Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
24 DECEMBER 2004. - Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2005. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-12-2004 en tekstbijwerking tot 30-12-2009)
Titre
24 DECEMBRE 2004. - Décret contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2005 (TRADUCTION). (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 31-12-2004 et mise à jour au 30-12-2009)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Algemeen.
HOOFDSTUK II. - Onderwijs.
Afdeling I. - Hogescholen.
Afdeling II. - Vastleggingsmachtigingen.
Afdeling III. - Centra voor Leerlingenbegeleiding.
Afdeling IV. - Volwassenenonderwijs.
Afdeling V. - Universiteiten.
Onderafdeling I. - Financiering.
Onderafdeling II. - Investeringen universiteiten.
Afdeling VI. - Secundair onderwijs - ondersteun...
HOOFDSTUK III. - Sociaal Impulsfonds.
HOOFDSTUK IV. - Toerisme.
HOOFDSTUK V. - Financiën.
Afdeling I. - Vervreemding.
Afdeling II. - Successierechten.
Afdeling III. - Registratierechten op schenking...
Afdeling IV. - Registratierechten op de aankoop...
Onderafdeling I. - Versoepeling abattement.
Onderafdeling II. - Vereenvoudiging meeneembaar...
Afdeling V. - Onroerende voorheffing.
HOOFDSTUK VI. - Leegstand.
HOOFDSTUK VII. - Landbouw.
Afdeling I. - Landbouwinformatienetwerk.
Afdeling II. - Vlaams Landbouwinvesteringsfonds.
Afdeling III. - Vlaams Centrum voor Agro- en Vi...
HOOFDSTUK VIII. - Gemeentefonds en Stedenfonds.
HOOFDSTUK IX. - Vlaams Woningfonds.
HOOFDSTUK X. - Leningsmachtigingen van VOI, EVA...
HOOFDSTUK XI. - Elektriciteitsmarkt.
HOOFDSTUK XII. - Waterzuivering.
HOOFDSTUK XIII. - Reorganisatie Watersector.
Afdeling I. - Wijzigingen aan de wet van 26 maa...
Afdeling II. - Wijzigingen aan het decreet van ...
Afdeling III. - Opheffing van het besluit van d...
Afdeling IV. - Wijzigingen aan het decreet van ...
Afdeling V. - Wijzigingen aan het decreet van 2...
HOOFDSTUK XIV. - Cultuur.
HOOFDSTUK XV. - Sociaal-cultureel vormingswerk.
HOOFDSTUK XVI. - Vlaamse sportfederaties.
HOOFDSTUK XVII. - Economie en Tewerkstelling.
HOOFDSTUK XVIII. - Slotbepalingen.
Inhoud
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
CHAPITRE II. - Enseignement.
Section Ire. - Instituts supérieurs.
Section II. - Autorisations d'engagement.
Section III. - Centres d'encadrement des élèves.
Section IV. - Education des adultes.
Section V. - Universités.
Sous-section Ire. - Financement.
Sous-section II. - Investissements universitaires.
Section VI. - Enseignement secondaire - personn...
CHAPITRE III. - Fonds d'Impulsion sociale.
CHAPITRE IV. - Tourisme.
CHAPITRE V. - Finances.
Section Ire. - Aliénation.
Section II. - Droits de succession.
Section III. - Droits de succession sur les don...
Section IV. - Droits d'enregistrement sur l'acq...
Sous-section Ire. - Assouplissement des abattem...
Sous-section II. - Simplification de la reporta...
Section V. - Précompte immobilier.
CHAPITRE VI. - Bâtiments abandonnés.
CHAPITRE VII. - Agriculture.
Section Ire. - Réseau d'informations agricoles..
Section II. - " Vlaams Landbouwinvesteringsfond...
Section III. - Vlaams Centrum voor Agro- en Vis...
CHAPITRE VIII. - " Gemeentefonds " (Fonds flama...
CHAPITRE IX. - Vlaams Woningfonds (Fonds flaman...
CHAPITRE X. - Autorisations de prêt pour OPF, A...
CHAPITRE XI. - Marché de l'électricité.
CHAPITRE XII. - Epuration des eaux.
CHAPITRE XIII. - Reorganisation du Secteur de l...
Section Ire. - Modifications à la loi du 26 mar...
Section III. - Abrogation de l'arrêté du Gouver...
Section IV. - Modifications au décret du 5 avri...
Section V. - Modifications au décret du 24 mai ...
CHAPITRE XIV. - Culture.
CHAPITRE XV. - Animation socioculturelle.
CHAPITRE XVI. - Fédérations sportives flamandes.
CHAPITRE XVII. - Economie et emploi.
CHAPITRE XVIII. - Dispositions finales.
Tekst (136)
Texte (135)
HOOFDSTUK I. - Algemeen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.
Article 1. Le présent décret règle une matière communautaire et régionale.
HOOFDSTUK II. - Onderwijs.
CHAPITRE II. - Enseignement.
Afdeling I. - Hogescholen.
Section Ire. - Instituts supérieurs.
Art. 2. Aan artikel 196 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap wordt een § 5 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 5. In afwijking van § 3 bedragen de investeringsmiddelen voor het begrotingsjaar 2005 :
1° voor de Vlaamse Autonome hogescholen :
7.561.000 euro;
2° voor de gesubsidieerde officiële hogescholen :
1.315.000 euro;
3° voor de gesubsidieerde vrije hogescholen :
12.222.000 euro. "
" § 5. In afwijking van § 3 bedragen de investeringsmiddelen voor het begrotingsjaar 2005 :
1° voor de Vlaamse Autonome hogescholen :
7.561.000 euro;
2° voor de gesubsidieerde officiële hogescholen :
1.315.000 euro;
3° voor de gesubsidieerde vrije hogescholen :
12.222.000 euro. "
Art. 2. A l'article 196 du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande, il est ajouté un § 5, rédigé comme suit :
" § 5. Par dérogation au § 3, les moyens d'investissement pour l'année budgétaire 2005 s'élèvent à :
1° pour les instituts supérieurs autonomes flamands : 7.561.000 euros;
2° pour les instituts supérieurs officiels subventionnés : 1.315.000 euros;
3° pour les instituts supérieurs libres subventionnés : 12.222.000 euros. "
" § 5. Par dérogation au § 3, les moyens d'investissement pour l'année budgétaire 2005 s'élèvent à :
1° pour les instituts supérieurs autonomes flamands : 7.561.000 euros;
2° pour les instituts supérieurs officiels subventionnés : 1.315.000 euros;
3° pour les instituts supérieurs libres subventionnés : 12.222.000 euros. "
Afdeling II. - Vastleggingsmachtigingen.
Section II. - Autorisations d'engagement.
Art. 3. In het decreet van 21 december 1994 betreffende het onderwijs VI wordt een titel XIIquater, bestaande uit de artikelen 169octies tot en met 169decies toegevoegd, die luidt als volgt :
" TITEL XIIquater. - Middelen voor infrastructuurwerken vanaf 2005.
Art. 169octies. In de begroting van de Vlaamse Gemeenschap worden voor het jaar 2005 de volgende vastleggingsmachtigingen toegekend :
1° aan het Gemeenschapsonderwijs, een bedrag van 31.247.603 euro voor grote en kleine infrastructuurwerken voor het vervullen van de opdrachten, bedoeld in artikelen 23 en 26 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het Gemeenschapsonderwijs en artikel 13, § 2, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;
2° aan de DIGO, een bedrag van 20.740.299 euro voor het gesubsidieerd officieel onderwijs met uitzondering van de gesubsidieerde officiële hogescholen en een bedrag van 87.092.343 euro voor het gesubsidieerd vrij onderwijs met uitzondering van de gesubsidieerde vrije hogescholen voor het vervullen van de opdrachten, bedoeld in artikelen 13, § 2, en 17, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;
3° vanaf het begrotingsjaar 2006 worden deze bedragen aangepast met de voor het begrotingsdecreet gehanteerde aanpassingsfactor voor de investeringssubsidies.
Art. 169novies. In de in artikel 169octies vermelde begroting worden jaarlijks de nodige ordonnanceringskredieten ingeschreven om de verbintenissen na te komen, die door het gemeenschapsonderwijs en de DIGO aangegaan werden op basis van de in dit artikel vermelde vastleggingsmachtigingen.
Dit ordonnanceringskrediet wordt, binnen de beschikbare middelen van de Vlaamse Gemeenschap, vastgesteld aan de hand van de door het Gemeenschapsonderwijs en de DIGO opgemaakte betalingskalender.
Art. 169decies. Deze titel treedt in werking op 1 januari 2005. "
" TITEL XIIquater. - Middelen voor infrastructuurwerken vanaf 2005.
Art. 169octies. In de begroting van de Vlaamse Gemeenschap worden voor het jaar 2005 de volgende vastleggingsmachtigingen toegekend :
1° aan het Gemeenschapsonderwijs, een bedrag van 31.247.603 euro voor grote en kleine infrastructuurwerken voor het vervullen van de opdrachten, bedoeld in artikelen 23 en 26 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het Gemeenschapsonderwijs en artikel 13, § 2, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;
2° aan de DIGO, een bedrag van 20.740.299 euro voor het gesubsidieerd officieel onderwijs met uitzondering van de gesubsidieerde officiële hogescholen en een bedrag van 87.092.343 euro voor het gesubsidieerd vrij onderwijs met uitzondering van de gesubsidieerde vrije hogescholen voor het vervullen van de opdrachten, bedoeld in artikelen 13, § 2, en 17, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;
3° vanaf het begrotingsjaar 2006 worden deze bedragen aangepast met de voor het begrotingsdecreet gehanteerde aanpassingsfactor voor de investeringssubsidies.
Art. 169novies. In de in artikel 169octies vermelde begroting worden jaarlijks de nodige ordonnanceringskredieten ingeschreven om de verbintenissen na te komen, die door het gemeenschapsonderwijs en de DIGO aangegaan werden op basis van de in dit artikel vermelde vastleggingsmachtigingen.
Dit ordonnanceringskrediet wordt, binnen de beschikbare middelen van de Vlaamse Gemeenschap, vastgesteld aan de hand van de door het Gemeenschapsonderwijs en de DIGO opgemaakte betalingskalender.
Art. 169decies. Deze titel treedt in werking op 1 januari 2005. "
Art. 3. Dans le décret du 21 décembre 1994 relatif à l'enseignement VI il est inséré un titre XIIquater, comprenant les articles 169octies à 169decies inclus, rédigés comme suit :
" TITRE XIIquater. - Moyens pour travaux d'infrastructure à partir de 2005.
Art. 169octies. Pour l'année 2005, les autorisations d'engagement suivantes sont accordées au budget de la Communauté flamande :
1° à l'Enseignement communautaire, un montant de 31.247.603 euros à affecter aux petits et gros travaux d'infrastructure pour accomplir les missions visées aux articles 23 et 26 du décret spécial du 14 juillet 1998 relatif à l'enseignement communautaire et à l'article 13, § 2 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement;
2° au DIGO, un montant de 20.740.299 euros pour l'enseignement officiel subventionné à l'exception des instituts supérieurs officiels subventionnés et un montant de 87.092.343 euros pour l'enseignement libre subventionné à l'exception des instituts supérieurs libres subventionnés, pour l'accomplissement des missions visées aux articles 13, § 2, et 17 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement;
3° à partir de l'année budgétaire 2006, ces montants seront adaptés en fonction du paramètre des subventions d'investissement appliqué pour l'établissement du décret budgétaire.
Art. 169novies. Au budget visé à l'article 169octies sont annuellement inscrits les crédits d'ordonnancement nécessaires afin de respecter les engagements conclus par l'enseignement communautaire et le 'DIGO' sur la base des autorisations d'engagement mentionnées audit article.
Dans les limites des moyens disponibles de la Communauté flamande, ce crédit d'ordonnancement est fixé à l'aide du calendrier de paiement établi par l'Enseignement communautaire et le DIGO.
Art. 169decies. Le présent titre entre en vigueur le 1er janvier 2005. "
" TITRE XIIquater. - Moyens pour travaux d'infrastructure à partir de 2005.
Art. 169octies. Pour l'année 2005, les autorisations d'engagement suivantes sont accordées au budget de la Communauté flamande :
1° à l'Enseignement communautaire, un montant de 31.247.603 euros à affecter aux petits et gros travaux d'infrastructure pour accomplir les missions visées aux articles 23 et 26 du décret spécial du 14 juillet 1998 relatif à l'enseignement communautaire et à l'article 13, § 2 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement;
2° au DIGO, un montant de 20.740.299 euros pour l'enseignement officiel subventionné à l'exception des instituts supérieurs officiels subventionnés et un montant de 87.092.343 euros pour l'enseignement libre subventionné à l'exception des instituts supérieurs libres subventionnés, pour l'accomplissement des missions visées aux articles 13, § 2, et 17 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement;
3° à partir de l'année budgétaire 2006, ces montants seront adaptés en fonction du paramètre des subventions d'investissement appliqué pour l'établissement du décret budgétaire.
Art. 169novies. Au budget visé à l'article 169octies sont annuellement inscrits les crédits d'ordonnancement nécessaires afin de respecter les engagements conclus par l'enseignement communautaire et le 'DIGO' sur la base des autorisations d'engagement mentionnées audit article.
Dans les limites des moyens disponibles de la Communauté flamande, ce crédit d'ordonnancement est fixé à l'aide du calendrier de paiement établi par l'Enseignement communautaire et le DIGO.
Art. 169decies. Le présent titre entre en vigueur le 1er janvier 2005. "
Afdeling III. - Centra voor Leerlingenbegeleiding.
Section III. - Centres d'encadrement des élèves.
Art. 4. In artikel 53 van het decreet van 1 december 1998. betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1 wordt vervangen door wat volgt :
" § 1. Het werkingsbudget van de gefinancierde en de gesubsidieerde centra wordt vastgesteld op 14.150.000 euro. Dit bedrag wordt als volgt verdeeld :
1° voor de permanente ondersteuning : 2.655 euro per omkaderingsgewicht per jaar;
2° voor de extra-omkaderingsgewichten : 2.655 euro per omkaderingsgewicht per jaar;
3° voor de boventallige klerken bedoeld in artikel 187 : 2.655 euro per omkaderingsgewicht per jaar;
4° voor de lineaire omkaderingsgewichten : het totaal bedrag verminderd met de som van de bedragen vermeld in de punten 1 tot en met 3, evenredig te verdelen per lineair omkaderingsgewicht. "
2° in § 2 worden de woorden " voor de tijdelijke stuurgroep, " geschrapt en worden de woorden " begrotingsjaar 1998 " telkens vervangen door de woorden " begrotingsjaar 2005 ".
1° § 1 wordt vervangen door wat volgt :
" § 1. Het werkingsbudget van de gefinancierde en de gesubsidieerde centra wordt vastgesteld op 14.150.000 euro. Dit bedrag wordt als volgt verdeeld :
1° voor de permanente ondersteuning : 2.655 euro per omkaderingsgewicht per jaar;
2° voor de extra-omkaderingsgewichten : 2.655 euro per omkaderingsgewicht per jaar;
3° voor de boventallige klerken bedoeld in artikel 187 : 2.655 euro per omkaderingsgewicht per jaar;
4° voor de lineaire omkaderingsgewichten : het totaal bedrag verminderd met de som van de bedragen vermeld in de punten 1 tot en met 3, evenredig te verdelen per lineair omkaderingsgewicht. "
2° in § 2 worden de woorden " voor de tijdelijke stuurgroep, " geschrapt en worden de woorden " begrotingsjaar 1998 " telkens vervangen door de woorden " begrotingsjaar 2005 ".
Art. 4. A l'article 53 du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves sont apportées les modifications suivantes :
(NOTE JUSTEL : la mention de l'intitulé du décret du 1er décembre 1998 est modifié par le service Justel, voir texte néerlandais)
1° Le § 1er est remplacé par les dispositions suivantes :
" § 1er. Le budget de fonctionnement des centres financés et subventionnés est fixé à 14.150.000 euros. Ce montant est réparti comme suit :
1° pour l'encadrement permanent : 2.655 euros par pondération d'encadrement par année;
2° pour les pondérations d'encadrement supplémentaires : 2.655 euros par pondération d'encadrement par année;
3° pour les commis en surnombre visés à l'article 187 : 2.655 euros par pondération d'encadrement par année;
4° pour les pondérations d'encadrement linéaires : le montant total diminué de la somme des montants visés aux points 1er à 3 inclus, à répartir proportionnellement par pondération d'encadrement linéaire. "
2° au § 2, les mots " au comité directeur temporaire " sont supprimés et les mots " l'année budgétaire 1998 " sont chaque fois remplacés par les mots " l'année budgétaire 2005 ".
(NOTE JUSTEL : la mention de l'intitulé du décret du 1er décembre 1998 est modifié par le service Justel, voir texte néerlandais)
1° Le § 1er est remplacé par les dispositions suivantes :
" § 1er. Le budget de fonctionnement des centres financés et subventionnés est fixé à 14.150.000 euros. Ce montant est réparti comme suit :
1° pour l'encadrement permanent : 2.655 euros par pondération d'encadrement par année;
2° pour les pondérations d'encadrement supplémentaires : 2.655 euros par pondération d'encadrement par année;
3° pour les commis en surnombre visés à l'article 187 : 2.655 euros par pondération d'encadrement par année;
4° pour les pondérations d'encadrement linéaires : le montant total diminué de la somme des montants visés aux points 1er à 3 inclus, à répartir proportionnellement par pondération d'encadrement linéaire. "
2° au § 2, les mots " au comité directeur temporaire " sont supprimés et les mots " l'année budgétaire 1998 " sont chaque fois remplacés par les mots " l'année budgétaire 2005 ".
