Artikel 1. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° 2° wordt vervangen als volgt : " 2° thuishulp van huishoudelijke aard : activiteiten ten gunste van particulieren die bestaan uit :
a) activiteiten verricht ten huize van de gebruiker : schoonmaken van de woning met inbegrip van de ramen, wassen en strijken, kleine occasionele naaiwerken, bereiden van maaltijden;
b) activiteiten verricht buiten het huis van de gebruiker : boodschappendienst, mindermobielencentrale voor bejaarden en strijken; "
2° in 4° worden de woorden " artikel 2, 1e lid, 2° " vervangen door de woorden " artikel 2, § 1, 2° ".
3° 5° wordt vervangen als volgt : " 5° de erkende onderneming : de onderneming die de in artikel 2, § 1, 3° van de wet bedoelde buurtwerken of -diensten levert, die hiertoe erkend is en die daarbij de gebruiker de kwaliteit en de veiligheid garandeert van deze diensten; "
4° 6° wordt vervangen als volgt : " 6° tegemoetkoming : de tegemoetkoming van de federale staat in de kostprijs van de dienstencheque. "
5° 7° wordt opgeheven.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
9 JANUARI 2004. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques.
Titre
9 JANVIER 2004. - Arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services.
Documentinformatie
Info du document
Tekst (16)
Texte (16)
Article 1. A l'article 1er de l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services sont apportées les modifications suivantes :
1° le 2° est remplacé par la disposition suivante : " 2° aide à domicile de nature ménagère : des activités en faveur des particuliers qui comprennent :
a) des activités réalisées au domicile de l'utilisateur : le nettoyage du domicile y compris les vitres, la lessive et le repassage, les petits travaux de couture occasionnels, la préparation de repas;
b) des activités réalisées en dehors du domicile de l'utilisateur : les courses ménagères, centrale pour les personnes âgées moins mobiles et le repassage; "
2° dans le 4° les mots " l'article 2, 1er alinéa, 2° " sont remplacés par les mots " l'article 2, § 1er, 2° ".
3° le 5° est remplacé par la disposition suivante : " 5° l'entreprise agréée : l'entreprise qui fournit les travaux ou les services de proximité visés à l'article 2, § 1er, 3°, de la loi, qui est agréée à cette fin et qui garantit la qualité et la sécurité de ces services; "
4° le 6° est remplacé par la disposition suivante : " 6° l'intervention : l'intervention de l'Etat fédéral dans le coût du titre-service. "
5° le 7° est abrogé.
1° le 2° est remplacé par la disposition suivante : " 2° aide à domicile de nature ménagère : des activités en faveur des particuliers qui comprennent :
a) des activités réalisées au domicile de l'utilisateur : le nettoyage du domicile y compris les vitres, la lessive et le repassage, les petits travaux de couture occasionnels, la préparation de repas;
b) des activités réalisées en dehors du domicile de l'utilisateur : les courses ménagères, centrale pour les personnes âgées moins mobiles et le repassage; "
2° dans le 4° les mots " l'article 2, 1er alinéa, 2° " sont remplacés par les mots " l'article 2, § 1er, 2° ".
3° le 5° est remplacé par la disposition suivante : " 5° l'entreprise agréée : l'entreprise qui fournit les travaux ou les services de proximité visés à l'article 2, § 1er, 3°, de la loi, qui est agréée à cette fin et qui garantit la qualité et la sécurité de ces services; "
4° le 6° est remplacé par la disposition suivante : " 6° l'intervention : l'intervention de l'Etat fédéral dans le coût du titre-service. "
5° le 7° est abrogé.
Art. 2. In artikel 2, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden " artikel 2, 6° " vervangen door de woorden " artikel 2, § 1, 6° ".
Art. 2. Dans l'article 2, alinéa 1er, du même arrêté, les mots " l'article 2, 6° " sont remplacés par les mots " l'article 2, § 1er, 6° ".
Art. 3. In hoofdstuk II van hetzelfde besluit wordt een artikel 2bis ingevoegd, luidende :
" Art. 2bis. Voor de toepassing van artikel 2, § 1, 7° van de wet moet worden verstaan onder :
1° werkloosheidsuitkering : de werkloosheids- of wachtuitkering bedoeld in artikel 100, de uitkering voor uren van tijdelijke werkloosheid bedoeld in artikel 106 en 107 en de inkomensgarantie-uitkering bedoeld in artikel 131bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
2° leefloon : het leefloon zoals bedoeld in de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
3° financiële sociale hulp : de financiële hulp bedoeld in artikel 60, § 3 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
4° tijdens zijn tewerkstelling : elke kalendermaand tijdens dewelke de werknemer één of meerdere arbeidsprestaties verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst dienstencheques.
Zolang in een bepaalde kalendermaand niet kan uitgemaakt worden of de werknemer een uitkering zoals bedoeld in het eerste lid, 1°, 2° of 3° zal genieten, behoort hij tot de werknemerscategorie A of B naargelang de categorie waartoe hij behoorde in de daaraan voorafgaande maand. "
" Art. 2bis. Voor de toepassing van artikel 2, § 1, 7° van de wet moet worden verstaan onder :
1° werkloosheidsuitkering : de werkloosheids- of wachtuitkering bedoeld in artikel 100, de uitkering voor uren van tijdelijke werkloosheid bedoeld in artikel 106 en 107 en de inkomensgarantie-uitkering bedoeld in artikel 131bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
2° leefloon : het leefloon zoals bedoeld in de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
3° financiële sociale hulp : de financiële hulp bedoeld in artikel 60, § 3 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
4° tijdens zijn tewerkstelling : elke kalendermaand tijdens dewelke de werknemer één of meerdere arbeidsprestaties verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst dienstencheques.
Zolang in een bepaalde kalendermaand niet kan uitgemaakt worden of de werknemer een uitkering zoals bedoeld in het eerste lid, 1°, 2° of 3° zal genieten, behoort hij tot de werknemerscategorie A of B naargelang de categorie waartoe hij behoorde in de daaraan voorafgaande maand. "
Art. 3. Dans le chapitre II du même arrêté, il est inséré un article 2bis, rédigé comme suit :
" Art. 2bis. Pour l'application de l'article 2, § 1er, 7° de la loi, il faut entendre par :
1° allocation de chômage : l'allocation de chômage ou d'attente visée à l'article 100, l'allocation pour les heures de chômage temporaire visée aux articles 106 et 107 et l'allocation de garantie de revenus visée à l'article 131bis de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage;
2° revenu d'intégration : le revenu d'intégration visé dans la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
3° aide sociale financière : l'aide financière visée à l'article 60, § 3, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale;
4° pendant son occupation : chaque mois calendrier pendant lequel le travailleur a réalisé une ou plusieurs prestations de travail dans le cadre d'un contrat de travail titres-services.
Aussi longtemps que dans un mois calendrier déterminé, il n'est pas possible de décider si le travailleur bénéficiera d'une allocation, visée à l'alinéa 1er, 1°, 2° ou 3°, ce travailleur appartient à la catégorie des travailleurs A ou B selon la catégorie à laquelle il appartenait dans le mois précédent. "
" Art. 2bis. Pour l'application de l'article 2, § 1er, 7° de la loi, il faut entendre par :
1° allocation de chômage : l'allocation de chômage ou d'attente visée à l'article 100, l'allocation pour les heures de chômage temporaire visée aux articles 106 et 107 et l'allocation de garantie de revenus visée à l'article 131bis de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage;
2° revenu d'intégration : le revenu d'intégration visé dans la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
3° aide sociale financière : l'aide financière visée à l'article 60, § 3, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale;
4° pendant son occupation : chaque mois calendrier pendant lequel le travailleur a réalisé une ou plusieurs prestations de travail dans le cadre d'un contrat de travail titres-services.
Aussi longtemps que dans un mois calendrier déterminé, il n'est pas possible de décider si le travailleur bénéficiera d'une allocation, visée à l'alinéa 1er, 1°, 2° ou 3°, ce travailleur appartient à la catégorie des travailleurs A ou B selon la catégorie à laquelle il appartenait dans le mois précédent. "
Art. 4. In hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk IIbis ingevoegd, luidende :
" HOOFDSTUK IIbis. - Erkenning.
Art. 2ter.
§ 1. Krachtens artikel 2, § 2, zesde lid van de wet, wordt bij het Hoofdbestuur van de RVA, Keizerslaan 7, 1000 Brussel, een adviescommissie erkenningen opgericht, hierna " de Commissie " genoemd, die advies moet verstrekken betreffende de toekenning, de opschorting of de intrekking van de erkenning van de ondernemingen bedoeld in artikel 2, § 1, eerste lid, 5°, van de wet.
§ 2. De Commissie is samengesteld als volgt :
1° een voorzitter als vertegenwoordiger van de Minister van Werk en een plaatsvervanger;
2° drie werkende leden en drie plaatsvervangende leden die zijn voorgedragen door de meest representatieve werknemersorganisaties;
3° drie werkende leden en drie plaatsvervangende leden die zijn voorgedragen door de meest representatieve werkgeversorganisaties;
4° een werkend lid en een plaatsvervangend lid als vertegenwoordiger van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
5° een werkend lid en een plaatsvervangend lid als vertegenwoordiger van de Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt - Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
§ 3. De Minister van Werk, of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg die hij aanduidt, benoemt de Commissieleden en waakt erover dat maximum twee derden van de leden van hetzelfde geslacht zijn.
