontvanger-griffier verleent handlichting in de administratieve vorm, zonder dat hij tegenover de hypotheekbewaarder gehouden is de betaling der verschuldigde sommen te verantwoorden.
§ 6. Zo de betrokkenen, alvorens de bedragen vereffend te hebben die door de wettelijke hypotheek gewaarborgd zijn, wensen al of een deel van bezwaarde goederen vrij te maken van hypotheek, dienen zij daartoe een verzoek in bij de ontvanger-griffier. Dit verzoek wordt ingewilligd zo de watering reeds voldoende zekerheid bezit of zo deze haar wordt gegeven voor het bedrag van hetgeen haar verschuldigd is.
§ 7. De kosten der hypothecaire formaliteiten in verband met de wettelijke hypotheek zijn ten laste van de belastingplichtige.
§ 2. Zij neemt rang vanaf haar inschrijving.
Behalve wanneer de rechten van de watering in gevaar verkeren, mag de inschrijving slechts worden genomen vanaf het verstrijken van een termijn van zes maanden, ingaande op de datum van de uitvoerbaarverklaring van het kohier waarin de gewaarborgde belastingen zijn opgenomen.
§ 3. De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ontvanger-griffier belast met de invordering.
De inschrijving heeft plaats niettegenstaande verzet, betwisting of beroep op voorlegging van een door de ontvanger-griffier voor echt verklaard afschrift van het aanslagbiljet houdende vermelding van de datum van de uitvoerbaarverklaring van het kohier.
§ 4. Onverminderd de toepassing van artikel 87 van de wet van 16 december 1851 kan de inschrijving worden gevorderd voor een door de ontvanger-griffier in het borderel te bepalen bedrag dat de intresten en toebehoren, die vóór de vereffening van de aan de watering verschuldigde belasting zouden kunnen verschuldigd zijn, vertegenwoordigt.
§ 5. De ontvanger-griffier verleent handlichting in de administratieve vorm, zonder dat hij tegenover de hypotheekbewaarder gehouden is de betaling der verschuldigde sommen te verantwoorden.
§ 6. Zo de betrokkenen, alvorens de bedragen vereffend te hebben die door de wettelijke hypotheek gewaarborgd zijn, wensen al of een deel van bezwaarde goederen vrij te maken van hypotheek, dienen zij daartoe een verzoek in bij de ontvanger-griffier. Dit verzoek wordt ingewilligd zo de watering reeds voldoende zekerheid bezit of zo deze haar wordt gegeven voor het bedrag van hetgeen haar verschuldigd is.
§ 7. De kosten der hypothecaire formaliteiten in verband met de wettelijke hypotheek zijn ten laste van de belastingplichtige.
Art. D128. § 1er. L'hypothèque légale ne préjudicie pas aux privilèges et hypothèques antérieurs.
§ 2. Elle prend rang à partir de son inscription.
Hormis le cas où les droits de la wateringue sont en péril, l'inscription ne peut être requise qu'à partir de l'expiration d'un délai de six mois, commençant à courir à la date de l'exécutoire du rôle comportant les impôts garantis.
§ 3. L'hypothèque est inscrite à la requête du receveur-greffier chargé du recouvrement.
L'inscription a lieu, nonobstant opposition, contestation ou recours, sur présentation d'une copie certifiée conforme par le receveur-greffier de l'avertissement-extrait mentionnant la date de l'exécutoire du rôle.
§ 4. Sans préjudice de l'application de l'article 87 de la loi du 16 décembre 1851, l'inscription peut être requise pour une somme à arbitrer par le receveur-greffier, dans le bordereau, en représentation de tous les intérêts et accessoires qui pourraient être dus avant l'acquittement de l'impôt dû à la wateringue.
§ 5. Le receveur-greffier donne mainlevée dans la forme administrative, sans qu'il soit tenu, vis-à-vis du conservateur des hypothèques, de fournir la justification du paiement des sommes dues.
§ 6. Si, avant d'avoir acquitté les sommes garanties par l'hypothèque légale, les intéressés désirent en affranchir tout ou partie des biens grevés, ils en font la demande au receveur-greffier. Cette demande est admise si la wateringue a déjà ou s'il lui est donné sûreté suffisante pour le montant de ce qui lui est du.
§ 7. Les frais de formalités hypothécaires relatives à l'hypothèque légale sont à charge du contribuable.
§ 2. Elle prend rang à partir de son inscription.
Hormis le cas où les droits de la wateringue sont en péril, l'inscription ne peut être requise qu'à partir de l'expiration d'un délai de six mois, commençant à courir à la date de l'exécutoire du rôle comportant les impôts garantis.
§ 3. L'hypothèque est inscrite à la requête du receveur-greffier chargé du recouvrement.
L'inscription a lieu, nonobstant opposition, contestation ou recours, sur présentation d'une copie certifiée conforme par le receveur-greffier de l'avertissement-extrait mentionnant la date de l'exécutoire du rôle.
§ 4. Sans préjudice de l'application de l'article 87 de la loi du 16 décembre 1851, l'inscription peut être requise pour une somme à arbitrer par le receveur-greffier, dans le bordereau, en représentation de tous les intérêts et accessoires qui pourraient être dus avant l'acquittement de l'impôt dû à la wateringue.
§ 5. Le receveur-greffier donne mainlevée dans la forme administrative, sans qu'il soit tenu, vis-à-vis du conservateur des hypothèques, de fournir la justification du paiement des sommes dues.
§ 6. Si, avant d'avoir acquitté les sommes garanties par l'hypothèque légale, les intéressés désirent en affranchir tout ou partie des biens grevés, ils en font la demande au receveur-greffier. Cette demande est admise si la wateringue a déjà ou s'il lui est donné sûreté suffisante pour le montant de ce qui lui est du.
§ 7. Les frais de formalités hypothécaires relatives à l'hypothèque légale sont à charge du contribuable.
Afdeling 4. - De verjaringen.
Section 4. - Prescriptions.
Art. D129. Er is verjaring voor de invordering der belastingen, intresten en kosten na twee jaar te rekenen van de 1ste januari die volgt op het jaar waarin de belasting moet worden betaald.
(NOTA : wijziging bij art. 17 van DWG 2016-07-20/46 onmogelijk)
(NOTA : wijziging bij art. 17 van DWG 2016-07-20/46 onmogelijk)
Art. D129. Il y a prescription pour le recouvrement des impôts, des intérêts et des frais après deux ans à partir du 1er janvier qui suit l'année pendant laquelle l'impôt doit être payé.
(NOTE : la modification prescrite par l'art. 17 du DRW 2016-07-20/46 est impossible)
(NOTE : la modification prescrite par l'art. 17 du DRW 2016-07-20/46 est impossible)
Art. D130. Onverminderd het bij [1 artikel D. 120]1 ingestelde beroep vervalt de eis tot teruggave van elke ten onrechte geïnde som, van rechtswege, na twee jaar, te rekenen van de betaling.
Art. D130. Sans préjudice du recours prévu à l'[1 article D.120]1, l'action en restitution de toute somme perçue indûment se prescrit de plein droit par deux ans à compter du jour du paiement.
Wijzigingen
Art. D131. De termijn bepaald in de [1 artikelen D. 129 en D. 130]1 kan worden onderbroken op de wijze omschreven in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek en door afstand te doen van het reeds verlopen gedeelte van de verjaringstermijn.
In geval van stuiting van de verjaring is een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze gestuit kan worden, verkregen twee jaar na de laatste akte of handeling waardoor de vorige verjaring gestuit indien er geen geding aanhangig is bij het gerecht is.
In geval van stuiting van de verjaring is een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze gestuit kan worden, verkregen twee jaar na de laatste akte of handeling waardoor de vorige verjaring gestuit indien er geen geding aanhangig is bij het gerecht is.
Art. D131. Le délai prévu aux [1 articles D.129 et D.130]1 peut être interrompu de la manière prévue par les articles 2244 et suivants du Code civil et par une renonciation à la partie déjà courue du délai de prescription.
En cas d'interruption de la prescription, une nouvelle prescription, susceptible d'être interrompue de la même manière, est acquise deux ans après le dernier acte interruptif de la précédente prescription s'il n'y a instance en justice.
En cas d'interruption de la prescription, une nouvelle prescription, susceptible d'être interrompue de la même manière, est acquise deux ans après le dernier acte interruptif de la précédente prescription s'il n'y a instance en justice.
Wijzigingen
HOOFDSTUK IV. - De werken door de wateringen uit te voeren.
CHAPITRE IV. - Travaux à exécuter par les wateringues.
Art. D132. [1 § 1. De wateringen maken jaarlijks een staat van de werken op die gedurende het jaar uitgevoerd moeten worden voor het aanleggen, verbeteren, onderhouden en de kleine herstelling van de onbevaarbare waterwegen en van de verdedigings- of bevloeiingswerken van de watering.
Deze staat bevat een raming van de uitgaven en maakt een onderscheid tussen de :
1° bouw- en verbeteringswerken;
2° onderhouds- en kleine herstelwerken.
Het wordt vóór 1 april van het jaar waarin de werken moeten worden uitgevoerd, aan het Provinciecollege meegedeeld.
§ 2. Onderhouds- en kleine herstelwerken zijn werken die zich op regelmatige tijdstippen herhalen, en met name :
1° het schoonmaken van de zomerbedding van de onbevaarbare waterlopen van tweede en derde categorie, met inbegrip van de overwelfde vlakken, en namelijk de ruiming, het reprofileren alsook de inzameling van puin, takken, ijsblokken en grof materiaal;
2° het onderhoud en de verwijdering van vegetatie langs de oevers van de zomerbedding van de onbevaarbare waterlopen, namelijk door de verwijdering van struikgewas, het hakken, het kort snoeien, het snoeien van struiken, het verscheuren, de verwijdering van boomstronken, de aanplantingen, het losrukken van distels, het maaien en de vernietiging van invasieve planten;
3° het onderhouden, het kleine herstel en het verzekeren van de normale werking van de pompstations in verband met de onbevaarbare waterlopen, ongeacht of zij aan privaat- of publiekrechtelijke eigenaars toebehoren.]1
Deze staat bevat een raming van de uitgaven en maakt een onderscheid tussen de :
1° bouw- en verbeteringswerken;
2° onderhouds- en kleine herstelwerken.
Het wordt vóór 1 april van het jaar waarin de werken moeten worden uitgevoerd, aan het Provinciecollege meegedeeld.
§ 2. Onderhouds- en kleine herstelwerken zijn werken die zich op regelmatige tijdstippen herhalen, en met name :
1° het schoonmaken van de zomerbedding van de onbevaarbare waterlopen van tweede en derde categorie, met inbegrip van de overwelfde vlakken, en namelijk de ruiming, het reprofileren alsook de inzameling van puin, takken, ijsblokken en grof materiaal;
2° het onderhoud en de verwijdering van vegetatie langs de oevers van de zomerbedding van de onbevaarbare waterlopen, namelijk door de verwijdering van struikgewas, het hakken, het kort snoeien, het snoeien van struiken, het verscheuren, de verwijdering van boomstronken, de aanplantingen, het losrukken van distels, het maaien en de vernietiging van invasieve planten;
3° het onderhouden, het kleine herstel en het verzekeren van de normale werking van de pompstations in verband met de onbevaarbare waterlopen, ongeacht of zij aan privaat- of publiekrechtelijke eigenaars toebehoren.]1
Art. D132. [1 § 1er. Les wateringues dressent annuellement un état des travaux à exécuter pendant l'année pour la construction, l'amélioration, l'entretien et la petite réparation des cours d'eau non navigables et des ouvrages de défense ou d'irrigation de la wateringue.
Cet état comporte une estimation de la dépense et distingue les travaux :
1° de construction et d'amélioration;
2° les travaux d'entretien et de petite réparation.
Il est communiqué au Collège provincial avant le 1er avril de l'année au cours de laquelle les travaux doivent être exécutés.
§ 2. Les travaux d'entretien et de petite réparation correspondent à tous travaux qui se reproduisent à intervalle régulier, et notamment :
1° le nettoyage du lit mineur des cours d'eau non navigables de deuxième et troisième catégories, y compris dans les parties voutées, et notamment le curage, la remise sous profils ainsi que la collecte de débris, de branchages, d'embâcles et de matériaux encombrants;
2° l'entretien et l'élimination de la végétation située sur les berges du lit mineur des cours d'eau non navigables, notamment par débroussaillage, abattage, débardage, recépage, ébranchage, déchiquetage, dessouchage, plantation, échardonnage, faucardage et la destruction des plantes invasives;
3° l'entretien, la réparation et les mesures propres à assurer le fonctionnement normal des stations de pompage en lien avec les cours d'eau non navigables, que celles-ci appartiennent à des personnes de droit privé ou public.]1
Cet état comporte une estimation de la dépense et distingue les travaux :
1° de construction et d'amélioration;
2° les travaux d'entretien et de petite réparation.
Il est communiqué au Collège provincial avant le 1er avril de l'année au cours de laquelle les travaux doivent être exécutés.
§ 2. Les travaux d'entretien et de petite réparation correspondent à tous travaux qui se reproduisent à intervalle régulier, et notamment :
1° le nettoyage du lit mineur des cours d'eau non navigables de deuxième et troisième catégories, y compris dans les parties voutées, et notamment le curage, la remise sous profils ainsi que la collecte de débris, de branchages, d'embâcles et de matériaux encombrants;
2° l'entretien et l'élimination de la végétation située sur les berges du lit mineur des cours d'eau non navigables, notamment par débroussaillage, abattage, débardage, recépage, ébranchage, déchiquetage, dessouchage, plantation, échardonnage, faucardage et la destruction des plantes invasives;
3° l'entretien, la réparation et les mesures propres à assurer le fonctionnement normal des stations de pompage en lien avec les cours d'eau non navigables, que celles-ci appartiennent à des personnes de droit privé ou public.]1
Wijzigingen
Art. D133. [1 Onderhouds- en kleine herstelwerken kunnen door de wateringen worden uitgevoerd alleen na het voorwerp te hebben uitgemaakt van een voorafgaande aangifte.
De aangifte wordt per aangetekende brief met ontvangstbewijs of door elk middel dat vaste datum verleent of door afgifte tegen ontvangstbewijs aan de betrokken beheerder van de onbevaarbare waterloop van tweede of derde categorie verzonden.
De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de aangifte.
De verklaring is niet ontvankelijk indien zij in strijd met het tweede lid is verzonden of afgegeven of indien de gegevens of documenten die krachtens het derde lid vereist zijn, ontbreken. Indien de aangifte niet ontvankelijk is, richt de betrokken beheerder een beslissing aan de watering waarin de onontvankelijkheidsgronden zijn opgenomen binnen 15 dagen te rekenen van de datum van ontvangst van de aangifte.
Indien de aangifte ontvankelijk is, stelt de betrokken beheerder de watering daarvan binnen vijfenveertig dagen na de datum van ontvangst van de aangifte in kennis en kan hij aanvullende voorwaarden stellen voor de uitvoering van de onderhouds- en kleine herstelwerken. Indien de aangifte niet binnen de termijn bedoeld in het vijfde lid wordt verzonden, wordt zij zonder aanvullende voorwaarden ontvankelijk geacht.
De aangever kan overgaan tot de uitvoering van de werken :
1° vijfenveertig dagen na de datum van ontvangst van de aangifte, indien deze overeenkomstig het vierde lid niet onontvankelijk is verklaard;
2° zestig dagen na de datum van ontvangst van de verklaring, indien de bevoegde overheid overeenkomstig het vijfde lid bijkomende voorwaarden stelt voor de uitvoering ervan.]1
De aangifte wordt per aangetekende brief met ontvangstbewijs of door elk middel dat vaste datum verleent of door afgifte tegen ontvangstbewijs aan de betrokken beheerder van de onbevaarbare waterloop van tweede of derde categorie verzonden.
De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de aangifte.
De verklaring is niet ontvankelijk indien zij in strijd met het tweede lid is verzonden of afgegeven of indien de gegevens of documenten die krachtens het derde lid vereist zijn, ontbreken. Indien de aangifte niet ontvankelijk is, richt de betrokken beheerder een beslissing aan de watering waarin de onontvankelijkheidsgronden zijn opgenomen binnen 15 dagen te rekenen van de datum van ontvangst van de aangifte.
Indien de aangifte ontvankelijk is, stelt de betrokken beheerder de watering daarvan binnen vijfenveertig dagen na de datum van ontvangst van de aangifte in kennis en kan hij aanvullende voorwaarden stellen voor de uitvoering van de onderhouds- en kleine herstelwerken. Indien de aangifte niet binnen de termijn bedoeld in het vijfde lid wordt verzonden, wordt zij zonder aanvullende voorwaarden ontvankelijk geacht.
De aangever kan overgaan tot de uitvoering van de werken :
1° vijfenveertig dagen na de datum van ontvangst van de aangifte, indien deze overeenkomstig het vierde lid niet onontvankelijk is verklaard;
2° zestig dagen na de datum van ontvangst van de verklaring, indien de bevoegde overheid overeenkomstig het vijfde lid bijkomende voorwaarden stelt voor de uitvoering ervan.]1
Art. D133. [1 Les travaux d'entretien et de petite réparation peuvent être exécutés par les wateringues uniquement après avoir fait l'objet d'une déclaration préalable.
La déclaration est envoyée par envoi recommandé avec accusé de réception ou par tout envoi conférant date certaine ou remise contre récépissé au gestionnaire du cours d'eau non navigable de deuxième ou de troisième catégorie concerné.
Le Gouvernement arrête la forme et le contenu de la déclaration.
La déclaration est irrecevable si elle est envoyée ou remise en violation de l'alinéa 2 ou s'il manque des renseignements ou des documents requis en vertu de l'alinéa 3. Si la déclaration est irrecevable, le gestionnaire concerné envoie à la wateringue une décision mentionnant les motifs de l'irrecevabilité dans les quinze jours à compter de la date de réception de la déclaration.
Si la déclaration est recevable, le gestionnaire concerné en informe la wateringue dans les quarante-cinq jours à compter de la date de réception de la déclaration, et peut prescrire des conditions complémentaires d'exécution des travaux d'entretien et de petite réparation. A défaut d'envoi dans le délai visé à l'alinéa 5, la déclaration est réputée recevable sans conditions complémentaires.
Le déclarant peut passer à l'exécution des travaux :
1° quarante-cinq jours à compter de la date à laquelle la déclaration est reçue si celle-ci n'a pas été déclarée irrecevable conformément à l'alinéa 4;
2° soixante jours à compter de la date à laquelle la déclaration est reçue si l'autorité compétente prescrit des conditions complémentaires d'exécution conformément à l'alinéa 5.]1
La déclaration est envoyée par envoi recommandé avec accusé de réception ou par tout envoi conférant date certaine ou remise contre récépissé au gestionnaire du cours d'eau non navigable de deuxième ou de troisième catégorie concerné.
Le Gouvernement arrête la forme et le contenu de la déclaration.
La déclaration est irrecevable si elle est envoyée ou remise en violation de l'alinéa 2 ou s'il manque des renseignements ou des documents requis en vertu de l'alinéa 3. Si la déclaration est irrecevable, le gestionnaire concerné envoie à la wateringue une décision mentionnant les motifs de l'irrecevabilité dans les quinze jours à compter de la date de réception de la déclaration.
Si la déclaration est recevable, le gestionnaire concerné en informe la wateringue dans les quarante-cinq jours à compter de la date de réception de la déclaration, et peut prescrire des conditions complémentaires d'exécution des travaux d'entretien et de petite réparation. A défaut d'envoi dans le délai visé à l'alinéa 5, la déclaration est réputée recevable sans conditions complémentaires.
Le déclarant peut passer à l'exécution des travaux :
1° quarante-cinq jours à compter de la date à laquelle la déclaration est reçue si celle-ci n'a pas été déclarée irrecevable conformément à l'alinéa 4;
2° soixante jours à compter de la date à laquelle la déclaration est reçue si l'autorité compétente prescrit des conditions complémentaires d'exécution conformément à l'alinéa 5.]1
Wijzigingen
Art. D133/1. [1 De wateringen mogen alleen krachtens een toestemming van het Provinciecollege en onder de door hem gestelde voorwaarden de nodige bouw- en verbeteringswerken uitvoeren om een voor de landbouw gunstige waterhuishouding te bereiken en in stand te houden en de grond te beschermen tegen overstromingen.
De Regering kan de procedure voor het verlenen van de vergunning bedoeld in het eerste lid vastleggen.]1
De Regering kan de procedure voor het verlenen van de vergunning bedoeld in het eerste lid vastleggen.]1
Art. D133/1. [1 Les wateringues peuvent exécuter des travaux de construction et d'amélioration nécessaires à la réalisation et au maintien d'un régime des eaux favorable à l'agriculture ainsi qu'à la défense des terres contre les inondations uniquement en vertu d'une autorisation du Collège provincial et aux conditions qu'il indique.
Le Gouvernement peut fixer la procédure de délivrance de l'autorisation visée à l'alinéa 1er.]1
Le Gouvernement peut fixer la procédure de délivrance de l'autorisation visée à l'alinéa 1er.]1
Art. D134. [1 De wateringen mogen, zonder voorafgaande vergunning, alle werken uitvoeren die niet zonder gevaar of schade uitgesteld kunnen worden, mits onmiddellijk hiervan kennis te geven aan het Provinciecollege alsook aan de bevoegde ambtenaar aangewezen door de Regering.]1
Art. D134. [1 Les wateringues peuvent, sans autorisation préalable, procéder à l'exécution de tous travaux dont le retard exposerait à danger ou à préjudice, à charge d'en donner immédiatement avis au Collège provincial ainsi qu'au fonctionnaire compétent désigné par le Gouvernement.]1
Wijzigingen
Art. D134/1. [1 § 1. Aan de beslissingen die het Provinciecollege in uitvoering van artikel D. 133/1 moet nemen, gaat een openbaar onderzoek vooraf volgens de modaliteiten omschreven in Boek I van het Milieuwetboek.
§ 2. De Regering kan de in de eerste paragraaf bedoelde beslissingen ambtshalve of op het beroep van het bestuur van de watering of de provinciegouverneur herzien.
Het beroep wordt ingediend binnen vijftien dagen. Deze termijn loopt ten aanzien van de Gouverneur vanaf de datum van de beslissing en ten aanzien van het bestuur van de watering vanaf de datum van kennisgeving.
Het beroep van het bestuur van de watering wordt gedaan bij verzoekschrift aan de Regering, overhandigd aan de Gouverneur. Deze geeft er ontvangstbewijs van en zendt de stukken door aan de Regering.]1
§ 2. De Regering kan de in de eerste paragraaf bedoelde beslissingen ambtshalve of op het beroep van het bestuur van de watering of de provinciegouverneur herzien.
Het beroep wordt ingediend binnen vijftien dagen. Deze termijn loopt ten aanzien van de Gouverneur vanaf de datum van de beslissing en ten aanzien van het bestuur van de watering vanaf de datum van kennisgeving.
Het beroep van het bestuur van de watering wordt gedaan bij verzoekschrift aan de Regering, overhandigd aan de Gouverneur. Deze geeft er ontvangstbewijs van en zendt de stukken door aan de Regering.]1
Art. D134/1. [1 § 1er. Les décisions à prendre par le Collège provincial en exécution de l'article D. 133/1 sont précédées d'une enquête publique selon les modalités définies au Livre Ier du Code de l'Environnement.
§ 2. Le Gouvernement peut réformer les décisions visées au paragraphe 1er, soit d'office, soit sur le recours de la direction de la wateringue ou du gouverneur de la province.
Le recours est introduit dans les quinze jours. Ce délai court à l'égard du gouverneur à partir de la date de la décision, et à l'égard de la direction de la wateringue à partir de la notification.
La direction de la wateringue forme son recours par requête au Gouvernement, remise au gouverneur. Celui-ci en donne récépissé et transmet les pièces au Gouvernement.]1
§ 2. Le Gouvernement peut réformer les décisions visées au paragraphe 1er, soit d'office, soit sur le recours de la direction de la wateringue ou du gouverneur de la province.
Le recours est introduit dans les quinze jours. Ce délai court à l'égard du gouverneur à partir de la date de la décision, et à l'égard de la direction de la wateringue à partir de la notification.
La direction de la wateringue forme son recours par requête au Gouvernement, remise au gouverneur. Celui-ci en donne récépissé et transmet les pièces au Gouvernement.]1
Art. D135. [1 Het bestuur van de watering kiest de wijze waarop de opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten worden gegund en stelt de voorwaarden vast; het stelt de procedure in en gunt de opdracht.
Behoudens in de spoedeisende gevallen bedoeld in artikel 134 wordt de beslissing tot gunning van de opdracht onderworpen aan de goedkeuring van het Provinciecollege.
De goedkeuring wordt geacht te zijn verleend bij ontstentenis van betekening van een andersluidende beslissing binnen veertig dagen nadat de beslissing bij het Provinciecollege is ingekomen.]1
Behoudens in de spoedeisende gevallen bedoeld in artikel 134 wordt de beslissing tot gunning van de opdracht onderworpen aan de goedkeuring van het Provinciecollege.
De goedkeuring wordt geacht te zijn verleend bij ontstentenis van betekening van een andersluidende beslissing binnen veertig dagen nadat de beslissing bij het Provinciecollege is ingekomen.]1
Art. D135. [1 La direction de la wateringue choisit le mode de passation des marchés de travaux, de fournitures et de services et fixe les conditions; elle engage la procédure et attribue le marché.
Sauf les cas d'urgence prévus à l'article D. 134, la décision d'attribution du marché est soumise à l'approbation du Collège provincial.
L'approbation est réputée acquise à défaut de notification d'une décision contraire dans les quarante jours de la réception de la décision au Collège provincial.]1
Sauf les cas d'urgence prévus à l'article D. 134, la décision d'attribution du marché est soumise à l'approbation du Collège provincial.
L'approbation est réputée acquise à défaut de notification d'une décision contraire dans les quarante jours de la réception de la décision au Collège provincial.]1
Wijzigingen
Art. D136. De leden van het bestuur noch de ontvanger-griffier mogen, op straffe van afzetting en onverminderd de straffen gesteld bij artikel 245 van het Strafwetboek, enig belang, welk het ook zij, nemen of aanvaarden in de leveringen en werken die de watering aangaan.
Art. D136. Les membres de la direction ni le receveur-greffier ne peuvent, sous peine de destitution et sans préjudice des peines prévues à l'article 245 du Code pénal, prendre ou recevoir quelque intérêt que ce soit dans les fournitures et travaux intéressant la wateringue.
Art. D137. De oplevering van de werken en materialen geschiedt onder de verantwoordelijkheid van het bestuur.
De processen-verbaal van oplevering worden, tot staving, gevoegd bij de definitieve betalingsmandaten uitgereikt door de voorzitter.
De processen-verbaal van oplevering worden, tot staving, gevoegd bij de definitieve betalingsmandaten uitgereikt door de voorzitter.
Art. D137. La réception des travaux et matériaux est faite sous la responsabilité de la direction.
Les procès-verbaux de réception sont joints à l'appui des mandats définitifs de paiement délivrés par le président.
Les procès-verbaux de réception sont joints à l'appui des mandats définitifs de paiement délivrés par le président.
Art. D138. Om grond en ander materiaal uit te halen die nodig zijn voor de werken bedoeld in [1 artikel D. 134]1, mag de watering, tegen een voorafgaande billijke vergoeding aan de betrokken eigenaars en exploitanten, uitgravingen doen binnen haar gebied.
Onverminderd het bij artikel 134 bepaalde wijst de voorzitter, in overleg met de door de Regering aangewezen bevoegde ambtenaar, de plaats en de afmetingen aan van die uitgravingen derwijze dat ze geen schade kunnen doen aan het instandhouden van de verdedigingswerken.
Onverminderd het bij artikel 134 bepaalde wijst de voorzitter, in overleg met de door de Regering aangewezen bevoegde ambtenaar, de plaats en de afmetingen aan van die uitgravingen derwijze dat ze geen schade kunnen doen aan het instandhouden van de verdedigingswerken.
Art. D138. Pour l'extraction de la terre et autres matériaux nécessaires aux travaux visés à l[1 article D.134]1, la wateringue peut, moyennant une indemnité préalable et équitable aux propriétaires et exploitants intéresses, pratiquer des fouilles à l'intérieur de sa circonscription.
Sans préjudice de l'[1 article D. 134]1, le président, d'accord avec le fonctionnaire compétent désigné par le Gouvernement, détermine l'emplacement et les dimensions de ces fouilles de manière qu'elles ne puissent nuire à la conservation des ouvrages de défense.
Sans préjudice de l'[1 article D. 134]1, le président, d'accord avec le fonctionnaire compétent désigné par le Gouvernement, détermine l'emplacement et les dimensions de ces fouilles de manière qu'elles ne puissent nuire à la conservation des ouvrages de défense.
Wijzigingen
HOOFDSTUK V. - De toezichtsmaatregelen en ambtshalve uitgevoerde werken.
CHAPITRE V. - Mesures de surveillance et travaux exécutés d'office.
Art. D139. [1 Onverminderd de bij artikel D. 93, 3°, opgelegde verplichtingen controleert het bestuur van de watering, ieder jaar in de loop van de maand maart of april en van de maand september, de stand van onderhoud van de verdedigings- of bevloeiingswerken van de watering.]1
Art. D139. [1 Sans préjudice des obligations que lui impose l'article D. 93, 3°, la direction de la wateringue vérifie, dans le courant des mois de mars ou d'avril et de septembre de chaque année, l'état d'entretien des ouvrages de défense ou d'irrigation de la wateringue.]1
Wijzigingen
Art. D140. [1 Indien blijkt uit een verslag, opgemaakt door de bevoegde ambtenaar aangewezen door de Regering en waarvan kennis wordt gegeven door de Gouverneur zowel aan het bestuur van de watering als aan het Provinciecollege, dat voor het onderhoud en de veiligheid van een watering noodzakelijke werken verwaarloosd zijn, hoort het Provinciecollege het bestuur van de watering in bijzijn van de bevoegde ambtenaar en stelt in voorkomend geval een termijn vast binnen welke de algemene vergadering tot de uitvoering van de werken beslist.]1
Art. D140. [1 S'il ressort d'un rapport dressé par le fonctionnaire compétent désigné par le Gouvernement et notifié par le gouverneur tant à la direction de la wateringue qu'au Collège provincial, que des travaux nécessaires à l'entretien ou à la sécurité d'une wateringue sont négligés, le Collège provincial entend la direction de la wateringue en présence du fonctionnaire compétent et elle fixe, le cas échéant, le délai dans lequel l'assemblée générale décide l'exécution des travaux.]1
Wijzigingen
Art. D141. [1 Neemt de watering deze beslissing niet binnen de termijn bedoeld in artikel D.140, dan kan het Provinciecollege de nodige maatregelen treffen, in naam en voor de rekening van de watering, bij toepassing van artikel D. 77.
De Regering kan ook ambtshalve de uitvoering van de werken bevelen. In dit geval worden de nodige gelden door het Waalse Gewest voorgeschoten. Het Provinciecollege kan een dergelijke beslissing slechts nemen met voorafgaande toestemming van de Regering, behalve in het geval van werken waarvan de uitvoering niet zonder gevaar of schade kan worden uitgesteld.]1
De Regering kan ook ambtshalve de uitvoering van de werken bevelen. In dit geval worden de nodige gelden door het Waalse Gewest voorgeschoten. Het Provinciecollege kan een dergelijke beslissing slechts nemen met voorafgaande toestemming van de Regering, behalve in het geval van werken waarvan de uitvoering niet zonder gevaar of schade kan worden uitgesteld.]1
Art. D141. [1 i la wateringue ne prend pas cette décision dans le délai visé à l'article D. 140, le Collège provincial peut prendre les mesures requises, au nom et pour compte de la wateringue, par application de l'article D. 77.
Le Collège provincial peut aussi décréter d'office l'exécution des travaux. Dans ce cas, les avances de fonds nécessaires sont faites par la Région wallonne. Le Collège provincial peut prendre pareille décision uniquement avec l'accord préalable du Gouvernement, sauf s'il s'agit de travaux dont l'exécution ne peut être différée sans danger ni préjudice.]1
Le Collège provincial peut aussi décréter d'office l'exécution des travaux. Dans ce cas, les avances de fonds nécessaires sont faites par la Région wallonne. Le Collège provincial peut prendre pareille décision uniquement avec l'accord préalable du Gouvernement, sauf s'il s'agit de travaux dont l'exécution ne peut être différée sans danger ni préjudice.]1
Wijzigingen
Art. D142. [1 Alle werken worden uitgevoerd onder het toezicht van de bevoegde ambtenaar aangewezen door de Regering. Deze ambtenaar is bovendien aanwezig bij de oplevering van de werken, behoudens wanneer het werken tot onderhoud of kleine herstelling betreft.]1
Art. D142. [1 Tous les travaux sont exécutés sous le contrôle du fonctionnaire compétent désigné par le Gouvernement. Ce fonctionnaire assiste en outre à la réception des travaux autres que ceux d'entretien ou de petite réparation.]1
Wijzigingen
Art. D143. [1 Wanneer het Provinciecollege verneemt dat een watering zonder de vereiste vergunningen of zonder inachtneming van de gestelde voorwaarden enig werk uitvoert of heeft uitgevoerd, en wanneer dit werk schadelijk blijkt voor het gewestelijke, provinciale of gemeentelijke belangen of voor de belangen van een andere watering, hoort het Provinciecollege op tegenspraak de betrokken besturen en de bevoegde ambtenaar aangewezen door de Regering en beveelt zij, zo nodig, dat de zaken in hun vorige staat worden hersteld. Zo de watering nalaat de bevelen van het Provinciecollege uit te voeren, mag deze te werk gaan overeenkomstig artikel 141.]1
Art. D143. [1 S'il parvient à la connaissance du Collège provincial qu'une wateringue exécute ou a exécuté quelque ouvrage sans les autorisations requises ou sans respecter les conditions imposées, et si l'ouvrage paraît nuisible aux intérêts régionaux, provinciaux ou communaux ou à ceux d'une autre wateringue, le Collège provincial entend contradictoirement les administrations intéressées et le fonctionnaire compétent désigné par le Gouvernement et ordonne, s'il y a lieu, la remise des choses en leur état précédent. Si la wateringue n'exécute pas les ordres du Collège provincial, celui-ci peut procéder conformément à l'article D. 141.]1
Wijzigingen
Art. D143/2. [1 De Regering kan de beslissingen bedoeld in de artikelen D. 140, D. 141 en D. 143, ambtshalve of op het beroep van het bestuur van de watering of de provinciegouverneur herzien. Het beroep wordt ingediend binnen vijftien dagen. Deze termijn loopt ten aanzien van de gouverneur vanaf de datum van de beslissing en ten aanzien van het bestuur van de watering vanaf de datum van kennisgeving. Het beroep van het bestuur van de watering wordt gedaan bij verzoekschrift aan de Regering, overhandigd aan de Gouverneur. Deze laatste geeft hem een ontvangstbewijs en maakt de stukken aan de regering over.]1
Art. D143/2. [1 Le Gouvernement peut réformer les décisions visées aux articles D. 140, D. 141 et D. 143, soit d'office, soit sur le recours de la direction de la wateringue ou du gouverneur de la province. Le recours est introduit dans les quinze jours. Ce délai court à l'égard du gouverneur à partir de la date de la décision et à l'égard de la direction de la wateringue à partir de la notification. La direction de la wateringue forme son recours par requête au Gouvernement, remise au gouverneur. Celui-ci lui en donne récépissé et transmet les pièces au Gouvernement.]1
Art. D143/3. [1 Het beroep bij de Regering schorst de gevolgen van de beslissingen van het Provinciecollege. Evenwel heeft het beroep van de watering geen schorsende werking indien het Provinciecollege heeft bevolen dat zijn beslissing ondanks het beroep zal uitgevoerd worden en deze beslissing ter zake speciaal met redenen heeft omkleed. In dat geval komt de eventuele teruggave ten laste van het Gewest.]1
Art. D143/3. [1 Le recours au Gouvernement suspend les effets des décisions du Collège provincial. Toutefois, le recours de la wateringue n'a pas d'effet suspensif si le Collège provincial, en motivant spécialement sa décision sur ce point, en a ordonné l'exécution nonobstant le recours. Dans ce cas, la charge éventuelle des restitutions incombe à la Région.]1
Art. D144. [1 § 1. Voor het invorderen van hetgeen hem verschuldigd is uit hoofde van de voorschotten die het Gewest heeft verstrekt, van de intresten en van de kosten, beschikt het Gewest tegen de watering over een burgerlijke rechtsvordering.
Deze voorschotten, intresten en kosten zijn gewaarborgd door een algemeen voorrecht op de inkomsten en de roerende goederen van alle aard van de watering en door een wettelijke hypotheek op alle goederen van de watering die daarvoor vatbaar zijn.
§ 2. Het voorrecht neemt rang onmiddellijk na het voorrecht dat ten gunste van de Openbare Schatkist ingesteld is voor de invordering van de directe belastingen. Het wordt uitgeoefend te rekenen van de dag waarop de in artikel 145 bedoelde termijn van drie maanden is verstreken.
Dit voorrecht blijft bestaan totdat de schuld aan het Gewest volledig is gedelgd. Bij beslag op de inkomsten of goederen vóór dat tijdstip, blijft het voorrecht tot de tegeldemaking van die inkomsten of goederen gehandhaafd. Met beslag wordt gelijkgesteld het verzoek van de Regering of de door haar daartoe gemachtigde ambtenaar, per aangetekende brief gedaan aan de pachters, huurders, ontvangers, agenten, huismeesters, notarissen, deurwaarders, griffiers, curators, vertegenwoordigers en andere bewaarnemers en schuldenaars van de inkomsten, sommen, waarden of roerende goederen om, op het bedrag van de fondsen of waarden die zij verschuldigd zijn of die zich in hun handen bevinden, ter ontlasting van de watering te betalen tot het beloop van alle of van een deel van de door de watering verschuldigde sommen.
De uitwerking van dit verzoek strekt zich uit tot de voorwaardelijke schuldvorderingen of die op termijn, op welk tijdstip zij ook opeisbaar worden.
§ 3. De wettelijke hypotheek schaadt geenszins de vroegere voorrechten en hypotheken. Zij neemt rang vanaf haar inschrijving.
De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de Regering of de door haar daartoe gemachtigde ambtenaar, op overlegging van twee borderellen houdende, behalve vermelding van het betrokken ministerie of de betrokken watering, opgave van het bedrag waarvoor de inschrijving wordt gevorderd en speciale aanduiding van de aard en de ligging van elk der onroerende goederen waarop de hypotheek betrekking zal hebben. De Regering of de gemachtigd ambtenaar verleent handlichting in de administratieve vorm zonder dat hij, tegenover de hypotheekbewaarder, gehouden is de betaling van de verschuldigde sommen te verantwoorden.
De kosten van de hypotheekformaliteiten zijn ten laste van de watering.]1
Deze voorschotten, intresten en kosten zijn gewaarborgd door een algemeen voorrecht op de inkomsten en de roerende goederen van alle aard van de watering en door een wettelijke hypotheek op alle goederen van de watering die daarvoor vatbaar zijn.
§ 2. Het voorrecht neemt rang onmiddellijk na het voorrecht dat ten gunste van de Openbare Schatkist ingesteld is voor de invordering van de directe belastingen. Het wordt uitgeoefend te rekenen van de dag waarop de in artikel 145 bedoelde termijn van drie maanden is verstreken.
Dit voorrecht blijft bestaan totdat de schuld aan het Gewest volledig is gedelgd. Bij beslag op de inkomsten of goederen vóór dat tijdstip, blijft het voorrecht tot de tegeldemaking van die inkomsten of goederen gehandhaafd. Met beslag wordt gelijkgesteld het verzoek van de Regering of de door haar daartoe gemachtigde ambtenaar, per aangetekende brief gedaan aan de pachters, huurders, ontvangers, agenten, huismeesters, notarissen, deurwaarders, griffiers, curators, vertegenwoordigers en andere bewaarnemers en schuldenaars van de inkomsten, sommen, waarden of roerende goederen om, op het bedrag van de fondsen of waarden die zij verschuldigd zijn of die zich in hun handen bevinden, ter ontlasting van de watering te betalen tot het beloop van alle of van een deel van de door de watering verschuldigde sommen.
De uitwerking van dit verzoek strekt zich uit tot de voorwaardelijke schuldvorderingen of die op termijn, op welk tijdstip zij ook opeisbaar worden.
§ 3. De wettelijke hypotheek schaadt geenszins de vroegere voorrechten en hypotheken. Zij neemt rang vanaf haar inschrijving.
De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de Regering of de door haar daartoe gemachtigde ambtenaar, op overlegging van twee borderellen houdende, behalve vermelding van het betrokken ministerie of de betrokken watering, opgave van het bedrag waarvoor de inschrijving wordt gevorderd en speciale aanduiding van de aard en de ligging van elk der onroerende goederen waarop de hypotheek betrekking zal hebben. De Regering of de gemachtigd ambtenaar verleent handlichting in de administratieve vorm zonder dat hij, tegenover de hypotheekbewaarder, gehouden is de betaling van de verschuldigde sommen te verantwoorden.
De kosten van de hypotheekformaliteiten zijn ten laste van de watering.]1
Art. D144. [1 § 1er. Pour le recouvrement de sa créance du chef des avances qu'elle a faites, des intérêts et des frais, la Région a contre la wateringue une action civile.
Ces avances, intérêts et frais sont garantis par un privilège général sur les revenus et les biens meubles de toute nature de la wateringue et par une hypothèque légale grevant tous les biens de la wateringue qui en sont susceptibles.
§ 2. Le privilège prend rang immédiatement après celui qui est établi en faveur du Trésor public pour le recouvrement des impôts directs. Il s'exerce à compter de l'expiration du délai de trois mois prévu à l'article D. 145.
Ce privilège subsiste jusqu'à extinction complète de la créance de la Région. La saisie des revenus ou des biens avant ce moment conserve le privilège jusqu'à leur réalisation. Est assimilée à la saisie, la demande du Gouvernement ou du fonctionnaire qu'il délègue à cette fin, faite par envoi recommandé, aux fermiers, locataires, receveurs, agents, économes, notaires, huissiers, greffiers, curateurs, représentants et autres dépositaires et débiteurs de revenus, sommes, valeurs ou meubles, de payer en l'acquit de la wateringue, sur le montant des fonds ou valeurs qu'ils doivent ou qui sont entre leurs mains, jusqu'à concurrence de tout ou partie des sommes dues par la wateringue.
Ces demandes étendent leurs effets aux créances conditionnelles ou à terme, quelle que soit l'époque de leur exigibilité.
§ 3. L'hypothèque légale ne préjudicie pas aux privilèges et hypothèques antérieurs. Elle prend rang à partir de son inscription.
L'hypothèque est inscrite à la requête du Gouvernement ou du fonctionnaire qu'il délègue à cette fin, sur présentation de deux bordereaux contenant, outre l'indication du ministère et de la wateringue intéressés, le montant pour lequel l'inscription est requise et l'indication spéciale de la nature et de la situation de chacun des immeubles sur lesquels portera l'hypothèque. Le Gouvernement ou le fonctionnaire délégué donne mainlevée de l'hypothèque dans la forme administrative sans qu'il soit tenu vis-à-vis du conservateur des hypothèques de fournir la justification du paiement des sommes dues.
Les frais de formalités hypothécaires sont à charge de la wateringue.]1
Ces avances, intérêts et frais sont garantis par un privilège général sur les revenus et les biens meubles de toute nature de la wateringue et par une hypothèque légale grevant tous les biens de la wateringue qui en sont susceptibles.
§ 2. Le privilège prend rang immédiatement après celui qui est établi en faveur du Trésor public pour le recouvrement des impôts directs. Il s'exerce à compter de l'expiration du délai de trois mois prévu à l'article D. 145.
Ce privilège subsiste jusqu'à extinction complète de la créance de la Région. La saisie des revenus ou des biens avant ce moment conserve le privilège jusqu'à leur réalisation. Est assimilée à la saisie, la demande du Gouvernement ou du fonctionnaire qu'il délègue à cette fin, faite par envoi recommandé, aux fermiers, locataires, receveurs, agents, économes, notaires, huissiers, greffiers, curateurs, représentants et autres dépositaires et débiteurs de revenus, sommes, valeurs ou meubles, de payer en l'acquit de la wateringue, sur le montant des fonds ou valeurs qu'ils doivent ou qui sont entre leurs mains, jusqu'à concurrence de tout ou partie des sommes dues par la wateringue.
Ces demandes étendent leurs effets aux créances conditionnelles ou à terme, quelle que soit l'époque de leur exigibilité.
§ 3. L'hypothèque légale ne préjudicie pas aux privilèges et hypothèques antérieurs. Elle prend rang à partir de son inscription.
L'hypothèque est inscrite à la requête du Gouvernement ou du fonctionnaire qu'il délègue à cette fin, sur présentation de deux bordereaux contenant, outre l'indication du ministère et de la wateringue intéressés, le montant pour lequel l'inscription est requise et l'indication spéciale de la nature et de la situation de chacun des immeubles sur lesquels portera l'hypothèque. Le Gouvernement ou le fonctionnaire délégué donne mainlevée de l'hypothèque dans la forme administrative sans qu'il soit tenu vis-à-vis du conservateur des hypothèques de fournir la justification du paiement des sommes dues.
Les frais de formalités hypothécaires sont à charge de la wateringue.]1
Wijzigingen
Art. D145. [1 Aan de watering wordt een termijn toegestaan om de voor de betaling nodige maatregelen te nemen. Deze termijn mag niet minder bedragen dan drie maanden ingaande op het tijdstip waarop het provinciecollege van de afrekening kennis geeft.
De Regering kan, naar omstandigheden, termijnbetaling toestaan. Ook kan zij, indien de omstandigheden zulks wettigen, een deel van de schuld kwijtschelden.]1
De Regering kan, naar omstandigheden, termijnbetaling toestaan. Ook kan zij, indien de omstandigheden zulks wettigen, een deel van de schuld kwijtschelden.]1
Art. D145. [1 Un délai est laissé à la wateringue pour prendre les mesures requises en vue du paiement. Ce délai n'est pas inférieur à trois mois à partir de la notification du décompte par le Collège provincial.
Le Gouvernement peut, suivant les circonstances, autoriser le paiement par acomptes. Il peut également, si les circonstances le justifient, accorder la remise d'une partie de la dette.]1
Le Gouvernement peut, suivant les circonstances, autoriser le paiement par acomptes. Il peut également, si les circonstances le justifient, accorder la remise d'une partie de la dette.]1
Wijzigingen
Art. D146. Indien de watering, binnen de termijn in het vorige [1 artikel D. 145]1 gesteld, de nodige maatregelen niet heeft getroffen om, volgens de voorgestelde modaliteiten, de betaling te verzekeren van de schuldvordering van het Gewest, of indien later de watering aan haar verplichtingen te kort komt, heeft het Gewest het recht de inning van zijn schuldvordering tegen de watering te vervolgen zoals in domeinzaken.
Art. D146. Si la wateringue n'a pas pris, dans le délai visé à l'[1 article D.145]1, les mesures requises pour assurer, selon les modalités proposées, le paiement de la créance de la Région ou si, ultérieurement, la wateringue reste en défaut de satisfaire à ses engagements, la Région est en droit de poursuivre contre la wateringue le recouvrement de sa créance comme en matière domaniale.
Wijzigingen
Art. D147. Zowel vóór als na het instellen van de vervolgingen heeft het Gewest het recht tegen de watering maatregelen van bewaring voor de inning van zijn schuldvordering te nemen overeenkomstig de rechtsregelen in burgerlijke zaken.
Art. D147. Avant comme après l'introduction des poursuites, la Région est en droit de prendre, contre la wateringue, pour le recouvrement de sa créance, des mesures conservatoires, conformément aux règles applicables en matière civile.
Art. D148. [1 In gevallen als omschreven in artikel 146 mag het Gewest, ook met het oog op de terugbetaling van zijn schuldvordering, bij de watering stappen doen om haar er toe te brengen gewone of buitengewone belastingen ten behoeve van de watering in te voeren.
Blijft de watering in gebreke die belastingen in te voeren, dan kan het Gewest het Provinciecollege opdragen ze door een bijzondere commissaris te laten instellen overeenkomstig artikel D. 77.Het innen van deze belastingen, intresten en kosten wordt door de ontvanger-griffier vervolgd. Zo nodig kan de Regering voor het innen van die belastingen een gewestelijke ontvanger in de plaats stellen van de ontvanger-griffier.
In dit geval vervult de gewestelijke ontvanger alle formaliteiten in de plaats van de overheden van de watering. Hij boekt de geïnde bedragen als ontvangen, ter aflossing van de schuld van de watering.]1
Blijft de watering in gebreke die belastingen in te voeren, dan kan het Gewest het Provinciecollege opdragen ze door een bijzondere commissaris te laten instellen overeenkomstig artikel D. 77.Het innen van deze belastingen, intresten en kosten wordt door de ontvanger-griffier vervolgd. Zo nodig kan de Regering voor het innen van die belastingen een gewestelijke ontvanger in de plaats stellen van de ontvanger-griffier.
In dit geval vervult de gewestelijke ontvanger alle formaliteiten in de plaats van de overheden van de watering. Hij boekt de geïnde bedragen als ontvangen, ter aflossing van de schuld van de watering.]1
Art. D148. [1 Dans les cas prévus à l'article D. 146, la Région peut aussi, en vue du remboursement de sa créance, intervenir auprès de la wateringue pour l'amener à établir des impositions ordinaires ou extraordinaires au profit de la wateringue.
Si la wateringue reste en défaut de décréter ces impôts, la Région peut charger le Collège provincial de les faire établir par un commissaire spécial conformément à l'article D. 77. Le receveur-greffier poursuit la rentrée de ces impôts, des intérêts et des frais. Le Gouvernement peut, au besoin, substituer pour la rentrée de ces impôts un receveur régional au receveur-greffier.
En ce cas, le receveur régional remplit toutes les formalités en lieu et place des autorités de la wateringue. Il fait recette des sommes perçues en atténuation de la dette de la wateringue.]1
Si la wateringue reste en défaut de décréter ces impôts, la Région peut charger le Collège provincial de les faire établir par un commissaire spécial conformément à l'article D. 77. Le receveur-greffier poursuit la rentrée de ces impôts, des intérêts et des frais. Le Gouvernement peut, au besoin, substituer pour la rentrée de ces impôts un receveur régional au receveur-greffier.
En ce cas, le receveur régional remplit toutes les formalités en lieu et place des autorités de la wateringue. Il fait recette des sommes perçues en atténuation de la dette de la wateringue.]1
Wijzigingen
Art. D149. [1 Binnen de grenzen van de gebieden die onder de gelding van deze titel vallen, kunnen de beheerders van de onbevaarbare waterlopen elke maatregel voorschrijven en van ambtswege alle werken bevelen die voor het algemeen belang vereist zijn. Deze werken worden uitgevoerd door en op kosten van deze beheerders, onverminderd het verkrijgen van de vergunningen en machtigingen die krachtens andere wetgevingen vereist zijn.]1
Art. D149. [1 Dans les limites des circonscriptions soumises au régime du présent titre, les gestionnaires des cours d'eau non navigables peuvent prescrire toute mesure et décréter d'office tous les travaux que commande l'intérêt général. Pareils travaux sont exécutés par et aux frais de ces gestionnaires, sans préjudice de l'obtention des permis et autorisations requis en vertu d'autres législations.]1
Wijzigingen
Art. D149/1. [1 Indien het gebied van een watering zich uitstrekt over het grondgebied van meer dan één provincie, wijst de Regering de provinciale overheden aan die bevoegd zijn om in overeenstemming met deze titel te handelen.]1
Art. D149/1. [1 Si la circonscription d'une wateringue s'étend sur le territoire de plus d'une province, le Gouvernement désigne les autorités provinciales qui ont qualité pour intervenir en exécution du présent titre.]1
HOOFDSTUK VI. - Verschillende bepalingen.
CHAPITRE VI. - Dispositions diverses.
Art. D150. Ten opzichte van de particuliere eigendommen die buiten hun gebied gelegen zijn, maken de besturen van de wateringen gebruik van de erfdienstbaarheden omschreven bij de artikelen 15 tot 21 van het Veldwetboek, volgens de bij die bepalingen gestelde regelen.
Art. D150. A l'égard des propriétés particulières sises hors de leur circonscription, les administrations des wateringues usent des servitudes prévues aux articles 15 à 21 du Code rural suivant les règles édictées en ces mêmes dispositions.
Art. D151. Ten opzichte van de eigendommen die deel uitmaken van hun gebied beslissen de besturen van de wateringen over de noodzakelijkheid gebruik te maken van deze erfdienstbaarheden, en de rechterlijke overheid, aangewezen in artikel 21 van het Veldwetboek, is slechts bevoegd uitspraak te doen over het bedrag der verschuldigde vergoedingen.
Art. D151. A l'égard des propriétés faisant partie de leur circonscription, les directions des wateringues décident de la nécessité d'user de ces servitudes et l'autorité judiciaire déterminée à l'article 21 du Code rural n'est appelée à statuer que sur le montant des indemnités dues.
Art. D152. Wanneer een watering verplicht is gebruik te maken van het domein van een andere watering voor doeleinden als omschreven bij de artikelen 15 tot 21 van het Veldwetboek, worden de ter zake getroffen overeenkomsten aan de goedkeuring [1 van het Provinciecollege]1 onderworpen.
Bij verschil van mening tussen de betrokken besturen doet [1 het Provinciecollege]1 uitspraak zowel over de noodzaak van de overwogen maatregelen als over de voorwaarden van uitvoering, daarin begrepen de vergoedingen.
Bij verschil van mening tussen de betrokken besturen doet [1 het Provinciecollege]1 uitspraak zowel over de noodzaak van de overwogen maatregelen als over de voorwaarden van uitvoering, daarin begrepen de vergoedingen.
Art. D152. Si une wateringue se trouve dans la nécessité d'user du domaine d'une autre wateringue, aux fins prévues par les articles 15 à 21 du Code rural, les arrangements qui interviennent à cet égard sont soumis à l'approbation [1 du Collège provincial ]1.
En cas de désaccord entre les administrations intéressées, [1 le Collège provincial]1 statue tant sur la nécessité des mesures envisagées que sur les conditions de leur exécution, y compris les indemnités.
En cas de désaccord entre les administrations intéressées, [1 le Collège provincial]1 statue tant sur la nécessité des mesures envisagées que sur les conditions de leur exécution, y compris les indemnités.
Wijzigingen
Art. D153. [1 De Regering is bevoegd een algemeen politiereglement van de wateringen op te maken.
Overtredingen op de bepalingen van dit reglement behoren tot de vierde categorie in de zin van deel VIII van boek I van het Milieuwetboek.]1
Overtredingen op de bepalingen van dit reglement behoren tot de vierde categorie in de zin van deel VIII van boek I van het Milieuwetboek.]1
Art. D153. [1 Le Gouvernement peut faire un règlement général de police des wateringues.
Les infractions aux dispositions de ce règlement relèvent de la quatrième catégorie au sens de la partie VIII du livre Ier du Code de l'Environnement.]1
Les infractions aux dispositions de ce règlement relèvent de la quatrième catégorie au sens de la partie VIII du livre Ier du Code de l'Environnement.]1
Wijzigingen
Art. D154. De Regering kan van deze titel afwijken ten behoeve van wateringen waarvan het gebied zich gedeeltelijk over een naburig land uitstrekt.
Art. D154. Le Gouvernement est autorisé à déroger au présent titre en faveur des wateringues dont le territoire s'étend en partie sur un pays limitrophe.
Art. D155.
Art. D155.
TITEL VII. - Bescherming van het water.
TITRE VII. - Protection de l'eau.
HOOFDSTUK I. - Bescherming van het oppervlaktewater.
CHAPITRE Ier. - Protection des eaux de surface.
Afdeling 1. - Doelstellingen inzake kwaliteit en beschermingszones.
Section 1re. - Objectifs de qualité et zones de protection.
Art. D156. § 1. De Regering kan de algemene normen vaststellen voor de kwaliteitsdoelstellingen waaraan oppervlaktewater bestemd [1 ...]1, moet voldoen.
[1 De Regering kan voorzien in bijzondere normen voor de bepaling van de kwaliteitsdoelstellingen waaraan oppervlaktewateren voor welbepaalde gebruiken moeten voldoen.]1
Na advies [2 van de beleidsgroep Leefmilieu]2 wijst de Regering "beschermingszones" aan die door haar worden gewijzigd en afgebakend en waarin het oppervlaktewater, met name in verband met het gebruik of de bestemming hiervan, met bepaalde parametrische waarden in overeenstemming moet zijn.
Na advies [2 van de beleidsgroep Leefmilieu]2 en onverminderd de toepassing van de verplichte internationale normen en de algemene of sectorale wettelijke normen kan de Regering, voor in overeenstemming met lid één aangewezen en afgebakende beschermingszones gebiedende waarden en richtwaarden vaststellen.
Dezelfde gebiedende waarden en dezelfde richtwaarden worden, krachtens het tweede lid, vastgesteld voor alle beschermingszones waarvan het oppervlaktewater hetzelfde gebruik of dezelfde bestemming heeft. In verband met de omstandigheden die aan de desbetreffende zone eigen zijn kan de Regering evenwel gebiedende waarden en richtwaarden vaststellen voor een vastgestelde beschermingszone met afwijking van de normen die door haar voor andere zones van dezelfde aard zijn opgesteld.
Wanneer de grenzen van twee beschermingszones die in verband met verschillende gebruiksmogelijkheden of bestemmingen zijn aangewezen, samenvallen, moet het oppervlaktewater, voor wat de gemeenschappelijke parameters betreft, in overeenstemming zijn met de strengste parametrische waarden hetgeen zowel voor de richtwaarden als voor de gebiedende waarden geldt. In voorkomend geval is dezelfde regel voor het gedeelte van toepassing dat voor beide zones gemeenschappelijk is.
§ 2. Indien deze maatregel noodzakelijk is voor de inachtneming van vastgestelde parametrische waarden in een lager gelegen beschermingszone, kan de Regering, na advies [2 van de beleidsgroep Leefmilieu]2, hoger gelegen zones aanwijzen en afbakenen waarvan het oppervlaktewater met bepaalde parametrische waarden in overeenstemming moet zijn.
§ 3. De handhaving van de kwaliteit van het oppervlaktewater kan niet worden opgevat alsof dit een verplichting ten laste van het Gewest tot gevolg zou kunnen hebben, behoudens voor wat de gebiedende waarden van de doelstellingen inzake kwaliteit in de beschermingszones betreft; het Gewest is met name niet verplicht kunstwerken voor zuiveringsdoeleinden te bouwen. Zij is slechts verplicht de bouw hiervan te financieren binnen de grenzen vastgesteld door de regels ter verlening van subsidies, die krachtens onderhavig boek werden vastgelegd.
[1 De Regering kan voorzien in bijzondere normen voor de bepaling van de kwaliteitsdoelstellingen waaraan oppervlaktewateren voor welbepaalde gebruiken moeten voldoen.]1
Na advies [2 van de beleidsgroep Leefmilieu]2 wijst de Regering "beschermingszones" aan die door haar worden gewijzigd en afgebakend en waarin het oppervlaktewater, met name in verband met het gebruik of de bestemming hiervan, met bepaalde parametrische waarden in overeenstemming moet zijn.
Na advies [2 van de beleidsgroep Leefmilieu]2 en onverminderd de toepassing van de verplichte internationale normen en de algemene of sectorale wettelijke normen kan de Regering, voor in overeenstemming met lid één aangewezen en afgebakende beschermingszones gebiedende waarden en richtwaarden vaststellen.
Dezelfde gebiedende waarden en dezelfde richtwaarden worden, krachtens het tweede lid, vastgesteld voor alle beschermingszones waarvan het oppervlaktewater hetzelfde gebruik of dezelfde bestemming heeft. In verband met de omstandigheden die aan de desbetreffende zone eigen zijn kan de Regering evenwel gebiedende waarden en richtwaarden vaststellen voor een vastgestelde beschermingszone met afwijking van de normen die door haar voor andere zones van dezelfde aard zijn opgesteld.
Wanneer de grenzen van twee beschermingszones die in verband met verschillende gebruiksmogelijkheden of bestemmingen zijn aangewezen, samenvallen, moet het oppervlaktewater, voor wat de gemeenschappelijke parameters betreft, in overeenstemming zijn met de strengste parametrische waarden hetgeen zowel voor de richtwaarden als voor de gebiedende waarden geldt. In voorkomend geval is dezelfde regel voor het gedeelte van toepassing dat voor beide zones gemeenschappelijk is.
§ 2. Indien deze maatregel noodzakelijk is voor de inachtneming van vastgestelde parametrische waarden in een lager gelegen beschermingszone, kan de Regering, na advies [2 van de beleidsgroep Leefmilieu]2, hoger gelegen zones aanwijzen en afbakenen waarvan het oppervlaktewater met bepaalde parametrische waarden in overeenstemming moet zijn.
§ 3. De handhaving van de kwaliteit van het oppervlaktewater kan niet worden opgevat alsof dit een verplichting ten laste van het Gewest tot gevolg zou kunnen hebben, behoudens voor wat de gebiedende waarden van de doelstellingen inzake kwaliteit in de beschermingszones betreft; het Gewest is met name niet verplicht kunstwerken voor zuiveringsdoeleinden te bouwen. Zij is slechts verplicht de bouw hiervan te financieren binnen de grenzen vastgesteld door de regels ter verlening van subsidies, die krachtens onderhavig boek werden vastgelegd.
Art. D156. § 1er. Le Gouvernement peut déterminer les normes générales qui définissent les objectifs de qualité auxquels doivent satisfaire les eaux de surface [1 ...]1.
[1 Le Gouvernement peut déterminer des normes particulières qui définissent les objectifs de qualité auxquels doivent satisfaire les eaux de surface à usages déterminés.]1
Après avis [2 du pôle "Environnement"]2, le Gouvernement désigne, modifie et délimite des "zones de protection", dans lesquelles les eaux de surface, en raison notamment de leur utilisation ou de leur destination, doivent être conformes à certaines valeurs paramétriques.
Après avis [2 du pôle "Environnement"]2 et sans préjudice de l'application des normes internationales obligatoires et des normes légales générales ou sectorielles, le Gouvernement peut fixer, pour des zones de protection désignées et délimitées conformément à l'alinéa 1er, des valeurs impératives et des valeurs guides.
Les mêmes valeurs impératives et les mêmes valeurs guides sont fixées, en vertu de l'alinéa 2, pour toutes les zones de protection dont les eaux de surface ont la même utilisation ou la même destination. En raison des circonstances propres à la zone considérée, le Gouvernement peut cependant fixer des valeurs impératives et des valeurs guides pour une zone de protection déterminée, dérogeant aux normes qu'il a établies pour d'autres zones de même nature.
Lorsque les limites de deux zones de protection, désignées en raison d'utilisations ou de destinations différentes, coïncident, les eaux de surface doivent être conformes, en ce qui concerne les paramètres communs, aux valeurs paramétriques les plus sévères, tant pour les valeurs guides que pour les valeurs impératives. La même règle est applicable, le cas échéant, à la partie commune à deux zones.
§ 2. Si cette mesure est nécessaire à assurer le respect de valeurs paramétriques déterminées dans une zone de protection située en aval, le Gouvernement peut, après avis [2 du pôle "Environnement"]2, désigner et délimiter des zones d'amont dans lesquelles les eaux de surface doivent être conformes à certaines valeurs paramétriques.
§ 3. Le maintien de la qualité des eaux de surface ne peut se comprendre comme entraînant une obligation à charge de la Région, sauf en ce qui concerne les valeurs impératives des objectifs de qualité dans les zones de protection; notamment la Région n'est pas tenue de bâtir des ouvrages d'épuration. Elle n'est tenue d'en financer la construction que dans les limites fixées par les règles d'allocation de subventions, prises en vertu du présent livre.
[1 Le Gouvernement peut déterminer des normes particulières qui définissent les objectifs de qualité auxquels doivent satisfaire les eaux de surface à usages déterminés.]1
Après avis [2 du pôle "Environnement"]2, le Gouvernement désigne, modifie et délimite des "zones de protection", dans lesquelles les eaux de surface, en raison notamment de leur utilisation ou de leur destination, doivent être conformes à certaines valeurs paramétriques.
Après avis [2 du pôle "Environnement"]2 et sans préjudice de l'application des normes internationales obligatoires et des normes légales générales ou sectorielles, le Gouvernement peut fixer, pour des zones de protection désignées et délimitées conformément à l'alinéa 1er, des valeurs impératives et des valeurs guides.
Les mêmes valeurs impératives et les mêmes valeurs guides sont fixées, en vertu de l'alinéa 2, pour toutes les zones de protection dont les eaux de surface ont la même utilisation ou la même destination. En raison des circonstances propres à la zone considérée, le Gouvernement peut cependant fixer des valeurs impératives et des valeurs guides pour une zone de protection déterminée, dérogeant aux normes qu'il a établies pour d'autres zones de même nature.
Lorsque les limites de deux zones de protection, désignées en raison d'utilisations ou de destinations différentes, coïncident, les eaux de surface doivent être conformes, en ce qui concerne les paramètres communs, aux valeurs paramétriques les plus sévères, tant pour les valeurs guides que pour les valeurs impératives. La même règle est applicable, le cas échéant, à la partie commune à deux zones.
§ 2. Si cette mesure est nécessaire à assurer le respect de valeurs paramétriques déterminées dans une zone de protection située en aval, le Gouvernement peut, après avis [2 du pôle "Environnement"]2, désigner et délimiter des zones d'amont dans lesquelles les eaux de surface doivent être conformes à certaines valeurs paramétriques.
§ 3. Le maintien de la qualité des eaux de surface ne peut se comprendre comme entraînant une obligation à charge de la Région, sauf en ce qui concerne les valeurs impératives des objectifs de qualité dans les zones de protection; notamment la Région n'est pas tenue de bâtir des ouvrages d'épuration. Elle n'est tenue d'en financer la construction que dans les limites fixées par les règles d'allocation de subventions, prises en vertu du présent livre.
Art. D157. De Regering stelt de inventaris op van de krachtens artikel 156 aangewezen zones en houdt deze inventaris bij.
Deze inventaris vermeldt :
1° de grenzen van iedere zone en zonegedeelte;
2° de parameters en de voor iedere zone vastgestelde parametrische waarden die voortvloeien hetzij uit de door de Regering genomen besluiten krachtens artikel 156, hetzij uit algemene of sectorale wettelijke normen, hetzij uit verplichte internationale normen.
De inventaris met de beschermingszones en de hoger gelegen zones, alsmede de bijwerkingen van deze inventaris, worden in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd, onverminderd de publicatie van de door de Regering genomen besluiten krachtens artikel 156 en de publicatie van de verschillende wettelijke of verplichte internationale normen in de beschermingszones en de hoger gelegen zones.
Deze inventaris vermeldt :
1° de grenzen van iedere zone en zonegedeelte;
2° de parameters en de voor iedere zone vastgestelde parametrische waarden die voortvloeien hetzij uit de door de Regering genomen besluiten krachtens artikel 156, hetzij uit algemene of sectorale wettelijke normen, hetzij uit verplichte internationale normen.
De inventaris met de beschermingszones en de hoger gelegen zones, alsmede de bijwerkingen van deze inventaris, worden in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd, onverminderd de publicatie van de door de Regering genomen besluiten krachtens artikel 156 en de publicatie van de verschillende wettelijke of verplichte internationale normen in de beschermingszones en de hoger gelegen zones.
Art. D157. Le Gouvernement établit et tient à jour l'inventaire des zones désignées en vertu de l'article 156.
Cet inventaire mentionne :
1° les limites de chaque zone et partie de zone;
2° les paramètres et les valeurs paramétriques fixés pour chaque zone, résultat soit des décisions prises par le Gouvernement en vertu de l'article 156, soit des normes légales générales ou sectorielles, soit des normes internationales obligatoires.
L'inventaire des zones de protection et des zones d'amont, ainsi que ses mises à jour, sont publiés au Moniteur belge, sans préjudice de la publication des décisions prises par le Gouvernement en vertu de l'article 156 et de la publication des diverses normes légales ou internationales obligatoires dans les zones de protection et les zones d'amont.
Cet inventaire mentionne :
1° les limites de chaque zone et partie de zone;
2° les paramètres et les valeurs paramétriques fixés pour chaque zone, résultat soit des décisions prises par le Gouvernement en vertu de l'article 156, soit des normes légales générales ou sectorielles, soit des normes internationales obligatoires.
L'inventaire des zones de protection et des zones d'amont, ainsi que ses mises à jour, sont publiés au Moniteur belge, sans préjudice de la publication des décisions prises par le Gouvernement en vertu de l'article 156 et de la publication des diverses normes légales ou internationales obligatoires dans les zones de protection et les zones d'amont.
Art. D158. Wanneer in een beschermingszone wordt vastgesteld dat het oppervlaktewater niet met de gebiedende waarden in overeenstemming is, kan de Regering de nodige maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat dit water de vereiste kwaliteit terugkrijgt.
De Regering kan bovendien een bepaald gebruik van het water van de beschermingszone tijdelijk onderbreken indien de reglementering van dit gebruik onder de bevoegdheid van het Gewest valt. In het tegenovergestelde geval betekent de Regering aan de bevoegde autoriteit de redenen die een tijdelijke opschorting van de machtiging van dit gebruik zouden kunnen rechtvaardigen.
De Regering kan bovendien een bepaald gebruik van het water van de beschermingszone tijdelijk onderbreken indien de reglementering van dit gebruik onder de bevoegdheid van het Gewest valt. In het tegenovergestelde geval betekent de Regering aan de bevoegde autoriteit de redenen die een tijdelijke opschorting van de machtiging van dit gebruik zouden kunnen rechtvaardigen.
Art. D158. Lorsqu'il est constaté, dans une zone de protection, que les eaux de surface ne sont pas conformes aux valeurs impératives, le Gouvernement prend les mesures nécessaires pour que ces eaux retrouvent la qualité exigée.
Le Gouvernement peut, en outre, interrompre temporairement une certaine utilisation des eaux de la zone de protection, si la réglementation de cette utilisation relève de la compétence de la Région. Dans le cas contraire, le Gouvernement notifie à l'autorité compétente les raisons qui pourraient justifier une suspension temporaire de l'autorisation de cette utilisation.
Le Gouvernement peut, en outre, interrompre temporairement une certaine utilisation des eaux de la zone de protection, si la réglementation de cette utilisation relève de la compétence de la Région. Dans le cas contraire, le Gouvernement notifie à l'autorité compétente les raisons qui pourraient justifier une suspension temporaire de l'autorisation de cette utilisation.
Afdeling 2. - Handelingen waarvoor een milieuvergunning of aangifte vereist kunnen worden.
Section 2. - Actes pouvant être soumis à permis d'environnement ou à déclaration.
Art. D159. [1 De milieuvergunning of de aangifte overeenkomstig de voorschriften bepaald bij het de decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kan vereist worden voor :
1° elke lozing van afvalwater in gewoon oppervlaktewater, openbare rioleringen, afvalwatercollectoren of kunstmatige afvoerwateren;
2° elke tijdelijke of permanente storting van vervuilende stoffen op een plek waar ze door een natuurverschijnsel in oppervlaktewater of openbare rioleringen kunnen terechtkomen;
3° lozingen in gewoon oppervlaktewater bij het varen van boten;
4° de bouw van rottingsputten en gelijksoortige zuiveringssystemen;
5° waterwinplaatsen die niet gelegen zijn in een gebied waar water drinkbaar gemaakt kan worden.]1
1° elke lozing van afvalwater in gewoon oppervlaktewater, openbare rioleringen, afvalwatercollectoren of kunstmatige afvoerwateren;
2° elke tijdelijke of permanente storting van vervuilende stoffen op een plek waar ze door een natuurverschijnsel in oppervlaktewater of openbare rioleringen kunnen terechtkomen;
3° lozingen in gewoon oppervlaktewater bij het varen van boten;
4° de bouw van rottingsputten en gelijksoortige zuiveringssystemen;
5° waterwinplaatsen die niet gelegen zijn in een gebied waar water drinkbaar gemaakt kan worden.]1
Art. D159. [1 Peuvent être soumis à permis d'environnement ou à déclaration suivant les règles prévues par le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement :
1° tout déversement d'eaux usées dans une eau de surface ordinaire, dans les égouts publics, les collecteurs d'eaux usées ou les voies artificielles d'écoulement;
2° tout dépôt temporaire ou permanent de polluants à un endroit d'où, par un phénomène naturel, ces matières peuvent être entraînées dans les eaux de surface ou les égouts publics;
3° les écoulements de marche des bateaux dans les eaux de surface ordinaires;
4° l'établissement de fosses septiques et de systèmes d'épuration analogues;
5° les prises d'eau de surface qui ne sont pas situées dans une zone d'eau potabilisable.]1
1° tout déversement d'eaux usées dans une eau de surface ordinaire, dans les égouts publics, les collecteurs d'eaux usées ou les voies artificielles d'écoulement;
2° tout dépôt temporaire ou permanent de polluants à un endroit d'où, par un phénomène naturel, ces matières peuvent être entraînées dans les eaux de surface ou les égouts publics;
3° les écoulements de marche des bateaux dans les eaux de surface ordinaires;
4° l'établissement de fosses septiques et de systèmes d'épuration analogues;
5° les prises d'eau de surface qui ne sont pas situées dans une zone d'eau potabilisable.]1
Wijzigingen
Afdeling 3. - Gecombineerde aanpak.
Section 4. - Approche combinée.
Art. D160. § 1. De stroomgebiedsoverheid draagt er zorg voor dat alle lozingen zoals bedoeld in paragraaf 2, in oppervlaktewateren worden beheerst overeenkomstig de in dit artikel uiteengezette gecombineerde aanpak.
§ 2. De stroomgebiedsoverheid draagt zorg voor de invoering en/of toepassing van :
1° de op de beste beschikbare techniek gebaseerde emissiebeheersingsmaatregelen, of
2° de toepasselijke emissiegrenswaarden, of,
3° in geval van diffuse effecten, de beheersingsmaatregelen, met inbegrip van de beste milieupraktijken, indien van toepassing,
die zijn vervat in :
1° het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning;
2° richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater;
3° richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen;
4° de door de Regering vernoemde wetgevingen;
5° andere relevante wetgeving;
uiterlijk 22 december 2012, tenzij in de desbetreffende wetgeving anders bepaald.
§ 3. Wanneer op grond van een kwaliteitsdoelstelling of kwaliteitsnorm, vastgesteld overeenkomstig dit boek, of overeenkomstig andere wetgevende bepalingen strengere voorwaarden vereist zijn dan die welke zouden voortvloeien uit de toepassing van paragraaf 2, worden er dienovereenkomstig strengere emissiebeheersingsmaatregelen vastgesteld.
§ 2. De stroomgebiedsoverheid draagt zorg voor de invoering en/of toepassing van :
1° de op de beste beschikbare techniek gebaseerde emissiebeheersingsmaatregelen, of
2° de toepasselijke emissiegrenswaarden, of,
3° in geval van diffuse effecten, de beheersingsmaatregelen, met inbegrip van de beste milieupraktijken, indien van toepassing,
die zijn vervat in :
1° het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning;
2° richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater;
3° richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen;
4° de door de Regering vernoemde wetgevingen;
5° andere relevante wetgeving;
uiterlijk 22 december 2012, tenzij in de desbetreffende wetgeving anders bepaald.
§ 3. Wanneer op grond van een kwaliteitsdoelstelling of kwaliteitsnorm, vastgesteld overeenkomstig dit boek, of overeenkomstig andere wetgevende bepalingen strengere voorwaarden vereist zijn dan die welke zouden voortvloeien uit de toepassing van paragraaf 2, worden er dienovereenkomstig strengere emissiebeheersingsmaatregelen vastgesteld.
Art. D160. § 1er. L'autorité de bassin veille à ce que tous les rejets dans les eaux de surface visés au paragraphe 2 soient contrôlés conformément à l'approche combinée exposée dans le présent article.
§ 2. L'autorité de bassin veille à la mise en place et/ou à la mise en oeuvre :
1° des contrôles d'émission fondés sur les meilleures techniques disponibles;
2° ou des valeurs limites d'émission pertinentes;
3° ou des contrôles et, le cas échéant, des meilleures pratiques environnementales en cas d'incidences diffuses;
indiqués dans :
1° le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement;
2° la directive 91/271/C.E.E. du Conseil du 21 mai 1991 relative au traitement des eaux urbaines résiduaires;
3° la directive 91/676/C.E.E. du Conseil du 12 décembre 1991 concernant la protection des eaux contre la pollution par les nitrates à partir de sources agricoles;
4° les législations énumérées par le Gouvernement;
5° toute autre législation pertinente;
au plus tard le 22 décembre 2012, sauf disposition contraire dans la législation concernée.
§ 3. Si un objectif ou une norme de qualité, établi en application du présent livre ou de toute autre disposition législative, exige des conditions plus strictes que celles qui résulteraient de l'application du paragraphe 2, des contrôles d'émission plus stricts sont fixés en conséquence.
§ 2. L'autorité de bassin veille à la mise en place et/ou à la mise en oeuvre :
1° des contrôles d'émission fondés sur les meilleures techniques disponibles;
2° ou des valeurs limites d'émission pertinentes;
3° ou des contrôles et, le cas échéant, des meilleures pratiques environnementales en cas d'incidences diffuses;
indiqués dans :
1° le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement;
2° la directive 91/271/C.E.E. du Conseil du 21 mai 1991 relative au traitement des eaux urbaines résiduaires;
3° la directive 91/676/C.E.E. du Conseil du 12 décembre 1991 concernant la protection des eaux contre la pollution par les nitrates à partir de sources agricoles;
4° les législations énumérées par le Gouvernement;
5° toute autre législation pertinente;
au plus tard le 22 décembre 2012, sauf disposition contraire dans la législation concernée.
§ 3. Si un objectif ou une norme de qualité, établi en application du présent livre ou de toute autre disposition législative, exige des conditions plus strictes que celles qui résulteraient de l'application du paragraphe 2, des contrôles d'émission plus stricts sont fixés en conséquence.
Afdeling 4. - Bijzondere beschermingsmaatregelen en statistieken.
Section 4. - Mesures particulières de protection et statistiques.
Art. D161. Het is verboden :
1° vervuilende gassen, vloeistoffen die door de Regering zijn verboden, vaste afvalstoffen die [2 al dan niet]2 vooraf aan een mechanische verbrijzeling werden onderworpen of water dat dergelijke stoffen bevat in de openbare rioleringen, de verzamelleidingen [1 , het oppervlaktewater en de kunstmatige afvoerwegen]1 te brengen;
2° voorwerpen te werpen of neer te leggen in en andere stoffen dan afvalwater [2 in de openbare rioleringen, de verzamelleidingen, het oppervlaktewater en de kunstmatige regenwaterafvoerwegen te brengen;]2.
[2 3° afvalwater in de rioleringen en de verzamelleidingen te lozen dat textielvezels, minerale oliën, ontvlambare of ontplofbare producten, vluchtige oplosmiddelen, ontvlambare of ontplofbare opgeloste gassen of producten bevat die de vrijmaking van dergelijke milieu-onvriendelijke gassen of uitwasemingen kunnen veroorzaken en, in het algemeen, stoffen die het volgende kunnen veroorzaken :
a) gevaar voor het personeel dat de rioleringen en de zuiveringsinstallaties onderhoudt;
b) beschadiging of verstopping van de leidingen;
c) belemmering van de vlotte werking van de stuwings- en zuiveringsinstallaties;
d) ernstige vervuiling van het ontvangende milieu waarin de openbare riolering loost;
e) belemmering van de nuttige toepassing van het slib gegenereerd door het zuiveringsproces van het afvalwater;
4° water te lozen in de rioleringen en verzamelleidingen waarvan :
a) de pH hoger dan 9,5 of lager dan 6 is;
b) de temperatuur hoger is dan 45°C;
c) het gehalte aan zwevende stoffen hoger is dan 1 g/l;
d) de zwevende stoffen groter zijn dan 1 cm; deze stoffen mogen de werking van de opvang- en zuiveringsstations niet schaden vanwege hun structuur;
e) het gehalte aan met petroleumether extraheerbare stoffen hoger is dan 0,5 g/l;
5° behoudens milieuvergunning verleend op basis van een evaluatie in overleg met de erkende zuiveringsinstelling, de volgende wateren in de rioleringen en verzamelleidingen te lozen :
a) koelwateren;
b) bemalingswateren;
c) wateren geëxploiteerd voor de productie van warmte, kou of stroom.]2
1° vervuilende gassen, vloeistoffen die door de Regering zijn verboden, vaste afvalstoffen die [2 al dan niet]2 vooraf aan een mechanische verbrijzeling werden onderworpen of water dat dergelijke stoffen bevat in de openbare rioleringen, de verzamelleidingen [1 , het oppervlaktewater en de kunstmatige afvoerwegen]1 te brengen;
2° voorwerpen te werpen of neer te leggen in en andere stoffen dan afvalwater [2 in de openbare rioleringen, de verzamelleidingen, het oppervlaktewater en de kunstmatige regenwaterafvoerwegen te brengen;]2.
[2 3° afvalwater in de rioleringen en de verzamelleidingen te lozen dat textielvezels, minerale oliën, ontvlambare of ontplofbare producten, vluchtige oplosmiddelen, ontvlambare of ontplofbare opgeloste gassen of producten bevat die de vrijmaking van dergelijke milieu-onvriendelijke gassen of uitwasemingen kunnen veroorzaken en, in het algemeen, stoffen die het volgende kunnen veroorzaken :
a) gevaar voor het personeel dat de rioleringen en de zuiveringsinstallaties onderhoudt;
b) beschadiging of verstopping van de leidingen;
c) belemmering van de vlotte werking van de stuwings- en zuiveringsinstallaties;
d) ernstige vervuiling van het ontvangende milieu waarin de openbare riolering loost;
e) belemmering van de nuttige toepassing van het slib gegenereerd door het zuiveringsproces van het afvalwater;
4° water te lozen in de rioleringen en verzamelleidingen waarvan :
a) de pH hoger dan 9,5 of lager dan 6 is;
b) de temperatuur hoger is dan 45°C;
c) het gehalte aan zwevende stoffen hoger is dan 1 g/l;
d) de zwevende stoffen groter zijn dan 1 cm; deze stoffen mogen de werking van de opvang- en zuiveringsstations niet schaden vanwege hun structuur;
e) het gehalte aan met petroleumether extraheerbare stoffen hoger is dan 0,5 g/l;
5° behoudens milieuvergunning verleend op basis van een evaluatie in overleg met de erkende zuiveringsinstelling, de volgende wateren in de rioleringen en verzamelleidingen te lozen :
a) koelwateren;
b) bemalingswateren;
c) wateren geëxploiteerd voor de productie van warmte, kou of stroom.]2
Art. D161. Il est interdit :
1° d'introduire des gaz polluants, des liquides interdits par le Gouvernement, des déchets solides qui ont été préalablement soumis [2 ou non]2 à un broyage mécanique ou des eaux contenant de telles matières dans les égouts publics, les collecteurs [1 , les eaux de surface et les voies artificielles d'écoulement]1;
2° de jeter ou de déposer des objets, d'introduire des matières autres que des eaux usées [2 dans les égouts publics, les collecteurs, les eaux de surface et les voies artificielles d'écoulement des eaux pluviales;]2
[2 3° de déverser dans les égouts et les collecteurs des eaux usées contenant des fibres textiles, des huiles minérales, des produits inflammables ou explosifs, des solvants volatils, des gaz dissous inflammables ou explosifs ou des produits susceptibles de provoquer le dégagement de tels gaz ou d'émanations qui dégradent le milieu et, de manière générale, des substances susceptibles de provoquer :
a) un danger pour le personnel d'entretien des égouts et des installations d'épuration;
b) une détérioration ou obstruction des canalisations;
c) une entrave au bon fonctionnement des installations de pompage et d'épuration;
d) une pollution grave du milieu récepteur dans laquelle l'égout public se déverse;
e) une entrave à la valorisation des boues générées par le processus d'épuration des eaux usées;
4° de déverser dans les égouts et les collecteurs des eaux :
a) dont le pH est supérieur à 9,5 ou inférieur à 6;
b) dont la température est supérieure à 45°C;
c) dont la teneur en matière en suspension est supérieure à 1 g/l;
d) dont les matières en suspension ont une dimension supérieure à 1 cm; ces matières ne peuvent, de par leur structure, nuire au fonctionnement des stations de pompage et d'épuration;
e) dont la teneur en matières extractibles à l'éther de pétrole est supérieure à 0,5 g/l;
5° sauf permis d'environnement octroyé sur la base d'une évaluation concertée avec l'organisme d'assainissement agréé, de déverser dans les égouts et les collecteurs :
a) des eaux de refroidissement;
b) des eaux d'exhaure;
c) des eaux exploitées en vue de la production de chaleur, de froid ou d'électricité.]2
1° d'introduire des gaz polluants, des liquides interdits par le Gouvernement, des déchets solides qui ont été préalablement soumis [2 ou non]2 à un broyage mécanique ou des eaux contenant de telles matières dans les égouts publics, les collecteurs [1 , les eaux de surface et les voies artificielles d'écoulement]1;
2° de jeter ou de déposer des objets, d'introduire des matières autres que des eaux usées [2 dans les égouts publics, les collecteurs, les eaux de surface et les voies artificielles d'écoulement des eaux pluviales;]2
[2 3° de déverser dans les égouts et les collecteurs des eaux usées contenant des fibres textiles, des huiles minérales, des produits inflammables ou explosifs, des solvants volatils, des gaz dissous inflammables ou explosifs ou des produits susceptibles de provoquer le dégagement de tels gaz ou d'émanations qui dégradent le milieu et, de manière générale, des substances susceptibles de provoquer :
a) un danger pour le personnel d'entretien des égouts et des installations d'épuration;
b) une détérioration ou obstruction des canalisations;
c) une entrave au bon fonctionnement des installations de pompage et d'épuration;
d) une pollution grave du milieu récepteur dans laquelle l'égout public se déverse;
e) une entrave à la valorisation des boues générées par le processus d'épuration des eaux usées;
4° de déverser dans les égouts et les collecteurs des eaux :
a) dont le pH est supérieur à 9,5 ou inférieur à 6;
b) dont la température est supérieure à 45°C;
c) dont la teneur en matière en suspension est supérieure à 1 g/l;
d) dont les matières en suspension ont une dimension supérieure à 1 cm; ces matières ne peuvent, de par leur structure, nuire au fonctionnement des stations de pompage et d'épuration;
e) dont la teneur en matières extractibles à l'éther de pétrole est supérieure à 0,5 g/l;
5° sauf permis d'environnement octroyé sur la base d'une évaluation concertée avec l'organisme d'assainissement agréé, de déverser dans les égouts et les collecteurs :
a) des eaux de refroidissement;
b) des eaux d'exhaure;
c) des eaux exploitées en vue de la production de chaleur, de froid ou d'électricité.]2
Art. D162. De Regering kan voorschriften opleggen met betrekking tot het onderhoud van de vijvers en andere watervlakken waarin zich geen stromend water bevindt met het oog op het verhoeden van de organische vervuiling die uit het ledigen of reinigen hiervan voortvloeit.
De Regering kan bovendien aan de overheden, belast met beheer van de straten en wegen, voorschriften opleggen ter aanvulling op de algemene normen voor wat het opvangen, bijeenbrengen, afvoeren en behandelen van het afvloeiwater betreft.
De Regering kan bovendien aan de overheden, belast met beheer van de straten en wegen, voorschriften opleggen ter aanvulling op de algemene normen voor wat het opvangen, bijeenbrengen, afvoeren en behandelen van het afvloeiwater betreft.
Art. D162. Le Gouvernement peut imposer des prescriptions relatives à l'entretien des étangs et autres pièces d'eau non courante en vue de prévenir la pollution organique qui résulte de leur vidange ou curage.
Il peut, en outre, imposer aux autorités publiques gestionnaires de voiries, des prescriptions, complétant les normes générales, en ce qui concerne la collecte, l'évacuation et le traitement des eaux de ruissellement.
Il peut, en outre, imposer aux autorités publiques gestionnaires de voiries, des prescriptions, complétant les normes générales, en ce qui concerne la collecte, l'évacuation et le traitement des eaux de ruissellement.
Art. D163. De Regering kan de lozingen in de binnenwateren reglementeren, afkomstig van de boten alsmede de maatregelen vaststellen, ertoe bestemd de vervuiling van het water in de binnenhavens te voorkomen.
Art. D163. Le Gouvernement peut réglementer les rejets dans les eaux fluviales en provenance des bateaux ainsi qu'arrêter les mesures destinées à prévenir la pollution des eaux dans les ports fluviaux.
Art. D164. De Regering kan de fabricage, de verkoop, het aanbod tot verkoop en het gebruik van producten reglementeren die, indien zij na gebruik in het rioleringswater of het oppervlaktewater terechtkomen, hetzij de vervuiling van het oppervlaktewater zouden kunnen veroorzaken, hetzij hierin de verschijnselen van zelfzuivering belemmeren, hetzij nadelig zouden kunnen zijn voor de werking van de installaties voor de zuivering van het afvalwater en de septische putten.
Art. D164. Le Gouvernement peut réglementer la fabrication, la vente, l'offre en vente et l'utilisation de produits qui, s'ils aboutissent après usage dans les eaux d'égouts ou dans les eaux de surface, sont susceptibles soit de polluer les eaux de surface, soit d'y entraver les phénomènes d'auto-épuration, soit de nuire au fonctionnement des installations d'épuration d'eaux usées et des fosses septiques.
Art. D165. Wanneer individuele inlichtingen volstrekt noodzakelijk zijn voor het voorbereiden, het uitwerken of het uitvoeren van een reglementering inzake de bescherming van het oppervlaktewater tegen de vervuiling of voor het uitvoeren van de internationale verplichtingen, kan de Regering laten overgaan tot alle noodzakelijke onderzoekingen met het oog op het ter beschikking stellen van deze inlichtingen van de diensten van het Gewest die door haar worden aangeduid.
De ter gelegenheid hiervan bijeengebrachte individuele inlichtingen mogen slechts voor de volgende doeleinden worden gebruikt :
1° toepassing van de andere artikelen van onderhavig Boek en de reglementaire bepalingen krachtens deze genomen;
2° opstellen van de statistieken;
3° wetenschappelijke navorsingen in het domein van de bescherming van het leefmilieu, op voorwaarde dat de houder van de gegevens zich vooraf schriftelijk ten aanzien van de Regering ertoe heeft verbonden geen gegevens ruchtbaar te maken, door derden ruchtbaar te laten maken of te publiceren op een dusdanige manier waardoor individuele toestanden aan het licht zouden kunnen worden gebracht.
De Regering kan globale en anonieme statistieken publiceren, met uitsluiting van de gegevens waarvan, als gevolg van het beperkte aantal declaranten, de ruchtbaarmaking dusdanig van aard zou zijn dat hierdoor individuele toestanden aan het licht zouden kunnen worden gebracht.
De ter gelegenheid hiervan bijeengebrachte individuele inlichtingen mogen slechts voor de volgende doeleinden worden gebruikt :
1° toepassing van de andere artikelen van onderhavig Boek en de reglementaire bepalingen krachtens deze genomen;
2° opstellen van de statistieken;
3° wetenschappelijke navorsingen in het domein van de bescherming van het leefmilieu, op voorwaarde dat de houder van de gegevens zich vooraf schriftelijk ten aanzien van de Regering ertoe heeft verbonden geen gegevens ruchtbaar te maken, door derden ruchtbaar te laten maken of te publiceren op een dusdanige manier waardoor individuele toestanden aan het licht zouden kunnen worden gebracht.
De Regering kan globale en anonieme statistieken publiceren, met uitsluiting van de gegevens waarvan, als gevolg van het beperkte aantal declaranten, de ruchtbaarmaking dusdanig van aard zou zijn dat hierdoor individuele toestanden aan het licht zouden kunnen worden gebracht.
Art. D165. Lorsque des renseignements individuels sont indispensables pour la préparation, l'élaboration ou l'exécution d'une réglementation en matière de protection des eaux de surface contre la pollution ou pour l'exécution des obligations internationales, le Gouvernement peut faire procéder à toutes les investigations nécessaires en vue de mettre ces renseignements à la disposition des services de la Région qu'il désigne.
Les renseignements individuels recueillis à cette occasion ne peuvent être utilisés qu'aux fins suivantes :
1° application des autres articles du présent livre et des dispositions réglementaires prises en vertu de celui-ci;
2° établissement des statistiques;
3° recherche scientifique dans le domaine de la protection de l'environnement, à condition que le détenteur des données se soit engagé préalablement par écrit envers le Gouvernement à ne pas divulguer, laisser divulguer par des tiers ni publier des données d'une manière qui serait de nature à révéler des situations individuelles.
Le Gouvernement peut publier des statistiques globales et anonymes, à l'exclusion des données dont, par suite du nombre réduit de déclarants, la divulgation serait de nature à révéler des situations individuelles.
Les renseignements individuels recueillis à cette occasion ne peuvent être utilisés qu'aux fins suivantes :
1° application des autres articles du présent livre et des dispositions réglementaires prises en vertu de celui-ci;
2° établissement des statistiques;
3° recherche scientifique dans le domaine de la protection de l'environnement, à condition que le détenteur des données se soit engagé préalablement par écrit envers le Gouvernement à ne pas divulguer, laisser divulguer par des tiers ni publier des données d'une manière qui serait de nature à révéler des situations individuelles.
Le Gouvernement peut publier des statistiques globales et anonymes, à l'exclusion des données dont, par suite du nombre réduit de déclarants, la divulgation serait de nature à révéler des situations individuelles.
Art. D166. Degene die, ongeacht te welke titel dan ook, in het bezit is van inlichtingen die industriële of handelsgeheimen zouden kunnen bevatten welke zijn bijeengebracht in uitvoering van onderhavig hoofdstuk, of van globale en anonieme statistieken die met behulp van deze inlichtingen zijn opgesteld en nooit door de Regering zijn gepubliceerd, mag deze inlichtingen, statistieken of informatie niet publiceren en deze al evenmin ter kennis brengen van niet-gekwalificeerde personen of diensten om er kennis van te nemen.
Behoudens indien er sprake is van een overtreding van onderhavig hoofdstuk, mogen deze inlichtingen, statistieken of informatie bovendien niet aan het licht worden gebracht in het geval beoogd door artikel 29 van het Wetboek van strafvordering en al evenmin in het geval van een getuigenis in rechte.
Behoudens indien er sprake is van een overtreding van onderhavig hoofdstuk, mogen deze inlichtingen, statistieken of informatie bovendien niet aan het licht worden gebracht in het geval beoogd door artikel 29 van het Wetboek van strafvordering en al evenmin in het geval van een getuigenis in rechte.
Art. D166. Celui qui, à quelque titre que ce soit, détient soit des renseignements susceptibles de contenir des secrets industriels ou commerciaux recueillis en exécution du présent chapitre, soit des statistiques globales et anonymes établies à l'aide de ces renseignements et qui n'ont jamais été publiées par le Gouvernement, ne peut publier ces renseignements, statistiques ou informations, ni les communiquer à des personnes ou services non qualifiés pour en prendre connaissance.
Sauf s'il y a infraction au présent chapitre, ces renseignements statistiques ou informations ne peuvent, en outre, être révélés ni dans le cas visé par l'article 29 du Code d'instruction criminelle ni en cas de témoignage en justice.
Sauf s'il y a infraction au présent chapitre, ces renseignements statistiques ou informations ne peuvent, en outre, être révélés ni dans le cas visé par l'article 29 du Code d'instruction criminelle ni en cas de témoignage en justice.
HOOFDSTUK II. - Bescherming van het grond- en water gebruikt voor de winning van tot drinkwater verwerkbaar water.
CHAPITRE II. - Protection des eaux souterraines et des eaux utilisées pour le captage d'eau potabilisable.
Afdeling 1. - Algemene maatregelen van bescherming.
Section 1re. - Mesures générales de protection.
Art. D167. Onverminderd de bepalingen met betrekking tot de wetgeving op de bescherming van het oppervlaktewater en met betrekking tot de afvalstoffen, neemt de Regering alle besluiten die noodzakelijk zijn om de concentratie van verontreinigende stoffen in het grondwater geleidelijk te verminderen en het tot drinkwater verwerkbaar oppervlaktewater, tegen verontreiniging te beschermen.
Zij kan met name het lozen of opslaan van stoffen die het grondwater en tot drinkwater verwerkbaar oppervlaktewater, kunnen verontreinigen, verbieden, reglementeren of aan milieuvergunning of aangifte onderwerpen.
[1 Onverminderd artikel D.170 is elke rechtstreekse lozing van verontreinigende stoffen in het grondwater verboden.
Onder rechtstreekse lozing in het grondwater wordt verstaan de lozing van verontreinigende stoffen in het grondwater zonder infiltratie door de bodem of ondergrond.]1
Zij kan met name het lozen of opslaan van stoffen die het grondwater en tot drinkwater verwerkbaar oppervlaktewater, kunnen verontreinigen, verbieden, reglementeren of aan milieuvergunning of aangifte onderwerpen.
[1 Onverminderd artikel D.170 is elke rechtstreekse lozing van verontreinigende stoffen in het grondwater verboden.
Onder rechtstreekse lozing in het grondwater wordt verstaan de lozing van verontreinigende stoffen in het grondwater zonder infiltratie door de bodem of ondergrond.]1
Art. D167. Sans préjudice des dispositions relatives à la législation sur la protection des eaux de surface et relatives aux déchets, le Gouvernement prend tous les arrêtés nécessaires afin de réduire progressivement la concentration de polluants dans les eaux souterraines et de protéger les eaux potabilisables de surface contre la pollution.
Il peut notamment interdire, réglementer ou soumettre à permis d'environnement ou à déclaration le rejet ou le dépôt de matières qu'il déclare susceptibles de polluer les eaux souterraines ou les eaux de surface potabilisables.
[1 Sous réserve de l'article D.170, tout rejet direct de polluants dans les eaux souterraines est interdit.
On entend par rejet direct dans les eaux souterraines, le rejet de polluants dans les eaux souterraines sans infiltration à travers le sol ou le sous-sol.]1
Il peut notamment interdire, réglementer ou soumettre à permis d'environnement ou à déclaration le rejet ou le dépôt de matières qu'il déclare susceptibles de polluer les eaux souterraines ou les eaux de surface potabilisables.
[1 Sous réserve de l'article D.170, tout rejet direct de polluants dans les eaux souterraines est interdit.
On entend par rejet direct dans les eaux souterraines, le rejet de polluants dans les eaux souterraines sans infiltration à travers le sol ou le sous-sol.]1
Wijzigingen
Art. D167bis. [1 De personen die een boring of een uitrusting voor een put uitvoeren voor een latere waterwinning, voor de installatie van geothermische sondes, voor de geologische verkenning, de prospectie, het installeren van piëzometers, met uitsluiting van de inrichting van de putmond, beschikken over een erkenning.
De Regering organiseert de erkenning van de personen die een boring of een uitrusting voor een put uitvoeren voor een latere waterwinning, voor de installatie van geothermische sondes, voor de geologische verkenning, de prospectie, het installeren van piëzometers, met uitsluiting van de inrichting van de putmond. Zij bepaalt de voorwaarden, de criteria en de procedures voor de afgifte van de erkenning. Zij legt de regels vast voor de toekenning, de opschorting en de intrekking van de erkenning, evenals de geldigheidsduur van de erkenning.]1
De Regering organiseert de erkenning van de personen die een boring of een uitrusting voor een put uitvoeren voor een latere waterwinning, voor de installatie van geothermische sondes, voor de geologische verkenning, de prospectie, het installeren van piëzometers, met uitsluiting van de inrichting van de putmond. Zij bepaalt de voorwaarden, de criteria en de procedures voor de afgifte van de erkenning. Zij legt de regels vast voor de toekenning, de opschorting en de intrekking van de erkenning, evenals de geldigheidsduur van de erkenning.]1
Art. D167bis. [1 Les personnes effectuant un forage ou un équipement de puits destiné à une future prise d'eau souterraine, à l'installation de sondes géothermiques, à la reconnaissance géologique, à la prospection, à l'implantation de piézomètres, à l'exclusion de l'aménagement de la tête de puits disposent d'un agrément.
Le Gouvernement organise l'agrément des personnes amenées à effectuer un forage ou à équiper un puits destiné à une future prise d'eau souterraine, à l'installation de sondes géothermiques, à la reconnaissance géologique, à la prospection, à l'implantation de piézomètres, à l'exclusion de l'aménagement de la tête de puits. Il détermine les conditions, les critères et les procédures de délivrance de l'agrément. Il arrête les règles d'octroi, de suspension et de retrait de l'agrément ainsi que la durée de validité de l'agrément.]1
Le Gouvernement organise l'agrément des personnes amenées à effectuer un forage ou à équiper un puits destiné à une future prise d'eau souterraine, à l'installation de sondes géothermiques, à la reconnaissance géologique, à la prospection, à l'implantation de piézomètres, à l'exclusion de l'aménagement de la tête de puits. Il détermine les conditions, les critères et les procédures de délivrance de l'agrément. Il arrête les règles d'octroi, de suspension et de retrait de l'agrément ainsi que la durée de validité de l'agrément.]1
Art. D168. De stroomgebiedsoverheid wijst binnen elk Waals stroomgebied alle waterlichamen aan die voor de onttrekking van tot drinkwater verwerkbaar water worden gebruikt en gemiddeld meer dan 10 m3 per dag leveren of meer dan 50 personen bedienen, alsmede de voor dat toekomstig gebruik bestemde waterlichamen.
De stroomgebiedsoverheid kan binnen elk Waals deelstroomgebied beginnen met het aanwijzen van alle waterlichamen die voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water worden gebruikt en dagelijks gemiddeld meer dan 10 m3 per dag leveren of meer dan 50 personen bedienen, alsmede de voor dat toekomstig gebruik bestemde waterlichamen. Deze gegevens worden vervolgens samengevoegd en, in voorkomend geval, aangepast voor het aanwijzen, in elk Waals stroomgebied, van alle waterlichamen die voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water worden gebruikt en gemiddeld meer dan 10 m3 per dag leveren of meer dan 50 personen bedienen, alsmede de voor dat toekomstig gebruik bestemde waterlichamen.
De stroomgebiedsoverheid monitor overeenkomstig artikel 19 de waterlichamen die gemiddeld meer dan 100 m3 per dag leveren. De stroomgebiedsoverheid draagt zorg voor de nodige bescherming van de aangewezen waterlichamen met de bedoeling de achteruitgang van de kwaliteit daarvan te voorkomen, teneinde het niveau van zuivering dat voor de productie van voor menselijke consumptie bestemd water is vereist, te verlagen.
De stroomgebiedsoverheid kan binnen elk Waals deelstroomgebied beginnen met het aanwijzen van alle waterlichamen die voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water worden gebruikt en dagelijks gemiddeld meer dan 10 m3 per dag leveren of meer dan 50 personen bedienen, alsmede de voor dat toekomstig gebruik bestemde waterlichamen. Deze gegevens worden vervolgens samengevoegd en, in voorkomend geval, aangepast voor het aanwijzen, in elk Waals stroomgebied, van alle waterlichamen die voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water worden gebruikt en gemiddeld meer dan 10 m3 per dag leveren of meer dan 50 personen bedienen, alsmede de voor dat toekomstig gebruik bestemde waterlichamen.
De stroomgebiedsoverheid monitor overeenkomstig artikel 19 de waterlichamen die gemiddeld meer dan 100 m3 per dag leveren. De stroomgebiedsoverheid draagt zorg voor de nodige bescherming van de aangewezen waterlichamen met de bedoeling de achteruitgang van de kwaliteit daarvan te voorkomen, teneinde het niveau van zuivering dat voor de productie van voor menselijke consumptie bestemd water is vereist, te verlagen.
Art. D168. L'autorité de bassin recense, dans chaque bassin hydrographique wallon, toutes les masses d'eau utilisées pour le captage d'eau potabilisable fournissant en moyenne plus de 10 m3 par jour ou desservant plus de cinquante personnes et les masses d'eau destinées, dans le futur, à un tel usage.
L'autorité de bassin peut commencer par recenser, dans chaque sous-bassin hydrographique wallon, toutes les masses d'eau utilisées pour le captage d'eau destinée à la consommation humaine fournissant en moyenne plus de 10 m3 par jour ou desservant plus de cinquante personnes et les masses d'eau destinées, dans le futur, à un tel usage. Ces données sont ensuite agrégées et, le cas échéant, adaptées en vue de recenser, dans chaque bassin hydrographique wallon, toutes les masses d'eau utilisées pour le captage d'eau destinée à la consommation humaine fournissant en moyenne plus de 10 m3 par jour ou desservant plus de cinquante personnes et les masses d'eau destinées, dans le futur, à un tel usage.
L'autorité de bassin surveille, conformément à l'article 19, les masses d'eau qui fournissent en moyenne plus de 100 m3 par jour. Elle assure la protection nécessaire pour les masses d'eau recensées afin de prévenir la détérioration de leur qualité, de manière à réduire le degré de traitement de purification nécessaire à la production d'eau destinée à la consommation humaine.
L'autorité de bassin peut commencer par recenser, dans chaque sous-bassin hydrographique wallon, toutes les masses d'eau utilisées pour le captage d'eau destinée à la consommation humaine fournissant en moyenne plus de 10 m3 par jour ou desservant plus de cinquante personnes et les masses d'eau destinées, dans le futur, à un tel usage. Ces données sont ensuite agrégées et, le cas échéant, adaptées en vue de recenser, dans chaque bassin hydrographique wallon, toutes les masses d'eau utilisées pour le captage d'eau destinée à la consommation humaine fournissant en moyenne plus de 10 m3 par jour ou desservant plus de cinquante personnes et les masses d'eau destinées, dans le futur, à un tel usage.
L'autorité de bassin surveille, conformément à l'article 19, les masses d'eau qui fournissent en moyenne plus de 100 m3 par jour. Elle assure la protection nécessaire pour les masses d'eau recensées afin de prévenir la détérioration de leur qualité, de manière à réduire le degré de traitement de purification nécessaire à la production d'eau destinée à la consommation humaine.
Afdeling 2. - Handelingen waarvoor een milieuvergunning of aangifte vereist worden.
Section 2. - Actes pouvant être soumis à permis d'environnement ou à déclaration.
Art. D169. De milieuvergunning of de aangifte kan, met inachtneming van de voorschriften bepaald bij het decreet van 11 maart 1999 vereist worden voor :
1° winplaatsen van grondwater en tot drinkwater verwerkbaar water;
2° de waterwinplaatsen gelegen in een gebied voor tot drinkwater verwerkbaar water;
3° de aanvullingen en pogingen tot kunstmatige aanvulling van grondwater;
4° de vrijwillige overbrenging van grondwater tussen de stroomgebieden;
5° elke installatie en activiteit die een belangrijk negatief effect kunnen hebben, onderstrepen door de beschrijving van de effecten van de menselijke activiteit op de toestand van het water bedoeld in artikel 17.
De milieuvergunning voor een waterwinplaats bepaalt de rechten en verplichtingen van de houder ervan, met name de waterhoeveelheid die jaarlijks gewonnen mag worden. Zij bepaalt eventueel de piëzometrische grenzen, alsmede de perken en het stelsel van de wincapaciteit. Zij bevat eveneens de voorschriften voor de controle op de gewonnen waterhoeveelheid.
De Regering waarborgt een duurzame rationele exploitatie van het water en de billijke verdeling ervan onder de verschillende houders van een milieuvergunning voor een waterwinplaats.
[1 De Regering neemt de nodige maatregelen om een waterwinning te beperken of te verbieden die schadelijk is voor de levensvatbaarheid van het openbare distributienet of voor de kwaliteit van het door een verdeler verzorgde water.]1
1° winplaatsen van grondwater en tot drinkwater verwerkbaar water;
2° de waterwinplaatsen gelegen in een gebied voor tot drinkwater verwerkbaar water;
3° de aanvullingen en pogingen tot kunstmatige aanvulling van grondwater;
4° de vrijwillige overbrenging van grondwater tussen de stroomgebieden;
5° elke installatie en activiteit die een belangrijk negatief effect kunnen hebben, onderstrepen door de beschrijving van de effecten van de menselijke activiteit op de toestand van het water bedoeld in artikel 17.
De milieuvergunning voor een waterwinplaats bepaalt de rechten en verplichtingen van de houder ervan, met name de waterhoeveelheid die jaarlijks gewonnen mag worden. Zij bepaalt eventueel de piëzometrische grenzen, alsmede de perken en het stelsel van de wincapaciteit. Zij bevat eveneens de voorschriften voor de controle op de gewonnen waterhoeveelheid.
De Regering waarborgt een duurzame rationele exploitatie van het water en de billijke verdeling ervan onder de verschillende houders van een milieuvergunning voor een waterwinplaats.
[1 De Regering neemt de nodige maatregelen om een waterwinning te beperken of te verbieden die schadelijk is voor de levensvatbaarheid van het openbare distributienet of voor de kwaliteit van het door een verdeler verzorgde water.]1
Art. D169. Peuvent être soumis à permis d'environnement ou à déclaration suivant les règles prévues par le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement :
1° les prises d'eau souterraine et les prises d'eau potabilisable;
2° les prises d'eau, lorsqu'elles sont situées dans une zone d'eau potabilisable;
3° les recharges et essais de recharges artificielles des eaux souterraines;
4° les transferts volontaires d'eau souterraine entre bassins;
5° toutes installations et activités qui peuvent avoir une incidence négative importante mise en évidence par la description des effets de l'activité humaine sur l'état des eaux visée à l'article 17.
Le permis d'environnement portant sur une prise d'eau détermine les droits et obligations du titulaire, et notamment le volume annuel qui peut être prélevé. Il fixe éventuellement les limites piézométriques, ainsi que les limites et le régime du débit de prélèvement. Il vise également les modalités de contrôle du volume d'eau captée.
Le Gouvernement assure une exploitation rationnelle durable des eaux et leur répartition équitable entre les différents titulaires d'un permis d'environnement portant sur une prise d'eau.
[1 Le Gouvernement prend les mesures nécessaires pour limiter ou interdire une prise d'eau qui porte atteinte à la viabilité du réseau public de distribution ou à la qualité de l'eau fournie par un distributeur.]1
1° les prises d'eau souterraine et les prises d'eau potabilisable;
2° les prises d'eau, lorsqu'elles sont situées dans une zone d'eau potabilisable;
3° les recharges et essais de recharges artificielles des eaux souterraines;
4° les transferts volontaires d'eau souterraine entre bassins;
5° toutes installations et activités qui peuvent avoir une incidence négative importante mise en évidence par la description des effets de l'activité humaine sur l'état des eaux visée à l'article 17.
Le permis d'environnement portant sur une prise d'eau détermine les droits et obligations du titulaire, et notamment le volume annuel qui peut être prélevé. Il fixe éventuellement les limites piézométriques, ainsi que les limites et le régime du débit de prélèvement. Il vise également les modalités de contrôle du volume d'eau captée.
Le Gouvernement assure une exploitation rationnelle durable des eaux et leur répartition équitable entre les différents titulaires d'un permis d'environnement portant sur une prise d'eau.
[1 Le Gouvernement prend les mesures nécessaires pour limiter ou interdire une prise d'eau qui porte atteinte à la viabilité du réseau public de distribution ou à la qualité de l'eau fournie par un distributeur.]1
Wijzigingen
Art. D170. In afwijking van artikel 23, paragraaf 3, 11° kan een milieuvergunning of aangifte, met inachtneming van de voorschriften bepaald bij het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning vereist worden voor :
1° de herinjectie in dezelfde watervoerende laag van voor geothermische doeleinden gebruikt water;
2° de injectie van water dat stoffen bevat ingevolge exploratie- en winningsactiviteiten van koolwaterstoffen of mijnbouw, en injectie van water om technische redenen, in geologische formaties waaruit koolwaterstoffen of andere stoffen zijn gewonnen of in geologische formaties die van nature blijvend ongeschikt zijn voor andere doeleinden [1 op voorwaarde dat die injecties geen andere stoffen bevatten dan die welke het gevolg zijn van de hierboven genoemde activiteiten]1;
3° de herinjectie van uit mijnen en steengroeven gepompt grondwater of met civieltechnische bouw- of onderhoudswerkzaamheden geassocieerd grondwater;
4° de injectie van aardgas of vloeibaar petroleumgas (LPG) voor opslag in geologische formaties die van nature blijvend ongeschikt zijn voor andere doeleinden;
5° de injectie van aardgas of vloeibaar petroleumgas (LPG) voor opslag in andere geologische formaties indien het hoger belang van het waarborgen van de gasvoorziening zulks vereist en indien de injectie van dien aard is dat ieder onmiddellijk of toekomstig gevaar van verslechtering van de kwaliteit van ieder eventueel ontvangend grondwater wordt voorkomen;
6° civieltechnische en bouw- en constructiewerkzaamheden en soortgelijke werkzaamheden op of in de grond die in contact komen met grondwater;
7° lozingen van kleine hoeveelheden stoffen voor wetenschappelijke doeleinden, met het oog op karakterisering, bescherming of herstel van waterlichamen, welke beperkt blijven tot de hoeveelheden die strikt noodzakelijk zijn voor de nagestreefde doeleinden;
[2 8° injectie van kooldioxidestromen met het oog op opslag in geologische formaties die om redenen van hun aard blijvend ongeschikt zijn voor andere doeleinden, op voorwaarde dat dergelijke injecties plaatsvinden [3 overeenkomstig het Wetboek van het beheer van de ondergrondse rijkdommen of buiten de werkingssfeer van dat Wetboek krachtens artikel D.VI.11 ervan]3;]2
op voorwaarde dat die lozingen niet verhinderen dat de voor dat grondwaterlichaam vastgestelde milieudoelstellingen worden bereikt.
1° de herinjectie in dezelfde watervoerende laag van voor geothermische doeleinden gebruikt water;
2° de injectie van water dat stoffen bevat ingevolge exploratie- en winningsactiviteiten van koolwaterstoffen of mijnbouw, en injectie van water om technische redenen, in geologische formaties waaruit koolwaterstoffen of andere stoffen zijn gewonnen of in geologische formaties die van nature blijvend ongeschikt zijn voor andere doeleinden [1 op voorwaarde dat die injecties geen andere stoffen bevatten dan die welke het gevolg zijn van de hierboven genoemde activiteiten]1;
3° de herinjectie van uit mijnen en steengroeven gepompt grondwater of met civieltechnische bouw- of onderhoudswerkzaamheden geassocieerd grondwater;
4° de injectie van aardgas of vloeibaar petroleumgas (LPG) voor opslag in geologische formaties die van nature blijvend ongeschikt zijn voor andere doeleinden;
5° de injectie van aardgas of vloeibaar petroleumgas (LPG) voor opslag in andere geologische formaties indien het hoger belang van het waarborgen van de gasvoorziening zulks vereist en indien de injectie van dien aard is dat ieder onmiddellijk of toekomstig gevaar van verslechtering van de kwaliteit van ieder eventueel ontvangend grondwater wordt voorkomen;
6° civieltechnische en bouw- en constructiewerkzaamheden en soortgelijke werkzaamheden op of in de grond die in contact komen met grondwater;
7° lozingen van kleine hoeveelheden stoffen voor wetenschappelijke doeleinden, met het oog op karakterisering, bescherming of herstel van waterlichamen, welke beperkt blijven tot de hoeveelheden die strikt noodzakelijk zijn voor de nagestreefde doeleinden;
[2 8° injectie van kooldioxidestromen met het oog op opslag in geologische formaties die om redenen van hun aard blijvend ongeschikt zijn voor andere doeleinden, op voorwaarde dat dergelijke injecties plaatsvinden [3 overeenkomstig het Wetboek van het beheer van de ondergrondse rijkdommen of buiten de werkingssfeer van dat Wetboek krachtens artikel D.VI.11 ervan]3;]2
op voorwaarde dat die lozingen niet verhinderen dat de voor dat grondwaterlichaam vastgestelde milieudoelstellingen worden bereikt.
Art. D170. Par dérogation à l'article 23, § 3, 11°, peuvent être soumis à permis d'environnement ou à déclaration suivant les règles prévues par le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement :
1° la réinjection dans le même aquifère d'eau utilisée à des fins géothermiques;
2° l'injection d'eau contenant des substances résultant d'opérations de prospection et d'extraction d'hydrocarbures ou d'activités minières et l'injection d'eau pour des raisons techniques, dans les strates géologiques d'où les hydrocarbures ou autres substances ont été extraits ou dans les strates géologiques que la nature rend en permanence impropres à d'autres utilisations [1 à condition que ces injections ne contiennent pas d'autres substances que celles qui résultent des opérations susmentionnées]1;
3° la réinjection d'eau extraite des mines et des carrières ou d'eau liée à la construction ou à l'entretien de travaux d'ingénierie civile;
4° l'injection de gaz naturel ou de gaz de pétrole liquéfié (G.P.L.) à des fins de stockage dans des strates géologiques que la nature rend en permanence impropres à d'autres utilisations;
5° l'injection de gaz naturel ou de gaz de pétrole liquéfié (G.P.L.) à des fins de stockage dans d'autres strates géologiques lorsqu'il existe un besoin impérieux d'assurer l'approvisionnement en gaz et que l'injection est effectuée de manière à éviter tout risque présent ou futur de détérioration de la qualité de toute eau souterraine réceptrice;
6° la construction, le génie civil et les travaux publics et activités similaires sur ou dans le sol qui entrent en contact avec l'eau souterraine;
7° les rejets de faibles quantités de polluants à des fins scientifiques pour la caractérisation, la protection ou la restauration des masses d'eau, ces rejets étant limités à ce qui est strictement nécessaire aux fins en question;
[2 8° l'injection de flux de dioxyde de carbone aux fins de leur stockage dans les formations géologiques que la nature à rendu de façon permanente impropres à d'autres utilisations pour autant que cette injection soit effectuée conformément [3 au Code de la gestion des ressources du sous-sol ou exclue du champ d'application de ce Code en vertu de son article D.VI.11.]3;]2
à condition que ces rejets ne compromettent pas la réalisation des objectifs environnementaux fixés pour cette masse d'eau souterraine.
1° la réinjection dans le même aquifère d'eau utilisée à des fins géothermiques;
2° l'injection d'eau contenant des substances résultant d'opérations de prospection et d'extraction d'hydrocarbures ou d'activités minières et l'injection d'eau pour des raisons techniques, dans les strates géologiques d'où les hydrocarbures ou autres substances ont été extraits ou dans les strates géologiques que la nature rend en permanence impropres à d'autres utilisations [1 à condition que ces injections ne contiennent pas d'autres substances que celles qui résultent des opérations susmentionnées]1;
3° la réinjection d'eau extraite des mines et des carrières ou d'eau liée à la construction ou à l'entretien de travaux d'ingénierie civile;
4° l'injection de gaz naturel ou de gaz de pétrole liquéfié (G.P.L.) à des fins de stockage dans des strates géologiques que la nature rend en permanence impropres à d'autres utilisations;
5° l'injection de gaz naturel ou de gaz de pétrole liquéfié (G.P.L.) à des fins de stockage dans d'autres strates géologiques lorsqu'il existe un besoin impérieux d'assurer l'approvisionnement en gaz et que l'injection est effectuée de manière à éviter tout risque présent ou futur de détérioration de la qualité de toute eau souterraine réceptrice;
6° la construction, le génie civil et les travaux publics et activités similaires sur ou dans le sol qui entrent en contact avec l'eau souterraine;
7° les rejets de faibles quantités de polluants à des fins scientifiques pour la caractérisation, la protection ou la restauration des masses d'eau, ces rejets étant limités à ce qui est strictement nécessaire aux fins en question;
[2 8° l'injection de flux de dioxyde de carbone aux fins de leur stockage dans les formations géologiques que la nature à rendu de façon permanente impropres à d'autres utilisations pour autant que cette injection soit effectuée conformément [3 au Code de la gestion des ressources du sous-sol ou exclue du champ d'application de ce Code en vertu de son article D.VI.11.]3;]2
à condition que ces rejets ne compromettent pas la réalisation des objectifs environnementaux fixés pour cette masse d'eau souterraine.
Afdeling 3. - Winningszones.
Section 3. - Zones de captage.
Onderafdeling 1. - Waterwinningszones.
Sous-section 1re. - Zones de prise d'eau.
Art. D171. § 1. De Regering bepaalt :
1° de grenzen van de waterwinningszones alsmede de procedure voor de afbakening van die zones;
2° de gevallen waarin een wijziging van de waterwinningszones is vereist.
§ 2. In geval van winning van tot drinkwater verwerkbaar water dat bestemd is om via leidingnetten te worden geleverd voor gemeenschappelijk verbruik, is de houder van de milieuvergunning voor een waterwinplaats verplicht een zakelijk recht te verkrijgen dat hem in staat stelt in het genot te treden van de binnen het waterwingebied gelegen onroerende goederen, behalve als het Gewest er eigenaar van is.
De Regering wordt gemachtigd verder te onteigenen ten einde de onteigende goederen voor de inrichting van de waterwinningszone te bestemmen.
1° de grenzen van de waterwinningszones alsmede de procedure voor de afbakening van die zones;
2° de gevallen waarin een wijziging van de waterwinningszones is vereist.
§ 2. In geval van winning van tot drinkwater verwerkbaar water dat bestemd is om via leidingnetten te worden geleverd voor gemeenschappelijk verbruik, is de houder van de milieuvergunning voor een waterwinplaats verplicht een zakelijk recht te verkrijgen dat hem in staat stelt in het genot te treden van de binnen het waterwingebied gelegen onroerende goederen, behalve als het Gewest er eigenaar van is.
De Regering wordt gemachtigd verder te onteigenen ten einde de onteigende goederen voor de inrichting van de waterwinningszone te bestemmen.
Art. D171. § 1er. Le Gouvernement détermine :
1° les limites des zones de prise d'eau, ainsi que la procédure de délimitation de ces zones;
2° les cas où une modification de la zone de prise d'eau s'impose.
§ 2. Le titulaire du permis d'environnement portant sur une prise d'eau est tenu d'acquérir un droit réel conférant la jouissance des biens immeubles situés à l'intérieur de la zone de prise d'eau, à moins que la Région n'en soit propriétaire, dans les cas où est prélevée de l'eau potabilisable destinée à être fournie par des réseaux de canalisation à l'usage de la collectivité.
Le Gouvernement est habilité à poursuivre des expropriations en vue d'affecter les biens expropriés à l'organisation de la zone de prise d'eau.
1° les limites des zones de prise d'eau, ainsi que la procédure de délimitation de ces zones;
2° les cas où une modification de la zone de prise d'eau s'impose.
§ 2. Le titulaire du permis d'environnement portant sur une prise d'eau est tenu d'acquérir un droit réel conférant la jouissance des biens immeubles situés à l'intérieur de la zone de prise d'eau, à moins que la Région n'en soit propriétaire, dans les cas où est prélevée de l'eau potabilisable destinée à être fournie par des réseaux de canalisation à l'usage de la collectivité.
Le Gouvernement est habilité à poursuivre des expropriations en vue d'affecter les biens expropriés à l'organisation de la zone de prise d'eau.
Onderafdeling 2. - Voorkomingszones.
Sous-section 2. - Zones de prévention.
Art. D172. § 1. De Regering bepaalt de winplaatsen van water die voor een voorkomingszone in aanmerking komen.
§ 2. De voorkomingszone wordt vastgelegd en afgebakend door de Regering [1 na een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten van Boek I van het Milieuwetboek]1.
De Regering bepaalt de modaliteiten inzake vestiging van de voorkomingszones.
§ 2. De voorkomingszone wordt vastgelegd en afgebakend door de Regering [1 na een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten van Boek I van het Milieuwetboek]1.
De Regering bepaalt de modaliteiten inzake vestiging van de voorkomingszones.
Art. D172. § 1er. Le Gouvernement détermine les prises d'eau qui bénéficient d'une zone de prévention.
§ 2. La zone de prévention est établie et délimitée par le Gouvernement [1 après une enquête publique selon les modalités du Livre Ier du Code de l'Environnement]1.
Le Gouvernement détermine les modalités d'établissement des zones de prévention.
§ 2. La zone de prévention est établie et délimitée par le Gouvernement [1 après une enquête publique selon les modalités du Livre Ier du Code de l'Environnement]1.
Le Gouvernement détermine les modalités d'établissement des zones de prévention.
Wijzigingen
Art. D173. Onverminderd de bepalingen met betrekking tot de wetgeving op de bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreiniging en met betrekking tot de afvalstoffen kan de Regering binnen de voorkomingszones verbieden, reglementeren of aan milieuvergunning of aangifte onderwerpen : het vervoeren, opslaan, deponeren, afvoeren, ingraven, storten en uitstrooien van stoffen die het water kunnen verontreinigen en alle kunstwerken, activiteiten, werken, beplantingen en installaties, alsook wijzigingen van de bodem en van de ondergrond die het water verontreinigen.
Art. D173. Sans préjudice des dispositions relatives à la législation sur la protection des eaux de surface contre la pollution et relatives aux déchets, le Gouvernement peut, à l'intérieur des zones de prévention, interdire, réglementer ou soumettre à permis d'environnement ou à déclaration : le transport, l'entreposage, le dépôt, l'évacuation, l'enfouissement, le rejet et l'épandage de matières susceptibles de polluer les eaux et tous les ouvrages, activités, travaux, plantations et installations, ainsi que les modifications du sol et du sous-sol susceptibles de polluer les eaux.
Art. D174. § 1. Wanneer als gevolg van een maatregel genomen in uitvoering van artikel 173, gebouwen, inrichtingen, werken, kunstwerken of beplantingen moeten worden gebouwd, verbouwd of gesloopt, of wanneer werkzaamheden moeten worden stopgezet, beperkt of omgeschakeld, is de houder van de milieuvergunning, bij gebreke aan tegemoetkoming van de Regering krachtens artikel 178 of krachtens de wetgeving betreffende de afvalstoffen, ertoe gehouden de daaruit voortvloeiende rechtstreekse en materiële schade te vergoeden.
Het eerste lid is slechts van toepassing op de bestaande gebouwen, inrichtingen, werken, kunstwerken en beplantingen en [1 op de dag van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit betreffende de oprichting van een voorkomingsgebied, behoudens door de Regering toegestane afwijking]1 uitgeoefende werkzaamheden.
§ 2. Wanneer overeenkomstig § 1 verschillende houders van de milieuvergunning verplicht zijn een vergoeding te storten, betalen zij hun aandeel daarin naar rata van de waterhoeveelheden bepaald in de milieuvergunning.
Elke nieuwe houder van de milieuvergunning die zich in een afgebakende voorkomingszone vestigt, wordt ertoe gehouden de houders van de afgegeven milieuvergunningen of het Gewest een deel van het bedrag van de door hen betaalde vergoedingen terug te betalen.
De Regering bepaalt de berekeningsregelen en de terugbetalingsmodaliteiten.
§ 3. [2 Met toepassing van artikel D.288, § 2, 1°,]2 kan de Regering optreden en de verschillende percentages van haar tegemoetkoming in de vergoeding van de in § 1 bedoelde maatregelen vaststellen, rekening houdend met de hydrogeologische situatie van de voorkomingszone.
Het eerste lid is slechts van toepassing op de bestaande gebouwen, inrichtingen, werken, kunstwerken en beplantingen en [1 op de dag van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit betreffende de oprichting van een voorkomingsgebied, behoudens door de Regering toegestane afwijking]1 uitgeoefende werkzaamheden.
§ 2. Wanneer overeenkomstig § 1 verschillende houders van de milieuvergunning verplicht zijn een vergoeding te storten, betalen zij hun aandeel daarin naar rata van de waterhoeveelheden bepaald in de milieuvergunning.
Elke nieuwe houder van de milieuvergunning die zich in een afgebakende voorkomingszone vestigt, wordt ertoe gehouden de houders van de afgegeven milieuvergunningen of het Gewest een deel van het bedrag van de door hen betaalde vergoedingen terug te betalen.
De Regering bepaalt de berekeningsregelen en de terugbetalingsmodaliteiten.
§ 3. [2 Met toepassing van artikel D.288, § 2, 1°,]2 kan de Regering optreden en de verschillende percentages van haar tegemoetkoming in de vergoeding van de in § 1 bedoelde maatregelen vaststellen, rekening houdend met de hydrogeologische situatie van de voorkomingszone.
Art. D174. § 1er. Lorsqu'une mesure prise en exécution de l'article 173 emporte obligation de construire, de modifier ou de supprimer des constructions, installations, travaux, ouvrages ou plantations, ou d'arrêter, de réduire ou de reconvertir une activité, les dommages directs et matériels en résultant sont indemnisés par le titulaire du permis d'environnement, à défaut d'intervention du Gouvernement en vertu de l'article 178, ou en vertu de la législation relative aux déchets.
L'alinéa 1er n'est applicable qu'aux constructions, installations, travaux, ouvrages et plantations existants, et aux activités exercées, [1 au jour de la publication au Moniteur belge de l'arrêté relatif à l'établissement d'une zone de prévention, sauf dérogation accordée par le Gouvernement]1.
§ 2. Lorsque plusieurs titulaires de permis d'environnement sont tenus d'indemniser conformément au paragraphe 1er, ils y contribuent proportionnellement aux volumes d'eau définis par le permis d'environnement.
Tout nouveau titulaire de permis d'environnement qui s'établit dans une zone de prévention délimitée est tenu de rembourser aux titulaires de permis d'environnement délivrés antérieurement ou à la Région une partie du montant des indemnités payées par ces derniers.
Le Gouvernement détermine les règles de calcul et les modalités de ce remboursement.
§ 3. [2 En application de l'article D.288, § 2, 1°,]2 le Gouvernement peut intervenir et fixer les différents taux de son intervention dans l'indemnisation des mesures visées au paragraphe 1er, compte tenu du contexte hydrogéologique de la zone de prévention.
L'alinéa 1er n'est applicable qu'aux constructions, installations, travaux, ouvrages et plantations existants, et aux activités exercées, [1 au jour de la publication au Moniteur belge de l'arrêté relatif à l'établissement d'une zone de prévention, sauf dérogation accordée par le Gouvernement]1.
§ 2. Lorsque plusieurs titulaires de permis d'environnement sont tenus d'indemniser conformément au paragraphe 1er, ils y contribuent proportionnellement aux volumes d'eau définis par le permis d'environnement.
Tout nouveau titulaire de permis d'environnement qui s'établit dans une zone de prévention délimitée est tenu de rembourser aux titulaires de permis d'environnement délivrés antérieurement ou à la Région une partie du montant des indemnités payées par ces derniers.
Le Gouvernement détermine les règles de calcul et les modalités de ce remboursement.
§ 3. [2 En application de l'article D.288, § 2, 1°,]2 le Gouvernement peut intervenir et fixer les différents taux de son intervention dans l'indemnisation des mesures visées au paragraphe 1er, compte tenu du contexte hydrogéologique de la zone de prévention.
Art. D174bis. [1 Binnen een bepaald voorkomingsgebied, voor een waterwinning waarvan de houder een verdeler is, is elke nieuwe waterwinning verboden, behoudens milieuvergunning verleend of een besluit genomen krachtens artikel 4 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning op basis van een evaluatie in overleg met de verdeler die houder is van de waterwinning waarop het afbakeningsbesluit betrekking heeft, van de geschiktheid van de nieuwe waterwinning ten opzichte van de mogelijke alternatieven die geen bijkomend risico inhouden.]1
Art. D174bis. [1 A l'intérieur d'une zone de prévention arrêtée, pour une prise d'eau dont le titulaire est un distributeur, toute nouvelle prise d'eau est interdite sauf permis d'environnement octroyé ou un arrêté pris en vertu de l'article 4 du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement sur la base d'une évaluation, concertée avec le distributeur titulaire de la prise d'eau concernée par l'arrêté de délimitation, de l'opportunité de la nouvelle prise d'eau en regard des alternatives possibles qui ne représentent pas de risque supplémentaire.]1
Onderafdeling 3. - Toezichtszones.
Sous-section 3. - Zones de surveillance.
Art. D175. § 1. De Regering kan toezichtszones vaststellen en afbakenen waarvan zij de vestigingsmodaliteiten [1 na een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten van Boek I van het Milieuwetboek]1bepaalt.
§ 2. De artikelen 173 en 174 zijn van toepassing op de toezichtszones.
[2 ...]2
§ 3. [2 ...]2
§ 2. De artikelen 173 en 174 zijn van toepassing op de toezichtszones.
[2 ...]2
§ 3. [2 ...]2
Art. D175. § 1er. Le Gouvernement peut constituer et délimiter des zones de surveillance, dont il détermine les modalités d'établissement [1 après une enquête publique selon les modalités du Livre Ier du Code de l'Environnement]1.
§ 2. Les articles 173 et 174 sont applicables aux zones de surveillance.
[2 ...]2
§ 3. [2 ...]2
§ 2. Les articles 173 et 174 sont applicables aux zones de surveillance.
[2 ...]2
§ 3. [2 ...]2
Afdeling 4. - Bijzondere maatregelen.
Section 4. - Mesures particulières.
Art. D176. Wanneer individuele inlichtingen noodzakelijk zijn voor de voorbereiding, de uitwerking of de uitvoering van een reglementering inzake bescherming, van het grondwater tegen verontreiniging of voor de uitvoering van de in § 2 bedoelde internationale verplichtingen, kan de Regering elk onderzoek uitvoeren dat noodzakelijk is ten einde die inlichtingen ter beschikking te stellen van de diensten van het Gewest die zij aanwijst.
De bij die gelegenheid verzamelde individuele inlichtingen mogen alleen voor de volgende doeleinden worden gebruikt :
1° toepassing van de andere artikelen van dit deel;
2° opmaken van statistieken;
3° wetenschappelijk onderzoek inzake bescherming van het leefmilieu, voor zover de bezitter van de gegevens zich er ten opzichte van de Regering vooraf schriftelijk toe verbindt noch die gegevens te verspreiden of door derden te laten verspreiden noch te publiceren op zulke manier dat individuele toestanden onthuld zouden kunnen worden.
De bij die gelegenheid verzamelde individuele inlichtingen mogen alleen voor de volgende doeleinden worden gebruikt :
1° toepassing van de andere artikelen van dit deel;
2° opmaken van statistieken;
3° wetenschappelijk onderzoek inzake bescherming van het leefmilieu, voor zover de bezitter van de gegevens zich er ten opzichte van de Regering vooraf schriftelijk toe verbindt noch die gegevens te verspreiden of door derden te laten verspreiden noch te publiceren op zulke manier dat individuele toestanden onthuld zouden kunnen worden.
Art. D176. Lorsque des renseignements individuels sont indispensables pour la préparation, l'élaboration ou l'exécution d'un règlement en matière de protection des eaux souterraines contre la pollution, le Gouvernement peut faire procéder à toutes les investigations nécessaires en vue de mettre ces renseignements à la disposition des services de la Région qu'il désigne.
Les renseignements individuels recueillis à cette occasion ne peuvent être utilisés qu'aux fins suivantes :
1° application des autres dispositions de la présente partie;
2° établissement des statistiques;
3° recherche scientifique dans le domaine de la protection de l'environnement, à condition que le détenteur des données se soit engagé préalablement par écrit envers le Gouvernement à ne pas divulguer, laisser divulguer par des tiers ni publier des données d'une manière qui serait à même de révéler des situations individuelles.
Les renseignements individuels recueillis à cette occasion ne peuvent être utilisés qu'aux fins suivantes :
1° application des autres dispositions de la présente partie;
2° établissement des statistiques;
3° recherche scientifique dans le domaine de la protection de l'environnement, à condition que le détenteur des données se soit engagé préalablement par écrit envers le Gouvernement à ne pas divulguer, laisser divulguer par des tiers ni publier des données d'une manière qui serait à même de révéler des situations individuelles.
Afdeling 5. [1 - Bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water [2 ...]2]1
Section 5. [1 - Protection des eaux potabilisables [2 ...]2]1
Art. D176bis. [1 Om de kwaliteit van het water te beschermen en in het kader van haar opdracht inzake de bescherming van het tot drinkwater verwerkbaar water:
1° worden de volgende maatregelen door de "S.P.G.E." georganiseerd en uitgevoerd:
a) maatregelen ter bescherming van de winningen van tot drinkwater verwerkbaar water, bestemd voor openbare distributie, door de tenuitvoerlegging van:
(1) studies om de preventie- en toezichtsgebieden rond de winningen van tot drinkwater verwerkbaar water af te bakenen;
(2) preventieve acties binnen de preventie- en toezichtgebieden rond de winningen van tot drinkwater verwerkbaar water;
(3) noodwerkzaamheden ter bestrijding van toevallige verontreiniging die de winningen van tot drinkwater verwerkbaar water zouden kunnen bereiken;
(4) alternatieve oplossingen voor de bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water;
(5) winningsovereenkomsten;
(6) maatregelen ter bestrijding van toevallige en diffuse verontreiniging;
b) algemene maatregelen ter bescherming van tot drinkwater verwerkbare watervoorraden, namelijk:
(1) het sluiten van grondwaterovereenkomsten op het niveau van grondwaterlichamen;
(2) het zorgen voor een wetenschappelijk toezicht, de ontwikkeling van oproepen tot het indienen van projecten en innovatieve oplossingen op het gebied van de bescherming van hulpbronnen;
(3) het opmaken van een communicatieplan om de hulpbronnen te beschermen;
(4) de deelname aan de financiering van de maatregelen ter vervulling van de landbouwfunctie bedoeld in artikel D.1, § 2, 1°, van het Waals Landbouwwetboek;
c) maatregelen voor de opvang en behandeling van afvalwater, bij voorrang in de preventie- en toezichtgebieden van de winningen van tot drinkwater verwerkbaar water en in grondwaterlichamen in slechte toestand;
2° kan de "S.P.G.E." zich verenigen of samenwerken met partners uit de openbare of de privé-sector in het kader van een partnerschap waardoor financiële, menselijke of materiële middelen gezamenlijk ingeschakeld kunnen worden voor de bestrijding van toevallige en diffuse vervuilingen om de grondwater- en oppervlaktewaterlichamen te beschermen.
Dat partnerschap wordt uitgeoefend ofwel door het sluiten van een partnerschapsovereenkomst, ofwel door de deelneming van de "S.P.G.E." in een juridisch afzonderlijke instelling volgens de door de Regering goedgekeurde modaliteiten opgenomen in de beheersovereenkomst van de "S.P.G.E.";
3° maakt de "S.P.G.E." jaarlijks een verslag van de activiteiten inzake bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water en van algemene maatregelen inzake bescherming van de watervoorraden aan de Regering over;
4° wordt minstens vijftig procent van de door de "S.P.G.E." ontvangen inkomsten voor de bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water als bedoeld in de artikelen [2 D.254, § 2]2 en D.288, § 1, bestemd voor de financiering van punt 1°, a) en b), volgens de modaliteiten bepaald in de beheersovereenkomst van de "S.P.G.E.".
In het kader van het eerste lid, 1°, a), (3), kan de "S.P.G.E." de voorgeschoten bedragen terugvorderen volgens het beginsel "de vervuiler betaalt".]1
1° worden de volgende maatregelen door de "S.P.G.E." georganiseerd en uitgevoerd:
a) maatregelen ter bescherming van de winningen van tot drinkwater verwerkbaar water, bestemd voor openbare distributie, door de tenuitvoerlegging van:
(1) studies om de preventie- en toezichtsgebieden rond de winningen van tot drinkwater verwerkbaar water af te bakenen;
(2) preventieve acties binnen de preventie- en toezichtgebieden rond de winningen van tot drinkwater verwerkbaar water;
(3) noodwerkzaamheden ter bestrijding van toevallige verontreiniging die de winningen van tot drinkwater verwerkbaar water zouden kunnen bereiken;
(4) alternatieve oplossingen voor de bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water;
(5) winningsovereenkomsten;
(6) maatregelen ter bestrijding van toevallige en diffuse verontreiniging;
b) algemene maatregelen ter bescherming van tot drinkwater verwerkbare watervoorraden, namelijk:
(1) het sluiten van grondwaterovereenkomsten op het niveau van grondwaterlichamen;
(2) het zorgen voor een wetenschappelijk toezicht, de ontwikkeling van oproepen tot het indienen van projecten en innovatieve oplossingen op het gebied van de bescherming van hulpbronnen;
(3) het opmaken van een communicatieplan om de hulpbronnen te beschermen;
(4) de deelname aan de financiering van de maatregelen ter vervulling van de landbouwfunctie bedoeld in artikel D.1, § 2, 1°, van het Waals Landbouwwetboek;
c) maatregelen voor de opvang en behandeling van afvalwater, bij voorrang in de preventie- en toezichtgebieden van de winningen van tot drinkwater verwerkbaar water en in grondwaterlichamen in slechte toestand;
2° kan de "S.P.G.E." zich verenigen of samenwerken met partners uit de openbare of de privé-sector in het kader van een partnerschap waardoor financiële, menselijke of materiële middelen gezamenlijk ingeschakeld kunnen worden voor de bestrijding van toevallige en diffuse vervuilingen om de grondwater- en oppervlaktewaterlichamen te beschermen.
Dat partnerschap wordt uitgeoefend ofwel door het sluiten van een partnerschapsovereenkomst, ofwel door de deelneming van de "S.P.G.E." in een juridisch afzonderlijke instelling volgens de door de Regering goedgekeurde modaliteiten opgenomen in de beheersovereenkomst van de "S.P.G.E.";
3° maakt de "S.P.G.E." jaarlijks een verslag van de activiteiten inzake bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water en van algemene maatregelen inzake bescherming van de watervoorraden aan de Regering over;
4° wordt minstens vijftig procent van de door de "S.P.G.E." ontvangen inkomsten voor de bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water als bedoeld in de artikelen [2 D.254, § 2]2 en D.288, § 1, bestemd voor de financiering van punt 1°, a) en b), volgens de modaliteiten bepaald in de beheersovereenkomst van de "S.P.G.E.".
In het kader van het eerste lid, 1°, a), (3), kan de "S.P.G.E." de voorgeschoten bedragen terugvorderen volgens het beginsel "de vervuiler betaalt".]1
Art. D176bis. [1 Aux fins de protéger la qualité des eaux et dans le cadre de sa mission de protection des eaux potabilisables :
1° la S.P.G.E. organise et met en oeuvre :
a) des mesures de protection des prises d'eau potabilisable, destinée à la distribution publique, par la mise en oeuvre :
(1) d'études de délimitation des zones de prévention et de surveillance autour des prises d'eau potabilisable;
(2) d'actions préventives au sein des zones de prévention et de surveillance des prises d'eau potabilisable;
(3) de travaux d'urgence destinés à lutter contre les pollutions accidentelles susceptibles d'atteindre les prises d'eau potabilisable;
(4) de solutions alternatives à la protection des eaux potabilisables;
(5) de contrats de captage;
(6) de mesures de lutte contre les pollutions ponctuelles et diffuses;
b) des mesures générales de protection des ressources en eau potabilisable, à savoir :
(1) conclure des contrats de nappe à l'échelle des masses d'eau souterraine;
(2) assurer une veille scientifique, développer des appels à projets et solutions innovantes en matière de protection des ressources;
(3) réaliser un plan de communication de protection des ressources;
(4) participer au financement des mesures permettant de remplir la fonction de l'agriculture visée à l'article D.1er, § 2, 1°, du Code wallon de l'Agriculture;
c) des mesures visant à la collecte et à l'assainissement des eaux usées prioritairement dans les zones de prévention et de surveillance des prises d'eau potabilisable, ainsi que dans les masses d'eau souterraine en mauvais état;
2° la S.P.G.E. peut s'associer ou collaborer avec des intervenants publics, privés ou publics et privés dans le cadre d'un partenariat par la mise en commun de moyens financiers, humains ou matériels afin de lutter contre les pollutions ponctuelles et diffuses pour protéger les masses d'eau souterraine et de surface.
Ce partenariat s'exerce soit par la conclusion d'une convention de partenariat, soit par la participation de la S.P.G.E. à une institution juridiquement distincte selon les modalités approuvées par le Gouvernement et reprises au contrat de gestion de la S.P.G.E.;
3° la S.P.G.E. transmet annuellement un rapport des activités en matière de protection des eaux potabilisables et de mesures générales de protection des ressources en eau au Gouvernement;
4° un minimum de cinquante pourcents des recettes perçues par la S.P.G.E. pour la protection des eaux potabilisables visées aux articles [2 D.254, § 2]2 et D.288, § 1er, sont affectés au financement du 1°, a) et b), selon les modalités précisées dans le contrat de gestion de la S.P.G.E.
Dans le cadre de l'alinéa 1er, 1°, a), (3), la S.P.G.E. est autorisée à récupérer les montants avancés selon le principe du pollueur-payeur.]1
1° la S.P.G.E. organise et met en oeuvre :
a) des mesures de protection des prises d'eau potabilisable, destinée à la distribution publique, par la mise en oeuvre :
(1) d'études de délimitation des zones de prévention et de surveillance autour des prises d'eau potabilisable;
(2) d'actions préventives au sein des zones de prévention et de surveillance des prises d'eau potabilisable;
(3) de travaux d'urgence destinés à lutter contre les pollutions accidentelles susceptibles d'atteindre les prises d'eau potabilisable;
(4) de solutions alternatives à la protection des eaux potabilisables;
(5) de contrats de captage;
(6) de mesures de lutte contre les pollutions ponctuelles et diffuses;
b) des mesures générales de protection des ressources en eau potabilisable, à savoir :
(1) conclure des contrats de nappe à l'échelle des masses d'eau souterraine;
(2) assurer une veille scientifique, développer des appels à projets et solutions innovantes en matière de protection des ressources;
(3) réaliser un plan de communication de protection des ressources;
(4) participer au financement des mesures permettant de remplir la fonction de l'agriculture visée à l'article D.1er, § 2, 1°, du Code wallon de l'Agriculture;
c) des mesures visant à la collecte et à l'assainissement des eaux usées prioritairement dans les zones de prévention et de surveillance des prises d'eau potabilisable, ainsi que dans les masses d'eau souterraine en mauvais état;
2° la S.P.G.E. peut s'associer ou collaborer avec des intervenants publics, privés ou publics et privés dans le cadre d'un partenariat par la mise en commun de moyens financiers, humains ou matériels afin de lutter contre les pollutions ponctuelles et diffuses pour protéger les masses d'eau souterraine et de surface.
Ce partenariat s'exerce soit par la conclusion d'une convention de partenariat, soit par la participation de la S.P.G.E. à une institution juridiquement distincte selon les modalités approuvées par le Gouvernement et reprises au contrat de gestion de la S.P.G.E.;
3° la S.P.G.E. transmet annuellement un rapport des activités en matière de protection des eaux potabilisables et de mesures générales de protection des ressources en eau au Gouvernement;
4° un minimum de cinquante pourcents des recettes perçues par la S.P.G.E. pour la protection des eaux potabilisables visées aux articles [2 D.254, § 2]2 et D.288, § 1er, sont affectés au financement du 1°, a) et b), selon les modalités précisées dans le contrat de gestion de la S.P.G.E.
Dans le cadre de l'alinéa 1er, 1°, a), (3), la S.P.G.E. est autorisée à récupérer les montants avancés selon le principe du pollueur-payeur.]1
HOOFDSTUK III. - Territoriale bevoegdverklaring.
CHAPITRE III. - Habilitations territoriales.
Art. D177. Om de waterkwaliteit te beschermen, kan de Regering alle nodige maatregelen treffen om het gebruik van stoffen te reglementeren zoals organische of meststoffen die in het kader van landbouwactiviteiten worden uitgestrooid.
Hiervoor kan ze o.a. :
1° zones aanduiden die een beschermingsstatuut kunnen krijgen in functie van de bijzondere milieubelasting die ze ondergaan [1 na een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten van Boek I van het Milieuwetboek]1;
2° programma's voorzien om de uitstrooiingen bedoeld in dit artikel te beperken [1 na een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten van Boek I van het Milieuwetboek]1;
[2 3° de laboratoria erkennen die belast worden met de grondanalyses om er de potentieel uitspoelbare stikstof, afgekort APL, te kwantificeren, of die belast worden met het uivoeren van een stikstofprofiel van de grond;]2
[2 4° de modaliteiten vastleggen volgens welke de landbouwer aantoont dat de infrastructuren voor de opslag van teelteffluenten in zijn landbouwbedrijf voldoen aan de voorschriften waarin de in 2° bedoelde beschermingsprogramma's voorzien, alsook de procedure en de modaliteiten tot afgifte van de conformiteitsattesten betreffende de opslag van teelteffluenten en de autoriteit die daarvoor instaat.]2
Hiervoor kan ze o.a. :
1° zones aanduiden die een beschermingsstatuut kunnen krijgen in functie van de bijzondere milieubelasting die ze ondergaan [1 na een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten van Boek I van het Milieuwetboek]1;
2° programma's voorzien om de uitstrooiingen bedoeld in dit artikel te beperken [1 na een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten van Boek I van het Milieuwetboek]1;
[2 3° de laboratoria erkennen die belast worden met de grondanalyses om er de potentieel uitspoelbare stikstof, afgekort APL, te kwantificeren, of die belast worden met het uivoeren van een stikstofprofiel van de grond;]2
[2 4° de modaliteiten vastleggen volgens welke de landbouwer aantoont dat de infrastructuren voor de opslag van teelteffluenten in zijn landbouwbedrijf voldoen aan de voorschriften waarin de in 2° bedoelde beschermingsprogramma's voorzien, alsook de procedure en de modaliteiten tot afgifte van de conformiteitsattesten betreffende de opslag van teelteffluenten en de autoriteit die daarvoor instaat.]2
Art. D177. Aux fins de protéger la qualité des eaux, le Gouvernement peut prendre toutes les mesures nécessaires en vue de réglementer l'utilisation de matières ou substances telles que les matières organiques ou les fertilisants destinés à être épandus dans le cadre d'activités agricoles.
A cette fin, il peut notamment :
1° désigner des zones destinées à recevoir un statut de protection en fonction des contraintes environnementales particulières auxquelles elles peuvent être soumises [1 après une enquête publique selon les modalités du Livre Ier du Code de l'Environnement]1;
2° mettre en place des programmes visant à réduire les épandages visés dans le présent article [1 après une enquête publique selon les modalités du Livre Ier du Code de l'Environnement]1.
[2 3° agréer les laboratoires chargés des analyses de sol pour y quantifier l'azote potentiellement lessivable, en abrégé APL ou chargés de réaliser un profil azoté de sol;]2
[2 4° définir les modalités selon lesquelles l'agriculteur démontre la conformité des infrastructures de stockage des effluents d'élevage de son exploitation agricole aux mesures prévues par les programmes de protection visés au 2° ainsi que la procédure, les modalités et l'autorité responsable de la délivrance des attestations de conformité de stockage des effluents d'élevage.]2
A cette fin, il peut notamment :
1° désigner des zones destinées à recevoir un statut de protection en fonction des contraintes environnementales particulières auxquelles elles peuvent être soumises [1 après une enquête publique selon les modalités du Livre Ier du Code de l'Environnement]1;
2° mettre en place des programmes visant à réduire les épandages visés dans le présent article [1 après une enquête publique selon les modalités du Livre Ier du Code de l'Environnement]1.
[2 3° agréer les laboratoires chargés des analyses de sol pour y quantifier l'azote potentiellement lessivable, en abrégé APL ou chargés de réaliser un profil azoté de sol;]2
[2 4° définir les modalités selon lesquelles l'agriculteur démontre la conformité des infrastructures de stockage des effluents d'élevage de son exploitation agricole aux mesures prévues par les programmes de protection visés au 2° ainsi que la procédure, les modalités et l'autorité responsable de la délivrance des attestations de conformité de stockage des effluents d'élevage.]2
Art. D177bis. [1 De Regering bepaalt de modaliteiten voor de opvolging door middel van metingen van potentieel uitspoelbare stikstof, voor de overeenstemming van de in kwetsbare gebieden gelegen landbouwbedrijven met de goede landbouwpraktijken die nodig zijn om het water te beschermen tegen nitraatverontreiniging uit agrarische bronnen.]1
Art. D177bis. [1 Le Gouvernement arrête les modalités de suivi par des mesures de l'azote potentiellement lessivable, de la conformité des exploitations agricoles situées en zone vulnérable aux bonnes pratiques agricoles nécessaires à la protection des eaux contre la pollution par les nitrates à partir de sources agricoles.]1
TITEL VIII. - Financiering van het beheer van de natuurlijke cyclus.
TITRE VIII. - Financement de la gestion du cycle naturel.
Art. D178. De Regering kan subsidies aan de ondernemingen toekennen die een uitzonderlijk hoge financiële last dragen om te voldoen aan de voorwaarden waarop hen een milieuvergunning is verleend.
De Regering stelt de regels vast volgens dewelke deze subsidies worden toegekend.
De Regering kan subsidies aan de ondernemingen toekennen die tot één of tot verscheidene industriële sectoren behoren welke navorsingen en tests hebben ondernomen of gaan ondernemen teneinde hetzij een minder vervuilende fabricagewerkwijze te ontdekken, hetzij een doeltreffender werkwijze voor zuivering.
De Regering bepaalt de voorwaarden voor de toekenning van deze subsidies.
De Regering stelt de regels vast volgens dewelke deze subsidies worden toegekend.
De Regering kan subsidies aan de ondernemingen toekennen die tot één of tot verscheidene industriële sectoren behoren welke navorsingen en tests hebben ondernomen of gaan ondernemen teneinde hetzij een minder vervuilende fabricagewerkwijze te ontdekken, hetzij een doeltreffender werkwijze voor zuivering.
De Regering bepaalt de voorwaarden voor de toekenning van deze subsidies.
Art. D178. Le Gouvernement peut allouer des subventions aux entreprises supportant une charge financière exceptionnellement élevée pour remplir les conditions auxquelles un permis d'environnement leur a été accordé.
Le Gouvernement détermine les règles selon lesquelles ces subventions sont accordées.
Le Gouvernement peut allouer des subventions aux entreprises appartenant à un secteur ou à plusieurs secteurs industriels qui ont entrepris ou qui vont entreprendre des recherches et des essais afin de découvrir soit un procédé de fabrication moins polluant, soit un procédé d'épuration plus efficace.
Le Gouvernement règle les modalités d'octroi de ces subventions.
Le Gouvernement détermine les règles selon lesquelles ces subventions sont accordées.
Le Gouvernement peut allouer des subventions aux entreprises appartenant à un secteur ou à plusieurs secteurs industriels qui ont entrepris ou qui vont entreprendre des recherches et des essais afin de découvrir soit un procédé de fabrication moins polluant, soit un procédé d'épuration plus efficace.
Le Gouvernement règle les modalités d'octroi de ces subventions.
Art. D179. Er wordt een wetenschappelijke en technische dienst van het water opgericht die de navorsingen en de verspreiding van de resultaten inzake de bescherming van het oppervlaktewater coördineert; deze dienst oriënteert de navorsingen in de nieuwe domeinen, met name afhankelijk van de voorstellen die aan deze dienst door de [1 saneringsinstellingen]1 worden gedaan.
Art. D179. Il est créé un service scientifique et technique de l'eau, qui coordonne les recherches et la diffusion des résultats en matière de protection des eaux de surface; il oriente les recherches dans les domaines nouveaux, notamment en fonction des propositions qui lui sont faites par les [1 organismes d'assainissement]1.
Wijzigingen
DEEL III. - Beheer van de antropogene watercyclus.
PARTIE III. - Gestion du cycle anthropique de l'eau.
TITEL I. - Fasen van de antropogene watercyclus.
TITRE 1er. - Phases du cycle anthropique de l'eau.
HOOFDSTUK I. - Waterproductie en -verdeling.
CHAPITRE Ier. - Production et distribution d'eau.
Afdeling 1. - Voor menselijke consumptie bestemd water.
Section 1re. - Eau destinée à la consommation humaine.
Onderafdeling 1. [1 - Doelstellingen en bevoegdverklaringen]1
Sous-section 1re. [1 - Objectifs et habilitations]1
Art. D180. [1 § 1. De Regering neemt de nodige maatregelen om de gezondheid en de zuiverheid van het water bestemd voor menselijke consumptie te garanderen; deze maatregelen zijn gebaseerd op het voorzorgsprincipe en leiden in geen geval, rechtstreeks of onrechtstreeks, tot een verslechtering van de huidige kwaliteit van het voor menselijke consumptie bestemde water, voor zover dit een invloed kan hebben op de bescherming van de menselijke gezondheid, of dat de verontreiniging van het voor de drinkwaterproductie bestemde water toeneemt.
§ 2 Onverminderd de artikelen D.183, § 1, en D.184, en het Sociaal Waterfonds, neemt de Regering, rekening houdend met lokale, regionale en culturele perspectieven en omstandigheden met betrekking tot de waterdistributie, de nodige maatregelen om de toegang voor iedereen tot voor menselijke consumptie bestemd water te verbeteren of te behouden, in het bijzonder voor kwetsbare en gemarginaliseerde groepen.
Daartoe moet de Regering :
1А de mensen identificeren die geen of beperkte toegang hebben tot water bestemd voor menselijke consumptie, met inbegrip van kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, en de redenen hiervoor;
2А de mogelijkheden beoordelen om de toegang tot water voor deze mensen te verbeteren;
3А deze mensen informeren over de mogelijkheden om zich aan te sluiten op een distributienetwerk of op een andere manier toegang te krijgen tot water bestemd voor menselijke consumptie;
4А neemt de maatregelen die zij nodig en gepast acht, met inbegrip van het toekennen van subsidies, binnen de grenzen van haar bevoegdheden, om de toegang tot water bestemd voor menselijke consumptie voor kwetsbare en gemarginaliseerde groepen te waarborgen; binnen dit kader kan de Regering een projectoproep lanceren ter ondersteuning van nieuwe collectieve maatregelen ontwikkeld door lokale entiteiten, openbare lichamen of andere rechtspersonen die actief zijn in de bescherming van kwetsbare en gemarginaliseerde personen. De subsidie bedraagt maximaal 50% van de kosten voor aankopen, werkzaamheden en erelonen.
De subsidiabele uitgaven hebben betrekking op de installatie van een waterfontein voor menselijke consumptie of andere uitrusting die toegang geeft tot water bestemd voor menselijke consumptie op door de overheid aangewezen openbare plaatsen. Deze uitgaven kunnen door geen enkel ander subsidiemechanisme worden gedekt. De overheid bepaalt de voorwaarden en de procedure voor deze projectoproepen.
§ 3. De Regering zorgt ervoor dat passende en actuele informatie over voor menselijke consumptie bestemd water beschikbaar is volgens de procedures die zij bepaalt, met inachtneming van de regels die van toepassing zijn op de bescherming van gegevens.]1
§ 2 Onverminderd de artikelen D.183, § 1, en D.184, en het Sociaal Waterfonds, neemt de Regering, rekening houdend met lokale, regionale en culturele perspectieven en omstandigheden met betrekking tot de waterdistributie, de nodige maatregelen om de toegang voor iedereen tot voor menselijke consumptie bestemd water te verbeteren of te behouden, in het bijzonder voor kwetsbare en gemarginaliseerde groepen.
Daartoe moet de Regering :
1А de mensen identificeren die geen of beperkte toegang hebben tot water bestemd voor menselijke consumptie, met inbegrip van kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, en de redenen hiervoor;
2А de mogelijkheden beoordelen om de toegang tot water voor deze mensen te verbeteren;
3А deze mensen informeren over de mogelijkheden om zich aan te sluiten op een distributienetwerk of op een andere manier toegang te krijgen tot water bestemd voor menselijke consumptie;
4А neemt de maatregelen die zij nodig en gepast acht, met inbegrip van het toekennen van subsidies, binnen de grenzen van haar bevoegdheden, om de toegang tot water bestemd voor menselijke consumptie voor kwetsbare en gemarginaliseerde groepen te waarborgen; binnen dit kader kan de Regering een projectoproep lanceren ter ondersteuning van nieuwe collectieve maatregelen ontwikkeld door lokale entiteiten, openbare lichamen of andere rechtspersonen die actief zijn in de bescherming van kwetsbare en gemarginaliseerde personen. De subsidie bedraagt maximaal 50% van de kosten voor aankopen, werkzaamheden en erelonen.
De subsidiabele uitgaven hebben betrekking op de installatie van een waterfontein voor menselijke consumptie of andere uitrusting die toegang geeft tot water bestemd voor menselijke consumptie op door de overheid aangewezen openbare plaatsen. Deze uitgaven kunnen door geen enkel ander subsidiemechanisme worden gedekt. De overheid bepaalt de voorwaarden en de procedure voor deze projectoproepen.
§ 3. De Regering zorgt ervoor dat passende en actuele informatie over voor menselijke consumptie bestemd water beschikbaar is volgens de procedures die zij bepaalt, met inachtneming van de regels die van toepassing zijn op de bescherming van gegevens.]1
Art. D180. [1 § 1er. Le Gouvernement prend les mesures nécessaires afin de garantir la salubrité et la propreté des eaux destinées à la consommation humaine ; ces mesures sont fondées sur le principe de précaution et n'entraînent en aucune manière, directement ou indirectement, une dégradation de la qualité actuelle des eaux destinées à la consommation humaine, dans la mesure où cela a une incidence sur la protection de la santé des personnes, ou un accroissement de la pollution des eaux utilisées pour la production d'eau potable.
§ 2. Sans préjudice des articles D.183, § 1er, et D.184, ainsi que du Fonds social de l'eau, le Gouvernement, en tenant compte des perspectives et des circonstances locales, régionales et culturelles en matière de distribution de l'eau, prend les mesures nécessaires pour améliorer ou préserver l'accès de tous aux eaux destinées à la consommation humaine, en particulier des groupes vulnérables et marginalisés.
A cette fin, le Gouvernement :
1° détermine les personnes qui n'ont pas accès ou qui n'ont qu'un accès limité aux eaux destinées à la consommation humaine, y compris les groupes vulnérables et marginalisés, et les raisons expliquant cet état de fait;
2° évalue les possibilités d'améliorer l'accès à l'eau pour ces personnes;
3° informe ces personnes des possibilités de connexion à un réseau de distribution ou d'autres moyens d'accès aux eaux destinées à la consommation humaine;
4° prend les mesures qu'il juge nécessaires et appropriées, y compris l'octroi des subventions, dans les limites de ses compétences, afin de garantir l'accès à l'eau destinée à la consommation humaine pour les groupes vulnérables et marginalisés ; dans ce cadre, le Gouvernement peut lancer un appel à projets pour soutenir de nouvelles mesures collectives développées par des entités locales, des organismes publics ou d'autres personnes morales actives dans la protection des personnes vulnérables et marginalisées. Le taux de la subvention s'élève à maximum 50% du coût des acquisitions, travaux et honoraires.
Les dépenses admissibles portent sur l'installation d'une fontaine d'eau destinée à la consommation humaine ou d'autres équipements permettant d'accéder à l'eau destinée à la consommation humaine, dans des lieux publics désignés par le Gouvernement. Ces dépenses ne peuvent être couvertes par un autre mécanisme de subvention. Le Gouvernement fixe les conditions et la procédure applicables dans le cadre de ces appels à projets.
§ 3. Le Gouvernement veille à ce que des informations adaptées et récentes concernant les eaux destinées à la consommation humaine soient disponibles, conformément aux modalités qu'il détermine, dans le respect des règles applicables en matière de protection des données.]1
§ 2. Sans préjudice des articles D.183, § 1er, et D.184, ainsi que du Fonds social de l'eau, le Gouvernement, en tenant compte des perspectives et des circonstances locales, régionales et culturelles en matière de distribution de l'eau, prend les mesures nécessaires pour améliorer ou préserver l'accès de tous aux eaux destinées à la consommation humaine, en particulier des groupes vulnérables et marginalisés.
A cette fin, le Gouvernement :
1° détermine les personnes qui n'ont pas accès ou qui n'ont qu'un accès limité aux eaux destinées à la consommation humaine, y compris les groupes vulnérables et marginalisés, et les raisons expliquant cet état de fait;
2° évalue les possibilités d'améliorer l'accès à l'eau pour ces personnes;
3° informe ces personnes des possibilités de connexion à un réseau de distribution ou d'autres moyens d'accès aux eaux destinées à la consommation humaine;
4° prend les mesures qu'il juge nécessaires et appropriées, y compris l'octroi des subventions, dans les limites de ses compétences, afin de garantir l'accès à l'eau destinée à la consommation humaine pour les groupes vulnérables et marginalisés ; dans ce cadre, le Gouvernement peut lancer un appel à projets pour soutenir de nouvelles mesures collectives développées par des entités locales, des organismes publics ou d'autres personnes morales actives dans la protection des personnes vulnérables et marginalisées. Le taux de la subvention s'élève à maximum 50% du coût des acquisitions, travaux et honoraires.
Les dépenses admissibles portent sur l'installation d'une fontaine d'eau destinée à la consommation humaine ou d'autres équipements permettant d'accéder à l'eau destinée à la consommation humaine, dans des lieux publics désignés par le Gouvernement. Ces dépenses ne peuvent être couvertes par un autre mécanisme de subvention. Le Gouvernement fixe les conditions et la procédure applicables dans le cadre de ces appels à projets.
§ 3. Le Gouvernement veille à ce que des informations adaptées et récentes concernant les eaux destinées à la consommation humaine soient disponibles, conformément aux modalités qu'il détermine, dans le respect des règles applicables en matière de protection des données.]1
Wijzigingen
Art. D181. [1 § 1. Onverminderd de andere bevoegdheden waarin deze afdeling voorziet, en gelet op de doelstellingen van artikel D.180, kan de regering :
1А de kwaliteitsnormen vastleggen voor water bestemd voor menselijke consumptie in termen van parametrische, microbiologische en chemische waarden, evenals indicatorparameters voor controledoeleinden;
2А de punten bepalen waarop voldaan wordt aan de kwaliteitsnormen voor water bestemd voor menselijke consumptie;
3А de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de levering, de behandeling en de distributie van water bestemd voor menselijke consumptie onderworpen worden aan een risicogebaseerde aanpak die de hele toeleveringsketen omvat, van het stroomgebied tot het punt van naleving, met inbegrip van de onttrekking, de behandeling, de opslag en de distributie van water;
4А de nodige maatregelen nemen om de risico's te evalueren die verbonden zijn aan de waterwinningsgebieden voor de onttrekkingspunten van voor menselijke consumptie bestemd water en om die risico's te beheren;
5А de nodige maatregelen nemen om de risico's te beoordelen en te beheren die verbonden zijn aan elk leveringssysteem, met inbegrip van de onttrekking, de behandeling, de opslag en de distributie van water bestemd voor menselijke consumptie tot op het distributiepunt;
6А de parameterwaarden voor de monitoring vastleggen en de nodige maatregelen nemen om de risico's te beoordelen die verbonden zijn aan de private distributie-installaties, onder meer op prioritaire locaties die zij bepaalt, en de relevante vereisten vastleggen voor de bemonsteringspunten met het oog op de monitoring van deze parameters;
7А minimumvereisten vaststellen voor chemische behandelingsmiddelen en filtermedia die in contact komen met water bestemd voor menselijke consumptie, zodat water dat ter beschikking van de consument wordt gesteld, voldoet aan de vereisten van dit hoofdstuk;
8А de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water regelmatig wordt gecontroleerd;
9А de procedures bepalen voor corrigerende maatregelen en gebruiksbeperkingen bij niet-naleving van de kwaliteitsnormen voor water bestemd voor menselijke consumptie.
De beoordeling en het beheer van de risico's die verbonden zijn aan waterwinningsgebieden van ontrekkingspunten van voor menselijke consumptie bestemd water worden uiterlijk op 12 juli 2027 voor het eerst uitgevoerd. Deze risicobeoordeling en dit risicobeheer worden met regelmatige tussenpozen van niet meer dan zes jaar opnieuw bezien, rekening houdend met de in artikel D.168 vastgestelde vereisten, en zo nodig bijgewerkt. Deze beoordeling wordt uitgevoerd volgens de onttrekkingspunten, per grondwaterlichaam of per oppervlaktewaterlichaam in het kader van de stroomgebiedbeheerplannen waarnaar wordt verwezen in artikel D.24, Ї 3.
De Regering kan de overeenkomstig de artikelen D.17, D.17-1, D.17-2 en D.168 verzamelde informatie gebruiken om winningsgebieden voor onttrekkingspunten te karakteriseren en gevaren en gevaarlijke gebeurtenissen op te sporen. De Regering kan de monitoring die wordt uitgevoerd overeenkomstig de artikelen D.19 en D.168 of andere relevante wetgeving van de Europese Unie die zij bepaalt, gebruiken voor passende monitoring in het kader van de beoordeling van risico's in oppervlaktewater of grondwater of beide, met inbegrip van de opsporing van nieuwe stoffen die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid ten gevolge van het gebruik van voor menselijke consumptie bestemd water.
De Regering bepaalt de voorwaarden waaronder de betrokken waterleveranciers toegang kunnen krijgen tot de resultaten die zijn verkregen in het kader van de passende controle die met het oog op de risicobeoordeling wordt uitgevoerd.
De beoordeling en het beheer van de risico's die verbonden zijn aan bevoorradingssystemen worden uiterlijk op 12 januari 2029 voor het eerst uitgevoerd. Deze risicobeoordeling en dit risicobeheer worden met regelmatige tussenpozen van niet meer dan zes jaar opnieuw bezien, en zo nodig bijgewerkt.
De risicobeoordeling voor private distributie-installaties wordt uiterlijk op 12 januari 2029 voor het eerst uitgevoerd. Deze risicobeoordeling wordt elke zes jaar herzien en indien nodig bijgewerkt.
De in de leden 2 tot en met 6 genoemde termijnen beletten de Regering niet ervoor te zorgen dat maatregelen worden genomen zodra de risico's zijn geяdentificeerd en beoordeeld.
§ 2. De regering beoordeelt de niveaus van waterlekkage op het grondgebied aan de hand van een geschikte methode en de mogelijkheden om de vermindering van waterlekkage te verbeteren. Het legt de voorwaarden vast door middel van een actieplan dat een reeks maatregelen vastlegt die moeten worden genomen om deze lekken te verminderen, afhankelijk van het geval, door de leveranciers of door de beheerders van de wegen waaronder de pijpleidingen zich bevinden.
De Regering is bevoegd om het begrip waterlek te definiëren.]1
1А de kwaliteitsnormen vastleggen voor water bestemd voor menselijke consumptie in termen van parametrische, microbiologische en chemische waarden, evenals indicatorparameters voor controledoeleinden;
2А de punten bepalen waarop voldaan wordt aan de kwaliteitsnormen voor water bestemd voor menselijke consumptie;
3А de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de levering, de behandeling en de distributie van water bestemd voor menselijke consumptie onderworpen worden aan een risicogebaseerde aanpak die de hele toeleveringsketen omvat, van het stroomgebied tot het punt van naleving, met inbegrip van de onttrekking, de behandeling, de opslag en de distributie van water;
4А de nodige maatregelen nemen om de risico's te evalueren die verbonden zijn aan de waterwinningsgebieden voor de onttrekkingspunten van voor menselijke consumptie bestemd water en om die risico's te beheren;
5А de nodige maatregelen nemen om de risico's te beoordelen en te beheren die verbonden zijn aan elk leveringssysteem, met inbegrip van de onttrekking, de behandeling, de opslag en de distributie van water bestemd voor menselijke consumptie tot op het distributiepunt;
6А de parameterwaarden voor de monitoring vastleggen en de nodige maatregelen nemen om de risico's te beoordelen die verbonden zijn aan de private distributie-installaties, onder meer op prioritaire locaties die zij bepaalt, en de relevante vereisten vastleggen voor de bemonsteringspunten met het oog op de monitoring van deze parameters;
7А minimumvereisten vaststellen voor chemische behandelingsmiddelen en filtermedia die in contact komen met water bestemd voor menselijke consumptie, zodat water dat ter beschikking van de consument wordt gesteld, voldoet aan de vereisten van dit hoofdstuk;
8А de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water regelmatig wordt gecontroleerd;
9А de procedures bepalen voor corrigerende maatregelen en gebruiksbeperkingen bij niet-naleving van de kwaliteitsnormen voor water bestemd voor menselijke consumptie.