Afdeling IV. - Volwassenenonderwijs.
Section IV. - Education des adultes.
Art. 5. Artikel 48 van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs, vervangen bij het decreet van 7 mei 2004, wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 48. § 1. De Vlaamse Regering bepaalt per Centrum voor Volwassenenonderwijs (CVO) en per studiegebied of per categorie een historisch referentiecijfer dat wordt vastgesteld op basis van het gewogen gemiddelde van het aantal gefinancierde of gesubsidieerde leraarsuren van de schooljaren 2002-2003, 2003-2004 en 2004-2005. Bij dit gewogen gemiddelde tellen de betrokken schooljaren als volgt mee :
1° het schooljaar 2002-2003 voor 0,3;
2° het schooljaar 2003-2004 voor 0,7;
3° het schooljaar 2004-2005 voor 2.
Indien het aantal gefinancierde of gesubsidieerde leraarsuren tijdens het laatste refertejaar, zijnde het schooljaar 2004-2005, gelijk is aan 0, dan bedraagt ook het historische referentiecijfer 0.
Indien het totaal van het aantal leraarsuren van het CVO, berekend op basis van het eerste lid, groter is dan het totaal van het schooljaar 2004-2005, dan wordt dit totaal herleid tot het aantal leraarsuren van het schooljaar 2004-2005.
Indien het totaal van het aantal leraarsuren van het CVO, berekend op basis van het eerste lid kleiner is dan het totaal van het schooljaar 2004-2005, dan wordt het verlies aan toegekende leraarsuren beperkt tot een door de regering vast te stellen percentage.
§ 2. Het aantal gefinancierde of gesubsidieerde leraarsuren voor het schooljaar 2005-2006 wordt forfaitair vastgelegd en bedraagt het historisch referentiecijfer, bedoeld in § 1.
§ 3. Voor het schooljaar 2005-2006 wordt maximaal hetzelfde volume ambten van het bestuurs- en ondersteunend personeel en gefinancierd of gesubsidieerd als toegekend in de respectieve ambten tijdens het schooljaar 2004-2005.
Tijdens het schooljaar 2005-2006 wordt dezelfde puntenenveloppe toegekend als tijdens het schooljaar 2004-2005. "
" Artikel 48. § 1. De Vlaamse Regering bepaalt per Centrum voor Volwassenenonderwijs (CVO) en per studiegebied of per categorie een historisch referentiecijfer dat wordt vastgesteld op basis van het gewogen gemiddelde van het aantal gefinancierde of gesubsidieerde leraarsuren van de schooljaren 2002-2003, 2003-2004 en 2004-2005. Bij dit gewogen gemiddelde tellen de betrokken schooljaren als volgt mee :
1° het schooljaar 2002-2003 voor 0,3;
2° het schooljaar 2003-2004 voor 0,7;
3° het schooljaar 2004-2005 voor 2.
Indien het aantal gefinancierde of gesubsidieerde leraarsuren tijdens het laatste refertejaar, zijnde het schooljaar 2004-2005, gelijk is aan 0, dan bedraagt ook het historische referentiecijfer 0.
Indien het totaal van het aantal leraarsuren van het CVO, berekend op basis van het eerste lid, groter is dan het totaal van het schooljaar 2004-2005, dan wordt dit totaal herleid tot het aantal leraarsuren van het schooljaar 2004-2005.
Indien het totaal van het aantal leraarsuren van het CVO, berekend op basis van het eerste lid kleiner is dan het totaal van het schooljaar 2004-2005, dan wordt het verlies aan toegekende leraarsuren beperkt tot een door de regering vast te stellen percentage.
§ 2. Het aantal gefinancierde of gesubsidieerde leraarsuren voor het schooljaar 2005-2006 wordt forfaitair vastgelegd en bedraagt het historisch referentiecijfer, bedoeld in § 1.
§ 3. Voor het schooljaar 2005-2006 wordt maximaal hetzelfde volume ambten van het bestuurs- en ondersteunend personeel en gefinancierd of gesubsidieerd als toegekend in de respectieve ambten tijdens het schooljaar 2004-2005.
Tijdens het schooljaar 2005-2006 wordt dezelfde puntenenveloppe toegekend als tijdens het schooljaar 2004-2005. "
Art. 5. L'article 48 du décret du 2 mars 1999 réglant certaines matières relatives à l'éducation des adultes, remplacé par le décret du 7 mai 2004, est remplacé par les dispositions suivantes :
" Article 48, § 1er. Le Gouvernement flamand fixe, par Centre d'éducation des adultes (CVO) et par discipline ou par catégorie, un chiffre de référence historique établi sur la base de la moyenne pondérée du nombre de périodes/enseignant financées ou subventionnées des années scolaires 2002-2003, 2003-2004 et 2004-2005. Pour cette moyenne pondérée, les années scolaires concernées sont comptées comme suit :
1° l'année scolaire 2002-2003 pour 0,3;
2° l'année scolaire 2003-2004 pour 0,7;
3° l'année scolaire 2004-2005 pour 2.
Si pendant la dernière année de référence, à savoir l'année scolaire 2004-2005, le nombre de périodes/enseignant financées ou subventionnées égale 0, le chiffre de référence historique est également 0.
Si le nombre total de périodes/enseignant du Centre d'éducation des adultes, calculé au vu du premier paragraphe, est supérieur au total de l'année scolaire 2004-2005, ce total est réduit au nombre de périodes/enseignant de l'année scolaire 2004-2005.
Si le nombre total de périodes/enseignant du Centre d'éducation des adultes, calculé au vu du premier paragraphe, est inférieur au total de l'année scolaire 2004-2005, la perte de périodes/enseignant est limitée à un pourcentage à fixer par le Gouvernement.
§ 2. Le nombre de périodes/enseignant financées ou subventionnées pour l'année scolaire 2005-2006 est fixé forfaitairement et s'élève au chiffre de référence historique visé au § 1er.
§ 3. Pour l'année scolaire 2005-2006, au maximum le même volume de fonctions du personnel administratif et du personnel d'appui est financé ou subventionné qu'attribué dans les fonctions respectives pendant l'année scolaire 2004-2005.
Pendant l'année scolaire 2005-2006, la même enveloppe de points est accordée que pendant l'année scolaire 2004-2005. "
" Article 48, § 1er. Le Gouvernement flamand fixe, par Centre d'éducation des adultes (CVO) et par discipline ou par catégorie, un chiffre de référence historique établi sur la base de la moyenne pondérée du nombre de périodes/enseignant financées ou subventionnées des années scolaires 2002-2003, 2003-2004 et 2004-2005. Pour cette moyenne pondérée, les années scolaires concernées sont comptées comme suit :
1° l'année scolaire 2002-2003 pour 0,3;
2° l'année scolaire 2003-2004 pour 0,7;
3° l'année scolaire 2004-2005 pour 2.
Si pendant la dernière année de référence, à savoir l'année scolaire 2004-2005, le nombre de périodes/enseignant financées ou subventionnées égale 0, le chiffre de référence historique est également 0.
Si le nombre total de périodes/enseignant du Centre d'éducation des adultes, calculé au vu du premier paragraphe, est supérieur au total de l'année scolaire 2004-2005, ce total est réduit au nombre de périodes/enseignant de l'année scolaire 2004-2005.
Si le nombre total de périodes/enseignant du Centre d'éducation des adultes, calculé au vu du premier paragraphe, est inférieur au total de l'année scolaire 2004-2005, la perte de périodes/enseignant est limitée à un pourcentage à fixer par le Gouvernement.
§ 2. Le nombre de périodes/enseignant financées ou subventionnées pour l'année scolaire 2005-2006 est fixé forfaitairement et s'élève au chiffre de référence historique visé au § 1er.
§ 3. Pour l'année scolaire 2005-2006, au maximum le même volume de fonctions du personnel administratif et du personnel d'appui est financé ou subventionné qu'attribué dans les fonctions respectives pendant l'année scolaire 2004-2005.
Pendant l'année scolaire 2005-2006, la même enveloppe de points est accordée que pendant l'année scolaire 2004-2005. "
Art. 6. In artikel 55, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 14 februari 2003, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
" De ambten van het bestuurs- en ondersteunend personeel worden ten minste per tiende van een eenheid gefinancierd of gesubsidieerd. "
" De ambten van het bestuurs- en ondersteunend personeel worden ten minste per tiende van een eenheid gefinancierd of gesubsidieerd. "
Art. 6. Dans l'article 55, § 2 du même décret, modifié par le décret du 14 février 2003, le deuxième alinéa est remplacé par la disposition suivante :
" Les fonctions des personnels directeurs et des personnels d'appui sont financées ou subventionnées au moins par dixième d'une unité. "
" Les fonctions des personnels directeurs et des personnels d'appui sont financées ou subventionnées au moins par dixième d'une unité. "
Afdeling V. - Universiteiten.
Section V. - Universités.
Onderafdeling I. - Financiering.
Sous-section Ire. - Financement.
Art. 7. Artikel 136, § 2, 2°, van het decreet van 12 juni 1991. betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, ingevoegd bij het decreet van 7 december 2001, vervangen bij decreet van 4 april 2003 en gewijzigd bij decreet van 19 december 2003, wordt vervangen door wat volgt :
" 2° De Vlaamse universiteiten ontvangen voor de jaren 2002, 2003, 2004, 2005 en 2006 de volgende aanvullende wettelijke en conventionele werkgeversbijdragen, uitgedrukt in duizend euro :
" 2° De Vlaamse universiteiten ontvangen voor de jaren 2002, 2003, 2004, 2005 en 2006 de volgende aanvullende wettelijke en conventionele werkgeversbijdragen, uitgedrukt in duizend euro :
Art. 7. L'article 136, § 2, 2°, du décret du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande, inséré par le décret du 7 décembre 2001, remplacé par le décret du 4 avril 2003 et modifié par le décret du 19 décembre 2003, est remplacé par la disposition suivante :
2° Pour les années 2002, 2003, 2004, 2005 et 2006, les universités flamandes reçoivent les suivantes cotisations patronales légales et conventionnelles complémentaires, exprimées en milliers d'euros :
2° Pour les années 2002, 2003, 2004, 2005 et 2006, les universités flamandes reçoivent les suivantes cotisations patronales légales et conventionnelles complémentaires, exprimées en milliers d'euros :
2002 2003 2004 2005 2006
- - - - -
1. Katholieke Universiteit Leuven 1.768 2.596 3.109 3.109 3.109
2. Vrije Universiteit Brussel 536 764 840 840 840
3. Universiteit Antwerpen 134 185 292 292 292
4. Limburgs Universitair Centrum 10 20 32 32 32
5. Katholieke Universiteit Brussel 35 58 63 63 63 "
- - - - -
1. Katholieke Universiteit Leuven 1.768 2.596 3.109 3.109 3.109
2. Vrije Universiteit Brussel 536 764 840 840 840
3. Universiteit Antwerpen 134 185 292 292 292
4. Limburgs Universitair Centrum 10 20 32 32 32
5. Katholieke Universiteit Brussel 35 58 63 63 63 "
2002 2003 2004 2005 2006
- - - - -
1. Katholieke Universiteit Leuven 1.768 2.596 3.109 3.109 3.109
2. Vrije Universiteit Brussel 536 764 840 840 840
3. Universiteit Antwerpen 134 185 292 292 292
4. Limburgs Universitair Centrum 10 20 32 32 32
5. Katholieke Universiteit Brussel 35 58 63 63 63 "
- - - - -
1. Katholieke Universiteit Leuven 1.768 2.596 3.109 3.109 3.109
2. Vrije Universiteit Brussel 536 764 840 840 840
3. Universiteit Antwerpen 134 185 292 292 292
4. Limburgs Universitair Centrum 10 20 32 32 32
5. Katholieke Universiteit Brussel 35 58 63 63 63 "
Onderafdeling II. - Investeringen universiteiten.
Sous-section II. - Investissements universitaires.
Art. 8. In artikel 140, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 december 2001 en gewijzigd bij het decreet van 4 april 2003 en het decreet van 19 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in 2° worden de woorden ", 2005 " geschrapt;
2° er wordt een 4° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 4° Voor het begrotingsjaar 2005 bedraagt het basisbedrag van de investeringskredieten voor de Universiteiten, uitgedrukt in duizend euro :
1. Katholieke Universiteit Leuven : 8.510;
2. Vrije Universiteit Brussel : 2.798;
3. Universiteit Antwerpen : 2.513;
4. Limburgs Universitair Centrum : 547;
5. Katholieke Universiteit Brussel : 130;
6. Universiteit Gent : 5.930.
Deze basisbedragen (prijsniveau 2001) worden geïndexeerd zoals vermeld in § 2. "
1° in 2° worden de woorden ", 2005 " geschrapt;
2° er wordt een 4° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 4° Voor het begrotingsjaar 2005 bedraagt het basisbedrag van de investeringskredieten voor de Universiteiten, uitgedrukt in duizend euro :
1. Katholieke Universiteit Leuven : 8.510;
2. Vrije Universiteit Brussel : 2.798;
3. Universiteit Antwerpen : 2.513;
4. Limburgs Universitair Centrum : 547;
5. Katholieke Universiteit Brussel : 130;
6. Universiteit Gent : 5.930.
Deze basisbedragen (prijsniveau 2001) worden geïndexeerd zoals vermeld in § 2. "
Art. 8. A l'article 140, § 1er du même décret, inséré par le décret du 7 décembre 2001 et modifié par les décrets des 4 avril 2003 et 19 décembre 2003 sont apportées les modifications suivantes :
1° au point 2°, les mots ", 2005 " sont supprimés;
2° il est ajouté un point 4°, rédigé comme suit :
" 4° Le montant de base des crédits d'investissement des universités, exprimé en milliers d'euros est fixé comme suit pour l'année budgétaire 2005 :
1. Katholieke Universiteit Leuven : 8.510;
2. Vrije Universiteit Brussel : 2.798;
3. Universiteit Antwerpen : 2.513;
4. Limburgs Universitair Centrum : 547;
5. Katholieke Universiteit Brussel : 130;
6. Universiteit Gent : 5.930.
Ces montants de base (niveau des prix 2001) sont indexés conformément au § 2. "
1° au point 2°, les mots ", 2005 " sont supprimés;
2° il est ajouté un point 4°, rédigé comme suit :
" 4° Le montant de base des crédits d'investissement des universités, exprimé en milliers d'euros est fixé comme suit pour l'année budgétaire 2005 :
1. Katholieke Universiteit Leuven : 8.510;
2. Vrije Universiteit Brussel : 2.798;
3. Universiteit Antwerpen : 2.513;
4. Limburgs Universitair Centrum : 547;
5. Katholieke Universiteit Brussel : 130;
6. Universiteit Gent : 5.930.
Ces montants de base (niveau des prix 2001) sont indexés conformément au § 2. "
Afdeling VI. - Secundair onderwijs - ondersteunend personeel.
Section VI. - Enseignement secondaire - personnel d'appui.
Art. 9. Aan artikel 96 van het decreet van 14 juli 1998. houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, vervangen bij het decreet van 14 februari 2003, wordt een § 6 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 6. De Vlaamse Regering kan op basis van haar budgettaire mogelijkheden de coëfficiënten, bepaald in §§ 2 en 3, wijzigen. "
" § 6. De Vlaamse Regering kan op basis van haar budgettaire mogelijkheden de coëfficiënten, bepaald in §§ 2 en 3, wijzigen. "
Art. 9. A l'article 96 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, remplacé par le décret du 14 février 2003, il est ajouté un § 6, rédigé comme suit :
" § 6. Le Gouvernement flamand peut, sur la base de ses possibilités budgétaires, modifier les coefficients fixés aux §§ 2 et 3. "
" § 6. Le Gouvernement flamand peut, sur la base de ses possibilités budgétaires, modifier les coefficients fixés aux §§ 2 et 3. "
HOOFDSTUK III. - Sociaal Impulsfonds.
CHAPITRE III. - Fonds d'Impulsion sociale.
Art. 10. De niet-aangewende middelen uitbetaald in het kader van de afgesloten beleidsovereenkomsten met de gemeenten en de Vlaamse Gemeenschapscommissie op basis van het decreet van 14 mei 1996 tot vaststelling van de regelen inzake de werking en de verdeling van het Sociaal Impulsfonds, zoals gewijzigd, worden teruggevorderd in zoverre de resultaten niet werden behaald.
Art. 10. Les fonds non affectés versés dans le cadre des contrats de gestion conclus avec les communes et la commission communautaire flamande en vertu du décret du 14 mai 1996 réglementant le fonctionnement et la répartition du Fonds d'impulsion sociale, tel que modifié, sont recouvrés dans la mesure où les résultats n'ont pas été atteints.
HOOFDSTUK IV. - Toerisme.
CHAPITRE IV. - Tourisme.
Art. 11. In artikel 24 van het decreet van 30 juni 2000 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2000 wordt het jaartal " 2004 " vervangen door het jaartal " 2009 ".
Art. 11. Dans l'article 24 du décret du 30 juin 2000 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2000, l'année " 2004 " est remplacée par l'année " 2009 ".
HOOFDSTUK V. - Financiën.
CHAPITRE V. - Finances.
Afdeling I. - Vervreemding.
Section Ire. - Aliénation.
Art. 12. In artikel 90 van het Bosdecreet van 13 juni 1990, wordt het eerste lid opgeheven en worden in het tweede lid de woorden " alle andere " geschrapt.
Art. 12. A l'article 90 du Décret forestier du 13 juin 1990, l'alinéa premier est abrogé et à l'alinéa deux, les mots " tout autre " sont supprimés.
Afdeling II. - Successierechten.
Section II. - Droits de succession.