Het mandaat van de leden geldt voor een hernieuwbare duur van vier jaar die een einde neemt :
1° in geval van ontslag;
2° wanneer de mandaterende instantie die een lid heeft voorgedragen om zijn vervanging verzoekt;
3° wanneer een lid niet langer de hoedanigheid heeft die zijn mandaat rechtvaardigde.
Het lid dat afstand doet van zijn mandaat vóór de geplande einddatum, wordt vervangen door zijn plaatsvervanger, die het mandaat voleindigt. In dat geval wordt een nieuw plaatsvervangend lid aangewezen.
§ 4. Om op geldige wijze een advies te kunnen uitbrengen moeten aanwezig zijn :
1° de voorzitter of zijn plaatsvervanger;
2° een lid dat de werknemers vertegenwoordigt of zijn plaatsvervanger;
3° een lid dat de werkgevers vertegenwoordigt of zijn plaatsvervanger;
4° een lid dat de RVA vertegenwoordigt of een lid dat de Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt vertegenwoordigt of hun plaatsvervanger.
§ 5. De RVA staat in voor het secretariaat van de Commissie.
§ 6. De Commissie bepaalt haar huishoudelijk reglement dat ter goedkeuring aan de Minister van Werk wordt voorgelegd.
Art. 2quater.
§ 1. Na advies van de Commissie kan de Minister van Werk overgaan tot de erkenning van een onderneming die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet.
§ 2. Voor de toepassing van artikel 2, § 2, eerste lid, a, van de wet moet worden verstaan onder sui generis afdeling, opgericht binnen een onderneming die reeds een andere activiteit heeft en die wil toetreden tot het stelsel van de dienstencheques, een afdeling met de volgende kenmerken :
1° er is een specifieke verantwoordelijke aangeduid voor de afdeling;
2° de afdeling engageert zich om herkenbaar te zijn door haar erkenning als erkende onderneming en de publiciteit daaromtrent;
3° de dienstencheque-activiteiten zullen apart geregistreerd worden, inzonderheid ten behoeve van de sociale overlegstructuren in de onderneming en de sociale inspectie.
§ 3. Het geven van voorrang door de onderneming aan werknemers van categorie A voor het bekomen van een voltijdse betrekking of van een andere, al dan niet bijkomende, deeltijdse betrekking zoals bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, c, van de wet dient te gebeuren overeenkomstig de volgende modaliteiten :
1° de werknemer van categorie A moet op het ogenblik dat hij zijn arbeidsovereenkomst dienstencheques ondertekent bij zijn werkgever schriftelijk een aanvraag indienen tot het bekomen van bijkomende arbeidsuren zodat hij zo vlug als mogelijk een voltijdse dienstbetrekking kan verkrijgen. Deze aanvraag wordt geacht deel uit te maken van de arbeidsovereenkomst.
2° de werkgever moet de werknemer van categorie A schriftelijk elke vacante voltijdse of deeltijdse dienstbetrekking prioritair aanbieden die dezelfde of een gelijkaardige functie betreft als die welke de werknemer reeds uitoefent, waarvoor hij de vereiste kwalificaties bezit en waarvoor hij in het kader van de arbeidsorganisatie in de onderneming in aanmerking kan komen. Voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing wordt rekening gehouden met de inkomsten van alle lopende arbeidsovereenkomsten bij dezelfde werkgever.
§ 4. De bijkomende voorwaarden zoals bedoeld in artikel 2, § 2, tweede lid van de wet zijn de volgende :
1° de onderneming verbindt zich ertoe geen werken of diensten die worden gefinancierd met dienstencheques in onderaanneming te laten uitvoeren door een andere onderneming of instelling;
2° de onderneming verbindt zich ertoe geen werknemers en klanten direct of indirect te discrimineren zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
3° de onderneming verbindt zich tot de organisatie van een werkomgeving met billijke arbeidsvoorwaarden, -situaties, -invulling en -verhoudingen overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomsten en de reglementeringen die van toepassing zijn;
4° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties te laten verrichten in een omgeving met onaanvaardbare risico's of gevaren voor de werknemers of in een omgeving waar de werknemers het slachtoffer zouden kunnen zijn van misbruiken of discriminatoire praktijken.
Art. 2quinquies. De erkenning wordt toegekend voor onbepaalde duur.
Art. 2sexies.
§ 1. De onderneming richt haar aanvraag tot erkenning tot het Secretariaat van de Commissie, hierna " het Secretariaat " genoemd.
De aanvraag waarvan het model bij het Secretariaat beschikbaar is, bevat een dossier dat bestaat uit :
1° het uniek ondernemingsnummer, de identiteit/sociale benaming en de verblijfplaats/maatschappelijke zetel;
2° desgevallend de meest recente versie van haar statuten;
3° een verklaring op erewoord die aangeeft dat de onderneming zich verbindt de erkenningsvoorwaarden die vermeld zijn in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet na te leven;
4° indien het gaat om een onderneming in oprichting, het financieel plan;
5° wanneer de aanvraag betrekking heeft op een afdeling sui generis bedoeld in artikel 2quater, § 2, bovendien de identiteit en de volledige persoonlijke gegevens van de specifieke verantwoordelijke van de afdeling.
Het Secretariaat bevestigt onverwijld de ontvangst van de aanvraag. Indien de aanvraag of het dossier onvolledig is, deelt het Secretariaat dit in dezelfde brief aan de onderneming mee.
Indien de onderneming haar aanvraag of dossier niet vervolledigt binnen de maand die volgt op de verzending van voornoemde brief, stuurt het Secretariaat de onderneming bij aangetekend schrijven een herinnering met een overzicht van de ontbrekende stukken. Indien het de ontbrekende stukken niet ontvangen heeft binnen de maand die volgt op de verzending van deze herinnering, wordt de aanvraag als onbestaande beschouwd.
§ 2. Zodra het Secretariaat over een volledig dossier beschikt, verzendt het dit ter advies aan de Commissie.
§ 3. Binnen een termijn van twee maanden vanaf de ontvangst van het dossier, verstrekt de Commissie een advies. Vervolgens bezorgt het Secretariaat dit advies aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt het Secretariaat het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
De Minister van Werk neemt een beslissing uiterlijk binnen een termijn van twee maanden die volgt op de ontvangst van het dossier.
Bij ontstentenis van een beslissing vanwege de Minister van Werk binnen de voornoemde termijn, wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.
Het Secretariaat geeft kennis van de beslissing tot toekenning of weigering van de erkenning aan de vragende onderneming. Het Secretariaat bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van de beslissing.
Voor toepassing van deze paragraaf wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg die hij aanduidt.
Art. 2septies.
§ 1. Na advies van de Commissie kan de Minister van Werk overgaan tot de schorsing van de erkenning van een onderneming die niet langer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet.
§ 2. Het Secretariaat brengt, op basis van de informatie bedoeld in artikel 10, § 1, laatste lid, de Minister van Werk en de Commissie op de hoogte van het feit dat een erkende onderneming niet langer voldoet aan één of meerdere voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet.
Binnen een termijn van twee maanden vanaf deze mededeling, verstrekt de Commissie een advies aan de Minister van Werk die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt het Secretariaat het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Het Secretariaat geeft kennis van de beslissing van de Minister van Werk aan de betrokken onderneming. Het Secretariaat bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van die beslissing.
§ 3. De Minister van Werk kan de erkenning voor een duur van zes maanden schorsen.
De Minister van Werk kan de schorsing opheffen, na spoedadvies van de Commissie, wanneer de onderneming het bewijs levert van de naleving van alle voorwaarden waarin is voorzien in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet.
In afwijking van het eerste lid, blijft de schorsing gelden tot op de datum waarop de in artikel 2octies, § 1, 1° bedoelde beslissing wordt genomen tegen de onderneming die aan het eind van de schorsingsperiode nog steeds niet het bewijs heeft geleverd van de naleving van alle voorwaarden waarin is voorzien in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet.
§ 4. Voor toepassing van dit artikel wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg die hij aanduidt.
Art. 2octies.
§ 1. Na advies van de Commissie kan de Minister van Werk overgaan tot de intrekking van de erkenning van een onderneming die niet langer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet, in een van de volgende gevallen :
1° wanneer de onderneming aan het eind van de schorsingsperiode van de erkenning nog steeds niet voldoet aan alle voorwaarden waarin is voorzien in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet;
2° in geval van herhaling;
3° wanneer de tekortkoming van de onderneming een zodanige vorm heeft aangenomen dat ernstig mag worden getwijfeld aan de goede trouw van de onderneming.
§ 2. Het Secretariaat deelt de Minister van Werk en de Commissie mee wanneer één van de gevallen waarin is voorzien in § 1 zich voordoet.
Binnen een termijn van twee maanden vanaf deze mededeling, verstrekt de Commissie een advies aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt het Secretariaat het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Het Secretariaat geeft kennis van de beslissing van de Minister van Werk aan de betrokken onderneming. Het Secretariaat bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van die beslissing.
§ 3. Voor toepassing van dit artikel wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg die hij aanduidt. "
" HOOFDSTUK IIbis. - Erkenning.
Art. 2ter.
§ 1. Krachtens artikel 2, § 2, zesde lid van de wet, wordt bij het Hoofdbestuur van de RVA, Keizerslaan 7, 1000 Brussel, een adviescommissie erkenningen opgericht, hierna " de Commissie " genoemd, die advies moet verstrekken betreffende de toekenning, de opschorting of de intrekking van de erkenning van de ondernemingen bedoeld in artikel 2, § 1, eerste lid, 5°, van de wet.