De beoordeling en het beheer van de risico's die verbonden zijn aan waterwinningsgebieden van ontrekkingspunten van voor menselijke consumptie bestemd water worden uiterlijk op 12 juli 2027 voor het eerst uitgevoerd. Deze risicobeoordeling en dit risicobeheer worden met regelmatige tussenpozen van niet meer dan zes jaar opnieuw bezien, rekening houdend met de in artikel D.168 vastgestelde vereisten, en zo nodig bijgewerkt. Deze beoordeling wordt uitgevoerd volgens de onttrekkingspunten, per grondwaterlichaam of per oppervlaktewaterlichaam in het kader van de stroomgebiedbeheerplannen waarnaar wordt verwezen in artikel D.24, Ї 3.
De Regering kan de overeenkomstig de artikelen D.17, D.17-1, D.17-2 en D.168 verzamelde informatie gebruiken om winningsgebieden voor onttrekkingspunten te karakteriseren en gevaren en gevaarlijke gebeurtenissen op te sporen. De Regering kan de monitoring die wordt uitgevoerd overeenkomstig de artikelen D.19 en D.168 of andere relevante wetgeving van de Europese Unie die zij bepaalt, gebruiken voor passende monitoring in het kader van de beoordeling van risico's in oppervlaktewater of grondwater of beide, met inbegrip van de opsporing van nieuwe stoffen die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid ten gevolge van het gebruik van voor menselijke consumptie bestemd water.
De Regering bepaalt de voorwaarden waaronder de betrokken waterleveranciers toegang kunnen krijgen tot de resultaten die zijn verkregen in het kader van de passende controle die met het oog op de risicobeoordeling wordt uitgevoerd.
De beoordeling en het beheer van de risico's die verbonden zijn aan bevoorradingssystemen worden uiterlijk op 12 januari 2029 voor het eerst uitgevoerd. Deze risicobeoordeling en dit risicobeheer worden met regelmatige tussenpozen van niet meer dan zes jaar opnieuw bezien, en zo nodig bijgewerkt.
De risicobeoordeling voor private distributie-installaties wordt uiterlijk op 12 januari 2029 voor het eerst uitgevoerd. Deze risicobeoordeling wordt elke zes jaar herzien en indien nodig bijgewerkt.
De in de leden 2 tot en met 6 genoemde termijnen beletten de Regering niet ervoor te zorgen dat maatregelen worden genomen zodra de risico's zijn geяdentificeerd en beoordeeld.
§ 2. De regering beoordeelt de niveaus van waterlekkage op het grondgebied aan de hand van een geschikte methode en de mogelijkheden om de vermindering van waterlekkage te verbeteren. Het legt de voorwaarden vast door middel van een actieplan dat een reeks maatregelen vastlegt die moeten worden genomen om deze lekken te verminderen, afhankelijk van het geval, door de leveranciers of door de beheerders van de wegen waaronder de pijpleidingen zich bevinden.
De Regering is bevoegd om het begrip waterlek te definiëren.]1
Art. D181. [1 § 1er. Sans préjudice des autres habilitations prévues à la présente section, compte tenu des objectifs formulés à l'article D.180, le Gouvernement :
1° fixe les normes de qualité des eaux destinées à la consommation humaine pour des valeurs paramétriques, microbiologiques, chimiques ainsi que, à des fins de contrôle, des paramètres indicateurs;
2° détermine les points de conformité des normes de qualité des eaux destinées à la consommation humaine;
3° prend les mesures nécessaires pour que l'approvisionnement, le traitement et la distribution des eaux destinées à la consommation humaine fassent l'objet d'une approche fondée sur les risques qui englobe toute la chaîne d'approvisionnement depuis la zone de captage jusqu'au point de conformité, en passant par le prélèvement, le traitement, le stockage et la distribution des eaux;
4° prend les mesures nécessaires pour l'évaluation des risques liés aux zones de captage pour des points de prélèvement d'eau destinée à la consommation humaine ainsi que pour la gestion de ces risques;
5° prend les mesures nécessaires pour l'évaluation et la gestion des risques liés à chaque système d'approvisionnement englobant le prélèvement, le traitement, le stockage et la distribution des eaux destinées à la consommation humaine jusqu'au point de distribution;
6° fixe des valeurs paramétriques pour la surveillance et prend les mesures nécessaires pour l'évaluation des risques liés aux installations privées de distribution, y compris dans des lieux prioritaires qu'il détermine, ainsi que fixe des exigences pertinentes pour les points d'échantillonnage en vue de la surveillance de ces paramètres;
7° fixe des exigences minimales pour les agents chimiques de traitement et les médias filtrants entrants en contact avec les eaux destinées à la consommation humaine afin que les eaux mises à disposition des consommateurs respectent les exigences du présent chapitre;
8° prend les mesures nécessaires pour faire en sorte qu'une surveillance régulière de la qualité des eaux destinées à la consommation humaine soit effectuée;
9° fixe les modalités des mesures correctrices et des restrictions d'utilisation en cas de non-conformité aux normes de qualité de l'eau destinée à la consommation humaine.
L'évaluation et la gestion des risques liés aux zones de captage pour des points de prélèvement d'eaux destinées à la consommation humaine sont effectuées pour la première fois, au plus tard, le 12 juillet 2027. Cette évaluation et cette gestion des risques font l'objet d'un réexamen à des intervalles réguliers d'une durée maximale de six ans, compte tenu des exigences prévues à l'article D.168, et sont mises à jour le cas échéant. Cette évaluation est réalisée selon les points de prélèvement, par masse d'eau souterraine ou par masse d'eau de surface dans le cadre des plans de gestion des bassins hydrographiques tels que visés à l'article D.24, § 3.
En vue d'effectuer la caractérisation des zones de captage pour des points de prélèvement et de procéder à l'identification des dangers et des évènements dangereux, le Gouvernement peut utiliser les informations recueillies conformément aux articles D.17, D.17-1, D.17-2 et D.168. Le Gouvernement peut recourir à la surveillance effectuée conformément aux articles D.19 et D.168 ou à d'autres dispositions de la législation de l'Union européenne pertinentes qu'il détermine, aux fins de la surveillance appropriée dans le cadre de l'évaluation des risques dans les eaux de surface ou dans les eaux souterraines ou dans ces deux types d'eaux, y compris pour détecter de nouvelles substances nocives pour la santé humaine du fait de l'utilisation des eaux destinées à la consommation humaine.
Le Gouvernement détermine les modalités selon lesquelles les fournisseurs d'eau concernés peuvent avoir accès aux résultats obtenus dans le cadre de la surveillance appropriée réalisée en vue de l'évaluation des risques.
L'évaluation et la gestion des risques liés au système d'approvisionnement sont effectuées pour la première fois au plus tard le 12 janvier 2029. Cette évaluation et cette gestion des risques font l'objet d'un réexamen à des intervalles réguliers d'une durée maximale de six ans, et sont mises à jour le cas échéant.
L'évaluation des risques liés aux installations privées de distribution est effectuée pour la première fois au plus tard le 12 janvier 2029. Cette évaluation des risques fait l'objet d'un réexamen tous les six ans et est mise à jour le cas échéant.
Les délais visés aux alinéas 2 à 6 n'empêchent pas le Gouvernement de faire en sorte que des mesures soient prises dès que les risques sont recensés et évalués.
§ 2. Le Gouvernement évalue les niveaux de fuite d'eau sur le territoire en utilisant une méthode appropriée et les possibilités d'amélioration de la réduction des fuites d'eau. Il en fixe les modalités au travers d'un plan d'action établissant un ensemble de mesures à prendre pour réduire ces fuites selon le cas par les fournisseurs ou par les gestionnaires de voiries sous lesquelles sont implantées des canalisations.
Le Gouvernement est habilité à définir la notion de fuite d'eau.]1
1° fixe les normes de qualité des eaux destinées à la consommation humaine pour des valeurs paramétriques, microbiologiques, chimiques ainsi que, à des fins de contrôle, des paramètres indicateurs;
2° détermine les points de conformité des normes de qualité des eaux destinées à la consommation humaine;
3° prend les mesures nécessaires pour que l'approvisionnement, le traitement et la distribution des eaux destinées à la consommation humaine fassent l'objet d'une approche fondée sur les risques qui englobe toute la chaîne d'approvisionnement depuis la zone de captage jusqu'au point de conformité, en passant par le prélèvement, le traitement, le stockage et la distribution des eaux;
4° prend les mesures nécessaires pour l'évaluation des risques liés aux zones de captage pour des points de prélèvement d'eau destinée à la consommation humaine ainsi que pour la gestion de ces risques;
5° prend les mesures nécessaires pour l'évaluation et la gestion des risques liés à chaque système d'approvisionnement englobant le prélèvement, le traitement, le stockage et la distribution des eaux destinées à la consommation humaine jusqu'au point de distribution;
6° fixe des valeurs paramétriques pour la surveillance et prend les mesures nécessaires pour l'évaluation des risques liés aux installations privées de distribution, y compris dans des lieux prioritaires qu'il détermine, ainsi que fixe des exigences pertinentes pour les points d'échantillonnage en vue de la surveillance de ces paramètres;
7° fixe des exigences minimales pour les agents chimiques de traitement et les médias filtrants entrants en contact avec les eaux destinées à la consommation humaine afin que les eaux mises à disposition des consommateurs respectent les exigences du présent chapitre;
8° prend les mesures nécessaires pour faire en sorte qu'une surveillance régulière de la qualité des eaux destinées à la consommation humaine soit effectuée;
9° fixe les modalités des mesures correctrices et des restrictions d'utilisation en cas de non-conformité aux normes de qualité de l'eau destinée à la consommation humaine.
L'évaluation et la gestion des risques liés aux zones de captage pour des points de prélèvement d'eaux destinées à la consommation humaine sont effectuées pour la première fois, au plus tard, le 12 juillet 2027. Cette évaluation et cette gestion des risques font l'objet d'un réexamen à des intervalles réguliers d'une durée maximale de six ans, compte tenu des exigences prévues à l'article D.168, et sont mises à jour le cas échéant. Cette évaluation est réalisée selon les points de prélèvement, par masse d'eau souterraine ou par masse d'eau de surface dans le cadre des plans de gestion des bassins hydrographiques tels que visés à l'article D.24, § 3.
En vue d'effectuer la caractérisation des zones de captage pour des points de prélèvement et de procéder à l'identification des dangers et des évènements dangereux, le Gouvernement peut utiliser les informations recueillies conformément aux articles D.17, D.17-1, D.17-2 et D.168. Le Gouvernement peut recourir à la surveillance effectuée conformément aux articles D.19 et D.168 ou à d'autres dispositions de la législation de l'Union européenne pertinentes qu'il détermine, aux fins de la surveillance appropriée dans le cadre de l'évaluation des risques dans les eaux de surface ou dans les eaux souterraines ou dans ces deux types d'eaux, y compris pour détecter de nouvelles substances nocives pour la santé humaine du fait de l'utilisation des eaux destinées à la consommation humaine.
Le Gouvernement détermine les modalités selon lesquelles les fournisseurs d'eau concernés peuvent avoir accès aux résultats obtenus dans le cadre de la surveillance appropriée réalisée en vue de l'évaluation des risques.
L'évaluation et la gestion des risques liés au système d'approvisionnement sont effectuées pour la première fois au plus tard le 12 janvier 2029. Cette évaluation et cette gestion des risques font l'objet d'un réexamen à des intervalles réguliers d'une durée maximale de six ans, et sont mises à jour le cas échéant.
L'évaluation des risques liés aux installations privées de distribution est effectuée pour la première fois au plus tard le 12 janvier 2029. Cette évaluation des risques fait l'objet d'un réexamen tous les six ans et est mise à jour le cas échéant.
Les délais visés aux alinéas 2 à 6 n'empêchent pas le Gouvernement de faire en sorte que des mesures soient prises dès que les risques sont recensés et évalués.
§ 2. Le Gouvernement évalue les niveaux de fuite d'eau sur le territoire en utilisant une méthode appropriée et les possibilités d'amélioration de la réduction des fuites d'eau. Il en fixe les modalités au travers d'un plan d'action établissant un ensemble de mesures à prendre pour réduire ces fuites selon le cas par les fournisseurs ou par les gestionnaires de voiries sous lesquelles sont implantées des canalisations.
Le Gouvernement est habilité à définir la notion de fuite d'eau.]1
Wijzigingen
Onderafdeling 2. - Toepassingsgebied.
Sous-section 2. - Champ d'application.
Art. D182. [1 Art. R.41-12. § 1. In de zin van deze afdeling wordt verstaan onder:
1А "door de Regering aangewezen dienst": de Directie Grondwater van de Afdeling Milieu en Water van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Rijkdommen en Leefmilieu;
2А "gevaar": een biologisch, chemisch, fysisch of radiologisch agens in het water, of een ander aspect van de toestand van het water, dat de gezondheid van de mens kan schaden.
§ 2 Deze sectie is van toepassing op al het water dat bestemd is voor menselijke consumptie, met uitzondering van :
1А natuurlijk mineraalwater dat als dusdanig erkend is overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 februari 1999 betreffende natuurlijk mineraalwater en bronwater;
2А geneeskrachtige wateren in de zin van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen voor menselijk gebruik;
3А voor menselijke consumptie bestemd water uit een individuele bron dat gemiddeld minder dan tien m3 per dag levert of dat minder dan vijftig personen levert, tenzij het wordt geleverd in het kader van een commerciыle, toeristische of openbare activiteit.
§ 2. De waterleveranciers bedoeld in paragraaf 2, 3А, zorgen ervoor dat de betrokken bevolking op de hoogte wordt gebracht van de vrijstelling bedoeld in paragraaf 2 en van elke maatregel die genomen kan worden om de menselijke gezondheid te beschermen tegen de nefaste gevolgen van verontreiniging van het voor menselijke consumptie bestemde water.
Wanneer bovendien blijkt dat de kwaliteit van dit water een potentieel gevaar vormt voor de menselijke gezondheid, geven ze de betrokken consumenten snel het gepaste advies.
§ 4. Waterleveranciers die gemiddeld minder dan tien m3 water per dag leveren of die minder dan vijftig personen bedienen in het kader van een commerciыle, toeristische of openbare activiteit, zijn eveneens onderworpen aan de verplichtingen, vermeld in artikel D.181, Ї 1, aan de bepalingen, vermeld in de artikelen D.183 en D.184, alsook aan de bepalingen, vermeld in de artikelen D.188 tot en met D.192, en aan de bepalingen krachtens deze artikelen. Zij zijn echter niet onderworpen aan de bepalingen van deze afdeling die betrekking hebben op de beoordeling en het beheer van de risico's voor de gezondheid van het water en die zijn vastgesteld krachtens artikel D.181, Ї 1, eerste lid, 3А tot en met 6А.
§ 5. In het geval van levering door een alternatieve of aanvullende bron voor het water dat wordt geleverd door een distributienetwerk, moet de eigenaar zorgen voor een volledige scheiding, zonder fysieke verbinding, van de twee leveringscircuits.]1
1А "door de Regering aangewezen dienst": de Directie Grondwater van de Afdeling Milieu en Water van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Rijkdommen en Leefmilieu;
2А "gevaar": een biologisch, chemisch, fysisch of radiologisch agens in het water, of een ander aspect van de toestand van het water, dat de gezondheid van de mens kan schaden.
§ 2 Deze sectie is van toepassing op al het water dat bestemd is voor menselijke consumptie, met uitzondering van :
1А natuurlijk mineraalwater dat als dusdanig erkend is overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 februari 1999 betreffende natuurlijk mineraalwater en bronwater;
2А geneeskrachtige wateren in de zin van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen voor menselijk gebruik;
3А voor menselijke consumptie bestemd water uit een individuele bron dat gemiddeld minder dan tien m3 per dag levert of dat minder dan vijftig personen levert, tenzij het wordt geleverd in het kader van een commerciыle, toeristische of openbare activiteit.
§ 2. De waterleveranciers bedoeld in paragraaf 2, 3А, zorgen ervoor dat de betrokken bevolking op de hoogte wordt gebracht van de vrijstelling bedoeld in paragraaf 2 en van elke maatregel die genomen kan worden om de menselijke gezondheid te beschermen tegen de nefaste gevolgen van verontreiniging van het voor menselijke consumptie bestemde water.
Wanneer bovendien blijkt dat de kwaliteit van dit water een potentieel gevaar vormt voor de menselijke gezondheid, geven ze de betrokken consumenten snel het gepaste advies.
§ 4. Waterleveranciers die gemiddeld minder dan tien m3 water per dag leveren of die minder dan vijftig personen bedienen in het kader van een commerciыle, toeristische of openbare activiteit, zijn eveneens onderworpen aan de verplichtingen, vermeld in artikel D.181, Ї 1, aan de bepalingen, vermeld in de artikelen D.183 en D.184, alsook aan de bepalingen, vermeld in de artikelen D.188 tot en met D.192, en aan de bepalingen krachtens deze artikelen. Zij zijn echter niet onderworpen aan de bepalingen van deze afdeling die betrekking hebben op de beoordeling en het beheer van de risico's voor de gezondheid van het water en die zijn vastgesteld krachtens artikel D.181, Ї 1, eerste lid, 3А tot en met 6А.
§ 5. In het geval van levering door een alternatieve of aanvullende bron voor het water dat wordt geleverd door een distributienetwerk, moet de eigenaar zorgen voor een volledige scheiding, zonder fysieke verbinding, van de twee leveringscircuits.]1
Art. D182. [1 § 1er. Au sens de la présente section, l'on entend par :
1° " service désigné par le Gouvernement " : la Direction des Eaux souterraines du Département de l'Environnement et de l'Eau du Service public de Wallonie Agriculture, Ressources naturelles et Environnement;
2° " danger " : un agent biologique, chimique, physique ou radiologique dans l'eau, ou un autre aspect de l'état de l'eau, susceptible de nuire à la santé humaine.
§ 2. La présente section s'applique à toutes les eaux destinées à la consommation humaine, à l'exception :
1° des eaux minérales naturelles reconnues comme telles conformément à l'arrêté royal du 8 février 1999 concernant les eaux minérales naturelles et les eaux de source;
2° des eaux médicinales au sens de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments à usage humain;
3° des eaux destinées à la consommation humaine provenant d'une source individuelle fournissant moins de dix m3 par jour en moyenne ou approvisionnant moins de cinquante personnes, sauf si elles sont fournies dans le cadre d'une activité commerciale, touristique ou publique.
§ 3. Les fournisseurs d'eau visés au paragraphe 2, 3°, s'assurent que la population concernée soit informée de l'exemption visée au paragraphe 2 et de toute mesure susceptible d'être prise pour protéger la santé humaine des effets néfastes de la contamination des eaux destinées à la consommation humaine.
En outre, lorsqu'il apparaît qu'il existe un danger potentiel pour la santé humaine du fait de la qualité de ces eaux, ils prodiguent rapidement aux consommateurs concernés les conseils appropriés.
§ 4. Les fournisseurs d'eau qui fournissent moins de dix m3 d'eau par jour en moyenne ou qui desservent moins de cinquante personnes, dans l'exercice d'une activité commerciale, touristique ou publique, sont en outre soumis aux obligations édictées en vertu de l'article D.181, § 1er, aux dispositions visées aux articles D.183 et D.184 ainsi qu'aux dispositions visées aux articles D.188 à D.192, et aux dispositions arrêtées en vertu de ces articles. Cependant ils ne sont pas soumis aux dispositions de la présente section qui relèvent de l'évaluation et de la gestion des risques sanitaires de l'eau et qui sont adoptées en vertu de l'article D.181, § 1er, alinéa 1er, 3° à 6°.
§ 5. En cas d'approvisionnement par une ressource alternative ou complémentaire à l'eau fournie par un réseau de distribution, le propriétaire assure une séparation complète, sans jonction physique, des deux circuits d'approvisionnement. ]1
1° " service désigné par le Gouvernement " : la Direction des Eaux souterraines du Département de l'Environnement et de l'Eau du Service public de Wallonie Agriculture, Ressources naturelles et Environnement;
2° " danger " : un agent biologique, chimique, physique ou radiologique dans l'eau, ou un autre aspect de l'état de l'eau, susceptible de nuire à la santé humaine.
§ 2. La présente section s'applique à toutes les eaux destinées à la consommation humaine, à l'exception :
1° des eaux minérales naturelles reconnues comme telles conformément à l'arrêté royal du 8 février 1999 concernant les eaux minérales naturelles et les eaux de source;
2° des eaux médicinales au sens de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments à usage humain;
3° des eaux destinées à la consommation humaine provenant d'une source individuelle fournissant moins de dix m3 par jour en moyenne ou approvisionnant moins de cinquante personnes, sauf si elles sont fournies dans le cadre d'une activité commerciale, touristique ou publique.
§ 3. Les fournisseurs d'eau visés au paragraphe 2, 3°, s'assurent que la population concernée soit informée de l'exemption visée au paragraphe 2 et de toute mesure susceptible d'être prise pour protéger la santé humaine des effets néfastes de la contamination des eaux destinées à la consommation humaine.
En outre, lorsqu'il apparaît qu'il existe un danger potentiel pour la santé humaine du fait de la qualité de ces eaux, ils prodiguent rapidement aux consommateurs concernés les conseils appropriés.
§ 4. Les fournisseurs d'eau qui fournissent moins de dix m3 d'eau par jour en moyenne ou qui desservent moins de cinquante personnes, dans l'exercice d'une activité commerciale, touristique ou publique, sont en outre soumis aux obligations édictées en vertu de l'article D.181, § 1er, aux dispositions visées aux articles D.183 et D.184 ainsi qu'aux dispositions visées aux articles D.188 à D.192, et aux dispositions arrêtées en vertu de ces articles. Cependant ils ne sont pas soumis aux dispositions de la présente section qui relèvent de l'évaluation et de la gestion des risques sanitaires de l'eau et qui sont adoptées en vertu de l'article D.181, § 1er, alinéa 1er, 3° à 6°.
§ 5. En cas d'approvisionnement par une ressource alternative ou complémentaire à l'eau fournie par un réseau de distribution, le propriétaire assure une séparation complète, sans jonction physique, des deux circuits d'approvisionnement. ]1
Wijzigingen
Onderafdeling 3. - Verplichtingen van de leverancier.
Sous-section 3. - Obligations du fournisseur.
A. Algemene verplichtingen.
A. Obligations générales.
Art. D183. [1 Ї 1. Als het water niet zuiver en proper is, mag het niet worden geleverd voor menselijke consumptie.
Onverminderd artikel D.192 wordt water bestemd voor menselijke consumptie als zuiver en proper beschouwd als aan alle volgende eisen wordt voldaan:
1А dit water geen aantal of concentratie micro-organismen, parasieten of stoffen bevat die een potentieel gevaar vormen voor de menselijke gezondheid;
2А dit water voldoet aan de door de Regering overeenkomstig artikel D.181, Ї 1, eerste lid, 1А, vastgestelde parameterwaarden voor de chemische en microbiologische parameters.
Met betrekking tot indicatorparameters worden parameterwaarden uitsluitend ingesteld voor controledoeleinden en om te voldoen aan de vereisten van artikel D.188 en D.190.
4. De regering stelt waarden vast voor aanvullende parameters die niet zijn opgenomen in de krachtens de leden 2 en 3 vastgestelde parameters, indien de bescherming van de volksgezondheid zulks vereist. De vastgestelde waarden voldoen minimaal aan de eisen van paragraaf 2, 1).
Ї 2 Onverminderd artikel D.193bis, voldoen de leveranciers aan de andere maatregelen, eisen of procedures die door de Regering krachtens artikel D.181, Ї 1, zijn vastgesteld.
Ї 3 De Regering bepaalt de procedure die moet worden gevolgd bij een incident dat de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water aantast.
Het geeft aan welke overheidsinstanties verantwoordelijk zijn voor het optreden en welke maatregelen de leveranciers minimaal moeten nemen om gevaar voor de consument te voorkomen en de gezondheid en zuiverheid van het water te herstellen.]1
Onverminderd artikel D.192 wordt water bestemd voor menselijke consumptie als zuiver en proper beschouwd als aan alle volgende eisen wordt voldaan:
1А dit water geen aantal of concentratie micro-organismen, parasieten of stoffen bevat die een potentieel gevaar vormen voor de menselijke gezondheid;
2А dit water voldoet aan de door de Regering overeenkomstig artikel D.181, Ї 1, eerste lid, 1А, vastgestelde parameterwaarden voor de chemische en microbiologische parameters.
Met betrekking tot indicatorparameters worden parameterwaarden uitsluitend ingesteld voor controledoeleinden en om te voldoen aan de vereisten van artikel D.188 en D.190.
4. De regering stelt waarden vast voor aanvullende parameters die niet zijn opgenomen in de krachtens de leden 2 en 3 vastgestelde parameters, indien de bescherming van de volksgezondheid zulks vereist. De vastgestelde waarden voldoen minimaal aan de eisen van paragraaf 2, 1).
Ї 2 Onverminderd artikel D.193bis, voldoen de leveranciers aan de andere maatregelen, eisen of procedures die door de Regering krachtens artikel D.181, Ї 1, zijn vastgesteld.
Ї 3 De Regering bepaalt de procedure die moet worden gevolgd bij een incident dat de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water aantast.
Het geeft aan welke overheidsinstanties verantwoordelijk zijn voor het optreden en welke maatregelen de leveranciers minimaal moeten nemen om gevaar voor de consument te voorkomen en de gezondheid en zuiverheid van het water te herstellen.]1
Art. D183. [1 § 1er. Lorsque la salubrité et la propreté de l'eau ne sont pas assurées, la fourniture de l'eau destinée à la consommation humaine est interdite.
Sans préjudice de l'article D.192, les eaux destinées à la consommation humaine sont considérées comme salubres et propres si toutes les exigences suivantes sont remplies :
1° ces eaux ne contiennent pas un nombre ou une concentration de micro-organismes, de parasites ou de substances constituant un danger potentiel pour la santé humaine;
2° ces eaux sont conformes aux valeurs paramétriques des paramètres chimiques et microbiologiques fixées par le Gouvernement, conformément à l'article D.181, § 1er, alinéa 1er, 1°.
En ce qui concerne les paramètres indicateurs, les valeurs paramétriques sont fixées uniquement à des fins de contrôle et en vue du respect des exigences énoncées aux articles D.188 et D.190.
Le Gouvernement fixe des valeurs pour des paramètres supplémentaires ne figurant pas dans les paramètres fixés en vertu des alinéas 2 et 3 lorsque la protection de la santé humaine l'exige. Les valeurs fixées satisfont, au minimum, aux exigences de l'alinéa 2, 1).
§ 2. Sans préjudice de l'article D.193bis, les fournisseurs se conforment aux autres mesures, exigences ou modalités arrêtées par le Gouvernement en vertu de l'article D.181, § 1er.
§ 3. Le Gouvernement détermine la procédure à suivre en cas de survenance d'événement portant atteinte à la qualité de l'eau destinée à la consommation humaine.
Il précise les autorités publiques chargées d'intervenir et les mesures minimales à prendre par les fournisseurs afin d'éviter les dangers pour les consommateurs et de permettre le rétablissement de la salubrité et de la propreté de l'eau. ]1
Sans préjudice de l'article D.192, les eaux destinées à la consommation humaine sont considérées comme salubres et propres si toutes les exigences suivantes sont remplies :
1° ces eaux ne contiennent pas un nombre ou une concentration de micro-organismes, de parasites ou de substances constituant un danger potentiel pour la santé humaine;
2° ces eaux sont conformes aux valeurs paramétriques des paramètres chimiques et microbiologiques fixées par le Gouvernement, conformément à l'article D.181, § 1er, alinéa 1er, 1°.
En ce qui concerne les paramètres indicateurs, les valeurs paramétriques sont fixées uniquement à des fins de contrôle et en vue du respect des exigences énoncées aux articles D.188 et D.190.
Le Gouvernement fixe des valeurs pour des paramètres supplémentaires ne figurant pas dans les paramètres fixés en vertu des alinéas 2 et 3 lorsque la protection de la santé humaine l'exige. Les valeurs fixées satisfont, au minimum, aux exigences de l'alinéa 2, 1).
§ 2. Sans préjudice de l'article D.193bis, les fournisseurs se conforment aux autres mesures, exigences ou modalités arrêtées par le Gouvernement en vertu de l'article D.181, § 1er.
§ 3. Le Gouvernement détermine la procédure à suivre en cas de survenance d'événement portant atteinte à la qualité de l'eau destinée à la consommation humaine.
Il précise les autorités publiques chargées d'intervenir et les mesures minimales à prendre par les fournisseurs afin d'éviter les dangers pour les consommateurs et de permettre le rétablissement de la salubrité et de la propreté de l'eau. ]1
Wijzigingen
Art. D184. [1 Ї 1. Aan de overeenkomstig artikel D.183, Ї 1, vastgestelde parameterwaarden wordt voldaan op het punt waar :
1А voor water bestemd voor menselijke consumptie geleverd door een distributienetwerk, op het punt waar, binnen gebouwen of in een inrichting, het water de kranen verlaat die normaal worden gebruikt voor water bestemd voor menselijke consumptie;
2А voor water bestemd voor menselijke consumptie geleverd uit een tankwagen of tankschip, op het punt waar het water de tankwagen of het tankschip verlaat;
3А voor water bestemd voor menselijke consumptie in flessen of verpakkingen, in geval van panne van het distributienet wegens niet-naleving van de parameterwaarden of panne van het net geregistreerd overeenkomstig artikel D.190, op het punt waar het water wordt verpakt in flessen of verpakkingen.
Ї 2. Onverminderd de risicobeheersmaatregelen met betrekking tot de private distributie-installatie op de prioritaire plaatsen bepaald door de Regering, wordt de leverancier geacht zijn verplichtingen onder de artikelen D.183, Ї 1, en D.190, Ї 2, te hebben vervuld wanneer kan worden vastgesteld dat de niet-naleving van de parameterwaarden te wijten is aan de private distributie-installatie of het onderhoud ervan.
Ї 3 Onverminderd artikel D.193bis, wanneer het risico bestaat dat het water niet voldoet aan de overeenkomstig artikel D.183, Ї 1, vastgestelde parameterwaarden, moet de leverancier :
1А passende maatregelen nemen om dit risico te verminderen of weg te nemen, door de eigenaars te adviseren over eventueel te nemen corrigerende maatregelen en, als dit risico zich uitbreidt tot het hele watervoorzieningsgebied, andere maatregelen nemen, zoals passende behandelingstechnieken, om de aard of de eigenschappen van het water te wijzigen voordat het wordt geleverd, zodat het risico dat de parameterwaarden na de levering niet worden nageleefd, wordt verminderd of weggenomen;
2А de betrokken consumenten informeren en adviseren over eventueel te nemen bijkomende corrigerende maatregelen. ]1
1А voor water bestemd voor menselijke consumptie geleverd door een distributienetwerk, op het punt waar, binnen gebouwen of in een inrichting, het water de kranen verlaat die normaal worden gebruikt voor water bestemd voor menselijke consumptie;
2А voor water bestemd voor menselijke consumptie geleverd uit een tankwagen of tankschip, op het punt waar het water de tankwagen of het tankschip verlaat;
3А voor water bestemd voor menselijke consumptie in flessen of verpakkingen, in geval van panne van het distributienet wegens niet-naleving van de parameterwaarden of panne van het net geregistreerd overeenkomstig artikel D.190, op het punt waar het water wordt verpakt in flessen of verpakkingen.
Ї 2. Onverminderd de risicobeheersmaatregelen met betrekking tot de private distributie-installatie op de prioritaire plaatsen bepaald door de Regering, wordt de leverancier geacht zijn verplichtingen onder de artikelen D.183, Ї 1, en D.190, Ї 2, te hebben vervuld wanneer kan worden vastgesteld dat de niet-naleving van de parameterwaarden te wijten is aan de private distributie-installatie of het onderhoud ervan.
Ї 3 Onverminderd artikel D.193bis, wanneer het risico bestaat dat het water niet voldoet aan de overeenkomstig artikel D.183, Ї 1, vastgestelde parameterwaarden, moet de leverancier :
1А passende maatregelen nemen om dit risico te verminderen of weg te nemen, door de eigenaars te adviseren over eventueel te nemen corrigerende maatregelen en, als dit risico zich uitbreidt tot het hele watervoorzieningsgebied, andere maatregelen nemen, zoals passende behandelingstechnieken, om de aard of de eigenschappen van het water te wijzigen voordat het wordt geleverd, zodat het risico dat de parameterwaarden na de levering niet worden nageleefd, wordt verminderd of weggenomen;
2А de betrokken consumenten informeren en adviseren over eventueel te nemen bijkomende corrigerende maatregelen. ]1
Art. D184. [1 § 1er. Les valeurs paramétriques fixées conformément à l'article D.183, § 1er, sont respectées au point où :
1° pour les eaux destinées à la consommation humaine fournies par un réseau de distribution, au point où, à l'intérieur de locaux ou d'un établissement, les eaux sortent des robinets qui sont normalement utilisés pour les eaux destinées à la consommation humaine;
2° pour les eaux destinées à la consommation humaine fournies à partir d'un camion-citerne ou d'un bateau-citerne, au point où les eaux sortent du camion-citerne ou du bateau-citerne;
3° pour les eaux destinées à la consommation humaine mises en bouteilles ou en récipients, en cas de défaillance du réseau de distribution suite à un non- respect des valeurs paramétriques ou de défaillance du réseau constatée en vertu de l'article D.190, au point où les eaux sont mises en bouteilles ou en récipients.
§ 2. Sans préjudice des mesures de gestion des risques liés à l'installation privée de distribution dans les lieux prioritaires arrêtés par le Gouvernement, le fournisseur est réputé avoir accompli ses obligations au titre des articles D.183, § 1er, et D.190, § 2, lorsqu'il peut être établi que le non-respect des valeurs paramétriques est imputable à l'installation privée de distribution ou à son entretien.
§ 3. Sans préjudice de l'article D.193bis, lorsqu'il y a un risque que les eaux ne respectent pas les valeurs paramétriques fixées conformément à l'article D.183, § 1er, le fournisseur :
1° prend des mesures appropriées pour réduire ou éliminer ce risque, en conseillant les propriétaires sur les éventuelles mesures correctrices à prendre et, si ce risque est étendu à l'ensemble d'une zone de fourniture d'eau, prend d'autres mesures, telles que des techniques de traitement appropriées, pour modifier la nature ou les propriétés des eaux avant qu'elles ne soient fournies, de manière à réduire ou à éliminer le risque de non-respect des valeurs paramétriques après la fourniture;
2° informe et conseille les consommateurs concernés au sujet d'éventuelles mesures correctrices supplémentaires à prendre. ]1
1° pour les eaux destinées à la consommation humaine fournies par un réseau de distribution, au point où, à l'intérieur de locaux ou d'un établissement, les eaux sortent des robinets qui sont normalement utilisés pour les eaux destinées à la consommation humaine;
2° pour les eaux destinées à la consommation humaine fournies à partir d'un camion-citerne ou d'un bateau-citerne, au point où les eaux sortent du camion-citerne ou du bateau-citerne;
3° pour les eaux destinées à la consommation humaine mises en bouteilles ou en récipients, en cas de défaillance du réseau de distribution suite à un non- respect des valeurs paramétriques ou de défaillance du réseau constatée en vertu de l'article D.190, au point où les eaux sont mises en bouteilles ou en récipients.
§ 2. Sans préjudice des mesures de gestion des risques liés à l'installation privée de distribution dans les lieux prioritaires arrêtés par le Gouvernement, le fournisseur est réputé avoir accompli ses obligations au titre des articles D.183, § 1er, et D.190, § 2, lorsqu'il peut être établi que le non-respect des valeurs paramétriques est imputable à l'installation privée de distribution ou à son entretien.
§ 3. Sans préjudice de l'article D.193bis, lorsqu'il y a un risque que les eaux ne respectent pas les valeurs paramétriques fixées conformément à l'article D.183, § 1er, le fournisseur :
1° prend des mesures appropriées pour réduire ou éliminer ce risque, en conseillant les propriétaires sur les éventuelles mesures correctrices à prendre et, si ce risque est étendu à l'ensemble d'une zone de fourniture d'eau, prend d'autres mesures, telles que des techniques de traitement appropriées, pour modifier la nature ou les propriétés des eaux avant qu'elles ne soient fournies, de manière à réduire ou à éliminer le risque de non-respect des valeurs paramétriques après la fourniture;
2° informe et conseille les consommateurs concernés au sujet d'éventuelles mesures correctrices supplémentaires à prendre. ]1
Wijzigingen
Art. D185. [1 Leveranciers nemen, in overeenstemming met de door de overheid vastgestelde procedures, deel aan de beoordeling van de risico's die verbonden zijn aan de winningsgebieden voor ontrekkingspunten waar voor menselijke consumptie bestemd water uit hun bevoorradingssysteem wordt betrokken.
Waterleveranciers die, overeenkomstig artikel D.19, de monitoring uitvoeren in winningsgebieden voor onttrekkingspunten, of in ruw water, delen aan de door de Regering aangeduide dienst de resultaten mee met betrekking tot de parameters, stoffen of verontreinigende stoffen die worden gemonitord, alsook alle ongewone aantallen of concentraties die voor deze parameters, stoffen of verontreinigende stoffen worden vastgesteld.]1
Waterleveranciers die, overeenkomstig artikel D.19, de monitoring uitvoeren in winningsgebieden voor onttrekkingspunten, of in ruw water, delen aan de door de Regering aangeduide dienst de resultaten mee met betrekking tot de parameters, stoffen of verontreinigende stoffen die worden gemonitord, alsook alle ongewone aantallen of concentraties die voor deze parameters, stoffen of verontreinigende stoffen worden vastgesteld.]1
Art. D185. [1 Les fournisseurs participent selon les modalités déterminées par le Gouvernement à l'évaluation des risques liés aux zones de captage pour des points de prélèvement d'eaux destinées à la consommation humaine qui relèvent de leur système d'approvisionnement.
Les fournisseurs d'eau qui, en vertu de l'article D.19, effectuent l'opération de surveillance dans les zones de captage pour des points de prélèvement, ou dans les eaux brutes, communiquent au service désigné par le Gouvernement, les résultats relatifs aux paramètres, substances ou polluants faisant l'objet de la surveillance, ainsi que les nombres ou concentrations inhabituels relevés pour ces paramètres, substances ou polluants. ]1
Les fournisseurs d'eau qui, en vertu de l'article D.19, effectuent l'opération de surveillance dans les zones de captage pour des points de prélèvement, ou dans les eaux brutes, communiquent au service désigné par le Gouvernement, les résultats relatifs aux paramètres, substances ou polluants faisant l'objet de la surveillance, ainsi que les nombres ou concentrations inhabituels relevés pour ces paramètres, substances ou polluants. ]1
Wijzigingen
Art. D186. [1 De leverancier beoordeelt en beheert de risico's die verbonden zijn aan zijn leveringssysteem, in overeenstemming met de door de Regering vastgestelde procedures.
Waterleveranciers die geen distributeur zijn en die gemiddeld tussen tien m3 en honderd m3 per dag leveren of die tussen vijftig en vijfhonderd personen bevoorraden, zijn vrijgesteld van de verplichting om de risico's verbonden aan het bevoorradingssysteem te evalueren en te beheren, op voorwaarde dat de Regering de criteria vastlegt voor het bepalen van de voorwaarden waaronder deze vrijstelling de kwaliteit van het voor menselijke consumptie bestemde water niet in gevaar mag brengen. In het geval van een dergelijke vrijstelling voeren vrijgestelde waterleveranciers regelmatige controles uit overeenkomstig artikel D.188.
Als de leverancier niet over alle informatie beschikt die nodig is om een risicobeoordeling van zijn toeleveringssysteem uit te voeren, verzamelt hij deze informatie bij zijn onderaannemers. Evenzo controleert hij, wanneer bij de beoordeling risico's voor het bevoorradingssysteem in onderaanneming worden vastgesteld, of zijn onderaannemers de nodige risicobeheersmaatregelen toepassen die met het oog op de toepassing van dit artikel door de bevoegde autoriteit zijn vastgesteld.]1
Waterleveranciers die geen distributeur zijn en die gemiddeld tussen tien m3 en honderd m3 per dag leveren of die tussen vijftig en vijfhonderd personen bevoorraden, zijn vrijgesteld van de verplichting om de risico's verbonden aan het bevoorradingssysteem te evalueren en te beheren, op voorwaarde dat de Regering de criteria vastlegt voor het bepalen van de voorwaarden waaronder deze vrijstelling de kwaliteit van het voor menselijke consumptie bestemde water niet in gevaar mag brengen. In het geval van een dergelijke vrijstelling voeren vrijgestelde waterleveranciers regelmatige controles uit overeenkomstig artikel D.188.
Als de leverancier niet over alle informatie beschikt die nodig is om een risicobeoordeling van zijn toeleveringssysteem uit te voeren, verzamelt hij deze informatie bij zijn onderaannemers. Evenzo controleert hij, wanneer bij de beoordeling risico's voor het bevoorradingssysteem in onderaanneming worden vastgesteld, of zijn onderaannemers de nodige risicobeheersmaatregelen toepassen die met het oog op de toepassing van dit artikel door de bevoegde autoriteit zijn vastgesteld.]1
Art. D186. [1 Le fournisseur évalue et gère les risques liés à son système d'approvisionnement, conformément aux modalités fixées par le Gouvernement.
Sont exemptés de l'exigence de procéder à l'évaluation et à la gestion des risques liés au système d'approvisionnement, les fournisseurs d'eau qui ne sont pas distributeurs et qui fournissent en moyenne entre dix m3 et cent m3 par jour ou qui approvisionnent entre cinquante et cinq cents personnes, à condition que le Gouvernement arrête les critères permettant d'établir les conditions dans lesquelles cette exemption peut ne pas compromettre la qualité des eaux destinées à la consommation humaine. Dans le cas d'une telle exemption, les fournisseurs d'eau exemptés effectuent une surveillance régulière conformément à l'article D.188.
Lorsque le fournisseur ne détient pas l'entièreté des informations nécessaires en vue de procéder à l'évaluation des risques de son système d'approvisionnement, il recueille ces informations auprès de ses sous-traitants. De même, lorsque des risques du système d'approvisionnement liés à la sous-traitance sont mis en évidence lors de l'évaluation, il vérifie que ses sous- traitants mettent en oeuvre les mesures de gestion des risques nécessaires adoptées par l'autorité compétente aux fins du présent article. ]1
Sont exemptés de l'exigence de procéder à l'évaluation et à la gestion des risques liés au système d'approvisionnement, les fournisseurs d'eau qui ne sont pas distributeurs et qui fournissent en moyenne entre dix m3 et cent m3 par jour ou qui approvisionnent entre cinquante et cinq cents personnes, à condition que le Gouvernement arrête les critères permettant d'établir les conditions dans lesquelles cette exemption peut ne pas compromettre la qualité des eaux destinées à la consommation humaine. Dans le cas d'une telle exemption, les fournisseurs d'eau exemptés effectuent une surveillance régulière conformément à l'article D.188.
Lorsque le fournisseur ne détient pas l'entièreté des informations nécessaires en vue de procéder à l'évaluation des risques de son système d'approvisionnement, il recueille ces informations auprès de ses sous-traitants. De même, lorsque des risques du système d'approvisionnement liés à la sous-traitance sont mis en évidence lors de l'évaluation, il vérifie que ses sous- traitants mettent en oeuvre les mesures de gestion des risques nécessaires adoptées par l'autorité compétente aux fins du présent article. ]1
Wijzigingen
Art. D187. [1 De Regering bepaalt de lijst en de maximumdoses van stoffen die zijn toegestaan voor de bereiding of distributie van voor menselijke consumptie bestemd water.
Voor contact met drinkwater zijn alleen materialen toegestaan die worden gebruikt voor de distributie van drinkwater of voor water bestemd voor menselijke consumptie en die op de markt mogen worden gebracht, tenzij de specifieke kwaliteit van het lokale ruwe water vereist dat de Regering strengere beschermingsmaatregelen oplegt voor het gebruik van eindmaterialen in specifieke en naar behoren gemotiveerde omstandigheden.
De leverancier neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat stoffen of materialen die worden gebruikt in nieuwe installaties en bij de versterking of herstelling van bestaande installaties en die worden gebruikt bij de bereiding of distributie van voor menselijke consumptie bestemd water, alsook onzuiverheden die in verband worden gebracht met dergelijke stoffen of materialen die in nieuwe installaties worden gebruikt, niet aanwezig zijn in voor menselijke consumptie bestemd water in een concentratie die hoger is dan nodig is om het doel te bereiken waarvoor zij worden gebruikt en dat zij niet direct of indirect de bescherming van de volksgezondheid, zoals bepaald in deze afdeling, verminderen. Bovendien veranderen ze de kleur, geur en smaak van het water niet en stimuleren ze de ontwikkeling van microbiыle flora niet.
Hetzelfde geldt voor chemische behandelingsmiddelen en filtermedia die in contact komen met water bestemd voor menselijke consumptie.]1
Voor contact met drinkwater zijn alleen materialen toegestaan die worden gebruikt voor de distributie van drinkwater of voor water bestemd voor menselijke consumptie en die op de markt mogen worden gebracht, tenzij de specifieke kwaliteit van het lokale ruwe water vereist dat de Regering strengere beschermingsmaatregelen oplegt voor het gebruik van eindmaterialen in specifieke en naar behoren gemotiveerde omstandigheden.
De leverancier neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat stoffen of materialen die worden gebruikt in nieuwe installaties en bij de versterking of herstelling van bestaande installaties en die worden gebruikt bij de bereiding of distributie van voor menselijke consumptie bestemd water, alsook onzuiverheden die in verband worden gebracht met dergelijke stoffen of materialen die in nieuwe installaties worden gebruikt, niet aanwezig zijn in voor menselijke consumptie bestemd water in een concentratie die hoger is dan nodig is om het doel te bereiken waarvoor zij worden gebruikt en dat zij niet direct of indirect de bescherming van de volksgezondheid, zoals bepaald in deze afdeling, verminderen. Bovendien veranderen ze de kleur, geur en smaak van het water niet en stimuleren ze de ontwikkeling van microbiыle flora niet.
Hetzelfde geldt voor chemische behandelingsmiddelen en filtermedia die in contact komen met water bestemd voor menselijke consumptie.]1
Art. D187. [1 Le Gouvernement arrête la liste et les doses maximales des substances autorisées pour la préparation ou la distribution des eaux destinées à la consommation humaine.
Pour le contact avec l'eau potable, seuls sont autorisés des matériaux utilisés pour la distribution d'eau potable ou pour l'eau destinée à la consommation humaine dont la mise sur le marché est autorisée à moins que la qualité spécifique des eaux brutes locales impose au Gouvernement d'imposer des mesures de protection plus rigoureuses pour l'utilisation des matériaux finaux dans des circonstances spécifiques et dûment justifiées.
Le fournisseur prend toutes les mesures nécessaires pour que les substances ou les matériaux servant à de nouvelles installations et au renforcement ou à la réparation d'installations existantes, et utilisés pour la préparation ou la distribution des eaux destinées à la consommation humaine, ainsi que les impuretés associées à ces substances ou matériaux servant à de nouvelles installations, ne soient pas présents dans les eaux destinées à la consommation humaine à un niveau de concentration supérieur au niveau nécessaire pour atteindre le but dans lequel ils sont utilisés et qu'ils ne réduisent pas directement ou indirectement la protection de la santé des personnes prévue dans la présente section. En outre, ils n'altèrent pas la couleur, ni l'odeur ou la saveur de l'eau et ne favorisent pas le développement de la flore microbienne.
Il en va de même pour les agents chimiques de traitement et les médias filtrants entrant en contact avec les eaux destinées à la consommation humaine.]1
Pour le contact avec l'eau potable, seuls sont autorisés des matériaux utilisés pour la distribution d'eau potable ou pour l'eau destinée à la consommation humaine dont la mise sur le marché est autorisée à moins que la qualité spécifique des eaux brutes locales impose au Gouvernement d'imposer des mesures de protection plus rigoureuses pour l'utilisation des matériaux finaux dans des circonstances spécifiques et dûment justifiées.
Le fournisseur prend toutes les mesures nécessaires pour que les substances ou les matériaux servant à de nouvelles installations et au renforcement ou à la réparation d'installations existantes, et utilisés pour la préparation ou la distribution des eaux destinées à la consommation humaine, ainsi que les impuretés associées à ces substances ou matériaux servant à de nouvelles installations, ne soient pas présents dans les eaux destinées à la consommation humaine à un niveau de concentration supérieur au niveau nécessaire pour atteindre le but dans lequel ils sont utilisés et qu'ils ne réduisent pas directement ou indirectement la protection de la santé des personnes prévue dans la présente section. En outre, ils n'altèrent pas la couleur, ni l'odeur ou la saveur de l'eau et ne favorisent pas le développement de la flore microbienne.
Il en va de même pour les agents chimiques de traitement et les médias filtrants entrant en contact avec les eaux destinées à la consommation humaine.]1
Wijzigingen
B. Controle.
B. Contrôle.
Art. D188. § 1. Om na te gaan of het voor menselijke consumptie bestemd water aan de vereisten van deze afdeling en, meer bepaald, aan de [1 overeenkomstig artikel D.183, § 1]1 vastgelegde parameterwaarden voldoet, wordt een jaarlijks controleprogramma door de leverancier opgemaakt en uitgevoerd.
Hij maakt het jaarlijkse programma over [1 aan de door de Regering aangewezen dienst]1.
Hij neemt monsters die representatief zijn voor de kwaliteit van het gedurende het jaar verbruikte water.
Als het voor menselijke consumptie bestemde water bij de bereiding of distributie gedesinfecteerd wordt, controleert de leverancier of de desinfectiebehandeling doeltreffend is en vergewist hij zich ervan dat besmetting door subproducten van de desinfectie tot een minimum wordt herleid, zonder de desinfectie in het gedrang te brengen.
§ 2. De Regering bepaalt de modaliteiten betreffende de jaarlijkse controleprogramma's bedoeld in § 1, alsmede de plaatsen van monsterneming en de informatieverstrekking. Zij bepaalt met name de te analyseren parameters en de minimale frequenties van de monsternemingen en analyses.
[1 Onverminderd artikel D.187, lid 2, worden deze controleprogramma's toegespitst op de bevoorrading, en houden ze rekening met de resultaten van de risicobeoordeling voor de waterwinningspunten en verband houdend met de bevoorradingssytemen. Op grond van de krachtens artikel D.181, Ї 1, lid 2, ingewonnen informatie en de krachtens artikel D.185, lid 2, ingewonnen informatie kan de Regering, onder beperkte voorwaarden:
1А de leveranciers de uitvoering van een toezicht of een bijkomende behandeling voor sommige parameters opleggen;
2А leveranciers toestaan de frequentie van het toezicht op een parameter te verlagen of een parameter te schrappen van de lijst van de parameters onder toezicht, zonder een risicobeoordeling van het leveringssysteem uit te voeren. Wanneer een waterleverancier gemachtigd is om de frequentie van het toezicht op een parameter te verlagen of een parameter te schrappen uit de lijst van parameters die onder toezicht staan, vergewist de Regering zich ervan dat er een gepast toezicht op deze parameters plaatsvindt wanneer de beoordeling en het beheer van risico's in verband met de winningsgebieden herbekeken worden voor de winningspunten bedoeld onder artikel D.181, Ї 1, lid 2. ]1
§ 3. De analyses worden toevertrouwd aan een laboratorium erkend krachtens de federale wetgeving betreffende de erkenning van certificerings- en controle-instellingen alsmede proeflaboratoria, dat op zijn minst beschikt over een systeem van analytische kwaliteitscontrole.
De monsternemingen worden uitgevoerd door daartoe erkende instellingen.
De Regering bepaalt de modaliteiten voor de analyse van de parameters en voor de monsterneming.
§ 4. De leverancier laat, overeenkomstig de procedure bedoeld [1 in artikel D.183, § 3]1, een aanvullende controle uitvoeren door een erkend laboratorium indien er redenen zijn om aan te nemen dat het water stoffen of micro-organismen bevat waarvoor geen parameterwaarden [1 overeenkomstig artikel D.183, § 1]1 zijn vastgelegd en waarvan de hoeveelheid of het aantal gevaar voor de menselijke gezondheid kan inhouden.
[1 § 5. Op grond van de aandachtstoffenlijst vastgesteld door de Europese Commissie krachtens richtlijn (EU) 2020/2184 of van wetenschappelijke studies uitgevoerd onder de leiding van de Europese Unie of van het Waals Gewest kan de Regering de leveranciers controles opleggen met betrekking tot stoffen of samenstellingen die een gezondheidsbekommernis voor de burgers of voor de wetenschappelijke milieus vormen, bijvoorbeeld de farmaceutische producten, de samenstellingen die het endocrinisch systeem verstoren of de microplastics. Daartoe wordt een aandachtsstoffenlijst vastgesteld.
Op grond van wetenschappelijke studies zoals bedoeld in paragraaf 1 waaruit een aangetoond risico voor de menselijke gezondheid bestaat wegens de aanwezigheid van stoffen of samenstellingen in water bestemd voor menselijke consumptie, kan zij eveneens de leveranciers ertoe verplichten om na te gaan of de behandeling passend is om de indicatieve waarde te bereiken of desnoods om de behandeling te verbeteren. Zij zorgt ervoor dat controles worden uitgevoerd op relevante punten in de leveringsketen voor water dat bestemd is voor menselijke consumptie. ]1
Hij maakt het jaarlijkse programma over [1 aan de door de Regering aangewezen dienst]1.
Hij neemt monsters die representatief zijn voor de kwaliteit van het gedurende het jaar verbruikte water.
Als het voor menselijke consumptie bestemde water bij de bereiding of distributie gedesinfecteerd wordt, controleert de leverancier of de desinfectiebehandeling doeltreffend is en vergewist hij zich ervan dat besmetting door subproducten van de desinfectie tot een minimum wordt herleid, zonder de desinfectie in het gedrang te brengen.
§ 2. De Regering bepaalt de modaliteiten betreffende de jaarlijkse controleprogramma's bedoeld in § 1, alsmede de plaatsen van monsterneming en de informatieverstrekking. Zij bepaalt met name de te analyseren parameters en de minimale frequenties van de monsternemingen en analyses.
[1 Onverminderd artikel D.187, lid 2, worden deze controleprogramma's toegespitst op de bevoorrading, en houden ze rekening met de resultaten van de risicobeoordeling voor de waterwinningspunten en verband houdend met de bevoorradingssytemen. Op grond van de krachtens artikel D.181, Ї 1, lid 2, ingewonnen informatie en de krachtens artikel D.185, lid 2, ingewonnen informatie kan de Regering, onder beperkte voorwaarden:
1А de leveranciers de uitvoering van een toezicht of een bijkomende behandeling voor sommige parameters opleggen;
2А leveranciers toestaan de frequentie van het toezicht op een parameter te verlagen of een parameter te schrappen van de lijst van de parameters onder toezicht, zonder een risicobeoordeling van het leveringssysteem uit te voeren. Wanneer een waterleverancier gemachtigd is om de frequentie van het toezicht op een parameter te verlagen of een parameter te schrappen uit de lijst van parameters die onder toezicht staan, vergewist de Regering zich ervan dat er een gepast toezicht op deze parameters plaatsvindt wanneer de beoordeling en het beheer van risico's in verband met de winningsgebieden herbekeken worden voor de winningspunten bedoeld onder artikel D.181, Ї 1, lid 2. ]1
§ 3. De analyses worden toevertrouwd aan een laboratorium erkend krachtens de federale wetgeving betreffende de erkenning van certificerings- en controle-instellingen alsmede proeflaboratoria, dat op zijn minst beschikt over een systeem van analytische kwaliteitscontrole.
De monsternemingen worden uitgevoerd door daartoe erkende instellingen.
De Regering bepaalt de modaliteiten voor de analyse van de parameters en voor de monsterneming.
§ 4. De leverancier laat, overeenkomstig de procedure bedoeld [1 in artikel D.183, § 3]1, een aanvullende controle uitvoeren door een erkend laboratorium indien er redenen zijn om aan te nemen dat het water stoffen of micro-organismen bevat waarvoor geen parameterwaarden [1 overeenkomstig artikel D.183, § 1]1 zijn vastgelegd en waarvan de hoeveelheid of het aantal gevaar voor de menselijke gezondheid kan inhouden.
[1 § 5. Op grond van de aandachtstoffenlijst vastgesteld door de Europese Commissie krachtens richtlijn (EU) 2020/2184 of van wetenschappelijke studies uitgevoerd onder de leiding van de Europese Unie of van het Waals Gewest kan de Regering de leveranciers controles opleggen met betrekking tot stoffen of samenstellingen die een gezondheidsbekommernis voor de burgers of voor de wetenschappelijke milieus vormen, bijvoorbeeld de farmaceutische producten, de samenstellingen die het endocrinisch systeem verstoren of de microplastics. Daartoe wordt een aandachtsstoffenlijst vastgesteld.
Op grond van wetenschappelijke studies zoals bedoeld in paragraaf 1 waaruit een aangetoond risico voor de menselijke gezondheid bestaat wegens de aanwezigheid van stoffen of samenstellingen in water bestemd voor menselijke consumptie, kan zij eveneens de leveranciers ertoe verplichten om na te gaan of de behandeling passend is om de indicatieve waarde te bereiken of desnoods om de behandeling te verbeteren. Zij zorgt ervoor dat controles worden uitgevoerd op relevante punten in de leveringsketen voor water dat bestemd is voor menselijke consumptie. ]1
Art. D188. § 1er. Le fournisseur établit et met en oeuvre un programme annuel de contrôle permettant de vérifier régulièrement que les eaux destinées à la consommation humaine répondent aux exigences de la présente section, et notamment aux valeurs paramétriques fixées conformément [1 à l'article D.183, § 1er]1.
Il communique le programme annuel [1 au service désigné par le Gouvernement]1.
Le fournisseur prélève des échantillons représentatifs de la qualité des eaux consommées tout au long de l'année.
Lorsque la préparation ou la distribution des eaux destinées à la consommation humaine comprend un traitement de désinfection, le fournisseur contrôle l'efficacité du traitement appliqué et s'assure que toute contamination par les sous-produits de la désinfection sera maintenue au niveau le plus bas possible sans compromettre la désinfection.
§ 2. Le Gouvernement fixe les modalités des programmes annuels de contrôle visés au paragraphe 1er, ainsi que les points d'échantillonnage et de la communication des informations. Il détermine notamment les paramètres à analyser et les fréquences minimales des échantillonnages et des analyses.
[1 Sans préjudice de l'article D.187, alinéa 2, ces programmes de contrôle sont axés sur l'approvisionnement, et tiennent compte des résultats de l'évaluation des risques liés aux zones de captage pour des points de prélèvement et liés aux systèmes d'approvisionnement Sur base des informations recueillies en vertu de l'article D.181, § 1er, alinéa 2, et des informations recueillies en vertu de l'article D.185, alinéa 2, le Gouvernement peut, dans des conditions limitées :
1° imposer aux fournisseurs d'effectuer une surveillance ou un traitement supplémentaire pour certains paramètres;
2° permettre aux fournisseurs de réduire la fréquence de surveillance d'un paramètre, ou de retirer un paramètre de la liste des paramètres devant faire l'objet d'une surveillance sans qu'il n'effectue une évaluation des risques liés au système d'approvisionnement. Lorsqu'un fournisseur d'eau est autorisé à réduire la fréquence de la surveillance d'un paramètre ou à retirer un paramètre de la liste des paramètres devant faire l'objet d'une surveillance, le Gouvernement s'assure qu'une surveillance appropriée de ces paramètres est effectuée lorsqu'il est procédé au réexamen de l'évaluation et de la gestion des risques liés aux zones de captage pour des points de prélèvement visée à l'article D.181, § 1er, alinéa 2. ]1
§ 3. Les analyses sont confiées à un laboratoire accrédité en vertu de la législation fédérale relative à l'accréditation des organismes de certification et de contrôle, ainsi que des laboratoires d'essais, qui dispose au minimum d'un système de contrôle de qualité analytique.
Les prélèvements d'échantillons sont effectués par des organismes accrédités pour cette activité.
Le Gouvernement détermine les spécifications pour l'analyse des paramètres et pour le prélèvement des échantillons.
§ 4. S'il y a des raisons de soupçonner que des substances et micro-organismes pour lesquels aucune valeur paramétrique n'a été fixée conformément [1 à l'article D.183, § 1er,]1 puissent être présents en quantité ou en nombre constituant un danger potentiel pour la santé des personnes, le fournisseur fait effectuer, par un laboratoire accrédité, un contrôle supplémentaire conformément à la procédure précisée [1 à l'article D.183, § 3]1.
[1 § 5. Sur base de la liste de vigilance établie par la Commission européenne en vertu de la directive (UE) 2020/2184 ou d'études scientifiques réalisées sous l'égide de l'Union européenne ou de la Région wallonne, le Gouvernement peut imposer aux fournisseurs des contrôles portant sur des substances ou composés qui constituent un sujet de préoccupation sanitaire pour les citoyens ou les milieux scientifiques, par exemple les produits pharmaceutiques, les composés perturbant le système endocrinien et les microplastiques. A cette fin, il établit une liste de vigilance.
Sur base d'études scientifiques telles que visées dans le premier paragraphe démontrant un risque avéré pour la santé humaine de la présence de substances ou composés dans les eaux destinées à la consommation humaine, il peut également imposer aux fournisseurs qu'ils vérifient si le traitement est adéquat pour atteindre la valeur indicative ou, au besoin, qu'ils améliorent le traitement. Il vérifie que les contrôles soient réalisés dans des points pertinents de la chaîne d'approvisionnement des eaux destinées à la consommation humaine.]1
Il communique le programme annuel [1 au service désigné par le Gouvernement]1.
Le fournisseur prélève des échantillons représentatifs de la qualité des eaux consommées tout au long de l'année.
Lorsque la préparation ou la distribution des eaux destinées à la consommation humaine comprend un traitement de désinfection, le fournisseur contrôle l'efficacité du traitement appliqué et s'assure que toute contamination par les sous-produits de la désinfection sera maintenue au niveau le plus bas possible sans compromettre la désinfection.
§ 2. Le Gouvernement fixe les modalités des programmes annuels de contrôle visés au paragraphe 1er, ainsi que les points d'échantillonnage et de la communication des informations. Il détermine notamment les paramètres à analyser et les fréquences minimales des échantillonnages et des analyses.
[1 Sans préjudice de l'article D.187, alinéa 2, ces programmes de contrôle sont axés sur l'approvisionnement, et tiennent compte des résultats de l'évaluation des risques liés aux zones de captage pour des points de prélèvement et liés aux systèmes d'approvisionnement Sur base des informations recueillies en vertu de l'article D.181, § 1er, alinéa 2, et des informations recueillies en vertu de l'article D.185, alinéa 2, le Gouvernement peut, dans des conditions limitées :
1° imposer aux fournisseurs d'effectuer une surveillance ou un traitement supplémentaire pour certains paramètres;
2° permettre aux fournisseurs de réduire la fréquence de surveillance d'un paramètre, ou de retirer un paramètre de la liste des paramètres devant faire l'objet d'une surveillance sans qu'il n'effectue une évaluation des risques liés au système d'approvisionnement. Lorsqu'un fournisseur d'eau est autorisé à réduire la fréquence de la surveillance d'un paramètre ou à retirer un paramètre de la liste des paramètres devant faire l'objet d'une surveillance, le Gouvernement s'assure qu'une surveillance appropriée de ces paramètres est effectuée lorsqu'il est procédé au réexamen de l'évaluation et de la gestion des risques liés aux zones de captage pour des points de prélèvement visée à l'article D.181, § 1er, alinéa 2. ]1
§ 3. Les analyses sont confiées à un laboratoire accrédité en vertu de la législation fédérale relative à l'accréditation des organismes de certification et de contrôle, ainsi que des laboratoires d'essais, qui dispose au minimum d'un système de contrôle de qualité analytique.
Les prélèvements d'échantillons sont effectués par des organismes accrédités pour cette activité.
Le Gouvernement détermine les spécifications pour l'analyse des paramètres et pour le prélèvement des échantillons.
§ 4. S'il y a des raisons de soupçonner que des substances et micro-organismes pour lesquels aucune valeur paramétrique n'a été fixée conformément [1 à l'article D.183, § 1er,]1 puissent être présents en quantité ou en nombre constituant un danger potentiel pour la santé des personnes, le fournisseur fait effectuer, par un laboratoire accrédité, un contrôle supplémentaire conformément à la procédure précisée [1 à l'article D.183, § 3]1.
[1 § 5. Sur base de la liste de vigilance établie par la Commission européenne en vertu de la directive (UE) 2020/2184 ou d'études scientifiques réalisées sous l'égide de l'Union européenne ou de la Région wallonne, le Gouvernement peut imposer aux fournisseurs des contrôles portant sur des substances ou composés qui constituent un sujet de préoccupation sanitaire pour les citoyens ou les milieux scientifiques, par exemple les produits pharmaceutiques, les composés perturbant le système endocrinien et les microplastiques. A cette fin, il établit une liste de vigilance.
Sur base d'études scientifiques telles que visées dans le premier paragraphe démontrant un risque avéré pour la santé humaine de la présence de substances ou composés dans les eaux destinées à la consommation humaine, il peut également imposer aux fournisseurs qu'ils vérifient si le traitement est adéquat pour atteindre la valeur indicative ou, au besoin, qu'ils améliorent le traitement. Il vérifie que les contrôles soient réalisés dans des points pertinents de la chaîne d'approvisionnement des eaux destinées à la consommation humaine.]1
Wijzigingen
Art. D189. Met inachtneming van de principes betreffende de bescherming van het privé-leven en na de bewoners 48 uur op voorhand schriftelijk te hebben verwittigd, krijgen de aangestelden van de leverancier, op vertoon van een dienstkaart en van hun identiteitskaart, alsmede de controle-instellingen tussen 8 en 20 uur in het bijzijn van de bewoners of hun vertegenwoordiger vlot en veilig toegang tot de aansluiting en de privé-installatie voor waterdistributie om alle handelingen i.v.m. de controle van de waterkwaliteit uit te voeren.
Art. D189. Dans le respect des principes de protection de la vie privée et après en avoir informé les occupants par écrit dans les quarante-huit heures qui précèdent, les préposés du fournisseur porteurs d'une carte de service et munis de leur carte d'identité et les organismes de contrôle peuvent, en présence des occupants ou de leur représentant, accéder entre huit heures et vingt heures, aisément et sans danger, au raccordement et à l'installation privée de distribution pour procéder à toutes opérations visant à contrôler la qualité de l'eau.
C. Herstelmaatregelen en gebruiksbeperkingen.
C. Mesures correctrices et restrictions d'utilisation.
Art. D190. § 1. [1 Onder voorbehoud van artikel D.184, § 2]1, geeft de leverancier [1 de door de Regering aangewezen dienst]1, onmiddellijk kennis van de niet-inachtneming van de [1 overeenkomstig artikel D.183, § 1,]1 vastgelegde parameterwaarden en voert een onderzoek naar de oorzaak daarvan. Laatstgenoemde gaat na of de niet-inachtneming gevaar voor de menselijke gezondheid inhoudt. Als dat het geval is, maakt het zijn conclusies, zodra die gekend zijn, over aan de leverancier en aan de burgemeester(s) van de betrokken gemeente(n).
§ 2. De leverancier neemt zo spoedig mogelijk de nodige herstelmaatregelen om de waterkwaliteit weer op peil te brengen. Hij geeft voorrang aan de toepassing ervan, gelet met name op de mate waarin de relevante parameterwaarde is overschreden en op het mogelijke gevaar voor de menselijke gezondheid.
Als [1 de door de Regering aangewezen dienst]1, overeenkomstig § 1 een [1 gevaar]1 voor de menselijke gezondheid heeft vastgesteld, wordt het in kennis gesteld van elke maatregel die de leverancier treft, en van de evolutie van de toestand.
Als eerstgenoemde van mening is dat de niet-naleving van de parameterwaarden gevaar inhoudt voor de menselijke gezondheid, informeert de leverancier de verbruikers onmiddellijk over de toestand [1 , het potentiële gevaar voor de menselijke gezondheid, de oorzaak daarvan, de overschrijding van de parameterwaarde]1 en geeft hij hen in voorkomend geval kennis van de genomen of te nemen herstelmaatregelen.
§ 3. Als het voor menselijke consumptie bestemde water potentieel gevaar voor de menselijke gezondheid inhoudt, onderbreekt de leverancier de distributie ervan, beperkt hij het gebruik ervan of treft hij de nodige maatregelen om de menselijke gezondheid te beschermen, ongeacht het feit of de [1 overeenkomstig artikel D.183, § 1]1 vastgelegde parameterwaarden in acht genomen werden.
[1 In dat geval informeert hij onmiddellijk de consumenten en verstrekt hen de nodige raad over de consumptie- en gebruiksvoorwaarden van water, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de bevolkingsgroepen waarvoor het gezondheidsrisico in verband met water het hoogst is en werkt hij deze raad regelmatig bij. Hij licht de consumenten in als eenmaal is vastgesteld dat ieder potentieel gevaar voor de menselijke gezondheid geweken is en licht hij ze erover in dat de dienstverlening weer normaal is geworden. ]1
De leverancier beslist welke maatregelen genomen moeten worden rekening houdende met de risico's die een onderbreking van de distributie of een gebruiksbeperking van het voor menselijke consumptie bestemde water inhouden voor de menselijke gezondheid. Zijn beslissing wordt onmiddellijk voor informatie en eventueel advies aan [1 de door de Regering aangewezen dienst]1 overgemaakt.
§ 4. In geval van dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door het potentiële gevaar voor de menselijke gezondheid en het onvermogen van de leverancier, kan de Regering of haar gemachtigde al de in § 3 bedoelde maatregelen nemen.
§ 5. De Regering kan regels van goede praktijk uitvaardigen zodat de leverancier kan voldoen aan zijn verplichtingen overeenkomstig paragraaf 3.
[1 Zij kan nadere communicatieregels voor de consumenten vaststellen en communicatie-eisen vaststellen bij niet-conformiteit met de minimumvereisten voor de parameterwaarden vastgesteld krachtens artikel D.183, § 1, tweede lid.]1
[1 § 6. Wanneer een parameterwaarde of een specificatie voor een indicator-parameter bedoeld in artikel D.181, Ї 1, lid 1, 1А, of voor een stof of een samenstelling opgenomen in de aandachtsstoffenlijst vastgesteld krachtens artikel D.188, Ї 5, een risico voor de menselijke gezondheid vormt, kan de Regering correctiemaatregelen opleggen om de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water te herstellen wanneer zulks nodig is om de menselijke gezondheid te beschermen. ]1
§ 2. De leverancier neemt zo spoedig mogelijk de nodige herstelmaatregelen om de waterkwaliteit weer op peil te brengen. Hij geeft voorrang aan de toepassing ervan, gelet met name op de mate waarin de relevante parameterwaarde is overschreden en op het mogelijke gevaar voor de menselijke gezondheid.
Als [1 de door de Regering aangewezen dienst]1, overeenkomstig § 1 een [1 gevaar]1 voor de menselijke gezondheid heeft vastgesteld, wordt het in kennis gesteld van elke maatregel die de leverancier treft, en van de evolutie van de toestand.
Als eerstgenoemde van mening is dat de niet-naleving van de parameterwaarden gevaar inhoudt voor de menselijke gezondheid, informeert de leverancier de verbruikers onmiddellijk over de toestand [1 , het potentiële gevaar voor de menselijke gezondheid, de oorzaak daarvan, de overschrijding van de parameterwaarde]1 en geeft hij hen in voorkomend geval kennis van de genomen of te nemen herstelmaatregelen.
§ 3. Als het voor menselijke consumptie bestemde water potentieel gevaar voor de menselijke gezondheid inhoudt, onderbreekt de leverancier de distributie ervan, beperkt hij het gebruik ervan of treft hij de nodige maatregelen om de menselijke gezondheid te beschermen, ongeacht het feit of de [1 overeenkomstig artikel D.183, § 1]1 vastgelegde parameterwaarden in acht genomen werden.
[1 In dat geval informeert hij onmiddellijk de consumenten en verstrekt hen de nodige raad over de consumptie- en gebruiksvoorwaarden van water, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de bevolkingsgroepen waarvoor het gezondheidsrisico in verband met water het hoogst is en werkt hij deze raad regelmatig bij. Hij licht de consumenten in als eenmaal is vastgesteld dat ieder potentieel gevaar voor de menselijke gezondheid geweken is en licht hij ze erover in dat de dienstverlening weer normaal is geworden. ]1
De leverancier beslist welke maatregelen genomen moeten worden rekening houdende met de risico's die een onderbreking van de distributie of een gebruiksbeperking van het voor menselijke consumptie bestemde water inhouden voor de menselijke gezondheid. Zijn beslissing wordt onmiddellijk voor informatie en eventueel advies aan [1 de door de Regering aangewezen dienst]1 overgemaakt.
§ 4. In geval van dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door het potentiële gevaar voor de menselijke gezondheid en het onvermogen van de leverancier, kan de Regering of haar gemachtigde al de in § 3 bedoelde maatregelen nemen.
§ 5. De Regering kan regels van goede praktijk uitvaardigen zodat de leverancier kan voldoen aan zijn verplichtingen overeenkomstig paragraaf 3.
[1 Zij kan nadere communicatieregels voor de consumenten vaststellen en communicatie-eisen vaststellen bij niet-conformiteit met de minimumvereisten voor de parameterwaarden vastgesteld krachtens artikel D.183, § 1, tweede lid.]1
[1 § 6. Wanneer een parameterwaarde of een specificatie voor een indicator-parameter bedoeld in artikel D.181, Ї 1, lid 1, 1А, of voor een stof of een samenstelling opgenomen in de aandachtsstoffenlijst vastgesteld krachtens artikel D.188, Ї 5, een risico voor de menselijke gezondheid vormt, kan de Regering correctiemaatregelen opleggen om de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water te herstellen wanneer zulks nodig is om de menselijke gezondheid te beschermen. ]1
Art. D190. § 1er. En cas de non-respect des valeurs paramétriques fixées conformément [1 à l'article D.183, § 1er, et sous réserve de l'article D.184, § 2]1, le fournisseur en informe immédiatement [1 le service désigné par le Gouvernement]1, et effectue une enquête afin d'en déterminer la cause. [1 le service désigné par le Gouvernement]1, examine si ce non-respect présente un [1 danger]1 pour la santé des personnes et transmet, en cas de [1 danger]1 pour la santé des personnes, ses conclusions dès qu'elles sont connues au fournisseur et au(x) bourgmestre(s) de la (des) commune(s) concernée(s).
§ 2. Le fournisseur prend le plus rapidement possible les mesures correctrices nécessaires pour rétablir la qualité de l'eau. Il accorde la priorité à leur application, compte tenu, notamment, de la mesure du dépassement de la valeur paramétrique pertinente et du danger potentiel pour la santé des personnes.
Lorsque [1 le service désigné par le Gouvernement]1, a constaté l'existence d'un [1 danger]1 pour la santé conformément au paragraphe 1er, elle est tenue informée de toute mesure prise par le fournisseur ainsi que de l'évolution de la situation.
Si [1 le service désigné par le Gouvernement]1, considère que le non-respect des valeurs paramétriques présente un [1 danger]1 pour la santé, le fournisseur informe immédiatement les consommateurs de la situation [1 , du danger potentiel pour la santé humaine, sa cause, le dépassement de la valeur paramétrique ]1 et, le cas échéant, des mesures correctrices prises ou encore à prendre.
§ 3. Que les valeurs paramétriques fixées conformément [1 à l'article D.183, § 1er,]1 aient été ou non respectées, lorsque les eaux destinées à la consommation humaine constituent un danger potentiel pour la santé des personnes, le fournisseur interrompt leur distribution, restreint leur utilisation ou prend toute mesure nécessaire pour protéger la santé des personnes.
[1 Dans ce cas, il en informe immédiatement les consommateurs et leur prodigue les conseils nécessaires sur les conditions de consommation et d'utilisation des eaux, en tenant particulièrement compte des groupes de population pour lesquels les risques sanitaires liés à l'eau sont plus élevés, et met ces conseils à jour régulièrement. Il informe les consommateurs une fois qu'il a été établi que tout danger potentiel pour la santé humaine est écarté et les informe du fait que le service est revenu à la normale. ]1
Le fournisseur décide des mesures à prendre en tenant compte des risques que feraient courir à la santé des personnes une interruption de la distribution ou une restriction dans l'utilisation des eaux destinées à la consommation humaine. Sa décision est immédiatement communiquée à [1 le service désigné par le Gouvernement]1, pour information et avis éventuel.
§ 4. En cas d'urgence motivée par le danger potentiel pour la santé publique et la carence du fournisseur, le Gouvernement ou son délégué peut prendre toutes les mesures visées au paragraphe 3.
§ 5. Le Gouvernement peut établir des règles de bonne pratique afin d'aider le fournisseur à remplir ses obligations au titre du paragraphe 3.
[1 Il peut fixer des modalités de communication aux consommateurs et fixer des exigences de communication en cas de non-conformité aux exigences minimales pour les valeurs paramétriques fixées en vertu de l'article D.183, § 1er, alinéa 2.]1
[1 § 6. Lorsqu'une valeur paramétrique ou spécification pour un paramètre indicateur visé à l'article D.181, § 1er, alinéa 1er, 1°, ou pour une substance ou un composé figurant dans la liste de vigilance établie en vertu de l'article D.188, § 5, présente un risque pour la santé humaine, le Gouvernement peut imposer des mesures correctives pour rétablir la qualité des eaux destinées à la consommation humaine lorsque cela est nécessaire pour protéger la santé humaine. ]1
§ 2. Le fournisseur prend le plus rapidement possible les mesures correctrices nécessaires pour rétablir la qualité de l'eau. Il accorde la priorité à leur application, compte tenu, notamment, de la mesure du dépassement de la valeur paramétrique pertinente et du danger potentiel pour la santé des personnes.
Lorsque [1 le service désigné par le Gouvernement]1, a constaté l'existence d'un [1 danger]1 pour la santé conformément au paragraphe 1er, elle est tenue informée de toute mesure prise par le fournisseur ainsi que de l'évolution de la situation.
Si [1 le service désigné par le Gouvernement]1, considère que le non-respect des valeurs paramétriques présente un [1 danger]1 pour la santé, le fournisseur informe immédiatement les consommateurs de la situation [1 , du danger potentiel pour la santé humaine, sa cause, le dépassement de la valeur paramétrique ]1 et, le cas échéant, des mesures correctrices prises ou encore à prendre.
§ 3. Que les valeurs paramétriques fixées conformément [1 à l'article D.183, § 1er,]1 aient été ou non respectées, lorsque les eaux destinées à la consommation humaine constituent un danger potentiel pour la santé des personnes, le fournisseur interrompt leur distribution, restreint leur utilisation ou prend toute mesure nécessaire pour protéger la santé des personnes.
[1 Dans ce cas, il en informe immédiatement les consommateurs et leur prodigue les conseils nécessaires sur les conditions de consommation et d'utilisation des eaux, en tenant particulièrement compte des groupes de population pour lesquels les risques sanitaires liés à l'eau sont plus élevés, et met ces conseils à jour régulièrement. Il informe les consommateurs une fois qu'il a été établi que tout danger potentiel pour la santé humaine est écarté et les informe du fait que le service est revenu à la normale. ]1
Le fournisseur décide des mesures à prendre en tenant compte des risques que feraient courir à la santé des personnes une interruption de la distribution ou une restriction dans l'utilisation des eaux destinées à la consommation humaine. Sa décision est immédiatement communiquée à [1 le service désigné par le Gouvernement]1, pour information et avis éventuel.
§ 4. En cas d'urgence motivée par le danger potentiel pour la santé publique et la carence du fournisseur, le Gouvernement ou son délégué peut prendre toutes les mesures visées au paragraphe 3.
§ 5. Le Gouvernement peut établir des règles de bonne pratique afin d'aider le fournisseur à remplir ses obligations au titre du paragraphe 3.
[1 Il peut fixer des modalités de communication aux consommateurs et fixer des exigences de communication en cas de non-conformité aux exigences minimales pour les valeurs paramétriques fixées en vertu de l'article D.183, § 1er, alinéa 2.]1
[1 § 6. Lorsqu'une valeur paramétrique ou spécification pour un paramètre indicateur visé à l'article D.181, § 1er, alinéa 1er, 1°, ou pour une substance ou un composé figurant dans la liste de vigilance établie en vertu de l'article D.188, § 5, présente un risque pour la santé humaine, le Gouvernement peut imposer des mesures correctives pour rétablir la qualité des eaux destinées à la consommation humaine lorsque cela est nécessaire pour protéger la santé humaine. ]1
Wijzigingen
Art. D191. [1 Wanneer op de in artikel 227ter, § 3, bedoelde plaatsen kan worden vastgesteld dat de niet-inachtneming van de overeenkomstig [2 artikel D.183, § 1,]2 vastgelegde parameterwaarden toe te schrijven is aan de privé-installatie voor waterdistributie of aan het onderhoud daarvan, stelt de leverancier de instelling belast met de beoordeling van de conformiteit van de gebouwen, zoals bepaald in artikel 227quater, § 1, onmiddellijk in kennis van de overeenkomstig artikel 190 genomen herstelmaatregelen.]1
Art. D191. [1 Dans les lieux visés à l'article 227ter, § 3, lorsqu'il peut être établi que le non-respect des valeurs paramétriques, fixées conformément [2 à l'article D.183, § 1er,]2, est imputable à l'installation privée de distribution ou à son entretien, le fournisseur est tenu d'informer sans délai l'organisme chargé de l'évaluation de l'état de conformité des immeubles, tel que défini à l'article 227quater, § 1er, des mesures correctrices prises en application de l'article 190. ]1
D. Afwijkingen.
D. Dérogations.
Art. D192. § 1. [3 De Regering kan afwijkingen toestaan voor de chemische parameterwaarden en de bijkomende waarden vastgesteld krachtens artikel D.183, Ї 1, voor zover zij geen potentieel gevaar vormen voor de gezondheid van de personen en er geen ander redelijk middel voorhanden is om de distributie van water bestemd voor menselijke consumptie in het betrokken distributiegebied in stand te houden.
Deze afwijkingen worden in de tijd beperkt en mogen niet langer dan drie jaar duren.
Aan het einde van deze periode beoordeelt de Regering of er voldoende vooruitgang is geboekt. In uitzonderlijke omstandigheden kan de Regering in de gevallen, bedoeld in 1А en 2А van het vijfde lid, een tweede afwijking toestaan voor een maximumperiode van drie jaar. Deze afwijking wordt toegestaan nadat deze beoordeling en de redenen die deze tweede afwijking rechtvaardigen, zijn meegedeeld aan de Europese Commissie.
Elke vrijstelling die door de Regering wordt verleend, moet de volgende informatie bevatten:
1А de redenen voor de afwijking;
2А de betrokken parameter, de relevante resultaten van vroegere controles, en de toelaatbare maximumwaarde bepaald uit hoofde van de afwijking;
3А de geografische zone, de hoeveelheid water die dagelijks wordt verdeeld, de getroffen bevolking en de eventuele gevolgen voor de betrokken levensmiddelenbedrijven;
4А een aangepast controleprogramma met, indien nodig, frequentere controles;
5А een samenvatting van het plan voor de nodige corrigerende maatregelen, met inbegrip van een tijdschema voor de werkzaamheden, een raming van de kosten en de regelingen voor de evaluatie van de resultaten;
6А de vereiste duur van de afwijking, beperkt tot een zo kort mogelijke periode.
De afwijkingen hebben geen betrekking op microbiologische factoren. Ze zijn beperkt tot de volgende gevallen:
1А een nieuw waterwinningsgebied voor de onttrekking van water bestemd voor menselijke consumptie;
2А een nieuwe bron van verontreiniging ontdekt in het waterwinningsgebied voor de onttrekking van water bestemd voor menselijke consumptie, of parameters die het voorwerp zijn geweest van recent onderzoek of recente detectie, of;
3А een onvoorziene en uitzonderlijke situatie, in een bestaand waterwinningsgebied voor de onttrekking van water bestemd voor menselijke consumptie, die kan leiden tot beperkte tijdelijke overschrijdingen van parameterwaarden. ]3
§ 2. De leverancier die in aanmerking komt voor één of meer afwijkingen waarin dit artikel voorziet, stelt de belanghebbende verbruikers zo spoedig mogelijk en op de gepaste wijze in kennis van de afwijking en van voorwaarden die ermee gepaard gaan. Hij geeft ook aanbevelingen aan specifieke verbruikersgroepen voor wie de afwijking een bijzonder risico kan inhouden.
De leverancier informeert [3 de door de Regering aangewezen dienst]3 over alle maatregelen die overeenkomstig het vorige lid genomen worden.
[3 § 3. Dit artikel is niet van toepassing op voor menselijke consumptie bestemd water in flessen of verpakkingen.]3
Deze afwijkingen worden in de tijd beperkt en mogen niet langer dan drie jaar duren.
Aan het einde van deze periode beoordeelt de Regering of er voldoende vooruitgang is geboekt. In uitzonderlijke omstandigheden kan de Regering in de gevallen, bedoeld in 1А en 2А van het vijfde lid, een tweede afwijking toestaan voor een maximumperiode van drie jaar. Deze afwijking wordt toegestaan nadat deze beoordeling en de redenen die deze tweede afwijking rechtvaardigen, zijn meegedeeld aan de Europese Commissie.
Elke vrijstelling die door de Regering wordt verleend, moet de volgende informatie bevatten:
1А de redenen voor de afwijking;
2А de betrokken parameter, de relevante resultaten van vroegere controles, en de toelaatbare maximumwaarde bepaald uit hoofde van de afwijking;
3А de geografische zone, de hoeveelheid water die dagelijks wordt verdeeld, de getroffen bevolking en de eventuele gevolgen voor de betrokken levensmiddelenbedrijven;
4А een aangepast controleprogramma met, indien nodig, frequentere controles;
5А een samenvatting van het plan voor de nodige corrigerende maatregelen, met inbegrip van een tijdschema voor de werkzaamheden, een raming van de kosten en de regelingen voor de evaluatie van de resultaten;
6А de vereiste duur van de afwijking, beperkt tot een zo kort mogelijke periode.
De afwijkingen hebben geen betrekking op microbiologische factoren. Ze zijn beperkt tot de volgende gevallen:
1А een nieuw waterwinningsgebied voor de onttrekking van water bestemd voor menselijke consumptie;
2А een nieuwe bron van verontreiniging ontdekt in het waterwinningsgebied voor de onttrekking van water bestemd voor menselijke consumptie, of parameters die het voorwerp zijn geweest van recent onderzoek of recente detectie, of;
3А een onvoorziene en uitzonderlijke situatie, in een bestaand waterwinningsgebied voor de onttrekking van water bestemd voor menselijke consumptie, die kan leiden tot beperkte tijdelijke overschrijdingen van parameterwaarden. ]3
§ 2. De leverancier die in aanmerking komt voor één of meer afwijkingen waarin dit artikel voorziet, stelt de belanghebbende verbruikers zo spoedig mogelijk en op de gepaste wijze in kennis van de afwijking en van voorwaarden die ermee gepaard gaan. Hij geeft ook aanbevelingen aan specifieke verbruikersgroepen voor wie de afwijking een bijzonder risico kan inhouden.
De leverancier informeert [3 de door de Regering aangewezen dienst]3 over alle maatregelen die overeenkomstig het vorige lid genomen worden.
[3 § 3. Dit artikel is niet van toepassing op voor menselijke consumptie bestemd water in flessen of verpakkingen.]3
Art. D192. § 1er. [3 Le Gouvernement peut accorder des dérogations aux valeurs paramétriques chimiques et aux valeurs paramétriques supplémentaires fixées en vertu de l'article D.183, § 1er, dans la mesure où elles ne constituent pas un danger potentiel pour la santé des personnes et lorsqu'il n'existe pas d'autre moyen raisonnable de maintenir la distribution des eaux destinées à la consommation humaine dans la zone de distribution concernée.
Ces dérogations sont limitées dans le temps et ne peuvent pas dépasser trois ans.
A l'issue de cette période, un bilan est dressé par le Gouvernement afin de déterminer si des progrès suffisants ont été accomplis. Dans des circonstances exceptionnelles, le Gouvernement peut, dans les cas visés au 1° et 2° de l'alinéa 5, accorder une seconde dérogation pour une durée maximale de trois ans. Celle-ci est octroyée après que ce bilan et les motifs justifiant cette seconde dérogation soient communiqués à la Commission européenne.
Toute dérogation accordée par le Gouvernement comporte les renseignements suivants :
1° les motifs de la dérogation;
2° le paramètre concerné, les résultats pertinents de contrôles antérieurs, et la valeur maximale admissible prévue au titre de la dérogation;
3° la zone géographique, la quantité d'eau distribuée chaque jour, la population concernée et l'existence de répercussions éventuelles sur des entreprises alimentaires concernées;
4° un programme de contrôle approprié prévoyant, le cas échéant, des contrôles plus fréquents;
5° un résumé du plan concernant les mesures correctives nécessaires, comprenant un calendrier des travaux, une estimation des coûts et les dispositions en matière d'évaluation des résultats;
6° la durée requise de la dérogation, limitée à une durée aussi brève que possible.
Les dérogations ne concernent pas des facteurs microbiologiques. Elles se limitent aux cas suivants :
1° une nouvelle zone de captage pour le prélèvement d'eaux destinées à la consommation humaine;
2° une nouvelle source de pollution détectée dans la zone de captage pour le prélèvement d'eaux destinées à la consommation humaine, ou des paramètres qui ont fait l'objet d'une recherche récente ou d'une détection récente, ou;
3° une situation imprévue et exceptionnelle, dans une zone existante de captage pour le prélèvement d'eaux destinées à la consommation humaine, qui peut conduire à des dépassements temporaires limités des valeurs paramétriques. ]3
§ 2. Le fournisseur qui obtient une ou plusieurs dérogations prévues par le présent article informe, rapidement et de manière appropriée, de la dérogation et des conditions dont elle est assortie les consommateurs affectés par cette dernière. Il prodigue, par ailleurs, des conseils à des groupes de consommateurs spécifiques pour lesquels la dérogation pourrait présenter un risque particulier.
Le fournisseur informe [3 le service désigné par le Gouvernement]3, des mesures prises en application de l'alinéa précèdent.
[3 § 3. Le présent article ne s'applique pas aux eaux destinées à la consommation humaine mises en bouteilles ou en récipients. ]3
Ces dérogations sont limitées dans le temps et ne peuvent pas dépasser trois ans.
A l'issue de cette période, un bilan est dressé par le Gouvernement afin de déterminer si des progrès suffisants ont été accomplis. Dans des circonstances exceptionnelles, le Gouvernement peut, dans les cas visés au 1° et 2° de l'alinéa 5, accorder une seconde dérogation pour une durée maximale de trois ans. Celle-ci est octroyée après que ce bilan et les motifs justifiant cette seconde dérogation soient communiqués à la Commission européenne.
Toute dérogation accordée par le Gouvernement comporte les renseignements suivants :
1° les motifs de la dérogation;
2° le paramètre concerné, les résultats pertinents de contrôles antérieurs, et la valeur maximale admissible prévue au titre de la dérogation;
3° la zone géographique, la quantité d'eau distribuée chaque jour, la population concernée et l'existence de répercussions éventuelles sur des entreprises alimentaires concernées;
4° un programme de contrôle approprié prévoyant, le cas échéant, des contrôles plus fréquents;
5° un résumé du plan concernant les mesures correctives nécessaires, comprenant un calendrier des travaux, une estimation des coûts et les dispositions en matière d'évaluation des résultats;
6° la durée requise de la dérogation, limitée à une durée aussi brève que possible.
Les dérogations ne concernent pas des facteurs microbiologiques. Elles se limitent aux cas suivants :
1° une nouvelle zone de captage pour le prélèvement d'eaux destinées à la consommation humaine;
2° une nouvelle source de pollution détectée dans la zone de captage pour le prélèvement d'eaux destinées à la consommation humaine, ou des paramètres qui ont fait l'objet d'une recherche récente ou d'une détection récente, ou;
3° une situation imprévue et exceptionnelle, dans une zone existante de captage pour le prélèvement d'eaux destinées à la consommation humaine, qui peut conduire à des dépassements temporaires limités des valeurs paramétriques. ]3
§ 2. Le fournisseur qui obtient une ou plusieurs dérogations prévues par le présent article informe, rapidement et de manière appropriée, de la dérogation et des conditions dont elle est assortie les consommateurs affectés par cette dernière. Il prodigue, par ailleurs, des conseils à des groupes de consommateurs spécifiques pour lesquels la dérogation pourrait présenter un risque particulier.
Le fournisseur informe [3 le service désigné par le Gouvernement]3, des mesures prises en application de l'alinéa précèdent.
[3 § 3. Le présent article ne s'applique pas aux eaux destinées à la consommation humaine mises en bouteilles ou en récipients. ]3
E. Informatie.
E. Informations.
Art. D193. § 1. [2 Ten minste eenmaal per jaar informeert de leverancier de gebruikers over de kwaliteit van het geleverde water tijdens het vorige kalenderjaar. De informatie omvat het advies van de door de Regering aangewezen dienst over de mogelijke gevolgen van de kwaliteit van het geleverde water voor de gezondheid van de consument.
De leverancier levert adequate en actuele informatie over de kwaliteit van het geleverde water in het distributiegebied dat hij bevoorraadt. Hij verschaft de volgende informatie op regelmatige basis, en ten minste eenmaal per jaar:
1А informatie over de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie, inclusief indicatorparameters;
2А de prijs van het geleverde water voor menselijke consumptie, per liter en per kubieke meter;
3А het door het huishouden verbruikte volume, ten minste per jaar of per factureringsperiode, en de jaarlijkse verbruikstrends van het huishouden, voor zover dit technisch haalbaar is en indien deze informatie beschikbaar is;
4А een vergelijking van het jaarlijkse waterverbruik van het huishouden met het gemiddelde verbruik van het huishouden, indien van toepassing, overeenkomstig 3А ;
5А een link naar de website met de informatie bedoeld in paragraaf 2.
De Regering specificeert de voorwaarden waaronder waterleveranciers die ten minste tienduizend m3 per dag leveren of ten minste vijftigduizend mensen bedienen, jaarlijks aanvullende informatie aan consumenten communiceren]2.
§ 2. De leverancier verstrekt [2 de door de Regering aangewezen dienst]2 alle gegevens over de waterkwaliteit en -levering die ze nodig heeft om deze afdeling uit te voeren en om haar Europese en internationale verplichtingen na te komen.
De regering stelt de modaliteiten vast betreffende de inhoud, de vorm en de procedure voor het mededelen van die inlichtingen.
§ 3. De Regering bezorgt het Waalse Parlement een jaarverslag over de kwaliteit van het voor menselijke consumptie bestemde water. Dat verslag betreft o.a. de kwaliteit van het Waalse consumptiewater, de niet-inachtneming van de parameterwaarden door de verschillende leveranciers, de toegestane afwijkingen en de voornaamste herstelmaatregelen uitgevoerd om de kwaliteit van het voor menselijke consumptie bestemde water te herstellen.
[2 De door de Regering aangewezen dienst verzamelt en actualiseert de gegevens die nodig zijn om de verslagen op te stellen die nodig zijn voor de uitvoering van Richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water.]2
[2 § 4. De paragrafen 1 en 2 doen geen afbreuk aan titel I van deel III van boek I van het Wetboek van Leefmilieu en aan het decreet van 22 december 2010 betreffende de de Waalse infrastructuur voor ruimtelijke informatie.]2
De leverancier levert adequate en actuele informatie over de kwaliteit van het geleverde water in het distributiegebied dat hij bevoorraadt. Hij verschaft de volgende informatie op regelmatige basis, en ten minste eenmaal per jaar:
1А informatie over de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie, inclusief indicatorparameters;
2А de prijs van het geleverde water voor menselijke consumptie, per liter en per kubieke meter;
3А het door het huishouden verbruikte volume, ten minste per jaar of per factureringsperiode, en de jaarlijkse verbruikstrends van het huishouden, voor zover dit technisch haalbaar is en indien deze informatie beschikbaar is;
4А een vergelijking van het jaarlijkse waterverbruik van het huishouden met het gemiddelde verbruik van het huishouden, indien van toepassing, overeenkomstig 3А ;
5А een link naar de website met de informatie bedoeld in paragraaf 2.
De Regering specificeert de voorwaarden waaronder waterleveranciers die ten minste tienduizend m3 per dag leveren of ten minste vijftigduizend mensen bedienen, jaarlijks aanvullende informatie aan consumenten communiceren]2.
§ 2. De leverancier verstrekt [2 de door de Regering aangewezen dienst]2 alle gegevens over de waterkwaliteit en -levering die ze nodig heeft om deze afdeling uit te voeren en om haar Europese en internationale verplichtingen na te komen.
De regering stelt de modaliteiten vast betreffende de inhoud, de vorm en de procedure voor het mededelen van die inlichtingen.
§ 3. De Regering bezorgt het Waalse Parlement een jaarverslag over de kwaliteit van het voor menselijke consumptie bestemde water. Dat verslag betreft o.a. de kwaliteit van het Waalse consumptiewater, de niet-inachtneming van de parameterwaarden door de verschillende leveranciers, de toegestane afwijkingen en de voornaamste herstelmaatregelen uitgevoerd om de kwaliteit van het voor menselijke consumptie bestemde water te herstellen.
[2 De door de Regering aangewezen dienst verzamelt en actualiseert de gegevens die nodig zijn om de verslagen op te stellen die nodig zijn voor de uitvoering van Richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water.]2
[2 § 4. De paragrafen 1 en 2 doen geen afbreuk aan titel I van deel III van boek I van het Wetboek van Leefmilieu en aan het decreet van 22 december 2010 betreffende de de Waalse infrastructuur voor ruimtelijke informatie.]2
Art. D193. § 1er. [2 Au moins une fois l'an, le fournisseur informe ses usagers sur la qualité de l'eau distribuée pendant l'année civile écoulée. L'information comprend l'avis du service désigné par le Gouvernement concernant l'impact éventuel sur la santé des consommateurs lié à la qualité de l'eau distribuée.
Le fournisseur communique les informations adéquates et récentes sur la qualité de l'eau fournie dans la zone de distribution qu'il alimente. Il communique régulièrement, et au moins une fois par an, les informations suivantes :
1° des informations sur la qualité des eaux destinées à la consommation humaine, y compris les paramètres indicateurs;
2° le prix de l'eau destinée à la consommation humaine fournie, par litre et par mètre cube;
3° le volume consommé par le ménage, par année ou par période de facturation, au minimum, ainsi que les tendances annuelles de consommation du ménage, pour autant que cela soit techniquement réalisable et si ces informations sont à sa disposition;
4° la comparaison de la consommation d'eau annuelle du ménage avec la consommation moyenne d'un ménage, le cas échéant, conformément au 3° ;
5° un lien vers le site internet présentant les informations définies en vertu du paragraphe 2.
Le Gouvernement précise les conditions selon lesquelles les fournisseurs d'eau fournissant au moins dix mille m3 par jour ou desservant au moins cinquante mille personnes communiquent des informations annuelles complémentaires aux consommateurs.]2
§ 2. Le fournisseur est tenu de communiquer à [2 le service désigné par le Gouvernement]2 les informations relatives à la qualité et à la fourniture d'eau qui lui sont nécessaires pour l'exécution de la présente section et pour assurer le respect de ses obligations européennes et internationales.
Le Gouvernement fixe les modalités relatives au contenu, à la forme et à la procédure de transmission de ces informations.
§ 3. Le Gouvernement dépose et présente au [2 Parlement wallon]2 un rapport annuel sur la qualité des eaux destinées à la consommation humaine. Ce rapport porte notamment sur la qualité des eaux de consommation wallonnes, sur le non-respect des valeurs paramétriques par les divers fournisseurs, sur les dérogations qui ont été accordées et sur les principales mesures correctrices qui ont été mises en oeuvre pour rétablir la qualité des eaux destinées à la consommation humaine.
[2 Le service désigné par le Gouvernement récolte et actualise les données exigées en vue de réaliser les rapportages nécessaires à la mise en oeuvre de la directive (UE) 2020/2184 du Parlement et du Conseil du 16 décembre 2020 relative à la qualité des eaux destinées à la consommation humaine.]2
[2 § 4. Les paragraphes 1er et 2 ne portent pas préjudice au Titre Ier de la Partie III du Livre Ier du Code de l'Environnement ainsi qu'au décret du 22 décembre 2010 relatif à l'infrastructure d'information géographique wallonne. ]2
Le fournisseur communique les informations adéquates et récentes sur la qualité de l'eau fournie dans la zone de distribution qu'il alimente. Il communique régulièrement, et au moins une fois par an, les informations suivantes :
1° des informations sur la qualité des eaux destinées à la consommation humaine, y compris les paramètres indicateurs;
2° le prix de l'eau destinée à la consommation humaine fournie, par litre et par mètre cube;
3° le volume consommé par le ménage, par année ou par période de facturation, au minimum, ainsi que les tendances annuelles de consommation du ménage, pour autant que cela soit techniquement réalisable et si ces informations sont à sa disposition;
4° la comparaison de la consommation d'eau annuelle du ménage avec la consommation moyenne d'un ménage, le cas échéant, conformément au 3° ;
5° un lien vers le site internet présentant les informations définies en vertu du paragraphe 2.
Le Gouvernement précise les conditions selon lesquelles les fournisseurs d'eau fournissant au moins dix mille m3 par jour ou desservant au moins cinquante mille personnes communiquent des informations annuelles complémentaires aux consommateurs.]2
§ 2. Le fournisseur est tenu de communiquer à [2 le service désigné par le Gouvernement]2 les informations relatives à la qualité et à la fourniture d'eau qui lui sont nécessaires pour l'exécution de la présente section et pour assurer le respect de ses obligations européennes et internationales.
Le Gouvernement fixe les modalités relatives au contenu, à la forme et à la procédure de transmission de ces informations.
§ 3. Le Gouvernement dépose et présente au [2 Parlement wallon]2 un rapport annuel sur la qualité des eaux destinées à la consommation humaine. Ce rapport porte notamment sur la qualité des eaux de consommation wallonnes, sur le non-respect des valeurs paramétriques par les divers fournisseurs, sur les dérogations qui ont été accordées et sur les principales mesures correctrices qui ont été mises en oeuvre pour rétablir la qualité des eaux destinées à la consommation humaine.
[2 Le service désigné par le Gouvernement récolte et actualise les données exigées en vue de réaliser les rapportages nécessaires à la mise en oeuvre de la directive (UE) 2020/2184 du Parlement et du Conseil du 16 décembre 2020 relative à la qualité des eaux destinées à la consommation humaine.]2
[2 § 4. Les paragraphes 1er et 2 ne portent pas préjudice au Titre Ier de la Partie III du Livre Ier du Code de l'Environnement ainsi qu'au décret du 22 décembre 2010 relatif à l'infrastructure d'information géographique wallonne. ]2
Onderafdeling 4. [1 Beoordeling van de risico's in verband met particuliere distributiesystemen]1
Sous-section 4. [1 - Evaluation des risques liés à l'installation privée de distribution ]1
Art. D193bis. [1 Ї 1. Om de risico's te beoordelen in verband met de privщ-installaties voor de distributie van voor menselijke consumptie bestemd water voert de Rgering een algemene analyse uit van de potentiыle risico's verbonden aan privщ-verdelingsinstallaties als bedoeld in dit hoofdstuk, alsook aan daarmee gepaard gaande producten en materialen. Deze analyse wordt uiterlijk op 12 januari 2026 uitgevoerd.
Deze algemene analyse maakt de potentiыle risico's duidelijk, verbonden aan deze verdelingsinstallaties en aan de daarmee gepaard gaande producten en materialen waarbij bepaald kan worden of de potentiыle risico's een effect hebben op de waterkwaliteit daar waar het water uit de kranen stroomt die normalerwijze worden gebruikt bij menselijke consumptie. Deze analyse heeft geen betrekking op individuele eigendommen.
Ї 2. De Regering voert een toezichtssysteem in op de relevante parameters met als doel de beoordeling van de risico's verband houdend met de privщ-verdelingsinstallaties bedoeld in artikel D.181, Ї 1, lid 1, 6А, in de plaatsen waar, bij de algemene analyse bedoeld in paragraaf 1, bijzondere risico's voor de waterkwaliteit en de menselijke gezondheid zijn aangetroffen.
Dat toezicht kan een verplichting tot zelftoezicht en een verplichting tot communicatie van de resultaten aan de door de Regering aangewezen dienst inhouden. Bemonstering en analyse worden uitgevoerd in overeenstemming met artikel D.188, Ї 3.
Ї 3. Wanneer de algemene analyse van de potentiыle risico's die kunnen voorkomen in privщ-verdelingsinstallaties en de daarmee gepaard gaande producten en materialen duidelijk maakt dat er een risico bestaat voor de menselijke gezondheid wegens privщ-verdelingsinstallaties of daarmee gepaard gaande producten en materialen of wanneer het toezicht van de relevante parameters voor deze beoordeling aantoont dat de parameterwaarden niet worden nagekomen, worden er door de Regering passende maatregelen genomen om het risico op niet-inachtneming van deze waarden uit te schakelen of te beperken.
Wat betreft de Legionella bacteriыn, hebben deze maatregelen minstens betrekking op de prioritaire plaatsen. ]1
Deze algemene analyse maakt de potentiыle risico's duidelijk, verbonden aan deze verdelingsinstallaties en aan de daarmee gepaard gaande producten en materialen waarbij bepaald kan worden of de potentiыle risico's een effect hebben op de waterkwaliteit daar waar het water uit de kranen stroomt die normalerwijze worden gebruikt bij menselijke consumptie. Deze analyse heeft geen betrekking op individuele eigendommen.
Ї 2. De Regering voert een toezichtssysteem in op de relevante parameters met als doel de beoordeling van de risico's verband houdend met de privщ-verdelingsinstallaties bedoeld in artikel D.181, Ї 1, lid 1, 6А, in de plaatsen waar, bij de algemene analyse bedoeld in paragraaf 1, bijzondere risico's voor de waterkwaliteit en de menselijke gezondheid zijn aangetroffen.
Dat toezicht kan een verplichting tot zelftoezicht en een verplichting tot communicatie van de resultaten aan de door de Regering aangewezen dienst inhouden. Bemonstering en analyse worden uitgevoerd in overeenstemming met artikel D.188, Ї 3.
Ї 3. Wanneer de algemene analyse van de potentiыle risico's die kunnen voorkomen in privщ-verdelingsinstallaties en de daarmee gepaard gaande producten en materialen duidelijk maakt dat er een risico bestaat voor de menselijke gezondheid wegens privщ-verdelingsinstallaties of daarmee gepaard gaande producten en materialen of wanneer het toezicht van de relevante parameters voor deze beoordeling aantoont dat de parameterwaarden niet worden nagekomen, worden er door de Regering passende maatregelen genomen om het risico op niet-inachtneming van deze waarden uit te schakelen of te beperken.
Wat betreft de Legionella bacteriыn, hebben deze maatregelen minstens betrekking op de prioritaire plaatsen. ]1
Art. D193bis. [1 § 1er. Afin d'évaluer les risques liés aux installations privées de distribution d'eau destinée à la consommation humaine, le Gouvernement réalise une analyse générale des risques potentiels associés à des installations privées de distribution telles que visées au présent chapitre, ainsi qu'à des produits et matériaux y afférents. Cette analyse est réalisée au plus tard le 12 janvier 2026.
Cette analyse générale met en évidence les risques potentiels associés à ces installations de distribution ainsi qu'à des produits et matériaux y afférents, permettant de déterminer si les risques potentiels ont une incidence sur la qualité de l'eau au point où elle sort des robinets qui sont normalement utilisés pour la consommation humaine. Cette analyse ne porte pas sur les propriétés individuelles.
§ 2. Le Gouvernement met en place un système de surveillance des paramètres pertinents aux fins de l'évaluation des risques liés aux installations privées de distribution visés à l'article D.181, § 1er, alinéa 1er, 6°, dans les lieux où des risques particuliers pour la qualité de l'eau et la santé humaine ont été identifiés au cours de l'analyse générale visée au paragraphe 1er.
Cette surveillance peut comporter une obligation d'autosurveillance et une obligation de communication des résultats au service désigné par le Gouvernement. Les prélèvements d'échantillons et les analyses sont réalisés conformément à l'article D.188, § 3.
§ 3. Lorsque l'analyse générale des risques potentiels associés à des installations privées de distribution, ainsi qu'à des produits et matériaux y afférents, met en évidence un risque pour la santé humaine découlant des installations privées de distribution ou des produits et matériaux y afférents, ou lorsque la surveillance des paramètres pertinents pour cette évaluation démontre que les valeurs paramétriques ne sont pas respectées, des mesures appropriées pour éliminer ou réduire le risque de non-respect de ces valeurs sont prises par le Gouvernement.
En ce qui concerne les bactéries Legionella, ces mesures portent au moins sur les lieux prioritaires. ]1
Cette analyse générale met en évidence les risques potentiels associés à ces installations de distribution ainsi qu'à des produits et matériaux y afférents, permettant de déterminer si les risques potentiels ont une incidence sur la qualité de l'eau au point où elle sort des robinets qui sont normalement utilisés pour la consommation humaine. Cette analyse ne porte pas sur les propriétés individuelles.
§ 2. Le Gouvernement met en place un système de surveillance des paramètres pertinents aux fins de l'évaluation des risques liés aux installations privées de distribution visés à l'article D.181, § 1er, alinéa 1er, 6°, dans les lieux où des risques particuliers pour la qualité de l'eau et la santé humaine ont été identifiés au cours de l'analyse générale visée au paragraphe 1er.
Cette surveillance peut comporter une obligation d'autosurveillance et une obligation de communication des résultats au service désigné par le Gouvernement. Les prélèvements d'échantillons et les analyses sont réalisés conformément à l'article D.188, § 3.
§ 3. Lorsque l'analyse générale des risques potentiels associés à des installations privées de distribution, ainsi qu'à des produits et matériaux y afférents, met en évidence un risque pour la santé humaine découlant des installations privées de distribution ou des produits et matériaux y afférents, ou lorsque la surveillance des paramètres pertinents pour cette évaluation démontre que les valeurs paramétriques ne sont pas respectées, des mesures appropriées pour éliminer ou réduire le risque de non-respect de ces valeurs sont prises par le Gouvernement.
En ce qui concerne les bactéries Legionella, ces mesures portent au moins sur les lieux prioritaires. ]1
Afdeling 2. [1 - Algemene voorwaarden voor de openbare distributie van voor menselijk verbruik bestemd water]1
Section 2. [1 - Conditions générales de distribution publique de l'eau destinée à la consommation humaine]1
Onderafdeling 1. - Definities.
Sous-section 1re. - Définitions.
Art. D194.
Art. D194.
Onderafdeling 2. - Toegang tot de openbare waterdistributie en -aansluiting.
Sous-section 2. - Accès à la distribution publique de l'eau et raccordement.
Art. D195. [1 1. Elke persoon die houder is van een zakelijk recht op een gebouw mag bedoeld gebouw op eigen verzoek en voor eigen rekening op het net van de openbare waterdistributie laten aansluiten.
De uitbreiding of de versterking van het openbare distributienet die eventueel nodig zijn voor de aansluiting van het gebouw zijn integraal voor rekening van de verzoeker.
§ 2. Als het gaat om een aanvraag tot aansluiting van een nieuw gebouw dat hoofdzakelijk voor individuele bewoning bestemd is in de zin van artikel 1 van de Waalse huisvestingscode en waarvoor een uitbreiding of een versterking van het openbare distributienet noodzakelijk is, geniet de aanvrager een door de verdeler toegekende premie waarvan het bedrag en de desbetreffende berekenings- en betaalmodaliteiten door de Regering bepaald worden.
§ 3. Als het gaat om een aanvraag tot aansluiting van een gebouw dat gedekt is door een niet verlopen bebouwingsvergunning of door een niet verlopen vergunning voor gegroepeerde constructies, wordt de aanvraag niet in aanmerking genomen zolang de uitrusting of de versterking inzake de waterdistributie niet is doorgevoerd.
§ 3. De uitrusting of de versterking inzake de waterdistributie voor gebouwen die gedekt zijn door een niet verlopen bebouwingsvergunning of een niet verlopen vergunning voor gegroepeerde constructies, met inbegrip van de eventueel noodzakelijke versterking van het bestaande net, zijn integraal voor rekening van de houder van de vergunning.]1
De uitbreiding of de versterking van het openbare distributienet die eventueel nodig zijn voor de aansluiting van het gebouw zijn integraal voor rekening van de verzoeker.
§ 2. Als het gaat om een aanvraag tot aansluiting van een nieuw gebouw dat hoofdzakelijk voor individuele bewoning bestemd is in de zin van artikel 1 van de Waalse huisvestingscode en waarvoor een uitbreiding of een versterking van het openbare distributienet noodzakelijk is, geniet de aanvrager een door de verdeler toegekende premie waarvan het bedrag en de desbetreffende berekenings- en betaalmodaliteiten door de Regering bepaald worden.
§ 3. Als het gaat om een aanvraag tot aansluiting van een gebouw dat gedekt is door een niet verlopen bebouwingsvergunning of door een niet verlopen vergunning voor gegroepeerde constructies, wordt de aanvraag niet in aanmerking genomen zolang de uitrusting of de versterking inzake de waterdistributie niet is doorgevoerd.
§ 3. De uitrusting of de versterking inzake de waterdistributie voor gebouwen die gedekt zijn door een niet verlopen bebouwingsvergunning of een niet verlopen vergunning voor gegroepeerde constructies, met inbegrip van de eventueel noodzakelijke versterking van het bestaande net, zijn integraal voor rekening van de houder van de vergunning.]1
Art. D195. [1 § 1er. Toute personne titulaire d'un droit réel sur un immeuble a droit, à sa demande et à sa charge, à ce que cet immeuble soit raccordé au réseau public de distribution de l'eau.
L'extension ou le renforcement du réseau public de distribution éventuellement nécessaires pour que l'immeuble soit raccordé est intégralement à charge du demandeur.
§ 2. Lorsqu'il s'agit d'une demande de raccordement d'un nouveau bâtiment destiné principalement à un logement individuel au sens de l'article 1er du Code wallon du Logement et qui nécessite une extension ou un renforcement du réseau public de distribution, le demandeur bénéficie d'une prime accordée par le distributeur dont le montant et les modalités de calcul et de paiement sont arrêtées par le Gouvernement.
§ 3. Lorsqu'il s'agit d'une demande de raccordement d'un immeuble couvert par un permis d'urbanisation non périmé ou par un permis d'urbanisme de constructions groupées non périmé, la demande n'est pas prise en compte tant que l'équipement ou le renforcement en distribution d'eau n'a pas été réalisé.
L'équipement ou le renforcement en distribution d'eau d'immeubles couverts par un permis d'urbanisation non périmé ou par un permis d'urbanisme de constructions groupées non périmé, en ce compris le renforcement éventuellement nécessaire du réseau existant, sont effectués intégralement à charge du titulaire du permis.]1
L'extension ou le renforcement du réseau public de distribution éventuellement nécessaires pour que l'immeuble soit raccordé est intégralement à charge du demandeur.
§ 2. Lorsqu'il s'agit d'une demande de raccordement d'un nouveau bâtiment destiné principalement à un logement individuel au sens de l'article 1er du Code wallon du Logement et qui nécessite une extension ou un renforcement du réseau public de distribution, le demandeur bénéficie d'une prime accordée par le distributeur dont le montant et les modalités de calcul et de paiement sont arrêtées par le Gouvernement.
§ 3. Lorsqu'il s'agit d'une demande de raccordement d'un immeuble couvert par un permis d'urbanisation non périmé ou par un permis d'urbanisme de constructions groupées non périmé, la demande n'est pas prise en compte tant que l'équipement ou le renforcement en distribution d'eau n'a pas été réalisé.
L'équipement ou le renforcement en distribution d'eau d'immeubles couverts par un permis d'urbanisation non périmé ou par un permis d'urbanisme de constructions groupées non périmé, en ce compris le renforcement éventuellement nécessaire du réseau existant, sont effectués intégralement à charge du titulaire du permis.]1
Wijzigingen
Art. D195bis. [1 § 1. Behoudens instemming van de verdeler, mag de uitbreiding van het openbare distributienet die noodzakelijk is voor de wateraansluiting of -uitrusting van een gebouw niet aangelegd worden in een privéweg.
De verdeler verleent deze afwijking op voorwaarde dat de aanvrager gratis afstand doet van de zakelijke rechten die noodzakelijk zijn voor de uitbreiding, het toezicht erop, het onderhoud en de vervanging ervan, met inbegrip van het recht om elk ogenblik ongehinderd toegang te hebben tot de weg en de ondergrond met de leidingen, toestellen, kamers en installaties die onder het openbare distributienet ressorteren.
§ 2. Het voordeel van artikel D.195, § 2, is uitgesloten voor het gedeelte van de uitbreiding of de versterking aangelegd in of langs een private weg.]1
De verdeler verleent deze afwijking op voorwaarde dat de aanvrager gratis afstand doet van de zakelijke rechten die noodzakelijk zijn voor de uitbreiding, het toezicht erop, het onderhoud en de vervanging ervan, met inbegrip van het recht om elk ogenblik ongehinderd toegang te hebben tot de weg en de ondergrond met de leidingen, toestellen, kamers en installaties die onder het openbare distributienet ressorteren.
§ 2. Het voordeel van artikel D.195, § 2, is uitgesloten voor het gedeelte van de uitbreiding of de versterking aangelegd in of langs een private weg.]1
Art. D195bis. [1 § 1er. Sauf accord du distributeur, l'extension du réseau public de distribution d'eau nécessaire au raccordement ou à l'équipement en eau d'un immeuble ne peut pas être posée dans une voirie privée.
Le distributeur conditionne cette dérogation à la cession à titre gratuit par le demandeur des droits réels nécessaires à la pose de l'extension, sa surveillance, son entretien et son remplacement, en ce compris le droit d'accéder à tout moment sans entrave à la voirie et au sous-sol contenant les canalisations, appareils, chambres et installations relevant du réseau public de distribution.
§ 2. Le bénéfice de l'article D.195, § 2, est exclu pour la partie de l'extension ou du renforcement qui est posée dans ou le long d'une voirie privée.]1
Le distributeur conditionne cette dérogation à la cession à titre gratuit par le demandeur des droits réels nécessaires à la pose de l'extension, sa surveillance, son entretien et son remplacement, en ce compris le droit d'accéder à tout moment sans entrave à la voirie et au sous-sol contenant les canalisations, appareils, chambres et installations relevant du réseau public de distribution.
§ 2. Le bénéfice de l'article D.195, § 2, est exclu pour la partie de l'extension ou du renforcement qui est posée dans ou le long d'une voirie privée.]1
Art. D195ter. [1 De uitbreiding van het openbare waterdistributienet die noodzakelijk is voor de wateraansluiting of -uitrusting van een gebouw, begint bij de aansluiting op het bestaande net en eindigt, in of langs de weg, ter hoogte van de scheidingsgrens tussen het perceel waarvoor de wateraansluiting of -uitrusting gevraagd wordt en het belendende perceel. Als de bijzondere configuratie van de plek het rechtvaardigt of als het belendende perceel niet bebouwbaar is ten opzichte van het stedenbouwkundig statuut ervan dat van kracht is op de datum van de aanvraag, legt de verdeler de grens van de uitbreiding vast op hoogstens zes meter afstand verderop het aansluitingspunt van de laatste aansluiting die op die uitbreiding verricht moet worden.]1
Art. D195ter. [1 L'extension du réseau public de distribution d'eau nécessaire au raccordement ou à l'équipement en eau d'un immeuble commence à la jonction avec le réseau existant et se termine, dans la voirie ou le long de celle-ci, à hauteur de la limite séparative entre la parcelle dont le raccordement ou l'équipement en eau est demandé et la parcelle contigüe. Toutefois, lorsque, soit la configuration particulière des lieux le justifie, soit la parcelle contigüe n'est pas urbanisable au regard de son statut urbanistique en vigueur au moment de la demande, le distributeur détermine l'extrémité de l'extension à une distance maximale de six mètres au-delà du point de branchement du dernier raccordement à poser sur cette extension.]1
Art. D196. § 1. De aansluitingswerken zijn voor rekening van [1 de eigenaar]1 en maken het voorwerp uit van een bestek.
De aansluiting wordt integraal betaald vóór de inbedrijfstelling ervan.
Als [1 de eigenaar]1 verzoekt om de wijziging van de aansluiting of om de stopzetting van de dienst, zijn de werken eveneens voor zijn rekening en wordt een bestek opgemaakt.
Het bestek wordt aan de verzoeker overgemaakt binnen tien kalenderdagen na ontvangst van de aanvraag.
Een voorschot van hoogstens 50 % van het bestek kan door de verdeler geëist worden.
Behalve overmacht wordt het werk door de verdeler uitgevoerd binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van de uitdrukkelijke instemming van de verzoeker met het uitvoeringsbestek en onder voorbehoud van de uitvoeringsvoorwaarden waarin het voorziet.
§ 2. Als [1 de eigenaar]1 om de stopzetting van de dienst verzoekt, neemt de verdeler alle technische maatregelen om de veiligheid en de gezondheid niet in het gedrang te brengen.
Als [1 de eigenaar]1 niet de gebruiker is, mag de aanvraag slechts met de uitdrukkelijke instemming van de gebruiker in overweging worden genomen.
§ 3. De verdeler draagt de kosten van de wijzigingen die hij op de aansluiting uitvoert.
§ 4. Onverminderd artikel 198 behoort de aansluiting toe aan de verdeler. Hij is er verantwoordelijk voor en staat in voor haar onderhoud.
De aansluiting wordt integraal betaald vóór de inbedrijfstelling ervan.
Als [1 de eigenaar]1 verzoekt om de wijziging van de aansluiting of om de stopzetting van de dienst, zijn de werken eveneens voor zijn rekening en wordt een bestek opgemaakt.
Het bestek wordt aan de verzoeker overgemaakt binnen tien kalenderdagen na ontvangst van de aanvraag.
Een voorschot van hoogstens 50 % van het bestek kan door de verdeler geëist worden.
Behalve overmacht wordt het werk door de verdeler uitgevoerd binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van de uitdrukkelijke instemming van de verzoeker met het uitvoeringsbestek en onder voorbehoud van de uitvoeringsvoorwaarden waarin het voorziet.
§ 2. Als [1 de eigenaar]1 om de stopzetting van de dienst verzoekt, neemt de verdeler alle technische maatregelen om de veiligheid en de gezondheid niet in het gedrang te brengen.
Als [1 de eigenaar]1 niet de gebruiker is, mag de aanvraag slechts met de uitdrukkelijke instemming van de gebruiker in overweging worden genomen.
§ 3. De verdeler draagt de kosten van de wijzigingen die hij op de aansluiting uitvoert.
§ 4. Onverminderd artikel 198 behoort de aansluiting toe aan de verdeler. Hij is er verantwoordelijk voor en staat in voor haar onderhoud.
Art. D196. § 1er. Les travaux de réalisation du raccordement sont à charge de [1 le propriétaire]1 et font l'objet d'un devis.
Le raccordement doit être entièrement payé avant sa mise en service.
Lorsque [1 le propriétaire]1 sollicite la modification du raccordement ou la fin du service, les travaux sont également à sa charge et font l'objet d'un devis.
Le devis est transmis au demandeur dans les dix jours calendrier qui suivent la réception de sa demande.
Un acompte s'élevant au maximum à 50 % du devis peut être réclamé par le distributeur.
Sauf cas de force majeure, le travail doit être réalisé par le distributeur dans les trente jours calendrier de la réception de l'accord formel du demandeur sur le devis de réalisation et sous réserve des conditions d'exécution prévues dans ce dernier.
§ 2. Lorsque [1 le propriétaire]1 demande de mettre fin au service, le distributeur prend toutes les dispositions techniques pour le faire sans dommages pour la sécurité et la salubrité.
Si [1 le propriétaire]1 n'est pas l'usager, la demande ne peut être prise en considération qu'avec l'accord exprès de l'usager.
§ 3. Les frais de modifications apportées au raccordement par le distributeur sont à charge de celui-ci.
§ 4. Sans préjudice de l'article 198, le raccordement appartient au distributeur qui en assume la responsabilité et l'entretien.
Le raccordement doit être entièrement payé avant sa mise en service.
Lorsque [1 le propriétaire]1 sollicite la modification du raccordement ou la fin du service, les travaux sont également à sa charge et font l'objet d'un devis.
Le devis est transmis au demandeur dans les dix jours calendrier qui suivent la réception de sa demande.
Un acompte s'élevant au maximum à 50 % du devis peut être réclamé par le distributeur.
Sauf cas de force majeure, le travail doit être réalisé par le distributeur dans les trente jours calendrier de la réception de l'accord formel du demandeur sur le devis de réalisation et sous réserve des conditions d'exécution prévues dans ce dernier.
§ 2. Lorsque [1 le propriétaire]1 demande de mettre fin au service, le distributeur prend toutes les dispositions techniques pour le faire sans dommages pour la sécurité et la salubrité.
Si [1 le propriétaire]1 n'est pas l'usager, la demande ne peut être prise en considération qu'avec l'accord exprès de l'usager.
§ 3. Les frais de modifications apportées au raccordement par le distributeur sont à charge de celui-ci.
§ 4. Sans préjudice de l'article 198, le raccordement appartient au distributeur qui en assume la responsabilité et l'entretien.
Wijzigingen
Art. D197. [1 Elke aansluiting wordt van minstens één meter voorzien.
Voor nieuwe aansluitingen wordt een meter geplaatst om het verbruik van elke woning, commerciële activiteit of gebouw afzonderlijk te meten. Als de aansluiting van meer dan één meter voorzien wordt, wordt een bijkomende meter geplaatst om het gemeenschappelijke verbruik te registreren.
In geval van wijziging van een bestaande aansluiting, is de aanpassing van het aantal meters voor rekening van de aanvrager. De aansluiting van de binneninstallaties op elke meter is voor rekening van de eigenaar(s).
De Regering bepaalt de voorwaarden tot uitvoering van de aansluiting die de verdeler moet vervullen alsook de technische voorschriften betreffende de normen voor de bescherming van de installaties. Ze kan ook de voorwaarden bepalen m.b.t. de uitvoering en het gebruik van de private binneninstallaties van de gebruikers en de eigenaars.]1
Voor nieuwe aansluitingen wordt een meter geplaatst om het verbruik van elke woning, commerciële activiteit of gebouw afzonderlijk te meten. Als de aansluiting van meer dan één meter voorzien wordt, wordt een bijkomende meter geplaatst om het gemeenschappelijke verbruik te registreren.
In geval van wijziging van een bestaande aansluiting, is de aanpassing van het aantal meters voor rekening van de aanvrager. De aansluiting van de binneninstallaties op elke meter is voor rekening van de eigenaar(s).
De Regering bepaalt de voorwaarden tot uitvoering van de aansluiting die de verdeler moet vervullen alsook de technische voorschriften betreffende de normen voor de bescherming van de installaties. Ze kan ook de voorwaarden bepalen m.b.t. de uitvoering en het gebruik van de private binneninstallaties van de gebruikers en de eigenaars.]1
Art. D197. [1 Chaque raccordement est muni d'au moins un compteur.
Dans le cas d'un nouveau raccordement, un compteur est placé afin de comptabiliser de manière individualisée la consommation de chaque logement, activité commerciale ou bâtiment. Si le raccordement est équipé de plus d'un compteur, un compteur supplémentaire est placé pour l'enregistrement des consommations communes.
Dans le cas d'une modification d'un raccordement existant, l'adaptation du nombre de compteurs est à charge du demandeur. Le branchement des installations intérieures à chaque compteur est à charge du ou des propriétaires.
Le Gouvernement détermine les conditions d'implantation du raccordement qui s'imposent au distributeur ainsi que les dispositions d'ordre technique assurant les normes de protection des installations. Il peut également déterminer les conditions de réalisation et d'utilisation des installations intérieures privées des usagers et des propriétaires.]1
Dans le cas d'un nouveau raccordement, un compteur est placé afin de comptabiliser de manière individualisée la consommation de chaque logement, activité commerciale ou bâtiment. Si le raccordement est équipé de plus d'un compteur, un compteur supplémentaire est placé pour l'enregistrement des consommations communes.
Dans le cas d'une modification d'un raccordement existant, l'adaptation du nombre de compteurs est à charge du demandeur. Le branchement des installations intérieures à chaque compteur est à charge du ou des propriétaires.
Le Gouvernement détermine les conditions d'implantation du raccordement qui s'imposent au distributeur ainsi que les dispositions d'ordre technique assurant les normes de protection des installations. Il peut également déterminer les conditions de réalisation et d'utilisation des installations intérieures privées des usagers et des propriétaires.]1
Wijzigingen
Art. D198. [1 De eigenaar]1 en de gebruiker treffen alle maatregelen om beschadiging van de meter te voorkomen. Ze geven de verdeler kennis van elke beschadiging.
Ze zijn verantwoordelijk voor vorstschade aan de meter en voor het gedeelte van de aansluiting gelegen binnen elk gebouw waar zich een meter bevindt, behalve als vast staat dat de verdeler een fout heeft begaan bij het ontwerpen of het plaatsen van de aansluiting.
De verdeler informeert [1 de eigenaars]1 minstens één keer per jaar of op hun verzoek over de maatregelen ter voorkoming van elke beschadiging van de meter.
Elke meter wordt voorzien van zegels die niet vervalst mogen worden op straffe van een boete waarvan de modaliteiten door de Regering bepaald worden, onverminderd een eventuele onmiddellijke onderbreking van de dienst.
Ze zijn verantwoordelijk voor vorstschade aan de meter en voor het gedeelte van de aansluiting gelegen binnen elk gebouw waar zich een meter bevindt, behalve als vast staat dat de verdeler een fout heeft begaan bij het ontwerpen of het plaatsen van de aansluiting.
De verdeler informeert [1 de eigenaars]1 minstens één keer per jaar of op hun verzoek over de maatregelen ter voorkoming van elke beschadiging van de meter.
Elke meter wordt voorzien van zegels die niet vervalst mogen worden op straffe van een boete waarvan de modaliteiten door de Regering bepaald worden, onverminderd een eventuele onmiddellijke onderbreking van de dienst.
Art. D198. [1 Le propriétaire]1 et l'usager prennent toutes dispositions pour éviter la détérioration du compteur. Il leur incombe d'informer le distributeur dès la connaissance de celle-ci.
A ce titre, ils sont responsables des dégâts que le gel a provoqués au compteur et à la partie du raccordement située à l'intérieur de toute construction abritant le compteur, sauf s'il est établi que le distributeur a commis une faute dans la conception ou l'exécution du placement du raccordement.
Le distributeur informe au moins annuellement ou sur demande les [1 propriétaires]1 et les usagers quant aux actions permettant d'éviter toute détérioration du compteur.
Tout compteur est muni de scellés qui ne peuvent être altérés sous peine d'une sanction financière dont les modalités sont fixées par le Gouvernement, sans préjudice d'une éventuelle interruption immédiate du service.
A ce titre, ils sont responsables des dégâts que le gel a provoqués au compteur et à la partie du raccordement située à l'intérieur de toute construction abritant le compteur, sauf s'il est établi que le distributeur a commis une faute dans la conception ou l'exécution du placement du raccordement.
Le distributeur informe au moins annuellement ou sur demande les [1 propriétaires]1 et les usagers quant aux actions permettant d'éviter toute détérioration du compteur.
Tout compteur est muni de scellés qui ne peuvent être altérés sous peine d'une sanction financière dont les modalités sont fixées par le Gouvernement, sans préjudice d'une éventuelle interruption immédiate du service.
Wijzigingen
Art. D199. Bij verandering [1 van eigenaar]1 verwittigen de voormalige en de nieuwe houder van zakelijke rechten op het aangesloten gebouw de verdeler; zolang ze die verplichting niet nakomen, dragen ze de lasten van de dienst.
De Regering bepaalt de modaliteiten van die verplichting.
De Regering bepaalt de modaliteiten van die verplichting.
Art. D199. En cas de changement [1 de propriétaire]1, l'ancien et le nouveau titulaire de droits réels sur l'immeuble raccordé sont tenus d'en informer le distributeur, à défaut de rester tenus des charges du service jusqu'à accomplissement de cette obligation.
Le Gouvernement fixe les modalités de cette obligation.
Le Gouvernement fixe les modalités de cette obligation.
Wijzigingen
Onderafdeling 3. - Bevoorrading, gebruik en bescherming van de installaties.
Sous-section 3. - Approvisionnement, utilisation et protection des installations.
Art. D200. Naast de wettelijke en reglementaire voorschriften bedoeld in de artikelen 180 tot 193, 411 tot 415 en 430, voert de verdeler zijn opdracht van openbare dienst uit wanneer hij de op het openbare distributienet aangesloten gebouwen regelmatig bevoorraadt, behoudens uitzonderlijke omstandigheden of omstandigheden die redelijkerwijs niet beheerst kunnen worden.
De Regering bepaalt de voorwaarden van een regelmatige bevoorrading.
Alle werken die nuttig zijn om de bevoorrading te waarborgen, worden zo spoedig mogelijk door de verdeler uitgevoerd.
De Regering bepaalt de voorwaarden van een regelmatige bevoorrading.
Alle werken die nuttig zijn om de bevoorrading te waarborgen, worden zo spoedig mogelijk door de verdeler uitgevoerd.
Art. D200. Outre les prescriptions légales et réglementaires prévues aux articles 180 à 193, 411 à 415 et 430, le distributeur réalise sa mission de service public lorsqu'il assure, sauf circonstances exceptionnelles ou qui ne peuvent être raisonnablement maîtrisées, un approvisionnement régulier des immeubles raccordés au réseau public de distribution.
Le Gouvernement détermine les conditions d'un approvisionnement régulier.
Le distributeur veille à l'exécution dans les plus brefs délais de tous les travaux utiles à garantir cet approvisionnement.
Le Gouvernement détermine les conditions d'un approvisionnement régulier.
Le distributeur veille à l'exécution dans les plus brefs délais de tous les travaux utiles à garantir cet approvisionnement.
Art. D201. Elke klacht van een gebruiker van de dienst wordt onmiddellijk in aanmerking genomen; de verdeler wijst binnen zijn midden personen aan die de klachten in ontvangst nemen en behandelen.
Art. D201. Toute réclamation émanant d'un client du service est immédiatement prise en considération; le distributeur désigne en ses services un contact chargé de recevoir et de traiter les plaintes.
Art. D202. De openbare watervoorziening van een gebouw dat gedeeltelijk of geheel voor woning bestemd is, mag slechts afgesloten worden :
- voor de bescherming van de openbare gezondheid, de salubriteit, de continuïteit van de dienst;
- op verzoek van de gebruiker;
- ter uitvoering van een rechterlijke beslissing wegens niet-betaling waarbij de distributie onderbroken mag worden;
- als behoorlijk vastgesteld is dat de toegang tot de meter verhinderd wordt, overeenkomstig [1 artikel D.207]1.
De openbare watervoorziening van een gebouw dat niet voor woning bestemd is mag slechts afgesloten worden :
- in de gevallen bepaald bij of krachtens het decreet;
- op verzoek van de gebruiker;
- bij niet-betaling na aanmaning;
- als behoorlijk vastgesteld is dat de toegang tot de meter verhinderd wordt, overeenkomstig artikel 207.
Als de dienst om veiligheids- of openbare gezondheidsredenen onderbroken wordt, verwittigt de verdeler onmiddellijk de burgemeester van betrokken gemeente en geeft hij hem kennis van de gronden van de onderbreking.
Als de dienst onderbroken wordt na een rechterlijke beslissing, wordt de voorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zo spoedig mogelijk door de verdeler verwittigd.
De bijzondere bepalingen betreffende de onderbreking van de dienst worden door de Regering bepaald.
- voor de bescherming van de openbare gezondheid, de salubriteit, de continuïteit van de dienst;
- op verzoek van de gebruiker;
- ter uitvoering van een rechterlijke beslissing wegens niet-betaling waarbij de distributie onderbroken mag worden;
- als behoorlijk vastgesteld is dat de toegang tot de meter verhinderd wordt, overeenkomstig [1 artikel D.207]1.
De openbare watervoorziening van een gebouw dat niet voor woning bestemd is mag slechts afgesloten worden :
- in de gevallen bepaald bij of krachtens het decreet;
- op verzoek van de gebruiker;
- bij niet-betaling na aanmaning;
- als behoorlijk vastgesteld is dat de toegang tot de meter verhinderd wordt, overeenkomstig artikel 207.
Als de dienst om veiligheids- of openbare gezondheidsredenen onderbroken wordt, verwittigt de verdeler onmiddellijk de burgemeester van betrokken gemeente en geeft hij hem kennis van de gronden van de onderbreking.
Als de dienst onderbroken wordt na een rechterlijke beslissing, wordt de voorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zo spoedig mogelijk door de verdeler verwittigd.
De bijzondere bepalingen betreffende de onderbreking van de dienst worden door de Regering bepaald.
Art. D202. La distribution publique d'eau à un immeuble affecté en tout ou en partie à l'habitation ne peut être interrompue :
- que pour protéger la santé publique, la salubrité ou la continuité du service;
- qu'à la demande de l'usager;
- qu'en exécution d'une décision judiciaire rendue pour non-paiement et autorisant le recours à l'interruption de la distribution;
- qu'en cas d'empêchement dûment constaté d'accéder au compteur, conformément à [1 l'article D.207]1.
La distribution publique d'eau à un immeuble qui n'est pas affecté à l'habitation ne peut être interrompue :
- que dans les cas prévus par ou en vertu du décret;
- qu'à la demande de l'usager;
- qu'en cas de non-paiement après mise en demeure;
- qu'en cas d'empêchement dûment constaté d'accéder au compteur, conformément à l'article 207.
Lorsque le service est interrompu pour raisons de sécurité ou de santé publique, le distributeur informe immédiatement le bourgmestre de la commune concernée, tout en précisant les causes de l'interruption.
Lorsque le service est interrompu suite à une décision de justice, le président du centre public d'aide sociale est informé sans délai par le distributeur de l'interruption.
Les dispositions particulières relatives à l'interruption du service sont fixées par le Gouvernement.
- que pour protéger la santé publique, la salubrité ou la continuité du service;
- qu'à la demande de l'usager;
- qu'en exécution d'une décision judiciaire rendue pour non-paiement et autorisant le recours à l'interruption de la distribution;
- qu'en cas d'empêchement dûment constaté d'accéder au compteur, conformément à [1 l'article D.207]1.
La distribution publique d'eau à un immeuble qui n'est pas affecté à l'habitation ne peut être interrompue :
- que dans les cas prévus par ou en vertu du décret;
- qu'à la demande de l'usager;
- qu'en cas de non-paiement après mise en demeure;
- qu'en cas d'empêchement dûment constaté d'accéder au compteur, conformément à l'article 207.
Lorsque le service est interrompu pour raisons de sécurité ou de santé publique, le distributeur informe immédiatement le bourgmestre de la commune concernée, tout en précisant les causes de l'interruption.
Lorsque le service est interrompu suite à une décision de justice, le président du centre public d'aide sociale est informé sans délai par le distributeur de l'interruption.
Les dispositions particulières relatives à l'interruption du service sont fixées par le Gouvernement.
Wijzigingen
Art. D203. De verdeler kan de dienst opschorten in geval van overmacht of telkens als de noodzaak van herstel-, vernieuwings-, wijzigings-, verplaatsings-, onderhouds- of exploitatiewerken het rechtvaardigt.
De verdeler doet er alles aan om de onderbrekingen uit te voeren op tijdstippen waarop de gezamenlijke verbruikers zo min mogelijk hinder ondervinden en beperkt het aantal en de duur ervan.
Behoudens dringende noodzakelijkheid worden de gebruikers drie werkdagen op voorhand [1 ...]1 verwittigd.
Onverminderd artikel 200 en artikelen 180 tot 193, 411 tot 415 en 430 komt de verdeler de verplichting na waarbij alle middelen ingezet moeten worden om de handelingen van de dienst uit te voeren.
§ 2. - Gebruik en bescherming van de installaties
De verdeler doet er alles aan om de onderbrekingen uit te voeren op tijdstippen waarop de gezamenlijke verbruikers zo min mogelijk hinder ondervinden en beperkt het aantal en de duur ervan.
Behoudens dringende noodzakelijkheid worden de gebruikers drie werkdagen op voorhand [1 ...]1 verwittigd.
Onverminderd artikel 200 en artikelen 180 tot 193, 411 tot 415 en 430 komt de verdeler de verplichting na waarbij alle middelen ingezet moeten worden om de handelingen van de dienst uit te voeren.
§ 2. - Gebruik en bescherming van de installaties
Art. D203. Le distributeur peut suspendre le service en cas de force majeure ou chaque fois que les nécessités de travaux de réparation, de renouvellement, de modification, de déplacement, d'entretien ou d'exploitation le justifient.
Le distributeur s'efforce de choisir les moments où ces suspensions gênent le moins possible l'ensemble des usagers et d'en limiter le nombre et la durée.
Sauf cas d'urgence, les usagers en sont informés préalablement, sous préavis de trois jours francs[1 ...]1.
Sans préjudice de l'article 200 et des articles 180 à 193, 411 à 415 et 430, le distributeur répond d'une obligation de moyen quant aux actes du service.
§ 2. Utilisation et protection des installations
Le distributeur s'efforce de choisir les moments où ces suspensions gênent le moins possible l'ensemble des usagers et d'en limiter le nombre et la durée.
Sauf cas d'urgence, les usagers en sont informés préalablement, sous préavis de trois jours francs[1 ...]1.
Sans préjudice de l'article 200 et des articles 180 à 193, 411 à 415 et 430, le distributeur répond d'une obligation de moyen quant aux actes du service.
§ 2. Utilisation et protection des installations
Wijzigingen
Art. D204. [1 De Regering bepaalt de technische voorschriften betreffende de plaatsing van de aansluitingen, de voorwaarden voor de uitvoering en het gebruik van de private binneninstallaties alsook de bescherming van de installaties van de verdeler.
De Regering kan de modaliteiten bepalen m.b.t. de opname van de meterstand, de forfaitaire schatting van de verbruiken, de controle op de meter, de rechtzetting van de rekeningen van de gebruiker, de vergoeding van de verdeler voor de kosten van de prestaties die hij verricht op verzoek of door de schuld van de gebruiker of de eigenaar alsook voor de vergoeding van de verdeler ingevolge overtredingen begaan door de gebruiker of de eigenaar.]1
De Regering kan de modaliteiten bepalen m.b.t. de opname van de meterstand, de forfaitaire schatting van de verbruiken, de controle op de meter, de rechtzetting van de rekeningen van de gebruiker, de vergoeding van de verdeler voor de kosten van de prestaties die hij verricht op verzoek of door de schuld van de gebruiker of de eigenaar alsook voor de vergoeding van de verdeler ingevolge overtredingen begaan door de gebruiker of de eigenaar.]1
Art. D204. [1 Le Gouvernement détermine les dispositions techniques relatives au placement des raccordements, aux conditions de réalisation et d'utilisation des installations intérieures privées ainsi qu'à la protection des installations du distributeur.
Le Gouvernement peut déterminer les modalités de relevé d'index, d'estimation forfaitaire des consommations, de contrôle du compteur, de redressement des comptes de l'usager, d'indemnisation du distributeur pour les coûts de ses prestations effectuées à la demande ou par la faute de l'usager ou du propriétaire ainsi que d'indemnisation du distributeur à la suite d'infractions commises par l'usager ou le propriétaire. ]1
Le Gouvernement peut déterminer les modalités de relevé d'index, d'estimation forfaitaire des consommations, de contrôle du compteur, de redressement des comptes de l'usager, d'indemnisation du distributeur pour les coûts de ses prestations effectuées à la demande ou par la faute de l'usager ou du propriétaire ainsi que d'indemnisation du distributeur à la suite d'infractions commises par l'usager ou le propriétaire. ]1
Wijzigingen
Art. D205. De gebruiker zorgt voor een zuinig watergebruik en houdt rekening met de beslissingen en richtlijnen van de verdeler waarbij het watergebruik beperkt wordt in geval van droogte, van technische incidenten of van problemen i.v.m. de kwaliteit van het water, onverminderd de bevoegdheden waarover de bevoegde overheden beschikken.
Art. D205. L'usager veille à une utilisation parcimonieuse de l'eau et doit se conformer aux décisions et instructions du distributeur limitant l'usage de l'eau en cas de sécheresse, d'incidents techniques ou relatifs à la qualité de l'eau, sans préjudice des pouvoirs dont disposent les autorités compétentes.
Art. D206. [1 De eigenaars]1 en de gebruikers treffen de nodige maatregelen om hun installaties te beschermen tegen alle eventuele ongevallen te wijten aan een drukvariatie of aan de tijdelijke opschorting van de dienst.
De verdeler verstrekt minstens jaarlijks of op verzoek van de [1 eigenaars]1 of gebruikers nuttige informatie voor de bescherming van de installaties.
§ 3. Toegang tot de installaties en de meters
De verdeler verstrekt minstens jaarlijks of op verzoek van de [1 eigenaars]1 of gebruikers nuttige informatie voor de bescherming van de installaties.
§ 3. Toegang tot de installaties en de meters
Art. D206. Les [1 propriétaires]1 et les usagers sont tenus de prendre les dispositions nécessaires pour protéger leurs installations contre tous les accidents pouvant résulter d'une variation de la pression ou de la suspension momentanée du service.
Le distributeur fournit au moins annuellement ou sur demande aux [1 propriétaires]1 et aux usagers les informations utiles à la protection des installations.
§ 3. Accès aux installations et aux compteurs
Le distributeur fournit au moins annuellement ou sur demande aux [1 propriétaires]1 et aux usagers les informations utiles à la protection des installations.
§ 3. Accès aux installations et aux compteurs
Wijzigingen
Art. D207. Mits inachtneming van de beginselen inzake bescherming van het privé-leven en na schriftelijke verwittiging van de bewoners binnen minimum de voorafgaande achtenveertig uren krijgen de aangestelden van de verdeler die over een dienstkaart en hun identiteitskaart beschikken tussen acht en twintig uur vlotte en veilige toegang tot de aansluiting en de privé-distributie-installatie om elke handeling uit voeren [1 m.b.t. de installaties van de verdeler]1.
Art. D207. Dans le respect des principes de protection de la vie privée et après en avoir informé les occupants par écrit au moins dans les quarante-huit heures qui précèdent, les préposés du distributeur porteurs d'une carte de service et munis de leur carte d'identité et les organismes de contrôle peuvent, en présence des occupants ou de leur représentant, accéder entre huit heures et vingt heures, aisément et sans danger, au raccordement et à l'installation privée de distribution afin de procéder à toute opération [1 relative aux installations du distributeur.]1.
Wijzigingen
Onderafdeling 4. - Registratie van het verbruik.
Sous-section 4. - Enregistrement des consommations.
Art. D208. [1 De verbruikte volumes worden geregistreerd d.m.v. de meter die door de verdeler geplaatst wordt. Het tijdstip en de periodiciteit van de meting van de verbruikte volumes worden door de verdeler bepaald. De meting wordt minstens één keer per jaar uitgevoerd. De gebruiker verleent de verdeler toegang tot de installaties onder de voorwaarden waarin artikel D.207 van dit Wetboek voorziet.]1
Art. D208. [1 Les volumes consommés sont enregistrés au moyen du compteur placé par le distributeur. Le moment et la périodicité du relevé des volumes consommés sont déterminés par le distributeur. Ce relevé a lieu au minimum une fois par an. L'usager permet au distributeur d'accéder aux installations dans les conditions prévues à l'article D.207 du présent Code.]1
Wijzigingen
Onderafdeling 5. - Informatie.
Sous-section 5. - Information.
Art. D209. De verdeler legt een lijst van de geldende tarieven alsook de technische en administratieve voorschriften ter inzage van de gebruiker.
De verdeler is verplicht de gebruikers actief te informeren over de technische en administratieve voorwaarden waaronder de kwaliteit van de door hem verstrekte dienst wordt bepaald.
Bepaalde gegevens worden mogelijkerwijs evenwel niet meegedeeld als de mededeling de bescherming van het privé-leven belet, tegen het algemeen belang indruist of de openbare veiligheid in het gedrang zou kunnen brengen.
Behoudens andersluidende wetsbepaling kan de verdeler op verzoek en met de instemming van de gebruiker hem elk gegeven i.v.m. de stand van zijn rekeningen meedelen, alsook aan de instellingen die een opdracht inzake sociale begeleiding vervullen.
De verdeler is verplicht de gebruikers actief te informeren over de technische en administratieve voorwaarden waaronder de kwaliteit van de door hem verstrekte dienst wordt bepaald.
Bepaalde gegevens worden mogelijkerwijs evenwel niet meegedeeld als de mededeling de bescherming van het privé-leven belet, tegen het algemeen belang indruist of de openbare veiligheid in het gedrang zou kunnen brengen.
Behoudens andersluidende wetsbepaling kan de verdeler op verzoek en met de instemming van de gebruiker hem elk gegeven i.v.m. de stand van zijn rekeningen meedelen, alsook aan de instellingen die een opdracht inzake sociale begeleiding vervullen.
Art. D209. Le distributeur tient à la disposition des usagers une liste des tarifs en vigueur et les impositions techniques et administratives.
Le distributeur a un devoir d'information active envers ses usagers quant aux conditions techniques et administratives établissant la qualité du service qu'il accomplit.
Toutefois, certains renseignements peuvent ne pas être communiques lorsque leur divulgation ferait obstacle à la protection de la vie privée, serait contraire à l'intérêt public ou pourrait porter atteinte gravement à la sécurité publique.
Sauf disposition légale contraire, le distributeur peut communiquer toute donnée relative à l'état des comptes de l'usager tant à celui-ci qu'aux organismes ayant une mission de guidance, à leur demande et avec l'accord de l'usager.
Le distributeur a un devoir d'information active envers ses usagers quant aux conditions techniques et administratives établissant la qualité du service qu'il accomplit.
Toutefois, certains renseignements peuvent ne pas être communiques lorsque leur divulgation ferait obstacle à la protection de la vie privée, serait contraire à l'intérêt public ou pourrait porter atteinte gravement à la sécurité publique.
Sauf disposition légale contraire, le distributeur peut communiquer toute donnée relative à l'état des comptes de l'usager tant à celui-ci qu'aux organismes ayant une mission de guidance, à leur demande et avec l'accord de l'usager.
HOOFDSTUK II. - Herstel van schade veroorzaakt door het winnen en pompen van grondwater.
CHAPITRE II. - Réparation des dommages provoqués par des prises et des pompages d'eau souterraine.
Art. D210. § 1. De uitbater van een grondwaterwinning en de bouwheer van de publieke of private werken die door hun activiteit een daling van de grondwaterlaag veroorzaken, zijn objectief aansprakelijk :
1° voor de schade aan de oppervlakte die eruit voortvloeit voor de onroerende goederen en voor de machines en installaties geïncorporeerd in deze onroerende goederen;
2° de nadelen veroorzaakt door de niet-bezetting of het niet-gebruik van de geteisterde goederen, indien de niet-bezetting of het niet-gebruik voor oorzaak heeft de schade voortvloeiend uit de daling van de waterlaag;
3° de kosten van herhuisvesting en verhuis van de bewoners van de geteisterde goederen.
Elke schade bedoeld in het eerste lid wordt verondersteld veroorzaakt te zijn door een daling van de waterlaag uitgelokt door de activiteit van de uitbater van een grondwaterwinning of de bouwheer van publieke of private werken, tenzij deze bewijzen dat hun activiteit hetzij de daling van de grondwaterlaag, hetzij de daaruit voortvloeiende schade niet veroorzaakt hebben.
§ 2. Zij die, door hun gezamenlijke activiteit, de daling van de grondwaterlaag veroorzaken, zijn solidair aansprakelijk voor de schade die eruit voortvloeit.
§ 3. Hoe dan ook, wanneer onder hen die deze gezamenlijke activiteit hebben uitgeoefend, sommigen het deden met inachtname van de wettelijke bepalingen en de reglementen betreffende het volume van uitwinning van grondwater, terwijl anderen ze overtraden gedurende geheel of een deel van de periode waarin de daling van de grondwaterlaag zich voordeed door onwettige afname van een volume van meer dan 96 m3 per dag, zijn de hiernavolgende regels van toepassing bij afwijking van artikel 1214, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek :
1° de uitbater of de bouwheer die wettelijk, gedurende gans de uitwinningsperiode, water heeft uitgewonnen en die het slachtoffer heeft moeten vergoeden overeenkomstig § 1, heeft het recht de volledige terugbetaling te eisen van de betaalde vergoeding, meer de intresten, ten laste van gelijk welke uitbater of bouwheer die het water onwettelijk putte, en dit zelfs indien de overtreding slechts een deel van de hiervoorgenoemde periode duurde;
2° de uitbater of de bouwheer die onwettelijk, gedurende gans de hiervoorgenoemde periode of gedurende een deel van deze periode, water putte, mag geen enkel deel opeisen, of het ook zij ten laste van een uitbater of een bouwheer die wettelijk water putte.
§ 4. Indien dezen die een gezamenlijke activiteit, bedoeld in § 2, uitoefenden met inachtname van de wettelijke bepalingen en reglementen betreffende het volume van grondwaterwinning en enkelen onder hen een fout begingen in de zin van artikel 1382 e.v. van het Burgerlijk Wetboek, wordt er rekening gehouden met het bestaan van deze fout voor de toepassing van de solidariteitsregel bedoeld in § 2.
§ 5. Het huidige hoofdstuk is niet van toepassing op de schade voortvloeiend uit de drooglegging van de mijnen.
1° voor de schade aan de oppervlakte die eruit voortvloeit voor de onroerende goederen en voor de machines en installaties geïncorporeerd in deze onroerende goederen;
2° de nadelen veroorzaakt door de niet-bezetting of het niet-gebruik van de geteisterde goederen, indien de niet-bezetting of het niet-gebruik voor oorzaak heeft de schade voortvloeiend uit de daling van de waterlaag;
3° de kosten van herhuisvesting en verhuis van de bewoners van de geteisterde goederen.
Elke schade bedoeld in het eerste lid wordt verondersteld veroorzaakt te zijn door een daling van de waterlaag uitgelokt door de activiteit van de uitbater van een grondwaterwinning of de bouwheer van publieke of private werken, tenzij deze bewijzen dat hun activiteit hetzij de daling van de grondwaterlaag, hetzij de daaruit voortvloeiende schade niet veroorzaakt hebben.
§ 2. Zij die, door hun gezamenlijke activiteit, de daling van de grondwaterlaag veroorzaken, zijn solidair aansprakelijk voor de schade die eruit voortvloeit.
§ 3. Hoe dan ook, wanneer onder hen die deze gezamenlijke activiteit hebben uitgeoefend, sommigen het deden met inachtname van de wettelijke bepalingen en de reglementen betreffende het volume van uitwinning van grondwater, terwijl anderen ze overtraden gedurende geheel of een deel van de periode waarin de daling van de grondwaterlaag zich voordeed door onwettige afname van een volume van meer dan 96 m3 per dag, zijn de hiernavolgende regels van toepassing bij afwijking van artikel 1214, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek :
1° de uitbater of de bouwheer die wettelijk, gedurende gans de uitwinningsperiode, water heeft uitgewonnen en die het slachtoffer heeft moeten vergoeden overeenkomstig § 1, heeft het recht de volledige terugbetaling te eisen van de betaalde vergoeding, meer de intresten, ten laste van gelijk welke uitbater of bouwheer die het water onwettelijk putte, en dit zelfs indien de overtreding slechts een deel van de hiervoorgenoemde periode duurde;
2° de uitbater of de bouwheer die onwettelijk, gedurende gans de hiervoorgenoemde periode of gedurende een deel van deze periode, water putte, mag geen enkel deel opeisen, of het ook zij ten laste van een uitbater of een bouwheer die wettelijk water putte.
§ 4. Indien dezen die een gezamenlijke activiteit, bedoeld in § 2, uitoefenden met inachtname van de wettelijke bepalingen en reglementen betreffende het volume van grondwaterwinning en enkelen onder hen een fout begingen in de zin van artikel 1382 e.v. van het Burgerlijk Wetboek, wordt er rekening gehouden met het bestaan van deze fout voor de toepassing van de solidariteitsregel bedoeld in § 2.
§ 5. Het huidige hoofdstuk is niet van toepassing op de schade voortvloeiend uit de drooglegging van de mijnen.
Art. D210. § 1er. L'exploitant d'une prise d'eau souterraine et le maître de l'ouvrage de travaux publics ou privés qui provoquent, par leur activité, l'abaissement de la nappe aquifère souterraine, sont objectivement responsables :
1° des dommages de surface qui en résultent pour les immeubles et pour les machines et installations incorporées à des immeubles;
2° des préjudices causés par non-occupation ou non-utilisation des immeubles sinistrés, lorsque la non-occupation et la non-utilisation ont pour causes les dégâts qui résultent de l'abaissement de la nappe aquifère;
3° des frais de relogement et de déménagement des occupants d'immeubles sinistrés.
Tout dommage visé à l'alinéa 1er est présumé être causé par un abaissement de la nappe aquifère provoqué par l'activité de l'exploitant d'une prise d'eau souterraine ou du maître de l'ouvrage de travaux publics ou privés, à moins que ceux-ci ne prouvent soit que leur activité n'a pas provoqué l'abaissement de la nappe aquifère souterraine, soit que les dommages ne résultent pas de celui-ci.
§ 2. Ceux qui, par leur activité conjuguée, suscitent l'abaissement d'une nappe aquifère souterraine sont solidairement responsables des dommages qui en résultent.
§ 3. Toutefois, lorsque parmi ceux qui ont exercé cette activité conjuguée, certains l'ont fait en respectant les dispositions législatives et réglementaires relatives au volume d'extraction d'eaux souterraines, alors que d'autres les ont transgressées en prélevant, illégalement, pendant tout ou partie de la période où l'abaissement de la nappe aquifère s'est produit, un volume de plus de 96 m3 d'eau par jour, les règles suivantes sont applicables, par dérogation à l'article 1214, alinéa 1er, du Code civil :
1° l'exploitant ou le maître de l'ouvrage qui, ayant prélevé l'eau légalement pendant toute la période de prélèvement, a dû indemniser la victime en vertu du paragraphe 1er a le droit d'exiger le remboursement intégral de l'indemnité payée, avec intérêts, à charge de n'importe quel exploitant ou maître d'ouvrage qui a prélevé l'eau illégalement, et ce, même si l'infraction n'a duré qu'une partie de la période ci-dessus;
2° l'exploitant ou le maître de l'ouvrage qui a prélevé l'eau illégalement, pendant toute la période ci-dessus ou pendant une partie de cette période, ne peut réclamer aucune part que ce soit à charge d'un exploitant ou maître d'ouvrage qui a prélevé l'eau légalement.
§ 4. Lorsque ceux qui ont exercé l'activité conjuguée visée au paragraphe 2 l'ont tous fait en respectant les dispositions législatives et réglementaires relatives au volume d'extraction d'eaux souterraines, si certains d'entre eux ont commis une faute au sens des articles 1382 et suivants du Code civil, il est tenu compte de l'existence de cette faute pour l'application de la règle de solidarité visée au paragraphe 2.
§ 5. Le présent chapitre n'est pas applicable aux dommages résultant de travaux d'exhaure dans les mines.
1° des dommages de surface qui en résultent pour les immeubles et pour les machines et installations incorporées à des immeubles;
2° des préjudices causés par non-occupation ou non-utilisation des immeubles sinistrés, lorsque la non-occupation et la non-utilisation ont pour causes les dégâts qui résultent de l'abaissement de la nappe aquifère;
3° des frais de relogement et de déménagement des occupants d'immeubles sinistrés.
Tout dommage visé à l'alinéa 1er est présumé être causé par un abaissement de la nappe aquifère provoqué par l'activité de l'exploitant d'une prise d'eau souterraine ou du maître de l'ouvrage de travaux publics ou privés, à moins que ceux-ci ne prouvent soit que leur activité n'a pas provoqué l'abaissement de la nappe aquifère souterraine, soit que les dommages ne résultent pas de celui-ci.
§ 2. Ceux qui, par leur activité conjuguée, suscitent l'abaissement d'une nappe aquifère souterraine sont solidairement responsables des dommages qui en résultent.
§ 3. Toutefois, lorsque parmi ceux qui ont exercé cette activité conjuguée, certains l'ont fait en respectant les dispositions législatives et réglementaires relatives au volume d'extraction d'eaux souterraines, alors que d'autres les ont transgressées en prélevant, illégalement, pendant tout ou partie de la période où l'abaissement de la nappe aquifère s'est produit, un volume de plus de 96 m3 d'eau par jour, les règles suivantes sont applicables, par dérogation à l'article 1214, alinéa 1er, du Code civil :
1° l'exploitant ou le maître de l'ouvrage qui, ayant prélevé l'eau légalement pendant toute la période de prélèvement, a dû indemniser la victime en vertu du paragraphe 1er a le droit d'exiger le remboursement intégral de l'indemnité payée, avec intérêts, à charge de n'importe quel exploitant ou maître d'ouvrage qui a prélevé l'eau illégalement, et ce, même si l'infraction n'a duré qu'une partie de la période ci-dessus;
2° l'exploitant ou le maître de l'ouvrage qui a prélevé l'eau illégalement, pendant toute la période ci-dessus ou pendant une partie de cette période, ne peut réclamer aucune part que ce soit à charge d'un exploitant ou maître d'ouvrage qui a prélevé l'eau légalement.
§ 4. Lorsque ceux qui ont exercé l'activité conjuguée visée au paragraphe 2 l'ont tous fait en respectant les dispositions législatives et réglementaires relatives au volume d'extraction d'eaux souterraines, si certains d'entre eux ont commis une faute au sens des articles 1382 et suivants du Code civil, il est tenu compte de l'existence de cette faute pour l'application de la règle de solidarité visée au paragraphe 2.
§ 5. Le présent chapitre n'est pas applicable aux dommages résultant de travaux d'exhaure dans les mines.
Art. D211. Enkel de vrederechter is bevoegd om kennis te nemen in eerste aanleg, welk ook het bedrag is van de vraag, van de vorderingen gesteund op het huidige hoofdstuk.
Hij beslist in laatste aanleg op de vragen betreffende het bedrag dat 12 500 euro niet overschrijdt.
Hij beslist in laatste aanleg op de vragen betreffende het bedrag dat 12 500 euro niet overschrijdt.
Art. D211. Le juge de paix est le seul compétent pour connaître en premier ressort, quel que soit le montant de la demande, des actions fondées sur le présent chapitre.
Il statue en dernier ressort sur les demandes dont le montant n'excède pas 12.500 euros.
Il statue en dernier ressort sur les demandes dont le montant n'excède pas 12.500 euros.
Art. D212. De dagvaarding voor de vrederechter dient, op straffe van onontvankelijkheid van de vordering, te worden voorafgegaan door een verzoeningspoging, gedaan door oproeping in verzoening voor de vrederechter.
Indien de aansprakelijkheid niet wordt betwist, zijn de gedaagden verplicht een voorstel van schadevergoeding te doen binnen een termijn van drie maanden vanaf de eerste verschijning in verzoening, of, in geval van hoogdringendheid, binnen de termijn vastgesteld door de vrederechter.
Het proces-verbaal van verschijning vermeldt het akkoord of het niet-akkoord. Het bedrag van het eventuele aanbod wordt erin vermeld.
Een uitgifte van het proces-verbaal bekleed met de uitvoerende formule wordt afgeleverd.
In geval van niet-akkoord moet de benadeelde persoon, op straffe van onontvankelijkheid van de vordering, de dagvaarding inleiden voor de vrederechter binnen de drie maanden die volgen op afgifte van de uitgifte van proces-verbaal dat het niet-akkoord vaststelt.
Indien de aansprakelijkheid niet wordt betwist, zijn de gedaagden verplicht een voorstel van schadevergoeding te doen binnen een termijn van drie maanden vanaf de eerste verschijning in verzoening, of, in geval van hoogdringendheid, binnen de termijn vastgesteld door de vrederechter.
Het proces-verbaal van verschijning vermeldt het akkoord of het niet-akkoord. Het bedrag van het eventuele aanbod wordt erin vermeld.
Een uitgifte van het proces-verbaal bekleed met de uitvoerende formule wordt afgeleverd.
In geval van niet-akkoord moet de benadeelde persoon, op straffe van onontvankelijkheid van de vordering, de dagvaarding inleiden voor de vrederechter binnen de drie maanden die volgen op afgifte van de uitgifte van proces-verbaal dat het niet-akkoord vaststelt.
Art. D212. La citation devant le juge de paix doit, sous peine d'irrecevabilité de la demande, être précédée d'une tentative de conciliation, faite par un appel en conciliation devant le juge de paix.
Si la responsabilité n'est pas contestée, les appelés sont obligés de faire une offre d'indemnisation dans un délai de trois mois, à partir de la première comparution en conciliation, ou en cas d'urgence dans le délai fixé par le juge de paix.
Le procès-verbal de comparution acte l'accord ou le désaccord) Le montant de l'offre éventuelle y est mentionné.
Une expédition du procès-verbal revêtue de la formule exécutoire est délivrée.
En cas de désaccord, la personne lésée doit, sous peine d'irrecevabilité de la demande, introduire la citation devant le juge de paix dans les trois mois qui suivent la délivrance de l'expédition du procès-verbal constatant le désaccord).
Si la responsabilité n'est pas contestée, les appelés sont obligés de faire une offre d'indemnisation dans un délai de trois mois, à partir de la première comparution en conciliation, ou en cas d'urgence dans le délai fixé par le juge de paix.
Le procès-verbal de comparution acte l'accord ou le désaccord) Le montant de l'offre éventuelle y est mentionné.
Une expédition du procès-verbal revêtue de la formule exécutoire est délivrée.
En cas de désaccord, la personne lésée doit, sous peine d'irrecevabilité de la demande, introduire la citation devant le juge de paix dans les trois mois qui suivent la délivrance de l'expédition du procès-verbal constatant le désaccord).
Art. D213. § 1. De eisers dienen vooraf de schade te laten vaststellen door de bevoegde beambten van het Ministerie van het Waalse Gewest die ertoe gehouden zijn de vaststelling te doen en te betekenen aan eisers binnen een termijn van veertig dagen vanaf de aanvraag tot vaststelling gedaan bij een per post aangetekende brief.
De vaststelling gedaan vóór 17 januari 1986 door de bevoegde beambten in toepassing van de wet van 10 januari 1977 regelende het herstel van de schade veroorzaakt door grondwaterwinning en pomping, zijn eveneens geldig.
§ 2. De verzoeken tot verzoening gesteund op het huidige hoofdstuk dienen ingeleid te worden voor de vrederechter binnen de twee jaar vanaf de betekening van de vinding van de schade overeenkomstig § 1.
Na deze termijn zal het gemeenrecht van toepassing zijn.
§ 3. Indien het feit dat een verzoek werd gericht aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Energie, Afdeling Water bij een per post aangetekende brief, deze niet is overgegaan tot de vaststelling binnen een termijn van veertig dagen, kan de verzoeker een verzoek tot verzoening inleiden zonder dat de vaststelling heeft plaatsgehad.
§ 4. Gevat door het beroep tot verzoening kan de vrederechter bevel geven aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Energie, Afdeling Water om over te gaan tot de vaststellingen binnen een termijn van vijftien dagen. De bevelschriften zijn gericht aan de beambten hiertoe aangeduid door de Regering.
§ 5. De Regering mag ook experten erkennen om over te gaan tot de vaststellingen in de plaats van de beambten, overeenkomstig de modaliteiten die zij bepaalt; deze experten zullen hun functie uitoefenen op kosten van het Gewest, overeenkomstig het tarief vastgelegd door de Regering.
De vaststelling gedaan vóór 17 januari 1986 door de bevoegde beambten in toepassing van de wet van 10 januari 1977 regelende het herstel van de schade veroorzaakt door grondwaterwinning en pomping, zijn eveneens geldig.
§ 2. De verzoeken tot verzoening gesteund op het huidige hoofdstuk dienen ingeleid te worden voor de vrederechter binnen de twee jaar vanaf de betekening van de vinding van de schade overeenkomstig § 1.
Na deze termijn zal het gemeenrecht van toepassing zijn.
§ 3. Indien het feit dat een verzoek werd gericht aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Energie, Afdeling Water bij een per post aangetekende brief, deze niet is overgegaan tot de vaststelling binnen een termijn van veertig dagen, kan de verzoeker een verzoek tot verzoening inleiden zonder dat de vaststelling heeft plaatsgehad.
§ 4. Gevat door het beroep tot verzoening kan de vrederechter bevel geven aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Energie, Afdeling Water om over te gaan tot de vaststellingen binnen een termijn van vijftien dagen. De bevelschriften zijn gericht aan de beambten hiertoe aangeduid door de Regering.
§ 5. De Regering mag ook experten erkennen om over te gaan tot de vaststellingen in de plaats van de beambten, overeenkomstig de modaliteiten die zij bepaalt; deze experten zullen hun functie uitoefenen op kosten van het Gewest, overeenkomstig het tarief vastgelegd door de Regering.
Art. D213. § 1er. Les demandeurs doivent au préalable avoir fait constater le dommage par les agents compétents du Ministère de la Région wallonne, lesquels sont tenus d'effectuer la constatation et de notifier le constat aux demandeurs dans un délai de quarante jours à partir de la demande de constatation adressée par lettre recommandée.
Les constatations effectuées antérieurement au 17 janvier 1986 par les agents compétents en vertu de la loi du 10 janvier 1977 organisant la réparation des dommages provoqués par des prises et des pompages d'eau souterraine sont également valables.
§ 2. Les demandes en conciliation fondées sur le présent chapitre doivent être introduites auprès du juge de paix dans les deux ans à dater de la notification du constat du dommage conformément au paragraphe 1er.
Passé ce délai, le droit commun sera applicable.
§ 3. Si, malgré qu'une demande ait été adressée par lettre recommandée à la D.G.R.N.E., Division de l'eau, celle-ci n'a pas procédé à la constatation dans le délai de quarante jours, le demandeur peut introduire la demande de conciliation sans que la constatation ait eu lieu.
§ 4. Saisi de l'appel en conciliation, le juge de paix peut ordonner que la D.G.R.N.E., Division de l'eau, procède à la constatation, dans un délai de quinze jours. Les ordonnances sont adressées aux agents désignés à cette fin par le Gouvernement.
§ 5. Le Gouvernement peut agréer des experts pour procéder aux constats, en lieu et place des agents, selon les modalités qu'il détermine; ces experts exerceront cette mission aux frais de la Région, selon le tarif fixé par le Gouvernement.
Les constatations effectuées antérieurement au 17 janvier 1986 par les agents compétents en vertu de la loi du 10 janvier 1977 organisant la réparation des dommages provoqués par des prises et des pompages d'eau souterraine sont également valables.
§ 2. Les demandes en conciliation fondées sur le présent chapitre doivent être introduites auprès du juge de paix dans les deux ans à dater de la notification du constat du dommage conformément au paragraphe 1er.
Passé ce délai, le droit commun sera applicable.
§ 3. Si, malgré qu'une demande ait été adressée par lettre recommandée à la D.G.R.N.E., Division de l'eau, celle-ci n'a pas procédé à la constatation dans le délai de quarante jours, le demandeur peut introduire la demande de conciliation sans que la constatation ait eu lieu.
§ 4. Saisi de l'appel en conciliation, le juge de paix peut ordonner que la D.G.R.N.E., Division de l'eau, procède à la constatation, dans un délai de quinze jours. Les ordonnances sont adressées aux agents désignés à cette fin par le Gouvernement.
§ 5. Le Gouvernement peut agréer des experts pour procéder aux constats, en lieu et place des agents, selon les modalités qu'il détermine; ces experts exerceront cette mission aux frais de la Région, selon le tarif fixé par le Gouvernement.
Art. D214. De eiser wordt veroordeeld geheel of gedeeltelijk tot de kosten indien het bedrag van de vergoeding toegekend door de vrederechter minder bedraagt dan deze van het aanbod bedoeld in artikel 212.
Art. D214. Le demandeur est condamné à tout ou partie des dépens lorsque le montant de l'indemnité allouée par le juge de paix est inférieur à celui de l'offre visée à l'article 212.