Art. 13. Artikel 4 van het wetboek der successierechten wordt aangevuld met een 3°, dat luidt als volgt :
" 3° alle schenkingen onder de levenden van roerende goederen die de overledene heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker. "
" 3° alle schenkingen onder de levenden van roerende goederen die de overledene heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker. "
Art. 13. L'article 4 du Code des droits de succession est complété par un 3°, rédigé comme suit :
" 3° toutes donations entre vifs de biens immeubles faites par le défunt sous la condition suspensive remplie à la suite du décès du donateur. "
" 3° toutes donations entre vifs de biens immeubles faites par le défunt sous la condition suspensive remplie à la suite du décès du donateur. "
Art. 14. In het wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten wordt aan artikel 131, § 2, de volgende alinea toegevoegd :
" Dit tarief is evenwel niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld krachtens artikel 4, 3°, van het wetboek der successierechten. "
" Dit tarief is evenwel niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld krachtens artikel 4, 3°, van het wetboek der successierechten. "
Art. 14. Dans le code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, il est ajouté au § 2 de l'article 131, l'alinéa suivant :
" Toutefois, ce tarif n'est pas applicable aux donations entre vifs de biens immeubles assimilées aux legs en vertu de l'article 4, 3° du code des droits de succession. "
" Toutefois, ce tarif n'est pas applicable aux donations entre vifs de biens immeubles assimilées aux legs en vertu de l'article 4, 3° du code des droits de succession. "
Afdeling III. - Registratierechten op schenking van bouwgronden.
Section III. - Droits de succession sur les donations de parcelles de terrain destinées à la construction d'habitations.
Art. 15. In artikel 140nonies van het wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, worden in het punt b), de woorden " in tabel II van artikel 131 ", vervangen door de woorden " in tabel II, tabel III. of tabel IV van artikel 131, § 1, naargelang van het geval. "
Art. 15. Dans l'article 140nonies du code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, au point b), les mots " dans le tableau II de l'article 131 " sont remplacés par les mots " dans le tableau II, le tableau III ou le tableau IV de l'article 131, § 1er, selon le cas, ".
Afdeling IV. - Registratierechten op de aankoop van onroerende goederen.
Section IV. - Droits d'enregistrement sur l'acquisition de biens immeubles.
Onderafdeling I. - Versoepeling abattement.
Sous-section Ire. - Assouplissement des abattements.
Art. 16. In het derde lid, 2°, c), van artikel 46bis van hetzelfde wetboek wordt het woord " drie " vervangen door het woord " vijf ".
Art. 16. A l'alinéa trois, 2°, c) de l'article 46bis du même code, le mot " trois " est remplacé par le mot " cinq ".
Onderafdeling II. - Vereenvoudiging meeneembaarheid.
Sous-section II. - Simplification de la reportabilité.
Art. 17. In artikel 61/3 van het wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, worden in het eerste lid de woorden " van de datum van de authentieke akte van de zuivere wederverkoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend " vervangen door de woorden " van de datum van de registratie van het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredige recht op hetzij de zuivere wederverkoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend, hetzij de verdeling van die woning waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan ".
Art. 17. A l'article 61/3 du code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, à l'alinéa premier, les mots " de la date de l'acte authentique de la revente pure de l'habitation affectée antérieurement à sa résidence principale " sont remplacés par les mots " de la date de l'enregistrement du document ayant donné lieu à l'établissement du droit proportionnel soit sur la revente pure de l'habitation affectée antérieurement à sa résidence principale, soit le partage de cette habitation, la personne physique ayant cédé tous ses droits ".
Art. 18. In hetzelfde artikel wordt het tweede lid aangevuld door wat volgt :
" Aanvullende rechten die voor om het even welke reden op een aankoop werden geheven zijn eveneens van de verrekening uitgesloten. "
" Aanvullende rechten die voor om het even welke reden op een aankoop werden geheven zijn eveneens van de verrekening uitgesloten. "
Art. 18. Dans le même article, l'alinéa deux est complété par ce qui suit :
" Sont également exclus de l'imputation les droits complémentaires dus sur une acquisition pour quelque raison que ce soit. "
" Sont également exclus de l'imputation les droits complémentaires dus sur une acquisition pour quelque raison que ce soit. "
Art. 19. In artikel 61/4 van hetzelfde wetboek worden in het eerste lid, 2°, na de woorden " van de verkochte " de woorden " of verdeelde " ingevoegd.
Art. 19. A l'article 61/4 du même code, à l'alinéa premier, 2°, les mots " ou partagée " sont insérés après les mots "habitation vendue ".
Art. 20. In hetzelfde artikel 61/4 wordt in het eerste lid het 3°, a) vervangen door wat volgt :
" a) dat hij op enig ogenblik in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de verkoop of verdeling, zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de verkochte of verdeelde woning ".
" a) dat hij op enig ogenblik in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de verkoop of verdeling, zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de verkochte of verdeelde woning ".
Art. 20. Dans le même article 61/4, à l'alinéa premier, le point 3°, a) est remplacé par ce qui suit :
" a) que l'habitation vendue ou partagée lui a servi de résidence principale à un moment quelconque de la période de dix-huit mois précédant la vente ou le partage. "
" a) que l'habitation vendue ou partagée lui a servi de résidence principale à un moment quelconque de la période de dix-huit mois précédant la vente ou le partage. "
Art. 21. In hetzelfde artikel 61/4 worden in het eerste lid onder 3°, b), vierde streep, de woorden " indien het een bouwgrond betreft, binnen drie jaar na dezelfde datum " vervangen door de woorden " indien het een bouwgrond betreft, binnen vijf jaar na dezelfde datum ".
Art. 21. Dans le même article 61/4, à l'alinéa premier, point 3°, b), quatrième tiret, les mots " s'il s'agit d'un terrain à bâtir, dans les trois ans de la même date " sont remplacés par les mots " s'il s'agit d'un terrain à bâtir, dans les cinq ans de la même date ".
Art. 22. In artikel 212bis van hetzelfde wetboek wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
" In geval van zuivere verkoop door een natuurlijke persoon van een woning waarin hij op enig ogenblik zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de zuivere aankoop van het onroerend goed dat hij als zijn nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt, en in geval van verdeling van een dergelijke woning waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan, wordt zijn wettelijk aandeel in de rechten die overeenkomstig de artikelen 44, 53, 2°, of 57, verschuldigd waren op de aankoop van de verkochte of verdeelde woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, teruggegeven mits de verkoop of de verdeling vaste datum heeft gekregen uiterlijk twee jaar, of vijf jaar in geval van aankoop van een bouwgrond, na de datum van de authentieke akte van de nieuwe aankoop. "
" In geval van zuivere verkoop door een natuurlijke persoon van een woning waarin hij op enig ogenblik zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de zuivere aankoop van het onroerend goed dat hij als zijn nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt, en in geval van verdeling van een dergelijke woning waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan, wordt zijn wettelijk aandeel in de rechten die overeenkomstig de artikelen 44, 53, 2°, of 57, verschuldigd waren op de aankoop van de verkochte of verdeelde woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, teruggegeven mits de verkoop of de verdeling vaste datum heeft gekregen uiterlijk twee jaar, of vijf jaar in geval van aankoop van een bouwgrond, na de datum van de authentieke akte van de nieuwe aankoop. "
Art. 22. A l'article 212bis du même code, le premier alinéa est remplacé par la disposition suivante :
" En cas de vente pure par une personne physique d'une habitation affectée par elle comme résidence principale à un moment quelconque dans la période de dix-huit mois précédant l'acquisition pure de l'immeuble affecté ou destiné par lui comme nouvelle résidence principale, et en cas de partage de telle habitation, la personne physique ayant cédé tous ses droits, sa part légale dans les droits dus conformément aux articles 44, 53, 2°, ou 57 sur l'acquisition de l'habitation vendue ou partagée ou du terrain à bâtir sur lequel cette habitation est construite, est restituée pour autant que la vente ou le partage ait obtenu date certaine au plus tard dans les deux ans, ou dans les cinq ans en cas d'acquisition d'un terrain à bâtir, à compter de la date de l'acte authentique de la nouvelle acquisition. "
" En cas de vente pure par une personne physique d'une habitation affectée par elle comme résidence principale à un moment quelconque dans la période de dix-huit mois précédant l'acquisition pure de l'immeuble affecté ou destiné par lui comme nouvelle résidence principale, et en cas de partage de telle habitation, la personne physique ayant cédé tous ses droits, sa part légale dans les droits dus conformément aux articles 44, 53, 2°, ou 57 sur l'acquisition de l'habitation vendue ou partagée ou du terrain à bâtir sur lequel cette habitation est construite, est restituée pour autant que la vente ou le partage ait obtenu date certaine au plus tard dans les deux ans, ou dans les cinq ans en cas d'acquisition d'un terrain à bâtir, à compter de la date de l'acte authentique de la nouvelle acquisition. "
Art. 23. In hetzelfde artikel 212bis wordt het tweede lid aangevuld met wat volgt :
" Aanvullende rechten die voor om het even welke reden op een aankoop werden geheven zijn eveneens van de teruggave uitgesloten. "
" Aanvullende rechten die voor om het even welke reden op een aankoop werden geheven zijn eveneens van de teruggave uitgesloten. "
Art. 23. Dans le même article 212bis, l'alinéa deux est complété par la disposition suivante :
" Sont également exclus de la restitution les droits complémentaires dus sur une acquisition pour quelque raison que ce soit. "
" Sont également exclus de la restitution les droits complémentaires dus sur une acquisition pour quelque raison que ce soit. "
Art. 24. In hetzelfde artikel wordt onder 1° van het zesde lid na de woorden " het evenredige recht op de verkoop " de woorden " of de verdeling " ingevoegd.
Art. 24. Au même article, sous le point 1° de l'alinéa six, les mots " ou du partage " sont insérés après les mots " droit d'enregistrement proportionnel de la vente ".
Art. 25. In hetzelfde artikel wordt onder 2°, a), van het zesde lid, na de woorden " op de aankoop van de verkochte " de woorden " of verdeelde " ingevoegd.
Art. 25. Au même article, sous le point 2°, a) de l'alinéa six, les mots " ou partagée " sont insérés après les mots " de l'acquisition de l'habitation vendue ".
Art. 26. In hetzelfde artikel wordt 3°, a), van het zesde lid vervangen door wat volgt :
" a) dat hij op enig ogenblik in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de aankoop van de woning die hij tot zijn nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt, zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de wederverkochte of verdeelde woning. "
" a) dat hij op enig ogenblik in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de aankoop van de woning die hij tot zijn nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt, zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de wederverkochte of verdeelde woning. "
Art. 26. Au même article, le point 3°, a) de l'alinéa six est remplacé par la disposition suivante :
" a) que l'habitation revendue ou partagée lui a servi de résidence principale à un moment quelconque de la période de dix-huit mois précédant l'acquisition de l'habitation affectée ou destinée par lui comme nouvelle résidence principale. "
" a) que l'habitation revendue ou partagée lui a servi de résidence principale à un moment quelconque de la période de dix-huit mois précédant l'acquisition de l'habitation affectée ou destinée par lui comme nouvelle résidence principale. "
Art. 27. In hetzelfde artikel wordt onder 3°, b), vierde streep, van het zesde lid, de woorden " indien het een bouwgrond betreft, binnen drie jaar na dezelfde datum " vervangen door de woorden " indien het een bouwgrond betreft, binnen vijf jaar na dezelfde datum ".
Art. 27. Dans le même article, sous le point 3°, b), quatrième tiret, de l'alinéa six, les mots " s'il s'agit d'un terrain à bâtir, dans les trois ans de la même date " sont remplacés par les mots " s'il s'agit d'un terrain à bâtir, dans les cinq ans de la même date ".
Art. 28. In het tweede lid van artikel 212ter van hetzelfde wetboek worden de woorden " van het evenredige recht op de aankoop of de verkoop " vervangen door de woorden " van het evenredige recht op de aankoop, de verkoop, of de verdeling ".
Art. 28. Dans l'alinéa deux de l'article 212ter du même code, les mots " du droit d'enregistrement proportionnel de l'acquisition ou de la vente " sont remplacés par les mots " du droit d'enregistrement proportionnel de l'acquisition, de la vente ou du partage.
Art. 29. In het derde lid van artikel 212ter wordt na de woorden artikel 61/4, eerste lid, de woorden " 2° en 3°, " ingevoegd.
Art. 29. Dans l'alinéa trois de l'article 212ter, les mots " 2° et 3° ", " sont insérés après les mots " article 6/14 ".
Afdeling V. - Onroerende voorheffing.
Section V. - Précompte immobilier.
Art. 30. In artikel 376, § 3, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden, voor wat het Vlaamse Gewest betreft, de woorden " en 257 " vervangen door de woorden " en artikel 257, § 1, 1° tot 3°, en § 2, 1°, 2° en 4° ".
Art. 30. Dans l'article 376, § 3, 2°, du Code des impôts sur les revenus 1992, les mots " et 257 " sont remplacés par les mots " et l'article 257, § 1er, 1° à 3° et § 2, 1°, 2° et 4° ", en ce qui concerne la Région flamande.
HOOFDSTUK VI. - Leegstand.
CHAPITRE VI. - Bâtiments abandonnés.
Art. 31. In artikel 26 van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, laatstelijk gewijzigd door het decreet van 7 mei 2004 houdende wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 en van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, worden het derde en vierde lid geschrapt.
Art. 31. A l'article 26 du décret du 22 décembre 1995 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1996, tel que modifié en dernier lieu par le décret du 7 mai 2004 portant modification du décret du 22 décembre 1995 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1996 et du décret du 15 juillet 1997 portant le Code flamand du Logement, le troisième et le quatrième alinéa sont supprimés.
Art. 32. In artikel 27, § 2, van hetzelfde decreet worden tussen de woorden " zakelijk recht " en " wordt op de hoogte gebracht " de woorden " zoals bekend bij de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen " toegevoegd.
Art. 32. A l'article 27, § 2, du même décret, les mots " tels que connus auprès de l'Administration de la T.V.A., de l'Enregistrement et des Domaines " sont ajoutés entre les mots " et/ou du bâtiment " et " dans l'inventaire ".
Art. 33. In de laatste zin van artikel 27, § 3, van hetzelfde decreet worden de woorden " of een partij " toegevoegd tussen de woorden " de notaris " en het woord " uiterlijk ".
Art. 33. Dans la dernière phrase de l'article 27, § 3 du même décret, les mots " ou une partie " sont ajoutés entre les mots " par le notaire " et " au plus tard ".
Art. 34. In artikel 28, § 1, van hetzelfde decreet wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
" De ambtenaren van de administratie die door de Vlaamse Regering worden belast met het beheer van de inventaris, zijn bevoegd om de verwaarlozing, de leegstand van een gebouw en/of woning op te sporen en in een administratieve akte vast te stellen. "
" De ambtenaren van de administratie die door de Vlaamse Regering worden belast met het beheer van de inventaris, zijn bevoegd om de verwaarlozing, de leegstand van een gebouw en/of woning op te sporen en in een administratieve akte vast te stellen. "
Art. 34. Dans l'article 28, § 1er, du même décret, l'alinéa deux est remplacé par la disposition suivante : " Les fonctionnaires de l'administration chargés par le Gouvernement flamand de la gestion de l'inventaire sont habilités à dépister et à constater par un acte administratif le délabrement, l'abandon d'un bâtiment et/ou d'une habitation. "
Art. 35. In artikel 28, § 1, van hetzelfde decreet wordt tussen het tweede en derde lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
" De woningen, zoals bepaald in artikel 31, §§ 1 en 2, worden ongeschikt en/of onbewoonbaar verklaard overeenkomstig artikel 15 van het decreet van 15 juli 1997 en artikel 34 van dit decreet. ".
" De woningen, zoals bepaald in artikel 31, §§ 1 en 2, worden ongeschikt en/of onbewoonbaar verklaard overeenkomstig artikel 15 van het decreet van 15 juli 1997 en artikel 34 van dit decreet. ".
Art. 35. A l'article 28, § 1er, du même décret, il est ajouté un alinéa entre le deuxième et troisième alinéa, rédigé comme suit : " Les habitations, telles que visées à l'article 31, §§ 1er et 2, sont déclarées inadaptées ou inhabitables conformément à l'article 15 du décret du 15 juillet 1997 et à l'article 34 du présent décret. "
Art. 36. In artikel 30, § 3, van hetzelfde decreet worden de woorden " in overeenstemming met de vergunde functie " geschrapt.
Art. 36. A l'article 30, § 3, du même décret, les mots " conformément à la fonction autorisée " sont supprimés.
Art. 37. Artikel 32 van het hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 32. Elke gemeente deelt, volgens de bepalingen die door de Vlaamse Regering worden vastgesteld, aan de administratie mee welke gebouwen en/of woningen op haar grondgebied verwaarloosd zijn.
De administratie stelt de verwaarlozing vast in een gemotiveerde administratieve akte, zoals bedoeld in artikel 28, en geeft de houder van het zakelijk recht, bedoeld in artikel 27, bij aangetekend schrijven kennis van deze vaststelling alsook van de gevolgen van opname in de inventaris en de voorwaarden tot schrapping, schorsing en vrijstelling.
De houder van het zakelijk recht kan de vaststelling binnen vier maanden na de betekening van de administratieve akte betwisten via aangetekend schrijven aan de administratie en met alle bewijsmiddelen van gemeen recht, met uitzondering van de eed, het bewijs leveren dat het gebouw en/of de woning geen ernstige zichtbare en storende gebreken en tekenen van verval vertoont. In dit aangetekend schrijven geeft hij behalve de bewijzen ook aan of hij gehoord wil worden. De inventarisbeheerder heeft drie maanden de tijd om dit bezwaar te behandelen. Wanneer er geen uitspraak is binnen deze termijn, wordt het bezwaar geacht te zijn ingewilligd.