§ 2. De Commissie is samengesteld als volgt :
1° een voorzitter als vertegenwoordiger van de Minister van Werk en een plaatsvervanger;
2° drie werkende leden en drie plaatsvervangende leden die zijn voorgedragen door de meest representatieve werknemersorganisaties;
3° drie werkende leden en drie plaatsvervangende leden die zijn voorgedragen door de meest representatieve werkgeversorganisaties;
4° een werkend lid en een plaatsvervangend lid als vertegenwoordiger van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
5° een werkend lid en een plaatsvervangend lid als vertegenwoordiger van de Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt - Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
§ 3. De Minister van Werk, of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg die hij aanduidt, benoemt de Commissieleden en waakt erover dat maximum twee derden van de leden van hetzelfde geslacht zijn.
Het mandaat van de leden geldt voor een hernieuwbare duur van vier jaar die een einde neemt :
1° in geval van ontslag;
2° wanneer de mandaterende instantie die een lid heeft voorgedragen om zijn vervanging verzoekt;
3° wanneer een lid niet langer de hoedanigheid heeft die zijn mandaat rechtvaardigde.
Het lid dat afstand doet van zijn mandaat vóór de geplande einddatum, wordt vervangen door zijn plaatsvervanger, die het mandaat voleindigt. In dat geval wordt een nieuw plaatsvervangend lid aangewezen.
§ 4. Om op geldige wijze een advies te kunnen uitbrengen moeten aanwezig zijn :
1° de voorzitter of zijn plaatsvervanger;
2° een lid dat de werknemers vertegenwoordigt of zijn plaatsvervanger;
3° een lid dat de werkgevers vertegenwoordigt of zijn plaatsvervanger;
4° een lid dat de RVA vertegenwoordigt of een lid dat de Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt vertegenwoordigt of hun plaatsvervanger.
§ 5. De RVA staat in voor het secretariaat van de Commissie.
§ 6. De Commissie bepaalt haar huishoudelijk reglement dat ter goedkeuring aan de Minister van Werk wordt voorgelegd.
Art. 2quater.
§ 1. Na advies van de Commissie kan de Minister van Werk overgaan tot de erkenning van een onderneming die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet.
§ 2. Voor de toepassing van artikel 2, § 2, eerste lid, a, van de wet moet worden verstaan onder sui generis afdeling, opgericht binnen een onderneming die reeds een andere activiteit heeft en die wil toetreden tot het stelsel van de dienstencheques, een afdeling met de volgende kenmerken :
1° er is een specifieke verantwoordelijke aangeduid voor de afdeling;
2° de afdeling engageert zich om herkenbaar te zijn door haar erkenning als erkende onderneming en de publiciteit daaromtrent;
3° de dienstencheque-activiteiten zullen apart geregistreerd worden, inzonderheid ten behoeve van de sociale overlegstructuren in de onderneming en de sociale inspectie.
§ 3. Het geven van voorrang door de onderneming aan werknemers van categorie A voor het bekomen van een voltijdse betrekking of van een andere, al dan niet bijkomende, deeltijdse betrekking zoals bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, c, van de wet dient te gebeuren overeenkomstig de volgende modaliteiten :
1° de werknemer van categorie A moet op het ogenblik dat hij zijn arbeidsovereenkomst dienstencheques ondertekent bij zijn werkgever schriftelijk een aanvraag indienen tot het bekomen van bijkomende arbeidsuren zodat hij zo vlug als mogelijk een voltijdse dienstbetrekking kan verkrijgen. Deze aanvraag wordt geacht deel uit te maken van de arbeidsovereenkomst.
2° de werkgever moet de werknemer van categorie A schriftelijk elke vacante voltijdse of deeltijdse dienstbetrekking prioritair aanbieden die dezelfde of een gelijkaardige functie betreft als die welke de werknemer reeds uitoefent, waarvoor hij de vereiste kwalificaties bezit en waarvoor hij in het kader van de arbeidsorganisatie in de onderneming in aanmerking kan komen. Voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing wordt rekening gehouden met de inkomsten van alle lopende arbeidsovereenkomsten bij dezelfde werkgever.
§ 4. De bijkomende voorwaarden zoals bedoeld in artikel 2, § 2, tweede lid van de wet zijn de volgende :
1° de onderneming verbindt zich ertoe geen werken of diensten die worden gefinancierd met dienstencheques in onderaanneming te laten uitvoeren door een andere onderneming of instelling;
2° de onderneming verbindt zich ertoe geen werknemers en klanten direct of indirect te discrimineren zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
3° de onderneming verbindt zich tot de organisatie van een werkomgeving met billijke arbeidsvoorwaarden, -situaties, -invulling en -verhoudingen overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomsten en de reglementeringen die van toepassing zijn;
4° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties te laten verrichten in een omgeving met onaanvaardbare risico's of gevaren voor de werknemers of in een omgeving waar de werknemers het slachtoffer zouden kunnen zijn van misbruiken of discriminatoire praktijken.
Art. 2quinquies. De erkenning wordt toegekend voor onbepaalde duur.
Art. 2sexies.
§ 1. De onderneming richt haar aanvraag tot erkenning tot het Secretariaat van de Commissie, hierna " het Secretariaat " genoemd.
De aanvraag waarvan het model bij het Secretariaat beschikbaar is, bevat een dossier dat bestaat uit :
1° het uniek ondernemingsnummer, de identiteit/sociale benaming en de verblijfplaats/maatschappelijke zetel;
2° desgevallend de meest recente versie van haar statuten;
3° een verklaring op erewoord die aangeeft dat de onderneming zich verbindt de erkenningsvoorwaarden die vermeld zijn in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet na te leven;
4° indien het gaat om een onderneming in oprichting, het financieel plan;
5° wanneer de aanvraag betrekking heeft op een afdeling sui generis bedoeld in artikel 2quater, § 2, bovendien de identiteit en de volledige persoonlijke gegevens van de specifieke verantwoordelijke van de afdeling.
Het Secretariaat bevestigt onverwijld de ontvangst van de aanvraag. Indien de aanvraag of het dossier onvolledig is, deelt het Secretariaat dit in dezelfde brief aan de onderneming mee.
Indien de onderneming haar aanvraag of dossier niet vervolledigt binnen de maand die volgt op de verzending van voornoemde brief, stuurt het Secretariaat de onderneming bij aangetekend schrijven een herinnering met een overzicht van de ontbrekende stukken. Indien het de ontbrekende stukken niet ontvangen heeft binnen de maand die volgt op de verzending van deze herinnering, wordt de aanvraag als onbestaande beschouwd.
§ 2. Zodra het Secretariaat over een volledig dossier beschikt, verzendt het dit ter advies aan de Commissie.
§ 3. Binnen een termijn van twee maanden vanaf de ontvangst van het dossier, verstrekt de Commissie een advies. Vervolgens bezorgt het Secretariaat dit advies aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt het Secretariaat het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
De Minister van Werk neemt een beslissing uiterlijk binnen een termijn van twee maanden die volgt op de ontvangst van het dossier.
Bij ontstentenis van een beslissing vanwege de Minister van Werk binnen de voornoemde termijn, wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.
Het Secretariaat geeft kennis van de beslissing tot toekenning of weigering van de erkenning aan de vragende onderneming. Het Secretariaat bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van de beslissing.
Voor toepassing van deze paragraaf wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg die hij aanduidt.
Art. 2septies.
§ 1. Na advies van de Commissie kan de Minister van Werk overgaan tot de schorsing van de erkenning van een onderneming die niet langer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet.
§ 2. Het Secretariaat brengt, op basis van de informatie bedoeld in artikel 10, § 1, laatste lid, de Minister van Werk en de Commissie op de hoogte van het feit dat een erkende onderneming niet langer voldoet aan één of meerdere voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet.
Binnen een termijn van twee maanden vanaf deze mededeling, verstrekt de Commissie een advies aan de Minister van Werk die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt het Secretariaat het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Het Secretariaat geeft kennis van de beslissing van de Minister van Werk aan de betrokken onderneming. Het Secretariaat bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van die beslissing.
§ 3. De Minister van Werk kan de erkenning voor een duur van zes maanden schorsen.
De Minister van Werk kan de schorsing opheffen, na spoedadvies van de Commissie, wanneer de onderneming het bewijs levert van de naleving van alle voorwaarden waarin is voorzien in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet.
In afwijking van het eerste lid, blijft de schorsing gelden tot op de datum waarop de in artikel 2octies, § 1, 1° bedoelde beslissing wordt genomen tegen de onderneming die aan het eind van de schorsingsperiode nog steeds niet het bewijs heeft geleverd van de naleving van alle voorwaarden waarin is voorzien in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet.
§ 4. Voor toepassing van dit artikel wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg die hij aanduidt.
Art. 2octies.
§ 1. Na advies van de Commissie kan de Minister van Werk overgaan tot de intrekking van de erkenning van een onderneming die niet langer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet, in een van de volgende gevallen :
1° wanneer de onderneming aan het eind van de schorsingsperiode van de erkenning nog steeds niet voldoet aan alle voorwaarden waarin is voorzien in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet;
2° in geval van herhaling;
3° wanneer de tekortkoming van de onderneming een zodanige vorm heeft aangenomen dat ernstig mag worden getwijfeld aan de goede trouw van de onderneming.
§ 2. Het Secretariaat deelt de Minister van Werk en de Commissie mee wanneer één van de gevallen waarin is voorzien in § 1 zich voordoet.