Art. D215. Iedere uitbater van een grondwaterwinning kan door de bevoegde dienst van de regionale administratie, in zijn installaties, het debiet van het gewonnen water en de genomen voorzorgen laten vaststellen.
Hij ontvangt een voor eensluidend verklaard afschrift van deze vaststelling. De Regering stelt het tarief van de kosten van bevinding vast die ten laste vallen van de verzoeker.
Hij ontvangt een voor eensluidend verklaard afschrift van deze vaststelling. De Regering stelt het tarief van de kosten van bevinding vast die ten laste vallen van de verzoeker.
Art. D215. Tout exploitant d'une prise d'eau souterraine peut faire constater par le service compétent de l'administration régionale, dans ses installations, le débit capté et les précautions prises.
Il reçoit une copie certifiée conforme de ce constat. Le Gouvernement fixe le tarif des frais de constat incombant au demandeur.
Il reçoit une copie certifiée conforme de ce constat. Le Gouvernement fixe le tarif des frais de constat incombant au demandeur.
HOOFDSTUK III. - Zuivering van het water.
CHAPITRE III. - Assainissement de l'eau.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Section 1re. - Dispositions générales.
Art. D216. [1 De Regering belast de " S.P.G.E. "bij beheerscontract met de uitvoering van de beheersplannen voor de Waalse stroomgebieden, wat betreft de collectieve en autonome sanering van de afvalwateren volgens de prioriteiten die in de betrokken beheersplannen vastliggen.]1
Art. D216. [1 Le Gouvernement charge, par contrat de gestion, la S.P.G.E. de l'exécution des plans de gestion des bassins hydrographiques wallons en ce qu'il concerne l'assainissement collectif et autonome des eaux usées selon les priorités fixées dans les plans de gestion concernés.]1
Wijzigingen
Afdeling 2. - Bepalingen betreffende de rioleringen en de afvloeiing en de verwerking van afvalwater.
Section 2. - Dispositions relatives à l'égouttage, ainsi qu'à l'évacuation et au traitement d'eaux usées.
Art. D217. Voor de toepassing van de Richtlijnen van de Europese Commissie en van andere internationale akten inzake bescherming van het oppervlaktewater kan de Regering de gemeenten verplichten tot het uitvoeren van rioleringswerkzaamheden op een gedeelte of op het geheel van hun grondgebied, onder de voorwaarden en binnen de termijn die zij bepaalt.
Om dezelfde doelstelling te bereiken kan ze bovendien criteria vaststellen waardoor die van de werken vermeld in het in artikel 218 bedoelde [1 saneringsplan per deelstroomgebied]1 kunnen worden bepaald. Deze werken moeten bij voorrang worden uitgevoerd hetzij om de optimalisering van de werking van de zuiveringsstations te waarborgen, hetzij nog om een snelle bescherming van de kwetsbare gebieden zoals de voorkomings- of toezichtgebieden te verzekeren.
Om dezelfde doelstelling te bereiken kan ze bovendien criteria vaststellen waardoor die van de werken vermeld in het in artikel 218 bedoelde [1 saneringsplan per deelstroomgebied]1 kunnen worden bepaald. Deze werken moeten bij voorrang worden uitgevoerd hetzij om de optimalisering van de werking van de zuiveringsstations te waarborgen, hetzij nog om een snelle bescherming van de kwetsbare gebieden zoals de voorkomings- of toezichtgebieden te verzekeren.
Art. D217. En vue d'appliquer les directives de la Communauté européenne et d'autres actes internationaux en matière de protection des eaux de surface, le Gouvernement peut imposer aux communes de réaliser des travaux d'égouttage sur tout ou partie de leur territoire aux conditions et dans les délais qu'il fixe.
Il peut en outre, en vue d'atteindre le même objectif, arrêter des critères permettant de déterminer ceux des travaux envisagés dans le [1 plan d'assainissement par sous-bassin hydrographique]1 visé à l'article 218, qui doivent être réalisés prioritairement, soit pour assurer l'optimalisation du fonctionnement des stations d'épuration, soit encore pour assurer une protection rapide des zones sensibles, telles que les zones de prévention ou de surveillance.
Il peut en outre, en vue d'atteindre le même objectif, arrêter des critères permettant de déterminer ceux des travaux envisagés dans le [1 plan d'assainissement par sous-bassin hydrographique]1 visé à l'article 218, qui doivent être réalisés prioritairement, soit pour assurer l'optimalisation du fonctionnement des stations d'épuration, soit encore pour assurer une protection rapide des zones sensibles, telles que les zones de prévention ou de surveillance.
Wijzigingen
Art. D218. § 1. De Regering legt een algemeen zuiveringsreglement vast voor de afvoer en de behandeling van het stedelijk afvalwater.
Het algemeen zuiveringsreglement bepaalt :
- de algemene verplichtingen i.v.m. de afvoer en de behandeling van het stedelijk afvalwater,
- de autonome en overgangsstelsels inzake collectieve zuivering;
- de bepalingscriteria en de verplichtingen i.v.m. de toepassing van die stelsels binnen de agglomeraties en de zones;
- de modaliteiten voor de toepassing van de zuiveringsstelsels per agglomeratie of per zone, alsook de evolutie ervan;
- de principes voor de vastlegging van de zuiveringsplannen per hydrografisch onderbekken en de voorwaarden voor de herzieningen en bijwerkingen ervan.
§ 2. Het algemeen zuiveringsreglement voorziet in een zuiveringsplan voor ieder hydrografisch onderbekken.
Het zuiveringsplan per hydrografisch onderbekken vermeldt de agglomeraties of de zones en de stelsels voor de zuivering van het stedelijk afvalwater die erop van toepassing zijn.
Die zuiveringsplannen worden uitgewerkt door de S.P.G.E., uitgevoerd door de erkende [1 saneringsinstellingen]1 en goedgekeurd door de Regering.
Het algemeen zuiveringsreglement bepaalt :
- de algemene verplichtingen i.v.m. de afvoer en de behandeling van het stedelijk afvalwater,
- de autonome en overgangsstelsels inzake collectieve zuivering;
- de bepalingscriteria en de verplichtingen i.v.m. de toepassing van die stelsels binnen de agglomeraties en de zones;
- de modaliteiten voor de toepassing van de zuiveringsstelsels per agglomeratie of per zone, alsook de evolutie ervan;
- de principes voor de vastlegging van de zuiveringsplannen per hydrografisch onderbekken en de voorwaarden voor de herzieningen en bijwerkingen ervan.
§ 2. Het algemeen zuiveringsreglement voorziet in een zuiveringsplan voor ieder hydrografisch onderbekken.
Het zuiveringsplan per hydrografisch onderbekken vermeldt de agglomeraties of de zones en de stelsels voor de zuivering van het stedelijk afvalwater die erop van toepassing zijn.
Die zuiveringsplannen worden uitgewerkt door de S.P.G.E., uitgevoerd door de erkende [1 saneringsinstellingen]1 en goedgekeurd door de Regering.
Art. D218. § 1er. Le Gouvernement arrête un règlement général d'assainissement concernant l'évacuation et le traitement des eaux urbaines résiduaires.
Le règlement d'assainissement définit :
- les obligations générales d'évacuation et de traitement des eaux urbaines résiduaires;
- les régimes d'assainissement collectif, autonomes et transitoires;
- les critères de détermination et les obligations corrélatives à l'application de ces régimes d'assainissement au sein des agglomérations ou des zones;
- les modalités d'application des régimes d'assainissement par agglomération ou par zone, ainsi que leur évolution;
- les principes d'établissement des plans d'assainissement par sous-bassin hydrographique et les conditions de leurs révisions et de leurs mises à jour.
§ 2. Le règlement général d'assainissement prévoit un plan d'assainissement pour chaque sous-bassin hydrographique.
Le plan d'assainissement par sous-bassin hydrographique reprend les agglomérations ou les zones et les régimes d'assainissement des eaux urbaines résiduaires qui leur sont applicables.
Ces plans d'assainissement sont élaborés par la S.P.G.E., réalisés par les [1 organismes d'assainissement]1 agréés et approuvés par le Gouvernement.
Le règlement d'assainissement définit :
- les obligations générales d'évacuation et de traitement des eaux urbaines résiduaires;
- les régimes d'assainissement collectif, autonomes et transitoires;
- les critères de détermination et les obligations corrélatives à l'application de ces régimes d'assainissement au sein des agglomérations ou des zones;
- les modalités d'application des régimes d'assainissement par agglomération ou par zone, ainsi que leur évolution;
- les principes d'établissement des plans d'assainissement par sous-bassin hydrographique et les conditions de leurs révisions et de leurs mises à jour.
§ 2. Le règlement général d'assainissement prévoit un plan d'assainissement pour chaque sous-bassin hydrographique.
Le plan d'assainissement par sous-bassin hydrographique reprend les agglomérations ou les zones et les régimes d'assainissement des eaux urbaines résiduaires qui leur sont applicables.
Ces plans d'assainissement sont élaborés par la S.P.G.E., réalisés par les [1 organismes d'assainissement]1 agréés et approuvés par le Gouvernement.
Wijzigingen
Art. D219. [1 De gemeenten stellen een verslag op aan de hand van de door de Regering bepaalde modaliteiten, alvorens het naar de S.P.G.E. en de erkende saneringsinstellingen te sturen met het oog op de uitvoering en de bijwerking van de saneringsplannen per deelstroomgebied.]1 Dat verslag bevat :
1° een inventaris inzake afvoer en verwerking van het afvalwater afkomstig van op hun grondgebied gelegen gebouwen alsmede hun effecten op voorkomings- of toezichtgebieden;
2° het programma van de afwateringswerkzaamheden die de gemeenten wensen uit te voeren;
3° de coördinatie tussen de afwateringswerken en de zuiveringsinstallaties die bestaan of die binnen de vijf volgend jaren moeten worden aangelegd en die het afvalwater afkomstig van rioleringen kunnen opvangen.
Dat verslag wordt bij de gemeentelijke begroting gevoegd. De gemeente maakt het bestaan van dat verslag bekend op de gemeentelijke aanplakplaatsen en stelt het ter beschikking van de bevolking die het het hele jaar door tijdens de openingsuren op het gemeentebestuur kan inzien.
1° een inventaris inzake afvoer en verwerking van het afvalwater afkomstig van op hun grondgebied gelegen gebouwen alsmede hun effecten op voorkomings- of toezichtgebieden;
2° het programma van de afwateringswerkzaamheden die de gemeenten wensen uit te voeren;
3° de coördinatie tussen de afwateringswerken en de zuiveringsinstallaties die bestaan of die binnen de vijf volgend jaren moeten worden aangelegd en die het afvalwater afkomstig van rioleringen kunnen opvangen.
Dat verslag wordt bij de gemeentelijke begroting gevoegd. De gemeente maakt het bestaan van dat verslag bekend op de gemeentelijke aanplakplaatsen en stelt het ter beschikking van de bevolking die het het hele jaar door tijdens de openingsuren op het gemeentebestuur kan inzien.
Art. D219. Les communes établissent et communiquent [1 à la S.P.G.E. et aux organismes d'assainissement agréés, en vue de la réalisation des plans d'assainissement par sous-bassin hydrographique et leurs mises à jour,]1 dans les formes et suivant les modalités arrêtées par le Gouvernement, un rapport contenant :
1° un état de la situation en matière d'évacuation et de traitement des eaux usées des immeubles situés sur leur territoire, ainsi que leur incidence sur les zones de prévention ou de surveillance;
2° le programme des travaux d'égouttage qu'elles comptent réaliser;
3° la coordination entre les travaux d'égouttage et les installations d'épuration existantes ou à réaliser dans les cinq années à venir et susceptibles de recueillir les eaux usées provenant de ces égouts.
Ce rapport est joint au budget communal. La commune annonce l'existence de ce rapport aux lieux d'affichage communal et le met à disposition de la population qui peut le consulter toute l'année à l'administration communale durant les heures d'accès au public)
1° un état de la situation en matière d'évacuation et de traitement des eaux usées des immeubles situés sur leur territoire, ainsi que leur incidence sur les zones de prévention ou de surveillance;
2° le programme des travaux d'égouttage qu'elles comptent réaliser;
3° la coordination entre les travaux d'égouttage et les installations d'épuration existantes ou à réaliser dans les cinq années à venir et susceptibles de recueillir les eaux usées provenant de ces égouts.
Ce rapport est joint au budget communal. La commune annonce l'existence de ce rapport aux lieux d'affichage communal et le met à disposition de la population qui peut le consulter toute l'année à l'administration communale durant les heures d'accès au public)
Wijzigingen
Art. D220. [1 De gemeenteraad vaardigt een gemeentelijk reglement uit ter aanvulling van de verplichtingen tot afvoer van het afvalwater die vastliggen in het algemeen zuiveringsreglement bedoeld in artikel 218, § 1, betreffende de bepaling van de bezoldiging en de modaliteiten voor elke aansluiting van de riolering op het openbaar domein.]1
Alle gemeentelijke werkzaamheden i.v.m. de zuivering van stedelijk afvalwater worden opgenomen in het zuiveringsplan betreffende het grondgebied van de gemeente waar ze uitgevoerd worden.
Alle gemeentelijke werkzaamheden i.v.m. de zuivering van stedelijk afvalwater worden opgenomen in het zuiveringsplan betreffende het grondgebied van de gemeente waar ze uitgevoerd worden.
Art. D220. [1 Le conseil communal édicte un règlement communal qui complète les obligations d'évacuation des eaux usées dérivant du règlement général d'assainissement visé à l'article D.218, § 1er, relativement à la fixation de la rémunération et des modalités à appliquer pour tout travail de raccordement à l'égout sur le domaine public.]1
Tous les travaux communaux d'assainissement des eaux urbaines résiduaires doivent s'intégrer dans le plan d'assainissement qui concerne leur territoire.
Tous les travaux communaux d'assainissement des eaux urbaines résiduaires doivent s'intégrer dans le plan d'assainissement qui concerne leur territoire.
Wijzigingen
Art. D221. In geval van dringende noodzakelijkheid - met name als de volksgezondheid of het milieu ernstig worden bedreigd - kan de Regering de door haar aangewezen gemeente(n) verplichten rioleringswerkzaamheden of andere werkzaamheden i.v.m. de afvoer van afvalwater binnen de door haar vastgestelde termijn te laten uitvoeren.
Indien de voorgeschreven werkzaamheden niet binnen de vastgestelde termijn worden uitgevoerd, kan de Regering de Gouverneur opdracht geven om ze op rekening van de gemeente te laten uitvoeren. De aldus uitgevoerde werkzaamheden kunnen het voorwerp van een subsidie uitmaken.
Indien de voorgeschreven werkzaamheden niet binnen de vastgestelde termijn worden uitgevoerd, kan de Regering de Gouverneur opdracht geven om ze op rekening van de gemeente te laten uitvoeren. De aldus uitgevoerde werkzaamheden kunnen het voorwerp van een subsidie uitmaken.
Art. D221. En cas d'urgence, si une menace grave pèse sur la salubrité publique ou l'environnement, le Gouvernement peut contraindre la ou les communes qu'il désigne à procéder à des travaux d'égouttage ou autres relatifs à l'évacuation des eaux usées dans le délai qu'il détermine.
Si, à l'expiration de ce délai, une commune n'a pas exécuté les travaux prescrits, le Gouvernement peut charger le gouverneur de les faire exécuter aux frais de cette commune. Les travaux exécutés dans ces conditions peuvent donner lieu à subvention.
Si, à l'expiration de ce délai, une commune n'a pas exécuté les travaux prescrits, le Gouvernement peut charger le gouverneur de les faire exécuter aux frais de cette commune. Les travaux exécutés dans ces conditions peuvent donner lieu à subvention.
Art. D222. § 1. [3 De Regering kan regels voorschrijven voor het onderhoud van de individuele zuiveringssystemen, voor de ruiming en de verwijdering van het slijk uit septische putten en individuele zuiveringssystemen. Ze kan, met name, de verplichting opleggen het slijk te overhandigen aan ruimers erkend overeenkomstig de regels die zij bepaalt.]3
§ 2. [2 De erkende ruimers zijn verplicht het slijk op te ruimen hetzij door het te overhandigen aan een zuiveringsstation dat daartoe door een saneringsinstelling is aangewezen overeenkomstig paragraaf 3, hetzij beheerd overeenkomstig de bepalingen betreffende het afvalbeheer.]2
§ 3. De Regering stelt de regels vast die moeten worden gevolgd door de [1 saneringsinstellingen]1 voor wat het aantal, het vermogen en de inplanting van de zuiveringsinstallaties betreft, bestemd voor het opvangen en behandelen van het ruimslijk.
De Regering kan aan de ruimers het verbod opleggen, via een besluit of in de erkenningsakte, een beroep op bepaalde uitgeruste stations te doen teneinde het slijk te verdelen, afhankelijk van de vermogens van de stations.
[2 § 4.[3 De behandeling van het slijk wordt door de erkende saneringsinstelling waargenomen in het kader van haar dienstcontract inzake zuivering en inzameling als het slijk uitsluitend voortkomt uit de behandeling van huishoudelijk afvalwater geproduceerd in het Waalse Gewest. ". De behandeling door de erkende saneringsinstelling van slijk dat voortkomt uit de behandeling van buiten het Waalse Gewest geproduceerd huishoudelijk afvalwater is een betaaldienst.]3 ]2
§ 2. [2 De erkende ruimers zijn verplicht het slijk op te ruimen hetzij door het te overhandigen aan een zuiveringsstation dat daartoe door een saneringsinstelling is aangewezen overeenkomstig paragraaf 3, hetzij beheerd overeenkomstig de bepalingen betreffende het afvalbeheer.]2
§ 3. De Regering stelt de regels vast die moeten worden gevolgd door de [1 saneringsinstellingen]1 voor wat het aantal, het vermogen en de inplanting van de zuiveringsinstallaties betreft, bestemd voor het opvangen en behandelen van het ruimslijk.
De Regering kan aan de ruimers het verbod opleggen, via een besluit of in de erkenningsakte, een beroep op bepaalde uitgeruste stations te doen teneinde het slijk te verdelen, afhankelijk van de vermogens van de stations.
[2 § 4.[3 De behandeling van het slijk wordt door de erkende saneringsinstelling waargenomen in het kader van haar dienstcontract inzake zuivering en inzameling als het slijk uitsluitend voortkomt uit de behandeling van huishoudelijk afvalwater geproduceerd in het Waalse Gewest. ". De behandeling door de erkende saneringsinstelling van slijk dat voortkomt uit de behandeling van buiten het Waalse Gewest geproduceerd huishoudelijk afvalwater is een betaaldienst.]3 ]2
Art. D222. § 1er. [3 Le Gouvernement peut prescrire des règles d'entretien des systèmes d'épuration individuelle, de vidange et d'élimination des gadoues de fosses septiques et des systèmes d'épuration individuelle. Il peut notamment obliger à remettre les gadoues à des vidangeurs agréés conformément aux règles qu'il détermine.]3
§ 2. [2 Les vidangeurs agréés sont tenus d'éliminer les gadoues soit en les remettant à une station d'épuration désignée à cette fin par un organisme d'assainissement, conformément au paragraphe 3, soit gérées conformément aux dispositions relatives à la gestion des déchets.]2
§ 3. Le Gouvernement définit les règles à suivre par les [1 organismes d'assainissement]1 en ce qui concerne le nombre, la capacité et l'implantation des installations d'épuration destinées à recueillir et à traiter les gadoues de vidanges.
Il peut interdire aux vidangeurs, par arrêté ou dans l'acte d'agrément, de recourir à certaines stations équipées afin de répartir les gadoues en fonction des capacités des stations.
[2 § 4. [3 Le traitement des gadoues est assuré par l'organisme d'assainissement agréé dans le cadre de son contrat de service d'épuration et de collecte si les gadoues résultent exclusivement du traitement d'eaux usées domestiques produites en Région wallonne. Le traitement de gadoues issues du traitement d'eaux usées domestiques produites hors Région wallonne par l'organisme d'assainissement agréé est un service payant.]3 ]2
§ 2. [2 Les vidangeurs agréés sont tenus d'éliminer les gadoues soit en les remettant à une station d'épuration désignée à cette fin par un organisme d'assainissement, conformément au paragraphe 3, soit gérées conformément aux dispositions relatives à la gestion des déchets.]2
§ 3. Le Gouvernement définit les règles à suivre par les [1 organismes d'assainissement]1 en ce qui concerne le nombre, la capacité et l'implantation des installations d'épuration destinées à recueillir et à traiter les gadoues de vidanges.
Il peut interdire aux vidangeurs, par arrêté ou dans l'acte d'agrément, de recourir à certaines stations équipées afin de répartir les gadoues en fonction des capacités des stations.
[2 § 4. [3 Le traitement des gadoues est assuré par l'organisme d'assainissement agréé dans le cadre de son contrat de service d'épuration et de collecte si les gadoues résultent exclusivement du traitement d'eaux usées domestiques produites en Région wallonne. Le traitement de gadoues issues du traitement d'eaux usées domestiques produites hors Région wallonne par l'organisme d'assainissement agréé est un service payant.]3 ]2
Afdeling 3. [1 - Bepalingen betreffende het openbare beheer van de autonome sanering]1
Section 3. [1 - Dispositions relatives à la gestion publique de l'assainissement autonome]1
Onderafdeling 1. [1 - Opdrachten]1
Sous-section 1ère. [1 - Missions]1
Art. D222/1. [1 De openbare dienstopdracht betreffende het openbare beheer van de autonome zuivering wordt aan de " S.P.G.E. " toevertrouwd op het grondgebied bepaald naar gelang van de dienstencontracten gesloten met [2 verdelers]2. Ze beoogt een gecoördineerd en eenvormig beheer van de gezamenlijke zuivering van de huishoudelijke afvalwateren, met inachtneming van de begrippen mutualisering van de kosten en billijke afwenteling op de waterverbruikers van de zuiveringskosten alsook informatieverstrekking aan de burger, samen met de gemeenten en het Gewest, m.b.t. zijn verplichtingen krachtens het Algemeen zuiveringsreglement waarin artikel D.218 voorziet.
Deze opdracht omvat coördinatie en financiële tegemoetkoming, onder de voorwaarden die de Regering bepaalt, wat betreft :
1° de toekenning van een premie of een lening, met subsidierente, bij de installatie of de sanering van individuele zuiveringssystemen;
2° de controle op de werking van de individuele zuiveringssystemen;
3° de financiële tenlasteneming en de opvolging van de ruiming en van het beheer van het door de individuele zuiveringssystemen voorgebrachte slijk dat in de zuiveringsstations aangenomen wordt;
4° de financiële deelname bij het onderhoud van de individuele zuiveringssystemen, vastgelegd door de Regering op een forfaitaire basis en vatbaar voor indexering.
De Regering kan de modaliteiten bepalen voor de betaling van de premie volgens de regeling van de betalende derde.
Wat betreft de leningen verleend door of via de " S.P.G.E. " voor de geleidelijke uitvoering van de autonome sanering, mag de Regering een vergoeding toekennen om de rentevoet van die leningen tot nul procent te reduceren.
De Regering kan de regels bepalen voor de toekenning van die leningen met vergoeding en die opdracht nader bepalen via het beheerscontract met de " S.P.G.E. ".
De specifieke opdracht inzake de controle op de werking wordt uitgeoefend onverminderd de controlebevoegdheden van het Gewest, van de gemeente of van de agent(en) aangewezen overeenkomstig boek I van het Milieuwetboek. De persoon belast met de controle heeft toegang tot het individuele zuiveringssysteem en tot de bijgebouwen ervan.]1
Deze opdracht omvat coördinatie en financiële tegemoetkoming, onder de voorwaarden die de Regering bepaalt, wat betreft :
1° de toekenning van een premie of een lening, met subsidierente, bij de installatie of de sanering van individuele zuiveringssystemen;
2° de controle op de werking van de individuele zuiveringssystemen;
3° de financiële tenlasteneming en de opvolging van de ruiming en van het beheer van het door de individuele zuiveringssystemen voorgebrachte slijk dat in de zuiveringsstations aangenomen wordt;
4° de financiële deelname bij het onderhoud van de individuele zuiveringssystemen, vastgelegd door de Regering op een forfaitaire basis en vatbaar voor indexering.
De Regering kan de modaliteiten bepalen voor de betaling van de premie volgens de regeling van de betalende derde.
Wat betreft de leningen verleend door of via de " S.P.G.E. " voor de geleidelijke uitvoering van de autonome sanering, mag de Regering een vergoeding toekennen om de rentevoet van die leningen tot nul procent te reduceren.
De Regering kan de regels bepalen voor de toekenning van die leningen met vergoeding en die opdracht nader bepalen via het beheerscontract met de " S.P.G.E. ".
De specifieke opdracht inzake de controle op de werking wordt uitgeoefend onverminderd de controlebevoegdheden van het Gewest, van de gemeente of van de agent(en) aangewezen overeenkomstig boek I van het Milieuwetboek. De persoon belast met de controle heeft toegang tot het individuele zuiveringssysteem en tot de bijgebouwen ervan.]1
Art. D222/1. [1 La mission de service public relative à la gestion publique de l'assainissement autonome est confiée à la S.P.G.E. sur le territoire défini en fonction des contrats de services conclus avec les [2 distributeurs ]2. Elle consiste à assurer une gestion coordonnée et unifiée de l'ensemble de l'assainissement des eaux usées domestiques, dans le respect des notions de mutualisation des coûts et de répercussion équitable sur les consommateurs d'eau des coûts de l'assainissement et à informer le citoyen, avec les communes et la Région, de ses obligations en vertu du Règlement général d'assainissement prévu à l'article D.218.
Cette mission comprend la coordination et l'intervention financière, selon les conditions définies par le Gouvernement, pour :
1° l'octroi de prime ou de prêt à bonification d'intérêts, en vue de l'installation ou la réhabilitation de systèmes d'épuration individuelle;
2° le contrôle au fonctionnement des systèmes d'épuration individuelle;
3° la prise en charge financière et le suivi de la vidange et la gestion des boues des systèmes d'épuration individuelle acceptées dans les stations d'épuration;
4° la participation financière à l'entretien des systèmes d'épuration individuelle fixée par le Gouvernement sur base forfaitaire et prévoyant une indexation.
Le Gouvernement peut fixer les modalités liées à la liquidation de la prime selon le mode du tiers-payant.
Le Gouvernement est autorisé à accorder, pour les prêts octroyés par ou via la S.P.G.E. pour la mise en oeuvre progressive de l'assainissement autonome, une bonification pour ramener le taux d'intérêt de ces prêts à zéro pour cent.
Le Gouvernement peut déterminer les règles d'octroi de ces prêts avec bonification et préciser cette mission par le contrat de gestion avec la S.P.G.E.
La mission spécifique de contrôle au fonctionnement s'effectue sans préjudice des compétences de contrôles de la Région, de la commune ou des agents désignés selon le livre Ier du Code de l'Environnement. La personne chargée du contrôle dispose de l'accès au système d'épuration individuelle et à ses annexes.]1
Cette mission comprend la coordination et l'intervention financière, selon les conditions définies par le Gouvernement, pour :
1° l'octroi de prime ou de prêt à bonification d'intérêts, en vue de l'installation ou la réhabilitation de systèmes d'épuration individuelle;
2° le contrôle au fonctionnement des systèmes d'épuration individuelle;
3° la prise en charge financière et le suivi de la vidange et la gestion des boues des systèmes d'épuration individuelle acceptées dans les stations d'épuration;
4° la participation financière à l'entretien des systèmes d'épuration individuelle fixée par le Gouvernement sur base forfaitaire et prévoyant une indexation.
Le Gouvernement peut fixer les modalités liées à la liquidation de la prime selon le mode du tiers-payant.
Le Gouvernement est autorisé à accorder, pour les prêts octroyés par ou via la S.P.G.E. pour la mise en oeuvre progressive de l'assainissement autonome, une bonification pour ramener le taux d'intérêt de ces prêts à zéro pour cent.
Le Gouvernement peut déterminer les règles d'octroi de ces prêts avec bonification et préciser cette mission par le contrat de gestion avec la S.P.G.E.
La mission spécifique de contrôle au fonctionnement s'effectue sans préjudice des compétences de contrôles de la Région, de la commune ou des agents désignés selon le livre Ier du Code de l'Environnement. La personne chargée du contrôle dispose de l'accès au système d'épuration individuelle et à ses annexes.]1
Onderafdeling 2. [1 - Bijzondere verplichtingen]1
Sous-section 2. [1 - Obligations particulières]1
Art. D222/2. [1 § 1. Het individuele zuiveringssysteem wordt ontworpen, uitgevoerd, gesaneerd en onderhouden voor de te behandelen afvalwaterstroom.
§ 2. De eigenaar wordt belast met het goede onderhoud en de werking van het individuele zuiveringssysteem.
§ 3. De Regering kan de opvolging van de individuele zuiveringssystemen reglementeren. Ze kan ondermeer het onderhoud ervan verplicht maken, verplichten het slijk te overhandigen aan ruimers erkend overeenkomstig de regels opgenomen in artikel D.222 en voorzien in controles op de werking van de individuele zuiveringssystemen.
§ 4. De gegevens betreffende de publiek- of privérechtelijke natuurlijke of rechtspersonen die over een individueel zuiveringssysteem beschikken, worden door de Administratie aan de " S.P.G.E. " meegedeeld opdat ze haar opdracht inzake het openbare beheer van de autonome sanering kan vervullen overeenkomstig de artikelen D.2, D.222/1. De verstrekte gegevens hebben betrekking op :
1° de naam en het adres van de verschuldigde;
2° de kadastrale referentie waarop het individuele zuiveringssysteem is geïnstalleerd;
3° de datum waarop de vrijstelling van de betaling van de CVA werd verleend;
4° het bedrag van de premies die eventueel werden toegekend;
5° de omvang van het geïnstalleerde systeem;
6° de resultaten van de verrichte controles;
7° de technische gegevens betreffende de geïnstalleerde individuele zuiveringssystemen;
8° een afschrift van de aangiften en milieuvergunningen betreffende het geïnstalleerde individuele zuiveringssysteem.]1
§ 2. De eigenaar wordt belast met het goede onderhoud en de werking van het individuele zuiveringssysteem.
§ 3. De Regering kan de opvolging van de individuele zuiveringssystemen reglementeren. Ze kan ondermeer het onderhoud ervan verplicht maken, verplichten het slijk te overhandigen aan ruimers erkend overeenkomstig de regels opgenomen in artikel D.222 en voorzien in controles op de werking van de individuele zuiveringssystemen.
§ 4. De gegevens betreffende de publiek- of privérechtelijke natuurlijke of rechtspersonen die over een individueel zuiveringssysteem beschikken, worden door de Administratie aan de " S.P.G.E. " meegedeeld opdat ze haar opdracht inzake het openbare beheer van de autonome sanering kan vervullen overeenkomstig de artikelen D.2, D.222/1. De verstrekte gegevens hebben betrekking op :
1° de naam en het adres van de verschuldigde;
2° de kadastrale referentie waarop het individuele zuiveringssysteem is geïnstalleerd;
3° de datum waarop de vrijstelling van de betaling van de CVA werd verleend;
4° het bedrag van de premies die eventueel werden toegekend;
5° de omvang van het geïnstalleerde systeem;
6° de resultaten van de verrichte controles;
7° de technische gegevens betreffende de geïnstalleerde individuele zuiveringssystemen;
8° een afschrift van de aangiften en milieuvergunningen betreffende het geïnstalleerde individuele zuiveringssysteem.]1
Art. D222/2. [1 § 1er. Le système d'épuration individuelle est conçu, réalisé, réhabilité et entretenu pour le flux d'eaux usées à traiter.
§ 2. Le propriétaire est chargé du bon entretien et du fonctionnement du système d'épuration individuelle.
§ 3. Le Gouvernement peut réglementer le suivi des systèmes d'épuration individuelle. Il peut notamment rendre obligatoire leur entretien, obliger à remettre les gadoues à des vidangeurs agréés conformément aux règles reprises à l'article D.222 et prévoir des contrôles au fonctionnement des systèmes d'épuration individuelle.
§ 4. Les données relatives aux personnes physiques ou morales de droit public ou de droit privé qui sont équipées d'un système d'épuration individuelle sont communiquées par l'Administration à la S.P.G.E. en vue de lui permettre d'assurer sa mission de gestion publique de l'assainissement autonome conformément aux articles D.2, D.222/1. Les informations transmises comprennent :
1° le nom et l'adresse du redevable;
2° la référence cadastrale sur laquelle le système d'épuration individuelle a été installé;
3° la date à laquelle l'exemption au paiement du CVA a été octroyée;
4° le montant des primes qui ont été, le cas échéant, octroyées;
5° la taille du système installé;
6° les résultats des contrôles qui ont été réalisés;
7° les informations techniques liées aux systèmes d'épuration individuelle mis en place;
8° copie des déclarations et permis d'environnement relatifs au système d'épuration individuelle installé.]1
§ 2. Le propriétaire est chargé du bon entretien et du fonctionnement du système d'épuration individuelle.
§ 3. Le Gouvernement peut réglementer le suivi des systèmes d'épuration individuelle. Il peut notamment rendre obligatoire leur entretien, obliger à remettre les gadoues à des vidangeurs agréés conformément aux règles reprises à l'article D.222 et prévoir des contrôles au fonctionnement des systèmes d'épuration individuelle.
§ 4. Les données relatives aux personnes physiques ou morales de droit public ou de droit privé qui sont équipées d'un système d'épuration individuelle sont communiquées par l'Administration à la S.P.G.E. en vue de lui permettre d'assurer sa mission de gestion publique de l'assainissement autonome conformément aux articles D.2, D.222/1. Les informations transmises comprennent :
1° le nom et l'adresse du redevable;
2° la référence cadastrale sur laquelle le système d'épuration individuelle a été installé;
3° la date à laquelle l'exemption au paiement du CVA a été octroyée;
4° le montant des primes qui ont été, le cas échéant, octroyées;
5° la taille du système installé;
6° les résultats des contrôles qui ont été réalisés;
7° les informations techniques liées aux systèmes d'épuration individuelle mis en place;
8° copie des déclarations et permis d'environnement relatifs au système d'épuration individuelle installé.]1
Onderafdeling 3. [1 - Organisatie]1
Sous-section 3. [1 - Organisation]1
Art. D222/3. [1 De " S.P.G.E. " coördineert en financiert het openbare beheer van de autonome sanering.
Deze opdracht wordt uitgeoefend met de medewerking van de saneringsinstellingen erkend krachtens de artikelen D.343 tot D.345.
Aldus zorgen de erkende zuiveringsinstellingen met name voor :
1° de overlegging van technische adviezen;
2° de sensibilisering van de verschillende doelpublieken;
3° de opvolging van de ruimingen en van het beheer van het slijk naar gelang van de capaciteiten van de zuiveringsstations;
4° de controle op de werking van de individuele zuiveringssystemen.]1
Deze opdracht wordt uitgeoefend met de medewerking van de saneringsinstellingen erkend krachtens de artikelen D.343 tot D.345.
Aldus zorgen de erkende zuiveringsinstellingen met name voor :
1° de overlegging van technische adviezen;
2° de sensibilisering van de verschillende doelpublieken;
3° de opvolging van de ruimingen en van het beheer van het slijk naar gelang van de capaciteiten van de zuiveringsstations;
4° de controle op de werking van de individuele zuiveringssystemen.]1
Art. D222/3. [1 La S.P.G.E. coordonne et finance la gestion publique de l'assainissement autonome.
Cette mission est exercée avec le concours des organismes d'assainissement agréés en vertu des articles D.343 à D.345.
Ainsi, les organismes d'assainissement agréés assurent notamment :
1° la remise d'avis techniques;
2° la sensibilisation auprès des différents publics cibles;
3° le suivi des vidanges et de la gestion des gadoues en fonction des capacités des stations d'épuration;
4° le contrôle au fonctionnement des systèmes d'épuration individuelle.]1
Cette mission est exercée avec le concours des organismes d'assainissement agréés en vertu des articles D.343 à D.345.
Ainsi, les organismes d'assainissement agréés assurent notamment :
1° la remise d'avis techniques;
2° la sensibilisation auprès des différents publics cibles;
3° le suivi des vidanges et de la gestion des gadoues en fonction des capacités des stations d'épuration;
4° le contrôle au fonctionnement des systèmes d'épuration individuelle.]1
Onderafdeling 4. [1 - Evaluatie en controle]1
Sous-section 4. [1 - Evaluation et contrôle]1
Art. D222/4. [1 Het beheerscontract voorziet in de modaliteiten voor de evaluatie en de controle van de opdracht inzake het openbare beheer van de autonome sanering door de Regering.]1
Art. D222/4. [1 Le contrat de gestion fixe les modalités d'évaluation et de contrôle de la mission de gestion publique de l'assainissement autonome par le Gouvernement.]1
Afdeling 4. [1 - Certificering van installateurs van individuele zuiveringsystemen]1
Section 4. [1 - Certification des installateurs de systèmes d'épuration individuelle]1
Art. D222bis. [1 Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder installateur, de onderneming opgericht als natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de goede uitvoering van de installatie en de inbedrijfname van een individueel zuiveringssysteem.]1
Art. D222bis. [1 Pour l'application de la présente section, l'on entend par installateur, entreprise, constituée en personne physique ou morale, responsable de la bonne exécution des travaux d'installation et de la mise en service d'un système d'épuration individuelle.]1
Art. D222bis -1. [1 § 1. De Regering voert een systeem voor de certificering van de installateurs op vrijwillige basis in om de personen die het wensen, in staat te stellen om een beroep te doen op een gecertificeerde installateur. Daartoe kan ze :
1° de voorwaarden en de procedure van de certificering van de installateurs bepalen;
2° een dossierrecht vaststellen betreffende de behandelingskosten van de certificeringsaanvraag en van de opvolging ervan;
3° de geldigheidsduur van de certificering bepalen;
4° de procedure en de modaliteiten voor de verificatie van de naleving van de verbintenissen van de gecertificeerde installateur bepalen;
5° de voorwaarden voor de intrekking, de opschorting en de hernieuwing van de certificering bepalen;
6° de beroepsmodaliteiten bepalen.
§ 2. In het kader van haar openbare opdracht betreffende het openbare beheer van de autonome sanering bedoeld in artikel D.222/1 wordt de "S.P.G.E." aangewezen als bevoegde overheid om een certificering toe te kennen, op te schorten of in te trekken.
§ 3. De erkende saneringsinstellingen zorgen voor de controle en het toezicht op de kwaliteit van het werk van de gecertificeerde installateurs.]1
1° de voorwaarden en de procedure van de certificering van de installateurs bepalen;
2° een dossierrecht vaststellen betreffende de behandelingskosten van de certificeringsaanvraag en van de opvolging ervan;
3° de geldigheidsduur van de certificering bepalen;
4° de procedure en de modaliteiten voor de verificatie van de naleving van de verbintenissen van de gecertificeerde installateur bepalen;
5° de voorwaarden voor de intrekking, de opschorting en de hernieuwing van de certificering bepalen;
6° de beroepsmodaliteiten bepalen.
§ 2. In het kader van haar openbare opdracht betreffende het openbare beheer van de autonome sanering bedoeld in artikel D.222/1 wordt de "S.P.G.E." aangewezen als bevoegde overheid om een certificering toe te kennen, op te schorten of in te trekken.
§ 3. De erkende saneringsinstellingen zorgen voor de controle en het toezicht op de kwaliteit van het werk van de gecertificeerde installateurs.]1
Art. D222bis -1. [1 § 1er. Le Gouvernement met en place un système de certification des installateurs, sur base volontaire, afin de permettre aux personnes qui le souhaitent de faire appel à un installateur certifié. A cette fin, il peut :
1° définir les conditions et la procédure de certification des installateurs;
2° établir un droit de dossier relatif aux frais de traitement de la demande de certification et de suivi de celle-ci;
3° déterminer la durée de validité de la certification;
4° déterminer la procédure et les modalités de vérification du respect des engagements de l'installateur certifié;
5° déterminer les conditions de retrait, de la suspension et de renouvellement de la certification;
6° définir les procédures de recours.
§ 2. Dans le cadre de sa mission de service public relative à la gestion publique de l'assainissement autonome prévue à l'article D.222/1, la S.P.G.E. est désignée comme l'autorité compétente chargée de délivrer, suspendre ou retirer une certification.
§ 3. Les organismes d'assainissement agréés procèdent au contrôle et à la surveillance de la qualité du travail des installateurs certifiés.]1
1° définir les conditions et la procédure de certification des installateurs;
2° établir un droit de dossier relatif aux frais de traitement de la demande de certification et de suivi de celle-ci;
3° déterminer la durée de validité de la certification;
4° déterminer la procédure et les modalités de vérification du respect des engagements de l'installateur certifié;
5° déterminer les conditions de retrait, de la suspension et de renouvellement de la certification;
6° définir les procédures de recours.
§ 2. Dans le cadre de sa mission de service public relative à la gestion publique de l'assainissement autonome prévue à l'article D.222/1, la S.P.G.E. est désignée comme l'autorité compétente chargée de délivrer, suspendre ou retirer une certification.
§ 3. Les organismes d'assainissement agréés procèdent au contrôle et à la surveillance de la qualité du travail des installateurs certifiés.]1
HOOFDSTUK IV. - Gemeenschappelijke bepalingen inzake waterproductie, -distributie en -zuivering.
CHAPITRE IV. - Dispositions communes à la production, la distribution et l'assainissement de l'eau.
Afdeling 1. [1 Verklaring van openbaar nut betreffende installaties voor waterproductie of -distributie of voor de verzameling of sanering van afvalwater]1
SECTION 1. [1 Déclaration d'utilité publique relative à l'établissement d'installations de production ou de distribution d'eau ou de collecte ou d'assainissement des eaux usées]1
Art. D223. § 1. De Regering kan na [6 een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten van Boek I van het Milieuwetboek]6 onderzoek verklaren dat het algemeen belang biedt dat installaties voor de productie en de distributie van water of de verzameling of de zuivering van afvalwater aangebracht worden onder, op of boven onbebouwde privé terreinen of privé domein.
Die verklaring van algemeen belang geeft de beheerder van de installaties ten gunste van wie ze wordt afgelegd, het recht om dergelijke installaties aan te leggen onder, op of boven privé-terreinen of privé-domein, om er toezicht op uit te oefenen en de nodige werkzaamheden uit te voeren met het oog op de werking en het onderhoud ervan onder de voorwaarden die in de verklaring vastliggen.
[1 Onder " beheerder " wordt verstaan, naargelang van het geval, de exploitant, de eigenaar of de opdrachtgever van installaties voor waterproductie of -distributie of voor de verzameling of sanering van afvalwater in wiens naam de aanvraag tot verklaring van openbaar nut werd ingediend of elke persoon die hem later eventueel opvolgt in de exploitatie, het opdracht geven of het bezitten van deze installaties.]1
De werkzaamheden mogen pas aangevat worden na afloop van een termijn van twee maanden, te rekenen van de kennisgeving die bij aangetekend schrijven gericht wordt aan de houders van zakelijke rechten en aan de belanghebbende huurders.
§ 2. De begunstigde van de erfdienstbaarheid bedoeld in paragraaf 1 is gehouden tot de betaling van een vergoeding ten gunste van de eigenaar van het met die erfdienstbaarheid bezwaarde erf of van houders van zakelijke rechten i.v.m. dat erf.
[2 De vergoeding wordt in één keer uitbetaald en geldt als forfaitaire vergoeding.]2
[3 In geval van mede-eigendom tussen de houders van zakelijke rechten op de met de erfdienstbaarheid bezwaarde grond wordt het bedrag van de forfaitaire vergoeding onder hen verdeeld naar rato van hun respectieve quotiteiten in de mede-eigendom.
In geval van verdeling van het eigendomsrecht i.v.m. de met die erfdienstbaarheid bezwaarde grond wordt het bedrag van de forfaitaire vergoeding uitbetaald aan de houder van het zakelijk genotsrecht op bedoeld gebouw, onverminderd het eventuele beroep van de blote eigenaar, de erfpachter of de grondbezitter tegen deze houder van het zakelijk recht op grond van de regels van aansprakelijk recht die hun relaties regelen.
Als een bezette grond met een contractuele of wettelijke erfdienstbaarheid bezwaard is, wordt de forfaitaire vergoeding volledig uitbetaald aan de eigenaar van het bezwaarde erf, onverminderd het eventuele beroep van de begunstigde van de bestaande erfdienstbaarheid tegen deze eigenaar op grond van de regels van aansprakelijk recht die hun relaties regelen.]3
§ 3. De Regering bepaalt :
1° de in acht te nemen procedure betreffende de verklaring van algemeen belang bedoeld in paragraaf 1, meer bepaald het aanvraagformulier, de bij de aanvraag te voegen stukken, de behandeling van het dossier en [6 ...]6 de termijnen waarin de bevoegde overheid moet beslissen en de aanvrager kennis moet geven van haar beslissing [4 ...]4;
2° [5 de wijze waarop de in paragraaf 2 bedoelde bijdragen berekend en geïndexeerd worden. Zij kan verschillende basiswaarden bepalen die voor de berekening gebruikt moeten worden in functie van o.a. het soort bedoelde installaties, de geografische ligging en bestemming van de bezette gronden.]5
Die verklaring van algemeen belang geeft de beheerder van de installaties ten gunste van wie ze wordt afgelegd, het recht om dergelijke installaties aan te leggen onder, op of boven privé-terreinen of privé-domein, om er toezicht op uit te oefenen en de nodige werkzaamheden uit te voeren met het oog op de werking en het onderhoud ervan onder de voorwaarden die in de verklaring vastliggen.
[1 Onder " beheerder " wordt verstaan, naargelang van het geval, de exploitant, de eigenaar of de opdrachtgever van installaties voor waterproductie of -distributie of voor de verzameling of sanering van afvalwater in wiens naam de aanvraag tot verklaring van openbaar nut werd ingediend of elke persoon die hem later eventueel opvolgt in de exploitatie, het opdracht geven of het bezitten van deze installaties.]1
De werkzaamheden mogen pas aangevat worden na afloop van een termijn van twee maanden, te rekenen van de kennisgeving die bij aangetekend schrijven gericht wordt aan de houders van zakelijke rechten en aan de belanghebbende huurders.
§ 2. De begunstigde van de erfdienstbaarheid bedoeld in paragraaf 1 is gehouden tot de betaling van een vergoeding ten gunste van de eigenaar van het met die erfdienstbaarheid bezwaarde erf of van houders van zakelijke rechten i.v.m. dat erf.
[2 De vergoeding wordt in één keer uitbetaald en geldt als forfaitaire vergoeding.]2
[3 In geval van mede-eigendom tussen de houders van zakelijke rechten op de met de erfdienstbaarheid bezwaarde grond wordt het bedrag van de forfaitaire vergoeding onder hen verdeeld naar rato van hun respectieve quotiteiten in de mede-eigendom.
In geval van verdeling van het eigendomsrecht i.v.m. de met die erfdienstbaarheid bezwaarde grond wordt het bedrag van de forfaitaire vergoeding uitbetaald aan de houder van het zakelijk genotsrecht op bedoeld gebouw, onverminderd het eventuele beroep van de blote eigenaar, de erfpachter of de grondbezitter tegen deze houder van het zakelijk recht op grond van de regels van aansprakelijk recht die hun relaties regelen.
Als een bezette grond met een contractuele of wettelijke erfdienstbaarheid bezwaard is, wordt de forfaitaire vergoeding volledig uitbetaald aan de eigenaar van het bezwaarde erf, onverminderd het eventuele beroep van de begunstigde van de bestaande erfdienstbaarheid tegen deze eigenaar op grond van de regels van aansprakelijk recht die hun relaties regelen.]3
§ 3. De Regering bepaalt :
1° de in acht te nemen procedure betreffende de verklaring van algemeen belang bedoeld in paragraaf 1, meer bepaald het aanvraagformulier, de bij de aanvraag te voegen stukken, de behandeling van het dossier en [6 ...]6 de termijnen waarin de bevoegde overheid moet beslissen en de aanvrager kennis moet geven van haar beslissing [4 ...]4;
2° [5 de wijze waarop de in paragraaf 2 bedoelde bijdragen berekend en geïndexeerd worden. Zij kan verschillende basiswaarden bepalen die voor de berekening gebruikt moeten worden in functie van o.a. het soort bedoelde installaties, de geografische ligging en bestemming van de bezette gronden.]5
Wijzigingen
Art. D223. § 1er. Le Gouvernement peut, après [6 une enquête publique selon les modalités du Livre Ier du Code de l'Environnement]6, déclarer qu'il y a utilité publique à établir des installations de production ou de distribution d'eau ou de collecte ou d'assainissement des eaux usées sous, sur ou au-dessus des terrains privés ou du domaine privé non bâtis.
Cette déclaration d'utilité publique confère au gestionnaire des installations au profit de qui elle est faite le droit d'établir de telles installations sous, sur ou au-dessus de ces terrains privés ou du domaine privé, d'en assurer la surveillance et d'exécuter les travaux nécessaires à leur fonctionnement et à leur entretien, le tout aux conditions déterminées dans ladite déclaration.
[1 Par " gestionnaire ", il faut entendre, selon le cas, l'exploitant, le propriétaire ou le maître d'ouvrage d'installations de production ou de distribution d'eau ou de collecte ou d'assainissement des eaux usées, au nom duquel la demande de déclaration d'utilité publique a été introduite ou toute personne qui lui succéderait par la suite dans l'exploitation, la maîtrise d'ouvrage ou la propriété desdites installations.]1
Les travaux ne peuvent être entamés qu'après l'expiration d'un délai de deux mois à dater de la notification qui en est faite aux détenteurs de droits réels et locataires intéressés, par lettre recommandée à la poste.
§ 2. Le bénéficiaire de la servitude prévue au paragraphe 1er est tenu au paiement d'une indemnité au profit du propriétaire du fonds grevé de cette servitude ou de détenteurs de droits réels attachés à ce fonds.
[2 L'indemnité fait l'objet d'un paiement unique qui tient lieu d'indemnité forfaitaire.]2
[3 En cas d'indivision entre plusieurs détenteurs de droits réels sur le terrain grevé de la servitude, le montant de l'indemnité forfaitaire est réparti entre eux au prorata de leurs quotités respectives dans l'indivision.
En cas de démembrement du droit de propriété attaché au terrain grevé de la servitude, le montant de l'indemnité forfaitaire est payé au détenteur du droit réel de jouissance sur l'immeuble concerné, sans préjudice du recours éventuel du nu-propriétaire, du bailleur emphytéotique ou du tréfoncier contre ce détenteur du droit réel sur la base des règles de droit civil auxquelles sont soumises leurs relations.
En cas de servitude contractuelle ou légale existante grevant le terrain occupé, le montant de l'indemnité forfaitaire est payé intégralement au propriétaire du fonds qui en est grevé, sans préjudice du recours éventuel du bénéficiaire de la servitude existante contre ce propriétaire sur la base des règles de droit civil auxquelles sont soumises leurs relations.]3
§ 3. Le Gouvernement détermine :
1° la procédure à suivre pour la déclaration d'utilité publique visée au paragraphe 1er, notamment la forme de la demande, les documents qui doivent l'accompagner, l'instruction du dossier et [6 ...]6 les délais dans lesquels l'autorité compétente doit statuer et notifier sa décision au demandeur [4 ...]4;
2° [5 le mode de calcul et d'indexation de l'indemnité visée au paragraphe 2. Il peut fixer des valeurs de base différentes à utiliser pour ce calcul en fonction notamment du type d'installations concernées, de la situation géographique et de l'affectation des terrains occupés.]5
Cette déclaration d'utilité publique confère au gestionnaire des installations au profit de qui elle est faite le droit d'établir de telles installations sous, sur ou au-dessus de ces terrains privés ou du domaine privé, d'en assurer la surveillance et d'exécuter les travaux nécessaires à leur fonctionnement et à leur entretien, le tout aux conditions déterminées dans ladite déclaration.
[1 Par " gestionnaire ", il faut entendre, selon le cas, l'exploitant, le propriétaire ou le maître d'ouvrage d'installations de production ou de distribution d'eau ou de collecte ou d'assainissement des eaux usées, au nom duquel la demande de déclaration d'utilité publique a été introduite ou toute personne qui lui succéderait par la suite dans l'exploitation, la maîtrise d'ouvrage ou la propriété desdites installations.]1
Les travaux ne peuvent être entamés qu'après l'expiration d'un délai de deux mois à dater de la notification qui en est faite aux détenteurs de droits réels et locataires intéressés, par lettre recommandée à la poste.
§ 2. Le bénéficiaire de la servitude prévue au paragraphe 1er est tenu au paiement d'une indemnité au profit du propriétaire du fonds grevé de cette servitude ou de détenteurs de droits réels attachés à ce fonds.
[2 L'indemnité fait l'objet d'un paiement unique qui tient lieu d'indemnité forfaitaire.]2
[3 En cas d'indivision entre plusieurs détenteurs de droits réels sur le terrain grevé de la servitude, le montant de l'indemnité forfaitaire est réparti entre eux au prorata de leurs quotités respectives dans l'indivision.
En cas de démembrement du droit de propriété attaché au terrain grevé de la servitude, le montant de l'indemnité forfaitaire est payé au détenteur du droit réel de jouissance sur l'immeuble concerné, sans préjudice du recours éventuel du nu-propriétaire, du bailleur emphytéotique ou du tréfoncier contre ce détenteur du droit réel sur la base des règles de droit civil auxquelles sont soumises leurs relations.
En cas de servitude contractuelle ou légale existante grevant le terrain occupé, le montant de l'indemnité forfaitaire est payé intégralement au propriétaire du fonds qui en est grevé, sans préjudice du recours éventuel du bénéficiaire de la servitude existante contre ce propriétaire sur la base des règles de droit civil auxquelles sont soumises leurs relations.]3
§ 3. Le Gouvernement détermine :
1° la procédure à suivre pour la déclaration d'utilité publique visée au paragraphe 1er, notamment la forme de la demande, les documents qui doivent l'accompagner, l'instruction du dossier et [6 ...]6 les délais dans lesquels l'autorité compétente doit statuer et notifier sa décision au demandeur [4 ...]4;
2° [5 le mode de calcul et d'indexation de l'indemnité visée au paragraphe 2. Il peut fixer des valeurs de base différentes à utiliser pour ce calcul en fonction notamment du type d'installations concernées, de la situation géographique et de l'affectation des terrains occupés.]5
Wijzigingen
Art. D224. Bij de gedeeltelijke bezetting van de privé-terreinen of het privé-domein wordt rekening gehouden met het gebruik waarvoor ze bestemd zijn. De bezetting geeft niet aanleiding tot onteigening maar tot een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut die elke handeling verbiedt waardoor schade kan worden berokkend aan de installaties of aan de exploitatie ervan.
De Regering legt de verbodsbepalingen en voorschriften vast die in acht genomen moeten worden door iedereen die in de buurt van de installaties werken of handelingen uitvoert, laat uitvoeren of overweegt uit te voeren.
[1 Bij overtreding van de in of krachtens dit artikel voorziene verbodsbepalingen en voorschriften heeft de beheerder het recht om de opgerichte bebouwing en beplanting af te breken en de plaatsen in hun vroegere staat te herstellen, alsook elke noodzakelijk geachte conservatoire maatregel te nemen, het geheel op kosten van de overtreder, onverminderd de schadevergoeding waartoe de overtreding aanleiding zou kunnen geven.
Als de overtreding een dringend noodzakelijke interventie op de installaties die de erfdienstbaarheid genieten niet belet, moet de beheerder de overtreder evenwel eerst aanmanen onmiddellijk een einde aan de overtreding te maken en de plaats in haar vroegere staat te herstellen. Daartoe geeft hij de overtreder een termijn van minstens dertig dagen.]1
[2 Lid hier opgeheven en eerste lid van art. 224bis geworden.]2
De Regering legt de verbodsbepalingen en voorschriften vast die in acht genomen moeten worden door iedereen die in de buurt van de installaties werken of handelingen uitvoert, laat uitvoeren of overweegt uit te voeren.
[1 Bij overtreding van de in of krachtens dit artikel voorziene verbodsbepalingen en voorschriften heeft de beheerder het recht om de opgerichte bebouwing en beplanting af te breken en de plaatsen in hun vroegere staat te herstellen, alsook elke noodzakelijk geachte conservatoire maatregel te nemen, het geheel op kosten van de overtreder, onverminderd de schadevergoeding waartoe de overtreding aanleiding zou kunnen geven.
Als de overtreding een dringend noodzakelijke interventie op de installaties die de erfdienstbaarheid genieten niet belet, moet de beheerder de overtreder evenwel eerst aanmanen onmiddellijk een einde aan de overtreding te maken en de plaats in haar vroegere staat te herstellen. Daartoe geeft hij de overtreder een termijn van minstens dertig dagen.]1
[2 Lid hier opgeheven en eerste lid van art. 224bis geworden.]2
Art. D224. L'occupation partielle de terrains privés ou du domaine privé doit respecter l'usage auquel ceux-ci sont affectés. Elle n'entraîne aucune dépossession mais est constitutive d'une servitude légale d'utilité publique interdisant tout acte de nature à nuire aux installations ou à leur exploitation.
Le Gouvernement détermine les interdictions et prescriptions à observer par quiconque exécute, fait exécuter ou envisage d'exécuter des actes et travaux à proximité des installations.
[1 En cas d'infraction aux interdictions et prescriptions prévues par ou en vertu du présent article, le gestionnaire a le droit de démolir les constructions érigées et les plantations et de remettre les lieux dans leur état primitif, ainsi que de prendre toutes les mesures conservatoires jugées utiles, le tout aux frais du contrevenant, sans préjudice des dommages et intérêts auxquels l'infraction pourrait donner lieu.
Si l'infraction ne fait pas obstacle à une intervention nécessaire d'urgence sur les installations bénéficiant de la servitude, le gestionnaire est cependant tenu de mettre préalablement le contrevenant en demeure de mettre fin immédiatement à l'infraction et de remettre les lieux dans leur état primitif. Il fixe à cet effet au contrevenant un délai qui ne peut être inférieur à trente jours.]1
[2 alinéa devenu l'alinéa 1er de l'article D.224bis, et abrogé]2
Le Gouvernement détermine les interdictions et prescriptions à observer par quiconque exécute, fait exécuter ou envisage d'exécuter des actes et travaux à proximité des installations.
[1 En cas d'infraction aux interdictions et prescriptions prévues par ou en vertu du présent article, le gestionnaire a le droit de démolir les constructions érigées et les plantations et de remettre les lieux dans leur état primitif, ainsi que de prendre toutes les mesures conservatoires jugées utiles, le tout aux frais du contrevenant, sans préjudice des dommages et intérêts auxquels l'infraction pourrait donner lieu.
Si l'infraction ne fait pas obstacle à une intervention nécessaire d'urgence sur les installations bénéficiant de la servitude, le gestionnaire est cependant tenu de mettre préalablement le contrevenant en demeure de mettre fin immédiatement à l'infraction et de remettre les lieux dans leur état primitif. Il fixe à cet effet au contrevenant un délai qui ne peut être inférieur à trente jours.]1
[2 alinéa devenu l'alinéa 1er de l'article D.224bis, et abrogé]2
Art. D224bis. [1 De eigenaar van het met de erfdienstbaarheid bezwaarde erf kan de Regering binnen de haar bepaalde termijn informeren dat hij de begunstigde van de erfdienstbaarheid verzoekt het bezette terrein te kopen. Bij gebrek aan een minnelijke verkoopovereenkomst tussen de eigenaar van het bezwaarde erf en de netbeheerder zijn de bepalingen van artikel 227 van toepassing.
Als de beheerder op aanvraag van de eigenaar het geheel of een deel van de grond die laatstgenoemde bezet, aankoopt of onteigent, maakt de forfaitaire vergoeding die geïnd is ter compensatie van de erfdienstbaarheid van algemeen nut die bedoelde grond bezwaart, deel uit van een voorschot op de koopprijs of onteigeningsvergoeding die onderling wordt overeengekomen of die, in voorkomend geval, door de rechter wordt bepaald in het kader van de onteigeningsprocedure.
Om deze prijs of onteigeningsvergoeding vast te leggen wordt geen rekening gehouden met de minderwaarde voortvloeiend uit de verplichtingen i.v.m. de bezetting van de grond door de installaties van de beheerder.
In voorkomend geval wordt het positieve saldo tussen de koopprijs of onteigeningsvergoeding en het ontvangen voorschot met een rente verhoogd die berekend wordt tegen de geldende wettelijke rentevoet over de periode die ingaat op de begindatum van de effectieve bezetting van de grond door de beheerder en eindigt op de datum van het eerste onderlinge koopaanbod dat de beheerder aan de eigenaar richt.]1
Als de beheerder op aanvraag van de eigenaar het geheel of een deel van de grond die laatstgenoemde bezet, aankoopt of onteigent, maakt de forfaitaire vergoeding die geïnd is ter compensatie van de erfdienstbaarheid van algemeen nut die bedoelde grond bezwaart, deel uit van een voorschot op de koopprijs of onteigeningsvergoeding die onderling wordt overeengekomen of die, in voorkomend geval, door de rechter wordt bepaald in het kader van de onteigeningsprocedure.
Om deze prijs of onteigeningsvergoeding vast te leggen wordt geen rekening gehouden met de minderwaarde voortvloeiend uit de verplichtingen i.v.m. de bezetting van de grond door de installaties van de beheerder.
In voorkomend geval wordt het positieve saldo tussen de koopprijs of onteigeningsvergoeding en het ontvangen voorschot met een rente verhoogd die berekend wordt tegen de geldende wettelijke rentevoet over de periode die ingaat op de begindatum van de effectieve bezetting van de grond door de beheerder en eindigt op de datum van het eerste onderlinge koopaanbod dat de beheerder aan de eigenaar richt.]1
Art. D224bis. [1 Le propriétaire du fonds grevé de cette servitude peut, dans le délai fixé par le Gouvernement, informer le Gouvernement qu'il demande au bénéficiaire de cette servitude d'acheter le terrain occupé. Si aucun accord de vente amiable n'intervient entre le propriétaire du fonds grevé et le gestionnaire du réseau, les dispositions de l'article 227 trouvent application.
Lorsque le gestionnaire achète ou exproprie à la demande du propriétaire tout ou partie du terrain occupé par ce dernier, l'indemnité forfaitaire perçue en contrepartie de la servitude d'utilité publique grevant le terrain concerné est constitutive d'une avance sur le prix d'acquisition ou l'indemnisation d'expropriation à convenir à l'amiable ou à fixer le cas échéant par le juge dans le cadre de la procédure d'expropriation.
Pour la fixation de ce prix ou de cette indemnisation d'expropriation, il n'est pas tenu compte de la moins-value résultant des contraintes liées à l'occupation du terrain par les installations du gestionnaire.
Le cas échéant, le solde positif entre le prix d'acquisition ou l'indemnisation d'expropriation et l'avance perçue est majoré d'un intérêt calculé au taux d'intérêt légal en vigueur sur la période prenant cours à la date du début d'occupation effective du terrain par le gestionnaire et prenant fin à la date de la première offre amiable d'acquisition adressée par le gestionnaire au propriétaire.]1
Lorsque le gestionnaire achète ou exproprie à la demande du propriétaire tout ou partie du terrain occupé par ce dernier, l'indemnité forfaitaire perçue en contrepartie de la servitude d'utilité publique grevant le terrain concerné est constitutive d'une avance sur le prix d'acquisition ou l'indemnisation d'expropriation à convenir à l'amiable ou à fixer le cas échéant par le juge dans le cadre de la procédure d'expropriation.
Pour la fixation de ce prix ou de cette indemnisation d'expropriation, il n'est pas tenu compte de la moins-value résultant des contraintes liées à l'occupation du terrain par les installations du gestionnaire.
Le cas échéant, le solde positif entre le prix d'acquisition ou l'indemnisation d'expropriation et l'avance perçue est majoré d'un intérêt calculé au taux d'intérêt légal en vigueur sur la période prenant cours à la date du début d'occupation effective du terrain par le gestionnaire et prenant fin à la date de la première offre amiable d'acquisition adressée par le gestionnaire au propriétaire.]1
Art. D224ter. [1 Behalve als het geheel of een deel van de grond bezwaard met een erfdienstbaarheid van algemeen nut wordt gekocht, dient de eigenaar of houder van zakelijke rechten op dit goed het bestaan van deze erfdienstbaarheid aan te geven in elke akte, ongeacht of hij onderhands of authentiek is, in elke akte van overdracht of aanwijzing van eigendom, van genotsrecht van meer dan negen jaar, van erfpacht of van oppervlakte van het geheel of een deel van de grond, met inbegrip van de akte die een pacht vaststelt.]1
Art. D224ter. [1 Sauf dans le cas de l'achat de tout ou partie du terrain grevé de la servitude d'utilité publique par le gestionnaire, le propriétaire de ce terrain ou le titulaire de droits réels sur ce bien a l'obligation de déclarer l'existence de cette servitude dans tout acte sous seing privé ou authentique, translatif ou déclaratif de propriété, de jouissance pour plus de neuf ans, d'emphytéose ou de superficie de tout ou partie du terrain, y compris dans les actes constatant un bail à ferme.]1
Art. D225. § 1. De installaties worden verplaatst en desnoods verwijderd op verzoek van de eigenaar van het bezwaarde erf of van degene die het recht heeft om er gebouwen op trekken, als ze gebruik wensen te maken van dat recht. De Regering kan de begunstigde van de erfdienstbaarheid een bijkomende termijn geven zodat hij de nodige vergunningen kan verkrijgen voor die verplaatsing.
Als de belanghebbenden gebruik maken van dat recht zonder de verplaatsing of de verwijdering van die installaties te eisen, behoudt de begunstigde van de erfdienstbaarheid het recht om toezicht op de installaties uit te oefenen en om de werken uit te voeren die nodig zijn voor hun werking, onderhoud en herstel.
De verplaatsingskosten en die i.v.m. de verwijdering van de installaties worden door de begunstigde van de erfdienstbaarheid gedragen; de personen bedoeld in het eerste lid zijn evenwel verplicht schriftelijk te verwittigen binnen zes maanden vóór de aanvang van de geplande werken.
§ 2. Niettegenstaande paragraaf 1 kan de begunstigde van de erfdienstbaarheid, om de verplaatsing van de installaties te voorkomen, voorstellen dat de eigenaar het bezette terrein koopt. Hij geeft de Regering kennis daarvan. Bij gebrek aan een minnelijke overeenkomst tussen de eigenaar van het bezwaarde erf en de netbeheerder zijn de bepalingen van artikel 227 van toepassing.
Als de belanghebbenden gebruik maken van dat recht zonder de verplaatsing of de verwijdering van die installaties te eisen, behoudt de begunstigde van de erfdienstbaarheid het recht om toezicht op de installaties uit te oefenen en om de werken uit te voeren die nodig zijn voor hun werking, onderhoud en herstel.
De verplaatsingskosten en die i.v.m. de verwijdering van de installaties worden door de begunstigde van de erfdienstbaarheid gedragen; de personen bedoeld in het eerste lid zijn evenwel verplicht schriftelijk te verwittigen binnen zes maanden vóór de aanvang van de geplande werken.
§ 2. Niettegenstaande paragraaf 1 kan de begunstigde van de erfdienstbaarheid, om de verplaatsing van de installaties te voorkomen, voorstellen dat de eigenaar het bezette terrein koopt. Hij geeft de Regering kennis daarvan. Bij gebrek aan een minnelijke overeenkomst tussen de eigenaar van het bezwaarde erf en de netbeheerder zijn de bepalingen van artikel 227 van toepassing.
Art. D225. § 1er. Les installations doivent être déplacées et, s'il y a lieu, enlevées à la requête du propriétaire du fonds grevé ou de celui qui est en droit d'y ériger des constructions, s'ils désirent user de ce droit. Le Gouvernement peut octroyer un délai supplémentaire au bénéficiaire de la servitude pour lui permettre d'obtenir les autorisations requises par ce déplacement.
Si les intéressés usent de ce droit sans exiger le déplacement ou l'enlèvement des installations, le bénéficiaire de la servitude conserve le droit d'exercer la surveillance de ces installations et d'exécuter les travaux nécessaires à leur fonctionnement, à leur entretien et à leur réparation.
Le coût du déplacement ou de l'enlèvement des installations est à la charge du bénéficiaire de la servitude; toutefois, les personnes mentionnées à l'alinéa 1er sont tenues de prévenir par écrit six mois au moins avant d'entreprendre les travaux projetés.
§ 2. Nonobstant le paragraphe 1er, afin d'éviter de déplacer les installations, le bénéficiaire de la servitude peut proposer au propriétaire d'acheter le terrain occupé. Il en informe le Gouvernement. Si aucun accord amiable n'intervient entre le propriétaire du fonds grevé et le gestionnaire des installations, les dispositions de l'article 227 trouvent application.
Si les intéressés usent de ce droit sans exiger le déplacement ou l'enlèvement des installations, le bénéficiaire de la servitude conserve le droit d'exercer la surveillance de ces installations et d'exécuter les travaux nécessaires à leur fonctionnement, à leur entretien et à leur réparation.
Le coût du déplacement ou de l'enlèvement des installations est à la charge du bénéficiaire de la servitude; toutefois, les personnes mentionnées à l'alinéa 1er sont tenues de prévenir par écrit six mois au moins avant d'entreprendre les travaux projetés.
§ 2. Nonobstant le paragraphe 1er, afin d'éviter de déplacer les installations, le bénéficiaire de la servitude peut proposer au propriétaire d'acheter le terrain occupé. Il en informe le Gouvernement. Si aucun accord amiable n'intervient entre le propriétaire du fonds grevé et le gestionnaire des installations, les dispositions de l'article 227 trouvent application.
Art. D226. De beheerder van de installaties is gehouden tot het herstel van de schade veroorzaakt door de werken die hij heeft uitgevoerd bij de aanleg of de exploitatie van zijn installaties, alsmede tot de vergoeding van de schade berokkend aan derden, hetzij door zijn werken, hetzij wegens het gebruik van het door de erfdienstbaarheid bezwaarde erf. De gezamenlijke vergoedingen i.v.m. de veroorzaakte schade worden door de beheerder gedragen. Ze zijn verschuldigd aan de personen die de schade lijden. Het bedrag ervan worden hetzij minnelijk, hetzij door de rechtbanken bepaald.
Art. D226. Le gestionnaire des installations est tenu à la réparation des dommages causés par les travaux auxquels il a procédé lors de l'établissement ou de l'exploitation de ses installations, ainsi qu'à l'indemnisation des dommages causés à des tiers, soit du fait de ses travaux, soit du fait de l'utilisation du fonds grevé de la servitude. Les indemnités du chef des dommages causés sont entièrement à charge de ce gestionnaire. Elles sont dues aux personnes qui subissent ces dommages; leur montant est déterminé soit à l'amiable, soit par les tribunaux.
Art. D227. De beheerder van de installaties ten gunste van wie de Regering een besluit tot verklaring van algemeen belang heeft genomen, kan, op eigen verzoek en binnen de perken van dat besluit, door de Regering gemachtigd worden om de nodige onteigeningen op eigen kosten voort te zetten namens het Gewest of in eigen naam als hij beschikt over de bevoegdheid om krachtens een decreetbepaling te onteigenen. [1 ...]1.
Art. D227. Le gestionnaire des installations au profit duquel un arrêté du Gouvernement de déclaration d'utilité publique a été pris peut, sur sa demande et dans les limites de cet arrêté, être autorisé par le Gouvernement à poursuivre à ses frais, au nom de la Région ou en son nom propre s'il dispose du pouvoir d'exproprier en vertu d'une disposition décrétale, les expropriations nécessaires. [1 ...]1.
Wijzigingen
Art. D227bis. [1 Op het gedeelte van het tracé van de leiding in een privé domein, mogen bovenop de aansluitingen geen bouwwerken opgetrokken of ingegraven worden, noch struiken aangeplant worden op de oppervlakte die zich aan weerskanten van de as van de leiding uitstrekt tot op anderhalve meter vanaf die as.]1
Art. D227bis. [1 Dans la portion de son tracé en domaine privé, aucune construction en élévation ou enterrée, ni plantation arbustive ne peut être établie au-dessus du raccordement, sur la surface s'étendant de part et d'autre de l'axe de la canalisation jusqu'à une distance d'un mètre cinquante centimètres à partir de cet axe]1
Afdeling 2. [1 Certificering "Water" voor bebouwde onroerende goederen.]1
SECTION 2. [1 Certification Eau des immeubles bâtis]1
Art. D227ter. [1 § 1. De Regering organiseert een procedure voor de afgifte van een document, CertIBEau genoemd, ter beoordeling van de conformiteit van bebouwde onroerende gebouwen met de verplichtingen met betrekking tot de in de artikelen [2 D.182, § 5]2, D.195 tot D.207 en D.227bis bedoelde aansluiting en particuliere waterdistributie-installatie en de krachtens deze artikelen genomen wettelijke bepalingen, alsook met de verplichtingen betreffende het afvoeren en de behandeling van stedelijk afvalwater vermeld in het algemene reglement ter sanering van het stedelijke afvalwater bedoeld in artikel D.218.
§ 2. Het verkrijgen van een CertIBEau ter bevestiging van de conformiteit van de bebouwde onroerende gebouwen met de verplichtingen bedoeld in paragraaf 1 is verplicht vóór de aansluiting van een gebouw op openbare waterdistributie.
In afwijking van het eerste lid, is deze verplichting niet van toepassing op voorlopige aansluitingen op openbare waterdistributie tijdens de duur van bouwwerven.
De verplichting bedoeld in het eerste lid is toepasselijk op onbebouwde kampeerterreinen.
§ 3. Het verkrijgen van een CertIBEau met betrekking tot de privé-installatie voor waterdistributie is verplicht in lokalen en inrichtingen waar het publiek van water wordt voorzien, binnen termijnen en overeenkomstig regels die door de Regering worden vastgesteld. [2 Wanneer de certificeerder tijdens de uitoefening van zijn opdrachten een risico en de aanwezigheid van relevante parameters vaststelt overeenkomstig artikel D.193bis, § 2, informeert hij de dienst die door de Regering is aangewezen overeenkomstig deze zelfde bepaling.]2
De Regering bepaalt de lijst van de categorieën lokalen en inrichtingen die onder de bepalingen van deze paragraaf vallen, en bepaalt een procedure en termijnen voor de certificering van de privé-installaties voor distributie.
§ 4. Elke eigenaar van een onroerend goed kan verzoeken om een CertIBEau ter beoordeling van de conformiteit ervan met de verplichtingen bedoeld in paragraaf 1.
§ 5. Het CertIBEau blijft geldig tot ingrijpende wijziging van de aansluiting, van de privé-installatie voor waterdistributie van het onroerend goed of van de aansluiting ervan op het afvoersysteem van stedelijk afvalwater of de behandeling ervan. De Regering bepaalt wat verstaan moet worden onder " ingrijpende wijziging ".
§ 6. In elke akte onder de levenden, ongeacht of hij onderhands of authentiek is, in elke akte van overdracht, ongeacht of hij een akte van aanwijzing, oprichting of overdracht is van een zakelijk recht of van een persoonlijk genotsrecht van meer dan negen jaar, evenwel met uitzondering van de akten tot vestiging van een hypotheek en de overdrachten die voortspruiten uit een huwelijkscontract of uit de wijziging van een huwelijkstelsel en van de overdrachten die voortspruiten uit een wettelijk samenlevingscontact of uit de wijziging van een dergelijke overeenkomst, met betrekking tot een onroerend goed dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een CertIBEau, moeten uitdrukkelijk worden vermeld :
- de datum van het opstellen van het CertIBEau;
- de conclusies vervat in het CertIBEau;
- de verklaring van de overdrager dat hij in kennis is gesteld van deze conclusies.
Wanneer de conclusies van CertIBEau op de conformiteit van het onroerend goed met de in paragraaf 1 bedoelde verplichtingen wijzen, wordt in de akte ook uitdrukkelijk vermelding gemaakt:
- hetzij, van de verklaring van de overdrager waaruit blijkt dat, voor zover hem bekend, sinds de opstelling van het "CertIBEau", geen wijziging is opgetreden in de aansluiting op het openbare distributienet, met inbegrip van de privé distributie-installatie, of in de aansluiting van het onroerend goed op het afvoersysteem van stedelijk afvalwater of de behandeling ervan;
- hetzij, van de beschrijving van de wijziging(en) in de aansluiting op het openbare distributienet, privé distributie-installatie inbegrepen, of in de aansluiting van het onroerend goed op het afvoersysteem van stedelijk afvalwater of de behandeling ervan, opgetreden sinds de opstelling van het "CertIBEau".
Wanneer de conclusies van CertIBEau op de non-conformiteit van het onroerend goed met de in paragraaf 1 bedoelde wettelijke en reglementaire verplichtingen wijzen, wordt in de akte uitdrukkelijk melding gemaakt van de verklaring van de overdrager waarbij hij op de hoogte wordt gebracht dat het onroerend goed aan deze wettelijke en reglementaire verplichtingen niet voldoet.
§ 7. Wanneer, aan het einde van het voorafgaande controlebezoek aan de inrichting van het CertIBEau, een onmiddellijk gevaar voor de menselijke gezondheid wordt vastgesteld, stelt de in artikel D.227quater bedoelde erkende certificeerder de eigenaar van het onroerend goed, de bevoegde burgemeester en de krachtens artikel D.140 van Boek I van het Milieuwetboek aangewezen toezichthoudende ambtenaren onmiddellijk in kennis daarvan.
§ 8. Het door de in artikel D.227quater bedoelde certificeerder vastgestelde tarief voor het opstellen van een CertIBEau omvat gedeeltelijk een vergoeding, waarvan het bedrag door de Regering wordt vastgesteld, betreffende de administratieve werkingskosten van het CertIBEau-certificatiesysteem.
De certificeerder bedoeld in artikel D.227quater stort aan de "SPGE" het bedrag van de toelage geïnd voor elk opgesteld "CertIBEau".]1
§ 2. Het verkrijgen van een CertIBEau ter bevestiging van de conformiteit van de bebouwde onroerende gebouwen met de verplichtingen bedoeld in paragraaf 1 is verplicht vóór de aansluiting van een gebouw op openbare waterdistributie.
In afwijking van het eerste lid, is deze verplichting niet van toepassing op voorlopige aansluitingen op openbare waterdistributie tijdens de duur van bouwwerven.
De verplichting bedoeld in het eerste lid is toepasselijk op onbebouwde kampeerterreinen.
§ 3. Het verkrijgen van een CertIBEau met betrekking tot de privé-installatie voor waterdistributie is verplicht in lokalen en inrichtingen waar het publiek van water wordt voorzien, binnen termijnen en overeenkomstig regels die door de Regering worden vastgesteld. [2 Wanneer de certificeerder tijdens de uitoefening van zijn opdrachten een risico en de aanwezigheid van relevante parameters vaststelt overeenkomstig artikel D.193bis, § 2, informeert hij de dienst die door de Regering is aangewezen overeenkomstig deze zelfde bepaling.]2
De Regering bepaalt de lijst van de categorieën lokalen en inrichtingen die onder de bepalingen van deze paragraaf vallen, en bepaalt een procedure en termijnen voor de certificering van de privé-installaties voor distributie.
§ 4. Elke eigenaar van een onroerend goed kan verzoeken om een CertIBEau ter beoordeling van de conformiteit ervan met de verplichtingen bedoeld in paragraaf 1.
§ 5. Het CertIBEau blijft geldig tot ingrijpende wijziging van de aansluiting, van de privé-installatie voor waterdistributie van het onroerend goed of van de aansluiting ervan op het afvoersysteem van stedelijk afvalwater of de behandeling ervan. De Regering bepaalt wat verstaan moet worden onder " ingrijpende wijziging ".
§ 6. In elke akte onder de levenden, ongeacht of hij onderhands of authentiek is, in elke akte van overdracht, ongeacht of hij een akte van aanwijzing, oprichting of overdracht is van een zakelijk recht of van een persoonlijk genotsrecht van meer dan negen jaar, evenwel met uitzondering van de akten tot vestiging van een hypotheek en de overdrachten die voortspruiten uit een huwelijkscontract of uit de wijziging van een huwelijkstelsel en van de overdrachten die voortspruiten uit een wettelijk samenlevingscontact of uit de wijziging van een dergelijke overeenkomst, met betrekking tot een onroerend goed dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een CertIBEau, moeten uitdrukkelijk worden vermeld :
- de datum van het opstellen van het CertIBEau;
- de conclusies vervat in het CertIBEau;
- de verklaring van de overdrager dat hij in kennis is gesteld van deze conclusies.
Wanneer de conclusies van CertIBEau op de conformiteit van het onroerend goed met de in paragraaf 1 bedoelde verplichtingen wijzen, wordt in de akte ook uitdrukkelijk vermelding gemaakt:
- hetzij, van de verklaring van de overdrager waaruit blijkt dat, voor zover hem bekend, sinds de opstelling van het "CertIBEau", geen wijziging is opgetreden in de aansluiting op het openbare distributienet, met inbegrip van de privé distributie-installatie, of in de aansluiting van het onroerend goed op het afvoersysteem van stedelijk afvalwater of de behandeling ervan;
- hetzij, van de beschrijving van de wijziging(en) in de aansluiting op het openbare distributienet, privé distributie-installatie inbegrepen, of in de aansluiting van het onroerend goed op het afvoersysteem van stedelijk afvalwater of de behandeling ervan, opgetreden sinds de opstelling van het "CertIBEau".
Wanneer de conclusies van CertIBEau op de non-conformiteit van het onroerend goed met de in paragraaf 1 bedoelde wettelijke en reglementaire verplichtingen wijzen, wordt in de akte uitdrukkelijk melding gemaakt van de verklaring van de overdrager waarbij hij op de hoogte wordt gebracht dat het onroerend goed aan deze wettelijke en reglementaire verplichtingen niet voldoet.
§ 7. Wanneer, aan het einde van het voorafgaande controlebezoek aan de inrichting van het CertIBEau, een onmiddellijk gevaar voor de menselijke gezondheid wordt vastgesteld, stelt de in artikel D.227quater bedoelde erkende certificeerder de eigenaar van het onroerend goed, de bevoegde burgemeester en de krachtens artikel D.140 van Boek I van het Milieuwetboek aangewezen toezichthoudende ambtenaren onmiddellijk in kennis daarvan.
§ 8. Het door de in artikel D.227quater bedoelde certificeerder vastgestelde tarief voor het opstellen van een CertIBEau omvat gedeeltelijk een vergoeding, waarvan het bedrag door de Regering wordt vastgesteld, betreffende de administratieve werkingskosten van het CertIBEau-certificatiesysteem.
De certificeerder bedoeld in artikel D.227quater stort aan de "SPGE" het bedrag van de toelage geïnd voor elk opgesteld "CertIBEau".]1
Art. D227ter. [1 § 1er. Le Gouvernement organise une procédure de délivrance d'un document, dénommé CertIBEau, évaluant l'état de conformité des immeubles bâtis aux obligations relatives au raccordement et à l'installation privée de distribution de l'eau visées aux articles [2 D.182, § 5]2, D.195 à D.207 et D.227bis et aux dispositions réglementaires prises en vertu de ceux-ci, ainsi qu'aux obligations relatives à l'évacuation et au traitement des eaux urbaines résiduaires précisées au règlement général d'assainissement visé à l'article D.218.
§ 2. L'obtention d'un CertIBEau attestant de la conformité des immeubles bâtis aux obligations visées au paragraphe 1er est obligatoire avant le raccordement d'un immeuble à la distribution publique de l'eau.
Par dérogation à l'alinéa 1er, cette obligation ne s'applique pas aux raccordements provisoires à la distribution publique de l'eau pendant la durée des chantiers de construction.
L'obligation visée à l'alinéa 1er s'applique aux terrains de camping non bâtis.
§ 3. L'obtention d'un CertIBEau relatif à l'installation privée de distribution est obligatoire dans les locaux et établissements où l'eau est fournie au public, dans les délais et conformément aux règles que le Gouvernement détermine. [2 Lorsque dans le cadre de ses missions, le certificateur constate un risque et la présence de paramètres pertinents conformément à l'article D.193bis, § 2, il en informe le service désigné par le Gouvernement en vertu de cette même disposition. ]2
Le Gouvernement dresse la liste des catégories de locaux et d'établissements soumis au présent paragraphe et fixe la procédure et les délais de certification des installations privées de distribution.
§ 4. Tout propriétaire d'un immeuble peut solliciter l'obtention d'un CertIBEau évaluant la conformité de celui-ci aux obligations visées au paragraphe1er.
§ 5. Le CertiBEau reste valable jusqu'à modification importante du raccordement, de l'installation privée de distribution de l'immeuble ou du raccordement de l'immeuble au dispositif d'évacuation des eaux urbaines résiduaires ou de traitement des eaux usées. Le Gouvernement détermine ce qu'il y a lieu d'entendre par modification importante.
§ 6. Dans tout acte de cession entre vifs, sous seing privé ou authentique, qu'il soit déclaratif, constitutif ou translatif, de droit réel ou personnel de jouissance de plus de neuf ans, à l'exception cependant des actes de constitution d'hypothèque et des cessions qui résultent d'un contrat de mariage ou d'une modification de régime matrimonial et des cessions qui résultent d'une convention de cohabitation légale ou d'une modification d'une telle convention, relatif à un immeuble qui a fait l'objet d'un CertIBEau, il est fait expressément mention :
- de la date d'établissement du CertIBEau;
- des conclusions contenues dans le CertIBEau;
- de la déclaration du cessionnaire reconnaissant avoir été informé de ces conclusions.
Lorsque les conclusions du CertIBEau établissent la conformité de l'immeuble aux obligations visées au paragraphe 1er, il est en outre fait expressément mention dans l'acte :
- soit, de la déclaration du cédant selon laquelle, à sa connaissance, aucune modification du raccordement au réseau de distribution publique, en ce compris l'installation privée de distribution, ou du raccordement de l'immeuble au dispositif d'évacuation des eaux urbaines résiduaires ou de traitement des eaux usées n'est intervenue depuis l'établissement du CertIBEau;
- soit, de la description de la ou des modifications du raccordement au réseau de distribution publique, en ce compris l'installation privée de distribution, ou du raccordement de l'immeuble au dispositif d'évacuation des eaux urbaines résiduaires ou de traitement des eaux usées, intervenue(s) depuis l'établissement du CertIBEau.
Lorsque les conclusions du CertIBEau établissent la non-conformité de l'immeuble aux obligations légales et réglementaires visées au paragraphe 1er, il est fait expressément mention dans l'acte de la déclaration du cessionnaire par laquelle il est informé du fait que l'immeuble ne répond pas à ces obligations légales et réglementaires.
§ 7. Lorsque, à l'issue de la visite de contrôle préalable à l'établissement du CertIBEau, il est constaté un danger immédiat pour la santé humaine, le certificateur agréé visé à l'article D.227quater en informe immédiatement le propriétaire de l'immeuble, le bourgmestre compétent et les agents chargés de la surveillance désignés en vertu de l'article D.140 du Livre Ier du Code de l'Environnement.
§ 8. Le tarif fixé par le certificateur visé à l'article D.227quater pour l'établissement d'un CertIBEau comporte pour partie une redevance, dont le montant est fixé par le Gouvernement, afférente aux frais administratifs de fonctionnement du système de certification CertIBEau.
Le certificateur visé à l'article D.227quater verse à la SPGE le montant de la redevance perçu pour chaque CertIBEau établi.]1
§ 2. L'obtention d'un CertIBEau attestant de la conformité des immeubles bâtis aux obligations visées au paragraphe 1er est obligatoire avant le raccordement d'un immeuble à la distribution publique de l'eau.
Par dérogation à l'alinéa 1er, cette obligation ne s'applique pas aux raccordements provisoires à la distribution publique de l'eau pendant la durée des chantiers de construction.
L'obligation visée à l'alinéa 1er s'applique aux terrains de camping non bâtis.
§ 3. L'obtention d'un CertIBEau relatif à l'installation privée de distribution est obligatoire dans les locaux et établissements où l'eau est fournie au public, dans les délais et conformément aux règles que le Gouvernement détermine. [2 Lorsque dans le cadre de ses missions, le certificateur constate un risque et la présence de paramètres pertinents conformément à l'article D.193bis, § 2, il en informe le service désigné par le Gouvernement en vertu de cette même disposition. ]2
Le Gouvernement dresse la liste des catégories de locaux et d'établissements soumis au présent paragraphe et fixe la procédure et les délais de certification des installations privées de distribution.
§ 4. Tout propriétaire d'un immeuble peut solliciter l'obtention d'un CertIBEau évaluant la conformité de celui-ci aux obligations visées au paragraphe1er.
§ 5. Le CertiBEau reste valable jusqu'à modification importante du raccordement, de l'installation privée de distribution de l'immeuble ou du raccordement de l'immeuble au dispositif d'évacuation des eaux urbaines résiduaires ou de traitement des eaux usées. Le Gouvernement détermine ce qu'il y a lieu d'entendre par modification importante.
§ 6. Dans tout acte de cession entre vifs, sous seing privé ou authentique, qu'il soit déclaratif, constitutif ou translatif, de droit réel ou personnel de jouissance de plus de neuf ans, à l'exception cependant des actes de constitution d'hypothèque et des cessions qui résultent d'un contrat de mariage ou d'une modification de régime matrimonial et des cessions qui résultent d'une convention de cohabitation légale ou d'une modification d'une telle convention, relatif à un immeuble qui a fait l'objet d'un CertIBEau, il est fait expressément mention :
- de la date d'établissement du CertIBEau;
- des conclusions contenues dans le CertIBEau;
- de la déclaration du cessionnaire reconnaissant avoir été informé de ces conclusions.
Lorsque les conclusions du CertIBEau établissent la conformité de l'immeuble aux obligations visées au paragraphe 1er, il est en outre fait expressément mention dans l'acte :
- soit, de la déclaration du cédant selon laquelle, à sa connaissance, aucune modification du raccordement au réseau de distribution publique, en ce compris l'installation privée de distribution, ou du raccordement de l'immeuble au dispositif d'évacuation des eaux urbaines résiduaires ou de traitement des eaux usées n'est intervenue depuis l'établissement du CertIBEau;
- soit, de la description de la ou des modifications du raccordement au réseau de distribution publique, en ce compris l'installation privée de distribution, ou du raccordement de l'immeuble au dispositif d'évacuation des eaux urbaines résiduaires ou de traitement des eaux usées, intervenue(s) depuis l'établissement du CertIBEau.
Lorsque les conclusions du CertIBEau établissent la non-conformité de l'immeuble aux obligations légales et réglementaires visées au paragraphe 1er, il est fait expressément mention dans l'acte de la déclaration du cessionnaire par laquelle il est informé du fait que l'immeuble ne répond pas à ces obligations légales et réglementaires.
§ 7. Lorsque, à l'issue de la visite de contrôle préalable à l'établissement du CertIBEau, il est constaté un danger immédiat pour la santé humaine, le certificateur agréé visé à l'article D.227quater en informe immédiatement le propriétaire de l'immeuble, le bourgmestre compétent et les agents chargés de la surveillance désignés en vertu de l'article D.140 du Livre Ier du Code de l'Environnement.
§ 8. Le tarif fixé par le certificateur visé à l'article D.227quater pour l'établissement d'un CertIBEau comporte pour partie une redevance, dont le montant est fixé par le Gouvernement, afférente aux frais administratifs de fonctionnement du système de certification CertIBEau.
Le certificateur visé à l'article D.227quater verse à la SPGE le montant de la redevance perçu pour chaque CertIBEau établi.]1
Art. D227quater. [1 § 1. De Regering kan de certificeringsopdracht van de onroerende goederen bedoeld in artikel D.227ter toevertrouwen aan natuurlijke of rechtspersonen die erkend worden als certificeerders.
§ 2. Om te worden erkend, moeten de personen bedoeld in het eerste lid voldoen aan de volgende voorwaarden :
1° van zijn burgerlijke en politieke rechten genieten, of onder de bestuurders of personen die de vennootschap kunnen binden, enkel personen tellen die hun politieke en burgerlijke rechten genieten;
2° niet veroordeeld zijn, of, onder de bestuurders of personen die de vennootschap kunnen binden, geen enkele persoon tellen die veroordeeld is bij een beslissing die in kracht van gewijsde is getreden wegens een inbreuk op het Waterwetboek, op het koninklijk besluit van 3 augustus 1976 houdende algemeen reglement voor het lozen van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvoerwegen voor regenwater, op het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en de uitvoeringsbesluiten ervan of op elke andere gelijkwaardige regelgeving van een Lidstaat van de Europese Unie;
3° niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een intrekking van de erkenning binnen de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning;
4° de opleiding bedoeld bij de Regering met vrucht hebben gevolgd of een voldoende aantal personen in dienst nemen die bedoelde opleiding met vrucht hebben gevolgd om het verwachte activiteitenvolume te halen;
5° beschikken over financiële garanties en beschikken over of zich ertoe verbinden te beschikken over voldoende technische en menselijke middelen zodat de activiteiten waarvoor de erkenning wordt aangevraagd, worden gewaarborgd;
6° door een verzekeringsovereenkomst gedekt zijn ter dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid voortvloeiend uit de activiteiten waarvoor een erkenning wordt aangevraagd;
7° beschikken over, of ter beschikking stellen van het gecertificeerde personeel dat de controlehandelingen uitvoert, van de minimale technische uitrusting in goede staat van werking;
8° zich ertoe verbinden permanente opleidingen te volgen, of zich ertoe verbinden bedoelde opleidingen op te leggen aan het gecertificeerde personeel.
De Regering is bevoegd om deze voorwaarden nader te bepalen en andere erkenningsvoorwaarden vast te stellen.
Bij wijziging van een van de elementen bedoeld in het eerste lid, verwittigt de houder van de erkenning onmiddellijk de "S.P.G.E.".
De Regering bepaalt de erkenningsprocedure voor de certificeerders en de beroepsprocedures tegen de beslissingen tot toekenning of weigering van de erkenning.
Een dossier, waarvan het bedrag en de stortingsvoorwaarden door de Regering worden vastgesteld, kan worden aangevraagd aan elke persoon die een aanvraag tot erkenning bedoeld in dit artikel indient. In voorkomend geval wordt het recht op de datum van de aanvraag vereist.
De opbrengst van de rechten van het dossier wordt gestort aan het Fonds voor de bescherming van het leefmilieu, afdeling "waterbescherming" bedoeld in artikel D.170 van Boek I van het Milieuwetboek.
§ 3. De Regering bepaalt de erkenningsprocedures van de centra die de opleidingen verstrekken die gevolgd moeten worden of waarvoor geslaagd moet worden met het oog op de erkenningsmogelijkheid van de certificeerders.
Om te worden erkend, moeten de opleidingscentra voldoen aan de volgende voorwaarden :
1° in staat zijn om de opleidingen en examens te organiseren;
2° in staat zijn om de doorlopende opleidingen te organiseren;
3° beschikken over gekwalificeerd onderwijspersoneel;
4° beschikken over de nodige technische uitrustingen voor het vlotte verloop van de opleidingen en examens;
5° minder dan drie jaar voor de indiening van de erkenningsaanvraag niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een besluit tot erkenningsintrekking bedoeld in paragraaf 7.
Bij wijziging van een van de elementen bedoeld in het tweede lid, verwittigt de houder van de erkenning onmiddellijk de "S.P.G.E.".
§ 4. De lijst van de erkende certificeerders en erkende opleidingscentra wordt door de "S.P.G.E." bijgehouden.
§ 5. De Regering kan de controleopdracht met betrekking tot de kwaliteit van de rapporten van de certificeerders overdragen aan de bevoegde saneringsinstellingen en openbare maatschappijen, die zelf de in dit artikel bedoelde erkenning van certificeerder hebben. In dit geval mogen de bevoegde saneringsinstellingen en de openbare maatschappijen geen CertIBEau afgeven.
Bij vastgestelde tekortkomingen verwittigt de controleinstelling de "S.P.G.E.".
§ 6. In het kader van zijn opdracht van openbare dienst bedoeld in artikel D.332, § 2, 9°, wordt de "S.P.G.E." aangewezen als bevoegde overheid belast met het verlenen, de schorsing of de intrekking van een erkenning aan een certificeerder of aan een opleidingscentrum. De Regering bepaalt deze opdracht van de "S.P.G.E." in haar beheersovereenkomst.
§ 7. De "S.P.G.E." kan de erkenning van een certificeerder of van een opleidingscentrum schorsen of intrekken wanneer wordt vastgesteld dat hij zijn verplichtingen niet is nagekomen, na een procedure die door de Regering wordt vastgesteld die voorziet in de mogelijkheid voor de betrokken persoon om zich schriftelijk en mondeling te verdedigen.
De Regering bepaalt de beroepsprocedure tegen de beslissingen bedoeld in het eerste lid.]1
§ 2. Om te worden erkend, moeten de personen bedoeld in het eerste lid voldoen aan de volgende voorwaarden :
1° van zijn burgerlijke en politieke rechten genieten, of onder de bestuurders of personen die de vennootschap kunnen binden, enkel personen tellen die hun politieke en burgerlijke rechten genieten;
2° niet veroordeeld zijn, of, onder de bestuurders of personen die de vennootschap kunnen binden, geen enkele persoon tellen die veroordeeld is bij een beslissing die in kracht van gewijsde is getreden wegens een inbreuk op het Waterwetboek, op het koninklijk besluit van 3 augustus 1976 houdende algemeen reglement voor het lozen van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvoerwegen voor regenwater, op het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en de uitvoeringsbesluiten ervan of op elke andere gelijkwaardige regelgeving van een Lidstaat van de Europese Unie;
3° niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een intrekking van de erkenning binnen de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning;
4° de opleiding bedoeld bij de Regering met vrucht hebben gevolgd of een voldoende aantal personen in dienst nemen die bedoelde opleiding met vrucht hebben gevolgd om het verwachte activiteitenvolume te halen;
5° beschikken over financiële garanties en beschikken over of zich ertoe verbinden te beschikken over voldoende technische en menselijke middelen zodat de activiteiten waarvoor de erkenning wordt aangevraagd, worden gewaarborgd;
6° door een verzekeringsovereenkomst gedekt zijn ter dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid voortvloeiend uit de activiteiten waarvoor een erkenning wordt aangevraagd;
7° beschikken over, of ter beschikking stellen van het gecertificeerde personeel dat de controlehandelingen uitvoert, van de minimale technische uitrusting in goede staat van werking;
8° zich ertoe verbinden permanente opleidingen te volgen, of zich ertoe verbinden bedoelde opleidingen op te leggen aan het gecertificeerde personeel.
De Regering is bevoegd om deze voorwaarden nader te bepalen en andere erkenningsvoorwaarden vast te stellen.
Bij wijziging van een van de elementen bedoeld in het eerste lid, verwittigt de houder van de erkenning onmiddellijk de "S.P.G.E.".
De Regering bepaalt de erkenningsprocedure voor de certificeerders en de beroepsprocedures tegen de beslissingen tot toekenning of weigering van de erkenning.
Een dossier, waarvan het bedrag en de stortingsvoorwaarden door de Regering worden vastgesteld, kan worden aangevraagd aan elke persoon die een aanvraag tot erkenning bedoeld in dit artikel indient. In voorkomend geval wordt het recht op de datum van de aanvraag vereist.
De opbrengst van de rechten van het dossier wordt gestort aan het Fonds voor de bescherming van het leefmilieu, afdeling "waterbescherming" bedoeld in artikel D.170 van Boek I van het Milieuwetboek.
§ 3. De Regering bepaalt de erkenningsprocedures van de centra die de opleidingen verstrekken die gevolgd moeten worden of waarvoor geslaagd moet worden met het oog op de erkenningsmogelijkheid van de certificeerders.
Om te worden erkend, moeten de opleidingscentra voldoen aan de volgende voorwaarden :
1° in staat zijn om de opleidingen en examens te organiseren;
2° in staat zijn om de doorlopende opleidingen te organiseren;
3° beschikken over gekwalificeerd onderwijspersoneel;
4° beschikken over de nodige technische uitrustingen voor het vlotte verloop van de opleidingen en examens;
5° minder dan drie jaar voor de indiening van de erkenningsaanvraag niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een besluit tot erkenningsintrekking bedoeld in paragraaf 7.
Bij wijziging van een van de elementen bedoeld in het tweede lid, verwittigt de houder van de erkenning onmiddellijk de "S.P.G.E.".
§ 4. De lijst van de erkende certificeerders en erkende opleidingscentra wordt door de "S.P.G.E." bijgehouden.
§ 5. De Regering kan de controleopdracht met betrekking tot de kwaliteit van de rapporten van de certificeerders overdragen aan de bevoegde saneringsinstellingen en openbare maatschappijen, die zelf de in dit artikel bedoelde erkenning van certificeerder hebben. In dit geval mogen de bevoegde saneringsinstellingen en de openbare maatschappijen geen CertIBEau afgeven.
Bij vastgestelde tekortkomingen verwittigt de controleinstelling de "S.P.G.E.".
§ 6. In het kader van zijn opdracht van openbare dienst bedoeld in artikel D.332, § 2, 9°, wordt de "S.P.G.E." aangewezen als bevoegde overheid belast met het verlenen, de schorsing of de intrekking van een erkenning aan een certificeerder of aan een opleidingscentrum. De Regering bepaalt deze opdracht van de "S.P.G.E." in haar beheersovereenkomst.
§ 7. De "S.P.G.E." kan de erkenning van een certificeerder of van een opleidingscentrum schorsen of intrekken wanneer wordt vastgesteld dat hij zijn verplichtingen niet is nagekomen, na een procedure die door de Regering wordt vastgesteld die voorziet in de mogelijkheid voor de betrokken persoon om zich schriftelijk en mondeling te verdedigen.
De Regering bepaalt de beroepsprocedure tegen de beslissingen bedoeld in het eerste lid.]1
Art. D227quater. [1 § 1er. Le Gouvernement peut déléguer la mission de certification des immeubles visés à l'article D.227ter à des personnes physiques ou morales agréées en qualité de certificateurs.
§ 2. Pour être agréées, les personnes visées à l'alinéa 1er doivent répondre aux conditions suivantes :
1° jouir de ses droits civils et politiques, ou ne compter parmi ses administrateurs ou parmi les personnes pouvant engager l'entreprise que des personnes jouissant de leurs droits civils et politiques;
2° ne pas avoir été condamné, ou ne compter parmi ses administrateurs ou parmi les personnes pouvant engager l'entreprise aucune personne qui a été condamnée, par une décision coulée en force de chose jugée, pour une infraction au Code de l'Eau, à l'arrêté royal du 3 août 1976 portant le règlement général relatif aux déversements des eaux usées dans les eaux de surface ordinaires, dans les égouts publics et dans les voies artificielles d'écoulement des eaux pluviales, au décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement à ses arrêtés d'exécution ou à toute autre législation équivalente d'un Etat membre de la Communauté européenne;
3° ne pas avoir fait l'objet d'un retrait d'agrément dans les trois ans précédant la demande d'agrément;
4° avoir suivi avec fruit la formation prévue par le Gouvernement ou employer des personnes ayant suivi avec fruit ladite formation en nombre suffisant pour faire face au volume d'activité escompté;
5° disposer des garanties financières et disposer ou s'engager à disposer des moyens techniques permettant d'assurer les activités pour lesquelles l'agrément est demandé;
6° être couvert par un contrat d'assurance couvrant la responsabilité civile résultant des activités pour lesquelles l'agrément est demandé;
7° disposer de, ou mettre à la disposition du personnel certifié réalisant les opérations de contrôle, l'équipement technique minimal en bon état de fonctionnement;
8° s'engager à suivre des formations continues, ou s'engager à l'imposer à son personnel certifié.
Le Gouvernement est habilité à préciser ces conditions et à établir d'autres conditions d'agrément.
En cas de modification d'un des éléments visés à l'alinéa 1er, le titulaire de l'agrément en avise immédiatement la S.P.G.E.
Le Gouvernement détermine la procédure d'agrément des certificateurs et les procédures de recours contre les décisions octroyant ou refusant l'agrément.
Un droit de dossier, dont le montant et les modalités de versement sont fixés par le Gouvernement, peut être demandé à toute personne qui introduit une demande d'agrément visée au présent article. Le cas échéant, le droit est réclamé à la date de la demande.
Le produit des droits de dossier est versé au Fonds pour la protection de l'environnement, section " protection des eaux " visé à l'article D.170 du Livre Ier du Code de l'Environnement.
§ 3. Le Gouvernement détermine les procédures d'agrément des centres dispensant les formations dont le suivi ou la réussite conditionnent la possibilité d'agrément des certificateurs.
Pour être agréés, les centres de formation répondent aux conditions suivantes :
1° être à même d'organiser les formations et les examens;
2° être à même d'organiser les formations continues;
3° disposer du personnel enseignant qualifié;
4° disposer des équipements techniques nécessaires au bon déroulement des formations et des examens;
5° ne pas avoir fait l'objet, moins de trois ans avant l'introduction de la demande d'agrément, d'une décision de retrait d'agrément visée au paragraphe 7.
En cas de modification d'un des éléments visés à l'alinéa 2, le titulaire de l'agrément en avise immédiatement la S.P.G.E.
§ 4. La S.P.G.E. tient à jour la liste des certificateurs agréés et des centres de formation agréés.
§ 5. Le Gouvernement peut déléguer la mission de contrôle de la qualité des rapports des certificateurs aux organismes d'assainissement compétents et aux distributeurs publics disposant eux-mêmes de l'agrément de certificateur visé au présent article. Dans ce cas, les organismes d'assainissement compétents et les distributeurs publics ne peuvent délivrer de CertIBEau.
En cas de manquements constatés, l'organisme de contrôle avertit la S.P.G.E.
§ 6. Dans le cadre de sa mission de service public prévue à l'article D.332, § 2, 9°, la S.P.G.E. est désignée comme l'autorité compétente chargée de délivrer, suspendre ou retirer un agrément à un certificateur ou à un centre de formation. Le Gouvernement précise cette mission de la S.P.G.E. dans son contrat de gestion.
§ 7. La S.P.G.E. peut suspendre ou retirer l'agrément d'un certificateur ou d'un centre de formation lorsqu'il est établi qu'il a manqué à ses obligations, au terme d'une procédure fixée par le Gouvernement prévoyant la possibilité pour la personne concernée de faire valoir ses moyens de défense par écrit et oralement.
Le Gouvernement établit la procédure de recours à l'encontre des décisions visées à l'alinéa 1er.]1
§ 2. Pour être agréées, les personnes visées à l'alinéa 1er doivent répondre aux conditions suivantes :
1° jouir de ses droits civils et politiques, ou ne compter parmi ses administrateurs ou parmi les personnes pouvant engager l'entreprise que des personnes jouissant de leurs droits civils et politiques;
2° ne pas avoir été condamné, ou ne compter parmi ses administrateurs ou parmi les personnes pouvant engager l'entreprise aucune personne qui a été condamnée, par une décision coulée en force de chose jugée, pour une infraction au Code de l'Eau, à l'arrêté royal du 3 août 1976 portant le règlement général relatif aux déversements des eaux usées dans les eaux de surface ordinaires, dans les égouts publics et dans les voies artificielles d'écoulement des eaux pluviales, au décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement à ses arrêtés d'exécution ou à toute autre législation équivalente d'un Etat membre de la Communauté européenne;
3° ne pas avoir fait l'objet d'un retrait d'agrément dans les trois ans précédant la demande d'agrément;
4° avoir suivi avec fruit la formation prévue par le Gouvernement ou employer des personnes ayant suivi avec fruit ladite formation en nombre suffisant pour faire face au volume d'activité escompté;
5° disposer des garanties financières et disposer ou s'engager à disposer des moyens techniques permettant d'assurer les activités pour lesquelles l'agrément est demandé;
6° être couvert par un contrat d'assurance couvrant la responsabilité civile résultant des activités pour lesquelles l'agrément est demandé;
7° disposer de, ou mettre à la disposition du personnel certifié réalisant les opérations de contrôle, l'équipement technique minimal en bon état de fonctionnement;
8° s'engager à suivre des formations continues, ou s'engager à l'imposer à son personnel certifié.
Le Gouvernement est habilité à préciser ces conditions et à établir d'autres conditions d'agrément.
En cas de modification d'un des éléments visés à l'alinéa 1er, le titulaire de l'agrément en avise immédiatement la S.P.G.E.
Le Gouvernement détermine la procédure d'agrément des certificateurs et les procédures de recours contre les décisions octroyant ou refusant l'agrément.
Un droit de dossier, dont le montant et les modalités de versement sont fixés par le Gouvernement, peut être demandé à toute personne qui introduit une demande d'agrément visée au présent article. Le cas échéant, le droit est réclamé à la date de la demande.
Le produit des droits de dossier est versé au Fonds pour la protection de l'environnement, section " protection des eaux " visé à l'article D.170 du Livre Ier du Code de l'Environnement.
§ 3. Le Gouvernement détermine les procédures d'agrément des centres dispensant les formations dont le suivi ou la réussite conditionnent la possibilité d'agrément des certificateurs.
Pour être agréés, les centres de formation répondent aux conditions suivantes :
1° être à même d'organiser les formations et les examens;
2° être à même d'organiser les formations continues;
3° disposer du personnel enseignant qualifié;
4° disposer des équipements techniques nécessaires au bon déroulement des formations et des examens;
5° ne pas avoir fait l'objet, moins de trois ans avant l'introduction de la demande d'agrément, d'une décision de retrait d'agrément visée au paragraphe 7.
En cas de modification d'un des éléments visés à l'alinéa 2, le titulaire de l'agrément en avise immédiatement la S.P.G.E.
§ 4. La S.P.G.E. tient à jour la liste des certificateurs agréés et des centres de formation agréés.
§ 5. Le Gouvernement peut déléguer la mission de contrôle de la qualité des rapports des certificateurs aux organismes d'assainissement compétents et aux distributeurs publics disposant eux-mêmes de l'agrément de certificateur visé au présent article. Dans ce cas, les organismes d'assainissement compétents et les distributeurs publics ne peuvent délivrer de CertIBEau.
En cas de manquements constatés, l'organisme de contrôle avertit la S.P.G.E.
§ 6. Dans le cadre de sa mission de service public prévue à l'article D.332, § 2, 9°, la S.P.G.E. est désignée comme l'autorité compétente chargée de délivrer, suspendre ou retirer un agrément à un certificateur ou à un centre de formation. Le Gouvernement précise cette mission de la S.P.G.E. dans son contrat de gestion.
§ 7. La S.P.G.E. peut suspendre ou retirer l'agrément d'un certificateur ou d'un centre de formation lorsqu'il est établi qu'il a manqué à ses obligations, au terme d'une procédure fixée par le Gouvernement prévoyant la possibilité pour la personne concernée de faire valoir ses moyens de défense par écrit et oralement.
Le Gouvernement établit la procédure de recours à l'encontre des décisions visées à l'alinéa 1er.]1
Art. D227quinquies. [1 § 1. De Regering zorgt voor de organisatie en het beheer van een databank met de informatie van het CertIBEau.
De Regering kan deze opdracht toevertrouwen aan de "S.P.G.E." en deze opdracht nader bepalen via de beheersovereenkomst met de "S.P.G.E.". In een dergelijk geval is de "S.P.G.E.", in de zin van artikel 5 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens en artikel 4 van de algemene verordening gegevensbescherming 2016/679, verantwoordelijk voor de verwerking van persoonsgegevens die via het computerplatform worden doorgegeven.
De Regering stelt een computerplatform op dat ten minste toegang geeft tot de volgende informatie :
1° de gegevens van de eigenaars van het bebouwd onroerend goed en van de certificeerder die het CertIBEau heeft opgesteld;
2° een unieke code uit het meternummer;
3° het bezoekverslag CertIBEau;
4° in dat geval, het bewijs fat het bebouwd gebouw conform is met de verplichtingen bedoeld bij artikel D.227ter, § 1.
§ 2. De database bevat de "CertIBEau" die erin zijn opgenomen door de certificeerders bedoeld in artikel D.227quater via het computerplatform dat de verzameling, de goedkeuring en de structurering van de "CertIBEau" mogelijk maakt, alsook de terbeschikkingstelling van de nodige gegevens voor het opstellen van nieuwe "CertIBEau" voor hetzelfde onroerend goed en om de overdragers op de hoogte ervan te brengen bij de akten van overdracht bedoeld in artikel D.227ter, § 6.
§ 3. De doeleinden van de verwerking van de gegevens zijn de volgende :
1° de voorafgaande controle van de conformiteit van een bebouwd roerend goed vóór de aansluiting ervan op de openbare waterdistributie;
2° de openbaarheid ten opzichte van de overdragers, in het kader van de overdrachten bedoeld in artikel D.227ter, § 6;
3° de verificatie van de staat van conformiteit van de bebouwde roerende goederen met de verplichtingen met betrekking tot de aansluiting en de privé-installatie voor waterdistributie en de bepalingen van het algemeen zuiveringsreglement;
4° het beheer van de risico's van verontreiniging van het distributienet of van beschadiging van de kwaliteit van het binnen een woning gedistribueerde water;
5° de statistische behandeling van geaggregeerde gegevens met milieudoeleinden en karakterisering van het bebouwd gedeelte.
§ 4. Overeenkomstig de modaliteiten die door de Regering kunnen worden bepaald, hebben toegang tot alle of een deel van de informatie die in paragraaf 1 wordt vermeld en ter beschikking wordt gesteld :
1° het Departement Leefmilieu en Water van het Operationeel directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst (DGO3) dat over een toegang tot alle informatie beschikt;
2° het Departement Energie en Duurzaam Gebouw van het Operationeel Directoraat-generaal Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Erfgoed en Energie (DGO4);
3° de gemeenten die toegang hebben tot de gegevens van de "CertIBEau" van de onroerende goederen gelegen op hun grondgebied;
4° de notarissen en de aankoopcomité's van onroerende goederen die toegang hebben tot alle nuttige informatie voor hun functie;
5° de certificeerders bedoeld in artikel D.227quater, § 1, die enkel een beperkte toegang hebben tot de "CertIBEau" die ze hebben opgesteld;
6° de verdelers, zoals omschreven in artikel D.2, 28°, die toegang hebben tot de gegevens van "CertIBEau" van de onroerende goederen gelegen op hun grondgebied;
7° de "S.P.G.E." en de erkende saneringsinstellingen die toegang hebben tot de gegevens van de "CertIBEau" van de onroerende goederen gelegen op hun grondgebied;
8° elke eigenaar van een onroerend goed dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een "CertIBEau" heeft toegang tot zijn eigen gegevens.
Elk organisme of elke instelling bedoeld in het vorige lid heeft de verantwoordelijkheid om de toegang van de gemachtigde personen in hun midden te beperken en om de vertrouwelijkheid en de beveiliging van de gegevens te bewaren.
§ 5. De identificatiegegevens van de eigenaars en certificeerders van de onroerende goederen vermeld in de "CertIBEau" blijven in de databank zolang het betreffende gebouw bestaat.
§ 6. De kosten in verband met de oprichting en de werking van dit IT-platform moeten worden vastgesteld en het voorwerp uitmaken van een overeenkomst in het kader van het beheerscontract tussen de Regering en de "S.P.G.E.". Deze kosten kunnen geen invloed hebben op de prijs van het water.
§ 7. De Regering bepaalt de wijze van financiering voor de invoering en het beheer van deze databank.]1
De Regering kan deze opdracht toevertrouwen aan de "S.P.G.E." en deze opdracht nader bepalen via de beheersovereenkomst met de "S.P.G.E.". In een dergelijk geval is de "S.P.G.E.", in de zin van artikel 5 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens en artikel 4 van de algemene verordening gegevensbescherming 2016/679, verantwoordelijk voor de verwerking van persoonsgegevens die via het computerplatform worden doorgegeven.
De Regering stelt een computerplatform op dat ten minste toegang geeft tot de volgende informatie :
1° de gegevens van de eigenaars van het bebouwd onroerend goed en van de certificeerder die het CertIBEau heeft opgesteld;
2° een unieke code uit het meternummer;
3° het bezoekverslag CertIBEau;
4° in dat geval, het bewijs fat het bebouwd gebouw conform is met de verplichtingen bedoeld bij artikel D.227ter, § 1.
§ 2. De database bevat de "CertIBEau" die erin zijn opgenomen door de certificeerders bedoeld in artikel D.227quater via het computerplatform dat de verzameling, de goedkeuring en de structurering van de "CertIBEau" mogelijk maakt, alsook de terbeschikkingstelling van de nodige gegevens voor het opstellen van nieuwe "CertIBEau" voor hetzelfde onroerend goed en om de overdragers op de hoogte ervan te brengen bij de akten van overdracht bedoeld in artikel D.227ter, § 6.
§ 3. De doeleinden van de verwerking van de gegevens zijn de volgende :
1° de voorafgaande controle van de conformiteit van een bebouwd roerend goed vóór de aansluiting ervan op de openbare waterdistributie;
2° de openbaarheid ten opzichte van de overdragers, in het kader van de overdrachten bedoeld in artikel D.227ter, § 6;
3° de verificatie van de staat van conformiteit van de bebouwde roerende goederen met de verplichtingen met betrekking tot de aansluiting en de privé-installatie voor waterdistributie en de bepalingen van het algemeen zuiveringsreglement;
4° het beheer van de risico's van verontreiniging van het distributienet of van beschadiging van de kwaliteit van het binnen een woning gedistribueerde water;
5° de statistische behandeling van geaggregeerde gegevens met milieudoeleinden en karakterisering van het bebouwd gedeelte.
§ 4. Overeenkomstig de modaliteiten die door de Regering kunnen worden bepaald, hebben toegang tot alle of een deel van de informatie die in paragraaf 1 wordt vermeld en ter beschikking wordt gesteld :
1° het Departement Leefmilieu en Water van het Operationeel directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst (DGO3) dat over een toegang tot alle informatie beschikt;
2° het Departement Energie en Duurzaam Gebouw van het Operationeel Directoraat-generaal Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Erfgoed en Energie (DGO4);
3° de gemeenten die toegang hebben tot de gegevens van de "CertIBEau" van de onroerende goederen gelegen op hun grondgebied;
4° de notarissen en de aankoopcomité's van onroerende goederen die toegang hebben tot alle nuttige informatie voor hun functie;
5° de certificeerders bedoeld in artikel D.227quater, § 1, die enkel een beperkte toegang hebben tot de "CertIBEau" die ze hebben opgesteld;
6° de verdelers, zoals omschreven in artikel D.2, 28°, die toegang hebben tot de gegevens van "CertIBEau" van de onroerende goederen gelegen op hun grondgebied;
7° de "S.P.G.E." en de erkende saneringsinstellingen die toegang hebben tot de gegevens van de "CertIBEau" van de onroerende goederen gelegen op hun grondgebied;
8° elke eigenaar van een onroerend goed dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een "CertIBEau" heeft toegang tot zijn eigen gegevens.
Elk organisme of elke instelling bedoeld in het vorige lid heeft de verantwoordelijkheid om de toegang van de gemachtigde personen in hun midden te beperken en om de vertrouwelijkheid en de beveiliging van de gegevens te bewaren.
§ 5. De identificatiegegevens van de eigenaars en certificeerders van de onroerende goederen vermeld in de "CertIBEau" blijven in de databank zolang het betreffende gebouw bestaat.
§ 6. De kosten in verband met de oprichting en de werking van dit IT-platform moeten worden vastgesteld en het voorwerp uitmaken van een overeenkomst in het kader van het beheerscontract tussen de Regering en de "S.P.G.E.". Deze kosten kunnen geen invloed hebben op de prijs van het water.
§ 7. De Regering bepaalt de wijze van financiering voor de invoering en het beheer van deze databank.]1
Art. D227quinquies. [1 § 1er. Le Gouvernement organise et gère une base de données regroupant les informations contenues dans les CertIBEau.
Le Gouvernement peut confier cette mission à la S.P.G.E. et préciser cette mission par le contrat de gestion avec la S.P.G.E.. Dans un tel cas, la S.P.G.E. est, au sens de l'article 5 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel et de l'article 4 du règlement général de protection des données 2016/679, responsable du traitement des données personnelles transmises via la plateforme informatique.
Le Gouvernement met en place une plateforme informatique qui permet au minimum, l'accès aux informations suivantes :
1 ° les coordonnées des propriétaires de l'immeuble bâti et du certificateur ayant établi le CertIBEau;
2° un code unique issu du numéro de compteur;
3° le rapport de visite CertIBEau;
4° si tel est le cas, l'attestation que l'immeuble bâti est conforme aux obligations visées par l'article D.227ter, § 1er.
§ 2. La base de données contient les CertIBEau qui y sont enregistrés par les certificateurs visés à l'article D.227quater via la plateforme informatique qui permet la collecte, la validation et la structuration des CertIBEau, ainsi que la mise à disposition des données nécessaires à l'établissement de nouveaux CertIBEau sur le même immeuble et à informer les cessionnaires lors des actes de cession visés à l'article D.227ter, § 6.
§ 3. Les finalités du traitement des données sont :
1° le contrôle préalable de la conformité d'un immeuble bâti avant son raccordement à la distribution publique d'eau;
2° la transparence à l'égard des cessionnaires, dans le cadre des cessions prévues à l'article D.227ter, § 6;
3° la vérification de l'état de la conformité des immeubles bâtis par rapport aux obligations relatives au raccordement et à l'installation privée de distribution d'eau et aux dispositions du règlement général d'assainissement;
4° la gestion des risques de contamination vers le réseau de distribution ou de détérioration de la qualité de l'eau distribuée à l'intérieure d'une habitation;
5° le traitement statistique de données agrégées à des fins environnementales et de caractérisation du bâti.
§ 4. Selon des modalités qui peuvent être précisées par le Gouvernement, ont accès à tout ou partie des renseignements mis à disposition et mentionnés au paragraphe 1er :
1° le Département de l'Environnement et de l'Eau de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement du Service public de Wallonie (DG03) dispose d'un accès à toutes les informations;
2° le Département de l'Energie et du Bâtiment durable de la Direction générale opérationnelle Aménagement du territoire, Logement, Patrimoine et Energie (DG04);
3° les communes qui accèdent aux données de CertIBEau des immeubles sis sur leur territoire;
4° les notaires et les comités d'acquisition d'immeubles qui disposent d'un accès à toutes les informations utiles à leur fonction;
5° les certificateurs visés à l'article D.227quater, § 1er, qui disposent d'un accès limité aux seuls CertIBEau qu'ils ont établis;
6° les distributeurs, tels que définis à l'article D.2, 28°, qui accèdent aux données de CertIBEau des immeubles sis sur leur territoire;
7° la S.P.G.E. et les organismes d'assainissement agréés qui accèdent aux données de CertIBEau des immeubles sis sur leur territoire;
8° tout propriétaire d'un immeuble qui a fait l'objet d'un CertIBEau a accès à ses propres données.
Chaque organisme ou institution visé à l'alinéa précédent est responsable de limiter l'accès aux personnes autorisées en leur sein et de préserver la confidentialité et la sécurité des données.
§ 5. Les données d'identification des propriétaires et certificateurs des immeubles comprises dans les CertIBEau demeurent dans la base de données aussi longtemps qu'existe l'immeuble concerné.
§ 6. Les coûts liés à l'établissement et au fonctionnement de cette plateforme informatique doivent être identifiés et faire l'objet d'un accord dans le cadre du contrat de gestion établi entre le Gouvernement et la S.P.G.E. Ces coûts ne peuvent impacter le prix de l'eau.
§ 7. Le Gouvernement précise le mode de financement pour la mise en place et la gestion de cette base de données.]1
Le Gouvernement peut confier cette mission à la S.P.G.E. et préciser cette mission par le contrat de gestion avec la S.P.G.E.. Dans un tel cas, la S.P.G.E. est, au sens de l'article 5 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel et de l'article 4 du règlement général de protection des données 2016/679, responsable du traitement des données personnelles transmises via la plateforme informatique.
Le Gouvernement met en place une plateforme informatique qui permet au minimum, l'accès aux informations suivantes :
1 ° les coordonnées des propriétaires de l'immeuble bâti et du certificateur ayant établi le CertIBEau;
2° un code unique issu du numéro de compteur;
3° le rapport de visite CertIBEau;
4° si tel est le cas, l'attestation que l'immeuble bâti est conforme aux obligations visées par l'article D.227ter, § 1er.
§ 2. La base de données contient les CertIBEau qui y sont enregistrés par les certificateurs visés à l'article D.227quater via la plateforme informatique qui permet la collecte, la validation et la structuration des CertIBEau, ainsi que la mise à disposition des données nécessaires à l'établissement de nouveaux CertIBEau sur le même immeuble et à informer les cessionnaires lors des actes de cession visés à l'article D.227ter, § 6.
§ 3. Les finalités du traitement des données sont :
1° le contrôle préalable de la conformité d'un immeuble bâti avant son raccordement à la distribution publique d'eau;
2° la transparence à l'égard des cessionnaires, dans le cadre des cessions prévues à l'article D.227ter, § 6;
3° la vérification de l'état de la conformité des immeubles bâtis par rapport aux obligations relatives au raccordement et à l'installation privée de distribution d'eau et aux dispositions du règlement général d'assainissement;
4° la gestion des risques de contamination vers le réseau de distribution ou de détérioration de la qualité de l'eau distribuée à l'intérieure d'une habitation;
5° le traitement statistique de données agrégées à des fins environnementales et de caractérisation du bâti.
§ 4. Selon des modalités qui peuvent être précisées par le Gouvernement, ont accès à tout ou partie des renseignements mis à disposition et mentionnés au paragraphe 1er :
1° le Département de l'Environnement et de l'Eau de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement du Service public de Wallonie (DG03) dispose d'un accès à toutes les informations;
2° le Département de l'Energie et du Bâtiment durable de la Direction générale opérationnelle Aménagement du territoire, Logement, Patrimoine et Energie (DG04);
3° les communes qui accèdent aux données de CertIBEau des immeubles sis sur leur territoire;
4° les notaires et les comités d'acquisition d'immeubles qui disposent d'un accès à toutes les informations utiles à leur fonction;
5° les certificateurs visés à l'article D.227quater, § 1er, qui disposent d'un accès limité aux seuls CertIBEau qu'ils ont établis;
6° les distributeurs, tels que définis à l'article D.2, 28°, qui accèdent aux données de CertIBEau des immeubles sis sur leur territoire;
7° la S.P.G.E. et les organismes d'assainissement agréés qui accèdent aux données de CertIBEau des immeubles sis sur leur territoire;
8° tout propriétaire d'un immeuble qui a fait l'objet d'un CertIBEau a accès à ses propres données.
Chaque organisme ou institution visé à l'alinéa précédent est responsable de limiter l'accès aux personnes autorisées en leur sein et de préserver la confidentialité et la sécurité des données.
§ 5. Les données d'identification des propriétaires et certificateurs des immeubles comprises dans les CertIBEau demeurent dans la base de données aussi longtemps qu'existe l'immeuble concerné.
§ 6. Les coûts liés à l'établissement et au fonctionnement de cette plateforme informatique doivent être identifiés et faire l'objet d'un accord dans le cadre du contrat de gestion établi entre le Gouvernement et la S.P.G.E. Ces coûts ne peuvent impacter le prix de l'eau.
§ 7. Le Gouvernement précise le mode de financement pour la mise en place et la gestion de cette base de données.]1
TITEL II. - Financiering van het beheer van de antropogene watercyclus.
TITRE II. - Financement de la gestion du cycle anthropique de l'eau.
HOOFDSTUK I. - Waterprijs.
CHAPITRE Ier. - Prix de l'eau.
Afdeling 1. [1 - Tarifering en facturering van voor menselijk verbruik bestemd water]1
Section 1re. [1 - Tarification et facturation de l'eau destinée à la consommation humaine]1
Onderafdeling I. [1 - Tarifering van voor menselijk verbruik bestemd water]1
Sous-section 1re. [1 - Tarification de l'eau destinée à la consommation humaine]1
Art. D228. Krachtens het principe van vervuiler-betaler wordt een eenvormige watertarifering ingevoerd die toepasselijk is op het verbruik waarvoor een mogelijkerwijs vooraf betaalbare jaarlijkse heffing per meter betaald wordt die dient voor de betaling van het voordeel gebonden aan de terbeschikkingstelling van water ongeacht of er al dan niet verbruik is. De tarifering bestaat uit drie tranches opgedeeld naar gelang van de jaarlijkse verbruiksvolumes berekend volgens onderstaande formule :
Heffing : (20 x C.V.D.) + (30 x C.V.A.)
Verbruik :
eerste tranche van 0 tot 30 m3 : 0.5 x C.V.D.
tweede tranche van 30 tot 5 000 m3 : C.V.D. + C.V.A.
derde tranche boven 5 000 m3 : (0.9 x C.V.D.) + C.V.A.
De bijdrage in het Sociaal Waterfonds wordt op het grondgebied van het Franse taalgebied aan dit tarief toegevoegd.
[2 De C.V.D. wordt door de verdeler bepaald op grond van een meerjarige en toekomstgerichte projectie uitgewerkt op basis van een gekende boekhoudtoestand en vastgesteld met inachtneming van de evaluatieregels bepaald in het geuniformiseerde boekhoudplan dat door de Regering is vastgelegd. De Regering kan de methode en de vorm van berekening van de C.V.D. bepalen.]2
De C.V.A. wordt voor het gezamenlijke Waalse grondgebied door de S.P.G.E. bepaald krachtens de beheersovereenkomst die ze met de Regering gesloten heeft.
Dezelfde verdeler mag slechts één enkel tarief toepassen op het grondgebied van een hydrografisch onderbekken zoals bepaald bij artikel 7.
[3 Het toegepaste tarief kan van bovenbedoelde tariefstructuur afwijken voor de jaarlijkse verbruikvolumes boven 25 000 m3 per vermindering van de coëfficiënt die op de CVD toegepast wordt.]3
De distributiewaterprijs is het voorwerp van een tweejarig evaluatierapport. Dat rapport wordt na advies van het comité voor watercontrole de oneven jaren uiterlijk 31 maart door de Regering aan het Waalse Parlement overgemaakt, enerzijds, op grond van de gegevens verstrekt door de verdeler wat de C.D.V. betreft, en, anderzijds, op grond van de gegevens verstrekt door de 'S.P.G.E.' wat de C.V.A. betreft.
Heffing : (20 x C.V.D.) + (30 x C.V.A.)
Verbruik :
eerste tranche van 0 tot 30 m3 : 0.5 x C.V.D.
tweede tranche van 30 tot 5 000 m3 : C.V.D. + C.V.A.
derde tranche boven 5 000 m3 : (0.9 x C.V.D.) + C.V.A.
De bijdrage in het Sociaal Waterfonds wordt op het grondgebied van het Franse taalgebied aan dit tarief toegevoegd.
[2 De C.V.D. wordt door de verdeler bepaald op grond van een meerjarige en toekomstgerichte projectie uitgewerkt op basis van een gekende boekhoudtoestand en vastgesteld met inachtneming van de evaluatieregels bepaald in het geuniformiseerde boekhoudplan dat door de Regering is vastgelegd. De Regering kan de methode en de vorm van berekening van de C.V.D. bepalen.]2
De C.V.A. wordt voor het gezamenlijke Waalse grondgebied door de S.P.G.E. bepaald krachtens de beheersovereenkomst die ze met de Regering gesloten heeft.
Dezelfde verdeler mag slechts één enkel tarief toepassen op het grondgebied van een hydrografisch onderbekken zoals bepaald bij artikel 7.
[3 Het toegepaste tarief kan van bovenbedoelde tariefstructuur afwijken voor de jaarlijkse verbruikvolumes boven 25 000 m3 per vermindering van de coëfficiënt die op de CVD toegepast wordt.]3
De distributiewaterprijs is het voorwerp van een tweejarig evaluatierapport. Dat rapport wordt na advies van het comité voor watercontrole de oneven jaren uiterlijk 31 maart door de Regering aan het Waalse Parlement overgemaakt, enerzijds, op grond van de gegevens verstrekt door de verdeler wat de C.D.V. betreft, en, anderzijds, op grond van de gegevens verstrekt door de 'S.P.G.E.' wat de C.V.A. betreft.
Art. D228. En vertu du principe du pollueur-payeur, il est instauré une tarification uniforme de l'eau applicable aux consommations comportant une redevance annuelle par compteur, qui peut être anticipative, destinée à rétribuer l'avantage procuré par la mise à disposition de l'eau indépendamment de l'existence ou non de consommation et trois tranches réparties en volumes de consommations annuels, calculés selon la structure suivante :
Redevance : (20 x C.V.D.) + (30 x C.V.A.)
Consommations :
première tranche de 0 à 30 m3 : 0.5 x C.V.D.
deuxième tranche de 30 à 5.000 m3 : C.V.D. + C.V.A.
troisième tranche plus de 5.000 m3 : (0.9 x C.V.D.) + C.V.A.
La contribution au fonds social de l'eau s'ajoute au présent tarif sur le territoire de langue française.
[2 Le CVD est déterminé par le distributeur sur la base d'une projection pluriannuelle et prospective élaborée au départ d'une situation comptable connue et établie dans le respect des règles d'évaluation fixées au plan comptable uniformisé arrêté par le Gouvernement. Le Gouvernement peut déterminer la méthode et la forme de calcul du CVD.]2
Le C.V.A. est déterminé, pour l'ensemble du territoire wallon, par la S.P.G.E., en application du contrat de gestion qui la lie au Gouvernement.
Un même distributeur ne pourra appliquer qu'un seul tarif sur le territoire d'un sous-bassin hydrographique tel que prévu à l'article 7.
[3 Le tarif appliqué peut s'écarter de la structure tarifaire ci-avant pour les volumes de consommations annuels situés au-delà de 25.000 m3 par réduction du coefficient appliqué au CVD.]3
Le prix de l'eau distribuée fait l'objet d'un rapport d'évaluation bisannuel. Ce rapport, après avis du comité de contrôle de l'eau, est transmis par le Gouvernement au Conseil régional wallon pour le 31 mars les années impaires, d'une part, sur la base des données transmises par les distributeurs pour le C.V.D. et, d'autre part, sur la base des données transmises par la Société publique de gestion de l'eau pour le C.V.A.
Redevance : (20 x C.V.D.) + (30 x C.V.A.)
Consommations :
première tranche de 0 à 30 m3 : 0.5 x C.V.D.
deuxième tranche de 30 à 5.000 m3 : C.V.D. + C.V.A.
troisième tranche plus de 5.000 m3 : (0.9 x C.V.D.) + C.V.A.
La contribution au fonds social de l'eau s'ajoute au présent tarif sur le territoire de langue française.
[2 Le CVD est déterminé par le distributeur sur la base d'une projection pluriannuelle et prospective élaborée au départ d'une situation comptable connue et établie dans le respect des règles d'évaluation fixées au plan comptable uniformisé arrêté par le Gouvernement. Le Gouvernement peut déterminer la méthode et la forme de calcul du CVD.]2
Le C.V.A. est déterminé, pour l'ensemble du territoire wallon, par la S.P.G.E., en application du contrat de gestion qui la lie au Gouvernement.
Un même distributeur ne pourra appliquer qu'un seul tarif sur le territoire d'un sous-bassin hydrographique tel que prévu à l'article 7.
[3 Le tarif appliqué peut s'écarter de la structure tarifaire ci-avant pour les volumes de consommations annuels situés au-delà de 25.000 m3 par réduction du coefficient appliqué au CVD.]3
Le prix de l'eau distribuée fait l'objet d'un rapport d'évaluation bisannuel. Ce rapport, après avis du comité de contrôle de l'eau, est transmis par le Gouvernement au Conseil régional wallon pour le 31 mars les années impaires, d'une part, sur la base des données transmises par les distributeurs pour le C.V.D. et, d'autre part, sur la base des données transmises par la Société publique de gestion de l'eau pour le C.V.A.
Art. D229. [1 n het kader van de tarifering bedoeld in artikel D.228 wordt de C.V.A. niet toegepast in de volgende gevallen:
1° op de watervolumes verdeeld aan de gebruikers onderworpen aan de belasting op het lozen van industrieel afvalwater;
2° op de watervolumes verbruikt door de landbouwbedrijven onderworpen aan de belasting op de milieulasten, met uitzondering van het volume gelijk aan het vermoedelijke verbruik van het gezin, met name 90 kubieke meter.
Als de gebruiker bedoeld onder punt 1° onderworpen is aan de belasting op het lozen van industrieel afvalwater, wordt de C.V.A. door een belasting op het lozen van industrieel afvalwater vervangen volgens de modaliteiten waarin artikel D.268 voorziet.]1
1° op de watervolumes verdeeld aan de gebruikers onderworpen aan de belasting op het lozen van industrieel afvalwater;
2° op de watervolumes verbruikt door de landbouwbedrijven onderworpen aan de belasting op de milieulasten, met uitzondering van het volume gelijk aan het vermoedelijke verbruik van het gezin, met name 90 kubieke meter.
Als de gebruiker bedoeld onder punt 1° onderworpen is aan de belasting op het lozen van industrieel afvalwater, wordt de C.V.A. door een belasting op het lozen van industrieel afvalwater vervangen volgens de modaliteiten waarin artikel D.268 voorziet.]1
Art. D229. [1 Le C.V.A. n'est pas appliqué, dans le cadre de la tarification prévue à l'article D.228, dans les cas suivants :
1° sur les volumes d'eau distribués aux usagers qui sont soumis à la taxe sur le déversement d'eaux usées industrielles;
2° sur les volumes d'eau consommés par les exploitations agricoles soumises à la taxe sur les charges environnementales, à l'exception du volume égal à la consommation présumée du ménage, soit 90 mètres cubes.
Lorsque l'usager visé au 1° est redevable de la taxe sur le déversement d'eaux usées industrielles, le C.V.A est remplacé par une taxe sur le déversement des eaux usées domestiques selon les modalités prévues à l'article D.268.]1
1° sur les volumes d'eau distribués aux usagers qui sont soumis à la taxe sur le déversement d'eaux usées industrielles;
2° sur les volumes d'eau consommés par les exploitations agricoles soumises à la taxe sur les charges environnementales, à l'exception du volume égal à la consommation présumée du ménage, soit 90 mètres cubes.
Lorsque l'usager visé au 1° est redevable de la taxe sur le déversement d'eaux usées industrielles, le C.V.A est remplacé par une taxe sur le déversement des eaux usées domestiques selon les modalités prévues à l'article D.268.]1
Wijzigingen
Art. D229bis. [1 § 1. De verdeler stelt de klant regelmatig schriftelijk in kennis van de voorwaarden voor de toekenning van het voorkeurstarief.
§ 2. Aan de klant wordt een voorkeurstarief voor zijn waterfactuur toegekend, overeenkomstig de in paragraaf 3 bedoelde modaliteiten, op voorwaarde dat :
1° de abnormale toename van het verbruik van drinkwater het gevolg is van een verborgen lekkage, zoals bepaald in punt 53°bis van artikel D.2. van titel II van deel I;
2° de klant ofwel een kopie van een betaalde factuur van een herstelbedrijf aan de verdeler verstrekt, aangevuld met foto's voor en na de uitvoering van de werkzaamheden, waaruit blijkt dat het lek is hersteld en met vermelding van de plaats van het lek en de datum van de herstelling, ofwel een verklaring op erewoord van de eigenaar, aangevuld met foto's voor en na de uitvoering van de werkzaamheden, waaruit blijkt dat het lek door hemzelf is hersteld en met vermelding van de locatie van het lek en de datum van de herstelling;
De verdeler kan elke verificatie ter plaatse uitvoeren. In geval van bezwaar tegen de verificatie kan hij de procedure voor de volledige terugvordering van de verschuldigde bedragen inleiden.
3° in de drie jaar voorafgaand aan het jaar van abnormaal verbruik, er niet meer dan één index was die door de verdeler werd geschat wegens een gebrek aan overdracht door de gebruiker.
§ 3. De toekenning van een voorkeurstarief overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in paragraaf 2, wordt als volgt berekend:
De verdeler berekent de overconsumptie door het verschil te berekenen tussen het geregistreerde verbruik op basis van de opmeting van de meter en het gemiddelde verbruik van de klant over de laatste drie jaar. Bij gebrek aan drie jaar historiek, wordt het gemiddelde verbruik vastgesteld op basis van het volume dat in het voorgaande jaar is verbruikt of, bij gebrek aan historiek, een raming van het jaarlijkse verbruik op basis van de waarnemingen in de vier maanden na het lekherstel.
De hoeveelheid water die het gemiddelde verbruik vertegenwoordigt, wordt gefactureerd volgens de geldende tarifering van voor menselijk verbruik bestemd water.
De hoeveelheid water die overeenkomt met de abnormale toename van het drinkwaterverbruik wordt gefactureerd aan 50 procent van de CVD "werkelijke kostprijs bij de distributie" met een maximum van 2.000 m3 en de vrijstelling op de RKS "Reële Kostprijs Sanering" is volledig; het Sociaal Waterfonds blijft van toepassing op de volledige hoeveelheid water die wordt verbruikt.
Het toegekende voorkeurstarief moet als een uniek en uitzonderlijk gebaar worden beschouwd.]1
§ 2. Aan de klant wordt een voorkeurstarief voor zijn waterfactuur toegekend, overeenkomstig de in paragraaf 3 bedoelde modaliteiten, op voorwaarde dat :
1° de abnormale toename van het verbruik van drinkwater het gevolg is van een verborgen lekkage, zoals bepaald in punt 53°bis van artikel D.2. van titel II van deel I;
2° de klant ofwel een kopie van een betaalde factuur van een herstelbedrijf aan de verdeler verstrekt, aangevuld met foto's voor en na de uitvoering van de werkzaamheden, waaruit blijkt dat het lek is hersteld en met vermelding van de plaats van het lek en de datum van de herstelling, ofwel een verklaring op erewoord van de eigenaar, aangevuld met foto's voor en na de uitvoering van de werkzaamheden, waaruit blijkt dat het lek door hemzelf is hersteld en met vermelding van de locatie van het lek en de datum van de herstelling;
De verdeler kan elke verificatie ter plaatse uitvoeren. In geval van bezwaar tegen de verificatie kan hij de procedure voor de volledige terugvordering van de verschuldigde bedragen inleiden.
3° in de drie jaar voorafgaand aan het jaar van abnormaal verbruik, er niet meer dan één index was die door de verdeler werd geschat wegens een gebrek aan overdracht door de gebruiker.
§ 3. De toekenning van een voorkeurstarief overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in paragraaf 2, wordt als volgt berekend:
De verdeler berekent de overconsumptie door het verschil te berekenen tussen het geregistreerde verbruik op basis van de opmeting van de meter en het gemiddelde verbruik van de klant over de laatste drie jaar. Bij gebrek aan drie jaar historiek, wordt het gemiddelde verbruik vastgesteld op basis van het volume dat in het voorgaande jaar is verbruikt of, bij gebrek aan historiek, een raming van het jaarlijkse verbruik op basis van de waarnemingen in de vier maanden na het lekherstel.
De hoeveelheid water die het gemiddelde verbruik vertegenwoordigt, wordt gefactureerd volgens de geldende tarifering van voor menselijk verbruik bestemd water.
De hoeveelheid water die overeenkomt met de abnormale toename van het drinkwaterverbruik wordt gefactureerd aan 50 procent van de CVD "werkelijke kostprijs bij de distributie" met een maximum van 2.000 m3 en de vrijstelling op de RKS "Reële Kostprijs Sanering" is volledig; het Sociaal Waterfonds blijft van toepassing op de volledige hoeveelheid water die wordt verbruikt.
Het toegekende voorkeurstarief moet als een uniek en uitzonderlijk gebaar worden beschouwd.]1
Art. D229bis. [1 § 1er. Le distributeur informe régulièrement les clients, par écrit, des conditions d'octroi du tarif préférentiel.
§ 2. Le client bénéficie de l'octroi d'un tarif préférentiel pour sa facture d'eau, selon les modalités prévues au paragraphe 3, pour autant :
1° que l'augmentation anormale de la consommation d'eau potable résulte d'une fuite cachée, telle que définie au point 53°bis de l'article D.2. du Titre II de la Partie Ie ;
2° que le client communique au distributeur soit une copie de la facture acquittée d'une entreprise de réparation, complétée de photographies avant et après l'exécution des travaux, attestant que la fuite a été réparée et précisant la localisation de cette dernière ainsi que la date de la réparation, soit une déclaration sur l'honneur du propriétaire, complétée de photographies avant et après l'exécution des travaux, attestant que la fuite a été réparée par lui-même et précisant la localisation de cette dernière ainsi que la date de la réparation;
Le distributeur peut procéder à toute vérification sur place. En cas d'opposition à la vérification, il peut engager la procédure de recouvrement intégral des montants dus.
3° que lors de la période de trois ans qui précède l'année de la consommation anormale, il n'y ait pas eu plus d'un index estimé par le distributeur du fait d'un défaut de transmission de la part de l'usager.
§ 3. L'octroi d'un tarif préférentiel, dans le respect des conditions prévues au paragraphe 2, est calculé selon les modalités ci-après :
Le distributeur calcule la surconsommation en effectuant la différence entre la consommation enregistrée au vu du relevé de compteur et la consommation moyenne du client au cours des trois années précédentes. A défaut de trois années d'historique, la consommation moyenne est établie sur la base du volume consommé l'année précédente, ou à défaut d'historique, une estimation de la consommation annuelle sur base des constats réalisés lors des quatre mois qui suivent la réparation de la fuite.
Le volume d'eau représentant la consommation moyenne est facturé selon la tarification en vigueur de l'eau destinée à la consommation humaine.
Le volume d'eau correspondant à l'augmentation anormale de la consommation d'eau potable est facturé à 50 pourcent du CVD avec un maximum de 2 000 m3 et l'exonération sur le CVA est totale; le Fonds social de l'eau continue à s'appliquer sur l'ensemble du volume d'eau consommé.
Le tarif préférentiel accordé devra être considéré comme un geste à caractère unique et exceptionnel.]1
§ 2. Le client bénéficie de l'octroi d'un tarif préférentiel pour sa facture d'eau, selon les modalités prévues au paragraphe 3, pour autant :
1° que l'augmentation anormale de la consommation d'eau potable résulte d'une fuite cachée, telle que définie au point 53°bis de l'article D.2. du Titre II de la Partie Ie ;
2° que le client communique au distributeur soit une copie de la facture acquittée d'une entreprise de réparation, complétée de photographies avant et après l'exécution des travaux, attestant que la fuite a été réparée et précisant la localisation de cette dernière ainsi que la date de la réparation, soit une déclaration sur l'honneur du propriétaire, complétée de photographies avant et après l'exécution des travaux, attestant que la fuite a été réparée par lui-même et précisant la localisation de cette dernière ainsi que la date de la réparation;
Le distributeur peut procéder à toute vérification sur place. En cas d'opposition à la vérification, il peut engager la procédure de recouvrement intégral des montants dus.
3° que lors de la période de trois ans qui précède l'année de la consommation anormale, il n'y ait pas eu plus d'un index estimé par le distributeur du fait d'un défaut de transmission de la part de l'usager.
§ 3. L'octroi d'un tarif préférentiel, dans le respect des conditions prévues au paragraphe 2, est calculé selon les modalités ci-après :
Le distributeur calcule la surconsommation en effectuant la différence entre la consommation enregistrée au vu du relevé de compteur et la consommation moyenne du client au cours des trois années précédentes. A défaut de trois années d'historique, la consommation moyenne est établie sur la base du volume consommé l'année précédente, ou à défaut d'historique, une estimation de la consommation annuelle sur base des constats réalisés lors des quatre mois qui suivent la réparation de la fuite.
Le volume d'eau représentant la consommation moyenne est facturé selon la tarification en vigueur de l'eau destinée à la consommation humaine.
Le volume d'eau correspondant à l'augmentation anormale de la consommation d'eau potable est facturé à 50 pourcent du CVD avec un maximum de 2 000 m3 et l'exonération sur le CVA est totale; le Fonds social de l'eau continue à s'appliquer sur l'ensemble du volume d'eau consommé.
Le tarif préférentiel accordé devra être considéré comme un geste à caractère unique et exceptionnel.]1
Onderafdeling 2. - Facturatie.
Sous-section 2. - Facturation.
Art. D230. Er wordt een jaarlijkse factuur door de verdeler opgesteld. Daarnaast worden minstens om de drie maanden voorschotten of tussentijdse facturen opgesteld.
Bij verandering van gebruiker alsook in geval van wijziging van de facturatieperiode door de verdeler worden de heffing en de verbruikstranches berekend naar evenredigheid van de periode van bewoning van het gebouw of van gebouwgedeelte waarop de factuur betrekking heeft. In voorkomend geval is de vooraf betaalde heffing het voorwerp van een regularisatie.
Bij verandering van gebruiker alsook in geval van wijziging van de facturatieperiode door de verdeler worden de heffing en de verbruikstranches berekend naar evenredigheid van de periode van bewoning van het gebouw of van gebouwgedeelte waarop de factuur betrekking heeft. In voorkomend geval is de vooraf betaalde heffing het voorwerp van een regularisatie.
Art. D230. Une facture annuelle est établie par le distributeur. De plus, des acomptes ou des factures intermédiaires au minimum trimestriels seront établis.
En cas de changement d'usager ainsi qu'en cas de modification de la période de facturation par le distributeur, la redevance, de même que les tranches de consommations sont calculées proportionnellement à la période d'occupation de l'immeuble ou de la partie d'immeuble ou couverte par la facture. Le cas échéant, la redevance payée par anticipation fera l'objet d'une régularisation.
En cas de changement d'usager ainsi qu'en cas de modification de la période de facturation par le distributeur, la redevance, de même que les tranches de consommations sont calculées proportionnellement à la période d'occupation de l'immeuble ou de la partie d'immeuble ou couverte par la facture. Le cas échéant, la redevance payée par anticipation fera l'objet d'une régularisation.
Art. D231. De Regering bepaalt de standaardregels voor de overlegging van de facturen, die de diverse elementen van de C.D.V. en de C.V.A., alsook de bijdrage in het Sociaal Waterfonds duidelijk vermelden. De verdeler wordt volgens de door de Regering bepaalde regels vergoed voor de gezamenlijke kosten i.v.m. de inning van de C.V.A.
Art. D231. Le Gouvernement détermine les règles uniformes de présentation des factures, lesquelles devront mentionner clairement les divers éléments du C.V.D. et du C.V.A., ainsi que la contribution au fonds social de l'eau. Pour la perception du C.V.A., le distributeur est indemnisé, selon des règles définies par le Gouvernement, de l'ensemble des frais qu'il expose à cet effet.
Art. D231bis. [1 Als de gebruiker bijdraagt in de kosten van de industriële sanering waarin artikel D.260 voorziet, wordt de C.V.A. rechtstreeks gefactureerd door de " Société publique de gestion de l'eau ".]1
Art. D231bis. [1 Lorsque l'usager contribue au coût d'assainissement industriel prévu par l'article D.260, le C.V.A. est facturé directement par la Société publique de gestion de l'eau.]1
Onderafdeling 3. - Betaling van de facturen en invordering.
Sous-section 3. - Paiement des factures et recouvrement.
Art. D232. In geval van niet-nakoming van de verlichtingen en, meer bepaald, in geval van niet-betaling binnen de voorgeschreven termijn van de sommen die [1 ...]1 aan de verdeler verschuldigd zijn, gaat deze laatste met alle rechtsmiddelen over tot de invordering van zijn schuldvordering ten laste van de gebruikers en, in voorkomend geval, van de abonnee zoals bedoeld in artikel 233.
De Waalse Regering bepaalt de modaliteiten voor de betaling van de facturen en voor de invordering ervan en legt de desbetreffende minimumtermijnen vast.
De verdeler kan wegens de specifieke en objectieve kenmerken van de gebruiker verzoeken om een garantie voor de betaling van de hem verschuldigde bedragen.
Het maximumbedrag en de modaliteiten betreffende die garantie worden door de Regering bepaald en zijn [1 ...]1 van toepassing op de openbare waterdistributie van een gebouw dat niet [1 uitsluitend]1 voor bewoning bestemd is.
De Waalse Regering bepaalt de modaliteiten voor de betaling van de facturen en voor de invordering ervan en legt de desbetreffende minimumtermijnen vast.
De verdeler kan wegens de specifieke en objectieve kenmerken van de gebruiker verzoeken om een garantie voor de betaling van de hem verschuldigde bedragen.
Het maximumbedrag en de modaliteiten betreffende die garantie worden door de Regering bepaald en zijn [1 ...]1 van toepassing op de openbare waterdistributie van een gebouw dat niet [1 uitsluitend]1 voor bewoning bestemd is.
Art. D232. En cas de non-exécution des obligations et en particulier en cas de non-paiement des sommes dues [1 ...]1 au distributeur dans les délais prévus, celui-ci procède par toutes voies de droit au recouvrement de sa créance à charge des usagers et, le cas échéant, de l'abonné, tel que prévu à l'article 233.
Le Gouvernement wallon fixe les modalités du paiement des factures et de leur recouvrement et en détermine les délais minimaux.
Le distributeur peut demander une garantie assurant le paiement des montants qui lui sont dus en raison des caractéristiques spécifiques et objectives de l'usager.
Le montant maximal et les modalités de cette garantie sont fixés par le Gouvernement et s'appliquent [1 ...]1 à la distribution publique d'eau d'un immeuble non affecté [1 exclusivement]1 à l'habitation.
Le Gouvernement wallon fixe les modalités du paiement des factures et de leur recouvrement et en détermine les délais minimaux.
Le distributeur peut demander une garantie assurant le paiement des montants qui lui sont dus en raison des caractéristiques spécifiques et objectives de l'usager.
Le montant maximal et les modalités de cette garantie sont fixés par le Gouvernement et s'appliquent [1 ...]1 à la distribution publique d'eau d'un immeuble non affecté [1 exclusivement]1 à l'habitation.
Wijzigingen
Art. D233. [1 § 1. De gebruiker is de verdeler alle sommen verschuldigd die hem toekomen vanwege de openbare waterdistributie, met uitzondering van de kosten of vergoedingen die de eigenaar uitdrukkelijk verschuldigd is.
§ 2. Als het aangesloten pand bestaat uit woningen, handelsruimten of bouwwerken en als de aansluiting niet voorzien is van verschillende meters waarmee de respectieve geïndividualiseerde verbruiken gemeten kunnen worden, ongeacht of de woningen, bouwwerken of handelsruimten al dan niet door verschillende gebruikers gebruikt worden, krijgt de eigenaar de hoedanigheid van gebruiker wat betreft de facturering van de dienst en de desbetreffende rechten en plichten.
§ 3. Als de gebruiker niet houder is van een zakelijk recht op het aangesloten gebouw, mag de eigenaar jegens de verdeler niet hoofdelijk en ondeelbaar gehouden worden tot de betaling van alle sommen die de gebruiker niet betaald heeft voorzover :
1° hij het bewijs levert dat hij de verdeler uiterlijk dertig kalenderdagen na de datum van de wijziging van het gebruik van het goed schriftelijk kennis gegeven heeft van de identiteit van de intrekkende en vertrekkende gebruikers, alsook van de meterindex op die datum;
2° een ongewoon hoog verbruik niet te wijten is aan de staat van de private installaties.
§ 4. Als verschillende personen houder zijn van onverdeelde zakelijke rechten op een aangesloten gebouw, zijn ze hoofdelijk en ondeelbaar gehouden tot de verplichtingen van de eigenaar.
§ 5. In het geval van een niet gebruikte gebouw krijgt de eigenaar de hoedanigheid van gebruiker, waardoor hij de verdeler de kosten van de heffing en van het geregistreerde verbruik verschuldigd is totdat melding wordt gemaakt van het gebruik van het gebouw door een nieuwe gebruiker.]1
§ 2. Als het aangesloten pand bestaat uit woningen, handelsruimten of bouwwerken en als de aansluiting niet voorzien is van verschillende meters waarmee de respectieve geïndividualiseerde verbruiken gemeten kunnen worden, ongeacht of de woningen, bouwwerken of handelsruimten al dan niet door verschillende gebruikers gebruikt worden, krijgt de eigenaar de hoedanigheid van gebruiker wat betreft de facturering van de dienst en de desbetreffende rechten en plichten.
§ 3. Als de gebruiker niet houder is van een zakelijk recht op het aangesloten gebouw, mag de eigenaar jegens de verdeler niet hoofdelijk en ondeelbaar gehouden worden tot de betaling van alle sommen die de gebruiker niet betaald heeft voorzover :
1° hij het bewijs levert dat hij de verdeler uiterlijk dertig kalenderdagen na de datum van de wijziging van het gebruik van het goed schriftelijk kennis gegeven heeft van de identiteit van de intrekkende en vertrekkende gebruikers, alsook van de meterindex op die datum;
2° een ongewoon hoog verbruik niet te wijten is aan de staat van de private installaties.
§ 4. Als verschillende personen houder zijn van onverdeelde zakelijke rechten op een aangesloten gebouw, zijn ze hoofdelijk en ondeelbaar gehouden tot de verplichtingen van de eigenaar.
§ 5. In het geval van een niet gebruikte gebouw krijgt de eigenaar de hoedanigheid van gebruiker, waardoor hij de verdeler de kosten van de heffing en van het geregistreerde verbruik verschuldigd is totdat melding wordt gemaakt van het gebruik van het gebouw door een nieuwe gebruiker.]1
Art. D233. [1 § 1er. L'usager est débiteur envers le distributeur de toutes sommes dues à celui-ci en raison de la distribution publique de l'eau, à l'exception des frais ou indemnités dont le propriétaire est expressément redevable.
§ 2. Lorsque l'immeuble raccordé est composé de logements, activités commerciales ou bâtiments et que le raccordement n'est pas muni de plusieurs compteurs permettant d'en comptabiliser les consommations individualisées respectives, que les logements, bâtiments ou espaces commerciaux soient ou non occupés par des occupants différents, le propriétaire acquiert la qualité d'usager en ce qui concerne la facturation du service et les droits et obligations corollaires.
§ 3. Lorsque l'usager n'est pas titulaire d'un droit réel sur l'immeuble raccordé, le propriétaire ne peut pas être solidairement et indivisiblement tenu envers le distributeur de toutes sommes impayées par l'usager, pour autant :
1° qu'il apporte la preuve qu'il a avisé le distributeur par écrit au plus tard dans un délai de trente jours calendrier suivant la date du changement d'occupation du bien, de l'identité des usagers entrants et sortants, ainsi que de l'index du compteur à cette date;
2° qu'une forte consommation inhabituelle ne soit pas consécutive à l'état des installations privées.
§ 4. Lorsque plusieurs personnes détiennent des droits réels indivis sur un bien immeuble raccordé, elles sont solidairement et indivisiblement tenues des obligations du propriétaire.
§ 5. Dans le cas d'un immeuble non occupé, le propriétaire acquiert la qualité d'usager et est dès lors redevable vis-à-vis du distributeur des coûts de la redevance et de la consommation enregistrée jusqu'au signalement de l'occupation de l'immeuble par un nouvel usager.]1
§ 2. Lorsque l'immeuble raccordé est composé de logements, activités commerciales ou bâtiments et que le raccordement n'est pas muni de plusieurs compteurs permettant d'en comptabiliser les consommations individualisées respectives, que les logements, bâtiments ou espaces commerciaux soient ou non occupés par des occupants différents, le propriétaire acquiert la qualité d'usager en ce qui concerne la facturation du service et les droits et obligations corollaires.
§ 3. Lorsque l'usager n'est pas titulaire d'un droit réel sur l'immeuble raccordé, le propriétaire ne peut pas être solidairement et indivisiblement tenu envers le distributeur de toutes sommes impayées par l'usager, pour autant :
1° qu'il apporte la preuve qu'il a avisé le distributeur par écrit au plus tard dans un délai de trente jours calendrier suivant la date du changement d'occupation du bien, de l'identité des usagers entrants et sortants, ainsi que de l'index du compteur à cette date;
2° qu'une forte consommation inhabituelle ne soit pas consécutive à l'état des installations privées.
§ 4. Lorsque plusieurs personnes détiennent des droits réels indivis sur un bien immeuble raccordé, elles sont solidairement et indivisiblement tenues des obligations du propriétaire.
§ 5. Dans le cas d'un immeuble non occupé, le propriétaire acquiert la qualité d'usager et est dès lors redevable vis-à-vis du distributeur des coûts de la redevance et de la consommation enregistrée jusqu'au signalement de l'occupation de l'immeuble par un nouvel usager.]1
Wijzigingen
Afdeling 1bis. [1 - Fonds de solidarité internationale pour l'eau"0.]1
Section 1rebis. [1 - Fonds de solidarité internationale pour l'eau.]1
Onderafdeling 1. [1 - Algemene bepalingen.]1
Sous-section 1re. [1 - Dispositions générales.]1
A. [1 Begripsomschrijving.]1
A. [1 Définitions.]1
Art. D233bis.
Art. D233bis.
B.
B.
Art. D233bis.1.
Art. D233bis.1.
Onderafdeling 2.
Sous-section 2.
Art. D233bis.2.
Art. D233bis.2.
Art. D233bis.3.
Art. D233bis.3.
Onderafdeling 3.
Sous-section3.
Art. D233bis.4.
Art. D233bis.4.
Art. D233bis.5.
Art. D233bis.5.
Art. D233bis.6.
Art. D233bis.6.
Onderafdeling 4.
Sous-section 4.
Art. D233bis.7.
Art. D233bis.7.
Art. D233bis.8.
Art. D233bis.8.
Art. D233bis.9.
Art. D233bis.9.
Onderafdeling 5.
Sous-section 5.
Art. D233bis.10.
Art. D233bis.10.
Afdeling 2. - Sociaal Waterfonds.
Section 2. - Fonds social de l'eau.
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen.
Sous-section 1re. - Dispositions générales.
A. Toepassingsgebied.
A. Champ d'application.
Art. D234. Deze afdeling regelt, krachtens artikel 138 van de Grondwet, een aangelegenheid bedoeld in artikel 128, § 1, van de Grondwet. Ze is slechts van toepassing op het Franse taalgebied.
Art. D234. La présente section règle, en vertu de l'article 138 de la Constitution, une matière visée à l'article 128, § 1er, de celle-ci. Elle ne sera applicable que sur le territoire de la région de langue française.
B. Definitie.
B. Définition.
Art. D235. In de zin van deze afdeling verstaat men onder "verbruiker" : elke natuurlijke persoon die, rechtstreeks of onrechtstreeks, het genot heeft van het water dat een verdeler hem in zijn hoofdverblijfplaats ter beschikking stelt voor een uitsluitend huishoudelijk gebruik, en zodoende inspeelt op zijn behoeften en op die van zijn gezin.
Art. D235. Au sens de la présente section, on entend par "consommateur" : toute personne physique qui jouit, directement ou indirectement, de l'eau mise à disposition par un distributeur à sa résidence principale pour un usage exclusivement domestique, répondant à ses besoins et à ceux de son ménage.
C. Doelstelling.
C. Objectif.
Art. D236. Deze afdeling beoogt de invoering van een financieel mechanisme, met name het "Sociaal Waterfonds", dat voornamelijk zal tussenkomen in de betaling van de waterfactuur van de verbruiker.
Art. D236. La présente section a pour objectif d'instaurer un mécanisme financier, dénommé "Fonds social de l'Eau", destiné à intervenir principalement dans le paiement de la facture d'eau du consommateur.
Onderafdeling 2. - Financieel mechanisme.
Sous-section 2. - Mécanisme financier.
A. Algemene bepalingen.
A. Dispositions générales.
Art. D237. Iedere verbruiker die, onder welke titel ook, in aanmerking komt voor een sociale hulpverlening, overeenkomstig artikel 57 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, kan een tegemoetkoming in de betaling van zijn waterfacturen genieten.
Art. D237. Tout consommateur susceptible de bénéficier, à quelque titre que ce soit, d'une aide sociale, conformément à l'article 57 de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale, peut bénéficier d'une intervention financière dans le paiement de ses factures d'eau.
Art. D238. Die tegemoetkoming berust op een financieel mechanisme, met name het "Sociaal Waterfonds", waarbij de verdelers, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de "S.P.G.E." betrokken zijn.
Art. D238. Cette intervention repose sur un mécanisme financier, dénomme "Fonds social de l'eau", faisant intervenir les distributeurs, les centres publics d'aide sociale et la S.P.G.E.
Art. D239. Elke waterfactuur die een verdeler stuurt, vermeldt, als bestanddeel van de reële waterprijs, het bestaan van een bijdrage ten laste van de verdelers die vastgelegd is op [1 0,025]1 euro per gefactureerde m3 water.
Die bijdrage kan aangepast worden bij besluit van de Waalse Regering, na evaluatie van de noden. De gecumuleerde verhogingen mogen in geen geval hoger zijn dan 10 % van het bedoelde bedrag.
Die bijdrage kan aangepast worden bij besluit van de Waalse Regering, na evaluatie van de noden. De gecumuleerde verhogingen mogen in geen geval hoger zijn dan 10 % van het bedoelde bedrag.
Art. D239. Toute facture d'eau envoyée par un distributeur mentionne, à titre d'élément constitutif du coût-vérité de l'eau, l'existence d'une contribution à charge des distributeurs fixée à [1 0,025]1 euro par mètre cube d'eau facturé.
Cette contribution peut être soumise à adaptation par arrêté du Gouvernement wallon, après évaluation des besoins. Les majorations cumulées ne pourront en aucun cas excéder 10 % du montant prévu.
Cette contribution peut être soumise à adaptation par arrêté du Gouvernement wallon, après évaluation des besoins. Les majorations cumulées ne pourront en aucun cas excéder 10 % du montant prévu.
Wijzigingen
Art. D240. De bijdrage bedoeld in artikel 239 financiert :
1° voor minimum [1 80 %]1 ervan, de uitgaven i.v.m. de tegemoetkoming bedoeld in artikel 237;
2° voor minimum 9 % ervan, de uitgaven i.v.m. de werkingskosten van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
3° voor maximum 1 % ervan, de uitgaven i.v.m. de werkingskosten van de "S.P.G.E." in het kader van deze afdeling;
4° voor een bedrag gelijk aan het saldo ervan, de uitgaven i.v.m. de nodige technische verbeteringen waardoor de verbruikers die in aanmerking komen voor de in artikel 237 bedoelde tegemoetkoming, bijgestaan kunnen worden door de verdelers met het oog op een rationeel waterbeheer.
De modaliteiten voor de verdeling van die uitgaven worden door de Regering vastgelegd op voorstel van de Minister.
De modaliteiten voor de tegemoetkoming in de werkingskosten bedoeld in het eerste lid, 2° en 3°, worden door de Regering vastgelegd, o.a. op grond van :
- het aantal verbruikers met betalingsmoeilijkheden, zoals bedoeld in artikel 241;
- het aantal personen die recht hebben op maatschappelijke integratie overeenkomstig de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
- het aantal aansluitingen op het openbaar netwerk voor waterverdeling in de gemeente.
1° voor minimum [1 80 %]1 ervan, de uitgaven i.v.m. de tegemoetkoming bedoeld in artikel 237;
2° voor minimum 9 % ervan, de uitgaven i.v.m. de werkingskosten van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
3° voor maximum 1 % ervan, de uitgaven i.v.m. de werkingskosten van de "S.P.G.E." in het kader van deze afdeling;
4° voor een bedrag gelijk aan het saldo ervan, de uitgaven i.v.m. de nodige technische verbeteringen waardoor de verbruikers die in aanmerking komen voor de in artikel 237 bedoelde tegemoetkoming, bijgestaan kunnen worden door de verdelers met het oog op een rationeel waterbeheer.
De modaliteiten voor de verdeling van die uitgaven worden door de Regering vastgelegd op voorstel van de Minister.
De modaliteiten voor de tegemoetkoming in de werkingskosten bedoeld in het eerste lid, 2° en 3°, worden door de Regering vastgelegd, o.a. op grond van :
- het aantal verbruikers met betalingsmoeilijkheden, zoals bedoeld in artikel 241;
- het aantal personen die recht hebben op maatschappelijke integratie overeenkomstig de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
- het aantal aansluitingen op het openbaar netwerk voor waterverdeling in de gemeente.
Art. D240. La contribution visée à l'article 239 finance :
1° pour un montant équivalant à [1 80 %]1 au minimum de cette contribution, les dépenses relatives à l'intervention financière visée à l'article 237;
2° pour un montant équivalant à 9 % au minimum de cette contribution, les dépenses relatives aux frais de fonctionnement encourus par les centres publics d'aide sociale;
3° pour un montant équivalant à 1 % au maximum de cette contribution, les dépenses relatives aux frais de fonctionnement encourus par la S.P.G.E. dans le cadre de la présente section;
4° pour un montant équivalant au solde de cette contribution, les dépenses relatives aux améliorations techniques utiles permettant aux distributeurs d'assister les consommateurs bénéficiaires de l'intervention visée à l'article 237 en vue d'une gestion rationnelle de l'eau.
Sur proposition du ministre, le Gouvernement fixe les modalités de répartition de ces dépenses.
Les modalités régissant la prise en charge des frais de fonctionnement visés à l'alinéa 1er, 2° et 3°, sont déterminées par le Gouvernement sur la base notamment :
- du nombre de consommateurs en difficulté de paiement visés à l'article 241;
- du nombre de bénéficiaires du droit à l'intégration sociale en application de la loi du 26 mai 2002 relative au droit à l'intégration sociale;
- du nombre de raccordements au réseau public de distribution d'eau dans la commune.
1° pour un montant équivalant à [1 80 %]1 au minimum de cette contribution, les dépenses relatives à l'intervention financière visée à l'article 237;
2° pour un montant équivalant à 9 % au minimum de cette contribution, les dépenses relatives aux frais de fonctionnement encourus par les centres publics d'aide sociale;
3° pour un montant équivalant à 1 % au maximum de cette contribution, les dépenses relatives aux frais de fonctionnement encourus par la S.P.G.E. dans le cadre de la présente section;
4° pour un montant équivalant au solde de cette contribution, les dépenses relatives aux améliorations techniques utiles permettant aux distributeurs d'assister les consommateurs bénéficiaires de l'intervention visée à l'article 237 en vue d'une gestion rationnelle de l'eau.
Sur proposition du ministre, le Gouvernement fixe les modalités de répartition de ces dépenses.
Les modalités régissant la prise en charge des frais de fonctionnement visés à l'alinéa 1er, 2° et 3°, sont déterminées par le Gouvernement sur la base notamment :
- du nombre de consommateurs en difficulté de paiement visés à l'article 241;
- du nombre de bénéficiaires du droit à l'intégration sociale en application de la loi du 26 mai 2002 relative au droit à l'intégration sociale;
- du nombre de raccordements au réseau public de distribution d'eau dans la commune.
Wijzigingen
B. Regels betreffende de tegemoetkoming in de betaling van de waterfacturen.
B. Règles relatives à l'intervention dans le paiement des factures d'eau.
Art. D241. In geval van betalingsmoeilijkheden wordt de verbruiker in de rappelbrief van de verdeler geïnformeerd dat hij in aanmerking kan komen voor de tegemoetkoming bedoeld in artikel 237.
De brief wijst erop dat de verbruiker zich tegen die tegemoetkoming mag verzetten.
Behoudens verzet van de verbruiker, maakt de verdeler de lijst van verbruikers met betalingsmoeilijkheden over aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zodat het contact kan opnemen met de verbruikers.
De modaliteiten betreffende het verzet van de klant en de overmaking van die lijst worden door de Regering vastgelegd.
De brief wijst erop dat de verbruiker zich tegen die tegemoetkoming mag verzetten.
Behoudens verzet van de verbruiker, maakt de verdeler de lijst van verbruikers met betalingsmoeilijkheden over aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zodat het contact kan opnemen met de verbruikers.
De modaliteiten betreffende het verzet van de klant en de overmaking van die lijst worden door de Regering vastgelegd.
Art. D241. En cas de difficulté de paiement de la facture d'eau, la lettre de rappel adressée par le distributeur au consommateur informe ce dernier de la possibilité de bénéficier de l'intervention financière visée à l'article 237.
La lettre de rappel indique que le consommateur peut s'opposer à cette intervention financière.
Sauf opposition du consommateur, le distributeur transmet au centre public d'aide sociale compétent la liste des noms des consommateurs en difficulté de paiement, afin de permettre au centre public d'aide sociale de prendre contact avec eux.
Le Gouvernement définit les modalités relatives à l'opposition du client et à la transmission de cette liste.
La lettre de rappel indique que le consommateur peut s'opposer à cette intervention financière.