De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder de houder van het zakelijk recht in die periode moet gehoord worden.
Wanneer de vaststelling niet werd betwist of het bezwaar niet ingewilligd werd, neemt de administratie het gebouw en/of de woning op in de inventaris.
Het gebouw en/of de woning wordt ingeschreven, op datum van de eerste dag na het verlopen van de termijn van vier maanden na de administratieve akte, bedoeld in artikel 28, § 1, tweede lid. "
" Artikel 32. Elke gemeente deelt, volgens de bepalingen die door de Vlaamse Regering worden vastgesteld, aan de administratie mee welke gebouwen en/of woningen op haar grondgebied verwaarloosd zijn.
De administratie stelt de verwaarlozing vast in een gemotiveerde administratieve akte, zoals bedoeld in artikel 28, en geeft de houder van het zakelijk recht, bedoeld in artikel 27, bij aangetekend schrijven kennis van deze vaststelling alsook van de gevolgen van opname in de inventaris en de voorwaarden tot schrapping, schorsing en vrijstelling.
De houder van het zakelijk recht kan de vaststelling binnen vier maanden na de betekening van de administratieve akte betwisten via aangetekend schrijven aan de administratie en met alle bewijsmiddelen van gemeen recht, met uitzondering van de eed, het bewijs leveren dat het gebouw en/of de woning geen ernstige zichtbare en storende gebreken en tekenen van verval vertoont. In dit aangetekend schrijven geeft hij behalve de bewijzen ook aan of hij gehoord wil worden. De inventarisbeheerder heeft drie maanden de tijd om dit bezwaar te behandelen. Wanneer er geen uitspraak is binnen deze termijn, wordt het bezwaar geacht te zijn ingewilligd.
De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder de houder van het zakelijk recht in die periode moet gehoord worden.
Wanneer de vaststelling niet werd betwist of het bezwaar niet ingewilligd werd, neemt de administratie het gebouw en/of de woning op in de inventaris.
Het gebouw en/of de woning wordt ingeschreven, op datum van de eerste dag na het verlopen van de termijn van vier maanden na de administratieve akte, bedoeld in artikel 28, § 1, tweede lid. "
Art. 37. L'article 32 du même décret est remplacé par la disposition suivante : " Art. 32. Chaque commune signale à l'administration, conformément aux dispositions arrêtées par le Gouvernement flamand, les bâtiments et/ou les habitations laissés au délabrement sur son territoire.
L'administration constate le délabrement par un acte administratif motivé tel que visé à l'article 28 et notifie sa constatation par lettre recommandée au détenteur du droit réel tel que défini à l'article 27 et l'informe des conséquences de l'insertion dans l'inventaire et des conditions de suppression, de suspension et de dispense.
Le détenteur du droit réel peut contester la constatation dans les quatre mois suivant la notification de l'acte administratif par lettre recommandée à l'administration et démontrer par tous les moyens de preuve de droit commun, à l'exception du serment, que le bâtiment et/ou l'habitation ne présente pas des vices apparents et incommodants graves ou des marques de délabrement. Dans cette lettre recommandée, il signale outre ces preuves qu'il veut être entendu. Le gestionnaire de l'inventaire dispose de trois mois pour traiter cette objection. Lorsqu'il n'y a pas de décision dans ce délai, l'objection est réputée être acceptée.
Le Gouvernement flamand détermine les conditions auxquelles le détenteur du droit réel doit être entendu pendant cette période.
Lorsque la contestation n'a pas été contestée ou lorsque l'objection n'a pas été acceptée, l'administration inscrit le bâtiment et/ou l'habitation dans l'inventaire. Le bâtiment et/ou l'habitation est enregistré à la date du premier jour après l'échéance du délai de 4 mois suivant l'acte administratif visé à l'article 28, § 1er, deuxième alinéa. "
L'administration constate le délabrement par un acte administratif motivé tel que visé à l'article 28 et notifie sa constatation par lettre recommandée au détenteur du droit réel tel que défini à l'article 27 et l'informe des conséquences de l'insertion dans l'inventaire et des conditions de suppression, de suspension et de dispense.
Le détenteur du droit réel peut contester la constatation dans les quatre mois suivant la notification de l'acte administratif par lettre recommandée à l'administration et démontrer par tous les moyens de preuve de droit commun, à l'exception du serment, que le bâtiment et/ou l'habitation ne présente pas des vices apparents et incommodants graves ou des marques de délabrement. Dans cette lettre recommandée, il signale outre ces preuves qu'il veut être entendu. Le gestionnaire de l'inventaire dispose de trois mois pour traiter cette objection. Lorsqu'il n'y a pas de décision dans ce délai, l'objection est réputée être acceptée.
Le Gouvernement flamand détermine les conditions auxquelles le détenteur du droit réel doit être entendu pendant cette période.
Lorsque la contestation n'a pas été contestée ou lorsque l'objection n'a pas été acceptée, l'administration inscrit le bâtiment et/ou l'habitation dans l'inventaire. Le bâtiment et/ou l'habitation est enregistré à la date du premier jour après l'échéance du délai de 4 mois suivant l'acte administratif visé à l'article 28, § 1er, deuxième alinéa. "
Art. 38. Artikel 33 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 33. Elke gemeente deelt, volgens bepalingen die door de Vlaamse Regering worden vastgesteld, aan de administratie mee welke gebouwen en/of woningen op haar grondgebied leeg staan.
De administratie stelt de leegstand vast in een gemotiveerde administratieve akte, zoals bedoeld in artikel 28, en geeft de houder van het zakelijk recht, bedoeld in artikel 27, bij aangetekend schrijven kennis van deze vaststelling alsook van de gevolgen van opname in de inventaris en de voorwaarden tot schrapping, schorsing en vrijstelling.
De houder van het zakelijk recht kan de vaststelling binnen vier maanden na de betekening van de administratieve akte betwisten via aangetekend schrijven aan de administratie en met alle bewijsmiddelen van gemeen recht, met uitzondering van de eed, het bewijs leveren dat het gebouw en/of de woning effectief gebruikt wordt. In dit aangetekend schrijven geeft hij behalve de bewijzen ook aan of hij gehoord wil worden. De inventarisbeheerder heeft drie maanden de tijd om dit bezwaar te behandelen. Wanneer er geen uitspraak is binnen deze termijn, wordt het bezwaar geacht te zijn ingewilligd.
De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder de houder van het zakelijk recht in die periode moet gehoord worden.
Wanneer de vaststelling niet werd betwist of het bezwaar niet ingewilligd werd, neemt de administratie het gebouw en/of de woning op in de inventaris, bedoeld in artikel 28. Het gebouw en/of de woning wordt ingeschreven, op datum van de eerste dag na het verlopen van de termijn van vier maanden na de administratieve akte, bedoeld in artikel 28, § 1, tweede lid.
De bepalingen van dit artikel zijn eveneens van toepassing op gebouwen en/of woningen die op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk minstens twaalf opeenvolgende maanden leegstaan. "
" Artikel 33. Elke gemeente deelt, volgens bepalingen die door de Vlaamse Regering worden vastgesteld, aan de administratie mee welke gebouwen en/of woningen op haar grondgebied leeg staan.
De administratie stelt de leegstand vast in een gemotiveerde administratieve akte, zoals bedoeld in artikel 28, en geeft de houder van het zakelijk recht, bedoeld in artikel 27, bij aangetekend schrijven kennis van deze vaststelling alsook van de gevolgen van opname in de inventaris en de voorwaarden tot schrapping, schorsing en vrijstelling.
De houder van het zakelijk recht kan de vaststelling binnen vier maanden na de betekening van de administratieve akte betwisten via aangetekend schrijven aan de administratie en met alle bewijsmiddelen van gemeen recht, met uitzondering van de eed, het bewijs leveren dat het gebouw en/of de woning effectief gebruikt wordt. In dit aangetekend schrijven geeft hij behalve de bewijzen ook aan of hij gehoord wil worden. De inventarisbeheerder heeft drie maanden de tijd om dit bezwaar te behandelen. Wanneer er geen uitspraak is binnen deze termijn, wordt het bezwaar geacht te zijn ingewilligd.
De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder de houder van het zakelijk recht in die periode moet gehoord worden.
Wanneer de vaststelling niet werd betwist of het bezwaar niet ingewilligd werd, neemt de administratie het gebouw en/of de woning op in de inventaris, bedoeld in artikel 28. Het gebouw en/of de woning wordt ingeschreven, op datum van de eerste dag na het verlopen van de termijn van vier maanden na de administratieve akte, bedoeld in artikel 28, § 1, tweede lid.
De bepalingen van dit artikel zijn eveneens van toepassing op gebouwen en/of woningen die op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk minstens twaalf opeenvolgende maanden leegstaan. "
Art. 38. L'article 33 du même décret est remplacé par la disposition suivante : " Art. 33. Chaque commune signale à l'administration, conformément aux dispositions arrêtées par le Gouvernement flamand, les bâtiments et/ou les habitations laissés à l'abandon sur son territoire.
L'administration constate l'abandon par un acte administratif motivé tel que visé à l'article 28 et notifie sa constatation par lettre recommandée au détenteur du droit réel tel que défini à l'article 27 et l'informe des conséquences de l'insertion dans l'inventaire et des conditions de suppression, de suspension et de dispense.
Le détenteur du droit réel peut contester la constatation dans les 4 mois suivant la notification de l'acte administratif par lettre recommandée à l'administration par tous les moyens de preuve de droit commun, a l'exception du serment, que le bâtiment et/ou l'habitation est utilisé effectivement. Dans cette lettre recommandée, il signale outre ces preuves qu'il veut être entendu. Le gestionnaire de l'inventaire dispose de trois mois pour traiter cette objection. Lorsqu'il n'y a pas de décision dans ce délai, l'objection est réputée être acceptée.
Le Gouvernement flamand détermine les conditions auxquelles le détenteur du droit réel doit être entendu pendant cette période.
Lorsque la décision n'a pas été contestée ou lorsque l'objection n'a pas été acceptée, l'administration inscrit le bâtiment et/ou l'habitation dans l'inventaire visé à l'article 28. Le bâtiment et/ou l'habitation sont inscrits à la date du premier jours après l'échéance du délai de 4 mois après l'acte administratif, visé à l'article 28, § 1er, deuxième alinéa. Les dispositions du présent article sont également applicables aux bâtiments et/ou habitations abandonnés depuis au moins 12 mois à la date d'entrée en vigueur du présent chapitre. "
L'administration constate l'abandon par un acte administratif motivé tel que visé à l'article 28 et notifie sa constatation par lettre recommandée au détenteur du droit réel tel que défini à l'article 27 et l'informe des conséquences de l'insertion dans l'inventaire et des conditions de suppression, de suspension et de dispense.
Le détenteur du droit réel peut contester la constatation dans les 4 mois suivant la notification de l'acte administratif par lettre recommandée à l'administration par tous les moyens de preuve de droit commun, a l'exception du serment, que le bâtiment et/ou l'habitation est utilisé effectivement. Dans cette lettre recommandée, il signale outre ces preuves qu'il veut être entendu. Le gestionnaire de l'inventaire dispose de trois mois pour traiter cette objection. Lorsqu'il n'y a pas de décision dans ce délai, l'objection est réputée être acceptée.
Le Gouvernement flamand détermine les conditions auxquelles le détenteur du droit réel doit être entendu pendant cette période.
Lorsque la décision n'a pas été contestée ou lorsque l'objection n'a pas été acceptée, l'administration inscrit le bâtiment et/ou l'habitation dans l'inventaire visé à l'article 28. Le bâtiment et/ou l'habitation sont inscrits à la date du premier jours après l'échéance du délai de 4 mois après l'acte administratif, visé à l'article 28, § 1er, deuxième alinéa. Les dispositions du présent article sont également applicables aux bâtiments et/ou habitations abandonnés depuis au moins 12 mois à la date d'entrée en vigueur du présent chapitre. "
Art. 39. In artikel 34, § 2, van hetzelfde decreet wordt de laatste zin vervangen door wat volgt : " Ze worden ingeschreven op de datum van het besluit van de burgemeester of, in voorkomend geval, op de datum van het besluit van de Vlaamse Regering waarbij de woning ongeschikt en/of onbewoonbaar wordt verklaard. "
Art. 39. A l'article 34, § 2, du même décret, la dernière phrase est remplacée par la disposition suivante : " Elles sont inscrites à la date de la décision du bourgmestre ou, le cas échéant, à la date de l'arrêté du Gouvernement flamand par lequel l'habitation est déclarée inadaptée et/ou inhabitable. "
Art. 40. Artikel 34bis van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 34bis § 1. Door een registratieattest wordt de opname in de inventaris door de administratie betekend aan de houders van het zakelijk recht, zoals bekend bij de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen van het geïnventariseerde goed. De Vlaamse Regering bepaalt hiervoor de voorwaarden.
§ 2. Voor leegstand en verwaarlozing kan de houder van het zakelijk recht binnen de 30 kalenderdagen na betekening van het registratieattest, zoals bedoeld in § 1, van het geregistreerde pand met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de inventarisbeheerder tegen deze registratie.
De inventarisbeheerder doet uitspraak over het beroep en betekent haar gemotiveerde beslissing aan de indiener van het beroep met een aangetekende brief binnen 60 kalenderdagen na betekening van het beroep. Zo lang de inventarisbeheerder geen uitspraak gedaan heeft over dit beroep kan er geen aanslagbiljet worden verstuurd. Wanneer er geen uitspraak over het beroep is binnen de gestelde termijn, wordt het beroep geacht te zijn ingewilligd.
De uitspraak van het beroep vermeldt de wijze waarop tegen deze beslissing in rechte kan getreden worden.
§ 3. Voor de ongeschikt- en/of onbewoonbaarheden, zoals bedoeld in artikel 15 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en artikel 34 van dit decreet, wordt het registratieattest samen met het besluit tot ongeschikt- en/of onbewoonbaarverklaring van de burgemeester opgestuurd. Tegen dit besluit tot ongeschikt- en/ of onbewoonbaarverklaring van de burgemeester en het registratieattest samen, kan beroep worden ingediend bij de Vlaamse Regering, zoals bedoeld in artikel 15, § 3, van het decreet van 15 juli 1997. houdende de Vlaamse Wooncode. "
" Artikel 34bis § 1. Door een registratieattest wordt de opname in de inventaris door de administratie betekend aan de houders van het zakelijk recht, zoals bekend bij de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen van het geïnventariseerde goed. De Vlaamse Regering bepaalt hiervoor de voorwaarden.
§ 2. Voor leegstand en verwaarlozing kan de houder van het zakelijk recht binnen de 30 kalenderdagen na betekening van het registratieattest, zoals bedoeld in § 1, van het geregistreerde pand met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de inventarisbeheerder tegen deze registratie.
De inventarisbeheerder doet uitspraak over het beroep en betekent haar gemotiveerde beslissing aan de indiener van het beroep met een aangetekende brief binnen 60 kalenderdagen na betekening van het beroep. Zo lang de inventarisbeheerder geen uitspraak gedaan heeft over dit beroep kan er geen aanslagbiljet worden verstuurd. Wanneer er geen uitspraak over het beroep is binnen de gestelde termijn, wordt het beroep geacht te zijn ingewilligd.
De uitspraak van het beroep vermeldt de wijze waarop tegen deze beslissing in rechte kan getreden worden.
§ 3. Voor de ongeschikt- en/of onbewoonbaarheden, zoals bedoeld in artikel 15 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en artikel 34 van dit decreet, wordt het registratieattest samen met het besluit tot ongeschikt- en/of onbewoonbaarverklaring van de burgemeester opgestuurd. Tegen dit besluit tot ongeschikt- en/ of onbewoonbaarverklaring van de burgemeester en het registratieattest samen, kan beroep worden ingediend bij de Vlaamse Regering, zoals bedoeld in artikel 15, § 3, van het decreet van 15 juli 1997. houdende de Vlaamse Wooncode. "
Art. 40. L'article 34bis du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 34bis, § 1er. Par une attestation d'enregistrement, l'insertion dans l'inventaire est notifiée par l'administration aux détenteurs du droit réel, tels que connus auprès de l'Administration de la T.V.A., de l'Enregistrement et des Domaines. Le Gouvernement flamand détermine les conditions à cet effet.
§ 2. En cas d'abandon et de délabrement, le détenteur du droit réel peut former un recours contre cet enregistrement dans les 30 jours calendriers qui suivent la notification de l'attestation d'enregistrement, tel que stipulé au § 1er, de l'immeuble enregistré, par lettre recommandée auprès du gestionnaire de l'inventaire.
Le gestionnaire de l'inventaire se prononce à propos du recours et notifie sa décision motivée à la personne qui a formé le recours par lettre recommandée dans les 60 jours calendriers qui suivent la notification du recours. Tant que le gestionnaire de l'inventaire ne s'est pas prononcé sur ce recours, aucune feuille d'imposition ne peut être envoyée. Lorsqu'il n'y a pas de décision sur le recours dans le délai fixé, le recours est réputé être accepté.
Le jugement du recours mentionne de quelle manière il peut être lesté en justice contre cette décision.
§ 3. Pour les cas d'inadaptation et/ou d'inhabitabilité, tels que visés à l'article 15 du décret du 15 juillet 1997 portant le Code flamand du Logement et à l'article 34 du présent décret, l'attestation d'enregistrement est envoyée conjointement avec la décision de déclaration du bourgmestre d'inadaptation et/ou d'inhabitabilité. Un recours peut être formé contre l'ensemble de la déclaration du bourgmestre d'inadaptation et/ou d'inhabitabilité et de l'attestation d'enregistrement auprès du Gouvernement flamand, tel que visé à l'article 15, § 3, du décret du 15 juillet 1997 portant le Code flamand du Logement.