Binnen een termijn van twee maanden vanaf deze mededeling, verstrekt de Commissie een advies aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt het Secretariaat het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Het Secretariaat geeft kennis van de beslissing van de Minister van Werk aan de betrokken onderneming. Het Secretariaat bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van die beslissing.
§ 3. Voor toepassing van dit artikel wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg die hij aanduidt. "
Art. 4. Il est inséré dans le même arrêté un chapitre IIbis, rédigé comme suit :
" CHAPITRE IIbis. - Agrément.
Art. 2ter.
§ 1er. En vertu de l'article 2, § 2, alinéa 6, de la loi, il est institué auprès de l'Administration centrale de l'ONEm, Boulevard de l'Empereur 7, 1000 Bruxelles, une commission consultative d'agréments, ci-après dénommée " la Commission ", laquelle a pour mission de rendre des avis concernant l'octroi, la suspension ou le retrait de l'agrément des entreprises visées à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, 5°, de la loi.
§ 2. La Commission est composée comme suit :
1° un président représentant le Ministre de l'Emploi et un suppléant;
2° trois membres effectifs et trois membres suppléants présentés par les organisations les plus représentatives des travailleurs;
3° trois membres effectifs et trois membres suppléants présentés par les organisations les plus représentatives des employeurs;
4° un membre effectif et un membre suppléant représentant l'Office National de l'Emploi;
5° un membre effectif et un membre suppléant représentant la Direction générale Emploi et marché du travail - Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.
§ 3. Le Ministre de l'Emploi, ou le fonctionnaire du Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation Sociale qu'il désigne, nomme les membres de la Commission, en veillant à ce que deux tiers au maximum de ses membres soient du même sexe.
Le mandat des membres couvre une durée renouvelable de quatre ans qui prend fin :
1° en cas de démission;
2° lorsque le mandant qui a proposé un membre demande son remplacement;
3° lorsqu'un membre perd la qualité qui justifiait son mandat.
Le membre qui cesse d'exercer son mandat avant la date normale d'expiration est remplacé par son suppléant qui achève le mandat. Dans ce cas, un nouveau suppléant est désigné.
§ 4. Doivent être présents pour pouvoir rendre un avis valablement :
1° le président ou son suppléant;
2° un membre représentant les travailleurs ou son suppléant;
3° un membre représentant les employeurs ou son suppléant;
4° un membre représentant l'ONEm ou un membre représentant la Direction générale Emploi et marché du travail ou leurs suppléants.
§ 5. Le secrétariat de la Commission est assuré par l'ONEm.
§ 6. La Commission arrête son règlement d'ordre intérieur qui est soumis à l'approbation du Ministre de l'Emploi.
Art. 2quater.
§ 1er. Le Ministre de l'Emploi, après avis de la Commission, peut agréer une entreprise qui satisfait aux conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2, et 3, de la loi.
§ 2. Pour l'application de l'article 2, § 2, alinéa 1er, a, de la loi il faut entendre par une section sui generis, créée dans une entreprise qui exerce déjà une autre activité et qui veut adhérer au système des titres-services, une section avec les caractéristiques suivantes :
1° un responsable spécifique est désigné pour la section;
2° la section s'engage à être identifiable par son agrément comme entreprise agréée et la publicité ad hoc;
3° les activités couvertes par les titres-services seront enregistrées séparément, notamment à l'intention des structures de concertation sociale dans l'entreprise et de l'inspection sociale.
§ 3. L'attribution par l'entreprise d'une priorité aux travailleurs de catégorie A pour l'obtention d'un emploi à temps plein ou d'un autre emploi à temps partiel, supplémentaire ou non, visée à l'article 2, § 2, alinéa 1er, c, de la loi, doit se faire conformément aux modalités suivantes :
1° le travailleur de catégorie A doit, au moment où il signe son contrat de travail titres-services, introduire par écrit auprès de son employeur une demande d'obtention d'heures de travail complémentaires de sorte qu'il puisse obtenir aussi vite que possible un emploi à temps plein. Cette demande est censée faire partie du contrat de travail.
2° l'employeur doit offrir en priorité par écrit au travailleur de catégorie A chaque emploi vacant à temps plein ou à temps partiel, ayant trait à la même fonction ou à une fonction analogue à celle que le travailleur exerce déjà, pour laquelle il possède les qualifications requises et pour laquelle il entre en ligne de compte dans le cadre de l'organisation du travail dans l'entreprise. Pour le calcul du précompte professionnel il sera tenu compte des revenus de tous les contrats de travail en cours auprès du même employeur.
§ 4. Les conditions supplémentaires visées à l'article 2, § 2, alinéa 2, de la loi sont les suivantes :
1° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer les travaux ou services financés par les titres-services en sous-traitance par une autre entreprise ou tout autre organisme;
2° l'entreprise s'engage à ne pas pratiquer à l'encontre des travailleurs et des clients de discrimination directe ou indirecte visée à l'article 2 de la loi du 25 février 2003 tendant à lutter contre la discrimination et modifiant la loi du 15 février 1993 créant un Centre pour l'égalité des chances et la lutte contre le racisme;
3° l'entreprise s'engage à créer un environnement de travail offrant des conditions, des situations, des contenus et des relations de travail équitables, conformément aux conventions collectives de travail et aux réglementations applicables;
4° l'entreprise s'engage à ne pas faire prester des travaux dans un environnement présentant des dangers et des risques inacceptables pour les travailleurs ou dans un environnement où les travailleurs risqueraient d'êtres victimes d'abus ou de traitements discriminatoires.
Art. 2quinquies. L'agrément est octroyé pour une durée indéterminée.
Art. 2sexies.
§ 1er. La demande d'agrément est adressée par l'entreprise au Secrétariat de la Commission, ci-après dénommé " le Secrétariat ".
La demande, dont le modèle est disponible auprès du Secrétariat, est accompagnée d'un dossier comportant :
1° le numéro unique d'entreprise, l'identité/la dénomination sociale et le domicile/siège social;
2° le cas échéant, la dernière version en date des statuts;
3° une déclaration sur l'honneur indiquant que l'entreprise s'engage à respecter les conditions d'agrément prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi;
4° s'il s'agit d'une entreprise en voie de constitution, le plan financier;
5° lorsque la demande concerne une section sui generis visée à l'article 2quater, § 2, en outre, l'identité et les coordonnées complètes du responsable spécifique de la section.
Le Secrétariat accuse sans délai réception de la demande. Si la demande ou le dossier est incomplet, le Secrétariat en avise l'entreprise dans le même courrier.
Si l'entreprise ne complète pas sa demande ou son dossier dans le mois qui suit l'envoi du courrier précité, le Secrétariat adresse à l'entreprise, par lettre recommandée, un rappel du relevé des pièces manquantes. A défaut d'avoir reçu celles-ci dans le mois qui suit l'envoi de ce rappel, la demande est considérée comme nulle et non avenue.
§ 2. Dès qu'il dispose d'un dossier complet, le Secrétariat le transmet pour avis à la Commission.
§ 3. Dans un délai de deux mois à dater de la réception du dossier, la Commission rend un avis. Le Secrétariat communique ensuite cet avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et le Secrétariat transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Le Ministre de l'Emploi se prononce au plus tard dans un délai de deux mois à dater de la réception du dossier.
En cas d'absence de décision du Ministre de l'Emploi endéans le délai précité, la décision est réputée favorable.
Le Secrétariat notifie la décision d'octroi ou de refus de l'agrément à l'entreprise demanderesse. Le Secrétariat communique également une copie de la décision à la Commission.
Pour l'application de ce paragraphe on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou le fonctionnaire du Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation Sociale qu'il désigne.
Art. 2septies.
§ 1er. Le Ministre de l'Emploi, après avis de la Commission, peut suspendre l'agrément d'une entreprise qui ne satisfait plus aux conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi.
§ 2. Sur la base de l'information visée à l'article 10, § 1er, dernier alinéa, le Secrétariat informe le Ministre de l'Emploi et la Commission du fait qu'une entreprise agréée ne remplit plus une ou plusieurs des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi.
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, la Commission rend un avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et le Secrétariat transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Le Secrétariat notifie la décision du Ministre de l'Emploi à l'entreprise concernée. Le Secrétariat communique également une copie de cette décision à la Commission.
§ 3. Le Ministre de l'Emploi peut suspendre l'agrément pour une durée de six mois.
Le Ministre de l'Emploi peut lever la suspension après avis d'urgence de la Commission, lorsque l'entreprise rapporte la preuve du respect de l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la suspension continue de produire ses effets jusqu'à la date à laquelle est rendue la décision visée à l'article 2octies, § 1er, 1°, à l'encontre de l'entreprise qui, au terme de la période de suspension, ne rapporte toujours pas la preuve du respect de l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi.
§ 4. Pour l'application de cet article on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou le fonctionnaire du Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation Sociale qu'il désigne.
Art. 2octies.
§ 1er. Le Ministre de l'Emploi, après avis de la Commission, peut retirer l'agrément d'une entreprise qui ne satisfait plus aux conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi, dans l'un des cas suivants :
1° lorsqu'au terme de la période de suspension de l'agrément, l'entreprise reste en défaut de satisfaire à l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi;
2° en cas de récidive;
3° lorsque le manquement de l'entreprise est à ce point caractérisé que la bonne foi de l'entreprise peut être sérieusement mise en doute.
§ 2. Le Secrétariat informe le Ministre de l'Emploi et la Commission de la survenance de l'un des événements prévus au § 1er.