Sauf opposition du consommateur, le distributeur transmet au centre public d'aide sociale compétent la liste des noms des consommateurs en difficulté de paiement, afin de permettre au centre public d'aide sociale de prendre contact avec eux.
Le Gouvernement définit les modalités relatives à l'opposition du client et à la transmission de cette liste.
Art. D242. § 1. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beslist binnen dertig dagen over de toekenning en het bedrag van de tegemoetkoming binnen de perken bepaald bij deze afdeling en de daaruit voortvloeiende reglementaire bepalingen. Artikel 60 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn is toepasselijk op de besluitvorming terzake.
Overeenkomstig artikel 62bis van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wordt de beslissing inzake tegemoetkoming, genomen door de raad voor sociale hulp of door één van de organen waaraan de raad bevoegdheden heeft overgedragen, bij ter post aangetekend schrijven of tegen ontvangbewijs aan de verbruiker meegedeeld binnen acht dagen, te rekenen van de datum van de besluitvorming.
Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geeft de verdeler kennis van zijn beslissing m.b) t. de aangevraagde tegemoetkoming.
§ 2. De beslissing is met redenen omkleed en vermeldt de mogelijkheid om beroep in te dienen overeenkomstig artikel 71 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de indieningstermijn, de vorm van het verzoek, het adres van de bevoegde beroepsinstantie en de naam van de contactdienst of -persoon binnen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
§ 3. De openbare centra voor maatschappelijk welzijn bezorgen de "S.P.G.E." jaarlijks een activiteitenverslag over de uitvoering van deze afdeling. De Regering bepaalt de gegevens die het verslag moet bevatten, alsook de kalender van de berichten.
§ 4. Vanaf de datum waarop de rappelbrief door de verdeler aan de verbruiker gestuurd wordt, overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in artikel 241, tot een beslissing door het O.C.M.W. wordt genomen, zoals bedoeld in paragraaf 1 van dit artikel, is elke eenzijdige afsluiting van de watervoorziening door de verdeler wegens niet-betaling van de factuur, verboden.
Deze bepaling is niet van toepassing als de verbruiker zich verzet tegen een tegemoetkoming zoals bedoeld in deze afdeling.
Overeenkomstig artikel 62bis van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wordt de beslissing inzake tegemoetkoming, genomen door de raad voor sociale hulp of door één van de organen waaraan de raad bevoegdheden heeft overgedragen, bij ter post aangetekend schrijven of tegen ontvangbewijs aan de verbruiker meegedeeld binnen acht dagen, te rekenen van de datum van de besluitvorming.
Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geeft de verdeler kennis van zijn beslissing m.b) t. de aangevraagde tegemoetkoming.
§ 2. De beslissing is met redenen omkleed en vermeldt de mogelijkheid om beroep in te dienen overeenkomstig artikel 71 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de indieningstermijn, de vorm van het verzoek, het adres van de bevoegde beroepsinstantie en de naam van de contactdienst of -persoon binnen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
§ 3. De openbare centra voor maatschappelijk welzijn bezorgen de "S.P.G.E." jaarlijks een activiteitenverslag over de uitvoering van deze afdeling. De Regering bepaalt de gegevens die het verslag moet bevatten, alsook de kalender van de berichten.
§ 4. Vanaf de datum waarop de rappelbrief door de verdeler aan de verbruiker gestuurd wordt, overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in artikel 241, tot een beslissing door het O.C.M.W. wordt genomen, zoals bedoeld in paragraaf 1 van dit artikel, is elke eenzijdige afsluiting van de watervoorziening door de verdeler wegens niet-betaling van de factuur, verboden.
Deze bepaling is niet van toepassing als de verbruiker zich verzet tegen een tegemoetkoming zoals bedoeld in deze afdeling.
Art. D242. § 1er. Le centre public d'aide sociale statue dans les trente jours sur l'octroi et le montant de l'intervention financière dans les limites prévues par la présente section et les dispositions réglementaires prises en vertu de celle-ci. L'article 60 de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale est applicable à la prise de décision en ce domaine.
Conformément à l'article 62 bis de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale, la décision en matière d'intervention, prise par le conseil de l'aide sociale ou l'un des organes auxquels le conseil a délégué des attributions, est communiquée, par lettre recommandée à la poste ou contre accusé de réception dans les huit jours à dater de la prise de décision, au consommateur.
Le centre public d'aide sociale informe le distributeur de sa décision quant à l'intervention financière sollicitée.
§ 2. La décision est motivée et signale la possibilité de former un recours conformément à l'article 71 de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale, le délai d'introduction, la forme de la requête, l'adresse de l'instance de recours compétente et le nom du service ou de la personne qui, au sein du centre public d'aide sociale, peut être contacté en vue d'obtenir des éclaircissements.
§ 3. Chaque année, les centres publics d'aide sociale sont tenus de communiquer un rapport d'activités à la S.P.G.E. sur la mise en oeuvre de la présente section. Le Gouvernement fixe les éléments qui doivent obligatoirement figurer dans ce rapport et le calendrier des communications.
§ 4. A partir de la date d'envoi de la lettre de rappel, adressée par le distributeur au consommateur, conformément aux conditions indiquées à l'article 241, et jusqu'à décision du C.P.A.S. visée au paragraphe 1er du présent article, toute coupure unilatérale de fourniture d'eau par le distributeur liée au non-paiement de la facture est interdite.
La présente disposition ne s'applique pas lorsque le consommateur s'oppose à une intervention financière telle que définie dans la présente section.
Conformément à l'article 62 bis de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale, la décision en matière d'intervention, prise par le conseil de l'aide sociale ou l'un des organes auxquels le conseil a délégué des attributions, est communiquée, par lettre recommandée à la poste ou contre accusé de réception dans les huit jours à dater de la prise de décision, au consommateur.
Le centre public d'aide sociale informe le distributeur de sa décision quant à l'intervention financière sollicitée.
§ 2. La décision est motivée et signale la possibilité de former un recours conformément à l'article 71 de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale, le délai d'introduction, la forme de la requête, l'adresse de l'instance de recours compétente et le nom du service ou de la personne qui, au sein du centre public d'aide sociale, peut être contacté en vue d'obtenir des éclaircissements.
§ 3. Chaque année, les centres publics d'aide sociale sont tenus de communiquer un rapport d'activités à la S.P.G.E. sur la mise en oeuvre de la présente section. Le Gouvernement fixe les éléments qui doivent obligatoirement figurer dans ce rapport et le calendrier des communications.
§ 4. A partir de la date d'envoi de la lettre de rappel, adressée par le distributeur au consommateur, conformément aux conditions indiquées à l'article 241, et jusqu'à décision du C.P.A.S. visée au paragraphe 1er du présent article, toute coupure unilatérale de fourniture d'eau par le distributeur liée au non-paiement de la facture est interdite.
La présente disposition ne s'applique pas lorsque le consommateur s'oppose à une intervention financière telle que définie dans la présente section.
Art. D243. De Regering bepaalt, op voorstel van de "S.P.G.E." en na advies van het Comité voor watercontrole, de modaliteiten voor de tegemoetkoming bedoeld in artikel 237 en voor de berekening van het maximumbedrag ervan.
Voor elke verbruiker wordt de tegemoetkoming beperkt tot een maximumbedrag, al naar gelang de samenstelling van het gezin.
Voor elke verbruiker wordt de tegemoetkoming beperkt tot een maximumbedrag, al naar gelang de samenstelling van het gezin.
Art. D243. Le Gouvernement fixe, sur proposition de la S.P.G.E., et après avis du comité de contrôle de l'eau, les modalités de calcul du plafond de l'intervention financière et les modalités de l'intervention financière visée à l'article 237.
Le montant de l'intervention financière est plafonné par consommateur selon la composition de son ménage.
Le montant de l'intervention financière est plafonné par consommateur selon la composition de son ménage.
Art. D244. De tegemoetkoming bedoeld in artikel 237 dekt, binnen de perken van de begrotingskredieten, de gehele of gedeeltelijke betaling van de facturen betreffende de individuele of gezinswoning van de verbruiker.
Art. D244. Dans les limites des crédits budgétaires, l'intervention visée à l'article 237 porte sur la prise en charge, totale ou partielle, du montant des factures du consommateur quant à son logement individuel ou familial.
Art. D245. De Regering bepaalt de modaliteiten voor de verdeling van de beschikbare bedragen onder de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor het lopende boekjaar.
Die verdeling wordt uitgevoerd op grond van o.a. :
- het aantal verbruikers met betalingsmoeilijkheden, zoals bedoeld in artikel 241;
- het aantal personen die recht hebben op maatschappelijke integratie overeenkomstig de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
- het aantal aansluitingen op het openbaar netwerk voor waterdistributie in de gemeente.
Die verdeling wordt uitgevoerd op grond van o.a. :
- het aantal verbruikers met betalingsmoeilijkheden, zoals bedoeld in artikel 241;
- het aantal personen die recht hebben op maatschappelijke integratie overeenkomstig de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
- het aantal aansluitingen op het openbaar netwerk voor waterdistributie in de gemeente.
Art. D245. Le Gouvernement fixe les modalités de répartition des montants disponibles entre les centres publics d'aide sociale pour l'exercice en cours.
A cette fin, il se base notamment sur :
- le nombre de consommateurs en difficulté de paiement visés à l'article 241;
- le nombre de bénéficiaires du droit à l'intégration sociale en application de la loi du 26 mai 2002 relative au droit à l'intégration sociale;
- le nombre de raccordements au réseau public de distribution d'eau dans la commune.
A cette fin, il se base notamment sur :
- le nombre de consommateurs en difficulté de paiement visés à l'article 241;
- le nombre de bénéficiaires du droit à l'intégration sociale en application de la loi du 26 mai 2002 relative au droit à l'intégration sociale;
- le nombre de raccordements au réseau public de distribution d'eau dans la commune.
C. Opdrachten van de "S.P.G.E." in het kader van het sociaal fonds.
C. Missions de la S.P.G.E. dans le cadre du fonds social de l'eau.
Art. D246. De "S.P.G.E." staat in, onder de voorwaarden en binnen de perken van deze afdeling, voor het beheer van het in artikel 236 bedoelde financieel mechanisme, dat tussenkomt in de betaling van de waterfactuur van de verbruiker.
Art. D246. La S.P.G.E. a, dans les conditions et limites de la présente section, pour objectif d'assurer la gestion du mécanisme financier, visé à l'article 236, destiné à intervenir dans le paiement de la facture d'eau du consommateur.
Art. D247. De "S.P.G.E." legt het bedrag van de tussenkomsten van elke verdeler, zoals bedoeld in artikel 239, jaarlijks vast op grond van de gefactureerde hoeveelheden van het vorige jaar.
Art. D247. Chaque année, la S.P.G.E. détermine le montant des contributions de chaque distributeur, visées à l'article 239, sur la base des volumes facturés l'année précédente.
Art. D248. De "S.P.G.E." geeft de openbare centra voor maatschappelijk welzijn uiterlijk 31 maart van elk jaar kennis van de beschikbare bedragen, per verdeler, bestaande uit de bijdragen bedoeld in artikel 239 en uit de niet-gebruikte overtollige saldo's, verminderd met de uitgaven bedoeld in artikel 240, lid 1°, 2°, 3° en 4°.
Art. D248. La S.P.G.E. communique, pour le 31 mars de chaque année, aux centres publics d'aide sociale les montants disponibles, par distributeur, constitués des contributions visées à l'article 239 et des soldes excédentaires non utilisés, diminués des dépenses définies à l'article 240, alinéa 1er, 2°, 3° et 4°.
Art. D249. De "S.P.G.E." maakt jaarlijks een verslag over de werking van het in artikel 236 bedoelde financieel mechanisme over aan de Regering en aan het Comité voor watercontrole.
De Regering richt dat verslag binnen drie maanden aan de Voorzitter van het Waalse Parlement.
De Regering bepaalt de gegevens die in dat verslag vermeld moeten worden, alsook de kalender van de berichten.
De Regering richt dat verslag binnen drie maanden aan de Voorzitter van het Waalse Parlement.
De Regering bepaalt de gegevens die in dat verslag vermeld moeten worden, alsook de kalender van de berichten.
Art. D249. Chaque année, la S.P.G.E. communique au Gouvernement et au comité de contrôle de l'eau un rapport concernant le fonctionnement du mécanisme financier visé à l'article 236.
Le Gouvernement transmet ce rapport au président du Conseil régional wallon dans les trois mois.
Le Gouvernement fixe les éléments qui doivent obligatoirement figurer dans ce rapport et le calendrier des communications.
Le Gouvernement transmet ce rapport au président du Conseil régional wallon dans les trois mois.
Le Gouvernement fixe les éléments qui doivent obligatoirement figurer dans ce rapport et le calendrier des communications.
Art. D250. Het overtollige saldo van het vorige boekjaar wordt uiterlijk 31 maart van elk jaar door de verdelers aan de "S.P.G.E." gestort.
De Regering bepaalt de modaliteiten voor de storting van die saldo's alsook voor hun aanwending door de "S.P.G.E.".
De Regering bepaalt de modaliteiten voor de storting van die saldo's alsook voor hun aanwending door de "S.P.G.E.".
Art. D250. Pour le 31 mars de chaque année, les distributeurs versent à la S.P.G.E. le solde excédentaire de l'exercice budgétaire précédent.
Les modalités de versement de ces soldes excédentaires ainsi que leur affectation par la S.P.G.E. sont déterminées par le Gouvernement.
Les modalités de versement de ces soldes excédentaires ainsi que leur affectation par la S.P.G.E. sont déterminées par le Gouvernement.
D. Verplichtingen van de verdelers.
D. Obligations des distributeurs.
Art. D251. De verdelers moeten :
1° de tijdens het afgelopen jaar door de verdeler gefactureerde hoeveelheden uiterlijk op [1 28 februari]1 van elk jaar aan de "S.P.G.E." overmaken;
2° de som voor de werkingskosten uiterlijk op 31 maart van elk jaar aan de "S.P.G.E." storten, overeenkomstig artikel 240, eerste lid, 2° en 3°;
3° het saldo van de in artikel 239 bedoelde bijdrage bewaren na storting van de bedragen bedoeld onder 2° en 8° om het aan te wenden voor de doeleinden bedoeld in artikel 240, eerste lid, 1° en 4°;
4° de financiële stromen betreffende het Sociaal Waterfonds uiterlijk op 31 maart van elk jaar individualiseren op specifieke balans- en beheersrekeningen;
5° zorgen voor het dagelijks beheer van de aandelen die toegekend worden aan elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten die de verdeler bedient, in nauwe samenwerking met hen;
6° zorgen voor het beheer van de fondsen voor technische verbeteringen;
7° de "S.P.G.E." uiterlijk [1 28 februari]1 van elk jaar kennis geven van het aantal verbruikers met betalingsmoeilijkheden, zoals bedoeld in artikel 241, derde lid, van het aantal tegemoetkomingen waartoe besloten werd door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn [1 ...]1 en van het globale bedrag van de tegemoetkomingen per gemeente;
8° de eventuele overtollige saldo's aan de "S.P.G.E." storten binnen de termijn bedoeld in artikel 250;
9° de "S.P.G.E." jaarlijks uiterlijk op 28 februari alle stukken en gegevens verstrekken die noodzakelijk zijn voor het vastleggen van het bedrag van hun bijdrage alsook van de bedragen waarover de openbare centra voor maatschappelijk welzijn mogen beschikken.
De Regering bepaalt de modaliteiten voor de uitvoering van die verplichtingen.
1° de tijdens het afgelopen jaar door de verdeler gefactureerde hoeveelheden uiterlijk op [1 28 februari]1 van elk jaar aan de "S.P.G.E." overmaken;
2° de som voor de werkingskosten uiterlijk op 31 maart van elk jaar aan de "S.P.G.E." storten, overeenkomstig artikel 240, eerste lid, 2° en 3°;
3° het saldo van de in artikel 239 bedoelde bijdrage bewaren na storting van de bedragen bedoeld onder 2° en 8° om het aan te wenden voor de doeleinden bedoeld in artikel 240, eerste lid, 1° en 4°;
4° de financiële stromen betreffende het Sociaal Waterfonds uiterlijk op 31 maart van elk jaar individualiseren op specifieke balans- en beheersrekeningen;
5° zorgen voor het dagelijks beheer van de aandelen die toegekend worden aan elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten die de verdeler bedient, in nauwe samenwerking met hen;
6° zorgen voor het beheer van de fondsen voor technische verbeteringen;
7° de "S.P.G.E." uiterlijk [1 28 februari]1 van elk jaar kennis geven van het aantal verbruikers met betalingsmoeilijkheden, zoals bedoeld in artikel 241, derde lid, van het aantal tegemoetkomingen waartoe besloten werd door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn [1 ...]1 en van het globale bedrag van de tegemoetkomingen per gemeente;
8° de eventuele overtollige saldo's aan de "S.P.G.E." storten binnen de termijn bedoeld in artikel 250;
9° de "S.P.G.E." jaarlijks uiterlijk op 28 februari alle stukken en gegevens verstrekken die noodzakelijk zijn voor het vastleggen van het bedrag van hun bijdrage alsook van de bedragen waarover de openbare centra voor maatschappelijk welzijn mogen beschikken.
De Regering bepaalt de modaliteiten voor de uitvoering van die verplichtingen.
Art. D251. Les distributeurs sont chargés de :
1° communiquer à la S.P.G.E. les volumes facturés par le distributeur au cours de l'année écoulée au plus tard pour le [1 28 février]1 de chaque année;
2° verser à la S.P.G.E. la somme destinée aux frais de fonctionnement conformément à l'article 240, alinéa 1er, 2° et 3°, au plus tard pour le 31 mars de chaque année;
3° conserver le solde de la contribution visée à l'article 239 après versement des sommes visées aux 2° et 8°, afin de l'affecter aux fins déterminées à l'article 240, alinéa 1er, 1° et 4°;
4° individualiser les flux financiers afférents au Fonds social de l'eau sur des comptes de bilan et de gestion spécifiques au plus tard pour le 31 mars de chaque année;
5° assurer la gestion quotidienne des quotes-parts attribuées à chaque centre public d'aide sociale des communes desservies par le distributeur, en étroite collaboration avec celles-ci;
6° assurer la gestion des fonds affectés aux améliorations techniques;
7° rendre compte annuellement à la S.P.G.E., au plus tard pour le [1 28 février]1 de chaque année, du nombre des consommateurs en difficulté de paiement visés à l'article 241, alinéa 3, du nombre d'interventions financières décidées par le centre public d'aide sociale, [1 ...]1 et du montant global des interventions par commune;
8° verser à la S.P.G.E. les soldes éventuels excédentaires dans le délai visé à l'article 250;
9° communiquer à la S.P.G.E., au plus tard pour le 28 février de chaque année, tous documents et informations nécessaires à la détermination du montant de leur contribution ainsi que des montants dont peuvent disposer les centres publics d'aide sociale.
Le Gouvernement fixe les modalités d'exécution de ces obligations.
1° communiquer à la S.P.G.E. les volumes facturés par le distributeur au cours de l'année écoulée au plus tard pour le [1 28 février]1 de chaque année;
2° verser à la S.P.G.E. la somme destinée aux frais de fonctionnement conformément à l'article 240, alinéa 1er, 2° et 3°, au plus tard pour le 31 mars de chaque année;
3° conserver le solde de la contribution visée à l'article 239 après versement des sommes visées aux 2° et 8°, afin de l'affecter aux fins déterminées à l'article 240, alinéa 1er, 1° et 4°;
4° individualiser les flux financiers afférents au Fonds social de l'eau sur des comptes de bilan et de gestion spécifiques au plus tard pour le 31 mars de chaque année;
5° assurer la gestion quotidienne des quotes-parts attribuées à chaque centre public d'aide sociale des communes desservies par le distributeur, en étroite collaboration avec celles-ci;
6° assurer la gestion des fonds affectés aux améliorations techniques;
7° rendre compte annuellement à la S.P.G.E., au plus tard pour le [1 28 février]1 de chaque année, du nombre des consommateurs en difficulté de paiement visés à l'article 241, alinéa 3, du nombre d'interventions financières décidées par le centre public d'aide sociale, [1 ...]1 et du montant global des interventions par commune;
8° verser à la S.P.G.E. les soldes éventuels excédentaires dans le délai visé à l'article 250;
9° communiquer à la S.P.G.E., au plus tard pour le 28 février de chaque année, tous documents et informations nécessaires à la détermination du montant de leur contribution ainsi que des montants dont peuvent disposer les centres publics d'aide sociale.
Le Gouvernement fixe les modalités d'exécution de ces obligations.
Wijzigingen
HOOFDSTUK II. [1 - Mechanismen tot terugwinning van andere kosten dan de tarifering]1
CHAPITRE II. [1 - Mécanismes de récupération des coûts autres que la tarification]1
Afdeling 1. [1 - Algemene bepalingen]1
Section 1re. [1 - Dispositions générales]1
Art. D252. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan administratie : de dienst(en) aangewezen door de Regering.]1
Art. D252. [1 Pour l'application du présent chapitre, il faut entendre par administration : le ou les services désignés par le Gouvernement.]1
Afdeling 2. [1 - Belasting en bijdrage op de waterwinningen]1
Section 2. [1 - Taxe et contribution sur les prises d'eau.]1
Onderafdeling 1. [1 - Winplaatsen voor tot drinkwater verwerkbaar water]1
Sous-section 1re. [1 - Prises d'eau potabilisable]1
Art. D253.
Art. D253.
Art. D254. [1 § 1. Elke uitbater van een winning van tot drinkwater verwerkbaar water op het grondgebied van het Waalse Gewest draagt naar rato van de geproduceerde volumes van tot drinkwater verwerkbaar water bij tot de financiering van de maatregelen tot bescherming van het tot drinkwater verwerkbaar water.
§ 2. Wanneer het geproduceerde water een openbaar distributienet bevoorraadt, moet de producent die dit water opneemt :
1° hetzij een dienstencontract voor de bescherming van het tot drinkbaar water verwerkbaar water met de "S.P.G.E." sluiten;
2° hetzij een afnamebelasting betalen.
Wanneer het geproduceerde water geen openbaar distributienet bevoorraadt, moet de uitbater een afnamebelasting betalen.
Het bedrag van de afnamebelasting is vastgelegd op 0,0829 euro per kubieke meter water geproduceerd in de loop van het jaar van afname.
De producent wordt vrijgesteld van zijn verplichting voor een bepaald volume water indien een andere producent deze verplichting voor dit volume op zich neemt.
§ 3. Elke uitbater van een winning van tot drinkwater verwerkbaar water moet ook een jaarlijkse afnamebijdrage betalen over de hoeveelheden water die uit deze winning worden geproduceerd; het bedrag daarvan is vastgesteld op 0,0829 euro per kubieke meter water die in het jaar van afname wordt geproduceerd.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder geproduceerde hoeveelheden water niet verstaan:
1° de hoeveelheden water die door saneringsinstellingen worden opgepompt in het kader van hun opdracht inzake het afvoeren van overstromingswater, met uitzondering van de hoeveelheden die zij verkopen aan een producent of die zij verdelen via het openbare net;
2° de hoeveelheden water die in het kader van het proefpompen gedurende een periode van ten hoogste twee maanden zijn opgevangen;
3° het bemalingswater, inclusief verwerkbaar bemalingswater;
4° de hoeveelheden water die in het natuurlijk milieu of in de riolering worden geloosd, met inbegrip van niet-conform water, waswater, overstortwater, spuiwater, leegpompwater of bemalingswater.]1
§ 2. Wanneer het geproduceerde water een openbaar distributienet bevoorraadt, moet de producent die dit water opneemt :
1° hetzij een dienstencontract voor de bescherming van het tot drinkbaar water verwerkbaar water met de "S.P.G.E." sluiten;
2° hetzij een afnamebelasting betalen.
Wanneer het geproduceerde water geen openbaar distributienet bevoorraadt, moet de uitbater een afnamebelasting betalen.
Het bedrag van de afnamebelasting is vastgelegd op 0,0829 euro per kubieke meter water geproduceerd in de loop van het jaar van afname.
De producent wordt vrijgesteld van zijn verplichting voor een bepaald volume water indien een andere producent deze verplichting voor dit volume op zich neemt.
§ 3. Elke uitbater van een winning van tot drinkwater verwerkbaar water moet ook een jaarlijkse afnamebijdrage betalen over de hoeveelheden water die uit deze winning worden geproduceerd; het bedrag daarvan is vastgesteld op 0,0829 euro per kubieke meter water die in het jaar van afname wordt geproduceerd.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder geproduceerde hoeveelheden water niet verstaan:
1° de hoeveelheden water die door saneringsinstellingen worden opgepompt in het kader van hun opdracht inzake het afvoeren van overstromingswater, met uitzondering van de hoeveelheden die zij verkopen aan een producent of die zij verdelen via het openbare net;
2° de hoeveelheden water die in het kader van het proefpompen gedurende een periode van ten hoogste twee maanden zijn opgevangen;
3° het bemalingswater, inclusief verwerkbaar bemalingswater;
4° de hoeveelheden water die in het natuurlijk milieu of in de riolering worden geloosd, met inbegrip van niet-conform water, waswater, overstortwater, spuiwater, leegpompwater of bemalingswater.]1
Art. D254. [1 § 1er. Tout exploitant d'une prise d'eau potabilisable sur le territoire de la Région wallonne contribue au financement des mesures de protection de l'eau potabilisable proportionnellement aux volumes d'eau produits.
§ 2. Lorsque l'eau produite alimente un réseau public de distribution, le producteur captant cette eau :
1° soit conclut un contrat de service de protection de l'eau potabilisable avec la S.P.G.E.;
2° soit paye une taxe de prélèvement.
Lorsque l'eau produite n'alimente pas un réseau public de distribution, l'exploitant est tenu de payer une taxe de prélèvement.
Le montant de la taxe de prélèvement est fixé à 0,0829 euro le mètre cube d'eau produit au cours de l'année de prélèvement.
Le producteur est dispensé de son obligation pour un volume d'eau déterminé si, pour ce volume, un autre producteur assume cette obligation.
§ 3. Tout exploitant d'une prise d'eau potabilisable est en outre tenu de payer une contribution annuelle de prélèvement sur les volumes d'eau produits au départ de cette prise d'eau, dont le montant est fixé à 0,0829 euro le mètre cube d'eau produit au cours de l'année de prélèvement.
§ 4. Pour l'application du présent article, ne constituent pas des volumes d'eau produits :
1° les volumes d'eau pompés par les organismes d'assainissement dans le cadre de leur mission de démergement, à l'exception des volumes qu'ils vendent à un producteur ou qu'ils distribuent par le réseau public;
2° les volumes d'eau captés dans le cadre de pompages d'essai d'une durée n'excédant pas deux mois;
3° les eaux d'exhaure, en ce compris les eaux d'exhaure valorisables;
4° les volumes d'eau rejetés dans le milieu naturel ou à l'égout, en ce compris les eaux non conformes, les eaux de lavage, de débordement, de trop-plein, de vidange, ou d'exhaure.]1
§ 2. Lorsque l'eau produite alimente un réseau public de distribution, le producteur captant cette eau :
1° soit conclut un contrat de service de protection de l'eau potabilisable avec la S.P.G.E.;
2° soit paye une taxe de prélèvement.
Lorsque l'eau produite n'alimente pas un réseau public de distribution, l'exploitant est tenu de payer une taxe de prélèvement.
Le montant de la taxe de prélèvement est fixé à 0,0829 euro le mètre cube d'eau produit au cours de l'année de prélèvement.
Le producteur est dispensé de son obligation pour un volume d'eau déterminé si, pour ce volume, un autre producteur assume cette obligation.
§ 3. Tout exploitant d'une prise d'eau potabilisable est en outre tenu de payer une contribution annuelle de prélèvement sur les volumes d'eau produits au départ de cette prise d'eau, dont le montant est fixé à 0,0829 euro le mètre cube d'eau produit au cours de l'année de prélèvement.
§ 4. Pour l'application du présent article, ne constituent pas des volumes d'eau produits :
1° les volumes d'eau pompés par les organismes d'assainissement dans le cadre de leur mission de démergement, à l'exception des volumes qu'ils vendent à un producteur ou qu'ils distribuent par le réseau public;
2° les volumes d'eau captés dans le cadre de pompages d'essai d'une durée n'excédant pas deux mois;
3° les eaux d'exhaure, en ce compris les eaux d'exhaure valorisables;
4° les volumes d'eau rejetés dans le milieu naturel ou à l'égout, en ce compris les eaux non conformes, les eaux de lavage, de débordement, de trop-plein, de vidange, ou d'exhaure.]1
Wijzigingen
Art. D255. [1 Elke verdeler draagt naar rato van de geproduceerde hoeveelheid water die hij in het Waalse Gewest verdeelt, tot de financiering van de sanering van afvalwater. De hoeveelheid verdeeld water wordt berekend op basis van de aan de verbruikers gefactureerde hoeveelheid.
Om dit te doen, moet de verdeler :
1° hetzij een dienstencontract voor sanering met de " S.P.G.E." sluiten;
2° hetzij zelf zorgen voor de uitvoering van de collectieve afvalwaterzuivering alsook van het openbaar beheer van de autonome afvalwaterzuivering, in overeenstemming met de hoeveelheid water die hij op het grondgebied van het Waals Gewest verdeelt.
De verdeler is vrijgesteld van zijn verplichting voor de hoeveelheden water die hij in het Waals Gewest verdeelt en waarvoor aan de "S.P.G.E." een industriële saneringskost wordt betaald op basis van een contract voor industriële sanering.]1
Om dit te doen, moet de verdeler :
1° hetzij een dienstencontract voor sanering met de " S.P.G.E." sluiten;
2° hetzij zelf zorgen voor de uitvoering van de collectieve afvalwaterzuivering alsook van het openbaar beheer van de autonome afvalwaterzuivering, in overeenstemming met de hoeveelheid water die hij op het grondgebied van het Waals Gewest verdeelt.
De verdeler is vrijgesteld van zijn verplichting voor de hoeveelheden water die hij in het Waals Gewest verdeelt en waarvoor aan de "S.P.G.E." een industriële saneringskost wordt betaald op basis van een contract voor industriële sanering.]1
Art. D255. [1 Tout distributeur contribue au financement de l'assainissement des eaux usées proportionnellement au volume d'eau qu'il distribue en Région wallonne. Le volume d'eau distribué est calculé sur la base du volume facturé aux consommateurs.
Pour ce faire, le distributeur :
1° soit conclut un contrat de service d'assainissement avec la S.P.G.E.;
2° soit réalise lui-même l'assainissement collectif des eaux usées ainsi que la gestion publique de l'assainissement autonome des eaux usées, correspondant au volume d'eau qu'il distribue sur le territoire de la Région wallonne.
Le distributeur est dispensé de son obligation pour les volumes d'eau qu'il distribue en Région wallonne pour lesquels un coût d'assainissement industriel est versé à la S.P.G.E. sur base d'un contrat d'assainissement industriel.]1
Pour ce faire, le distributeur :
1° soit conclut un contrat de service d'assainissement avec la S.P.G.E.;
2° soit réalise lui-même l'assainissement collectif des eaux usées ainsi que la gestion publique de l'assainissement autonome des eaux usées, correspondant au volume d'eau qu'il distribue sur le territoire de la Région wallonne.
Le distributeur est dispensé de son obligation pour les volumes d'eau qu'il distribue en Région wallonne pour lesquels un coût d'assainissement industriel est versé à la S.P.G.E. sur base d'un contrat d'assainissement industriel.]1
Wijzigingen
Onderafdeling 2. [1 - Winplaatsen van grondwater dat niet tot drinkwater verwerkbaar is]1
Sous-section 2. [1 - Prises d'eau souterraine non potabilisable]1
Art. D256. [1 § 1. De [3 ...]3 winplaatsen van niet tot drinkwater verwerkbaar water, met uitzondering van de winningen onder 3.000 kubieke meter, worden onderworpen aan een jaarlijkse winningsbelasting waarvan het bedrag vastgelegd is als volgt:
1° op de schijf van 0 tot 20 000 kubieke meter water : 0,03 euro per kubieke meter opgenomen water;
2° op de schijf van 20.001 tot 100.000 kubieke meter water : 0,06 euro per kubieke meter opgenomen water;
3° op de schijf boven 100.000 kubieke meter water : 0,09 euro per kubieke meter opgenomen water.
[3 § 2]3. De volgende grondwaterwinplaatsen zijn niet onderworpen aan een winningsbelasting bedoeld in [3 paragraaf 1]3 :
1° het oppompen door de saneringsinstellingen in het kader van hun opdracht inzake afvoer van overstromingswater, met uitzondering van het watervolume dat ze verkopen of verdelen;
2° proefpompingen tijdens een periode van hoogstens twee maanden. ".
3° tijdelijke oppompingen verricht ter gelegenheid van openbare of privé werken inzake civiele bouwkunde;
4° oppompingen ter bescherming van goederen, met uitzondering van de oppompingen verricht voor industriële of winstgevende doeleinden;
5° oppompingen van geothermaal water voor de collectieve verwarming van openbare woningen of gebouwen.]1
[3 6° de winningen van bemalingswater]3
1° op de schijf van 0 tot 20 000 kubieke meter water : 0,03 euro per kubieke meter opgenomen water;
2° op de schijf van 20.001 tot 100.000 kubieke meter water : 0,06 euro per kubieke meter opgenomen water;
3° op de schijf boven 100.000 kubieke meter water : 0,09 euro per kubieke meter opgenomen water.
[3 § 2]3. De volgende grondwaterwinplaatsen zijn niet onderworpen aan een winningsbelasting bedoeld in [3 paragraaf 1]3 :
1° het oppompen door de saneringsinstellingen in het kader van hun opdracht inzake afvoer van overstromingswater, met uitzondering van het watervolume dat ze verkopen of verdelen;
2° proefpompingen tijdens een periode van hoogstens twee maanden. ".
3° tijdelijke oppompingen verricht ter gelegenheid van openbare of privé werken inzake civiele bouwkunde;
4° oppompingen ter bescherming van goederen, met uitzondering van de oppompingen verricht voor industriële of winstgevende doeleinden;
5° oppompingen van geothermaal water voor de collectieve verwarming van openbare woningen of gebouwen.]1
[3 6° de winningen van bemalingswater]3
Wijzigingen
Art. D256. [1 § 1er. Les [3 ...]3 prises d'eau souterraine non potabilisable, à l'exception des prélèvements qui n'atteignent pas 3.000 mètres cubes, sont soumises à une contribution de prélèvement annuelle dont le montant est fixé comme suit :
1° sur la tranche de 0 à 20 000 mètres cubes d'eau : 0,03 euro par mètre cube d'eau prélevé;
2° sur la tranche de 20 001 à 100 000 mètres cubes d'eau : 0,06 euro par mètre cube d'eau prélevé;
3° sur la tranche supérieure à 100 000 mètres cubes d'eau : 0,09 euro par mètre cube d'eau prélevé.
[3 § 2]3. Ne sont pas soumises à une contribution de prélèvement visée au [3 paragraphe 1er]3 les prises d'eau souterraine suivantes :
1° les pompages effectués par les organismes d'assainissement dans le cadre de leur mission de démergement, à l'exception du volume d'eau qu'ils vendent ou qu'ils distribuent;
2° les pompages d'essai d'une durée n'excédant pas deux mois;
3° les pompages temporaires réalisés à l'occasion de travaux de génie civil publics ou privés;
4° les pompages destinés à protéger des biens, à l'exception des pompages effectués à des fins industrielles ou lucratives;
5° les pompages d'eau géothermale destinés au chauffage collectif d'habitations ou de bâtiments publics.]1
[3 6° les prises d'eau d'exhaure.]3
1° sur la tranche de 0 à 20 000 mètres cubes d'eau : 0,03 euro par mètre cube d'eau prélevé;
2° sur la tranche de 20 001 à 100 000 mètres cubes d'eau : 0,06 euro par mètre cube d'eau prélevé;
3° sur la tranche supérieure à 100 000 mètres cubes d'eau : 0,09 euro par mètre cube d'eau prélevé.
[3 § 2]3. Ne sont pas soumises à une contribution de prélèvement visée au [3 paragraphe 1er]3 les prises d'eau souterraine suivantes :
1° les pompages effectués par les organismes d'assainissement dans le cadre de leur mission de démergement, à l'exception du volume d'eau qu'ils vendent ou qu'ils distribuent;
2° les pompages d'essai d'une durée n'excédant pas deux mois;
3° les pompages temporaires réalisés à l'occasion de travaux de génie civil publics ou privés;
4° les pompages destinés à protéger des biens, à l'exception des pompages effectués à des fins industrielles ou lucratives;
5° les pompages d'eau géothermale destinés au chauffage collectif d'habitations ou de bâtiments publics.]1
[3 6° les prises d'eau d'exhaure.]3
Onderafdeling 2/1. [1 Winningen van bemalingswater]1
Sous-section 2/1. [1 Prises d'eau d'exhaure]1
Art. D256/1. [1 De winningen van bemalingswater worden jaarlijks onderworpen aan een afnamebijdrage van 0,0407 euro per kubieke meter bemalingswater betreffende de grondwatervolumes.]1
Art. D256/1. [1 Les prises d'eau d'exhaure sont soumises annuellement à une contribution de prélèvement fixée à 0,0407 euro par mètre cube d'eau d'exhaure portant sur les volumes d'eau souterraine.]1
Onderafdeling 3. [1 - Waterwinnningen van niet tot drinkwater verwerkbaar oppervlaktewater]1
Sous-section 3. [1 - Prises d'eau de surface non potabilisable]1
Art. D257. [1 § 1. De waterwinnningen van niet tot drinkwater verwerkbaar oppervlaktewater, met uitzondering van de winningen onder 10.000 kubieke meter, worden onderworpen aan een jaarlijkse winningsbelasting waarvan het bedrag vastgelegd is als volgt :
1° op de schijf van 0 tot 999 999 kubieke meter water : 0,063 euro per kubieke meter opgenomen water;
2° op de schijf van 1 000 000 tot 9 999 999 kubieke meter water : 0,037 euro per kubieke meter opgenomen water;
3°[2 [3 op de schijf boven 10 kubieke meter water : 0,02 euro per kubieke meter opgenomen water.]3]2
4° [2 [3 ...]3]2
Er wordt een verminderingscoëfficiënt van de in het eerste lid bedoelde winningsbijdrage toegepast op de opgenomen volumes die in de oppervlaktewateren teruggeloosd worden. Die coëfficiënt is gelijk aan [1-((Teruggeloosd volume/opgenomen totaal volume)/2)].
§ 2. De volgende grondwaterwinplaatsen zijn niet onderworpen aan de winningsbelasting bedoeld in paragraaf 1 :
1° het oppompen door de saneringsinstellingen in het kader van hun opdracht inzake afvoer van overstromingswater, met uitzondering van het watervolume dat ze verkopen of verdelen;
2° tijdelijke oppompingen verricht ter gelegenheid van openbare of privé werken inzake civiele bouwkunde;
3° oppompingen ter bescherming van goederen;
4° oppompingen voor de collectieve verwarming van openbare woningen of gebouwen, met uitzondering van de oppompingen verricht voor industriële of winstgevende doeleinden;
5° de winningen die uitsluitend bestemd zijn voor de productie van groene elektriciteit in de zin van het decreet van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt.]1
1° op de schijf van 0 tot 999 999 kubieke meter water : 0,063 euro per kubieke meter opgenomen water;
2° op de schijf van 1 000 000 tot 9 999 999 kubieke meter water : 0,037 euro per kubieke meter opgenomen water;
3°[2 [3 op de schijf boven 10 kubieke meter water : 0,02 euro per kubieke meter opgenomen water.]3]2
4° [2 [3 ...]3]2
Er wordt een verminderingscoëfficiënt van de in het eerste lid bedoelde winningsbijdrage toegepast op de opgenomen volumes die in de oppervlaktewateren teruggeloosd worden. Die coëfficiënt is gelijk aan [1-((Teruggeloosd volume/opgenomen totaal volume)/2)].
§ 2. De volgende grondwaterwinplaatsen zijn niet onderworpen aan de winningsbelasting bedoeld in paragraaf 1 :
1° het oppompen door de saneringsinstellingen in het kader van hun opdracht inzake afvoer van overstromingswater, met uitzondering van het watervolume dat ze verkopen of verdelen;
2° tijdelijke oppompingen verricht ter gelegenheid van openbare of privé werken inzake civiele bouwkunde;
3° oppompingen ter bescherming van goederen;
4° oppompingen voor de collectieve verwarming van openbare woningen of gebouwen, met uitzondering van de oppompingen verricht voor industriële of winstgevende doeleinden;
5° de winningen die uitsluitend bestemd zijn voor de productie van groene elektriciteit in de zin van het decreet van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt.]1
Art. D257. [1 § 1er. Les prises d'eau de surface non potabilisable, à l'exception des prélèvements annuels qui n'atteignent pas 100 000 mètres cubes, sont soumises à une contribution de prélèvement annuelle dont le montant est fixé comme suit :
1° sur la tranche de 0 à 999 999 mètres cubes : 0,063 euro par mètre cube d'eau prélevé;
2° sur la tranche de 1 000 000 à 9 999 999 mètres cubes : 0,037 euro par mètre cube d'eau prélevé;
3° [2 [3 sur la tranche supérieure à 10 000 000 mètres cubes : 0,02 euro par mètre cube d'eau prélevé.]3;]2
4° [2 [3 ...]3]2
Un coefficient réducteur de la contribution de prélèvement prévue à l'alinéa 1er est appliqué sur les volumes prélevés et restitués dans les eaux de surface. Ce coefficient est égal à [1-((Volume restitué/volume total prélevé)/2)].
§ 2. Ne sont pas soumises à la contribution de prélèvement visée au paragraphe 1er les prises d'eau de surface suivantes :
1° les pompages effectués par les organismes d'assainissement dans le cadre de leur mission de démergement, à l'exception du volume d'eau qu'ils vendent ou qu'ils distribuent;
2° les pompages temporaires réalisés à l'occasion de travaux de génie civil publics ou privés;
3° les pompages destinés à protéger des biens;
4° les pompages destinés au chauffage collectif d'habitations ou de bâtiments publics, à l'exception des pompages effectués à des fins industrielles ou lucratives;
5° les prélèvements destinés exclusivement à la production d'électricité verte au sens du décret du 12 avril 2001 relatif à l'organisation du marché régional de l'électricité.]1
1° sur la tranche de 0 à 999 999 mètres cubes : 0,063 euro par mètre cube d'eau prélevé;
2° sur la tranche de 1 000 000 à 9 999 999 mètres cubes : 0,037 euro par mètre cube d'eau prélevé;
3° [2 [3 sur la tranche supérieure à 10 000 000 mètres cubes : 0,02 euro par mètre cube d'eau prélevé.]3;]2
4° [2 [3 ...]3]2
Un coefficient réducteur de la contribution de prélèvement prévue à l'alinéa 1er est appliqué sur les volumes prélevés et restitués dans les eaux de surface. Ce coefficient est égal à [1-((Volume restitué/volume total prélevé)/2)].
§ 2. Ne sont pas soumises à la contribution de prélèvement visée au paragraphe 1er les prises d'eau de surface suivantes :
1° les pompages effectués par les organismes d'assainissement dans le cadre de leur mission de démergement, à l'exception du volume d'eau qu'ils vendent ou qu'ils distribuent;
2° les pompages temporaires réalisés à l'occasion de travaux de génie civil publics ou privés;
3° les pompages destinés à protéger des biens;
4° les pompages destinés au chauffage collectif d'habitations ou de bâtiments publics, à l'exception des pompages effectués à des fins industrielles ou lucratives;
5° les prélèvements destinés exclusivement à la production d'électricité verte au sens du décret du 12 avril 2001 relatif à l'organisation du marché régional de l'électricité.]1
Afdeling 3. [1 - Belasting op de lozing van industrieel en huishoudelijk afvalwater]1
Section 3. [1 - Taxe sur le déversement des eaux usées industrielles et domestiques]1
Onderafdeling 1. [1 - Algemene bepalingen]1
Sous-section 1re. [1 - Dispositions générales]1
Art. D258. [1 Er wordt een jaarlijkse belasting op lozingen van afvalwater vastgelegd]1
Art. D258. [1 Il est établi une taxe annuelle sur les déversements des eaux usées]1
Art. D259. [1 De belasting is van toepassing op :
1° elke natuurlijke of rechtspersoon, publiek- of privaatrechtelijk, incluis de intercommunales, behalve in het kader van de uitoefening van de opdrachten i.v.m. het statuut van erkende saneringsinstelling, hierna "bedrijven" genoemd, die industrieel afvalwater lozen in de openbare rioleringen, afvalwatercollectoren, zuiveringsstations van de saneringsinstellingen of in de oppervlakte- of grondwateren;
2° elke natuurlijke of rechtspersoon, publiek- of privaatrechtelijk, incluis de intercommunales, behalve in het kader van de uitoefening van de opdrachten i.v.m. het statuut van erkende saneringsinstelling die huishoudelijk afvalwater lozen in de collectoren bedoeld onder 1° en die wegens een niet openbare bevoorrading niet bijdraagt in de saneringskosten vervat in de reële kostprijs van het water, behalve als ze een vrijstelling genieten, overeenkomstig artikel D.270;
3° elke natuurlijke of rechtspersoon, publiek- of privaatrechtelijk, incluis de intercommunales, behalve in het kader van de uitoefening van de opdrachten i.v.m. het statuut van erkende saneringsinstelling die huishoudelijk afvalwater lozen in de collectoren bedoeld onder 1° en die de in artikel D.229, 2°, bedoelde vrijstelling van de C.V.A. genieten.]1
1° elke natuurlijke of rechtspersoon, publiek- of privaatrechtelijk, incluis de intercommunales, behalve in het kader van de uitoefening van de opdrachten i.v.m. het statuut van erkende saneringsinstelling, hierna "bedrijven" genoemd, die industrieel afvalwater lozen in de openbare rioleringen, afvalwatercollectoren, zuiveringsstations van de saneringsinstellingen of in de oppervlakte- of grondwateren;
2° elke natuurlijke of rechtspersoon, publiek- of privaatrechtelijk, incluis de intercommunales, behalve in het kader van de uitoefening van de opdrachten i.v.m. het statuut van erkende saneringsinstelling die huishoudelijk afvalwater lozen in de collectoren bedoeld onder 1° en die wegens een niet openbare bevoorrading niet bijdraagt in de saneringskosten vervat in de reële kostprijs van het water, behalve als ze een vrijstelling genieten, overeenkomstig artikel D.270;
3° elke natuurlijke of rechtspersoon, publiek- of privaatrechtelijk, incluis de intercommunales, behalve in het kader van de uitoefening van de opdrachten i.v.m. het statuut van erkende saneringsinstelling die huishoudelijk afvalwater lozen in de collectoren bedoeld onder 1° en die de in artikel D.229, 2°, bedoelde vrijstelling van de C.V.A. genieten.]1
Art. D259. [1 Sont soumises à la taxe :
1° toute personne physique ou morale, de droit public ou de droit privé, y compris les intercommunales, sauf dans le cadre de l'exercice des missions liées au statut d'organisme d'assainissement agréé, ci-après désignées "entreprises", et qui déversent des eaux usées industrielles dans les égouts publics, dans les collecteurs d'eaux usées, dans les stations d'épuration des organismes d'assainissement ou dans les eaux de surface ou dans les eaux souterraines;
2° toute personne physique ou morale de droit public ou de droit privé y compris les intercommunales, sauf dans le cadre de l'exercice des missions liées au statut d'organisme d'assainissement agréé, qui déverse, dans les récepteurs visés au 1°, des eaux usées domestiques et qui, en raison d'un approvisionnement ne provenant pas de l'alimentation publique, ne contribue pas aux coûts de l'assainissement contenu dans le coût-vérité de l'eau sauf lorsqu'elle bénéficie d'une exemption, en application de l'article D.270;
3° toute personne physique ou morale de droit public ou de droit privé y compris les intercommunales, sauf dans le cadre de l'exercice des missions liées au statut d'organisme d'assainissement agréé, qui déverse, dans les récepteurs visés au 1°, des eaux usées domestiques et qui bénéficie de l'exemption du C.V.A. visée à l'article D.229, 2°.]1
1° toute personne physique ou morale, de droit public ou de droit privé, y compris les intercommunales, sauf dans le cadre de l'exercice des missions liées au statut d'organisme d'assainissement agréé, ci-après désignées "entreprises", et qui déversent des eaux usées industrielles dans les égouts publics, dans les collecteurs d'eaux usées, dans les stations d'épuration des organismes d'assainissement ou dans les eaux de surface ou dans les eaux souterraines;
2° toute personne physique ou morale de droit public ou de droit privé y compris les intercommunales, sauf dans le cadre de l'exercice des missions liées au statut d'organisme d'assainissement agréé, qui déverse, dans les récepteurs visés au 1°, des eaux usées domestiques et qui, en raison d'un approvisionnement ne provenant pas de l'alimentation publique, ne contribue pas aux coûts de l'assainissement contenu dans le coût-vérité de l'eau sauf lorsqu'elle bénéficie d'une exemption, en application de l'article D.270;
3° toute personne physique ou morale de droit public ou de droit privé y compris les intercommunales, sauf dans le cadre de l'exercice des missions liées au statut d'organisme d'assainissement agréé, qui déverse, dans les récepteurs visés au 1°, des eaux usées domestiques et qui bénéficie de l'exemption du C.V.A. visée à l'article D.229, 2°.]1
Onderafdeling 2. [1 - Bijzondere bepalingen betreffende de lozingen van industrieel afwalwater]1
Sous-section 2. [1 - Dispositions particulières relatives aux déversements d'eaux usées industrielles]1
Art. D260. [1 § 1. De jaarlijkse belasting op het lozen van industrieel afvalwater is evenredig met de hoeveelheid verontreinigende stoffen ervan berekend overeenkomstig de in de artikelen D.262 en D.265 bepaalde formules.
De in aanmerking te nemen hoeveelheid verontreinigende stoffen is die van het industriële afvalwater geloosd gedurende het jaar dat aan het belastingjaar voorafgaat.
§ 2. De onderneming die industrieel afwalwater in een openbaar zuiveringsstation loost, sluit een dienstencontract voor industriële sanering. Ze moet de kosten van de in dit contract bedoelde industriële sanering voor het geloosde afvalwatergedeelte betalen.
De onderneming die een dienstencontract voor industriële sanering heeft gesloten, wordt vrijgesteld van de in § 1 bedoelde jaarlijkse belasting op het lozen van industrieel afvalwater [2 en onderworpen aan de betaling van de industriële saneringsprijs op 1 januari van het jaar volgend op de datum van ondertekening van het contract [3 voor alle lozingen van industrieel afvalwater in een openbaar zuiveringsstation]3]2.
[4 Wanneer de onderneming na 1 januari 2019 een vergunning voor een nieuwe vestiging krijgt, kan het industrieel dienstencontract gesloten worden en op hetzelfde ogenblik in werking treden en geldt de vrijstelling van de belasting betreffende het industrieel afvalwater vanaf dat ogenblik.]4
§ 3. De Regering keurt het model van het dienstencontract voor industriële sanering goed.
Het contract bevat minstens de volgende gegevens:
1) de bepaling van de diensten inzake de opvang en de zuivering van het industrieel water verleend door de "S.P.G.E." en de erkende zuiveringsinstellingen;
2) de geraamde hoeveelheid en de aard van het water geloosd door de industrie in het net of het station waarvoor een akkoord tussen partijen is gesloten;
3) de modaliteiten voor de berekening van de kosten van de industriële sanering bedoeld in artikel D.2, 20° bis;
4) [2 ...]2
5) de sancties voorzien indien de partijen hun verplichtingen niet naleven;
6) de oorzaken die een einde kunnen maken aan het contract en de gevolgen van het eventuele einde van het contract;
7) de uitzonderingen of eventuele afwijkingen van het principe volgens welk het contract voor een onbepaalde duur wordt gesloten.
[5 8) In geval van afstand, overdracht of delegatie van activiteiten aan een andere persoon blijven de wederzijdse rechten en verplichtingen van het contract van kracht.]5
Rekening houdende met sociale, leefmilieu- en economische impacten van de afwenteling van de kosten van de diensten, is de kostprijs van de industriële sanering gelijk aan de reële kostprijs of aan de tegenwaarde van de belasting op het lozen van industrieel afvalwater indien de reële kostprijs hoger is dan die belasting.
[2 De Administratie of de " S.P.G.E. " kan het industriële afvalwater opmeten of laten opmeten voor de vastlegging of de bevestiging van de belasting of de prijs van de industriële sanering.]2
Om het bestaan en het bedrag van het dienstencontract voor industriële sanering te bepalen, mag de "S.P.G.E." of de door de "S.P.G.E." gemachtigde erkende zuiveringsinstelling alle bewijsmiddelen aanwenden die door het gemene recht worden toegelaten.
[2 Ze zijn bevoegd om alle gegevens te verzamelen of op te eisen die nodig zijn voor de nauwkeurige inning van de industriële CVA. Ze kunnen zich daaroe laten bijstaan door een ambtenaar van de Waalse Regering bedoeld in artikel 12ter van het decreet van 6 mei 1999 of door een personeelslid aangewezen krachtens artikel D.140 van Boek I van het Milieuwetboek. De opmetingen en analyses worden verricht door een laboratorium erkend krachtens artikel D.147 van Boek I van het Milieuwetboek of door het referentielaboratorium van het Waalse Gewest. Het bedrijf verleent toegang tot de kamers en de voorzieningen voor de controle op de lozing(en) van het industriële afvalwater. Na afloop van de opmetingscampagnes en na kennisgeving van de resultaten van de analyses aan de " S.P.G.E. ", de Administratie of aan bovenbedoelde ambtenaren of personeelsleden met het oog op de bepaling van de gemiddelde waarden, wordt er rekening gehouden met een gemiddelde van de resultaten van de analyses om de prijs van de industriële sanering vast te leggen. De Regering is bevoegd om de modaliteiten voor de toepassing van dat gemiddelde te bepalen op basis van de weging van de gemiddelde waarden van de door de " S.P.G.E. " en het bedrijf gebruikte resultaten, van de type-afwijkingen ervan en van het aantal jaarlijkse monsters.]2
Wanneer de onderneming die industrieel afvalwater loost, de waarden van de in aanmerking te nemen parameters niet meedeelt aan de "S.P.G.E.", mag laatstgenoemde monsternemingen en analysen verrichten of laten verrichten om die waarden te bepalen, waarbij de daaruit voortvloeiende kosten ten laste zijn van de onderneming. Bij gebrek aan analysen wordt de last die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de reële kostprijs van de industriële sanering geraamd op basis van de beschikbare relevante inlichtingen.
De "S.P.G.E." kan op verzoek van de Waalse Regering de dienstencontracten per categorie industrieën zonder vergoeding en mits een opzegging van 12 maanden opzeggen.
§ 4. De "S.P.G.E." of de exploitant van de openbare saneringsinfrastructuur mogen de sanering onderbreken of beperken telkens als herstel-, renovatie-, wijzigings-, verplaatsings-, onderhouds- of exploitatiewerken het rechtvaardigen.
In dit geval zal de exploitant zich inspannen om het aantal onderbrekingen en de duur ervan tot een minimum te beperken. De betrokken ondernemingen die industrieel afvalwater lozen, worden uiterlijk vijf werkdagen vóór het begin van de werken op de hoogte gebracht van de werken.
In spoedgevallen of in geval van onderbrekingen van minder dan één uur, worden de betrokken ondernemingen die industrieel afvalwater lozen, op de hoogte gebracht van de werken binnen een redelijke termijn voor het begin ervan. Bewarende maatregelen of maatregelen bestemd om de schade te beperken kunnen uitgevoerd worden vóór hun kennisgeving aan de betrokken ondernemingen die industrieel afvalwater lozen.
Tijdens de onderbrekingen of de stopzettingen van de dienst wegens het algemeen belang in geval van overmacht of ingebrekestelling van de onderneming die industrieel afvalwater loost, zijn de S.P.G.E. of de exploitant niet verplicht een schadeloosstelling of een compensatie te betalen.
§ 5. Met het oog op de bevordering van het goede beheer van het industrieel afvalwater kan de Waalse Regering de overdracht aan de S.P.G.E. van een onroerend goed gelegen in een bedrijfsruimte of een deel van een dergelijk onroerend goed, in volle eigendom of in de ondergrond, toelaten na instemming van de S.P.G.E. en zonder terugbetaling van de steun of van de subdiside toegekend krachtens het decreet van 11 maart 2004 betreffende de ontsluitingsinfrastructuur voor economische bedrijvigheid. De saneringsinstallatie wordt door de overdrager met de normen in overeenstemming gebracht.]1
De in aanmerking te nemen hoeveelheid verontreinigende stoffen is die van het industriële afvalwater geloosd gedurende het jaar dat aan het belastingjaar voorafgaat.
§ 2. De onderneming die industrieel afwalwater in een openbaar zuiveringsstation loost, sluit een dienstencontract voor industriële sanering. Ze moet de kosten van de in dit contract bedoelde industriële sanering voor het geloosde afvalwatergedeelte betalen.
De onderneming die een dienstencontract voor industriële sanering heeft gesloten, wordt vrijgesteld van de in § 1 bedoelde jaarlijkse belasting op het lozen van industrieel afvalwater [2 en onderworpen aan de betaling van de industriële saneringsprijs op 1 januari van het jaar volgend op de datum van ondertekening van het contract [3 voor alle lozingen van industrieel afvalwater in een openbaar zuiveringsstation]3]2.
[4 Wanneer de onderneming na 1 januari 2019 een vergunning voor een nieuwe vestiging krijgt, kan het industrieel dienstencontract gesloten worden en op hetzelfde ogenblik in werking treden en geldt de vrijstelling van de belasting betreffende het industrieel afvalwater vanaf dat ogenblik.]4
§ 3. De Regering keurt het model van het dienstencontract voor industriële sanering goed.
Het contract bevat minstens de volgende gegevens:
1) de bepaling van de diensten inzake de opvang en de zuivering van het industrieel water verleend door de "S.P.G.E." en de erkende zuiveringsinstellingen;
2) de geraamde hoeveelheid en de aard van het water geloosd door de industrie in het net of het station waarvoor een akkoord tussen partijen is gesloten;
3) de modaliteiten voor de berekening van de kosten van de industriële sanering bedoeld in artikel D.2, 20° bis;
4) [2 ...]2
5) de sancties voorzien indien de partijen hun verplichtingen niet naleven;
6) de oorzaken die een einde kunnen maken aan het contract en de gevolgen van het eventuele einde van het contract;
7) de uitzonderingen of eventuele afwijkingen van het principe volgens welk het contract voor een onbepaalde duur wordt gesloten.
[5 8) In geval van afstand, overdracht of delegatie van activiteiten aan een andere persoon blijven de wederzijdse rechten en verplichtingen van het contract van kracht.]5
Rekening houdende met sociale, leefmilieu- en economische impacten van de afwenteling van de kosten van de diensten, is de kostprijs van de industriële sanering gelijk aan de reële kostprijs of aan de tegenwaarde van de belasting op het lozen van industrieel afvalwater indien de reële kostprijs hoger is dan die belasting.
[2 De Administratie of de " S.P.G.E. " kan het industriële afvalwater opmeten of laten opmeten voor de vastlegging of de bevestiging van de belasting of de prijs van de industriële sanering.]2
Om het bestaan en het bedrag van het dienstencontract voor industriële sanering te bepalen, mag de "S.P.G.E." of de door de "S.P.G.E." gemachtigde erkende zuiveringsinstelling alle bewijsmiddelen aanwenden die door het gemene recht worden toegelaten.
[2 Ze zijn bevoegd om alle gegevens te verzamelen of op te eisen die nodig zijn voor de nauwkeurige inning van de industriële CVA. Ze kunnen zich daaroe laten bijstaan door een ambtenaar van de Waalse Regering bedoeld in artikel 12ter van het decreet van 6 mei 1999 of door een personeelslid aangewezen krachtens artikel D.140 van Boek I van het Milieuwetboek. De opmetingen en analyses worden verricht door een laboratorium erkend krachtens artikel D.147 van Boek I van het Milieuwetboek of door het referentielaboratorium van het Waalse Gewest. Het bedrijf verleent toegang tot de kamers en de voorzieningen voor de controle op de lozing(en) van het industriële afvalwater. Na afloop van de opmetingscampagnes en na kennisgeving van de resultaten van de analyses aan de " S.P.G.E. ", de Administratie of aan bovenbedoelde ambtenaren of personeelsleden met het oog op de bepaling van de gemiddelde waarden, wordt er rekening gehouden met een gemiddelde van de resultaten van de analyses om de prijs van de industriële sanering vast te leggen. De Regering is bevoegd om de modaliteiten voor de toepassing van dat gemiddelde te bepalen op basis van de weging van de gemiddelde waarden van de door de " S.P.G.E. " en het bedrijf gebruikte resultaten, van de type-afwijkingen ervan en van het aantal jaarlijkse monsters.]2
Wanneer de onderneming die industrieel afvalwater loost, de waarden van de in aanmerking te nemen parameters niet meedeelt aan de "S.P.G.E.", mag laatstgenoemde monsternemingen en analysen verrichten of laten verrichten om die waarden te bepalen, waarbij de daaruit voortvloeiende kosten ten laste zijn van de onderneming. Bij gebrek aan analysen wordt de last die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de reële kostprijs van de industriële sanering geraamd op basis van de beschikbare relevante inlichtingen.
De "S.P.G.E." kan op verzoek van de Waalse Regering de dienstencontracten per categorie industrieën zonder vergoeding en mits een opzegging van 12 maanden opzeggen.
§ 4. De "S.P.G.E." of de exploitant van de openbare saneringsinfrastructuur mogen de sanering onderbreken of beperken telkens als herstel-, renovatie-, wijzigings-, verplaatsings-, onderhouds- of exploitatiewerken het rechtvaardigen.
In dit geval zal de exploitant zich inspannen om het aantal onderbrekingen en de duur ervan tot een minimum te beperken. De betrokken ondernemingen die industrieel afvalwater lozen, worden uiterlijk vijf werkdagen vóór het begin van de werken op de hoogte gebracht van de werken.
In spoedgevallen of in geval van onderbrekingen van minder dan één uur, worden de betrokken ondernemingen die industrieel afvalwater lozen, op de hoogte gebracht van de werken binnen een redelijke termijn voor het begin ervan. Bewarende maatregelen of maatregelen bestemd om de schade te beperken kunnen uitgevoerd worden vóór hun kennisgeving aan de betrokken ondernemingen die industrieel afvalwater lozen.
Tijdens de onderbrekingen of de stopzettingen van de dienst wegens het algemeen belang in geval van overmacht of ingebrekestelling van de onderneming die industrieel afvalwater loost, zijn de S.P.G.E. of de exploitant niet verplicht een schadeloosstelling of een compensatie te betalen.
§ 5. Met het oog op de bevordering van het goede beheer van het industrieel afvalwater kan de Waalse Regering de overdracht aan de S.P.G.E. van een onroerend goed gelegen in een bedrijfsruimte of een deel van een dergelijk onroerend goed, in volle eigendom of in de ondergrond, toelaten na instemming van de S.P.G.E. en zonder terugbetaling van de steun of van de subdiside toegekend krachtens het decreet van 11 maart 2004 betreffende de ontsluitingsinfrastructuur voor economische bedrijvigheid. De saneringsinstallatie wordt door de overdrager met de normen in overeenstemming gebracht.]1
Wijzigingen
Art. D260. [1 § 1er. La taxe annuelle sur les déversements d'eaux usées industrielles est proportionnelle à la charge polluante desdites eaux calculée conformément aux formules des articles D.262 et D.265.
La charge polluante à prendre en considération est celle des eaux usées industrielles déversées au cours de l'année qui précède l'année de taxation.
§ 2. L'entreprise qui rejette des eaux usées industrielles dans une station d'épuration publique conclut un contrat de service d'assainissement industriel. Elle est redevable du coût assainissement industriel pour la fraction d'eaux usées ainsi rejetée prévu par ce contrat.
L'entreprise ayant conclu un contrat de service d'assainissement industriel est exemptée de la taxe annuelle sur les déversements d'eaux usées industrielles visée au paragraphe 1er [2 et soumise au paiement du coût assainissement industriel au 1er janvier de l'année suivant la date de signature du contrat [3 , pour tous les rejets d'eaux usées industrielles dans une station d'épuration publique]3]2.
[4 Lorsque l'entreprise s'est vu délivrer un permis pour une nouvelle implantation, après le 1er janvier 2019, le contrat de service industriel peut être conclu et entrer en vigueur en même temps et l'exemption de la taxe relative aux eaux usées industrielles vaut dès ce moment.]4
§ 3. Le Gouvernement adopte le modèle de contrat de service d'assainissement industriel.
Le contrat mentionne au moins les éléments suivants :
1) la définition des services de collecte et d'épuration des eaux industrielles fournis par la S.P.G.E. ou par les organismes d'assainissement agréés;
2) la quantité estimée et la nature des eaux rejetées par l'industriel dans le réseau ou la station faisant l'objet d'un accord entre parties;
3) les modalités de calcul du prix du coût d'assainissement industriel visé à l'article D.2, 20° bis;
4) [2 ...]2
5) les sanctions prévues en cas de non-respect par les parties de leurs obligations;
6) les causes qui permettent de mettre fin au contrat et les conséquences de la fin éventuelle du contrat;
7) les exceptions ou dérogations éventuelles au principe selon lequel le contrat est conclu pour une durée indéterminée.
[5 8) Les droits et obligations réciproques du contrat perdurent en cas de cession, transfert ou délégation d'activités à une autre personne.]5
Tenant compte des effets sociaux, environnementaux et économiques de la récupération des coûts des services, le coût assainissement industriel est égal au coût-vérité d'assainissement industriel ou à l'équivalent de la taxe sur les déversements d'eaux usées industrielles si ledit coût-vérité est supérieur à celle-ci.
[2 L'Administration ou la S.P.G.E. peuvent effectuer ou faire effectuer un relevé de l'effluent industriel afin d'établir ou de confirmer la taxe ou le coût d'assainissement industriel.]2
Pour établir l'existence et le montant du C.A.I., la S.P.G.E. ou l'organisme d'assainissement agréé mandaté par la S.P.G.E. peuvent avoir recours à tous les moyens de preuve admis par le droit commun.
[2 Ils sont habilités à prendre, rechercher ou recueillir tous renseignements propres à assurer l'exacte perception du coût-vérité d'assainissement industriel. Ils peuvent à cette fin se faire assister par un fonctionnaire du Gouvernement wallon visé à l'article 12ter du décret du 6 mai 1999 ou par un agent désigné en vertu de l'article D.140 du Livre Ier du Code de l'Environnement. Les prélèvements et analyses sont réalisés par un laboratoire agréé par le Gouvernement wallon en vertu de l'article D.147 du Livre Ier du Code de l'Environnement ou par le laboratoire de référence de la Région wallonne. L'entreprise assure l'accès à la chambre et aux dispositifs de contrôle du ou des déversements des eaux usées industrielles. Lorsqu'à la suite de campagnes de relevés ou de résultats d'analyses obtenus par la S.P.G.E., l'Administration ou par les fonctionnaires ou agents précités en vue de déterminer les valeurs moyennes, il est tenu compte pour déterminer le coût d'assainissement industriel d'une moyenne des résultats des analyses respectives. Le Gouvernement est habilité à déterminer les modalités d'application de cette moyenne sur base de la pondération des valeurs moyennes des résultats utilisés par la S.P.G.E. et par l'entreprise, de leurs écarts-type et du nombre d'échantillons annuels.]2
Lorsque l'entreprise rejetant des eaux usées industrielles reste en défaut de communiquer à la S.P.G.E., les valeurs des paramètres à prendre en compte, celle-ci peut procéder ou faire procéder à des prélèvements et analyses destinés à établir ces valeurs, les frais qui en résultent étant portés à charge de l'entreprise. A défaut d'analyses, la charge prise en compte pour le calcul du coût vérité d'assainissement industriel est estimée sur base des informations pertinentes disponibles.
La S.P.G.E. peut, sur demande du Gouvernement wallon, résilier les contrats de service par catégorie d'industriels, sans indemnité et moyennant un préavis de 12 mois.
§ 4. La S.P.G.E. ou l'exploitant de l'infrastructure publique d'assainissement peuvent interrompre ou limiter l'assainissement chaque fois que des travaux de réparation, de rénovation, de modification, de déplacement, d'entretien ou d'exploitation le justifient.
L'exploitant s'efforcera dans ces cas de limiter le nombre de coupures et leur durée à un minimum. Les entreprises déversant des eaux usées industrielles concernées sont informées des travaux au plus tard cinq jours ouvrables avant leur début.
Dans les cas d'urgences ou d'interruptions de moins d'une heure, les entreprises déversant des eaux usées industrielles concernées sont informées des travaux dans un délai raisonnable avant leur début. Des mesures conservatoires ou destinées à réduire les dommages peuvent être mises en oeuvre avant leur notification aux entreprises déversant des eaux usées industrielles concernées.
Lors des suspensions ou des arrêts du service pour cause d'intérêt général, suite aux cas de force majeure ou à la mise en demeure de l'entreprise déversant des eaux usées industrielles, la S.P.G.E. ou l'exploitant ne sont pas tenus de payer un dédommagement ou une compensation.
§ 5. En vue de favoriser la bonne gestion des eaux usées industrielles, le Gouvernement wallon peut autoriser le transfert à la S.P.G.E. d'un bien immobilier situé en zone d'activité économique ou d'une partie d'un tel bien immobilier, en pleine propriété ou en sous-sol, après accord de la S.P.G.E. et sans remboursement de l'aide ou du subside octroyés par le décret du 11 mars 2004 relatif aux infrastructures d'accueil des activités économiques. L'ouvrage d'assainissement est mis aux normes par le cédant.]1
La charge polluante à prendre en considération est celle des eaux usées industrielles déversées au cours de l'année qui précède l'année de taxation.
§ 2. L'entreprise qui rejette des eaux usées industrielles dans une station d'épuration publique conclut un contrat de service d'assainissement industriel. Elle est redevable du coût assainissement industriel pour la fraction d'eaux usées ainsi rejetée prévu par ce contrat.
L'entreprise ayant conclu un contrat de service d'assainissement industriel est exemptée de la taxe annuelle sur les déversements d'eaux usées industrielles visée au paragraphe 1er [2 et soumise au paiement du coût assainissement industriel au 1er janvier de l'année suivant la date de signature du contrat [3 , pour tous les rejets d'eaux usées industrielles dans une station d'épuration publique]3]2.
[4 Lorsque l'entreprise s'est vu délivrer un permis pour une nouvelle implantation, après le 1er janvier 2019, le contrat de service industriel peut être conclu et entrer en vigueur en même temps et l'exemption de la taxe relative aux eaux usées industrielles vaut dès ce moment.]4
§ 3. Le Gouvernement adopte le modèle de contrat de service d'assainissement industriel.
Le contrat mentionne au moins les éléments suivants :
1) la définition des services de collecte et d'épuration des eaux industrielles fournis par la S.P.G.E. ou par les organismes d'assainissement agréés;
2) la quantité estimée et la nature des eaux rejetées par l'industriel dans le réseau ou la station faisant l'objet d'un accord entre parties;
3) les modalités de calcul du prix du coût d'assainissement industriel visé à l'article D.2, 20° bis;
4) [2 ...]2
5) les sanctions prévues en cas de non-respect par les parties de leurs obligations;
6) les causes qui permettent de mettre fin au contrat et les conséquences de la fin éventuelle du contrat;
7) les exceptions ou dérogations éventuelles au principe selon lequel le contrat est conclu pour une durée indéterminée.
[5 8) Les droits et obligations réciproques du contrat perdurent en cas de cession, transfert ou délégation d'activités à une autre personne.]5
Tenant compte des effets sociaux, environnementaux et économiques de la récupération des coûts des services, le coût assainissement industriel est égal au coût-vérité d'assainissement industriel ou à l'équivalent de la taxe sur les déversements d'eaux usées industrielles si ledit coût-vérité est supérieur à celle-ci.
[2 L'Administration ou la S.P.G.E. peuvent effectuer ou faire effectuer un relevé de l'effluent industriel afin d'établir ou de confirmer la taxe ou le coût d'assainissement industriel.]2
Pour établir l'existence et le montant du C.A.I., la S.P.G.E. ou l'organisme d'assainissement agréé mandaté par la S.P.G.E. peuvent avoir recours à tous les moyens de preuve admis par le droit commun.
[2 Ils sont habilités à prendre, rechercher ou recueillir tous renseignements propres à assurer l'exacte perception du coût-vérité d'assainissement industriel. Ils peuvent à cette fin se faire assister par un fonctionnaire du Gouvernement wallon visé à l'article 12ter du décret du 6 mai 1999 ou par un agent désigné en vertu de l'article D.140 du Livre Ier du Code de l'Environnement. Les prélèvements et analyses sont réalisés par un laboratoire agréé par le Gouvernement wallon en vertu de l'article D.147 du Livre Ier du Code de l'Environnement ou par le laboratoire de référence de la Région wallonne. L'entreprise assure l'accès à la chambre et aux dispositifs de contrôle du ou des déversements des eaux usées industrielles. Lorsqu'à la suite de campagnes de relevés ou de résultats d'analyses obtenus par la S.P.G.E., l'Administration ou par les fonctionnaires ou agents précités en vue de déterminer les valeurs moyennes, il est tenu compte pour déterminer le coût d'assainissement industriel d'une moyenne des résultats des analyses respectives. Le Gouvernement est habilité à déterminer les modalités d'application de cette moyenne sur base de la pondération des valeurs moyennes des résultats utilisés par la S.P.G.E. et par l'entreprise, de leurs écarts-type et du nombre d'échantillons annuels.]2
Lorsque l'entreprise rejetant des eaux usées industrielles reste en défaut de communiquer à la S.P.G.E., les valeurs des paramètres à prendre en compte, celle-ci peut procéder ou faire procéder à des prélèvements et analyses destinés à établir ces valeurs, les frais qui en résultent étant portés à charge de l'entreprise. A défaut d'analyses, la charge prise en compte pour le calcul du coût vérité d'assainissement industriel est estimée sur base des informations pertinentes disponibles.
La S.P.G.E. peut, sur demande du Gouvernement wallon, résilier les contrats de service par catégorie d'industriels, sans indemnité et moyennant un préavis de 12 mois.
§ 4. La S.P.G.E. ou l'exploitant de l'infrastructure publique d'assainissement peuvent interrompre ou limiter l'assainissement chaque fois que des travaux de réparation, de rénovation, de modification, de déplacement, d'entretien ou d'exploitation le justifient.
L'exploitant s'efforcera dans ces cas de limiter le nombre de coupures et leur durée à un minimum. Les entreprises déversant des eaux usées industrielles concernées sont informées des travaux au plus tard cinq jours ouvrables avant leur début.
Dans les cas d'urgences ou d'interruptions de moins d'une heure, les entreprises déversant des eaux usées industrielles concernées sont informées des travaux dans un délai raisonnable avant leur début. Des mesures conservatoires ou destinées à réduire les dommages peuvent être mises en oeuvre avant leur notification aux entreprises déversant des eaux usées industrielles concernées.
Lors des suspensions ou des arrêts du service pour cause d'intérêt général, suite aux cas de force majeure ou à la mise en demeure de l'entreprise déversant des eaux usées industrielles, la S.P.G.E. ou l'exploitant ne sont pas tenus de payer un dédommagement ou une compensation.
§ 5. En vue de favoriser la bonne gestion des eaux usées industrielles, le Gouvernement wallon peut autoriser le transfert à la S.P.G.E. d'un bien immobilier situé en zone d'activité économique ou d'une partie d'un tel bien immobilier, en pleine propriété ou en sous-sol, après accord de la S.P.G.E. et sans remboursement de l'aide ou du subside octroyés par le décret du 11 mars 2004 relatif aux infrastructures d'accueil des activités économiques. L'ouvrage d'assainissement est mis aux normes par le cédant.]1
Wijzigingen
Art. D261. [1 Het basisbedrag van de belasting per eenheid verontreinigende stoffen van het geloosde industriële afvalwater, hierna eenheidsbelasting genoemd, wordt vastgesteld op :
1° 13 euro van 1 januari 2015 tot 31 december 2025;
2° 25,48 euro vanaf 1 januari 2016.]1
1° 13 euro van 1 januari 2015 tot 31 december 2025;
2° 25,48 euro vanaf 1 januari 2016.]1
Art. D261. [1 Le taux de base de la taxe par unité de charge polluante des eaux usées industrielles déversées, ci-après dénommée taxe unitaire, est fixé à :
1° 13 euros du 1er janvier 2015 au 31 décembre 2025 ;
2° 25,48 euros à partir du 1er janvier 2026.]1
1° 13 euros du 1er janvier 2015 au 31 décembre 2025 ;
2° 25,48 euros à partir du 1er janvier 2026.]1
Wijzigingen
Art. D262. [1 De hoeveelheid verontreinigende stoffen van het geloosde industriële afvalwater wordt berekend aan de hand van de volgende formule:
"N = N1 + N2 + N3 + N4 + N5"
Waarbij:
1° "N" = het totale aantal eenheden verontreinigende stoffen;
2° "N1 = (Q/180)*[a + (0.35*MS/500) + (0.45*D.C.O./525)]*(0.4 + 0.6 d)"
Waarbij:
a) [2 "N2" = het aantal eenheden verontreinnigende stoffen verbonden aan de aanwezigheid van zware metalen. De te bepalen metalen zijn " totale metalen ";]2
b) "Q" = het dagelijkse gemiddelde volume industrieel afvalwater, exclusief koelwater, uitgedrukt in liter, geloosd door de onderneming tijdens de drukste maand van het jaar. Het gemiddelde volume is het resultaat van de deling van het maandelijkse volume door het aantal lozingsdagen tijdens de drukste maand;
c) "MS" = het gehalte aan zwevende stoffen, uitgedrukt in mg/l, van het ruwe water waarop Q betrekking heeft;
d) "COD" = het chemische zuurstofverbruik, uitgedrukt in mg/l, van het water waarop Q betrekking heeft na bezinking van twee uren;
e) "a" = een coëfficiënt met als waarde 0,2, behalve als het water rechtstreeks in het oppervlaktewater wordt geloosd; dan is de waarde gelijk aan 0;
f) "d" = de verbeterende factor resulterende uit een breuk met als noemer 225 en als teller het aantal dagen gedurende dewelke het afvalwater wordt geloosd; die factor wordt in aanmerking genomen voor de seizoensgebonden of periodieke activiteiten waarvoor kan worden bewezen dat gedurende minder dan 225 kalenderdagen per jaar afvalwater wordt geloosd; in de andere gevallen is de factor gelijk aan 1.
3° "N2 = [Q1 (Xi + 0,2 Yi + 10 Zi)]/500"
Waarbij:
a) [3 "N2" = het aantal eenheden verontreinnigende stoffen te wijten aan de aanwezigheid van zware metalen. De te doseren metalen zijn "totale metalen";]3
b) "Q1" = het jaarlijkse volume industrieel afvalwater, exclusief koelwater, uitgedrukt in m3, dat tijdens het jaar is geloosd;
c) "Xi" = de som van de gemiddelde arsenicum-, chroom-, koper-, nikkel-, lood-, zilverconcentraties, gemeten in het water waarop Q1 betrekking heeft en uitgedrukt in mg/l;
d) "Yi" = de gemiddelde zinkconcentratie, gemeten in het water waarop Q1 betrekking heeft en uitgedrukt in mg/l;
e) "Zi" = de som van de gemiddelde cadmium-, kwik-, nikkel- en loodconcentraties, gemeten in het water waarop Q1 betrekking heeft en uitgedrukt in mg/l;
4° "N3 = (Q1 (N + P))/10.000"
Waarbij:
a) "N3" = het aantal eenheden verontreinigende stoffen verbonden aan de aanwezigheid van voedingsstoffen;
b) "Q1" = het jaarlijkse volume industrieel afvalwater, exclusief koelwater, uitgedrukt in m3, dat tijdens het jaar is geloosd;
c) "N" = de gemiddelde concentratie van totale stikstof, gemeten in het afvalwater waarop Q1 betrekking heeft en uitgedrukt in mgN/l;
d) "P"= de gemiddelde concentratie van totaal fosfor, gemeten in het afvalwater waarop Q1 betrekking heeft en uitgedrukt in mg P/l;
5° "N4" = 0,2.Q2 dt/10.000" :
Waarbij :
a) "N4" = het aantal eenheden verontreinigende stoffen verbonden aan het temperatuurverschil tussen het geloosde afvalwater en het ontvangende oppervlaktewater;
b) "Q2" = het door het bedrijf jaarlijks geloosde volume koelwater, uitgedrukt in m3;
c) "dt" = het gemiddelde temperatuurverschil, uitgedrukt in C°, tussen het opgevangen en het geloosde water waarop Q2 betrekking heeft;
d) "N4" enkel in aanmerking wordt genomen indien Q2 dt of groter dan of gelijk is aan 1 000 000.
6° "N5 = e.(Q1.TU)/1000" :
Waarbij:
a) "N5" = het aantal eenheden verontreinigende stoffen verbonden aan het toxiciteitsniveau;
b) [3 "e" = een verminderingscoëfficiënt dat een evolutief karakter moet geven aan de introductie van de ecotoxicologie. De coëfficiënt "e" is gelijk aan 0 tot 31 december 2016.
Vanaf 1 januari 2017 is de coëfficiënt gelijk aan 0,25.
Vanaf 1 januari 2018 is de coëfficiënt gelijk aan 0,50.
Vanaf 1 januari 2019 is de coëfficiënt gelijk aan 1;]3
c) "Q1" = het jaarlijkse geloosde volume industrieel afvalwater, exclusief koelwater, uitgedrukt in m3;
d) " TU " zijn de toxiciteitseenheden voor 1 kubieke meter, uitgedrukt in equitox, en zijn gelijk aan
100
Ec50- 24 h'
e) EC50-24uur = de concentratie met een immobibilisatie-effect op de helft van de bevolking van "daphnia Magna" (microschaaldieren van zoetwater) na 24uur blootstelling aan het afvalwater, waarbij haar waarde uitgedrukt wordt in percentage afvalwater dat aan de proef wordt onderworpen.
Wanneer de EC50-24uur-waarde bedoeld in het tweede lid, 6°, e) hoger is dan 100 %, wordt het afvalwater als niet-giftig beschouwd (TU = 0).
De Regering bepaalt de activiteitssectoren onderworpen aan de toepassing van "N5", bedoeld in het tweede lid, 6°, a), naar gelang van de karakterisering van de lozingen en bepaalt er de analysemodaliteiten van.]1
[3 De belastingsdrempel voor de parameter N5 is bereikt als het aantal vuilvrachteenheden i.v.m. de toxiciteitsgraad hoger dan of gelijk is aan vijftig kilo-equitox per jaar.]3
"N = N1 + N2 + N3 + N4 + N5"
Waarbij:
1° "N" = het totale aantal eenheden verontreinigende stoffen;
2° "N1 = (Q/180)*[a + (0.35*MS/500) + (0.45*D.C.O./525)]*(0.4 + 0.6 d)"
Waarbij:
a) [2 "N2" = het aantal eenheden verontreinnigende stoffen verbonden aan de aanwezigheid van zware metalen. De te bepalen metalen zijn " totale metalen ";]2
b) "Q" = het dagelijkse gemiddelde volume industrieel afvalwater, exclusief koelwater, uitgedrukt in liter, geloosd door de onderneming tijdens de drukste maand van het jaar. Het gemiddelde volume is het resultaat van de deling van het maandelijkse volume door het aantal lozingsdagen tijdens de drukste maand;
c) "MS" = het gehalte aan zwevende stoffen, uitgedrukt in mg/l, van het ruwe water waarop Q betrekking heeft;
d) "COD" = het chemische zuurstofverbruik, uitgedrukt in mg/l, van het water waarop Q betrekking heeft na bezinking van twee uren;
e) "a" = een coëfficiënt met als waarde 0,2, behalve als het water rechtstreeks in het oppervlaktewater wordt geloosd; dan is de waarde gelijk aan 0;
f) "d" = de verbeterende factor resulterende uit een breuk met als noemer 225 en als teller het aantal dagen gedurende dewelke het afvalwater wordt geloosd; die factor wordt in aanmerking genomen voor de seizoensgebonden of periodieke activiteiten waarvoor kan worden bewezen dat gedurende minder dan 225 kalenderdagen per jaar afvalwater wordt geloosd; in de andere gevallen is de factor gelijk aan 1.
3° "N2 = [Q1 (Xi + 0,2 Yi + 10 Zi)]/500"
Waarbij:
a) [3 "N2" = het aantal eenheden verontreinnigende stoffen te wijten aan de aanwezigheid van zware metalen. De te doseren metalen zijn "totale metalen";]3
b) "Q1" = het jaarlijkse volume industrieel afvalwater, exclusief koelwater, uitgedrukt in m3, dat tijdens het jaar is geloosd;
c) "Xi" = de som van de gemiddelde arsenicum-, chroom-, koper-, nikkel-, lood-, zilverconcentraties, gemeten in het water waarop Q1 betrekking heeft en uitgedrukt in mg/l;
d) "Yi" = de gemiddelde zinkconcentratie, gemeten in het water waarop Q1 betrekking heeft en uitgedrukt in mg/l;
e) "Zi" = de som van de gemiddelde cadmium-, kwik-, nikkel- en loodconcentraties, gemeten in het water waarop Q1 betrekking heeft en uitgedrukt in mg/l;
4° "N3 = (Q1 (N + P))/10.000"
Waarbij:
a) "N3" = het aantal eenheden verontreinigende stoffen verbonden aan de aanwezigheid van voedingsstoffen;
b) "Q1" = het jaarlijkse volume industrieel afvalwater, exclusief koelwater, uitgedrukt in m3, dat tijdens het jaar is geloosd;
c) "N" = de gemiddelde concentratie van totale stikstof, gemeten in het afvalwater waarop Q1 betrekking heeft en uitgedrukt in mgN/l;
d) "P"= de gemiddelde concentratie van totaal fosfor, gemeten in het afvalwater waarop Q1 betrekking heeft en uitgedrukt in mg P/l;
5° "N4" = 0,2.Q2 dt/10.000" :
Waarbij :
a) "N4" = het aantal eenheden verontreinigende stoffen verbonden aan het temperatuurverschil tussen het geloosde afvalwater en het ontvangende oppervlaktewater;
b) "Q2" = het door het bedrijf jaarlijks geloosde volume koelwater, uitgedrukt in m3;
c) "dt" = het gemiddelde temperatuurverschil, uitgedrukt in C°, tussen het opgevangen en het geloosde water waarop Q2 betrekking heeft;
d) "N4" enkel in aanmerking wordt genomen indien Q2 dt of groter dan of gelijk is aan 1 000 000.
6° "N5 = e.(Q1.TU)/1000" :
Waarbij:
a) "N5" = het aantal eenheden verontreinigende stoffen verbonden aan het toxiciteitsniveau;
b) [3 "e" = een verminderingscoëfficiënt dat een evolutief karakter moet geven aan de introductie van de ecotoxicologie. De coëfficiënt "e" is gelijk aan 0 tot 31 december 2016.
Vanaf 1 januari 2017 is de coëfficiënt gelijk aan 0,25.
Vanaf 1 januari 2018 is de coëfficiënt gelijk aan 0,50.
Vanaf 1 januari 2019 is de coëfficiënt gelijk aan 1;]3
c) "Q1" = het jaarlijkse geloosde volume industrieel afvalwater, exclusief koelwater, uitgedrukt in m3;
d) " TU " zijn de toxiciteitseenheden voor 1 kubieke meter, uitgedrukt in equitox, en zijn gelijk aan
100
Ec50- 24 h'
e) EC50-24uur = de concentratie met een immobibilisatie-effect op de helft van de bevolking van "daphnia Magna" (microschaaldieren van zoetwater) na 24uur blootstelling aan het afvalwater, waarbij haar waarde uitgedrukt wordt in percentage afvalwater dat aan de proef wordt onderworpen.
Wanneer de EC50-24uur-waarde bedoeld in het tweede lid, 6°, e) hoger is dan 100 %, wordt het afvalwater als niet-giftig beschouwd (TU = 0).
De Regering bepaalt de activiteitssectoren onderworpen aan de toepassing van "N5", bedoeld in het tweede lid, 6°, a), naar gelang van de karakterisering van de lozingen en bepaalt er de analysemodaliteiten van.]1
[3 De belastingsdrempel voor de parameter N5 is bereikt als het aantal vuilvrachteenheden i.v.m. de toxiciteitsgraad hoger dan of gelijk is aan vijftig kilo-equitox per jaar.]3
Art. D262. [1 La charge polluante des eaux usées industrielles déversées est calculée selon la formule suivante :
" N = N1 + N2 + N3 + N4 + N5 "
Où :
1° " N " est le nombre d'unités de charge polluante;
2° " N1 = (Q/180)*[a + (0.35*MS/500) + (0.45*D.C.O./525)]*(0.4 + 0.6 d) "
Où :
a) " N1 " est le nombre d'unités de charge polluante lié à la présence de matières en suspension et de matières oxydables;
b) " Q " est le volume moyen journalier, exprimé en litres, de l'eau usée industrielle déversée par l'entreprise au cours du mois de plus grande activité de l'année, exception faite des eaux de refroidissement. Le volume moyen est obtenu en divisant le volume mensuel par le nombre de jours de déversement au cours du mois de plus grande activité;
c) " MS " est la teneur en matières de suspension, exprimée en mg/l, de l'eau brute à laquelle se rapporte Q;
d) " D.C.O. " est la demande chimique en oxygène, exprimée en mg/l, de l'eau à laquelle se rapporte Q après décantation de deux heures;
e) " a " est un coefficient dont la valeur est égale à 0,2, sauf si les eaux sont directement déversées en eau de surface, auquel cas elle est égale à 0;
f) " d " est le facteur correcteur qui résulte de la fraction qui a pour dénominateur 225 et comme numérateur le nombre de jours pendant lesquels des eaux usées sont déversées; ce facteur est pris en compte pour les activités saisonnières ou intermittentes au cours desquelles il peut être prouvé que des eaux usées sont déversées pendant moins de 225 jours civils par an; Dans les autres cas, le facteur " d " est égal à 1;
3° " N2 = [Q1 (Xi + 0,2 Yi + 10 Zi)]/500 "
Où :
a) [3 "N2" est le nombre d'unités de charge polluante lié à la présence de métaux lourds. Les métaux à doser sont des "métaux totaux";]3
b) " Q1 " est le volume annuel exprimé en mètres cubes d'eau usée industrielle déversée au cours de l'année, exception faite des eaux de refroidissement;
c) " Xi " est la somme des concentrations moyennes mesurées dans l'eau à laquelle se rapporte Q1 des éléments suivants, exprimées en mg/l : arsenic, chrome, cuivre, argent;
d) " Yi " est la concentration moyenne en zinc mesurée dans l'eau à laquelle se rapporte Q1, exprimée en mg/l;
e) " Zi " est la somme des concentrations moyennes mesurées dans l'eau à laquelle se rapporte Q1 des éléments suivants, exprimées en mg/l : cadmium, mercure, nickel et plomb;
4° " N3 = (Q1 (N + P))/10.000 "
Où :
a) " N3 " est le nombre d'unités de charge polluante lié à la présence de nutriments;
b) " Q1 " est le volume annuel exprimé en mètres cubes d'eau usée industrielle déversée au cours de l'année, exception faite des eaux de refroidissement;
c) " N " est la concentration moyenne en azote total mesurée dans l'eau usée à laquelle se rapporte Q1 et exprimée en mgN/l;
d) " P " est la concentration moyenne en phosphore total mesurée dans l'eau usée à laquelle se rapporte Q1 et exprimée en mgP/l;
5° " N4 = 0,2.Q2 dt/10.000 " :
Où :
a) " N4 " est le nombre d'unités de charge polluante lié à la différence de température entre les eaux usées déversées et les eaux de surface réceptrices;
b) " Q2 " est le volume annuel, exprimé en mètres cubes, des eaux de refroidissement déversées par l'entreprise;
c) " dt " est l'écart moyen de température exprimé en degrés Celsius entre l'eau prélevée et l'eau déversée à laquelle se rapporte Q2;
d) " N4 " n'est pris en compte que si Q2 dt est supérieur ou égal à 1 000 000;
6° " N5 = e.(Q1.TU)/1000 " :
Où :
a) " N5 " est le nombre d'unités de charge polluante lié au degré de toxicité;
b) [3 "e" est un coefficient réducteur visant à donner un caractère évolutif à l'introduction de l'écotoxicologie. Le coefficient "e" est égal à 0 jusqu'au 31 décembre 2016.
A partir du 1er janvier 2017, le coefficient est égal à 0,25.
A partir du 1er janvier 2018, le coefficient est égal à 0,50.
A partir du 1er janvier 2019, le coefficient est égal à 1;]3
c) " Q1 " est le volume annuel, exprimé en mètres cubes de l'eau usée industrielle déversée à l'exception faite des eaux de refroidissement;
d) " TU " sont les unités de toxicité pour 1 mètre cube, exprimées en équitox, et sont égales à
100
EC50-24 h'
e) EC50-24 h est la concentration ayant un effet d'immobilisation sur la moitié de la population de " daphnia magna " (microcrustacé d'eau douce) après 24 h d'exposition à l'effluent, sa valeur étant exprimée en pourcentage d'effluent soumis à l'essai.
Lorsque la EC50-24 h, visée à l'alinéa 2, 6°, e) est supérieure à 100 pour cent, l'effluent est considéré comme non toxique (TU = 0).
Le Gouvernement détermine les secteurs d'activité soumis à l'application du N5, visé à l'alinéa 2, 6°, a) en fonction de la caractérisation des rejets et en arrête les modalités d'analyses.]1
[3 Le seuil de taxation pour le paramètre N5 est atteint si le nombre d'unités de charge polluante lié au degré de toxicité est supérieur ou égal à cinquante kilo-équitox par an.]3
" N = N1 + N2 + N3 + N4 + N5 "
Où :
1° " N " est le nombre d'unités de charge polluante;
2° " N1 = (Q/180)*[a + (0.35*MS/500) + (0.45*D.C.O./525)]*(0.4 + 0.6 d) "
Où :
a) " N1 " est le nombre d'unités de charge polluante lié à la présence de matières en suspension et de matières oxydables;
b) " Q " est le volume moyen journalier, exprimé en litres, de l'eau usée industrielle déversée par l'entreprise au cours du mois de plus grande activité de l'année, exception faite des eaux de refroidissement. Le volume moyen est obtenu en divisant le volume mensuel par le nombre de jours de déversement au cours du mois de plus grande activité;
c) " MS " est la teneur en matières de suspension, exprimée en mg/l, de l'eau brute à laquelle se rapporte Q;
d) " D.C.O. " est la demande chimique en oxygène, exprimée en mg/l, de l'eau à laquelle se rapporte Q après décantation de deux heures;
e) " a " est un coefficient dont la valeur est égale à 0,2, sauf si les eaux sont directement déversées en eau de surface, auquel cas elle est égale à 0;
f) " d " est le facteur correcteur qui résulte de la fraction qui a pour dénominateur 225 et comme numérateur le nombre de jours pendant lesquels des eaux usées sont déversées; ce facteur est pris en compte pour les activités saisonnières ou intermittentes au cours desquelles il peut être prouvé que des eaux usées sont déversées pendant moins de 225 jours civils par an; Dans les autres cas, le facteur " d " est égal à 1;
3° " N2 = [Q1 (Xi + 0,2 Yi + 10 Zi)]/500 "
Où :
a) [3 "N2" est le nombre d'unités de charge polluante lié à la présence de métaux lourds. Les métaux à doser sont des "métaux totaux";]3
b) " Q1 " est le volume annuel exprimé en mètres cubes d'eau usée industrielle déversée au cours de l'année, exception faite des eaux de refroidissement;
c) " Xi " est la somme des concentrations moyennes mesurées dans l'eau à laquelle se rapporte Q1 des éléments suivants, exprimées en mg/l : arsenic, chrome, cuivre, argent;
d) " Yi " est la concentration moyenne en zinc mesurée dans l'eau à laquelle se rapporte Q1, exprimée en mg/l;
e) " Zi " est la somme des concentrations moyennes mesurées dans l'eau à laquelle se rapporte Q1 des éléments suivants, exprimées en mg/l : cadmium, mercure, nickel et plomb;
4° " N3 = (Q1 (N + P))/10.000 "
Où :
a) " N3 " est le nombre d'unités de charge polluante lié à la présence de nutriments;
b) " Q1 " est le volume annuel exprimé en mètres cubes d'eau usée industrielle déversée au cours de l'année, exception faite des eaux de refroidissement;
c) " N " est la concentration moyenne en azote total mesurée dans l'eau usée à laquelle se rapporte Q1 et exprimée en mgN/l;
d) " P " est la concentration moyenne en phosphore total mesurée dans l'eau usée à laquelle se rapporte Q1 et exprimée en mgP/l;
5° " N4 = 0,2.Q2 dt/10.000 " :
Où :
a) " N4 " est le nombre d'unités de charge polluante lié à la différence de température entre les eaux usées déversées et les eaux de surface réceptrices;
b) " Q2 " est le volume annuel, exprimé en mètres cubes, des eaux de refroidissement déversées par l'entreprise;
c) " dt " est l'écart moyen de température exprimé en degrés Celsius entre l'eau prélevée et l'eau déversée à laquelle se rapporte Q2;
d) " N4 " n'est pris en compte que si Q2 dt est supérieur ou égal à 1 000 000;
6° " N5 = e.(Q1.TU)/1000 " :
Où :
a) " N5 " est le nombre d'unités de charge polluante lié au degré de toxicité;
b) [3 "e" est un coefficient réducteur visant à donner un caractère évolutif à l'introduction de l'écotoxicologie. Le coefficient "e" est égal à 0 jusqu'au 31 décembre 2016.
A partir du 1er janvier 2017, le coefficient est égal à 0,25.
A partir du 1er janvier 2018, le coefficient est égal à 0,50.
A partir du 1er janvier 2019, le coefficient est égal à 1;]3
c) " Q1 " est le volume annuel, exprimé en mètres cubes de l'eau usée industrielle déversée à l'exception faite des eaux de refroidissement;
d) " TU " sont les unités de toxicité pour 1 mètre cube, exprimées en équitox, et sont égales à
100
EC50-24 h'
e) EC50-24 h est la concentration ayant un effet d'immobilisation sur la moitié de la population de " daphnia magna " (microcrustacé d'eau douce) après 24 h d'exposition à l'effluent, sa valeur étant exprimée en pourcentage d'effluent soumis à l'essai.
Lorsque la EC50-24 h, visée à l'alinéa 2, 6°, e) est supérieure à 100 pour cent, l'effluent est considéré comme non toxique (TU = 0).
Le Gouvernement détermine les secteurs d'activité soumis à l'application du N5, visé à l'alinéa 2, 6°, a) en fonction de la caractérisation des rejets et en arrête les modalités d'analyses.]1
[3 Le seuil de taxation pour le paramètre N5 est atteint si le nombre d'unités de charge polluante lié au degré de toxicité est supérieur ou égal à cinquante kilo-équitox par an.]3
Art. D263. [1 § 1. [3 § 1. De waarden van de in artikel D.262 bedoelde parameters zijn de in de milieuvergunning van de belastingplichtige vermelde maximale waarden, voor zover zij erin vermeld staan en de belastingplichtige de bewoordingen van de milieuvergunning of de werkelijke gemiddelde waarden in acht neemt, die bepaald zijn door een laboratorium erkend door de Regering overeenkomstig artikel D.147, Boek I, van het Milieuwetboek, of door het referentielaboratorium van het Waalse Gewest, volgens de voorschriften en onder het toezicht van de Administratie.
Als de belastingplichtige de in aanmerking te nemen parameterwaarden verzuimt mede te delen aan de Administratie of aan de "S.P.G.E." voor de ondernemingen die een industrieel saneringscontract hebben gesloten, gaat bedoelde Administratie tot monsternemingen en analyses over of laat ze daartoe overgaan om die waarden te bepalen, waarbij de daaruit voortvloeiende kosten ten laste komen van de belastingplichtige.
Onverminderd wat voorafgaat, kan de Administratie of de "S.P.G.E." voor de ondernemingen die een industrieel saneringscontract hebben gesloten, opmetingscampagnes organiseren om de gemiddelde waarden van de belastingsparameters te bepalen. Daartoe verleent ze machtiging aan een laboratorium dat door de Waalse Regering is erkend krachtens artikel D.147 van Boek I van het Milieuwetboek of aan het referentielaboratorium van het Waalse Gewest. De Regering is bevoegd om de modaliteiten te bepalen voor de te verrichten debietmetingen en monsternemingen ten einde zich te vergewissen van de goede representativiteit ervan. De belastingplichtige verleent toegang tot de kamers en de voorzieningen voor de controle op de lozing(en) van het industriële afvalwater.
Als de Administratie, na afloop van opmetingscampagnes of op grond van analyseresultaten verkregen door andere diensten van de Waalse Regering, de belasting vastlegt ingevolge een procedure tot rechtzetting van de aangifte van de belastingplichtige of van een procedure tot belasting van ambtswege, wordt er rekening gehouden met een gemiddelde van de resultaten van de door de belastingplichtige eventueel uitgevoerde analyses en van de resultaten van analyses verkregen tijdens de opmetingscampagnes. Voor de ondernemingen die een dienstovereenkomst inzake industriële sanering hebben gesloten bij gebrek aan gegevens waarmee de waarde van de parameters kan worden bepaald, stelt de "S.P.G.E." de kosten van de industriële sanering vast op basis van een gemiddelde van de resultaten van de uitgevoerde analyses.
De Regering is bevoegd om de modaliteiten voor de toepassing van dat gemiddelde te bepalen op basis van de weging van de gemiddelde waarden van de resultaten gebruikt door de Administratie of de " S.P.G.E." voor de ondernemingen die een industrieel saneringscontract hebben gesloten, en door de belastingplichtige, en van de type-afwijkingen ervan en van het aantal jaarlijkse monsters.
De Regering stelt de technische modaliteiten vast voor de bepaling van de waarden van de in artikel D.262 bedoelde parameters.]3
§ 2. Van de in het geloosde afvalwater gemeten waarden van de parameters MS, COD, Xi, Yi, Zi, N en P kan de belastingplichtige overeenstemmende waarden aftrekken die, overeenkomstig de hem bepaalde voorschriften en onder toezicht van het Bestuur, op zijn kosten worden gemeten door een door de Regering erkend laboratorium.
De aftrek gebeurt afzonderlijk en mag niet tot gevolg hebben dat de waarden van bepaalde parameters negatief worden.]1
Als de belastingplichtige de in aanmerking te nemen parameterwaarden verzuimt mede te delen aan de Administratie of aan de "S.P.G.E." voor de ondernemingen die een industrieel saneringscontract hebben gesloten, gaat bedoelde Administratie tot monsternemingen en analyses over of laat ze daartoe overgaan om die waarden te bepalen, waarbij de daaruit voortvloeiende kosten ten laste komen van de belastingplichtige.
Onverminderd wat voorafgaat, kan de Administratie of de "S.P.G.E." voor de ondernemingen die een industrieel saneringscontract hebben gesloten, opmetingscampagnes organiseren om de gemiddelde waarden van de belastingsparameters te bepalen. Daartoe verleent ze machtiging aan een laboratorium dat door de Waalse Regering is erkend krachtens artikel D.147 van Boek I van het Milieuwetboek of aan het referentielaboratorium van het Waalse Gewest. De Regering is bevoegd om de modaliteiten te bepalen voor de te verrichten debietmetingen en monsternemingen ten einde zich te vergewissen van de goede representativiteit ervan. De belastingplichtige verleent toegang tot de kamers en de voorzieningen voor de controle op de lozing(en) van het industriële afvalwater.
Als de Administratie, na afloop van opmetingscampagnes of op grond van analyseresultaten verkregen door andere diensten van de Waalse Regering, de belasting vastlegt ingevolge een procedure tot rechtzetting van de aangifte van de belastingplichtige of van een procedure tot belasting van ambtswege, wordt er rekening gehouden met een gemiddelde van de resultaten van de door de belastingplichtige eventueel uitgevoerde analyses en van de resultaten van analyses verkregen tijdens de opmetingscampagnes. Voor de ondernemingen die een dienstovereenkomst inzake industriële sanering hebben gesloten bij gebrek aan gegevens waarmee de waarde van de parameters kan worden bepaald, stelt de "S.P.G.E." de kosten van de industriële sanering vast op basis van een gemiddelde van de resultaten van de uitgevoerde analyses.
De Regering is bevoegd om de modaliteiten voor de toepassing van dat gemiddelde te bepalen op basis van de weging van de gemiddelde waarden van de resultaten gebruikt door de Administratie of de " S.P.G.E." voor de ondernemingen die een industrieel saneringscontract hebben gesloten, en door de belastingplichtige, en van de type-afwijkingen ervan en van het aantal jaarlijkse monsters.
De Regering stelt de technische modaliteiten vast voor de bepaling van de waarden van de in artikel D.262 bedoelde parameters.]3
§ 2. Van de in het geloosde afvalwater gemeten waarden van de parameters MS, COD, Xi, Yi, Zi, N en P kan de belastingplichtige overeenstemmende waarden aftrekken die, overeenkomstig de hem bepaalde voorschriften en onder toezicht van het Bestuur, op zijn kosten worden gemeten door een door de Regering erkend laboratorium.
De aftrek gebeurt afzonderlijk en mag niet tot gevolg hebben dat de waarden van bepaalde parameters negatief worden.]1
Art. D263. [1 § 1er. [3 Les valeurs des paramètres visés à l'article D.262 sont les valeurs maximales qui figurent dans le permis d'environnement du redevable, pour autant que celui-ci en comporte et que le redevable respecte les termes du permis d'environnement ou les valeurs moyennes réelles déterminées par un laboratoire agréé par le Gouvernement, en vertu de l'article D.147 du Livre Ier du Code de l'Environnement, ou par le laboratoire de référence de la Région wallonne, suivant les directives et sous le contrôle de l'Administration.
Lorsque le redevable reste en défaut de communiquer à l'Administration, ou à la S.P.G.E. pour les entreprises ayant conclu un contrat d'assainissement industriel, les valeurs des paramètres à prendre en compte, celle-ci procède ou fait procéder à des prélèvements et analyses destinés à établir ces valeurs, les frais qui en résultent sont portés à charge du redevable.
Sans préjudice de ce qui précède, l'Administration, ou la S.P.G.E. pour les entreprises ayant conclu un contrat d'assainissement industriel, peut organiser des campagnes de relevés afin de déterminer les valeurs moyennes des paramètres de taxation. A cette fin, elle mandate un laboratoire agréé par le Gouvernement wallon en vertu de l'article D.147 du Livre Ier du Code de l'Environnement ou le laboratoire de référence de la Région wallonne. Le Gouvernement est habilité à déterminer les modalités des mesures de débit et d'échantillonnages à effectuer pour s'assurer de leur bonne représentativité. Le redevable assure l'accès à la chambre et aux dispositifs de contrôle du ou des déversements des eaux usées industrielles.
Lorsqu'à la suite de campagnes de relevés ou de résultats d'analyses obtenus par d'autres services du Gouvernement wallon, l'Administration établit la taxation, à la suite d'une procédure de rectification de la déclaration du redevable ou d'une procédure de taxation d'office, sur base d'une moyenne des résultats des analyses éventuellement réalisées par le redevable et des résultats d'analyses obtenus lors des campagnes de relevés. Pour les entreprises ayant conclu un contrat de service d'assainissement industriel, en l'absence d'informations permettant de déterminer la valeur des paramètres, la SPGE établit le coût d'assainissement industriel, sur base d'une moyenne des résultats des analyses réalisées.
Le Gouvernement est habilité à déterminer les modalités d'application de cette moyenne sur base de la pondération des valeurs moyennes des résultats utilisés par l'Administration, ou la S.P.G.E. pour les entreprises ayant conclu un contrat d'assainissement industriel, et par le redevable, de leurs écarts-types et du nombre d'échantillons annuels.
Le Gouvernement fixe les modalités techniques de détermination des valeurs des paramètres visés à l'article D.262.]3
§ 2. Le redevable peut déduire des valeurs des paramètres MS, DCO, Xi, Yi, Zi, N et P mesurées sur les eaux usées déversées les valeurs correspondantes mesurées sur l'eau d'approvisionnement aux frais du redevable par un laboratoire d'analyses agréé par le Gouvernement conformément aux règles qu'il détermine, suivant les directives et sous le contrôle l'Administration.
La déduction se fait séparément pour chaque paramètre et n'a pas pour effet de rendre négatives les valeurs de certains paramètres.]1
Lorsque le redevable reste en défaut de communiquer à l'Administration, ou à la S.P.G.E. pour les entreprises ayant conclu un contrat d'assainissement industriel, les valeurs des paramètres à prendre en compte, celle-ci procède ou fait procéder à des prélèvements et analyses destinés à établir ces valeurs, les frais qui en résultent sont portés à charge du redevable.
Sans préjudice de ce qui précède, l'Administration, ou la S.P.G.E. pour les entreprises ayant conclu un contrat d'assainissement industriel, peut organiser des campagnes de relevés afin de déterminer les valeurs moyennes des paramètres de taxation. A cette fin, elle mandate un laboratoire agréé par le Gouvernement wallon en vertu de l'article D.147 du Livre Ier du Code de l'Environnement ou le laboratoire de référence de la Région wallonne. Le Gouvernement est habilité à déterminer les modalités des mesures de débit et d'échantillonnages à effectuer pour s'assurer de leur bonne représentativité. Le redevable assure l'accès à la chambre et aux dispositifs de contrôle du ou des déversements des eaux usées industrielles.
Lorsqu'à la suite de campagnes de relevés ou de résultats d'analyses obtenus par d'autres services du Gouvernement wallon, l'Administration établit la taxation, à la suite d'une procédure de rectification de la déclaration du redevable ou d'une procédure de taxation d'office, sur base d'une moyenne des résultats des analyses éventuellement réalisées par le redevable et des résultats d'analyses obtenus lors des campagnes de relevés. Pour les entreprises ayant conclu un contrat de service d'assainissement industriel, en l'absence d'informations permettant de déterminer la valeur des paramètres, la SPGE établit le coût d'assainissement industriel, sur base d'une moyenne des résultats des analyses réalisées.
Le Gouvernement est habilité à déterminer les modalités d'application de cette moyenne sur base de la pondération des valeurs moyennes des résultats utilisés par l'Administration, ou la S.P.G.E. pour les entreprises ayant conclu un contrat d'assainissement industriel, et par le redevable, de leurs écarts-types et du nombre d'échantillons annuels.
Le Gouvernement fixe les modalités techniques de détermination des valeurs des paramètres visés à l'article D.262.]3
§ 2. Le redevable peut déduire des valeurs des paramètres MS, DCO, Xi, Yi, Zi, N et P mesurées sur les eaux usées déversées les valeurs correspondantes mesurées sur l'eau d'approvisionnement aux frais du redevable par un laboratoire d'analyses agréé par le Gouvernement conformément aux règles qu'il détermine, suivant les directives et sous le contrôle l'Administration.
La déduction se fait séparément pour chaque paramètre et n'a pas pour effet de rendre négatives les valeurs de certains paramètres.]1
Art. D263 TOEKOMSTIG RECHT. [1 § 1. [3 § 1. De waarden van de in artikel D.262 bedoelde parameters zijn de in de milieuvergunning van de belastingplichtige vermelde maximale waarden, voor zover zij erin vermeld staan en de belastingplichtige de bewoordingen van de milieuvergunning of de werkelijke gemiddelde waarden in acht neemt, die bepaald zijn door een laboratorium erkend door de Regering overeenkomstig [4 artikel D.163]4, Boek I, van het Milieuwetboek, of door het referentielaboratorium van het Waalse Gewest, volgens de voorschriften en onder het toezicht van de Administratie.
Als de belastingplichtige de in aanmerking te nemen parameterwaarden verzuimt mede te delen aan de Administratie of aan de "S.P.G.E." voor de ondernemingen die een industrieel saneringscontract hebben gesloten, gaat bedoelde Administratie tot monsternemingen en analyses over of laat ze daartoe overgaan om die waarden te bepalen, waarbij de daaruit voortvloeiende kosten ten laste komen van de belastingplichtige.
Onverminderd wat voorafgaat, kan de Administratie of de "S.P.G.E." voor de ondernemingen die een industrieel saneringscontract hebben gesloten, opmetingscampagnes organiseren om de gemiddelde waarden van de belastingsparameters te bepalen. Daartoe verleent ze machtiging aan een laboratorium dat door de Waalse Regering is erkend krachtens [4 artikel D.163]4 van Boek I van het Milieuwetboek of aan het referentielaboratorium van het Waalse Gewest. De Regering is bevoegd om de modaliteiten te bepalen voor de te verrichten debietmetingen en monsternemingen ten einde zich te vergewissen van de goede representativiteit ervan. De belastingplichtige verleent toegang tot de kamers en de voorzieningen voor de controle op de lozing(en) van het industriële afvalwater.
Als de Administratie, na afloop van opmetingscampagnes of op grond van analyseresultaten verkregen door andere diensten van de Waalse Regering, de belasting vastlegt ingevolge een procedure tot rechtzetting van de aangifte van de belastingplichtige of van een procedure tot belasting van ambtswege, wordt er rekening gehouden met een gemiddelde van de resultaten van de door de belastingplichtige eventueel uitgevoerde analyses en van de resultaten van analyses verkregen tijdens de opmetingscampagnes. Voor de ondernemingen die een dienstovereenkomst inzake industriële sanering hebben gesloten bij gebrek aan gegevens waarmee de waarde van de parameters kan worden bepaald, stelt de "S.P.G.E." de kosten van de industriële sanering vast op basis van een gemiddelde van de resultaten van de uitgevoerde analyses.
De Regering is bevoegd om de modaliteiten voor de toepassing van dat gemiddelde te bepalen op basis van de weging van de gemiddelde waarden van de resultaten gebruikt door de Administratie of de " S.P.G.E." voor de ondernemingen die een industrieel saneringscontract hebben gesloten, en door de belastingplichtige, en van de type-afwijkingen ervan en van het aantal jaarlijkse monsters.
De Regering stelt de technische modaliteiten vast voor de bepaling van de waarden van de in artikel D.262 bedoelde parameters.]3
§ 2. Van de in het geloosde afvalwater gemeten waarden van de parameters MS, COD, Xi, Yi, Zi, N en P kan de belastingplichtige overeenstemmende waarden aftrekken die, overeenkomstig de hem bepaalde voorschriften en onder toezicht van het Bestuur, op zijn kosten worden gemeten door een door de Regering erkend laboratorium.
De aftrek gebeurt afzonderlijk en mag niet tot gevolg hebben dat de waarden van bepaalde parameters negatief worden.]1
Als de belastingplichtige de in aanmerking te nemen parameterwaarden verzuimt mede te delen aan de Administratie of aan de "S.P.G.E." voor de ondernemingen die een industrieel saneringscontract hebben gesloten, gaat bedoelde Administratie tot monsternemingen en analyses over of laat ze daartoe overgaan om die waarden te bepalen, waarbij de daaruit voortvloeiende kosten ten laste komen van de belastingplichtige.
Onverminderd wat voorafgaat, kan de Administratie of de "S.P.G.E." voor de ondernemingen die een industrieel saneringscontract hebben gesloten, opmetingscampagnes organiseren om de gemiddelde waarden van de belastingsparameters te bepalen. Daartoe verleent ze machtiging aan een laboratorium dat door de Waalse Regering is erkend krachtens [4 artikel D.163]4 van Boek I van het Milieuwetboek of aan het referentielaboratorium van het Waalse Gewest. De Regering is bevoegd om de modaliteiten te bepalen voor de te verrichten debietmetingen en monsternemingen ten einde zich te vergewissen van de goede representativiteit ervan. De belastingplichtige verleent toegang tot de kamers en de voorzieningen voor de controle op de lozing(en) van het industriële afvalwater.
Als de Administratie, na afloop van opmetingscampagnes of op grond van analyseresultaten verkregen door andere diensten van de Waalse Regering, de belasting vastlegt ingevolge een procedure tot rechtzetting van de aangifte van de belastingplichtige of van een procedure tot belasting van ambtswege, wordt er rekening gehouden met een gemiddelde van de resultaten van de door de belastingplichtige eventueel uitgevoerde analyses en van de resultaten van analyses verkregen tijdens de opmetingscampagnes. Voor de ondernemingen die een dienstovereenkomst inzake industriële sanering hebben gesloten bij gebrek aan gegevens waarmee de waarde van de parameters kan worden bepaald, stelt de "S.P.G.E." de kosten van de industriële sanering vast op basis van een gemiddelde van de resultaten van de uitgevoerde analyses.
De Regering is bevoegd om de modaliteiten voor de toepassing van dat gemiddelde te bepalen op basis van de weging van de gemiddelde waarden van de resultaten gebruikt door de Administratie of de " S.P.G.E." voor de ondernemingen die een industrieel saneringscontract hebben gesloten, en door de belastingplichtige, en van de type-afwijkingen ervan en van het aantal jaarlijkse monsters.
De Regering stelt de technische modaliteiten vast voor de bepaling van de waarden van de in artikel D.262 bedoelde parameters.]3
§ 2. Van de in het geloosde afvalwater gemeten waarden van de parameters MS, COD, Xi, Yi, Zi, N en P kan de belastingplichtige overeenstemmende waarden aftrekken die, overeenkomstig de hem bepaalde voorschriften en onder toezicht van het Bestuur, op zijn kosten worden gemeten door een door de Regering erkend laboratorium.
De aftrek gebeurt afzonderlijk en mag niet tot gevolg hebben dat de waarden van bepaalde parameters negatief worden.]1
Art. D263 DROIT FUTUR. [1 § 1er. [3 Les valeurs des paramètres visés à l'article D.262 sont les valeurs maximales qui figurent dans le permis d'environnement du redevable, pour autant que celui-ci en comporte et que le redevable respecte les termes du permis d'environnement ou les valeurs moyennes réelles déterminées par un laboratoire agréé par le Gouvernement, en vertu [4 de l'article D.163]4 du Livre Ier du Code de l'Environnement, ou par le laboratoire de référence de la Région wallonne, suivant les directives et sous le contrôle de l'Administration.
Lorsque le redevable reste en défaut de communiquer à l'Administration, ou à la S.P.G.E. pour les entreprises ayant conclu un contrat d'assainissement industriel, les valeurs des paramètres à prendre en compte, celle-ci procède ou fait procéder à des prélèvements et analyses destinés à établir ces valeurs, les frais qui en résultent sont portés à charge du redevable.
Sans préjudice de ce qui précède, l'Administration, ou la S.P.G.E. pour les entreprises ayant conclu un contrat d'assainissement industriel, peut organiser des campagnes de relevés afin de déterminer les valeurs moyennes des paramètres de taxation. A cette fin, elle mandate un laboratoire agréé par le Gouvernement wallon en vertu [4 de l'article D.163]4 du Livre Ier du Code de l'Environnement ou le laboratoire de référence de la Région wallonne. Le Gouvernement est habilité à déterminer les modalités des mesures de débit et d'échantillonnages à effectuer pour s'assurer de leur bonne représentativité. Le redevable assure l'accès à la chambre et aux dispositifs de contrôle du ou des déversements des eaux usées industrielles.
Lorsqu'à la suite de campagnes de relevés ou de résultats d'analyses obtenus par d'autres services du Gouvernement wallon, l'Administration établit la taxation, à la suite d'une procédure de rectification de la déclaration du redevable ou d'une procédure de taxation d'office, sur base d'une moyenne des résultats des analyses éventuellement réalisées par le redevable et des résultats d'analyses obtenus lors des campagnes de relevés. Pour les entreprises ayant conclu un contrat de service d'assainissement industriel, en l'absence d'informations permettant de déterminer la valeur des paramètres, la SPGE établit le coût d'assainissement industriel, sur base d'une moyenne des résultats des analyses réalisées.
Le Gouvernement est habilité à déterminer les modalités d'application de cette moyenne sur base de la pondération des valeurs moyennes des résultats utilisés par l'Administration, ou la S.P.G.E. pour les entreprises ayant conclu un contrat d'assainissement industriel, et par le redevable, de leurs écarts-types et du nombre d'échantillons annuels.
Le Gouvernement fixe les modalités techniques de détermination des valeurs des paramètres visés à l'article D.262.]3
§ 2. Le redevable peut déduire des valeurs des paramètres MS, DCO, Xi, Yi, Zi, N et P mesurées sur les eaux usées déversées les valeurs correspondantes mesurées sur l'eau d'approvisionnement aux frais du redevable par un laboratoire d'analyses agréé par le Gouvernement conformément aux règles qu'il détermine, suivant les directives et sous le contrôle l'Administration.
La déduction se fait séparément pour chaque paramètre et n'a pas pour effet de rendre négatives les valeurs de certains paramètres.]1
Lorsque le redevable reste en défaut de communiquer à l'Administration, ou à la S.P.G.E. pour les entreprises ayant conclu un contrat d'assainissement industriel, les valeurs des paramètres à prendre en compte, celle-ci procède ou fait procéder à des prélèvements et analyses destinés à établir ces valeurs, les frais qui en résultent sont portés à charge du redevable.
Sans préjudice de ce qui précède, l'Administration, ou la S.P.G.E. pour les entreprises ayant conclu un contrat d'assainissement industriel, peut organiser des campagnes de relevés afin de déterminer les valeurs moyennes des paramètres de taxation. A cette fin, elle mandate un laboratoire agréé par le Gouvernement wallon en vertu [4 de l'article D.163]4 du Livre Ier du Code de l'Environnement ou le laboratoire de référence de la Région wallonne. Le Gouvernement est habilité à déterminer les modalités des mesures de débit et d'échantillonnages à effectuer pour s'assurer de leur bonne représentativité. Le redevable assure l'accès à la chambre et aux dispositifs de contrôle du ou des déversements des eaux usées industrielles.
Lorsqu'à la suite de campagnes de relevés ou de résultats d'analyses obtenus par d'autres services du Gouvernement wallon, l'Administration établit la taxation, à la suite d'une procédure de rectification de la déclaration du redevable ou d'une procédure de taxation d'office, sur base d'une moyenne des résultats des analyses éventuellement réalisées par le redevable et des résultats d'analyses obtenus lors des campagnes de relevés. Pour les entreprises ayant conclu un contrat de service d'assainissement industriel, en l'absence d'informations permettant de déterminer la valeur des paramètres, la SPGE établit le coût d'assainissement industriel, sur base d'une moyenne des résultats des analyses réalisées.
Le Gouvernement est habilité à déterminer les modalités d'application de cette moyenne sur base de la pondération des valeurs moyennes des résultats utilisés par l'Administration, ou la S.P.G.E. pour les entreprises ayant conclu un contrat d'assainissement industriel, et par le redevable, de leurs écarts-types et du nombre d'échantillons annuels.
Le Gouvernement fixe les modalités techniques de détermination des valeurs des paramètres visés à l'article D.262.]3
§ 2. Le redevable peut déduire des valeurs des paramètres MS, DCO, Xi, Yi, Zi, N et P mesurées sur les eaux usées déversées les valeurs correspondantes mesurées sur l'eau d'approvisionnement aux frais du redevable par un laboratoire d'analyses agréé par le Gouvernement conformément aux règles qu'il détermine, suivant les directives et sous le contrôle l'Administration.
La déduction se fait séparément pour chaque paramètre et n'a pas pour effet de rendre négatives les valeurs de certains paramètres.]1
Art. D264. [1 Als het Bestuur de waarden van de parameters van de in artikel D.262 bepaalde formule niet kent en die parameters niet redelijkerwijs kan vaststellen op basis van de beoordelingselementen waarover het beschikt, of als technische of economische moeilijkheden de betrouwbare vaststelling van de reële gemiddelde waarden van die parameters in de weg staan, berekent het de hoeveelheid verontreinigende stoffen aan de hand van de in artikel D.265 bepaalde vereenvoudigde formule.]1
Art. D264. [1 Si les valeurs des paramètres repris dans la formule visée à l'article D.262 ne sont pas connues de l'Administration, et ne peuvent pas être raisonnablement évaluées par elle au départ des éléments d'appréciation dont elle dispose ou si la détermination fiable des valeurs moyennes réelles des paramètres se heurte à des difficultés d'ordre technique ou économique, l'Administration calcule la charge polluante au moyen de la formule simplifiée définie à l'article D.265.]1
Art. D265. [1 De vereenvoudigde formule van de hoeveelheid verontreinigende stoffen is de volgende :
"N = N1 + N2"
Waarbij:
1° "N" = het totale aantal eenheden verontreinigende stoffen;
2° "N1 = A C1/B":
Waarbij:
a) "N1" = het aantal eenheden verontreinigende stoffen verbonden aan de aanwezigheid van zwevende en oxydeerbare stoffen;
b) "A" = de jaarlijkse bedrijvigheid uitgedrukt overeenkomstig de gebruikte basis;
c) "B" = de basis vermeld in kolom 3 van de tabel in bijlage 1;
c) "C1" = de omzettingscoëfficiënt vermeld in kolom 4 van de tabel in bijlage I.
3° " N2 = (Q1. - Q2) C2 + Q2 C3 " :
Waarbij:
a) "N2" = het aantal eenheden verontreinigende stoffen verbonden aan de aanwezigheid van zware metalen, voedingsstoffen en koelwater;
b) "Q1" = het jaarlijkse volume van het geloosde industriële afvalwater, uitgedrukt in m3;
b) "Q2" = het jaarlijkse volume van het geloosde koelwater, uitgedrukt in m3;
d) "C2" = het 1/100ste behalve wanneer een andere omzettingscoëfficiënt wordt vermeld in kolom 5 van de tabel in bijlage 1.
e) "C3" = het 1/10 000ste;
f) Het product Q2 C3 wordt enkel in aanmerking genomen als Q2 groter dan of gelijk is aan 200 000 m3.]1
"N = N1 + N2"
Waarbij:
1° "N" = het totale aantal eenheden verontreinigende stoffen;
2° "N1 = A C1/B":
Waarbij:
a) "N1" = het aantal eenheden verontreinigende stoffen verbonden aan de aanwezigheid van zwevende en oxydeerbare stoffen;
b) "A" = de jaarlijkse bedrijvigheid uitgedrukt overeenkomstig de gebruikte basis;
c) "B" = de basis vermeld in kolom 3 van de tabel in bijlage 1;
c) "C1" = de omzettingscoëfficiënt vermeld in kolom 4 van de tabel in bijlage I.
3° " N2 = (Q1. - Q2) C2 + Q2 C3 " :
Waarbij:
a) "N2" = het aantal eenheden verontreinigende stoffen verbonden aan de aanwezigheid van zware metalen, voedingsstoffen en koelwater;
b) "Q1" = het jaarlijkse volume van het geloosde industriële afvalwater, uitgedrukt in m3;
b) "Q2" = het jaarlijkse volume van het geloosde koelwater, uitgedrukt in m3;
d) "C2" = het 1/100ste behalve wanneer een andere omzettingscoëfficiënt wordt vermeld in kolom 5 van de tabel in bijlage 1.
e) "C3" = het 1/10 000ste;
f) Het product Q2 C3 wordt enkel in aanmerking genomen als Q2 groter dan of gelijk is aan 200 000 m3.]1
Art. D265. [1 La formule simplifiée de la charge polluante est la suivante :
" N = N1 + N2 "
Où :
1° N est le nombre total d'unités de charge polluante;
2° " N1 = A C1/B " :
Où :
a) " N1 " est le nombre d'unités de charge polluante lié à la présence de matières en suspension et de matières oxydables;
b) " A " est l'activité annuelle exprimée selon la base utilisée;
c) " B " est la base mentionnée dans la colonne 3 du tableau figurant à l'annexe Ire;
d) " C1 " est le coefficient de conversion mentionné dans la colonne 4 du tableau figurant à l'annexe Ire.
3° " N2 = (Q1. - Q2) C2 + Q2 C3 " :
Où :
a) " N2 " est le nombre d'unités de charge polluante lié à la présence de métaux lourds, de nutriments et d'eaux de refroidissement;
b) " Q1 " est le volume annuel, exprimé en mètres cubes, de l'eau usée industrielle déversée;
c) " Q2 " est le volume annuel, exprimé en mètres cubes, de l'eau de refroidissement déversée;
d) " C2 " est 1/100 sauf si un autre coefficient de conversion est mentionné dans la colonne 5 du tableau figurant à l'annexe Ire;
e) " C3 " est 1/10 000;
f) Le produit Q2 C3 est pris uniquement en compte que si Q2 est supérieur ou égal à 200 000 mètres cubes.]1
" N = N1 + N2 "
Où :
1° N est le nombre total d'unités de charge polluante;
2° " N1 = A C1/B " :
Où :
a) " N1 " est le nombre d'unités de charge polluante lié à la présence de matières en suspension et de matières oxydables;
b) " A " est l'activité annuelle exprimée selon la base utilisée;
c) " B " est la base mentionnée dans la colonne 3 du tableau figurant à l'annexe Ire;
d) " C1 " est le coefficient de conversion mentionné dans la colonne 4 du tableau figurant à l'annexe Ire.
3° " N2 = (Q1. - Q2) C2 + Q2 C3 " :
Où :
a) " N2 " est le nombre d'unités de charge polluante lié à la présence de métaux lourds, de nutriments et d'eaux de refroidissement;
b) " Q1 " est le volume annuel, exprimé en mètres cubes, de l'eau usée industrielle déversée;
c) " Q2 " est le volume annuel, exprimé en mètres cubes, de l'eau de refroidissement déversée;
d) " C2 " est 1/100 sauf si un autre coefficient de conversion est mentionné dans la colonne 5 du tableau figurant à l'annexe Ire;
e) " C3 " est 1/10 000;
f) Le produit Q2 C3 est pris uniquement en compte que si Q2 est supérieur ou égal à 200 000 mètres cubes.]1
Art. D266. [1 § 1. De jaarlijkse belasting is het product van de vermenigvuldiging van de in artikel D.261 bedoelde eenheidsbelasting met het aantal N eenheden verontreinigende stoffen bepaald in artikel D.262 of in artikel D.265.
§ 2. Als verscheidene ondernemingen hun afvalwater gezamenlijk lozen of behandelen, wordt de belasting in gelijke aandelen onder hen verdeeld.
De in het eerste lid bedoelde ondernemingen moeten de bepalingen van de artikelen D.276 tot D.280 naleven.
De ondernemingen die hun hoeveelheid verontreinigende stoffen nauwkeurig kunnen bepalen, mogen echter afzonderlijk worden belast.
Het saldo van de belasting wordt dan door het Bestuur in gelijke aandelen verdeeld onder de overblijvende ondernemingen.]1
§ 2. Als verscheidene ondernemingen hun afvalwater gezamenlijk lozen of behandelen, wordt de belasting in gelijke aandelen onder hen verdeeld.
De in het eerste lid bedoelde ondernemingen moeten de bepalingen van de artikelen D.276 tot D.280 naleven.
De ondernemingen die hun hoeveelheid verontreinigende stoffen nauwkeurig kunnen bepalen, mogen echter afzonderlijk worden belast.
Het saldo van de belasting wordt dan door het Bestuur in gelijke aandelen verdeeld onder de overblijvende ondernemingen.]1
Art. D266. [1 § 1er. La taxe annuelle est le produit de la multiplication de la taxe unitaire visée à l'article D.261 par le nombre N d'unités de charge polluante déterminé conformément à l'article D.262 ou à l'article D.265.
§ 2. Dans le cas où plusieurs entreprises rejettent en commun leurs eaux usées ou effectuent un traitement en commun de celles-ci, la taxe est partagée en parts égales entre les entreprises.
Les entreprises visées à l'alinéa 1er sont tenues, chacune, au respect des dispositions des articles D.276 à D.280.
Cependant, les entreprises qui peuvent déterminer exactement leur charge polluante peuvent être taxées séparément.
Dans un tel cas, le reliquat de la taxe est réparti par l'Administration, en parts égales entre les entreprises restantes.]1
§ 2. Dans le cas où plusieurs entreprises rejettent en commun leurs eaux usées ou effectuent un traitement en commun de celles-ci, la taxe est partagée en parts égales entre les entreprises.
Les entreprises visées à l'alinéa 1er sont tenues, chacune, au respect des dispositions des articles D.276 à D.280.
Cependant, les entreprises qui peuvent déterminer exactement leur charge polluante peuvent être taxées séparément.
Dans un tel cas, le reliquat de la taxe est réparti par l'Administration, en parts égales entre les entreprises restantes.]1
Onderafdeling 3. [1 - Bijzondere bepalingen betreffende de lozingen van huishoudelijk afvalwater]1
Sous-section 3. [1 - Dispositions particulières relatives aux déversements d'eaux usées domestiques]1
Art. D267. [1 De jaarlijkse belasting op het lozen van huishoudelijk afvalwater is evenredig met het volume geloosd water, uitgedrukt in mü.
[10 De eenheidsbelasting per kubieke meter geloosd afvalwater, bedoeld in artikel D.259, 2°, wordt vastgelegd op :
- 1,935 euro van 1 januari 2015 tot 31 december 2015;
- 2,115 euro van 1 januari 2016 tot 31 december 2017;
- 2,365 euro vanaf 1 januari 2018;
- 2,698 euro vanaf 1 januari 2026.]10
[10 De eenheidsbelasting per kubieke meter geloosd afvalwater, bedoeld in artikel D.259, 2°, wordt vastgelegd op :
- 1,935 euro van 1 januari 2015 tot 31 december 2015;
- 2,115 euro van 1 januari 2016 tot 31 december 2017;
- 2,365 euro vanaf 1 januari 2018;
- 2,698 euro vanaf 1 januari 2026.]10
Wijzigingen
Art. D267. [1 La taxe annuelle sur les déversements d'eaux usées domestiques est proportionnelle au volume d'eau déversé, exprimé en mètres cubes.
[10 La taxe unitaire par mètre cube d'eau usée déversé, visée à l'article D.259, 2°, est fixée à :
- 1,935 euro du 1er janvier 2015 au 31 décembre 2015 ;
- 2,115 euros à partir du 1er janvier 2016 au 31 décembre 2017 ;
- 2,365 euros à partir du 1er janvier 2018 ;
- 2,698 euros à partir du 1er janvier 2026.]10
[10 La taxe unitaire par mètre cube d'eau usée déversé, visée à l'article D.259, 2°, est fixée à :
- 1,935 euro du 1er janvier 2015 au 31 décembre 2015 ;
- 2,115 euros à partir du 1er janvier 2016 au 31 décembre 2017 ;
- 2,365 euros à partir du 1er janvier 2018 ;
- 2,698 euros à partir du 1er janvier 2026.]10
Wijzigingen
Art. D268. [1 § 1. Het watervolume onderworpen aan de in artikel D.267 bedoelde belasting wordt overeenkomstig de in die bepaling vermelde regels bepaald door middel van de meetinrichtingen voor het door de belastingplichtige opgevangen water, of bij gebrek eraan, op basis van zijn geraamd waterverbruik of van ieder ander bewijsstuk waarover het Bestuur beschikt om zijn waterverbruik vast te stellen.
Het geraamde waterverbruik van de belastingplichtige is gelijk aan het product van de vermenigvuldiging van het in bijlage II bedoelde aantal eenheden met het overeenstemmende geraamde waterverbruik. Het in aanmerking te nemen aantal eenheden is het maximumaantal eenheden dat in de loop van het lozingsjaar op dezelfde dag wordt geregistreerd.
§ 2. In afwijking van § 1 wordt het volume voor de landbouwbedrijven forfaitair vastgesteld op 90 mü.
§ 3. Voor personen die industrieel en huishoudelijk afvalwater lozen, is de in artikel D.267 bedoelde belasting van toepassing op het gedeelte van het totaal opgevangen volume dat als huishoudelijk afvalwater wordt geloosd.]1
[2 § 4. Als personen die water buiten de openbare distributie opnemen, bijdragen in de industriële saneringskost en tegelijkertijd industrieel afvalwater en huishoudelijk afvalwater lozen, wordt de in paragraaf 3 bedoelde belasting op het lozen van huishoudelijk afvalwater die toegepast wordt op het gedeelte van het opgevangen totale volume dat als huishoudelijk afvalwater wordt geloosd, door de CVA vervangen.]2
Het geraamde waterverbruik van de belastingplichtige is gelijk aan het product van de vermenigvuldiging van het in bijlage II bedoelde aantal eenheden met het overeenstemmende geraamde waterverbruik. Het in aanmerking te nemen aantal eenheden is het maximumaantal eenheden dat in de loop van het lozingsjaar op dezelfde dag wordt geregistreerd.
§ 2. In afwijking van § 1 wordt het volume voor de landbouwbedrijven forfaitair vastgesteld op 90 mü.
§ 3. Voor personen die industrieel en huishoudelijk afvalwater lozen, is de in artikel D.267 bedoelde belasting van toepassing op het gedeelte van het totaal opgevangen volume dat als huishoudelijk afvalwater wordt geloosd.]1
[2 § 4. Als personen die water buiten de openbare distributie opnemen, bijdragen in de industriële saneringskost en tegelijkertijd industrieel afvalwater en huishoudelijk afvalwater lozen, wordt de in paragraaf 3 bedoelde belasting op het lozen van huishoudelijk afvalwater die toegepast wordt op het gedeelte van het opgevangen totale volume dat als huishoudelijk afvalwater wordt geloosd, door de CVA vervangen.]2
Art. D268. [1 § 1er. Le volume d'eau auquel s'applique la taxe visée à l'article D.267 est déterminé, suivant les règles définies par la présente disposition, au moyen des dispositifs de comptage de l'eau prélevée par le redevable ou, à défaut, sur la base de sa consommation présumée ou de tout autre élément probant dont l'Administration dispose pour déterminer sa consommation.
La consommation présumée du redevable est égale au produit de la multiplication du nombre d'unités visées à l'annexe II par la consommation unitaire présumée correspondante. Le nombre d'unités à prendre en considération est le nombre maximum d'unités enregistré dans le courant de l'année de déversement.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, pour les exploitations agricoles, le volume est fixé forfaitairement à 90 mètres cubes.
§ 3. Pour les personnes qui déversent à la fois des eaux usées industrielles et des eaux usées domestiques, la taxe visée à l'article D.267 s'applique à la fraction du volume total prélevé qui est déversée sous la forme d'eau usée domestique.]1
[2 § 4. Lorsque les personnes prélevant de l'eau en dehors de la distribution publique contribuent au coût d'assainissement industriel et déversent à la fois des eaux usées industrielles et des eaux usées domestiques, la taxe sur le déversement des eaux usées domestiques visée au paragraphe 3 qui s'applique à la fraction du volume total prélevé qui est déversée sous forme d'eau usée domestique est remplacée par le C.V.A.]2
La consommation présumée du redevable est égale au produit de la multiplication du nombre d'unités visées à l'annexe II par la consommation unitaire présumée correspondante. Le nombre d'unités à prendre en considération est le nombre maximum d'unités enregistré dans le courant de l'année de déversement.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, pour les exploitations agricoles, le volume est fixé forfaitairement à 90 mètres cubes.
§ 3. Pour les personnes qui déversent à la fois des eaux usées industrielles et des eaux usées domestiques, la taxe visée à l'article D.267 s'applique à la fraction du volume total prélevé qui est déversée sous la forme d'eau usée domestique.]1
[2 § 4. Lorsque les personnes prélevant de l'eau en dehors de la distribution publique contribuent au coût d'assainissement industriel et déversent à la fois des eaux usées industrielles et des eaux usées domestiques, la taxe sur le déversement des eaux usées domestiques visée au paragraphe 3 qui s'applique à la fraction du volume total prélevé qui est déversée sous forme d'eau usée domestique est remplacée par le C.V.A.]2
Art. D269. [1 De jaarlijkse belasting is het product van de vermenigvuldiging van de in artikel D.269 bedoelde eenheidsbelasting met het in mü uitgedrukte watervolume bepaald in artikel D.268.]1
Art. D269. [1 La taxe annuelle est le résultat de la multiplication de la taxe unitaire visée à l'article D.267 par le volume d'eau exprimé en mètres cubes déterminé à l'article D.268.]1
Art. D270. [1 De publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen die huishoudelijk afvalwater dat ze voortbrengen of voor behandeling opvangen, zuiveren, genieten de vrijstelling of de terugbetaling van de belasting [2 ...]2 onder de door de Regering bepaalde voorwaarden.
De watervolumes [3 gefactureerd aan de]3 begunstigden van een vrijstelling of een terugbetaling van de belasting [2 ...]2 worden niet meegerekend in [3 het verdeelde volume bedoeld in artikel D.255]3.]1
De watervolumes [3 gefactureerd aan de]3 begunstigden van een vrijstelling of een terugbetaling van de belasting [2 ...]2 worden niet meegerekend in [3 het verdeelde volume bedoeld in artikel D.255]3.]1
Art. D270. [1 Les personnes physiques ou morales de droit public ou de droit privé qui épurent les eaux usées domestiques qu'elles produisent ou qu'elles reçoivent aux fins de traitement bénéficient d'une exemption ou d'une restitution de la taxe [2 ...]2 dans les conditions définies par le Gouvernement.
Les volumes d'eau [3 facturés aux]3 les personnes bénéficiant d'une exemption ou d'une restitution de la taxe [2 ...]2 ne sont pas comptabilisés dans [3 le volume distribué visé à l'article D.255]3.]1
Les volumes d'eau [3 facturés aux]3 les personnes bénéficiant d'une exemption ou d'une restitution de la taxe [2 ...]2 ne sont pas comptabilisés dans [3 le volume distribué visé à l'article D.255]3.]1
Afdeling 4. [1 - Belasting op de milieulasten veroorzaakt door de landbouwbedrijven]1
Section 4. [1 - Taxe sur les charges environnementales générées par les exploitations agricoles]1
Art. D271. [1 Om de terugbetaling van de milieukosten gebonden aan de waterbron te verzekeren, wordt een jaarlijkse belasting op de milieulast veroorzaakt door de landbouwbedrijven vastgesteld.]1
[2 Belastingplichtig is de landbouwer in de zin van het Waals landbouwetboek die minstens één van de volgende voorwaarden vervult :
1° hij is houder van fokdieren waarvan de vuilvracht drie eenheden overschrijdt;
2° hij bezit een oppervlakte van andere teelten dan weiden van minstens een halve hectare;
3° hij bezit een oppervlakte van weiden van minstens 30 hectaren.]2
[2 Belastingplichtig is de landbouwer in de zin van het Waals landbouwetboek die minstens één van de volgende voorwaarden vervult :
1° hij is houder van fokdieren waarvan de vuilvracht drie eenheden overschrijdt;
2° hij bezit een oppervlakte van andere teelten dan weiden van minstens een halve hectare;
3° hij bezit een oppervlakte van weiden van minstens 30 hectaren.]2
Art. D271. [1 Pour assurer la récupération des coûts environnementaux liés à la ressource aquatique, il est établi une taxe annuelle sur la charge environnementale générée par les exploitations agricoles.]1
[2 Est soumis à la taxe, l'agriculteur défini au sens du Code wallon de l'Agriculture, qui répond au moins à une des trois conditions suivantes :
1° détient des animaux d'élevage dont la charge environnementale dépasse trois unités;
2° détient une superficie de cultures, autres que des prairies, d'au moins un demi-hectare;
3° détient une superficie de prairies d'au moins 30 hectares.]2
[2 Est soumis à la taxe, l'agriculteur défini au sens du Code wallon de l'Agriculture, qui répond au moins à une des trois conditions suivantes :
1° détient des animaux d'élevage dont la charge environnementale dépasse trois unités;
2° détient une superficie de cultures, autres que des prairies, d'au moins un demi-hectare;
3° détient une superficie de prairies d'au moins 30 hectares.]2
Art. D272. [1 De globale milieulast die in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de jaarlijkse belasting [2 houdt rekening met de milieulast "fokdieren"]2 en de milieulast "gronden" veroorzaakt door het bedrijf tijdens het jaar vóór het belastingjaar.]1
Art. D272. [1 La charge environnementale globale à prendre en considération pour le calcul de la taxe annuelle [2 tient compte de la charge environnementale "animaux d'élevage"]2 et de la charge environnementale " terres " générée par l'exploitation au cours de l'année qui précède l'année de taxation.]1
Art. D273. [1 § 1. Het aantaal eenheden milieulast wordt aan de hand van de volgende formule berekend:
[2 N = 2 + N1 + N2]2
Waarbij:
"N" = het totale aantal eenheden milieulast.
§ 2. [2 N1 is de milieulast " teeltdieren ". De last wordt bepaald door het optellen van de producten uit de vermenigvuldiging van het aantal dieren van elke categorie met de stikstofcoëfficiënt ervan die opgenomen is in de tabel van bijlage III.]2
De stitkstofcoëfficient is gelijk aan de waarde van de jaarlijkse productie van stikstof per soort dieren.
N1 = aantal dieren per categorie x stiktofcoëfficient van de overeenstemmende categorie.
§ 3. [2 N2 is de milieulast " gronden ". De last wordt bepaald door het optellen van de producten uit de vermenigvuldiging van de teelt- en weideoppervlaktes met de volgende coëfficiënten :
1° coëfficiënt " teelt " = 0.3
2° coëfficiënt " biologische teelt " = 0.15
3° coëfficiënt " weide " = 0.06
4° coëfficiënt " biologische weide " = 0.03
Deze coëfficiënten zijn een weergave van het gemiddelde stikstofoverschot in de grond, van het gemiddelde gebruik van pesticiden en van het erosiepotentieel van de teelten en weiden.
De Regering kan bepaalde landbouwpraktijken die de kwaliteit en de staat van het grond- en oppervlaktewater beschermen gelijkstellen met de biologische teelten in de zin van de coëfficiënten.
N2 = oppervlaktes per categorie x coëfficiënt van de overeenstemmende categorie.]2 ]1
[2 N = 2 + N1 + N2]2
Waarbij:
"N" = het totale aantal eenheden milieulast.
§ 2. [2 N1 is de milieulast " teeltdieren ". De last wordt bepaald door het optellen van de producten uit de vermenigvuldiging van het aantal dieren van elke categorie met de stikstofcoëfficiënt ervan die opgenomen is in de tabel van bijlage III.]2
De stitkstofcoëfficient is gelijk aan de waarde van de jaarlijkse productie van stikstof per soort dieren.
N1 = aantal dieren per categorie x stiktofcoëfficient van de overeenstemmende categorie.
§ 3. [2 N2 is de milieulast " gronden ". De last wordt bepaald door het optellen van de producten uit de vermenigvuldiging van de teelt- en weideoppervlaktes met de volgende coëfficiënten :
1° coëfficiënt " teelt " = 0.3
2° coëfficiënt " biologische teelt " = 0.15
3° coëfficiënt " weide " = 0.06
4° coëfficiënt " biologische weide " = 0.03
Deze coëfficiënten zijn een weergave van het gemiddelde stikstofoverschot in de grond, van het gemiddelde gebruik van pesticiden en van het erosiepotentieel van de teelten en weiden.
De Regering kan bepaalde landbouwpraktijken die de kwaliteit en de staat van het grond- en oppervlaktewater beschermen gelijkstellen met de biologische teelten in de zin van de coëfficiënten.
N2 = oppervlaktes per categorie x coëfficiënt van de overeenstemmende categorie.]2 ]1
Art. D273. [1 § 1er. Le nombre d'unités de charge environnementale est calculé selon la formule suivante :
[2 N = 2 + N1 + N2]2
Où :
N est le nombre d'unités de charge environnementale.
§ 2. [2 N1 est la charge environnementale " animaux d'élevage ". La charge est déterminée en sommant les produits résultant de la multiplication du nombre d'animaux de chaque catégorie par son coefficient azote repris dans le tableau de l'annexe III.]2
Le coefficient azote traduit la valeur de production annuelle d'azote par type d'animaux.
N1 = nombre animaux par catégorie x coefficient azote de la catégorie correspondante.
§ 3. [2 N2 est la charge environnementale "terres". La charge est déterminée en sommant les produits résultants de la multiplication des superficies de culture et de prairie par les coefficients suivants :
1° coefficient " culture " = 0.3
2° coefficient " culture biologique " = 0.15
3° coefficient " prairie " = 0.06
4° coefficient " prairie biologique " = 0.03
Ces coefficients traduisent le reliquat azoté moyen dans le sol, l'utilisation moyenne de pesticides et le potentiel érosif des cultures et des prairies.
Le Gouvernement peut assimiler certaines pratiques agricoles préservant la qualité et l'état des eaux souterraines et des eaux de surface aux cultures biologiques au sens des coefficients.
N2 = superficies par catégorie x coefficient de la catégorie correspondante.]2. ]1
[2 N = 2 + N1 + N2]2
Où :
N est le nombre d'unités de charge environnementale.
§ 2. [2 N1 est la charge environnementale " animaux d'élevage ". La charge est déterminée en sommant les produits résultant de la multiplication du nombre d'animaux de chaque catégorie par son coefficient azote repris dans le tableau de l'annexe III.]2
Le coefficient azote traduit la valeur de production annuelle d'azote par type d'animaux.
N1 = nombre animaux par catégorie x coefficient azote de la catégorie correspondante.
§ 3. [2 N2 est la charge environnementale "terres". La charge est déterminée en sommant les produits résultants de la multiplication des superficies de culture et de prairie par les coefficients suivants :
1° coefficient " culture " = 0.3
2° coefficient " culture biologique " = 0.15
3° coefficient " prairie " = 0.06
4° coefficient " prairie biologique " = 0.03
Ces coefficients traduisent le reliquat azoté moyen dans le sol, l'utilisation moyenne de pesticides et le potentiel érosif des cultures et des prairies.
Le Gouvernement peut assimiler certaines pratiques agricoles préservant la qualité et l'état des eaux souterraines et des eaux de surface aux cultures biologiques au sens des coefficients.
N2 = superficies par catégorie x coefficient de la catégorie correspondante.]2. ]1
Art. D274. [1 § 1. Het basisbedrag van de belasting per eenheid last gebonden aan het landbouwbedrijf, hierna eenheidsbelasting genoemd, wordt vanaf 1 januari 2015 vastgesteld op 10 euro.
§ 2. [2 ...]2
§ 3.Het voor elke categorie in aanmerking te nemen aantal dieren is het gemiddelde aantal gehouden of gefokte dieren tijdens het jaar vóór het belastingjaar.
§ 4. De gemiddelde eenheid milieulast "gronden" van een landbouwbedrijf wordt verkregen door de milieulast "gronden" (N2) te delen door de totale oppervlakte van het bedrijf, uitgedrukt in ha.
§ 5. De eerste dertig hectare van een bedrijf worden van de belasting vrijgesteld.
Die vrijstelling wordt berekend door de gemiddelde eenheid milieulast "gronden" van het bedrijf met 30 te vermenigvuldigen.]1
§ 2. [2 ...]2
§ 3.Het voor elke categorie in aanmerking te nemen aantal dieren is het gemiddelde aantal gehouden of gefokte dieren tijdens het jaar vóór het belastingjaar.
§ 4. De gemiddelde eenheid milieulast "gronden" van een landbouwbedrijf wordt verkregen door de milieulast "gronden" (N2) te delen door de totale oppervlakte van het bedrijf, uitgedrukt in ha.
§ 5. De eerste dertig hectare van een bedrijf worden van de belasting vrijgesteld.
Die vrijstelling wordt berekend door de gemiddelde eenheid milieulast "gronden" van het bedrijf met 30 te vermenigvuldigen.]1
Art. D274. [1 § 1er. Le taux de base de la taxe par unité de charge liée à l'exploitation agricole, ci-après dénommé taxe unitaire, est fixé à 10 euros à partir du 1er janvier 2015.
§ 2. [2 ...]2
§ 3. Le nombre d'animaux à prendre en considération pour chaque catégorie est le nombre moyen d'animaux de cette catégorie gardés ou élevés au cours de l'année qui précède l'année de taxation.
§ 4. L'unité de charge environnementale " terres " moyenne d'une exploitation agricole est obtenue en divisant la charge environnementale " terres " (N2) par la superficie totale de l'exploitation exprimée en hectares.
§ 5. Les trente premiers hectares d'une exploitation sont exonérés de la taxe.
Cette exonération est calculée en multipliant l'unité de charge environnementale " terres " moyenne de l'exploitation par 30.]1
§ 2. [2 ...]2
§ 3. Le nombre d'animaux à prendre en considération pour chaque catégorie est le nombre moyen d'animaux de cette catégorie gardés ou élevés au cours de l'année qui précède l'année de taxation.
§ 4. L'unité de charge environnementale " terres " moyenne d'une exploitation agricole est obtenue en divisant la charge environnementale " terres " (N2) par la superficie totale de l'exploitation exprimée en hectares.
§ 5. Les trente premiers hectares d'une exploitation sont exonérés de la taxe.
Cette exonération est calculée en multipliant l'unité de charge environnementale " terres " moyenne de l'exploitation par 30.]1
Art. D275. [1 § 1. In afwijking van artikel D.273, § 2, is de milieulast "[2 fokdieren]2 " nul wanneer de belastingplichtige over een conformiteitsattest van de infrastructuren voor de opslag van teelteffluenten beschikt, dat krachtens artikel D.177 is afgegeven, of wanneer de afgifte van dit attest behandeld wordt. Indien die behandeling bewijst dat de infrastructuren voor de opslag van de teelteffluenten niet conform zijn, [2 kan de Administratie, binnen twee jaar na de vaststelling van de non-conformiteit, de berekening van de belasting rectificeren tot vier jaar voorafgaand aan die vaststelling en uitsluitend voor de jaren waarop de vaststelling van de non-conformiteit betrekking heeft]2 na de vaststelling ervan.
[2 ...]2
§ 2. [2 ...]2
§ 3. [2 ...]2 ]1
[2 ...]2
§ 2. [2 ...]2
§ 3. [2 ...]2 ]1
Art. D275. [1 § 1er. Par dérogation à l'article D.273, § 2, la charge environnementale " [2 animaux d'élevage]2 " est nulle lorsque la personne soumise à la taxe est détentrice d'une attestation de conformité des infrastructures de stockage des effluents d'élevage, délivrée en vertu de l'article D.177 ou que la délivrance de cette attestation est en cours d'instruction. Si cette instruction démontre le défaut de conformité des infrastructures de stockage des effluents d'élevage, l'Administration [2 peut, dans les deux ans du constat de non-conformité, rectifier le calcul de la taxe jusqu'aux quatre années antérieures à ce constat et uniquement pour les années correspondant au constat de non-conformité]2 après l'établissement de celle-ci.
[2 ...]2
§ 2. [2 ...]2
§ 3. [2 ...]2 -1
[2 ...]2
§ 2. [2 ...]2
§ 3. [2 ...]2 -1
Afdeling 5. [1 - Aangifte, betaling en invordering van de belastingen en taksen]1
Section 5. [1 - Déclaration, paiement et recouvrement des contributions et des taxes]1
Art. D276. [1 Het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de Waalse gewestelijke belastingen is van toepassing op de belastingen en taksen bedoeld in dit hoofdstuk. De specifieke bepalingen bedoeld in deze afdeling zijn ook van toepassing.]1
Art. D276. [1 Le décret du 6 mai 1999 relatif à l'établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales wallonnes et s'applique aux contributions et aux taxes visées par le présent chapitre. Les dispositions spécifiques prévues par la présente section sont également d'application.]1
Art. D277. [1 Elke belastingplichtige moet het Bestuur jaarlijks alle gegevens verstrekken die nodig zijn voor de bepaling van de tijdens het jaar tevoren geproduceerde of uitgepompte hoeveelheid water of van de tijdens het vorige jaar veroorzaakte last.]1
Art. D277. [1 Tout redevable déclare, chaque année, à l'Administration, les éléments nécessaires à l'établissement du volume d'eau produite ou d'eau prélevée au cours de l'année précédente ou de sa charge générée l'année précédente.]1
Art. D278. [1 § 1. De aangifte wordt opgemaakt d.m.v. het formulier vastgelegd door de Regering De aangifte wordt rechtstreeks aan de belastingplichtigen door het Bestuur afgegeven en gezonden vóór 31 januari van het belastingjaar.
De belastingplichtigen die het formulier niet ontvangen hebben, moeten er één bij het Bestuur aanvragen.
Bij stopzetting van de activiteiten moet de belastingplichtige een aangifteformulier bij het Bestuur aanvragen en het er binnen twee maanden na de stopzetting terug naartoe zenden.
§ 2. Indien het Bestuur toegang heeft tot de gegevens geïntegreerd in het GBCS in het kader van het Waalse Landbouwwetboek, gelden die gegevens als aangfite voor de bepaling van de belasting op de milieulasten.
§ 3. De Regering bepaalt de voorwaarden waarin de belastingplichtige zijn aangifte per e-mail kan indienen.
De Regering kan de voorwaarden waarin die procedure verplicht is, bepalen.
§ 4. De gepaste gegevens ingewonnen door het Bestuur of de S.P.G.E. die bijdragen tot de maatregelen voor de invordering van de kosten, worden tussen beide eenheden uitgewisseld.
De volgende gegevens worden door het Bestuur aan de S.P.G.E. meegedeeld zodat ze de inning en de betaling van de reële saneringsprijs of van de industriële saneringsprijs kan verrichten overeenkomstig de artikelen D.228, D.229 en D.260:
1° de naam van de belastingplichtige en zijn bankgegevens;
2° het adres van de belastingplichtige, zijn bedrijfszetel, zijn btw-nummer [2 en zijn bedrijfs- of producentnummer]2 [3 in de zin van het Waalse Landbouwwetboek]3;
3° de door de belastingplichtige uitgepompte hoeveelheid, waarbij de hoeveelheden afkomstig en niet-afkomstig van de openbare distributie worden onderscheiden;
4° het bedrag van de reële saneringsprijs vermeld op de waterfacturen die de belastingplichtige in het kader van zijn aangifte aan het Bestuur meededeelt;
5° het bedrag van de belastingen op het lozen van industrieel en huishoudelijk afvalwater;
6° de resultaten van de autocontrole van de ondernemingen aangesloten op een openbaar zuiveringsstation;
7° de vergunning m.b.t. het lozen van industrieel afvalwater die in de milieuvergunning bedoeld is.
§ 5. De gegevens ingewonnen door het Bestuur in het kader van de bepaling van de belasting op het lozen van afvalwater of van de voorheffingsbelastingen kunnen megedeeld worden aan andere diensten van de Waalse Overheidsdienst zodat ze hun opdrachten inzake de invordering, het toezicht en het beheer van waterlichamen kunnen uitvoeren.
§ 6. De Regering kan de uitwisseling van gegevens tussen de diensten vermeld in de artikelen D.278, § 4 en D.278, § 5 toelaten. De Regering bepaalt er de modaliteiten van.]1
De belastingplichtigen die het formulier niet ontvangen hebben, moeten er één bij het Bestuur aanvragen.
Bij stopzetting van de activiteiten moet de belastingplichtige een aangifteformulier bij het Bestuur aanvragen en het er binnen twee maanden na de stopzetting terug naartoe zenden.
§ 2. Indien het Bestuur toegang heeft tot de gegevens geïntegreerd in het GBCS in het kader van het Waalse Landbouwwetboek, gelden die gegevens als aangfite voor de bepaling van de belasting op de milieulasten.
§ 3. De Regering bepaalt de voorwaarden waarin de belastingplichtige zijn aangifte per e-mail kan indienen.
De Regering kan de voorwaarden waarin die procedure verplicht is, bepalen.
§ 4. De gepaste gegevens ingewonnen door het Bestuur of de S.P.G.E. die bijdragen tot de maatregelen voor de invordering van de kosten, worden tussen beide eenheden uitgewisseld.
De volgende gegevens worden door het Bestuur aan de S.P.G.E. meegedeeld zodat ze de inning en de betaling van de reële saneringsprijs of van de industriële saneringsprijs kan verrichten overeenkomstig de artikelen D.228, D.229 en D.260:
1° de naam van de belastingplichtige en zijn bankgegevens;
2° het adres van de belastingplichtige, zijn bedrijfszetel, zijn btw-nummer [2 en zijn bedrijfs- of producentnummer]2 [3 in de zin van het Waalse Landbouwwetboek]3;
3° de door de belastingplichtige uitgepompte hoeveelheid, waarbij de hoeveelheden afkomstig en niet-afkomstig van de openbare distributie worden onderscheiden;
4° het bedrag van de reële saneringsprijs vermeld op de waterfacturen die de belastingplichtige in het kader van zijn aangifte aan het Bestuur meededeelt;
5° het bedrag van de belastingen op het lozen van industrieel en huishoudelijk afvalwater;
6° de resultaten van de autocontrole van de ondernemingen aangesloten op een openbaar zuiveringsstation;
7° de vergunning m.b.t. het lozen van industrieel afvalwater die in de milieuvergunning bedoeld is.
§ 5. De gegevens ingewonnen door het Bestuur in het kader van de bepaling van de belasting op het lozen van afvalwater of van de voorheffingsbelastingen kunnen megedeeld worden aan andere diensten van de Waalse Overheidsdienst zodat ze hun opdrachten inzake de invordering, het toezicht en het beheer van waterlichamen kunnen uitvoeren.
§ 6. De Regering kan de uitwisseling van gegevens tussen de diensten vermeld in de artikelen D.278, § 4 en D.278, § 5 toelaten. De Regering bepaalt er de modaliteiten van.]1
Art. D278. [1 § 1er. La déclaration est établie sur un formulaire dont le modèle est fixé par le Gouvernement. La déclaration est délivrée et adressée directement aux redevables par l'Administration, avant le 31 janvier de l'année de taxation.
Les redevables qui n'ont pas reçu le formulaire réclament une déclaration au siège de l'Administration.
En cas de cessation d'activités, le redevable réclame un formulaire de déclaration à l'Administration, et la lui retourne dans les deux mois de la cessation d'activités.
§ 2. Dès lors que l'Administration a accès aux données intégrées dans le SIGEC dans le cadre du Code wallon de l'Agriculture, celles-ci valent déclaration pour l'établissement de la taxe sur les charges environnementales.
§ 3. Le Gouvernement détermine les conditions dans lesquelles le redevable peut fournir sa déclaration par voie électronique.
Le Gouvernement peut déterminer les conditions dans lesquelles cette procédure est obligatoire.
§ 4. Les données adéquates récoltées par l'Administration ou par la S.P.G.E. qui contribuent aux mesures de récupération des coûts, sont échangées entre ces deux entités.
Les données suivantes sont communiquées par l'Administration à la S.P.G.E. en vue de lui permettre d'effectuer la perception et le remboursement du CVA ou du coût assainissement industriel (CAI) en application des articles D.228, D.229 et D.260 :
1° le nom du redevable et ses coordonnées bancaires;
2° l'adresse du redevable, son siège d'exploitation, son numéro de T.V.A. et son numéro d'entreprise [2 ou de producteur]2 [3 au sens du Code wallon de l'agriculture]3;
3° le volume d'eau prélevé par le redevable en distinguant les volumes issus et non issus de la distribution publique;
4° le montant du CVA, mentionné sur les factures d'eau communiquées par le redevable à l'Administration dans le cadre de sa déclaration;
5° le montant des taxes sur les eaux usées industrielles et domestiques;
6° les résultats d'auto-contrôle des entreprises reliées à une station d'épuration publique;
7° l'autorisation de déversement d'eaux usées industrielles comprise dans le permis d'environnement.
§ 5. Les données récoltées par l'Administration dans le cadre de l'établissement de la taxe sur les rejets d'eaux usées ou des contributions de prélèvement peuvent être communiquées à d'autres services du Service public de Wallonie en vue de leur permettre d'assurer leurs missions de recouvrement, de surveillance et de gestion des masses d'eau.
§ 6. Le Gouvernement peut autoriser l'échange de données entre les services mentionnés aux articles D.278, § 4 et D.278, § 5. Le Gouvernement en détermine les modalités.]1
Les redevables qui n'ont pas reçu le formulaire réclament une déclaration au siège de l'Administration.
En cas de cessation d'activités, le redevable réclame un formulaire de déclaration à l'Administration, et la lui retourne dans les deux mois de la cessation d'activités.
§ 2. Dès lors que l'Administration a accès aux données intégrées dans le SIGEC dans le cadre du Code wallon de l'Agriculture, celles-ci valent déclaration pour l'établissement de la taxe sur les charges environnementales.
§ 3. Le Gouvernement détermine les conditions dans lesquelles le redevable peut fournir sa déclaration par voie électronique.
Le Gouvernement peut déterminer les conditions dans lesquelles cette procédure est obligatoire.
§ 4. Les données adéquates récoltées par l'Administration ou par la S.P.G.E. qui contribuent aux mesures de récupération des coûts, sont échangées entre ces deux entités.
Les données suivantes sont communiquées par l'Administration à la S.P.G.E. en vue de lui permettre d'effectuer la perception et le remboursement du CVA ou du coût assainissement industriel (CAI) en application des articles D.228, D.229 et D.260 :
1° le nom du redevable et ses coordonnées bancaires;
2° l'adresse du redevable, son siège d'exploitation, son numéro de T.V.A. et son numéro d'entreprise [2 ou de producteur]2 [3 au sens du Code wallon de l'agriculture]3;
3° le volume d'eau prélevé par le redevable en distinguant les volumes issus et non issus de la distribution publique;
4° le montant du CVA, mentionné sur les factures d'eau communiquées par le redevable à l'Administration dans le cadre de sa déclaration;
5° le montant des taxes sur les eaux usées industrielles et domestiques;
6° les résultats d'auto-contrôle des entreprises reliées à une station d'épuration publique;
7° l'autorisation de déversement d'eaux usées industrielles comprise dans le permis d'environnement.
§ 5. Les données récoltées par l'Administration dans le cadre de l'établissement de la taxe sur les rejets d'eaux usées ou des contributions de prélèvement peuvent être communiquées à d'autres services du Service public de Wallonie en vue de leur permettre d'assurer leurs missions de recouvrement, de surveillance et de gestion des masses d'eau.
§ 6. Le Gouvernement peut autoriser l'échange de données entre les services mentionnés aux articles D.278, § 4 et D.278, § 5. Le Gouvernement en détermine les modalités.]1
Art. D279. [1 De aangifte wordt jaarlijks vóór 31 maart aan de zetel van de Administratie gericht of overgemaakt. Jaarlijks vóór 31 maart richt de "S.P.G.E." aan de Administratie de gegevens van de lijsten die betrekking hebben op de lozingen van industrieel afvalwater.]1
Art. D279. [1 La déclaration est envoyée ou remise au siège de l'Administration, avant le 31 mars de chaque année. La S.P.G.E. adresse à l'Administration les données des relevés des rejets d'eaux usées industrielles, avant le 31 mars de chaque année.]1
Art. D280. [1 De aangifte wordt onderzocht en het bedrag van de belastingen of heffingen wordt door de Administratie opgesteld.]1
Art. D280. [1 La déclaration est vérifiée et le montant des contributions ou des taxes est établi par l'Administration.]1
Art. D281. [1 De winningsheffing en de belasting worden d.m.v. driemaandelijkse voorschotten geïnd.
Elke voorschot is gelijk aan 20 % van het bedrag van de laatste winningsheffing of belasting die door de Administratie is vastgesteld.
Als er nog geen winningsheffing of belasting is vastgesteld, is elk voorschot m.b.t. het eerste jaar gelijk aan 20 % van het bedrag dat overeenstemt met de door de belastingplichtige in zijn vergunningaanvraag aangegeven winningen.
De winning heeft het debiteren van de voorschotten tot gevolg.
De voorschotten zijn betaalbaar uiterlijk de twintigste van de maand na elk kwartaal van het winningsjaar.]1
Elke voorschot is gelijk aan 20 % van het bedrag van de laatste winningsheffing of belasting die door de Administratie is vastgesteld.
Als er nog geen winningsheffing of belasting is vastgesteld, is elk voorschot m.b.t. het eerste jaar gelijk aan 20 % van het bedrag dat overeenstemt met de door de belastingplichtige in zijn vergunningaanvraag aangegeven winningen.
De winning heeft het debiteren van de voorschotten tot gevolg.
De voorschotten zijn betaalbaar uiterlijk de twintigste van de maand na elk kwartaal van het winningsjaar.]1
Art. D281. [1 La taxe de prélèvement et la contribution sont perçues par voie de provisions trimestrielles.
Chaque provision est égale à 20 pour cent du montant de la dernière taxe de prélèvement ou contribution établie par l'Administration.
Si aucune taxe de prélèvement ou contribution n'a encore été établie, chaque provision afférente à la première année est égale à 20 pour cent du montant correspondant aux prélèvements envisagés par le redevable dans sa demande d'autorisation.
Le prélèvement entraîne la débition des provisions.
Les provisions sont payables pour le 20 du mois qui suit chaque trimestre de l'année de prélèvement.]1
Chaque provision est égale à 20 pour cent du montant de la dernière taxe de prélèvement ou contribution établie par l'Administration.
Si aucune taxe de prélèvement ou contribution n'a encore été établie, chaque provision afférente à la première année est égale à 20 pour cent du montant correspondant aux prélèvements envisagés par le redevable dans sa demande d'autorisation.
Le prélèvement entraîne la débition des provisions.
Les provisions sont payables pour le 20 du mois qui suit chaque trimestre de l'année de prélèvement.]1
Art. D282. [1 [2 De kohieren worden vastgesteld door de Directeur-generaal van het Operationeel Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst of door de door hem afgevaardigde ambtenaar en uitvoerbaar verklaard door de Directeur-generaal van het van [3 de Waalse Overheidsdienst Financiën]3 of door de ambtenaar die dit ambt uitoefent of door de door hem afgevaardigde ambtenaar]2
De Waalse Regering kan het eerste lid wijzigen in geval van wijziging van de structuur van de Waalse Overheidsdienst om de in het eerste lid bedoelde bevoegde ambtenaar aan te passen aan de nieuwe structuur.]1
De Waalse Regering kan het eerste lid wijzigen in geval van wijziging van de structuur van de Waalse Overheidsdienst om de in het eerste lid bedoelde bevoegde ambtenaar aan te passen aan de nieuwe structuur.]1
Art. D282. [1 [2 Les rôles sont formés par le Directeur général de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement du Service public de Wallonie ou le fonctionnaire délégué par lui et rendus exécutoires par le Directeur général de [3 le Service public de Wallonie Finances]3 ou le fonctionnaire délégué par lui.]2
Le Gouvernement wallon peut modifier l'alinéa 1er en cas de modification de structure du Service public de Wallonie, en vue d'adapter le fonctionnaire compétent visé à l'alinéa 1er à la nouvelle structure.]1
Le Gouvernement wallon peut modifier l'alinéa 1er en cas de modification de structure du Service public de Wallonie, en vue d'adapter le fonctionnaire compétent visé à l'alinéa 1er à la nouvelle structure.]1
Art. D283. [1 De Regering bepaalt :
1° de uitvoeringsmodaliteiten voor artikel D.281;
2° de administratieve kosten, ten laste van de belastingplichtige, en overeenstemmend met de handelingen die [2 de Waalse Overheidsdienst Financiën]2 werkelijk heeft verricht i.v.m. de inning van de belastingen en de heffingen.]1
1° de uitvoeringsmodaliteiten voor artikel D.281;
2° de administratieve kosten, ten laste van de belastingplichtige, en overeenstemmend met de handelingen die [2 de Waalse Overheidsdienst Financiën]2 werkelijk heeft verricht i.v.m. de inning van de belastingen en de heffingen.]1
Art. D283. [1 Le Gouvernement détermine :
1° les modalités d'exécution de l'article D.281;
2° les frais administratifs, à charge du redevable, et correspondant aux prestations effectivement accomplies par [2 le Service public de Wallonie Finances]2 relativement aux actes de recouvrement des contributions et des taxes.]1
1° les modalités d'exécution de l'article D.281;
2° les frais administratifs, à charge du redevable, et correspondant aux prestations effectivement accomplies par [2 le Service public de Wallonie Finances]2 relativement aux actes de recouvrement des contributions et des taxes.]1
Afdeling 6. [1 - Subsidies]1
Section 6. [1 - Subventions]1
Art. D284. [1 De Regering kan de installatie van erkende zuiveringssystemen subsidiëren.