" Art. 34bis, § 1er. Par une attestation d'enregistrement, l'insertion dans l'inventaire est notifiée par l'administration aux détenteurs du droit réel, tels que connus auprès de l'Administration de la T.V.A., de l'Enregistrement et des Domaines. Le Gouvernement flamand détermine les conditions à cet effet.
§ 2. En cas d'abandon et de délabrement, le détenteur du droit réel peut former un recours contre cet enregistrement dans les 30 jours calendriers qui suivent la notification de l'attestation d'enregistrement, tel que stipulé au § 1er, de l'immeuble enregistré, par lettre recommandée auprès du gestionnaire de l'inventaire.
Le gestionnaire de l'inventaire se prononce à propos du recours et notifie sa décision motivée à la personne qui a formé le recours par lettre recommandée dans les 60 jours calendriers qui suivent la notification du recours. Tant que le gestionnaire de l'inventaire ne s'est pas prononcé sur ce recours, aucune feuille d'imposition ne peut être envoyée. Lorsqu'il n'y a pas de décision sur le recours dans le délai fixé, le recours est réputé être accepté.
Le jugement du recours mentionne de quelle manière il peut être lesté en justice contre cette décision.
§ 3. Pour les cas d'inadaptation et/ou d'inhabitabilité, tels que visés à l'article 15 du décret du 15 juillet 1997 portant le Code flamand du Logement et à l'article 34 du présent décret, l'attestation d'enregistrement est envoyée conjointement avec la décision de déclaration du bourgmestre d'inadaptation et/ou d'inhabitabilité. Un recours peut être formé contre l'ensemble de la déclaration du bourgmestre d'inadaptation et/ou d'inhabitabilité et de l'attestation d'enregistrement auprès du Gouvernement flamand, tel que visé à l'article 15, § 3, du décret du 15 juillet 1997 portant le Code flamand du Logement.
Art. 41. § 1. In artikel 35, § 3, van hetzelfde decreet wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
" Wanneer de in het eerste lid bedoelde kennisgeving niet is gebeurd binnen de voorziene termijn, wordt het verzoek tot schrapping geacht te zijn ingewilligd. "
§ 2. Aan artikel 35 van het decreet, zoals bedoeld in artikel 38, wordt een § 4 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 4. De administratie vermeldt als datum van schrapping het volgende :
In de gevallen zoals bedoeld in § 1, de eerste dag van het effectief gebruik en/of van herstel en/of verwijdering van de zichtbare en storende gebreken en/of de tekenen van verval, bedoeld in artikel 29.
In de gevallen zoals bedoeld in § 2 de eerste dag van bewoning, de eerste dag waarop de woning weer voldoet aan de vereisten van kwaliteit en bewoonbaarheid, bedoeld in artikel 31 of van herstel en/of verwijdering van de zichtbare en storende gebreken en/of de tekenen van verval, bedoeld in artikel 29.
Wanneer de kennisgeving zoals bedoeld in § 3 niet is gebeurd binnen de voorziene termijn, wordt de datum van bewoning, effectief gebruik of herstel die de houder van het zakelijk recht in het verzoek tot schrapping aangeeft, als datum van schrapping vermeld. "
" Wanneer de in het eerste lid bedoelde kennisgeving niet is gebeurd binnen de voorziene termijn, wordt het verzoek tot schrapping geacht te zijn ingewilligd. "
§ 2. Aan artikel 35 van het decreet, zoals bedoeld in artikel 38, wordt een § 4 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 4. De administratie vermeldt als datum van schrapping het volgende :
In de gevallen zoals bedoeld in § 1, de eerste dag van het effectief gebruik en/of van herstel en/of verwijdering van de zichtbare en storende gebreken en/of de tekenen van verval, bedoeld in artikel 29.
In de gevallen zoals bedoeld in § 2 de eerste dag van bewoning, de eerste dag waarop de woning weer voldoet aan de vereisten van kwaliteit en bewoonbaarheid, bedoeld in artikel 31 of van herstel en/of verwijdering van de zichtbare en storende gebreken en/of de tekenen van verval, bedoeld in artikel 29.
Wanneer de kennisgeving zoals bedoeld in § 3 niet is gebeurd binnen de voorziene termijn, wordt de datum van bewoning, effectief gebruik of herstel die de houder van het zakelijk recht in het verzoek tot schrapping aangeeft, als datum van schrapping vermeld. "
Art. 41. § 1er. A l'article 35, § 3, du même décret, l'alinéa deux est remplacé par la disposition suivante : " Lorsque la notification visée au premier alinéa n'a pas été envoyée dans le délai fixé, la demande de suppression est réputée être acceptée. "
§ 2. A l'article 35 du décret, tel que visé à l'article 38, il est ajouté un § 4, rédigé comme suit :
" L'administration mentionne comme date de suppression ce qui suit :
Dans les cas tels que visés au § 1er, le premier jour de l'utilisation effective et/ou de la réparation et/ou de l'enlèvement des vices apparents et incommodants graves ou des marques de délabrement, visés à l'article 29.
Dans les cas tels que visés au § 2, le premier jour d'occupation de l'habitation, le premier jour auquel l'habitation répond à nouveau aux exigences de qualité et d'habitabilité, visées à l'article 31, ou de réparation et/ou d'enlèvement des vices apparents et incommodants graves ou des marques de délabrement, visés à l'article 29.
Lorsque la notification telle que visée au § 3 n'a pas eu lieu dans le délai prévu, la date d'habitation, d'utilisation effective ou de réparation que le détenteur du droit réel mentionne dans la demande de suppression, est mentionnée comme date de suppression. "
§ 2. A l'article 35 du décret, tel que visé à l'article 38, il est ajouté un § 4, rédigé comme suit :
" L'administration mentionne comme date de suppression ce qui suit :
Dans les cas tels que visés au § 1er, le premier jour de l'utilisation effective et/ou de la réparation et/ou de l'enlèvement des vices apparents et incommodants graves ou des marques de délabrement, visés à l'article 29.
Dans les cas tels que visés au § 2, le premier jour d'occupation de l'habitation, le premier jour auquel l'habitation répond à nouveau aux exigences de qualité et d'habitabilité, visées à l'article 31, ou de réparation et/ou d'enlèvement des vices apparents et incommodants graves ou des marques de délabrement, visés à l'article 29.
Lorsque la notification telle que visée au § 3 n'a pas eu lieu dans le délai prévu, la date d'habitation, d'utilisation effective ou de réparation que le détenteur du droit réel mentionne dans la demande de suppression, est mentionnée comme date de suppression. "
Art. 42. § 1. Het artikel 36 van hetzelfde decreet wordt artikel 36, § 1.
§ 2. Aan artikel 36 van het decreet, zoals bedoeld in artikel 31, wordt een § 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 2. Wanneer een pand op meerdere lijsten van de inventaris voorkomt kan voor ieder heffingsjaar slechts één heffing worden opgelegd, evenwel betrekking hebbend op de opname of verjaardag van de opname op die lijst waardoor de hoogste heffing gevestigd wordt. "
§ 2. Aan artikel 36 van het decreet, zoals bedoeld in artikel 31, wordt een § 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 2. Wanneer een pand op meerdere lijsten van de inventaris voorkomt kan voor ieder heffingsjaar slechts één heffing worden opgelegd, evenwel betrekking hebbend op de opname of verjaardag van de opname op die lijst waardoor de hoogste heffing gevestigd wordt. "
Art. 42. § 1er. L'article 36 du même décret devient l'article 36, § 1er.
§ 2. A l'article 36 du décret, tel que visé à l'article 31, il est ajouté un § 2, rédigé comme suit :
" § 2. Lorsqu'un immeuble figure sur plusieurs listes de l'inventaire, seule une redevance unique peut être imposée pour chaque année imposable, cependant ayant trait à l'insertion ou à l'anniversaire de l'insertion dans la liste par laquelle la plus haute redevance a été constituée. "
§ 2. A l'article 36 du décret, tel que visé à l'article 31, il est ajouté un § 2, rédigé comme suit :
" § 2. Lorsqu'un immeuble figure sur plusieurs listes de l'inventaire, seule une redevance unique peut être imposée pour chaque année imposable, cependant ayant trait à l'insertion ou à l'anniversaire de l'insertion dans la liste par laquelle la plus haute redevance a été constituée. "
Art. 43. Het tweede lid van artikel 38 van hetzelfde decreet wordt opgeheven. In het derde lid worden de woorden " en tweede lid ", alsook " gemeenteontvanger en gewestelijke ontvangers, " geschrapt.
Art. 43. Le deuxième alinéa de l'article 38 du même décret est abrogé. Au troisième alinéa, les mots " et 2 ", ainsi que les mots " receveurs communaux et régionaux " sont supprimés.
Art. 44. In § 2, tweede lid, van artikel 39 van hetzelfde decreet wordt in de zinsnede " binnen 3 maanden volgend op de ontvangst van het bezwaarschrift " het cijfer 3 vervangen door het cijfer 6.
Art. 44. Au § 2, deuxième alinéa, de l'article 39 du même décret, dans la phrase " (dans les 3 mois qui suivent la demande) ", le chiffre 3 est remplacé par le chiffre 6.
Art. 45. Artikel 40, § 3, van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. Tot zekerheid van de voldoening van de heffing, intresten, administratieve geldboete en de kosten heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de belastingplichtige en kan het een wettelijke hypotheek vestigen op al diens goederen die daarvoor vatbaar zijn en in het Vlaamse Gewest gelegen of geregistreerd zijn.
Het voorrecht neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld zijn in de artikelen 19 en 20 van de Hypotheekwet.
De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt.
De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaren, bedoeld in artikel 40, § 2.
Artikel 19 van de Faillissementswet is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de verschuldigde heffing waarvoor de inschrijving is genomen voor en waarvan betekening aan de heffingsschuldige is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring. "
" § 3. Tot zekerheid van de voldoening van de heffing, intresten, administratieve geldboete en de kosten heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de belastingplichtige en kan het een wettelijke hypotheek vestigen op al diens goederen die daarvoor vatbaar zijn en in het Vlaamse Gewest gelegen of geregistreerd zijn.
Het voorrecht neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld zijn in de artikelen 19 en 20 van de Hypotheekwet.
De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt.
De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaren, bedoeld in artikel 40, § 2.
Artikel 19 van de Faillissementswet is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de verschuldigde heffing waarvoor de inschrijving is genomen voor en waarvan betekening aan de heffingsschuldige is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring. "
Art. 45. L'article 40, § 3, du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. Pour sûreté du paiement de la redevance, des intérêts, des amendes administratives et des frais, la Région flamande a un privilège général qui s'étend sur tous les meubles du redevable et peut grever d'une hypothèque légale tous ses biens hypothécables susceptibles d'être hypothéqués et situés ou enregistrés dans la Région flamande.
Le privilège prend rang immédiatement après les privilèges mentionnés aux articles 19 et 20 de la Loi hypothécaire.
Le rang de l'hypothèque légale est fixé par la date de l'inscription prise.
L'hypothèque est inscrite sur demande des fonctionnaires visés à l'article 40, § 2. L'article 19 de la Loi sur les Faillites ne s'applique pas à l'hypothèque légale en matière de redevance due pour laquelle l'inscription est prise et qui est notifiée au redevable avant le jugement déclaratif de faillite. "
" § 3. Pour sûreté du paiement de la redevance, des intérêts, des amendes administratives et des frais, la Région flamande a un privilège général qui s'étend sur tous les meubles du redevable et peut grever d'une hypothèque légale tous ses biens hypothécables susceptibles d'être hypothéqués et situés ou enregistrés dans la Région flamande.
Le privilège prend rang immédiatement après les privilèges mentionnés aux articles 19 et 20 de la Loi hypothécaire.
Le rang de l'hypothèque légale est fixé par la date de l'inscription prise.
L'hypothèque est inscrite sur demande des fonctionnaires visés à l'article 40, § 2. L'article 19 de la Loi sur les Faillites ne s'applique pas à l'hypothèque légale en matière de redevance due pour laquelle l'inscription est prise et qui est notifiée au redevable avant le jugement déclaratif de faillite. "
Art. 46. Artikel 40, § 6, van hetzelfde decreet wordt vervangen door hetgeen volgt :
" § 6. De ambtenaren die belast zijn met de uitvoerbaarverklaring van de heffing verlenen ambtshalve ontheffing overeenkomstig de bepalingen van artikel 376, § 1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, zoals deze van toepassing zijn in het Vlaamse Gewest. "
" § 6. De ambtenaren die belast zijn met de uitvoerbaarverklaring van de heffing verlenen ambtshalve ontheffing overeenkomstig de bepalingen van artikel 376, § 1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, zoals deze van toepassing zijn in het Vlaamse Gewest. "
Art. 46. L'article 40, § 6, du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Les fonctionnaires chargés de l'exequatur de la redevance accordent d'office des dispenses conformément aux dispositions de l'article 376, § 1er, du Code des impôts sur les Revenus 1992, telles qu'elles sont appliquées dans la Région flamande. "
" Les fonctionnaires chargés de l'exequatur de la redevance accordent d'office des dispenses conformément aux dispositions de l'article 376, § 1er, du Code des impôts sur les Revenus 1992, telles qu'elles sont appliquées dans la Région flamande. "
Art. 47. In het eerste lid van § 1 van artikel 42 van hetzelfde decreet worden de woorden " wordt vrijgesteld van de heffing " vervangen door " verkrijgt opschorting van heffing ".
In het tweede lid van § 1 van het zelfde artikel wordt het woord " vrijstelling " vervangen door het woord " schorsing ".
In het tweede lid van § 1 van het zelfde artikel wordt het woord " vrijstelling " vervangen door het woord " schorsing ".
Art. 47. Au premier alinéa du § 1er de l'article 42 du même décret, les mots " est exempté de la redevance " sont remplacés par le mots " obtient sursis de redevance ".
Au deuxième alinéa du § 1er du même article, le mot " dispense " est remplacé par le mot " sursis ".
Au deuxième alinéa du § 1er du même article, le mot " dispense " est remplacé par le mot " sursis ".
Art. 48. Artikel 42, § 2, 6°, van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" 6° De gebouwen en/of woningen, voorzover ze niet voorkomen op de lijst ongeschikt-onbewoonbaar of op de lijst verwaarloosd van de inventaris, die tegen aanvaardbare marktvoorwaarden te huur of te koop aangeboden worden, en die, wat de woningen betreft, voldoen aan een onderzoek waaruit blijkt dat ze conform zijn aan de normen van artikel 5 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, en waar desondanks de leegstand aanhoudt; ".
Artikel 42, § 2, 7°, van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" 7° de gebouwen en/of woningen waarvoor het sociaal beheersrecht overeenkomstig artikel 90, §§ 2 en 3, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, ingesteld is; ".
Aan artikel 42, § 2, van hetzelfde decreet wordt een 8° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 8° de woningen waarvoor een renovatiecontract zoals bedoeld in artikel 18, § 2, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, afgesloten is. "
" 6° De gebouwen en/of woningen, voorzover ze niet voorkomen op de lijst ongeschikt-onbewoonbaar of op de lijst verwaarloosd van de inventaris, die tegen aanvaardbare marktvoorwaarden te huur of te koop aangeboden worden, en die, wat de woningen betreft, voldoen aan een onderzoek waaruit blijkt dat ze conform zijn aan de normen van artikel 5 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, en waar desondanks de leegstand aanhoudt; ".
Artikel 42, § 2, 7°, van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" 7° de gebouwen en/of woningen waarvoor het sociaal beheersrecht overeenkomstig artikel 90, §§ 2 en 3, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, ingesteld is; ".
Aan artikel 42, § 2, van hetzelfde decreet wordt een 8° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 8° de woningen waarvoor een renovatiecontract zoals bedoeld in artikel 18, § 2, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, afgesloten is. "
Art. 48. L'article 42, § 2, 6°, du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" 6° les bâtiments et/ou les habitations, pour autant qu'ils ne figurent pas sur la liste " inadaptés/inhabitables " ou sur la liste " abandonnés " de l'inventaire, qui sont proposés en location ou en vente en vertu de conditions de marché acceptables et qui, en ce qui concerne les habitations, satisfont à une enquête dont il ressort qu'ils sont conformes aux normes de l'article 5 du décret du 15 juillet 1997 portant le Code flamand de Logement, et où l'inoccupation persiste malgré tout; ".
L'article 42, § 2, 7°, du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" 7° les bâtiments et/ou habitations pour lesquelles le droit de gestion sociale a été établi conformément à l'article 90, §§ 2 et 3 du décret du 15 juillet 1997 portant le Code flamand de Logement; ".
A l'article 42, § 2, du même décret, il est ajouté un point 8°, rédigé comme suit : " 8° les habitations pour lesquelles il a été conclu un contrat de rénovation tel que visé à l'article 18, § 2, du décret du 15 juillet 1997 portant le Code flamand de Logement. "
" 6° les bâtiments et/ou les habitations, pour autant qu'ils ne figurent pas sur la liste " inadaptés/inhabitables " ou sur la liste " abandonnés " de l'inventaire, qui sont proposés en location ou en vente en vertu de conditions de marché acceptables et qui, en ce qui concerne les habitations, satisfont à une enquête dont il ressort qu'ils sont conformes aux normes de l'article 5 du décret du 15 juillet 1997 portant le Code flamand de Logement, et où l'inoccupation persiste malgré tout; ".