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, la Commission rend un avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et le Secrétariat transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Le Secrétariat notifie la décision du Ministre de l'Emploi à l'entreprise concernée. Le Secrétariat communique également une copie de cette décision à la Commission.
§ 3. Pour l'application de cet article on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou le fonctionnaire du Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation Sociale qu'il désigne. "
" CHAPITRE IIbis. - Agrément.
Art. 2ter.
§ 1er. En vertu de l'article 2, § 2, alinéa 6, de la loi, il est institué auprès de l'Administration centrale de l'ONEm, Boulevard de l'Empereur 7, 1000 Bruxelles, une commission consultative d'agréments, ci-après dénommée " la Commission ", laquelle a pour mission de rendre des avis concernant l'octroi, la suspension ou le retrait de l'agrément des entreprises visées à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, 5°, de la loi.
§ 2. La Commission est composée comme suit :
1° un président représentant le Ministre de l'Emploi et un suppléant;
2° trois membres effectifs et trois membres suppléants présentés par les organisations les plus représentatives des travailleurs;
3° trois membres effectifs et trois membres suppléants présentés par les organisations les plus représentatives des employeurs;
4° un membre effectif et un membre suppléant représentant l'Office National de l'Emploi;
5° un membre effectif et un membre suppléant représentant la Direction générale Emploi et marché du travail - Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.
§ 3. Le Ministre de l'Emploi, ou le fonctionnaire du Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation Sociale qu'il désigne, nomme les membres de la Commission, en veillant à ce que deux tiers au maximum de ses membres soient du même sexe.
Le mandat des membres couvre une durée renouvelable de quatre ans qui prend fin :
1° en cas de démission;
2° lorsque le mandant qui a proposé un membre demande son remplacement;
3° lorsqu'un membre perd la qualité qui justifiait son mandat.
Le membre qui cesse d'exercer son mandat avant la date normale d'expiration est remplacé par son suppléant qui achève le mandat. Dans ce cas, un nouveau suppléant est désigné.
§ 4. Doivent être présents pour pouvoir rendre un avis valablement :
1° le président ou son suppléant;
2° un membre représentant les travailleurs ou son suppléant;
3° un membre représentant les employeurs ou son suppléant;
4° un membre représentant l'ONEm ou un membre représentant la Direction générale Emploi et marché du travail ou leurs suppléants.
§ 5. Le secrétariat de la Commission est assuré par l'ONEm.
§ 6. La Commission arrête son règlement d'ordre intérieur qui est soumis à l'approbation du Ministre de l'Emploi.
Art. 2quater.
§ 1er. Le Ministre de l'Emploi, après avis de la Commission, peut agréer une entreprise qui satisfait aux conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2, et 3, de la loi.
§ 2. Pour l'application de l'article 2, § 2, alinéa 1er, a, de la loi il faut entendre par une section sui generis, créée dans une entreprise qui exerce déjà une autre activité et qui veut adhérer au système des titres-services, une section avec les caractéristiques suivantes :
1° un responsable spécifique est désigné pour la section;
2° la section s'engage à être identifiable par son agrément comme entreprise agréée et la publicité ad hoc;
3° les activités couvertes par les titres-services seront enregistrées séparément, notamment à l'intention des structures de concertation sociale dans l'entreprise et de l'inspection sociale.
§ 3. L'attribution par l'entreprise d'une priorité aux travailleurs de catégorie A pour l'obtention d'un emploi à temps plein ou d'un autre emploi à temps partiel, supplémentaire ou non, visée à l'article 2, § 2, alinéa 1er, c, de la loi, doit se faire conformément aux modalités suivantes :
1° le travailleur de catégorie A doit, au moment où il signe son contrat de travail titres-services, introduire par écrit auprès de son employeur une demande d'obtention d'heures de travail complémentaires de sorte qu'il puisse obtenir aussi vite que possible un emploi à temps plein. Cette demande est censée faire partie du contrat de travail.
2° l'employeur doit offrir en priorité par écrit au travailleur de catégorie A chaque emploi vacant à temps plein ou à temps partiel, ayant trait à la même fonction ou à une fonction analogue à celle que le travailleur exerce déjà, pour laquelle il possède les qualifications requises et pour laquelle il entre en ligne de compte dans le cadre de l'organisation du travail dans l'entreprise. Pour le calcul du précompte professionnel il sera tenu compte des revenus de tous les contrats de travail en cours auprès du même employeur.
§ 4. Les conditions supplémentaires visées à l'article 2, § 2, alinéa 2, de la loi sont les suivantes :
1° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer les travaux ou services financés par les titres-services en sous-traitance par une autre entreprise ou tout autre organisme;
2° l'entreprise s'engage à ne pas pratiquer à l'encontre des travailleurs et des clients de discrimination directe ou indirecte visée à l'article 2 de la loi du 25 février 2003 tendant à lutter contre la discrimination et modifiant la loi du 15 février 1993 créant un Centre pour l'égalité des chances et la lutte contre le racisme;
3° l'entreprise s'engage à créer un environnement de travail offrant des conditions, des situations, des contenus et des relations de travail équitables, conformément aux conventions collectives de travail et aux réglementations applicables;
4° l'entreprise s'engage à ne pas faire prester des travaux dans un environnement présentant des dangers et des risques inacceptables pour les travailleurs ou dans un environnement où les travailleurs risqueraient d'êtres victimes d'abus ou de traitements discriminatoires.
Art. 2quinquies. L'agrément est octroyé pour une durée indéterminée.
Art. 2sexies.
§ 1er. La demande d'agrément est adressée par l'entreprise au Secrétariat de la Commission, ci-après dénommé " le Secrétariat ".
La demande, dont le modèle est disponible auprès du Secrétariat, est accompagnée d'un dossier comportant :
1° le numéro unique d'entreprise, l'identité/la dénomination sociale et le domicile/siège social;
2° le cas échéant, la dernière version en date des statuts;
3° une déclaration sur l'honneur indiquant que l'entreprise s'engage à respecter les conditions d'agrément prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi;
4° s'il s'agit d'une entreprise en voie de constitution, le plan financier;
5° lorsque la demande concerne une section sui generis visée à l'article 2quater, § 2, en outre, l'identité et les coordonnées complètes du responsable spécifique de la section.
Le Secrétariat accuse sans délai réception de la demande. Si la demande ou le dossier est incomplet, le Secrétariat en avise l'entreprise dans le même courrier.
Si l'entreprise ne complète pas sa demande ou son dossier dans le mois qui suit l'envoi du courrier précité, le Secrétariat adresse à l'entreprise, par lettre recommandée, un rappel du relevé des pièces manquantes. A défaut d'avoir reçu celles-ci dans le mois qui suit l'envoi de ce rappel, la demande est considérée comme nulle et non avenue.
§ 2. Dès qu'il dispose d'un dossier complet, le Secrétariat le transmet pour avis à la Commission.
§ 3. Dans un délai de deux mois à dater de la réception du dossier, la Commission rend un avis. Le Secrétariat communique ensuite cet avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et le Secrétariat transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Le Ministre de l'Emploi se prononce au plus tard dans un délai de deux mois à dater de la réception du dossier.
En cas d'absence de décision du Ministre de l'Emploi endéans le délai précité, la décision est réputée favorable.
Le Secrétariat notifie la décision d'octroi ou de refus de l'agrément à l'entreprise demanderesse. Le Secrétariat communique également une copie de la décision à la Commission.
Pour l'application de ce paragraphe on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou le fonctionnaire du Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation Sociale qu'il désigne.
Art. 2septies.
§ 1er. Le Ministre de l'Emploi, après avis de la Commission, peut suspendre l'agrément d'une entreprise qui ne satisfait plus aux conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi.
§ 2. Sur la base de l'information visée à l'article 10, § 1er, dernier alinéa, le Secrétariat informe le Ministre de l'Emploi et la Commission du fait qu'une entreprise agréée ne remplit plus une ou plusieurs des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi.
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, la Commission rend un avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et le Secrétariat transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Le Secrétariat notifie la décision du Ministre de l'Emploi à l'entreprise concernée. Le Secrétariat communique également une copie de cette décision à la Commission.
§ 3. Le Ministre de l'Emploi peut suspendre l'agrément pour une durée de six mois.
Le Ministre de l'Emploi peut lever la suspension après avis d'urgence de la Commission, lorsque l'entreprise rapporte la preuve du respect de l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la suspension continue de produire ses effets jusqu'à la date à laquelle est rendue la décision visée à l'article 2octies, § 1er, 1°, à l'encontre de l'entreprise qui, au terme de la période de suspension, ne rapporte toujours pas la preuve du respect de l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi.
§ 4. Pour l'application de cet article on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou le fonctionnaire du Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation Sociale qu'il désigne.
Art. 2octies.
§ 1er. Le Ministre de l'Emploi, après avis de la Commission, peut retirer l'agrément d'une entreprise qui ne satisfait plus aux conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi, dans l'un des cas suivants :
1° lorsqu'au terme de la période de suspension de l'agrément, l'entreprise reste en défaut de satisfaire à l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi;
2° en cas de récidive;
3° lorsque le manquement de l'entreprise est à ce point caractérisé que la bonne foi de l'entreprise peut être sérieusement mise en doute.
§ 2. Le Secrétariat informe le Ministre de l'Emploi et la Commission de la survenance de l'un des événements prévus au § 1er.