De Regering kan de gemeente of de erkende saneringsinstelling betrekken bij de procedure van aanvraag en uitbetaling van de subsidie of bij het toezicht op de installatie van het erkende zuiveringssysteem. Ze bepaalt de vergoeding voor de door de gemeente of de erkende saneringsinstelling bewezen dienst. Ze stelt de modaliteiten voor de toekenning van de subsidies vast in het kader van het in artikel D.218 bedoelde algemene reglement.]1
De Regering kan de gemeente of de erkende saneringsinstelling betrekken bij de procedure van aanvraag en uitbetaling van de subsidie of bij het toezicht op de installatie van het erkende zuiveringssysteem. Ze bepaalt de vergoeding voor de door de gemeente of de erkende saneringsinstelling bewezen dienst. Ze stelt de modaliteiten voor de toekenning van de subsidies vast in het kader van het in artikel D.218 bedoelde algemene reglement.]1
Art. D284. [1 Le Gouvernement peut subventionner l'installation de systèmes d'épuration agréés.
Le Gouvernement peut associer la commune ou l'organisme d'assainissement agréé à la procédure de demande et de liquidation du subside et au contrôle de l'installation du système d'épuration agréé. Il fixe la rémunération pour le service rendu par la commune ou par l'organisme d'assainissement agréé. Il établit les modalités de l'octroi des subventions dans le cadre du règlement général visé à l'article D.218.]1
Le Gouvernement peut associer la commune ou l'organisme d'assainissement agréé à la procédure de demande et de liquidation du subside et au contrôle de l'installation du système d'épuration agréé. Il fixe la rémunération pour le service rendu par la commune ou par l'organisme d'assainissement agréé. Il établit les modalités de l'octroi des subventions dans le cadre du règlement général visé à l'article D.218.]1
Art. D285. [1 De Regering kan de installatie en de werking subsidiëren van controle en autocontrolesystemen die betrekking hebben op de lozingen van industrieel afvalwater en die voor de optimalisering van de wateropnemingen van de bedrijven moeten zorgen. Ze stelt de modaliteiten voor de toekenning van de subsidies vast.]1
Art. D285. [1 Le Gouvernement peut subventionner l'installation et le fonctionnement de dispositifs de contrôles, d'auto-surveillance portant sur les déversements d'eaux usées industrielles et assurant une optimisation des prélèvements d'eau des entreprises. Il établit les modalités d'octroi des subventions.]1
HOOFDSTUK III. [1 - Budgettaire bepalingen]1
CHAPITRE III. [1 - Dispositions budgétaires]1
Art. D286. [1 § 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder "Fonds", het "Fonds pour la protection de l'Environnement "(Fonds voor de bescherming van het leefmilieu), afdeling "protection des eaux" (bescherming van de wateren) bedoeld in artikel D.170 van Boek I van het Milieuwetboek.
De ontvangsten geïnd overeenkomstig de mechanismen tot terugwinning van de kosten veroorzaakt door de waterwinningen, door de lozingen van industrieel en huishoudelijk afvalwater en door landbouwactiviteiten alsook de verwijlinteresten verschuldigd door de belastingplichtigen bij gebrek aan betaling binnen de voorgeschreven termijnen, worden uitsluitend voor het "Fonds" bestemd.
§ 2. Het Fonds wordt bestemd voor de financiering van de opdrachten omschreven in de artikelen D.288, D.289 en D.291.]1
De ontvangsten geïnd overeenkomstig de mechanismen tot terugwinning van de kosten veroorzaakt door de waterwinningen, door de lozingen van industrieel en huishoudelijk afvalwater en door landbouwactiviteiten alsook de verwijlinteresten verschuldigd door de belastingplichtigen bij gebrek aan betaling binnen de voorgeschreven termijnen, worden uitsluitend voor het "Fonds" bestemd.
§ 2. Het Fonds wordt bestemd voor de financiering van de opdrachten omschreven in de artikelen D.288, D.289 en D.291.]1
Art. D286. [1 § 1er. Pour l'application du présent chapitre, on entend par "Fonds", le Fonds pour la protection de l'Environnement, section "protection des eaux" visé à l'article D.170 du Livre Ier du Code de l'Environnement.
Les recettes perçues en application des mécanismes visant à récupérer les coûts générés par les prises d'eau, par les déversements d'eaux usées industrielles et domestiques et par les activités agricoles ainsi que les intérêts de retard dus par les redevables à défaut de paiement dans les délais sont affectées exclusivement au Fonds.
§ 2. Le Fonds est affecté au financement des missions définies aux articles D.288, D.289 et D.291.]1
Les recettes perçues en application des mécanismes visant à récupérer les coûts générés par les prises d'eau, par les déversements d'eaux usées industrielles et domestiques et par les activités agricoles ainsi que les intérêts de retard dus par les redevables à défaut de paiement dans les délais sont affectées exclusivement au Fonds.
§ 2. Le Fonds est affecté au financement des missions définies aux articles D.288, D.289 et D.291.]1
Art. D287. [1 Het Fonds wordt gefinancierd door:
1° de opbrengst van de winningsheffing bedoeld in artikel [3 D.254, § 2]3;
2° de opbrengst van de bijdrage voor de winning van tot drinkwater verwerkbaar water bedoeld in artikel [3 D.254, § 3]3;
[3 2°/1 de opbrengst van de bijdrage voor de winning van bemalingswater bedoeld in artikel D.256/1]3
3° de opbrengst van de bijdrage voor de winning van niet tot drinkwater verwerkbaar grondwater bedoeld in artikel D.256;
4° de opbrengst van de bijdrage voor de winning van niet tot drinkwater verwerkbaar oppervlaktewater bedoeld in artikel D.257;
5° [4 onder voorbehoud van artikel D.288, § 1e, lid 1e, de opbrengst van de belasting op het lozen van industrieel afvalwater bedoeld in artikel D.260;]4
6° [4 onder voorbehoud van artikel D.288, § 1, lid 1, de opbrengst van de belasting op het lozen van huishoudelijk afvalwater bedoeld in artikel 267;]4
7° de opbrengst van de belasting op de milieubelasting veroorzaakt door de landbouwbedrijven bedoeld in artikel D.272;
8° de boetes en verwijlinteresten m.b.t. de procedures bedoeld in afdeling 5 van hoofdstuk II van deze titel;
9° de verloning van de kapitaalinbrengen van het Waalse Gewest aan de "S.W.D.E." en aan de "S.P.G.E.";
10° de giften en alle andere toevallige ontvangsten die in verband staan met de uitoefening van de bevoegdheden van het Gewest op het gebied van de zuivering van het oppervlaktewater;
11° de bijdragen van Belgische, buitenlandse of internationale instellingen aan uitgaven op het gebied van de bescherming van de watervoorraad;
12° de terugbetaling van de terugvorderbare voorschotten die in toepassing van artikel D.21 werden toegekend;
13° de bedragen geïnd krachtens de indeplaatsstelling bedoeld in artikel D.290 § 2;
14° de krachtens artikel D. 290, § 3 terugbetaalde bedragen;
15° de vrijwillige stortingen van de personen die niet onderworpen zijn aan de winningsheffing bedoeld in artikel [3 D.254, § 2, eerste lid]3 die zich onvoorwaardelijk richten naar de verplichtingen ontstaan uit de toepassing van de artikelen D.167, D.167bis, D.171, D.172 en D.175;
16° de bijdragen van de natuurlijke of rechtspersonen van privaat of publiek recht waarvan de activiteiten de aard hebben om de schade bedoeld door dit hoofdstuk te veroorzaken of te verzwaren.
[2 17° De opbrengst van het dossierrecht bedoeld in artikel D.227quater, § 2.]2
Wat punt 16° betreft, bepaalt de Regering het deel van iedere categorie van inkomsten en de onderwerpingscriteria, de modaliteiten van bijdrage van de ondernemingen ten gunste van het Fonds en de modaliteiten van invordering van de bijdragen.]1
1° de opbrengst van de winningsheffing bedoeld in artikel [3 D.254, § 2]3;
2° de opbrengst van de bijdrage voor de winning van tot drinkwater verwerkbaar water bedoeld in artikel [3 D.254, § 3]3;
[3 2°/1 de opbrengst van de bijdrage voor de winning van bemalingswater bedoeld in artikel D.256/1]3
3° de opbrengst van de bijdrage voor de winning van niet tot drinkwater verwerkbaar grondwater bedoeld in artikel D.256;
4° de opbrengst van de bijdrage voor de winning van niet tot drinkwater verwerkbaar oppervlaktewater bedoeld in artikel D.257;
5° [4 onder voorbehoud van artikel D.288, § 1e, lid 1e, de opbrengst van de belasting op het lozen van industrieel afvalwater bedoeld in artikel D.260;]4
6° [4 onder voorbehoud van artikel D.288, § 1, lid 1, de opbrengst van de belasting op het lozen van huishoudelijk afvalwater bedoeld in artikel 267;]4
7° de opbrengst van de belasting op de milieubelasting veroorzaakt door de landbouwbedrijven bedoeld in artikel D.272;
8° de boetes en verwijlinteresten m.b.t. de procedures bedoeld in afdeling 5 van hoofdstuk II van deze titel;
9° de verloning van de kapitaalinbrengen van het Waalse Gewest aan de "S.W.D.E." en aan de "S.P.G.E.";
10° de giften en alle andere toevallige ontvangsten die in verband staan met de uitoefening van de bevoegdheden van het Gewest op het gebied van de zuivering van het oppervlaktewater;
11° de bijdragen van Belgische, buitenlandse of internationale instellingen aan uitgaven op het gebied van de bescherming van de watervoorraad;
12° de terugbetaling van de terugvorderbare voorschotten die in toepassing van artikel D.21 werden toegekend;
13° de bedragen geïnd krachtens de indeplaatsstelling bedoeld in artikel D.290 § 2;
14° de krachtens artikel D. 290, § 3 terugbetaalde bedragen;
15° de vrijwillige stortingen van de personen die niet onderworpen zijn aan de winningsheffing bedoeld in artikel [3 D.254, § 2, eerste lid]3 die zich onvoorwaardelijk richten naar de verplichtingen ontstaan uit de toepassing van de artikelen D.167, D.167bis, D.171, D.172 en D.175;
16° de bijdragen van de natuurlijke of rechtspersonen van privaat of publiek recht waarvan de activiteiten de aard hebben om de schade bedoeld door dit hoofdstuk te veroorzaken of te verzwaren.
[2 17° De opbrengst van het dossierrecht bedoeld in artikel D.227quater, § 2.]2
Wat punt 16° betreft, bepaalt de Regering het deel van iedere categorie van inkomsten en de onderwerpingscriteria, de modaliteiten van bijdrage van de ondernemingen ten gunste van het Fonds en de modaliteiten van invordering van de bijdragen.]1
Art. D287. [1 Le Fonds est alimenté par :
1° le produit de la taxe de prélèvement visée à l'article [3 D. 254, § 2]3;
2° le produit de la contribution de prélèvement sur l'eau potabilisable visée à l'article [3 D.254, § 3]3;
[3 2°/1 le produit de la contribution de prélèvement sur l'eau d'exhaure visée à l'article D.256/1;]3
3° le produit de la contribution de prélèvement sur l'eau souterraine non potabilisable visée à l'article D.256;
4° le produit de la contribution de prélèvement sur l'eau de surface non potabilisable visée à l'article D.257;
5° [4 Sous réserve de l'article D.288, § 1er, alinéa 1er, le produit de la taxe sur le déversement des eaux usées industrielles visée à l'article D.260 ;]4
6° [4 Sous réserve de l'article D.288, § er, alinéa 1er, le produit de la taxe sur le déversement des eaux usées domestiques visée à l'article D.267 ;]4
7° le produit de la taxe sur la charge environnementale générée par les exploitations agricoles visée à l'article D.272;
8° les amendes et les intérêts de retard afférant aux procédures visées à la section 5 du chapitre II du présent titre;
9° les rémunérations des apports en capitaux faits par la Région wallonne à la S.W.D.E. et à la S.P.G.E.;
10° les libéralités et toutes autres recettes occasionnelles qui se rattachent à l'exercice des compétences de la Région en matière d'épuration des eaux de surface;
11° les contributions d'organismes belges, étrangers ou internationaux, à des dépenses en vue de la protection de la ressource en eau;
12° le remboursement des avances récupérables accordées en application de l'article D.21;
13° les sommes perçues en vertu de la subrogation visée à l'article D. 290, § 2;
14° les sommes remboursées en vertu de l'article D. 290, § 3;
15° les versements volontaires des personnes non soumises à la taxe de prélèvement visée à l'article [3 D.254, § 2, alinéa 1er]3 qui se conforment de manière inconditionnelle aux obligations nées de l'application des articles D.167, D.167bis, D.171, D.172 et D.175;
16° les contributions des personnes physiques ou morales de droit privé ou de droit public, dont les activités sont de nature à causer ou à aggraver des dommages visés par le présent chapitre.
[2 17° Le produit du droit de dossier visé à l'article D.227quater, § 2.]2
En ce qui concerne le 16°, le Gouvernement arrête la part de chaque catégorie de ressources et les critères d'assujettissement, les modalités de contribution des entreprises en faveur du Fonds et les modalités de perception des contributions.]1
1° le produit de la taxe de prélèvement visée à l'article [3 D. 254, § 2]3;
2° le produit de la contribution de prélèvement sur l'eau potabilisable visée à l'article [3 D.254, § 3]3;
[3 2°/1 le produit de la contribution de prélèvement sur l'eau d'exhaure visée à l'article D.256/1;]3
3° le produit de la contribution de prélèvement sur l'eau souterraine non potabilisable visée à l'article D.256;
4° le produit de la contribution de prélèvement sur l'eau de surface non potabilisable visée à l'article D.257;
5° [4 Sous réserve de l'article D.288, § 1er, alinéa 1er, le produit de la taxe sur le déversement des eaux usées industrielles visée à l'article D.260 ;]4
6° [4 Sous réserve de l'article D.288, § er, alinéa 1er, le produit de la taxe sur le déversement des eaux usées domestiques visée à l'article D.267 ;]4
7° le produit de la taxe sur la charge environnementale générée par les exploitations agricoles visée à l'article D.272;
8° les amendes et les intérêts de retard afférant aux procédures visées à la section 5 du chapitre II du présent titre;
9° les rémunérations des apports en capitaux faits par la Région wallonne à la S.W.D.E. et à la S.P.G.E.;
10° les libéralités et toutes autres recettes occasionnelles qui se rattachent à l'exercice des compétences de la Région en matière d'épuration des eaux de surface;
11° les contributions d'organismes belges, étrangers ou internationaux, à des dépenses en vue de la protection de la ressource en eau;
12° le remboursement des avances récupérables accordées en application de l'article D.21;
13° les sommes perçues en vertu de la subrogation visée à l'article D. 290, § 2;
14° les sommes remboursées en vertu de l'article D. 290, § 3;
15° les versements volontaires des personnes non soumises à la taxe de prélèvement visée à l'article [3 D.254, § 2, alinéa 1er]3 qui se conforment de manière inconditionnelle aux obligations nées de l'application des articles D.167, D.167bis, D.171, D.172 et D.175;
16° les contributions des personnes physiques ou morales de droit privé ou de droit public, dont les activités sont de nature à causer ou à aggraver des dommages visés par le présent chapitre.
[2 17° Le produit du droit de dossier visé à l'article D.227quater, § 2.]2
En ce qui concerne le 16°, le Gouvernement arrête la part de chaque catégorie de ressources et les critères d'assujettissement, les modalités de contribution des entreprises en faveur du Fonds et les modalités de perception des contributions.]1
Art. D288. [1 § 1. [7 De opbrengst van de belasting op het lozen van industrieel afvalwater bedoeld in artikel D.260 en de opbrengst van de belasting op het lozen van huishoudelijk afvalwater bedoeld in artikel D. 267, worden als volgt bestemd:
1° 60 percent voor de "S.P.G.E. ;
40 percent voor het Fonds voor de bescherming van het leefmilieu, afdeling "waterbescherming" bedoeld in artikel D.170 van Boek I van het Milieuwetboek.]7
[3 De opbrengst van het dossierrecht bedoeld in artikel D.227quater, § 2 wordt bestemd aan de "S.P.G.E.".]3
§ 2. De ontvangsten van het Fonds worden aangewend in het kader van opdrachten betreffende de bescherming van het grondwater, namelijk:
1° de door de milieuvergunninghouders binnen de preventiezone getroffen maatregelen zoals :
a) studies;
b) de nodige werken voor de bescherming van de zone;
c) de in artikel D.174 bedoelde vergoedingen;
d) de werken voor de bestrijding van toevallige vervuilingen binnen de preventiezone;
2° de nodige studies voor het afbakenen van toezichtszones;
3° de vergoedingen voor werken die particulieren uitvoeren om watervervuiling te voorkomen;
4° de werken voor de bestrijding van toevallige vervuilingen in de toezichtszones;
5° de maatregelen inzake toezicht en controle op het voor menselijke consumptie bestemde water;
6° de systemen voor het toezicht en de controle op de grondwatervoorraden;
7° het beheer en de verbetering van de kwaliteit en de kwantiteit van het tot drinkwater verwerkbare water dat beschikbaar is;
8° het beheer en een rationeler gebruik van het grondwater;
9° de studies en de uitvoering van werken die een einde moeten maken aan de overexploitatie van bepaalde waterlagen;
10° de inventarisatie van de grondwatervoorraden van het Gewest en een lijst van de bestaande waterwinningen;
11° de aankoop van onroerende goederen binnen de preventiezones;
12° de getroffen maatregelen voor de terugwinning van het uitgepompte water;
13° de werken voor de bescherming van het grondwater;
Wat de toepassing van de artikelen D.167, D.169, D.171 tot D.176, [4 D.254 en]4 D. 255, betreft, verleent het Fonds zijn tegemoetkoming:
1° op basis van programma's voorgelegd door [4 de exploitanten van winningen van tot drinkwater verwerkbaar water die bijdragen tot de financiering van de bescherming van het tot drinkwater verwerkbaar water overeenkomstig artikel D.254,]4 en goedgekeurd door de Regering;
2° op basis van het door de Regering vastgestelde programma.
§ 3. De ontvangsten van het Fonds worden ook aangewend voor de uitgaven i.v.m. de uitvoering van de volgende opdrachten:
1° de beschermingsmaatregelen waarbij wordt voldaan aan de algemene immissienormen in de zones van tot drinkwater verwerkbaar water;
2° het uitwerken en het uitvoeren van actieprogramma's voor kwetsbare zones;
3° de inning en de invordering van de belastingen en heffingen;
4° de administratieve behandeling van de door het Gewest overeenkomstig de artikelen D.3, D.13, D.167, D.169, D.171 tot D.176, D.252, D.254 tot D.283 ingediende dossiers;
5° de maatregelen inzake toezicht en de dringende maatregelen bedoeld in artikel D.19;
6° de maatregelen die nodig zijn om de doelstellingen bedoeld in artikel D.22 te bereiken en die o.a. betrekking hebben op de huishoudens, bedrijven en landbouw;
7° het opmaken van het bewakingsprogramma, het maatregelenprogramma en het beheersplan voor de stroomgebieden, zoals bedoeld in de artikelen D.19, D.23 en D.24;
8° de maatregelen ter bestrijding van de overstromingen;
9° de financiering van de participaties ten gunste van het Waalse Gewest in het kapitaal van de "S.W.D.E." en in het kapitaal van de "S.P.G.E", waarop ingetekend is door het Waalse Gewest;
10° het opstellen van statistieken waartoe krachtens artikel D.165 werd besloten;
11° het toezicht op de staat van het oppervlaktewater waarin voorzien is bij artikel D.20;
12° het opsporen, het vaststellen en het vervolgen van de overtredingen, krachtens de artikelen D.392 tot D.406;
13° de installatie van erkende zuiveringssystemen en de uitgaven om de controle ervan uit te voeren krachtens artikel D.284;
14° de subsidies bedoeld in artikel D.178;
15° de betaling als tegenprestatie voor de opdrachten en verbintenissen die de "S.P.G.E." en de "S.W.D.E" krachtens het beheerscontract hebben overgenomen;
16° de kosten voor de werking van de wetenschappelijke en technische Waterdienst bedoeld in artikel D.179;
17° de in artikel D.21 bedoelde terugvorderbare voorschotten;
18° de bezoldiging van de door de Regering aangewezen deskundigen om haar bij te staan in de functies die zij moet vervullen krachtens het Waterwetboek en krachtens artikel 81 van de speciale wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen indien het gaat om de onderhandeling over internationale akkoorden betreffende één van de doelstellingen van dit hoofdstuk;
19° de bijdrage tot het "Fonds de solidarité internationale pour l'eau" (Internationaal solidariteitsfonds voor water);
20° de "infrasts" bedoeld in artikel D.285.;
21° de betaling als tegenprestatie voor de opdrachten toevertrouwd aan de operatoren van de watersector.
22° de subsidies aan de "S.W.D.E." om haar openbare opdrachten te vervullen.]1
[5 23° de financieringen en de subsidies aan de "SWDE" om haar opdrachten van openbare dienst te vervullen;]5
[6 24° de financiering van internationale ontwikkelingsprojecten voor de toegang tot water of de sanering van afvalwater in derdewereldlanden, alsook van de projecten met betrekking tot de strijd tegen de klimaatopwarming.]6
[2 § 4. De opbrengst van de winningsbelasting bedoeld in artikel [4 D.254, § 2]4, en de opbrengst van de bijdrage uit de winning van tot drinkwater verwerkbaar water bedoeld in artikel [4 D.254, § 3]4, worden uitsluitend bestemd voor de bescherming van de watervoorraad.]2
1° 60 percent voor de "S.P.G.E. ;
40 percent voor het Fonds voor de bescherming van het leefmilieu, afdeling "waterbescherming" bedoeld in artikel D.170 van Boek I van het Milieuwetboek.]7
[3 De opbrengst van het dossierrecht bedoeld in artikel D.227quater, § 2 wordt bestemd aan de "S.P.G.E.".]3
§ 2. De ontvangsten van het Fonds worden aangewend in het kader van opdrachten betreffende de bescherming van het grondwater, namelijk:
1° de door de milieuvergunninghouders binnen de preventiezone getroffen maatregelen zoals :
a) studies;
b) de nodige werken voor de bescherming van de zone;
c) de in artikel D.174 bedoelde vergoedingen;
d) de werken voor de bestrijding van toevallige vervuilingen binnen de preventiezone;
2° de nodige studies voor het afbakenen van toezichtszones;
3° de vergoedingen voor werken die particulieren uitvoeren om watervervuiling te voorkomen;
4° de werken voor de bestrijding van toevallige vervuilingen in de toezichtszones;
5° de maatregelen inzake toezicht en controle op het voor menselijke consumptie bestemde water;
6° de systemen voor het toezicht en de controle op de grondwatervoorraden;
7° het beheer en de verbetering van de kwaliteit en de kwantiteit van het tot drinkwater verwerkbare water dat beschikbaar is;
8° het beheer en een rationeler gebruik van het grondwater;
9° de studies en de uitvoering van werken die een einde moeten maken aan de overexploitatie van bepaalde waterlagen;
10° de inventarisatie van de grondwatervoorraden van het Gewest en een lijst van de bestaande waterwinningen;
11° de aankoop van onroerende goederen binnen de preventiezones;
12° de getroffen maatregelen voor de terugwinning van het uitgepompte water;
13° de werken voor de bescherming van het grondwater;
Wat de toepassing van de artikelen D.167, D.169, D.171 tot D.176, [4 D.254 en]4 D. 255, betreft, verleent het Fonds zijn tegemoetkoming:
1° op basis van programma's voorgelegd door [4 de exploitanten van winningen van tot drinkwater verwerkbaar water die bijdragen tot de financiering van de bescherming van het tot drinkwater verwerkbaar water overeenkomstig artikel D.254,]4 en goedgekeurd door de Regering;
2° op basis van het door de Regering vastgestelde programma.
§ 3. De ontvangsten van het Fonds worden ook aangewend voor de uitgaven i.v.m. de uitvoering van de volgende opdrachten:
1° de beschermingsmaatregelen waarbij wordt voldaan aan de algemene immissienormen in de zones van tot drinkwater verwerkbaar water;
2° het uitwerken en het uitvoeren van actieprogramma's voor kwetsbare zones;
3° de inning en de invordering van de belastingen en heffingen;
4° de administratieve behandeling van de door het Gewest overeenkomstig de artikelen D.3, D.13, D.167, D.169, D.171 tot D.176, D.252, D.254 tot D.283 ingediende dossiers;
5° de maatregelen inzake toezicht en de dringende maatregelen bedoeld in artikel D.19;
6° de maatregelen die nodig zijn om de doelstellingen bedoeld in artikel D.22 te bereiken en die o.a. betrekking hebben op de huishoudens, bedrijven en landbouw;
7° het opmaken van het bewakingsprogramma, het maatregelenprogramma en het beheersplan voor de stroomgebieden, zoals bedoeld in de artikelen D.19, D.23 en D.24;
8° de maatregelen ter bestrijding van de overstromingen;
9° de financiering van de participaties ten gunste van het Waalse Gewest in het kapitaal van de "S.W.D.E." en in het kapitaal van de "S.P.G.E", waarop ingetekend is door het Waalse Gewest;
10° het opstellen van statistieken waartoe krachtens artikel D.165 werd besloten;
11° het toezicht op de staat van het oppervlaktewater waarin voorzien is bij artikel D.20;
12° het opsporen, het vaststellen en het vervolgen van de overtredingen, krachtens de artikelen D.392 tot D.406;
13° de installatie van erkende zuiveringssystemen en de uitgaven om de controle ervan uit te voeren krachtens artikel D.284;
14° de subsidies bedoeld in artikel D.178;
15° de betaling als tegenprestatie voor de opdrachten en verbintenissen die de "S.P.G.E." en de "S.W.D.E" krachtens het beheerscontract hebben overgenomen;
16° de kosten voor de werking van de wetenschappelijke en technische Waterdienst bedoeld in artikel D.179;
17° de in artikel D.21 bedoelde terugvorderbare voorschotten;
18° de bezoldiging van de door de Regering aangewezen deskundigen om haar bij te staan in de functies die zij moet vervullen krachtens het Waterwetboek en krachtens artikel 81 van de speciale wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen indien het gaat om de onderhandeling over internationale akkoorden betreffende één van de doelstellingen van dit hoofdstuk;
19° de bijdrage tot het "Fonds de solidarité internationale pour l'eau" (Internationaal solidariteitsfonds voor water);
20° de "infrasts" bedoeld in artikel D.285.;
21° de betaling als tegenprestatie voor de opdrachten toevertrouwd aan de operatoren van de watersector.
22° de subsidies aan de "S.W.D.E." om haar openbare opdrachten te vervullen.]1
[5 23° de financieringen en de subsidies aan de "SWDE" om haar opdrachten van openbare dienst te vervullen;]5
[6 24° de financiering van internationale ontwikkelingsprojecten voor de toegang tot water of de sanering van afvalwater in derdewereldlanden, alsook van de projecten met betrekking tot de strijd tegen de klimaatopwarming.]6
[2 § 4. De opbrengst van de winningsbelasting bedoeld in artikel [4 D.254, § 2]4, en de opbrengst van de bijdrage uit de winning van tot drinkwater verwerkbaar water bedoeld in artikel [4 D.254, § 3]4, worden uitsluitend bestemd voor de bescherming van de watervoorraad.]2
Wijzigingen
Art. D288. [1 § 1er. [7 Le produit de la taxe sur le déversement des eaux usées industrielles visée à l'article D.260 et le produit de la taxe sur le déversement des eaux usées domestiques visée à l'article D. 267, sont affectés à concurrence de :
1° soixante pour cent à la S.P.G.E. ;
2° quarante pour cent au Fonds pour la Protection de l'Environnement, section "protection des eaux", visé à l'article D.170 du Livre Ier du Code de l'Environnement.]7
[3 Le produit du droit de dossier visé à l'article D.227quater, § 2, est affecté à la S.P.G.E.]3
§ 2. Les recettes du Fonds sont affectées à la réalisation des missions visant à assurer la protection des eaux souterraines, notamment :
1° les actions entreprises par les titulaires de permis dans la zone de prévention, telles que :
a) les études;
b) les travaux indispensables à la protection de la zone;
c) les indemnisations prévues à l'article D.174;
d) les travaux destinés à lutter contre des pollutions accidentelles dans les zones de prévention;
2° les études nécessaires à la délimitation des zones de surveillance;
3° les indemnisations de travaux faits par les particuliers en vue d'éviter la pollution des eaux;
4° les travaux destinés à lutter contre les pollutions accidentelles dans les zones de surveillance;
5° les mesures de surveillance et de contrôle des eaux destinées à la consommation humaine;
6° les systèmes de surveillance et de contrôle des ressources en eau souterraine;
7° la gestion et l'amélioration de la qualité et de la quantité de l'eau potabilisable disponible;
8° la gestion et l'amélioration de l'utilisation rationnelle de l'eau souterraine;
9° les études et la réalisation des travaux destinés à remédier à la surexploitation de certaines nappes aquifères;
10° le recensement des ressources aquifères de la Région et l'inventaire des prises d'eau existantes;
11° l'acquisition de biens immeubles au sein des zones de prévention;
12° les actions entreprises en vue de récupérer les eaux d'exhaure;
13° les travaux destinés à préserver les eaux souterraines.
Pour ce qui concerne l'application des articles D.167, D.169, D.171 à D.176, [4 D.254 et]4 D. 255, le Fonds intervient selon les modalités suivantes :
1° sur la base des programmes proposés par [4 les exploitants de prise d'eau potabilisable contribuant au financement de la protection de l'eau potabilisable conformément à l'article D.254,]4 et approuvés par le Gouvernement;
2° sur la base du programme défini par le Gouvernement.
§ 3. Les recettes du Fonds sont affectées également aux dépenses inhérentes à la réalisation des missions suivantes :
1° la prise des mesures de protection destinées à assurer le respect des normes générales d'immission dans les zones d'eaux potabilisables;
2° l'élaboration et la mise en oeuvre des programmes d'actions dans les zones vulnérables;
3° la perception et le recouvrement des contributions et des taxes;
4° le traitement administratif des dossiers introduits, en application des articles D.3, D.13, D.167, D.169, D.171 à D.176, D.252, D.254 à D. 283, par la Région;
5° les mesures de surveillance et les mesures d'urgence visées à l'article D.19;
6° les mesures nécessaires pour atteindre les objectifs visés à l'article D.22 touchant notamment le secteur des ménages, le secteur industriel et le secteur agricole;
7° l'élaboration des programmes de surveillance et de mesures et du plan de gestion de bassin hydrographique, visés aux articles D.19, D.23 et D.24;
8° les mesures destinées à lutter contre les inondations;
9° le financement de prises de participation au profit de la Région wallonne dans le capital de la S.W.D.E. et dans le capital de la S.P.G.E. souscrites par la Région wallonne;
10° l'établissement de statistiques, décidé en vertu de l'article D.165;
11° la surveillance de l'état des eaux de surface prévue par l'article D.20;
12° la recherche, à la constatation et à la poursuite des infractions, en vertu des articles D.392 à D.406;
13° l'installation des systèmes d'épuration agréés et les dépenses en vue d'exercer leurs contrôles en vertu de l'article D.284;
14° les subventions prévues par l'article D.178;
15° la rétribution en contrepartie des missions et engagements repris par la S.P.G.E. et par la S.W.D.E en vertu du contrat de gestion;
16° les frais de fonctionnement du service scientifique et technique de l'eau visé à l'article D.179;
17° les avances récupérables prévues à l'article D.21;
18° la rémunération des experts désignés par le Gouvernement pour l'assister dans les fonctions qu'il remplit en vertu du Code de l'Eau et en vertu de l'article 81 de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles s'il s'agit de la négociation d'accords internationaux relatifs à l'un des objets du présent chapitre;
19° la contribution au Fonds de solidarité internationale pour l'eau;
20° les infrasts prévues à l'article D.285.;
21° la rétribution en contrepartie de missions confiées aux opérateurs du secteur de l'eau.
22° les subventions à la S.W.D.E. pour remplir ses missions de service public.]1
[5 23° les financements et subventions à la S.P.G.E pour remplir ses missions de service public;]5
[6 24° le financement de projets internationaux de développement pour l'accès à l'eau ou l'assainissement des eaux usées dans des pays du tiers-monde, ainsi que les projets relatifs à la lutte contre le réchauffement climatique.]6
[2 § 4. Le produit de la taxe de prélèvement visée à l'article [4 D.254, § 2]4, et le produit de la contribution de prélèvement sur l'eau potabilisable visée à l'article [4 D.254, § 3]4, sont affectés exclusivement à la protection de la ressource en eau.]2
1° soixante pour cent à la S.P.G.E. ;
2° quarante pour cent au Fonds pour la Protection de l'Environnement, section "protection des eaux", visé à l'article D.170 du Livre Ier du Code de l'Environnement.]7
[3 Le produit du droit de dossier visé à l'article D.227quater, § 2, est affecté à la S.P.G.E.]3
§ 2. Les recettes du Fonds sont affectées à la réalisation des missions visant à assurer la protection des eaux souterraines, notamment :
1° les actions entreprises par les titulaires de permis dans la zone de prévention, telles que :
a) les études;
b) les travaux indispensables à la protection de la zone;
c) les indemnisations prévues à l'article D.174;
d) les travaux destinés à lutter contre des pollutions accidentelles dans les zones de prévention;
2° les études nécessaires à la délimitation des zones de surveillance;
3° les indemnisations de travaux faits par les particuliers en vue d'éviter la pollution des eaux;
4° les travaux destinés à lutter contre les pollutions accidentelles dans les zones de surveillance;
5° les mesures de surveillance et de contrôle des eaux destinées à la consommation humaine;
6° les systèmes de surveillance et de contrôle des ressources en eau souterraine;
7° la gestion et l'amélioration de la qualité et de la quantité de l'eau potabilisable disponible;
8° la gestion et l'amélioration de l'utilisation rationnelle de l'eau souterraine;
9° les études et la réalisation des travaux destinés à remédier à la surexploitation de certaines nappes aquifères;
10° le recensement des ressources aquifères de la Région et l'inventaire des prises d'eau existantes;
11° l'acquisition de biens immeubles au sein des zones de prévention;
12° les actions entreprises en vue de récupérer les eaux d'exhaure;
13° les travaux destinés à préserver les eaux souterraines.
Pour ce qui concerne l'application des articles D.167, D.169, D.171 à D.176, [4 D.254 et]4 D. 255, le Fonds intervient selon les modalités suivantes :
1° sur la base des programmes proposés par [4 les exploitants de prise d'eau potabilisable contribuant au financement de la protection de l'eau potabilisable conformément à l'article D.254,]4 et approuvés par le Gouvernement;
2° sur la base du programme défini par le Gouvernement.
§ 3. Les recettes du Fonds sont affectées également aux dépenses inhérentes à la réalisation des missions suivantes :
1° la prise des mesures de protection destinées à assurer le respect des normes générales d'immission dans les zones d'eaux potabilisables;
2° l'élaboration et la mise en oeuvre des programmes d'actions dans les zones vulnérables;
3° la perception et le recouvrement des contributions et des taxes;
4° le traitement administratif des dossiers introduits, en application des articles D.3, D.13, D.167, D.169, D.171 à D.176, D.252, D.254 à D. 283, par la Région;
5° les mesures de surveillance et les mesures d'urgence visées à l'article D.19;
6° les mesures nécessaires pour atteindre les objectifs visés à l'article D.22 touchant notamment le secteur des ménages, le secteur industriel et le secteur agricole;
7° l'élaboration des programmes de surveillance et de mesures et du plan de gestion de bassin hydrographique, visés aux articles D.19, D.23 et D.24;
8° les mesures destinées à lutter contre les inondations;
9° le financement de prises de participation au profit de la Région wallonne dans le capital de la S.W.D.E. et dans le capital de la S.P.G.E. souscrites par la Région wallonne;
10° l'établissement de statistiques, décidé en vertu de l'article D.165;
11° la surveillance de l'état des eaux de surface prévue par l'article D.20;
12° la recherche, à la constatation et à la poursuite des infractions, en vertu des articles D.392 à D.406;
13° l'installation des systèmes d'épuration agréés et les dépenses en vue d'exercer leurs contrôles en vertu de l'article D.284;
14° les subventions prévues par l'article D.178;
15° la rétribution en contrepartie des missions et engagements repris par la S.P.G.E. et par la S.W.D.E en vertu du contrat de gestion;
16° les frais de fonctionnement du service scientifique et technique de l'eau visé à l'article D.179;
17° les avances récupérables prévues à l'article D.21;
18° la rémunération des experts désignés par le Gouvernement pour l'assister dans les fonctions qu'il remplit en vertu du Code de l'Eau et en vertu de l'article 81 de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles s'il s'agit de la négociation d'accords internationaux relatifs à l'un des objets du présent chapitre;
19° la contribution au Fonds de solidarité internationale pour l'eau;
20° les infrasts prévues à l'article D.285.;
21° la rétribution en contrepartie de missions confiées aux opérateurs du secteur de l'eau.
22° les subventions à la S.W.D.E. pour remplir ses missions de service public.]1
[5 23° les financements et subventions à la S.P.G.E pour remplir ses missions de service public;]5
[6 24° le financement de projets internationaux de développement pour l'accès à l'eau ou l'assainissement des eaux usées dans des pays du tiers-monde, ainsi que les projets relatifs à la lutte contre le réchauffement climatique.]6
[2 § 4. Le produit de la taxe de prélèvement visée à l'article [4 D.254, § 2]4, et le produit de la contribution de prélèvement sur l'eau potabilisable visée à l'article [4 D.254, § 3]4, sont affectés exclusivement à la protection de la ressource en eau.]2
Wijzigingen
Art. D289. [1 § 1. Het Fonds heeft onder meer als opdracht het herstel van schade veroorzaakt door grondwaterwinningen en oppompingen.
§ 2. De Waalse Regering kan, ten laste van het Fonds, binnen de voorwaarden en de perken van de artikelen D.210 tot D.215 en D.289 tot D.291, voorschotten toekennen in de gevallen van schade bedoeld in artikel D210, alsook voorschotten voor de financiering van de studies en expertises nodig voor de vaststelling en de evaluatie van de schade.
§ 3. De uitgaven verbonden aan de uitvoering van de maatregelen en de algemene studies met het oog op het voorkomen en het beperken van de schade bedoeld in artikel D.210, kunnen bovendien aangerekend worden op het Fonds.
Deze studies die, onder andere, betrekking hebben op belangrijke toekomstige en bestaande grondwaterwinningen, dienen als basis voor elke expertise die opgesteld wordt in geval van een verzoek tot vergoeding.
§ 4. De Regering mag de grenzen, de modaliteiten en de voorwaarden voor de uitoefening van de in de paragrafen 1 tot 3 bedoelde opdrachten nader bepalen.
§ 5. Het "Fonds wallon d'avances pour la reparation des dommages provoqués par les prises et pompages d'eau souterraine" (Waals fonds van voorschotten voor het herstel van schade veroorzaakt door grondwaterwinning en -oppomping), bedoeld in artikel D.325 van het Waterwetboek gecoördineerd bij het besluit van de Waalse Regering van 3 maart 2005 betreffende Boek II van het Milieuwetboek, vervalt.
§ 6. Het Gewest verzekert de verplichtingen van het Nationaal Fonds voor voorschotten opgericht bij artikel 7 van de wet van 10 januari 1977 houdende regeling van de schadeloosstelling voor schade veroorzaakt door het winnen en het pompen van grondwater.
§ 7. De ten voordele van het Waals Fonds voor voorschotten toegekende wettelijke hypotheken worden van rechtswege overgedragen naar het Waalse Gewest.
§ 8. De Regering kan de krachtens dit artikel genomen hypotheken opheffen voor zover een gelijkwaardige zekerheid ten gunste van het Waalse Gewest wordt gesteld.
§ 9. De ambtenaren van de Waalse Overheidsdienst die eerder aangewezen werden om de werking van het Waals fonds van voorschotten te verzekeren, zijn belast met de uitbetaling van dit Fonds.
§ 10. De tegoeden van het Waals Fonds van voorschotten voor het herstel van schade veroorzaakt door grondwaterwinningen en pompingen worden overgedragen aan het Gewest en aangewend in het Fonds voor Milieubescherming, afdeling " waterbescherming ", bedoeld in artikel 170 van Boek I van het Milieuwetboek.]1
§ 2. De Waalse Regering kan, ten laste van het Fonds, binnen de voorwaarden en de perken van de artikelen D.210 tot D.215 en D.289 tot D.291, voorschotten toekennen in de gevallen van schade bedoeld in artikel D210, alsook voorschotten voor de financiering van de studies en expertises nodig voor de vaststelling en de evaluatie van de schade.
§ 3. De uitgaven verbonden aan de uitvoering van de maatregelen en de algemene studies met het oog op het voorkomen en het beperken van de schade bedoeld in artikel D.210, kunnen bovendien aangerekend worden op het Fonds.
Deze studies die, onder andere, betrekking hebben op belangrijke toekomstige en bestaande grondwaterwinningen, dienen als basis voor elke expertise die opgesteld wordt in geval van een verzoek tot vergoeding.
§ 4. De Regering mag de grenzen, de modaliteiten en de voorwaarden voor de uitoefening van de in de paragrafen 1 tot 3 bedoelde opdrachten nader bepalen.
§ 5. Het "Fonds wallon d'avances pour la reparation des dommages provoqués par les prises et pompages d'eau souterraine" (Waals fonds van voorschotten voor het herstel van schade veroorzaakt door grondwaterwinning en -oppomping), bedoeld in artikel D.325 van het Waterwetboek gecoördineerd bij het besluit van de Waalse Regering van 3 maart 2005 betreffende Boek II van het Milieuwetboek, vervalt.
§ 6. Het Gewest verzekert de verplichtingen van het Nationaal Fonds voor voorschotten opgericht bij artikel 7 van de wet van 10 januari 1977 houdende regeling van de schadeloosstelling voor schade veroorzaakt door het winnen en het pompen van grondwater.
§ 7. De ten voordele van het Waals Fonds voor voorschotten toegekende wettelijke hypotheken worden van rechtswege overgedragen naar het Waalse Gewest.
§ 8. De Regering kan de krachtens dit artikel genomen hypotheken opheffen voor zover een gelijkwaardige zekerheid ten gunste van het Waalse Gewest wordt gesteld.
§ 9. De ambtenaren van de Waalse Overheidsdienst die eerder aangewezen werden om de werking van het Waals fonds van voorschotten te verzekeren, zijn belast met de uitbetaling van dit Fonds.
§ 10. De tegoeden van het Waals Fonds van voorschotten voor het herstel van schade veroorzaakt door grondwaterwinningen en pompingen worden overgedragen aan het Gewest en aangewend in het Fonds voor Milieubescherming, afdeling " waterbescherming ", bedoeld in artikel 170 van Boek I van het Milieuwetboek.]1
Art. D289. [1 § 1er Le Fonds a en outre comme mission la réparation des dommages provoqués par les prises et pompages d'eau souterraine.
§ 2. Le Gouvernement wallon peut consentir, à charge du Fonds, dans les conditions et les limites des articles D.210 à D.215 et D.289 à D.291, des avances dans les cas de dommages visés à l'article D.210, ainsi que des avances pour le financement d'études et d'expertises nécessaires à la constatation et à l'évaluation des dommages.
§ 3. En outre, peuvent être imputées à charge du Fonds les dépenses relatives à l'exécution de mesures et d'études générales en vue de prévenir et de limiter les dommages visés à l'article D.210.
Les études, qui ont notamment trait à d'importantes prises d'eau souterraine projetées ou existantes, servent de base à toute expertise qui est établie lors d'une demande d'indemnisation.
§ 4. Le Gouvernement peut préciser les limites, les modalités et les conditions dans lesquelles sont exercées les missions prévues aux paragraphes 1 à 3.
§ 5. Le Fonds wallon d'avances pour la réparation des dommages provoqués par les prises et pompages d'eau souterraine, visé à l'article D.325 du Code de l'Eau coordonné par l'arrêté du Gouvernement wallon du 3 mars 2005 relatif au livre II du Code de l'Environnement est supprimé.
§ 6. La Région assure les obligations du Fonds national d'avances créé par l'article 7 de la loi du 10 janvier 1977 organisant la réparation des dommages causés par des prises et des pompages d'eau souterraine.
§ 7. Les hypothèques légales accordées en faveur du Fonds wallon d'avances sont transférées de plein droit à la Région wallonne.
§ 8. Le Gouvernement peut donner mainlevée des hypothèques prises en vertu du présent article pour autant que soit constituée au profit de la Région wallonne une sûreté équivalente.
§ 9. Les agents du Service public de Wallonie qui ont été désignés précédemment par le Gouvernement pour assurer le fonctionnement du Fonds wallon d'avances, sont chargés de procéder à la liquidation dudit Fonds.
§ 10. Les avoirs du Fonds wallon d'avances pour la réparation des dommages provoqués par les prises et les pompages d'eau souterraine sont transférés à la Région et affectés au Fonds pour la protection de l'Environnement, section " protection des eaux ", visé à l'article D.170 .du Livre Ier du Code de l'Environnement.]1
§ 2. Le Gouvernement wallon peut consentir, à charge du Fonds, dans les conditions et les limites des articles D.210 à D.215 et D.289 à D.291, des avances dans les cas de dommages visés à l'article D.210, ainsi que des avances pour le financement d'études et d'expertises nécessaires à la constatation et à l'évaluation des dommages.
§ 3. En outre, peuvent être imputées à charge du Fonds les dépenses relatives à l'exécution de mesures et d'études générales en vue de prévenir et de limiter les dommages visés à l'article D.210.
Les études, qui ont notamment trait à d'importantes prises d'eau souterraine projetées ou existantes, servent de base à toute expertise qui est établie lors d'une demande d'indemnisation.
§ 4. Le Gouvernement peut préciser les limites, les modalités et les conditions dans lesquelles sont exercées les missions prévues aux paragraphes 1 à 3.
§ 5. Le Fonds wallon d'avances pour la réparation des dommages provoqués par les prises et pompages d'eau souterraine, visé à l'article D.325 du Code de l'Eau coordonné par l'arrêté du Gouvernement wallon du 3 mars 2005 relatif au livre II du Code de l'Environnement est supprimé.
§ 6. La Région assure les obligations du Fonds national d'avances créé par l'article 7 de la loi du 10 janvier 1977 organisant la réparation des dommages causés par des prises et des pompages d'eau souterraine.
§ 7. Les hypothèques légales accordées en faveur du Fonds wallon d'avances sont transférées de plein droit à la Région wallonne.
§ 8. Le Gouvernement peut donner mainlevée des hypothèques prises en vertu du présent article pour autant que soit constituée au profit de la Région wallonne une sûreté équivalente.
§ 9. Les agents du Service public de Wallonie qui ont été désignés précédemment par le Gouvernement pour assurer le fonctionnement du Fonds wallon d'avances, sont chargés de procéder à la liquidation dudit Fonds.
§ 10. Les avoirs du Fonds wallon d'avances pour la réparation des dommages provoqués par les prises et les pompages d'eau souterraine sont transférés à la Région et affectés au Fonds pour la protection de l'Environnement, section " protection des eaux ", visé à l'article D.170 .du Livre Ier du Code de l'Environnement.]1
Art. D290. [1 § 1. In het geval dat een dagvaarding in rechte ingeleid wordt overeenkomstig artikel D.212, kan een voorschot worden toegekend naar billijkheid indien een beknopt onderzoek het bestaan van een relatie tussen de schade, de daling van de grondwaterlaag en de waterwinning of pomping heeft aangetoond.
§ 2. Het Waalse Gewest wordt in de rechten en rechtsvorderingen van de benadeelde persoon gesubrogeerd ten belope van het volledige voorschot en gaat over, ten laste van het Fonds, tot invordering van haar voorschotten.
§ 3. De begunstigde van het voorschot wiens rechtsvordering bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing verworpen werd, moet het voorschot terugbetalen.]1
§ 2. Het Waalse Gewest wordt in de rechten en rechtsvorderingen van de benadeelde persoon gesubrogeerd ten belope van het volledige voorschot en gaat over, ten laste van het Fonds, tot invordering van haar voorschotten.
§ 3. De begunstigde van het voorschot wiens rechtsvordering bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing verworpen werd, moet het voorschot terugbetalen.]1
Art. D290. [1 § 1er. Au cas où une citation en justice est introduite comme prévu à l'article D.212, une avance peut être consentie en équité lorsqu'une enquête sommaire a établi l'existence d'une relation entre le dommage, l'abaissement de la nappe aquifère souterraine et la prise ou le pompage d'eau.
§ 2. La Région wallonne est subrogée aux droits et aux actions en justice de la personne lésée jusqu'à concurrence de l'avance liquidée et procède, à charge du Fonds, au recouvrement de ses débours.
§ 3. Le bénéficiaire de l'avance débouté de son action en justice par une décision coulée en force de chose jugée est tenu de rembourser l'avance, sans intérêt.]1
§ 2. La Région wallonne est subrogée aux droits et aux actions en justice de la personne lésée jusqu'à concurrence de l'avance liquidée et procède, à charge du Fonds, au recouvrement de ses débours.
§ 3. Le bénéficiaire de l'avance débouté de son action en justice par une décision coulée en force de chose jugée est tenu de rembourser l'avance, sans intérêt.]1
Art. D291.
Art. D291.
Art. D292.
Art. D292.
Art. D293.
Art. D293.
Art. D293bis.
Art. D293bis.
Art. D294
Art. D294.
Art. D295.
Art. D295.
Art. D296.
Art. D296.
Art. D297.
Art. D297.
Art. D298.
Art. D298.
Art. D299.
Art. D299.
Art. D300.
Art. D300.
Art. D301.
Art. D301.
Art. D302.
Art. D302.
Art. D303.
Art. D303.
Art. D304.
Art. D304.
Art. D305.
Art. D305.
Art. D306.
Art. D306.
Art. D307.
Art. D307.
Art. D308.
Art. D308.
Art. D309.
Art. D309.
Art. D310.
Art. D310.
Art. D311.
Art. D311.
Art. D312.
Art. D312.
Art. D313.
Art. D313.
Art. D314.
Art. D314.
Art. D315.
Art. D315.
Art. D316.
Art. D316.
Art. D317.
Art. D317.
Art. D318.
Art. D318.
Art. D319.
Art. D319.
Art. D320.
Art. D320.
Art. D321.
Art. D321.
Art. D322.
Art. D322.
Art. D323.
Art. D323.
Art. D324.
Art. D324.
Art. D325.
Art. D325.
Art. D326.
Art. D326.
Art. D327.
Art. D327.
Art. D328.
Art. D328.
Art. D329.
Art. D329.
Art. D330.
Art. D330.
Art. D330 -1.[1 Het bedrag van de belastingen, retributies en bijdragen wordt jaarlijks op 1 januari van rechtswege geïndexeerd op basis van het indexcijfer van de consumptieprijzen dat zes weken vóór de datum van de indexering van kracht is
Lid 1 van dit artikel is niet van toepassing op :
(1) de winningsbijdrage bedoeld in artikel D.254, § 3, voor de in 2024 en 2025
gewonnen volumes;
2° de in de artikelen D.267 tot en met D.270 bedoelde belasting op de lozing van huishoudelijk afvalwater.]1
Lid 1 van dit artikel is niet van toepassing op :
(1) de winningsbijdrage bedoeld in artikel D.254, § 3, voor de in 2024 en 2025
gewonnen volumes;
2° de in de artikelen D.267 tot en met D.270 bedoelde belasting op de lozing van huishoudelijk afvalwater.]1
Art. D330 -1.[1 Au 1er janvier de chaque année, le montant des taxes, redevances et contributions est de plein droit indexé sur la base de l'indice des prix à la consommation en vigueur six semaines avant la date de l'indexation.
L'alinéa 1er du présent article n'est pas applicable à :
1° la contribution de prélèvement prévue à l'article D.254, § 3, pour les volumes prélevés en 2024 et en 2025 ;
2° la taxe sur les déversements d'eaux usées domestiques visée aux articles D.267 à D.270.]1
L'alinéa 1er du présent article n'est pas applicable à :
1° la contribution de prélèvement prévue à l'article D.254, § 3, pour les volumes prélevés en 2024 et en 2025 ;
2° la taxe sur les déversements d'eaux usées domestiques visée aux articles D.267 à D.270.]1
Wijzigingen
TITEL III.. - Instellingen voor het beheer van de antropogene watercyclus.
TITRE III. - Organismes de gestion du cycle anthropique de l'eau.
HOOFDSTUK I. - Inzake bescherming van winningen en zuivering.
CHAPITRE Ier. - Dans le domaine de la protection des captages et de l'assainissement.
Afdeling I. - "Société publique de gestion de l'eau" (Openbare Maatschappij voor Waterbeheer).
Section 1re. - Société publique de Gestion de l'Eau.
Onderafdeling I. - Oprichting, maatschappelijk doel en toepasselijke wetten, werking, samenstelling en controle.
Sous-section 1re. - Création, objet social et lois applicables, fonctionnement, composition et contrôle.
Art. D331. § 1. [5 Er wordt een vennootschap opgericht met de naam "Société publique de gestion de l'eau", afgekort "S.P.G.E.". ".
[6 Het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]6 is van toepassing op de "S.P.G.E"., onverminderd de bepalingen van deze afdeling en voor zover dit HOOFDSTUK daarvan niet afwijkt wegens het openbare karakter van de "S.P.G.E.". De "S.P.G.E." is een vennootschap in de zin van het Wetboek van economisch recht.
Artikel 2:56, lid 2, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen is niet van toepassing op de aansprakelijkheid van bestuurders.]5
§ 2. De statuten van de "S.P.G.E." en hun wijzigingen behoeven de goedkeuring van de Regering.
[5 ...]5
§ 3. De [5 "S.P.G.E."]5 wordt vrijgesteld van de onroerende voorheffing.
§ 4. De maatschappelijke en administratieve zetel van de [5 "S.P.G.E."]5 worden gevestigd te Verviers.
§ 5. [5 ...]5
[6 Het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]6 is van toepassing op de "S.P.G.E"., onverminderd de bepalingen van deze afdeling en voor zover dit HOOFDSTUK daarvan niet afwijkt wegens het openbare karakter van de "S.P.G.E.". De "S.P.G.E." is een vennootschap in de zin van het Wetboek van economisch recht.
Artikel 2:56, lid 2, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen is niet van toepassing op de aansprakelijkheid van bestuurders.]5
§ 2. De statuten van de "S.P.G.E." en hun wijzigingen behoeven de goedkeuring van de Regering.
[5 ...]5
§ 3. De [5 "S.P.G.E."]5 wordt vrijgesteld van de onroerende voorheffing.
§ 4. De maatschappelijke en administratieve zetel van de [5 "S.P.G.E."]5 worden gevestigd te Verviers.
§ 5. [5 ...]5
Wijzigingen
Art. D331. § 1er. [5 Il est institué une société qui porte la dénomination de " Société publique de gestion de l'eau ", en abrégé " S.P.G.E. ".
[6 Le Code des sociétés et des associations]6 est applicable à la S.P.G.E., sans préjudice des dispositions de la présente section et pour autant que le présent CHAPITRE n'y déroge pas en raison du caractère public de la S.P.G.E. La S.P.G.E. est une entreprise au sens du Code de droit économique.
En matière de responsabilité des dirigeants, il est dérogé à l'article 2:56, alinéa 2, du Code des sociétés et des associations. ]5
§ 2. Les statuts de la S.P.G.E. et leurs modifications sont soumis à l'approbation du Gouvernement.
[5 ...]5.
§ 3. La [5 " S.P.G.E. "]5 est exonérée du précompte immobilier.
§ 4. Le siège social et le siège administratif de la [5 " S.P.G.E. "]5 sont établis à Verviers.
[3 § 5. [5 ...]5.
[6 Le Code des sociétés et des associations]6 est applicable à la S.P.G.E., sans préjudice des dispositions de la présente section et pour autant que le présent CHAPITRE n'y déroge pas en raison du caractère public de la S.P.G.E. La S.P.G.E. est une entreprise au sens du Code de droit économique.
En matière de responsabilité des dirigeants, il est dérogé à l'article 2:56, alinéa 2, du Code des sociétés et des associations. ]5
§ 2. Les statuts de la S.P.G.E. et leurs modifications sont soumis à l'approbation du Gouvernement.
[5 ...]5.
§ 3. La [5 " S.P.G.E. "]5 est exonérée du précompte immobilier.
§ 4. Le siège social et le siège administratif de la [5 " S.P.G.E. "]5 sont établis à Verviers.
[3 § 5. [5 ...]5.
Wijzigingen
Art. D332. § 1. De [7 S.P.G.E.]7 heeft tot doel :
1° [3 [4 het tot drinkwater verwerkbaar water]4 te beschermen, voor de collectieve sanering van het afvalwater te zorgen en het openbare beheer van de autonome sanering waar te nemen;]3
2° [7 tussen te komen in de operaties die deel uitmaken van de watercyclus en de coördinatie van deze operaties en de implementatie van synergieën bevorderen, met de mogelijkheid om sectorale samenwerkingsplatforms en gedeelde dienstencentra te implementeren, waarbij gestreefd wordt naar de optimalisatie en harmonisatie van de activiteiten in de watersector in het Waals Gewest;]7
3° tot de doorzichtigheid van de verschillende kosten die optreden in de kringloop van het water bij te dragen;
4° onderzoeken uit te voeren om de haar opgelegde doelstellingen te bereiken;
5° opdrachten te vervullen die haar zijn toevertrouwd door de Waalse Regering in de watersector en met name zoals bepaald in de statuten.
§ 2. Bij het nastreven van haar maatschappelijk doel [7 ...]7 vervult de [7 S.P.G.E.]7 de volgende openbare opdrachten :
1° als dienstverlening, de [3 collectieve]3 zuivering van het afvalwater op het grondgebied van het Waalse Gewest om een duurzame, evenwichtige en rechtvaardige drinkwatervoorziening aan de verbruikers te garanderen met inachtneming van de naleving van de beginselen van de reële kost en van de solidariteit.
Deze opdracht wordt uitgeoefend met de medewerking van [1 saneringsinstellingen]1 erkend krachtens artikelen 344 tot 345;
[3 1°bis als dienstverlening, het openbare beheer van de autonome sanering overeenkomstig de artikelen D.222/1 tot D.222/4;]3
2° [4 de bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water [6 ...]6 ten gunste van de producenten van tot drinkwater verwerkbaar water.
Die opdracht wordt overeenkomstig artikel D.176bis uitgevoerd en kan met de in artikel D.169 bedoelde houders van waterwinningen uitgeoefend worden;]4
3° de ontwikkeling van middelen die nodig zijn om haar maatschappelijk doel te bereiken, met name via de eigen middelen die ze ontwikkelt als tegenprestatie voor de diensten die ze verleent inzake bescherming en zuivering en via elke willekeurige financiële verrichting;
4° de bevordering van een coördinatie tussen de afwatering en de zuivering via een tegemoetkoming in de kosten van de uitvoering van de afwateringswerken bedoeld in artikel 217, tweede lid. De tegemoetkomingsvoorwaarden worden bepaald door de Waalse Regering op voorstel van de "S.P.G.E.";
5° [7 de nodige studies uit te voeren om het beheer van de waterkringloop te verbeteren door de convergentie tussen producenten, verdelers en saneringsinstellingen te identificeren en te bevorderen;]7
6° de opdrachten uitvoeren die haar toevertrouwd worden bij artikelen 234 tot 251;
[2 7° alle verrichtingen die betrekking hebben op het beheer van industrieel afvalwater uitvoeren of laten uitvoeren;]2
[3 8° de rol van aankoop- of opdrachtencentrale te vervullen.]3
[5 9° het verlenen, de opschorsing of de intrekking van de erkenning als certificeerders voor de toepassing van het "CertIBEau" van de personen bedoeld in artikel D.227quater, § 1, en als opleidingscentra bedoeld in artikel D.227quater, § 3]5
[2 § 3. De Regering kan de "S.P.G.E." ermee belasten werken uit te voeren voor de bescherming [4 van tot drinkwater verwerkbaar water]4 wanneer deze nodig blijken te zijn en voor zover ze in de in § 2 bedoelde programma's niet worden vermeld en voorgesteld door de producenten.]2
[2 § 4. [7 De "S.P.G.E." kan rechtstreeks of onrechtstreeks participeren in Belgische of buitenlandse publiek of privaatrechtelijke ondernemingen, verenigingen en instellingen, met inbegrip van de oprichting van filialen, waarvan het maatschappelijk doel overeenstemt met hun doel.
Wanneer de S.P.G.E. besluit bedrijven als bedoeld in lid 1 te verwerven of af te stoten, stelt zij de Minister-President van de Regering, de verantwoordelijke minister en de minister van Begroting daarvan per aangetekende brief met ontvangstbevestiging in kennis. De Regering beschikt over een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van deze beslissing, om haar opmerkingen kenbaar te maken of zich daartegen te verzetten.
Bij gebreke daarvan wordt de beslissing geacht te zijn goedgekeurd.]7]2
1° [3 [4 het tot drinkwater verwerkbaar water]4 te beschermen, voor de collectieve sanering van het afvalwater te zorgen en het openbare beheer van de autonome sanering waar te nemen;]3
2° [7 tussen te komen in de operaties die deel uitmaken van de watercyclus en de coördinatie van deze operaties en de implementatie van synergieën bevorderen, met de mogelijkheid om sectorale samenwerkingsplatforms en gedeelde dienstencentra te implementeren, waarbij gestreefd wordt naar de optimalisatie en harmonisatie van de activiteiten in de watersector in het Waals Gewest;]7
3° tot de doorzichtigheid van de verschillende kosten die optreden in de kringloop van het water bij te dragen;
4° onderzoeken uit te voeren om de haar opgelegde doelstellingen te bereiken;
5° opdrachten te vervullen die haar zijn toevertrouwd door de Waalse Regering in de watersector en met name zoals bepaald in de statuten.
§ 2. Bij het nastreven van haar maatschappelijk doel [7 ...]7 vervult de [7 S.P.G.E.]7 de volgende openbare opdrachten :
1° als dienstverlening, de [3 collectieve]3 zuivering van het afvalwater op het grondgebied van het Waalse Gewest om een duurzame, evenwichtige en rechtvaardige drinkwatervoorziening aan de verbruikers te garanderen met inachtneming van de naleving van de beginselen van de reële kost en van de solidariteit.
Deze opdracht wordt uitgeoefend met de medewerking van [1 saneringsinstellingen]1 erkend krachtens artikelen 344 tot 345;
[3 1°bis als dienstverlening, het openbare beheer van de autonome sanering overeenkomstig de artikelen D.222/1 tot D.222/4;]3
2° [4 de bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water [6 ...]6 ten gunste van de producenten van tot drinkwater verwerkbaar water.
Die opdracht wordt overeenkomstig artikel D.176bis uitgevoerd en kan met de in artikel D.169 bedoelde houders van waterwinningen uitgeoefend worden;]4
3° de ontwikkeling van middelen die nodig zijn om haar maatschappelijk doel te bereiken, met name via de eigen middelen die ze ontwikkelt als tegenprestatie voor de diensten die ze verleent inzake bescherming en zuivering en via elke willekeurige financiële verrichting;
4° de bevordering van een coördinatie tussen de afwatering en de zuivering via een tegemoetkoming in de kosten van de uitvoering van de afwateringswerken bedoeld in artikel 217, tweede lid. De tegemoetkomingsvoorwaarden worden bepaald door de Waalse Regering op voorstel van de "S.P.G.E.";
5° [7 de nodige studies uit te voeren om het beheer van de waterkringloop te verbeteren door de convergentie tussen producenten, verdelers en saneringsinstellingen te identificeren en te bevorderen;]7
6° de opdrachten uitvoeren die haar toevertrouwd worden bij artikelen 234 tot 251;
[2 7° alle verrichtingen die betrekking hebben op het beheer van industrieel afvalwater uitvoeren of laten uitvoeren;]2
[3 8° de rol van aankoop- of opdrachtencentrale te vervullen.]3
[5 9° het verlenen, de opschorsing of de intrekking van de erkenning als certificeerders voor de toepassing van het "CertIBEau" van de personen bedoeld in artikel D.227quater, § 1, en als opleidingscentra bedoeld in artikel D.227quater, § 3]5
[2 § 3. De Regering kan de "S.P.G.E." ermee belasten werken uit te voeren voor de bescherming [4 van tot drinkwater verwerkbaar water]4 wanneer deze nodig blijken te zijn en voor zover ze in de in § 2 bedoelde programma's niet worden vermeld en voorgesteld door de producenten.]2
[2 § 4. [7 De "S.P.G.E." kan rechtstreeks of onrechtstreeks participeren in Belgische of buitenlandse publiek of privaatrechtelijke ondernemingen, verenigingen en instellingen, met inbegrip van de oprichting van filialen, waarvan het maatschappelijk doel overeenstemt met hun doel.
Wanneer de S.P.G.E. besluit bedrijven als bedoeld in lid 1 te verwerven of af te stoten, stelt zij de Minister-President van de Regering, de verantwoordelijke minister en de minister van Begroting daarvan per aangetekende brief met ontvangstbevestiging in kennis. De Regering beschikt over een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van deze beslissing, om haar opmerkingen kenbaar te maken of zich daartegen te verzetten.
Bij gebreke daarvan wordt de beslissing geacht te zijn goedgekeurd.]7]2
Wijzigingen
Art. D332. § 1er. La [7 " S.P.G.E. "]7 a pour objet :
1° [3 de protéger [4 les eaux potabilisables]4, d'assurer l'assainissement collectif des eaux usées et la gestion publique de l'assainissement autonome;]3
2° [7 d'intervenir dans les opérations qui constituent le cycle de l'eau ainsi que de promouvoir la coordination de ces opérations et la mise en oeuvre de synergies, en ayant la faculté de mettre en oeuvre des plateformes collaboratives sectorielles et des centres de services partagés, tout en recherchant l'optimalisation et l'harmonisation des activités du secteur de l'eau en Région wallonne ;]7
3° de concourir à la transparence des différents coûts qui interviennent dans le cycle de l'eau;
4° de réaliser des études pour atteindre les objectifs qui lui sont assignés;
5° d'accomplir des missions confiées par le Gouvernement wallon dans le secteur de l'eau et notamment telles que définies dans les statuts.
§ 2. Dans le cadre de la poursuite de son objet social [7 ...]7, la [7 " S.P.G.E. "]7 exerce les missions de service public suivantes :
1° la prestation de service d'assainissement [3 collectif]3 sur le territoire de la Région wallonne pour assurer aux consommateurs un approvisionnement durable, équilibré et équitable en eau potable en veillant au respect des principes du coût-vérité et de la solidarité.
Cette mission est exercée avec le concours des [1 organismes d'assainissement]1 agréés en vertu des articles 343 à 345;
[3 1°bis la prestation de la gestion publique de l'assainissement autonome conformément aux articles D.222/1 à D.222/4;]3
2° [4 la protection des eaux potabilisables au profit des producteurs d'eau [6 ...]6.
Cette mission est exercée conformément à l'article D.176bis et peut être accomplie avec les titulaires de prises d'eau visés à l'article D.169;]4
3° le développement de moyens nécessaires pour atteindre son objet social, notamment par les ressources propres qu'elle dégage en contrepartie des services qu'elle assure en matière de protection et d'assainissement et par toute opération financière généralement quelconque;
4° favoriser une coordination entre l'égouttage et l'épuration en intervenant dans les coûts de la réalisation des travaux d'égouttage visés à l'article 217, alinéa 2. Les modalités d'intervention sont arrêtées par le Gouvernement wallon sur proposition de la S.P.G.E.;
5° [7 réaliser les études nécessaires en vue d'améliorer la gestion du cycle de l'eau en dégageant et promouvant les convergences entre les producteurs, les distributeurs et les organismes d'assainissement]7;
6° d'exercer les missions qui lui sont attribuées par les articles 234 à 251;
[2 7° de réaliser ou faire réaliser toutes les opérations liées à la gestion des eaux usées industrielles;]2
[3 8° d'exercer le rôle de centrale d'achats ou de centrale de marchés.]3
[5 délivrer, suspendre ou retirer l'agrément en qualité de certificateurs pour l'application du CertIBEau des personnes visées à l'article D.227quater, § 1er, et en qualité de centres de formation visés à l'article D.227quater, § 3.]5
[2 § 3. Le Gouvernement peut charger la S.P.G.E. de réaliser des travaux de protection [4 des eaux potabilisables]4 déterminés lorsque ceux-ci s'avèrent nécessaires et pour autant qu'ils ne soient pas inscrits dans les programmes visés au paragraphe 2 et proposés par les producteurs.]2
[2 § 4. [7 La S.P.G.E. peut prendre des participations directes ou indirectes dans des sociétés, associations ou institutions, de droit public ou de droit privé, belges ou étrangères, en ce compris la création de filiales, dont l'objet social est en rapport avec le sien.
Lorsque la S.P.G.E. décide de prendre ou de céder des participations telles qu'à l'alinéa 1er, elle en informe le Ministre-Président du Gouvernement, le Ministre de tutelle ainsi que le Ministre du Budget via envoi d'un courrier recommandé avec accusé de réception. Le Gouvernement dispose d'un délai de trente jours à partir du moment où cette décision lui est communiquée, pour formuler toute observation qu'il juge utile ou s'y opposer.
A défaut, la décision est réputée approuvée.]7]2
1° [3 de protéger [4 les eaux potabilisables]4, d'assurer l'assainissement collectif des eaux usées et la gestion publique de l'assainissement autonome;]3
2° [7 d'intervenir dans les opérations qui constituent le cycle de l'eau ainsi que de promouvoir la coordination de ces opérations et la mise en oeuvre de synergies, en ayant la faculté de mettre en oeuvre des plateformes collaboratives sectorielles et des centres de services partagés, tout en recherchant l'optimalisation et l'harmonisation des activités du secteur de l'eau en Région wallonne ;]7
3° de concourir à la transparence des différents coûts qui interviennent dans le cycle de l'eau;
4° de réaliser des études pour atteindre les objectifs qui lui sont assignés;
5° d'accomplir des missions confiées par le Gouvernement wallon dans le secteur de l'eau et notamment telles que définies dans les statuts.
§ 2. Dans le cadre de la poursuite de son objet social [7 ...]7, la [7 " S.P.G.E. "]7 exerce les missions de service public suivantes :
1° la prestation de service d'assainissement [3 collectif]3 sur le territoire de la Région wallonne pour assurer aux consommateurs un approvisionnement durable, équilibré et équitable en eau potable en veillant au respect des principes du coût-vérité et de la solidarité.
Cette mission est exercée avec le concours des [1 organismes d'assainissement]1 agréés en vertu des articles 343 à 345;
[3 1°bis la prestation de la gestion publique de l'assainissement autonome conformément aux articles D.222/1 à D.222/4;]3
2° [4 la protection des eaux potabilisables au profit des producteurs d'eau [6 ...]6.
Cette mission est exercée conformément à l'article D.176bis et peut être accomplie avec les titulaires de prises d'eau visés à l'article D.169;]4
3° le développement de moyens nécessaires pour atteindre son objet social, notamment par les ressources propres qu'elle dégage en contrepartie des services qu'elle assure en matière de protection et d'assainissement et par toute opération financière généralement quelconque;
4° favoriser une coordination entre l'égouttage et l'épuration en intervenant dans les coûts de la réalisation des travaux d'égouttage visés à l'article 217, alinéa 2. Les modalités d'intervention sont arrêtées par le Gouvernement wallon sur proposition de la S.P.G.E.;
5° [7 réaliser les études nécessaires en vue d'améliorer la gestion du cycle de l'eau en dégageant et promouvant les convergences entre les producteurs, les distributeurs et les organismes d'assainissement]7;
6° d'exercer les missions qui lui sont attribuées par les articles 234 à 251;
[2 7° de réaliser ou faire réaliser toutes les opérations liées à la gestion des eaux usées industrielles;]2
[3 8° d'exercer le rôle de centrale d'achats ou de centrale de marchés.]3
[5 délivrer, suspendre ou retirer l'agrément en qualité de certificateurs pour l'application du CertIBEau des personnes visées à l'article D.227quater, § 1er, et en qualité de centres de formation visés à l'article D.227quater, § 3.]5
[2 § 3. Le Gouvernement peut charger la S.P.G.E. de réaliser des travaux de protection [4 des eaux potabilisables]4 déterminés lorsque ceux-ci s'avèrent nécessaires et pour autant qu'ils ne soient pas inscrits dans les programmes visés au paragraphe 2 et proposés par les producteurs.]2
[2 § 4. [7 La S.P.G.E. peut prendre des participations directes ou indirectes dans des sociétés, associations ou institutions, de droit public ou de droit privé, belges ou étrangères, en ce compris la création de filiales, dont l'objet social est en rapport avec le sien.
Lorsque la S.P.G.E. décide de prendre ou de céder des participations telles qu'à l'alinéa 1er, elle en informe le Ministre-Président du Gouvernement, le Ministre de tutelle ainsi que le Ministre du Budget via envoi d'un courrier recommandé avec accusé de réception. Le Gouvernement dispose d'un délai de trente jours à partir du moment où cette décision lui est communiquée, pour formuler toute observation qu'il juge utile ou s'y opposer.
A défaut, la décision est réputée approuvée.]7]2
Wijzigingen
Onderafdeling 2. [1 - Maatschappelijk kapitaal, Raad van bestuur en Directiecomité]1
Sous-section 2. [1 - Capital social, conseil d'administration et comité de direction]1
A. Maatschappelijk kapitaal.
A. Capital social.
Art. D333. [1 § 1. Het bij de oprichting van de "S.P.G.E." geplaatst kapitaal wordt vastgesteld op 24.789.352,48 euro.
Het kan verhoogd worden, overeenkomstig de voorwaarden bepaald in de statuten. De regering keurt de kapitaalverhogingen goed.
De "S.P.G.E." kan in verschillende aandelencategorieën voorzien en preferente dividenden toewijzen aan één of meer van deze categorieën. Deze preferente dividenden mogen niet hoger zijn dan het jaarlijkse daggemiddelde van de OLO-rente op 10 jaar plus 2 procent.
Ze kan bovendien in winstdelende aandelen voorzien, waarop de oprichters al dan niet inschrijven.
Ze kan tenslotte ook in aandelen met of zonder stemrecht voorzien.
§ 2. Mogen aandeelhouders zijn van de "S.P.G.E." :
1° het Waalse Gewest;
2° de "Société de financement des eaux";
3° de door de Regering erkende financiële instellingen;
4° de waterverdelers;
5° De erkende saneringsinstelling.
§ 3. De openbare aandeelhouders vormen minimum 75 % van het kapitaal plus één aandeel.
§ 4. Een recht van voorkoop op de afgestane aandelen wordt toegekend aan de "Société de financement des eaux". Als de bedoelde maatschappij dit recht geheel of gedeeltelijk niet uitoefent, wordt het toegekend aan de "S.W.D.E". Als deze dit recht van voorkoop geheel of gedeeltelijk op de blijvende aandelen niet uitoefent, wordt het toegekend aan het Waalse Gewest.
§ 5. Elke afstand wordt ter beslissing voorgelegd aan de Raad van bestuur die met eenparigheid van de aanwezige of vertegenwoordigde leden beslist. Bij gebrek aan overeenstemming binnen de Raad van bestuur wordt de vraag verwezen naar de algemene Vergadering waar de beslissing tot afstand met een gekwalificeerde meerderheid van 75 % van de vertegenwoordigde aandelen wordt getroffen. Zonder goedkeuring is de afstand verboden.
§ 6. Een afstand die wordt gemaakt met veronachtzaming van de paragrafen 4 en 5 kan niet worden afgedwongen tegen S.P.G.E. of een derde partij.
§ 7. De aandeelhouder die de in § 2 bedoelde voorwaarden niet meer vervult, moet de aandelen van de "S.P.G.E." die hij bezit afstaan tegen een door de deskundige mede te delen bepaalde prijs. Deze aandelen worden voorgesteld aan de verschillende openbare aandeelhouders, overeenkomstig de in § 4 bedoelde volgorde van voorkoop.
Als de aandeelhouder een rechtspersoon is, kunnen zijn aandeelhouders vóór de uitoefening van het recht van voorkoop bedoeld in § 4 een percentage van de afgestane aandelen bij voorkeur verkrijgen dat maximum gelijk is aan het percentage dat ze binnen de "S.P.G.E." bezitten dankzij hun deelneming in de rechtspersoon.]1
Het kan verhoogd worden, overeenkomstig de voorwaarden bepaald in de statuten. De regering keurt de kapitaalverhogingen goed.
De "S.P.G.E." kan in verschillende aandelencategorieën voorzien en preferente dividenden toewijzen aan één of meer van deze categorieën. Deze preferente dividenden mogen niet hoger zijn dan het jaarlijkse daggemiddelde van de OLO-rente op 10 jaar plus 2 procent.
Ze kan bovendien in winstdelende aandelen voorzien, waarop de oprichters al dan niet inschrijven.
Ze kan tenslotte ook in aandelen met of zonder stemrecht voorzien.
§ 2. Mogen aandeelhouders zijn van de "S.P.G.E." :
1° het Waalse Gewest;
2° de "Société de financement des eaux";
3° de door de Regering erkende financiële instellingen;
4° de waterverdelers;
5° De erkende saneringsinstelling.
§ 3. De openbare aandeelhouders vormen minimum 75 % van het kapitaal plus één aandeel.
§ 4. Een recht van voorkoop op de afgestane aandelen wordt toegekend aan de "Société de financement des eaux". Als de bedoelde maatschappij dit recht geheel of gedeeltelijk niet uitoefent, wordt het toegekend aan de "S.W.D.E". Als deze dit recht van voorkoop geheel of gedeeltelijk op de blijvende aandelen niet uitoefent, wordt het toegekend aan het Waalse Gewest.
§ 5. Elke afstand wordt ter beslissing voorgelegd aan de Raad van bestuur die met eenparigheid van de aanwezige of vertegenwoordigde leden beslist. Bij gebrek aan overeenstemming binnen de Raad van bestuur wordt de vraag verwezen naar de algemene Vergadering waar de beslissing tot afstand met een gekwalificeerde meerderheid van 75 % van de vertegenwoordigde aandelen wordt getroffen. Zonder goedkeuring is de afstand verboden.
§ 6. Een afstand die wordt gemaakt met veronachtzaming van de paragrafen 4 en 5 kan niet worden afgedwongen tegen S.P.G.E. of een derde partij.
§ 7. De aandeelhouder die de in § 2 bedoelde voorwaarden niet meer vervult, moet de aandelen van de "S.P.G.E." die hij bezit afstaan tegen een door de deskundige mede te delen bepaalde prijs. Deze aandelen worden voorgesteld aan de verschillende openbare aandeelhouders, overeenkomstig de in § 4 bedoelde volgorde van voorkoop.
Als de aandeelhouder een rechtspersoon is, kunnen zijn aandeelhouders vóór de uitoefening van het recht van voorkoop bedoeld in § 4 een percentage van de afgestane aandelen bij voorkeur verkrijgen dat maximum gelijk is aan het percentage dat ze binnen de "S.P.G.E." bezitten dankzij hun deelneming in de rechtspersoon.]1
Art. D333. [1 § 1er. Le capital souscrit à la constitution de la S.P.G.E. est fixé à 24 789 352,48 euros.
Il peut être augmenté conformément aux conditions déterminées dans les statuts. Le Gouvernement approuve les augmentations de capital.
La S.P.G.E. peut créer différentes catégories d'actions et accorder à une ou plusieurs de ces catégories des dividendes privilégiés. Ces dividendes privilégiés ne peuvent pas être supérieurs à la moyenne journalière annuelle du taux OLO dix ans majoré de deux pour cent.
Elle peut, en outre, créer des parts bénéficiaires souscrites ou non par les fondateurs.
Elle peut, enfin, créer des actions avec ou sans droit de vote.
§ 2. Peuvent être actionnaires de la S.P.G.E. :
1° la Région wallonne;
2° la Société de financement des eaux;
3° les institutions financières agréées par le Gouvernement;
4° les distributeurs d'eau;
5° les organismes d'assainissement agréés.
§ 3. Les actionnaires publics représentent minimum septante-cinq pour cent du capital plus une action.
§ 4. Un droit de préemption est accordé à la Société de financement des eaux. A défaut pour celle-ci d'exercer ce droit de préemption en tout ou en partie, celui-ci est confié à la S.W.D.E. A défaut pour celle-ci d'exercer ce droit de préemption en tout ou en partie sur les actions restantes, celui-ci est confié à la Région wallonne.
§ 5. Toute cession est soumise à la décision du conseil d'administration statuant à l'unanimité des membres présents ou représentés. A défaut d'accord au conseil d'administration, la question est renvoyée devant l'assemblée générale où la décision de cession est prise à la majorité qualifiée de septante-cinq pour cent des actions représentées. En l'absence d'agrément, la cession est interdite.
§ 6. Toute cession réalisée en méconnaissance des paragraphes 4 et 5 est inopposable à la S.P.G.E. et aux tiers.
§ 7. L'actionnaire qui ne satisfait plus aux conditions, visées au paragraphe 2, cède les actions de la S.P.G.E. qu'il détient à un prix fixé à dire d'expert. Ces actions sont proposées aux différents actionnaires publics conformément à l'ordre de préemption prévu au paragraphe 4.
Si l'actionnaire est une personne morale, les actionnaires de celle-ci peuvent toutefois, avant l'exercice du droit de préemption, visé au paragraphe 4, acquérir, par préférence, un pourcentage des actions cédées au maximum équivalant au pourcentage qu'ils détiennent au sein de la S.P.G.E. de par leur participation dans la personne morale actionnaire.]1
Il peut être augmenté conformément aux conditions déterminées dans les statuts. Le Gouvernement approuve les augmentations de capital.
La S.P.G.E. peut créer différentes catégories d'actions et accorder à une ou plusieurs de ces catégories des dividendes privilégiés. Ces dividendes privilégiés ne peuvent pas être supérieurs à la moyenne journalière annuelle du taux OLO dix ans majoré de deux pour cent.
Elle peut, en outre, créer des parts bénéficiaires souscrites ou non par les fondateurs.
Elle peut, enfin, créer des actions avec ou sans droit de vote.
§ 2. Peuvent être actionnaires de la S.P.G.E. :
1° la Région wallonne;
2° la Société de financement des eaux;
3° les institutions financières agréées par le Gouvernement;
4° les distributeurs d'eau;
5° les organismes d'assainissement agréés.
§ 3. Les actionnaires publics représentent minimum septante-cinq pour cent du capital plus une action.
§ 4. Un droit de préemption est accordé à la Société de financement des eaux. A défaut pour celle-ci d'exercer ce droit de préemption en tout ou en partie, celui-ci est confié à la S.W.D.E. A défaut pour celle-ci d'exercer ce droit de préemption en tout ou en partie sur les actions restantes, celui-ci est confié à la Région wallonne.
§ 5. Toute cession est soumise à la décision du conseil d'administration statuant à l'unanimité des membres présents ou représentés. A défaut d'accord au conseil d'administration, la question est renvoyée devant l'assemblée générale où la décision de cession est prise à la majorité qualifiée de septante-cinq pour cent des actions représentées. En l'absence d'agrément, la cession est interdite.
§ 6. Toute cession réalisée en méconnaissance des paragraphes 4 et 5 est inopposable à la S.P.G.E. et aux tiers.
§ 7. L'actionnaire qui ne satisfait plus aux conditions, visées au paragraphe 2, cède les actions de la S.P.G.E. qu'il détient à un prix fixé à dire d'expert. Ces actions sont proposées aux différents actionnaires publics conformément à l'ordre de préemption prévu au paragraphe 4.
Si l'actionnaire est une personne morale, les actionnaires de celle-ci peuvent toutefois, avant l'exercice du droit de préemption, visé au paragraphe 4, acquérir, par préférence, un pourcentage des actions cédées au maximum équivalant au pourcentage qu'ils détiennent au sein de la S.P.G.E. de par leur participation dans la personne morale actionnaire.]1
Wijzigingen
B. [1 Raad van bestuur en directiecomité]1.
B. [1 Conseil d'administration et comité de direction]1
Art. D334. [1 De "S.P.G.E." wordt bestuurd door een raad van bestuur en een directiecomité.
Het lidmaatschap van de Raad van Bestuur of van het Directiecomité is onverenigbaar met de uitoefening van een functie die zijn onafhankelijkheid bij de uitoefening van zijn opdrachten binnen de "S.P.G.E." en bij de uitvoering van het beheerscontract in het gedrang kan brengen.
Onverminderd bijzondere volmachten wordt de "S.P.G.E." voor alle handelingen jegens derden, met inbegrip van gerechtelijke procedures, rechtsgeldig vertegenwoordigd door :
1° de Voorzitter of, bij diens verhindering, de ondervoorzitter van de Raad van Bestuur;
2° twee gezamenlijk handelende bestuurders;
3° door een individueel handelend lid van het directiecomité.]1
Het lidmaatschap van de Raad van Bestuur of van het Directiecomité is onverenigbaar met de uitoefening van een functie die zijn onafhankelijkheid bij de uitoefening van zijn opdrachten binnen de "S.P.G.E." en bij de uitvoering van het beheerscontract in het gedrang kan brengen.
Onverminderd bijzondere volmachten wordt de "S.P.G.E." voor alle handelingen jegens derden, met inbegrip van gerechtelijke procedures, rechtsgeldig vertegenwoordigd door :
1° de Voorzitter of, bij diens verhindering, de ondervoorzitter van de Raad van Bestuur;
2° twee gezamenlijk handelende bestuurders;
3° door een individueel handelend lid van het directiecomité.]1
Art. D334. [1 La S.P.G.E. est gérée par un conseil d'administration et un comité de direction.
La qualité de membre du conseil d'administration ou du comité de direction est incompatible avec l'exercice d'une fonction qui est de nature à mettre en cause son indépendance dans l'accomplissement de ses missions au sein de la S.P.G.E. et dans l'exécution du contrat de gestion.
Sans préjudice de mandats spéciaux, la S.P.G.E. est valablement représentée pour tous les actes à l'égard des tiers, y compris en justice, par :
1° le président ou, en cas d'empêchement, par le vice-président du conseil d'administration;
2° deux administrateurs qui agissent conjointement;
3° par un membre du comité de direction agissant individuellement.]1
La qualité de membre du conseil d'administration ou du comité de direction est incompatible avec l'exercice d'une fonction qui est de nature à mettre en cause son indépendance dans l'accomplissement de ses missions au sein de la S.P.G.E. et dans l'exécution du contrat de gestion.
Sans préjudice de mandats spéciaux, la S.P.G.E. est valablement représentée pour tous les actes à l'égard des tiers, y compris en justice, par :
1° le président ou, en cas d'empêchement, par le vice-président du conseil d'administration;
2° deux administrateurs qui agissent conjointement;
3° par un membre du comité de direction agissant individuellement.]1
Wijzigingen
Art. D334bis. [1 § 1. Onverminderd de handelingen die de wet, het decreet of de statuten voorbehouden aan de algemene vergadering, is de raad van bestuur bevoegd voor:
1° het bepalen van het algemene beleid en de strategie van de "S.P.G.E.", met inbegrip van :
a) het identificeren en de opvolging van de strategische uitdagingen en bijbehorende risico's voor "S.P.G.E.";
b) de aanneming, de opvolging en de bijwerking van het financiële plan van de "S.P.G.E." ;
c) de aanneming en de opvolging van het financieel beleid, d.w.z. leningen en obligatie-uitgiftes goedkeuren;
d) de aanneming en opvolging, na overleg met het Waals Gewest, van beschermings- en investeringsprogramma's en de bijbehorende financiële middelen;
e) het vaststellen van tarieven voor diensten die worden geleverd als onderdeel van de openbare opdrachten van de "S.P.G.E.", met uitzondering van speciale contracten;
f) de vaststelling van de reële kostprijs (CVA) onder onderworpen aan de goedkeuring door de Waalse Regering;
g) de opvolging van de coördinatie van sectorale kwesties;
2° het afsluiten van het beheerscontract met de Waalse Regering;
3° contracten voor zuiverings- en ophaaldiensten afsluiten met erkende saneringsorganisaties;
4° het opvolgen en controleren van de uitvoering van de verbintenissen ten aanzien van het Waals Gewest voorzien in het beheerscontracten, binnen de grenzen van de financiële middelen van de "S.P.G.E.";
5° toezicht en controle op het operationeel beheer door het Directiecomité;
6° de verwerving van elke participatie als bedoeld in artikel D.332, § 4, evenals de benoeming van vertegenwoordigers van de S.P.G.E. bij vennootschappen, verenigingen en instellingen waarin zij een participatie bezit en de controle over deze vertegenwoordigers;
7° het bijeenroepen van de algemene vergadering en het vaststellen van de agenda;
8° het controleren en afwerken van de jaarrekeningen die ter goedkeuring moeten worden voorgelegd aan de Algemene Vergadering;
9° het opstellen en meedelen van zijn beheersverslag overeenkomstig het decreet van 12 februari 2004 betreffende het beheerscontract en de verplichtingen tot informatieverstrekking;
10° aanneming en wijziging van het huishoudelijk reglement ;
11° het voorstellen aan de Algemene Vergadering van de aanneming of wijziging van de statuten of het huishoudelijk reglement van de Algemene Vergadering;
12° de goedkeuring van het huishoudelijk reglement van het directiecomité;
13° het afsluiten van contracten met de leden van de raad van bestuur bedoeld in artikel D. 334ter, § 4;
14° de aanneming van algemene bepalingen inzake personeel;
15° overheidsopdrachten van strategische aard opstarten, gunnen, stopzetten of beëindigen, volgens de criteria en binnen de grenzen die hij bepaalt;
16° elke beslissing van strategische aard die het Directiecomité beslist aan hem voor te leggen of die de Raad van Bestuur van hem overneemt, met inbegrip van elke beslissing die een belangrijke impact zou kunnen hebben op de stabiliteit of de ontwikkeling van de S.P.G.E;
17° handelingen die bij wet of decreet uitdrukkelijk zijn voorbehouden aan de raad van bestuur, onverminderd dit hoofdstuk.
Wat het eerste lid, 5°, betreft, kan de Raad van bestuur via zijn voorzitter het directiecomité elk ogenblik verzoeken om een verslag over de activiteiten van de "S.P.G.E." of over een deel ervan.
§ 2. De raad van bestuur bestaat uit veertien leden die door de Regering voor een mandaat van vijf jaar worden benoemd en die als volgt wordt samengesteld
1° drie leden worden benoemd op voorstel van de "Société de financement des eaux";
2° elf leden worden benoemd op voordracht van de Waalse Regering, van wie er vier lid zijn van de Raad van Bestuur van de "S.W.D.E.". De elf leden worden benoemd rekening houdend met de evenredige vertegenwoordiging van de politieke fracties die erkend zijn in het Waals Parlement, door toepassing van het mechanisme bepaald in artikelen 167 en 168 van de Kieswetboek.
Twee regeringscommissarissen wonen de vergaderingen van de raad van bestuur bij.
§ 3. Onverminderd wettelijke en decretale verplichtingen, evenals de statuten, is het mandaat van bestuurder onverenigbaar met :
1° de hoedanigheid van lid van het directiecomité;
2° de hoedanigheid van personeelslid of gepensioneerde van de "S.P.G.E.".
Indien de bestuurder gedurende de looptijd van zijn mandaat aanvaardt een functie of een mandaat bedoeld in 1° en 2°, uit te oefenen, eindigt zijn mandaat van rechtswege.
§ 4. Onder de bestuurders die ze benoemt, wijst de Regering een voorzitter en een ondervoorzitter aan.
De statuten stellen de regels betreffende de respectievelijke bevoegdheden van de voorzitter en ondervoorzitter vast.
Bij staking van de stemmen in de raad van bestuur is de stem van de voorzitter beslissend.
§ 5. De bestuurder die één van de vier leden van de raad van bestuur van de "S.W.D.E" is en dat niet langer deel uitmaakt van dit orgaan, wordt geacht van rechtswege ontslagnemend te zijn en heeft niet langer zitting binnen de raad van bestuur van de "S.P.G.E"]1.
1° het bepalen van het algemene beleid en de strategie van de "S.P.G.E.", met inbegrip van :
a) het identificeren en de opvolging van de strategische uitdagingen en bijbehorende risico's voor "S.P.G.E.";
b) de aanneming, de opvolging en de bijwerking van het financiële plan van de "S.P.G.E." ;
c) de aanneming en de opvolging van het financieel beleid, d.w.z. leningen en obligatie-uitgiftes goedkeuren;
d) de aanneming en opvolging, na overleg met het Waals Gewest, van beschermings- en investeringsprogramma's en de bijbehorende financiële middelen;
e) het vaststellen van tarieven voor diensten die worden geleverd als onderdeel van de openbare opdrachten van de "S.P.G.E.", met uitzondering van speciale contracten;
f) de vaststelling van de reële kostprijs (CVA) onder onderworpen aan de goedkeuring door de Waalse Regering;
g) de opvolging van de coördinatie van sectorale kwesties;
2° het afsluiten van het beheerscontract met de Waalse Regering;
3° contracten voor zuiverings- en ophaaldiensten afsluiten met erkende saneringsorganisaties;
4° het opvolgen en controleren van de uitvoering van de verbintenissen ten aanzien van het Waals Gewest voorzien in het beheerscontracten, binnen de grenzen van de financiële middelen van de "S.P.G.E.";
5° toezicht en controle op het operationeel beheer door het Directiecomité;
6° de verwerving van elke participatie als bedoeld in artikel D.332, § 4, evenals de benoeming van vertegenwoordigers van de S.P.G.E. bij vennootschappen, verenigingen en instellingen waarin zij een participatie bezit en de controle over deze vertegenwoordigers;
7° het bijeenroepen van de algemene vergadering en het vaststellen van de agenda;
8° het controleren en afwerken van de jaarrekeningen die ter goedkeuring moeten worden voorgelegd aan de Algemene Vergadering;
9° het opstellen en meedelen van zijn beheersverslag overeenkomstig het decreet van 12 februari 2004 betreffende het beheerscontract en de verplichtingen tot informatieverstrekking;
10° aanneming en wijziging van het huishoudelijk reglement ;
11° het voorstellen aan de Algemene Vergadering van de aanneming of wijziging van de statuten of het huishoudelijk reglement van de Algemene Vergadering;
12° de goedkeuring van het huishoudelijk reglement van het directiecomité;
13° het afsluiten van contracten met de leden van de raad van bestuur bedoeld in artikel D. 334ter, § 4;
14° de aanneming van algemene bepalingen inzake personeel;
15° overheidsopdrachten van strategische aard opstarten, gunnen, stopzetten of beëindigen, volgens de criteria en binnen de grenzen die hij bepaalt;
16° elke beslissing van strategische aard die het Directiecomité beslist aan hem voor te leggen of die de Raad van Bestuur van hem overneemt, met inbegrip van elke beslissing die een belangrijke impact zou kunnen hebben op de stabiliteit of de ontwikkeling van de S.P.G.E;
17° handelingen die bij wet of decreet uitdrukkelijk zijn voorbehouden aan de raad van bestuur, onverminderd dit hoofdstuk.
Wat het eerste lid, 5°, betreft, kan de Raad van bestuur via zijn voorzitter het directiecomité elk ogenblik verzoeken om een verslag over de activiteiten van de "S.P.G.E." of over een deel ervan.
§ 2. De raad van bestuur bestaat uit veertien leden die door de Regering voor een mandaat van vijf jaar worden benoemd en die als volgt wordt samengesteld
1° drie leden worden benoemd op voorstel van de "Société de financement des eaux";
2° elf leden worden benoemd op voordracht van de Waalse Regering, van wie er vier lid zijn van de Raad van Bestuur van de "S.W.D.E.". De elf leden worden benoemd rekening houdend met de evenredige vertegenwoordiging van de politieke fracties die erkend zijn in het Waals Parlement, door toepassing van het mechanisme bepaald in artikelen 167 en 168 van de Kieswetboek.
Twee regeringscommissarissen wonen de vergaderingen van de raad van bestuur bij.
§ 3. Onverminderd wettelijke en decretale verplichtingen, evenals de statuten, is het mandaat van bestuurder onverenigbaar met :
1° de hoedanigheid van lid van het directiecomité;
2° de hoedanigheid van personeelslid of gepensioneerde van de "S.P.G.E.".
Indien de bestuurder gedurende de looptijd van zijn mandaat aanvaardt een functie of een mandaat bedoeld in 1° en 2°, uit te oefenen, eindigt zijn mandaat van rechtswege.
§ 4. Onder de bestuurders die ze benoemt, wijst de Regering een voorzitter en een ondervoorzitter aan.
De statuten stellen de regels betreffende de respectievelijke bevoegdheden van de voorzitter en ondervoorzitter vast.
Bij staking van de stemmen in de raad van bestuur is de stem van de voorzitter beslissend.
§ 5. De bestuurder die één van de vier leden van de raad van bestuur van de "S.W.D.E" is en dat niet langer deel uitmaakt van dit orgaan, wordt geacht van rechtswege ontslagnemend te zijn en heeft niet langer zitting binnen de raad van bestuur van de "S.P.G.E"]1.
Art. D334bis. [1 § 1er. Sans préjudice des actes que la loi, le décret ou les statuts réservent à l'assemblée générale, le conseil d'administration est compétent pour :
1° la définition de la politique générale et de la stratégie de la S.P.G.E., qui comprend :
a) l'identification et le suivi des défis stratégiques et des risques associés auxquels la S.P.G.E. est confrontée;
b) l'adoption, le suivi et l'actualisation du plan financier de la S.P.G.E.;
c) l'adoption et le suivi de la politique financière, à savoir l'autorisation d'emprunter et d'émettre des obligations;
d) l'adoption et le suivi, après concertation avec la Région wallonne, des programmes de protection et d'investissements de même que les moyens financiers y afférents;
e) la fixation des tarifs des prestations relevant des missions de service public de la S.P.G.E. en dehors des contrats particuliers;
f) la fixation du coût-vérité assainissement (CVA) soumise à l'autorisation du Gouvernement wallon;
g) le suivi de la coordination des enjeux sectoriels;
2° la conclusion du contrat de gestion avec le Gouvernement wallon;
3° la conclusion des contrats de service d'épuration et de collecte avec les organismes d'assainissement agréés;
4° la surveillance et le contrôle de l'exécution des engagements à l'égard de la Région wallonne prévus par le contrat de gestion, et ce dans les limites des moyens financiers de la S.P.G.E.;
5° la surveillance et le contrôle de la gestion opérationnelle assurée par le comité de direction;
6° la prise de toute participation telle que visée à l'article D.332, § 4, ainsi que la désignation des représentants de la S.P.G.E. au sein des sociétés, associations et institutions dans lesquelles elle détient une participation et le contrôle de ces représentants;
7° la convocation de l'assemblée générale et la fixation de son ordre du jour;
8° le suivi et l'arrêt des comptes annuels à présenter, pour approbation, à l'assemblée générale;
9° l'établissement de son rapport de gestion ainsi que sa communication conformément au décret du 12 février 2004 relatif au contrat de gestion et aux obligations d'informations;
10° l'adoption et la modification de son règlement d'ordre intérieur;
11° la proposition à l'assemblée générale d'adoption ou de modification des statuts ou du règlement d'ordre intérieur de celle-ci;
12° l'approbation du règlement d'ordre intérieur du comité de direction;
13° la conclusion des contrats avec les membres du comité de direction visés à l'article D. 334ter, § 4;
14° l'adoption des dispositions générales relatives au personnel;
15° l'engagement, l'attribution, l'abandon ou la résiliation des marchés publics à caractère stratégique, selon les critères et dans les limites qu'il fixe;
16° toute décision à caractère stratégique que le comité de direction décide de lui soumettre ou dont le conseil d'administration se saisit, dont celle pouvant impacter significativement la stabilité ou le développement de la S.P.G.E.;
17° les actes que la loi ou le décret réservent expressément au conseil d'administration, sans préjudice du présent chapitre.
Concernant l'alinéa 1er, 5°, le conseil d'administration ou son président peut, à tout moment, demander au comité de direction un rapport sur les activités de la S.P.G.E. ou sur certaines d'entre elles.
§ 2. Le conseil d'administration est composé de quatorze membres nommés par le Gouvernement pour un mandat de cinq ans et composé comme suit :
1° trois membres sont nommés sur proposition de la Société de financement des eaux;
2° onze membres sont nommés sur proposition du Gouvernement wallon dont quatre sont membres du conseil d'administration de la S.W.D.E. Les onze membres sont nommés en tenant compte de la représentation proportionnelle des groupes politiques reconnus au sein du Parlement wallon par application du mécanisme défini aux articles 167 et 168 du Code électoral.
Deux commissaires du Gouvernement assistent aux réunions du conseil d'administration.
§ 3. Sans préjudice des obligations légales et décrétales, ainsi que des statuts, le mandat d'administrateur est incompatible avec :
1° la qualité de membre du comité de direction;
2° la qualité de membre du personnel ou pensionné de la S.P.G.E.
Si, au cours de son mandat, l'administrateur accepte d'exercer une fonction ou un mandat, visé aux 1° et 2°, son mandat prend fin de plein droit.
§ 4. Parmi les administrateurs qu'il nomme, le Gouvernement désigne un président et un vice-président.
Les statuts arrêtent les règles relatives aux compétences respectives du président et du vice-président.
En cas de partage des voix au sein du conseil d'administration, la voix du président est prépondérante.
§ 5. L'administrateur figurant parmi les quatre membres du conseil d'administration de la S.W.D.E. et qui ne fait plus partie de cet organe est réputé de plein droit démissionnaire et cesse de siéger au sein du conseil d'administration de la S.P.G.E. ]1
1° la définition de la politique générale et de la stratégie de la S.P.G.E., qui comprend :
a) l'identification et le suivi des défis stratégiques et des risques associés auxquels la S.P.G.E. est confrontée;
b) l'adoption, le suivi et l'actualisation du plan financier de la S.P.G.E.;
c) l'adoption et le suivi de la politique financière, à savoir l'autorisation d'emprunter et d'émettre des obligations;
d) l'adoption et le suivi, après concertation avec la Région wallonne, des programmes de protection et d'investissements de même que les moyens financiers y afférents;
e) la fixation des tarifs des prestations relevant des missions de service public de la S.P.G.E. en dehors des contrats particuliers;
f) la fixation du coût-vérité assainissement (CVA) soumise à l'autorisation du Gouvernement wallon;
g) le suivi de la coordination des enjeux sectoriels;
2° la conclusion du contrat de gestion avec le Gouvernement wallon;
3° la conclusion des contrats de service d'épuration et de collecte avec les organismes d'assainissement agréés;
4° la surveillance et le contrôle de l'exécution des engagements à l'égard de la Région wallonne prévus par le contrat de gestion, et ce dans les limites des moyens financiers de la S.P.G.E.;
5° la surveillance et le contrôle de la gestion opérationnelle assurée par le comité de direction;
6° la prise de toute participation telle que visée à l'article D.332, § 4, ainsi que la désignation des représentants de la S.P.G.E. au sein des sociétés, associations et institutions dans lesquelles elle détient une participation et le contrôle de ces représentants;
7° la convocation de l'assemblée générale et la fixation de son ordre du jour;
8° le suivi et l'arrêt des comptes annuels à présenter, pour approbation, à l'assemblée générale;
9° l'établissement de son rapport de gestion ainsi que sa communication conformément au décret du 12 février 2004 relatif au contrat de gestion et aux obligations d'informations;
10° l'adoption et la modification de son règlement d'ordre intérieur;
11° la proposition à l'assemblée générale d'adoption ou de modification des statuts ou du règlement d'ordre intérieur de celle-ci;
12° l'approbation du règlement d'ordre intérieur du comité de direction;
13° la conclusion des contrats avec les membres du comité de direction visés à l'article D. 334ter, § 4;
14° l'adoption des dispositions générales relatives au personnel;
15° l'engagement, l'attribution, l'abandon ou la résiliation des marchés publics à caractère stratégique, selon les critères et dans les limites qu'il fixe;
16° toute décision à caractère stratégique que le comité de direction décide de lui soumettre ou dont le conseil d'administration se saisit, dont celle pouvant impacter significativement la stabilité ou le développement de la S.P.G.E.;
17° les actes que la loi ou le décret réservent expressément au conseil d'administration, sans préjudice du présent chapitre.
Concernant l'alinéa 1er, 5°, le conseil d'administration ou son président peut, à tout moment, demander au comité de direction un rapport sur les activités de la S.P.G.E. ou sur certaines d'entre elles.
§ 2. Le conseil d'administration est composé de quatorze membres nommés par le Gouvernement pour un mandat de cinq ans et composé comme suit :
1° trois membres sont nommés sur proposition de la Société de financement des eaux;
2° onze membres sont nommés sur proposition du Gouvernement wallon dont quatre sont membres du conseil d'administration de la S.W.D.E. Les onze membres sont nommés en tenant compte de la représentation proportionnelle des groupes politiques reconnus au sein du Parlement wallon par application du mécanisme défini aux articles 167 et 168 du Code électoral.
Deux commissaires du Gouvernement assistent aux réunions du conseil d'administration.
§ 3. Sans préjudice des obligations légales et décrétales, ainsi que des statuts, le mandat d'administrateur est incompatible avec :
1° la qualité de membre du comité de direction;
2° la qualité de membre du personnel ou pensionné de la S.P.G.E.
Si, au cours de son mandat, l'administrateur accepte d'exercer une fonction ou un mandat, visé aux 1° et 2°, son mandat prend fin de plein droit.
§ 4. Parmi les administrateurs qu'il nomme, le Gouvernement désigne un président et un vice-président.
Les statuts arrêtent les règles relatives aux compétences respectives du président et du vice-président.
En cas de partage des voix au sein du conseil d'administration, la voix du président est prépondérante.
§ 5. L'administrateur figurant parmi les quatre membres du conseil d'administration de la S.W.D.E. et qui ne fait plus partie de cet organe est réputé de plein droit démissionnaire et cesse de siéger au sein du conseil d'administration de la S.P.G.E. ]1
Wijzigingen
Art. D334ter. [1 § 1. Het Directiecomité is verantwoordelijk voor het operationeel beheer van de "S.P.G.E.", wat het dagelijks bestuur omvat in de zin van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, de voorbereiding en uitvoering van beslissingen van de Raad van Bestuur en alle handelingen die nodig of nuttig zijn voor de verwezenlijking van het maatschappelijk doel van de "S.P.G.E." die niet bij wet of decreet zijn voorbehouden aan de Algemene Vergadering of de Raad van Bestuur.
§ 2. Behoudens in geval van belangenconflict die hen betreft, wonen de leden van het directiecomité de vergaderingen van de raad van bestuur met raadgevende stem bij.
Het directiecomité brengt regelmatig verslag uit aan de Raad van bestuur over de uitoefening van zijn operationeel beheer.
§ 3. Het directiecomité bestaat uit maximum drie leden, onder wie een voorzitter. Hij is ook voorzitter van het directiecomité van de "S.W.D.E."
De beraadslagingen van het directiecomité zijn collegiaal, onder voorbehoud van de delegaties die het aan zijn leden verleent.
§ 3. Het directiecomité kan de bevoegdheden die hem zijn toegewezen overdragen aan personeelsleden overeenkomstig de modaliteiten en de voorwaarden bepaald bij de statuten.
§ 4. De leden van het directiecomité worden aangesteld voor een periode van vijf jaar.
Als een lid van het directiecomité minder dan vijf jaar voor het bereiken van de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd wordt aangewezen, eindigt zijn ambtstermijn op de dag waarop hij de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd bereikt.
De Regering kan zijn aanwijzing verlengen tot na de wettelijke pensioenleeftijd, op basis van een verzoek van het lid van het directiecomité aan de raad van bestuur.
Zijn aanwijzing kan na de wettelijke pensioenleeftijd met maximaal een jaar worden verlengd. Bedoelde periode kan volgens dezelfde modaliteiten verlengd worden voor een eenmalige nieuwe periode van maximum één jaar.
De wederzijdse rechten, inclusief beloning, en verplichtingen van de leden van de Raad van Bestuur enerzijds en S.P.G.E. anderzijds worden geregeld in een contract tussen de betrokken partijen.
De leden van het Directiecomité die op het ogenblik van hun benoeming statutair verbonden zijn met een ander publiekrechtelijk lichaam dat afhangt van het Gewest, worden voor de duur van hun mandaat automatisch voor de duur van het mandaat met verlof gestuurd voor een opdracht van algemeen belang.
§ 5. De Regering wijst de leden van de raad van bestuur aan volgens de in de paragrafen 5 tot en met 7 bedoelde procedure.
De raad van bestuur van de S.P.G.E. legt ter goedkeuring voor aan de Regering:
1° de ambtbeschrijving;
2° een nota met een omschrijving van de algemene beheersopdrachten en de te bereiken collectieve en individuele doelstellingen, zowel op het vlak van beheer als van strategie;
3° de benoeming van de leden van de jury, die voor ten hoogste twee derden uit leden van hetzelfde geslacht bestaat en als volgt is samengesteld :
a) de voorzitter en de ondervoorzitter van de Raad van bestuur en de voorzitter van het bezoldigingscomité;
b) twee externe deskundigen gekozen buiten de ministeriële kabinetten, de diensten van de Waalse Regering en de instellingen van openbaar nut die vallen onder het decreet van 22 januari 1998 betreffende het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut die onder het Waalse Gewest ressorteren, met minstens tien jaar ervaring in verband met het vastgestelde functieprofiel en aangewezen door de Regering. Ten minste één van deze twee experts heeft tien jaar ervaring in management of human resources;
c) een lid van een Franstalige Belgische universiteit wiens vakgebied verband houdt met de vacante functie of met management- of personeelskwesties;
d) indien van toepassing, de Directeur-generaal of Directeurs-generaal van de Waalse Overheidsdienst waarvan de functionele bevoegdheden verband houden met de opdrachten van het orgaan, of zijn of haar vertegenwoordiger.
In het voorstel voor de jury dat door de Raad van Bestuur wordt geformuleerd, wordt bepaald wie van de onder b) of c) bedoelde juryleden de jury zal voorzitten.
§ 6. De Raad van Bestuur doet een oproep voor externe en interne kandidaten, waaronder ten minste :
1° de ambtbeschrijving;
2° de wijze en de uiterste datum van de indiening van de kandidaturen;
3° de voor de betrekking vereiste diploma's en ervaringen;
4° de modaliteiten voor de organisatie van de proeven en de gehanteerde selectiecriteria;
5° de documenten die de kandidatuurakte op straffe van nietigheid moet omvatten;
6° de dienst waar de nota, vermeld in paragraaf 5, tweede lid, 2°, en alle andere nuttige inlichtingen of documenten kunnen worden verkregen;
7° de voorgestelde bezoldiging voor de duur van het mandaat en de beëindigingsmodaliteiten.
§ 7. De jury organiseert selectieproeven die haar in staat stellen om aan de hand van de selectiecriteria, vermeld in paragraaf 6, 4°, de leidinggevende en organisatorische vaardigheden en de persoonlijkheid van de kandidaten vast te stellen.
Op basis van de resultaten van de selectieproeven stelt de selectiejury een schriftelijk verslag op waarin de vaardigheden van elke kandidaat worden beschreven en in twee categorieën worden ingedeeld:
1° een geschikte categorie;
2° een ongeschikte categorie;
De selectiejury stuurt dit rapport naar de Regering.
Op basis van het verslag van de jury wijst de Regering de leden van het directiecomité aan uit de kandidaten die door de jury geschikt worden geacht. Het stuurt de aanwijzing door naar de "S.P.G.E.".
§ 8. De Raad van Bestuur van de "S.P.G.E." draagt zijn bezoldigingscomité op om het directiecomité en zijn leden voor te leggen aan :
1° een jaarlijkse evaluatie van de verwezenlijking van de doelstellingen van het voorgaande jaar;
2° een tussentijdse evaluatie, in beginsel dertig maanden na zijn benoeming, en een eindevaluatie, in beginsel zestig maanden na zijn benoeming, die beide betrekking hebben op de uitoefening van de in zijn functieomschrijving vermelde bevoegdheden, de realisatie van de in het beheerscontract opgenomen doelstellingen en de algemene beheersopdrachten en -doelstellingen die als directiecomité en als lid van het directiecomité moeten worden gerealiseerd, zowel op het vlak van beheer als op het vlak van strategie, opgenomen in de nota bedoeld in paragraaf 5, tweede lid, 2°.
Het bezoldigingscomité kan een beroep doen op externe deskundigen voor de tussentijdse evaluatie en op externe deskundigen voor de eindevaluatie. De externe deskundigen beschikken over de ervaring bedoeld in paragraaf 5, alinea 2, 3°, b).
Wanneer de Regering meent dat de situatie of de reputatie van de "S.P.G.E." dit vereist, kan zij op eigen initiatief een evaluatie van het lid of de leden van de raad van bestuur vragen. Deze evaluatie wordt uitgevoerd in overeenstemming met de paragrafen 8, 9 en 10. Hiervoor doet de raad van bestuur een beroep op externe personen die voldoen aan de voorwaarden waarnaar wordt verwezen in paragraaf 5, alinea 2, 3°, b). In geval van een negatieve evaluatie kan de Regering de benoeming van het lid of de leden van het directiecomité beëindigen, op advies van de raad van bestuur.
Over de tussentijdse en eindevaluaties wordt een gemotiveerd verslag opgesteld dat per aangetekende post met ontvangstbewijs naar het directiecomité wordt gestuurd. De evaluatie is positief of negatief.
In de statuten van de "S.P.G.E." staan de evaluatieprocedures en voorwaarden.
§ 9. Het directiecomité of een van zijn leden kan binnen tien dagen na ontvangst per aangetekende post beroep aantekenen bij de raad van bestuur tegen zijn negatieve tussentijdse of definitieve evaluatie. Bij ontstentenis wordt het proces-verbaal definitief.
In het geval van een beroep door het directiecomité of een van zijn leden, kunnen deze binnen tien dagen na de mededeling van hun beroep aan de Raad van Bestuur de gronden voorleggen waarop zij de evaluatie betwisten. Hij kan om een hoorzitting verzoeken, die de raad van bestuur op aanvraag toestaat.
Na bestudering van de gronden voor het beroep kan de raad van bestuur de evaluatie wijzigen. Als de evaluatie ondanks het beroep negatief blijft, worden het beroep en de redenen daarvoor opgenomen in het evaluatierapport.
De raad van bestuur stuurt zijn beslissing, het evaluatieverslag, met inbegrip van een eventueel beroep en de redenen daarvoor, naar de Regering en kan de beëindiging van de ambtstermijn van een of meer leden van het directiecomité voorstellen.
§ 10. De definitieve tussentijdse of eindevaluatieverslagen worden door de raad van bestuur naar de regering gestuurd.
In geval van een negatieve tussentijdse evaluatie kan de Regering de aanwijzing van het directiecomité of een van zijn leden vroegtijdig beëindigen. Indien nodig wordt een nieuwe procedure voor de aanwijzing van het directiecomité of een van zijn leden gestart.
In het geval van een negatieve eindevaluatie eindigt de aanwijzing van het directiecomitébenoeming van de raad van bestuur of een van zijn leden aan het einde van de vastgestelde termijn. Er is een nieuwe aanwijzigingsprocedure gestart. Het directiecomité of een van zijn aftredende leden die een negatieve eindevaluatie heeft gekregen, mag niet deelnemen aan deze nieuwe procedure.
Het directiecomité of zijn leden die een positieve eindevaluatie krijgen, kunnen door de Regering worden herbenoemd voor een periode van vijf jaar zonder dat een nieuwe aanwijzingsprocedure nodig is.
Het directiecomité of zijn leden die een positieve eindevaluatie krijgen, kunnen door de Regering worden herbenoemd voor een periode van vijf jaar zonder dat een nieuwe aanwijzingsprocedure nodig is.
§ 11. Er wordt afgeweken van Hoofdstuk 1 van Titel 4 van Boek 7 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen.
In afwijking van de artikelen 7:141, § 1, en 7:172 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen is het directiecomité verantwoordelijk voor het uitgeven van afschriften en uittreksels van de notulen van de Algemene Vergadering.
In afwijking van de artikelen 7:28, 7:33, lid 1, 7:34, lid 2, en 7:74, leden 1 en 2, van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen is het directiecomité verantwoordelijk voor het houden van registers van effecten en voor het verstrekken van uittreksels uit deze registers.]1
§ 2. Behoudens in geval van belangenconflict die hen betreft, wonen de leden van het directiecomité de vergaderingen van de raad van bestuur met raadgevende stem bij.
Het directiecomité brengt regelmatig verslag uit aan de Raad van bestuur over de uitoefening van zijn operationeel beheer.
§ 3. Het directiecomité bestaat uit maximum drie leden, onder wie een voorzitter. Hij is ook voorzitter van het directiecomité van de "S.W.D.E."
De beraadslagingen van het directiecomité zijn collegiaal, onder voorbehoud van de delegaties die het aan zijn leden verleent.
§ 3. Het directiecomité kan de bevoegdheden die hem zijn toegewezen overdragen aan personeelsleden overeenkomstig de modaliteiten en de voorwaarden bepaald bij de statuten.
§ 4. De leden van het directiecomité worden aangesteld voor een periode van vijf jaar.
Als een lid van het directiecomité minder dan vijf jaar voor het bereiken van de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd wordt aangewezen, eindigt zijn ambtstermijn op de dag waarop hij de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd bereikt.
De Regering kan zijn aanwijzing verlengen tot na de wettelijke pensioenleeftijd, op basis van een verzoek van het lid van het directiecomité aan de raad van bestuur.
Zijn aanwijzing kan na de wettelijke pensioenleeftijd met maximaal een jaar worden verlengd. Bedoelde periode kan volgens dezelfde modaliteiten verlengd worden voor een eenmalige nieuwe periode van maximum één jaar.
De wederzijdse rechten, inclusief beloning, en verplichtingen van de leden van de Raad van Bestuur enerzijds en S.P.G.E. anderzijds worden geregeld in een contract tussen de betrokken partijen.
De leden van het Directiecomité die op het ogenblik van hun benoeming statutair verbonden zijn met een ander publiekrechtelijk lichaam dat afhangt van het Gewest, worden voor de duur van hun mandaat automatisch voor de duur van het mandaat met verlof gestuurd voor een opdracht van algemeen belang.
§ 5. De Regering wijst de leden van de raad van bestuur aan volgens de in de paragrafen 5 tot en met 7 bedoelde procedure.
De raad van bestuur van de S.P.G.E. legt ter goedkeuring voor aan de Regering:
1° de ambtbeschrijving;
2° een nota met een omschrijving van de algemene beheersopdrachten en de te bereiken collectieve en individuele doelstellingen, zowel op het vlak van beheer als van strategie;
3° de benoeming van de leden van de jury, die voor ten hoogste twee derden uit leden van hetzelfde geslacht bestaat en als volgt is samengesteld :
a) de voorzitter en de ondervoorzitter van de Raad van bestuur en de voorzitter van het bezoldigingscomité;
b) twee externe deskundigen gekozen buiten de ministeriële kabinetten, de diensten van de Waalse Regering en de instellingen van openbaar nut die vallen onder het decreet van 22 januari 1998 betreffende het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut die onder het Waalse Gewest ressorteren, met minstens tien jaar ervaring in verband met het vastgestelde functieprofiel en aangewezen door de Regering. Ten minste één van deze twee experts heeft tien jaar ervaring in management of human resources;
c) een lid van een Franstalige Belgische universiteit wiens vakgebied verband houdt met de vacante functie of met management- of personeelskwesties;
d) indien van toepassing, de Directeur-generaal of Directeurs-generaal van de Waalse Overheidsdienst waarvan de functionele bevoegdheden verband houden met de opdrachten van het orgaan, of zijn of haar vertegenwoordiger.
In het voorstel voor de jury dat door de Raad van Bestuur wordt geformuleerd, wordt bepaald wie van de onder b) of c) bedoelde juryleden de jury zal voorzitten.
§ 6. De Raad van Bestuur doet een oproep voor externe en interne kandidaten, waaronder ten minste :
1° de ambtbeschrijving;
2° de wijze en de uiterste datum van de indiening van de kandidaturen;
3° de voor de betrekking vereiste diploma's en ervaringen;
4° de modaliteiten voor de organisatie van de proeven en de gehanteerde selectiecriteria;
5° de documenten die de kandidatuurakte op straffe van nietigheid moet omvatten;
6° de dienst waar de nota, vermeld in paragraaf 5, tweede lid, 2°, en alle andere nuttige inlichtingen of documenten kunnen worden verkregen;
7° de voorgestelde bezoldiging voor de duur van het mandaat en de beëindigingsmodaliteiten.
§ 7. De jury organiseert selectieproeven die haar in staat stellen om aan de hand van de selectiecriteria, vermeld in paragraaf 6, 4°, de leidinggevende en organisatorische vaardigheden en de persoonlijkheid van de kandidaten vast te stellen.
Op basis van de resultaten van de selectieproeven stelt de selectiejury een schriftelijk verslag op waarin de vaardigheden van elke kandidaat worden beschreven en in twee categorieën worden ingedeeld:
1° een geschikte categorie;
2° een ongeschikte categorie;
De selectiejury stuurt dit rapport naar de Regering.
Op basis van het verslag van de jury wijst de Regering de leden van het directiecomité aan uit de kandidaten die door de jury geschikt worden geacht. Het stuurt de aanwijzing door naar de "S.P.G.E.".
§ 8. De Raad van Bestuur van de "S.P.G.E." draagt zijn bezoldigingscomité op om het directiecomité en zijn leden voor te leggen aan :
1° een jaarlijkse evaluatie van de verwezenlijking van de doelstellingen van het voorgaande jaar;
2° een tussentijdse evaluatie, in beginsel dertig maanden na zijn benoeming, en een eindevaluatie, in beginsel zestig maanden na zijn benoeming, die beide betrekking hebben op de uitoefening van de in zijn functieomschrijving vermelde bevoegdheden, de realisatie van de in het beheerscontract opgenomen doelstellingen en de algemene beheersopdrachten en -doelstellingen die als directiecomité en als lid van het directiecomité moeten worden gerealiseerd, zowel op het vlak van beheer als op het vlak van strategie, opgenomen in de nota bedoeld in paragraaf 5, tweede lid, 2°.
Het bezoldigingscomité kan een beroep doen op externe deskundigen voor de tussentijdse evaluatie en op externe deskundigen voor de eindevaluatie. De externe deskundigen beschikken over de ervaring bedoeld in paragraaf 5, alinea 2, 3°, b).
Wanneer de Regering meent dat de situatie of de reputatie van de "S.P.G.E." dit vereist, kan zij op eigen initiatief een evaluatie van het lid of de leden van de raad van bestuur vragen. Deze evaluatie wordt uitgevoerd in overeenstemming met de paragrafen 8, 9 en 10. Hiervoor doet de raad van bestuur een beroep op externe personen die voldoen aan de voorwaarden waarnaar wordt verwezen in paragraaf 5, alinea 2, 3°, b). In geval van een negatieve evaluatie kan de Regering de benoeming van het lid of de leden van het directiecomité beëindigen, op advies van de raad van bestuur.
Over de tussentijdse en eindevaluaties wordt een gemotiveerd verslag opgesteld dat per aangetekende post met ontvangstbewijs naar het directiecomité wordt gestuurd. De evaluatie is positief of negatief.
In de statuten van de "S.P.G.E." staan de evaluatieprocedures en voorwaarden.
§ 9. Het directiecomité of een van zijn leden kan binnen tien dagen na ontvangst per aangetekende post beroep aantekenen bij de raad van bestuur tegen zijn negatieve tussentijdse of definitieve evaluatie. Bij ontstentenis wordt het proces-verbaal definitief.
In het geval van een beroep door het directiecomité of een van zijn leden, kunnen deze binnen tien dagen na de mededeling van hun beroep aan de Raad van Bestuur de gronden voorleggen waarop zij de evaluatie betwisten. Hij kan om een hoorzitting verzoeken, die de raad van bestuur op aanvraag toestaat.
Na bestudering van de gronden voor het beroep kan de raad van bestuur de evaluatie wijzigen. Als de evaluatie ondanks het beroep negatief blijft, worden het beroep en de redenen daarvoor opgenomen in het evaluatierapport.
De raad van bestuur stuurt zijn beslissing, het evaluatieverslag, met inbegrip van een eventueel beroep en de redenen daarvoor, naar de Regering en kan de beëindiging van de ambtstermijn van een of meer leden van het directiecomité voorstellen.
§ 10. De definitieve tussentijdse of eindevaluatieverslagen worden door de raad van bestuur naar de regering gestuurd.
In geval van een negatieve tussentijdse evaluatie kan de Regering de aanwijzing van het directiecomité of een van zijn leden vroegtijdig beëindigen. Indien nodig wordt een nieuwe procedure voor de aanwijzing van het directiecomité of een van zijn leden gestart.
In het geval van een negatieve eindevaluatie eindigt de aanwijzing van het directiecomitébenoeming van de raad van bestuur of een van zijn leden aan het einde van de vastgestelde termijn. Er is een nieuwe aanwijzigingsprocedure gestart. Het directiecomité of een van zijn aftredende leden die een negatieve eindevaluatie heeft gekregen, mag niet deelnemen aan deze nieuwe procedure.
Het directiecomité of zijn leden die een positieve eindevaluatie krijgen, kunnen door de Regering worden herbenoemd voor een periode van vijf jaar zonder dat een nieuwe aanwijzingsprocedure nodig is.
Het directiecomité of zijn leden die een positieve eindevaluatie krijgen, kunnen door de Regering worden herbenoemd voor een periode van vijf jaar zonder dat een nieuwe aanwijzingsprocedure nodig is.
§ 11. Er wordt afgeweken van Hoofdstuk 1 van Titel 4 van Boek 7 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen.
In afwijking van de artikelen 7:141, § 1, en 7:172 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen is het directiecomité verantwoordelijk voor het uitgeven van afschriften en uittreksels van de notulen van de Algemene Vergadering.
In afwijking van de artikelen 7:28, 7:33, lid 1, 7:34, lid 2, en 7:74, leden 1 en 2, van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen is het directiecomité verantwoordelijk voor het houden van registers van effecten en voor het verstrekken van uittreksels uit deze registers.]1
Art. D334ter. [1 § 1er. Le comité de direction est chargé de la gestion opérationnelle de la S.P.G.E. qui comprend la gestion journalière au sens du Code des sociétés et des associations, la préparation et l'exécution des décisions du conseil d'administration ainsi que tous les actes nécessaires ou utiles à la réalisation de l'objet social de la S.P.G.E. qui ne sont pas réservés par la loi ou le décret à l'assemblée générale ou au conseil d'administration.
§ 2. Sauf en cas de conflit d'intérêts, les membres du comité de direction assistent aux réunions du conseil d'administration avec voix consultative.
Le comité de direction fait régulièrement rapport au conseil d'administration de sa gestion opérationnelle.
§ 3. Le comité de direction est composé de trois membres au maximum, dont son président. Ce dernier est également le président du comité de direction de la S.W.D.E.
Sous réserve des délégations qu'il donne à ses membres, les délibérations du comité de direction sont collégiales.
Le comité de direction peut déléguer les pouvoirs qui lui sont dévolus à des membres du personnel conformément aux modalités et aux conditions arrêtées par les statuts.
§ 4. Les membres du comité de direction sont désignés pour une durée de cinq ans.
Si un membre du comité de direction est désigné moins de cinq ans avant l'âge légal de la pension, sa fonction prend fin le jour où il atteint l'âge légal de la pension.
Le Gouvernement peut prolonger sa désignation au-delà de l'âge légal de la pension, sur base d'une demande du membre du comité de direction formulée auprès du conseil d'administration.
La prolongation de sa désignation au-delà de l'âge légal de la pension est d'une durée maximale d'une année. Elle est renouvelable, selon les mêmes modalités, pour une seule nouvelle période d'une durée maximale d'un an.
Les droits, y compris la rémunération, et obligations mutuels des membres du comité de direction, d'une part, et de la S.P.G.E., d'autre part, sont réglés par un contrat entre les parties concernées.
Les membres du comité de direction qui, au moment de leur nomination, se trouvent dans un lien statutaire avec une autre personne de droit public dépendant de la Région sont mis d'office en congé pour mission d'intérêt général pour la durée du mandat.
§ 5. Le Gouvernement désigne les membres du comité de direction au terme de la procédure, visée aux paragraphes 5 à 7.
Le conseil d'administration de la S.P.G.E. soumet pour approbation au Gouvernement :
1° une description de fonction;
2° une note comprenant une définition des missions générales de gestion et des objectifs collectifs et individuels à atteindre tant en matière de gestion que de stratégie;
3° la désignation des membres du jury de sélection qui comprend au maximum deux tiers des membres du même sexe et qui est composée comme suit :
a) le président et le vice-président du conseil d'administration et le président du comité de rémunération;
b) deux experts externes choisis en dehors des membres des cabinets ministériels, des services du Gouvernement wallon et des organismes d'intérêt public visés par le décret du 22 janvier 1998 relatif au statut du personnel de certains organismes relevant de la Région wallonne présentant une expérience de dix ans minimum en lien avec le profil de fonction établi et désignés par le Gouvernement. Au moins un de ces deux experts présentera une expérience de dix ans en management ou en ressources humaines;
c) un membre d'une université belge francophone dont le domaine d'expertise est en lien avec la fonction vacante ou les enjeux en matière de management ou de ressources humaines;
d) le cas échéant, le directeur général ou les directeurs généraux de la Direction générale du Service public de Wallonie dont les compétences fonctionnelles sont en lien avec les missions de l'organisme ou de son représentant.
La proposition de jury formulée par le conseil d'administration détermine lequel des membres du jury, visés en b) ou en c), exerce la présidence du jury.
§ 6. Le conseil d'administration lance l'appel à candidature public externe et interne, comprenant au minimum :
1° la description de fonction;
2° le mode et la date ultime d'introduction des candidatures;
3° les diplômes et expériences requis pour la fonction;
4° les modalités d'organisation des épreuves et les critères de sélection retenus;
5° les documents que contient, à peine d'irrecevabilité, l'acte de candidature;
6° le service auprès duquel la note visée au paragraphe 5, alinéa 2, 2°, et tous les autres renseignements ou documents utiles peuvent être obtenus;
7° la rémunération proposée pour le mandat et les modalités de fin de mandat.
§ 7. Le jury de sélection organise les épreuves de sélection lui permettant, à l'aide des critères de sélection visés au paragraphe 6, 4°, de cerner les aptitudes de gestion, d'organisation et la personnalité des candidats.
Sur la base des résultats aux épreuves de sélection, le jury de sélection rédige un rapport écrit et motivé reprenant les aptitudes de chacun des candidats, et classant les candidats en deux catégories :
1° une catégorie apte;
2° une catégorie inapte.
Le jury de sélection communique ce rapport au Gouvernement.
Sur la base du rapport du jury, le Gouvernement désigne les membres du comité de direction parmi les candidats jugés aptes par le jury. Il transmet la désignation à la S.P.G.E.
§ 8. Le conseil d'administration de la S.P.G.E. charge son comité de rémunération de soumettre le comité de direction et ses membres à :
1° une évaluation annuelle portant sur la réalisation des objectifs fixés pour l'année écoulée;
2° une évaluation intermédiaire, intervenant en principe trente mois après sa désignation, et une évaluation finale, intervenant en principe soixante mois après sa désignation, portant toutes les deux sur la mise en oeuvre des compétences reprises dans son descriptif de fonction, la réalisation des objectifs fixés dans le contrat de gestion et des missions générales de gestion et des objectifs à atteindre en tant que comité de direction et en tant que membre du comité de direction, tant en matière de gestion que de stratégie, reprises dans la note visée au paragraphe 5, alinéa 2, 2°.
Le comité de rémunération peut s'entourer de personnalités extérieures dans le cadre de l'évaluation intermédiaire et s'entoure de personnalités extérieures pour l'évaluation finale. Les personnalités extérieures disposent des expériences visées au paragraphe 5, alinéa 2, 3°, b).
Lorsque le Gouvernement juge que la situation ou la réputation de la S.P.G.E. le requiert, il peut d'initiative requérir l'évaluation du ou des membres du comité de direction. Cette évaluation se déroule conformément aux paragraphes 8, 9 et 10. A cette occasion, le conseil d'administration s'entoure de personnalités extérieures, répondant aux conditions, visées au paragraphe 5, alinéa 2, 3°, b). En cas d'évaluation négative, le Gouvernement peut mettre fin à la désignation du ou des membres du comité de direction, sur avis du conseil d'administration.
Les évaluations intermédiaires et finales font l'objet d'un rapport motivé, notifié au comité de direction par envoi recommandé avec accusé de réception. L'évaluation est positive ou négative.
Les statuts de la S.P.G.E. fixent les procédures d'évaluation et leurs modalités.
§ 9. Le comité de direction ou un de ses membres peut introduire, par un envoi recommandé, un recours auprès du conseil d'administration contre son évaluation intermédiaire ou finale négative dans un délai de dix jours à dater de sa réception. A défaut, l'évaluation est définitive.
En cas de recours par le comité de direction ou un de ses membres, ce dernier peut exposer au conseil d'administration les motifs pour lesquels il conteste l'évaluation dans les dix jours de la communication de son recours. Il peut solliciter une audition, à laquelle le conseil d'administration fait droit lorsqu'elle est demandée.
Après avoir pris connaissance des motifs du recours, le conseil d'administration peut modifier l'évaluation. Si, malgré le recours, l'évaluation reste négative, le recours et ses motifs sont inclus dans le rapport d'évaluation.
Le conseil d'administration transmet au Gouvernement sa décision, le rapport d'évaluation, le cas échéant incluant le recours et ses motifs, et peut proposer la fin du mandat d'un ou des membres du comité de direction.
§ 10. Les rapports d'évaluation intermédiaire ou finale définitifs sont communiqués au Gouvernement par le conseil d'administration.
En cas d'évaluation intermédiaire négative, le Gouvernement peut mettre fin anticipativement à la désignation du comité de direction ou d'un de ses membres. Le cas échéant, une nouvelle procédure de désignation du comité de direction ou d'un de ses membres est lancée.
En cas d'évaluation finale négative, la désignation du comité de direction ou un de ses membres prend fin au terme de sa durée déterminée. Une nouvelle procédure de désignation est entamée. Le comité de direction ou l'un de ses membres sortants ayant fait l'objet de l'évaluation finale négative ne peut pas participer à cette nouvelle procédure.
Le comité de direction ou ses membres qui bénéficient d'une évaluation finale positive peuvent être renouvelés par le Gouvernement pour une période de cinq ans sans qu'il soit nécessaire de mettre en oeuvre une nouvelle procédure de désignation.
Le comité de direction ou ses membres qui bénéficient d'une évaluation finale positive au terme de leur première désignation sont renouvelés de plein droit pour une nouvelle durée de cinq ans, sans qu'il soit nécessaire de mettre en oeuvre une nouvelle procédure de désignation.
§ 11. Il est dérogé au Chapitre 1er du Titre 4 du Livre 7 du Code des sociétés et des associations.
Par dérogation aux articles 7:141, § 1er, et 7:172 du Code des sociétés et des associations, le comité de direction est compétent en matière de délivrance de copies et d'extraits des procès-verbaux de l'assemblée générale.
Par dérogation aux articles 7:28, 7:33, alinéa 1er, 7:34, alinéa 2, et 7:74, alinéas 1er et 2, du Code des sociétés et des associations, le comité de direction est compétent en matière de tenue des registres des titres et de délivrance d'extraits de ces registres.]1
§ 2. Sauf en cas de conflit d'intérêts, les membres du comité de direction assistent aux réunions du conseil d'administration avec voix consultative.
Le comité de direction fait régulièrement rapport au conseil d'administration de sa gestion opérationnelle.
§ 3. Le comité de direction est composé de trois membres au maximum, dont son président. Ce dernier est également le président du comité de direction de la S.W.D.E.
Sous réserve des délégations qu'il donne à ses membres, les délibérations du comité de direction sont collégiales.
Le comité de direction peut déléguer les pouvoirs qui lui sont dévolus à des membres du personnel conformément aux modalités et aux conditions arrêtées par les statuts.
§ 4. Les membres du comité de direction sont désignés pour une durée de cinq ans.
Si un membre du comité de direction est désigné moins de cinq ans avant l'âge légal de la pension, sa fonction prend fin le jour où il atteint l'âge légal de la pension.
Le Gouvernement peut prolonger sa désignation au-delà de l'âge légal de la pension, sur base d'une demande du membre du comité de direction formulée auprès du conseil d'administration.
La prolongation de sa désignation au-delà de l'âge légal de la pension est d'une durée maximale d'une année. Elle est renouvelable, selon les mêmes modalités, pour une seule nouvelle période d'une durée maximale d'un an.
Les droits, y compris la rémunération, et obligations mutuels des membres du comité de direction, d'une part, et de la S.P.G.E., d'autre part, sont réglés par un contrat entre les parties concernées.
Les membres du comité de direction qui, au moment de leur nomination, se trouvent dans un lien statutaire avec une autre personne de droit public dépendant de la Région sont mis d'office en congé pour mission d'intérêt général pour la durée du mandat.
§ 5. Le Gouvernement désigne les membres du comité de direction au terme de la procédure, visée aux paragraphes 5 à 7.
Le conseil d'administration de la S.P.G.E. soumet pour approbation au Gouvernement :
1° une description de fonction;
2° une note comprenant une définition des missions générales de gestion et des objectifs collectifs et individuels à atteindre tant en matière de gestion que de stratégie;
3° la désignation des membres du jury de sélection qui comprend au maximum deux tiers des membres du même sexe et qui est composée comme suit :
a) le président et le vice-président du conseil d'administration et le président du comité de rémunération;
b) deux experts externes choisis en dehors des membres des cabinets ministériels, des services du Gouvernement wallon et des organismes d'intérêt public visés par le décret du 22 janvier 1998 relatif au statut du personnel de certains organismes relevant de la Région wallonne présentant une expérience de dix ans minimum en lien avec le profil de fonction établi et désignés par le Gouvernement. Au moins un de ces deux experts présentera une expérience de dix ans en management ou en ressources humaines;
c) un membre d'une université belge francophone dont le domaine d'expertise est en lien avec la fonction vacante ou les enjeux en matière de management ou de ressources humaines;
d) le cas échéant, le directeur général ou les directeurs généraux de la Direction générale du Service public de Wallonie dont les compétences fonctionnelles sont en lien avec les missions de l'organisme ou de son représentant.
La proposition de jury formulée par le conseil d'administration détermine lequel des membres du jury, visés en b) ou en c), exerce la présidence du jury.
§ 6. Le conseil d'administration lance l'appel à candidature public externe et interne, comprenant au minimum :
1° la description de fonction;
2° le mode et la date ultime d'introduction des candidatures;
3° les diplômes et expériences requis pour la fonction;
4° les modalités d'organisation des épreuves et les critères de sélection retenus;
5° les documents que contient, à peine d'irrecevabilité, l'acte de candidature;
6° le service auprès duquel la note visée au paragraphe 5, alinéa 2, 2°, et tous les autres renseignements ou documents utiles peuvent être obtenus;
7° la rémunération proposée pour le mandat et les modalités de fin de mandat.
§ 7. Le jury de sélection organise les épreuves de sélection lui permettant, à l'aide des critères de sélection visés au paragraphe 6, 4°, de cerner les aptitudes de gestion, d'organisation et la personnalité des candidats.
Sur la base des résultats aux épreuves de sélection, le jury de sélection rédige un rapport écrit et motivé reprenant les aptitudes de chacun des candidats, et classant les candidats en deux catégories :
1° une catégorie apte;
2° une catégorie inapte.
Le jury de sélection communique ce rapport au Gouvernement.
Sur la base du rapport du jury, le Gouvernement désigne les membres du comité de direction parmi les candidats jugés aptes par le jury. Il transmet la désignation à la S.P.G.E.
§ 8. Le conseil d'administration de la S.P.G.E. charge son comité de rémunération de soumettre le comité de direction et ses membres à :
1° une évaluation annuelle portant sur la réalisation des objectifs fixés pour l'année écoulée;
2° une évaluation intermédiaire, intervenant en principe trente mois après sa désignation, et une évaluation finale, intervenant en principe soixante mois après sa désignation, portant toutes les deux sur la mise en oeuvre des compétences reprises dans son descriptif de fonction, la réalisation des objectifs fixés dans le contrat de gestion et des missions générales de gestion et des objectifs à atteindre en tant que comité de direction et en tant que membre du comité de direction, tant en matière de gestion que de stratégie, reprises dans la note visée au paragraphe 5, alinéa 2, 2°.
Le comité de rémunération peut s'entourer de personnalités extérieures dans le cadre de l'évaluation intermédiaire et s'entoure de personnalités extérieures pour l'évaluation finale. Les personnalités extérieures disposent des expériences visées au paragraphe 5, alinéa 2, 3°, b).
Lorsque le Gouvernement juge que la situation ou la réputation de la S.P.G.E. le requiert, il peut d'initiative requérir l'évaluation du ou des membres du comité de direction. Cette évaluation se déroule conformément aux paragraphes 8, 9 et 10. A cette occasion, le conseil d'administration s'entoure de personnalités extérieures, répondant aux conditions, visées au paragraphe 5, alinéa 2, 3°, b). En cas d'évaluation négative, le Gouvernement peut mettre fin à la désignation du ou des membres du comité de direction, sur avis du conseil d'administration.
Les évaluations intermédiaires et finales font l'objet d'un rapport motivé, notifié au comité de direction par envoi recommandé avec accusé de réception. L'évaluation est positive ou négative.
Les statuts de la S.P.G.E. fixent les procédures d'évaluation et leurs modalités.
§ 9. Le comité de direction ou un de ses membres peut introduire, par un envoi recommandé, un recours auprès du conseil d'administration contre son évaluation intermédiaire ou finale négative dans un délai de dix jours à dater de sa réception. A défaut, l'évaluation est définitive.
En cas de recours par le comité de direction ou un de ses membres, ce dernier peut exposer au conseil d'administration les motifs pour lesquels il conteste l'évaluation dans les dix jours de la communication de son recours. Il peut solliciter une audition, à laquelle le conseil d'administration fait droit lorsqu'elle est demandée.
Après avoir pris connaissance des motifs du recours, le conseil d'administration peut modifier l'évaluation. Si, malgré le recours, l'évaluation reste négative, le recours et ses motifs sont inclus dans le rapport d'évaluation.
Le conseil d'administration transmet au Gouvernement sa décision, le rapport d'évaluation, le cas échéant incluant le recours et ses motifs, et peut proposer la fin du mandat d'un ou des membres du comité de direction.
§ 10. Les rapports d'évaluation intermédiaire ou finale définitifs sont communiqués au Gouvernement par le conseil d'administration.
En cas d'évaluation intermédiaire négative, le Gouvernement peut mettre fin anticipativement à la désignation du comité de direction ou d'un de ses membres. Le cas échéant, une nouvelle procédure de désignation du comité de direction ou d'un de ses membres est lancée.
En cas d'évaluation finale négative, la désignation du comité de direction ou un de ses membres prend fin au terme de sa durée déterminée. Une nouvelle procédure de désignation est entamée. Le comité de direction ou l'un de ses membres sortants ayant fait l'objet de l'évaluation finale négative ne peut pas participer à cette nouvelle procédure.
Le comité de direction ou ses membres qui bénéficient d'une évaluation finale positive peuvent être renouvelés par le Gouvernement pour une période de cinq ans sans qu'il soit nécessaire de mettre en oeuvre une nouvelle procédure de désignation.
Le comité de direction ou ses membres qui bénéficient d'une évaluation finale positive au terme de leur première désignation sont renouvelés de plein droit pour une nouvelle durée de cinq ans, sans qu'il soit nécessaire de mettre en oeuvre une nouvelle procédure de désignation.
§ 11. Il est dérogé au Chapitre 1er du Titre 4 du Livre 7 du Code des sociétés et des associations.
Par dérogation aux articles 7:141, § 1er, et 7:172 du Code des sociétés et des associations, le comité de direction est compétent en matière de délivrance de copies et d'extraits des procès-verbaux de l'assemblée générale.
Par dérogation aux articles 7:28, 7:33, alinéa 1er, 7:34, alinéa 2, et 7:74, alinéas 1er et 2, du Code des sociétés et des associations, le comité de direction est compétent en matière de tenue des registres des titres et de délivrance d'extraits de ces registres.]1
C. [1 Coördinatiecomité van de watersector.]1
C. [1 Comité de coordination du secteur de l'eau ]1
Art. D334quater. [1 § 1. Binnen de "S.P.G.E." is een coördinatiecommissie voor de watersector opgericht.
§ 2. Het in lid 1 bedoelde coördinatiecomité bestaat uit door de raad van bestuur aangewezen leden, die ieder één stemrecht hebben. Deze leden zijn :
1° vertegenwoordigers van verdelers, met één vertegenwoordiger per 100.000 aansluitingen, met een maximum van drie vertegenwoordigers per verdeler;
2° één vertegenwoordiger voor elk van de erkende saneringsinstellingen;
3° een vertegenwoordiger van een verdeler die niet vertegenwoordigd is onder 1° of 2°.
De leden van het Directiecomité van de "S.P.G.E." worden met raadgevende stem op de vergaderingen uitgenodigd.
Deskundigen kunnen ook worden uitgenodigd om met raadgevende stem deel te nemen aan de vergaderingen van het coördinatiecomité.
§ 3. De statuten van de "S.P.G.E." of een krachtens de statuten vastgesteld huishoudelijk reglement bepalen de opdrachten en werkwijze van het in paragraaf 1 bedoelde comité, met inbegrip van de criteria en procedures voor het betrekken van deskundigen bij de werkzaamheden van het coördinatiecomité. ]1
§ 2. Het in lid 1 bedoelde coördinatiecomité bestaat uit door de raad van bestuur aangewezen leden, die ieder één stemrecht hebben. Deze leden zijn :
1° vertegenwoordigers van verdelers, met één vertegenwoordiger per 100.000 aansluitingen, met een maximum van drie vertegenwoordigers per verdeler;
2° één vertegenwoordiger voor elk van de erkende saneringsinstellingen;
3° een vertegenwoordiger van een verdeler die niet vertegenwoordigd is onder 1° of 2°.
De leden van het Directiecomité van de "S.P.G.E." worden met raadgevende stem op de vergaderingen uitgenodigd.
Deskundigen kunnen ook worden uitgenodigd om met raadgevende stem deel te nemen aan de vergaderingen van het coördinatiecomité.
§ 3. De statuten van de "S.P.G.E." of een krachtens de statuten vastgesteld huishoudelijk reglement bepalen de opdrachten en werkwijze van het in paragraaf 1 bedoelde comité, met inbegrip van de criteria en procedures voor het betrekken van deskundigen bij de werkzaamheden van het coördinatiecomité. ]1
Art. D334quater. [1 § 1er. Un comité de coordination du secteur de l'eau est institué au sein de la S.P.G.E.
§ 2. Le comité de coordination visé au paragraphe 1er est composé de membres désignés par le conseil d'administration qui disposent chacun d'une voix délibérative. Ces membres sont :
1° des représentants des distributeurs à raison d'un représentant par tranche complète de 100 000 raccordements, avec un maximum de trois représentants par distributeur;
2° un représentant pour chacun des organismes d'assainissement agréés;
3° un représentant d'un distributeur non représenté sur base du 1° ou du 2°.
Les membres du comité de direction de la S.P.G.E. assistent au comité avec voix consultative.
Des experts peuvent être également conviés à assister avec voix consultative aux réunions du comité de coordination.
§ 3. Les statuts de la S.P.G.E ou un règlement d'ordre intérieur adopté en exécution des statuts, déterminent les missions et le mode de fonctionnement du comité visé au paragraphe 1er, dont les critères et les modalités selon lesquels les experts sont associés aux travaux du comité de coordination. ]1
§ 2. Le comité de coordination visé au paragraphe 1er est composé de membres désignés par le conseil d'administration qui disposent chacun d'une voix délibérative. Ces membres sont :
1° des représentants des distributeurs à raison d'un représentant par tranche complète de 100 000 raccordements, avec un maximum de trois représentants par distributeur;
2° un représentant pour chacun des organismes d'assainissement agréés;
3° un représentant d'un distributeur non représenté sur base du 1° ou du 2°.
Les membres du comité de direction de la S.P.G.E. assistent au comité avec voix consultative.
Des experts peuvent être également conviés à assister avec voix consultative aux réunions du comité de coordination.
§ 3. Les statuts de la S.P.G.E ou un règlement d'ordre intérieur adopté en exécution des statuts, déterminent les missions et le mode de fonctionnement du comité visé au paragraphe 1er, dont les critères et les modalités selon lesquels les experts sont associés aux travaux du comité de coordination. ]1
D. [1 Controle van de rekeningen.]1
D. [1 Contrôle des comptes]1
Art. D334quinquies. [1 § 1. De controle op de financiële toestand, de jaarrekeningen en de regelmatigheid, ten aanzien van de wetgeving en de statuten, van de verrichtingen i.v.m. de jaarrekeningen, wordt opgedragen aan een college van commissarissen dat uit drie leden bestaat.
Hun beraadslagingen zijn collegiaal.
Hun verslagen en opmerkingen worden overgemaakt aan de Regering en aan de algemene Vergadering.
Twee leden van het college van commissarissen worden door de algemene vergadering benoemd onder de leden van het Instituut der Bedrijfsrevisoren, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Ze hebben de hoedanigheid van bedrijfsrevisor.
Het derde lid wordt benoemd door de Regering uit de leden van de Rekenkamer op voorstel van deze laatste. Hij is voorzitter van het college.
De commissarissen worden benoemd voor drie jaar.
§ 2. De algemene vergadering bepaalt de bezoldiging van de commissarissen. ]1
Hun beraadslagingen zijn collegiaal.
Hun verslagen en opmerkingen worden overgemaakt aan de Regering en aan de algemene Vergadering.
Twee leden van het college van commissarissen worden door de algemene vergadering benoemd onder de leden van het Instituut der Bedrijfsrevisoren, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Ze hebben de hoedanigheid van bedrijfsrevisor.
Het derde lid wordt benoemd door de Regering uit de leden van de Rekenkamer op voorstel van deze laatste. Hij is voorzitter van het college.
De commissarissen worden benoemd voor drie jaar.
§ 2. De algemene vergadering bepaalt de bezoldiging van de commissarissen. ]1
Art. D334quinquies. [1 § 1er. Le contrôle de la situation financière, des comptes annuels et de la régularité, au regard de la réglementation et des statuts, des opérations à constater dans les comptes annuels est confié à un collège des commissaires aux comptes composé de trois membres.
Leurs délibérations sont collégiales.
Leurs rapports et observations sont communiqués au Gouvernement et à l'assemblée générale.
L'assemblée générale nomme deux des membres du collège des commissaires aux comptes parmi les membres de l'Institut des réviseurs d'entreprises, conformément aux dispositions du Code des sociétés et des associations. Ils ont la qualité de commissaire-réviseur.
Le troisième membre est nommé par le Gouvernement parmi les membres de la Cour des comptes sur proposition de celle-ci. Il préside le collège.
Les commissaires sont nommés pour un terme de trois ans.
§ 2. L'assemblée générale détermine la rémunération des commissaires. ]1
Leurs délibérations sont collégiales.
Leurs rapports et observations sont communiqués au Gouvernement et à l'assemblée générale.
L'assemblée générale nomme deux des membres du collège des commissaires aux comptes parmi les membres de l'Institut des réviseurs d'entreprises, conformément aux dispositions du Code des sociétés et des associations. Ils ont la qualité de commissaire-réviseur.
Le troisième membre est nommé par le Gouvernement parmi les membres de la Cour des comptes sur proposition de celle-ci. Il préside le collège.
Les commissaires sont nommés pour un terme de trois ans.
§ 2. L'assemblée générale détermine la rémunération des commissaires. ]1
Onderafdeling 3. - Beheerscontract.
Sous-section 3. - Contrat de gestion.
A. Aard en inhoud van het beheerscontract.
A. Nature et contenu du contrat de gestion.
Art. D335. [1 De voorschriften, modaliteiten en doelstellingen volgens dewelke de "S.P.G.E." de haar toevertrouwde openbare opdrachten vervult, liggen vast in het beheerscontract dat de "S.P.G.E." voor vijf jaar met het Waalse Gewest gesloten heeft.
De samenwerkingsvoorwaarden tussen het Waals Gewest en de "S.P.G.E." in het kader van haar openbare dienstverleningsopdrachten zijn vastgelegd in het beheerscontract.
De protocollen die in dit kader met het Waalse Gewest zijn gesloten en de documenten waarin de opdrachten worden beschreven die door de Regering aan de "S.P.G.E." zijn gedelegeerd, zijn bij het beheerscontract gevoegd.]1
De samenwerkingsvoorwaarden tussen het Waals Gewest en de "S.P.G.E." in het kader van haar openbare dienstverleningsopdrachten zijn vastgelegd in het beheerscontract.
De protocollen die in dit kader met het Waalse Gewest zijn gesloten en de documenten waarin de opdrachten worden beschreven die door de Regering aan de "S.P.G.E." zijn gedelegeerd, zijn bij het beheerscontract gevoegd.]1
Art. D335. [1 Les règles, modalités et objectifs selon lesquels la S.P.G.E. exerce les missions de service public qui lui sont confiées sont déterminés dans un contrat de gestion conclu pour une durée de cinq ans, entre la Région wallonne et la S.P.G.E.
Les modalités de collaboration entre la Région wallonne et la
S.P.G.E. dans le cadre de ses missions de service public sont définies dans le contrat de gestion. Les protocoles conclus dans ce cadre avec la Région wallonne et les documents établissant les missions déléguées par le Gouvernement à la S.P.G.E. sont annexés au contrat de gestion. ]1
Les modalités de collaboration entre la Région wallonne et la
S.P.G.E. dans le cadre de ses missions de service public sont définies dans le contrat de gestion. Les protocoles conclus dans ce cadre avec la Région wallonne et les documents établissant les missions déléguées par le Gouvernement à la S.P.G.E. sont annexés au contrat de gestion. ]1
Wijzigingen
B. Sluiting en duur van het beheerscontract.
B. Conclusion et durée du contrat de gestion.
Art. D336.
Art. D336.
C. Bedrijfsplan en instrumentenborden.
C. Plan d'entreprise et tableaux de bord.
Art. D337. De "S.P.G.E." :
a) maakt een bedrijfsplan op dat met name een intern systeem voor controle op het beheer aan de hand van prestatiewijzers omvat;
b) bepaalt jaarlijks instrumentenborden voor de algemene prestatie van de watersector en met name de resultaten die behaald zijn [1 inzake de collectieve sanering en het openbare beheer van de autonome sanering]1 en de bescherming [2 tot drinkwater verwerkbaar water]2.
a) maakt een bedrijfsplan op dat met name een intern systeem voor controle op het beheer aan de hand van prestatiewijzers omvat;
b) bepaalt jaarlijks instrumentenborden voor de algemene prestatie van de watersector en met name de resultaten die behaald zijn [1 inzake de collectieve sanering en het openbare beheer van de autonome sanering]1 en de bescherming [2 tot drinkwater verwerkbaar water]2.
Art. D337. La S.P.G.E. établit :
a) un plan d'entreprise comportant notamment un système interne de contrôle de gestion au moyen d'indicateurs de performance;
b) annuellement, des tableaux de bord de performances générales du secteur de l'eau, et notamment les niveaux de résultats atteints en matière d'assainissement [1 collectif et de gestion publique de l'assainissement autonome]1 et de protection [2 des eaux potabilisables]2.
a) un plan d'entreprise comportant notamment un système interne de contrôle de gestion au moyen d'indicateurs de performance;
b) annuellement, des tableaux de bord de performances générales du secteur de l'eau, et notamment les niveaux de résultats atteints en matière d'assainissement [1 collectif et de gestion publique de l'assainissement autonome]1 et de protection [2 des eaux potabilisables]2.
Onderafdeling 4. - Technische bijstand en personeel.
Sous-section 4. - Assistance technique et personnel.
Art. D338. § 1. Het Gewest kan mits toestemming van de Raad van bestuur van de "S.P.G.E." via een besluit van Regering verslag uitbrengen over het beheers-, gebruiks- en genotsrecht alsmede over elk recht betreffende de percelen van zijn domein dat nuttig is voor de uitoefening van de opdrachten van de "S.P.G.E." met inbegrip van het bouwrecht.
In dat geval zijn de nieuwe verbintenissen die het gevolg zijn van de uitoefening van de door het Gewest afgestane rechten, ten laste van de "S.P.G.E.".
§ 2. Nadat ze ervoor door de Regering is gemachtigd, kan de "S.P.G.E." voor het bereiken van haar maatschappelijk doel gebouwen onteigenen [1 ...]1 en de concessies voor de bouw van de autosnelwegen.
In dat geval zijn de nieuwe verbintenissen die het gevolg zijn van de uitoefening van de door het Gewest afgestane rechten, ten laste van de "S.P.G.E.".
§ 2. Nadat ze ervoor door de Regering is gemachtigd, kan de "S.P.G.E." voor het bereiken van haar maatschappelijk doel gebouwen onteigenen [1 ...]1 en de concessies voor de bouw van de autosnelwegen.
Art. D338. § 1er. La Région peut, moyennant le consentement du conseil d'administration de la S.P.G.E., par le biais d'un arrêté du Gouvernement, faire apport du droit de gestion, du droit d'usage, du droit de jouissance ainsi que de tout droit réel relatif à toute parcelle de son domaine utile à l'exercice des missions de la S.P.G.E., en ce compris le droit de construire.
Dans ce cas, les obligations nouvelles générées par l'exercice des droits cédés par la Région sont à charge de la S.P.G.E.
§ 2. La S.P.G.E. peut, pour la réalisation de son objet social, après en avoir été autorisée par le Gouvernement, exproprier [1 ...]1 des immeubles.
Dans ce cas, les obligations nouvelles générées par l'exercice des droits cédés par la Région sont à charge de la S.P.G.E.
§ 2. La S.P.G.E. peut, pour la réalisation de son objet social, après en avoir été autorisée par le Gouvernement, exproprier [1 ...]1 des immeubles.
Wijzigingen
Art. D339. De Waalse Regering is ertoe gemachtigd personeel van haar diensten ter beschikking te stellen van de [1 S.P.G.E.]1 op grond van de regels betreffende de opdrachten en volgens de door haar bepaalde voorwaarden.
Art. D339. Le Gouvernement wallon est autorisé à mettre à disposition de la [1 " S.P.G.E. "]1 du personnel de ses services par application des règles relatives aux missions, suivant les modalités fixées par lui.
Wijzigingen
Onderafdeling 5. - Comité van de deskundigen.
Sous-section 5. - Comité des experts.
Art. D340.
Art. D340.
Onderafdeling 6. - Ontbinding van de [1 S.P.G.E.]1.
Sous-section 6. - Dissolution de la [1 " S.P.G.E. "]1.
Art. D341. De ontbinding van de "S.P.G.E." wordt slechts uitgesproken krachtens een decreet dat de vereffeningswijze en voorwaarden zal regelen.
Art. D341. La dissolution de la S.P.G.E. ne peut être prononcée qu'en vertu d'un décret qui réglera le mode et les conditions de liquidation.
Onderafdeling 7. - Diverse bepalingen.
Sous-section 7. - Dispositions diverses.
Art. D342. Het Gewest kan mits toestemming van de Raad van bestuur van de "S.P.G.E." via een besluit van de Regering de goederen die aan het domein van het Gewest toebehoren in natura inbrengen bij de "S.P.G.E.", met name de aandelen die het Gewest bezit binnen de "S.W.D.E".
De deelnemingen van de "S.P.G.E." in het kapitaal van de "S.W.D.E." mogen 20 % niet overschrijden.
De deelnemingen van de "S.P.G.E." in het kapitaal van de "S.W.D.E." mogen 20 % niet overschrijden.
Art. D342. La Région peut, moyennant le consentement du conseil d'administration de la S.P.G.E., par le biais d'un arrêté du Gouvernement, faire apport en nature à la S.P.G.E. des biens appartenant au domaine de la Région, et notamment les participations que détient la Région au sein de la S.W.D.E.
Les participations de la S.P.G.E. au sein du capital de la S.W.D.E. ne peuvent dépasser 20 %.
Les participations de la S.P.G.E. au sein du capital de la S.W.D.E. ne peuvent dépasser 20 %.
Art. D342bis. [1 [3 Indien een producent of een verdeler zijn verplichtingen vermeld in de artikelen D.254, § 2, en D.255 niet vervult]3 worden deze vervuld door de bevoegde overheden om hun opdrachten van openbare dienst voort te zetten en om zich te houden aan de verplichtingen vermeld in artikel [3 D.254, § 2, en D.255]3.
Als de bevoegde overheden de verplichtingen niet vervullen, worden ze dan tot dezelfde doeleinden door de bevoegde overheden of het Waalse Gewest vervuld. De bedragen ten laste [3 van de wanbetalende producent of verdeler]3 worden door het Waalse Gewest teruggevorderd.]1
[2 De Regering kan de " S.P.G.E. " belasten met de uitoefening van de opdrachten inzake de collectieve sanering en het openbare beheer van de autonome sanering en [3 de wanbetalende verdeler]3 ermee belasten het gelijkwaardige bedrag van de C.V.A. aan de " S.P.G.E. " te storten.]2
Als de bevoegde overheden de verplichtingen niet vervullen, worden ze dan tot dezelfde doeleinden door de bevoegde overheden of het Waalse Gewest vervuld. De bedragen ten laste [3 van de wanbetalende producent of verdeler]3 worden door het Waalse Gewest teruggevorderd.]1
[2 De Regering kan de " S.P.G.E. " belasten met de uitoefening van de opdrachten inzake de collectieve sanering en het openbare beheer van de autonome sanering en [3 de wanbetalende verdeler]3 ermee belasten het gelijkwaardige bedrag van de C.V.A. aan de " S.P.G.E. " te storten.]2
Art. D342bis. [1 A défaut pour [3 un producteur ou un distributeur]3 de remplir [3 ses]3 obligations énoncées à l'article [3 D.254, § 2, et D.255]3, les autorités compétentes s'y substituent aux fins de poursuivre les missions de service public qui leur incombent et de se conformer aux obligations mentionnées à l'article [3 D.254, § 2, et D.255]3.
A défaut d'exécution des obligations de ces dernières, les autorités compétentes ou la Région wallonne s'y substituent aux mêmes fins. La Région wallonne récupère les montants à charge [3 du producteur ou du distributeur défaillant]3.]1
[2 Le Gouvernement peut charger la S.P.G.E. de réaliser les missions d'assainissement collectif et de gestion publique de l'assainissement autonome et charger le [3 distributeur défaillant]3 de verser l'équivalent du C.V.A. à la S.P.G.E.]2
A défaut d'exécution des obligations de ces dernières, les autorités compétentes ou la Région wallonne s'y substituent aux mêmes fins. La Région wallonne récupère les montants à charge [3 du producteur ou du distributeur défaillant]3.]1
[2 Le Gouvernement peut charger la S.P.G.E. de réaliser les missions d'assainissement collectif et de gestion publique de l'assainissement autonome et charger le [3 distributeur défaillant]3 de verser l'équivalent du C.V.A. à la S.P.G.E.]2
Afdeling 2. - [1 Saneringsinstellingen]1
Section 2. - [1 Organismes d'assainissement]1
Art. D343. Onverminderd artikel 135 van de nieuwe gemeentewet van 24 juni 1988 kan de Regering publiekrechtelijke rechtspersonen erkennen als [1 saneringsinstelling]1 om de in artikel 344 bedoelde opdrachten in een bepaald territoriaal rechtsgebied te vervullen.
De Regering kan aanmaningen richten, de erkenning intrekken wanneer de [1 saneringsinstelling]1 verzuimt haar verplichtingen voortvloeiend uit het in artikel 345 bedoelde beheerscontract na te komen.
De Regering bepaalt de redenen van de erkenningsintrekking.
De Regering kan aanmaningen richten, de erkenning intrekken wanneer de [1 saneringsinstelling]1 verzuimt haar verplichtingen voortvloeiend uit het in artikel 345 bedoelde beheerscontract na te komen.
De Regering bepaalt de redenen van de erkenningsintrekking.
Art. D343. Sans préjudice de l'article 135 de la Nouvelle loi communale du 24 juin 1988, le Gouvernement peut agréer des personnes morales de droit public en qualité d'[1 organisme d'assainissement]1 pour assurer les missions définies à l'article 344 dans un ressort territorial déterminé.
Le Gouvernement peut adresser des injonctions, retirer l'agrément lorsque l'[1 organisme d'assainissement]1 reste en défaut d'exécuter ses obligations découlant du contrat de service vise à l'article 345.
Le Gouvernement fixe les motifs de retrait d'agrément.
Le Gouvernement peut adresser des injonctions, retirer l'agrément lorsque l'[1 organisme d'assainissement]1 reste en défaut d'exécuter ses obligations découlant du contrat de service vise à l'article 345.
Le Gouvernement fixe les motifs de retrait d'agrément.
Wijzigingen
Art. D344. Om als [1 saneringsinstelling]1 te worden erkend moet de publiekrechtelijke rechtspersoon de vorm aannemen van een intercommunale en [5 een contract hebben met de "S.P.G.E." voor de zuivering en de opvang van water]5 en met name de volgende opdrachten als doel hebben :
1° tot de uitwerking van zuiveringsprogramma's bijdragen ter uitvoering van het beheersplan voor de stroomgebieden en voor de zuiveringsdienst zorgen;
2° voor de beheersing van de opzet, de verwezenlijking en de inrichting van de werken bestemd voor de opvang en de zuivering van afvalwater afkomstig van openbare rioleringen zorgen;
3° de doeltreffendheid van de installaties die in het territoriaal rechtsgebied van de instelling zorgen voor de zuivering van het door de openbare rioleringen opgevangen afvalwater, beheren, exploiteren en verbeteren;
4° een afzonderlijke boekhouding voeren voor haar zuiveringsverrichtingen, die voldoet aan de door de Regering bepaalde regels;
5° [4 het door erkende rioolruimers afgegeven slijk in de daartoe voorziene zuiveringsstations aanvaarden en verwijderen;]4
6° meewerken aan de verwezenlijking van zuiveringsplannen voor elk hydrografisch onderbekken en aan de herzieningen ervan onder de verantwoordelijkheid en het toezicht van de "S.P.G.E";
7° [2 op verzoek van de van de Regering of van de S.P.G.E. andere opdrachten inzake de [3 ...]3 sanering vervullen;]2;
8° [5 het Departement Leefmilieu en Water van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke hulpbronnen en Leefmilieu]5 verwittigen over de aankomst van abnormale afvalstoffen en verstoringen in het te behandelen afvalwater die binnen haar territoriaal rechtsgebied zijn vastgesteld;
9° een perfecte coördinatie tussen de zuivering en de gemeentelijke afwatering met de gemeenten die zich op het territoriaal rechtsgebied van de instelling bevinden, organiseren;
[2 10° advies verlenen aan de exploitanten die zich aansluiten op het rioleringssysteem of het opvangnetwerk, inzake de lozing van industrieel afvalwater volgens de modaliteiten vastgelegd door de Regering.]2
[4 11° de door de " S.P.G.E. " overgedragen opdrachten inzake het openbare beheer van de autonome sanering uitvoeren.]4
1° tot de uitwerking van zuiveringsprogramma's bijdragen ter uitvoering van het beheersplan voor de stroomgebieden en voor de zuiveringsdienst zorgen;
2° voor de beheersing van de opzet, de verwezenlijking en de inrichting van de werken bestemd voor de opvang en de zuivering van afvalwater afkomstig van openbare rioleringen zorgen;
3° de doeltreffendheid van de installaties die in het territoriaal rechtsgebied van de instelling zorgen voor de zuivering van het door de openbare rioleringen opgevangen afvalwater, beheren, exploiteren en verbeteren;
4° een afzonderlijke boekhouding voeren voor haar zuiveringsverrichtingen, die voldoet aan de door de Regering bepaalde regels;
5° [4 het door erkende rioolruimers afgegeven slijk in de daartoe voorziene zuiveringsstations aanvaarden en verwijderen;]4
6° meewerken aan de verwezenlijking van zuiveringsplannen voor elk hydrografisch onderbekken en aan de herzieningen ervan onder de verantwoordelijkheid en het toezicht van de "S.P.G.E";
7° [2 op verzoek van de van de Regering of van de S.P.G.E. andere opdrachten inzake de [3 ...]3 sanering vervullen;]2;
8° [5 het Departement Leefmilieu en Water van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke hulpbronnen en Leefmilieu]5 verwittigen over de aankomst van abnormale afvalstoffen en verstoringen in het te behandelen afvalwater die binnen haar territoriaal rechtsgebied zijn vastgesteld;
9° een perfecte coördinatie tussen de zuivering en de gemeentelijke afwatering met de gemeenten die zich op het territoriaal rechtsgebied van de instelling bevinden, organiseren;
[2 10° advies verlenen aan de exploitanten die zich aansluiten op het rioleringssysteem of het opvangnetwerk, inzake de lozing van industrieel afvalwater volgens de modaliteiten vastgelegd door de Regering.]2
[4 11° de door de " S.P.G.E. " overgedragen opdrachten inzake het openbare beheer van de autonome sanering uitvoeren.]4
Wijzigingen
Art. D344. Pour être agréée en qualité d'[1 organisme d'assainissement]1, la personne morale de droit public doit être érigée en intercommunale et [5 avoir un contrat de service d'épuration et de collecte en vigueur avec la S.P.G.E.]5 et avoir notamment dans son objet les missions suivantes :
1° contribuer à l'élaboration des programmes d'assainissement en exécution du plan de gestion de bassin hydrographique et assurer le service d'assainissement;
2° assurer la maîtrise de la conception, de la réalisation et de l'aménagement des ouvrages destinés à collecter et à épurer les eaux usées provenant des égouts publics;
3° gérer, exploiter et améliorer l'efficacité des installations assurant, dans le ressort territorial de l'organisme, l'épuration des eaux usées collectées par les égouts publics;
4° tenir une comptabilité distincte pour ses opérations d'épuration et répondant aux règles fixées par le Gouvernement;
5° [4 d'accepter et éliminer dans les stations d'épuration prévues à cet effet les gadoues remises par les vidangeurs agrées;]4
6° participer à la réalisation des plans d'assainissement par sous-bassin hydrographique et à leurs révisions sous la responsabilité et la supervision de la S.P.G.E.;
7° [2 exécuter, à la demande du Gouvernement ou de la S.P.G.E., d'autres missions en matière d'assainissement [3 ...]3;]2
8° informer [5 le Département de l'Environnement et de l'Eau du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement ]5, de l'arrivée d'effluents anormaux et des perturbations des eaux usées à traiter constatées dans son ressort territorial;
9° organiser avec les communes, qui se situent dans le ressort territorial de l'organisme, une parfaite collaboration entre l'épuration et l'égouttage communal;
[2 10° rendre des avis aux exploitants qui se raccordent au réseau d'égouttage ou de collecte, concernant les déversements des eaux usées industrielles selon les modalités fixées par le Gouvernement;]2
[4 11° assurer les missions de gestion publique de l'assainissement autonome déléguées par la S.P.G.E.]4
1° contribuer à l'élaboration des programmes d'assainissement en exécution du plan de gestion de bassin hydrographique et assurer le service d'assainissement;
2° assurer la maîtrise de la conception, de la réalisation et de l'aménagement des ouvrages destinés à collecter et à épurer les eaux usées provenant des égouts publics;
3° gérer, exploiter et améliorer l'efficacité des installations assurant, dans le ressort territorial de l'organisme, l'épuration des eaux usées collectées par les égouts publics;
4° tenir une comptabilité distincte pour ses opérations d'épuration et répondant aux règles fixées par le Gouvernement;
5° [4 d'accepter et éliminer dans les stations d'épuration prévues à cet effet les gadoues remises par les vidangeurs agrées;]4
6° participer à la réalisation des plans d'assainissement par sous-bassin hydrographique et à leurs révisions sous la responsabilité et la supervision de la S.P.G.E.;
7° [2 exécuter, à la demande du Gouvernement ou de la S.P.G.E., d'autres missions en matière d'assainissement [3 ...]3;]2
8° informer [5 le Département de l'Environnement et de l'Eau du SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement ]5, de l'arrivée d'effluents anormaux et des perturbations des eaux usées à traiter constatées dans son ressort territorial;
9° organiser avec les communes, qui se situent dans le ressort territorial de l'organisme, une parfaite collaboration entre l'épuration et l'égouttage communal;
[2 10° rendre des avis aux exploitants qui se raccordent au réseau d'égouttage ou de collecte, concernant les déversements des eaux usées industrielles selon les modalités fixées par le Gouvernement;]2
[4 11° assurer les missions de gestion publique de l'assainissement autonome déléguées par la S.P.G.E.]4
Wijzigingen
Art. D345. § 1. [2 De "S.P.G.E." vervult haar collectieve zuiveringsopdrachten die vermeld staan in het in artikel 335 bedoelde beheerscontract hetzij rechtstreeks, hetzij via een onderaannemer, aan de hand van een met de 1 saneringsinstellingen gesloten dienstencontract voor zuivering en opvang. De S.P.G.E. heeft een zakelijk recht op de faciliteiten die zij bouwt, renoveert of exploiteert op het gebied van collectieve sanering. ]2
§ 2. Het dienstencontract voor zuivering en opvang valt onder toepassing van de bovenvermelde regels. De regels van het burgerlijk recht zijn van toepassing onder aanvullende titel.