L'article 42, § 2, 7°, du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" 7° les bâtiments et/ou habitations pour lesquelles le droit de gestion sociale a été établi conformément à l'article 90, §§ 2 et 3 du décret du 15 juillet 1997 portant le Code flamand de Logement; ".
A l'article 42, § 2, du même décret, il est ajouté un point 8°, rédigé comme suit : " 8° les habitations pour lesquelles il a été conclu un contrat de rénovation tel que visé à l'article 18, § 2, du décret du 15 juillet 1997 portant le Code flamand de Logement. "
Art. 49. Artikel 42bis van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 42bis § 1. De houder van een zakelijk recht, bedoeld in artikel 27, krijgt 80 % terugbetaald van het bedrag van het gewestelijk aandeel in de laatst geïnde gewestelijke heffing voor :
1° de gebouwen en/of woningen die, na de beëindiging van renovatiewerkzaamheden, binnen een periode van maximaal 1 jaar volgend op het tijdstip van opname of van een verjaardag van de opname in de inventaris geschrapt zijn uit de inventaris;
2° de gebouwen en/of woningen waarvoor een renovatiecontract afgesloten is, zoals bepaald in artikel 18, § 2, van het decreet van 15 juli 1997. houdende de Vlaamse Wooncode.
Deze terugbetaling kan in geen geval aanleiding geven tot betaling van moratoriumintresten.
§ 2. Op straffe van verval dient de aanvraag tot terugbetaling te vermelden voor welk kohierartikel de terugbetaling gevraagd wordt, en per aangetekende brief gericht te worden tot de ambtenaar bedoeld in artikel 38 binnen het jaar vanaf de datum van de schrapping uit de inventaris of vanaf de datum waarop het renovatiecontract is afgesloten, en dient ze tevens een door de inventarisbeheerder afgeleverd attest te bevatten met de datum van de schrapping uit de inventaris of de datum waarop het renovatiecontract is afgesloten. "
" Artikel 42bis § 1. De houder van een zakelijk recht, bedoeld in artikel 27, krijgt 80 % terugbetaald van het bedrag van het gewestelijk aandeel in de laatst geïnde gewestelijke heffing voor :
1° de gebouwen en/of woningen die, na de beëindiging van renovatiewerkzaamheden, binnen een periode van maximaal 1 jaar volgend op het tijdstip van opname of van een verjaardag van de opname in de inventaris geschrapt zijn uit de inventaris;
2° de gebouwen en/of woningen waarvoor een renovatiecontract afgesloten is, zoals bepaald in artikel 18, § 2, van het decreet van 15 juli 1997. houdende de Vlaamse Wooncode.
Deze terugbetaling kan in geen geval aanleiding geven tot betaling van moratoriumintresten.
§ 2. Op straffe van verval dient de aanvraag tot terugbetaling te vermelden voor welk kohierartikel de terugbetaling gevraagd wordt, en per aangetekende brief gericht te worden tot de ambtenaar bedoeld in artikel 38 binnen het jaar vanaf de datum van de schrapping uit de inventaris of vanaf de datum waarop het renovatiecontract is afgesloten, en dient ze tevens een door de inventarisbeheerder afgeleverd attest te bevatten met de datum van de schrapping uit de inventaris of de datum waarop het renovatiecontract is afgesloten. "
Art. 49. L'article 42bis du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Article 42bis, § 1er. Le détenteur d'un droit réel, visé à l'article 27, reçoit un remboursement de 80 % du montant de la quote-part régionale dans la dernière redevance régionale perçue pour :
1° les bâtiments et/ou habitations qui, après la fin des travaux de rénovation dans une période d'au maximum une année suivant le moment de l'insertion ou d'un anniversaire d'une insertion dans l'inventaire, sont supprimés de ce dernier;
2° les habitations pour lesquelles il a été conclu un contrat de rénovation tel que visé à l'article 18, § 2, du décret du 15 juillet 1997 portant le Code flamand de Logement;
Ce remboursement ne peut en aucun cas mener à un paiement d'intérêts moratoires.
§ 2. Sous peine de déchéance, la demande de remboursement doit mentionner l'article pour lequel le remboursement est demandé et être adressée par lettre recommandée au fonctionnaire visé à l'article 38 dans l'année à compter de la date de suppression de l'inventaire ou à partir de la date de la conclusion du contrat de rénovation et elle doit également comprendre une attestation délivrée par le gestionnaire de l'inventaire mentionnant la date de suppression de l'inventaire ou la date à laquelle le contrat de rénovation a été conclu. "
" Article 42bis, § 1er. Le détenteur d'un droit réel, visé à l'article 27, reçoit un remboursement de 80 % du montant de la quote-part régionale dans la dernière redevance régionale perçue pour :
1° les bâtiments et/ou habitations qui, après la fin des travaux de rénovation dans une période d'au maximum une année suivant le moment de l'insertion ou d'un anniversaire d'une insertion dans l'inventaire, sont supprimés de ce dernier;
2° les habitations pour lesquelles il a été conclu un contrat de rénovation tel que visé à l'article 18, § 2, du décret du 15 juillet 1997 portant le Code flamand de Logement;
Ce remboursement ne peut en aucun cas mener à un paiement d'intérêts moratoires.
§ 2. Sous peine de déchéance, la demande de remboursement doit mentionner l'article pour lequel le remboursement est demandé et être adressée par lettre recommandée au fonctionnaire visé à l'article 38 dans l'année à compter de la date de suppression de l'inventaire ou à partir de la date de la conclusion du contrat de rénovation et elle doit également comprendre une attestation délivrée par le gestionnaire de l'inventaire mentionnant la date de suppression de l'inventaire ou la date à laquelle le contrat de rénovation a été conclu. "
Art. 50. In artikel 43 van hetzelfde decreet worden in het eerste lid de woorden " één maand " vervangen door " vier maanden ". In de zinsnede " op basis waarvan de eerste inventarisatie van het gebouw en/of de woning gebeurt, " wordt het woord " eerste, " geschrapt.
In de zinsnede " dan gaat de schorsing in op de datum van de administratieve akte " worden de woorden " datum van de administratieve akte " vervangen door " datum van de inventarisatie ".
Het tweede lid van artikel 43 van het decreet, zoals bedoeld in artikel 31, wordt vervangen door wat volgt :
" Het gedetailleerde renovatieschema dient de volgende stukken te bevatten :
- een tekening of schets van het gebouw en/of de woning met aanduiding van de geplande werken;
- een volledige opsomming en korte beschrijving van alle geplande werken;
- een raming van de kosten van de werken middels :
hetzij een offerte voor de levering en plaatsing van materialen door een aannemer; hetzij een offerte voor de levering van materialen, indien de werken in eigen beheer worden uitgevoerd;
hetzij een combinatie van beide offertes;
- een fotoreportage van de gebouwdelen die gerenoveerd gaan worden. "
In de zinsnede " dan gaat de schorsing in op de datum van de administratieve akte " worden de woorden " datum van de administratieve akte " vervangen door " datum van de inventarisatie ".
Het tweede lid van artikel 43 van het decreet, zoals bedoeld in artikel 31, wordt vervangen door wat volgt :
" Het gedetailleerde renovatieschema dient de volgende stukken te bevatten :
- een tekening of schets van het gebouw en/of de woning met aanduiding van de geplande werken;
- een volledige opsomming en korte beschrijving van alle geplande werken;
- een raming van de kosten van de werken middels :
hetzij een offerte voor de levering en plaatsing van materialen door een aannemer; hetzij een offerte voor de levering van materialen, indien de werken in eigen beheer worden uitgevoerd;
hetzij een combinatie van beide offertes;
- een fotoreportage van de gebouwdelen die gerenoveerd gaan worden. "
Art. 50. Au premier alinéa de l'article 43 du même décret, les mots " le mois " sont remplacés par les mots " les quatre mois ". Dans la phrase " ayant donné lieu au premier enregistrement dans l'inventaire du bâtiment et/ou de l'habitation, " les mots " le premier " sont supprimés. Dans la phrase " la suspension prend cours à la date de l'acte administratif " les mots " date de l'acte administratif " sont remplacés par le mots " date de l'enregistrement dans l'inventaire ".
Le deuxième alinéa de l'article 43 du décret, tel que visé à l'article 31, est remplacé par ce qui suit :
" Le schéma de rénovation détaillé doit comprendre les documents suivants :
- un dessin ou plan du bâtiment et/ou de l'habitation avec l'indication des travaux envisagés;
- une énumération complète et une brève description de tous les travaux envisagés;
- une estimation des frais des travaux à l'aide de :
soit une offre pour la fourniture et pose de matériaux par l'entrepreneur;
soit une offre pour la fourniture de matériaux lorsque les travaux sont exécutés en gestion propre;
soit une combinaison des deux offres.
- un reportage photographique reproduisant les parties du bâtiment qui vont être rénovées. "
Le deuxième alinéa de l'article 43 du décret, tel que visé à l'article 31, est remplacé par ce qui suit :
" Le schéma de rénovation détaillé doit comprendre les documents suivants :
- un dessin ou plan du bâtiment et/ou de l'habitation avec l'indication des travaux envisagés;
- une énumération complète et une brève description de tous les travaux envisagés;
- une estimation des frais des travaux à l'aide de :
soit une offre pour la fourniture et pose de matériaux par l'entrepreneur;
soit une offre pour la fourniture de matériaux lorsque les travaux sont exécutés en gestion propre;
soit une combinaison des deux offres.
- un reportage photographique reproduisant les parties du bâtiment qui vont être rénovées. "
Art. 51. § 1. In de laatste zin van het vijfde lid van artikel 43 van hetzelfde decreet worden de woorden " vermeerderd met de intresten toegekend tegen een rentevoet van 0,5 percent per kalendermaand vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum van eerste opgeschorte heffing tot en met de laatste dag van de maand die voorafgaat aan de beëindiging van de schorsing " geschrapt.
§ 2. Aan hetzelfde decreet wordt een artikel 43bis toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Artikel 43bis Voor de toepassing van artikel 42, § 1, en artikel 43. dient, om geldig te zijn, het aanslagbiljet te worden verstuurd uiterlijk tegen de laatste dag van het kwartaal dat volgt op 31 december van het kalenderjaar na het jaar waarin de heffing gevestigd werd. Wanneer de einddatum van de periode van opschorting of vrijstelling valt na 31 december van het kalenderjaar na het jaar waarin de heffing gevestigd werd moet het aanslagbiljet verstuurd worden tegen het einde van het kwartaal dat volgt op de einddatum van de periode van opschorting of vrijstelling. Wanneer de einddatum van de periode van opschorting of vrijstelling valt voor 31 december van het kalenderjaar na het jaar waarin de heffing gevestigd werd moet het aanslagbiljet verstuurd worden tegen het einde van het kwartaal dat volgt op de einddatum van de periode van opschorting of vrijstelling.
Deze bepaling geldt voor die aanslagbiljetten die vanaf 5 augustus 2004 verstuurd worden. "
§ 2. Aan hetzelfde decreet wordt een artikel 43bis toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Artikel 43bis Voor de toepassing van artikel 42, § 1, en artikel 43. dient, om geldig te zijn, het aanslagbiljet te worden verstuurd uiterlijk tegen de laatste dag van het kwartaal dat volgt op 31 december van het kalenderjaar na het jaar waarin de heffing gevestigd werd. Wanneer de einddatum van de periode van opschorting of vrijstelling valt na 31 december van het kalenderjaar na het jaar waarin de heffing gevestigd werd moet het aanslagbiljet verstuurd worden tegen het einde van het kwartaal dat volgt op de einddatum van de periode van opschorting of vrijstelling. Wanneer de einddatum van de periode van opschorting of vrijstelling valt voor 31 december van het kalenderjaar na het jaar waarin de heffing gevestigd werd moet het aanslagbiljet verstuurd worden tegen het einde van het kwartaal dat volgt op de einddatum van de periode van opschorting of vrijstelling.
Deze bepaling geldt voor die aanslagbiljetten die vanaf 5 augustus 2004 verstuurd worden. "
Art. 51. § 1er. Dans la dernière phrase du cinquième alinéa de l'article 43 du même décret, les mots " majorés par les intérêts attribués à un taux d'intérêt de 0, 5 pour cent par mois calendrier à partir du premier jour du mois qui suit la date de la première redevance suspendue jusqu'au dernier jour du mois qui précède la fin de la suspension " sont supprimés.
§ 2. Au même décret, il est ajouté un article 43bis, rédigé comme suit :
" Article 43bis. Pour l'application de l'article 42, § 1er et l'article 43, la feuille d'impôt doit, pour être valable, être envoyée au plus tard le dernier jour du trimestre suivant le 31 décembre de l'année civile après l'année pendant laquelle la redevance a été constituée. Lorsque la date finale d'une période de suppression ou d'exemption tombe après le 31 décembre de l'année civile pendant laquelle la redevance a été constituée, la feuille d'impôt doit être envoyée vers la fin du trimestre suivant la date finale de la période de suppression ou d'exemption. Lorsque la date finale d'une période de suppression ou d'exemption tombe après le 31 décembre de l'année civile pendant laquelle la redevance a été constituée, la feuille d'impôt doit être envoyée vers la fin du trimestre après la date finale de la période de suppression ou d'exemption.
Cette disposition s'applique aux feuilles d'impôts envoyées à partir du 5 août 2004. "
§ 2. Au même décret, il est ajouté un article 43bis, rédigé comme suit :
" Article 43bis. Pour l'application de l'article 42, § 1er et l'article 43, la feuille d'impôt doit, pour être valable, être envoyée au plus tard le dernier jour du trimestre suivant le 31 décembre de l'année civile après l'année pendant laquelle la redevance a été constituée. Lorsque la date finale d'une période de suppression ou d'exemption tombe après le 31 décembre de l'année civile pendant laquelle la redevance a été constituée, la feuille d'impôt doit être envoyée vers la fin du trimestre suivant la date finale de la période de suppression ou d'exemption. Lorsque la date finale d'une période de suppression ou d'exemption tombe après le 31 décembre de l'année civile pendant laquelle la redevance a été constituée, la feuille d'impôt doit être envoyée vers la fin du trimestre après la date finale de la période de suppression ou d'exemption.
Cette disposition s'applique aux feuilles d'impôts envoyées à partir du 5 août 2004. "
Art. 52. In het laatste lid van artikel 43 van hetzelfde decreet wordt het cijfer " 2 " vervangen door het cijfer " 4 ", en wordt het cijfer " 3 " vervangen door het cijfer " 5 ".
Art. 52. Au dernier alinéa de l'article 43 du même décret, le chiffre 2 est remplacé par le chiffre 4, et le chiffre 3 est remplacé par le chiffre 5.
Art. 53. De eerste twee leden van artikel 44bis van hetzelfde decreet worden samengevoegd in een § 1.
In artikel 44bis van hetzelfde decreet wordt in beide leden de woorden " 31 december 2003 " vervangen door de woorden " 4 augustus 2004 ".
Er wordt een § 2 toegevoegd aan artikel 44bis, die luidt als volgt :
" § 2. De registratieattesten voor de besluiten van de burgemeester tot ongeschikt- en/of onbewoonbaarverklaring, genomen voor de inwerkingtreding van dit decreet, moeten naargelang van het geval verstuurd zijn als volgt :
1° in geval geen beroep bij de Vlaamse Regering is ingediend overeenkomstig artikel 15, § 3, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wordt het registratieattest ten vroegste dertig dagen en ten laatste zestig dagen na de betekening van het besluit van de burgemeester, zoals bedoeld in artikel 15, § 1, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode of artikel 34 van dit decreet, verstuurd;
2° in geval beroep bij de Vlaamse Regering is ingediend overeenkomstig artikel 15, § 3, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wordt het registratieattest ten laatste dertig dagen verstuurd na de betekening van de beslissing in beroep.
Binnen de dertig dagen na betekening van het registratieattest, bedoeld in het eerste lid, kan de houder van het zakelijk recht een verzoekschrift tot beroep indienen bij de inventarisbeheerder.
De inventarisbeheerder behandelt het beroepsverzoekschrift binnen de zestig dagen, zoniet wordt het beroepsverzoekschrift geacht te zijn ingewilligd.
Het verzoekschrift tot beroep wordt beperkt tot de identificatiegegevens en de formele gronden van het registratieattest in het geval van het eerste lid, 2°. "
Er wordt een § 3 toegevoegd aan artikel 44bis, die luidt als volgt :
" § 3. In geval de ongeschikt of onbewoonbaar verklaarde woning is geïnventariseerd voor de inwerkingtreding van het decreet van 7 mei 2004. houdende het decreet houdende wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 en van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat betreft de bestrijding van de leegstand en verkrotting en onbewoonbaarheid van gebouwen en/of woningen, wordt het beroep tegen de registratieattesten die verstuurd zijn na de inwerkingtreding van dit decreet, ingesteld bij de Vlaamse Regering binnen de dertig dagen na de betekening van het registratieattest. De behandeling van het beroepsverzoekschrift verloopt overeenkomstig de bepalingen van artikel 15, § 3, tweede lid, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode.
In afwijking van het eerste lid wordt het beroep tegen het registratieattest dat verstuurd is voor de inwerkingtreding van dit decreet, behandeld door de inventarisbeheerder overeenkomstig de bepalingen van artikel 34 bis, § 2. "
In artikel 44bis van hetzelfde decreet wordt in beide leden de woorden " 31 december 2003 " vervangen door de woorden " 4 augustus 2004 ".