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, la Commission rend un avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et le Secrétariat transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Le Secrétariat notifie la décision du Ministre de l'Emploi à l'entreprise concernée. Le Secrétariat communique également une copie de cette décision à la Commission.
§ 3. Pour l'application de cet article on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou le fonctionnaire du Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation Sociale qu'il désigne. "
Art. 5. Artikel 4 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Art. 4. Het uitgiftebedrijf stuurt de dienstencheque naar de gebruiker binnen de 5 werkdagen die op de ontvangst van het bedrag bedoeld in artikel 3 volgen.
Minstens tweemaal per maand en door middel van een geïnformatiseerde overzichtslijst, licht het uitgiftebedrijf de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening in over het aantal aan de gebruikers toegestuurde dienstencheques, opgesplitst volgens het Gewest waar de gebruiker gedomicilieerd is.
De Minister van Werk kan, op basis van de evolutie van het aantal bestelde dienstencheques en van het aantal aan de erkende ondernemingen terugbetaalde dienstencheques, beperkingen opleggen aan het uitgiftebedrijf inzake de uitgifte van dienstencheques. "
" Art. 4. Het uitgiftebedrijf stuurt de dienstencheque naar de gebruiker binnen de 5 werkdagen die op de ontvangst van het bedrag bedoeld in artikel 3 volgen.
Minstens tweemaal per maand en door middel van een geïnformatiseerde overzichtslijst, licht het uitgiftebedrijf de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening in over het aantal aan de gebruikers toegestuurde dienstencheques, opgesplitst volgens het Gewest waar de gebruiker gedomicilieerd is.
De Minister van Werk kan, op basis van de evolutie van het aantal bestelde dienstencheques en van het aantal aan de erkende ondernemingen terugbetaalde dienstencheques, beperkingen opleggen aan het uitgiftebedrijf inzake de uitgifte van dienstencheques. "
Art. 5. L'article 4 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 4. La société émettrice envoie le titre-service à l'utilisateur dans les 5 jours ouvrables après réception du montant visé à l'article 3.
La société émettrice informe au moins deux fois par mois l'Office National de l'Emploi du nombre de titres-services envoyés aux utilisateurs, au moyen d'une liste récapitulative informatisée et répartie par Région sur base du domicile de l'utilisateur.
Le Ministre de l'Emploi peut, sur base de l'évolution du nombre des titres-services commandés et du nombre des titres-services remboursés aux entreprises agréées, imposer des limites à la société émettrice en ce qui concerne l'émission des titres-services. "
" Art. 4. La société émettrice envoie le titre-service à l'utilisateur dans les 5 jours ouvrables après réception du montant visé à l'article 3.
La société émettrice informe au moins deux fois par mois l'Office National de l'Emploi du nombre de titres-services envoyés aux utilisateurs, au moyen d'une liste récapitulative informatisée et répartie par Région sur base du domicile de l'utilisateur.
Le Ministre de l'Emploi peut, sur base de l'évolution du nombre des titres-services commandés et du nombre des titres-services remboursés aux entreprises agréées, imposer des limites à la société émettrice en ce qui concerne l'émission des titres-services. "
Art. 6. Artikel 5, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Binnen de 15 werkdagen na de ontvangst van de in artikel 4 vermelde overzichtslijst betaalt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening zijn voorschot. "
" Binnen de 15 werkdagen na de ontvangst van de in artikel 4 vermelde overzichtslijst betaalt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening zijn voorschot. "
Art. 6. L'article 5, alinéa 1er, du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Dans les 15 jours ouvrables après réception de la liste récapitulative mentionnée à l'article 4 l'Office National de l'Emploi paie son avance. "
" Dans les 15 jours ouvrables après réception de la liste récapitulative mentionnée à l'article 4 l'Office National de l'Emploi paie son avance. "
Art. 7. In artikel 7 van hetzelfde besluit worden de woorden " die daarvoor in dienst genomen zijn en die tenminste halftijds tewerkgesteld worden met een arbeidsovereenkomst in de zin van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten " vervangen door de woorden " die overeenkomstig de bepalingen van de wet en zijn uitvoeringsbesluiten tewerkgesteld zijn ".
Art. 7. Dans l'article 7 du même arrêté, les mots " recrutées à cette fin et occupées au moins à mi-temps dans les liens d'un contrat de travail au sens de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail " sont remplacés par les mots " occupées conformément aux dispositions de la loi et ses arrêtés d'exécution ".
Art. 8. In artikel 8 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden " verschillende tegemoetkomingen die voorgeschoten werden " vervangen door de woorden " tegemoetkoming die voorgeschoten werd ".
2° het tweede lid wordt vervangen als volgt : " Het bedrag van deze tegemoetkoming is gelijk aan 13,27 EUR per dienstencheque. ".
3° het derde lid wordt vervangen als volgt :
" Teneinde de afrekening van de voorschotten bedoeld in artikel 5, mogelijk te maken, licht het uitgiftebedrijf minstens tweemaal per maand de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening in over het aantal gevalideerde en aan de erkende onderneming terugbetaalde dienstencheques en dat door middel van een geïnformatiseerde overzichtslijst opgesplitst volgens het Gewest waar de gebruiker gedomicilieerd is. ".
1° in het eerste lid worden de woorden " verschillende tegemoetkomingen die voorgeschoten werden " vervangen door de woorden " tegemoetkoming die voorgeschoten werd ".
2° het tweede lid wordt vervangen als volgt : " Het bedrag van deze tegemoetkoming is gelijk aan 13,27 EUR per dienstencheque. ".
3° het derde lid wordt vervangen als volgt :
" Teneinde de afrekening van de voorschotten bedoeld in artikel 5, mogelijk te maken, licht het uitgiftebedrijf minstens tweemaal per maand de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening in over het aantal gevalideerde en aan de erkende onderneming terugbetaalde dienstencheques en dat door middel van een geïnformatiseerde overzichtslijst opgesplitst volgens het Gewest waar de gebruiker gedomicilieerd is. ".
Art. 8. A l'article 8 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa 1er les mots " des différentes interventions qui ont été avancées " sont remplacés par les mots " de l'intervention qui a été avancée ".
2° l'alinéa 2 est remplacé par la disposition suivante : " Le montant de cette intervention est égal à 13,27 EUR par titre-service. ".
3° l'alinéa 3 est remplacé par la disposition suivante :
" Afin de pouvoir établir le décompte des avances visées à l'article 5, la société émettrice informe, au moins deux fois par mois l'Office National de l'Emploi du nombre de titres-services validés et remboursés à l'entreprise agréée et ce, au moyen d'une liste récapitulative informatisée et répartie par Région sur base du domicile de l'utilisateur. "
1° dans l'alinéa 1er les mots " des différentes interventions qui ont été avancées " sont remplacés par les mots " de l'intervention qui a été avancée ".
2° l'alinéa 2 est remplacé par la disposition suivante : " Le montant de cette intervention est égal à 13,27 EUR par titre-service. ".
3° l'alinéa 3 est remplacé par la disposition suivante :
" Afin de pouvoir établir le décompte des avances visées à l'article 5, la société émettrice informe, au moins deux fois par mois l'Office National de l'Emploi du nombre de titres-services validés et remboursés à l'entreprise agréée et ce, au moyen d'une liste récapitulative informatisée et répartie par Région sur base du domicile de l'utilisateur. "
Art. 9. In hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk IIIbis ingevoegd, luidende :
" HOOFDSTUK IIIbis. - Loon- en arbeidsvoorwaarden.
Art. 9bis. Dit hoofdstuk is van toepassing op de werknemers verbonden door een arbeidsovereenkomst dienstencheques en vallend onder het paritair subcomité opgericht op basis van artikel 27 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers en op hun werkgever.
Art. 9ter. De wekelijkse grens van de arbeidsduur in de zin van artikel 19 van de Arbeidswet van 16 maart 1971 wordt vastgesteld op 38 uren.
Art. 9quater.
§ 1. De werknemers bedoeld in artikel 9bis genieten minimum van het volgende uurloon :
minder dan 1 jaar anciënniteit : 8,32 EUR;
ten minste 1 jaar anciënniteit : 8,66 EUR;
ten minste 2 jaren anciënniteit : 8,77 EUR.
§ 2. De anciënniteit van de werknemers bedoeld in artikel 9bis wordt berekend vanaf het begin van uitvoering van de eerste arbeidsovereenkomst dienstencheques bij dezelfde werkgever, hierin begrepen, voor wat de periode van tewerkstelling betreft voorafgaand aan het aanbod van een overeenkomst van onbepaalde duur bedoeld in artikel 7septies, tweede lid en 7octies, tweede lid van de wet, de periodes tussen twee arbeidsovereenkomsten gesloten voor een bepaalde tijd en/of onbepaalde tijd.
De periodes die zich situeren tussen twee arbeidsovereenkomsten gesloten voor een onbepaalde tijd, anders dan in de situatie bedoeld in het vorig lid, worden niet meegeteld voor de berekening van de anciënniteit.
De periodes van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst die niet gedekt zijn door een gewaarborgd loon, tellen niet mee voor de berekening van de anciënniteit.
§ 3. De loonsverhoging treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de loonsanciënniteit verworven is.
§ 4. De lonen zijn gekoppeld aan het indexcijfer der consumptieprijzen van de maand juni 2003.
Elke keer dat het indexcijfer de hogere spilindex bereikt die berekend wordt door de initiële index te vermenigvuldigen met 1,02, worden de lonen verhoogd met 2 %.