Het dienstencontract voor zuivering en opvang omvat een kadercontract gesloten voor een termijn van twintig jaar en wordt met aanvullende clausules nader bepaald, die perioden van drie jaar dekken, met uitzondering van de eerste aanvullende clausule, die een periode van twee jaar dekt.
[2 Het dienstencontract voor zuivering en opvang omvat een kadercontract gesloten voor een termijn van twintig jaar en wordt gespecificeerd door uitvoeringscontracten met een looptijd van vijf jaar. . Als er tijdens deze periode van vijf jaar een nieuw beheerscontract wordt afgesloten, wordt het bestaande toepassingscontract vervangen door een nieuw toepassingscontract en houdt het van rechtswege op uitwerking te hebben uiterlijk zes maanden na de datum waarop het nieuwe beheerscontract van kracht wordt. Als er geen nieuw beheerscontract van kracht wordt wanneer het vorige afloopt, worden de huidige kader- en toepassingscontracten met zes maanden verlengd. Als er aan het einde van een eventueel verlengd beheercontract nog geen nieuw beheercontract van kracht is geworden, blijven het bestaande kadercontract en het toepassingscontract van toepassing totdat het nieuwe beheercontract van kracht wordt. ]2
[2 De toepassingscontracten]2 regelen met name de rechten en verplichtingen betreffende de volgende elementen :
1° de uit te voeren werken, de uitvoeringstermijnen en de bedoelde zuiveringszone;
2° de werken waarvoor de werking moet worden verzekerd;
3° [2 de delegaties, de verantwoordelijkheden en mandaten die toevertrouwd zijn aan de saneringsinstelling om namens en voor rekening van de "S.P.G.E." werken te beheren ;]2
[2 De lijst van werken bedoeld in paragraaf 4, 1° en 2°, wordt jaarlijks bijgewerkt door middel van aanvullende clausules.]2
Een jaar vóór het verstrijken van de termijn van [2 het toepassingscontract]2 beginnen de onderhandelingen om de termijnen van [2 het volgend toepassingscontract]2 vast te stellen.
§ 3. Wat betreft de opdrachten die vervuld zijn door de instellingen en die in tijd en geld moeilijk geëvalueerd kunnen worden, kan een forfaitair bedrag overeengekomen worden naar verhouding tot de omvang van de werken waarvoor deze opdrachten worden vervuld.
Wanneer de [1 saneringsinstellingen]1 de overheidsprocedure gebruiken voor de uitvoering van enkele opdrachten of prestaties, worden deze laatste tegen de kostprijs bezoldigd.
§ 4. De [1 saneringsinstellingen]1 komen hun verplichtingen na zoals bedoeld in het contract met inachtneming van de wetgeving over de overheidsopdrachten.
§ 5. [2 ...]2.
§ 6. De ontwerpen betreffende werken bestemd om de zuivering van het oppervlaktewater te verzekeren moeten opgenomen worden in het in artikel 335 bedoelde beheersplan en aan de krachtens artikel 162 bepaalde technische regels en de door de Regering vastgestelde criteria voldoen.
§ 7. [2 ...]2.
§ 8. De Regering kan op voorstel van de "S.P.G.E." de regels voor het voeren van een afzonderlijke boekhouding betreffende de opdrachten die haar krachtens artikel 344 worden toevertrouwd, bepalen.
§ 9. De Regering zorgt ervoor dat de [1 saneringsinstellingen]1 de regels van deze afdeling in acht nemen. Ze bepaalt de regels van die controle en wijst de ambtenaren van het "Directoraat-generaal natuurlijke hulpbronnen en energie", Afdeling Water aan die ze daartoe machtigt om de zuiveringsinstallaties te betreden en zich alle technische en boekhoudingsdocumenten die er bijgehouden moeten worden, te laten overleggen. De controleverslagen worden zo spoedig mogelijk aan de "S.P.G.E." overgemaakt.
§ 2. Het dienstencontract voor zuivering en opvang valt onder toepassing van de bovenvermelde regels. De regels van het burgerlijk recht zijn van toepassing onder aanvullende titel.
Het dienstencontract voor zuivering en opvang omvat een kadercontract gesloten voor een termijn van twintig jaar en wordt met aanvullende clausules nader bepaald, die perioden van drie jaar dekken, met uitzondering van de eerste aanvullende clausule, die een periode van twee jaar dekt.
[2 Het dienstencontract voor zuivering en opvang omvat een kadercontract gesloten voor een termijn van twintig jaar en wordt gespecificeerd door uitvoeringscontracten met een looptijd van vijf jaar. . Als er tijdens deze periode van vijf jaar een nieuw beheerscontract wordt afgesloten, wordt het bestaande toepassingscontract vervangen door een nieuw toepassingscontract en houdt het van rechtswege op uitwerking te hebben uiterlijk zes maanden na de datum waarop het nieuwe beheerscontract van kracht wordt. Als er geen nieuw beheerscontract van kracht wordt wanneer het vorige afloopt, worden de huidige kader- en toepassingscontracten met zes maanden verlengd. Als er aan het einde van een eventueel verlengd beheercontract nog geen nieuw beheercontract van kracht is geworden, blijven het bestaande kadercontract en het toepassingscontract van toepassing totdat het nieuwe beheercontract van kracht wordt. ]2
[2 De toepassingscontracten]2 regelen met name de rechten en verplichtingen betreffende de volgende elementen :
1° de uit te voeren werken, de uitvoeringstermijnen en de bedoelde zuiveringszone;
2° de werken waarvoor de werking moet worden verzekerd;
3° [2 de delegaties, de verantwoordelijkheden en mandaten die toevertrouwd zijn aan de saneringsinstelling om namens en voor rekening van de "S.P.G.E." werken te beheren ;]2
[2 De lijst van werken bedoeld in paragraaf 4, 1° en 2°, wordt jaarlijks bijgewerkt door middel van aanvullende clausules.]2
Een jaar vóór het verstrijken van de termijn van [2 het toepassingscontract]2 beginnen de onderhandelingen om de termijnen van [2 het volgend toepassingscontract]2 vast te stellen.
§ 3. Wat betreft de opdrachten die vervuld zijn door de instellingen en die in tijd en geld moeilijk geëvalueerd kunnen worden, kan een forfaitair bedrag overeengekomen worden naar verhouding tot de omvang van de werken waarvoor deze opdrachten worden vervuld.
Wanneer de [1 saneringsinstellingen]1 de overheidsprocedure gebruiken voor de uitvoering van enkele opdrachten of prestaties, worden deze laatste tegen de kostprijs bezoldigd.
§ 4. De [1 saneringsinstellingen]1 komen hun verplichtingen na zoals bedoeld in het contract met inachtneming van de wetgeving over de overheidsopdrachten.
§ 5. [2 ...]2.
§ 6. De ontwerpen betreffende werken bestemd om de zuivering van het oppervlaktewater te verzekeren moeten opgenomen worden in het in artikel 335 bedoelde beheersplan en aan de krachtens artikel 162 bepaalde technische regels en de door de Regering vastgestelde criteria voldoen.
§ 7. [2 ...]2.
§ 8. De Regering kan op voorstel van de "S.P.G.E." de regels voor het voeren van een afzonderlijke boekhouding betreffende de opdrachten die haar krachtens artikel 344 worden toevertrouwd, bepalen.
§ 9. De Regering zorgt ervoor dat de [1 saneringsinstellingen]1 de regels van deze afdeling in acht nemen. Ze bepaalt de regels van die controle en wijst de ambtenaren van het "Directoraat-generaal natuurlijke hulpbronnen en energie", Afdeling Water aan die ze daartoe machtigt om de zuiveringsinstallaties te betreden en zich alle technische en boekhoudingsdocumenten die er bijgehouden moeten worden, te laten overleggen. De controleverslagen worden zo spoedig mogelijk aan de "S.P.G.E." overgemaakt.
Art. D345. § 1er. [2 La S.P.G.E. assure l'exécution de ses obligations liées à sa mission d'assainissement collectif figurant dans le contrat de gestion visé à l'article 335, soit directement, soit en sous-traitance, au moyen d'un contrat de service d'épuration et de collecte, conclu avec les organismes d'assainissement. La S.P.G.E. dispose d'un droit réel sur les ouvrages qu'elle construit, rénove ou exploite en matière d'assainissement collectif. ]2
§ 2. Le contrat de service d'épuration et de collecte est régi par les règles visées ci-dessous. Les règles du droit civil s'appliquent à titre supplétif.
Le contrat de service d'épuration et de collecte est constitué d'un contrat-cadre conclu pour un terme de vingt ans et est précisé par voie d'avenants, lesquels couvrent des périodes de trois ans, à l'exception du premier avenant qui couvre une période de deux ans.
[2 Le contrat de service d'épuration et de collecte est constitué d'un contrat-cadre conclu pour un terme de vingt ans et est précisé par des contrats d'application, lesquels couvrent des périodes de cinq ans. En cas de conclusion d'un nouveau contrat de gestion durant cette période de cinq ans, le contrat d'application en vigueur est remplacé par un nouveau contrat d'application et cesse de produire ses effets, de plein droit, au plus tard six mois après la date d'entrée en vigueur du nouveau contrat de gestion. En cas de non-entrée en vigueur d'un nouveau contrat de gestion à l'expiration du précédent, le contrat-cadre et le contrat d'application en vigueur font l'objet d'une prorogation couvrant une période de six mois. Si, à l'expiration du contrat de gestion éventuellement prorogé, un nouveau contrat de gestion n'est pas entré en vigueur, le contrat-cadre et le contrat d'application en vigueur sont applicables jusqu'à l'entrée en vigueur du nouveau contrat de gestion conclu. ]2
[2 Les contrats d'application]2 règlent, notamment, les droits et obligations relatifs aux éléments suivants :
1° les ouvrages à réaliser, les délais de réalisation et la zone d'assainissement visée;
2° les ouvrages pour lesquels le fonctionnement est à assurer;
3° [2 les délégations, les responsabilités et les mandats confiés à l'organisme d'assainissement pour assurer la maîtrise d'ouvrage au nom et pour le compte de la S.P.G.E.]2
[2 La liste des ouvrages prévue à l'alinéa 4, 1° et 2°, fait l'objet d'une mise à jour annuelle par voie d'avenants. ]2
Un an avant l'expiration du terme du [2 contrat d'application]2, sont initiées les négociations en vue de fixer les termes du prochain [2 contrat d'application]2.
§ 3. En ce qui concerne les missions réalisées par les organismes et difficilement évaluables en temps ou en argent, un montant forfaitaire peut être convenu proportionnellement à l'importance des ouvrages pour lesquels ces missions sont accomplies.
Lorsque les [1 organismes d'assainissement]1 ont recours au marché pour l'exécution de certaines missions ou prestations, celles-ci sont rémunérées au prix coûtant.
§ 4. Les [1 organismes d'assainissement]1 exécutent leurs obligations telles qu'elles découlent du contrat dans le respect de la législation sur les marchés publics.
§ 5. [2 ...]2.
§ 6. Les projets relatifs à des travaux destinés à assurer l'épuration des eaux de surface doivent s'intégrer dans le programme d'action visé à l'article 335 et satisfaire aux règles techniques définies en vertu de l'article 162 et aux critères fixés par le Gouvernement.
§ 7. [2 ...]2.
§ 8. Le Gouvernement peut établir, sur proposition de la S.P.G.E., les règles de tenue d'une comptabilité distincte relative aux missions qui sont confiées en vertu de l'article 344.
§ 9. Le Gouvernement veille au respect, par les [1 organismes d'assainissement]1, des règles de la présente section. Il fixe les modalités de ce contrôle et désigne les fonctionnaires de l'administration qu'il autorise à cette fin à pénétrer dans les installations d'épuration et à se faire produire les documents techniques et comptables qui doivent y être tenus. Les rapports de contrôle sont transmis à la S.P.G.E., sans délai.
§ 2. Le contrat de service d'épuration et de collecte est régi par les règles visées ci-dessous. Les règles du droit civil s'appliquent à titre supplétif.
Le contrat de service d'épuration et de collecte est constitué d'un contrat-cadre conclu pour un terme de vingt ans et est précisé par voie d'avenants, lesquels couvrent des périodes de trois ans, à l'exception du premier avenant qui couvre une période de deux ans.
[2 Le contrat de service d'épuration et de collecte est constitué d'un contrat-cadre conclu pour un terme de vingt ans et est précisé par des contrats d'application, lesquels couvrent des périodes de cinq ans. En cas de conclusion d'un nouveau contrat de gestion durant cette période de cinq ans, le contrat d'application en vigueur est remplacé par un nouveau contrat d'application et cesse de produire ses effets, de plein droit, au plus tard six mois après la date d'entrée en vigueur du nouveau contrat de gestion. En cas de non-entrée en vigueur d'un nouveau contrat de gestion à l'expiration du précédent, le contrat-cadre et le contrat d'application en vigueur font l'objet d'une prorogation couvrant une période de six mois. Si, à l'expiration du contrat de gestion éventuellement prorogé, un nouveau contrat de gestion n'est pas entré en vigueur, le contrat-cadre et le contrat d'application en vigueur sont applicables jusqu'à l'entrée en vigueur du nouveau contrat de gestion conclu. ]2
[2 Les contrats d'application]2 règlent, notamment, les droits et obligations relatifs aux éléments suivants :
1° les ouvrages à réaliser, les délais de réalisation et la zone d'assainissement visée;
2° les ouvrages pour lesquels le fonctionnement est à assurer;
3° [2 les délégations, les responsabilités et les mandats confiés à l'organisme d'assainissement pour assurer la maîtrise d'ouvrage au nom et pour le compte de la S.P.G.E.]2
[2 La liste des ouvrages prévue à l'alinéa 4, 1° et 2°, fait l'objet d'une mise à jour annuelle par voie d'avenants. ]2
Un an avant l'expiration du terme du [2 contrat d'application]2, sont initiées les négociations en vue de fixer les termes du prochain [2 contrat d'application]2.
§ 3. En ce qui concerne les missions réalisées par les organismes et difficilement évaluables en temps ou en argent, un montant forfaitaire peut être convenu proportionnellement à l'importance des ouvrages pour lesquels ces missions sont accomplies.
Lorsque les [1 organismes d'assainissement]1 ont recours au marché pour l'exécution de certaines missions ou prestations, celles-ci sont rémunérées au prix coûtant.
§ 4. Les [1 organismes d'assainissement]1 exécutent leurs obligations telles qu'elles découlent du contrat dans le respect de la législation sur les marchés publics.
§ 5. [2 ...]2.
§ 6. Les projets relatifs à des travaux destinés à assurer l'épuration des eaux de surface doivent s'intégrer dans le programme d'action visé à l'article 335 et satisfaire aux règles techniques définies en vertu de l'article 162 et aux critères fixés par le Gouvernement.
§ 7. [2 ...]2.
§ 8. Le Gouvernement peut établir, sur proposition de la S.P.G.E., les règles de tenue d'une comptabilité distincte relative aux missions qui sont confiées en vertu de l'article 344.
§ 9. Le Gouvernement veille au respect, par les [1 organismes d'assainissement]1, des règles de la présente section. Il fixe les modalités de ce contrôle et désigne les fonctionnaires de l'administration qu'il autorise à cette fin à pénétrer dans les installations d'épuration et à se faire produire les documents techniques et comptables qui doivent y être tenus. Les rapports de contrôle sont transmis à la S.P.G.E., sans délai.
HOOFDSTUK II.. - Inzake waterproductie en -distributie.
CHAPITRE II. - Dans le domaine de la production et de la distribution de l'eau.
Afdeling I. - Algemene bepalingen.
Section 1re. - Généralités.
Art. D346. § 1. Er wordt een maatschappij onder de naam (Société wallonne des eaux" (Waalse watermaatschappij)) opgericht. Zij is een publiekrechtelijke rechtspersoon, opgericht in de vorm van een b.v.b.a., hieronder "de Maatschappij" genoemd.
[1 ...]1.
De zetel van deze maatschappij is te Verviers gevestigd.
[1 ...]1.
De zetel van deze maatschappij is te Verviers gevestigd.
Art. D346. Il est institué une société qui portera la dénomination de "(Société wallonne des eaux)" (en abrégé S.W.D.E.). Elle est une personne morale de droit public, constituée sous la forme d'une société coopérative [1 ...]1. Ci-dessous, elle est dénommée "la Société".
[1 ...]1.
Son siège social et administratif est établi à Verviers.
[1 ...]1.
Son siège social et administratif est établi à Verviers.
Wijzigingen
Art. D347. Het Waalse Gewest, de "S.P.G.E.", de provincies, gemeenten, intercommunales en publiek- (...) personen maken deel uit van de maatschappij, al naar gelang de voorwaarden waarin haar statuten voorzien.
(De toetreding van een gemeente tot de maatschappij brengt van rechtswege een exclusieve onttrekking jegens de maatschappij van de bevoegdheid van deze gemeente inzake openbare dienstverlening de waterproductie en/of -distributie op betrokken geografisch grondgebied.)
[1 In geval van aftreding of uitsluiting van een gemeentelijke [2 aandeelhouder]2, bewaart de maatschappij die bevoegdheid alsook de eigendom van de ingebrachte onroerende rechten, behoudens andersluidend akkoord tussen de partijen.]1
(De toetreding van een gemeente tot de maatschappij brengt van rechtswege een exclusieve onttrekking jegens de maatschappij van de bevoegdheid van deze gemeente inzake openbare dienstverlening de waterproductie en/of -distributie op betrokken geografisch grondgebied.)
[1 In geval van aftreding of uitsluiting van een gemeentelijke [2 aandeelhouder]2, bewaart de maatschappij die bevoegdheid alsook de eigendom van de ingebrachte onroerende rechten, behoudens andersluidend akkoord tussen de partijen.]1
Art. D347. La Société associe, selon les conditions prévues par ses statuts, la Région wallonne, la S.P.G.E., des provinces, des communes, des intercommunales et des personnes de droit public (...).
(L'adhésion d'une commune à la société emporte de plein droit dessaisissement à titre exclusif envers la société par cette commune de sa compétence en matière de service public de production et/ou de distribution d'eau sur le territoire géographique concerné.)
[1 En cas de démission ou d'exclusion d'un [2 actionnaire]2 communal, la société conserve cette compétence ainsi que la propriété des droits immobiliers apportés, sauf accord contraire entre les parties.]1
(L'adhésion d'une commune à la société emporte de plein droit dessaisissement à titre exclusif envers la société par cette commune de sa compétence en matière de service public de production et/ou de distribution d'eau sur le territoire géographique concerné.)
[1 En cas de démission ou d'exclusion d'un [2 actionnaire]2 communal, la société conserve cette compétence ainsi que la propriété des droits immobiliers apportés, sauf accord contraire entre les parties.]1
Art. D348. De wettelijke en reglementaire bepalingen, die van toepassing zijn op de coöperatieve vennootschappen [1 ...]1, gelden ook voor de maatschappij voor zover dit hoofdstuk er niet van afwijkt op grond van haar publieke karakter.
De [1 aandeelhouders]1 mogen zich slechts afzonderlijk en ten belope van een bepaalde som verbinden.
De maatschappij is niet onderworpen aan de bepalingen [1 van boek XX van het Wetboek van economisch recht]1
[1 Wat betreft de oprichting van de maatschappij en de aansprakelijkheid van de oprichters, wordt afgeweken van de artikelen 2:5, §§ 1 en 4, lid 1, 6:12, 6:13, 6:16 en 6:17 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen. ]1
Wat de inbrengen betreft, wordt afgeweken van de artikelen [1 6.8, 6.9, 6,10 et 6.110 van het Wetboek van vennootschappen en Verenigingen]1.
[1 Wat betreft de uitgifte van nieuwe aandelen, wordt afgeweken van de artikelen 6:108, § 1, lid 2, en 6:109 tot en met 6:112 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen. ]1
[1 Wat betreft de financiering van de verwerving van aandelen van de Maatschappij door derden, wordt afgeweken van artikel 6:118 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen. ]1
[1 Wat betreft de toetreding, de uittreding en de uitsluiting van de aandeelhouders, wordt afgeweken van de artikelen 6:105 à 6:108, 6:120 tot 6:122 en 6:123 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen]1.
[1 Met betrekking tot aandeelhoudersverplichtingen, wordt afgeweken van de artikelen 6:15 et 6:40 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]1.
[1 Wat betreft de administratie, het beheer en de vertegenwoordiging van de Maatschappij, wordt afgeweken van de artikelen 6:58, 6:59, 6:61 et 6:67 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen.
Artikel 2:56, lid 2, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen is niet van toepassing op de aansprakelijkheid van bestuurders.
Met betrekking tot ontbinding en vereffening wordt, in aanvulling op wat is bepaald in artikel D.350, afgeweken van de artikelen 2:70 tot en met 2:108, 6:119 en 6:125 tot en met 6:128 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.
In afwijking van de artikelen 6:63, 6:79 et 6:102 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen is het directiecomité bevoegd voor het uitgeven van afschriften en uittreksels van de notulen van de raad van bestuur en de algemene Vergadering.
In afwijking van de artikelen 6:24, lid 2, 6:27, leden 1?, 5 en 6, 6:28, lid 2, 6:50, leden 2 en 3, 6:108, § 2, lid 3, 6:120, § 2, en 6:123, § 4,, van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen is het directiecomité bevoegd voor het houden van registers van effecten en voor het verstrekken van uittreksels uit deze registers. ]1
De maatschappij geniet de vrijstelling van uitvoering voor de goederen die geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor de uitvoering van haar openbare opdrachten.
De [1 aandeelhouders]1 mogen zich slechts afzonderlijk en ten belope van een bepaalde som verbinden.
De maatschappij is niet onderworpen aan de bepalingen [1 van boek XX van het Wetboek van economisch recht]1
[1 Wat betreft de oprichting van de maatschappij en de aansprakelijkheid van de oprichters, wordt afgeweken van de artikelen 2:5, §§ 1 en 4, lid 1, 6:12, 6:13, 6:16 en 6:17 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen. ]1
Wat de inbrengen betreft, wordt afgeweken van de artikelen [1 6.8, 6.9, 6,10 et 6.110 van het Wetboek van vennootschappen en Verenigingen]1.
[1 Wat betreft de uitgifte van nieuwe aandelen, wordt afgeweken van de artikelen 6:108, § 1, lid 2, en 6:109 tot en met 6:112 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen. ]1
[1 Wat betreft de financiering van de verwerving van aandelen van de Maatschappij door derden, wordt afgeweken van artikel 6:118 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen. ]1
[1 Wat betreft de toetreding, de uittreding en de uitsluiting van de aandeelhouders, wordt afgeweken van de artikelen 6:105 à 6:108, 6:120 tot 6:122 en 6:123 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen]1.
[1 Met betrekking tot aandeelhoudersverplichtingen, wordt afgeweken van de artikelen 6:15 et 6:40 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]1.
[1 Wat betreft de administratie, het beheer en de vertegenwoordiging van de Maatschappij, wordt afgeweken van de artikelen 6:58, 6:59, 6:61 et 6:67 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen.
Artikel 2:56, lid 2, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen is niet van toepassing op de aansprakelijkheid van bestuurders.
Met betrekking tot ontbinding en vereffening wordt, in aanvulling op wat is bepaald in artikel D.350, afgeweken van de artikelen 2:70 tot en met 2:108, 6:119 en 6:125 tot en met 6:128 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.
In afwijking van de artikelen 6:63, 6:79 et 6:102 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen is het directiecomité bevoegd voor het uitgeven van afschriften en uittreksels van de notulen van de raad van bestuur en de algemene Vergadering.
In afwijking van de artikelen 6:24, lid 2, 6:27, leden 1?, 5 en 6, 6:28, lid 2, 6:50, leden 2 en 3, 6:108, § 2, lid 3, 6:120, § 2, en 6:123, § 4,, van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen is het directiecomité bevoegd voor het houden van registers van effecten en voor het verstrekken van uittreksels uit deze registers. ]1
De maatschappij geniet de vrijstelling van uitvoering voor de goederen die geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor de uitvoering van haar openbare opdrachten.
Art. D348. Les dispositions légales et réglementaires applicables aux sociétés coopératives [1 ...]1 sont applicables à la Société, pour autant que le présent chapitre n'y déroge pas en raison du caractère public de la Société.
Les [1 actionnaires]1 ne peuvent s'engager que divisément et jusqu'à concurrence d'une certaine valeur.
La Société n'est pas soumise aux dispositions [1 du Livre XX du Code de droit économique]1.
[1 En matière de constitution et de modification de la Société ainsi que de responsabilité des fondateurs, il est dérogé aux articles 2:5, §§ 1er et 4, alinéa 1er, 6:12, 6:13, 6:16 et 6:17 du Code des sociétés et des associations. ]1
En matière d'apports, il est dérogé aux articles [1 6:8, 6:9, 6:10 et 6:110 du Code des sociétés et des associations.]1
[1 En matière d'émission d'actions nouvelles, il est dérogé aux articles 6:108, § 1er, alinéa 2, et 6:109 à 6:112 du Code des sociétés et des associations. ]1
[1 En matière de financement de l'acquisition d'actions de la Société par des tiers, il est dérogé à l'article 6:118 du Code des sociétés et des associations. ]1
[1 En matière d'admission, de démission et d'exclusion d'actionnaire, il est dérogé aux articles 6:105 à 6:108, 6:120 à 6:122 et 6:123 du Code des sociétés et des associations. ]1
[1 En matière d'engagements des actionnaires, il est dérogé aux articles6:15 et 6:40 du Code des sociétés et des associations. ]1
[1 En matière d'administration, de gestion et de représentation de la Société, il est dérogé aux articles 6:58, 6:59, 6:61 et 6:67 du Code des sociétés et des associations.
En matière de responsabilité des dirigeants, il est dérogé à l'article 2:56, alinéa 2, du Code des sociétés et des associations.
En matière de dissolution et de liquidation, outre ce qui est stipulé à l'article D.350, il est dérogé aux articles 2:70 à 2:108, 6:119 et 6:125 à 6:128 du Code des sociétés et des associations.
Par dérogation aux articles 6:63, 6:79 et 6:102 du Code des sociétés et des associations, le comité de direction est compétent en matière de délivrance de copies et extraits des procès-verbaux du conseil d'administration et de l'assemblée générale.
Par dérogation aux articles 6:24, alinéa 2, 6:27, alinéas 1er, 5 et 6, 6:28, alinéa 2, 6:50, alinéas 2 et 3, 6:108, § 2, alinéa 3, 6:120, § 2, et 6:123, § 4, du Code des sociétés et des associations, le comité de direction est compétent en matière de tenue des registres des titres et de délivrance d'extraits de ces registres.]1
La Société bénéficie de l'immunité d'exécution pour les biens entièrement ou partiellement affectés à la mise en oeuvre de ses [1 missions]1 de service public)
Les [1 actionnaires]1 ne peuvent s'engager que divisément et jusqu'à concurrence d'une certaine valeur.
La Société n'est pas soumise aux dispositions [1 du Livre XX du Code de droit économique]1.
[1 En matière de constitution et de modification de la Société ainsi que de responsabilité des fondateurs, il est dérogé aux articles 2:5, §§ 1er et 4, alinéa 1er, 6:12, 6:13, 6:16 et 6:17 du Code des sociétés et des associations. ]1
En matière d'apports, il est dérogé aux articles [1 6:8, 6:9, 6:10 et 6:110 du Code des sociétés et des associations.]1
[1 En matière d'émission d'actions nouvelles, il est dérogé aux articles 6:108, § 1er, alinéa 2, et 6:109 à 6:112 du Code des sociétés et des associations. ]1
[1 En matière de financement de l'acquisition d'actions de la Société par des tiers, il est dérogé à l'article 6:118 du Code des sociétés et des associations. ]1
[1 En matière d'admission, de démission et d'exclusion d'actionnaire, il est dérogé aux articles 6:105 à 6:108, 6:120 à 6:122 et 6:123 du Code des sociétés et des associations. ]1
[1 En matière d'engagements des actionnaires, il est dérogé aux articles6:15 et 6:40 du Code des sociétés et des associations. ]1
[1 En matière d'administration, de gestion et de représentation de la Société, il est dérogé aux articles 6:58, 6:59, 6:61 et 6:67 du Code des sociétés et des associations.
En matière de responsabilité des dirigeants, il est dérogé à l'article 2:56, alinéa 2, du Code des sociétés et des associations.
En matière de dissolution et de liquidation, outre ce qui est stipulé à l'article D.350, il est dérogé aux articles 2:70 à 2:108, 6:119 et 6:125 à 6:128 du Code des sociétés et des associations.
Par dérogation aux articles 6:63, 6:79 et 6:102 du Code des sociétés et des associations, le comité de direction est compétent en matière de délivrance de copies et extraits des procès-verbaux du conseil d'administration et de l'assemblée générale.
Par dérogation aux articles 6:24, alinéa 2, 6:27, alinéas 1er, 5 et 6, 6:28, alinéa 2, 6:50, alinéas 2 et 3, 6:108, § 2, alinéa 3, 6:120, § 2, et 6:123, § 4, du Code des sociétés et des associations, le comité de direction est compétent en matière de tenue des registres des titres et de délivrance d'extraits de ces registres.]1
La Société bénéficie de l'immunité d'exécution pour les biens entièrement ou partiellement affectés à la mise en oeuvre de ses [1 missions]1 de service public)
Wijzigingen
-
Art. D349. De statuten van de maatschappij regelen haar werking. Ze moeten voldoen aan de bepalingen van dit hoofdstuk en aan wie welke de [1 coöperatieve vennootschappen]1 regelen.
[1 De statuten en eventuele wijzigingen daarop worden vastgesteld door de algemene vergadering met een tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Er wordt terzake afgeweken van de artikelen 6, 85 en 86 van het Wetboek van vennootschappen. ]1
[1 De statuten van de Maatschappij en hun wijzigingen worden ter goedkeuring aan de Regering voorgelegd. ]1
(Derde lid opgeheven)
[1 De statuten en eventuele wijzigingen daarop worden vastgesteld door de algemene vergadering met een tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Er wordt terzake afgeweken van de artikelen 6, 85 en 86 van het Wetboek van vennootschappen. ]1
[1 De statuten van de Maatschappij en hun wijzigingen worden ter goedkeuring aan de Regering voorgelegd. ]1
(Derde lid opgeheven)
Art. D349. Les statuts de la Société règlent son fonctionnement. Ils doivent être conformes au présent chapitre et aux dispositions qui régissent les sociétés [1 coopératives]1.
[1 Les statuts et toutes leurs modifications sont adoptés par l'assemblée générale statuant à la majorité des deux tiers des voix exprimées. Il est dérogé en la matière aux articles 6:85 et 6:86 du Code des sociétés et des associations.]1
[1 Les statuts de la Société et leurs modifications sont soumis à l'approbation du Gouvernement. ]1
[1 Les statuts et toutes leurs modifications sont adoptés par l'assemblée générale statuant à la majorité des deux tiers des voix exprimées. Il est dérogé en la matière aux articles 6:85 et 6:86 du Code des sociétés et des associations.]1
[1 Les statuts de la Société et leurs modifications sont soumis à l'approbation du Gouvernement. ]1
Wijzigingen
Art. D350. De maatschappij wordt voor een onbepaalde duur opgericht.
Haar ontbinding is slechts mogelijk op grond van een decreet waarin de modaliteiten van haar liquidatie en de toestand van de personeelsleden vastliggen.
Haar ontbinding is slechts mogelijk op grond van een decreet waarin de modaliteiten van haar liquidatie en de toestand van de personeelsleden vastliggen.
Art. D350. La Société est constituée pour une période illimitée.
Sa dissolution ne peut être décidée que par un décret qui déterminera les modalités de la liquidation et la situation des agents.
Sa dissolution ne peut être décidée que par un décret qui déterminera les modalités de la liquidation et la situation des agents.
Art. D351. [1 De aftreding van een gemeentelijke [2 aandeelhouder]2 tijdens de activiteitsperiode van de [2 Maatschappij]2 wordt slechts toegestaan bij beslissing van de algemene vergadering genomen bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Wat de overige [2 aandeelhouders]2 betreft, wordt de aftreding tijdens de activiteitsperiode van de [2 Maatschappij]2 slechts toegestaan bij beslissing van de algemene vergadering genomen bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen, behoudens andersluidende overeenkomst vastgelegd bij de toelating van betrokken [2 aandeelhouder]2.]1
Art. D351. [1 La démission d'un [2 actionnaire]2 communal est autorisée pendant la période d'activité de la [2 Société]2 uniquement sur décision de l'assemblée générale prise à la majorité des voix exprimées. En ce qui concerne les autres [2 actionnaires]2, la démission est autorisée pendant la période d'activité de la [2 Société]2, sauf convention contraire établie lors de l'admission de l'[2 actionnaire]2 concerné, uniquement sur décision de l'assemblée générale prise à la majorité des voix exprimées.]1
Afdeling 2. - Doel van de maatschappij en openbare opdrachten.
Section 2. - Objet de la Société et missions de service public.
Art. D352. De maatschappij staat in voor :
- de waterproductie;
- de watervoorziening via leidingen;
- de bescherming van de grondwaterbronnen;
- elke handeling betreffende de waterkringloop.
[1 5° de vervulling van de opdrachten toevertrouwd door de Regering in de watersector en met name de opdrachten bepaald in de statuten.]1
- de waterproductie;
- de watervoorziening via leidingen;
- de bescherming van de grondwaterbronnen;
- elke handeling betreffende de waterkringloop.
[1 5° de vervulling van de opdrachten toevertrouwd door de Regering in de watersector en met name de opdrachten bepaald in de statuten.]1
Art. D352. La Société a pour objet :
1° la production d'eau;
2° la distribution d'eau par canalisations;
3° la protection des ressources aquifères;
4° la réalisation de toute opération relative au cycle de l'eau.
[1 5° l'accomplissement des missions confiées par le Gouvernement dans le secteur de l'eau et notamment telles que définies dans les statuts.]1
1° la production d'eau;
2° la distribution d'eau par canalisations;
3° la protection des ressources aquifères;
4° la réalisation de toute opération relative au cycle de l'eau.
[1 5° l'accomplissement des missions confiées par le Gouvernement dans le secteur de l'eau et notamment telles que définies dans les statuts.]1
Wijzigingen
Art. D353. § 1. De openbare opdrachten die de [2 Maatschappij]2 uitsluitend op het grondgebied van het Waalse Gewest uitoefent, zijn :
1° de waterproductie;
2° de watervoorziening via leidingen;
3° de bescherming van het voor menselijke consumptie bestemde water in het kader van de opdrachten die bij artikel 332, § 2, 2°, aan de "S.P.G.E." worden toevertrouwd;
4° het nakomen van alle verplichtingen voortvloeiend uit wettelijke en reglementaire voorschriften betreffende de waterkringloop;
5° het vervullen van elke opdracht die aan de verdelers toevertrouwd wordt in het kader van de reglementaire bepalingen betreffende de berekening, de heffing, de inning, de vrijstelling en de terugbetaling van de belasting op het lozen van industrieel en huishoudelijk afvalwater.
Om haar opdrachten te vervullen mag de [2 Maatschappij]2 de nodige infrastructuur kopen, bouwen, onderhouden, beheren en uitbaten.
Onder infrastructuur wordt o.a. verstaan het geheel van de voorzieningen voor de winning, de aanvoer, de opslag (watertoren, reservoirs, ...), de stuwing, het oppompen, de behandeling, de verdeling, de telling en de desbetreffende toebehoren, alsmede de terreinen waarop ze gelegen zijn, met inbegrip van de innemingen van de ondergrond en de erfdienstbaarheden waarvan de [2 Maatschappij]2 eigenaar is.
§ 2. De openbare opdrachten die de [2 Maatschappij]2 ook buiten het grondgebied van het Waalse Gewest mag vervullen in samenwerking met de bevoegde gewestelijke instellingen [1 ...]1 zijn :
1° de valorisering van de Waalse knowhow in de sector van de waterproductie en -distributie, zonder industriële, commerciële of financiële risico's te nemen;
2°de dienstverleningen van humanitaire aard of i.v.m. ontwikkelingshulp inzake voorziening en toegang tot drinkwater in het kader van samenwerkingsprogramma's.
§ 3. De [2 Maatschappij]2 mag haar openbare opdrachten niet uitvoeren ten nadele van de in het Waalse Gewest gevestigde operatoren die een gelijkaardige activiteit uitoefenen.
1° de waterproductie;
2° de watervoorziening via leidingen;
3° de bescherming van het voor menselijke consumptie bestemde water in het kader van de opdrachten die bij artikel 332, § 2, 2°, aan de "S.P.G.E." worden toevertrouwd;
4° het nakomen van alle verplichtingen voortvloeiend uit wettelijke en reglementaire voorschriften betreffende de waterkringloop;
5° het vervullen van elke opdracht die aan de verdelers toevertrouwd wordt in het kader van de reglementaire bepalingen betreffende de berekening, de heffing, de inning, de vrijstelling en de terugbetaling van de belasting op het lozen van industrieel en huishoudelijk afvalwater.
Om haar opdrachten te vervullen mag de [2 Maatschappij]2 de nodige infrastructuur kopen, bouwen, onderhouden, beheren en uitbaten.
Onder infrastructuur wordt o.a. verstaan het geheel van de voorzieningen voor de winning, de aanvoer, de opslag (watertoren, reservoirs, ...), de stuwing, het oppompen, de behandeling, de verdeling, de telling en de desbetreffende toebehoren, alsmede de terreinen waarop ze gelegen zijn, met inbegrip van de innemingen van de ondergrond en de erfdienstbaarheden waarvan de [2 Maatschappij]2 eigenaar is.
§ 2. De openbare opdrachten die de [2 Maatschappij]2 ook buiten het grondgebied van het Waalse Gewest mag vervullen in samenwerking met de bevoegde gewestelijke instellingen [1 ...]1 zijn :
1° de valorisering van de Waalse knowhow in de sector van de waterproductie en -distributie, zonder industriële, commerciële of financiële risico's te nemen;
2°de dienstverleningen van humanitaire aard of i.v.m. ontwikkelingshulp inzake voorziening en toegang tot drinkwater in het kader van samenwerkingsprogramma's.
§ 3. De [2 Maatschappij]2 mag haar openbare opdrachten niet uitvoeren ten nadele van de in het Waalse Gewest gevestigde operatoren die een gelijkaardige activiteit uitoefenen.
Art. D353. § 1er. Les missions de service public de la [2 Société]2 qui s'exercent exclusivement sur le territoire de la Région wallonne sont :
1° la production d'eau;
2° la distribution d'eau par canalisations;
3° la protection des ressources d'eau potabilisable dans le cadre des missions assignées à la S.P.G.E. par l'article D.332, § 2, 2°;
4° la réalisation de toutes obligations nées des impératifs légaux et réglementaires afférents au cycle de l'eau;
5° l'exécution de toute tâche confiée aux distributeurs dans le cadre des dispositions réglementaires relatives à l'établissement, la perception, le recouvrement, l'exemption et la restitution de la taxe sur le déversement des eaux usées industrielles et domestiques.
Pour l'accomplissement de ces missions, la [2 Société]2 peut procéder à l'acquisition, la construction, l'entretien, la gestion et l'exploitation de l'infrastructure nécessaire.
Par "infrastructure", on entend notamment l'ensemble des équipements de captage, d'adduction, d'emmagasinement (châteaux d'eau, réservoirs ...), de refoulement, de pompage, de traitement, de distribution, de comptage et leurs accessoires, ainsi que les terrains où ils se situent, y compris les emprises en sous-sol et les servitudes dont la [2 Société]2 est titulaire.
§ 2. Les missions de service public de la [2 Société]2, qui peuvent également s'exercer en dehors du territoire de la Région wallonne, en coordination avec les organismes régionaux compétents en la matière [1 ...]1 sont :
1° la valorisation du savoir-faire wallon dans le secteur de la production et de la distribution d'eau, en veillant à éviter les risques industriels, commerciaux ou financiers;
2° les prestations de nature humanitaire ou d'aide au développement en matière d'approvisionnement et d'accès à l'eau potable dans le cadre de programmes de coopération.
§ 3. La mise en oeuvre des missions de service public de la [2 Société]2 ne porte pas atteinte aux intérêts des opérateurs établis en Région wallonne qui exercent une activité de nature similaire.
1° la production d'eau;
2° la distribution d'eau par canalisations;
3° la protection des ressources d'eau potabilisable dans le cadre des missions assignées à la S.P.G.E. par l'article D.332, § 2, 2°;
4° la réalisation de toutes obligations nées des impératifs légaux et réglementaires afférents au cycle de l'eau;
5° l'exécution de toute tâche confiée aux distributeurs dans le cadre des dispositions réglementaires relatives à l'établissement, la perception, le recouvrement, l'exemption et la restitution de la taxe sur le déversement des eaux usées industrielles et domestiques.
Pour l'accomplissement de ces missions, la [2 Société]2 peut procéder à l'acquisition, la construction, l'entretien, la gestion et l'exploitation de l'infrastructure nécessaire.
Par "infrastructure", on entend notamment l'ensemble des équipements de captage, d'adduction, d'emmagasinement (châteaux d'eau, réservoirs ...), de refoulement, de pompage, de traitement, de distribution, de comptage et leurs accessoires, ainsi que les terrains où ils se situent, y compris les emprises en sous-sol et les servitudes dont la [2 Société]2 est titulaire.
§ 2. Les missions de service public de la [2 Société]2, qui peuvent également s'exercer en dehors du territoire de la Région wallonne, en coordination avec les organismes régionaux compétents en la matière [1 ...]1 sont :
1° la valorisation du savoir-faire wallon dans le secteur de la production et de la distribution d'eau, en veillant à éviter les risques industriels, commerciaux ou financiers;
2° les prestations de nature humanitaire ou d'aide au développement en matière d'approvisionnement et d'accès à l'eau potable dans le cadre de programmes de coopération.
§ 3. La mise en oeuvre des missions de service public de la [2 Société]2 ne porte pas atteinte aux intérêts des opérateurs établis en Région wallonne qui exercent une activité de nature similaire.
Afdeling 3. - Beheerscontract.
Section 3. - Contrat de gestion.
Onderafdeling I. (...)
Sous-section 1re. (Abrogé)
Art. D354. De voorschriften, modaliteiten en doelstellingen volgens dewelke de [1 Maatschappij]1 de haar toevertrouwde openbare opdrachten vervult, liggen vast in het beheerscontract dat ze voor vijf jaar met het Waalse Gewest gesloten heeft.
[1 De samenwerkingsvoorwaarden tussen het Waals Gewest en de Maatschappij in het kader van haar openbare dienstverleningsopdrachten zijn vastgelegd in het beheerscontract. De protocollen die in dit kader met het Waalse Gewest zijn gesloten en de documenten waarin de opdrachten worden beschreven die door de Regering aan de Maatschappij zijn gedelegeerd, zijn bij het beheerscontract gevoegd.]1
[1 De samenwerkingsvoorwaarden tussen het Waals Gewest en de Maatschappij in het kader van haar openbare dienstverleningsopdrachten zijn vastgelegd in het beheerscontract. De protocollen die in dit kader met het Waalse Gewest zijn gesloten en de documenten waarin de opdrachten worden beschreven die door de Regering aan de Maatschappij zijn gedelegeerd, zijn bij het beheerscontract gevoegd.]1
Art. D354. Les règles, modalités et objectifs selon lesquels la [1 Société ]1 exerce les missions de service public qui lui sont confiées sont déterminés dans un contrat de gestion conclu pour une durée de cinq ans, entre la Région wallonne et la [1 Société]1.
[1 Les modalités de collaboration entre la Région wallonne et la Société dans le cadre de ses missions de service public sont définies dans le contrat de gestion. Les protocoles conclus dans ce cadre avec la Région wallonne et les documents établissant les missions déléguées par le Gouvernement à la Société sont annexés au contrat de gestion.]1
[1 Les modalités de collaboration entre la Région wallonne et la Société dans le cadre de ses missions de service public sont définies dans le contrat de gestion. Les protocoles conclus dans ce cadre avec la Région wallonne et les documents établissant les missions déléguées par le Gouvernement à la Société sont annexés au contrat de gestion.]1
-
Wijzigingen
Afdeling 2. (...)
Sous-section 2. (Abrogé)
Art. D355. (Opgeheven)
Art. D355. (Abrogé)
Art. D356. (Opgeheven)
Art. D356. (Abrogé)
Afdeling 4. - Autonomie.
Section 4. - Autonomie.
Art. D357. Binnen de perken van dit hoofdstuk, mag de maatschappij alle activiteiten ontwikkelen die beantwoorden aan haar maatschappelijk doel.
De maatschappij mag binnen de perken van haar maatschappelijk doel lichamelijke en onlichamelijke goederen aankopen, gebruiken en vervreemden, zakelijke rechten op die goederen aanleggen of tenietdoen en dergelijke beslissingen uitvoeren.
De maatschappij mag binnen de perken van haar maatschappelijk doel lichamelijke en onlichamelijke goederen aankopen, gebruiken en vervreemden, zakelijke rechten op die goederen aanleggen of tenietdoen en dergelijke beslissingen uitvoeren.
Art. D357. La Société est libre de développer, dans les limites du présent chapitre, toutes les activités qui sont compatibles avec son objet social.
La Société décide, dans les limites de son objet social, de l'acquisition, de l'utilisation et de l'aliénation de ses biens corporels et incorporels, de la constitution ou de la suppression de droits réels sur ces biens, ainsi que de l'exécution de telles décisions.
La Société décide, dans les limites de son objet social, de l'acquisition, de l'utilisation et de l'aliénation de ses biens corporels et incorporels, de la constitution ou de la suppression de droits réels sur ces biens, ainsi que de l'exécution de telles décisions.
Art. D358. (Opgeheven)
Art. D358. (Abrogé)
Art. D359. De maatschappij mag met de voorafgaande toestemming van de Regering goederen en onroerende rechten ten algemene nutte onteigenen.
De [1 directiecomité]1 beslist welke minnelijk aangekochte onroerende goederen ten algemene nutte verworven worden.
De [1 directiecomité]1 beslist welke minnelijk aangekochte onroerende goederen ten algemene nutte verworven worden.
Art. D359. La Société peut, moyennant l'autorisation préalable du Gouvernement, exproprier des biens et droits immobiliers pour cause d'utilité publique.
Le [1 comité de direction]1 décide quelles sont, parmi les acquisitions immobilières réalisées à l'amiable, celles qui le sont pour cause d'utilité publique.
Le [1 comité de direction]1 décide quelles sont, parmi les acquisitions immobilières réalisées à l'amiable, celles qui le sont pour cause d'utilité publique.
Wijzigingen
Art. D360. De maatschappij mag op eigen initiatief en in het kader van haar opdrachten alle werken uitvoeren op of onder pleinen, wegen, straten, paden, waterlopen en kanalen van het openbaar domein van de Staat, het Gewest, de provincies en de gemeenten, overeenkomstig de wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van den Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen.
Art. D360. La Société peut exécuter d'initiative sur ou sous les places, routes, rues, sentiers, cours d'eau et canaux faisant partie du domaine public de l'Etat, de la Région, des provinces et des communes, tous travaux relatifs à sa mission, selon les modalités prévues par la loi du 17 janvier 1938 réglant l'usage par les autorités publiques, associations de communes et concessionnaires de service public ou d'utilité publique, des domaines publics de l'Etat, des provinces et des communes, pour l'établissement et l'entretien de canalisations, et notamment des canalisations d'eau et de gaz.
Art. D361. Na beslissing van de algemene vergadering genomen met tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen en voor zover het totaal van de positieve stemmen uitgebracht door de gemeentelijke [1 aandeelhouders]1 de volstrekte meerderheid van de stemmen vertegenwoordigt, kan de [1 Maatschappij]1, onder de door haar bepaalde voorwaarden en met haar uitdrukkelijk akkoord, haar watervoorzieningsinfrastructuur geheel of gedeeltelijk overdragen aan een gemeente of een intercommunale met hetzelfde maatschappelijk doel.
De overdracht wordt aan de goedkeuring van de Waalse Regering onderworpen. De Regering spreekt zich uit binnen een termijn van zestig dagen, die ingaat op de datum waarop ze de aanvraag van de maatschappij in ontvangst neemt.
Als de Regering zich niet uitspreekt binnen die termijn, wordt de overdracht geacht goedgekeurd te zijn.
De overdracht wordt aan de goedkeuring van de Waalse Regering onderworpen. De Regering spreekt zich uit binnen een termijn van zestig dagen, die ingaat op de datum waarop ze de aanvraag van de maatschappij in ontvangst neemt.
Als de Regering zich niet uitspreekt binnen die termijn, wordt de overdracht geacht goedgekeurd te zijn.
Art. D361. La [1 Société]1, sur décision de l'assemblée générale prise à la majorité des deux tiers des voix exprimées et pour autant que le total des votes positifs émis par les [1 actionnaires]1 communaux représente la majorité absolue des suffrages exprimés par ceux-ci, peut céder, aux conditions qu'elle détermine, à une commune ou à une intercommunale ayant un objet social similaire à celui de la [1 Société]1 et moyennant son accord explicite, tout ou partie de son infrastructure de distribution.
Cette cession est soumise à l'approbation du Gouvernement wallon. Le Gouvernement dispose de soixante jours pour se prononcer à compter de la réception de la demande qui lui est adressée par la [1 Société]1.
A défaut de décision du Gouvernement dans ce délai, la cession est réputée approuvée.
Cette cession est soumise à l'approbation du Gouvernement wallon. Le Gouvernement dispose de soixante jours pour se prononcer à compter de la réception de la demande qui lui est adressée par la [1 Société]1.
A défaut de décision du Gouvernement dans ce délai, la cession est réputée approuvée.
Wijzigingen
Art. D362. § 1. De maatschappij beslist binnen de perken van haar maatschappelijk doel en in voorkomend geval, overeenkomstig de bepalingen van haar beheerscontract betreffende de financiële structuur, over de omvang, de technieken en de voorwaarden van haar externe financiering.
§ 2. De maatschappij beslist over de belegging van haar beschikbare fondsen, met inachtneming van de bepalingen die eventueel vastliggen in het beheerscontract.
§ 2. De maatschappij beslist over de belegging van haar beschikbare fondsen, met inachtneming van de bepalingen die eventueel vastliggen in het beheerscontract.
Art. D362. § 1er. La Société décide, dans les limites de son objet social et, le cas échéant, conformément aux dispositions de son contrat de gestion concernant la structure financière, de l'étendue, des techniques et des conditions de son financement externe.
§ 2. La Société décide du placement de ses fonds disponibles dans le respect des dispositions éventuellement consignées dans le contrat de gestion.
§ 2. La Société décide du placement de ses fonds disponibles dans le respect des dispositions éventuellement consignées dans le contrat de gestion.
Art. D363. [1 § 1. De Maatschappij kan rechtstreekse of onrechtstreekse participaties nemen in de Belgische of buitenlandse publiek- of privaatrechtelijke maatschappijen, verenigingen of instellingen, met inbegrip van dochtermaatschappijen, waarvan het maatschappelijk doel overeenstemt met haar eigen doel.
§ 2. De Raad van bestuur beslist bij tweederde meerderheid van de uitgedrukte stemmen over elke participatie.
§ 3. Wanneer de Maatschappij beslist participaties als bedoeld in paragraaf 1 te nemen of af te staan, stelt zij de Minister-President van de Regering, de voogdijverantwoordelijke minister en de minister van Begroting daarvan per aangetekende brief met ontvangstbevestiging in kennis. De Regering beschikt over een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van deze beslissing, om haar opmerkingen kenbaar te maken of zich daartegen te verzetten.
Bij gebreke daarvan wordt de beslissing geacht te zijn goedgekeurd.
§ 4. Leden van het personeel onderworpen aan het statutair stelsel van de Maatschappij kunnen verlof krijgen om te werken voor bedrijven, verenigingen en instellingen waarin het bedrijf een participatie heeft. Het verlof voor dienstopdracht wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
§ 5. Als de Maatschappij beslist om een vennootschap, vereniging of instelling waarin ze een participatie heeft genomen te betrekken bij de uitvoering van haar openbare opdrachten, moet de rechtstreekse of onrechtstreekse participatie van de publieke aandeelhouders in deze Maatschappij cumulatief aan twee voorwaarden voldoen: meer dan 50% van het kapitaal bedragen en voldoen aan de definitie van participatie gekwalificeerd in artikel 2, 22°, van het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder
Elke overdracht van aandelen die het kapitaal vertegenwoordigen, waardoor het in voorgaand lid bedoelde rechtstreeks of onrechtstreeks belang van de publieke aandeelhouder in dat kapitaal niet langer meer dan 50% bedraagt, is van rechtswege nietig indien, binnen een termijn van drie maanden na de overdracht, het belang van de overheid, door middel van een kapitaalverhoging geheel of gedeeltelijk geplaatst bij de overheid, niet boven de 50% wordt gebracht. Tijdens deze periode heeft de overdracht geen effect zolang niet is voldaan aan de deelnemingsvoorwaarde.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder "overheidsaandeelhouder" verstaan het Waals Gewest, de publiekrechtelijke rechtspersonen die onderworpen zijn aan zijn rechtstreekse of onrechtstreekse controle, alsook aan die van de Federale Staat, andere Gewesten of Belgische gemeenten. ]1
§ 2. De Raad van bestuur beslist bij tweederde meerderheid van de uitgedrukte stemmen over elke participatie.
§ 3. Wanneer de Maatschappij beslist participaties als bedoeld in paragraaf 1 te nemen of af te staan, stelt zij de Minister-President van de Regering, de voogdijverantwoordelijke minister en de minister van Begroting daarvan per aangetekende brief met ontvangstbevestiging in kennis. De Regering beschikt over een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van deze beslissing, om haar opmerkingen kenbaar te maken of zich daartegen te verzetten.
Bij gebreke daarvan wordt de beslissing geacht te zijn goedgekeurd.
§ 4. Leden van het personeel onderworpen aan het statutair stelsel van de Maatschappij kunnen verlof krijgen om te werken voor bedrijven, verenigingen en instellingen waarin het bedrijf een participatie heeft. Het verlof voor dienstopdracht wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
§ 5. Als de Maatschappij beslist om een vennootschap, vereniging of instelling waarin ze een participatie heeft genomen te betrekken bij de uitvoering van haar openbare opdrachten, moet de rechtstreekse of onrechtstreekse participatie van de publieke aandeelhouders in deze Maatschappij cumulatief aan twee voorwaarden voldoen: meer dan 50% van het kapitaal bedragen en voldoen aan de definitie van participatie gekwalificeerd in artikel 2, 22°, van het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder
Elke overdracht van aandelen die het kapitaal vertegenwoordigen, waardoor het in voorgaand lid bedoelde rechtstreeks of onrechtstreeks belang van de publieke aandeelhouder in dat kapitaal niet langer meer dan 50% bedraagt, is van rechtswege nietig indien, binnen een termijn van drie maanden na de overdracht, het belang van de overheid, door middel van een kapitaalverhoging geheel of gedeeltelijk geplaatst bij de overheid, niet boven de 50% wordt gebracht. Tijdens deze periode heeft de overdracht geen effect zolang niet is voldaan aan de deelnemingsvoorwaarde.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder "overheidsaandeelhouder" verstaan het Waals Gewest, de publiekrechtelijke rechtspersonen die onderworpen zijn aan zijn rechtstreekse of onrechtstreekse controle, alsook aan die van de Federale Staat, andere Gewesten of Belgische gemeenten. ]1
Art. D363. [1 § 1er. La Société peut prendre des participations directes ou indirectes dans des sociétés, associations ou institutions, de droit public ou de droit privé, belges ou étrangères, en ce compris la création de filiales, dont l'objet social est en rapport avec le sien.
§ 2. Le conseil d'administration décide à la majorité des deux tiers des voix exprimées de toute prise de participation.
§ 3. Lorsque la Société décide de prendre ou de céder des participations telles que visées au paragraphe 1er, elle en informe le Ministre-Président du Gouvernement, le Ministre de tutelle ainsi que le Ministre du Budget via envoi d'un courrier recommandé avec accusé de réception. Le Gouvernement dispose d'un délai de trente jours à partir du moment où cette décision lui est communiquée, pour formuler toute observation qu'il juge utile ou s'y opposer.
A défaut, la décision est réputée approuvée.
§ 4. Les membres du personnel sous régime statutaire de la Société peuvent être mis en congé pour exercer une mission au sein des sociétés, associations et institutions dans lesquelles elle détient une participation. Le congé pour mission est assimilé à une période d'activité de service.
§ 5. Lorsque la Société décide d'associer une société, une association ou une institution où elle a une prise de participation, à la mise en oeuvre de ses missions de service public, la participation directe ou indirecte d'actionnaires publics dans cette société doit répondre cumulativement à deux conditions : excéder 50% du capital et répondre à la définition de participation qualifiée à l'article 2, 22°, du décret du 12 février 2004 relatif au statut de l'administrateur public.
Toute cession d'actions représentatives du capital, à la suite de quoi la participation directe ou indirecte des actionnaires publics visés à l'alinéa 1er n'excéderait plus 50%, est nulle de plein droit à défaut de porter cette participation au-delà de 50% dans un délai de trois mois de ladite cession par une augmentation de capital entièrement ou partiellement souscrite par les actionnaires publics. Durant ce délai, tant que la condition de participation n'est pas remplie, la cession ne produit aucun effet.
Pour l'application du présent paragraphe, il y a lieu d'entendre par " actionnaire public ", la Région wallonne, les personnes morales de droit public soumises à son contrôle direct ou indirect, ainsi qu'à celui de l'Etat fédéral, d'autres Régions ou de communes belges.]1
§ 2. Le conseil d'administration décide à la majorité des deux tiers des voix exprimées de toute prise de participation.
§ 3. Lorsque la Société décide de prendre ou de céder des participations telles que visées au paragraphe 1er, elle en informe le Ministre-Président du Gouvernement, le Ministre de tutelle ainsi que le Ministre du Budget via envoi d'un courrier recommandé avec accusé de réception. Le Gouvernement dispose d'un délai de trente jours à partir du moment où cette décision lui est communiquée, pour formuler toute observation qu'il juge utile ou s'y opposer.
A défaut, la décision est réputée approuvée.
§ 4. Les membres du personnel sous régime statutaire de la Société peuvent être mis en congé pour exercer une mission au sein des sociétés, associations et institutions dans lesquelles elle détient une participation. Le congé pour mission est assimilé à une période d'activité de service.
§ 5. Lorsque la Société décide d'associer une société, une association ou une institution où elle a une prise de participation, à la mise en oeuvre de ses missions de service public, la participation directe ou indirecte d'actionnaires publics dans cette société doit répondre cumulativement à deux conditions : excéder 50% du capital et répondre à la définition de participation qualifiée à l'article 2, 22°, du décret du 12 février 2004 relatif au statut de l'administrateur public.
Toute cession d'actions représentatives du capital, à la suite de quoi la participation directe ou indirecte des actionnaires publics visés à l'alinéa 1er n'excéderait plus 50%, est nulle de plein droit à défaut de porter cette participation au-delà de 50% dans un délai de trois mois de ladite cession par une augmentation de capital entièrement ou partiellement souscrite par les actionnaires publics. Durant ce délai, tant que la condition de participation n'est pas remplie, la cession ne produit aucun effet.
Pour l'application du présent paragraphe, il y a lieu d'entendre par " actionnaire public ", la Région wallonne, les personnes morales de droit public soumises à son contrôle direct ou indirect, ainsi qu'à celui de l'Etat fédéral, d'autres Régions ou de communes belges.]1
Wijzigingen
Afdeling 5. - Algemene Vergadering.
Section 5. - Assemblée générale.
Art. D364. De algemene Vergadering oefent de bevoegdheden uit die haar specifiek toekomen krachtens dit hoofdstuk, de wet of de statuten.
[1 In de algemene vergadering kan elke [2 aandeelhouder]2 zich door slechts één afgevaardigde laten vertegenwoordigen. Die afgevaardigde beschikt over een stemrecht dat overeenstemt met het aantal [2 aandelen]2 waarop de [2 aandeelhouder]2 die hij vertegenwoordigt heeft ingeschreven, behalve in de gevallen waarin dit hoofdstuk, de wet of de statuten voorzien.]1
[1 In de algemene vergadering kan elke [2 aandeelhouder]2 zich door slechts één afgevaardigde laten vertegenwoordigen. Die afgevaardigde beschikt over een stemrecht dat overeenstemt met het aantal [2 aandelen]2 waarop de [2 aandeelhouder]2 die hij vertegenwoordigt heeft ingeschreven, behalve in de gevallen waarin dit hoofdstuk, de wet of de statuten voorzien.]1
Art. D364. L'assemblée générale exerce les pouvoirs qui lui sont spécialement réservés dans le présent chapitre, la loi ou les statuts.
[1 A l'assemblée générale, chaque [2 actionnaire]2 ne peut se faire représenter que par un seul délégué qui dispose d'un droit de vote correspondant au nombre [2 d'actions]2 souscrites par l'[2 actionnaire]2 qu'il représente, sauf dans les cas prévus par le présent chapitre, la loi ou les statuts. ]1
[1 A l'assemblée générale, chaque [2 actionnaire]2 ne peut se faire représenter que par un seul délégué qui dispose d'un droit de vote correspondant au nombre [2 d'actions]2 souscrites par l'[2 actionnaire]2 qu'il représente, sauf dans les cas prévus par le présent chapitre, la loi ou les statuts. ]1
Afdeling 6. - [1 Beheer en vertegenwoordiging]1.
Section 6. [1 - Gestion et représentation]1
Onderafdeling 1. [1 Algemeen]1
Sous-section 1re. [1 - Généralités]1
Onderafdeling 1/1. [1 Raad van Bestuur.]1
Sous-section 1/1. [1 - Conseil d'administration]1
Art. D364bis. [1 § 1. De Maatschappij wordt bestuurd door een raad van bestuur en een directiecomité.
§ 2. Onverminderd bijzondere volmachten wordt de Maatschappij voor alle handelingen jegens derden, met inbegrip van gerechtelijke procedures, rechtsgeldig vertegenwoordigd door :
1° de Voorzitter of, bij diens verhindering, de ondervoorzitter van de Raad van Bestuur;
2° twee gezamenlijk handelende bestuurders;
3° door een individueel handelend lid van het directiecomité. ]1
§ 2. Onverminderd bijzondere volmachten wordt de Maatschappij voor alle handelingen jegens derden, met inbegrip van gerechtelijke procedures, rechtsgeldig vertegenwoordigd door :
1° de Voorzitter of, bij diens verhindering, de ondervoorzitter van de Raad van Bestuur;
2° twee gezamenlijk handelende bestuurders;
3° door een individueel handelend lid van het directiecomité. ]1
Art. D364bis. [1 § 1er. La Société est gérée par un conseil d'administration et un comité de direction.
§ 2. Sans préjudice de mandats spéciaux, la Société est valablement représentée pour tous les actes à l'égard des tiers, y compris en justice, par :
1° le président ou, en cas d'empêchement, par le vice-président du conseil d'administration;
2° deux administrateurs qui agissent conjointement;
3° un membre du comité de direction agissant individuellement.]1
§ 2. Sans préjudice de mandats spéciaux, la Société est valablement représentée pour tous les actes à l'égard des tiers, y compris en justice, par :
1° le président ou, en cas d'empêchement, par le vice-président du conseil d'administration;
2° deux administrateurs qui agissent conjointement;
3° un membre du comité de direction agissant individuellement.]1
Art. D365. [1 § 1. Onverminderd de handelingen die de wet, het decreet of de statuten voorbehouden aan de algemene vergadering, is de raad van bestuur bevoegd voor:
1° het bepalen van het algemene beleid en de strategie van de Maatschappij, met inbegrip van :
a) het identificeren en de opvolging van de strategische uitdagingen en bijbehorende risico's
waarmee de Maatschappij wordt geconfronteerd;
b) de aanneming van de financieringsplannen en de jaarlijkse begrotingen;
c) het bepalen van het financiële beleid, het autoriseren van leningen en
d) het bepalen van het investeringsbeleid en het aannemen van investeringsprogramma's
e) het vaststellen van de tarieven voor diensten die worden geleverd in het kader van de openbare opdrachten van de Maatschappij, met uitzondering van bijzondere contracten;
f) de vaststelling van de reële kostprijs (CVA) onder onderworpen aan de goedkeuring door de Waalse Regering;
g) de opvolging van de coördinatie van sectorale kwesties;
2° het afsluiten van het beheerscontract met de Waalse Regering;
3° toezicht en controle op het operationeel beheer door het directiecomité;
4° de creatie van nieuwe aandelen, een verhoging van het eigen vermogen en de toelating van een nieuwe aandeelhouder;
5° de verzoeken tot ontslag of de voorgestelde uitsluiting van een aandeelhouder onderzoeken en hierover verslag uitbrengen aan de algemene vergadering. Hij stelt het bedrag van het terugtrekkingsaandeel vast;
6° de verwerving van elke participatie als bedoeld in artikel D.363, § 4, evenals de aanwijzing van vertegenwoordigers van de Maatschappij bij vennootschappen, verenigingen en instellingen waarin zij een participatie bezit en de controle over deze vertegenwoordigers;
7° het bijeenroepen van de algemene vergadering en het vaststellen van de agenda;
8° het jaarlijks voorleggen aan de algemene vergadering van een verslag over de toestand van de participaties bedoeld in artikel D.363;
9° de jaarrekening en het jaarverslag opstellen en meedelen overeenkomstig artikel D.380;
10° aanneming en wijziging van het huishoudelijk reglement ;
11° het voorstellen aan de algemene vergadering van de aanneming of wijziging van de statuten of het huishoudelijk reglement van de algemene vergadering;
12° de goedkeuring van de huishoudelijke reglementen van het directiecomité en de exploitatieraden;
13° het afsluiten van contracten met de leden van de raad van bestuur bedoeld in artikel D. 37034ter, § 4;
14° de aanneming van algemene bepalingen inzake personeel;
15° overheidsopdrachten van strategische aard opstarten, gunnen, stopzetten of beëindigen, volgens de criteria en binnen de grenzen die hij bepaalt;
16° elke beslissing van strategische aard die het directiecomité beslist aan hem voor te leggen of die de raad van bestuur van hem overneemt, met inbegrip van elke beslissing die een belangrijke impact zou kunnen hebben op de stabiliteit of de ontwikkeling van de Maatschappij;
17° handelingen die bij wet of decreet uitdrukkelijk zijn voorbehouden aan de raad van bestuur, onverminderd dit hoofdstuk.
§ 2. Wat betreft paragraaf 1, kan de raad van bestuur of zijn voorzitter het directiecomité elk ogenblik verzoeken om een verslag over de activiteiten van de maatschappij of over een deel ervan. ]1
1° het bepalen van het algemene beleid en de strategie van de Maatschappij, met inbegrip van :
a) het identificeren en de opvolging van de strategische uitdagingen en bijbehorende risico's
waarmee de Maatschappij wordt geconfronteerd;
b) de aanneming van de financieringsplannen en de jaarlijkse begrotingen;
c) het bepalen van het financiële beleid, het autoriseren van leningen en
d) het bepalen van het investeringsbeleid en het aannemen van investeringsprogramma's
e) het vaststellen van de tarieven voor diensten die worden geleverd in het kader van de openbare opdrachten van de Maatschappij, met uitzondering van bijzondere contracten;
f) de vaststelling van de reële kostprijs (CVA) onder onderworpen aan de goedkeuring door de Waalse Regering;
g) de opvolging van de coördinatie van sectorale kwesties;
2° het afsluiten van het beheerscontract met de Waalse Regering;
3° toezicht en controle op het operationeel beheer door het directiecomité;
4° de creatie van nieuwe aandelen, een verhoging van het eigen vermogen en de toelating van een nieuwe aandeelhouder;
5° de verzoeken tot ontslag of de voorgestelde uitsluiting van een aandeelhouder onderzoeken en hierover verslag uitbrengen aan de algemene vergadering. Hij stelt het bedrag van het terugtrekkingsaandeel vast;
6° de verwerving van elke participatie als bedoeld in artikel D.363, § 4, evenals de aanwijzing van vertegenwoordigers van de Maatschappij bij vennootschappen, verenigingen en instellingen waarin zij een participatie bezit en de controle over deze vertegenwoordigers;
7° het bijeenroepen van de algemene vergadering en het vaststellen van de agenda;
8° het jaarlijks voorleggen aan de algemene vergadering van een verslag over de toestand van de participaties bedoeld in artikel D.363;
9° de jaarrekening en het jaarverslag opstellen en meedelen overeenkomstig artikel D.380;
10° aanneming en wijziging van het huishoudelijk reglement ;
11° het voorstellen aan de algemene vergadering van de aanneming of wijziging van de statuten of het huishoudelijk reglement van de algemene vergadering;
12° de goedkeuring van de huishoudelijke reglementen van het directiecomité en de exploitatieraden;
13° het afsluiten van contracten met de leden van de raad van bestuur bedoeld in artikel D. 37034ter, § 4;
14° de aanneming van algemene bepalingen inzake personeel;
15° overheidsopdrachten van strategische aard opstarten, gunnen, stopzetten of beëindigen, volgens de criteria en binnen de grenzen die hij bepaalt;
16° elke beslissing van strategische aard die het directiecomité beslist aan hem voor te leggen of die de raad van bestuur van hem overneemt, met inbegrip van elke beslissing die een belangrijke impact zou kunnen hebben op de stabiliteit of de ontwikkeling van de Maatschappij;
17° handelingen die bij wet of decreet uitdrukkelijk zijn voorbehouden aan de raad van bestuur, onverminderd dit hoofdstuk.
§ 2. Wat betreft paragraaf 1, kan de raad van bestuur of zijn voorzitter het directiecomité elk ogenblik verzoeken om een verslag over de activiteiten van de maatschappij of over een deel ervan. ]1
Art. D365. [1 § 1er. Sans préjudice des actes que la loi, le décret ou les statuts réservent à l'assemblée générale, le conseil d'administration est compétent pour :
1° la définition de la politique générale et de la stratégie de la Société, qui comprend :
a) l'identification et le suivi des défis stratégiques et des risques associés
auxquels la Société est confrontée;
b) l'adoption des plans de financement et des budgets annuels;
c) la définition de la politique financière, l'autorisation des emprunts et des émissions d'obligations;
d) la définition de la politique d'investissements et l'adoption des programmes de travaux;
e) la fixation des tarifs des prestations relevant des missions de service public de la Société en dehors des contrats particuliers;
f) la fixation du coût-vérité distribution (CVD) soumise à l'approbation duGouvernement wallon;
g) le suivi de la coordination des enjeux sectoriels;
2° la conclusion du contrat de gestion avec le Gouvernement wallon;
3° la surveillance et le contrôle de la gestion opérationnelle assurée par le comité de direction;
4° la création de nouvelles actions, l'augmentation des capitaux propres et l'admission d'un nouvel actionnaire;
5° l'examen des demandes de démission ou de propositions d'exclusion d'un actionnaire dont il fait rapport à l'assemblée générale. Il fixe le montant de la part de retrait;
6° la prise de toute participation telle que visée à l'article D.363, ainsi que la désignation des représentants de la Société au sein des sociétés, associations et institutions dans lesquelles elle détient une participation et le contrôle de ces représentants;
7° la convocation de l'assemblée générale et la fixation de son ordre du jour;
8° la présentation annuelle d'un rapport à l'assemblée générale sur l'état des participations telles que visées à l'article D.363;
9° l'établissement des comptes annuels et de son rapport de gestion ainsi que leur communication conformément à l'article D.380;
10° l'adoption et la modification de son règlement d'ordre intérieur;
11° la proposition à l'assemblée générale d'adoption ou de modification du règlement d'ordre intérieur de celle-ci;
12° l'approbation des règlements d'ordre intérieur du comité de direction et des conseils d'exploitation;
13° la conclusion des conventions avec les membres du comité de direction visés à l'article D.370;
14° l'adoption des dispositions générales relatives au personnel;
15° l'engagement, l'attribution, l'abandon ou la résiliation des marchés publics à caractère stratégique, selon les critères et dans les limites qu'il fixe;
16° toute décision à caractère stratégique que le comité de direction décide de lui soumettre ou dont le conseil d'administration se saisit dont celle pouvant impacter significativement la stabilité ou le développement de la Société;
17° les actes que la loi ou le décret réservent expressément au conseil d'administration, sans préjudice du présent chapitre.
§ 2. Concernant le paragraphe 1er, 3°, le conseil d'administration ou son président peut, à tout moment, demander au comité de direction un rapport sur les activités de la Société ou sur certaines d'entre elles. ]1
1° la définition de la politique générale et de la stratégie de la Société, qui comprend :
a) l'identification et le suivi des défis stratégiques et des risques associés
auxquels la Société est confrontée;
b) l'adoption des plans de financement et des budgets annuels;
c) la définition de la politique financière, l'autorisation des emprunts et des émissions d'obligations;
d) la définition de la politique d'investissements et l'adoption des programmes de travaux;
e) la fixation des tarifs des prestations relevant des missions de service public de la Société en dehors des contrats particuliers;
f) la fixation du coût-vérité distribution (CVD) soumise à l'approbation duGouvernement wallon;
g) le suivi de la coordination des enjeux sectoriels;
2° la conclusion du contrat de gestion avec le Gouvernement wallon;
3° la surveillance et le contrôle de la gestion opérationnelle assurée par le comité de direction;
4° la création de nouvelles actions, l'augmentation des capitaux propres et l'admission d'un nouvel actionnaire;
5° l'examen des demandes de démission ou de propositions d'exclusion d'un actionnaire dont il fait rapport à l'assemblée générale. Il fixe le montant de la part de retrait;
6° la prise de toute participation telle que visée à l'article D.363, ainsi que la désignation des représentants de la Société au sein des sociétés, associations et institutions dans lesquelles elle détient une participation et le contrôle de ces représentants;
7° la convocation de l'assemblée générale et la fixation de son ordre du jour;
8° la présentation annuelle d'un rapport à l'assemblée générale sur l'état des participations telles que visées à l'article D.363;
9° l'établissement des comptes annuels et de son rapport de gestion ainsi que leur communication conformément à l'article D.380;
10° l'adoption et la modification de son règlement d'ordre intérieur;
11° la proposition à l'assemblée générale d'adoption ou de modification du règlement d'ordre intérieur de celle-ci;
12° l'approbation des règlements d'ordre intérieur du comité de direction et des conseils d'exploitation;
13° la conclusion des conventions avec les membres du comité de direction visés à l'article D.370;
14° l'adoption des dispositions générales relatives au personnel;
15° l'engagement, l'attribution, l'abandon ou la résiliation des marchés publics à caractère stratégique, selon les critères et dans les limites qu'il fixe;
16° toute décision à caractère stratégique que le comité de direction décide de lui soumettre ou dont le conseil d'administration se saisit dont celle pouvant impacter significativement la stabilité ou le développement de la Société;
17° les actes que la loi ou le décret réservent expressément au conseil d'administration, sans préjudice du présent chapitre.
§ 2. Concernant le paragraphe 1er, 3°, le conseil d'administration ou son président peut, à tout moment, demander au comité de direction un rapport sur les activités de la Société ou sur certaines d'entre elles. ]1
Wijzigingen
Art. D366. [1 § 1. Onverminderd de toepassing van het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder, bestaat de raad van bestuur uit veertien leden die voor vijf jaar door de Regering worden benoemd.
Vier van de bestuurders zijn lid van de raad van bestuur van de "S.P.G.E."
Twee regeringscommissarissen wonen de vergaderingen van de raad van bestuur bij.
§ 2. Onder de bestuurders die ze benoemt, wijst de Regering een voorzitter en een ondervoorzitter aan.
De statuten kunnen aanvullende regels vastleggen met betrekking tot de samenstelling van de raad van bestuur en de respectieve bevoegdheden van de voorzitter en de ondervoorzitter.
Bij staking van de stemmen in de raad van bestuur is de stem van de voorzitter beslissend.
§ 3. De bestuurder die deel uitmaakt van de vier leden van de raad van bestuur van de "S.P.G.E." en dat geen lid meer is van dit orgaan, wordt geacht van rechtswege ontslagnemend te zijn en heeft niet langer zitting binnen de raad van bestuur van de Maatschappij.
§ 4. De raad van bestuur kan pas beraadslagen en beslissen als de meerderheid van zijn leden aanwezig is of vertegenwoordigd wordt. De beslissingen worden genomen bij meerderheid van stemmen, behoudens de uitzonderingen bedoeld in deze statuten, in het Wetboek van vennootschappen of in dit Hoofdstuk.]1
Vier van de bestuurders zijn lid van de raad van bestuur van de "S.P.G.E."
Twee regeringscommissarissen wonen de vergaderingen van de raad van bestuur bij.
§ 2. Onder de bestuurders die ze benoemt, wijst de Regering een voorzitter en een ondervoorzitter aan.
De statuten kunnen aanvullende regels vastleggen met betrekking tot de samenstelling van de raad van bestuur en de respectieve bevoegdheden van de voorzitter en de ondervoorzitter.
Bij staking van de stemmen in de raad van bestuur is de stem van de voorzitter beslissend.
§ 3. De bestuurder die deel uitmaakt van de vier leden van de raad van bestuur van de "S.P.G.E." en dat geen lid meer is van dit orgaan, wordt geacht van rechtswege ontslagnemend te zijn en heeft niet langer zitting binnen de raad van bestuur van de Maatschappij.
§ 4. De raad van bestuur kan pas beraadslagen en beslissen als de meerderheid van zijn leden aanwezig is of vertegenwoordigd wordt. De beslissingen worden genomen bij meerderheid van stemmen, behoudens de uitzonderingen bedoeld in deze statuten, in het Wetboek van vennootschappen of in dit Hoofdstuk.]1
Art. D366. [1 § 1er. Sans préjudice de l'application du décret du 12 février 2004 relatif au statut de l'administrateur public, le conseil d'administration est composé de quatorze membres nommés par le Gouvernement pour un mandat de cinq ans.
Parmi les administrateurs, quatre sont membres du conseil d'administration de la S.P.G.E.
Deux commissaires du Gouvernement assistent aux réunions du conseil d'administration.
§ 2. Parmi les administrateurs qu'il nomme, le Gouvernement désigne un président et un vice-président.
Les statuts peuvent arrêter les règles complémentaires relatives à la composition du conseil d'administration et les compétences respectives du président et du vice-président.
En cas de partage des voix au sein du conseil d'administration, la voix du président est prépondérante.
§ 3. L'administrateur figurant parmi les quatre membres du conseil d'administration de la S.P.G.E. et qui ne fait plus partie de cet organe est réputé de plein droit démissionnaire et cesse de siéger au sein du conseil d'administration de la Société.
§ 4. Le conseil d'administration peut délibérer et statuer uniquement si la majorité de ses membres est présente ou représentée. Les décisions sont prises à la majorité des voix sauf les exceptions visées par les statuts, le Code des sociétés et des associations et le présent chapitre.]1
Parmi les administrateurs, quatre sont membres du conseil d'administration de la S.P.G.E.
Deux commissaires du Gouvernement assistent aux réunions du conseil d'administration.
§ 2. Parmi les administrateurs qu'il nomme, le Gouvernement désigne un président et un vice-président.
Les statuts peuvent arrêter les règles complémentaires relatives à la composition du conseil d'administration et les compétences respectives du président et du vice-président.
En cas de partage des voix au sein du conseil d'administration, la voix du président est prépondérante.
§ 3. L'administrateur figurant parmi les quatre membres du conseil d'administration de la S.P.G.E. et qui ne fait plus partie de cet organe est réputé de plein droit démissionnaire et cesse de siéger au sein du conseil d'administration de la Société.
§ 4. Le conseil d'administration peut délibérer et statuer uniquement si la majorité de ses membres est présente ou représentée. Les décisions sont prises à la majorité des voix sauf les exceptions visées par les statuts, le Code des sociétés et des associations et le présent chapitre.]1
Wijzigingen
Onderafdeling 2. - Het mandaat van bestuurder.
Sous-section 2. - Mandat d'administrateur.
Art. D367. § 1. Onverminderd de [3 wettelijke en decretale verplichtingen, alsmede de statuten]3, is het mandaat van bestuurder onverenigbaar met :
[2 1°]2 de hoedanigheid van lid van het Directiecomité;
[2 2°]2 de hoedanigheid van personeelslid of gepensioneerd lid van de maatschappij.
§ 2. [2 Indien de bestuurder in de loop van zijn mandaat aanvaardt een functie of een mandaat bedoeld in § 1 uit te oefenen, eindigt zijn mandaat van rechtswege.]2
[2 1°]2 de hoedanigheid van lid van het Directiecomité;
[2 2°]2 de hoedanigheid van personeelslid of gepensioneerd lid van de maatschappij.
§ 2. [2 Indien de bestuurder in de loop van zijn mandaat aanvaardt een functie of een mandaat bedoeld in § 1 uit te oefenen, eindigt zijn mandaat van rechtswege.]2
Art. D367. § 1er. Sans préjudice des [3 obligations légales et décrétales, ainsi que des statuts]3, le mandat d'administrateur est incompatible avec :
[2 1°]2 la qualité de membre du comité de direction;
[2 2°]2 la qualité de membre du personnel ou pensionné de la Société.
§ 2. [2 Si, au cours de son mandat, l'administrateur accepte d'exercer une fonction ou un mandat visé au paragraphe 1er, son mandat prend fin de plein droit.]2
[2 1°]2 la qualité de membre du comité de direction;
[2 2°]2 la qualité de membre du personnel ou pensionné de la Société.
§ 2. [2 Si, au cours de son mandat, l'administrateur accepte d'exercer une fonction ou un mandat visé au paragraphe 1er, son mandat prend fin de plein droit.]2
Onderafdeling 3. - Het Directiecomité.
Sous-section 3. - Comité de direction.
Art. D368. [1 Het Directiecomité bestaat uit maximum drie leden, onder wie een voorzitter. Laatstgenoemde is ook de voorzitter van het directiecomité van de "S.P.G.E.".
Het Directiecomité is verantwoordelijk voor het operationeel beheer van de Maatschappij, met inbegrip van het dagelijks bestuur, de voorbereiding en uitvoering van beslissingen genomen door de raad van bestuur en alle handelingen die nodig of nuttig zijn voor de verwezenlijking van het maatschappelijk doel van de Maatschappij en die niet bij wet of decreet zijn voorbehouden aan de algemene vergadering of de raad van bestuur.
De beraadslagingen van het directiecomité zijn collegiaal, onder voorbehoud van de delegaties die het aan zijn leden verleent.
§ 3. Het directiecomité kan de bevoegdheden die hem zijn toegewezen overdragen aan personeelsleden overeenkomstig de modaliteiten en de voorwaarden bepaald bij de statuten.
Behoudens in geval van belangenconflict die hen betreft, wonen de leden van het directiecomité de vergaderingen van de raad van bestuur met raadgevende stem bij.
Het directiecomité brengt regelmatig verslag uit aan de raad van bestuur over zijn operationeel beheer. ]1
Het Directiecomité is verantwoordelijk voor het operationeel beheer van de Maatschappij, met inbegrip van het dagelijks bestuur, de voorbereiding en uitvoering van beslissingen genomen door de raad van bestuur en alle handelingen die nodig of nuttig zijn voor de verwezenlijking van het maatschappelijk doel van de Maatschappij en die niet bij wet of decreet zijn voorbehouden aan de algemene vergadering of de raad van bestuur.
De beraadslagingen van het directiecomité zijn collegiaal, onder voorbehoud van de delegaties die het aan zijn leden verleent.
§ 3. Het directiecomité kan de bevoegdheden die hem zijn toegewezen overdragen aan personeelsleden overeenkomstig de modaliteiten en de voorwaarden bepaald bij de statuten.
Behoudens in geval van belangenconflict die hen betreft, wonen de leden van het directiecomité de vergaderingen van de raad van bestuur met raadgevende stem bij.
Het directiecomité brengt regelmatig verslag uit aan de raad van bestuur over zijn operationeel beheer. ]1
Art. D368. [1 Le comité de direction est composé de quatre membres au maximum, dont un président. Ce dernier est également le président du comité de direction de la S.P.G.E.
Il est chargé de la gestion opérationnelle de la Société qui comprend la gestion journalière, la préparation et l'exécution des décisions du conseil d'administration ainsi que tous les actes nécessaires ou utiles à la réalisation de l'objet social de la Société qui ne sont pas réservés par la loi ou le décret à l'assemblée générale ou au conseil d'administration.
Sous réserve des délégations qu'il donne à ses membres, les délibérations du comité de direction sont collégiales.
Le comité de direction peut déléguer les pouvoirs qui lui sont dévolus à des membres du personnel conformément aux modalités et aux conditions arrêtées par les statuts.
Sauf en cas de conflit d'intérêts, les membres du comité de direction assistent aux réunions du conseil d'administration avec voix consultative.
Le comité de direction fait régulièrement rapport sur sa gestion opérationnelle au conseil d'administration. ]1
Il est chargé de la gestion opérationnelle de la Société qui comprend la gestion journalière, la préparation et l'exécution des décisions du conseil d'administration ainsi que tous les actes nécessaires ou utiles à la réalisation de l'objet social de la Société qui ne sont pas réservés par la loi ou le décret à l'assemblée générale ou au conseil d'administration.
Sous réserve des délégations qu'il donne à ses membres, les délibérations du comité de direction sont collégiales.
Le comité de direction peut déléguer les pouvoirs qui lui sont dévolus à des membres du personnel conformément aux modalités et aux conditions arrêtées par les statuts.
Sauf en cas de conflit d'intérêts, les membres du comité de direction assistent aux réunions du conseil d'administration avec voix consultative.
Le comité de direction fait régulièrement rapport sur sa gestion opérationnelle au conseil d'administration. ]1
Wijzigingen
Art. D369. [1 § 1. De leden van het directiecomité worden aangesteld voor een periode van vijf jaar.
Als een lid van het directiecomité minder dan vijf jaar voor het bereiken van de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd wordt aangewezen, eindigt zijn ambtstermijn op de dag waarop hij de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd bereikt.
De Regering kan zijn aanwijzing verlengen tot na de wettelijke pensioenleeftijd, op basis van een verzoek van het lid van het directiecomité aan de raad van bestuur.
Zijn aanwijzing kan na de wettelijke pensioenleeftijd met maximaal een jaar worden verlengd. Bedoelde periode kan volgens dezelfde modaliteiten verlengd worden voor een eenmalige nieuwe periode van maximum één jaar.
§ 2. De Regering wijst de leden van de raad van bestuur aan volgens de in de paragrafen 2 tot en met 4 bedoelde procedure.
De raad van bestuur legt ter goedkeuring voor aan de Regering:
1° de ambtbeschrijving;
2° een nota met een omschrijving van de algemene beheersopdrachten en de te bereiken collectieve en individuele doelstellingen, zowel op het vlak van beheer als van strategie;
3° de aanwijzing van de leden van de jury, die voor ten hoogste twee derden uit leden van hetzelfde geslacht bestaat en als volgt is samengesteld :
a) de voorzitter en de ondervoorzitter van de Raad van bestuur en de voorzitter van het bezoldigingscomité;
b) twee externe deskundigen gekozen buiten de ministeriële kabinetten, de diensten van de Waalse Regering en de instellingen van openbaar nut die vallen onder het decreet van 22 januari 1998 betreffende het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut die onder het Waalse Gewest ressorteren, met minstens tien jaar ervaring in verband met het vastgestelde functieprofiel en aangewezen door de Regering. Ten minste één van deze twee experts heeft tien jaar ervaring in management of human resources;
c) een lid van een Franstalige Belgische universiteit wiens vakgebied verband houdt met de vacante functie of met management- of personeelskwesties;
d) indien van toepassing, de Directeur-generaal of Directeurs-generaal van de Waalse Overheidsdienst waarvan de functionele bevoegdheden verband houden met de opdrachten van het orgaan, of zijn of haar vertegenwoordiger.
In het voorstel voor de jury dat door de Raad van Bestuur wordt geformuleerd, wordt bepaald wie van de onder b) of c) bedoelde juryleden de jury zal voorzitten.
§ 3. De Raad van Bestuur doet een oproep voor externe en interne kandidaten, waaronder ten minste :
1° de ambtbeschrijving;
2° de wijze en de uiterste datum van de indiening van de kandidaturen;
3° de voor de betrekking vereiste diploma's en ervaringen;
4° de modaliteiten voor de organisatie van de proeven en de gehanteerde selectiecriteria;
5° de documenten die de kandidatuurakte op straffe van nietigheid moet omvatten;
6° de dienst waar de nota, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 2°, en alle andere nuttige inlichtingen of documenten kunnen worden verkregen;
7° de voorgestelde bezoldiging voor de duur van het mandaat en de beëindigingsmodaliteiten.
§ 4. De jury organiseert selectieproeven die haar in staat stellen om aan de hand van de selectiecriteria, vermeld in paragraaf 3, 4°, de leidinggevende en organisatorische vaardigheden en de persoonlijkheid van de kandidaten vast te stellen.
Op basis van de resultaten van de selectieproeven stelt de selectiejury een schriftelijk verslag op waarin de vaardigheden van elke kandidaat worden beschreven en in twee categorieën worden ingedeeld:
a) de categorie geschikt;
b) de categorie ongeschikte.
De selectiejury stuurt dit rapport naar de Regering.
Op basis van het verslag van de jury wijst de Regering de leden van het directiecomité aan uit de kandidaten die door de jury geschikt worden geacht. Het stuurt de aanwijzing door naar de "SWDE.
§ 5. De raad van bestuur draagt zijn bezoldigingscomité op om het directiecomité en zijn leden voor te leggen aan :
1° een jaarlijkse evaluatie van de verwezenlijking van de doelstellingen van het voorgaande jaar;
2° een tussentijdse evaluatie, in beginsel dertig maanden na zijn aanwijzing, en een eindevaluatie, in beginsel zestig maanden na zijn aanwijzing, die beide betrekking hebben op de uitoefening van de in zijn functieomschrijving vermelde bevoegdheden, de realisatie van de in het beheerscontract opgenomen doelstellingen en de algemene beheersopdrachten en -doelstellingen die als directiecomité en als lid van het directiecomité moeten worden gerealiseerd, zowel op het vlak van beheer als op het vlak van strategie, opgenomen in de nota bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, 2°.
Het bezoldigingscomité kan een beroep doen op externe deskundigen voor de tussentijdse evaluatie en op externe deskundigen voor de eindevaluatie. De externe deskundigen beschikken over de ervaring bedoeld in paragraaf 2, alinea 2, 3°, b).
Wanneer de Regering meent dat de situatie of de reputatie van de "S.P.G.E." dit vereist, kan zij op eigen initiatief een evaluatie van het lid of de leden van het directiecomité vragen. Deze evaluatie wordt uitgevoerd in overeenstemming met de paragrafen 5 tot en met 7. Bij deze gelegenheid wordt de raad van bestuur bijgestaan door externe personen die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in lid 2, alinea 2, 3°, b. In geval van een negatieve evaluatie kan de Regering, op advies van de raad van bestuur, de aanwijzing van het lid of de leden van het directiecomité beëindigen.
Over de tussentijdse en eindevaluaties wordt een gemotiveerd verslag opgesteld dat per aangetekende post met ontvangstbewijs naar het directiecomité wordt gestuurd. De evaluatie is positief of negatief.
De statuten van het orgaan bepalen de evaluatieprocedures en voorwaarden.
§ 6. Het directiecomité of een van zijn leden kan binnen tien dagen na ontvangst per aangetekende post beroep aantekenen bij de raad van bestuur tegen zijn negatieve tussentijdse of definitieve evaluatie. Bij ontstentenis wordt het proces-verbaal definitief.
In het geval van een beroep door het directiecomité of een van zijn leden, kunnen deze binnen tien dagen na de mededeling van hun beroep aan de Raad van Bestuur de gronden voorleggen waarop zij de evaluatie betwisten. Hij kan om een hoorzitting verzoeken, die de raad van bestuur op aanvraag toestaat.
Na bestudering van de gronden voor het beroep kan de raad van bestuur de evaluatie wijzigen. Als de evaluatie ondanks het beroep negatief blijft, worden het beroep en de redenen daarvoor opgenomen in het evaluatierapport.
De raad van bestuur stuurt zijn beslissing, het evaluatieverslag, met inbegrip van een eventueel beroep en de redenen daarvoor, naar de Regering en kan de beëindiging van de ambtstermijn van een of meer leden van het directiecomité voorstellen.
§ 7. De definitieve tussentijdse of eindevaluatieverslagen worden door de raad van bestuur naar de regering gestuurd.
In geval van een negatieve tussentijdse evaluatie kan de Regering de aanwijzing van het directiecomité of een van zijn leden vroegtijdig beëindigen. Indien nodig wordt een nieuwe procedure voor de aanwijzing van het directiecomité of een van zijn leden gestart.
In het geval van een negatieve eindevaluatie eindigt de aanwijzing van het directiecomité of een van zijn leden aan het einde van de vastgestelde termijn. Er is een nieuwe aanwijzigingsprocedure gestart. Het directiecomité of een van zijn aftredende leden die een negatieve eindevaluatie heeft gekregen, mag niet deelnemen aan deze nieuwe procedure.
Het directiecomité of zijn leden die een positieve eindevaluatie krijgen, kunnen door de Regering worden herbenoemd voor een periode van vijf jaar zonder dat een nieuwe aanwijzingsprocedure nodig is.
Het directiecomité of zijn leden die een positieve eindevaluatie krijgen, kunnen door de Regering worden herbenoemd voor een periode van vijf jaar zonder dat een nieuwe aanwijzingsprocedure nodig is. ]1
Als een lid van het directiecomité minder dan vijf jaar voor het bereiken van de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd wordt aangewezen, eindigt zijn ambtstermijn op de dag waarop hij de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd bereikt.
De Regering kan zijn aanwijzing verlengen tot na de wettelijke pensioenleeftijd, op basis van een verzoek van het lid van het directiecomité aan de raad van bestuur.
Zijn aanwijzing kan na de wettelijke pensioenleeftijd met maximaal een jaar worden verlengd. Bedoelde periode kan volgens dezelfde modaliteiten verlengd worden voor een eenmalige nieuwe periode van maximum één jaar.
§ 2. De Regering wijst de leden van de raad van bestuur aan volgens de in de paragrafen 2 tot en met 4 bedoelde procedure.
De raad van bestuur legt ter goedkeuring voor aan de Regering:
1° de ambtbeschrijving;
2° een nota met een omschrijving van de algemene beheersopdrachten en de te bereiken collectieve en individuele doelstellingen, zowel op het vlak van beheer als van strategie;
3° de aanwijzing van de leden van de jury, die voor ten hoogste twee derden uit leden van hetzelfde geslacht bestaat en als volgt is samengesteld :
a) de voorzitter en de ondervoorzitter van de Raad van bestuur en de voorzitter van het bezoldigingscomité;
b) twee externe deskundigen gekozen buiten de ministeriële kabinetten, de diensten van de Waalse Regering en de instellingen van openbaar nut die vallen onder het decreet van 22 januari 1998 betreffende het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut die onder het Waalse Gewest ressorteren, met minstens tien jaar ervaring in verband met het vastgestelde functieprofiel en aangewezen door de Regering. Ten minste één van deze twee experts heeft tien jaar ervaring in management of human resources;
c) een lid van een Franstalige Belgische universiteit wiens vakgebied verband houdt met de vacante functie of met management- of personeelskwesties;
d) indien van toepassing, de Directeur-generaal of Directeurs-generaal van de Waalse Overheidsdienst waarvan de functionele bevoegdheden verband houden met de opdrachten van het orgaan, of zijn of haar vertegenwoordiger.
In het voorstel voor de jury dat door de Raad van Bestuur wordt geformuleerd, wordt bepaald wie van de onder b) of c) bedoelde juryleden de jury zal voorzitten.
§ 3. De Raad van Bestuur doet een oproep voor externe en interne kandidaten, waaronder ten minste :
1° de ambtbeschrijving;
2° de wijze en de uiterste datum van de indiening van de kandidaturen;
3° de voor de betrekking vereiste diploma's en ervaringen;
4° de modaliteiten voor de organisatie van de proeven en de gehanteerde selectiecriteria;
5° de documenten die de kandidatuurakte op straffe van nietigheid moet omvatten;
6° de dienst waar de nota, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 2°, en alle andere nuttige inlichtingen of documenten kunnen worden verkregen;
7° de voorgestelde bezoldiging voor de duur van het mandaat en de beëindigingsmodaliteiten.
§ 4. De jury organiseert selectieproeven die haar in staat stellen om aan de hand van de selectiecriteria, vermeld in paragraaf 3, 4°, de leidinggevende en organisatorische vaardigheden en de persoonlijkheid van de kandidaten vast te stellen.
Op basis van de resultaten van de selectieproeven stelt de selectiejury een schriftelijk verslag op waarin de vaardigheden van elke kandidaat worden beschreven en in twee categorieën worden ingedeeld:
a) de categorie geschikt;
b) de categorie ongeschikte.
De selectiejury stuurt dit rapport naar de Regering.
Op basis van het verslag van de jury wijst de Regering de leden van het directiecomité aan uit de kandidaten die door de jury geschikt worden geacht. Het stuurt de aanwijzing door naar de "SWDE.
§ 5. De raad van bestuur draagt zijn bezoldigingscomité op om het directiecomité en zijn leden voor te leggen aan :
1° een jaarlijkse evaluatie van de verwezenlijking van de doelstellingen van het voorgaande jaar;
2° een tussentijdse evaluatie, in beginsel dertig maanden na zijn aanwijzing, en een eindevaluatie, in beginsel zestig maanden na zijn aanwijzing, die beide betrekking hebben op de uitoefening van de in zijn functieomschrijving vermelde bevoegdheden, de realisatie van de in het beheerscontract opgenomen doelstellingen en de algemene beheersopdrachten en -doelstellingen die als directiecomité en als lid van het directiecomité moeten worden gerealiseerd, zowel op het vlak van beheer als op het vlak van strategie, opgenomen in de nota bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, 2°.
Het bezoldigingscomité kan een beroep doen op externe deskundigen voor de tussentijdse evaluatie en op externe deskundigen voor de eindevaluatie. De externe deskundigen beschikken over de ervaring bedoeld in paragraaf 2, alinea 2, 3°, b).
Wanneer de Regering meent dat de situatie of de reputatie van de "S.P.G.E." dit vereist, kan zij op eigen initiatief een evaluatie van het lid of de leden van het directiecomité vragen. Deze evaluatie wordt uitgevoerd in overeenstemming met de paragrafen 5 tot en met 7. Bij deze gelegenheid wordt de raad van bestuur bijgestaan door externe personen die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in lid 2, alinea 2, 3°, b. In geval van een negatieve evaluatie kan de Regering, op advies van de raad van bestuur, de aanwijzing van het lid of de leden van het directiecomité beëindigen.
Over de tussentijdse en eindevaluaties wordt een gemotiveerd verslag opgesteld dat per aangetekende post met ontvangstbewijs naar het directiecomité wordt gestuurd. De evaluatie is positief of negatief.
De statuten van het orgaan bepalen de evaluatieprocedures en voorwaarden.
§ 6. Het directiecomité of een van zijn leden kan binnen tien dagen na ontvangst per aangetekende post beroep aantekenen bij de raad van bestuur tegen zijn negatieve tussentijdse of definitieve evaluatie. Bij ontstentenis wordt het proces-verbaal definitief.
In het geval van een beroep door het directiecomité of een van zijn leden, kunnen deze binnen tien dagen na de mededeling van hun beroep aan de Raad van Bestuur de gronden voorleggen waarop zij de evaluatie betwisten. Hij kan om een hoorzitting verzoeken, die de raad van bestuur op aanvraag toestaat.
Na bestudering van de gronden voor het beroep kan de raad van bestuur de evaluatie wijzigen. Als de evaluatie ondanks het beroep negatief blijft, worden het beroep en de redenen daarvoor opgenomen in het evaluatierapport.
De raad van bestuur stuurt zijn beslissing, het evaluatieverslag, met inbegrip van een eventueel beroep en de redenen daarvoor, naar de Regering en kan de beëindiging van de ambtstermijn van een of meer leden van het directiecomité voorstellen.
§ 7. De definitieve tussentijdse of eindevaluatieverslagen worden door de raad van bestuur naar de regering gestuurd.
In geval van een negatieve tussentijdse evaluatie kan de Regering de aanwijzing van het directiecomité of een van zijn leden vroegtijdig beëindigen. Indien nodig wordt een nieuwe procedure voor de aanwijzing van het directiecomité of een van zijn leden gestart.
In het geval van een negatieve eindevaluatie eindigt de aanwijzing van het directiecomité of een van zijn leden aan het einde van de vastgestelde termijn. Er is een nieuwe aanwijzigingsprocedure gestart. Het directiecomité of een van zijn aftredende leden die een negatieve eindevaluatie heeft gekregen, mag niet deelnemen aan deze nieuwe procedure.
Het directiecomité of zijn leden die een positieve eindevaluatie krijgen, kunnen door de Regering worden herbenoemd voor een periode van vijf jaar zonder dat een nieuwe aanwijzingsprocedure nodig is.
Het directiecomité of zijn leden die een positieve eindevaluatie krijgen, kunnen door de Regering worden herbenoemd voor een periode van vijf jaar zonder dat een nieuwe aanwijzingsprocedure nodig is. ]1
Art. D369. [1 § 1er. Les membres du comité de direction sont désignés pour une durée de cinq ans.
Si un membre du comité de direction est désigné moins de cinq ans avant l'âge légal de la pension, sa fonction prend fin le jour où il atteint l'âge légal de la pension.
Le Gouvernement peut prolonger sa désignation au-delà de l'âge légal de la pension, sur base d'une demande du membre du comité de direction formulée auprès du conseil d'administration.
La prolongation de sa désignation au-delà de l'âge légal de la pension est d'une durée maximale d'une année. Elle est renouvelable, selon les mêmes modalités, pour une seule nouvelle période d'une durée maximale d'un an.
§ 2. Le Gouvernement désigne les membres du comité de direction au terme de la procédure, visée aux paragraphes 2 à 4.
Le conseil d'administration soumet pour approbation au Gouvernement :
1° une description de fonction;
2° une note comprenant une définition des missions générales de gestion et des objectifs collectifs et individuels à atteindre tant en matière de gestion que de stratégie;
3° la désignation des membres du jury de sélection qui comprend au maximum deux tiers des membres du même sexe et est composé comme suit :
a) le président et le vice-président du conseil d'administration et le président du comité de rémunération;
b) deux experts externes choisis en dehors des membres des cabinets ministériels, des services du Gouvernement wallon et des organismes d'intérêt public visés au décret du 22 janvier 1998 relatif au statut du personnel de certains organismes relevant de la Région wallonne présentant une expérience de dix ans minimum en lien avec le profil de fonction établi et désignés par le Gouvernement. Au moins un de ces deux experts présente une expérience de dix ans en management ou en ressources humaines;
c) un membre d'une université belge francophone dont le domaine d'expertise est en lien avec la fonction vacante ou les enjeux en matière de management ou de ressources humaines;
d) le cas échéant, le directeur général ou les directeurs généraux de la direction générale du Service public de Wallonie dont les compétences fonctionnelles sont en lien avec les missions de l'organisme ou de son représentant.
La proposition de jury formulée par le conseil d'administration détermine lequel des membres du jury visés au b) ou au c) exerce la présidence du jury.
§ 3. Le conseil d'administration lance l'appel à candidature public externe et interne, comprenant au minimum :
1° la description de fonction;
2° le mode et la date ultime d'introduction des candidatures;
3° les diplômes et expériences requis pour la fonction;
4° les modalités d'organisation des épreuves et les critères de sélection retenus;
5° les documents que contient, à peine d'irrecevabilité, l'acte de candidature;
6° le service auprès duquel la note visée au paragraphe 2, alinéa 2, 2°, et tous les autres renseignements ou documents utiles peuvent être obtenus;
7° la rémunération proposée pour le mandat et les modalités de fin de mandat.
§ 4. Le jury de sélection organise les épreuves de sélection lui permettant, à l'aide des critères de sélection visés au paragraphe 3, 4°, de cerner les aptitudes de gestion, d'organisation et la personnalité des candidats.
Sur la base des résultats aux épreuves de sélection, le jury de sélection rédige un rapport écrit et motivé reprenant les aptitudes de chacun des candidats, et classant les candidats en deux catégories :
a) la catégorie apte;
b) la catégorie inapte.
Le jury de sélection communique ce rapport au Gouvernement.
Sur la base du rapport du jury, le Gouvernement désigne les membres du comité de direction parmi les candidats jugés aptes par le jury. Il transmet la désignation à la SWDE.
§ 5. Le conseil d'administration charge son comité de rémunération de soumettre le comité de direction et ses membres à :
1° une évaluation annuelle portant sur la réalisation des objectifs fixés pour l'année écoulée;
2° une évaluation intermédiaire, intervenant en principe trente mois après sa désignation, et une évaluation finale, intervenant en principe soixante mois après sa désignation, portant toutes les deux sur la mise en oeuvre des compétences reprises dans son descriptif de fonction, la réalisation des objectifs fixés dans le contrat de gestion et des missions générales de gestion et des objectifs à atteindre en tant que comité de direction et en tant que membre du comité de direction, tant en matière de gestion que de stratégie, repris dans la note, visée au paragraphe 2, alinéa 2, 2°.
Le comité de rémunération peut s'entourer de personnalités extérieures dans le cadre de l'évaluation intermédiaire et s'entoure de personnalités extérieures pour l'évaluation finale. Les personnalités extérieures disposent des expériences, visées au paragraphe 2, alinéa 2, 3°, b.
Lorsque le Gouvernement juge que la situation ou la réputation de la S.W.D.E. le requiert, il peut d'initiative requérir l'évaluation d'un ou des membres du comité de direction. Cette évaluation se déroule conformément aux paragraphes 5 à 7. A cette occasion, le conseil d'administration s'entoure de personnalités extérieures, répondant aux conditions visées au paragraphe 2, alinéa 2, 3°, b. En cas d'évaluation négative, le Gouvernement peut mettre fin à la désignation du ou des membres du comité de direction, sur avis du conseil d'administration.
Les évaluations intermédiaires et finales font l'objet d'un rapport motivé, notifié au comité de direction par envoi recommandé avec accusé de réception. L'évaluation est positive ou négative.
Les statuts de l'organisme fixent les procédures d'évaluation et leurs modalités.
§ 6. Le comité de direction ou un de ses membres peut introduire, par un envoi recommandé, un recours auprès du conseil d'administration contre son évaluation intermédiaire ou finale négative dans un délai de dix jours à dater de sa réception. A défaut, l'évaluation est définitive.
En cas de recours par le comité de direction ou un de ses membres, ce dernier peut exposer au conseil d'administration les motifs pour lesquels il conteste l'évaluation dans les dix jours de la communication de son recours. Il peut solliciter une audition, à laquelle le conseil d'administration fait droit lorsqu'elle est demandée.
Après avoir pris connaissance des motifs du recours, le conseil d'administration peut modifier l'évaluation. Si, malgré le recours, l'évaluation reste négative, le recours et ses motifs sont inclus dans le rapport d'évaluation.
Le conseil d'administration transmet au Gouvernement sa décision, le rapport d'évaluation, le cas échéant incluant le recours et ses motifs, et peut proposer la fin du mandat d'un ou des membres du comité de direction.
§ 7. Les rapports d'évaluation intermédiaire ou finale définitifs sont communiqués au Gouvernement par le conseil d'administration.
En cas d'évaluation intermédiaire négative, le Gouvernement peut mettre fin anticipativement à la désignation du comité de direction ou d'un de ses membres. Le cas échéant, une nouvelle procédure de désignation du comité de direction ou d'un de ses membres est lancée.
En cas d'évaluation finale négative, la désignation du comité de direction ou d'un de ses membres prend fin au terme de sa durée déterminée. Une nouvelle procédure de désignation est entamée. Le comité de direction ou l'un de ses membres sortants ayant fait l'objet de l'évaluation finale négative ne peut pas participer à cette nouvelle procédure.
Le comité de direction ou ses membres qui bénéficient d'une évaluation finale positive peuvent être renouvelés par le Gouvernement pour une période de cinq ans sans qu'il soit nécessaire de mettre en oeuvre une nouvelle procédure de désignation.
Le comité de direction ou ses membres qui bénéficient d'une évaluation finale positive au terme de leur première désignation sont renouvelés de plein droit pour une nouvelle durée de cinq ans, sans qu'il soit nécessaire de mettre en oeuvre une nouvelle procédure de désignation. ]1
Si un membre du comité de direction est désigné moins de cinq ans avant l'âge légal de la pension, sa fonction prend fin le jour où il atteint l'âge légal de la pension.
Le Gouvernement peut prolonger sa désignation au-delà de l'âge légal de la pension, sur base d'une demande du membre du comité de direction formulée auprès du conseil d'administration.
La prolongation de sa désignation au-delà de l'âge légal de la pension est d'une durée maximale d'une année. Elle est renouvelable, selon les mêmes modalités, pour une seule nouvelle période d'une durée maximale d'un an.
§ 2. Le Gouvernement désigne les membres du comité de direction au terme de la procédure, visée aux paragraphes 2 à 4.
Le conseil d'administration soumet pour approbation au Gouvernement :
1° une description de fonction;
2° une note comprenant une définition des missions générales de gestion et des objectifs collectifs et individuels à atteindre tant en matière de gestion que de stratégie;
3° la désignation des membres du jury de sélection qui comprend au maximum deux tiers des membres du même sexe et est composé comme suit :
a) le président et le vice-président du conseil d'administration et le président du comité de rémunération;
b) deux experts externes choisis en dehors des membres des cabinets ministériels, des services du Gouvernement wallon et des organismes d'intérêt public visés au décret du 22 janvier 1998 relatif au statut du personnel de certains organismes relevant de la Région wallonne présentant une expérience de dix ans minimum en lien avec le profil de fonction établi et désignés par le Gouvernement. Au moins un de ces deux experts présente une expérience de dix ans en management ou en ressources humaines;
c) un membre d'une université belge francophone dont le domaine d'expertise est en lien avec la fonction vacante ou les enjeux en matière de management ou de ressources humaines;
d) le cas échéant, le directeur général ou les directeurs généraux de la direction générale du Service public de Wallonie dont les compétences fonctionnelles sont en lien avec les missions de l'organisme ou de son représentant.
La proposition de jury formulée par le conseil d'administration détermine lequel des membres du jury visés au b) ou au c) exerce la présidence du jury.
§ 3. Le conseil d'administration lance l'appel à candidature public externe et interne, comprenant au minimum :
1° la description de fonction;
2° le mode et la date ultime d'introduction des candidatures;
3° les diplômes et expériences requis pour la fonction;
4° les modalités d'organisation des épreuves et les critères de sélection retenus;
5° les documents que contient, à peine d'irrecevabilité, l'acte de candidature;
6° le service auprès duquel la note visée au paragraphe 2, alinéa 2, 2°, et tous les autres renseignements ou documents utiles peuvent être obtenus;
7° la rémunération proposée pour le mandat et les modalités de fin de mandat.
§ 4. Le jury de sélection organise les épreuves de sélection lui permettant, à l'aide des critères de sélection visés au paragraphe 3, 4°, de cerner les aptitudes de gestion, d'organisation et la personnalité des candidats.
Sur la base des résultats aux épreuves de sélection, le jury de sélection rédige un rapport écrit et motivé reprenant les aptitudes de chacun des candidats, et classant les candidats en deux catégories :
a) la catégorie apte;
b) la catégorie inapte.
Le jury de sélection communique ce rapport au Gouvernement.
Sur la base du rapport du jury, le Gouvernement désigne les membres du comité de direction parmi les candidats jugés aptes par le jury. Il transmet la désignation à la SWDE.
§ 5. Le conseil d'administration charge son comité de rémunération de soumettre le comité de direction et ses membres à :
1° une évaluation annuelle portant sur la réalisation des objectifs fixés pour l'année écoulée;
2° une évaluation intermédiaire, intervenant en principe trente mois après sa désignation, et une évaluation finale, intervenant en principe soixante mois après sa désignation, portant toutes les deux sur la mise en oeuvre des compétences reprises dans son descriptif de fonction, la réalisation des objectifs fixés dans le contrat de gestion et des missions générales de gestion et des objectifs à atteindre en tant que comité de direction et en tant que membre du comité de direction, tant en matière de gestion que de stratégie, repris dans la note, visée au paragraphe 2, alinéa 2, 2°.
Le comité de rémunération peut s'entourer de personnalités extérieures dans le cadre de l'évaluation intermédiaire et s'entoure de personnalités extérieures pour l'évaluation finale. Les personnalités extérieures disposent des expériences, visées au paragraphe 2, alinéa 2, 3°, b.
Lorsque le Gouvernement juge que la situation ou la réputation de la S.W.D.E. le requiert, il peut d'initiative requérir l'évaluation d'un ou des membres du comité de direction. Cette évaluation se déroule conformément aux paragraphes 5 à 7. A cette occasion, le conseil d'administration s'entoure de personnalités extérieures, répondant aux conditions visées au paragraphe 2, alinéa 2, 3°, b. En cas d'évaluation négative, le Gouvernement peut mettre fin à la désignation du ou des membres du comité de direction, sur avis du conseil d'administration.
Les évaluations intermédiaires et finales font l'objet d'un rapport motivé, notifié au comité de direction par envoi recommandé avec accusé de réception. L'évaluation est positive ou négative.
Les statuts de l'organisme fixent les procédures d'évaluation et leurs modalités.
§ 6. Le comité de direction ou un de ses membres peut introduire, par un envoi recommandé, un recours auprès du conseil d'administration contre son évaluation intermédiaire ou finale négative dans un délai de dix jours à dater de sa réception. A défaut, l'évaluation est définitive.
En cas de recours par le comité de direction ou un de ses membres, ce dernier peut exposer au conseil d'administration les motifs pour lesquels il conteste l'évaluation dans les dix jours de la communication de son recours. Il peut solliciter une audition, à laquelle le conseil d'administration fait droit lorsqu'elle est demandée.
Après avoir pris connaissance des motifs du recours, le conseil d'administration peut modifier l'évaluation. Si, malgré le recours, l'évaluation reste négative, le recours et ses motifs sont inclus dans le rapport d'évaluation.
Le conseil d'administration transmet au Gouvernement sa décision, le rapport d'évaluation, le cas échéant incluant le recours et ses motifs, et peut proposer la fin du mandat d'un ou des membres du comité de direction.
§ 7. Les rapports d'évaluation intermédiaire ou finale définitifs sont communiqués au Gouvernement par le conseil d'administration.
En cas d'évaluation intermédiaire négative, le Gouvernement peut mettre fin anticipativement à la désignation du comité de direction ou d'un de ses membres. Le cas échéant, une nouvelle procédure de désignation du comité de direction ou d'un de ses membres est lancée.
En cas d'évaluation finale négative, la désignation du comité de direction ou d'un de ses membres prend fin au terme de sa durée déterminée. Une nouvelle procédure de désignation est entamée. Le comité de direction ou l'un de ses membres sortants ayant fait l'objet de l'évaluation finale négative ne peut pas participer à cette nouvelle procédure.
Le comité de direction ou ses membres qui bénéficient d'une évaluation finale positive peuvent être renouvelés par le Gouvernement pour une période de cinq ans sans qu'il soit nécessaire de mettre en oeuvre une nouvelle procédure de désignation.
Le comité de direction ou ses membres qui bénéficient d'une évaluation finale positive au terme de leur première désignation sont renouvelés de plein droit pour une nouvelle durée de cinq ans, sans qu'il soit nécessaire de mettre en oeuvre une nouvelle procédure de désignation. ]1
Wijzigingen
Art. D370. § 1. De wederzijdse rechten, met inbegrip van de bezoldiging, en verplichtingen van de leden van het Directiecomité, enerzijds, en van de maatschappij, anderzijds, worden bij een bijzondere overeenkomst tussen de betrokken partijen geregeld. [2 ...]2.
[2 ...]2.
De leden van het Directiecomité, die zich bij hun benoeming in een statutaire band bevinden met de maatschappij of met elke andere publiekrechtelijke persoon die onder het Gewest ressorteert, worden voor een opdracht van algemeen belang ambtshalve met verlof geplaatst voor de hele duur van het mandaat.
§ 2. De bezoldiging van de leden van het Directiecomité is voor rekening van de maatschappij.
[2 ...]2.
De leden van het Directiecomité, die zich bij hun benoeming in een statutaire band bevinden met de maatschappij of met elke andere publiekrechtelijke persoon die onder het Gewest ressorteert, worden voor een opdracht van algemeen belang ambtshalve met verlof geplaatst voor de hele duur van het mandaat.
§ 2. De bezoldiging van de leden van het Directiecomité is voor rekening van de maatschappij.
Art. D370. § 1er. Les droits, y compris la rémunération, et obligations mutuels des membres du comité de direction, d'une part, et de la Société, d'autre part, sont réglés par convention particulière entre les parties concernées. [2 ...]2.
[2 ...]2 [1 ...]1
Les membres du comité de direction qui, au moment de leur nomination, se trouvent dans un lien statutaire avec la Société ou toute autre personne de droit public dépendant de la Région sont mis d'office en congé pour mission d'intérêt général pour la durée du mandat.
§ 2. La rémunération des personnes membres du comité de direction est à charge de la Société.
[2 ...]2 [1 ...]1
Les membres du comité de direction qui, au moment de leur nomination, se trouvent dans un lien statutaire avec la Société ou toute autre personne de droit public dépendant de la Région sont mis d'office en congé pour mission d'intérêt général pour la durée du mandat.
§ 2. La rémunération des personnes membres du comité de direction est à charge de la Société.
Onderafdeling 4. - (Bijkantoren en raden voor de exploitatie.)
Sous-section 4. - (Succursales d'exploitation et conseils d'exploitation)
A. Diensten.
A. Services.
Art. D371. Om haar openbare opdrachten i.v.m. waterdistributie te vervullen, richt de [1 Maatschappij]1 acht bijkantoren op op het grondgebied dat zij bevoorraadt in één of meer onderstroomgebieden.
De geografische grenzen van de bijkantoren liggen vast in de statuten.
Elke [1 aandeelhoudende]1 gemeente kan onder het rechtsgebied van slechts één bijkantoor ressorteren.
De aansluiting bij een onderstroomgebied als het grondgebied van een gemeente twee of meer onderstroomgebieden bestrijkt, wordt bepaald op grond van het grootste aantal meters.
Het beheer van de [1 aandeelhoudende]1 gemeenten gelegen in de Duitstalige Gemeenschap kan ressorteren onder het rechtsgebied van hetzelfde bijkantoor, alhoewel ze tot verschillende onderstroomgebieden behoren.
De geografische grenzen van de bijkantoren liggen vast in de statuten.
Elke [1 aandeelhoudende]1 gemeente kan onder het rechtsgebied van slechts één bijkantoor ressorteren.
De aansluiting bij een onderstroomgebied als het grondgebied van een gemeente twee of meer onderstroomgebieden bestrijkt, wordt bepaald op grond van het grootste aantal meters.
Het beheer van de [1 aandeelhoudende]1 gemeenten gelegen in de Duitstalige Gemeenschap kan ressorteren onder het rechtsgebied van hetzelfde bijkantoor, alhoewel ze tot verschillende onderstroomgebieden behoren.
Art. D371. Pour assurer sa mission de service public de distribution d'eau, la [1 Société]1 constitue huit succursales d'exploitation couvrant le territoire qu'elle dessert sur un ou plusieurs sous-bassins hydrographiques.
Les limites géographiques des succursales sont fixées par les statuts.
Chaque commune [1 actionnaire]1 ne peut relever du ressort que d'une seule succursale d'exploitation.
Le rattachement à un sous-bassin hydrographique lorsque le territoire d'une commune s'étend sur deux ou plusieurs sous-bassins est fixé sur la base du plus grand nombre de compteurs.
Nonobstant leur appartenance à des sous-bassins hydrographiques différents, la gestion des communes [1 actionnaires]1 situées en Communauté germanophone peut relever du ressort d'une même succursale d'exploitation.
Les limites géographiques des succursales sont fixées par les statuts.
Chaque commune [1 actionnaire]1 ne peut relever du ressort que d'une seule succursale d'exploitation.
Le rattachement à un sous-bassin hydrographique lorsque le territoire d'une commune s'étend sur deux ou plusieurs sous-bassins est fixé sur la base du plus grand nombre de compteurs.
Nonobstant leur appartenance à des sous-bassins hydrographiques différents, la gestion des communes [1 actionnaires]1 situées en Communauté germanophone peut relever du ressort d'une même succursale d'exploitation.
Wijzigingen
B. Adviescomités.
B. Comités consultatifs.
Art. D372. [1 § 1. Voor elk bijkantoor wordt een exploitatieraad opgericht, die bestaat uit een vertegenwoordiger per [2 aandeelhoudende]2 gemeente van het ambtsgebied van het betrokken bijkantoor.
Elke [2 aandeelhoudende]2 gemeente wijst zijn vertegenwoordiger binnen de exploitatieraad onder de leden van het gemeentecollege aan.
§ 2. De exploitatieraad wordt geraadpleegd over de werkprogramma's van de maatschappij, over de uitvoering ervan en de coördinatie met de gemeentelijke werven.
Hij brengt advies uit over elke vraagstuk dat hem wordt voorgelegd door de raad van bestuur of het directiecomité.
§ 3. De statuten bepalen de werkingsregels van de exploitatieraden. Ze kunnen bijkomende regels bepalen wat betreft de samenstelling en de bevoegdheden van de exploitatieraden.
§ 4. Het mandaat van lid van een exploitatieraad wordt kosteloos uitgeoefend.]1
Elke [2 aandeelhoudende]2 gemeente wijst zijn vertegenwoordiger binnen de exploitatieraad onder de leden van het gemeentecollege aan.
§ 2. De exploitatieraad wordt geraadpleegd over de werkprogramma's van de maatschappij, over de uitvoering ervan en de coördinatie met de gemeentelijke werven.
Hij brengt advies uit over elke vraagstuk dat hem wordt voorgelegd door de raad van bestuur of het directiecomité.
§ 3. De statuten bepalen de werkingsregels van de exploitatieraden. Ze kunnen bijkomende regels bepalen wat betreft de samenstelling en de bevoegdheden van de exploitatieraden.
§ 4. Het mandaat van lid van een exploitatieraad wordt kosteloos uitgeoefend.]1
Art. D372. [1 § 1er. Pour chaque succursale, il est institué un conseil d'exploitation composé d'un représentant par commune [2 actionnaire]2 du ressort de la succursale concernée.
Chaque commune associée désigne son représentant au conseil d'exploitation parmi les membres du collège communal.
§ 2. Le conseil d'exploitation est consulté sur les programmes de travaux de la Société, leur exécution et la coordination avec les chantiers communaux.
Il remet un avis sur toute question qui lui est soumise par le [2 conseil]2 d'administration ou le comité de direction.
§ 3. Les statuts déterminent les règles de fonctionnement des conseils d'exploitation. Ils peuvent déterminer des règles complémentaires concernant la composition et les compétences des conseils d'exploitation.
§ 4. Le mandat de membre d'un conseil d'exploitation s'exerce à titre gratuit.]1
Chaque commune associée désigne son représentant au conseil d'exploitation parmi les membres du collège communal.
§ 2. Le conseil d'exploitation est consulté sur les programmes de travaux de la Société, leur exécution et la coordination avec les chantiers communaux.
Il remet un avis sur toute question qui lui est soumise par le [2 conseil]2 d'administration ou le comité de direction.
§ 3. Les statuts déterminent les règles de fonctionnement des conseils d'exploitation. Ils peuvent déterminer des règles complémentaires concernant la composition et les compétences des conseils d'exploitation.
§ 4. Le mandat de membre d'un conseil d'exploitation s'exerce à titre gratuit.]1
Art. D373. (Opgeheven)
Art. D373. (Abrogé)
C. Zonecomités.
C. Comités de zone.
Art. D374. (Opgeheven)
Art. D374. (Abroge)
Art. D375. (Opgeheven)
Art. D375. (Abrogé)
Art. D376. (Opgeheven)
Art. D376. (Abrogé)
Afdeling 7. - Administratief toezicht en controle.
Section 7. - Tutelle administrative et contrôle.
Onderafdeling I. - Administratief toezicht.
Sous-section 1re. - Tutelle administrative.
Art. D377. De Regering oefent controle uit op de [1 Maatschappij]1 door tussenkomst van twee commissarissen die individueel of gezamenlijk handelen.
De regeringscommissarissen wonen alle vergaderingen van de raad van bestuur van de [1 Maatschappij]1 bij.
De regeringscommissarissen wonen alle vergaderingen van de raad van bestuur van de [1 Maatschappij]1 bij.
Art. D377. La [1 Société]1 est soumise au contrôle du Gouvernement à l'intervention de deux commissaires qui agissent individuellement ou conjointement.
Les commissaires du Gouvernement assistent à toutes les réunions du conseil d'administration de la [1 Société]1.
Les commissaires du Gouvernement assistent à toutes les réunions du conseil d'administration de la [1 Société]1.
Wijzigingen
Art. D378. (Opgeheven)
Art. D378. (Abrogé)
Onderafdeling 2. - Controle op de rekeningen.
Sous-section 2. - Contrôle des comptes.
Art. D379. [1 § 1. Het toezicht op de financiële toestand, op de jaarrekeningen en op de regelmatigheid, ten opzichte van de regelgeving en de statuten, van de verrichtingen i.v.m. de jaarrekeningen wordt opgedragen aan een College van commissarissen dat uit drie leden bestaat.
Hun beraadslagingen zijn collegiaal.
Hun verslagen en opmerkingen worden overgemaakt aan de Regering en aan de algemene Vergadering.
Twee leden van het college van commissarissen worden door de algemene vergadering benoemd onder de leden van het Instituut der Bedrijfsrevisoren, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen. Ze hebben de hoedanigheid van bedrijfsrevisor.
Het derde lid wordt door de Regering benoemd [3 onder de leden van het Rekenhof op voorstel van deze laatste. Hij zal het college voorzitten]3.
[3 ...]3.
De commissarissen worden benoemd voor drie jaar.
§ 2. [2 De algemene vergadering bepaalt de bezoldiging van de commissarissen.]2]1
Hun beraadslagingen zijn collegiaal.
Hun verslagen en opmerkingen worden overgemaakt aan de Regering en aan de algemene Vergadering.
Twee leden van het college van commissarissen worden door de algemene vergadering benoemd onder de leden van het Instituut der Bedrijfsrevisoren, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen. Ze hebben de hoedanigheid van bedrijfsrevisor.
Het derde lid wordt door de Regering benoemd [3 onder de leden van het Rekenhof op voorstel van deze laatste. Hij zal het college voorzitten]3.
[3 ...]3.
De commissarissen worden benoemd voor drie jaar.
§ 2. [2 De algemene vergadering bepaalt de bezoldiging van de commissarissen.]2]1
Art. D379. [1 § 1er. Le contrôle de la situation financière, des comptes annuels et de la régularité, au regard de la réglementation et des statuts, des opérations à constater dans les comptes annuels est confié à un collège des commissaires aux comptes composé de trois membres.
Leurs délibérations sont collégiales.
Leurs rapports et observations sont communiqués au Gouvernement et à l'assemblée générale.
Deux des membres du collège [3 des commissaires]3 aux comptes sont nommés par l'assemblée générale parmi les membres de l'Institut des réviseurs d'entreprises, conformément aux dispositions du [3 Code des sociétés et des associations]3. Ils ont la qualité de commissaire-réviseur.
Le troisième membre est nommé par le Gouvernement [3 parmi les membres de la Cour des comptes sur proposition de celle-ci. Il préside le collège ]3.
[3 ...]3.
Les commissaires sont nommés pour un terme de trois ans.
§ 2. [2 L'assemblée générale détermine la rémunération des commissaires.]2]1
Leurs délibérations sont collégiales.
Leurs rapports et observations sont communiqués au Gouvernement et à l'assemblée générale.
Deux des membres du collège [3 des commissaires]3 aux comptes sont nommés par l'assemblée générale parmi les membres de l'Institut des réviseurs d'entreprises, conformément aux dispositions du [3 Code des sociétés et des associations]3. Ils ont la qualité de commissaire-réviseur.
Le troisième membre est nommé par le Gouvernement [3 parmi les membres de la Cour des comptes sur proposition de celle-ci. Il préside le collège ]3.
[3 ...]3.
Les commissaires sont nommés pour un terme de trois ans.
§ 2. [2 L'assemblée générale détermine la rémunération des commissaires.]2]1
Afdeling 8. - Boekhouding en jaarrekeningen.
Section 8. - Comptabilité et comptes annuels.
Art. D380. § 1. De maatschappij voert haar boekhouding per kalenderjaar. De activiteiten in verband met haar openbare opdrachten en haar overige activiteiten worden telkens in een aparte boekhouding opgenomen.
[3 Het resultaat wordt opgedeeld volgens de regels die vastliggen in de statuten. De uitkering van dividenden aan aandeelhouders is echter niet toegelaten.]3
De bijlage bij de jaarrekeningen bevat een samenvattende staat van de rekeningen betreffende de openbare opdrachten en een commentaar. (...).
§ 2. De Raad van bestuur bezorgt de Regering de jaarrekeningen vóór 30 juni van het jaar na het bedoelde boekjaar, alsmede het beheersverslag, (het verslag van de bedrijfsrevisoren) en het verslag van het College van (Regeringscommissarissen).
De Regering stuurt de in het eerste lid bedoelde documenten vóór 31 juli van het jaar na het bedoelde boekjaar naar de Waalse Gewestraad.
[3 Het resultaat wordt opgedeeld volgens de regels die vastliggen in de statuten. De uitkering van dividenden aan aandeelhouders is echter niet toegelaten.]3
De bijlage bij de jaarrekeningen bevat een samenvattende staat van de rekeningen betreffende de openbare opdrachten en een commentaar. (...).
§ 2. De Raad van bestuur bezorgt de Regering de jaarrekeningen vóór 30 juni van het jaar na het bedoelde boekjaar, alsmede het beheersverslag, (het verslag van de bedrijfsrevisoren) en het verslag van het College van (Regeringscommissarissen).
De Regering stuurt de in het eerste lid bedoelde documenten vóór 31 juli van het jaar na het bedoelde boekjaar naar de Waalse Gewestraad.
Art. D380. § 1er. La Société établit sa comptabilité par année civile. Elle établit un système distinct de comptes pour les activités ayant trait à ses missions de service public, d'une part, et pour ses autres activités, d'autre part.
[4 Les règles de répartition du résultat sont consignées dans les statuts. Toutefois, la distribution de dividendes aux actionnaires n'est pas permise.]4
L'annexe des comptes annuels contient un état récapitulatif des comptes relatifs aux missions de service public et un commentaire à ce sujet. (...).
§ 2. Le conseil d'administration communique les comptes annuels accompagnés du rapport de gestion, (des commissaires du Gouvernement) et du rapport du collège (des commissaires du Gouvernement), avant le 30 juin de l'année suivant l'exercice concerné.
Avant le 31 juillet de l'année suivant l'exercice concerné, le Gouvernement communique les documents visés à l'alinéa 1er au Conseil régional wallon.
[4 Les règles de répartition du résultat sont consignées dans les statuts. Toutefois, la distribution de dividendes aux actionnaires n'est pas permise.]4
L'annexe des comptes annuels contient un état récapitulatif des comptes relatifs aux missions de service public et un commentaire à ce sujet. (...).
§ 2. Le conseil d'administration communique les comptes annuels accompagnés du rapport de gestion, (des commissaires du Gouvernement) et du rapport du collège (des commissaires du Gouvernement), avant le 30 juin de l'année suivant l'exercice concerné.
Avant le 31 juillet de l'année suivant l'exercice concerné, le Gouvernement communique les documents visés à l'alinéa 1er au Conseil régional wallon.
Art. D381. Naast haar algemene boekhouding, voert de maatschappij ook een analytische en begrotingsboekhouding.
Art. D381. La Société tient, outre sa comptabilité générale, des comptabilités analytique et budgétaire.
Afdeling 9. [1 Eigen kapitalen]1
Section 9. [1 - Capitaux propres]1
Art. D382. [1 De Maatschappij kan aandelen van verschillende categorieën uitgeven.
De gemeentelijke aandeelhouders vertegenwoordigen steeds minimum 50 % van het kapitaal, plus één aandeel.
Afgezien van de omvang van de inbreng van de verschillende partijen bij de kapitaalvorming, beschikken de gemeentelijke aandeelhouders samen altijd over de meerderheid van stemmen op de algemene vergadering.
De aandelen tot kapitaalvorming mogen niet afgestaan worden. De overige aandelen van een aandeelhouder mogen alleen aan een andere aandeelhouder worden afgestaan.]1
De gemeentelijke aandeelhouders vertegenwoordigen steeds minimum 50 % van het kapitaal, plus één aandeel.
Afgezien van de omvang van de inbreng van de verschillende partijen bij de kapitaalvorming, beschikken de gemeentelijke aandeelhouders samen altijd over de meerderheid van stemmen op de algemene vergadering.
De aandelen tot kapitaalvorming mogen niet afgestaan worden. De overige aandelen van een aandeelhouder mogen alleen aan een andere aandeelhouder worden afgestaan.]1
Art. D382. [1 La Société peut émettre des actions de différentes classes.
Les actionnaires communaux représentent en tout temps au minimum cinquante pour cent des actions souscrites plus une.
Quelle que soit la proportion des apports des diverses parties à la constitution des capitaux propres, les actionnaires communaux disposent toujours ensemble de la majorité des voix à l'assemblée générale.
Les actions constitutives ne peuvent pas être cédées. Les autres actions d'un actionnaire peuvent être cédées uniquement à un autre actionnaire.]1
Les actionnaires communaux représentent en tout temps au minimum cinquante pour cent des actions souscrites plus une.
Quelle que soit la proportion des apports des diverses parties à la constitution des capitaux propres, les actionnaires communaux disposent toujours ensemble de la majorité des voix à l'assemblée générale.
Les actions constitutives ne peuvent pas être cédées. Les autres actions d'un actionnaire peuvent être cédées uniquement à un autre actionnaire.]1
Wijzigingen
Afdeling 10. - Personeel.
Section 10. - Personnel.
Art. D383.
Art. D383.
Art. D383bis. [1 De Regering stelt zich uitdrukkelijk garant voor de goede afloop van de verbintenissen van de pensioenregelingen van de [2 "Maatschappij"]2]1.
Art. D383bis. [1 Le Gouvernement garantit expressément la bonne fin des engagements des régimes de pensions de la [2 Société]2]1
Afdeling 11. - Voorlopige bepalingen.
Section 11. - Dispositions provisoires.
Art. D384. (Opgeheven)
Art. D384. (Abrogé)
Art. D385. § 1. [1 ...]1.
§ 2. De Regering kan goederen van de Transhennuyère inbrengen in Maatschappij. Zij bepaalt de lijst van die goederen.
De overdracht kan zonder verdere formaliteiten van rechtswege tegengeworpen worden aan derden zodra het Regeringsbesluit tot bepaling van de goederenlijst in werking treedt.
[1 ...]1.
§ 2. De Regering kan goederen van de Transhennuyère inbrengen in Maatschappij. Zij bepaalt de lijst van die goederen.
De overdracht kan zonder verdere formaliteiten van rechtswege tegengeworpen worden aan derden zodra het Regeringsbesluit tot bepaling van de goederenlijst in werking treedt.
[1 ...]1.
Art. D385. § 1er. [1 ...]1.
§ 2. Le Gouvernement peut faire apport à la Société des biens faisant partie de la Transhennuyère. Il en arrête la liste.
Le transfert est opposable de plein droit aux tiers sans autre formalité dès l'entrée en vigueur de l'arrêté du Gouvernement établissant la liste des biens.
[1 ...]1.
§ 2. Le Gouvernement peut faire apport à la Société des biens faisant partie de la Transhennuyère. Il en arrête la liste.
Le transfert est opposable de plein droit aux tiers sans autre formalité dès l'entrée en vigueur de l'arrêté du Gouvernement établissant la liste des biens.
[1 ...]1.
Wijzigingen
Art. D386. De eigendom van de goederen bestemd voor de activiteit van het "ERPE" die (...) aan het Gewest toebehoorden en waarvan de lijst opgenomen is in bijlage IV, wordt aan de Maatschappij overgedragen, met inbegrip van de voornaamste en bijhorende roerende en onroerende goederen en desbetreffende rechten, zelfs wanneer ze niet uitdrukkelijk overgenomen worden.
De overdracht kan zonder verdere formaliteiten van rechtswege tegengeworpen aan derden.
De overdracht kan zonder verdere formaliteiten van rechtswege tegengeworpen aan derden.
Art. D386. La propriété des biens affectés à l'activité de l'Entreprise régionale de production et d'adduction d'eau appartenant à la Région (...) et dont la liste est visée à l'annexe IV est transférée à la Société, en ce compris celle des biens meubles et immeubles principaux et accessoires et droits qui s'y attachent, quand bien même ils ne sont pas expressément repris.
Le transfert est opposable de plein droit aux tiers sans autre formalité.
Le transfert est opposable de plein droit aux tiers sans autre formalité.
Art. D387. § 1. Het Gewest geeft de Maatschappij zo spoedig mogelijk kennis van de akten en documenten, met inbegrip van de uittreksels uit de kadastrale leggers en uit het kadastraal plan waarin melding wordt gemaakt van de lasten, rechten en verplichtingen betreffende de goederen waarvan de eigendom bij of krachtens dit hoofdstuk is overgedragen.
Er wordt zo spoedig mogelijk een inventaris van die akten en documenten opgemaakt. Die inventaris wordt ondertekend door de Regering, alsook door de voorzitter van de raad van bestuur van de Maatschappij.
§ 2. De Maatschappij erft de rechten en verplichtingen van het Gewest voor de goederen waarvan de eigendom bij of krachtens dit hoofdstuk overgedragen wordt, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit lopende of komende gerechtelijke procedures.
In geval van geschil kan het geheel of een gedeelte van de goederen waarvan de eigendomstitels niet aan de Maatschappij zijn overgedragen, treedt het Gewest op ten gunste van de Maatschappij.
§ 3. (...)
Er wordt zo spoedig mogelijk een inventaris van die akten en documenten opgemaakt. Die inventaris wordt ondertekend door de Regering, alsook door de voorzitter van de raad van bestuur van de Maatschappij.
§ 2. De Maatschappij erft de rechten en verplichtingen van het Gewest voor de goederen waarvan de eigendom bij of krachtens dit hoofdstuk overgedragen wordt, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit lopende of komende gerechtelijke procedures.
In geval van geschil kan het geheel of een gedeelte van de goederen waarvan de eigendomstitels niet aan de Maatschappij zijn overgedragen, treedt het Gewest op ten gunste van de Maatschappij.
§ 3. (...)
Art. D387. § 1er. La Région communique dans les meilleurs délais à la Société, les actes et documents, en ce compris les extraits des matrices cadastrales et du plan cadastral mentionnant les droits, charges et obligations relatifs aux biens dont la propriété est transférée par ou en vertu du présent chapitre.
L'inventaire de ces actes et documents est dressé dans les plus brefs délais. Il est signé par le Gouvernement ainsi que par le président du conseil d'administration de la Société.
§ 2. La Société succède aux droits et obligations de la Région relatifs aux biens dont la propriété est transférée par ou en vertu du présent chapitre, en ce compris les droits et obligations résultant de procédures judiciaires en cours ou à venir.
En cas de litige sur tout ou partie de ces biens dont les actes de propriété n'ont pas été transmis à la Société, la Région intervient en garantie à la procédure au profit de la Société.
§ 3. (...)
L'inventaire de ces actes et documents est dressé dans les plus brefs délais. Il est signé par le Gouvernement ainsi que par le président du conseil d'administration de la Société.
§ 2. La Société succède aux droits et obligations de la Région relatifs aux biens dont la propriété est transférée par ou en vertu du présent chapitre, en ce compris les droits et obligations résultant de procédures judiciaires en cours ou à venir.
En cas de litige sur tout ou partie de ces biens dont les actes de propriété n'ont pas été transmis à la Société, la Région intervient en garantie à la procédure au profit de la Société.
§ 3. (...)
Art. D388.
Art. D388.
Art. D389.
Art. D389.
Art. D390. (Opgeheven)
Art. D390. (Abrogé)
Art. D391. Het fiscale statuut van de maatschappij is hetzelfde als dat waarover de Nationale Maatschappij der Waterleidingen en de [1 "Société wallonne des Distributions d'Eau"]1 vroeger beschikten.
Art. D391. La Société dispose du même statut fiscal que celui dont disposaient la Société nationale des distributions d'Eau et la [1 Société wallonne des distributions d'eau.]1
Wijzigingen
Deel IV. - [1 Vaststelling van de overtredingen en straffen.]1
PARTIE IV. - [1 Constatation des infractions et sanctions.]1
TITEL I. - [1 Bestraffing van de overtredingen inzake het oppervlaktewater.]1
TITRE Ier. - [1 Sanctions des infractions en matière d'eau de surface.]1
Art. D392. [1 Er wordt een overtreding van tweede categorie in de zin van deel VIII van het decretaal gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek begaan door degene die :
1° afvalwater in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvloeiingswegen loost, zonder inachtneming van de reglementen genomen krachtens de artikelen D.156 tot D.158, D.161 tot D.166 en D.406;
2° zich niet houdt aan een verbod opgelegd bij artikel D.161;
3° de krachtens artikel D.162 uitgevaardigde voorschriften overtreedt;
4° een ter uitvoering van artikel D.163 genomen reglement overtreedt.]1
1° afvalwater in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvloeiingswegen loost, zonder inachtneming van de reglementen genomen krachtens de artikelen D.156 tot D.158, D.161 tot D.166 en D.406;
2° zich niet houdt aan een verbod opgelegd bij artikel D.161;
3° de krachtens artikel D.162 uitgevaardigde voorschriften overtreedt;
4° een ter uitvoering van artikel D.163 genomen reglement overtreedt.]1
Art. D392. [1 Commet une infraction de deuxième catégorie au sens de la partie VIII de la partie décrétale du Livre Ier du Code de l'Environnement celui qui :
1° déverse des eaux usées dans les eaux de surface ordinaire, dans les égouts publics ou dans les voies artificielles d'écoulement, sans respecter les règlements pris en vertu des articles D.156 à D.158, D.161 à D.166 et D.406;
2° méconnaît une interdiction établie par l'article D.161;
3° viole les prescriptions édictées sur la base de l'article D.162;
4° commet une infraction a un règlement pris en exécution de l'article D.163.]1
1° déverse des eaux usées dans les eaux de surface ordinaire, dans les égouts publics ou dans les voies artificielles d'écoulement, sans respecter les règlements pris en vertu des articles D.156 à D.158, D.161 à D.166 et D.406;
2° méconnaît une interdiction établie par l'article D.161;
3° viole les prescriptions édictées sur la base de l'article D.162;
4° commet une infraction a un règlement pris en exécution de l'article D.163.]1
Wijzigingen
Art. D393. [1 Er wordt een overtreding van derde categorie in de zin van deel VIII van het decreetgevend gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek begaan door :
1° de overtreder van de bepalingen die niet bedoeld worden in artikel D.392 en die door de Regering zijn aangenomen met het oog op de uitvoering van de bescherming van de oppervlaktewateren en op de bestrijding van de verontreiniging van de grondwateren vanaf oppervlaktewateren;
2° degene die het oppervlaktewater gebruikt in overtreding van een krachtens artikel D.158 uitgevaardigd verbod;
3° degene die tracht één van de in artikel D.392 vermelde daden te begaan;
4° degene die beroepshalve producten fabriceert, te koop aanbiedt, verkoopt en gebruikt in overtreding van een krachtens artikel D.164 genomen reglement;
5° degene [2 die bij derden slijk inzamelt]2, hetzij zonder te beschikken over de krachtens artikel D.222 vereiste vergunning, hetzij door het slijk weg te werken op een krachtens dat artikel verboden wijze;
6° degene die zonder de vereiste milieuvergunning een motorvoertuig, een machine of andere gelijksoortige tuigen in een gewoon oppervlaktewater of op minder dan tien meter ervan schoonmaakt terwijl het schoonmaakproduct erin wegvloeien kan.]1
1° de overtreder van de bepalingen die niet bedoeld worden in artikel D.392 en die door de Regering zijn aangenomen met het oog op de uitvoering van de bescherming van de oppervlaktewateren en op de bestrijding van de verontreiniging van de grondwateren vanaf oppervlaktewateren;
2° degene die het oppervlaktewater gebruikt in overtreding van een krachtens artikel D.158 uitgevaardigd verbod;
3° degene die tracht één van de in artikel D.392 vermelde daden te begaan;
4° degene die beroepshalve producten fabriceert, te koop aanbiedt, verkoopt en gebruikt in overtreding van een krachtens artikel D.164 genomen reglement;
5° degene [2 die bij derden slijk inzamelt]2, hetzij zonder te beschikken over de krachtens artikel D.222 vereiste vergunning, hetzij door het slijk weg te werken op een krachtens dat artikel verboden wijze;
6° degene die zonder de vereiste milieuvergunning een motorvoertuig, een machine of andere gelijksoortige tuigen in een gewoon oppervlaktewater of op minder dan tien meter ervan schoonmaakt terwijl het schoonmaakproduct erin wegvloeien kan.]1
Art. D393. [1 Commet une infraction de troisième catégorie au sens de la partie VIII de la partie décrétale du Livre Ier du Code de l'Environnement :
1° celui qui contrevient aux dispositions non visées à l'article D.392 et adoptées par le Gouvernement en vue d'assurer exécution de la protection des eaux de surface et la pollution des eaux souterraines à partir d'eaux de surface;
2° celui qui utilise l'eau de surface en violation d'une interdiction prononcée en vertu de l'article D.158;
3° celui qui tente de commettre un des actes mentionnés à l'article D.392;
4° celui qui, à titre professionnel, fabrique, offre en vente, vend et utilise des produits en infraction à un règlement pris en vertu de l'article D.164;
5° celui qui opère la vidange et recueille des gadoues [2 ...]2 chez des tiers, soit sans disposer de l'agrément qui est requis en vertu de l'article D.222, soit en éliminant les gadoues d'une manière interdite par cet article;
6° celui qui nettoie un véhicule à moteur, une machine ou d'autres engins similaires dans une eau de surface ordinaire ou a moins de dix mètres de celle-ci alors que le produit nettoyant est susceptible de s'y écouler sans disposer du permis d'environnement requis.]1
1° celui qui contrevient aux dispositions non visées à l'article D.392 et adoptées par le Gouvernement en vue d'assurer exécution de la protection des eaux de surface et la pollution des eaux souterraines à partir d'eaux de surface;
2° celui qui utilise l'eau de surface en violation d'une interdiction prononcée en vertu de l'article D.158;
3° celui qui tente de commettre un des actes mentionnés à l'article D.392;
4° celui qui, à titre professionnel, fabrique, offre en vente, vend et utilise des produits en infraction à un règlement pris en vertu de l'article D.164;
5° celui qui opère la vidange et recueille des gadoues [2 ...]2 chez des tiers, soit sans disposer de l'agrément qui est requis en vertu de l'article D.222, soit en éliminant les gadoues d'une manière interdite par cet article;
6° celui qui nettoie un véhicule à moteur, une machine ou d'autres engins similaires dans une eau de surface ordinaire ou a moins de dix mètres de celle-ci alors que le produit nettoyant est susceptible de s'y écouler sans disposer du permis d'environnement requis.]1
Art. D394. [1 Er wordt een overtreding van tweede categorie in de zin van deel VIII van het decretaal gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek begaan door :
1° degene die de zuiveringsinstallaties opzettelijk vernielt of beschadigt en de vlotte werking ervan verhindert;
2° degene die dezelfde installaties opzettelijk tracht te vernielen of te beschadigen;
3° degene die weigert of verzuimt een krachtens artikel D.21, § 1, door de Regering, de provinciegouverneur of de burgemeester opgelegde noodmaatregel uit te voeren.]1
1° degene die de zuiveringsinstallaties opzettelijk vernielt of beschadigt en de vlotte werking ervan verhindert;
2° degene die dezelfde installaties opzettelijk tracht te vernielen of te beschadigen;
3° degene die weigert of verzuimt een krachtens artikel D.21, § 1, door de Regering, de provinciegouverneur of de burgemeester opgelegde noodmaatregel uit te voeren.]1
Art. D394. [1 Commet une infraction de deuxième catégorie au sens de la partie VIII de la partie décrétale du Livre Ier du Code de l'Environnement :
1° celui qui détruit ou détériore volontairement les installations d'épuration et en empêche le fonctionnement correct;
2° celui qui tente de détruire ou de détériorer volontairement ces mêmes installations;
3° celui qui refuse ou néglige d'exécuter une mesure d'urgence ordonnée par le Gouvernement, le gouverneur de la province ou le bourgmestre en vertu de l'article D.21, § 1er.]1
1° celui qui détruit ou détériore volontairement les installations d'épuration et en empêche le fonctionnement correct;
2° celui qui tente de détruire ou de détériorer volontairement ces mêmes installations;
3° celui qui refuse ou néglige d'exécuter une mesure d'urgence ordonnée par le Gouvernement, le gouverneur de la province ou le bourgmestre en vertu de l'article D.21, § 1er.]1
Wijzigingen
Art. D395. [1 Er wordt een overtreding van derde categorie in de zin van deel VIII van het decretaal gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek begaan door degene die verzuimt gegevens te verstrekken die hem gevraagd worden krachtens de artikelen D.13 en D.165 en de reglementaire bepalingen genomen krachtens die artikelen.
Er wordt een overtreding van derde categorie in de zin van deel VIII van het decretaal gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek begaan door :
1. degene die zijn langs een weg gelegen woning niet op de bestaande riolering heeft aangesloten;
2. degene die tijdens de rioleringswerken zijn woning, gelegen langs een weg die zopas van rioleringen werd voorzien, niet op de riolering heeft aangesloten;
3. degene die niet verzocht heeft om de geschreven voorafgaande toestemming van het gemeentecollege om zijn woning op de riolering aan te sluiten;
4. degene die het geheel van het regenwater en het helder parasietwater geloosd heeft in de scheidingsriolering op de gedeelten van de aldus uitgeruste weg of het regenwater niet afvoert via verliesputten, draineerbuizen, kunstmatige afvloeiingswegen of oppervlaktewateren voor zover zulks niet bij of krachtens een andere wetgeving verboden is;
5. [2 degene die een nieuwe woning niet uitgerust heeft met een systeem dat het gezamenlijke regenwater van het afvalwater scheidt, niet voorziet in een uitrusting overeenkomstig de door de Regering bepaalde modaliteiten wanneer het geloosde afvalwater niet behandeld wordt door een zuiveringsstation, het stedelijk afvalwater niet uitsluitend via het afwateringsnetwerk afvoert bij de inbedrijfstelling van het zuiveringsstation, de septische put niet buiten bedrijf stelt na advies van de erkende saneringsinstelling of de septische slijkput niet door een erkende ruimer laat ledigen;]2
6. degene die zich niet aangesloten heeft binnen honderdtachtig dagen na de kennisgeving van de beslissing tot weigering van een vergunning voor de installatie van een individueel zuiveringssysteem in de plaats van de aansluiting op de riolering;
7. degene die elke nieuwe woning, gebouwd in een zone onderworpen aan het gemeenschappelijke saneringssysteem langs een weg die nog niet van een riolering voorzien is, oorspronkelijk niet voorzien heeft van een individueel saneringssysteem dat voldoet aan de voorwaarden gesteld ter uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning indien het vaststaat dat de aansluiting op een toekomstige riolering te duur zou zijn;
8. degene die elke nieuwe woning of groep van nieuwe woningen waarop het autonome saneringsstelsel van toepassing is, niet uitgerust heeft met een individueel zuiveringssysteem;
9. degene die er niet voor zorgt dat de riolering het helder parasietwater niet opvangt door de woning niet aan te sluiten op het rioleringsnetwerk zodra het in bedrijf gesteld wordt, door een nieuwe woning, in afwachting van de inbedrijfstelling van het voorziene zuiveringssysteem, niet uit te rusten met een septische put met bypass en, desgevallend, ontvetter, en uitgerust met afzonderlijke leidingen voor de opvang van het regenwater en het huishoudelijk afvalwater;
10. degene die de woning waarop het autonome saneringsstelsel van toepassing is niet conform heeft gemaakt, [2 ...]2;]1
[2 11. niet binnen de voorgeschreven termijnen heeft voorzien in een individueel zuiveringsssyteem in elke woning die ermee uitgerust moet worden.]2
Er wordt een overtreding van derde categorie in de zin van deel VIII van het decretaal gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek begaan door :
1. degene die zijn langs een weg gelegen woning niet op de bestaande riolering heeft aangesloten;
2. degene die tijdens de rioleringswerken zijn woning, gelegen langs een weg die zopas van rioleringen werd voorzien, niet op de riolering heeft aangesloten;
3. degene die niet verzocht heeft om de geschreven voorafgaande toestemming van het gemeentecollege om zijn woning op de riolering aan te sluiten;
4. degene die het geheel van het regenwater en het helder parasietwater geloosd heeft in de scheidingsriolering op de gedeelten van de aldus uitgeruste weg of het regenwater niet afvoert via verliesputten, draineerbuizen, kunstmatige afvloeiingswegen of oppervlaktewateren voor zover zulks niet bij of krachtens een andere wetgeving verboden is;
5. [2 degene die een nieuwe woning niet uitgerust heeft met een systeem dat het gezamenlijke regenwater van het afvalwater scheidt, niet voorziet in een uitrusting overeenkomstig de door de Regering bepaalde modaliteiten wanneer het geloosde afvalwater niet behandeld wordt door een zuiveringsstation, het stedelijk afvalwater niet uitsluitend via het afwateringsnetwerk afvoert bij de inbedrijfstelling van het zuiveringsstation, de septische put niet buiten bedrijf stelt na advies van de erkende saneringsinstelling of de septische slijkput niet door een erkende ruimer laat ledigen;]2
6. degene die zich niet aangesloten heeft binnen honderdtachtig dagen na de kennisgeving van de beslissing tot weigering van een vergunning voor de installatie van een individueel zuiveringssysteem in de plaats van de aansluiting op de riolering;
7. degene die elke nieuwe woning, gebouwd in een zone onderworpen aan het gemeenschappelijke saneringssysteem langs een weg die nog niet van een riolering voorzien is, oorspronkelijk niet voorzien heeft van een individueel saneringssysteem dat voldoet aan de voorwaarden gesteld ter uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning indien het vaststaat dat de aansluiting op een toekomstige riolering te duur zou zijn;
8. degene die elke nieuwe woning of groep van nieuwe woningen waarop het autonome saneringsstelsel van toepassing is, niet uitgerust heeft met een individueel zuiveringssysteem;
9. degene die er niet voor zorgt dat de riolering het helder parasietwater niet opvangt door de woning niet aan te sluiten op het rioleringsnetwerk zodra het in bedrijf gesteld wordt, door een nieuwe woning, in afwachting van de inbedrijfstelling van het voorziene zuiveringssysteem, niet uit te rusten met een septische put met bypass en, desgevallend, ontvetter, en uitgerust met afzonderlijke leidingen voor de opvang van het regenwater en het huishoudelijk afvalwater;
10. degene die de woning waarop het autonome saneringsstelsel van toepassing is niet conform heeft gemaakt, [2 ...]2;]1
[2 11. niet binnen de voorgeschreven termijnen heeft voorzien in een individueel zuiveringsssyteem in elke woning die ermee uitgerust moet worden.]2
Art. D395. [1 Commet une infraction de troisième catégorie au sens de la partie VIII de la partie décrétale du Livre Ier du Code de l'Environnement celui qui s'abstient de communiquer des renseignements qui lui ont été demandés en vertu des articles D.13 et D.165 et des dispositions réglementaires prises en vertu de ceux-ci.
Commet une infraction de troisième catégorie au sens de la partie VIII de la partie décrétale du Livre Ier du Code de l'Environnement celui qui :
1. n'a pas raccordé à l'égout l'habitation située le long d'une voirie qui en est déjà équipée;
2. n'a pas raccorde pendant les travaux d'égouttage son habitation située le long d'une voirie qui vient d'être équipée d'égouts;
3. n'a pas sollicité l'autorisation préalable écrite du collège communal pour le raccordement à l'égout de son habitation;
4. a déversé l'ensemble des eaux pluviales et des eaux claires parasites dans l'égout séparatif sur les parties de la voirie ainsi équipée ou n'évacue pas les eaux pluviales par des puits perdants, des drains dispersants, des voies artificielles d'écoulement ou par des eaux de surface pour autant que ce ne soit pas interdit par ou en vertu d'une autre législation;
5. [2 n'a pas équipé toute nouvelle habitation d'un système séparant l'ensemble des eaux pluviales des eaux urbaines résiduaires, ne s'équipe pas conformément aux modalités arrêtées par le Gouvernement lorsque les eaux usées déversées ne sont pas traitées par une station d'épuration, n'évacue pas les eaux urbaines résiduaires exclusivement par le réseau d'égouttage lors de la mise en service de la station d'épuration, ne met pas hors service la fosse septique suite à l'avis de l'organisme d'assainissement agréé ou ne fait pas vider la fosse septique par un vidangeur agréé;]2;
6. n'a pas raccordé à l'égout existant dans les cent quatre-vingts jours qui suivent la notification de la décision d'un refus de permis pour l'installation d'un système d'épuration individuelle à la place du raccordement à l'égout;
7. n'a pas équipé d'origine toute nouvelle habitation construite en zone soumise au régime d'assainissement collectif le long d'une voirie non encore équipée d'égout, d'un système d'épuration individuelle répondant aux conditions définies en exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement lorsqu'il est établi que le coût du raccordement à un égout futur serait excessif;
8. n'a pas équipé d'un système d'épuration individuelle toute nouvelle habitation ou tout groupe d'habitations nouvelles pour lequel s'applique le régime d'assainissement autonome;
9. n'assure pas que l'égout ne récolte pas les eaux claires parasites en ne raccordant pas l'habitation au réseau d'égouttage dès la mise en service de celui-ci, en n'équipant pas une nouvelle habitation, dans l'attente de la mise en service du système d'épuration prévu, d'une fosse septique by-passable munie d'un dégraisseur, le cas échéant, et pourvue de canalisations séparées pour la récolte des eaux pluviales et des eaux ménagères usées;
10. n'a pas mis en conformité l'habitation pour laquelle le régime d'assainissement autonome est d'application, [2 ...]2. ]1
[2 11. n'a pas équipé, dans les délais impartis, d'un système d'épuration individuelle toute habitation devant en être pourvue;]2
Commet une infraction de troisième catégorie au sens de la partie VIII de la partie décrétale du Livre Ier du Code de l'Environnement celui qui :
1. n'a pas raccordé à l'égout l'habitation située le long d'une voirie qui en est déjà équipée;
2. n'a pas raccorde pendant les travaux d'égouttage son habitation située le long d'une voirie qui vient d'être équipée d'égouts;
3. n'a pas sollicité l'autorisation préalable écrite du collège communal pour le raccordement à l'égout de son habitation;
4. a déversé l'ensemble des eaux pluviales et des eaux claires parasites dans l'égout séparatif sur les parties de la voirie ainsi équipée ou n'évacue pas les eaux pluviales par des puits perdants, des drains dispersants, des voies artificielles d'écoulement ou par des eaux de surface pour autant que ce ne soit pas interdit par ou en vertu d'une autre législation;
5. [2 n'a pas équipé toute nouvelle habitation d'un système séparant l'ensemble des eaux pluviales des eaux urbaines résiduaires, ne s'équipe pas conformément aux modalités arrêtées par le Gouvernement lorsque les eaux usées déversées ne sont pas traitées par une station d'épuration, n'évacue pas les eaux urbaines résiduaires exclusivement par le réseau d'égouttage lors de la mise en service de la station d'épuration, ne met pas hors service la fosse septique suite à l'avis de l'organisme d'assainissement agréé ou ne fait pas vider la fosse septique par un vidangeur agréé;]2;
6. n'a pas raccordé à l'égout existant dans les cent quatre-vingts jours qui suivent la notification de la décision d'un refus de permis pour l'installation d'un système d'épuration individuelle à la place du raccordement à l'égout;
7. n'a pas équipé d'origine toute nouvelle habitation construite en zone soumise au régime d'assainissement collectif le long d'une voirie non encore équipée d'égout, d'un système d'épuration individuelle répondant aux conditions définies en exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement lorsqu'il est établi que le coût du raccordement à un égout futur serait excessif;
8. n'a pas équipé d'un système d'épuration individuelle toute nouvelle habitation ou tout groupe d'habitations nouvelles pour lequel s'applique le régime d'assainissement autonome;
9. n'assure pas que l'égout ne récolte pas les eaux claires parasites en ne raccordant pas l'habitation au réseau d'égouttage dès la mise en service de celui-ci, en n'équipant pas une nouvelle habitation, dans l'attente de la mise en service du système d'épuration prévu, d'une fosse septique by-passable munie d'un dégraisseur, le cas échéant, et pourvue de canalisations séparées pour la récolte des eaux pluviales et des eaux ménagères usées;
10. n'a pas mis en conformité l'habitation pour laquelle le régime d'assainissement autonome est d'application, [2 ...]2. ]1
[2 11. n'a pas équipé, dans les délais impartis, d'un système d'épuration individuelle toute habitation devant en être pourvue;]2
TITEL II. - [1 Bestraffing van de overtredingen inzake het grondwater.]1
TITRE II. - [1 Sanctions des infractions en matière d'eau souterraine.]1
Art. D396. [1 Er wordt een overtreding van tweede categorie in de zin van deel VIII van het decretaal gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek begaan door :
1° de overtreder van een krachtens de artikelen D.167 en D.173 van dit Wetboek genomen reglement of verbodsmaatregel;
2° [2 degene die een boring of een uitrusting voor een put uitvoert zonder over de erkenning te beschikken vereist krachtens artikel D.167bis]2.]1
[3 3° de overtreder van een krachtens artikel D.177 genomen reglement of verbodsmaatregel.]3
[4 4° de landbouwer wiens landbouwbedrijf gedurende ten minste drie jaar, al dan niet na elkaar, tijdens eenzelfde programma voor de waarneming van de metingen van potentieel uitspoelbare niet-conform wordt verklaard.]4
[5 4° degene die een of meerdere verontreinigende stoffen rechtstreeks in het grondwater loost in strijd met artikel D.167, leden 3 en 4;
5° degene die niet voldoet aan de verplichting bedoeld in artikel D.33/3, vierde lid, betreffende het vaste plantendekken langs waterlopen.]5
1° de overtreder van een krachtens de artikelen D.167 en D.173 van dit Wetboek genomen reglement of verbodsmaatregel;
2° [2 degene die een boring of een uitrusting voor een put uitvoert zonder over de erkenning te beschikken vereist krachtens artikel D.167bis]2.]1
[3 3° de overtreder van een krachtens artikel D.177 genomen reglement of verbodsmaatregel.]3
[4 4° de landbouwer wiens landbouwbedrijf gedurende ten minste drie jaar, al dan niet na elkaar, tijdens eenzelfde programma voor de waarneming van de metingen van potentieel uitspoelbare niet-conform wordt verklaard.]4
[5 4° degene die een of meerdere verontreinigende stoffen rechtstreeks in het grondwater loost in strijd met artikel D.167, leden 3 en 4;
5° degene die niet voldoet aan de verplichting bedoeld in artikel D.33/3, vierde lid, betreffende het vaste plantendekken langs waterlopen.]5
Wijzigingen
Art. D396. [1 Commet une infraction de deuxième catégorie au sens de la partie VIII de la partie décrétale du Livre Ier du Code de l'Environnement :
1° celui qui contrevient à un règlement ou à une mesure d'interdiction pris en vertu des articles D.167 et D.173 du présent Code;
2° [2 celui qui opère un forage ou équipe un puits sans disposer de l'agrément requis en vertu de l'article D.167bis]2.]1
[3 3° celui qui contrevient à un Règlement ou à une mesure d'interdiction pris en vertu de l'article D.177.]3
[4 4° l'agriculteur dont l'exploitation agricole est déclarée non conforme pendant trois années au moins, consécutives ou non, au cours d'un même programme d'observation des APL.]4
[5 4° celui qui rejette directement un ou des polluants dans les eaux souterraines en contravention à l'article D.167, alinéas 3 et 4;
5° celui qui ne respecte pas l'obligation reprise à l'article D.33/3, alinéa 4, relatif au couvert végétal permanent le long des cours d'eau.]5
1° celui qui contrevient à un règlement ou à une mesure d'interdiction pris en vertu des articles D.167 et D.173 du présent Code;
2° [2 celui qui opère un forage ou équipe un puits sans disposer de l'agrément requis en vertu de l'article D.167bis]2.]1
[3 3° celui qui contrevient à un Règlement ou à une mesure d'interdiction pris en vertu de l'article D.177.]3
[4 4° l'agriculteur dont l'exploitation agricole est déclarée non conforme pendant trois années au moins, consécutives ou non, au cours d'un même programme d'observation des APL.]4
[5 4° celui qui rejette directement un ou des polluants dans les eaux souterraines en contravention à l'article D.167, alinéas 3 et 4;
5° celui qui ne respecte pas l'obligation reprise à l'article D.33/3, alinéa 4, relatif au couvert végétal permanent le long des cours d'eau.]5
Wijzigingen
Art. D397. [1 Er wordt een overtreding van derde categorie in de zin van deel VIII van het decretaal gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek begaan door :
1° degene die verzuimt de gegevens te verstrekken die hem gevraagd worden krachtens de artikelen D.13 en D.176 en de reglementaire bepalingen genomen krachtens die artikelen;
2° [2 ...]2 .]1
1° degene die verzuimt de gegevens te verstrekken die hem gevraagd worden krachtens de artikelen D.13 en D.176 en de reglementaire bepalingen genomen krachtens die artikelen;
2° [2 ...]2 .]1
Art. D397. [1 Commet une infraction de troisième catégorie au sens de la partie VIII de la partie décrétale du Livre Ier du Code de l'Environnement :
1° celui qui s'abstient de communiquer les renseignements qui lui ont été demandés en vertu des articles D.13 et D.176 et des dispositions réglementaires prises en vertu de ceux-ci;
2° [2 ...]2 ]1
1° celui qui s'abstient de communiquer les renseignements qui lui ont été demandés en vertu des articles D.13 et D.176 et des dispositions réglementaires prises en vertu de ceux-ci;
2° [2 ...]2 ]1
Art. D398.
Art. D398.