Er wordt een § 2 toegevoegd aan artikel 44bis, die luidt als volgt :
" § 2. De registratieattesten voor de besluiten van de burgemeester tot ongeschikt- en/of onbewoonbaarverklaring, genomen voor de inwerkingtreding van dit decreet, moeten naargelang van het geval verstuurd zijn als volgt :
1° in geval geen beroep bij de Vlaamse Regering is ingediend overeenkomstig artikel 15, § 3, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wordt het registratieattest ten vroegste dertig dagen en ten laatste zestig dagen na de betekening van het besluit van de burgemeester, zoals bedoeld in artikel 15, § 1, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode of artikel 34 van dit decreet, verstuurd;
2° in geval beroep bij de Vlaamse Regering is ingediend overeenkomstig artikel 15, § 3, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wordt het registratieattest ten laatste dertig dagen verstuurd na de betekening van de beslissing in beroep.
Binnen de dertig dagen na betekening van het registratieattest, bedoeld in het eerste lid, kan de houder van het zakelijk recht een verzoekschrift tot beroep indienen bij de inventarisbeheerder.
De inventarisbeheerder behandelt het beroepsverzoekschrift binnen de zestig dagen, zoniet wordt het beroepsverzoekschrift geacht te zijn ingewilligd.
Het verzoekschrift tot beroep wordt beperkt tot de identificatiegegevens en de formele gronden van het registratieattest in het geval van het eerste lid, 2°. "
Er wordt een § 3 toegevoegd aan artikel 44bis, die luidt als volgt :
" § 3. In geval de ongeschikt of onbewoonbaar verklaarde woning is geïnventariseerd voor de inwerkingtreding van het decreet van 7 mei 2004. houdende het decreet houdende wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 en van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat betreft de bestrijding van de leegstand en verkrotting en onbewoonbaarheid van gebouwen en/of woningen, wordt het beroep tegen de registratieattesten die verstuurd zijn na de inwerkingtreding van dit decreet, ingesteld bij de Vlaamse Regering binnen de dertig dagen na de betekening van het registratieattest. De behandeling van het beroepsverzoekschrift verloopt overeenkomstig de bepalingen van artikel 15, § 3, tweede lid, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode.
In afwijking van het eerste lid wordt het beroep tegen het registratieattest dat verstuurd is voor de inwerkingtreding van dit decreet, behandeld door de inventarisbeheerder overeenkomstig de bepalingen van artikel 34 bis, § 2. "
Art. 53. Les deux premiers alinéas de l'article 44bis du même décret sont joints en un seul § 1er.
A l'article 44bis du même décret, les mots " le 31 décembre 2003 " sont remplacés par les mots " le 4 août 2004 " dans les deux alinéas.
Il est ajouté un § 2 à l'article 44bis qui est rédigé comme suit :
§ 2. Les attestations d'enregistrement des décisions du bourgmestre déclarant le logement inadapté et/ou inhabitable prises avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, doivent être envoyées, selon le cas, comme suit :
1° dans le cas où aucun recours n'est formé auprès du Gouvernement flamand conformément à l'article 15 § 3 du décret du 15 juillet 1997 portant le Code flamand du Logement, l'attestation d'enregistrement est envoyée au plus tôt trente jours et au plus tard soixante jours après la notification de la décision du bourgmestre, telle que visé à l'article 15 § 1er du décret du 15 juillet 1997 portant le Code flamand du Logement ou à l'article 34 du présent décret;
2° dans le cas où un recours est formé auprès du Gouvernement flamand conformément à l'article 15 § 3 du décret du 15 juillet 1997 portant le Code flamand du Logement, l'attestation d'enregistrement est envoyée au plus tard trente jours après la notification de la décision en recours.
Dans les trente jours après la notification de l'attestation d'enregistrement, visée au premier alinéa, le détenteur du droit réel peut introduire une demande de recours auprès du gestionnaire de l'inventaire. Le gestionnaire de l'inventaire traite la demande de recours dans les soixante jours, faute de quoi la demande de recours est réputée être acceptée. La demande de recours est limitée aux données d'identification et aux bases formelles de l'attestation dans le cas du premier l'alinéa, 2°. "
Il est ajouté un § 3 à l'article 44bis qui est rédigé comme suit :
" § 3. Dans le cas où l'habitation déclarée inadaptée ou inhabitable, est inscrite à l'inventaire avant l'entrée en vigueur du décret du 7 mai 2004 portant le décret modifiant le décret du 22 décembre 1995 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1996 et du décret du 15 juillet 1997 portant le Code flamand du Logement, en ce qui concerne la lutte contre l'abandon et le délabrement et l'inhabitabilité de bâtiments et/ou d'habitations, le recours contre les attestations d'enregistrement envoyées après l'entrée en vigueur du présent décret, est formé auprès du Gouvernement flamand dans les trente jours après la notification de l'attestation d'enregistrement. Le traitement de la demande de recours se passe conformément aux dispositions de l'article 15 § 3, deuxième alinéa, du décret du 15 juillet 1997 portant le Code flamand du Logement.
Par dérogation au premier alinéa, le recours formé contre l'attestation d'enregistrement envoyée avant l'entrée en vigueur du présent décret, est traité par le gestionnaire de l'inventaire conformément aux dispositions de l'article 34bis, § 2. "
A l'article 44bis du même décret, les mots " le 31 décembre 2003 " sont remplacés par les mots " le 4 août 2004 " dans les deux alinéas.
Il est ajouté un § 2 à l'article 44bis qui est rédigé comme suit :
§ 2. Les attestations d'enregistrement des décisions du bourgmestre déclarant le logement inadapté et/ou inhabitable prises avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, doivent être envoyées, selon le cas, comme suit :
1° dans le cas où aucun recours n'est formé auprès du Gouvernement flamand conformément à l'article 15 § 3 du décret du 15 juillet 1997 portant le Code flamand du Logement, l'attestation d'enregistrement est envoyée au plus tôt trente jours et au plus tard soixante jours après la notification de la décision du bourgmestre, telle que visé à l'article 15 § 1er du décret du 15 juillet 1997 portant le Code flamand du Logement ou à l'article 34 du présent décret;
2° dans le cas où un recours est formé auprès du Gouvernement flamand conformément à l'article 15 § 3 du décret du 15 juillet 1997 portant le Code flamand du Logement, l'attestation d'enregistrement est envoyée au plus tard trente jours après la notification de la décision en recours.
Dans les trente jours après la notification de l'attestation d'enregistrement, visée au premier alinéa, le détenteur du droit réel peut introduire une demande de recours auprès du gestionnaire de l'inventaire. Le gestionnaire de l'inventaire traite la demande de recours dans les soixante jours, faute de quoi la demande de recours est réputée être acceptée. La demande de recours est limitée aux données d'identification et aux bases formelles de l'attestation dans le cas du premier l'alinéa, 2°. "
Il est ajouté un § 3 à l'article 44bis qui est rédigé comme suit :
" § 3. Dans le cas où l'habitation déclarée inadaptée ou inhabitable, est inscrite à l'inventaire avant l'entrée en vigueur du décret du 7 mai 2004 portant le décret modifiant le décret du 22 décembre 1995 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1996 et du décret du 15 juillet 1997 portant le Code flamand du Logement, en ce qui concerne la lutte contre l'abandon et le délabrement et l'inhabitabilité de bâtiments et/ou d'habitations, le recours contre les attestations d'enregistrement envoyées après l'entrée en vigueur du présent décret, est formé auprès du Gouvernement flamand dans les trente jours après la notification de l'attestation d'enregistrement. Le traitement de la demande de recours se passe conformément aux dispositions de l'article 15 § 3, deuxième alinéa, du décret du 15 juillet 1997 portant le Code flamand du Logement.
Par dérogation au premier alinéa, le recours formé contre l'attestation d'enregistrement envoyée avant l'entrée en vigueur du présent décret, est traité par le gestionnaire de l'inventaire conformément aux dispositions de l'article 34bis, § 2. "
HOOFDSTUK VII. - Landbouw.
CHAPITRE VII. - Agriculture.
Afdeling I. - Landbouwinformatienetwerk.
Section Ire. - Réseau d'informations agricoles..
Art. 54. Er wordt een Fonds voor het Landbouwinformatienetwerk opgericht. Dit Fonds is een begrotingsfonds als bedoeld in artikel 45 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit. [1 Het fonds wordt gestijfd door ontvangsten van het Informatienet Landbouwboekhoudingen en door ontvangsten die betrekking hebben op opdrachten, uitgevoerd in het kader van het Landbouwinformatienetwerk.]1
Het Fonds is gemachtigd alle soorten uitgaven, zowel voor personeel, als voor werking of uitrusting te financieren, voorzover deze uitgaven verband houden met de verzameling, analyse en rapportering van de gegevens verzameld in het kader van het Vlaamse Landbouwinformatienetwerk.
Op het Fonds wordt rechtstreeks beschikt door de rekenplichtige die de ontvangsten heeft gedaan.
[1 Het fonds wordt beheerd door de minister bevoegd voor het landbouwbeleid, die zijn beslissingsbevoegdheden inzake de inkomsten en de uitgaven kan delegeren.]1
Het Fonds is gemachtigd alle soorten uitgaven, zowel voor personeel, als voor werking of uitrusting te financieren, voorzover deze uitgaven verband houden met de verzameling, analyse en rapportering van de gegevens verzameld in het kader van het Vlaamse Landbouwinformatienetwerk.
Op het Fonds wordt rechtstreeks beschikt door de rekenplichtige die de ontvangsten heeft gedaan.
[1 Het fonds wordt beheerd door de minister bevoegd voor het landbouwbeleid, die zijn beslissingsbevoegdheden inzake de inkomsten en de uitgaven kan delegeren.]1
Art. 54. Il est créé un Fonds pour le Réseau d'informations agricoles. Ce Fonds est un fonds budgétaire tel que visé à l'article 45 des lois coordonnées sur la Comptabilité de l'Etat. [1 Le Fonds est alimenté par les recettes du Réseau d'Informations des Comptabilités agricoles et par les recettes concernant des missions exécutées dans le cadre du Réseau d'Informations agricoles.]1
Le Fonds est autorisé à financer toutes sortes de dépenses, tant pour le personnel que pour le fonctionnement ou l'équipement, dans la mesure où ces dépenses se rapportent à la collecte, l'analyse et au rapportage des données rassemblées dans le cadre du Réseau d'informations agricoles flamand.
Le comptable qui a perçu les recettes peut directement disposer du Fonds.
[1 Le Fonds est géré par le Ministre chargé de la politique agricole, qui peut déléguer ses compétences de décision en matière de recettes et de dépenses.]1
Le Fonds est autorisé à financer toutes sortes de dépenses, tant pour le personnel que pour le fonctionnement ou l'équipement, dans la mesure où ces dépenses se rapportent à la collecte, l'analyse et au rapportage des données rassemblées dans le cadre du Réseau d'informations agricoles flamand.
Le comptable qui a perçu les recettes peut directement disposer du Fonds.
[1 Le Fonds est géré par le Ministre chargé de la politique agricole, qui peut déléguer ses compétences de décision en matière de recettes et de dépenses.]1
Wijzigingen
Afdeling II. - Vlaams Landbouwinvesteringsfonds.
Section II. - " Vlaams Landbouwinvesteringsfonds " (Fonds flamand d'investissement agricole).
Art. 55. In artikel 12 van het decreet van 22 december 1993. houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994 wordt § 3 vervangen door wat volgt :
" § 3. Het Fonds kan, teneinde verrichtingen te ondersteunen die de structuur van de land- en tuinbouwbedrijven verbeteren, hun rendabiliteit verzekeren en opvoeren, de kostprijzen verminderen of die de diversificatie van de landbouwactiviteiten en landbouwproducten bevorderen, of die de landbouw met verbrede doelstellingen bevorderen, of die de omschakeling naar duurzame landbouw bevorderen, of die de economische activiteiten van de dienstverlenende, de begeleidende, de toeleverende, de afzet en de primaire verwerkende sector van land- en tuinbouw helpen bevorderen, tegemoetkomingen verlenen aan :
1° land- en tuinbouwers alsmede aan hun verenigingen en hun vennootschappen;
2° zelfstandigen, vennootschappen en verenigingen inzake de dienstverlening, begeleiding en de toelevering aan de land- en tuinbouwsector;
3° zelfstandigen, vennootschappen en verenigingen inzake afzet en primaire verwerking van land- en tuinbouwproducten.
De Vlaamse Regering kan nadere regels en voorwaarden bepalen waaraan de zelfstandigen, verenigingen en vennootschappen moeten voldoen.
De Vlaamse Regering kan de steunverlening aan zelfstandigen, vennootschappen en verenigingen uit de agrotoeleveringssector en de agrovoedingssector beperken tot een jaarlijks maximaal percentage van het totale voorziene budget van het Fonds.
Onder verrichting wordt verstaan :
1° investeringsverrichtingen : goederen van blijvende aard verwerven, uitbreiden of verbeteren zoals grond, gebouwen, constructies, bedrijfsuitrusting, installaties, machines, werktuigen en materieel;
2° omschakeling of diversificatie van bedrijven (ingevolge gewijzigde economische omstandigheden) of omschakeling van de landbouwbedrijfsvoering;
3° installatie van jonge land- en tuinbouwers;
4° verwerking en commercialisering van land- en tuinbouwproducten;
5° dienstverlening of begeleiding. "
" § 3. Het Fonds kan, teneinde verrichtingen te ondersteunen die de structuur van de land- en tuinbouwbedrijven verbeteren, hun rendabiliteit verzekeren en opvoeren, de kostprijzen verminderen of die de diversificatie van de landbouwactiviteiten en landbouwproducten bevorderen, of die de landbouw met verbrede doelstellingen bevorderen, of die de omschakeling naar duurzame landbouw bevorderen, of die de economische activiteiten van de dienstverlenende, de begeleidende, de toeleverende, de afzet en de primaire verwerkende sector van land- en tuinbouw helpen bevorderen, tegemoetkomingen verlenen aan :
1° land- en tuinbouwers alsmede aan hun verenigingen en hun vennootschappen;
2° zelfstandigen, vennootschappen en verenigingen inzake de dienstverlening, begeleiding en de toelevering aan de land- en tuinbouwsector;
3° zelfstandigen, vennootschappen en verenigingen inzake afzet en primaire verwerking van land- en tuinbouwproducten.
De Vlaamse Regering kan nadere regels en voorwaarden bepalen waaraan de zelfstandigen, verenigingen en vennootschappen moeten voldoen.
De Vlaamse Regering kan de steunverlening aan zelfstandigen, vennootschappen en verenigingen uit de agrotoeleveringssector en de agrovoedingssector beperken tot een jaarlijks maximaal percentage van het totale voorziene budget van het Fonds.
Onder verrichting wordt verstaan :
1° investeringsverrichtingen : goederen van blijvende aard verwerven, uitbreiden of verbeteren zoals grond, gebouwen, constructies, bedrijfsuitrusting, installaties, machines, werktuigen en materieel;
2° omschakeling of diversificatie van bedrijven (ingevolge gewijzigde economische omstandigheden) of omschakeling van de landbouwbedrijfsvoering;
3° installatie van jonge land- en tuinbouwers;
4° verwerking en commercialisering van land- en tuinbouwproducten;
5° dienstverlening of begeleiding. "
Art. 55. L'article 12, § 3, du décret du 22 décembre 1993 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1994, est remplacé par les dispositions suivantes :
" § 3. En vue de soutenir des opérations qui améliorent la structure des entreprises agricoles et horticoles, consolident et accroissent leur rentabilité, réduisent les coûts ou qui favorisent la diversification des activités et produits agricoles, ou qui favorisent une agriculture aux objectifs élargis, ou qui favorisent la reconversion en agriculture durable, ou qui concourent à promouvoir les activités économiques du secteur des prestations de service, de l'accompagnement, de la sous-traitance, des débouchés et de la transformation primaire en agriculture et horticulture, le Fonds peut accorder des interventions aux :
1° agriculteurs et horticulteurs ainsi qu'à leurs associations et sociétés;
2° indépendants, sociétés et associations actifs dans la prestation de services, l'accompagnement et la sous-traitance dans le secteur agricole et horticole;
3° indépendants, sociétés et associations actifs dans le secteur des débouchés et de la transformation primaire de produits agricoles et horticoles.
Le Gouvernement flamand peut arrêter des règles et conditions complémentaires auxquelles doivent répondre les indépendants, sociétés et associations.
Le Gouvernement flamand peut limiter l'aide aux indépendants, sociétés et associations des secteurs de l'agro-alimentaire et de la sous-traitance agricole à un pourcentage maximum annuel du budget global prévu du Fonds.
Par opération on entend :
1° des opérations d'investissement : acquérir, agrandir ou améliorer des biens permanents tels que des terres, bâtiments, constructions, équipements d'exploitation, installations, machines, outillage et matériel;
2° la reconversion ou la diversification d'entreprises (à la suite de conditions économiques changées) ou la reconversion de la gestion de l'entreprise agricole;
3° l'installation de jeunes agriculteurs et horticulteurs;
4° la transformation et la commercialisation de produits agricoles et horticoles;
5° la prestation de services ou l'accompagnement. "
" § 3. En vue de soutenir des opérations qui améliorent la structure des entreprises agricoles et horticoles, consolident et accroissent leur rentabilité, réduisent les coûts ou qui favorisent la diversification des activités et produits agricoles, ou qui favorisent une agriculture aux objectifs élargis, ou qui favorisent la reconversion en agriculture durable, ou qui concourent à promouvoir les activités économiques du secteur des prestations de service, de l'accompagnement, de la sous-traitance, des débouchés et de la transformation primaire en agriculture et horticulture, le Fonds peut accorder des interventions aux :
1° agriculteurs et horticulteurs ainsi qu'à leurs associations et sociétés;
2° indépendants, sociétés et associations actifs dans la prestation de services, l'accompagnement et la sous-traitance dans le secteur agricole et horticole;
3° indépendants, sociétés et associations actifs dans le secteur des débouchés et de la transformation primaire de produits agricoles et horticoles.