De loonsverhoging wordt toegepast vanaf de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin de index het cijfer bereikt dat de wijziging rechtvaardigt. "
" HOOFDSTUK IIIbis. - Loon- en arbeidsvoorwaarden.
Art. 9bis. Dit hoofdstuk is van toepassing op de werknemers verbonden door een arbeidsovereenkomst dienstencheques en vallend onder het paritair subcomité opgericht op basis van artikel 27 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers en op hun werkgever.
Art. 9ter. De wekelijkse grens van de arbeidsduur in de zin van artikel 19 van de Arbeidswet van 16 maart 1971 wordt vastgesteld op 38 uren.
Art. 9quater.
§ 1. De werknemers bedoeld in artikel 9bis genieten minimum van het volgende uurloon :
minder dan 1 jaar anciënniteit : 8,32 EUR;
ten minste 1 jaar anciënniteit : 8,66 EUR;
ten minste 2 jaren anciënniteit : 8,77 EUR.
§ 2. De anciënniteit van de werknemers bedoeld in artikel 9bis wordt berekend vanaf het begin van uitvoering van de eerste arbeidsovereenkomst dienstencheques bij dezelfde werkgever, hierin begrepen, voor wat de periode van tewerkstelling betreft voorafgaand aan het aanbod van een overeenkomst van onbepaalde duur bedoeld in artikel 7septies, tweede lid en 7octies, tweede lid van de wet, de periodes tussen twee arbeidsovereenkomsten gesloten voor een bepaalde tijd en/of onbepaalde tijd.
De periodes die zich situeren tussen twee arbeidsovereenkomsten gesloten voor een onbepaalde tijd, anders dan in de situatie bedoeld in het vorig lid, worden niet meegeteld voor de berekening van de anciënniteit.
De periodes van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst die niet gedekt zijn door een gewaarborgd loon, tellen niet mee voor de berekening van de anciënniteit.
§ 3. De loonsverhoging treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de loonsanciënniteit verworven is.
§ 4. De lonen zijn gekoppeld aan het indexcijfer der consumptieprijzen van de maand juni 2003.
Elke keer dat het indexcijfer de hogere spilindex bereikt die berekend wordt door de initiële index te vermenigvuldigen met 1,02, worden de lonen verhoogd met 2 %.
De loonsverhoging wordt toegepast vanaf de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin de index het cijfer bereikt dat de wijziging rechtvaardigt. "
Art. 9. Il est inséré dans le même arrêté un chapitre IIIbis, rédigé comme suit :
" CHAPITRE IIIbis. - Conditions de travail et de rémunération.
Art. 9bis. Le présent chapitre s'applique aux travailleurs liés par un contrat de travail titres-services et ressortissant à la sous-commission paritaire créée en vertu de l'article 27 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs et à leur employeur.
Art. 9ter. La limite hebdomadaire de la durée du travail au sens de l'article 19 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail est fixée à 38 heures.
Art. 9quater.
§ 1er. Les travailleurs visés à l'article 9bis bénéficient au minimum du salaire horaire suivant :
moins d'un an d'ancienneté : 8,32 EUR;
au moins 1 an d'ancienneté : 8,66 EUR;
au moins 2 ans d'ancienneté : 8,77 EUR.
§ 2. L'ancienneté des travailleurs visés à l'article 9bis est calculée depuis le début de l'exécution du premier contrat de travail titres-services avec le même employeur, y compris en ce qui concerne la période d'occupation précédant l'offre d'un contrat à durée indéterminée visé à l'article 7septies, alinéa 2 et 7octies, alinéa 2, de la loi, les périodes entre deux contrats de travail conclus pour une durée déterminée et/ou indéterminée.
Les périodes se situant entre deux contrats de travail conclus pour une durée indéterminée, autres que dans la situation visée à l'alinéa précédent, n'interviennent pas dans le calcul de l'ancienneté.
N'entrent pas en ligne de compte pour le calcul de l'ancienneté les périodes de suspension de l'exécution du contrat de travail non couvertes par une rémunération garantie.
§ 3. L'augmentation salariale entre en vigueur le premier jour du mois qui suit le mois pendant lequel l'ancienneté salariale est acquise.
§ 4. Les salaires sont liés à l'indice des prix à la consommation du mois de juin 2003.
Chaque fois que l'indice des prix atteint l'indice pivot supérieur qui est calculé en multipliant l'indice initial par 1,02, les salaires sont augmentés de 2 %.
L'augmentation des salaires est appliquée à partir du premier jour du deuxième mois qui suit celui dont l'indice atteint le chiffre qui justifie la modification. "
" CHAPITRE IIIbis. - Conditions de travail et de rémunération.
Art. 9bis. Le présent chapitre s'applique aux travailleurs liés par un contrat de travail titres-services et ressortissant à la sous-commission paritaire créée en vertu de l'article 27 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs et à leur employeur.
Art. 9ter. La limite hebdomadaire de la durée du travail au sens de l'article 19 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail est fixée à 38 heures.
Art. 9quater.
§ 1er. Les travailleurs visés à l'article 9bis bénéficient au minimum du salaire horaire suivant :
moins d'un an d'ancienneté : 8,32 EUR;
au moins 1 an d'ancienneté : 8,66 EUR;
au moins 2 ans d'ancienneté : 8,77 EUR.
§ 2. L'ancienneté des travailleurs visés à l'article 9bis est calculée depuis le début de l'exécution du premier contrat de travail titres-services avec le même employeur, y compris en ce qui concerne la période d'occupation précédant l'offre d'un contrat à durée indéterminée visé à l'article 7septies, alinéa 2 et 7octies, alinéa 2, de la loi, les périodes entre deux contrats de travail conclus pour une durée déterminée et/ou indéterminée.
Les périodes se situant entre deux contrats de travail conclus pour une durée indéterminée, autres que dans la situation visée à l'alinéa précédent, n'interviennent pas dans le calcul de l'ancienneté.
N'entrent pas en ligne de compte pour le calcul de l'ancienneté les périodes de suspension de l'exécution du contrat de travail non couvertes par une rémunération garantie.
§ 3. L'augmentation salariale entre en vigueur le premier jour du mois qui suit le mois pendant lequel l'ancienneté salariale est acquise.
§ 4. Les salaires sont liés à l'indice des prix à la consommation du mois de juin 2003.
Chaque fois que l'indice des prix atteint l'indice pivot supérieur qui est calculé en multipliant l'indice initial par 1,02, les salaires sont augmentés de 2 %.
L'augmentation des salaires est appliquée à partir du premier jour du deuxième mois qui suit celui dont l'indice atteint le chiffre qui justifie la modification. "
Art. 10. In hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk IIIter ingevoegd, luidende :
" HOOFDSTUK IIIter. - Modaliteiten betreffende de toepassing van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
Art. 9quinquies. De erkende ondernemingen die een arbeidsovereenkomst dienstencheques hebben gesloten met een werknemer staan in voor de naleving van de bepalingen van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan.
De kosten die voortvloeien uit de naleving van de in het eerste lid bedoelde wetgeving zijn ten laste van de erkende ondernemingen.
Zij kunnen ten laste komen van de fondsen voor bestaanszekerheid die opgericht zijn in de sector waartoe de werkgever behoort, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald in een collectieve arbeidsovereenkomst die in een paritair orgaan is gesloten en die door de Koning algemeen verbindend is verklaard. "
" HOOFDSTUK IIIter. - Modaliteiten betreffende de toepassing van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
Art. 9quinquies. De erkende ondernemingen die een arbeidsovereenkomst dienstencheques hebben gesloten met een werknemer staan in voor de naleving van de bepalingen van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan.
De kosten die voortvloeien uit de naleving van de in het eerste lid bedoelde wetgeving zijn ten laste van de erkende ondernemingen.
Zij kunnen ten laste komen van de fondsen voor bestaanszekerheid die opgericht zijn in de sector waartoe de werkgever behoort, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald in een collectieve arbeidsovereenkomst die in een paritair orgaan is gesloten en die door de Koning algemeen verbindend is verklaard. "
Art. 10. Il est inséré dans le même arrêté un chapitre IIIter, rédigé comme suit :
" CHAPITRE IIIter. - Modalités relatives à l'application de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail.
Art. 9quinquies. Les entreprises agréées qui ont conclu un contrat de travail titres-services sont responsables du respect des dispositions de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et de ses arrêtés d'exécution.
Les frais découlant du respect de la législation visée à l'alinéa 1er sont à charge des entreprises agréées.
Ils peuvent être mis à charge des fonds de sécurité d'existence établis dans le secteur dont l'employeur fait partie, sous les conditions et selon les modalités déterminées dans une convention collective de travail conclue au sein d'un organe paritaire et rendue obligatoire par le Roi. "
" CHAPITRE IIIter. - Modalités relatives à l'application de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail.
Art. 9quinquies. Les entreprises agréées qui ont conclu un contrat de travail titres-services sont responsables du respect des dispositions de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et de ses arrêtés d'exécution.
Les frais découlant du respect de la législation visée à l'alinéa 1er sont à charge des entreprises agréées.
Ils peuvent être mis à charge des fonds de sécurité d'existence établis dans le secteur dont l'employeur fait partie, sous les conditions et selon les modalités déterminées dans une convention collective de travail conclue au sein d'un organe paritaire et rendue obligatoire par le Roi. "
Art. 11. In artikel 10 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. Worden belast met het toezicht op het naleven van de wet en zijn uitvoeringsbesluiten :
1° de sociale inspecteurs en de technische experten van de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
2° de sociale inspecteurs en de technische experten van de Sociale Inspectie van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid;
3° de sociale inspecteurs en de technische experten van de Algemene Directie Inspectiediensten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
4° de ambtenaren van de RVA aangesteld overeenkomstig artikel 22 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel.