TITEL III. - [1 Vaststelling van de overtredingen en straffen inzake het voor menselijk verbruik bestemde water.]1
TITRE III. - [1 Constatation des infractions et sanctions en matière d'eau destinée à la consommation humaine.]1
Art. D399. [1 Met het oog op de uitvoering van officiële analyses doet de Regering een beroep op één of meer laboratoria geaccrediteerd krachtens de federale wetgeving betreffende de accreditatie van de certificerings- en controle-instellingen, alsook de proeflaboratoria. Ze kan modellen van analyseprotocollen vastleggen, analyse en tegenanalysemethodes bepalen, regels vastleggen voor de verdeling van de analyses onder de laboratoria, alsook voor de financiering van de kostprijs van de analyses en monsternemingen.]1
Art. D399. [1 Le Gouvernement fait appel à un ou plusieurs laboratoire(s) accrédité(s) en vertu de la législation fédérale relative à l'accréditation des organismes de certification et de contrôle ainsi que des laboratoires d'essai en vue de procéder aux analyses officielles. Il peut fixer des modèles de protocole d'analyse, déterminer les méthodes d'analyse et de contre-analyse, établir des règles de répartition des analyses entre les laboratoires ainsi que les règles de financement du coût des analyses et des prélèvements.]1
Wijzigingen
Art. D400. [1 Er wordt een overtreding van tweede categorie in de zin van deel VIII van het decretaal gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek begaan door :
1° de leverancier die niet de geschikte adviezen verleent zoals bedoeld in artikel D.182, § 2, tweede lid;
2° de leverancier die niet de minimale maatregelen treft die bepaald worden volgens de overeenkomstig artikel [2 D.183, § 3]2 vastgelegde procedure;
3° de overtreder van de bepalingen van artikel [2 D.183, § 1 en § 2]2;
4° de leverancier die niet de nodige maatregelen treft waarin artikel [2 D.187, leden 3 en 4]2, voorziet;
5° de leverancier die niet een bij artikel D.188, § 1, bepaald jaarlijks programma opmaakt of ten uitvoer legt;
6° de leverancier die geen controle uitoefent op de doeltreffendheid van de toegepaste behandeling bepaald bij artikel D.188, § 1, [2 vierde lid]2;
7° de leverancier die geen informatie verstrekt aan [2 de Directie Grondwater van het Departement Leefmilieu en Water van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu]2, en het onderzoek niet uitvoert overeenkomstig artikel D.190, § 1, die de bij artikel D.190, § 2, bepaalde rechtzettende maatregelen niet neemt, die de bij artikel D.190, § 3, eerste lid, bepaalde maatregelen niet neemt;
8° de leverancier die de verbruikers geen informatie verstrekt overeenkomstig artikel D.192, § 2;
9° de leverancier die geen informatie verstrekt aan de bevolking die betrokken is bij de bepalingen van artikel D.182, § 2 [2 ...]2.]1
1° de leverancier die niet de geschikte adviezen verleent zoals bedoeld in artikel D.182, § 2, tweede lid;
2° de leverancier die niet de minimale maatregelen treft die bepaald worden volgens de overeenkomstig artikel [2 D.183, § 3]2 vastgelegde procedure;
3° de overtreder van de bepalingen van artikel [2 D.183, § 1 en § 2]2;
4° de leverancier die niet de nodige maatregelen treft waarin artikel [2 D.187, leden 3 en 4]2, voorziet;
5° de leverancier die niet een bij artikel D.188, § 1, bepaald jaarlijks programma opmaakt of ten uitvoer legt;
6° de leverancier die geen controle uitoefent op de doeltreffendheid van de toegepaste behandeling bepaald bij artikel D.188, § 1, [2 vierde lid]2;
7° de leverancier die geen informatie verstrekt aan [2 de Directie Grondwater van het Departement Leefmilieu en Water van de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu]2, en het onderzoek niet uitvoert overeenkomstig artikel D.190, § 1, die de bij artikel D.190, § 2, bepaalde rechtzettende maatregelen niet neemt, die de bij artikel D.190, § 3, eerste lid, bepaalde maatregelen niet neemt;
8° de leverancier die de verbruikers geen informatie verstrekt overeenkomstig artikel D.192, § 2;
9° de leverancier die geen informatie verstrekt aan de bevolking die betrokken is bij de bepalingen van artikel D.182, § 2 [2 ...]2.]1
Art. D400. [1 Commet une infraction de deuxième catégorie au sens de la partie VIII de la partie décrétale du Livre Ier du Code de l'Environnement :
1° le fournisseur qui ne prodigue pas les conseils appropriés prévus a l'article D.182, § 2, alinéa 2;
2° le fournisseur qui ne prend pas les mesures minimales définies selon la procédure fixée en application de l'article [2 D.183, § 3]2;
3° celui qui contrevient au prescrit de l'article [2 D.183, §§ 1er et 2]2;
4° le fournisseur qui ne prend pas les mesures nécessaires prévues à l'article [2 D.187, alinéas 3 et 4]2;
5° le fournisseur qui n'établit pas ou ne met pas en oeuvre un programme annuel prévu à l'article D.188, § 1er;
6° le fournisseur qui ne contrôle pas l'efficacité du traitement appliqué prévu à l'article D.188, § 1er, [2 alinéa 4 ]2;
7° le fournisseur qui n'informe pas [2 la Direction des eaux souterraines du Département de l'Environnement et de l'Eau du Service public de Wallonie, Agriculture, Ressources naturelles et Environnement]2, et qui n'effectue pas l'enquête conformément à l'article D.190, § 1er, qui ne prend pas les mesures correctrices prévues à l'article D.190, § 2, qui ne prend pas les mesures prévues à l'article D.190, § 3, alinéa 1er;
8° le fournisseur qui n'informe pas les consommateurs en application de l'article D.192, § 2;
9° le fournisseur qui n'informe pas la population concernée par le prescrit de l'article D.182, § 2 [2 ...]2.]1
1° le fournisseur qui ne prodigue pas les conseils appropriés prévus a l'article D.182, § 2, alinéa 2;
2° le fournisseur qui ne prend pas les mesures minimales définies selon la procédure fixée en application de l'article [2 D.183, § 3]2;
3° celui qui contrevient au prescrit de l'article [2 D.183, §§ 1er et 2]2;
4° le fournisseur qui ne prend pas les mesures nécessaires prévues à l'article [2 D.187, alinéas 3 et 4]2;
5° le fournisseur qui n'établit pas ou ne met pas en oeuvre un programme annuel prévu à l'article D.188, § 1er;
6° le fournisseur qui ne contrôle pas l'efficacité du traitement appliqué prévu à l'article D.188, § 1er, [2 alinéa 4 ]2;
7° le fournisseur qui n'informe pas [2 la Direction des eaux souterraines du Département de l'Environnement et de l'Eau du Service public de Wallonie, Agriculture, Ressources naturelles et Environnement]2, et qui n'effectue pas l'enquête conformément à l'article D.190, § 1er, qui ne prend pas les mesures correctrices prévues à l'article D.190, § 2, qui ne prend pas les mesures prévues à l'article D.190, § 3, alinéa 1er;
8° le fournisseur qui n'informe pas les consommateurs en application de l'article D.192, § 2;
9° le fournisseur qui n'informe pas la population concernée par le prescrit de l'article D.182, § 2 [2 ...]2.]1
Art. D401. [1 Er wordt een overtreding van vierde categorie in de zin van deel VIII van het decretaal gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek begaan door :
1° [3 de eigenaar]3 die artikel [3 D.182, § 5]3, niet naleeft;
2°[2 ...]2;
3° de particulier die de toegang tot zijn private installatie ontzegt overeenkomstig artikel D.189;
4° degene die water van het openbaar distributienetwerk aftapt buiten de gevallen bepaald bij dit Wetboek of toegelaten door de verdeler;
5° de leverancier die de bij artikel [3 D.184, § 3]3, bepaalde verplichtingen niet nakomt;
6° de leverancier die de verbruikers niet inlicht over de toestand en hen, in voorkomend geval, niet kennis geeft van de dwingende maatregelen die krachtens artikel D.190, § 2, derde lid, genomen worden;
7° de leverancier die de verbruiker niet inlicht of niet de nodige adviezen verleent overeenkomstig artikel D.190, § 3, tweede lid;
8° de leverancier die niet beslist of de overeenkomstig artikel D.190, § 3, derde lid, te nemen maatregelen niet meedeelt;
9° de leverancier die geen informatie verstrekt aan de erkende instelling bedoeld in artikel D.191;
10° de leverancier die de bij artikel D.193, § 2, bepaalde informatie niet verstrekt.]1
1° [3 de eigenaar]3 die artikel [3 D.182, § 5]3, niet naleeft;
2°[2 ...]2;
3° de particulier die de toegang tot zijn private installatie ontzegt overeenkomstig artikel D.189;
4° degene die water van het openbaar distributienetwerk aftapt buiten de gevallen bepaald bij dit Wetboek of toegelaten door de verdeler;
5° de leverancier die de bij artikel [3 D.184, § 3]3, bepaalde verplichtingen niet nakomt;
6° de leverancier die de verbruikers niet inlicht over de toestand en hen, in voorkomend geval, niet kennis geeft van de dwingende maatregelen die krachtens artikel D.190, § 2, derde lid, genomen worden;
7° de leverancier die de verbruiker niet inlicht of niet de nodige adviezen verleent overeenkomstig artikel D.190, § 3, tweede lid;
8° de leverancier die niet beslist of de overeenkomstig artikel D.190, § 3, derde lid, te nemen maatregelen niet meedeelt;
9° de leverancier die geen informatie verstrekt aan de erkende instelling bedoeld in artikel D.191;
10° de leverancier die de bij artikel D.193, § 2, bepaalde informatie niet verstrekt.]1
Art. D401. [1 Commet une infraction de quatrième catégorie au sens de la partie VIII de la partie décrétale du Livre Ier du Code de l'Environnement :
1° [3 le propriétaire]3 qui ne respecte pas l'article [3 D.182, § 5]3;
2° [2 ...]2;
3° le particulier qui n'autorise pas l'accès à son installation privée conformément à l'article D.189;
4° quiconque prélève de l'eau sur le réseau public de distribution en dehors des cas prévus par le présent Code ou autorises par le distributeur;
5° le fournisseur qui ne respecte pas les obligations prévues a l'article [3 D.184, § 3]3;
6° le fournisseur qui n'informe pas les consommateurs de la situation et, le cas échéant, des mesures correctrices prises dans le cadre de l'article D.190, § 2, alinéa 3;
7° le fournisseur qui n'informe pas le consommateur ou qui ne prodigue pas les conseils nécessaires conformément à l'article D.190, § 3, alinéa 2;
8° le fournisseur qui ne décide pas ou ne communique pas les mesures à prendre conformément à l'article D.190, § 3, alinéa 3;
9° le fournisseur qui n'informe pas l'organisme agréé prévu par l'article D.191;
10° le fournisseur qui ne procède pas aux informations prévues par l'article D.193, § 2.]1
1° [3 le propriétaire]3 qui ne respecte pas l'article [3 D.182, § 5]3;
2° [2 ...]2;
3° le particulier qui n'autorise pas l'accès à son installation privée conformément à l'article D.189;
4° quiconque prélève de l'eau sur le réseau public de distribution en dehors des cas prévus par le présent Code ou autorises par le distributeur;
5° le fournisseur qui ne respecte pas les obligations prévues a l'article [3 D.184, § 3]3;
6° le fournisseur qui n'informe pas les consommateurs de la situation et, le cas échéant, des mesures correctrices prises dans le cadre de l'article D.190, § 2, alinéa 3;
7° le fournisseur qui n'informe pas le consommateur ou qui ne prodigue pas les conseils nécessaires conformément à l'article D.190, § 3, alinéa 2;
8° le fournisseur qui ne décide pas ou ne communique pas les mesures à prendre conformément à l'article D.190, § 3, alinéa 3;
9° le fournisseur qui n'informe pas l'organisme agréé prévu par l'article D.191;
10° le fournisseur qui ne procède pas aux informations prévues par l'article D.193, § 2.]1
TITEL IV. - [1 Bestraffing van de overtredingen inzake de schade veroorzaakt door het winnen en pompen van grondwater.]1
TITRE IV. - [1 Sanctions des infractions en matière de dommages provoqués par les prises et pompages d'eau souterraine.]1
Art. D402. [1 Er wordt een overtreding van derde categorie in de zin van deel VIII van het decretaal gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek begaan door de overtreder van de bijdrageverplichting bepaald bij artikel D.328 en de krachtens voornoemd artikel genomen reglementaire bepalingen.]1
Art. D402. [1 Commet une infraction de troisième catégorie au sens de la partie VIII de la partie décrétale du Livre Ier du Code de l'Environnement celui qui viole l'obligation de contribution prévue par l'article D.328 et les dispositions réglementaires prises en vertu de celui-ci.]1
Wijzigingen
TITEL V. - [1 Vaststelling van de overtredingen en straffen inzake tarifering.]1
TITRE V. - [1 Constatation des infractions et sanctions en matière de tarification.]1
Art. D403. [1 Indien water dat niet voldoet aan de wettelijke en reglementaire bepalingen ter beschikking van een verbruiker gesteld wordt, bij gebrek aan regelmatige bevoorrading onder de door de Waalse Regering bepaalde voorwaarden, in geval van onderbreking of opschorting van de dienst zonder inachtneming van de voorwaarden bedoeld in artikel D.203, wordt onderstaande factuur, gericht aan de gebruiker die het slachtoffer is van de nalatigheid van de dienst, verminderd met een bedrag dat berekend wordt dmv volgende formule :
Art. D403. [1 En cas de mise à disposition d'un usager d'une eau non conforme aux dispositions légales et réglementaires, de défaut d'approvisionnement régulier dans les conditions définies par le Gouvernement wallon, d'interruption ou de suspension du service hors des conditions prévues à l'article D.203, la facture suivante adressée à l'usager victime de ce défaut du service est diminuée d'un montant équivalent à la formule suivante :
A x B x C
waarbij :
A = het gefactureerde verbruik [3 gedeeld door het aantal dagen in de factureringscyclus]3;
B = het aantal dagen verzuim;
C = het tarief van de eerste schijf verbruik van kracht op het ogenblik van de facturatie.]1
waarbij :
A = het gefactureerde verbruik [3 gedeeld door het aantal dagen in de factureringscyclus]3;
B = het aantal dagen verzuim;
C = het tarief van de eerste schijf verbruik van kracht op het ogenblik van de facturatie.]1
A x B x C
où
A = la consommation facturée [3 divisée par le nombre de jours du cycle de facturation]3;
B = le nombre de jours de défaut.
C = le tarif de la première tranche de consommation en vigueur au moment de la facturation.]1
où
A = la consommation facturée [3 divisée par le nombre de jours du cycle de facturation]3;
B = le nombre de jours de défaut.
C = le tarif de la première tranche de consommation en vigueur au moment de la facturation.]1
Art. D404. [1 Er wordt een overtreding van derde categorie in de zin van deel VIII van het decretaal gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek begaan door :
1° de verdeler die geen meter plaatst;
2°de verdeler die de tarifering niet toepast in schijven verdeeld in jaarlijks verbruiksvolume overeenkomstig artikel D.228;
3° de verdeler die het bij artikel D.444 bepaalde bijdragebedrag niet aanpast;
4° de verdeler die zich niet houdt aan de bepalingen betreffende de facturering en de invordering van de waterverbruiken zoals bepaald bij de artikelen D.228, D.230 en D.232;
5° de verdeler die op eenzijdige wijze een einde maakt aan de dienstverlening in de gevallen bepaald bij de artikelen D.194 tot D.209, D.228 tot D.233, D.403 tot D.405, D.443 en D.444;
6° de gebruiker die zich niet houdt aan de beslissingen en instructies van de verdeler tot beperking van het watergebruik in geval van droogte, technische incidenten of problemen ivm de kwaliteit van het water;
7° de abonnee of de gebruiker die zich niet houdt aan de modaliteiten bepaald bij artikel D.204.]1
1° de verdeler die geen meter plaatst;
2°de verdeler die de tarifering niet toepast in schijven verdeeld in jaarlijks verbruiksvolume overeenkomstig artikel D.228;
3° de verdeler die het bij artikel D.444 bepaalde bijdragebedrag niet aanpast;
4° de verdeler die zich niet houdt aan de bepalingen betreffende de facturering en de invordering van de waterverbruiken zoals bepaald bij de artikelen D.228, D.230 en D.232;
5° de verdeler die op eenzijdige wijze een einde maakt aan de dienstverlening in de gevallen bepaald bij de artikelen D.194 tot D.209, D.228 tot D.233, D.403 tot D.405, D.443 en D.444;
6° de gebruiker die zich niet houdt aan de beslissingen en instructies van de verdeler tot beperking van het watergebruik in geval van droogte, technische incidenten of problemen ivm de kwaliteit van het water;
7° de abonnee of de gebruiker die zich niet houdt aan de modaliteiten bepaald bij artikel D.204.]1
Art. D404. [1 Commet une infraction de troisième catégorie au sens de la partie VIII de la partie décrétale du Livre Ier du Code de l'Environnement :
1° le distributeur qui ne place pas un compteur;
2° le distributeur qui n'applique pas la tarification par tranches réparties en volume de consommation annuelle suivant l'article D.228;
3° le distributeur qui n'adapte pas le montant de la redevance prévu à l'article D.444;
4° le distributeur qui ne se conforme pas aux dispositions relatives à la facturation et au recouvrement des consommations d'eau tel que prévu aux articles D.228, D.230 et D.232;
5° le distributeur qui met fin au service de manière unilatérale dans les cas non prévus par les articles D.194 à D.209, D.228 à D.233, D.403 à D.405, D.443 et D.444;
6° l'usager qui ne se conforme pas aux décisions et instructions du distributeur limitant l'usage de l'eau en cas de sécheresse, incidents techniques ou relatifs à la qualité de l'eau;
7° l'abonné ou l'usager qui ne se conforme pas aux modalités prévues à l'article D.204.]1
1° le distributeur qui ne place pas un compteur;
2° le distributeur qui n'applique pas la tarification par tranches réparties en volume de consommation annuelle suivant l'article D.228;
3° le distributeur qui n'adapte pas le montant de la redevance prévu à l'article D.444;
4° le distributeur qui ne se conforme pas aux dispositions relatives à la facturation et au recouvrement des consommations d'eau tel que prévu aux articles D.228, D.230 et D.232;
5° le distributeur qui met fin au service de manière unilatérale dans les cas non prévus par les articles D.194 à D.209, D.228 à D.233, D.403 à D.405, D.443 et D.444;
6° l'usager qui ne se conforme pas aux décisions et instructions du distributeur limitant l'usage de l'eau en cas de sécheresse, incidents techniques ou relatifs à la qualité de l'eau;
7° l'abonné ou l'usager qui ne se conforme pas aux modalités prévues à l'article D.204.]1
Wijzigingen
Art. D405. [1 De territoriale bevoegdheid van de rechtsorganen waaraan de geschillen betreffende de toepassing van de artikelen D.194 tot D.209, D.228 tot D.233, D.403 tot D.405, D.443 en D.444 en de krachtens voornoemde artikelen genomen reglementaire bepalingen onderworpen worden, wordt overeenkomstig de regels van het Gerechtelijk Wetboek vastgelegd.]1
Art. D405. [1 La compétence territoriale des instances judiciaires auxquelles sont soumis les litiges relatifs à l'application des articles D.194 à D.209, D.228 à D.233, D.403 à D.405, D.443 et D.444 et des dispositions réglementaires prises en vertu de ceux-ci est déterminée par les règles du Code judiciaire.]1
Wijzigingen
TITEL VI. [1 - Sancties voor overtredingen inzake de inning en de betaling van belastingen, heffingen, bijdragen en de invordering van de reële kostprijs van de sanering en van de kosten van de industriële sanering alsook inzake de sluiting van industriële saneringscontracten]1
TITRE VI. [1 - Sanctions des infractions en matière de perception et paiement de taxe, de redevances, de contribution, de recouvrement du coût vérité d'assainissement et du coût d'assainissement industriel ainsi qu'en matière de conclusion de contrat d'assainissement industriel]1
Art. D406. [1 Er wordt een overtreding van tweede categorie in de zin van Deel VIII van het decretale gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek begaan door degene die de betaling van het geheel of van een gedeelte van de in de artikelen D.252 tot D.283 bedoelde belasting of van de bij dit Wetboek opgelegde heffing of bijdrage ontduikt of tracht te ontduiken, of door [3 de verdeler die niet bijdraagt tot de financiering van de sanering van het afvalwater overeenkomstig artikel D.255]3.
Er wordt een overtreding van derde categorie in de zin van deel VIII van het decretale gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek begaan door degene die zijn verplichtingen niet nakomt in het kader van de vastlegging van de bijdragen en belastingen bedoeld in de artikelen D.252 tot D.285.]1
[2 Er wordt een overtreding van tweede categorie in de zin van deel VIII van het decretaal gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek begaan door de onderneming, die industrieel afvalwater in een openbaar zuiveringsstation loost, die de in artikel D.260, § 2 bedoelde dienstovereenkomst inzake industriële sanering niet sluit.]2
Er wordt een overtreding van derde categorie in de zin van deel VIII van het decretale gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek begaan door degene die zijn verplichtingen niet nakomt in het kader van de vastlegging van de bijdragen en belastingen bedoeld in de artikelen D.252 tot D.285.]1
[2 Er wordt een overtreding van tweede categorie in de zin van deel VIII van het decretaal gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek begaan door de onderneming, die industrieel afvalwater in een openbaar zuiveringsstation loost, die de in artikel D.260, § 2 bedoelde dienstovereenkomst inzake industriële sanering niet sluit.]2
Art. D406. [1 Commet une infraction de deuxième catégorie au sens de la Partie VIII de la partie décrétale du Livre Ier du Code de l'Environnement celui qui élude ou tente d'éluder le paiement de tout ou partie de la taxe visée aux articles D.252 à D.283 ou le paiement de tout ou partie de la redevance ou de la contribution mise à sa charge par le présent Code, ainsi que le [3 distributeur qui ne contribue pas au financement de l'assainissement des eaux usées conformément à l'article D.255]3.
Commet une infraction de troisième catégorie au sens de la Partie VIII de la partie décrétale du Livre Ier du Code de l'Environnement celui qui ne respecte pas ses obligations en vue de l'établissement des contributions et taxes visées par les articles D.252 à D.285.]1
[2 Commet une infraction de deuxième catégorie au sens de la Partie VIII de la partie décrétale du Livre Ier du Code de l'Environnement, l'entreprise, rejetant des eaux usées industrielles dans une station d'épuration publique, qui ne conclut pas le contrat de service d'assainissement industriel prévu à l'article D.260, § 2. ]2
Commet une infraction de troisième catégorie au sens de la Partie VIII de la partie décrétale du Livre Ier du Code de l'Environnement celui qui ne respecte pas ses obligations en vue de l'établissement des contributions et taxes visées par les articles D.252 à D.285.]1
[2 Commet une infraction de deuxième catégorie au sens de la Partie VIII de la partie décrétale du Livre Ier du Code de l'Environnement, l'entreprise, rejetant des eaux usées industrielles dans une station d'épuration publique, qui ne conclut pas le contrat de service d'assainissement industriel prévu à l'article D.260, § 2. ]2
Art. D406 -1. [1 De Regering kan de personeelsleden van de "Société publique de gestion de l'eau" (S.P.G.E.) en van de erkende saneringsinstellingen aanwijzen die belast zijn met de controle op de naleving van de bepalingen inzake sanering bepaald bij dit Wetboek.]1
Art. D406 -1. [1 Le Gouvernement peut désigner les agents de la Société publique de gestion de l'eau (S.P.G.E.) et des organismes d'assainissement agréés chargés de contrôler le respect des dispositions en matière d'assainissement prévues par le présent Code.]1
Art. D406 -2. [1 Er wordt tussen de Administratie en de "Société publique de gestion de l'eau" (S.P.G.E.) een inspectie- en controleprotocol voor het lozen van industrieel afvalwater opgesteld.]1
Art. D406 -2. [1 Un protocole d'inspection et de contrôle des rejets des eaux usées industrielles est établi entre l'Administration et la Société publique de Gestion de l'Eau (S.P.G.E.).]1
Art. D406 -3. [1 Op basis van de door de administratie verstrekte bijgewerkte lijst van de ondernemingen die industrieel afvalwater in een openbaar zuiveringsstation lozen, maken de "S.P.G.E." en de saneringsinstelling het ontwerp van contract aan de onderneming over.
Bij gebrek aan antwoord van de industriesector richt de saneringsinstelling een rappelbrief aan de onderneming met afschrift aan de "S.P.G.E." en gaat ze na of de onderneming aangesloten is op het zuiveringsstation.
Bij gebrek aan antwoord van de industriesector richt de "S.P.G.E." een ingebrekestelling.
Bij gebrek aan antwoord of bij weigering om een contract te sluiten informeert de "S.P.G.E. " de door de Regering aangewezen administratie om de overtredingen vast te stellen.
De sanctionerend ambtenaar richt een afschrift van zijn beslissing aan de gemeente, aan de erkende saneringsinstelling, aan de "S.P.G.E." en aan het Bestuur Leefmilieu.]1
Bij gebrek aan antwoord van de industriesector richt de saneringsinstelling een rappelbrief aan de onderneming met afschrift aan de "S.P.G.E." en gaat ze na of de onderneming aangesloten is op het zuiveringsstation.
Bij gebrek aan antwoord van de industriesector richt de "S.P.G.E." een ingebrekestelling.
Bij gebrek aan antwoord of bij weigering om een contract te sluiten informeert de "S.P.G.E. " de door de Regering aangewezen administratie om de overtredingen vast te stellen.
De sanctionerend ambtenaar richt een afschrift van zijn beslissing aan de gemeente, aan de erkende saneringsinstelling, aan de "S.P.G.E." en aan het Bestuur Leefmilieu.]1
Art. D406 -3. [1 Sur base de la liste actualisée des entreprises rejetant des eaux usées industrielles dans une station d'épuration publique, fournie par l'administration, la S.P.G.E. et l'organisme d'assainissement adressent le projet de contrat à l'entreprise.
A défaut de réponse de l'industriel, l'organisme d'assainissement adresse un rappel à l'entreprise avec copie à la S.P.G.E. et vérifie que l'entreprise est reliée à la station d'épuration.
A défaut de réponse de l'industriel, la S.P.G.E. adresse une mise en demeure.
A défaut de réponse ou en cas de refus de contracter, la S.P.G.E. informe l'administration désignée par le Gouvernement pour constater les infractions.
Le fonctionnaire sanctionnateur adresse copie de sa décision à la commune, à l'organisme d'assainissement agréé, à la S.P.G.E. et à l'administration de l'environnement.]1
A défaut de réponse de l'industriel, l'organisme d'assainissement adresse un rappel à l'entreprise avec copie à la S.P.G.E. et vérifie que l'entreprise est reliée à la station d'épuration.
A défaut de réponse de l'industriel, la S.P.G.E. adresse une mise en demeure.
A défaut de réponse ou en cas de refus de contracter, la S.P.G.E. informe l'administration désignée par le Gouvernement pour constater les infractions.
Le fonctionnaire sanctionnateur adresse copie de sa décision à la commune, à l'organisme d'assainissement agréé, à la S.P.G.E. et à l'administration de l'environnement.]1
TITEL VII. - [1 Bestraffing van de overtredingen inzake het " Fonds social de l'Eau " (Sociaal Waterfonds).]1
TITRE VII. - [1 Sanctions des infractions en matière de Fonds social de l'Eau.]1
Art. D407. [1 Bij niet-nakoming van de verplichting bedoeld in artikel D.239 is de verdeler de " SPGE " een bedrag van [2 0,050]2 euro/m3 gefactureerd water verschuldigd waarvoor geen bijdrage is toegepast.]1
Art. D407. [1 En cas de non-respect de l'obligation visée à l'article D.239, le distributeur est redevable à la SPGE d'un montant égal a [2 0,050]2 euro/m3 d'eau facturée pour lequel aucune contribution n'a été appliquée.]1
TITEL VIII. - [1 Bestraffing van de overtredingen inzake onbevaarbare waterlopen.]1
TITRE VIII. - [1 Sanctions des infractions en matière de cours d'eau non navigables.]1
Art. D408. [1 § 1. Er wordt een overtreding van derde categorie in de zin van deel VIII van Boek I van het Milieuwetboek begaan door :
1° degene die een nieuwe hindernis creëert in de zomerbedding van een onbevaarbare waterloop zonder een oplossing te bieden die het vrij rondzwemmen van de vissen bedoeld in artikel D. 33/10 garandeert;
2° degene die het gereserveerd debiet opgelegd krachtens artikel D. 33/11 niet naleeft;
3° de overtreder van artikel D. 37, § 3;
4° de aanwonende, de gebruiker of de eigenaar van kunstwerken op een waterloop die de doorgang verhindert van administratieve ambtenaren, werknemers en andere personen die verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van de werkzaamheden of studies of die verhindert dat de uit de rivierbedding verwijderde stoffen, alsook de materialen, het gereedschap en de tuigen die nodig zijn voor de uitvoering van de werken op zijn grond of eigendom opgeslagen worden.
5° degene die, zonder de vereiste toestemming van de beheerder van de onbevaarbare waterloop, op een wijze die daarmee in strijd is of niet voldoet aan de door de Regering gestelde voorwaarden, werken verricht of in stand houdt in de zomerbedding zoals bedoeld in artikel D. 40;
6° degene die, ofwel:
a) de zomerbedding of dijken van een onbevaarbare waterloop beschadigt of afzwakt;
b) de onbevaarbare waterloop belemmert of voorwerpen of materialen deponeert die door de stroom meegesleept kunnen worden op minder dan zes meter van de top van de oever of in gebieden met overstromingsgevaar en tot de vernietiging, beschadiging of verstopping van onbevaarbare waterlopen leidt;
c) de één meter brede strook land, landinwaarts gemeten vanaf de top van de oever van de onbevaarbare waterloop, op een andere wijze omploegt, egt, omspit of omwerkt.
d) de peilschalen, de peilnagels of elk ander op verzoek van de beheerder aangebracht positiebepalend systeem wegneemt, onherkenbaar maakt of wat dan ook wijzigt aan de schikking of plaatsing ervan;
e) op enigerlei wijze onbevaarbare waterlopen bedekt, met uitzondering van handelingen en werken zoals bepaald door de Regering;
f) een vijver of een reservoir in een onbevaarbare waterloop leegt [2 zonder te voldoen aan de door de Regering vastgestelde voorwaarden of]2 zonder de instructies van de beheerder op te volgen;
g) seizoensgebonden waterafnames aan een onbevaarbare waterloop verricht [2 zonder te voldoen aan de door de Regering vastgestelde voorwaarden of]2 zonder de instructies van de beheerder op te volgen;
h) een permanente winning van oppervlaktewater of waterlozing in een onbevaarbare waterloop installeert [2 zonder te voldoen aan de door de Regering vastgestelde voorwaarden of]2 zonder dat de instructies van de beheerder worden opgevolgd;
i) degene die plant of bouwt langs een onbevaarbare waterloop zonder te voldoen aan de door de Regering gestelde voorwaarden;
j) de toestanden veroorzaakt ten gevolge van de handelingen bedoeld in punt 6° laat voortbestaan;
7° de verplichtingen bedoeld in de artikelen D. 42/1 en D. 52/1 overtreedt;
8° de gebruiker of de eigenaar van een op een onbevaarbare waterloop gevestigd kunstwerk die er niet voor zorgt dat dat kunstwerk werkt overeenkomstig de voorschriften van de beheerder en, hoe dan ook, op zodanige wijze dat het water in de waterloop een minimumniveau bereikt, een maximumniveau niet overschrijdt of zich tussen een minimumniveau en een maximumniveau bevindt, aangegeven d.m.v. de peilnagel of elk ander positiebepalend systeem aangebracht overeenkomstig de onderrichtingen van de beheerder, en die zich, in noodgeval, niet houdt aan de bevelen van de beheerder van de waterloop;
9° degene die niet aan de voorwaarden voldoet of de werken niet uitvoert of de kunstwerken niet verwijdert binnen de door de beheerder krachtens artikel D. 45 gestelde termijn;
[3 10° de eigenaar die nalaat de werken uit te voeren of elke persoon die de verbodsbepalingen van artikel D.44/1 overtreedt. ]3
§ 2. Een overtreding van vierde categorie in de zin van deel VIII van Boek I van het Milieuwetboek wordt begaan door :
1° degene die verzuimt te voldoen aan de bevelen van de beheerder:
a) door geen peilschalen of peilnagels of elk ander positiebepalend systeem op eigen kosten in de zomerbedding van de onbevaarbare waterloop te plaatsen, of door er de plaats of schikking van de bestaande peilschalen of peilnagels of positiebepalend systeem te wijzigen;
b) door zich niet te houden aan het door de beheerder opgelegd verbod waarbij gedurende een periode van het jaar geen gebruik van sommige vaartuigen gemaakt mag worden op bepaalde delen van onbevaarbare waterlopen;
2° degene die verzuimt de onderhouds- of herstellingswerken uit te voeren aan vijvers, watervlakken en stuwdamreservoirs waarvoor hij overeenkomstig artikel D.37, § 2, derde lid, verantwoordelijk is.
3° degene die verzuimt de nodige onderhouds- of herstellingswerken uit te voeren binnen de door de beheerder opgelegde termijn en waarvoor hij overeenkomstig artikel D.39, verantwoordelijk is.]1
1° degene die een nieuwe hindernis creëert in de zomerbedding van een onbevaarbare waterloop zonder een oplossing te bieden die het vrij rondzwemmen van de vissen bedoeld in artikel D. 33/10 garandeert;
2° degene die het gereserveerd debiet opgelegd krachtens artikel D. 33/11 niet naleeft;
3° de overtreder van artikel D. 37, § 3;
4° de aanwonende, de gebruiker of de eigenaar van kunstwerken op een waterloop die de doorgang verhindert van administratieve ambtenaren, werknemers en andere personen die verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van de werkzaamheden of studies of die verhindert dat de uit de rivierbedding verwijderde stoffen, alsook de materialen, het gereedschap en de tuigen die nodig zijn voor de uitvoering van de werken op zijn grond of eigendom opgeslagen worden.
5° degene die, zonder de vereiste toestemming van de beheerder van de onbevaarbare waterloop, op een wijze die daarmee in strijd is of niet voldoet aan de door de Regering gestelde voorwaarden, werken verricht of in stand houdt in de zomerbedding zoals bedoeld in artikel D. 40;
6° degene die, ofwel:
a) de zomerbedding of dijken van een onbevaarbare waterloop beschadigt of afzwakt;
b) de onbevaarbare waterloop belemmert of voorwerpen of materialen deponeert die door de stroom meegesleept kunnen worden op minder dan zes meter van de top van de oever of in gebieden met overstromingsgevaar en tot de vernietiging, beschadiging of verstopping van onbevaarbare waterlopen leidt;
c) de één meter brede strook land, landinwaarts gemeten vanaf de top van de oever van de onbevaarbare waterloop, op een andere wijze omploegt, egt, omspit of omwerkt.
d) de peilschalen, de peilnagels of elk ander op verzoek van de beheerder aangebracht positiebepalend systeem wegneemt, onherkenbaar maakt of wat dan ook wijzigt aan de schikking of plaatsing ervan;
e) op enigerlei wijze onbevaarbare waterlopen bedekt, met uitzondering van handelingen en werken zoals bepaald door de Regering;
f) een vijver of een reservoir in een onbevaarbare waterloop leegt [2 zonder te voldoen aan de door de Regering vastgestelde voorwaarden of]2 zonder de instructies van de beheerder op te volgen;
g) seizoensgebonden waterafnames aan een onbevaarbare waterloop verricht [2 zonder te voldoen aan de door de Regering vastgestelde voorwaarden of]2 zonder de instructies van de beheerder op te volgen;
h) een permanente winning van oppervlaktewater of waterlozing in een onbevaarbare waterloop installeert [2 zonder te voldoen aan de door de Regering vastgestelde voorwaarden of]2 zonder dat de instructies van de beheerder worden opgevolgd;
i) degene die plant of bouwt langs een onbevaarbare waterloop zonder te voldoen aan de door de Regering gestelde voorwaarden;
j) de toestanden veroorzaakt ten gevolge van de handelingen bedoeld in punt 6° laat voortbestaan;
7° de verplichtingen bedoeld in de artikelen D. 42/1 en D. 52/1 overtreedt;
8° de gebruiker of de eigenaar van een op een onbevaarbare waterloop gevestigd kunstwerk die er niet voor zorgt dat dat kunstwerk werkt overeenkomstig de voorschriften van de beheerder en, hoe dan ook, op zodanige wijze dat het water in de waterloop een minimumniveau bereikt, een maximumniveau niet overschrijdt of zich tussen een minimumniveau en een maximumniveau bevindt, aangegeven d.m.v. de peilnagel of elk ander positiebepalend systeem aangebracht overeenkomstig de onderrichtingen van de beheerder, en die zich, in noodgeval, niet houdt aan de bevelen van de beheerder van de waterloop;
9° degene die niet aan de voorwaarden voldoet of de werken niet uitvoert of de kunstwerken niet verwijdert binnen de door de beheerder krachtens artikel D. 45 gestelde termijn;
[3 10° de eigenaar die nalaat de werken uit te voeren of elke persoon die de verbodsbepalingen van artikel D.44/1 overtreedt. ]3
§ 2. Een overtreding van vierde categorie in de zin van deel VIII van Boek I van het Milieuwetboek wordt begaan door :
1° degene die verzuimt te voldoen aan de bevelen van de beheerder:
a) door geen peilschalen of peilnagels of elk ander positiebepalend systeem op eigen kosten in de zomerbedding van de onbevaarbare waterloop te plaatsen, of door er de plaats of schikking van de bestaande peilschalen of peilnagels of positiebepalend systeem te wijzigen;
b) door zich niet te houden aan het door de beheerder opgelegd verbod waarbij gedurende een periode van het jaar geen gebruik van sommige vaartuigen gemaakt mag worden op bepaalde delen van onbevaarbare waterlopen;
2° degene die verzuimt de onderhouds- of herstellingswerken uit te voeren aan vijvers, watervlakken en stuwdamreservoirs waarvoor hij overeenkomstig artikel D.37, § 2, derde lid, verantwoordelijk is.
3° degene die verzuimt de nodige onderhouds- of herstellingswerken uit te voeren binnen de door de beheerder opgelegde termijn en waarvoor hij overeenkomstig artikel D.39, verantwoordelijk is.]1
Art. D408. [1 § 1er. Commet une infraction de troisième catégorie au sens de la partie VIII du livre Ier du Code de l'Environnement :
1° celui qui crée un nouvel obstacle dans le lit mineur d'un cours d'eau non navigable sans prévoir une solution garantissant la libre circulation des poissons conformément à l'article D. 33/10, alinéa 1er;
2° celui qui ne respecte pas le débit réservé imposé en vertu de l'article D. 33/11;
3° celui qui contrevient à l'article D. 37, § 3;
4° le riverain, l'usager ou le propriétaire d'ouvrage sur un cours d'eau qui entrave le passage des agents de l'administration, des ouvriers et des autres personnes chargées de l'exécution des travaux ou des études, ou qui entrave le dépôt sur ses propriétés des matières enlevées du lit du cours d'eau non navigable ainsi que des matériaux, de l'outillage et des engins nécessaires pour l'exécution des travaux;
5° celui qui, sans l'autorisation requise du gestionnaire du cours d'eau non navigable, d'une façon non conforme à celle-ci ou sans respecter les conditions fixées par le Gouvernement, effectue ou maintient des travaux dans le lit mineur tels que visés à l'article D. 40;
6° celui qui, soit :
a) dégrade ou affaiblit le lit mineur ou les digues d'un cours d'eau non navigable;
b) obstrue le cours d'eau non navigable ou dépose à moins de six mètres de la crête de berge ou dans des zones soumises à l'aléa d'inondation des objets ou des matières pouvant être entrainés par les flots et causer la destruction, la dégradation ou l'obstruction des cours d'eau non navigables;
c) laboure, herse, bêche ou ameublit d'une autre manière la bande de terre d'une largeur d'un mètre, mesurée à partir de la crête de la berge du cours d'eau non navigable vers l'intérieur des terres;
d) enlève, rend méconnaissable ou modifie quoi que ce soit à la disposition ou à l'emplacement des échelles de niveau, des clous de jauge ou de tout autre système de repérage mis en place à la requête du gestionnaire;
e) couvre de quelque manière que ce soit les cours d'eau non navigables sauf s'il s'agit d'actes et travaux tels que déterminés par le Gouvernement;
f) procède à la vidange d'un étang ou d'un réservoir dans un cours d'eau non navigable [2 sans respecter les conditions fixées par le Gouvernement ou]2 sans se conformer aux instructions du gestionnaire;
g) procède à des prélèvements saisonniers d'eau dans un cours d'eau non navigable [2 sans respecter les conditions fixées par le Gouvernement ou]2 sans se conformer aux instructions du gestionnaire;
h) installe une prise d'eau permanente de surface ou un rejet d'eau dans un cours d'eau non navigable [2 sans respecter les conditions fixées par le Gouvernement ou]2 sans se conformer aux instructions du gestionnaire;
i) celui qui procède à des plantations ou à des constructions le long d'un cours d'eau non navigable sans respecter les conditions fixées par le Gouvernement;
j) laisse subsister les situations créées à la suite des actes visés au 6°.
7° contrevient aux obligations prévues aux articles D. 42/1 et D. 52/1;
8° l'usager ou le propriétaire d'un ouvrage établi sur un cours d'eau non navigable qui ne s'assure pas que cet ouvrage fonctionne en conformité aux instructions qui lui sont données par le gestionnaire et, en tout état de cause, d'une manière telle que les eaux dans le cours d'eau atteignent un niveau minimal, ne dépassent pas un niveau maximal ou se situent entre un niveau minimal et un niveau maximal indiqués par le clou de jauge ou de tout autre système de repérage placé conformément aux instructions du gestionnaire, et qui, en cas d'urgence, n'obéit pas aux injonctions du gestionnaire du cours d'eau non navigable;
9° celui qui omet de respecter les conditions ou d'exécuter les travaux ou de supprimer des ouvrages endéans le délai imposé par le gestionnaire en vertu de l'article D. 45;
[3 10° le propriétaire qui omet d'exécuter les travaux ou toute personne qui contrevient aux interdictions prévues à l'article D.44/1. ]3
§ 2. Commet une infraction de quatrième catégorie au sens de la partie VIII du livre Ier du Code de l'Environnement, celui qui :
1° néglige de se conformer aux injonctions du gestionnaire :
a) en ne plaçant pas à ses frais, dans le lit mineur du cours d'eau non navigable, des échelles de niveau ou des clous de jauge ou tout autre système de repérage ou en modifiant l'emplacement ou la disposition des échelles ou des clous ou des systèmes de repérage existants;
b) en ne respectant pas l'interdiction faite par le gestionnaire durant une période de l'année d'utiliser certaines embarcations dans des parties déterminées de cours d'eau non navigables;
2° omet d'exécuter les travaux d'entretien ou de réparation aux étangs, plans d'eau et réservoirs de barrage et dont il a la charge en application de l'article D. 37, § 2, alinéa 3;
3° omet d'exécuter les travaux d'entretien ou de réparation nécessaires endéans le délai imposé par le gestionnaire et dont il a la charge en application de l'article D. 39.]1
1° celui qui crée un nouvel obstacle dans le lit mineur d'un cours d'eau non navigable sans prévoir une solution garantissant la libre circulation des poissons conformément à l'article D. 33/10, alinéa 1er;
2° celui qui ne respecte pas le débit réservé imposé en vertu de l'article D. 33/11;
3° celui qui contrevient à l'article D. 37, § 3;
4° le riverain, l'usager ou le propriétaire d'ouvrage sur un cours d'eau qui entrave le passage des agents de l'administration, des ouvriers et des autres personnes chargées de l'exécution des travaux ou des études, ou qui entrave le dépôt sur ses propriétés des matières enlevées du lit du cours d'eau non navigable ainsi que des matériaux, de l'outillage et des engins nécessaires pour l'exécution des travaux;
5° celui qui, sans l'autorisation requise du gestionnaire du cours d'eau non navigable, d'une façon non conforme à celle-ci ou sans respecter les conditions fixées par le Gouvernement, effectue ou maintient des travaux dans le lit mineur tels que visés à l'article D. 40;
6° celui qui, soit :
a) dégrade ou affaiblit le lit mineur ou les digues d'un cours d'eau non navigable;
b) obstrue le cours d'eau non navigable ou dépose à moins de six mètres de la crête de berge ou dans des zones soumises à l'aléa d'inondation des objets ou des matières pouvant être entrainés par les flots et causer la destruction, la dégradation ou l'obstruction des cours d'eau non navigables;
c) laboure, herse, bêche ou ameublit d'une autre manière la bande de terre d'une largeur d'un mètre, mesurée à partir de la crête de la berge du cours d'eau non navigable vers l'intérieur des terres;
d) enlève, rend méconnaissable ou modifie quoi que ce soit à la disposition ou à l'emplacement des échelles de niveau, des clous de jauge ou de tout autre système de repérage mis en place à la requête du gestionnaire;
e) couvre de quelque manière que ce soit les cours d'eau non navigables sauf s'il s'agit d'actes et travaux tels que déterminés par le Gouvernement;
f) procède à la vidange d'un étang ou d'un réservoir dans un cours d'eau non navigable [2 sans respecter les conditions fixées par le Gouvernement ou]2 sans se conformer aux instructions du gestionnaire;
g) procède à des prélèvements saisonniers d'eau dans un cours d'eau non navigable [2 sans respecter les conditions fixées par le Gouvernement ou]2 sans se conformer aux instructions du gestionnaire;
h) installe une prise d'eau permanente de surface ou un rejet d'eau dans un cours d'eau non navigable [2 sans respecter les conditions fixées par le Gouvernement ou]2 sans se conformer aux instructions du gestionnaire;
i) celui qui procède à des plantations ou à des constructions le long d'un cours d'eau non navigable sans respecter les conditions fixées par le Gouvernement;
j) laisse subsister les situations créées à la suite des actes visés au 6°.
7° contrevient aux obligations prévues aux articles D. 42/1 et D. 52/1;
8° l'usager ou le propriétaire d'un ouvrage établi sur un cours d'eau non navigable qui ne s'assure pas que cet ouvrage fonctionne en conformité aux instructions qui lui sont données par le gestionnaire et, en tout état de cause, d'une manière telle que les eaux dans le cours d'eau atteignent un niveau minimal, ne dépassent pas un niveau maximal ou se situent entre un niveau minimal et un niveau maximal indiqués par le clou de jauge ou de tout autre système de repérage placé conformément aux instructions du gestionnaire, et qui, en cas d'urgence, n'obéit pas aux injonctions du gestionnaire du cours d'eau non navigable;
9° celui qui omet de respecter les conditions ou d'exécuter les travaux ou de supprimer des ouvrages endéans le délai imposé par le gestionnaire en vertu de l'article D. 45;
[3 10° le propriétaire qui omet d'exécuter les travaux ou toute personne qui contrevient aux interdictions prévues à l'article D.44/1. ]3
§ 2. Commet une infraction de quatrième catégorie au sens de la partie VIII du livre Ier du Code de l'Environnement, celui qui :
1° néglige de se conformer aux injonctions du gestionnaire :
a) en ne plaçant pas à ses frais, dans le lit mineur du cours d'eau non navigable, des échelles de niveau ou des clous de jauge ou tout autre système de repérage ou en modifiant l'emplacement ou la disposition des échelles ou des clous ou des systèmes de repérage existants;
b) en ne respectant pas l'interdiction faite par le gestionnaire durant une période de l'année d'utiliser certaines embarcations dans des parties déterminées de cours d'eau non navigables;
2° omet d'exécuter les travaux d'entretien ou de réparation aux étangs, plans d'eau et réservoirs de barrage et dont il a la charge en application de l'article D. 37, § 2, alinéa 3;
3° omet d'exécuter les travaux d'entretien ou de réparation nécessaires endéans le délai imposé par le gestionnaire et dont il a la charge en application de l'article D. 39.]1
TITEL IX. - [1 Bestraffing van de overtredingen inzake waterwegen.]1
TITRE IX. - [1 Sanctions des infractions en matière de voies hydrauliques.]1
Art. D409.
Art. D409.
TITEL X. [1 Sanctie voor de gewone overtredingen inzake oppervlaktewater en water dat voor menselijk verbruik bestemd is]1
TITRE X. [1 Sanction des infractions communes en matière d'eaux de surface et d'eau destinée à la consommation humaine]1
Art. D410. [1 Een overtreding van derde categorie in de zin van Deel VIII van het decreetgevend gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek wordt begaan door degene die :
- een onroerend goed bedoeld in artikel D.227ter, §§ 2 en 3, op de openbare waterdistributie aansluit, dat niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een "CertiBEau" waarbij tot de conformiteit van bedoeld goed wordt besloten;
- een "CertiBEau" opstelt zonder de vereiste erkenning als certificeerder in de zin van artikel D.227quater;
- een "CertiBEau" opstelt waarvan de vermeldingen niet overeenstemmen met de werkelijkheid.]1
- een onroerend goed bedoeld in artikel D.227ter, §§ 2 en 3, op de openbare waterdistributie aansluit, dat niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een "CertiBEau" waarbij tot de conformiteit van bedoeld goed wordt besloten;
- een "CertiBEau" opstelt zonder de vereiste erkenning als certificeerder in de zin van artikel D.227quater;
- een "CertiBEau" opstelt waarvan de vermeldingen niet overeenstemmen met de werkelijkheid.]1
Art. D410. [1 Commet une infraction de troisième catégorie au sens de la Partie VIII de la partie décrétale du Livre Ier du Code de l'Environnement, celui qui :
- raccorde un immeuble visé à l'article D.227ter, §§ 2 et 3, à la distribution publique de l'eau qui n'a pas fait l'objet d'un CertiBEau concluant à la conformité de l'immeuble;
- établit un CertiBEau sans disposer de l'agrément requis en qualité de certificateur au sens de l'article D.227quater;
- établit un CertiBEau dont les mentions sont non conformes à la réalité.]1
- raccorde un immeuble visé à l'article D.227ter, §§ 2 et 3, à la distribution publique de l'eau qui n'a pas fait l'objet d'un CertiBEau concluant à la conformité de l'immeuble;
- établit un CertiBEau sans disposer de l'agrément requis en qualité de certificateur au sens de l'article D.227quater;
- établit un CertiBEau dont les mentions sont non conformes à la réalité.]1
Wijzigingen
Art. D411.
Art. D411.
Art. D412.
Art. D412.
Art. D413.
Art. D413.
Art. D413bis.
Art. D413bis.
Art. D414.
Art. D414.
Art. D415.
Art. D415.
Art. D416.
Art. D416.
Art. D417.
Art. D417.
Art. D418.
Art. D418.
Art. D419.
Art. D419.
Art. D420.
Art. D420.
Art. D421.
Art. D421.
Art. D422.
Art. D422.
Art. D423.
Art. D423.
Art. D424.
Art. D424.
Art. D425.
Art. D425.
Art. D426.
Art. D426.
Art. D427.
Art. D427.
Art. D428.
Art. D428.
Art. D429.
Art. D429.
DEEL V. - Overgangsbepalingen.
PARTIE V. - Dispositions transitoires.
Art. D430. Vanaf 14 januari 2003 beschikken de niet-erkende laboratoria die analyses uitvoeren voor rekening van een leverancier en de niet-erkende instellingen die monsters nemen sinds 1 januari 2001 krachtens de artikelen 180 tot 193, 411 tot 415 en 430 over een termijn van drie jaar om orde op zaken te stellen.
Art. D430. Un délai de trois ans pour mise en conformité est accordé aux laboratoires non accrédités qui effectuent des analyses pour compte d'un fournisseur et aux organismes non accrédités qui procèdent aux prélèvements d'échantillons à la date du 1er janvier 2001 en vertu des articles 180 à 193, 411 à 415 et 430, à partir du 14 janvier 2003.
Art. D431. De Regering bepaalt de datum(s) van inwerkingtreding van de bepalingen van de artikelen 234 tot 251.
Art. D431. Le Gouvernement détermine la date d'entrée en vigueur ou les dates d'entrée en vigueur des articles 234 à 251.
Art. D432. In afwijking van artikel 336 wordt het eerste beheerscontract afgesloten voor een periode die op 31 december 2005 verstrijkt.
Art. D432. Par dérogation à l'article 336, le premier contrat de gestion est conclu pour une période expirant le 31 décembre 2005.
Art. D433.
Art. D433.
Art. D434. Wanneer de Regering een nieuwe beschermingszone van tot drinkwater verwerkbaar water afbakent, beschikt de exploitant van een binnen de zone gelegen waterwinning waarvoor een milieuvergunning of een aangifte wordt vereist, over een termijn van twee maanden om een aanvraag om milieuvergunning of om aangifte in te dienen. Tijdens de onderzoeksperiode van die aanvraag is artikel 409, § 1, a, niet van toepassing.
Art. D434. Lorsque le Gouvernement délimite une nouvelle zone d'eaux potabilisables, l'exploitant d'une prise d'eau située dans la zone et soumise à permis d'environnement ou à déclaration dispose d'un délai de deux mois pour introduire une demande de permis d'environnement ou une déclaration. Pendant la période d'instruction de cette demande, l'article 409, § 1er, 1°, ne s'applique pas.
Art. D435. De op basis van de wet van 1 augustus 1924 omtrent de bescherming der minerale of thermale wateren bepaalde beschermingsomtrekken vormen de in de artikelen 3, 13, 167, 169, 171 tot 176, 252, 254 tot 274, 318, 497 tot 410, 434 en 435 voorziene voorkomingszones.
Onverminderd de uitbreiding van die omtrekken of een versterking van de desbetreffende beschermingsmaatregelen, blijven de krachtens de wet bedoeld in het eerste lid bepaalde beschermingsmaatregelen in die zones van toepassing, behoudens onderscheidende bepalingen van de Regering.
Onverminderd de uitbreiding van die omtrekken of een versterking van de desbetreffende beschermingsmaatregelen, blijven de krachtens de wet bedoeld in het eerste lid bepaalde beschermingsmaatregelen in die zones van toepassing, behoudens onderscheidende bepalingen van de Regering.
Art. D435. Les périmètres de protection établis sur la base de la loi du 1er août 1924 concernant la protection des eaux minérales et thermales constituent des zones de prévention prévues par les articles 3, 13, 167, 169, 171 à 176, 252, 254 à 274, 318, 497 à 410, 434 et 435.
Sans préjudice d'une extension de ces périmètres ni d'un renforcement des mesures de protection y applicables, les règles de protection établies en vertu de la loi visée à l'alinéa 1er restent d'application dans ces zones, sauf dispositions contraires du Gouvernement.
Sans préjudice d'une extension de ces périmètres ni d'un renforcement des mesures de protection y applicables, les règles de protection établies en vertu de la loi visée à l'alinéa 1er restent d'application dans ces zones, sauf dispositions contraires du Gouvernement.
Art. D436. Binnen drie maanden na de goedkeuring door de Raad van bestuur van het in artikel 383 bedoelde statuut, wordt een procedure opgestart om de ambtenaren van het Ministerie van het Waalse Gewest die tewerkgesteld zijn bij het "Entreprise régionale de production et d'adduction d'eau", op vrijwillige basis over te plaatsen naar de maatschappij.
De modaliteiten voor de overdracht worden besproken binnen het Sectorcomité en nemen de volgende principes in acht :
1° de ambtenaren worden overgeplaatst met hun graad of een gelijkwaardige graad en in hun hoedanigheid. Zij behouden minstens de geldelijke rechten en de anciënniteit die zij hadden of gehad zouden hebben als zij in hun dienst van herkomst het ambt nog zouden bekleden dat zij bij hun overplaatsing bekleden.
De overgeplaatste ambtenaren worden van rechtswege onderworpen aan de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit het statuut van het personeel van de maatschappij;
2° de kandidaten voor de overplaatsing worden opgeroepen binnen een termijn van drie maanden en het nominatieve overplaatsingsbesluit heeft uitwerking binnen de drie volgende maanden.
De modaliteiten voor de overdracht worden besproken binnen het Sectorcomité en nemen de volgende principes in acht :
1° de ambtenaren worden overgeplaatst met hun graad of een gelijkwaardige graad en in hun hoedanigheid. Zij behouden minstens de geldelijke rechten en de anciënniteit die zij hadden of gehad zouden hebben als zij in hun dienst van herkomst het ambt nog zouden bekleden dat zij bij hun overplaatsing bekleden.
De overgeplaatste ambtenaren worden van rechtswege onderworpen aan de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit het statuut van het personeel van de maatschappij;
2° de kandidaten voor de overplaatsing worden opgeroepen binnen een termijn van drie maanden en het nominatieve overplaatsingsbesluit heeft uitwerking binnen de drie volgende maanden.
Art. D436. Dans les trois mois de l'adoption par le conseil d'administration du statut vise à l'article 383, une procédure de transfert sur base volontaire des fonctionnaires du Ministère de la Région wallonne affectés à l'Entreprise régionale de production et d'adduction d'eau vers la Société sera entamée.
Les modalités du transfert seront négociées au sein du comité de secteur et prévoiront les principes ci-après :
1° les fonctionnaires sont transférés dans leur grade ou à un grade équivalent et en leur qualité. Ils conservent au moins les droits pécuniaires et l'ancienneté qu'ils avaient ou auraient obtenus s'ils avaient continué à exercer dans leur service d'origine la fonction dont ils étaient titulaires au moment de leur transfert.
Les fonctionnaires transférés sont soumis d'office aux droits et obligations qui découlent du statut du personnel de la Société;
2° la procédure d'appel aux candidats pour le transfert devra être réalisée dans un délai de trois mois et l'arrêté nominatif de transfert prendra effet dans les trois mois qui suivent.
Les modalités du transfert seront négociées au sein du comité de secteur et prévoiront les principes ci-après :
1° les fonctionnaires sont transférés dans leur grade ou à un grade équivalent et en leur qualité. Ils conservent au moins les droits pécuniaires et l'ancienneté qu'ils avaient ou auraient obtenus s'ils avaient continué à exercer dans leur service d'origine la fonction dont ils étaient titulaires au moment de leur transfert.
Les fonctionnaires transférés sont soumis d'office aux droits et obligations qui découlent du statut du personnel de la Société;
2° la procédure d'appel aux candidats pour le transfert devra être réalisée dans un délai de trois mois et l'arrêté nominatif de transfert prendra effet dans les trois mois qui suivent.
Art. D437. De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal in dienst bij de "S.W.D.E." (Waalse Maatschappij voor Waterdistributie) op 17 maart 2001 zijn van rechtswege voorzitter en lid van het Directiecomité. Het derde lid van het Directiecomité wordt door de Regering gekozen onder de ambtenaren-generaal van de "S.W.D.E.".
Hun rechten en verplichtingen en die van de maatschappij worden geregeld krachtens de bepalingen van artikel 370.
Ze aanvaarden hun ambt de eerste dag volgend op de installatie van de eerste raad van bestuur die overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk wordt benoemd.
Hun rechten en verplichtingen en die van de maatschappij worden geregeld krachtens de bepalingen van artikel 370.
Ze aanvaarden hun ambt de eerste dag volgend op de installatie van de eerste raad van bestuur die overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk wordt benoemd.
Art. D437. Le directeur général et le directeur général adjoint en place à la S.W.D.E. au 17 mars 2001 sont de plein droit président et membre du comité de direction. Le troisième membre du comité de direction est choisi par le Gouvernement parmi les fonctionnaires généraux de la S.W.D.E.
Leurs droits et obligations et ceux de la Société sont réglés selon les modalités prévues à l'article 370.
Ils entrent en fonction le premier jour du mois qui suit l'installation du premier conseil d'administration nommé conformément aux dispositions du présent chapitre.
Leurs droits et obligations et ceux de la Société sont réglés selon les modalités prévues à l'article 370.
Ils entrent en fonction le premier jour du mois qui suit l'installation du premier conseil d'administration nommé conformément aux dispositions du présent chapitre.
Art. D438. De personeelsleden van de "S.W.D.E.", die in dienst zijn op 17 maart 2001, blijven personeelslid van de "Société wallonne des Eaux". Ze behouden de voordelen die ze hadden op 17 maart 2001.
Art. D438. Les agents de la S.W.D.E. en fonction au 17 mars 2001 restent agents de la Société wallonne des eaux. Ils conservent les mêmes avantages que ceux qu'ils détenaient au 17 mars 2001.
Art. D439. De voorschriften van de algemene gemeentelijke afwateringsplannen blijven van toepassing tot de inwerkingtreding van de saneringsplannen per deelstroomgebied.
Art. D439. Les prescriptions des plans communaux généraux d'égouttage restent d'application jusqu'à l'entrée en vigueur des plans d'assainissement par sous-bassin hydrographique.
Art. D440. De artikelen 386 tot 388 treden in werking op 17 maart 2001.
Art. D440. Les articles 386 à 388 produisent leurs effets le 17 mars 2001.
Art. D441.
Art. D441.
Art. D442.
Art. D442.
Art. D443. In afwijking van artikel 197 wordt een op de datum van inwerkingtreding van dit decreet bestaande aansluiting uiterlijk 31 december 2005 door de verdeler op zijn kosten van een meter voorzien als zulks niet het geval is.
Tijdens die overgangsperiode wordt de overeenkomstig artikel 228 ingevoerde standaardtarifering per aansluiting toegepast voor een aansluiting die niet met een meter uitgerust is.
De op 1 juli 2003 lopende specifieke overeenkomsten blijven van toepassing.
Tijdens die overgangsperiode wordt de overeenkomstig artikel 228 ingevoerde standaardtarifering per aansluiting toegepast voor een aansluiting die niet met een meter uitgerust is.
De op 1 juli 2003 lopende specifieke overeenkomsten blijven van toepassing.
Art. D443. Par dérogation à l'article 197, un raccordement existant au jour de l'entrée en vigueur du présent décret qui n'est pas muni de compteur doit en être équipé par le distributeur et à sa charge avant le 31 décembre 2005.
Au cours de cette période transitoire, en cas d'un raccordement non muni de compteur, la tarification uniforme instaurée par l'article 228 est appliquée par raccordement.
Les contrats spécifiques en cours au 1er juillet 2003 restent d'application.
Au cours de cette période transitoire, en cas d'un raccordement non muni de compteur, la tarification uniforme instaurée par l'article 228 est appliquée par raccordement.
Les contrats spécifiques en cours au 1er juillet 2003 restent d'application.
Art. D444. Artikel 228 treedt in werking op 1 januari 2005.
Art. D444. L'article 228 entre en vigueur le 1er janvier 2005.
Art. D445. [1 Als een gebruiker bevoorraad wordt door één of verschillende aansluitingen voor meer dan 5.000 m[00b3] in totaal op jaarbasis in één enkele geografische locatie, op dezelfde plek en aan één stuk, zonder rekening te houden met de wegen of scheidingswegen, is de in aanmerking te nemen hoeveelheid voor het opmaken van de facturatie, bij wijze van afwijking, de som van het geheel van de door deze aansluitingen geleverde hoeveelheden. De heffingen en andere kosten i.v.m. de verschillende aansluitingen blijven op een geïndividualiseerde manier voor elke aansluiting van toepassing.
De gebruiker die deze afwijking wenst te genieten, dient een aanvraag in bij zijn verdeler die, na onderzoek van de ontvankelijkheid, de afwijking toepast vanaf het lopende facturatiejaar naar gelang van de datum van indiening van de aanvraag.]1
De gebruiker die deze afwijking wenst te genieten, dient een aanvraag in bij zijn verdeler die, na onderzoek van de ontvankelijkheid, de afwijking toepast vanaf het lopende facturatiejaar naar gelang van de datum van indiening van de aanvraag.]1
Art. D445. [1 Lorsqu'un usager est alimenté par un ou plusieurs raccordements totalisant plus de 5.000 m[00b3] sur base annuelle sur un site géographique unique localisé en un même endroit et d'un seul tenant sans prendre en compte les routes ou voiries séparatives, par dérogation, le volume à prendre en considération pour l'établissement de la facturation est la somme de l'ensemble des volumes fournis par ces raccordements. Les redevances et autres frais liés aux différents raccordements restent d'application de manière individualisée par raccordement.
L'usager souhaitant bénéficier de cette dérogation introduit une demande auprès de son distributeur qui, après examen de la recevabilité, l'applique dès l'exercice en cours de facturation en fonction de la date d'introduction de la demande.]1
L'usager souhaitant bénéficier de cette dérogation introduit une demande auprès de son distributeur qui, après examen de la recevabilité, l'applique dès l'exercice en cours de facturation en fonction de la date d'introduction de la demande.]1
Wijzigingen
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. [1 Bijlage I.
Art. N1. [1 Annexe I.
| Categorie bedrijven | Grondslag waarop de omzettingscoëfficiënt betrekking heeft | Omzettings- coëfficiënt | Opmerkingen | ||
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 |
| 1 | - Slachthuizen en slachterijen (excl. vleeswarenverwerking) | ||||
| a. varkens | 1.000 kg geslacht gewicht | 0,3 | |||
| indien tevens darmslijmerij aanwezig, verhoogd met | 0,23 | ||||
| b. andere dieren | 1.000 kg geslacht gewicht | 0,52 | |||
| Verhoging factoren : | |||||
| - bij lozing pensenmest | 1,18 | ||||
| - bij lozing bloed van varkens | 0,53 | ||||
| - bij lozing bloed van andere dieren | 0,96 | ||||
| 2 | - Pluimveeslachterijen : | ||||
| groep I | 1.000 kg geslacht gewicht | 0,29 | 1 | ||
| groep II | 1.000 kg geslacht gewicht | 0,58 | 1 | ||
| groep III | 1.000 kg geslacht gewicht | 1,02 | 1 | ||
| 3 | - Poets- en smeermiddelenfabriek | 1.000 kg grondstof | 3 | ||
| 4 | Aardewerk-, asbestcement-, beton-, steen-, kalk-, cement-, baksteenfabriek | 100 arbeidsdagen | 0,35 | 0,014 | |
| 5 | Autorevisiewerkplaatsen, werkplaatsen voor tram en spoor, garages, carwashinstallaties | 1 m3 gebruikt water | 0,05 | 0,032 | |
| 6 | - Wasserijen, met uitzondering van wassalons: | ||||
| a. natwasserij | 1.000 kg witgoed, uitsluitend van ziekenhuizen en hotels: lakenpakketten en oprolhanddoeken | 0,44 | |||
| 1.000 kg witgoed, voor zover niet vallend onder een andere coefficient | 0,73 | ||||
| 1.000 bontgoed, bedrijfskleding en hand- en keukendoeken uit verhuur | 1,02 | ||||
| 1.000 kg stijfselgoed | 1,62 | ||||
| 100 arbeidsdagen | 0,18 | ||||
| b. chemisch reinigen | 100 arbeidsdagen | 0,18 | |||
| c. kledingververijen | 1 mü gebruikt water | 0,73 | |||
| 7 | - Poets- en smeermiddelen fabrieken | 100 arbeidsdagen | 4,5 | 0,011 | |
| 8 | - Ijzerbeitserij Extra per 1.000 kg geloosd Fe++ | 100 arbeidsdagen100 arbeidsdagen | 0,23 3,3 | 0,032 0,032 | |
| 9 | - Aardappelverwerking tot voorgebakken frieten | 1.000 kg aardappelen | 0,87 | ||
| 10 | - Fruitconservenfabrieken (incl. jamfabrieken) | 1.000 kg appelen, peren, aardbeien 1 000 kg kersen, bessen en overige zachte vruchten | 1, 02 0,73 | ||
| 11 | - Galvaniseerfabrieken | 1 m3 gebruikt water | 0,04 | 0,032 | |
| 12 | - Gasfabrieken | 1.000 kg grondstof | 1,1 | ||
| 13 | - Grafische en andere papierverwerkende en kartonverwerkende bedrijven | 1 m3 gebruikt water | 0,04 | 0,022 | |
| 14 | - laboratoria | 100 arbeidsdagen | 1,1 | 0,011 | |
| 15 | - Zuivelindustrie: | ||||
| a. niet gesaneerde bedrijven | 1.000 kg ontvangen melk | 0,13 | |||
| 1.000 kg ontvangen melk in een ontvangststation | 0,06 | ||||
| 1.000 kg boter en boterconcentraat (uit boter) | 4,38 | ||||
| 1.000 kg boter (continu boterbereiding zonder wassen) | 1,47 | ||||
| 1.000 kg kaas | 4,38 | ||||
| 1.000 kg prod. in fles | 0,35 | ||||
| 1.000 kg melkpoeder (walsenpoeder) | 1,78 | ||||
| 1.000 kg melkpoeder (verstuivingstoren) | 1,47 | ||||
| 1.000 kg gecondenseerde melk | 0,44 | ||||
| ijsbereiding per 1.000 kg grondstof | 0,44 | 2 | |||
| b. gesaneerde bedrijven | 1.000 kg ontvangen melk | 0,06 | |||
| 1.000 kg boter | 2,27 | ||||
| 1.000 kg kaas | 1,78 | ||||
| 16 | - Plastiekverwerkende nijverheid | 100 arbeidsdagen | 11,18 | 0,017 | |
| 17 | - Kaarsfabrieken en wasbeklerijen | 100 arbeidsdagen | 0,65 | ||
| 18 | - Rood- en koekfabrieken en niet elders genoemde voedingsmiddelen | 100 arbeidsdagen | 0,45 | ||
| - Eierverwerkingsbedrijven | 1.000 kg geproduceerd product | 0,5 | |||
| 19 | a. Bierbrouwerijen | 1.000 kg bier | 1,33 | ||
| b. Idem bij terughouden van hop en bostel | 1.000 kg bier | 0,34 | |||
| 20 | - Pindabranderijen | 1.000 kg grondstof | 0,75 | ||
| 21 | - Cacao-, chocolade-, suikerwerk- en honingfabrieken | 1.000 kg eindproduct | 0,29 | ||
| 22 | - keramische industrie | 100 arbeidsdagen | 0,22 | 0,014 | |
| 23 | - chemische industrieën : | ||||
| a. minerale scheikunde en transformatie activiteiten | 100 arbeidsdagen | 11,8 | 0,019 | ||
| b. organische scheikunde | 100 arbeidsdagen | 23,6 | 0,011 | ||
| 24 | Lijmfabriek | 1.000 kg beenderlijm | 3,7 | ||
| 25 | - Huiden en vellen, bont: | ||||
| a. chroomleerlooierijen | 1.000 kg grondstof | 6,9 | 0,012 | ||
| b. plantaardige leerlooierijen | 1.000 kg grondstof | 7 | 0,011 | ||
| c) witleerlooierijen | 1.000 kg grondstof | 10 | 0,011 | ||
| d. pelsbereiding bedrijven | 1.000 kg grondstof | 10 | 0,011 | ||
| e. zeemleerlooierijen | 1.000 kg grondstof | 20 | 0,011 | ||
| 26 | - Destructiebedrijven | 1.000 kg bruto gewicht te destructeren materiaal | 1,1 | 0,032 | |
| 27 | - Distilleerderijen | 1 m3 gebruikt water | 0,06 | ||
| 28 | - Emailleerderijen | 1 m3 gebruikt water | 0,04 | 0,032 | |
| 29 | - Groenteconservenbedrijven : | 1.000 kg aardappelen schrappen | 1,75 | ||
| 1.000 kg aardappelen | 1,9 | ||||
| 1.000 kg wortelen, ajuinen | 1,3 | ||||
| 1.000 kg rode bieten | 2,1 | ||||
| 1.000 kg soepgroenten | 0,96 | ||||
| 1.000 kg koolsoorten (uitgezonderd de bereiding tot zuurkool) en koolraap | 0,75 | ||||
| 1.000 kg prei, sperzie-, snijbonen en selderij | 0,58 | ||||
| 1.000 kg doperwten en capucijners | 1,02 | ||||
| 1.000 kg andere groenten | 0,5 | ||||
| 30 | - Groentewasserijen | 1.000 kg wortelen | 0,13 | ||
| 1.000 kg zilveruien | 0,23 | ||||
| 31 | - Gist- en spiritusfabrieken | 1.000 kg melasse | 9,3 | ||
| 32 | - Limonadefabrieken en bottelarijen | 1.000 l geproduceerd product | 0,12 | ||
| 33 | - Margarine vet- en spijsoliefabrieken indien uitsluitend olie wordt gewonnen door het persen van zaden | 1.000 kg ruwe oliën en vetten 1 000 kg gefabriceerd product | 0,7 | ||
| 34 | - Mouterijen | 1.000 kg gerst | 0,16 | ||
| 35 | - Metaalindustrie : | ||||
| a. mechanisch bewerken, koudverwerking | 100 arbeidsdagen | 0,23 | 0,01 | ||
| b. verzinken en non-ferro beitsen | 100 arbeidsdagen | 0,23 | 0,032 | ||
| 36 | - Metallurgische industrie | 100 arbeidsdagen | 0,23 | 0,032 | |
| 37 | - Papierindustrie | 1.000 kg papier uit houtslijpsel of celstof | 1,6 | ||
| idem - uit ander materiaal | 7,8 | ||||
| 38 | - Strokartonfabrieken | 1.000 kg karton | 4,9 | ||
| 39 | - Parfum- en cosmeticafabrieken | 100 arbeidsdagen | 5,84 | ||
| 40 | - Visconservenfabrieken | 1.000 kg vis | 2,43 | ||
| 41 | - Vismeelfabrieken | 1.000 kg vis | 3,3 | ||
| 42 | - Dorserijen van erwten en capucijners | 1.000 kg grondstof | 0,034 | ||
| 43 | - Aardappelmeelfabrieken | 1.000 kg aardappelen | 1,44 | ||
| 44 | - Zeepfabrieken | 1.000 kg zeep | 0,55 | ||
| - Indien onderloog wordt geloosd | 3,1 | ||||
| 45 | - Suikerfabrieken en suikerbietenrasperijen | 1.000 kg suikerbieten | 0,27 | ||
| - Indien uitsluitend afvalwater van de condensoren wordt geloosd | 1.000 kg suikerbieten | 0,027 | |||
| 46 | - Textielfabrieken: | ||||
| a. spinnerij | 100 arbeidsdagen | 0,18 | |||
| b. weverij | 100 arbeidsdagen | 0,18 | |||
| c. ververij | 1 m3 gebruikt water | 0,73 | |||
| d. blekerij | 1 m3 gebruikt water | 0,73 | |||
| e. wolwasserij | 1.000 kg ruwe wol | 7 | |||
| 47 | - Vatenwasserijen | 1 m3 gebruikt water | 0,58 | 0,021 | |
| 48 | - Vulcaniseerinrichting, gummiwaren, kabel- en kunstleerfabrieken | 100 arbeidsdagen | 0,08 | 0,011 | |
| 49 | - Vleeswarenbedrijven | 1.000 kg geproduceerd product : worst-, hamkokerijen | 0,73 | ||
| 1.000 kg geproduceerd product : andere | 0,45 | ||||
| 50 | - Plastiekverwerkende nijverheid | 100 arbeidsdagen | 0,22 | ||
| 51 | - Elektriciteitscentrales | 100 arbeidsdagen | 0,22 | 0,011 | |
| 52 | - Visteelt | 1.000 kg geloosde voedingsmiddelen | 8 | 0 | 3 |
| 53 | - Zwembaden | 1 m3 gebruikt water | 0,008 | 0 | |
| 54 | Ziekenhuizen in de zin van de artikelen 2 tot 4 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen | - bed - bed indien aanwezigheid van een wasserij in het ziekenhuis om er het wasgoed dat ter plaats wordt gebruikt te wassen | 3 3,6 | 0 0 | |
coëfficiënt Opmerkingen1 2 3 4 5 61 - Slachthuizen en slachterijen (excl. vleeswarenverwerking) a. varkens 1.000 kg geslacht gewicht 0,3 indien tevens darmslijmerij aanwezig, verhoogd met 0,23 b. andere dieren 1.000 kg geslacht gewicht 0,52 Verhoging factoren : - bij lozing pensenmest 1,18 - bij lozing bloed van varkens 0,53 - bij lozing bloed van andere dieren 0,96 2 - Pluimveeslachterijen : groep I 1.000 kg geslacht gewicht 0,29 1groep II 1.000 kg geslacht gewicht 0,58 1groep III 1.000 kg geslacht gewicht 1,02 13 - Poets- en smeermiddelenfabriek 1.000 kg grondstof 3 4 Aardewerk-, asbestcement-, beton-, steen-, kalk-, cement-, baksteenfabriek 100 arbeidsdagen 0,35 0,014 5 Autorevisiewerkplaatsen, werkplaatsen voor tram en spoor, garages, carwashinstallaties 1 m3 gebruikt water 0,05 0,032 6 - Wasserijen, met uitzondering van wassalons: a. natwasserij 1.000 kg witgoed, uitsluitend van ziekenhuizen en hotels:
lakenpakketten en oprolhanddoeken 0,44 1.000 kg witgoed, voor zover niet vallend onder een andere coefficient 0,73 1.000 bontgoed, bedrijfskleding en hand- en keukendoeken uit verhuur 1,02 1.000 kg stijfselgoed 1,62 100 arbeidsdagen 0,18 b. chemisch reinigen 100 arbeidsdagen 0,18 c. kledingververijen 1 mü gebruikt water 0,73 7 - Poets- en smeermiddelen fabrieken 100 arbeidsdagen 4,5 0,011 8 - Ijzerbeitserij Extra per 1.000 kg geloosd Fe++ 100 arbeidsdagen100 arbeidsdagen 0,23
3,3 0,032
0,032 9 - Aardappelverwerking tot voorgebakken frieten 1.000 kg aardappelen 0,87 10 - Fruitconservenfabrieken (incl. jamfabrieken) 1.000 kg appelen, peren, aardbeien
1 000 kg kersen, bessen en overige zachte vruchten 1, 02
0,73 11 - Galvaniseerfabrieken 1 m3 gebruikt water 0,04 0,032 12 - Gasfabrieken 1.000 kg grondstof 1,1 13 - Grafische en andere papierverwerkende en kartonverwerkende bedrijven 1 m3 gebruikt water 0,04 0,022 14 - laboratoria 100 arbeidsdagen 1,1 0,011 15 - Zuivelindustrie: a. niet gesaneerde bedrijven 1.000 kg ontvangen melk 0,13 1.000 kg ontvangen melk in een ontvangststation 0,06 1.000 kg boter en boterconcentraat (uit boter) 4,38 1.000 kg boter (continu boterbereiding zonder wassen) 1,47 1.000 kg kaas 4,38 1.000 kg prod. in fles 0,35 1.000 kg melkpoeder (walsenpoeder) 1,78 1.000 kg melkpoeder (verstuivingstoren) 1,47 1.000 kg gecondenseerde melk 0,44 ijsbereiding per 1.000 kg grondstof 0,44 2b. gesaneerde bedrijven 1.000 kg ontvangen melk 0,06 1.000 kg boter 2,27 1.000 kg kaas 1,78 16 - Plastiekverwerkende nijverheid 100 arbeidsdagen 11,18 0,017 17 - Kaarsfabrieken en wasbeklerijen 100 arbeidsdagen 0,65 18 - Rood- en koekfabrieken en niet elders genoemde voedingsmiddelen 100 arbeidsdagen 0,45 - Eierverwerkingsbedrijven 1.000 kg geproduceerd product 0,5 19 a. Bierbrouwerijen 1.000 kg bier 1,33 b. Idem bij terughouden van hop en bostel 1.000 kg bier 0,34 20 - Pindabranderijen 1.000 kg grondstof 0,75 21 - Cacao-, chocolade-, suikerwerk- en honingfabrieken 1.000 kg eindproduct 0,29 22 - keramische industrie 100 arbeidsdagen 0,22 0,014 23 - chemische industrieën : a. minerale scheikunde en transformatie activiteiten 100 arbeidsdagen 11,8 0,019 b. organische scheikunde 100 arbeidsdagen 23,6 0,011 24 Lijmfabriek 1.000 kg beenderlijm 3,7 25 - Huiden en vellen, bont: a. chroomleerlooierijen 1.000 kg grondstof 6,9 0,012 b. plantaardige leerlooierijen 1.000 kg grondstof 7 0,011 c) witleerlooierijen 1.000 kg grondstof 10 0,011 d. pelsbereiding bedrijven 1.000 kg grondstof 10 0,011 e. zeemleerlooierijen 1.000 kg grondstof 20 0,011 26 - Destructiebedrijven 1.000 kg bruto gewicht te destructeren materiaal 1,1 0,032 27 - Distilleerderijen 1 m3 gebruikt water 0,06 28 - Emailleerderijen 1 m3 gebruikt water 0,04 0,032 29 - Groenteconservenbedrijven : 1.000 kg aardappelen schrappen 1,75 1.000 kg aardappelen 1,9 1.000 kg wortelen, ajuinen 1,3 1.000 kg rode bieten 2,1 1.000 kg soepgroenten 0,96 1.000 kg koolsoorten (uitgezonderd de bereiding tot zuurkool) en koolraap 0,75 1.000 kg prei, sperzie-, snijbonen en selderij 0,58 1.000 kg doperwten en capucijners 1,02 1.000 kg andere groenten 0,5 30 - Groentewasserijen 1.000 kg wortelen 0,13 1.000 kg zilveruien 0,23 31 - Gist- en spiritusfabrieken 1.000 kg melasse 9,3 32 - Limonadefabrieken en bottelarijen 1.000 l geproduceerd product 0,12 33 - Margarine vet- en spijsoliefabrieken indien uitsluitend olie wordt gewonnen door het persen van zaden 1.000 kg ruwe oliën en vetten
1 000 kg gefabriceerd product 0,7 34 - Mouterijen 1.000 kg gerst 0,16 35 - Metaalindustrie : a. mechanisch bewerken, koudverwerking 100 arbeidsdagen 0,23 0,01 b. verzinken en non-ferro beitsen 100 arbeidsdagen 0,23 0,032 36 - Metallurgische industrie 100 arbeidsdagen 0,23 0,032 37 - Papierindustrie 1.000 kg papier uit houtslijpsel of celstof 1,6 idem - uit ander materiaal 7,8 38 - Strokartonfabrieken 1.000 kg karton 4,9 39 - Parfum- en cosmeticafabrieken 100 arbeidsdagen 5,84 40 - Visconservenfabrieken 1.000 kg vis 2,43 41 - Vismeelfabrieken 1.000 kg vis 3,3 42 - Dorserijen van erwten en capucijners 1.000 kg grondstof 0,034 43 - Aardappelmeelfabrieken 1.000 kg aardappelen 1,44 44 - Zeepfabrieken 1.000 kg zeep 0,55 - Indien onderloog wordt geloosd 3,1 45 - Suikerfabrieken en
suikerbietenrasperijen 1.000 kg suikerbieten 0,27 - Indien uitsluitend afvalwater van de condensoren wordt geloosd 1.000 kg suikerbieten 0,027 46 - Textielfabrieken: a. spinnerij 100 arbeidsdagen 0,18 b. weverij 100 arbeidsdagen 0,18 c. ververij 1 m3 gebruikt water 0,73 d. blekerij 1 m3 gebruikt water 0,73 e. wolwasserij 1.000 kg ruwe wol 7 47 - Vatenwasserijen 1 m3 gebruikt water 0,58 0,021 48 - Vulcaniseerinrichting, gummiwaren, kabel- en kunstleerfabrieken 100 arbeidsdagen 0,08 0,011 49 - Vleeswarenbedrijven 1.000 kg geproduceerd product :
worst-, hamkokerijen 0,73 1.000 kg geproduceerd product :
andere 0,45 50 - Plastiekverwerkende nijverheid 100 arbeidsdagen 0,22 51 - Elektriciteitscentrales 100 arbeidsdagen 0,22 0,011 52 - Visteelt 1.000 kg geloosde voedingsmiddelen 8 0 353 - Zwembaden 1 m3 gebruikt water 0,008 0 54 Ziekenhuizen in de zin van de artikelen 2 tot 4 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen - bed
- bed indien aanwezigheid van een wasserij in het ziekenhuis om er het wasgoed dat ter plaats wordt gebruikt te wassen 3
3,6 0
0
Opmerkingen:
1. Tot groep I behoren de bedrijven met een laag waterverbruik (10 mü per 1000 kg geslacht gewicht) met goede voorzieningen voor het opvangen van bloed en zonder natte bewerking of nat transport van veren of slachtafval.
Tot groep II behoren de bedrijven met uitsluitend natte verwerking en/of transport van veren of slachtafval.
Tot groep III behoren de bedrijven met nat transport van veren of slachtafval, bovendien alle bedrijven met kipkokerij en alle overige bedrijven die niet tot groep I en II behoren.
2. Onder gesaneerde zuivelfabriek wordt verstaan een zuivelfabriek waarin goede voorzieningen ter beperking van de vervuilingsgraad zijn getroffen, als het opvangen van drupmelk, het terughouden van het bezinksel uit boterwaswater, het opvangen van perswei, het voorkomen van lekverliezen e.d.
3. Wat visteelt betreft, wordt een verminderingspercentage van het aantal vuilvrachteenheden toegepast wanneer een of meer van de volgende maatregelen worden uitgevoerd:
a) verbruik van hoog verteerbare voedingsmiddelen: 30 % vermindering;
b) filtering op draaifilter aan de uitgang van de teeltbassins: 75 % vermindering;
c) bezinkbassins met aan het debiet aangepaste afmetingen met periodieke slibterugwinning: 50 % vermindering.
De verminderingspercentage zijn cumuleerbaar indien verschillende van deze maatregelen tegelijkertijd worden uitgevoerd (met een verminderingspercentage van hoogstens 100 %).]1
| Catégorie d'entreprises | Base sur laquelle porte le coefficient de conversion | Coefficients de conversion | Remarques | ||
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 |
| 1 | - Abattoirs et tueries à l'exclusion de la préparation de viandes: | ||||
| a. porcs | 1.000 kg de poids abattu | 0,3 | |||
| s'il y a une boyauderie, augmentation de | 0,23 | ||||
| b. autres animaux | 1.000 kg de poids abattu | 0,52 | |||
| Facteurs d'augmentation : | |||||
| - évacuation du contenu des panses | 1,18 | ||||
| - évacuation du sang des porcs | 0,53 | ||||
| - évacuation du sang d'autres animaux | 0,96 | ||||
| 2 | - Abattoirs de volailles : | ||||
| groupe I | 1.000 kg de poids abattu | 0,29 | 1 | ||
| groupe II | 1.000 kg de poids abattu | 0,58 | 1 | ||
| groupe III | 1.000 kg de poids abattu | 1,02 | 1 | ||
| 3 | - Amidonneries et féculeries | 1.000 kg de matière première | 3 | ||
| 4 | - Amiante, amiante-ciment, béton, briques, chaux, ciment, poterie, verre (fabriques de) | 100 journées de travail | 0,35 | 0,014 | |
| 5 | - Ateliers de réparation d'automobiles, de trams ou de trains, garages, installations de lavage d'automobiles | 1 m3 d'eau utilisée | 0,05 | 0,032 | |
| 6 | - Blanchisseries à l'exception des salons-lavoirs : | ||||
| a. lavage humide | 1.000 kg de linge blanc provenant uniquement d'hôpitaux et d'hôtels : paquets de draps et essuie-mains pour rouleaux automatiques | 0,44 | |||
| 1.000 kg de linge blanc pour autant qu'aucun autre coefficient ne soit d'application | 0,73 | ||||
| 1.000 kg de linge de couleur, vêtements de travail et essuie-mains et essuie de cuisine de location | 1,02 | ||||
| 1.000 kg de linge amidonné | 1,62 | ||||
| 100 journées de travail | 0,18 | ||||
| b. nettoyage à sec | 100 journées de travail | 0,18 | |||
| c. teinture de vêtements | 1 mü d'eau utilisée | 0,73 | |||
| 7 | - Fabriques de produits d'entretien et de lubrifiants | 100 journées de travail | 4,5 | 0,011 | |
| 8 | - Décapage du fer : en outre par 1.000 kg de fer bivalent déversé | 100 journées de travail 100 journées de travail | 0,23 3,3 | 0,032 0,032 | |
| 9 | - Préparation de patates préfrites | 1.000 kg de pommes de terre | 0,87 | ||
| 10 | - Fabriques de conserves de fruits (y compris fabriques de confitures) | 1.000 kg de pommes, poires, fraises 1.000 kg de cerises, groseilles et autres fruits doux | 1, 02 0,73 | ||
| 11 | - Usines de galvanisation | 1 m3 d'eau utilisée | 0,04 | 0,032 | |
| 12 | - Usines à gaz | 1.000 kg de matière première | 1,1 | ||
| 13 | - Imprimeries et autres entreprises d'arts graphiques utilisant le papier et le carton | 1 m3 d'eau utilisée | 0,04 | 0,022 | |
| 14 | - Laboratoires | 100 journées de travail | 1,1 | 0,011 | |
| 15 | - Laiteries : | ||||
| a. entreprises non assainies | 1.000 kg de lait réceptionné | 0,13 | |||
| 1.000 kg de lait réceptionné dans un poste de réception | 0,06 | ||||
| 1.000 kg de beurre et de concentré de beurre (tiré du beurre) | 4,38 | ||||
| 1.000 kg de beurre (préparation continue sans lavage) | 1,47 | ||||
| 1.000 kg de fromage | 4,38 | ||||
| 1.000 kg de produits en bouteille | 0,35 | ||||
| 1.000 kg de poudre de lait (séchage sur cylindres) | 1,78 | ||||
| 1.000 kg de poudre de lait (séchage en tour spray) | 1,47 | ||||
| 1.000 kg de lait condensé | 0,44 | ||||
| préparation de crème à la glace par 1.000 kg de matière première | 0,44 | 2 | |||
| b. entreprises assainies | 1.000 kg de lait réceptionné | 0,06 | |||
| 1.000 kg de beurre | 2,27 | ||||
| 1.000 kg de fromage | 1,78 | ||||
| 16 | - Fabriques de laques et de couleurs | 100 journées de travail | 11,18 | 0,017 | |
| 17 | - Fabriques de bougies et blanchissement de la cire | 100 journées de travail | 0,65 | ||
| 18 | - Boulangeries et pâtisseries, fabriques d'aliments non désignés ailleurs | 100 journées de travail | 0,45 | ||
| - Casseries d'oeufs | 1.000 kg de produit fabriqué | 0,5 | |||
| 19 | a. Brasseries | 1.000 kg de bière | 1,33 | ||
| b. Idem avec rétention du houblon et de la drèche | 1.000 kg de bière | 0,34 | |||
| 20 | - Torréfaction de cacahuètes | 1.000 kg de matière première | 0,75 | ||
| 21 | - Cacao, chocolat, confiserie et miel (fabriques de) | 1.000 kg de produit fini | 0,29 | ||
| 22 | - Industrie de la céramique | 100 journées de travail | 0,22 | 0,014 | |
| 23 | - Industries chimiques : | ||||
| a. chimie minérale et activités de transformation | 100 journées de travail | 11,8 | 0,019 | ||
| b. chimie organique | 100 journées de travail | 23,6 | 0,011 | ||
| 24 | Fabrique de colle | 1.000 kg de colle d'os | 3,7 | ||
| 25 | - Cuirs et peaux, fourrures : | ||||
| a. tannage au chrome | 1.000 kg de matière première | 6,9 | 0,012 | ||
| b. tannage végétal | 1.000 kg de matière première | 7 | 0,011 | ||
| c. mégisseries | 1.000 kg de matière première | 10 | 0,011 | ||
| d. pelleteries | 1.000 kg de matière première | 10 | 0,011 | ||
| e. chamoiseries | 1.000 kg de matière première | 20 | 0,011 | ||
| 26 | - Entreprises de destruction | 1.000 kg de poids brut de matières à détruire | 1,1 | 0,032 | |
| 27 | - Distilleries | 1 m3 d'eau utilisée | 0,06 | ||
| 28 | - Emailleries | 1 m3 d'eau utilisée | 0,04 | 0,032 | |
| 29 | - Fabriques de conserves de légumes | 1.000 kg de pommes de terre épluchées | 1,75 | ||
| 1.000 kg de pommes de terre blanchies | 1,9 | ||||
| 1.000 kg de carottes, oignons | 1,3 | ||||
| 1.000 kg de betteraves rouges | 2,1 | ||||
| 1.000 de soupe verte julienne | 0,96 | ||||
| 1.000 kg d'épinards, endives, variétés de choux (sauf préparation de choucroute) et choux-raves | 0,75 | ||||
| 1.000 kg de poireaux, haricots verts, haricots coupés et céleris | 0,58 | ||||
| 1.000 kg de petits pois et pois chiches | 1,02 | ||||
| 1.000 kg d'autres légumes | 0,5 | ||||
| 30 | - Lavage de légumes | 1.000 kg de carottes | 0,13 | ||
| 1.000 kg d'échalotes | 0,23 | ||||
| 31 | - Levureries et distilleries d'alcool | 1.000 kg de mélasse | 9,3 | ||
| 32 | - Limonaderies et eaux en bouteille | 1.000 l de produit fabriqué | 0,12 | ||
| 33 | - Fabriques de margarine, graisses et huiles alimentaires si l'huile est obtenue exclusivement par pressage des grains | 1.000 kg d'huile ou de graisse brute 1.000 kg de produit fabriqué | 0,7 | ||
| 34 | - Malteries | 1.000 kg d'orge | 0,16 | ||
| 35 | - Travail du métal : | ||||
| a. travail mécanique, transformation à froid | 100 journées de travail | 0,23 | 0,01 | ||
| b. zingage, décapage des non-ferreux | 100 journées de travail | 0,23 | 0,032 | ||
| 36 | - Industrie métallurgique | 100 journées de travail | 0,23 | 0,032 | |
| 37 | - Industrie du papier | 1.000 kg de papier de pâte mécanique ou de cellulose | 1,6 | ||
| idem provenant d'autres matières | 7,8 | ||||
| 38 | - Fabriques de carton de paille | 1.000 kg de carton | 4,9 | ||
| 39 | - Fabriques de parfums et de cosmétiques | 100 journées de travail | 5,84 | ||
| 40 | - Fabriques de conserves de poisson | 1.000 kg de poisson | 2,43 | ||
| 41 | - Fabriques de farines de poisson | 1.000 kg de poisson | 3,3 | ||
| 42 | - Battage de pois et de pois chiches | 1.000 kg de matière première | 0,034 | ||
| 43 | - Féculerie de pommes de terre | 1.000 kg de pommes de terre | 1,44 | ||
| 44 | - Fabriques de savon | 1.000 kg de savon | 0,55 | ||
| - Si le résidu du relargage est déversé | 3,1 | ||||
| 45 | - Sucreries et râperies de betteraves | 1.000 kg de betteraves sucrières | 0,27 | ||
| - Si l'eau usée provient uniquement des condensateurs | 1.000 kg de betteraves sucrières | 0,027 | |||
| 46 | - Industrie textile : | ||||
| a. filatures | 100 journées de travail | 0,18 | |||
| b. tissages | 100 journées de travail | 0,18 | |||
| c. teintureries | 1 m3 d'eau utilisée | 0,73 | |||
| d. ateliers de blanchissement | 1 m3 d'eau utilisée | 0,73 | |||
| e. lavoirs de laine | 1.000 kg de laine brute | 7 | |||
| 47 | - Lavage de tonneaux et de fûts | 1 m3 d'eau utilisée | 0,58 | 0,021 | |
| 48 | - Installations de vulcanisation, fabriques de produits en caoutchouc, de câbles et similicuir | 100 journées de travail | 0,08 | 0,011 | |
| 49 | - Entreprises de préparation de viande | 1.000 kg de produit fabriqué : cuisson de saucisses, jambon | 0,73 | ||
| 1.000 kg de produit fabriqué : autres | 0,45 | ||||
| 50 | - Industrie de transformation des matières plastiques | 100 journées de travail | 0,22 | ||
| 51 | - Centrales électriques | 100 journées de travail | 0,22 | 0,011 | |
| 52 | - Piscicultures | 1.000 kg d'aliment déversé | 8 | 0 | 3 |
| 53 | - Piscines | 1 m3 d'eau utilisée | 0,008 | 0 | |
| 54 | Hôpitaux au sens des articles 2 à 4 de la loi relative aux hôpitaux et à d'autres établissements de soins, coordonnée le 10 juillet 2008. | - lit - lit si l'hôpital comporte une blanchisserie traitant le linge utilisé dans l'établissement | 3 3,6 | 0 0 | |
de conversion Remarques1 2 3 4 5 61 - Abattoirs et tueries à l'exclusion de la préparation de viandes: a. porcs 1.000 kg de poids abattu 0,3 s'il y a une boyauderie, augmentation de 0,23 b. autres animaux 1.000 kg de poids abattu 0,52 Facteurs d'augmentation : - évacuation du contenu des panses 1,18 - évacuation du sang des porcs 0,53 - évacuation du sang d'autres animaux 0,96 2 - Abattoirs de volailles : groupe I 1.000 kg de poids abattu 0,29 1groupe II 1.000 kg de poids abattu 0,58 1groupe III 1.000 kg de poids abattu 1,02 13 - Amidonneries et féculeries 1.000 kg de matière première 3 4 - Amiante, amiante-ciment, béton, briques, chaux, ciment, poterie, verre (fabriques de) 100 journées de travail 0,35 0,014 5 - Ateliers de réparation d'automobiles, de trams ou de trains, garages, installations de lavage d'automobiles 1 m3 d'eau utilisée 0,05 0,032 6 - Blanchisseries à l'exception des salons-lavoirs : a. lavage humide 1.000 kg de linge blanc provenant uniquement d'hôpitaux et d'hôtels : paquets de draps et essuie-mains pour rouleaux automatiques 0,44 1.000 kg de linge blanc pour autant qu'aucun autre coefficient ne soit d'application 0,73 1.000 kg de linge de couleur, vêtements de travail et essuie-mains et essuie de cuisine de location 1,02 1.000 kg de linge amidonné 1,62 100 journées de travail 0,18 b. nettoyage à sec 100 journées de travail 0,18 c. teinture de vêtements 1 mü d'eau utilisée 0,73 7 - Fabriques de produits d'entretien et de lubrifiants 100 journées de travail 4,5 0,011 8 - Décapage du fer : en outre par 1.000 kg de fer bivalent déversé 100 journées de travail
100 journées de travail 0,23
3,3 0,032
0,032 9 - Préparation de patates préfrites 1.000 kg de pommes de terre 0,87 10 - Fabriques de conserves de fruits (y compris fabriques de confitures) 1.000 kg de pommes, poires, fraises
1.000 kg de cerises, groseilles et autres fruits doux 1, 02
0,73 11 - Usines de galvanisation 1 m3 d'eau utilisée 0,04 0,032 12 - Usines à gaz 1.000 kg de matière première 1,1 13 - Imprimeries et autres entreprises d'arts graphiques utilisant le papier et le carton 1 m3 d'eau utilisée 0,04 0,022 14 - Laboratoires 100 journées de travail 1,1 0,011 15 - Laiteries : a. entreprises non assainies 1.000 kg de lait réceptionné 0,13 1.000 kg de lait réceptionné dans un poste de réception 0,06 1.000 kg de beurre et de concentré de beurre (tiré du beurre) 4,38 1.000 kg de beurre (préparation continue sans lavage) 1,47 1.000 kg de fromage 4,38 1.000 kg de produits en bouteille 0,35 1.000 kg de poudre de lait (séchage sur cylindres) 1,78 1.000 kg de poudre de lait (séchage en tour spray) 1,47 1.000 kg de lait condensé 0,44 préparation de crème à la glace par 1.000 kg de matière première 0,44 2b. entreprises assainies 1.000 kg de lait réceptionné 0,06 1.000 kg de beurre 2,27 1.000 kg de fromage 1,78 16 - Fabriques de laques et de couleurs 100 journées de travail 11,18 0,017 17 - Fabriques de bougies et blanchissement de la cire 100 journées de travail 0,65 18 - Boulangeries et pâtisseries, fabriques d'aliments non désignés ailleurs 100 journées de travail 0,45 - Casseries d'oeufs 1.000 kg de produit fabriqué 0,5 19 a. Brasseries 1.000 kg de bière 1,33 b. Idem avec rétention du houblon et de la drèche 1.000 kg de bière 0,34 20 - Torréfaction de cacahuètes 1.000 kg de matière première 0,75 21 - Cacao, chocolat, confiserie et miel (fabriques de) 1.000 kg de produit fini 0,29 22 - Industrie de la céramique 100 journées de travail 0,22 0,014 23 - Industries chimiques : a. chimie minérale et activités de transformation 100 journées de travail 11,8 0,019 b. chimie organique 100 journées de travail 23,6 0,011 24 Fabrique de colle 1.000 kg de colle d'os 3,7 25 - Cuirs et peaux, fourrures : a. tannage au chrome 1.000 kg de matière première 6,9 0,012 b. tannage végétal 1.000 kg de matière première 7 0,011 c. mégisseries 1.000 kg de matière première 10 0,011 d. pelleteries 1.000 kg de matière première 10 0,011 e. chamoiseries 1.000 kg de matière première 20 0,011 26 - Entreprises de destruction 1.000 kg de poids brut de matières à détruire 1,1 0,032 27 - Distilleries 1 m3 d'eau utilisée 0,06 28 - Emailleries 1 m3 d'eau utilisée 0,04 0,032 29 - Fabriques de conserves de légumes 1.000 kg de pommes de terre épluchées 1,75 1.000 kg de pommes de terre blanchies 1,9 1.000 kg de carottes, oignons 1,3 1.000 kg de betteraves rouges 2,1 1.000 de soupe verte julienne 0,96 1.000 kg d'épinards, endives, variétés de choux (sauf préparation de choucroute) et choux-raves 0,75 1.000 kg de poireaux, haricots verts, haricots coupés et céleris 0,58 1.000 kg de petits pois et pois chiches 1,02 1.000 kg d'autres légumes 0,5 30 - Lavage de légumes 1.000 kg de carottes 0,13 1.000 kg d'échalotes 0,23 31 - Levureries et distilleries d'alcool 1.000 kg de mélasse 9,3 32 - Limonaderies et eaux en bouteille 1.000 l de produit fabriqué 0,12 33 - Fabriques de margarine, graisses et huiles alimentaires si l'huile est obtenue exclusivement par pressage des grains 1.000 kg d'huile ou de graisse brute
1.000 kg de produit fabriqué 0,7 34 - Malteries 1.000 kg d'orge 0,16 35 - Travail du métal : a. travail mécanique, transformation à froid 100 journées de travail 0,23 0,01 b. zingage, décapage des non-ferreux 100 journées de travail 0,23 0,032 36 - Industrie métallurgique 100 journées de travail 0,23 0,032 37 - Industrie du papier 1.000 kg de papier de pâte mécanique ou de cellulose 1,6 idem provenant d'autres matières 7,8 38 - Fabriques de carton de paille 1.000 kg de carton 4,9 39 - Fabriques de parfums et de cosmétiques 100 journées de travail 5,84 40 - Fabriques de conserves de poisson 1.000 kg de poisson 2,43 41 - Fabriques de farines de poisson 1.000 kg de poisson 3,3 42 - Battage de pois et de pois chiches 1.000 kg de matière première 0,034 43 - Féculerie de pommes de terre 1.000 kg de pommes de terre 1,44 44 - Fabriques de savon 1.000 kg de savon 0,55 - Si le résidu du relargage est déversé 3,1 45 - Sucreries et râperies de betteraves 1.000 kg de betteraves sucrières 0,27 - Si l'eau usée provient uniquement des condensateurs 1.000 kg de betteraves sucrières 0,027 46 - Industrie textile : a. filatures 100 journées de travail 0,18 b. tissages 100 journées de travail 0,18 c. teintureries 1 m3 d'eau utilisée 0,73 d. ateliers de blanchissement 1 m3 d'eau utilisée 0,73 e. lavoirs de laine 1.000 kg de laine brute 7 47 - Lavage de tonneaux et de fûts 1 m3 d'eau utilisée 0,58 0,021 48 - Installations de vulcanisation, fabriques de produits en caoutchouc, de câbles et similicuir 100 journées de travail 0,08 0,011 49 - Entreprises de préparation de viande 1.000 kg de produit fabriqué :
cuisson de saucisses, jambon 0,73 1.000 kg de produit fabriqué :
autres 0,45 50 - Industrie de transformation des matières plastiques 100 journées de travail 0,22 51 - Centrales électriques 100 journées de travail 0,22 0,011 52 - Piscicultures 1.000 kg d'aliment déversé 8 0 353 - Piscines 1 m3 d'eau utilisée 0,008 0 54 Hôpitaux au sens des articles 2 à 4 de la loi relative aux hôpitaux et à d'autres établissements de soins, coordonnée le 10 juillet 2008. - lit
- lit si l'hôpital comporte une blanchisserie traitant le linge utilisé dans l'établissement 3
3,6 0
0
Remarques:
1. Appartiennent au groupe I les entreprises dont la consommation d'eau est basse (10 m3 par 1 000 kg de poids abattu) et qui ont pris de bonnes précautions pour recueillir le sang et sans traitement ou transport humide de plumes ou de déchets.
Appartiennent au groupe II les entreprises qui pratiquent uniquement des traitements et/ou le transport humide de plumes ou de déchets.
Appartiennent au groupe III les entreprises qui pratiquent le transport humide de plumes ou de déchets, et, en outre, toutes les entreprises de cuisson de poulets ainsi que toutes les entreprises qui n'appartiennent pas aux groupes I et II.
2. Il faut entendre par laiterie assainie la laiterie dans laquelle de bonnes précautions ont été prises pour limiter le degré de pollution, telles que recueillir les égouttures de lait, retenir le dépôt de l'eau qui a servi au lavage du beurre, recueillir les résidus de pressurage, prévenir les fuites d'eau, etc.
3. En ce qui concerne les piscicultures, un pourcentage de réduction du nombre d'unités de charge polluante est appliqué lorsqu`une ou plusieurs des mesures suivantes sont mises en oeuvre :
a) utilisation d'aliments à haute digestibilité : 30 % de réduction;
b) filtration du filtre rotatif à la sortie des bassins d'élevage : 75 % de réduction;
c) lagune de décantation de dimension adaptée au débit avec reprise périodique des boues : 50 % de réduction.
Les pourcentages de réduction sont cumulables si plusieurs de ces mesures sont mises en oeuvre simultanément (avec un taux de réduction maximum de 100 %).]1
Wijzigingen
Art. N2. [1 Bijlage II.
Art. N2. [1 Annexe II.
| Eenheid | Vermoedelijk verbruik |
| Gezinnen | |
| - Hoofdverblijfplaats : alleenstaand | 45 mü |
| - Hoofdverblijfplaats : gezin | 100 mü |
| - Bijkomende verblijfplaats | 25 mü |
| Kampeerterreinen | |
| - Kampeerplaats | 20 mü |
| Bedrijven, kantoren | |
| - Tewerkgestelde persoon | 9 mü |
| Onderwijsinrichtingen | |
| - Leerling | 5 mü |
| Internaten, kazernes, hotels, rusthuizen, verzorgingscentra | |
| - Bed | 45 mü |
]1
| Unité | Consommation présumée |
| Ménages | |
| - Résidence principale : isolé | 45 mü |
| - Résidence principale : ménage | 100 mü |
| - Résidence secondaire | 25 mü |
| Campings | |
| - Emplacement | 20 mü |
| Entreprises, bureaux | |
| - Personne employée | 9 mü |
| Etablissements d'enseignement | |
| - Elève | 5 mü |
| Internats, casernes, hôtels, maison de repos, établissements de soins | |
| -- Lit | 45 mü |
]1
Wijzigingen
Art. N3. [1 Bijlage III. - Milieulast "fokdieren"
Art. N3. [1 Annexe III. - Charge environnementale "animaux d'élevage"
| Categorie dieren | Coëfficiënt stikstof | |
| Runderen | melkkoe | 0.5538 |
| zoogkoe | 0.4062 | |
| reformkoe | 0.4062 | |
| andere runderen van meer dan 2 jaar | 0.4062 | |
| runderen jonger dan 6 maanden | 0.0615 | |
| vaars van 6 tot 12 maanden | 0.1723 | |
| vaars van 1 tot 2 jaar | 0.2954 | |
| stierkalf van 6 tot 12 maanden | 0.1538 | |
| stierkalf van 1 tot 2 jaar | 0.2462 | |
| Schapen en geiten | schapen en geiten jonger dan 1 jaar | 0.0203 |
| schapen en geiten jonger dan 1 jaar | 0.0406 | |
| Paarden | paard | 0.3446 |
| Varkens | zeug | 0.0923 |
| beer | 0.0923 | |
| mestvarkens en gelt | 0.0480 | |
| mestvarkens op biobeheerst strobed | 0.0277 | |
| biggetjes (4 tot 10 weken) | 0.0117 | |
| Konijnen | voedsters | 0.0222 |
| mestkonijn | 0.0020 | |
| Pluimvee | vleeskip (40 dagen) | 0.0017 |
| leg- of kweekkippen (343 dagen) | 0.0037 | |
| jonge hen (127 dagen) | 0.0017 | |
| fokhaan | 0.0026 | |
| eend (75 dagen) | 0.0026 | |
| gans (150 dagen) | 0.0026 | |
| kalkoense hen, kalkoense haan (85 dagen) | 0.0050 | |
| parelhoen (79 dagen) | 0.0017 | |
| kwartels | 0.0002 | |
| struisvogel en emoe | 0.0185 |
]1
| Catégorie d'animaux | Coefficient azote | |
| Bovins | vache laitière | 0.5538 |
| vache allaitante | 0.4062 | |
| vache de réforme | 0.4062 | |
| autre bovin de plus de 2 ans | 0.4062 | |
| bovin de moins de 6 mois | 0.0615 | |
| génisse de 6 à 12 mois | 0.1723 | |
| génisse de 1 à 2 ans | 0.2954 | |
| taurillon de 6 à 12 mois | 0.1538 | |
| taurillon de 1 à 2 ans | 0.2462 | |
| Ovins et Caprins | ovins et caprins de moins de 1 an | 0.0203 |
| ovins et caprins de plus de 1 an | 0.0406 | |
| Equins | équin | 0.3446 |
| Porcins | truie | 0.0923 |
| verrat | 0.0923 | |
| porcs à l'engrais et cochette | 0.0480 | |
| porcs à l'engrais et cochette sur litière biomaîtrisée | 0.0277 | |
| porcelets (de 4 à 10 semaines) | 0.0117 | |
| Lapins | lapins mères | 0.0222 |
| lapins à l'engrais | 0.0020 | |
| Volailles | poulets de chair (40 jours) | 0.0017 |
| poules pondeuses ou reproductrices (343 jours) | 0.0037 | |
| poulettes (127 jours) | 0.0017 | |
| coqs de reproduction | 0.0026 | |
| canards (75 jours) | 0.0026 | |
| oies (150 jours) | 0.0026 | |
| dindes et dindons (85 jours) | 0.0050 | |
| pintades (79 jours) | 0.0017 | |
| cailles | 0.0002 | |
| autruches et émeus | 0.0185 |
]1
Wijzigingen
Art. N4. Bijlage IV. - Lijst met goederen bestemd voor de activiteiten van de "ERPE".
1. INSTALLATIES VOOR WATERPRODUCTIE EN -TOEVOER
1.1. (NOTA : niet vertaald)
1.1.1. Het gebouw gebruikt als waterbehandelingsstation, met inbegrip van de toevoerleidingen aangelegd in de tunnel onder de overloop en in de stuwdam zelf, incluis hun veiligheidskleppen.
1.1.2. De installaties voor elektriciteitsproductie (turbines, alternatoren, elektrische en elektromechanische uitrustingen) die zich onderaan de stuwdam bevinden, met inbegrip van alle toegangsleidingen.
1.1.3. De bijbehorende constructies, met name :
1.1.3.1. Een hal voor het afladen van reagentia, gelegen op de heuvel op de rechteroever van de stuwdam, alsmede de reagentialeidingen tussen de hal en het behandelingsstation.
Een slibbezinkingsinstallatie op de rechteroever stroomafwaarts van het station, bestaande uit vijf bekkens en uit opslagplaatsen.
1.1.3.3. Een geijkte weegbrug voor de kwantitatieve controle op de stortgoederenleveringen.
1.1.3.4. Een bovenste reservoir van 50 000 m3 voor de opslag van het behandelde water en twee dienstreservoirs van 60 m3, het ene op de linkeroever en het andere op de rechteroever van het meer, alsmede de leidingen die de twee reservoirs met het behandelingsstation verbinden.
1.1.3.5. De stuwdamhuizen gelegen op de heuvel op de linkeroever van de stuwdam (6 dubbelhuizen, de garages, het transformatorstation en de toegang ertoe), met uitzondering van het huis van de stuwdamwachter.
1.2. Complex van het waterbehandelingsstation van de Gileppe te Stembert (Verviers).
1.2.1. Een gebouw gebruikt als waterbehandelingsstation.
1.2.2. De bijbehorende constructies, met name :
1.2.2.1. Een reservoir van 30 000 m3 (Bronde).
1.2.2.2. Een reservoir van 30 000 m3 (La Louveterie).
1.2.2.3. Een opslaghal met een entrepot van 400 m2, kantoren en werkplaatsen.
1.2.2.4. Een 300 m lang betonnen aquaductgedeelte van de Gileppe.
1.2.2.5. Een betonnen doorstroomopening tussen het behandelingsstation en het reservoir van Bronde. Die doorstroomopening beschikt op het aquaduct over een kamer voor de opvang van ruw water.
1.2.2.6. Een lokaal genoemd restitutiekamer naar het aquaduct (gedeelte bestemd voor het behandelde water)
1.2.3. De volgende leidingen :
1.2.3.1. Twee stalen leidingen DN 800 mm tussen de reservoirs van Bronde en La Louveterie, met inbegrip van een zuigkamer, een lozingskamer en een wateropvangkamer voor de cliënt.
1.2.3.2. Twee stalen leidingen DN 800 mm tussen het reservoir van Bronde en de restitutiekamer naar het aquaduct, met inbegrip van de lozingskamer.
1.2.3.3. Twee stalen leidingen DN 800 mm tussen het reservoir van Bronde en kamer 9bis van de toevoerleiding Eupen. - Seraing. - Thiba, met inbegrip van de lozingskamer.
1.2.3.4. Een betonnen leiding DN 600 mm voor de afvoer van het regenwater van het station naar de Vesder.
1.2.3.5. Een betonnen leiding DN 400 mm voor de afvoer van het industriële afvalwater van het station naar de collector van de Vesder.
1.2.3.6. Een betonnen leiding DN 600 mm vanaf het station voor de regenwaterafvoer van het reservoir van La Louveterie naar la Bovegnée.
1.2.3.7. De toevoerleidingen en het reservoir naar het circuit van Francorchamps en Stavelot :
1.2.3.7.1. Een stalen leiding DN 600 van Tiège naar het reservoir van Sart
1.2.3.7.2. Een reservoir van 1 500 m3 te Sart.
1.3. Toevoer Eupen. - Verviers. - Seraing. - Thiba
1.3.1. De leidingen met diverse DN (1 100, 900 en 800 mm), de afsluiterputten, de lokalen voor de luchtgaten, lozingen, ontlastingskleppen en brandkranen, alsmede de elektromechanische installaties tussen het waterbehandelingsstation van Eupen en de Maas te Flémalle, met inbegrip van de Maashevel.
1.3.2. De leiding DN 250 mm die de toppen van Eupen bevoorraadt.
1.3.3. De woningen van het personeel dat toeziet op de toevoerleidingen : 2 huizen gelegen te Petit-Rechain, route de Battice nrs. 99 en 101, 2 huizen gelegen te Romsée, avenue Colonel Piron nrs. 116 en 137.
1.3.4. De leidingen, kamers, lokalen en uitrustingen die deel uitmaken van de verbinding tussen de stuwdammen van de Vesder en de Gileppe.
1.3.5. De leidingen, kamers, lokalen en uitrustingen die deel uitmaken van de verbinding Maas. - Hollogne. - Thiba.
1.3.5.1. Een gesplitste stalen leiding DN 800 mm tussen de Maashevel en de rue Elva te Flémalle.
1.3.5.2. Een stalen leiding DN 800 mm tussen de rue des Priesses en de rue des Anes te Grâce-Hollogne.
1.3.5.3. Een stalen leiding DN 700 mm tussen de rue des Anes en het reservoir van Thiba, die het eigendom is van de "C.I.L.E.".
1.4. Complex van het waterbehandelingsstation van de Ourthe te Nisramont
1.4.1. Een gebouw en de uitbreidingen ervan, gebruikt als waterbehandelingsstation, met inbegrip van de leidingen en afsluiters van ruw water tot aan de stuwdammuur, alsmede de slibbehandelingsinstallaties.
1.4.2. De installaties voor elektriciteitsproductie (turbines, alternatoren, elektrische en elektromechanische uitrustingen) gelegen aan de voet van de stuwdam, met inbegrip van de toegangsleidingen.
1.4.3. De bijbehorende constructies, met name :
1.4.3.1.De stuwdamhuizen en -appartementen op de linkeroever van de stuwdam, alsmede de toegangswegen, het transformatorstation, de garages, met uitzondering van het huis en de garage van de stuwdamwachter.
1.4.3.2. Een geheel van twee reservoirs van 3 000 m3 voor de opslag van het behandelde water, met inbegrip van het pompstation, het transformatorstation en de toegangsweg.
1.4.3.3. De gebouwen en uitrustingen van het reservoir (12 000 m3) te Ortho.
1.4.4.De twee toevoerleidingen DN 400 mm tussen het station en de reservoirs, met inbegrip van de kamers voor lozingen, wateropvang, afsluit- en koppelingskleppen van beide leidingen, alsmede de drukpiekbeveiliging.
1.5. Complex van het waterbehandelingsstation van de Ry de Rome te Pétigny (Couvin)
1.5.1. Een gebouw gebruikt voor de behandeling van het water van het meer van de Ry de Rome.
1.5.2. De bijbehorende constructies, met name :
1.5.2.1. Een bovenste reservoir van 5 000 m3 voor de opslag van behandeld water, met inbegrip van het aanpalende gebouw voor de afsluiters.
1.5.2.2. Een doorstromingsopening tussen het behandelingsgebouw en de bovenste reservoir.
1.5.2.3. Leidingen DN 200 mm, buiten de gebouwen aangelegd tussen de place Général Piron en Olloy.
1.5.2.4. Een opslaghal.
1.5.2.5. Twee vijvers voor de opvang van het afvalwater.
1.5.3. De hydraulische, mechanische en elektrische uitrustingen, de bedienings- en controleapparatuur, alsook alle aanhorigheden die nodig zijn voor de exploitatie van het zuiveringsstation en in bovenbedoelde gebouwen ondergebracht zijn.
1.5.4. De toevoerleidingen uit rekbaar gietijzer
1.5.4.1. Couvin. - Olloy DN 150 mm.
1.5.4.2. Ry de Rome. - Oignies. - Le Mesnil DN (160-110) mm.
1.5.4.3. Fonds de l'Eau. - Presgaux. - Aublain DN 150 mm.
1.5.4.4. Mariembourg. - Les Vercons DN 300 mm.
1.5.4.5. Les Vercons. - Samart DN 250 mm.
1.5.4.6. Olloy-sur-Viroin. - Mazée. - Niverlée DN 150 mm.
1.5.4.7. Les Vercons. - Cerfontaine DN 300 mm.
1.5.4.8. Olloy-sur-Viroin. - Reservoir K2 DN 150 mm.
1.5.4.9. Splitsing Ry de Rome. - Mariembourg DN 400 mm.
1.5.4.10. Samart. - Sautour. - Merlemont DN 150 mm.
1.5.4.11. Olloy-sur-Viroin. - Dourbes DN 100 mm.
1.5.4.12. Cerfontaine. - Fourbechies DN 150 mm.
1.5.4.13. Pont du Roy. - Cul des Sarts DN 250 mm.
1.5.4.14. Philippeville. - Florennes DN 200 mm.
1.5.5. De pompstations en reservoirs :
1.5.5.1. Pompstation Ry de Rome naar Oignies
1.5.5.2. Pompstation Fond de l'Eau naar Presgaux
1.5.5.3. Pompstation van Mariembourg naar Philippeville
1.5.5.4. Pompstation van Samart
1.5.5.5. Pompstation van Treignes
1.5.5.6. Reservoir van Oignies
1.5.5.7. Reservoir van Presgaux
1.5.5.8. Reservoir K2.
1.6. De gebouwen van de "Unité Pilote" gelegen in het complex van de Vesder
2. WATERTOEVOER.
2.1. De toevoer vanuit Noord-Luxemburg van diverse DN tussen 50 en 500 mm
2.1.1. De leiding Ortho. - Bande. - Soy, met inbegrip van de toevoerleidingen naar Erneuville, Beausaint, Rendeux, Hodister, Grimblemont, Verdenne, Marenne, Bourdon, Waharday et Hotton.
2.1.2. De leiding Bande. - Nassogne. - Rochefort, met inbegrip van de toevoerleidingen naar Masbourg, Forrières, Lesterny, Jemelle et Nassogne.
2.1.3. De leiding Bande. - Waha. - On, met inbegrip van de toevoerleidingen naar Harsin, Aye en Humain.
2.1.4. De leiding voor de watervoorziening van de stad Marche.
2.1.5. De leiding Ortho. - Laroche. - Amonines. - Soy, met inbegrip van de toevoer naar Marcourt.
2.1.6. De leiding Soy. - Heid. - Izier, met inbegrip van de toevoerleidingen naar Fanzel, Mormont, Hoursinne, Rideux, Aisne, Villers-Sainte-Gertrude, Vieuxville, Bomal, Izier et Vieux Fourneau.
2.1.7. De leiding voor de watervoorziening van Barvaux.
2.1.8. De leiding Izier. - Tohogne.
2.1.9. De leidingen Izier. - Xhoris en Izier. - Ferrières.
2.1.10. Het overdrukstation van Ortho.
2.1.11. De watertoren van Izier en haar overdrukinstallaties.
2.1.12. De reservoirs voor drukonderbreking van Ambly, Roy, Hotton, Barvaux et Heyd.
2.1.13. De leidingen voor de aansluiting op de hoofdreservoirs van de gemeentelijke netwerken en van de 'S.W.D.E.'.
2.1.14. De afsluiterputten, de kamers voor de ontluchting, splitsingen en hoge punten.
2.2. Werken voor de versterking van de toevoerleiding van Noord-Luxemburg
2.2.1. Splitsing van de verbinding Ortho. - Laroche in DN 500 mm.
2.2.2. Verbinding Lignières. - Roy. - Marche in DN 300 mm, met inbegrip van het gebouw voor de drukonderbreking.
2.2.3. Versterking van de toevoer naar Hargimont in DN 150 mm.
2.3. De werken op de hoogvlakte van Bastenaken.
2.3.1. Verbinding Ortho. - Luzery in DN 400 mm.
2.3.2. Het reservoir van Luzery (5 000 m3), met inbegrip van de elektromechanische installaties.
2.3.3. De toevoerleiding Luzery. - Senonchamps. - Sainlez. - Strainchamps. - Martelange.
2.3.4. De leiding tussen Bertogne en Sainte-Ode in DN 50 tot 200 mm.
2.3.5. De toevoerleiding Luzery. - Houffalize.
2.3.6. De toevoerleiding Noville. - Michamps.
2.3.7. De toevoerleiding Luzery. - Bastenaken.
2.3.8. De toevoerleiding Strainchamps. - Fauvillers. - Ebly.
2.3.9. De leidingen voor de aansluiting op de gemeentelijke reservoirs, met inbegrip van de hydraulische uitrusting van die leidingen betreffende de installaties van : Bertogne, Compogne, Longchamps, Noville Haut et Bas, Mabompré, Houffalize, Milchamps, Bastenaken, Senonchamps, Sainlez, Martelange, Fauvillers et Witry.
2.3.10. De afsluiterputten, de kamers voor ontluchting en splitsingen van de hoge punten.
2.3.11. De watertoren van Luzery (3 000 m3).
2.3.12. De hydraulische, mechanische en elektrische uitrustingen, de bedienings- en controletoestellen, alsook alle aanhorigheden die nodig zijn voor de exploitatie van de installaties op de hoogvlakte van Bastenaken.
DN van bovenbedoelde installaties : 60 à 400 mm.
2.4. Leidingen van de "Bouclage Ouest de Charleroi".
2.4.1. Leiding van DN 500, 600 en 700 mm tussen Fontaine-l'Evêque (Forchies) en Gerpinnes (Loverval).
2.4.2. Leiding DN 400 mm naar Fontaine-l'Evêque.
2.4.3. Leiding DN 600 mm tussen Aiseau en Châtelet.
2.4.4. Leiding DN 400 mm tussen Châtelet en Châtelineau.
2.4.5. Leiding DN 700 mm tussen Aiseau en Presles.
2.5. Toevoerleiding Néblon. - Aywaille
2.5.1. Leiding Néblon (Comblain-la-Tour). - pompstation Crétalles DN 350.
2.5.2. Pompstation en reservoir Crétalles (Comblain-la-Tour) 500 m3.
2.5.3. Leiding Crétalles. - reservoir van Xhoris DN 350.
2.5.4. Reservoir van Xhoris 1 000 m3.
2.5.5. Leiding Xhoris. - Aywaille DN 350.
2.5.6. Aansluiting van Awan op de leiding Néblon. - Aywaille DN 2000.
2.5.7. Reservoir van Awan (200 m3).
2.5.8. Versterking van de toevoer naar Chambralles en Hoyémont.
3. TERREINEN.
De terreinen binnen de grenzen waarvan de gebouwen, constructies en leidingen bedoeld in 1.1 tot 1.2 zijn gelegen (innemingen van de ondergrond, non aedificandi zones en erfdienstbaarheden), alsook het geheel van de aanpalende terreinen met grasperken en beboste ruimten.
4. ROERENDE GOEDEREN.
Met name het rollend materieel, de materialen en stoffen, de werktuigen, het kantoormateriaal, het telecommunicatiemateriaal, de specifieke software, zoals opgenomen in de op 16 maart 2001 opgemaakte fysische inventaris van het "Entreprise régionale de production et d'adduction d'eau".
Het saldo van de schatkist van de "ERPE" na aanzuivering van de verbintenissen vastgesteld op 31 december 2000 betreffende de aanbestedingen waarvoor de "S.W.D.E." als bouwheer optreedt
5. ALLERLEI GOEDEREN
5.1. een stalen leiding DN 600 van de reservoir van Sart te Cokaifagne (Baronheid);
5.2. een leiding tussen Marcourt en Lignières DN 300 mm;
5.3. een stalen leiding DN 800 mm tussen de rue Elva en de rue des Priesses te Flémalle.
6. CARTOGRAFISCHE STEUN
De bovenvermelde onroerende goederen b worden aangegeven op een kaart.
De kaarten liggen ter inzage op de maatschappelijke zetel van de SWDE.
Hierna volgt de lijst van de kaarten :
Plan van het patrimonium ERPE./S.W.D.E. nr. 1.
Provincie Luxemburg : Complex van de Ourthe.
Toevoerleidingen van Noord-Luxemburg.
Toevoerleidingen van de hoogvlakte van Bastenaken.
Plan van het patrimonium ERPE./S.W.D.E. nr. 2.
Provincie Luik : Complex van de Vesder.
Complex van de Gileppe.
Toevoerleidingen Eupen-Seraing-Thiba.
Toevoerleidingen Néblon-Aywaille.
Plan van het patrimonium ERPE./S.W.D.E. nr. 3.
Provincie Henegouwen : Complex van de Ry de Rome.
Toevoerleidingen van de Ry de Rome.
Plan van het patrimonium ERPE./S.W.D.E. nr. 4.
Provincie Henegouwen : Bouclage Ouest de Charleroi.
Plan van het patrimonium ERPE./S.W.D.E. nr. 5.
Provincie Namen : Complex van de Ry de Rome.
Toevoerleidingen van de Ry de Rome.
1. INSTALLATIES VOOR WATERPRODUCTIE EN -TOEVOER
1.1. (NOTA : niet vertaald)
1.1.1. Het gebouw gebruikt als waterbehandelingsstation, met inbegrip van de toevoerleidingen aangelegd in de tunnel onder de overloop en in de stuwdam zelf, incluis hun veiligheidskleppen.
1.1.2. De installaties voor elektriciteitsproductie (turbines, alternatoren, elektrische en elektromechanische uitrustingen) die zich onderaan de stuwdam bevinden, met inbegrip van alle toegangsleidingen.
1.1.3. De bijbehorende constructies, met name :
1.1.3.1. Een hal voor het afladen van reagentia, gelegen op de heuvel op de rechteroever van de stuwdam, alsmede de reagentialeidingen tussen de hal en het behandelingsstation.
Een slibbezinkingsinstallatie op de rechteroever stroomafwaarts van het station, bestaande uit vijf bekkens en uit opslagplaatsen.
1.1.3.3. Een geijkte weegbrug voor de kwantitatieve controle op de stortgoederenleveringen.
1.1.3.4. Een bovenste reservoir van 50 000 m3 voor de opslag van het behandelde water en twee dienstreservoirs van 60 m3, het ene op de linkeroever en het andere op de rechteroever van het meer, alsmede de leidingen die de twee reservoirs met het behandelingsstation verbinden.
1.1.3.5. De stuwdamhuizen gelegen op de heuvel op de linkeroever van de stuwdam (6 dubbelhuizen, de garages, het transformatorstation en de toegang ertoe), met uitzondering van het huis van de stuwdamwachter.
1.2. Complex van het waterbehandelingsstation van de Gileppe te Stembert (Verviers).
1.2.1. Een gebouw gebruikt als waterbehandelingsstation.
1.2.2. De bijbehorende constructies, met name :
1.2.2.1. Een reservoir van 30 000 m3 (Bronde).
1.2.2.2. Een reservoir van 30 000 m3 (La Louveterie).
1.2.2.3. Een opslaghal met een entrepot van 400 m2, kantoren en werkplaatsen.
1.2.2.4. Een 300 m lang betonnen aquaductgedeelte van de Gileppe.
1.2.2.5. Een betonnen doorstroomopening tussen het behandelingsstation en het reservoir van Bronde. Die doorstroomopening beschikt op het aquaduct over een kamer voor de opvang van ruw water.
1.2.2.6. Een lokaal genoemd restitutiekamer naar het aquaduct (gedeelte bestemd voor het behandelde water)
1.2.3. De volgende leidingen :
1.2.3.1. Twee stalen leidingen DN 800 mm tussen de reservoirs van Bronde en La Louveterie, met inbegrip van een zuigkamer, een lozingskamer en een wateropvangkamer voor de cliënt.
1.2.3.2. Twee stalen leidingen DN 800 mm tussen het reservoir van Bronde en de restitutiekamer naar het aquaduct, met inbegrip van de lozingskamer.
1.2.3.3. Twee stalen leidingen DN 800 mm tussen het reservoir van Bronde en kamer 9bis van de toevoerleiding Eupen. - Seraing. - Thiba, met inbegrip van de lozingskamer.
1.2.3.4. Een betonnen leiding DN 600 mm voor de afvoer van het regenwater van het station naar de Vesder.
1.2.3.5. Een betonnen leiding DN 400 mm voor de afvoer van het industriële afvalwater van het station naar de collector van de Vesder.
1.2.3.6. Een betonnen leiding DN 600 mm vanaf het station voor de regenwaterafvoer van het reservoir van La Louveterie naar la Bovegnée.
1.2.3.7. De toevoerleidingen en het reservoir naar het circuit van Francorchamps en Stavelot :
1.2.3.7.1. Een stalen leiding DN 600 van Tiège naar het reservoir van Sart
1.2.3.7.2. Een reservoir van 1 500 m3 te Sart.
1.3. Toevoer Eupen. - Verviers. - Seraing. - Thiba
1.3.1. De leidingen met diverse DN (1 100, 900 en 800 mm), de afsluiterputten, de lokalen voor de luchtgaten, lozingen, ontlastingskleppen en brandkranen, alsmede de elektromechanische installaties tussen het waterbehandelingsstation van Eupen en de Maas te Flémalle, met inbegrip van de Maashevel.
1.3.2. De leiding DN 250 mm die de toppen van Eupen bevoorraadt.
1.3.3. De woningen van het personeel dat toeziet op de toevoerleidingen : 2 huizen gelegen te Petit-Rechain, route de Battice nrs. 99 en 101, 2 huizen gelegen te Romsée, avenue Colonel Piron nrs. 116 en 137.
1.3.4. De leidingen, kamers, lokalen en uitrustingen die deel uitmaken van de verbinding tussen de stuwdammen van de Vesder en de Gileppe.
1.3.5. De leidingen, kamers, lokalen en uitrustingen die deel uitmaken van de verbinding Maas. - Hollogne. - Thiba.
1.3.5.1. Een gesplitste stalen leiding DN 800 mm tussen de Maashevel en de rue Elva te Flémalle.
1.3.5.2. Een stalen leiding DN 800 mm tussen de rue des Priesses en de rue des Anes te Grâce-Hollogne.
1.3.5.3. Een stalen leiding DN 700 mm tussen de rue des Anes en het reservoir van Thiba, die het eigendom is van de "C.I.L.E.".
1.4. Complex van het waterbehandelingsstation van de Ourthe te Nisramont
1.4.1. Een gebouw en de uitbreidingen ervan, gebruikt als waterbehandelingsstation, met inbegrip van de leidingen en afsluiters van ruw water tot aan de stuwdammuur, alsmede de slibbehandelingsinstallaties.
1.4.2. De installaties voor elektriciteitsproductie (turbines, alternatoren, elektrische en elektromechanische uitrustingen) gelegen aan de voet van de stuwdam, met inbegrip van de toegangsleidingen.
1.4.3. De bijbehorende constructies, met name :
1.4.3.1.De stuwdamhuizen en -appartementen op de linkeroever van de stuwdam, alsmede de toegangswegen, het transformatorstation, de garages, met uitzondering van het huis en de garage van de stuwdamwachter.
1.4.3.2. Een geheel van twee reservoirs van 3 000 m3 voor de opslag van het behandelde water, met inbegrip van het pompstation, het transformatorstation en de toegangsweg.
1.4.3.3. De gebouwen en uitrustingen van het reservoir (12 000 m3) te Ortho.
1.4.4.De twee toevoerleidingen DN 400 mm tussen het station en de reservoirs, met inbegrip van de kamers voor lozingen, wateropvang, afsluit- en koppelingskleppen van beide leidingen, alsmede de drukpiekbeveiliging.
1.5. Complex van het waterbehandelingsstation van de Ry de Rome te Pétigny (Couvin)
1.5.1. Een gebouw gebruikt voor de behandeling van het water van het meer van de Ry de Rome.
1.5.2. De bijbehorende constructies, met name :
1.5.2.1. Een bovenste reservoir van 5 000 m3 voor de opslag van behandeld water, met inbegrip van het aanpalende gebouw voor de afsluiters.
1.5.2.2. Een doorstromingsopening tussen het behandelingsgebouw en de bovenste reservoir.
1.5.2.3. Leidingen DN 200 mm, buiten de gebouwen aangelegd tussen de place Général Piron en Olloy.
1.5.2.4. Een opslaghal.
1.5.2.5. Twee vijvers voor de opvang van het afvalwater.
1.5.3. De hydraulische, mechanische en elektrische uitrustingen, de bedienings- en controleapparatuur, alsook alle aanhorigheden die nodig zijn voor de exploitatie van het zuiveringsstation en in bovenbedoelde gebouwen ondergebracht zijn.
1.5.4. De toevoerleidingen uit rekbaar gietijzer
1.5.4.1. Couvin. - Olloy DN 150 mm.
1.5.4.2. Ry de Rome. - Oignies. - Le Mesnil DN (160-110) mm.
1.5.4.3. Fonds de l'Eau. - Presgaux. - Aublain DN 150 mm.
1.5.4.4. Mariembourg. - Les Vercons DN 300 mm.
1.5.4.5. Les Vercons. - Samart DN 250 mm.
1.5.4.6. Olloy-sur-Viroin. - Mazée. - Niverlée DN 150 mm.
1.5.4.7. Les Vercons. - Cerfontaine DN 300 mm.
1.5.4.8. Olloy-sur-Viroin. - Reservoir K2 DN 150 mm.
1.5.4.9. Splitsing Ry de Rome. - Mariembourg DN 400 mm.
1.5.4.10. Samart. - Sautour. - Merlemont DN 150 mm.
1.5.4.11. Olloy-sur-Viroin. - Dourbes DN 100 mm.
1.5.4.12. Cerfontaine. - Fourbechies DN 150 mm.
1.5.4.13. Pont du Roy. - Cul des Sarts DN 250 mm.
1.5.4.14. Philippeville. - Florennes DN 200 mm.
1.5.5. De pompstations en reservoirs :
1.5.5.1. Pompstation Ry de Rome naar Oignies
1.5.5.2. Pompstation Fond de l'Eau naar Presgaux
1.5.5.3. Pompstation van Mariembourg naar Philippeville
1.5.5.4. Pompstation van Samart
1.5.5.5. Pompstation van Treignes
1.5.5.6. Reservoir van Oignies
1.5.5.7. Reservoir van Presgaux
1.5.5.8. Reservoir K2.
1.6. De gebouwen van de "Unité Pilote" gelegen in het complex van de Vesder
2. WATERTOEVOER.
2.1. De toevoer vanuit Noord-Luxemburg van diverse DN tussen 50 en 500 mm
2.1.1. De leiding Ortho. - Bande. - Soy, met inbegrip van de toevoerleidingen naar Erneuville, Beausaint, Rendeux, Hodister, Grimblemont, Verdenne, Marenne, Bourdon, Waharday et Hotton.
2.1.2. De leiding Bande. - Nassogne. - Rochefort, met inbegrip van de toevoerleidingen naar Masbourg, Forrières, Lesterny, Jemelle et Nassogne.
2.1.3. De leiding Bande. - Waha. - On, met inbegrip van de toevoerleidingen naar Harsin, Aye en Humain.
2.1.4. De leiding voor de watervoorziening van de stad Marche.
2.1.5. De leiding Ortho. - Laroche. - Amonines. - Soy, met inbegrip van de toevoer naar Marcourt.
2.1.6. De leiding Soy. - Heid. - Izier, met inbegrip van de toevoerleidingen naar Fanzel, Mormont, Hoursinne, Rideux, Aisne, Villers-Sainte-Gertrude, Vieuxville, Bomal, Izier et Vieux Fourneau.
2.1.7. De leiding voor de watervoorziening van Barvaux.
2.1.8. De leiding Izier. - Tohogne.
2.1.9. De leidingen Izier. - Xhoris en Izier. - Ferrières.
2.1.10. Het overdrukstation van Ortho.
2.1.11. De watertoren van Izier en haar overdrukinstallaties.
2.1.12. De reservoirs voor drukonderbreking van Ambly, Roy, Hotton, Barvaux et Heyd.
2.1.13. De leidingen voor de aansluiting op de hoofdreservoirs van de gemeentelijke netwerken en van de 'S.W.D.E.'.
2.1.14. De afsluiterputten, de kamers voor de ontluchting, splitsingen en hoge punten.
2.2. Werken voor de versterking van de toevoerleiding van Noord-Luxemburg
2.2.1. Splitsing van de verbinding Ortho. - Laroche in DN 500 mm.
2.2.2. Verbinding Lignières. - Roy. - Marche in DN 300 mm, met inbegrip van het gebouw voor de drukonderbreking.
2.2.3. Versterking van de toevoer naar Hargimont in DN 150 mm.
2.3. De werken op de hoogvlakte van Bastenaken.
2.3.1. Verbinding Ortho. - Luzery in DN 400 mm.
2.3.2. Het reservoir van Luzery (5 000 m3), met inbegrip van de elektromechanische installaties.
2.3.3. De toevoerleiding Luzery. - Senonchamps. - Sainlez. - Strainchamps. - Martelange.
2.3.4. De leiding tussen Bertogne en Sainte-Ode in DN 50 tot 200 mm.
2.3.5. De toevoerleiding Luzery. - Houffalize.
2.3.6. De toevoerleiding Noville. - Michamps.
2.3.7. De toevoerleiding Luzery. - Bastenaken.
2.3.8. De toevoerleiding Strainchamps. - Fauvillers. - Ebly.
2.3.9. De leidingen voor de aansluiting op de gemeentelijke reservoirs, met inbegrip van de hydraulische uitrusting van die leidingen betreffende de installaties van : Bertogne, Compogne, Longchamps, Noville Haut et Bas, Mabompré, Houffalize, Milchamps, Bastenaken, Senonchamps, Sainlez, Martelange, Fauvillers et Witry.
2.3.10. De afsluiterputten, de kamers voor ontluchting en splitsingen van de hoge punten.
2.3.11. De watertoren van Luzery (3 000 m3).
2.3.12. De hydraulische, mechanische en elektrische uitrustingen, de bedienings- en controletoestellen, alsook alle aanhorigheden die nodig zijn voor de exploitatie van de installaties op de hoogvlakte van Bastenaken.
DN van bovenbedoelde installaties : 60 à 400 mm.
2.4. Leidingen van de "Bouclage Ouest de Charleroi".
2.4.1. Leiding van DN 500, 600 en 700 mm tussen Fontaine-l'Evêque (Forchies) en Gerpinnes (Loverval).
2.4.2. Leiding DN 400 mm naar Fontaine-l'Evêque.
2.4.3. Leiding DN 600 mm tussen Aiseau en Châtelet.
2.4.4. Leiding DN 400 mm tussen Châtelet en Châtelineau.
2.4.5. Leiding DN 700 mm tussen Aiseau en Presles.
2.5. Toevoerleiding Néblon. - Aywaille
2.5.1. Leiding Néblon (Comblain-la-Tour). - pompstation Crétalles DN 350.
2.5.2. Pompstation en reservoir Crétalles (Comblain-la-Tour) 500 m3.
2.5.3. Leiding Crétalles. - reservoir van Xhoris DN 350.
2.5.4. Reservoir van Xhoris 1 000 m3.
2.5.5. Leiding Xhoris. - Aywaille DN 350.
2.5.6. Aansluiting van Awan op de leiding Néblon. - Aywaille DN 2000.
2.5.7. Reservoir van Awan (200 m3).
2.5.8. Versterking van de toevoer naar Chambralles en Hoyémont.
3. TERREINEN.
De terreinen binnen de grenzen waarvan de gebouwen, constructies en leidingen bedoeld in 1.1 tot 1.2 zijn gelegen (innemingen van de ondergrond, non aedificandi zones en erfdienstbaarheden), alsook het geheel van de aanpalende terreinen met grasperken en beboste ruimten.
4. ROERENDE GOEDEREN.
Met name het rollend materieel, de materialen en stoffen, de werktuigen, het kantoormateriaal, het telecommunicatiemateriaal, de specifieke software, zoals opgenomen in de op 16 maart 2001 opgemaakte fysische inventaris van het "Entreprise régionale de production et d'adduction d'eau".
Het saldo van de schatkist van de "ERPE" na aanzuivering van de verbintenissen vastgesteld op 31 december 2000 betreffende de aanbestedingen waarvoor de "S.W.D.E." als bouwheer optreedt
5. ALLERLEI GOEDEREN
5.1. een stalen leiding DN 600 van de reservoir van Sart te Cokaifagne (Baronheid);
5.2. een leiding tussen Marcourt en Lignières DN 300 mm;
5.3. een stalen leiding DN 800 mm tussen de rue Elva en de rue des Priesses te Flémalle.
6. CARTOGRAFISCHE STEUN
De bovenvermelde onroerende goederen b worden aangegeven op een kaart.
De kaarten liggen ter inzage op de maatschappelijke zetel van de SWDE.
Hierna volgt de lijst van de kaarten :
Plan van het patrimonium ERPE./S.W.D.E. nr. 1.
Provincie Luxemburg : Complex van de Ourthe.
Toevoerleidingen van Noord-Luxemburg.
Toevoerleidingen van de hoogvlakte van Bastenaken.
Plan van het patrimonium ERPE./S.W.D.E. nr. 2.
Provincie Luik : Complex van de Vesder.
Complex van de Gileppe.
Toevoerleidingen Eupen-Seraing-Thiba.
Toevoerleidingen Néblon-Aywaille.
Plan van het patrimonium ERPE./S.W.D.E. nr. 3.
Provincie Henegouwen : Complex van de Ry de Rome.
Toevoerleidingen van de Ry de Rome.
Plan van het patrimonium ERPE./S.W.D.E. nr. 4.
Provincie Henegouwen : Bouclage Ouest de Charleroi.
Plan van het patrimonium ERPE./S.W.D.E. nr. 5.
Provincie Namen : Complex van de Ry de Rome.
Toevoerleidingen van de Ry de Rome.
Art. N4. Annexe IV. - Liste des biens affectés à l'activité de l'ERPE.
1. INSTALLATIONS DE PRODUCTION ET D'ADDUCTION
1.1. Le complexe de la station de traitement des eaux de la Vesdre à Eupen.
1.1.1. Le bâtiment à usage de station de traitement des eaux, y inclus les conduites d'alimentation implantées dans le tunnel sous le déversoir et dans le barrage proprement dit jusque et y compris leurs vannes de garde.
1.1.2. Les installations de production d'électricité (turbines, alternateurs, équipements électriques et électromécaniques) sises au pied du barrage, y inclus toutes les conduites d'accès.
1.1.3. Les constructions annexes qui consistent en :
1.1.3.1. un hall de déchargement des réactifs situé sur la butte en rive droite du barrage, ainsi que les conduites à réactifs reliant le hall à la station de traitement;
1.1.3.2. une installation de décantation des boues, située en rive droite à l'aval de la station, comportant cinq bassins et des aires de dépôts;
1.1.3.3. un pont bascule pour le contrôle quantitatif des livraisons en vrac;
1.1.3.4. un réservoir de tête de 50.000 m3 de capacité, pour le stockage de l'eau traitée et deux réservoirs de service de 60 m3 installés, l'un en rive gauche et l'autre en rive droite du lac, ainsi que les conduites reliant ces deux réservoirs à la station de traitement;
1.1.3.5. les maisons barragistes situées sur la butte en rive gauche du barrage, à l'exception de celle occupée par le garde-barrage (six doubles maisons, leur garage, leur poste de transformation et leur accès).
1.2. Le complexe de la station de traitement des eaux de la Gileppe à Stembert (Verviers).
1.2.1. Un bâtiment à usage de station de traitement des eaux.
1.2.2. Les constructions annexes qui consistent en :
1.2.2.1. un réservoir de 30.000 m3 de capacité (Bronde);
1.2.2.2. un réservoir de 30.000 m3 de capacité (La Louveterie);
1.2.2.3. un hall de stockage comprenant un entrepôt de 400 m2, des bureaux et ateliers;
1.2.2.4. un tronçon d'aqueduc de la Gileppe de 300 mètres de long réalisé en béton;
1.2.2.5. un pertuis réalisé en béton et assurant la liaison entre la station de traitement et le réservoir de Bronde. Ce pertuis comprend une chambre de prise d'eau brute installée sur l'aqueduc;
1.2.2.6. un local appelé chambre de restitution à l'aqueduc (partie destinée à l'eau traitée).
1.2.3. Les conduites suivantes :
1.2.3.1. deux conduites en acier DN 800 mm assurant la liaison entre les réservoirs de Bronde et de La Louveterie, y compris une chambre de ventouse, une chambre de vidange et une chambre de prise client ;
1.2.3.2. deux conduites en acier DN 800 mm assurant la liaison entre le réservoir de Bronde et la chambre de restitution à l'aqueduc, y compris la chambre de vidange;
1.2.3.3. deux conduites en acier DN 800 mm assurant la liaison entre le réservoir de Bronde et la chambre 9bis de l'adduction Eupen - Seraing - Thiba, y compris la chambre de vidange;
1.2.3.4. une conduite en béton DN 600 mm d'évacuation des eaux pluviales de la station vers la Vesdre;
1.2.3.5. une conduite en béton DN 400 mm d'évacuation des eaux usées industrielles de la station vers le collecteur de la Vesdre;
1.2.3.6. une conduite en béton DN 600 mm de la station d'évacuation des eaux pluviales du réservoir de La Louveterie vers la Bovegnée;
1.2.3.7. les conduites d'adduction et réservoir vers le circuit de Francorchamps et Stavelot :
1.2.3.7.1. une conduite en acier DN 600 de Tiege au réservoir de Sart;
1.2.3.7.2. un réservoir de 1.500 m3 à Sart.
1.3. L'adduction Eupen - Verviers - Seraing - Thiba.
1.3.1. Les conduites de DN divers (1.100, 900 et 800 mm), les chambres de vannes d'arrêt, les locaux abritant ventouses, vidanges, reniflards et prises d'incendie, ainsi que les installations électromécaniques, entre la station de traitement des eaux d'Eupen et la Meuse à Flémalle, y compris le siphon en Meuse.
1.3.2. La conduite de DN 250 mm alimentant les points hauts d'Eupen.
1.3.3. Les maisons destinées au logement du personnel de surveillance de l'adduction : 2 maisons sises à Petit-Rechain, route de Battice nos 99 et 101, 2 maisons sises à Romsée, avenue Colonel Piron nos 116 et 137.
1.3.4. Les conduites, chambres, locaux et équipements faisant partie de la liaison entre les retenues de la Vesdre et de la Gileppe.
1.3.5. Les conduites, chambres, locaux et équipements faisant partie de la liaison Meuse - Hollogne - Thiba :
1.3.5.1. une conduite dédoublée en acier DN 800 mm entre le siphon en Meuse et la rue Elva à Flémalle;
1.3.5.2. une conduite en acier DN 800 mm entre la rue des Priesses et la rue des Anes à Grâce-Hollogne;
1.3.5.3. une conduite en acier DN 700 mm entre la rue des Anes et le réservoir de Thiba qui est propriété de la CILE.
1.4. Le complexe de la station de traitement des eaux de l'Ourthe à Nisramont.
1.4.1. Un bâtiment et ses extensions à usage de station de traitement des eaux, y compris les conduites et vannes d'eau brute jusqu'au mur barrage, ainsi que les installations de traitement des boues.
1.4.2. Les installations de production d'électricité (turbines - alternateurs - équipements électriques et électromécaniques) sises au pied du barrage, y compris les conduites d'accès.
1.4.3. Les constructions annexes consistant en :
1.4.3.1. les maisons et appartements barragistes situés en rive gauche du barrage, ainsi que leurs routes d'accès, poste de transformation électrique, garages, à l'exception de la maison et du garage occupés par le garde-barrage;
1.4.3.2. un ensemble de deux réservoirs de 3.000 m3 chacun pour le stockage de l'eau traitée, y compris station de pompage, poste de transformation électrique et route d'accès;
1.4.3.3. les bâtiments et équipements du réservoir de 12.000 m3 à Ortho.
1.4.4. Les deux conduites de refoulement DN 400 mm reliant la station et les réservoirs, y compris les chambres abritant les vidanges, prises maisons, vannes d'arrêt et d'interconnexion des deux conduites, ainsi que le dispositif anti-bélier.
1.5. Le complexe de la station de traitement des eaux du Ry de Rome à Pétigny (Couvin).
1.5.1. Un bâtiment à usage de bâtiment de traitement des eaux du lac du Ry de Rome.
1.5.2. Les constructions annexes consistant en :
1.5.2.1. un réservoir de tête de 5.000 m3 de capacité, pour stockage de l'eau traitée, y compris le bâtiment des vannes contigu;
1.5.2.2. un pertuis de liaison entre le bâtiment de traitement et le réservoir de tête;
1.5.2.3. des conduites DN 200 mm posées à l'extérieur des bâtiments, depuis la place Général Piron jusqu'à Olloy;
1.5.2.4. un hall de stockage;
1.5.2.5. deux étangs de réception des eaux usées.
1.5.3. Les équipements hydrauliques, mécaniques et électriques, les appareils de commande et de contrôle, ainsi que tous les accessoires nécessaires à l'exploitation de la station de traitement installés dans les bâtiments cités ci-dessus.
1.5.4. Les conduites d'adduction en fonte ductile :
1.5.4.1. Couvin - Olloy DN 150 mm;
1.5.4.2. Ry de Rome - Oignies - Le Mesnil DN (160-110) mm;
1.5.4.3. Fonds de l'Eau - Presgaux - Aublain DN 150 mm;
1.5.4.4. Mariembourg - Les Vercons DN 300 mm;
1.5.4.5. Les Vercons - Samart DN 250 mm;
1.5.4.6. Olloy-sur-Viroin - Mazée - Niverlée DN 150 mm;
1.5.4.7. Les Vercons - Cerfontaine DN 300 mm;
1.5.4.8. Olloy-sur-Viroin - Réservoir K2 DN 150 mm;
1.5.4.9. Dédoublement Ry de Rome - Mariembourg DN 400 mm;
1.5.4.10. Samart - Sautour - Merlemont DN 150 mm;
1.5.4.11. Olloy-sur-Viroin - Dourbes DN 100 mm;
1.5.4.12. Cerfontaine - Fourbechies DN 150 mm;
1.5.4.13. Pont du Roy - Cul-des-Sarts DN 250 mm;
1.5.4.14. Philippeville - Florennes DN 200 mm.
1.5.5. Les stations de pompage et réservoirs :
1.5.5.1. pompage Ry de Rome vers Oignies;
1.5.5.2. pompage Fonds de l'Eau vers Presgaux;
1.5.5.3. pompage de Mariembourg vers Philippeville;
1.5.5.4. pompage de Samart;
1.5.5.5. pompage de Treignes;
1.5.5.6. réservoir de Oignies;
1.5.5.7. réservoir de Presgaux;
1.5.5.8. réservoir K2.
1.6. Les bâtiments de l'unité pilote actuellement implantée au complexe de la Vesdre.
2. ADDUCTIONS
2.1. L'adduction du nord du Luxembourg de DN divers s'échelonnant de 50 à 500 mm.
2.1.1. La conduite Ortho - Bande - Soy, y compris les amenées vers Erneuville, Beausaint, Rendeux, Hodister, Grimblemont, Verdenne, Marenne, Bourdon, Waharday et Hotton.
2.1.2. La conduite Bande - Nassogne - Rochefort, y compris les amenées vers Masbourg, Forrières, Lesterny, Jemelle et Nassogne.
2.1.3. La conduite Bande - Waha - On, y compris les amenées vers Harsin, Aye et Humain.
2.1.4. La conduite d'alimentation de la ville de Marche.
2.1.5. La conduite Ortho - Laroche - Amonines - Soy, y compris l'amenée vers Marcourt.
2.1.6. La conduite Soy - Heid - Izier, y compris les amenées vers Fanzel, Mormont, Hoursinne, Rideux, Aisne, Villers-Sainte-Gertrude, Vieuxville, Bomal, Izier et Vieux Fourneau.
2.1.7. La conduite d'alimentation de Barvaux.
2.1.8. La conduite Izier - Tohogne.
2.1.9. Les conduites Izier - Xhoris et Izier - Ferrières.
2.1.10. La station de surpression de Ortho.
2.1.11. Le château d'eau de Izier et ses installations de surpression.
2.1.12. Les réservoirs coupe-pression de Ambly, Roy, Hotton, Barvaux et Heid.
2.1.13. Les conduites de raccordement aux réservoirs de tête des réseaux communaux et de la S.W.D.E.
2.1.14. Les diverses chambres de vannes, de purge, de bifurcations et de points hauts.
2.2. Les ouvrages de renforcement de l'adduction du nord du Luxembourg.
2.2.1. Dédoublement de la liaison Ortho - Laroche en DN 500 mm.
2.2.2. Liaison Lignières - Roy - Marche en DN 300 mm, y compris le bâtiment coupe-pression.
2.2.3. Renforcement de l'alimentation vers Hargimont en DN 150 mm.
2.3. Les ouvrages du plateau de Bastogne.
2.3.1. Liaison Ortho - Luzery en DN 400 mm.
2.3.2. Le réservoir de 5.000 m3 à Luzery, y compris les installations électromécaniques.
2.3.3. La conduite d'adduction Luzery - Senonchamps - Sainlez - Strainchamps - Martelange.
2.3.4. La conduite entre Bertogne et Sainte-Ode en DN de 50 à 200 mm.
2.3.5. La conduite d'adduction Luzery - Houffalize.
2.3.6. La conduite d'adduction Noville - Milchamps.
2.3.7. La conduite d'adduction Luzery - Bastogne.
2.3.8. La conduite d'adduction Strainchamps - Fauvillers - Ebly.
2.3.9. Les conduites de raccordement aux réservoirs communaux, y compris l'équipement hydraulique de ces canalisations concernant les ouvrages de : Bertogne, Compogne, Longchamps, Noville Haut et Bas, Mabompré, Houffalize, Milchamps, Bastogne, Senonchamps, Sainlez, Martelange, Fauvillers et Witry.
2.3.10. Les chambres de vannes, purge et bifurcations des points hauts.
2.3.11. Le château d'eau de Luzery de 1.000 m3.
2.3.12. Les équipements hydrauliques, mécaniques et électriques, les appareils de commande et de contrôle, ainsi que tous les accessoires nécessaires à l'exploitation des ouvrages du plateau de Bastogne.
DN des installations reprises ci-dessus : de 60 à 400 mm.
2.4. Conduites dites du "Bouclage Ouest de Charleroi".
2.4.1. Conduites de DN 500, 600 et 700 mm entre Fontaine-l'Evêque (Forchies) et Gerpinnes (Loverval).
2.4.2. Conduite DN 400 mm vers Fontaine-l'Evêque.
2.4.3. Conduite DN 600 mm entre Aiseau et Châtelet.
2.4.4. Conduite DN 400 mm entre Châtelet et Châtelineau.
2.4.5. Conduite DN 700 mm entre Aiseau et Presles.
2.5. Adduction Néblon - Aywaille.
2.5.1. Conduite Néblon (Comblain-la-Tour) - station de pompage des Crétalles DN 350 mm.
2.5.2. Station de pompage et réservoir des Crétalles (Comblain-la-Tour) 500 m3.
2.5.3. Conduite Crétalles - réservoir de Xhoris DN 350 mm.
2.5.4. Réservoir de Xhoris 1.000 m3.
2.5.5. Conduite Xhoris - Aywaille DN 350 mm.
2.5.6. Raccordement d'Awans sur la liaison Néblon - Aywaille DN 200 mm.
2.5.7. Réservoir d'Awans (200 m3).
2.5.8. Renforcement de l'alimentation de Chambralles et Hoyémont.
3. TERRAINS
Les terrains dans les limites desquels les bâtiments, constructions et conduites cités en 1.1. à 2.2. sont implantés (emprises en sous-sol, zones non aedificandi et servitudes), ainsi que l'ensemble des terrains attenant aux précédents et comportant pelouses et espaces boisés.
4. BIENS MEUBLES
Les biens meubles, notamment le matériel roulant, les matériels et matières, l'outillage, les machines de bureau, le matériel de télécommunications, le software spécifique, tel que repris à l'inventaire physique arrêté au 16 mars 2001 de l'Entreprise régionale de production et d'adduction d'eau.
Le solde de la trésorerie de l'ERPE après apurement des engagements constatés au 31 décembre 2000 relatifs aux marchés dont la S.W.D.E. a reçu la maîtrise des ouvrages.
5. BIENS DIVERS
5.1. Une conduite en acier DN 600 mm du réservoir de Sart à Cockaifagne (Baronheid).
5.2. La conduite entre Marcourt et Lignières DN 300 mm.
5.3. Une conduite en acier DN 800 mm entre la rue Elva à Flémalle et la rue des Priesses.
6. SUPPORT CARTOGRAPHIQUE
Les biens immeubles susvisés sont représentés sous support cartographique.
Les plans sont consultables au siège social de la S.W.D.E.
La liste des cartes est la suivante :
- plan patrimoine ERPE/S.W.D.E. n° 1
province de Luxembourg : complexe de l'Ourthe
adductions du nord Luxembourg
adductions du plateau de Bastogne;
- plan patrimoine ERPE/S.W.D.E. n° 2
province de Liège : complexe de la Vesdre
complexe de la Gileppe
adductions Eupen-Seraing-Thiba
adductions Néblon-Aywaille;
- plan patrimoine ERPE/S.W.D.E. n° 3
province du Hainaut : complexe du Ry de Rome
adductions du Ry de Rome;
- plan patrimoine ERPE/S.W.D.E. n° 4
province du Hainaut : bouclage ouest de Charleroi;
- plan patrimoine ERPE/S.W.D.E. n° 5
province de Namur : complexe du Ry de Rome
adductions du Ry de Rome. ".
1. INSTALLATIONS DE PRODUCTION ET D'ADDUCTION
1.1. Le complexe de la station de traitement des eaux de la Vesdre à Eupen.
1.1.1. Le bâtiment à usage de station de traitement des eaux, y inclus les conduites d'alimentation implantées dans le tunnel sous le déversoir et dans le barrage proprement dit jusque et y compris leurs vannes de garde.
1.1.2. Les installations de production d'électricité (turbines, alternateurs, équipements électriques et électromécaniques) sises au pied du barrage, y inclus toutes les conduites d'accès.
1.1.3. Les constructions annexes qui consistent en :
1.1.3.1. un hall de déchargement des réactifs situé sur la butte en rive droite du barrage, ainsi que les conduites à réactifs reliant le hall à la station de traitement;
1.1.3.2. une installation de décantation des boues, située en rive droite à l'aval de la station, comportant cinq bassins et des aires de dépôts;
1.1.3.3. un pont bascule pour le contrôle quantitatif des livraisons en vrac;
1.1.3.4. un réservoir de tête de 50.000 m3 de capacité, pour le stockage de l'eau traitée et deux réservoirs de service de 60 m3 installés, l'un en rive gauche et l'autre en rive droite du lac, ainsi que les conduites reliant ces deux réservoirs à la station de traitement;
1.1.3.5. les maisons barragistes situées sur la butte en rive gauche du barrage, à l'exception de celle occupée par le garde-barrage (six doubles maisons, leur garage, leur poste de transformation et leur accès).
1.2. Le complexe de la station de traitement des eaux de la Gileppe à Stembert (Verviers).
1.2.1. Un bâtiment à usage de station de traitement des eaux.
1.2.2. Les constructions annexes qui consistent en :
1.2.2.1. un réservoir de 30.000 m3 de capacité (Bronde);
1.2.2.2. un réservoir de 30.000 m3 de capacité (La Louveterie);
1.2.2.3. un hall de stockage comprenant un entrepôt de 400 m2, des bureaux et ateliers;
1.2.2.4. un tronçon d'aqueduc de la Gileppe de 300 mètres de long réalisé en béton;
1.2.2.5. un pertuis réalisé en béton et assurant la liaison entre la station de traitement et le réservoir de Bronde. Ce pertuis comprend une chambre de prise d'eau brute installée sur l'aqueduc;
1.2.2.6. un local appelé chambre de restitution à l'aqueduc (partie destinée à l'eau traitée).
1.2.3. Les conduites suivantes :
1.2.3.1. deux conduites en acier DN 800 mm assurant la liaison entre les réservoirs de Bronde et de La Louveterie, y compris une chambre de ventouse, une chambre de vidange et une chambre de prise client ;
1.2.3.2. deux conduites en acier DN 800 mm assurant la liaison entre le réservoir de Bronde et la chambre de restitution à l'aqueduc, y compris la chambre de vidange;
1.2.3.3. deux conduites en acier DN 800 mm assurant la liaison entre le réservoir de Bronde et la chambre 9bis de l'adduction Eupen - Seraing - Thiba, y compris la chambre de vidange;
1.2.3.4. une conduite en béton DN 600 mm d'évacuation des eaux pluviales de la station vers la Vesdre;
1.2.3.5. une conduite en béton DN 400 mm d'évacuation des eaux usées industrielles de la station vers le collecteur de la Vesdre;
1.2.3.6. une conduite en béton DN 600 mm de la station d'évacuation des eaux pluviales du réservoir de La Louveterie vers la Bovegnée;
1.2.3.7. les conduites d'adduction et réservoir vers le circuit de Francorchamps et Stavelot :
1.2.3.7.1. une conduite en acier DN 600 de Tiege au réservoir de Sart;
1.2.3.7.2. un réservoir de 1.500 m3 à Sart.
1.3. L'adduction Eupen - Verviers - Seraing - Thiba.
1.3.1. Les conduites de DN divers (1.100, 900 et 800 mm), les chambres de vannes d'arrêt, les locaux abritant ventouses, vidanges, reniflards et prises d'incendie, ainsi que les installations électromécaniques, entre la station de traitement des eaux d'Eupen et la Meuse à Flémalle, y compris le siphon en Meuse.
1.3.2. La conduite de DN 250 mm alimentant les points hauts d'Eupen.
1.3.3. Les maisons destinées au logement du personnel de surveillance de l'adduction : 2 maisons sises à Petit-Rechain, route de Battice nos 99 et 101, 2 maisons sises à Romsée, avenue Colonel Piron nos 116 et 137.
1.3.4. Les conduites, chambres, locaux et équipements faisant partie de la liaison entre les retenues de la Vesdre et de la Gileppe.
1.3.5. Les conduites, chambres, locaux et équipements faisant partie de la liaison Meuse - Hollogne - Thiba :
1.3.5.1. une conduite dédoublée en acier DN 800 mm entre le siphon en Meuse et la rue Elva à Flémalle;
1.3.5.2. une conduite en acier DN 800 mm entre la rue des Priesses et la rue des Anes à Grâce-Hollogne;
1.3.5.3. une conduite en acier DN 700 mm entre la rue des Anes et le réservoir de Thiba qui est propriété de la CILE.
1.4. Le complexe de la station de traitement des eaux de l'Ourthe à Nisramont.
1.4.1. Un bâtiment et ses extensions à usage de station de traitement des eaux, y compris les conduites et vannes d'eau brute jusqu'au mur barrage, ainsi que les installations de traitement des boues.
1.4.2. Les installations de production d'électricité (turbines - alternateurs - équipements électriques et électromécaniques) sises au pied du barrage, y compris les conduites d'accès.
1.4.3. Les constructions annexes consistant en :
1.4.3.1. les maisons et appartements barragistes situés en rive gauche du barrage, ainsi que leurs routes d'accès, poste de transformation électrique, garages, à l'exception de la maison et du garage occupés par le garde-barrage;
1.4.3.2. un ensemble de deux réservoirs de 3.000 m3 chacun pour le stockage de l'eau traitée, y compris station de pompage, poste de transformation électrique et route d'accès;
1.4.3.3. les bâtiments et équipements du réservoir de 12.000 m3 à Ortho.
1.4.4. Les deux conduites de refoulement DN 400 mm reliant la station et les réservoirs, y compris les chambres abritant les vidanges, prises maisons, vannes d'arrêt et d'interconnexion des deux conduites, ainsi que le dispositif anti-bélier.
1.5. Le complexe de la station de traitement des eaux du Ry de Rome à Pétigny (Couvin).
1.5.1. Un bâtiment à usage de bâtiment de traitement des eaux du lac du Ry de Rome.
1.5.2. Les constructions annexes consistant en :
1.5.2.1. un réservoir de tête de 5.000 m3 de capacité, pour stockage de l'eau traitée, y compris le bâtiment des vannes contigu;
1.5.2.2. un pertuis de liaison entre le bâtiment de traitement et le réservoir de tête;
1.5.2.3. des conduites DN 200 mm posées à l'extérieur des bâtiments, depuis la place Général Piron jusqu'à Olloy;
1.5.2.4. un hall de stockage;
1.5.2.5. deux étangs de réception des eaux usées.
1.5.3. Les équipements hydrauliques, mécaniques et électriques, les appareils de commande et de contrôle, ainsi que tous les accessoires nécessaires à l'exploitation de la station de traitement installés dans les bâtiments cités ci-dessus.
1.5.4. Les conduites d'adduction en fonte ductile :
1.5.4.1. Couvin - Olloy DN 150 mm;
1.5.4.2. Ry de Rome - Oignies - Le Mesnil DN (160-110) mm;
1.5.4.3. Fonds de l'Eau - Presgaux - Aublain DN 150 mm;
1.5.4.4. Mariembourg - Les Vercons DN 300 mm;
1.5.4.5. Les Vercons - Samart DN 250 mm;
1.5.4.6. Olloy-sur-Viroin - Mazée - Niverlée DN 150 mm;
1.5.4.7. Les Vercons - Cerfontaine DN 300 mm;
1.5.4.8. Olloy-sur-Viroin - Réservoir K2 DN 150 mm;
1.5.4.9. Dédoublement Ry de Rome - Mariembourg DN 400 mm;
1.5.4.10. Samart - Sautour - Merlemont DN 150 mm;
1.5.4.11. Olloy-sur-Viroin - Dourbes DN 100 mm;
1.5.4.12. Cerfontaine - Fourbechies DN 150 mm;
1.5.4.13. Pont du Roy - Cul-des-Sarts DN 250 mm;
1.5.4.14. Philippeville - Florennes DN 200 mm.
1.5.5. Les stations de pompage et réservoirs :
1.5.5.1. pompage Ry de Rome vers Oignies;
1.5.5.2. pompage Fonds de l'Eau vers Presgaux;
1.5.5.3. pompage de Mariembourg vers Philippeville;
1.5.5.4. pompage de Samart;
1.5.5.5. pompage de Treignes;
1.5.5.6. réservoir de Oignies;
1.5.5.7. réservoir de Presgaux;
1.5.5.8. réservoir K2.
1.6. Les bâtiments de l'unité pilote actuellement implantée au complexe de la Vesdre.
2. ADDUCTIONS
2.1. L'adduction du nord du Luxembourg de DN divers s'échelonnant de 50 à 500 mm.
2.1.1. La conduite Ortho - Bande - Soy, y compris les amenées vers Erneuville, Beausaint, Rendeux, Hodister, Grimblemont, Verdenne, Marenne, Bourdon, Waharday et Hotton.
2.1.2. La conduite Bande - Nassogne - Rochefort, y compris les amenées vers Masbourg, Forrières, Lesterny, Jemelle et Nassogne.
2.1.3. La conduite Bande - Waha - On, y compris les amenées vers Harsin, Aye et Humain.
2.1.4. La conduite d'alimentation de la ville de Marche.
2.1.5. La conduite Ortho - Laroche - Amonines - Soy, y compris l'amenée vers Marcourt.
2.1.6. La conduite Soy - Heid - Izier, y compris les amenées vers Fanzel, Mormont, Hoursinne, Rideux, Aisne, Villers-Sainte-Gertrude, Vieuxville, Bomal, Izier et Vieux Fourneau.
2.1.7. La conduite d'alimentation de Barvaux.
2.1.8. La conduite Izier - Tohogne.
2.1.9. Les conduites Izier - Xhoris et Izier - Ferrières.
2.1.10. La station de surpression de Ortho.
2.1.11. Le château d'eau de Izier et ses installations de surpression.
2.1.12. Les réservoirs coupe-pression de Ambly, Roy, Hotton, Barvaux et Heid.
2.1.13. Les conduites de raccordement aux réservoirs de tête des réseaux communaux et de la S.W.D.E.
2.1.14. Les diverses chambres de vannes, de purge, de bifurcations et de points hauts.
2.2. Les ouvrages de renforcement de l'adduction du nord du Luxembourg.
2.2.1. Dédoublement de la liaison Ortho - Laroche en DN 500 mm.
2.2.2. Liaison Lignières - Roy - Marche en DN 300 mm, y compris le bâtiment coupe-pression.
2.2.3. Renforcement de l'alimentation vers Hargimont en DN 150 mm.
2.3. Les ouvrages du plateau de Bastogne.
2.3.1. Liaison Ortho - Luzery en DN 400 mm.
2.3.2. Le réservoir de 5.000 m3 à Luzery, y compris les installations électromécaniques.
2.3.3. La conduite d'adduction Luzery - Senonchamps - Sainlez - Strainchamps - Martelange.
2.3.4. La conduite entre Bertogne et Sainte-Ode en DN de 50 à 200 mm.
2.3.5. La conduite d'adduction Luzery - Houffalize.
2.3.6. La conduite d'adduction Noville - Milchamps.
2.3.7. La conduite d'adduction Luzery - Bastogne.
2.3.8. La conduite d'adduction Strainchamps - Fauvillers - Ebly.
2.3.9. Les conduites de raccordement aux réservoirs communaux, y compris l'équipement hydraulique de ces canalisations concernant les ouvrages de : Bertogne, Compogne, Longchamps, Noville Haut et Bas, Mabompré, Houffalize, Milchamps, Bastogne, Senonchamps, Sainlez, Martelange, Fauvillers et Witry.
2.3.10. Les chambres de vannes, purge et bifurcations des points hauts.
2.3.11. Le château d'eau de Luzery de 1.000 m3.
2.3.12. Les équipements hydrauliques, mécaniques et électriques, les appareils de commande et de contrôle, ainsi que tous les accessoires nécessaires à l'exploitation des ouvrages du plateau de Bastogne.
DN des installations reprises ci-dessus : de 60 à 400 mm.
2.4. Conduites dites du "Bouclage Ouest de Charleroi".
2.4.1. Conduites de DN 500, 600 et 700 mm entre Fontaine-l'Evêque (Forchies) et Gerpinnes (Loverval).
2.4.2. Conduite DN 400 mm vers Fontaine-l'Evêque.
2.4.3. Conduite DN 600 mm entre Aiseau et Châtelet.
2.4.4. Conduite DN 400 mm entre Châtelet et Châtelineau.
2.4.5. Conduite DN 700 mm entre Aiseau et Presles.
2.5. Adduction Néblon - Aywaille.
2.5.1. Conduite Néblon (Comblain-la-Tour) - station de pompage des Crétalles DN 350 mm.
2.5.2. Station de pompage et réservoir des Crétalles (Comblain-la-Tour) 500 m3.
2.5.3. Conduite Crétalles - réservoir de Xhoris DN 350 mm.
2.5.4. Réservoir de Xhoris 1.000 m3.
2.5.5. Conduite Xhoris - Aywaille DN 350 mm.
2.5.6. Raccordement d'Awans sur la liaison Néblon - Aywaille DN 200 mm.
2.5.7. Réservoir d'Awans (200 m3).
2.5.8. Renforcement de l'alimentation de Chambralles et Hoyémont.
3. TERRAINS
Les terrains dans les limites desquels les bâtiments, constructions et conduites cités en 1.1. à 2.2. sont implantés (emprises en sous-sol, zones non aedificandi et servitudes), ainsi que l'ensemble des terrains attenant aux précédents et comportant pelouses et espaces boisés.
4. BIENS MEUBLES
Les biens meubles, notamment le matériel roulant, les matériels et matières, l'outillage, les machines de bureau, le matériel de télécommunications, le software spécifique, tel que repris à l'inventaire physique arrêté au 16 mars 2001 de l'Entreprise régionale de production et d'adduction d'eau.
Le solde de la trésorerie de l'ERPE après apurement des engagements constatés au 31 décembre 2000 relatifs aux marchés dont la S.W.D.E. a reçu la maîtrise des ouvrages.
5. BIENS DIVERS
5.1. Une conduite en acier DN 600 mm du réservoir de Sart à Cockaifagne (Baronheid).
5.2. La conduite entre Marcourt et Lignières DN 300 mm.
5.3. Une conduite en acier DN 800 mm entre la rue Elva à Flémalle et la rue des Priesses.
6. SUPPORT CARTOGRAPHIQUE
Les biens immeubles susvisés sont représentés sous support cartographique.
Les plans sont consultables au siège social de la S.W.D.E.
La liste des cartes est la suivante :
- plan patrimoine ERPE/S.W.D.E. n° 1
province de Luxembourg : complexe de l'Ourthe
adductions du nord Luxembourg
adductions du plateau de Bastogne;
- plan patrimoine ERPE/S.W.D.E. n° 2
province de Liège : complexe de la Vesdre
complexe de la Gileppe
adductions Eupen-Seraing-Thiba
adductions Néblon-Aywaille;
- plan patrimoine ERPE/S.W.D.E. n° 3
province du Hainaut : complexe du Ry de Rome
adductions du Ry de Rome;
- plan patrimoine ERPE/S.W.D.E. n° 4
province du Hainaut : bouclage ouest de Charleroi;
- plan patrimoine ERPE/S.W.D.E. n° 5
province de Namur : complexe du Ry de Rome
adductions du Ry de Rome. ".
Art. N5. [1 Bijlage V
Art. N5. [1 Annexe V
1. Identificatie van de ecoregio's en typen oppervlaktewaterlichamen
1. Identification des écorégions et types de masses d'eau de surface
1.1. Rivieren
1.1. Rivières
| Vaste typering | Descriptoren |
| Alternatieve karakterisering | Fysische en chemische factoren die bepalend zijn voor de kenmerken van de rivier of een deel ervan en dientengevolge voor structuur en samenstelling van de biologische populatie |
| Verplichte factoren | Hoogte Breedtegraad Lengtegraad Geologie Grootte |
| Facultatieve factoren | Afstand van de bron van de rivier Stromingsenergie (functie van stroming en verval) Gemiddelde waterbreedte Gemiddelde waterdiepte Gemiddeld waterverval Vorm en profiel van de hoofdrivierbedding Rivierdebiet-(stromings-)categorie Vorm van het dal Vorm van het dal Zuurneutraliserend vermogen Gemiddelde samenstelling van het substraat Chloride Bereik van de luchttemperatuur Gemiddelde luchttemperatuur Neerslag |
| Typologie fixe | Descripteurs |
| Caractérisation alternative | Facteurs physiques et chimiques qui déterminent les caractéristiques de la rivière ou du tronçon de rivière et, donc, la structure de la composition de la population biologique |
| Facteurs obligatoires | Altitude Latitude Longitude Géologie Dimension |
| Facteurs facultatifs | Distance depuis la source de la rivière Energie du flux (en fonction du flux et de la pente) Largeur moyenne de l'eau Profondeur moyenne de l'eau Pente moyenne de l'eau Forme du lit principal de la rivière Catégorie de débit de la rivière Forme de la vallée Transport de solides Capacité de neutralisation de l'acide Composition moyenne du substrat Chlorure Limites des températures de l'air Température moyenne de l'air Précipitations |
Vaste typeringDescriptoren
Alternatieve karakteriseringFysische en chemische factoren die bepalend zijn voor de kenmerken van de rivier of een deel ervan en dientengevolge voor structuur en samenstelling van de biologische populatie
Verplichte factorenHoogte
Breedtegraad
Lengtegraad
Geologie
Grootte
Facultatieve factorenAfstand van de bron van de rivier
Stromingsenergie (functie van stroming en verval)
Gemiddelde waterbreedte
Gemiddelde waterdiepte
Gemiddeld waterverval
Vorm en profiel van de hoofdrivierbedding
Rivierdebiet-(stromings-)categorie
Vorm van het dal
Vorm van het dal
Zuurneutraliserend vermogen
Gemiddelde samenstelling van het substraat
Chloride
Bereik van de luchttemperatuur
Gemiddelde luchttemperatuur
Neerslag
Alternatieve karakteriseringFysische en chemische factoren die bepalend zijn voor de kenmerken van de rivier of een deel ervan en dientengevolge voor structuur en samenstelling van de biologische populatie
Verplichte factorenHoogte
Breedtegraad
Lengtegraad
Geologie
Grootte
Facultatieve factorenAfstand van de bron van de rivier
Stromingsenergie (functie van stroming en verval)
Gemiddelde waterbreedte
Gemiddelde waterdiepte
Gemiddeld waterverval
Vorm en profiel van de hoofdrivierbedding
Rivierdebiet-(stromings-)categorie
Vorm van het dal
Vorm van het dal
Zuurneutraliserend vermogen
Gemiddelde samenstelling van het substraat
Chloride
Bereik van de luchttemperatuur
Gemiddelde luchttemperatuur
Neerslag
Typologie fixeDescripteurs
Caractérisation alternativeFacteurs physiques et chimiques qui déterminent les caractéristiques de la rivière ou du tronçon de rivière et, donc, la structure de la composition de la population biologique
Facteurs obligatoiresAltitude
Latitude
Longitude
Géologie
Dimension
Facteurs facultatifsDistance depuis la source de la rivière
Energie du flux (en fonction du flux et de la pente)
Largeur moyenne de l'eau
Profondeur moyenne de l'eau
Pente moyenne de l'eau
Forme du lit principal de la rivière
Catégorie de débit de la rivière
Forme de la vallée
Transport de solides
Capacité de neutralisation de l'acide
Composition moyenne du substrat
Chlorure
Limites des températures de l'air
Température moyenne de l'air
Précipitations
Caractérisation alternativeFacteurs physiques et chimiques qui déterminent les caractéristiques de la rivière ou du tronçon de rivière et, donc, la structure de la composition de la population biologique
Facteurs obligatoiresAltitude
Latitude
Longitude
Géologie
Dimension
Facteurs facultatifsDistance depuis la source de la rivière
Energie du flux (en fonction du flux et de la pente)
Largeur moyenne de l'eau
Profondeur moyenne de l'eau
Pente moyenne de l'eau
Forme du lit principal de la rivière
Catégorie de débit de la rivière
Forme de la vallée
Transport de solides
Capacité de neutralisation de l'acide
Composition moyenne du substrat
Chlorure
Limites des températures de l'air
Température moyenne de l'air
Précipitations
1.2. Meren
1.2. Lacs
| Alternatieve karakterisering | Fysische en chemische factoren die bepalend zijn voor de kenmerken van het meer en dientengevolge voor structuur en samenstelling van de biologische populatie |
| Verplichte factoren | Hoogte Breedtegraad Lengtegraad Geologie Grootte |
| Facultatieve factoren | Gemiddelde waterdiepte Vorm van het meer Verblijftijd Gemiddelde luchttemperatuur Bereik van de luchttemperatuur Mengkarakteristieken (bv. monomictisch, dimictisch, polymictisch Zuurneutraliserend vermogen Achtergrondtoestand van de nutriënten Gemiddelde samenstelling van het substraat Fluctuatie van het waterniveau |
| Caractérisation alternative | Facteurs physiques et chimiques qui déterminent les caractéristiques du lac et, donc, la structure et ma composition de la population biologique |
| Facteurs obligatoires | Altitude Latitude Longitude Géologie Dimension |
| Facteurs facultatifs | Hauteur moyenne de l'eau Forme du lac Temps de résidence Température moyenne de l'air Limites des températures de l'air Caractéristiques de mixage (par exemple monomictique, dimictique, polymictique) Capacité de neutralisation de l'acide Etat de fond des nutriments Composition moyenne du substrat Fluctuations du niveau de l'eau |
Alternatieve karakteriseringFysische en chemische factoren die bepalend zijn voor de kenmerken van het meer en dientengevolge voor structuur en samenstelling van de biologische populatie
Verplichte factorenHoogte
Breedtegraad
Lengtegraad
Geologie
Grootte
Facultatieve factorenGemiddelde waterdiepte
Vorm van het meer
Verblijftijd
Gemiddelde luchttemperatuur
Bereik van de luchttemperatuur
Mengkarakteristieken (bv. monomictisch, dimictisch, polymictisch
Zuurneutraliserend vermogen
Achtergrondtoestand van de nutriënten
Gemiddelde samenstelling van het substraat
Fluctuatie van het waterniveau
Verplichte factorenHoogte
Breedtegraad
Lengtegraad
Geologie
Grootte
Facultatieve factorenGemiddelde waterdiepte
Vorm van het meer
Verblijftijd
Gemiddelde luchttemperatuur
Bereik van de luchttemperatuur
Mengkarakteristieken (bv. monomictisch, dimictisch, polymictisch
Zuurneutraliserend vermogen
Achtergrondtoestand van de nutriënten
Gemiddelde samenstelling van het substraat
Fluctuatie van het waterniveau
Caractérisation alternativeFacteurs physiques et chimiques qui déterminent les caractéristiques du lac et, donc, la structure et ma composition de la population biologique
Facteurs obligatoiresAltitude
Latitude
Longitude
Géologie
Dimension
Facteurs facultatifsHauteur moyenne de l'eau
Forme du lac
Temps de résidence
Température moyenne de l'air
Limites des températures de l'air
Caractéristiques de mixage (par exemple monomictique, dimictique, polymictique)
Capacité de neutralisation de l'acide
Etat de fond des nutriments
Composition moyenne du substrat
Fluctuations du niveau de l'eau
Facteurs obligatoiresAltitude
Latitude
Longitude
Géologie
Dimension
Facteurs facultatifsHauteur moyenne de l'eau
Forme du lac
Temps de résidence
Température moyenne de l'air
Limites des températures de l'air
Caractéristiques de mixage (par exemple monomictique, dimictique, polymictique)
Capacité de neutralisation de l'acide
Etat de fond des nutriments
Composition moyenne du substrat
Fluctuations du niveau de l'eau
2. Vaststellen van typespecifieke referentieomstandigheden voor typen oppervlaktewaterlichamen
2. Etablissement des conditions de référence caractéristiques des types de masses d'eau de surface
a) Voor elk overeenkomstig artikel D.17-1 gekarakteriseerde type oppervlaktewaterlichaam worden typespecifieke hydromorfologische en fysisch-chemische omstandigheden bepaald die staan voor de waarden van de in punt 1 van bijlage VI van het decretale gedeelte genoemde hydromorfologische en fysisch-chemische kwaliteitselementen, welke voor dat type oppervlaktewaterlichaam behoren bij een zeer goede ecologische toestand zoals omschreven in de toepasselijke tabel in punt 2 van bijlage VI van het decretale gedeelte. Verder worden biologische referentieomstandigheden bepaald die staan voor de waarden van de in punt 1 van bijlage VI van het decretale gedeelte genoemde biologische kwaliteitselementen voor dat type oppervlaktewaterlichaam bij een zeer goede ecologische toestand zoals omschreven in de toepasselijke tabel in punt 2 van bijlage VI van het decretale gedeelte.
b) Bij de toepassing van de in dit punt omschreven procedures op sterk veranderde of kunstmatige oppervlaktewaterlichamen worden verwijzingen naar zeer goede ecologische toestand opgevat als verwijzingen naar het maximale ecologische potentieel zoals omschreven in de tabel in punt 2.3 van bijlage VI van het decretale gedeelte. De waarden voor het maximale ecologische potentieel voor een waterlichaam worden om de zes jaar getoetst.
c) Typespecifieke omstandigheden, zoals bedoeld in 2.a ) en 2.b ), en typespecifieke biologische referentieomstandigheden kunnen ruimtelijk of op modellen gebaseerd zijn, of worden afgeleid door een combinatie van die methoden te gebruiken. Wanneer het niet mogelijk is om die methoden te gebruiken, kan de stroomgebiedautoriteit voor het bepalen van dergelijke omstandigheden het advies van deskundigen inwinnen. Voor het bepalen van een zeer goede ecologische toestand met betrekking tot de concentraties van specifieke synthetische verontreinigende stoffen gelden de detectielimieten die haalbaar zijn met de technieken welke beschikbaar zijn op het tijdstip dat de typespecifieke omstandigheden moeten worden bepaald.
d) Voor op ruimte gebaseerde typespecifieke biologische referentieomstandigheden vormt de stroomgebiedautoriteit voor elk type oppervlaktewaterlichaam een referentienet. Het net bevat een voldoende aantal locaties met een zeer goede toestand zodat een voldoende betrouwbaarheidsgraad van de waarden voor de referentieomstandigheden kan worden bereikt, gelet op de variabiliteit van de waarden van de kwaliteitselementen die voor dat type oppervlaktewaterlichaam overeenkomen met een zeer goede ecologische toestand en de krachtens punt 2.e) toe te passen modelleringstechnieken.
e) Op modellen gebaseerde typespecifieke biologische referentieomstandigheden kunnen worden afgeleid met voorspellingsmodellen of terugrekenmethoden. Bij die methoden worden historische, paleologische en andere beschikbare gegevens gebruikt. De betrouwbaarheidsgraad van de waarden voor de referentieomstandigheden moet voldoende hoog zijn opdat de aldus afgeleide omstandigheden consistent en geldig voor elk type oppervlaktewaterlichaam zijn.
f) Wanneer het voor een kwaliteitselement in een type oppervlaktewaterlichaam niet mogelijk is om betrouwbaretypespecifieke referentieomstandigheden vast te stellen, omdat de natuurlijke variabiliteit in dat element hoog is, niet alleen ten gevolge van seizoensschommelingen, behoeft dat element niet te worden opgenomen in de beoordeling van de ecologische toestand voor dat type oppervlaktewater. In dat geval motiveren de stroomgebiedautoriteit die uitsluiting in het stroomgebiedsbeheersplan.]1
b) Bij de toepassing van de in dit punt omschreven procedures op sterk veranderde of kunstmatige oppervlaktewaterlichamen worden verwijzingen naar zeer goede ecologische toestand opgevat als verwijzingen naar het maximale ecologische potentieel zoals omschreven in de tabel in punt 2.3 van bijlage VI van het decretale gedeelte. De waarden voor het maximale ecologische potentieel voor een waterlichaam worden om de zes jaar getoetst.
c) Typespecifieke omstandigheden, zoals bedoeld in 2.a ) en 2.b ), en typespecifieke biologische referentieomstandigheden kunnen ruimtelijk of op modellen gebaseerd zijn, of worden afgeleid door een combinatie van die methoden te gebruiken. Wanneer het niet mogelijk is om die methoden te gebruiken, kan de stroomgebiedautoriteit voor het bepalen van dergelijke omstandigheden het advies van deskundigen inwinnen. Voor het bepalen van een zeer goede ecologische toestand met betrekking tot de concentraties van specifieke synthetische verontreinigende stoffen gelden de detectielimieten die haalbaar zijn met de technieken welke beschikbaar zijn op het tijdstip dat de typespecifieke omstandigheden moeten worden bepaald.
d) Voor op ruimte gebaseerde typespecifieke biologische referentieomstandigheden vormt de stroomgebiedautoriteit voor elk type oppervlaktewaterlichaam een referentienet. Het net bevat een voldoende aantal locaties met een zeer goede toestand zodat een voldoende betrouwbaarheidsgraad van de waarden voor de referentieomstandigheden kan worden bereikt, gelet op de variabiliteit van de waarden van de kwaliteitselementen die voor dat type oppervlaktewaterlichaam overeenkomen met een zeer goede ecologische toestand en de krachtens punt 2.e) toe te passen modelleringstechnieken.
e) Op modellen gebaseerde typespecifieke biologische referentieomstandigheden kunnen worden afgeleid met voorspellingsmodellen of terugrekenmethoden. Bij die methoden worden historische, paleologische en andere beschikbare gegevens gebruikt. De betrouwbaarheidsgraad van de waarden voor de referentieomstandigheden moet voldoende hoog zijn opdat de aldus afgeleide omstandigheden consistent en geldig voor elk type oppervlaktewaterlichaam zijn.
f) Wanneer het voor een kwaliteitselement in een type oppervlaktewaterlichaam niet mogelijk is om betrouwbaretypespecifieke referentieomstandigheden vast te stellen, omdat de natuurlijke variabiliteit in dat element hoog is, niet alleen ten gevolge van seizoensschommelingen, behoeft dat element niet te worden opgenomen in de beoordeling van de ecologische toestand voor dat type oppervlaktewater. In dat geval motiveren de stroomgebiedautoriteit die uitsluiting in het stroomgebiedsbeheersplan.]1
a) Pour chaque type de masse d'eau de surface caractérisé conformément à l'article D.17-1, il est établi des conditions hydromorphologiques et physico-chimiques caractéristiques représentant les valeurs des éléments de qualité hydromorphologiques et physico-chimiques indiqués au point 1 de l'annexe VI de la partie décrétale pour ce type de masse d'eau de surface de très bon état écologique, tel que défini dans le tableau pertinent du point 2 de l'annexe VI de la partie décrétale. Il est établi des conditions de référence biologiques caractéristiques représentant les valeurs des éléments de qualité biologiques indiqués au point 1 de l'annexe VI de la partie décrétale et établis pour ce type de masse d'eau de surface de très bon état écologique, tel que défini dans le tableau pertinent du point 2 de l'annexe VI de la partie décrétale.
b) Lorsque la procédure de la présente section est appliquée à des masses d'eau fortement modifiées ou artificielles, les références au très bon état écologique doivent être considérées comme des références au potentiel écologique maximal défini au point 2.3 de l'annexe VI de la partie décrétale. Les valeurs du potentiel écologique maximal d'une masse d'eau sont revues tous les six ans.
c) Les conditions caractéristiques aux fins des points 2.a) et 2.b) et les conditions de référence biologiques caractéristiques peuvent soit avoir une base spatiale, soit se fonder sur un modèle ou encore être dérivées d'une combinaison de ces deux méthodes. Si ces méthodes ne sont pas utilisables, l'autorité de bassin peut recourir à un avis d'expert pour établir lesdites conditions. Pour la définition du très bon état écologique par rapport à des concentrations de polluants synthétiques spécifiques, les limites de détection sont celles qui peuvent être atteintes selon les techniques disponibles au moment où les conditions caractéristiques doivent être établies.
d) Pour les conditions de référence biologiques caractéristiques fondées sur des critères spatiaux, l'autorité de bassin met au point un réseau de référence pour chaque type de masse d'eau de surface. Le réseau doit comporter un nombre suffisant de sites en très bon état pour fournir un niveau de confiance suffisant concernant les valeurs prévues pour les conditions de référence étant donné la variabilité des valeurs des éléments de qualité correspondant à un très bon état écologique pour ce type de masse d'eau de surface et les techniques de modélisation à appliquer au titre du point 2.e).
e) Les conditions de référence biologiques caractéristiques fondées sur des modèles peuvent être établies à l'aide soit de modèles prédictifs, soit de méthodes a posteriori. Les méthodes ont recours aux données historiques, paléologiques et autres données disponibles et procurent un niveau de confiance suffisant concernant les valeurs prévues pour les conditions de référence pour garantir que les conditions ainsi obtenues soient cohérentes et valables pour chaque type de masse d'eau de surface.
f) S'il est impossible d'établir des conditions de référence caractéristiques valables pour un élément de qualité dans un type de masse d'eau de surface en raison de la forte variabilité naturelle de cet élément, et pas uniquement du fait des variations saisonnières, cet élément peut être exclu de l'évaluation de l'état écologique pour ce type d'eau de surface. Dans ce cas, l'autorité de bassin indique les motifs de l'exclusion dans le plan de gestion de district hydrographique.]1
b) Lorsque la procédure de la présente section est appliquée à des masses d'eau fortement modifiées ou artificielles, les références au très bon état écologique doivent être considérées comme des références au potentiel écologique maximal défini au point 2.3 de l'annexe VI de la partie décrétale. Les valeurs du potentiel écologique maximal d'une masse d'eau sont revues tous les six ans.
c) Les conditions caractéristiques aux fins des points 2.a) et 2.b) et les conditions de référence biologiques caractéristiques peuvent soit avoir une base spatiale, soit se fonder sur un modèle ou encore être dérivées d'une combinaison de ces deux méthodes. Si ces méthodes ne sont pas utilisables, l'autorité de bassin peut recourir à un avis d'expert pour établir lesdites conditions. Pour la définition du très bon état écologique par rapport à des concentrations de polluants synthétiques spécifiques, les limites de détection sont celles qui peuvent être atteintes selon les techniques disponibles au moment où les conditions caractéristiques doivent être établies.
d) Pour les conditions de référence biologiques caractéristiques fondées sur des critères spatiaux, l'autorité de bassin met au point un réseau de référence pour chaque type de masse d'eau de surface. Le réseau doit comporter un nombre suffisant de sites en très bon état pour fournir un niveau de confiance suffisant concernant les valeurs prévues pour les conditions de référence étant donné la variabilité des valeurs des éléments de qualité correspondant à un très bon état écologique pour ce type de masse d'eau de surface et les techniques de modélisation à appliquer au titre du point 2.e).
e) Les conditions de référence biologiques caractéristiques fondées sur des modèles peuvent être établies à l'aide soit de modèles prédictifs, soit de méthodes a posteriori. Les méthodes ont recours aux données historiques, paléologiques et autres données disponibles et procurent un niveau de confiance suffisant concernant les valeurs prévues pour les conditions de référence pour garantir que les conditions ainsi obtenues soient cohérentes et valables pour chaque type de masse d'eau de surface.
f) S'il est impossible d'établir des conditions de référence caractéristiques valables pour un élément de qualité dans un type de masse d'eau de surface en raison de la forte variabilité naturelle de cet élément, et pas uniquement du fait des variations saisonnières, cet élément peut être exclu de l'évaluation de l'état écologique pour ce type d'eau de surface. Dans ce cas, l'autorité de bassin indique les motifs de l'exclusion dans le plan de gestion de district hydrographique.]1
Art. N6. [1 Bijlage VI
Oppervlaktewatertoestand
Oppervlaktewatertoestand
Art. N6. [1 Annexe VI
Etat des eaux de surface
Etat des eaux de surface
1. Kwaliteitselementen voor de klasse-indeling van de ecologische toestand
1. Eléments de qualité pour la classification de l'état écologique
1.1. Rivieren
iologische elementen
Samenstelling en abundantie van de waterflora
Samenstelling en abundantie van de bentische ongewervelde fauna
Samenstelling, abundantie en leeftijdsopbouw van de visfauna
Hydromorfologische elementen die mede bepalend zijn voor de biologische elementen
Hydrologisch regime :
kwantiteit en dynamiek van de waterstroming
verbinding met grondwaterlichamen
Riviercontinuïteit
Morfologie :
variaties in rivierdiepte en -breedte
structuur en substraat van de rivierbedding
structuur van de oeverzone
Chemische en fysisch-chemische elementen die mede bepalend zijn voor de biologische elementen
Algemeen
Thermische omstandigheden
Zuurstofhuishouding
Zoutgehalte
Verzuringstoestand
Nutriënten
Specifieke verontreinigende stoffen
Verontreiniging door alle prioritaire stoffen waarvan is vastgesteld dat zij in het waterlichaam worden geloosd
Verontreiniging door andere stoffen waarvan is vastgesteld dat zij in significante hoeveelheden in het waterlichaam worden geloosd
iologische elementen
Samenstelling en abundantie van de waterflora
Samenstelling en abundantie van de bentische ongewervelde fauna
Samenstelling, abundantie en leeftijdsopbouw van de visfauna
Hydromorfologische elementen die mede bepalend zijn voor de biologische elementen
Hydrologisch regime :
kwantiteit en dynamiek van de waterstroming
verbinding met grondwaterlichamen
Riviercontinuïteit
Morfologie :
variaties in rivierdiepte en -breedte
structuur en substraat van de rivierbedding
structuur van de oeverzone
Chemische en fysisch-chemische elementen die mede bepalend zijn voor de biologische elementen
Algemeen
Thermische omstandigheden
Zuurstofhuishouding
Zoutgehalte
Verzuringstoestand
Nutriënten
Specifieke verontreinigende stoffen
Verontreiniging door alle prioritaire stoffen waarvan is vastgesteld dat zij in het waterlichaam worden geloosd
Verontreiniging door andere stoffen waarvan is vastgesteld dat zij in significante hoeveelheden in het waterlichaam worden geloosd
1.1. Rivières
Paramètres biologiques
Composition et abondance de la flore aquatique
Composition et abondance de la faune benthique invertébrée
Composition, abondance et structure de l'âge de l'ichtyofaune
Paramètres hydromorphologiques soutenant les paramètres biologiques
Régime hydrologique :
quantité et dynamique du débit d'eau
connexion aux masses d'eau souterraine
Continuité de la rivière
Conditions morphologiques :
variation de la profondeur et de la largeur de la rivière
structure et substrat du lit
structure de la rive
Paramètres chimiques et physico-chimiques soutenant les paramètres biologiques
Paramètres généraux
Température de l'eau
Bilan d'oxygène
Salinité
Etat d'acidification
Concentration en nutriments
Polluants spécifiques
Pollution par toutes substances prioritaires recensées comme étant déversées dans la masse d'eau
Pollution par d'autres substances recensées comme étant déversées en quantités significatives dans la masse d'eau
Paramètres biologiques
Composition et abondance de la flore aquatique
Composition et abondance de la faune benthique invertébrée
Composition, abondance et structure de l'âge de l'ichtyofaune
Paramètres hydromorphologiques soutenant les paramètres biologiques
Régime hydrologique :
quantité et dynamique du débit d'eau
connexion aux masses d'eau souterraine
Continuité de la rivière
Conditions morphologiques :
variation de la profondeur et de la largeur de la rivière
structure et substrat du lit
structure de la rive
Paramètres chimiques et physico-chimiques soutenant les paramètres biologiques
Paramètres généraux
Température de l'eau
Bilan d'oxygène
Salinité
Etat d'acidification
Concentration en nutriments
Polluants spécifiques
Pollution par toutes substances prioritaires recensées comme étant déversées dans la masse d'eau
Pollution par d'autres substances recensées comme étant déversées en quantités significatives dans la masse d'eau
1.2. Meren
Biologische elementen
Samenstelling, abundantie en biomassa van het fytoplankton
Samenstelling en abundantie van de overige waterflora
Samenstelling en abundantie van de bentische ongewervelde fauna
Samenstelling, abundantie en leeftijdsopbouw van de visfauna
Hydromorfologische elementen die mede bepalend zijn voor de biologische elementen
Hydrologisch regime :
kwantiteit en dynamiek van de waterstroming
verblijftijd
verbinding met het grondwaterlichaam
Morfologie :
variatie van de meerdiepte
kwantiteit, structuur en substraat van de meerbodem
Structuur van de meeroever
Chemische en fysisch-chemische elementen die mede bepalend zijn voor de biologische elementen
Algemeen
Doorzicht
Thermische omstandigheden
Zuurstofhuishouding
Zoutgehalte
Verzuringstoestand
Nutriënten
Specifieke verontreinigende stoffen
Verontreiniging door alle prioritaire stoffen waarvan is vastgesteld dat zij in het waterlichaam worden geloosd
Andere stoffen waarvan is vastgesteld dat zij in significante hoeveelheden in het waterlichaam worden geloosd
Biologische elementen
Samenstelling, abundantie en biomassa van het fytoplankton
Samenstelling en abundantie van de overige waterflora
Samenstelling en abundantie van de bentische ongewervelde fauna
Samenstelling, abundantie en leeftijdsopbouw van de visfauna
Hydromorfologische elementen die mede bepalend zijn voor de biologische elementen
Hydrologisch regime :
kwantiteit en dynamiek van de waterstroming
verblijftijd
verbinding met het grondwaterlichaam
Morfologie :
variatie van de meerdiepte
kwantiteit, structuur en substraat van de meerbodem
Structuur van de meeroever
Chemische en fysisch-chemische elementen die mede bepalend zijn voor de biologische elementen
Algemeen
Doorzicht
Thermische omstandigheden
Zuurstofhuishouding
Zoutgehalte
Verzuringstoestand
Nutriënten
Specifieke verontreinigende stoffen
Verontreiniging door alle prioritaire stoffen waarvan is vastgesteld dat zij in het waterlichaam worden geloosd
Andere stoffen waarvan is vastgesteld dat zij in significante hoeveelheden in het waterlichaam worden geloosd
1.2. Lacs
Paramètres biologiques
Composition, abondance et biomasse du phytoplancton
Composition et abondance de la flore aquatique (autre que le phytoplancton)
Composition et abondance de la faune benthique invertébrée
Composition, abondance et structure de l'âge de l'ichtyofaune
Paramètres hydromorphologiques soutenant les paramètres biologiques
Régime hydrologique :
quantité et dynamique du débit d'eau
temps de résidence
connexion à la masse d'eau souterraine
Conditions morphologiques :
variation de la profondeur du lac
quantité, structure et substrat du lit
structure de la rive
Paramètres chimiques et physico-chimiques soutenant les paramètres biologiques
Paramètres généraux
Transparence
Température de l'eau
Bilan d'oxygène
Salinité
Etat d'acidification
Concentration en nutriments
Polluants spécifiques
Pollution par toutes substances prioritaires recensées comme étant déversées dans la masse d'eau
Pollution par d'autres substances recensées comme étant déversées en quantités significatives dans la masse d'eau
Paramètres biologiques
Composition, abondance et biomasse du phytoplancton
Composition et abondance de la flore aquatique (autre que le phytoplancton)
Composition et abondance de la faune benthique invertébrée
Composition, abondance et structure de l'âge de l'ichtyofaune
Paramètres hydromorphologiques soutenant les paramètres biologiques
Régime hydrologique :
quantité et dynamique du débit d'eau
temps de résidence
connexion à la masse d'eau souterraine
Conditions morphologiques :
variation de la profondeur du lac
quantité, structure et substrat du lit
structure de la rive
Paramètres chimiques et physico-chimiques soutenant les paramètres biologiques
Paramètres généraux
Transparence
Température de l'eau
Bilan d'oxygène
Salinité
Etat d'acidification
Concentration en nutriments
Polluants spécifiques
Pollution par toutes substances prioritaires recensées comme étant déversées dans la masse d'eau
Pollution par d'autres substances recensées comme étant déversées en quantités significatives dans la masse d'eau
1.3. Kunstmatige en sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen
Voor kunstmatige en sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen gelden de kwaliteitselementen van één van de twee voornoemde categorieën natuurlijk oppervlaktewater, en wel die waarmee het betrokken sterk veranderde of kunstmatige waterlichaam de grootste overeenkomst vertoont.
Voor kunstmatige en sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen gelden de kwaliteitselementen van één van de twee voornoemde categorieën natuurlijk oppervlaktewater, en wel die waarmee het betrokken sterk veranderde of kunstmatige waterlichaam de grootste overeenkomst vertoont.
1.3. Masses d'eau de surface artificielles et fortement modifiées
Les éléments de qualité applicables aux masses d'eau de surface artificielles et fortement modifiées sont ceux qui sont applicables à celle des deux catégories d'eau de surface naturelle qui ressemble le plus à la masse d'eau de surface artificielle ou fortement modifiée concernée.
Les éléments de qualité applicables aux masses d'eau de surface artificielles et fortement modifiées sont ceux qui sont applicables à celle des deux catégories d'eau de surface naturelle qui ressemble le plus à la masse d'eau de surface artificielle ou fortement modifiée concernée.
2. Normatieve definities van ecologische toestandsklassen
Algemene definitie voor rivieren en meren.
In de volgende tekst wordt een algemene definitie gegeven van ecologische kwaliteit. Ten behoeve van de klasse-indeling staan de waarden voor de kwaliteitselementen van de ecologische toestand voor elke categorie oppervlaktewater onder de punten 2.1 en 2.2 hieronder.
Algemene definitie voor rivieren en meren.
In de volgende tekst wordt een algemene definitie gegeven van ecologische kwaliteit. Ten behoeve van de klasse-indeling staan de waarden voor de kwaliteitselementen van de ecologische toestand voor elke categorie oppervlaktewater onder de punten 2.1 en 2.2 hieronder.
2. Définitions normatives des classifications de l'état écologique
Définition générale pour les rivières et les lacs
Le texte suivant donne une définition générale de la qualité écologique. Aux fins de la classification, les valeurs des éléments de qualité de l'état écologique de chaque catégorie d'eau de surface sont celles qui sont indiquées aux points 2.1 et 2.2 suivants.
Définition générale pour les rivières et les lacs
Le texte suivant donne une définition générale de la qualité écologique. Aux fins de la classification, les valeurs des éléments de qualité de l'état écologique de chaque catégorie d'eau de surface sont celles qui sont indiquées aux points 2.1 et 2.2 suivants.
| Element | Zeer goed | Goed | Matig |
| Algemeen | Er zijn geen of slechts zeer geringe antropogene wijzigingen in de waarden van de fysisch- chemische en hydromorfologische kwaliteitselementen voor het type oppervlaktewaterlichaam ten opzichte van wat normaal is voor dat type in onverstoorde staat. De waarden van de biologische kwaliteitselementen voor het oppervlaktewaterlichaam zijn normaal voor dat type in onverstoorde staat, en er zijn geen of slechts zeer geringe tekenen van verstoring. Dit zijn de typen specifieke omstandigheden en gemeenschappen. | De waarden van de biologische kwaliteitselementen voor het type oppervlaktewaterlichaam vertonen een geringe mate van verstoring ten gevolge van menselijke activiteiten, maar wijken slechts licht af van wat normaal is voor voor het type oppervlaktewaterlichaam in onverstoorde staat. | De waarden van de biologische kwaliteitselementen voor het type oppervlaktewaterlichaam wijken matig af van wat normaal is voor het type oppervlaktewaterlichaam in onverstoorde staat. De waarden vertonen matige tekenen van verstoring ten gevolge van menselijke activiteiten enzijn significant meer verstoord dan bij een goede toestand. |
| Elément | Très bon état | Bon état | Etat moyen |
| En général | Pas ou très peu d'altérations anthropogéniques des valeurs des éléments de qualité physico-chimiques et hydromorphologiques applicables au type de masse d'eau de surface par rapport aux valeurs normalement associées à ce type dans des conditions non perturbées. Les valeurs des éléments de qualité biologique pour la masse d'eau de surface correspondent à celles normalement associées à ce type dans des conditions non perturbées et n'indiquent pas ou très peu de distorsions. Il s'agit des conditions et communautés caractéristiques. | Les valeurs des éléments de qualité biologiques applicables au type de masse d'eau de surface montre de faibles niveaux de distorsion résultant de l'activité humaine, mais ne s'écartent que légèrement de celles normalement associées à ce type de masse d'eau de surface dans des conditions non perturbées. | Les valeurs des éléments de qualité biologiques applicables au type de masse d'eau de surface s'écartent modérément de celles normalement associées à ce type de masse d'eau de surface dans des conditions non perturbées. Les valeurs montrent des signes modérés de distorsion résultant de l'activité humaine et sont sensiblement plus perturbées que dans des conditions de bonne qualité. |
ElementZeer goedGoedMatig
AlgemeenEr zijn geen of slechts zeer geringe antropogene wijzigingen in de waarden van de fysisch- chemische en hydromorfologische kwaliteitselementen voor het type oppervlaktewaterlichaam ten opzichte van wat normaal is voor dat type in onverstoorde staat.
De waarden van de biologische kwaliteitselementen voor het oppervlaktewaterlichaam zijn normaal voor dat type in onverstoorde staat, en er zijn geen of slechts zeer geringe tekenen van verstoring.
Dit zijn de typen specifieke omstandigheden en gemeenschappen.De waarden van de biologische kwaliteitselementen voor het type oppervlaktewaterlichaam vertonen een geringe mate van verstoring ten gevolge van menselijke activiteiten, maar wijken slechts licht af van wat normaal is voor voor het type oppervlaktewaterlichaam in onverstoorde staat.De waarden van de biologische kwaliteitselementen voor het type oppervlaktewaterlichaam wijken matig af van wat normaal is voor het type oppervlaktewaterlichaam in onverstoorde staat. De waarden vertonen matige tekenen van verstoring ten gevolge van menselijke activiteiten enzijn significant meer verstoord dan bij een goede toestand.
AlgemeenEr zijn geen of slechts zeer geringe antropogene wijzigingen in de waarden van de fysisch- chemische en hydromorfologische kwaliteitselementen voor het type oppervlaktewaterlichaam ten opzichte van wat normaal is voor dat type in onverstoorde staat.
De waarden van de biologische kwaliteitselementen voor het oppervlaktewaterlichaam zijn normaal voor dat type in onverstoorde staat, en er zijn geen of slechts zeer geringe tekenen van verstoring.
Dit zijn de typen specifieke omstandigheden en gemeenschappen.De waarden van de biologische kwaliteitselementen voor het type oppervlaktewaterlichaam vertonen een geringe mate van verstoring ten gevolge van menselijke activiteiten, maar wijken slechts licht af van wat normaal is voor voor het type oppervlaktewaterlichaam in onverstoorde staat.De waarden van de biologische kwaliteitselementen voor het type oppervlaktewaterlichaam wijken matig af van wat normaal is voor het type oppervlaktewaterlichaam in onverstoorde staat. De waarden vertonen matige tekenen van verstoring ten gevolge van menselijke activiteiten enzijn significant meer verstoord dan bij een goede toestand.
ElémentTrès bon étatBon étatEtat moyen
En généralPas ou très peu d'altérations anthropogéniques des valeurs des éléments de qualité physico-chimiques et hydromorphologiques applicables au type de masse d'eau de surface par rapport aux valeurs normalement associées à ce type dans des conditions non perturbées.
Les valeurs des éléments de qualité biologique pour la masse d'eau de surface correspondent à celles normalement associées à ce type dans des conditions non perturbées et n'indiquent pas ou très peu de distorsions.
Il s'agit des conditions et communautés caractéristiques.Les valeurs des éléments de qualité biologiques applicables au type de masse d'eau de surface montre de faibles niveaux de distorsion résultant de l'activité humaine, mais ne s'écartent que légèrement de celles normalement associées à ce type de masse d'eau de surface dans des conditions non perturbées.Les valeurs des éléments de qualité biologiques applicables au type de masse d'eau de surface s'écartent modérément de celles normalement associées à ce type de masse d'eau de surface dans des conditions non perturbées.
Les valeurs montrent des signes modérés de distorsion résultant de l'activité humaine et sont sensiblement plus perturbées que dans des conditions de bonne qualité.
En généralPas ou très peu d'altérations anthropogéniques des valeurs des éléments de qualité physico-chimiques et hydromorphologiques applicables au type de masse d'eau de surface par rapport aux valeurs normalement associées à ce type dans des conditions non perturbées.
Les valeurs des éléments de qualité biologique pour la masse d'eau de surface correspondent à celles normalement associées à ce type dans des conditions non perturbées et n'indiquent pas ou très peu de distorsions.
Il s'agit des conditions et communautés caractéristiques.Les valeurs des éléments de qualité biologiques applicables au type de masse d'eau de surface montre de faibles niveaux de distorsion résultant de l'activité humaine, mais ne s'écartent que légèrement de celles normalement associées à ce type de masse d'eau de surface dans des conditions non perturbées.Les valeurs des éléments de qualité biologiques applicables au type de masse d'eau de surface s'écartent modérément de celles normalement associées à ce type de masse d'eau de surface dans des conditions non perturbées.
Les valeurs montrent des signes modérés de distorsion résultant de l'activité humaine et sont sensiblement plus perturbées que dans des conditions de bonne qualité.
Wateren waarvan de toestand minder dan matig is, worden als ontoereikend of slecht ingedeeld.
Wateren die tekenen van sterke wijzigingen vertonen in de waarden van de biologische kwaliteitselementen voor het type oppervlaktewaterlichaam en waarin de relevante biologische gemeenschappen sterk afwijken van wat normaal is voor dat type oppervlaktewaterlichaam in onverstoorde staat, worden als ontoereikend ingedeeld.
Wateren die tekenen van zeer sterke wijzigingen vertonen in de waarden van de biologische kwaliteitselementen voor het type oppervlaktewaterlichaam en waarin grote delen van de relevante biologische gemeenschappen die normaal zijn voor dat type oppervlaktewaterlichaam in onverstoorde staat ontbreken, worden als slecht ingedeeld.
Wateren die tekenen van sterke wijzigingen vertonen in de waarden van de biologische kwaliteitselementen voor het type oppervlaktewaterlichaam en waarin de relevante biologische gemeenschappen sterk afwijken van wat normaal is voor dat type oppervlaktewaterlichaam in onverstoorde staat, worden als ontoereikend ingedeeld.
Wateren die tekenen van zeer sterke wijzigingen vertonen in de waarden van de biologische kwaliteitselementen voor het type oppervlaktewaterlichaam en waarin grote delen van de relevante biologische gemeenschappen die normaal zijn voor dat type oppervlaktewaterlichaam in onverstoorde staat ontbreken, worden als slecht ingedeeld.
Les eaux atteignant un état inférieur à l'état moyen sont classées comme médiocres ou mauvaises.
Les eaux montrant des signes d'altérations importantes des valeurs des éléments de qualité biologiques applicables au type de masse d'eau de surface et dans lesquelles les communautés biologiques pertinentes s'écartent sensiblement de celles normalement associées au type de masse d'eau de surface dans des conditions non perturbées sont classées comme médiocres.
Les eaux montrant des signes d'altérations graves des valeurs des éléments de qualité biologiques applicables au type de masse d'eau de surface et dans lesquelles font défaut des parties importantes des communautés biologiques pertinentes normalement associées au type de masse d'eau de surface dans des conditions non perturbées sont classées comme mauvaises.
Les eaux montrant des signes d'altérations importantes des valeurs des éléments de qualité biologiques applicables au type de masse d'eau de surface et dans lesquelles les communautés biologiques pertinentes s'écartent sensiblement de celles normalement associées au type de masse d'eau de surface dans des conditions non perturbées sont classées comme médiocres.
Les eaux montrant des signes d'altérations graves des valeurs des éléments de qualité biologiques applicables au type de masse d'eau de surface et dans lesquelles font défaut des parties importantes des communautés biologiques pertinentes normalement associées au type de masse d'eau de surface dans des conditions non perturbées sont classées comme mauvaises.
2.1. Definities voor zeer goede, goede en matige ecologische toestand in rivieren
Biologische kwaliteitselementen
Biologische kwaliteitselementen
2.1. Définitions normatives des états écologiques "très bon", "bon" et "moyen" en ce qui concerne les rivières
Eléments de qualité biologique
Eléments de qualité biologique
| Element | Zeer goed | Goed | Matig |
| Fytoplankton | De taxonomische samenstelling van fytoplankton komt geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat. De gemiddelde abundantie van fytoplankton komt geheel overeen met de typespecifieke fysisch-chemische omstandigheden en is niet zodanig dat het typespecifieke doorzicht significant is gewijzigd. Planktonbloei treedt op met een frequentie en intensiteitdie overeenkomt met de typespecifieke fysisch-chemische omstandigheden. | Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van de planktontaxa in vergelijking met de typespecifieke gemeenschappen. Die veranderingen wijzen niet op een versnelde groei van algen die leidt tot ongewenste verstoringen van het evenwicht van de in het waterlichaam aanwezige organismen of de fysisch-chemische kwaliteit van het water of sediment. Er kan zich een lichte stijging voordoen in de frequentie en intensiteit van de systeemeigen planktonbloei. | De samenstelling van planktontaxa verschilt matig van de systeemeigen gemeenschap. De abundantie is matig verstoord en kan van dien aard zijn dat een significante ongewenste verstoring optreedt in de waarden van andere biologische en fysisch-chemische kwaliteitselementen. Er kan zich een matige stijging voordoen in de frequentie en intensiteit van planktonbloei. In de zomermaanden kan aanhoudende bloei voorkomen. |
| Macrofyten en fytobenthos | De taxonomische samenstelling komt geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat. Er zijn geen waarneembare veranderingen in de gemiddelde abundantie van macrofyten en fytobenthos. | Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van de macrofytische en fytobentische taxa in vergelijking met de typespecifieke gemeenschappen. Die veranderingen wijzen niet op een versnelde groei van fytobenthos of hogere vormen van plantaardig leven die leiden tot ongewenste verstoringen van het evenwicht van de in het waterlichaam aanwezige organismen of de fysisch-chemische kwaliteit van het water of sediment. De fytobentische gemeenschap wordt niet negatief beïnvloed door bacterievlokken en -lagen ten gevolge van menselijke activiteiten. | De samenstelling van macrofytische en fytobentische taxa verschilt matig van de systeemeigen gemeenschap en is significant meer verstoord dan bij een goede toestand. Matige veranderingen in de gemiddelde abundantie van macrofyten en fytobenthos zijn aantoonbaar. De fytobentische gemeenschap kan verstoord en in sommige gebieden verdrongen worden door bacterievlokken en -lagen ten gevolge van menselijke activiteiten. |
| Bentische ongewervelde fauna | Taxonomische samenstelling en abundantie komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat. De verhouding tussen voor verstoring gevoelige taxa en ongevoelige taxa wijkt niet af van de onverstoorde niveaus. De diversiteit van ongewervelde taxa wijkt niet af van de onverstoorde niveaus. | Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van ongewervelde taxa ten opzichte van de typespecifieke gemeenschappen. De verhouding tussen voor verstoring gevoelige taxa en ongevoelige taxa wijkt licht af van de typespecifieke niveaus. De diversiteit van ongewervelde taxa wijkt licht af van de typespecifieke niveaus. | Samenstelling en abundantie van ongewervelde taxa verschillen matig van de typespecifieke gemeenschappen. Belangrijke taxonomische groepen van de typespecifieke gemeenschap ontbreken. De verhouding tussen voor verstoring gevoelige taxa en ongevoelige taxa en niveau van diversiteit zijn aanzienlijk lager dan het typespecifieke niveau en significant lager dan bij een goede toestand. |
| Visfauna | Samenstelling en abundantie van de soorten komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat. Alle typespecifieke voor verstoring gevoelige soorten zijn aanwezig. De leeftijdsopbouw van de visgemeenschappen vertoont weinig tekenen van antropogene verstoring en wijst niet op een verstoring in de voortplanting of ontwikkeling van een bepaalde soort. | Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van de soorten ten opzichte van de typespecifieke gemeenschappen ten gevolge van antropogene invloeden op de fysisch-chemische en hydromorfologische kwaliteitselementen. De leeftijdsopbouw van de visgemeenschappen vertoont tekenen van verstoring ten gevolge van antropogene invloeden op de fysisch-chemische of hydro-morfologische kwaliteitselementen en wijst in enkele gevallen op een zodanige verstoring in de voortplanting of ontwikkeling van een bepaalde soort dat sommige leeftijdsklassen kunnen ontbreken. | Samenstelling en abundantie van vissoorten verschillen matig van die van typespecifieke gemeenschappen ten gevolge van antropogene invloeden op de fysisch-chemische of hydromorfologische kwaliteitselementen. De leeftijdsopbouw van de visgemeenschappen vertoont duidelijke tekenen van zodanige antropogene verstoringen dat een matig deel van de typespecifieke soorten ontbreekt of een zeer lage abundantie heeft. |
| Elément | Très bon état | Bon état | Etat moyen |
| Phytoplancton | La composition taxinomique du phytoplancton correspond totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées. L'abondance moyenne de phytoplancton est totalement en rapport avec les conditions physico-chimiques caractéristiques et n'est pas de nature à altérer sensiblement les conditions de transparence caractéristiques. L'efflorescence planctonique est d'une fréquence et d'une intensité qui correspondent aux conditions physico-chimiques caractéristiques. | Légères modifications dans la composition et l'abondance des taxa planctoniques par comparaison avec les communautés caractéristiques. Ces changements n'indiquent pas de croissance accélérée des algues entraînant des perturbations indésirables de l'équilibre des organismes présents dans la masse d'eau ou de la qualité physico-chimique de l'eau ou du sédiment. La fréquence et l'intensité de l'efflorescence planctonique peuvent augmenter légèrement. | La composition des taxa planctoniques diffère modérément des communautés caractéristiques. L'abondance est modérément perturbée et peut être de nature à produire une forte perturbation indésirable des valeurs des autres éléments de qualité biologique et physicochimique. La fréquence et l'intensité de l'efflorescence planctonique peuvent augmenter modérément. Une efflorescence persistante peut se produire durant les mois d'été. |
| Macrophytes et phytobenthos | La composition taxinomique correspond totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées. Pas de modifications détectables dans l'abondance moyenne macrophytique et phytobenthique. | Légères modifications dans la composition et l'abondance des taxa macrophytiques et phytobenthiques par rapport aux communautés caractéristiques. Ces changements n'indiquent pas de croissance accélérée du phytobenthos ou de formes supérieures de vie végétale entraînant des perturbations indésirables de l'équilibre des organismes présents dans la masse d'eau ou de la qualité physico-chimique de l'eau ou du sédiment. La communauté phytobenthique n'est pas perturbée par des touffes et couches bactériennes dues à des activités anthropogéniques. | La composition des taxa macrophytiques et phytobenthiques diffère modérément de la communauté caractéristique et est sensiblement plus perturbée que dans le bon état. Des modifications modérées de l'abondance moyenne macrophytique et phytobenthique sont perceptibles. La communauté phytobenthique peut être perturbée et, dans certains cas, déplacée par des touffes et couches bactériennes dues à des activités anthropogéniques. |
| Faune benthique invertébrée | La composition et l'abondance taxinomiques correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées. Le ratio des taxa sensibles aux perturbations par rapport aux taxa insensibles n'indique aucune détérioration par rapport aux niveaux non perturbés. Le niveau de diversité des taxa d'invertébrés n'indique aucune détérioration par rapport aux niveaux non perturbés. | Légères modifications dans la composition et l'abondance des taxa d'invertébrés par rapport aux communautés caractéristiques. Le ratio des taxa sensibles aux perturbations par rapport aux taxa insensibles indique une légère détérioration par rapport aux niveaux non perturbés. Le niveau de diversité des taxa d'invertébrés indique de légères détériorations par rapport aux niveaux non perturbés. | La composition et l'abondance des taxa d'invertébrés diffèrent modérément de celles des communautés caractéristiques. D'importants groupes taxinomiques de la communauté caractéristique font défaut. Le ratio des taxa sensibles aux perturbations par rapport aux taxa insensibles et le niveau de diversité des taxa d'invertébrés sont sensiblement inférieurs au niveau caractéristique et nettement inférieurs à ceux du bon état. |
| Ichtyofaune | La composition et l'abondance des espèces correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées. Toutes les espèces caractéristiques sensibles aux perturbations sont présentes. Les structures d'âge des communautés n'indiquent guère de perturbation anthropogénique et ne révèlent pas de troubles dans la reproduction ou dans le développement d'une espèce particulière. | Légères modifications dans la composition et l'abondance des espèces par rapport aux communautés caractéristiques, en raison d'effets anthropogéniques sur les éléments de qualité physico-chimiques et hydromorphologiques. Les structures d'âge des communautés indiquent des signes de perturbation dus aux effets anthropogéniques sur les éléments de qualité physico-chimiques et hydromorphologiques et, dans certains cas, révèlent des troubles dans la reproduction ou dans le développement d'une espèce particulière, en ce sens que certaines classes d'âge peuvent faire défaut. | La composition et l'abondance des espèces diffèrent modérément de celles des communautés caractéristiques, en raison d'effets anthropogéniques sur les éléments de qualité physico-chimiques ou hydromorphologiques. Les structures d'âge des communautés indiquent des signes importants de perturbation anthropogénique, en ce sens qu'une proportion modérée de l'espèce caractéristique est absente ou très peu abondante. |
ElementZeer goedGoedMatig
FytoplanktonDe taxonomische samenstelling van fytoplankton komt geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.
De gemiddelde abundantie van fytoplankton komt geheel overeen met de typespecifieke fysisch-chemische omstandigheden en is niet zodanig dat het typespecifieke doorzicht significant is gewijzigd.
Planktonbloei treedt op met een frequentie en intensiteitdie overeenkomt met de typespecifieke fysisch-chemische omstandigheden.Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van de planktontaxa in vergelijking met de typespecifieke gemeenschappen.
Die veranderingen wijzen niet op een versnelde groei van algen die leidt tot ongewenste verstoringen van het evenwicht van de in het waterlichaam aanwezige organismen of de fysisch-chemische kwaliteit van het water of sediment.
Er kan zich een lichte stijging voordoen in de frequentie en intensiteit van de systeemeigen planktonbloei.De samenstelling van planktontaxa verschilt matig van de systeemeigen gemeenschap.
De abundantie is matig verstoord en kan van dien aard zijn dat een significante ongewenste verstoring optreedt in de waarden van andere biologische en fysisch-chemische kwaliteitselementen.
Er kan zich een matige stijging voordoen in de frequentie en intensiteit van planktonbloei.
In de zomermaanden kan aanhoudende bloei voorkomen.
Macrofyten en fytobenthosDe taxonomische samenstelling komt geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.
Er zijn geen waarneembare veranderingen in de gemiddelde abundantie van macrofyten en fytobenthos.Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van de macrofytische en fytobentische taxa in vergelijking met de typespecifieke gemeenschappen. Die veranderingen wijzen niet op een versnelde groei van fytobenthos of hogere vormen van plantaardig leven die leiden tot ongewenste verstoringen van het evenwicht van de in het waterlichaam aanwezige organismen of de fysisch-chemische kwaliteit van het water of sediment.
De fytobentische gemeenschap wordt niet negatief beïnvloed door bacterievlokken en -lagen ten gevolge van menselijke activiteiten.De samenstelling van macrofytische en fytobentische taxa verschilt matig van de systeemeigen gemeenschap en is significant meer verstoord dan bij een goede toestand.
Matige veranderingen in de gemiddelde abundantie van macrofyten en fytobenthos zijn aantoonbaar. De fytobentische gemeenschap kan verstoord en in sommige
gebieden verdrongen worden door bacterievlokken en -lagen ten gevolge van menselijke activiteiten.
Bentische ongewervelde faunaTaxonomische samenstelling en abundantie komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.
De verhouding tussen voor verstoring gevoelige taxa en ongevoelige taxa wijkt niet af van de onverstoorde niveaus.
De diversiteit van ongewervelde taxa wijkt niet af van de onverstoorde niveaus.Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van ongewervelde taxa ten opzichte van de typespecifieke gemeenschappen.
De verhouding tussen voor verstoring gevoelige taxa en ongevoelige taxa wijkt licht af van de typespecifieke niveaus.
De diversiteit van ongewervelde taxa wijkt licht af van de typespecifieke niveaus.Samenstelling en abundantie van ongewervelde taxa verschillen matig van de typespecifieke gemeenschappen.
Belangrijke taxonomische groepen van de typespecifieke gemeenschap ontbreken.
De verhouding tussen voor verstoring gevoelige taxa en ongevoelige taxa en niveau van diversiteit zijn aanzienlijk lager dan het typespecifieke niveau en significant lager dan bij een goede toestand.
VisfaunaSamenstelling en abundantie van de soorten komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.
Alle typespecifieke voor verstoring gevoelige soorten zijn aanwezig.
De leeftijdsopbouw van de visgemeenschappen vertoont weinig tekenen van antropogene verstoring en wijst niet op een verstoring in de voortplanting of ontwikkeling van een bepaalde soort.Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van de soorten ten opzichte van de typespecifieke gemeenschappen ten gevolge van antropogene invloeden op de fysisch-chemische en hydromorfologische kwaliteitselementen.
De leeftijdsopbouw van de visgemeenschappen vertoont tekenen van verstoring ten gevolge van antropogene invloeden op de fysisch-chemische of hydro-morfologische kwaliteitselementen en wijst in enkele gevallen op een zodanige verstoring in de voortplanting of ontwikkeling van een bepaalde soort dat sommige leeftijdsklassen kunnen ontbreken.Samenstelling en abundantie van vissoorten verschillen matig van die van typespecifieke gemeenschappen ten gevolge van antropogene invloeden op de fysisch-chemische of hydromorfologische kwaliteitselementen.
De leeftijdsopbouw van de visgemeenschappen vertoont duidelijke tekenen van zodanige antropogene verstoringen dat een matig deel van de typespecifieke soorten ontbreekt of een zeer lage abundantie heeft.
FytoplanktonDe taxonomische samenstelling van fytoplankton komt geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.
De gemiddelde abundantie van fytoplankton komt geheel overeen met de typespecifieke fysisch-chemische omstandigheden en is niet zodanig dat het typespecifieke doorzicht significant is gewijzigd.
Planktonbloei treedt op met een frequentie en intensiteitdie overeenkomt met de typespecifieke fysisch-chemische omstandigheden.Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van de planktontaxa in vergelijking met de typespecifieke gemeenschappen.
Die veranderingen wijzen niet op een versnelde groei van algen die leidt tot ongewenste verstoringen van het evenwicht van de in het waterlichaam aanwezige organismen of de fysisch-chemische kwaliteit van het water of sediment.
Er kan zich een lichte stijging voordoen in de frequentie en intensiteit van de systeemeigen planktonbloei.De samenstelling van planktontaxa verschilt matig van de systeemeigen gemeenschap.
De abundantie is matig verstoord en kan van dien aard zijn dat een significante ongewenste verstoring optreedt in de waarden van andere biologische en fysisch-chemische kwaliteitselementen.
Er kan zich een matige stijging voordoen in de frequentie en intensiteit van planktonbloei.
In de zomermaanden kan aanhoudende bloei voorkomen.
Macrofyten en fytobenthosDe taxonomische samenstelling komt geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.
Er zijn geen waarneembare veranderingen in de gemiddelde abundantie van macrofyten en fytobenthos.Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van de macrofytische en fytobentische taxa in vergelijking met de typespecifieke gemeenschappen. Die veranderingen wijzen niet op een versnelde groei van fytobenthos of hogere vormen van plantaardig leven die leiden tot ongewenste verstoringen van het evenwicht van de in het waterlichaam aanwezige organismen of de fysisch-chemische kwaliteit van het water of sediment.
De fytobentische gemeenschap wordt niet negatief beïnvloed door bacterievlokken en -lagen ten gevolge van menselijke activiteiten.De samenstelling van macrofytische en fytobentische taxa verschilt matig van de systeemeigen gemeenschap en is significant meer verstoord dan bij een goede toestand.
Matige veranderingen in de gemiddelde abundantie van macrofyten en fytobenthos zijn aantoonbaar. De fytobentische gemeenschap kan verstoord en in sommige
gebieden verdrongen worden door bacterievlokken en -lagen ten gevolge van menselijke activiteiten.
Bentische ongewervelde faunaTaxonomische samenstelling en abundantie komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.
De verhouding tussen voor verstoring gevoelige taxa en ongevoelige taxa wijkt niet af van de onverstoorde niveaus.
De diversiteit van ongewervelde taxa wijkt niet af van de onverstoorde niveaus.Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van ongewervelde taxa ten opzichte van de typespecifieke gemeenschappen.
De verhouding tussen voor verstoring gevoelige taxa en ongevoelige taxa wijkt licht af van de typespecifieke niveaus.
De diversiteit van ongewervelde taxa wijkt licht af van de typespecifieke niveaus.Samenstelling en abundantie van ongewervelde taxa verschillen matig van de typespecifieke gemeenschappen.
Belangrijke taxonomische groepen van de typespecifieke gemeenschap ontbreken.
De verhouding tussen voor verstoring gevoelige taxa en ongevoelige taxa en niveau van diversiteit zijn aanzienlijk lager dan het typespecifieke niveau en significant lager dan bij een goede toestand.
VisfaunaSamenstelling en abundantie van de soorten komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.
Alle typespecifieke voor verstoring gevoelige soorten zijn aanwezig.
De leeftijdsopbouw van de visgemeenschappen vertoont weinig tekenen van antropogene verstoring en wijst niet op een verstoring in de voortplanting of ontwikkeling van een bepaalde soort.Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van de soorten ten opzichte van de typespecifieke gemeenschappen ten gevolge van antropogene invloeden op de fysisch-chemische en hydromorfologische kwaliteitselementen.
De leeftijdsopbouw van de visgemeenschappen vertoont tekenen van verstoring ten gevolge van antropogene invloeden op de fysisch-chemische of hydro-morfologische kwaliteitselementen en wijst in enkele gevallen op een zodanige verstoring in de voortplanting of ontwikkeling van een bepaalde soort dat sommige leeftijdsklassen kunnen ontbreken.Samenstelling en abundantie van vissoorten verschillen matig van die van typespecifieke gemeenschappen ten gevolge van antropogene invloeden op de fysisch-chemische of hydromorfologische kwaliteitselementen.
De leeftijdsopbouw van de visgemeenschappen vertoont duidelijke tekenen van zodanige antropogene verstoringen dat een matig deel van de typespecifieke soorten ontbreekt of een zeer lage abundantie heeft.
ElémentTrès bon étatBon étatEtat moyen
PhytoplanctonLa composition taxinomique du phytoplancton correspond totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.
L'abondance moyenne de phytoplancton est totalement en rapport avec les conditions physico-chimiques caractéristiques et n'est pas de nature à altérer sensiblement les conditions de transparence caractéristiques.
L'efflorescence planctonique est d'une fréquence et d'une intensité qui correspondent aux conditions physico-chimiques caractéristiques.Légères modifications dans la composition et l'abondance des taxa planctoniques par
comparaison avec les communautés caractéristiques.
Ces changements n'indiquent pas de croissance accélérée des algues entraînant des perturbations indésirables de l'équilibre des organismes présents dans la masse d'eau ou de la qualité physico-chimique de l'eau ou du sédiment.
La fréquence et l'intensité de l'efflorescence planctonique peuvent augmenter légèrement.La composition des taxa planctoniques diffère modérément des communautés caractéristiques.
L'abondance est modérément perturbée et peut être de nature à produire une forte perturbation indésirable des valeurs des autres éléments de qualité biologique et physicochimique.
La fréquence et l'intensité de l'efflorescence planctonique peuvent augmenter modérément.
Une efflorescence persistante peut se produire durant les mois d'été.
Macrophytes et phytobenthosLa composition taxinomique correspond totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.
Pas de modifications détectables dans l'abondance moyenne macrophytique et phytobenthique.Légères modifications dans la composition et l'abondance des taxa macrophytiques et phytobenthiques par rapport aux communautés caractéristiques.
Ces changements n'indiquent pas de croissance accélérée du phytobenthos ou de formes supérieures de vie végétale entraînant des perturbations indésirables de l'équilibre des organismes présents dans la masse d'eau ou de la qualité physico-chimique de l'eau ou du sédiment.
La communauté phytobenthique n'est pas perturbée par des touffes et couches bactériennes dues à des activités anthropogéniques.La composition des taxa macrophytiques et phytobenthiques diffère modérément de la communauté caractéristique et est sensiblement plus perturbée que dans le bon état.
Des modifications modérées de l'abondance moyenne macrophytique et phytobenthique sont perceptibles. La communauté phytobenthique peut être perturbée et, dans certains cas, déplacée par des touffes et couches bactériennes dues à des activités anthropogéniques.
Faune benthique invertébréeLa composition et l'abondance taxinomiques correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.
Le ratio des taxa sensibles aux perturbations par rapport aux taxa insensibles n'indique aucune détérioration par rapport aux niveaux non perturbés.
Le niveau de diversité des taxa d'invertébrés n'indique aucune détérioration par rapport aux niveaux non perturbés.Légères modifications dans la composition et l'abondance des taxa d'invertébrés par rapport aux communautés caractéristiques.
Le ratio des taxa sensibles aux perturbations par rapport aux taxa insensibles indique une légère détérioration par rapport aux niveaux non perturbés.
Le niveau de diversité des taxa d'invertébrés indique de légères détériorations par rapport aux niveaux non perturbés.La composition et l'abondance des taxa d'invertébrés diffèrent modérément de celles des communautés caractéristiques.
D'importants groupes taxinomiques de la communauté caractéristique font défaut.
Le ratio des taxa sensibles aux perturbations par rapport aux taxa insensibles et le niveau de diversité des taxa d'invertébrés sont sensiblement inférieurs au niveau caractéristique et nettement inférieurs à ceux du bon état.
IchtyofauneLa composition et l'abondance des espèces correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.
Toutes les espèces caractéristiques sensibles aux perturbations sont présentes.
Les structures d'âge des communautés n'indiquent guère de perturbation anthropogénique et ne révèlent pas de troubles dans la reproduction ou dans le développement d'une espèce particulière.Légères modifications dans la composition et l'abondance des espèces par rapport aux communautés caractéristiques, en raison d'effets anthropogéniques sur les éléments de qualité physico-chimiques et hydromorphologiques.
Les structures d'âge des communautés indiquent des signes de perturbation dus aux effets anthropogéniques sur les éléments de qualité physico-chimiques et hydromorphologiques et, dans certains cas, révèlent des troubles dans la reproduction ou dans le développement d'une espèce particulière, en ce sens que certaines classes d'âge peuvent faire défaut.La composition et l'abondance des espèces diffèrent modérément de celles des communautés caractéristiques, en raison d'effets anthropogéniques sur les éléments de qualité physico-chimiques ou hydromorphologiques.
Les structures d'âge des communautés indiquent des signes importants de perturbation anthropogénique, en ce sens qu'une proportion modérée de l'espèce caractéristique est absente ou très peu abondante.
PhytoplanctonLa composition taxinomique du phytoplancton correspond totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.
L'abondance moyenne de phytoplancton est totalement en rapport avec les conditions physico-chimiques caractéristiques et n'est pas de nature à altérer sensiblement les conditions de transparence caractéristiques.
L'efflorescence planctonique est d'une fréquence et d'une intensité qui correspondent aux conditions physico-chimiques caractéristiques.Légères modifications dans la composition et l'abondance des taxa planctoniques par
comparaison avec les communautés caractéristiques.
Ces changements n'indiquent pas de croissance accélérée des algues entraînant des perturbations indésirables de l'équilibre des organismes présents dans la masse d'eau ou de la qualité physico-chimique de l'eau ou du sédiment.
La fréquence et l'intensité de l'efflorescence planctonique peuvent augmenter légèrement.La composition des taxa planctoniques diffère modérément des communautés caractéristiques.
L'abondance est modérément perturbée et peut être de nature à produire une forte perturbation indésirable des valeurs des autres éléments de qualité biologique et physicochimique.
La fréquence et l'intensité de l'efflorescence planctonique peuvent augmenter modérément.
Une efflorescence persistante peut se produire durant les mois d'été.
Macrophytes et phytobenthosLa composition taxinomique correspond totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.
Pas de modifications détectables dans l'abondance moyenne macrophytique et phytobenthique.Légères modifications dans la composition et l'abondance des taxa macrophytiques et phytobenthiques par rapport aux communautés caractéristiques.
Ces changements n'indiquent pas de croissance accélérée du phytobenthos ou de formes supérieures de vie végétale entraînant des perturbations indésirables de l'équilibre des organismes présents dans la masse d'eau ou de la qualité physico-chimique de l'eau ou du sédiment.
La communauté phytobenthique n'est pas perturbée par des touffes et couches bactériennes dues à des activités anthropogéniques.La composition des taxa macrophytiques et phytobenthiques diffère modérément de la communauté caractéristique et est sensiblement plus perturbée que dans le bon état.
Des modifications modérées de l'abondance moyenne macrophytique et phytobenthique sont perceptibles. La communauté phytobenthique peut être perturbée et, dans certains cas, déplacée par des touffes et couches bactériennes dues à des activités anthropogéniques.
Faune benthique invertébréeLa composition et l'abondance taxinomiques correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.
Le ratio des taxa sensibles aux perturbations par rapport aux taxa insensibles n'indique aucune détérioration par rapport aux niveaux non perturbés.
Le niveau de diversité des taxa d'invertébrés n'indique aucune détérioration par rapport aux niveaux non perturbés.Légères modifications dans la composition et l'abondance des taxa d'invertébrés par rapport aux communautés caractéristiques.
Le ratio des taxa sensibles aux perturbations par rapport aux taxa insensibles indique une légère détérioration par rapport aux niveaux non perturbés.
Le niveau de diversité des taxa d'invertébrés indique de légères détériorations par rapport aux niveaux non perturbés.La composition et l'abondance des taxa d'invertébrés diffèrent modérément de celles des communautés caractéristiques.
D'importants groupes taxinomiques de la communauté caractéristique font défaut.
Le ratio des taxa sensibles aux perturbations par rapport aux taxa insensibles et le niveau de diversité des taxa d'invertébrés sont sensiblement inférieurs au niveau caractéristique et nettement inférieurs à ceux du bon état.
IchtyofauneLa composition et l'abondance des espèces correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.
Toutes les espèces caractéristiques sensibles aux perturbations sont présentes.
Les structures d'âge des communautés n'indiquent guère de perturbation anthropogénique et ne révèlent pas de troubles dans la reproduction ou dans le développement d'une espèce particulière.Légères modifications dans la composition et l'abondance des espèces par rapport aux communautés caractéristiques, en raison d'effets anthropogéniques sur les éléments de qualité physico-chimiques et hydromorphologiques.
Les structures d'âge des communautés indiquent des signes de perturbation dus aux effets anthropogéniques sur les éléments de qualité physico-chimiques et hydromorphologiques et, dans certains cas, révèlent des troubles dans la reproduction ou dans le développement d'une espèce particulière, en ce sens que certaines classes d'âge peuvent faire défaut.La composition et l'abondance des espèces diffèrent modérément de celles des communautés caractéristiques, en raison d'effets anthropogéniques sur les éléments de qualité physico-chimiques ou hydromorphologiques.
Les structures d'âge des communautés indiquent des signes importants de perturbation anthropogénique, en ce sens qu'une proportion modérée de l'espèce caractéristique est absente ou très peu abondante.
Hydromorfologische kwaliteitselementen
Eléments de qualité hydromorphologique
| Element | Zeer goed | Goed | Matig |
| Hydrologisch regime | Stromingskwantiteit en -dynamiek en de daaruit voortvloeiende verbindingen met het grondwater weerspiegelen geheel of vrijwel geheel de onverstoorde staat. | Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt. | Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt. |
| Rivier- continuïteit | De continuïteit van de rivier wordt niet verstoord door menselijke activiteiten en een onverstoorde migratie van waterorganismen en sedimenttransport is mogelijk. | Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt. | Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt. |
| Morfologische omstandigheden | Kanaalpatronen, breedte- en dieptevariaties, stroomsnelheden, substraatomstandigheden en zowel de structuur als de toestand van de oeverzones komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat. | Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt. | Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt. |
| Elément | Très bon état | Bon état | Etat moyen |
| Régime hydrologique | La quantité et la dynamique du débit, et la connexion résultante aux eaux souterraines, correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées. | Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. | Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. |
| Continuité de la rivière | La continuité de la rivière n'est pas perturbée par des activités anthropogéniques et permet une migration non perturbée des organismes aquatiques et le transport de sédiments. | Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. | Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. |
| Conditions morphologiques | Les types de chenaux, les variations de largeur et de profondeur, la vitesse d'écoulement, l'état du substrat et tant la structure que l'état des rives correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées. | Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. | Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. |
ElementZeer goedGoedMatig
Hydrologisch regimeStromingskwantiteit en -dynamiek en de daaruit voortvloeiende verbindingen met het grondwater weerspiegelen geheel of vrijwel geheel de onverstoorde staat.Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.
Rivier-
continuïteitDe continuïteit van de rivier wordt niet verstoord door menselijke activiteiten en een onverstoorde migratie van waterorganismen en sedimenttransport is mogelijk.Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.
Morfologische omstandighedenKanaalpatronen, breedte- en dieptevariaties, stroomsnelheden, substraatomstandigheden en zowel de structuur als de toestand van de oeverzones komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.
Hydrologisch regimeStromingskwantiteit en -dynamiek en de daaruit voortvloeiende verbindingen met het grondwater weerspiegelen geheel of vrijwel geheel de onverstoorde staat.Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.
Rivier-
continuïteitDe continuïteit van de rivier wordt niet verstoord door menselijke activiteiten en een onverstoorde migratie van waterorganismen en sedimenttransport is mogelijk.Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.
Morfologische omstandighedenKanaalpatronen, breedte- en dieptevariaties, stroomsnelheden, substraatomstandigheden en zowel de structuur als de toestand van de oeverzones komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.
ElémentTrès bon étatBon étatEtat moyen
Régime hydrologiqueLa quantité et la dynamique du débit, et la connexion résultante aux eaux souterraines, correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Continuité de la rivièreLa continuité de la rivière n'est pas perturbée par des activités anthropogéniques et permet une migration non perturbée des organismes aquatiques et le transport de sédiments.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Conditions morphologiquesLes types de chenaux, les variations de largeur et de profondeur, la vitesse d'écoulement, l'état du substrat et tant la structure que l'état des rives correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Régime hydrologiqueLa quantité et la dynamique du débit, et la connexion résultante aux eaux souterraines, correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Continuité de la rivièreLa continuité de la rivière n'est pas perturbée par des activités anthropogéniques et permet une migration non perturbée des organismes aquatiques et le transport de sédiments.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Conditions morphologiquesLes types de chenaux, les variations de largeur et de profondeur, la vitesse d'écoulement, l'état du substrat et tant la structure que l'état des rives correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Fsisch-chemische kwaliteitselementen (1)
Eléments de qualité physico chimique (1)
| Element | Zeer goed | Goed | Matig |
| Algemene omstandigheden | De waarden van de fysisch-chemische elementen komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat. De nutriëntenconcentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat. Zoutgehalte, pH, zuurstofbalans, zuurneutraliserend vermogen en temperatuur vertonen geen tekenen van antropogene verstoring en blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat. | Temperatuur, zuurstofbalans, pH, zuurneutraliserend vermogen en zoutgehalte bereiken geen niveau dat buiten de grenzen ligt die zijn vastgesteld om te waarborgen dat het typespecifieke ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt. De nutriëntenconcentraties liggen niet boven het vastgestelde niveau waarbij het ecosysteem functioneert en waarbij de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt. | Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt. |
| Specifieke synthetische verontreinigende stoffen | Concentraties van bijna nul en ten minste onder de detectielimieten van de meest geavanceerde analysetechnieken die algemeen worden gebruikt. | De concentraties liggen niet boven de normen die zijn vastgesteld volgens de procedure van punt.2.4, onverminderd de Richtlijnen 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en 98/8/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (< mkn). | Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt. |
| Specifieke niet-synthetische verontreinigende stoffen | Concentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat (an). | De concentraties liggen niet boven de normen die zijn vastgesteld volgens de procedure van punt 2.4 (2), onverminderd de Richtlijnen 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en 98/8/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (< mkn). | Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt. |
| Elément | Très bon état | Bon état | Etat moyen |
| Conditions générales | Les valeurs des éléments physico-chimiques correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées. Les concentrations de nutriments restent dans la fourchette normalement associée aux conditions non perturbées. Les niveaux de salinité, le pH, le bilan d'oxygène, la capacité de neutralisation des acides et la température n'indiquent pas de signes de perturbation anthropogénique et restent dans la fourchette normalement associée aux conditions non perturbées. | La température, le bilan d'oxygène, le pH, la capacité de neutralisation des acides et la salinité ne dépassent pas les normes établies pour assurer le fonctionnement de l'écosystème caractéristique et pour atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. Les concentrations de nutriments ne dépassent pas les normes établies pour assurer le fonctionnement de l'écosystème caractéristique et pour atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. | Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. |
| Polluants synthétiques spécifiques | Concentrations proches de zéro et au moins inférieures aux limites de détection des techniques d'analyse les plus avancées d'usage général. | Concentrations ne dépassant pas les normes fixées conformément à la procédure visée au point 2.4 sans préjudice des Directives 91/414/CEE du Conseil, du 15 juillet 1991, concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et 98/8/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 février 1998 concernant la mise sur le marché des produits biocides (< eqs). | Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. |
| Polluants non synthétiques spécifiques | Les concentrations restent dans la fourchette normalement associée à des conditions non perturbées (niveaux de fond = bgl). | Concentrations ne dépassant pas les normes fixées conformément à la procédure visée au point 2.4 (2) sans préjudice des Directives 91/414/CE du Conseil, du 15 juillet 1991, concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et 98/8/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 février 1998 concernant la mise sur le marché des produits biocides (< eqs). | Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. |
ElementZeer goedGoedMatig
Algemene omstandighedenDe waarden van de fysisch-chemische elementen komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.
De nutriëntenconcentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat.
Zoutgehalte, pH, zuurstofbalans, zuurneutraliserend vermogen en temperatuur vertonen geen tekenen van antropogene verstoring en blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat.Temperatuur, zuurstofbalans, pH, zuurneutraliserend vermogen en zoutgehalte bereiken geen niveau dat buiten de grenzen ligt die zijn vastgesteld om te waarborgen dat het typespecifieke ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.
De nutriëntenconcentraties liggen niet boven het vastgestelde niveau waarbij het ecosysteem functioneert en waarbij de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.
Specifieke synthetische verontreinigende stoffenConcentraties van bijna nul en ten minste onder de detectielimieten van de meest geavanceerde analysetechnieken die algemeen worden gebruikt.De concentraties liggen niet boven de normen die zijn vastgesteld volgens de procedure van punt.2.4, onverminderd de Richtlijnen 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en 98/8/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (< mkn).Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.
Specifieke niet-synthetische verontreinigende stoffenConcentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat (an).De concentraties liggen niet boven de normen die zijn vastgesteld volgens de procedure van punt 2.4 (2), onverminderd de Richtlijnen 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en 98/8/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (< mkn).Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.
Algemene omstandighedenDe waarden van de fysisch-chemische elementen komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.
De nutriëntenconcentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat.
Zoutgehalte, pH, zuurstofbalans, zuurneutraliserend vermogen en temperatuur vertonen geen tekenen van antropogene verstoring en blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat.Temperatuur, zuurstofbalans, pH, zuurneutraliserend vermogen en zoutgehalte bereiken geen niveau dat buiten de grenzen ligt die zijn vastgesteld om te waarborgen dat het typespecifieke ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.
De nutriëntenconcentraties liggen niet boven het vastgestelde niveau waarbij het ecosysteem functioneert en waarbij de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.
Specifieke synthetische verontreinigende stoffenConcentraties van bijna nul en ten minste onder de detectielimieten van de meest geavanceerde analysetechnieken die algemeen worden gebruikt.De concentraties liggen niet boven de normen die zijn vastgesteld volgens de procedure van punt.2.4, onverminderd de Richtlijnen 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en 98/8/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (< mkn).Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.
Specifieke niet-synthetische verontreinigende stoffenConcentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat (an).De concentraties liggen niet boven de normen die zijn vastgesteld volgens de procedure van punt 2.4 (2), onverminderd de Richtlijnen 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en 98/8/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (< mkn).Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.
ElémentTrès bon étatBon étatEtat moyen
Conditions généralesLes valeurs des éléments physico-chimiques correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.
Les concentrations de nutriments restent dans la fourchette normalement associée aux conditions non perturbées.
Les niveaux de salinité, le pH, le bilan d'oxygène, la capacité de neutralisation des acides et la température n'indiquent pas de signes de perturbation anthropogénique et restent dans la fourchette normalement associée aux conditions non perturbées.La température, le bilan d'oxygène, le pH, la capacité de neutralisation des acides et la salinité ne dépassent pas les normes établies pour assurer le fonctionnement de l'écosystème caractéristique et pour atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Les concentrations de nutriments ne dépassent pas les normes établies pour assurer le fonctionnement de l'écosystème caractéristique et pour atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Polluants synthétiques spécifiquesConcentrations proches de zéro et au moins inférieures aux limites de détection des techniques d'analyse les plus avancées d'usage général.Concentrations ne dépassant pas les normes fixées conformément à la procédure visée au point 2.4 sans préjudice des Directives 91/414/CEE du Conseil, du 15 juillet 1991, concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et 98/8/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 février 1998 concernant la mise sur le marché des produits biocides (< eqs).Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Polluants non synthétiques spécifiquesLes concentrations restent dans la fourchette normalement associée à des conditions non perturbées (niveaux de fond = bgl).Concentrations ne dépassant pas les normes fixées conformément à la procédure visée au point 2.4 (2) sans préjudice des Directives 91/414/CE du Conseil, du 15 juillet 1991, concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et 98/8/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 février 1998 concernant la mise sur le marché des produits biocides (< eqs).Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Conditions généralesLes valeurs des éléments physico-chimiques correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.
Les concentrations de nutriments restent dans la fourchette normalement associée aux conditions non perturbées.
Les niveaux de salinité, le pH, le bilan d'oxygène, la capacité de neutralisation des acides et la température n'indiquent pas de signes de perturbation anthropogénique et restent dans la fourchette normalement associée aux conditions non perturbées.La température, le bilan d'oxygène, le pH, la capacité de neutralisation des acides et la salinité ne dépassent pas les normes établies pour assurer le fonctionnement de l'écosystème caractéristique et pour atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Les concentrations de nutriments ne dépassent pas les normes établies pour assurer le fonctionnement de l'écosystème caractéristique et pour atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Polluants synthétiques spécifiquesConcentrations proches de zéro et au moins inférieures aux limites de détection des techniques d'analyse les plus avancées d'usage général.Concentrations ne dépassant pas les normes fixées conformément à la procédure visée au point 2.4 sans préjudice des Directives 91/414/CEE du Conseil, du 15 juillet 1991, concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et 98/8/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 février 1998 concernant la mise sur le marché des produits biocides (< eqs).Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Polluants non synthétiques spécifiquesLes concentrations restent dans la fourchette normalement associée à des conditions non perturbées (niveaux de fond = bgl).Concentrations ne dépassant pas les normes fixées conformément à la procédure visée au point 2.4 (2) sans préjudice des Directives 91/414/CE du Conseil, du 15 juillet 1991, concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et 98/8/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 février 1998 concernant la mise sur le marché des produits biocides (< eqs).Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
(1) Afkortingen : an = achtergrondniveau, mkn = milieukwaliteitsnorm.
(2) Voor de toepassing van de uit hoofde van dit protocol afgeleide normen is geen verlaging van de concentraties van verontreinigende stoffen tot onder het achtergrondniveau nodig (mkn > an).
(2) Voor de toepassing van de uit hoofde van dit protocol afgeleide normen is geen verlaging van de concentraties van verontreinigende stoffen tot onder het achtergrondniveau nodig (mkn > an).
(1) Les abréviations suivantes sont utilisées : bgl (background level) = niveau de fond; eqs (environmental quality standard) = norme de qualité environnementale.
(2) L'application des normes découlant du protocole visé ne requiert pas la réduction des concentrations de polluants en deçà des niveaux de fond (eqs > bgl).
(2) L'application des normes découlant du protocole visé ne requiert pas la réduction des concentrations de polluants en deçà des niveaux de fond (eqs > bgl).
2.2. Definities voor zeer goede, goede en matige ecologische toestand in meren.
Biologische kwaliteitselementen
Biologische kwaliteitselementen
2.2. Définitions normatives des états écologiques " très bon ", " bon " et " moyen " en ce qui concerne les lacs
Eléments de qualité biologique
Eléments de qualité biologique
| Element | Zeer goed | Goed | Matig |
| Fytoplankton | De taxonomische samenstelling van fytoplankton komt geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat. De gemiddelde abundantie van fytoplankton komt overeen met de typespecifieke fysisch-chemische omstandigheden en is niet zodanig dat het typespecifieke doorzicht significant gewijzigd is. Er is planktonbloei met een frequentie en intensiteit die overeenkomt met de typespecifieke fysisch-chemische omstandigheden | Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van de planktontaxa in vergelijking met de typespecifieke gemeenschappen. Die veranderingen wijzen niet op een versnelde groei van algen die leidt tot ongewenste verstoringen van het evenwicht van de in het waterlichaam aanwezige organismen of de fysisch-chemische kwaliteit van het water of sediment. Er kan zich een lichte stijging voordoen in de frequentie en intensiteit van de typespecifieke planktonbloei. | Samenstelling en abundantie van planktontaxa verschillen matig van de typespecifieke gemeenschappen. De biomassa is matig verstoord en kan van dien aard zijn dat een significante ongewenste verstoring optreedt in de toestand van andere biologische kwaliteitselementen en de fysisch-chemische kwaliteit van het water of sediment. Er kan zich een matige stijging voordoen in de frequentie en intensiteit van planktonbloei. In de zomermaanden kan persistente bloei voorkomen |
| Macrofyten en fytobenthos | De taxonomische samenstelling komt geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat. Er zijn geen waarneembare veranderingen in de gemiddelde macrofytische en fytobentische abundantie. | Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van de macrofytische en fytobentische taxa in vergelijking met de typespecifieke gemeenschappen. Die veranderingen wijzen niet op een versnelde groei van fytobenthos of hogere vormen van plantaardig leven die leiden tot ongewenste verstoringen van het evenwicht van de in het waterlichaam aanwezige organismen of de fysisch-chemische kwaliteit van het water. De fytobentische gemeenschap wordt niet negatief beïnvloed door bacterievlokken en -lagen ten gevolge van menselijke activiteiten. | De samenstelling van macrofytische en fytobentische taxa verschilt matig van de typespecifieke gemeenschappen en is significant meer verstoord dan bij een goede kwaliteit. Matige veranderingen in de gemiddelde abundantie van macrofyten en fytobenthos zijn aantoonbaar. De fytobentische gemeenschap kan gehinderd en in sommigegebieden verdrongen worden door bacterievlokken en -lagen ten gevolge van menselijke activiteiten. |
| Bentische ongewervelde fauna | De taxonomische samenstelling en abundantie komt geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat. De verhouding tussen voor verstoring gevoelige taxa en ongevoelige taxa wijkt niet af van de onverstoorde niveaus. De diversiteit van ongewervelde taxa wijkt niet af van het onverstoorde niveau. | Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van ongewervelde taxa ten opzichte van de typespecifieke gemeenschappen. De verhouding tussen voor verstoring gevoelige taxa en ongevoelige taxa wijkt licht af van de typespecifieke niveaus. De diversiteit van ongewervelde taxa wijkt licht af van de typespecifieke niveaus. | Samenstelling en abundantie van ongewervelde taxa verschillen matig van de typespecifieke toestanden. Belangrijke taxonomische groepen van de typespecifieke gemeenschap ontbreken. De verhouding tussen voor verstoring gevoelige taxa en ongevoelige taxa en de mate van diversiteit zijn aanzienlijk lager dan het typespecifieke niveau en significant lager dan bij een goede toestand. |
| Visfauna | Samenstelling en abundantie van de soorten komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde omstandigheden. Alle typespecifieke voor verstoring gevoelige soorten zijn aanwezig. De leeftijdsstructuur van de visgemeenschappen vertoont weinig tekenen van antropogene verstoring en wijst niet op een storing in de voortplanting of ontwikkeling van een bepaalde soort. | Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van de soorten ten opzichte van de typespecifieke gemeenschappen ten gevolge van antropogene invloeden op de fysisch-chemische en hydromorfologische kwaliteitselementen. De leeftijdsstructuur van de visgemeenschappen vertoont tekenen van verstoring ten gevolge van antropogene effecten op de fysisch-chemische of hydromorfologische kwaliteitselementen en wijst in enkele gevallen op een zodanige storing in de voortplanting of ontwikkeling van een bepaalde soort dat sommige leeftijdsklassen kunnen ontbreken. | Samenstelling en abundantie van vissoorten verschillen matig van die van de typespecifieke gemeenschappen ten gevolge van antropogene invloeden op de fysisch-chemische of hydromorfologische kwaliteitselementen. De leeftijdsstructuur van de visgemeenschappen vertoont op fysisch-chemische of hydromorfologische kwaliteitselementen duidelijke tekenen van zodanige antropogene verstoringen dat een matig deel van de typespecifieke soorten ontbreekt of een zeer lage abundantie heeft. |
| Elément | Très bon état | Bon état | Etat moyen |
| Phytoplancton | La composition taxinomique et l'abondance du phytoplancton correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées. La biomasse moyenne de phytoplancton correspond aux conditions physico-chimiques caractéristiques et n'est pas de nature à altérer sensiblement les conditions de transparence caractéristiques. L'efflorescence planctonique est d'une fréquence et d'une intensité qui correspondent aux conditions physico-chimiques caractéristiques. | Légères modifications dans la composition et l'abondance des taxa planctoniques par comparaison avec les communautés caractéristiques. Ces changements n'indiquent pas de croissance accélérée des algues entraînant des perturbations indésirables de l'équilibre des organismes présents dans la masse d'eau ou de la qualité physico-chimique de l'eau ou du sédiment. La fréquence et l'intensité de l'efflorescence planctonique caractéristique peuvent augmenter légèrement. | La composition et l'abondance des taxa planctoniques diffèrent modérément de celles des communautés caractéristiques. L'abondance est modérément perturbée et peut être de nature à produire une forte perturbation indésirable des valeurs d'autres éléments de qualité biologique et de la qualité physicochimique de l'eau ou du sédiment. La fréquence et l'intensité de l'efflorescence planctonique peuvent augmenter modérément. Une efflorescence persistante peut se produire durant les mois d'été. |
| Macrophytes et phytobenthos | La composition taxinomique correspond totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées. Pas de modifications détectables dans l'abondance moyenne macrophytique et phytobenthique. | Légères modifications dans la composition et l'abondance des taxa macrophytiques et phytobenthiques par rapport aux communautés caractéristiques. Ces changements n'indiquent pas de croissance accélérée du phytobenthos ou de formes supérieures de vie végétale entraînant des perturbations indésirables de l'équilibre des organismes présents dans la masse d'eau ou de la qualité physico-chimique de l'eau. La communauté phytobenthique n'est pas perturbée par des touffes et couches bactériennes dues à des activités anthropogéniques. | La composition des taxa macrophytiques et phytobenthiques diffère modérément de celle de la communauté caractéristique et est sensiblement plus perturbée que dans le bon état. Des modifications modérées de l'abondance moyenne macrophytique et phytobenthique sont perceptibles. La communauté phytobenthique peut être perturbée et, dans certains cas, déplacée par des touffes et couches bactériennes dues à des activités anthropogéniques. |
| Faune benthique invertébrée | La composition et l'abondance taxinomique correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées. Le ratio des taxa sensibles aux perturbations par rapport aux taxa insensibles n'indique aucune détérioration par rapport aux niveaux non perturbés. Le niveau de diversité des taxa d'invertébrés n'indique aucune détérioration par rapport aux niveaux non perturbés. | Légères modifications dans la composition et l'abondance des taxa d'invertébrés par rapport à celles des communautés caractéristiques. Le ratio des taxa sensibles aux perturbations par rapport aux taxa insensibles indique une légère détérioration par rapport aux niveaux non perturbés. Le niveau de diversité des taxa d'invertébrés indique de légères détériorations par rapport aux niveaux non perturbés. | La composition et l'abondance des taxa d'invertébrés diffèrent modérément de celles des communautés caractéristiques. D'importants groupes taxinomiques de la communauté caractéristique font défaut. Le ratio des taxa sensibles aux perturbations par rapport aux taxa insensibles et le niveau de diversité sont sensiblement inférieurs au niveau caractéristique et nettement inférieurs à ceux du bon état. |
| Ichtyofaune | La composition et l'abondance des espèces correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées. Toutes les espèces caractéristiques sensibles aux perturbations sont présentes. Les structures d'âge des communautés n'indiquent guère de perturbation anthropogénique et ne révèlent pas de troubles dans la reproduction ou dans le développement d'une espèce particulière. | Légères modifications dans la composition et l'abondance des espèces par rapport aux communautés caractéristiques, en raison d'effets anthropogéniques sur les éléments de qualité physico-chimiques ou hydromorphologiques. Les structures d'âge des communautés indiquent des signes de perturbation dus aux effets anthropogéniques sur les éléments de qualité physico-chimique et hydromorphologique et, dans certains cas, révèlent des troubles dans la reproduction ou dans le développement d'une espèce particulière, en ce sens que certaines classes d'âge peuvent faire défaut. | La composition et l'abondance des espèces diffèrent modérément de celles des communautés caractéristiques, en raison d'effets anthropogéniques sur les éléments de qualité physico-chimique ou hydromorphologique. Les structures d'âge des communautés indiquent des signes importants de perturbations anthropogéniques, en ce sens qu'une proportion modérée de l'espèce caractéristique est absente ou très peu abondante. |
ElementZeer goedGoedMatig
FytoplanktonDe taxonomische samenstelling van fytoplankton komt geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.
De gemiddelde abundantie van fytoplankton komt overeen met de typespecifieke fysisch-chemische omstandigheden en is niet zodanig dat het typespecifieke doorzicht significant gewijzigd is.
Er is planktonbloei met een frequentie en intensiteit die overeenkomt met de typespecifieke fysisch-chemische omstandighedenEr zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van de planktontaxa in vergelijking met de typespecifieke gemeenschappen. Die veranderingen wijzen niet op een versnelde groei van algen die leidt tot ongewenste verstoringen van het evenwicht van de in het waterlichaam aanwezige organismen of de fysisch-chemische kwaliteit van het water of sediment.
Er kan zich een lichte stijging voordoen in de frequentie en intensiteit van de typespecifieke planktonbloei.Samenstelling en abundantie van planktontaxa verschillen matig van de typespecifieke gemeenschappen.
De biomassa is matig verstoord en kan van dien aard zijn dat een significante ongewenste verstoring optreedt in de toestand van andere biologische kwaliteitselementen en de fysisch-chemische kwaliteit van het water of sediment.
Er kan zich een matige stijging voordoen in de frequentie en intensiteit van planktonbloei. In de zomermaanden kan persistente bloei voorkomen
Macrofyten en fytobenthosDe taxonomische samenstelling komt geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.
Er zijn geen waarneembare veranderingen in de gemiddelde macrofytische en fytobentische abundantie.Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van de macrofytische en fytobentische taxa in vergelijking met de typespecifieke gemeenschappen. Die veranderingen wijzen niet op een versnelde groei van fytobenthos of hogere vormen van plantaardig leven die leiden tot ongewenste verstoringen van het evenwicht van de in het waterlichaam aanwezige organismen of de fysisch-chemische kwaliteit van het water.
De fytobentische gemeenschap wordt niet negatief beïnvloed door bacterievlokken en -lagen ten gevolge van menselijke activiteiten.De samenstelling van macrofytische en fytobentische taxa verschilt matig van de typespecifieke gemeenschappen en is significant meer verstoord dan bij een goede kwaliteit.
Matige veranderingen in de gemiddelde abundantie van macrofyten en fytobenthos zijn aantoonbaar.
De fytobentische gemeenschap kan gehinderd en in sommigegebieden verdrongen worden door bacterievlokken en -lagen ten gevolge van menselijke activiteiten.
Bentische ongewervelde faunaDe taxonomische samenstelling en abundantie komt geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.
De verhouding tussen voor verstoring gevoelige taxa en ongevoelige taxa wijkt niet af van de onverstoorde niveaus.
De diversiteit van ongewervelde taxa wijkt niet af van het onverstoorde niveau.Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van ongewervelde taxa ten opzichte van de typespecifieke gemeenschappen.
De verhouding tussen voor verstoring gevoelige taxa en ongevoelige taxa wijkt licht af van de typespecifieke niveaus.
De diversiteit van ongewervelde taxa wijkt licht af van de typespecifieke niveaus.Samenstelling en abundantie van ongewervelde taxa verschillen matig van de typespecifieke toestanden.
Belangrijke taxonomische groepen van de typespecifieke gemeenschap ontbreken.
De verhouding tussen voor verstoring gevoelige taxa en ongevoelige taxa en de mate van diversiteit zijn aanzienlijk lager dan het typespecifieke niveau en significant lager dan bij een goede toestand.
VisfaunaSamenstelling en abundantie van de soorten komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde omstandigheden.
Alle typespecifieke voor verstoring gevoelige soorten zijn aanwezig.
De leeftijdsstructuur van de visgemeenschappen vertoont weinig tekenen van antropogene verstoring en wijst niet op een storing in de voortplanting of ontwikkeling van een bepaalde soort.Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van de soorten ten opzichte van de typespecifieke gemeenschappen ten gevolge van antropogene invloeden op de fysisch-chemische en hydromorfologische kwaliteitselementen.
De leeftijdsstructuur van de visgemeenschappen vertoont tekenen van verstoring ten gevolge van antropogene effecten op de fysisch-chemische of hydromorfologische kwaliteitselementen en wijst in enkele gevallen op een zodanige storing in de voortplanting of ontwikkeling van een bepaalde soort dat sommige leeftijdsklassen kunnen ontbreken.Samenstelling en abundantie van vissoorten verschillen matig van die van de typespecifieke gemeenschappen ten gevolge van antropogene invloeden op de fysisch-chemische of hydromorfologische kwaliteitselementen.
De leeftijdsstructuur van de visgemeenschappen vertoont op fysisch-chemische of hydromorfologische kwaliteitselementen duidelijke tekenen van zodanige antropogene verstoringen dat een matig deel van de typespecifieke soorten ontbreekt of een zeer lage abundantie heeft.
FytoplanktonDe taxonomische samenstelling van fytoplankton komt geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.
De gemiddelde abundantie van fytoplankton komt overeen met de typespecifieke fysisch-chemische omstandigheden en is niet zodanig dat het typespecifieke doorzicht significant gewijzigd is.
Er is planktonbloei met een frequentie en intensiteit die overeenkomt met de typespecifieke fysisch-chemische omstandighedenEr zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van de planktontaxa in vergelijking met de typespecifieke gemeenschappen. Die veranderingen wijzen niet op een versnelde groei van algen die leidt tot ongewenste verstoringen van het evenwicht van de in het waterlichaam aanwezige organismen of de fysisch-chemische kwaliteit van het water of sediment.
Er kan zich een lichte stijging voordoen in de frequentie en intensiteit van de typespecifieke planktonbloei.Samenstelling en abundantie van planktontaxa verschillen matig van de typespecifieke gemeenschappen.
De biomassa is matig verstoord en kan van dien aard zijn dat een significante ongewenste verstoring optreedt in de toestand van andere biologische kwaliteitselementen en de fysisch-chemische kwaliteit van het water of sediment.
Er kan zich een matige stijging voordoen in de frequentie en intensiteit van planktonbloei. In de zomermaanden kan persistente bloei voorkomen
Macrofyten en fytobenthosDe taxonomische samenstelling komt geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.
Er zijn geen waarneembare veranderingen in de gemiddelde macrofytische en fytobentische abundantie.Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van de macrofytische en fytobentische taxa in vergelijking met de typespecifieke gemeenschappen. Die veranderingen wijzen niet op een versnelde groei van fytobenthos of hogere vormen van plantaardig leven die leiden tot ongewenste verstoringen van het evenwicht van de in het waterlichaam aanwezige organismen of de fysisch-chemische kwaliteit van het water.
De fytobentische gemeenschap wordt niet negatief beïnvloed door bacterievlokken en -lagen ten gevolge van menselijke activiteiten.De samenstelling van macrofytische en fytobentische taxa verschilt matig van de typespecifieke gemeenschappen en is significant meer verstoord dan bij een goede kwaliteit.
Matige veranderingen in de gemiddelde abundantie van macrofyten en fytobenthos zijn aantoonbaar.
De fytobentische gemeenschap kan gehinderd en in sommigegebieden verdrongen worden door bacterievlokken en -lagen ten gevolge van menselijke activiteiten.
Bentische ongewervelde faunaDe taxonomische samenstelling en abundantie komt geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.
De verhouding tussen voor verstoring gevoelige taxa en ongevoelige taxa wijkt niet af van de onverstoorde niveaus.
De diversiteit van ongewervelde taxa wijkt niet af van het onverstoorde niveau.Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van ongewervelde taxa ten opzichte van de typespecifieke gemeenschappen.
De verhouding tussen voor verstoring gevoelige taxa en ongevoelige taxa wijkt licht af van de typespecifieke niveaus.
De diversiteit van ongewervelde taxa wijkt licht af van de typespecifieke niveaus.Samenstelling en abundantie van ongewervelde taxa verschillen matig van de typespecifieke toestanden.
Belangrijke taxonomische groepen van de typespecifieke gemeenschap ontbreken.
De verhouding tussen voor verstoring gevoelige taxa en ongevoelige taxa en de mate van diversiteit zijn aanzienlijk lager dan het typespecifieke niveau en significant lager dan bij een goede toestand.
VisfaunaSamenstelling en abundantie van de soorten komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde omstandigheden.
Alle typespecifieke voor verstoring gevoelige soorten zijn aanwezig.
De leeftijdsstructuur van de visgemeenschappen vertoont weinig tekenen van antropogene verstoring en wijst niet op een storing in de voortplanting of ontwikkeling van een bepaalde soort.Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van de soorten ten opzichte van de typespecifieke gemeenschappen ten gevolge van antropogene invloeden op de fysisch-chemische en hydromorfologische kwaliteitselementen.
De leeftijdsstructuur van de visgemeenschappen vertoont tekenen van verstoring ten gevolge van antropogene effecten op de fysisch-chemische of hydromorfologische kwaliteitselementen en wijst in enkele gevallen op een zodanige storing in de voortplanting of ontwikkeling van een bepaalde soort dat sommige leeftijdsklassen kunnen ontbreken.Samenstelling en abundantie van vissoorten verschillen matig van die van de typespecifieke gemeenschappen ten gevolge van antropogene invloeden op de fysisch-chemische of hydromorfologische kwaliteitselementen.
De leeftijdsstructuur van de visgemeenschappen vertoont op fysisch-chemische of hydromorfologische kwaliteitselementen duidelijke tekenen van zodanige antropogene verstoringen dat een matig deel van de typespecifieke soorten ontbreekt of een zeer lage abundantie heeft.
ElémentTrès bon étatBon étatEtat moyen
PhytoplanctonLa composition taxinomique et l'abondance du phytoplancton correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.
La biomasse moyenne de phytoplancton correspond aux conditions physico-chimiques caractéristiques et n'est pas de nature à altérer sensiblement les conditions de transparence caractéristiques.
L'efflorescence planctonique est d'une fréquence et d'une intensité qui correspondent aux conditions physico-chimiques caractéristiques.Légères modifications dans la composition et l'abondance des taxa planctoniques par comparaison avec les communautés caractéristiques.
Ces changements n'indiquent pas de croissance accélérée des algues entraînant des perturbations indésirables de l'équilibre des organismes présents dans la masse d'eau ou de la qualité physico-chimique de l'eau ou du sédiment.
La fréquence et l'intensité de l'efflorescence planctonique caractéristique peuvent augmenter légèrement.La composition et l'abondance des taxa planctoniques diffèrent modérément de celles des communautés caractéristiques.
L'abondance est modérément perturbée et peut être de nature à produire une forte perturbation indésirable des valeurs d'autres éléments de qualité biologique et de la qualité physicochimique de l'eau ou du sédiment.
La fréquence et l'intensité de l'efflorescence planctonique peuvent augmenter modérément.
Une efflorescence persistante peut se produire durant les mois d'été.
Macrophytes et phytobenthosLa composition taxinomique correspond totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.
Pas de modifications détectables dans l'abondance moyenne macrophytique et phytobenthique.Légères modifications dans la composition et l'abondance des taxa macrophytiques et phytobenthiques par rapport aux communautés caractéristiques.
Ces changements n'indiquent pas de croissance accélérée du phytobenthos ou de formes supérieures de vie végétale entraînant des perturbations indésirables de l'équilibre des organismes présents dans la masse d'eau ou de la qualité physico-chimique de l'eau.
La communauté phytobenthique n'est pas perturbée par des touffes et couches bactériennes dues à des activités anthropogéniques.La composition des taxa macrophytiques et phytobenthiques diffère modérément de celle de la communauté caractéristique et est sensiblement plus perturbée que dans le bon état.
Des modifications modérées de l'abondance moyenne macrophytique et phytobenthique sont perceptibles.
La communauté phytobenthique peut être perturbée et, dans certains cas, déplacée par des touffes et couches bactériennes dues à des activités anthropogéniques.
Faune benthique invertébréeLa composition et l'abondance taxinomique correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.
Le ratio des taxa sensibles aux perturbations par rapport aux taxa insensibles n'indique aucune détérioration par rapport aux niveaux non perturbés.
Le niveau de diversité des taxa d'invertébrés n'indique aucune détérioration par rapport aux niveaux non perturbés.Légères modifications dans la composition et l'abondance des taxa d'invertébrés par rapport à celles des communautés caractéristiques.
Le ratio des taxa sensibles aux perturbations par rapport aux taxa insensibles indique une légère détérioration par rapport aux niveaux non perturbés.
Le niveau de diversité des taxa d'invertébrés indique de légères détériorations par rapport aux niveaux non perturbés.La composition et l'abondance des taxa d'invertébrés diffèrent modérément de celles des communautés caractéristiques.
D'importants groupes taxinomiques de la communauté caractéristique font défaut.
Le ratio des taxa sensibles aux perturbations par rapport aux taxa insensibles et le niveau de diversité sont sensiblement inférieurs au niveau caractéristique et nettement inférieurs à ceux du bon état.
IchtyofauneLa composition et l'abondance des espèces correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.
Toutes les espèces caractéristiques sensibles aux perturbations sont présentes.
Les structures d'âge des communautés n'indiquent guère de perturbation anthropogénique et ne révèlent pas de troubles dans la reproduction ou dans le développement d'une espèce particulière.Légères modifications dans la composition et l'abondance des espèces par rapport aux communautés caractéristiques, en raison d'effets anthropogéniques sur les éléments de qualité physico-chimiques ou hydromorphologiques.
Les structures d'âge des communautés indiquent des signes de perturbation dus aux effets anthropogéniques sur les éléments de qualité physico-chimique et hydromorphologique et, dans certains cas, révèlent des troubles dans la reproduction ou dans le développement d'une espèce particulière, en ce sens que certaines classes d'âge peuvent faire défaut.La composition et l'abondance des espèces diffèrent modérément de celles des communautés caractéristiques, en raison d'effets anthropogéniques sur les éléments de qualité physico-chimique ou hydromorphologique.
Les structures d'âge des communautés indiquent des signes importants de perturbations anthropogéniques, en ce sens qu'une proportion modérée de l'espèce caractéristique est absente ou très peu abondante.
PhytoplanctonLa composition taxinomique et l'abondance du phytoplancton correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.
La biomasse moyenne de phytoplancton correspond aux conditions physico-chimiques caractéristiques et n'est pas de nature à altérer sensiblement les conditions de transparence caractéristiques.
L'efflorescence planctonique est d'une fréquence et d'une intensité qui correspondent aux conditions physico-chimiques caractéristiques.Légères modifications dans la composition et l'abondance des taxa planctoniques par comparaison avec les communautés caractéristiques.
Ces changements n'indiquent pas de croissance accélérée des algues entraînant des perturbations indésirables de l'équilibre des organismes présents dans la masse d'eau ou de la qualité physico-chimique de l'eau ou du sédiment.
La fréquence et l'intensité de l'efflorescence planctonique caractéristique peuvent augmenter légèrement.La composition et l'abondance des taxa planctoniques diffèrent modérément de celles des communautés caractéristiques.
L'abondance est modérément perturbée et peut être de nature à produire une forte perturbation indésirable des valeurs d'autres éléments de qualité biologique et de la qualité physicochimique de l'eau ou du sédiment.
La fréquence et l'intensité de l'efflorescence planctonique peuvent augmenter modérément.
Une efflorescence persistante peut se produire durant les mois d'été.
Macrophytes et phytobenthosLa composition taxinomique correspond totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.
Pas de modifications détectables dans l'abondance moyenne macrophytique et phytobenthique.Légères modifications dans la composition et l'abondance des taxa macrophytiques et phytobenthiques par rapport aux communautés caractéristiques.
Ces changements n'indiquent pas de croissance accélérée du phytobenthos ou de formes supérieures de vie végétale entraînant des perturbations indésirables de l'équilibre des organismes présents dans la masse d'eau ou de la qualité physico-chimique de l'eau.
La communauté phytobenthique n'est pas perturbée par des touffes et couches bactériennes dues à des activités anthropogéniques.La composition des taxa macrophytiques et phytobenthiques diffère modérément de celle de la communauté caractéristique et est sensiblement plus perturbée que dans le bon état.
Des modifications modérées de l'abondance moyenne macrophytique et phytobenthique sont perceptibles.
La communauté phytobenthique peut être perturbée et, dans certains cas, déplacée par des touffes et couches bactériennes dues à des activités anthropogéniques.
Faune benthique invertébréeLa composition et l'abondance taxinomique correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.
Le ratio des taxa sensibles aux perturbations par rapport aux taxa insensibles n'indique aucune détérioration par rapport aux niveaux non perturbés.
Le niveau de diversité des taxa d'invertébrés n'indique aucune détérioration par rapport aux niveaux non perturbés.Légères modifications dans la composition et l'abondance des taxa d'invertébrés par rapport à celles des communautés caractéristiques.
Le ratio des taxa sensibles aux perturbations par rapport aux taxa insensibles indique une légère détérioration par rapport aux niveaux non perturbés.
Le niveau de diversité des taxa d'invertébrés indique de légères détériorations par rapport aux niveaux non perturbés.La composition et l'abondance des taxa d'invertébrés diffèrent modérément de celles des communautés caractéristiques.
D'importants groupes taxinomiques de la communauté caractéristique font défaut.
Le ratio des taxa sensibles aux perturbations par rapport aux taxa insensibles et le niveau de diversité sont sensiblement inférieurs au niveau caractéristique et nettement inférieurs à ceux du bon état.
IchtyofauneLa composition et l'abondance des espèces correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.
Toutes les espèces caractéristiques sensibles aux perturbations sont présentes.
Les structures d'âge des communautés n'indiquent guère de perturbation anthropogénique et ne révèlent pas de troubles dans la reproduction ou dans le développement d'une espèce particulière.Légères modifications dans la composition et l'abondance des espèces par rapport aux communautés caractéristiques, en raison d'effets anthropogéniques sur les éléments de qualité physico-chimiques ou hydromorphologiques.
Les structures d'âge des communautés indiquent des signes de perturbation dus aux effets anthropogéniques sur les éléments de qualité physico-chimique et hydromorphologique et, dans certains cas, révèlent des troubles dans la reproduction ou dans le développement d'une espèce particulière, en ce sens que certaines classes d'âge peuvent faire défaut.La composition et l'abondance des espèces diffèrent modérément de celles des communautés caractéristiques, en raison d'effets anthropogéniques sur les éléments de qualité physico-chimique ou hydromorphologique.
Les structures d'âge des communautés indiquent des signes importants de perturbations anthropogéniques, en ce sens qu'une proportion modérée de l'espèce caractéristique est absente ou très peu abondante.
Hydromorfologische kwaliteitselementen
Eléments de qualité hydromorphologique
| Element | Zeer goed | Goed | Matig |
| Hydrologisch regime | Stromingskwantiteit en -dynamiek, niveau, verblijftijd en de daaruit voortvloeiende verbinding met het grondwater weerspiegelen geheel of vrijwel geheel de onverstoorde staat. | Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt. | Omstandigheden die kloppen met de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen. |
| Morfologische omstandigheden | Variatie van de meerdiepte, kwantiteit en structuur van het substraat en zowel de structuur als de toestand van de meeroeverzone komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat. | Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.. | Omstandigheden die kloppen met de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen. |
| Elément | Très bon état | Bon état | Etat moyen |
| Régime hydrologique | La quantité et la dynamique du débit, le niveau, le temps de résidence et la connexion résultante aux eaux souterraines correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées. | Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. | Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. |
| Conditions morphologiques | Les variations de profondeur du lac, la qualité et la structure du substrat ainsi que la structure et l'état des rives correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées. | Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. | Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. |
ElementZeer goedGoedMatig
Hydrologisch regimeStromingskwantiteit en -dynamiek, niveau, verblijftijd en de daaruit voortvloeiende verbinding met het grondwater weerspiegelen geheel of vrijwel geheel de onverstoorde staat.Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.Omstandigheden die kloppen met de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen.
Morfologische omstandighedenVariatie van de meerdiepte, kwantiteit en structuur van het substraat en zowel de structuur als de toestand van de meeroeverzone komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt..Omstandigheden die kloppen met de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen.
Hydrologisch regimeStromingskwantiteit en -dynamiek, niveau, verblijftijd en de daaruit voortvloeiende verbinding met het grondwater weerspiegelen geheel of vrijwel geheel de onverstoorde staat.Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.Omstandigheden die kloppen met de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen.
Morfologische omstandighedenVariatie van de meerdiepte, kwantiteit en structuur van het substraat en zowel de structuur als de toestand van de meeroeverzone komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt..Omstandigheden die kloppen met de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen.
ElémentTrès bon étatBon étatEtat moyen
Régime hydrologiqueLa quantité et la dynamique du débit, le niveau, le temps de résidence et la connexion résultante aux eaux souterraines correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Conditions morphologiquesLes variations de profondeur du lac, la qualité et la structure du substrat ainsi que la structure et l'état des rives correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Régime hydrologiqueLa quantité et la dynamique du débit, le niveau, le temps de résidence et la connexion résultante aux eaux souterraines correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Conditions morphologiquesLes variations de profondeur du lac, la qualité et la structure du substrat ainsi que la structure et l'état des rives correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Fysisch-chemische kwaliteitselementen (1)
Eléments de qualité physico chimique (1)
| Element | Zeer goed | Goed | Matig |
| Algemene omstandigheden | De waarden van de fysisch-chemische elementen komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat. De nutriëntenconcentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat. Zoutgehalte, pH, zuurstofbalans, zuurneutraliserend vermogen, doorzicht en temperatuur vertonen geen tekenen van antropogene verstoring en blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat. | Temperatuur, zuurstofbalans, pH, zuurneutraliserend vermogen, doorzicht en zoutgehalte bereiken geen niveau dat buiten de vastgestelde grenzen ligt waarbij het ecosysteem functioneert en waarbij de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt. De nutriëntenconcentraties liggen niet boven het niveau dat is vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt. | Omstandigheden die kloppen met de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen. |
| Specifieke synthetische verontreinigende stoffen | Concentraties van bijna nul en ten minste onder de detectielimieten van de meest geavanceerde analysetechnieken die algemeen worden gebruikt. | De concentraties liggen niet boven de normen die zijn vastgesteld volgens de procedure van punt 2.4, onverminderd de Richtlijnen 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en 98/8/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (< mkn). | Omstandigheden die kloppen met de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen. |
| Specifieke niet-synthetische verontreinigende stoffen | De concentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat (an). | De concentraties liggen niet boven de normen die zijn vastgesteld volgens de procedure van punt 2.4. (2) onverminderd de Richtlijnen 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en 98/8/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (< mkn). | Omstandigheden die kloppen met de ovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen. |
| Elément | Très bon état | Bon état | Etat moyen |
| Conditions générales | Les valeurs des éléments physico-chimiques correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées. Les concentrations de nutriments restent dans la fourchette normalement associée aux conditions non perturbées. Les niveaux de salinité, le pH, le bilan d'oxygène, la capacité de neutralisation des acides, la transparence et la température n'indiquent pas de signes de perturbation anthropogénique et restent dans la fourchette normalement associée aux conditions non perturbées. | La température, le bilan d'oxygène, le pH, la capacité de neutralisation des acides, la transparence et la salinité ne dépassent pas les niveaux établis pour assurer le fonctionnement de l'écosystème caractéristique et pour atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. Les concentrations de nutriments ne dépassent pas les niveaux établis pour assurer le fonctionnement de l'écosystème caractéristique et pour atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. | Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. |
| Polluants synthétiques spécifiques | Concentrations proches de zéro et au moins inférieures aux limites de détection des techniques d'analyse les plus avancées d'usage général. | Concentrations ne dépassant pas les normes fixées conformément à la procédure visée au point 2.4 sans préjudice des Directives 91/414/CE du Conseil, du 15 juillet 1991, concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et 98/8/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 février 1998 concernant la mise sur le marché des produits biocides (< eqs). | Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. |
| Polluants non synthétiques spécifiques | Les concentrations restent dans la fourchette normalement associée à des conditions non perturbées (niveaux de fond = bgl). | Concentrations ne dépassant pas les normes fixées conformément à la procédure visée au point 2.4. (2) sans préjudice des Directives 91/414/CE du Conseil, du 15 juillet 1991, concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et 98/8/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 février 1998 concernant la mise sur le marché des produits biocides (< eqs). | Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. |
ElementZeer goedGoedMatig
Algemene omstandighedenDe waarden van de fysisch-chemische elementen komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.
De nutriëntenconcentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat.
Zoutgehalte, pH, zuurstofbalans, zuurneutraliserend vermogen, doorzicht en temperatuur vertonen geen tekenen van antropogene verstoring en blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat.Temperatuur, zuurstofbalans, pH, zuurneutraliserend vermogen, doorzicht en zoutgehalte bereiken geen niveau dat buiten de vastgestelde grenzen ligt waarbij het ecosysteem functioneert en waarbij de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.
De nutriëntenconcentraties liggen niet boven het niveau dat is vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.Omstandigheden die kloppen met de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen.
Specifieke synthetische verontreinigende stoffenConcentraties van bijna nul en ten minste onder de detectielimieten van de meest geavanceerde analysetechnieken die algemeen worden gebruikt.De concentraties liggen niet boven de normen die zijn vastgesteld volgens de procedure van punt 2.4, onverminderd de Richtlijnen 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en 98/8/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (< mkn).Omstandigheden die kloppen met de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen.
Specifieke niet-synthetische verontreinigende stoffenDe concentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat (an).De concentraties liggen niet boven de normen die zijn vastgesteld volgens de procedure van punt 2.4. (2) onverminderd de Richtlijnen 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en 98/8/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (< mkn).Omstandigheden die kloppen met de ovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen.
Algemene omstandighedenDe waarden van de fysisch-chemische elementen komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.
De nutriëntenconcentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat.
Zoutgehalte, pH, zuurstofbalans, zuurneutraliserend vermogen, doorzicht en temperatuur vertonen geen tekenen van antropogene verstoring en blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat.Temperatuur, zuurstofbalans, pH, zuurneutraliserend vermogen, doorzicht en zoutgehalte bereiken geen niveau dat buiten de vastgestelde grenzen ligt waarbij het ecosysteem functioneert en waarbij de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.
De nutriëntenconcentraties liggen niet boven het niveau dat is vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.Omstandigheden die kloppen met de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen.
Specifieke synthetische verontreinigende stoffenConcentraties van bijna nul en ten minste onder de detectielimieten van de meest geavanceerde analysetechnieken die algemeen worden gebruikt.De concentraties liggen niet boven de normen die zijn vastgesteld volgens de procedure van punt 2.4, onverminderd de Richtlijnen 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en 98/8/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (< mkn).Omstandigheden die kloppen met de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen.
Specifieke niet-synthetische verontreinigende stoffenDe concentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat (an).De concentraties liggen niet boven de normen die zijn vastgesteld volgens de procedure van punt 2.4. (2) onverminderd de Richtlijnen 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en 98/8/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (< mkn).Omstandigheden die kloppen met de ovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen.
ElémentTrès bon étatBon étatEtat moyen
Conditions
généralesLes valeurs des éléments physico-chimiques correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.
Les concentrations de nutriments restent dans la fourchette normalement associée aux conditions non perturbées.
Les niveaux de salinité, le pH, le bilan d'oxygène, la capacité de neutralisation des acides, la transparence et la température n'indiquent pas de signes de perturbation anthropogénique et restent dans la fourchette normalement associée aux conditions non perturbées.La température, le bilan d'oxygène, le pH, la capacité de neutralisation des acides, la transparence et la salinité ne dépassent pas les niveaux établis pour assurer le fonctionnement de l'écosystème caractéristique et pour atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Les concentrations de nutriments ne dépassent pas les niveaux établis pour assurer le fonctionnement de l'écosystème caractéristique et pour atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Polluants synthétiques spécifiquesConcentrations proches de zéro et au moins inférieures aux limites de détection des techniques d'analyse les plus avancées d'usage général.Concentrations ne dépassant pas les normes fixées conformément à la procédure visée au point 2.4 sans préjudice des Directives 91/414/CE du Conseil, du 15 juillet 1991, concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et 98/8/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 février 1998 concernant la mise sur le marché des produits biocides (< eqs).Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Polluants non synthétiques spécifiquesLes concentrations restent dans la fourchette normalement associée à des conditions non perturbées (niveaux de fond = bgl).Concentrations ne dépassant pas les normes fixées conformément à la procédure visée au point 2.4. (2) sans préjudice des Directives 91/414/CE du Conseil, du 15 juillet 1991, concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et 98/8/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 février 1998 concernant la mise sur le marché des produits biocides (< eqs).Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Conditions
généralesLes valeurs des éléments physico-chimiques correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées.
Les concentrations de nutriments restent dans la fourchette normalement associée aux conditions non perturbées.
Les niveaux de salinité, le pH, le bilan d'oxygène, la capacité de neutralisation des acides, la transparence et la température n'indiquent pas de signes de perturbation anthropogénique et restent dans la fourchette normalement associée aux conditions non perturbées.La température, le bilan d'oxygène, le pH, la capacité de neutralisation des acides, la transparence et la salinité ne dépassent pas les niveaux établis pour assurer le fonctionnement de l'écosystème caractéristique et pour atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Les concentrations de nutriments ne dépassent pas les niveaux établis pour assurer le fonctionnement de l'écosystème caractéristique et pour atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Polluants synthétiques spécifiquesConcentrations proches de zéro et au moins inférieures aux limites de détection des techniques d'analyse les plus avancées d'usage général.Concentrations ne dépassant pas les normes fixées conformément à la procédure visée au point 2.4 sans préjudice des Directives 91/414/CE du Conseil, du 15 juillet 1991, concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et 98/8/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 février 1998 concernant la mise sur le marché des produits biocides (< eqs).Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Polluants non synthétiques spécifiquesLes concentrations restent dans la fourchette normalement associée à des conditions non perturbées (niveaux de fond = bgl).Concentrations ne dépassant pas les normes fixées conformément à la procédure visée au point 2.4. (2) sans préjudice des Directives 91/414/CE du Conseil, du 15 juillet 1991, concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et 98/8/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 février 1998 concernant la mise sur le marché des produits biocides (< eqs).Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
(1) Afkortingen : an = achtergrondniveau, mkn = milieukwaliteitsnorm.
(2) Voor de toepassing van de uit hoofde van dit protocol afgeleide normen is geen verlaging van de concentraties van verontreinigende stoffen tot onder het achtergrondniveau nodig (mkn > bgl).
(2) Voor de toepassing van de uit hoofde van dit protocol afgeleide normen is geen verlaging van de concentraties van verontreinigende stoffen tot onder het achtergrondniveau nodig (mkn > bgl).
(1) Les abréviations suivantes sont utilisées : bgl (background level) = niveau de fond; eqs (environmental quality standard ) = norme de qualité environnementale.
(2) L'application des normes découlant du protocole visé ne requiert pas la réduction des concentrations de polluants en deçà des niveaux de fond (eqs > bgl).
(2) L'application des normes découlant du protocole visé ne requiert pas la réduction des concentrations de polluants en deçà des niveaux de fond (eqs > bgl).
2.3. Definities voor maximaal, goed en matig ecologisch potentieel voor sterk veranderde of kunstmatige waterlichamen
2.3. Définition des potentiels écologiques maximal, bon et moyen en ce qui concerne les masses d'eau fortement modifiées ou artificielles
| Element | Maximaal ecologisch potentieel | Goed ecologisch potentieel | Matig ecologisch potentieel |
| Biologische kwaliteitselementen | De waarden van de relevante biologische kwaliteitselementen zijn zoveel mogelijk normaal voor het meest vergelijkbare type oppervlaktewaterlichaam, gegeven de fysische omstandigheden die voortvloeien uit de kunstmatige of sterk veranderde kenmerken van het waterlichaam. | Er zijn lichte veranderingen in de waarden van de relevante biologische kwaliteitselementen ten opzichte van de waarden bij maximaal ecologisch potentieel. | Er zijn matige veranderingen in de waarden van de relevante biologische kwaliteitselementen ten opzichte van de waarden bij maximaal ecologisch potentieel. Deze waarden zijn aanzienlijk meer verstoord dan bij goede kwaliteit. |
| Hydromorfologische elementen | De hydromorfologische omstandigheden zijn zodanig als verwacht mag worden wanneer het oppervlaktewaterlichaam alleen de effecten ondergaat die voortvloeien uit de kunstmatige of sterk veranderde kenmerken van het waterlichaam, nadat alle uitvoerbare kwaliteitsverbeteringsmaatregelen zijn genomen om te zorgen voor het beste ecologische continuum, met name voor wat betreft de migratie van fauna en geschikte paaigronden en kraamkamers. | Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt. | Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt. |
| Fysisch-chemische elementen | |||
| Algemene omstandigheden | De fysisch-chemische elementen komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat die normaal is voor het type oppervlaktewaterlichaam dat het meest vergelijkbaar is met het betrokken kunstmatige of sterk veranderde waterlichaam. De nutriëntenconcentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat. Temperatuur, zuurstofbalans en pH komen overeen met die welke worden aangetroffen in de meest vergelijkbare typen oppervlaktewaterlichamen in onverstoorde staat. | De waarden voor de fysisch-chemische elementen blijven binnen de grenzen die zijn vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt. Temperatuur en PH bereiken geen niveau dat buiten de grenzen ligt die zijn vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt. De nutriëntenconcentraties liggen niet boven het niveau dat is vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt. | Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt. |
| Specifieke synthetische verontreinigende stoffen | Concentraties van bijna nul en ten minste onder de detectielimieten van de meest geavanceerde analysetechnieken die algemeen worden gebruikt. | De concentraties liggen niet boven de normen die zijn vastgesteld volgens de procedure van punt 2.4, onverminderd de Richtlijnen 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en 98/8/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (< mkn). | De concentraties liggen niet boven de normen die zijn vastgesteld volgens de procedure van punt. |
| Specifieke niet-synthetische verontreinigende stoffen | De concentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat in het type oppervlaktelichaam dat het meest vergelijkbaar is met het betrokken kunstmatige of sterk veranderde waterlichaam (an). | De concentraties liggen niet boven de normen die zijn vastgesteld volgens de procedure van punt 2.4. (1), onverminderd de Richtlijnen 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en 98/8/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (< mkn). | Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.. |
| Elément | Potentiel écologique maximal | Bon potentiel écologique | Potentiel écologique moyen |
| Eléments de qualité biologique | Les valeurs des éléments de qualité biologique pertinents reflètent, autant que possible, celles associées au type de masse d'eau de surface le plus comparable, vu les conditions physiques qui résultent des caractéristiques artificielles ou fortement modifiées de la masse d'eau. | Légères modifications dans les valeurs des éléments de qualité biologique pertinents par rapport aux valeurs trouvées pour un potentiel écologique maximal. | Modifications modérées dans les valeurs des éléments de qualité biologique pertinents par rapport aux valeurs trouvées pour un potentiel écologique maximal. Ces valeurs accusent des écarts plus importants que dans le cas d'un bon potentiel écologique. |
| Eléments hydromorphologiques | Les conditions hydromorphologiques correspondent aux conditions normales, les seuls effets sur la masse d'eau de surface étant ceux qui résultent des caractéristiques artificielles ou fortement modifiées de la masse d'eau dès que toutes les mesures pratiques d'atténuation ont été prises afin d'assurer qu'elles autorisent le meilleur rapprochement possible d'un continuum écologique, en particulier en ce qui concerne la migration de la faune, le frai et les lieux de reproduction. | Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. | Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. |
| Eléments physico-chimiques | |||
| Conditions générales | Les éléments physico-chimiques correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées associées au type de masse d'eau de surface le plus comparable à la masse artificielle ou fortement modifiée concernée. Les concentrations de nutriments restent dans la fourchette normalement associée aux conditions non perturbées. La température, le bilan d'oxygène et le pH correspondent à ceux des types de masse d'eau de surface les plus comparables dans des conditions non perturbées. | Les valeurs des éléments physico-chimiques ne dépassent pas les valeurs établies pour assurer le fonctionnement de l'écosystème et pour atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. La température et le pH ne dépassent pas les valeurs établies pour assurer le fonctionnement de l'écosystème et pour atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. Les concentrations de nutriments ne dépassent pas les niveaux établis pour assurer le fonctionnement de l'écosystème et pour atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. | Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. |
| Polluants synthétiques spécifiques | Concentrations proches de zéro et au moins inférieures aux limites de détection des techniques d'analyse les plus avancées d'usage général. | Concentrations ne dépassant pas les normes fixées conformément à la procédure visée au point 2.4 sans préjudice des Directives 91/414/CE du Conseil, du 15 juillet 1991, concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et 98/8/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 février 1998 concernant la mise sur le marché des produits biocides (< eqs). | Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. |
| Polluants non synthétiques caractéristiques | Les concentrations restent dans la fourchette normalement associée, dans des conditions non perturbées, au type de masse d'eau de surface le plus comparable à la masse artificielle ou fortement modifiée concernée (niveaux de fond = bgl). | Concentrations ne dépassant pas les normes fixées conformément à la procédure visée au point 2.4. (1) sans préjudice des Directives 91/414/CE du Conseil, du 15 juillet 1991, concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et 98/8/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 février 1998 concernant la mise sur le marché des produits biocides (< eqs). | Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique. |
ElementMaximaal ecologisch potentieelGoed ecologisch potentieelMatig ecologisch potentieel
Biologische kwaliteitselementenDe waarden van de relevante biologische kwaliteitselementen zijn zoveel mogelijk normaal voor het meest vergelijkbare type oppervlaktewaterlichaam, gegeven de fysische omstandigheden die voortvloeien uit de kunstmatige of sterk veranderde kenmerken van het waterlichaam.Er zijn lichte veranderingen in de waarden van de relevante biologische kwaliteitselementen ten opzichte van de waarden bij maximaal ecologisch potentieel.Er zijn matige veranderingen in de waarden van de relevante biologische kwaliteitselementen ten opzichte van de waarden bij maximaal ecologisch potentieel.
Deze waarden zijn aanzienlijk meer verstoord dan bij goede kwaliteit.
Hydromorfologische elementenDe hydromorfologische omstandigheden zijn zodanig als verwacht mag worden wanneer het oppervlaktewaterlichaam alleen de effecten ondergaat die voortvloeien uit de kunstmatige of sterk veranderde kenmerken van het waterlichaam, nadat alle uitvoerbare kwaliteitsverbeteringsmaatregelen zijn genomen om te zorgen voor het beste ecologische continuum, met name voor wat betreft de migratie van fauna en geschikte paaigronden en kraamkamers.Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.
Fysisch-chemische elementen
Algemene
omstandighedenDe fysisch-chemische elementen komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat die normaal is voor het type oppervlaktewaterlichaam dat het meest vergelijkbaar is met het betrokken kunstmatige of sterk veranderde waterlichaam.
De nutriëntenconcentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat.
Temperatuur, zuurstofbalans en pH komen overeen met die welke worden aangetroffen in de meest vergelijkbare typen oppervlaktewaterlichamen in onverstoorde staat.De waarden voor de fysisch-chemische elementen blijven binnen de grenzen die zijn vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.
Temperatuur en PH bereiken geen niveau dat buiten de grenzen ligt die zijn vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.
De nutriëntenconcentraties liggen niet boven het niveau dat is vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.
Specifieke synthetische verontreinigende stoffenConcentraties van bijna nul en ten minste onder de detectielimieten van de meest geavanceerde analysetechnieken die algemeen worden gebruikt.De concentraties liggen niet boven de normen die zijn vastgesteld volgens de procedure van punt 2.4, onverminderd de Richtlijnen 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en 98/8/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (< mkn).De concentraties liggen niet boven de normen die zijn vastgesteld volgens de procedure van punt.
Specifieke niet-synthetische verontreinigende stoffenDe concentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat in het type oppervlaktelichaam dat het meest vergelijkbaar is met het betrokken kunstmatige of sterk veranderde waterlichaam (an).De concentraties liggen niet boven de normen die zijn vastgesteld volgens de procedure van punt 2.4. (1), onverminderd de Richtlijnen 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en 98/8/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (< mkn).Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt..
Biologische kwaliteitselementenDe waarden van de relevante biologische kwaliteitselementen zijn zoveel mogelijk normaal voor het meest vergelijkbare type oppervlaktewaterlichaam, gegeven de fysische omstandigheden die voortvloeien uit de kunstmatige of sterk veranderde kenmerken van het waterlichaam.Er zijn lichte veranderingen in de waarden van de relevante biologische kwaliteitselementen ten opzichte van de waarden bij maximaal ecologisch potentieel.Er zijn matige veranderingen in de waarden van de relevante biologische kwaliteitselementen ten opzichte van de waarden bij maximaal ecologisch potentieel.
Deze waarden zijn aanzienlijk meer verstoord dan bij goede kwaliteit.
Hydromorfologische elementenDe hydromorfologische omstandigheden zijn zodanig als verwacht mag worden wanneer het oppervlaktewaterlichaam alleen de effecten ondergaat die voortvloeien uit de kunstmatige of sterk veranderde kenmerken van het waterlichaam, nadat alle uitvoerbare kwaliteitsverbeteringsmaatregelen zijn genomen om te zorgen voor het beste ecologische continuum, met name voor wat betreft de migratie van fauna en geschikte paaigronden en kraamkamers.Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.
Fysisch-chemische elementen
Algemene
omstandighedenDe fysisch-chemische elementen komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat die normaal is voor het type oppervlaktewaterlichaam dat het meest vergelijkbaar is met het betrokken kunstmatige of sterk veranderde waterlichaam.
De nutriëntenconcentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat.
Temperatuur, zuurstofbalans en pH komen overeen met die welke worden aangetroffen in de meest vergelijkbare typen oppervlaktewaterlichamen in onverstoorde staat.De waarden voor de fysisch-chemische elementen blijven binnen de grenzen die zijn vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.
Temperatuur en PH bereiken geen niveau dat buiten de grenzen ligt die zijn vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.
De nutriëntenconcentraties liggen niet boven het niveau dat is vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.
Specifieke synthetische verontreinigende stoffenConcentraties van bijna nul en ten minste onder de detectielimieten van de meest geavanceerde analysetechnieken die algemeen worden gebruikt.De concentraties liggen niet boven de normen die zijn vastgesteld volgens de procedure van punt 2.4, onverminderd de Richtlijnen 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en 98/8/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (< mkn).De concentraties liggen niet boven de normen die zijn vastgesteld volgens de procedure van punt.
Specifieke niet-synthetische verontreinigende stoffenDe concentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat in het type oppervlaktelichaam dat het meest vergelijkbaar is met het betrokken kunstmatige of sterk veranderde waterlichaam (an).De concentraties liggen niet boven de normen die zijn vastgesteld volgens de procedure van punt 2.4. (1), onverminderd de Richtlijnen 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en 98/8/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (< mkn).Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt..
ElémentPotentiel écologique maximalBon potentiel écologiquePotentiel écologique moyen
Eléments de qualité biologiqueLes valeurs des éléments de qualité biologique pertinents reflètent, autant que possible, celles associées au type de masse d'eau de surface le plus comparable, vu les conditions physiques qui résultent des caractéristiques artificielles ou fortement modifiées de la masse d'eau.Légères modifications dans les valeurs des éléments de qualité biologique pertinents par rapport aux valeurs trouvées pour un potentiel écologique maximal.Modifications modérées dans les valeurs des éléments de qualité biologique pertinents par rapport aux valeurs trouvées pour un potentiel écologique maximal.
Ces valeurs accusent des écarts plus importants que dans le cas d'un bon potentiel écologique.
Eléments hydromorphologiquesLes conditions hydromorphologiques correspondent aux conditions normales, les seuls effets sur la masse d'eau de surface étant ceux qui résultent des caractéristiques artificielles ou fortement modifiées de la masse d'eau dès que toutes les mesures pratiques d'atténuation ont été prises afin d'assurer qu'elles autorisent le meilleur rapprochement possible d'un continuum écologique, en particulier en ce qui concerne la migration de la faune, le frai et les lieux de reproduction.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Eléments physico-chimiques
Conditions généralesLes éléments physico-chimiques correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées associées au type de masse d'eau de surface le plus comparable à la masse artificielle ou fortement modifiée concernée.
Les concentrations de nutriments restent dans la fourchette normalement associée aux conditions non perturbées.
La température, le bilan d'oxygène et le pH correspondent à ceux des types de masse d'eau de surface les plus comparables dans des conditions non perturbées.Les valeurs des éléments physico-chimiques ne dépassent pas les valeurs établies pour assurer le fonctionnement de l'écosystème et pour atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
La température et le pH ne dépassent pas les valeurs établies pour assurer le fonctionnement de l'écosystème et pour atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Les concentrations de nutriments ne dépassent pas les niveaux établis pour assurer le fonctionnement de l'écosystème et pour atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Polluants synthétiques spécifiquesConcentrations proches de zéro et au moins inférieures aux limites de détection des techniques d'analyse les plus avancées d'usage général.Concentrations ne dépassant pas les normes fixées conformément à la procédure visée au point 2.4 sans préjudice des Directives 91/414/CE du Conseil, du 15 juillet 1991, concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et 98/8/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 février 1998 concernant la mise sur le marché des produits biocides (< eqs).Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Polluants non synthétiques caractéristiquesLes concentrations restent dans la fourchette normalement associée, dans des conditions non perturbées, au type de masse d'eau de surface le plus comparable à la masse artificielle ou fortement modifiée concernée (niveaux de fond = bgl).Concentrations ne dépassant pas les normes fixées conformément à la procédure visée au point 2.4. (1) sans préjudice des Directives 91/414/CE du Conseil, du 15 juillet 1991, concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et 98/8/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 février 1998 concernant la mise sur le marché des produits biocides (< eqs).Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Eléments de qualité biologiqueLes valeurs des éléments de qualité biologique pertinents reflètent, autant que possible, celles associées au type de masse d'eau de surface le plus comparable, vu les conditions physiques qui résultent des caractéristiques artificielles ou fortement modifiées de la masse d'eau.Légères modifications dans les valeurs des éléments de qualité biologique pertinents par rapport aux valeurs trouvées pour un potentiel écologique maximal.Modifications modérées dans les valeurs des éléments de qualité biologique pertinents par rapport aux valeurs trouvées pour un potentiel écologique maximal.
Ces valeurs accusent des écarts plus importants que dans le cas d'un bon potentiel écologique.
Eléments hydromorphologiquesLes conditions hydromorphologiques correspondent aux conditions normales, les seuls effets sur la masse d'eau de surface étant ceux qui résultent des caractéristiques artificielles ou fortement modifiées de la masse d'eau dès que toutes les mesures pratiques d'atténuation ont été prises afin d'assurer qu'elles autorisent le meilleur rapprochement possible d'un continuum écologique, en particulier en ce qui concerne la migration de la faune, le frai et les lieux de reproduction.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Eléments physico-chimiques
Conditions généralesLes éléments physico-chimiques correspondent totalement ou presque totalement aux conditions non perturbées associées au type de masse d'eau de surface le plus comparable à la masse artificielle ou fortement modifiée concernée.
Les concentrations de nutriments restent dans la fourchette normalement associée aux conditions non perturbées.
La température, le bilan d'oxygène et le pH correspondent à ceux des types de masse d'eau de surface les plus comparables dans des conditions non perturbées.Les valeurs des éléments physico-chimiques ne dépassent pas les valeurs établies pour assurer le fonctionnement de l'écosystème et pour atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
La température et le pH ne dépassent pas les valeurs établies pour assurer le fonctionnement de l'écosystème et pour atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Les concentrations de nutriments ne dépassent pas les niveaux établis pour assurer le fonctionnement de l'écosystème et pour atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Polluants synthétiques spécifiquesConcentrations proches de zéro et au moins inférieures aux limites de détection des techniques d'analyse les plus avancées d'usage général.Concentrations ne dépassant pas les normes fixées conformément à la procédure visée au point 2.4 sans préjudice des Directives 91/414/CE du Conseil, du 15 juillet 1991, concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et 98/8/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 février 1998 concernant la mise sur le marché des produits biocides (< eqs).Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
Polluants non synthétiques caractéristiquesLes concentrations restent dans la fourchette normalement associée, dans des conditions non perturbées, au type de masse d'eau de surface le plus comparable à la masse artificielle ou fortement modifiée concernée (niveaux de fond = bgl).Concentrations ne dépassant pas les normes fixées conformément à la procédure visée au point 2.4. (1) sans préjudice des Directives 91/414/CE du Conseil, du 15 juillet 1991, concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et 98/8/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 février 1998 concernant la mise sur le marché des produits biocides (< eqs).Conditions permettant d'atteindre les valeurs indiquées ci-dessus pour les éléments de qualité biologique.
(1) Voor de toepassing van de uit hoofde van dit protocol afgeleide normen is geen verlaging van de concentraties van verontreinigende stoffen tot onder het achtergrondniveau nodig.
(1) L'application des normes découlant du présent protocole ne requiert pas la réduction des concentrations de polluants en deçà des niveaux de fond.
2.4. Procedure voor de vaststelling van chemische kwaliteitsnormen door de stroomgebiedautoriteit
Bij de afleiding van milieukwaliteitsnormen voor de in de punten 1-9 van bijlage VII bedoelde verontreinigende stoffen ten behoeve van de bescherming van aquatische biota handelt de stroomgebiedautoriteit overeenkomstig de volgende bepalingen. Er kunnen normen worden vastgesteld voor water, sedimenten of biota..
Waar mogelijk moeten zowel acute als chronische gegevens worden verzameld voor de onderstaande taxa die relevant zijn voor het betrokken type waterlichaam, en voor elk ander watertaxon waarvoor gegevens beschikbaar zijn.
De " standaardreeks " van taxa zijn :
- algen en/of macrofyten;
- daphnia of voor zout water representatieve organismen;
- vis.
Vaststelling van de milieukwaliteitsnorme
Voor de vaststelling van een maximum voor het jaargemiddelde van de concentratie geldt de volgende procedure :
a) de stroomgebiedautoriteit bepaalt geschikte veiligheidsfactoren die steeds moeten stroken met de aard en kwaliteit vande beschikbare gegevens en de richtsnoeren in punt 3.3.1 van deel II van de Technische handleiding bij Richtlijn 93/67/EEG van de Commissie inzake de beoordeling van de risico's van nieuw aangemelde stoffen en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie inzake de beoordeling van de risico's van bestaande stoffen. en de veiligheidsfactoren in de onderstaande tabel :
Bij de afleiding van milieukwaliteitsnormen voor de in de punten 1-9 van bijlage VII bedoelde verontreinigende stoffen ten behoeve van de bescherming van aquatische biota handelt de stroomgebiedautoriteit overeenkomstig de volgende bepalingen. Er kunnen normen worden vastgesteld voor water, sedimenten of biota..
Waar mogelijk moeten zowel acute als chronische gegevens worden verzameld voor de onderstaande taxa die relevant zijn voor het betrokken type waterlichaam, en voor elk ander watertaxon waarvoor gegevens beschikbaar zijn.
De " standaardreeks " van taxa zijn :
- algen en/of macrofyten;
- daphnia of voor zout water representatieve organismen;
- vis.
Vaststelling van de milieukwaliteitsnorme
Voor de vaststelling van een maximum voor het jaargemiddelde van de concentratie geldt de volgende procedure :
a) de stroomgebiedautoriteit bepaalt geschikte veiligheidsfactoren die steeds moeten stroken met de aard en kwaliteit vande beschikbare gegevens en de richtsnoeren in punt 3.3.1 van deel II van de Technische handleiding bij Richtlijn 93/67/EEG van de Commissie inzake de beoordeling van de risico's van nieuw aangemelde stoffen en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie inzake de beoordeling van de risico's van bestaande stoffen. en de veiligheidsfactoren in de onderstaande tabel :
2.4. Procédure à suivre par l'autorité de bassin pour l'établissement des normes de qualité chimique
En déterminant les normes de qualité environnementale pour les polluants énumérés aux points 1 à 9 de l'annexe VII en vue de la protection des biotes aquatiques, l'autorité de bassin agit conformément aux dispositions figurant ci-après. Les normes peuvent être fixées pour l'eau, les sédiments ou le biote.
Dans la mesure du possible, il convient d'obtenir des données tant aiguës que chroniques pour les taxa indiqués ci-dessous qui sont pertinents pour le type de masse d'eau concerné ainsi que pour tout autre taxum pour lequel il existe des données.
Ce " dossier de base " comprend :
- les algues et/ou macrophytes,
- les daphnies ou organismes représentatifs des eaux salines,
- les poissons.
Etablissement de la norme de qualité environnementale
La procédure suivante s'applique à l'établissement d'une concentration moyenne annuelle maximale :
a) l'autorité de bassin fixe, dans chaque cas, des facteurs appropriés selon la nature et la qualité des données disponibles et selon les orientations données au point 3.3.1 de la partie II du document d'orientation technique pour la Directive 93/67/CEE de la Commission concernant l'évaluation des risques présentés par les nouvelles substances notifiées et le règlement (CE) n° 1488/94 de la Commission concernant l'évaluation des risques présentés par les substances existantes, ainsi que les facteurs de sécurité indiqués dans le tableau suivant :
En déterminant les normes de qualité environnementale pour les polluants énumérés aux points 1 à 9 de l'annexe VII en vue de la protection des biotes aquatiques, l'autorité de bassin agit conformément aux dispositions figurant ci-après. Les normes peuvent être fixées pour l'eau, les sédiments ou le biote.
Dans la mesure du possible, il convient d'obtenir des données tant aiguës que chroniques pour les taxa indiqués ci-dessous qui sont pertinents pour le type de masse d'eau concerné ainsi que pour tout autre taxum pour lequel il existe des données.
Ce " dossier de base " comprend :
- les algues et/ou macrophytes,
- les daphnies ou organismes représentatifs des eaux salines,
- les poissons.
Etablissement de la norme de qualité environnementale
La procédure suivante s'applique à l'établissement d'une concentration moyenne annuelle maximale :
a) l'autorité de bassin fixe, dans chaque cas, des facteurs appropriés selon la nature et la qualité des données disponibles et selon les orientations données au point 3.3.1 de la partie II du document d'orientation technique pour la Directive 93/67/CEE de la Commission concernant l'évaluation des risques présentés par les nouvelles substances notifiées et le règlement (CE) n° 1488/94 de la Commission concernant l'évaluation des risques présentés par les substances existantes, ainsi que les facteurs de sécurité indiqués dans le tableau suivant :
| Veiligheidsfactor | |
| Ten minste een acute L(E)C50 van elk van de drie trofische niveaus van de standaardreeks | 1 000 |
| Een chronische NOEC (vis of daphnia of een voor zout water representatief organisme) | 100 |
| Twee chronische NOEC's van soorten die twee trofische niveaus vertegenwoordigen (vis en/of daphnia of voor zout water een representatief organisme en/of algen) | 50 |
| Chronische NOEC's van ten minste drie soorten (gewoonlijk vis, daphnia of een voor zout water representatief organisme en algen) die drie trofische niveaus vertegenwoordigen | 10 |
| Andere gevallen, inclusief veldgegevens of modelecosystemen, waarmee nauwkeuriger veiligheidsfactoren berekend en toegepast kunnen worden | Evaluatie per geval |
| Facteur de sécurité | |
| Au moins une concentration effective 50 aiguë pour chacun des trois niveaux trophiques du dossier de base | 1 000 |
| Une CSEO chronique (poissons ou daphnies ou un organisme représentatif des eaux salines) | 100 |
| Deux CSEO chroniques pour les espèces représentant deux niveaux trophiques (poissons et/ou daphnies ou un organisme représentatif des eaux salines et/ou algues) | 50 |
| CSEO chroniques pour au moins trois espèces (normalement poissons, daphnies ou un organisme représentatif des eaux salines et algues) représentant trois niveaux trophiques | 10 |
| Autres cas, y compris les données obtenues sur le terrain ou écosystèmes modèles, qui permettent de calculer et d'appliquer des facteurs de sécurité plus précis | Evaluation cas par cas |
Veiligheidsfactor
Ten minste een acute L(E)C50 van elk van de drie trofische niveaus van de standaardreeks1 000
Een chronische NOEC (vis of daphnia of een voor zout water representatief organisme)100
Twee chronische NOEC's van soorten die twee trofische niveaus vertegenwoordigen (vis en/of daphnia of voor zout water een representatief organisme en/of algen)50
Chronische NOEC's van ten minste drie soorten (gewoonlijk vis, daphnia of een voor zout water representatief organisme en algen) die drie trofische niveaus vertegenwoordigen10
Andere gevallen, inclusief veldgegevens of modelecosystemen, waarmee nauwkeuriger veiligheidsfactoren berekend en toegepast kunnen wordenEvaluatie per geval
Ten minste een acute L(E)C50 van elk van de drie trofische niveaus van de standaardreeks1 000
Een chronische NOEC (vis of daphnia of een voor zout water representatief organisme)100
Twee chronische NOEC's van soorten die twee trofische niveaus vertegenwoordigen (vis en/of daphnia of voor zout water een representatief organisme en/of algen)50
Chronische NOEC's van ten minste drie soorten (gewoonlijk vis, daphnia of een voor zout water representatief organisme en algen) die drie trofische niveaus vertegenwoordigen10
Andere gevallen, inclusief veldgegevens of modelecosystemen, waarmee nauwkeuriger veiligheidsfactoren berekend en toegepast kunnen wordenEvaluatie per geval
Facteur de sécurité
Au moins une concentration effective 50 aiguë pour chacun des trois niveaux trophiques du dossier de base1 000
Une CSEO chronique (poissons ou daphnies ou un organisme représentatif des eaux salines)100
Deux CSEO chroniques pour les espèces représentant deux niveaux trophiques (poissons et/ou daphnies ou un organisme représentatif des eaux salines et/ou algues)50
CSEO chroniques pour au moins trois espèces (normalement poissons, daphnies ou un organisme représentatif des eaux salines et algues) représentant trois niveaux trophiques10
Autres cas, y compris les données obtenues sur le terrain ou écosystèmes modèles, qui permettent de calculer et d'appliquer des facteurs de sécurité plus précisEvaluation cas par cas
Au moins une concentration effective 50 aiguë pour chacun des trois niveaux trophiques du dossier de base1 000
Une CSEO chronique (poissons ou daphnies ou un organisme représentatif des eaux salines)100
Deux CSEO chroniques pour les espèces représentant deux niveaux trophiques (poissons et/ou daphnies ou un organisme représentatif des eaux salines et/ou algues)50
CSEO chroniques pour au moins trois espèces (normalement poissons, daphnies ou un organisme représentatif des eaux salines et algues) représentant trois niveaux trophiques10
Autres cas, y compris les données obtenues sur le terrain ou écosystèmes modèles, qui permettent de calculer et d'appliquer des facteurs de sécurité plus précisEvaluation cas par cas
b) Indien er gegevens over persistentie en bioaccumulatie beschikbaar zijn, worden die in aanmerking genomen bij de afleiding van de eindwaarde van de milieukwaliteitsnorm;
c) De aldus afgeleide norm wordt vergeleken met gegevens uit veldstudies. Bij abnormale resultaten wordt de afleiding getoetst met het oog op de berekening van een nauwkeuriger veiligheidsfactor;
d) De afgeleide norm wordt onderworpen aan een toetsing door vakgenoten en publieke inspraak, onder meer om de berekening van een nauwkeuriger veiligheidsfactor mogelijk te maken.
c) De aldus afgeleide norm wordt vergeleken met gegevens uit veldstudies. Bij abnormale resultaten wordt de afleiding getoetst met het oog op de berekening van een nauwkeuriger veiligheidsfactor;
d) De afgeleide norm wordt onderworpen aan een toetsing door vakgenoten en publieke inspraak, onder meer om de berekening van een nauwkeuriger veiligheidsfactor mogelijk te maken.
b) lorsque l'on dispose de données sur la persistance et la bioaccumulation, il convient de les prendre en compte dans la détermination de la valeur définitive de la norme de qualité environnementale;
c) la norme ainsi obtenue doit être comparée avec les éléments provenant des études sur le terrain. Lorsque l'on constate des anomalies, il convient de revoir le calcul afin de permettre le calcul d'un facteur de sécurité plus précis;
d) la norme obtenue doit être soumise à un examen critique de confrères et à une consultation publique afin de permettre le calcul d'un facteur de sécurité plus précis.
c) la norme ainsi obtenue doit être comparée avec les éléments provenant des études sur le terrain. Lorsque l'on constate des anomalies, il convient de revoir le calcul afin de permettre le calcul d'un facteur de sécurité plus précis;
d) la norme obtenue doit être soumise à un examen critique de confrères et à une consultation publique afin de permettre le calcul d'un facteur de sécurité plus précis.
3. Indeling en presentatie van de ecologische toestand
3. Classification et présentation des états écologiques
3.1. Vergelijkbaarheid van de biologische monitoringsresult aten
a) De stroomgebiedautoriteit stelt monitoringssystemen in om de waarden van de voor elke oppervlaktewatercategorie of voor sterk veranderde en kunstmatige oppervlaktewaterlichamen gespecifieerde biologische kwaliteitselementen te schatten. Bij toepassing van de navolgende procedure op sterk veranderde of kunstmatige waterlichamen gelden verwijzingen naar de ecologische toestand als verwijzingen naar het ecologische potentieel. Deze systemen mogen gebruikmaken van specifieke soorten of groepen van soorten die representatief zijn voor het kwaliteitselement in zijn geheel.
b) Om de vergelijkbaarheid van de monitoringssystemen te waarborgen, worden de resultaten van de door de afzonderlijke lidstaten gebruikte systemen uitgedrukt in ecologische kwaliteitscoëfficiënten met het oog op de indeling naar ecologische toestand. Die coëfficiënten geven de verhouding aan tussen de waarden van de voor een bepaald oppervlaktewaterlichaam vastgestelde biologische parameters en de waarden van die parameters onder de voor dat lichaam geldende referentieomstandigheden. De coëfficiënt wordt uitgedrukt in een getalswaarde tussen nul en één, waarbij waarden in de buurt van één op een zeer goede ecologische toestand wijzen en waarden in de buurt van nul op een slechte ecologische toestand.
c) De stroomgebiedautoriteit verdeelt de schaal van de ecologische kwaliteitscoëfficiënt voor zijn monitoringssysteem voor elke oppervlaktewatercategorie in vijf klassen, gaande van een " zeer goede " tot een " slechte " ecologische toestand, zoals gedefinieerd in punt 2, door aan de grenzen tussen de klassen een getalswaarde toe te kennen. De getalswaarde voor de grens tussen de klassen " zeer goede " toestand en " goede toestand " en de getalswaarde voor de grens tussen de klassen " goede " toestand en " matige " toestand worden vastgesteld volgens de door de Europese Commissie ingevoerde intercalibratie.
a) De stroomgebiedautoriteit stelt monitoringssystemen in om de waarden van de voor elke oppervlaktewatercategorie of voor sterk veranderde en kunstmatige oppervlaktewaterlichamen gespecifieerde biologische kwaliteitselementen te schatten. Bij toepassing van de navolgende procedure op sterk veranderde of kunstmatige waterlichamen gelden verwijzingen naar de ecologische toestand als verwijzingen naar het ecologische potentieel. Deze systemen mogen gebruikmaken van specifieke soorten of groepen van soorten die representatief zijn voor het kwaliteitselement in zijn geheel.
b) Om de vergelijkbaarheid van de monitoringssystemen te waarborgen, worden de resultaten van de door de afzonderlijke lidstaten gebruikte systemen uitgedrukt in ecologische kwaliteitscoëfficiënten met het oog op de indeling naar ecologische toestand. Die coëfficiënten geven de verhouding aan tussen de waarden van de voor een bepaald oppervlaktewaterlichaam vastgestelde biologische parameters en de waarden van die parameters onder de voor dat lichaam geldende referentieomstandigheden. De coëfficiënt wordt uitgedrukt in een getalswaarde tussen nul en één, waarbij waarden in de buurt van één op een zeer goede ecologische toestand wijzen en waarden in de buurt van nul op een slechte ecologische toestand.
c) De stroomgebiedautoriteit verdeelt de schaal van de ecologische kwaliteitscoëfficiënt voor zijn monitoringssysteem voor elke oppervlaktewatercategorie in vijf klassen, gaande van een " zeer goede " tot een " slechte " ecologische toestand, zoals gedefinieerd in punt 2, door aan de grenzen tussen de klassen een getalswaarde toe te kennen. De getalswaarde voor de grens tussen de klassen " zeer goede " toestand en " goede toestand " en de getalswaarde voor de grens tussen de klassen " goede " toestand en " matige " toestand worden vastgesteld volgens de door de Europese Commissie ingevoerde intercalibratie.
3.1. Comparabilité des résultats des contrôles biologiques
a) L'autorité de bassin établit des systèmes de contrôle aux fins d'estimer les valeurs des éléments de qualité biologique spécifiés pour chaque catégorie d'eau de surface ou pour des masses d'eau de surface fortement modifiées et artificielles. Lorsque la procédure exposée ci-dessous est appliquée aux masses d'eau de surface fortement modifiées ou artificielles, les références à l'état écologique doivent être considérées comme des références au potentiel écologique. Ces systèmes peuvent se servir d'espèces ou de groupes d'espèces particuliers, qui sont représentatifs de l'élément de qualité dans son ensemble.
b) Afin d'assurer la comparabilité des systèmes de contrôle, les résultats des systèmes utilisés par l'autorité de bassin sont exprimés comme des ratios de qualité écologique aux fins de la classification de l'état écologique. Ces ratios représentent la relation entre les valeurs des paramètres biologiques observées pour une masse d'eau de surface donnée et les valeurs de ces paramètres dans les conditions de référence applicables à cette masse. Le ratio est exprimé comme une valeur numérique entre zéro et un, le très bon état écologique étant représenté par des valeurs proches de un et le mauvais état écologique, par des valeurs proches de zéro.
c) L'autorité de bassin répartit les ratios de qualité écologique de son système de contrôle pour chaque catégorie d'eau de surface en cinq classes d'état écologique allant de " très bon " à " mauvais ", comme indiqué au point 2, en attribuant une valeur numérique à chacune des limites entre les classes. La valeur de la limite entre les classes " très bon " et " bon " état écologique et la valeur de la limite entre " bon " état et état " moyen " sont établies à l'aide de l'exercice d'interétalonnage mis en place par la Commission européenne.
a) L'autorité de bassin établit des systèmes de contrôle aux fins d'estimer les valeurs des éléments de qualité biologique spécifiés pour chaque catégorie d'eau de surface ou pour des masses d'eau de surface fortement modifiées et artificielles. Lorsque la procédure exposée ci-dessous est appliquée aux masses d'eau de surface fortement modifiées ou artificielles, les références à l'état écologique doivent être considérées comme des références au potentiel écologique. Ces systèmes peuvent se servir d'espèces ou de groupes d'espèces particuliers, qui sont représentatifs de l'élément de qualité dans son ensemble.
b) Afin d'assurer la comparabilité des systèmes de contrôle, les résultats des systèmes utilisés par l'autorité de bassin sont exprimés comme des ratios de qualité écologique aux fins de la classification de l'état écologique. Ces ratios représentent la relation entre les valeurs des paramètres biologiques observées pour une masse d'eau de surface donnée et les valeurs de ces paramètres dans les conditions de référence applicables à cette masse. Le ratio est exprimé comme une valeur numérique entre zéro et un, le très bon état écologique étant représenté par des valeurs proches de un et le mauvais état écologique, par des valeurs proches de zéro.
c) L'autorité de bassin répartit les ratios de qualité écologique de son système de contrôle pour chaque catégorie d'eau de surface en cinq classes d'état écologique allant de " très bon " à " mauvais ", comme indiqué au point 2, en attribuant une valeur numérique à chacune des limites entre les classes. La valeur de la limite entre les classes " très bon " et " bon " état écologique et la valeur de la limite entre " bon " état et état " moyen " sont établies à l'aide de l'exercice d'interétalonnage mis en place par la Commission européenne.
3.2. Presentatie van de monitoringsresultaten en klassenindeling van ecologische toestand en ecologisch potentieel.
a) Voor oppervlaktewatercategorieën wordt de indeling van het waterlichaam naar ecologische toestand weergegeven met de laagste waarde van de resultaten van de biologische en fysisch-chemische monitoring van de toepasselijke kwaliteitselementen, overeenkomstig de eerste kolom van de navolgende tabel. De stroomgebiedautoriteit verstrekt voor elk stroomgebiedsdistrict een kaart met de indeling van elk waterlichaam naar ecologi-sche toestand, met gebruikmaking van de kleurcodering in de tweede kolom van de tabel, om de indeling naar ecologische toestand van het waterlichaam aan te geven :
a) Voor oppervlaktewatercategorieën wordt de indeling van het waterlichaam naar ecologische toestand weergegeven met de laagste waarde van de resultaten van de biologische en fysisch-chemische monitoring van de toepasselijke kwaliteitselementen, overeenkomstig de eerste kolom van de navolgende tabel. De stroomgebiedautoriteit verstrekt voor elk stroomgebiedsdistrict een kaart met de indeling van elk waterlichaam naar ecologi-sche toestand, met gebruikmaking van de kleurcodering in de tweede kolom van de tabel, om de indeling naar ecologische toestand van het waterlichaam aan te geven :
3.2. Présentation des résultats des contrôles et classification des états écologiques et des potentiels écologiques
a) Pour les catégories d'eau de surface, la classification de l'état écologique de la masse d'eau est représentée par la plus basse des valeurs des résultats des contrôles biologiques et physico-chimiques pour les éléments de qualité pertinents classés conformément à la première colonne du tableau ci-dessous. L'autorité de bassin établit, pour chaque district hydrographique, une carte illustrant la classification de l'état écologique pour chaque masse d'eau à l'aide des couleurs indiquées dans la seconde colonne du tableau ci-dessous pour refléter la classification de l'état écologique de la masse d'eau :
a) Pour les catégories d'eau de surface, la classification de l'état écologique de la masse d'eau est représentée par la plus basse des valeurs des résultats des contrôles biologiques et physico-chimiques pour les éléments de qualité pertinents classés conformément à la première colonne du tableau ci-dessous. L'autorité de bassin établit, pour chaque district hydrographique, une carte illustrant la classification de l'état écologique pour chaque masse d'eau à l'aide des couleurs indiquées dans la seconde colonne du tableau ci-dessous pour refléter la classification de l'état écologique de la masse d'eau :
| Indeling naar ecologische toestand | Kleurcode |
| Zeer goed | Blauw |
| Goed | Groen |
| Matig | Geel |
| Ontoereikend | Oranje |
| Slecht | Rood |
| Classification de l'état écologique | Code couleur |
| Très bon | Bleu |
| Bon | Vert |
| Moyen | Jaune |
| Médiocre | Orange |
| Mauvais | Rouge |
Indeling naar ecologische toestandKleurcode
Zeer goedBlauw
GoedGroen
MatigGeel
OntoereikendOranje
SlechtRood
Zeer goedBlauw
GoedGroen
MatigGeel
OntoereikendOranje
SlechtRood
Classification de l'état écologiqueCode couleur
Très bonBleu
BonVert
MoyenJaune
MédiocreOrange
MauvaisRouge
Très bonBleu
BonVert
MoyenJaune
MédiocreOrange
MauvaisRouge
b) Voor sterk veranderde en kunstmatige waterlichamen wordt de indeling van het waterlichaam naar ecologisch potentieel weergegeven met de laagste waarde van de resultaten van de biologische en fysisch-chemische monitoring van de relevante kwaliteitselementen overeenkomstig de eerste kolom van de navolgende tabel. De stroomgebiedautoriteit verstrekt voor elk stroomgebiedsdistrict een kaart met de indeling van elk waterlichaam naar ecologisch potentieel waarbij voor kunstmatige waterlichamen gebruik wordt gemaakt van de kleurcodering in de tweede kolom van de tabel hieronder, en voor sterk veranderde waterlichamen van de kleurcodering in de derde kolom van die tabel :
b) Pour les masses d'eau fortement modifiées et artificielles, la classification de l'état écologique de la masse d'eau est représentée par la plus basse des valeurs des résultats des contrôles biologiques et physico-chimiques pour les éléments de qualité pertinents classés conformément à la première colonne du tableau ci-dessous. L'autorité de bassin établit, pour chaque district hydrographique, une carte illustrant la classification du potentiel écologique pour chaque masse d'eau à l'aide des couleurs indiquées dans la deuxième colonne du tableau ci-dessous pour les masses d'eau artificielles et des couleurs indiquées dans la troisième colonne pour les masses d'eau fortement modifiées :
| Indeling naar ecologisch potentieel | Kleurcode | |
| Kunstmatige waterlichamen | Sterk veranderde waterlichamen | |
| Goed en hoger | Gelijke groene en lichtgrijze strepen | Gelijke groene en donkergrijze strepen |
| Matig | Gelijke gele en lichtgrijze strepen | Gelijke gele en donkergrijze strepen |
| Ontoereikend | Gelijke oranje en lichtgrijze strepen | Gelijke oranje en donkergrijze strepen |
| Slecht | Gelijke rode en lichtgrijze strepen | Gelijke rode en donkergrijze strepen |
| Classification du potentiel écologique | Code couleur | |
| Masses d'eau artificielles | Masses d'eau fortement modifiées | |
| Bon et plus | Hachures égales en vert et gris clair | Hachures égales en vert et gris foncé |
| Moyen | Hachures égales en jaune et gris clair | Hachures égales en jaune et gris foncé |
| Médiocre | Hachures égales en orange et gris clair | Hachures égales en orange et gris foncé |
| Mauvais | Hachures égales en rouge et gris clair | Hachures égales en rouge et gris foncé |
Indeling naar ecologisch potentieelKleurcode
Kunstmatige waterlichamenSterk veranderde waterlichamen
Goed en hogerGelijke groene en lichtgrijze strepenGelijke groene en donkergrijze strepen
MatigGelijke gele en lichtgrijze strepenGelijke gele en donkergrijze strepen
OntoereikendGelijke oranje en lichtgrijze strepenGelijke oranje en donkergrijze strepen
SlechtGelijke rode en lichtgrijze strepenGelijke rode en donkergrijze strepen
Kunstmatige waterlichamenSterk veranderde waterlichamen
Goed en hogerGelijke groene en lichtgrijze strepenGelijke groene en donkergrijze strepen
MatigGelijke gele en lichtgrijze strepenGelijke gele en donkergrijze strepen
OntoereikendGelijke oranje en lichtgrijze strepenGelijke oranje en donkergrijze strepen
SlechtGelijke rode en lichtgrijze strepenGelijke rode en donkergrijze strepen
Classification du potentiel écologiqueCode couleur
Masses d'eau artificiellesMasses d'eau fortement modifiées
Bon et plusHachures égales en vert et gris clairHachures égales en vert et gris foncé
MoyenHachures égales en jaune et gris clairHachures égales en jaune et gris foncé
MédiocreHachures égales en orange et gris clairHachures égales en orange et gris foncé
MauvaisHachures égales en rouge et gris clairHachures égales en rouge et gris foncé
Masses d'eau artificiellesMasses d'eau fortement modifiées
Bon et plusHachures égales en vert et gris clairHachures égales en vert et gris foncé
MoyenHachures égales en jaune et gris clairHachures égales en jaune et gris foncé
MédiocreHachures égales en orange et gris clairHachures égales en orange et gris foncé
MauvaisHachures égales en rouge et gris clairHachures égales en rouge et gris foncé
c) Tevens geeft de stroomgebiedautoriteit met een zwarte stip op de kaart de waterlichamen aan die geen goede toestand of geen goed ecologisch potentieel bereiken omdat zij niet voldoen aan één of meer van de milieukwaliteitsnormen die voor dat waterlichaam zijn vastgesteld voor synthetische en niet-synthetische verontreinigende stoffen.
c) L'autorité de bassin indique également, par un point noir sur la carte, les masses d'eau dont l'état ou le potentiel écologique n'est pas bon à cause du non-respect d'une ou de plusieurs des normes de qualité environnementale qui ont été établies pour cette masse d'eau pour des polluants synthétiques et non synthétiques spécifiques.
3.2. Presentatie van de monitoringsresultaten en klassenindeling van chemische toestand
Indien een waterlichaam voldoet aan alle door de stroomgebiedautoriteit vastgelegde milieukwaliteitsnormen, wordt voor dat waterlichaam een goede chemische toestand geregistreerd. Zo niet, dan wordt geregistreerd dat de chemische toestand van het water niet goed is.
De stroomgebiedautoriteit verstrekt voor elk stroomgebiedsdistrict een kaart met de indeling van elk waterlichaam naar chemische toestand met gebruikmaking van de kleurcodering in de tweede kolom van de navolgende tabel om de indeling naar chemische toestand van het waterlichaam aan te geven :
Indien een waterlichaam voldoet aan alle door de stroomgebiedautoriteit vastgelegde milieukwaliteitsnormen, wordt voor dat waterlichaam een goede chemische toestand geregistreerd. Zo niet, dan wordt geregistreerd dat de chemische toestand van het water niet goed is.
De stroomgebiedautoriteit verstrekt voor elk stroomgebiedsdistrict een kaart met de indeling van elk waterlichaam naar chemische toestand met gebruikmaking van de kleurcodering in de tweede kolom van de navolgende tabel om de indeling naar chemische toestand van het waterlichaam aan te geven :
3.3. Présentation des résultats des contrôles et classification de l'état chimique
Lorsqu'une masse d'eau répond à toutes les normes de qualité environnementale établies par l'autorité de bassin, elle est enregistrée comme atteignant un bon état chimique. Si tel n'est pas le cas, la masse d'eau est enregistrée comme n'atteignant pas un bon état chimique.
Pour chaque district hydrographique, l'autorité de bassin établit une carte illustrant l'état chimique de chaque masse d'eau à l'aide des couleurs indiquées dans la seconde colonne du tableau ci-dessous pour refléter la classification de l'état chimique de la masse d'eau :
Lorsqu'une masse d'eau répond à toutes les normes de qualité environnementale établies par l'autorité de bassin, elle est enregistrée comme atteignant un bon état chimique. Si tel n'est pas le cas, la masse d'eau est enregistrée comme n'atteignant pas un bon état chimique.
Pour chaque district hydrographique, l'autorité de bassin établit une carte illustrant l'état chimique de chaque masse d'eau à l'aide des couleurs indiquées dans la seconde colonne du tableau ci-dessous pour refléter la classification de l'état chimique de la masse d'eau :
| Indeling naar chemische toestand | Kleurcode |
| Goed | Blauw |
| Niet goed | Rood |
| Classification de l'état chimique | Code de couleur |
| Bon | Bleu |
| Pas bon | Rouge |
Indeling naar chemische toestandKleurcode
GoedBlauw
Niet goedRood
]1
GoedBlauw
Niet goedRood
]1
Classification de l'état chimiqueCode de couleur
BonBleu
Pas bonRouge
]1
BonBleu
Pas bonRouge
]1
Art. N7. [1 Bijlage VII
Indicatieve lijst van de belangrijkste verontreinigende stoffen
1. Organische halogeenverbindingen en stoffen die in water dergelijke verbindingen kunnen vormen.
2. Organische fosforverbindingen.
3. Organische tinverbindingen.
4. Stoffen en preparaten, of de afbraakproducten daarvan, waarvan is aangetoond dat zij carcinogene of mutagene eigenschappen hebben, of eigenschappen die in of via het aquatische milieu gevolgen kunnen hebben voor steroïdogene functies, schildklierfuncties, de voortplanting of andere hormonale functies.
5. Persistente koolwaterstoffen en persistente en bioaccumuleerbare organische toxische stoffen.
6. Cyaniden.
7. Metalen en metaalverbindingen.
8. Arseen en arseenverbindingen.
9. Biociden en gewasbeschermingsmiddelen.
10. Stoffen in suspensie.
11. Stoffen die bijdragen tot de eutrofiëring (met name nitraten en fosfaten).
12. Stoffen die een ongunstige invloed uitoefenen op de zuurstofbalans (en die kunnen worden gemeten met behulp van parameters zoals BZV, CZV, enz.).]1
Indicatieve lijst van de belangrijkste verontreinigende stoffen
1. Organische halogeenverbindingen en stoffen die in water dergelijke verbindingen kunnen vormen.
2. Organische fosforverbindingen.
3. Organische tinverbindingen.
4. Stoffen en preparaten, of de afbraakproducten daarvan, waarvan is aangetoond dat zij carcinogene of mutagene eigenschappen hebben, of eigenschappen die in of via het aquatische milieu gevolgen kunnen hebben voor steroïdogene functies, schildklierfuncties, de voortplanting of andere hormonale functies.
5. Persistente koolwaterstoffen en persistente en bioaccumuleerbare organische toxische stoffen.
6. Cyaniden.
7. Metalen en metaalverbindingen.
8. Arseen en arseenverbindingen.
9. Biociden en gewasbeschermingsmiddelen.
10. Stoffen in suspensie.
11. Stoffen die bijdragen tot de eutrofiëring (met name nitraten en fosfaten).
12. Stoffen die een ongunstige invloed uitoefenen op de zuurstofbalans (en die kunnen worden gemeten met behulp van parameters zoals BZV, CZV, enz.).]1
Art. N7. [1 Annexe VII
Liste indicative des principaux polluants
1. Composés organohalogénés et substances susceptibles de former des composés de ce type dans le milieu aquatique.
2. Composés organophosphorés.
3. Composés organostanniques.
4. Substances et préparations, ou leurs produits de décomposition, dont le caractère cancérigène ou mutagène ou les propriétés pouvant affecter les fonctions stéroïdogénique, thyroïdienne ou reproductive ou d'autres fonctions endocriniennes dans ou via le milieu aquatique ont été démontrés.
5. Hydrocarbures persistants et substances organiques toxiques persistantes et bio-accumulables.
6. Cyanures.
7. Métaux et leurs composés.
8. Arsenic et ses composés.
9. Produits biocides et phytopharmaceutiques.
10. Matières en suspension.
11. Substances contribuant à l'eutrophisation (en particulier, nitrates et phosphates).
12. Substances ayant une influence négative sur le bilan d'oxygène (et pouvant être mesurées à l'aide de paramètres tels que la DBO, la DCO, etc.).]1
Liste indicative des principaux polluants
1. Composés organohalogénés et substances susceptibles de former des composés de ce type dans le milieu aquatique.
2. Composés organophosphorés.
3. Composés organostanniques.
4. Substances et préparations, ou leurs produits de décomposition, dont le caractère cancérigène ou mutagène ou les propriétés pouvant affecter les fonctions stéroïdogénique, thyroïdienne ou reproductive ou d'autres fonctions endocriniennes dans ou via le milieu aquatique ont été démontrés.
5. Hydrocarbures persistants et substances organiques toxiques persistantes et bio-accumulables.
6. Cyanures.
7. Métaux et leurs composés.
8. Arsenic et ses composés.
9. Produits biocides et phytopharmaceutiques.
10. Matières en suspension.
11. Substances contribuant à l'eutrophisation (en particulier, nitrates et phosphates).
12. Substances ayant une influence négative sur le bilan d'oxygène (et pouvant être mesurées à l'aide de paramètres tels que la DBO, la DCO, etc.).]1