Deze ambtenaren oefenen hun toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie.
Zij lichten de Commissie in van de vastgestelde anomalieën die een invloed kunnen hebben op de erkenning van de onderneming. "
2° in § 2, eerste lid vervallen de woorden " In dit geval betaalt hij aan de bevoegde overheden het door hen betaalde aandeel terug, verminderd met de helft van de totale invorderingskosten. ".
3° in § 2, eerste lid, 2° worden de woorden " artikel 2, 3° " vervangen door de woorden " artikel 2, § 1, 3° ".
4° § 4 wordt opgeheven.
1° § 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. Worden belast met het toezicht op het naleven van de wet en zijn uitvoeringsbesluiten :
1° de sociale inspecteurs en de technische experten van de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
2° de sociale inspecteurs en de technische experten van de Sociale Inspectie van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid;
3° de sociale inspecteurs en de technische experten van de Algemene Directie Inspectiediensten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
4° de ambtenaren van de RVA aangesteld overeenkomstig artikel 22 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel.
Deze ambtenaren oefenen hun toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie.
Zij lichten de Commissie in van de vastgestelde anomalieën die een invloed kunnen hebben op de erkenning van de onderneming. "
2° in § 2, eerste lid vervallen de woorden " In dit geval betaalt hij aan de bevoegde overheden het door hen betaalde aandeel terug, verminderd met de helft van de totale invorderingskosten. ".
3° in § 2, eerste lid, 2° worden de woorden " artikel 2, 3° " vervangen door de woorden " artikel 2, § 1, 3° ".
4° § 4 wordt opgeheven.
Art. 11. A l'article 10 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1. Sont chargés de la surveillance du respect de la loi et de ses arrêtés d'exécution :
1° les inspecteurs sociaux et les experts techniques de la Direction générale Contrôle des Lois Sociales du Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale;
2° les inspecteurs sociaux et les experts techniques de l'Inspection sociale du Service Public Fédéral Sécurité sociale;
3° les inspecteurs sociaux et les experts techniques de la Direction générale des Services d'Inspection de l'Office National de Sécurité sociale;
4° les fonctionnaires de l'ONEm désignés conformément à l'article 22 de la loi du 14 février 1961 d'expansion économique, de progrès social et de redressement financier.
Ces fonctionnaires exercent leur surveillance conformément aux dispositions de la loi du 16 novembre 1972 concernant l'inspection du travail.
Ils informent la Commission des anomalies constatées qui peuvent influencer l'agrément de l'entreprise. "
2° au § 2, alinéa 1er les mots " Dans ce cas, il rembourse aux autorités compétentes la part payée par ces institutions, diminuée de la moitié du montant total des frais de recouvrement. " sont supprimés.
3° dans le § 2, alinéa 1er, 2° les mots " l'article 2, 3° " sont remplacés par les mots " l'article 2, § 1er, 3° ".
4° le § 4 est abrogé.
1° le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1. Sont chargés de la surveillance du respect de la loi et de ses arrêtés d'exécution :
1° les inspecteurs sociaux et les experts techniques de la Direction générale Contrôle des Lois Sociales du Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale;
2° les inspecteurs sociaux et les experts techniques de l'Inspection sociale du Service Public Fédéral Sécurité sociale;
3° les inspecteurs sociaux et les experts techniques de la Direction générale des Services d'Inspection de l'Office National de Sécurité sociale;
4° les fonctionnaires de l'ONEm désignés conformément à l'article 22 de la loi du 14 février 1961 d'expansion économique, de progrès social et de redressement financier.
Ces fonctionnaires exercent leur surveillance conformément aux dispositions de la loi du 16 novembre 1972 concernant l'inspection du travail.
Ils informent la Commission des anomalies constatées qui peuvent influencer l'agrément de l'entreprise. "
2° au § 2, alinéa 1er les mots " Dans ce cas, il rembourse aux autorités compétentes la part payée par ces institutions, diminuée de la moitié du montant total des frais de recouvrement. " sont supprimés.
3° dans le § 2, alinéa 1er, 2° les mots " l'article 2, 3° " sont remplacés par les mots " l'article 2, § 1er, 3° ".
4° le § 4 est abrogé.
Art. 12. In hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk V ingevoegd, luidende :
" HOOFDSTUK V. - Overgangsbepalingen.
Art. 11bis. In afwijking van artikel 3, § 2 heeft de dienstencheque die aangekocht is vóór 1 november 2003 voor de gebruiker een geldigheidsduur tot en met 30 juni 2004.
Art. 11ter. In afwijking van artikel 8, is het bedrag van de tegemoetkoming gelijk aan 17,36 EUR per dienstencheque aangekocht in 2003.
Art. 11quater. De ondernemingen die door de gefedereerde entiteiten erkend zijn in 2003 voor activiteiten van thuishulp van huishoudelijke aard, blijven hun erkenning als erkende onderneming behouden na 31 december 2003.
Deze ondernemingen moeten vóór 31 maart 2004 een sui generis afdeling oprichten bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, a), van de wet, indien zij een andere activiteit uitvoeren dan de activiteiten in het kader van de regeling dienstencheques. "
" HOOFDSTUK V. - Overgangsbepalingen.
Art. 11bis. In afwijking van artikel 3, § 2 heeft de dienstencheque die aangekocht is vóór 1 november 2003 voor de gebruiker een geldigheidsduur tot en met 30 juni 2004.
Art. 11ter. In afwijking van artikel 8, is het bedrag van de tegemoetkoming gelijk aan 17,36 EUR per dienstencheque aangekocht in 2003.
Art. 11quater. De ondernemingen die door de gefedereerde entiteiten erkend zijn in 2003 voor activiteiten van thuishulp van huishoudelijke aard, blijven hun erkenning als erkende onderneming behouden na 31 december 2003.
Deze ondernemingen moeten vóór 31 maart 2004 een sui generis afdeling oprichten bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, a), van de wet, indien zij een andere activiteit uitvoeren dan de activiteiten in het kader van de regeling dienstencheques. "
Art. 12. Il est inséré dans le même arrêté un chapitre V, rédigé comme suit :
" CHAPITRE V. - Dispositions transitoires.
Art. 11bis. Par dérogation à l'article 3, § 2, le titre-service acheté avant le 1er novembre 2003 a pour l'utilisateur une durée de validité jusqu'au 30 juin 2004 inclus.
Art. 11ter. Par dérogation à l'article 8, le montant de l'intervention est égal à 17,36 EUR par titre-service acheté en 2003.
Art. 11quater. Les entreprises agréées par les entités fédérées en 2003 pour des activités d'aide à domicile de nature ménagère, conservent leur agrément en tant qu'entreprise agréée après le 31 décembre 2003.
Ces entreprises doivent créér avant le 31 mars 2004 une section sui generis visée à l'article 2, § 2, alinéa 1er, a), de la loi, s'ils exercent une autre activité que les activités dans le cadre du dispositif des titres-services. "
" CHAPITRE V. - Dispositions transitoires.
Art. 11bis. Par dérogation à l'article 3, § 2, le titre-service acheté avant le 1er novembre 2003 a pour l'utilisateur une durée de validité jusqu'au 30 juin 2004 inclus.
Art. 11ter. Par dérogation à l'article 8, le montant de l'intervention est égal à 17,36 EUR par titre-service acheté en 2003.
Art. 11quater. Les entreprises agréées par les entités fédérées en 2003 pour des activités d'aide à domicile de nature ménagère, conservent leur agrément en tant qu'entreprise agréée après le 31 décembre 2003.
Ces entreprises doivent créér avant le 31 mars 2004 une section sui generis visée à l'article 2, § 2, alinéa 1er, a), de la loi, s'ils exercent une autre activité que les activités dans le cadre du dispositif des titres-services. "
Art. 13. De bijlage " Model van dienstencheque " bij hetzelfde besluit wordt vervangen door de bijlage van dit besluit.
Art. 13. L'annexe " Modèle du titre-service " du même arrêté est remplacée par l'annexe du présent arrêté.
Art. 14. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2004.
Gegeven te Brussel, 9 januari 2004.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Werk,
F. VANDENBROUCKE
Gegeven te Brussel, 9 januari 2004.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Werk,
F. VANDENBROUCKE
Art. 14. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2004.
Donné à Bruxelles, le 9 janvier 2004.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Emploi,
F. VANDENBROUCKE
Donné à Bruxelles, le 9 janvier 2004.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Emploi,
F. VANDENBROUCKE
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Model van dienstencheque.
(Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 15-01-2004, p. 2192).
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 9 januari 2004.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Werk,
F. VANDENBROUCKE
(Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 15-01-2004, p. 2192).
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 9 januari 2004.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Werk,
F. VANDENBROUCKE
Art. N. Modèle du titre-service.
(Modèle non repris pour des raisons techniques. Voir MB 15-01-2004, p. 2193).
Vu pour être annexé à Notre arrêté du 9 janvier 2001 modifiant l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Emploi,
F. VANDENBROUCKE
(Modèle non repris pour des raisons techniques. Voir MB 15-01-2004, p. 2193).
Vu pour être annexé à Notre arrêté du 9 janvier 2001 modifiant l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Emploi,
F. VANDENBROUCKE