Le Gouvernement flamand peut arrêter des règles et conditions complémentaires auxquelles doivent répondre les indépendants, sociétés et associations.
Le Gouvernement flamand peut limiter l'aide aux indépendants, sociétés et associations des secteurs de l'agro-alimentaire et de la sous-traitance agricole à un pourcentage maximum annuel du budget global prévu du Fonds.
Par opération on entend :
1° des opérations d'investissement : acquérir, agrandir ou améliorer des biens permanents tels que des terres, bâtiments, constructions, équipements d'exploitation, installations, machines, outillage et matériel;
2° la reconversion ou la diversification d'entreprises (à la suite de conditions économiques changées) ou la reconversion de la gestion de l'entreprise agricole;
3° l'installation de jeunes agriculteurs et horticulteurs;
4° la transformation et la commercialisation de produits agricoles et horticoles;
5° la prestation de services ou l'accompagnement. "
Afdeling III. - Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing.
Section III. - Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing (Office flamand d'Agro-Marketing).
Art. 56. De besluiten van de Vlaamse Regering van 6 februari 2004 en 25 juni 2004 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 1997. betreffende de verplichte bijdragen bestemd voor de promotie en afzetbevordering van de Vlaamse producten van de sectoren landbouw, tuinbouw en visserij, worden bekrachtigd.
Art. 56. Les arrêtés du Gouvernement flamand des 6 février 2004 et 25 juin 2004 modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 1997 relatif aux cotisations obligatoires affectées à la promotion des produits flamands des secteurs agricole, horticole et de la pêche et de leurs débouchés, sont sanctionnés.
HOOFDSTUK VIII. - Gemeentefonds en Stedenfonds.
CHAPITRE VIII. - " Gemeentefonds " (Fonds flamand des Communes) et " Stedenfonds " (Fonds flamand des Villes).
Art. 57. In artikel 3 van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaamse Gemeentefonds wordt § 2. vervangen door wat volgt :
" § 2. Vanaf het begrotingsjaar 2005 bedraagt het evolutiepercentage 3,5 %. "
" § 2. Vanaf het begrotingsjaar 2005 bedraagt het evolutiepercentage 3,5 %. "
Art. 57. Dans le décret du 5 juillet 2002 réglant le fonctionnement et la répartition du " Vlaams Stedenfonds " l'article 3, § 2 est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. A partir de l'année budgétaire 2005, le pourcentage d'évolution est de 3, 5 %. "
" § 2. A partir de l'année budgétaire 2005, le pourcentage d'évolution est de 3, 5 %. "
Art. 58. In artikel 5 van het decreet van 13 december 2002 tot vaststelling van de regels inzake de werking en de verdeling van het Vlaamse Stedenfonds wordt § 3 vervangen door wat volgt :
" § 3. Vanaf het begrotingsjaar 2005 bedraagt het evolutiepercentage 3,5 %. "
" § 3. Vanaf het begrotingsjaar 2005 bedraagt het evolutiepercentage 3,5 %. "
Art. 58. L'article 5, § 3, du décret du 13 décembre 2002 réglant le fonctionnement et la répartition du " Vlaams Stedenfonds ", est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. A partir de l'année budgétaire 2005, le pourcentage d'évolution est de 3, 5 %. "
" § 3. A partir de l'année budgétaire 2005, le pourcentage d'évolution est de 3, 5 %. "
HOOFDSTUK IX. - Vlaams Woningfonds.
CHAPITRE IX. - Vlaams Woningfonds (Fonds flamand du Logement).
Art. 59. In artikel 2, 9°, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode worden de woorden " meerdere kinderen deel uitmaken " vervangen door de woorden " ten minste een kind deel uitmaakt ".
Art. 59. Dans l'article 2, 9° du décret du 15 juillet 1997 contenant le Code flamand du Logement, les mots " ayant plusieurs enfants " sont remplacés par les mots " ayant au moins un enfant ".
HOOFDSTUK X. - Leningsmachtigingen van VOI, EVA en IVA.
CHAPITRE X. - Autorisations de prêt pour OPF, AAE et AAI.
Art. 60. Publiekrechtelijke rechtspersonen die opgericht zijn bij of krachtens een decreet en die vallen onder de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest alsook publiekrechtelijke Extern Verzelfstandigde Agentschappen (EVA's) en Intern Verzelfstandigde Agentschappen (IVA's) met rechtspersoonlijkheid kunnen, wanneer zij krachtens hun organiek decreet beschikken over een machtiging tot het aangaan van leningen, slechts leningen aangaan indien zij daartoe bijkomend gemachtigd worden door het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap.
De leningen worden aan de functioneel bevoegde minister en aan de minister van Financiën en Begroting ter machtiging voorgelegd.
De leningen worden aan de functioneel bevoegde minister en aan de minister van Financiën en Begroting ter machtiging voorgelegd.
Art. 60. Les personnes morales de droit public créées par ou en vertu d'un décret et qui relèvent de la Communauté flamande ou de la Région flamande ainsi que les Agences autonomisées externes (AAE) et les Agences autonomisées internes (AAI) dotées de la personnalité juridique peuvent, lorsqu'elles jouissent d'une autorisation de contracter des prêts en vertu de leur décret organique, contracter uniquement des prêts moyennant l'autorisation complémentaire par le décret contenant le budget général des dépenses de la Communauté flamande.
Ces prêts sont soumis pour autorisation au Ministre fonctionnel et au Ministre des Finances et du Budget.
Ces prêts sont soumis pour autorisation au Ministre fonctionnel et au Ministre des Finances et du Budget.
HOOFDSTUK XI. - Elektriciteitsmarkt.
CHAPITRE XI. - Marché de l'électricité.
Art. 61. Artikel 15 van het decreet van 17 juli 2000 houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt wordt opgeheven.
Art. 61. L'article 15 du décret du 17 juillet 2000 relatif à l'organisation du marché de l'électricité, est abrogé.
Art. 62. De in het opgeheven artikel van hetzelfde decreet voorziene gratis distributie kan, bij wijze van overgangsregeling, nog tot uiterlijk 31 december 2005. tussen netbeheerder en leveranciers worden verrekend voor groene stroom die vóór 1 januari 2005. werd geïnjecteerd op het distributienet maar nog niet werd verrekend tussen netbeheerder en leverancier.
Art. 62. La distribution gratuite prévue par l'article abrogé du même décret, peut, à titre transitoire jusqu'au 31 décembre 2005 au plus tard, être réglée entre le gestionnaire de réseau et les fournisseurs pour l'électricité écologique qui a été injectée sur le réseau de distribution avant le 1er janvier 2005 mais qui n'a pas encore été réglée entre le gestionnaire de réseau et le fournisseur.
Art. 63. In artikel 20, § 3, van hetzelfde decreet worden de woorden " de taken bedoeld in artikel 15 " geschrapt.
Art. 63. A l'article 20, § 3, du même décret, les mots " des tâches visées à l'article 15 " sont supprimés.
HOOFDSTUK XII. - Waterzuivering.
CHAPITRE XII. - Epuration des eaux.
Art. 64. In artikel 43 van het decreet van 18 december 1992 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting van 1993, gewijzigd bij de decreten van 5 juli 2002, 20 december 2002 en 19 december 2003, wordt een nieuw lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" De waterzuiveringsinfrastructuur, zoals onder meer rioleringen, collectoren, overstorten, pompstations en zuiveringsinstallaties, aangebracht door de vennootschap bedoeld in artikel 32septies van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van oppervlaktewateren is vrijgesteld van vaste en variabele retributie. "
" De waterzuiveringsinfrastructuur, zoals onder meer rioleringen, collectoren, overstorten, pompstations en zuiveringsinstallaties, aangebracht door de vennootschap bedoeld in artikel 32septies van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van oppervlaktewateren is vrijgesteld van vaste en variabele retributie. "
Art. 64. A l'article 43 du décret du 18 décembre 1992 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1993, modifié par les décrets des 5 juillet 2002, 20 décembre 2002 et 19 décembre 2003, il est ajoute un nouvel alinéa, rédigé comme suit :
L'infrastructure d'épuration des eaux, telle que égouts, collecteurs, déversoirs, stations de pompage et installations d'épuration, installée par la société visée à l'article 32septies de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface, est exemptée d'une rétribution fixe et variable.
L'infrastructure d'épuration des eaux, telle que égouts, collecteurs, déversoirs, stations de pompage et installations d'épuration, installée par la société visée à l'article 32septies de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface, est exemptée d'une rétribution fixe et variable.
Art. 65. In het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in artikel 29, gewijzigd bij decreet van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002, wordt de tweede zin vervangen door wat volgt :
" In afwijking van het eerste lid van artikel 18 blijft het Antwerpse Havenbedrijf verantwoordelijk voor de instandhouding, het onderhoud en de exploitatie van de kanaaldokken en zwaaikommen, met uitzondering van het verwerken van de specie. ";
2° er wordt een nieuw artikel 29ter ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Artikel 29ter Artikel 29ter De Vlaamse Regering wordt ertoe gemachtigd binnen de perken van de begroting toelagen toe te kennen aan het Antwerpse Havenbedrijf voor de instandhouding, het onderhoud en de exploitatie van de kanaaldokken en zwaaikommen, met uitzondering van het verwerken van de specie. "
1° in artikel 29, gewijzigd bij decreet van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002, wordt de tweede zin vervangen door wat volgt :
" In afwijking van het eerste lid van artikel 18 blijft het Antwerpse Havenbedrijf verantwoordelijk voor de instandhouding, het onderhoud en de exploitatie van de kanaaldokken en zwaaikommen, met uitzondering van het verwerken van de specie. ";
2° er wordt een nieuw artikel 29ter ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Artikel 29ter Artikel 29ter De Vlaamse Regering wordt ertoe gemachtigd binnen de perken van de begroting toelagen toe te kennen aan het Antwerpse Havenbedrijf voor de instandhouding, het onderhoud en de exploitatie van de kanaaldokken en zwaaikommen, met uitzondering van het verwerken van de specie. "
Art. 65. Au décret du 2 mars 1999 portant sur la politique et la gestion des ports maritimes sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'article 29, modifié par le décret du 21 décembre 2001 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2002, la deuxième phrase est remplacée par la disposition suivante :
" Par dérogation à l'alinéa premier de l'article 18, la " Antwerps Havenbedrijf " reste responsable de la maintenance, l'entretien et l'exploitation des bassins-canaux et des bassins de virement, à l'exception du traitement de la matière de dragage. ";
2° il est inséré un nouvel article 29ter, rédigé comme suit :
" Article 29ter. Le Gouvernement flamand est autorisé, dans les limites du budget, d'octroyer des subventions à la " Antwerps Havenbedrijf " pour la maintenance, l'entretien et l'exploitation des bassins-canaux et des bassins de virement, à l'exception du traitement de la matière de dragage. "
1° dans l'article 29, modifié par le décret du 21 décembre 2001 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2002, la deuxième phrase est remplacée par la disposition suivante :
" Par dérogation à l'alinéa premier de l'article 18, la " Antwerps Havenbedrijf " reste responsable de la maintenance, l'entretien et l'exploitation des bassins-canaux et des bassins de virement, à l'exception du traitement de la matière de dragage. ";
2° il est inséré un nouvel article 29ter, rédigé comme suit :
" Article 29ter. Le Gouvernement flamand est autorisé, dans les limites du budget, d'octroyer des subventions à la " Antwerps Havenbedrijf " pour la maintenance, l'entretien et l'exploitation des bassins-canaux et des bassins de virement, à l'exception du traitement de la matière de dragage. "
HOOFDSTUK XIII. - Reorganisatie Watersector.
CHAPITRE XIII. - Reorganisation du Secteur de l'Eau.
Afdeling I. - Wijzigingen aan de wet van 26 maart 1971, op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging.
Section Ire. - Modifications à la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution
Art. 66. § 1. In artikel 32quater, § 1, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, ingevoegd bij decreet van 12 december 1990 en gewijzigd bij decreet van 30 juni 2000, worden een 8° en 9° ingevoegd, die luiden als volgt :
" 8° het ecologisch en economisch toezicht op de uitbouw en het beheer van de saneringsinfrastructuur;
9° toezicht op de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk met betrekking tot de doorrekening van de kosten verbonden aan de saneringsverplichting; ".
§ 2. Aan hetzelfde artikel wordt een § 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 3. Met betrekking tot de in § 1, 8°, bepaalde taak kan tegen de beslissingen van de ecologische en economische toezichthouder beroep worden ingesteld bij de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu. De Vlaamse Regering bepaalt hiertoe de voorwaarden. "
" 8° het ecologisch en economisch toezicht op de uitbouw en het beheer van de saneringsinfrastructuur;
9° toezicht op de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk met betrekking tot de doorrekening van de kosten verbonden aan de saneringsverplichting; ".
§ 2. Aan hetzelfde artikel wordt een § 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 3. Met betrekking tot de in § 1, 8°, bepaalde taak kan tegen de beslissingen van de ecologische en economische toezichthouder beroep worden ingesteld bij de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu. De Vlaamse Regering bepaalt hiertoe de voorwaarden. "
Art. 66. § 1er. Dans l'article 32quater, § 1er de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution, inséré par le décret du 12 décembre 1990 et modifié par le décret du 30 juin 2000, il est inséré un 8° et un 9°, rédigés comme suit :
" 8° le contrôle écologique et économique sur le développement et la gestion de l'infrastructure d'assainissement;
9° le contrôle de l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau relativement à l'imputation des frais résultant de l'obligation d'assainissement; ".
§ 2. Au même article, il est ajouté un § 3, rédigé comme suit :
" § 3. En ce qui concerne la mission définie au § 1er, 8°, un recours est ouvert contre les décisions du contrôleur écologique et économique auprès du Ministre flamand chargé de l'environnement. Le Gouvernement flamand arrêté les conditions en la matière. "
" 8° le contrôle écologique et économique sur le développement et la gestion de l'infrastructure d'assainissement;
9° le contrôle de l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau relativement à l'imputation des frais résultant de l'obligation d'assainissement; ".
§ 2. Au même article, il est ajouté un § 3, rédigé comme suit :
" § 3. En ce qui concerne la mission définie au § 1er, 8°, un recours est ouvert contre les décisions du contrôleur écologique et économique auprès du Ministre flamand chargé de l'environnement. Le Gouvernement flamand arrêté les conditions en la matière. "
Art. 67. In artikel 32septies van dezelfde wet, ingevoegd bij decreet van 12 december 1990 en gewijzigd bij de decreten van 22 december 1993 en 8 juli 1996, wordt § 3 vervangen door wat volgt :
" § 3. Met ingang van 1 januari 2005 treedt de economische en ecologische toezichthouder, bedoeld in artikel 32quater, § 1, 8°, in de plaats van de bijzonder gevolmachtigde. Deze toezichthouder wordt overeenkomstig de in § 2 vastgestelde regels belast met de controle op de naleving door de in § 1 bedoelde vennootschap van de bepalingen van de beheersovereenkomst die op 10 november 1993 werd afgesloten tussen het Vlaamse Gewest en de in § 1 bedoelde vennootschap.
§ 4. De in § 1 bedoelde vennootschap kan, onder toezicht van de economische toezichthouder, contracten afsluiten met het oog op de sanering van het afvalwater dat niet afkomstig is van huishoudelijke activiteiten en dat bovendien wordt geloosd in een openbare riolering aangesloten op een operationele openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie.
Het contract vermeldt minstens de berekeningswijze van de verschuldigde vergoeding voor de bovengemeentelijke sanering van het afvalwater.
De economische toezichthouder kan de vorm en de modaliteiten van dergelijke contracten bepalen.
De Vlaamse Regering zal daartoe de nadere regels bepalen, in het bijzonder wat betreft de verwerkbaarheid van het water dat geloosd wordt in een openbare riolering aangesloten op een openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie. "
" § 3. Met ingang van 1 januari 2005 treedt de economische en ecologische toezichthouder, bedoeld in artikel 32quater, § 1, 8°, in de plaats van de bijzonder gevolmachtigde. Deze toezichthouder wordt overeenkomstig de in § 2 vastgestelde regels belast met de controle op de naleving door de in § 1 bedoelde vennootschap van de bepalingen van de beheersovereenkomst die op 10 november 1993 werd afgesloten tussen het Vlaamse Gewest en de in § 1 bedoelde vennootschap.
§ 4. De in § 1 bedoelde vennootschap kan, onder toezicht van de economische toezichthouder, contracten afsluiten met het oog op de sanering van het afvalwater dat niet afkomstig is van huishoudelijke activiteiten en dat bovendien wordt geloosd in een openbare riolering aangesloten op een operationele openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie.
Het contract vermeldt minstens de berekeningswijze van de verschuldigde vergoeding voor de bovengemeentelijke sanering van het afvalwater.
De economische toezichthouder kan de vorm en de modaliteiten van dergelijke contracten bepalen.
De Vlaamse Regering zal daartoe de nadere regels bepalen, in het bijzonder wat betreft de verwerkbaarheid van het water dat geloosd wordt in een openbare riolering aangesloten op een openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie. "
Art. 67. L'article 32septies, § 3, de la même loi, inséré par le décret du 12 décembre 1990 et modifié par les décrets des 22 décembre 1993 et 8 juillet 1996, est remplacé par les dispositions suivantes :
" § 3. A partir du 1er janvier 2005, le contrôleur économique et écologique, visé à l'article 32quater, § 1er, 8°, est subrogé au mandataire spécial. Ce contrôleur est chargé, conformément au dispositions du § 2, du contrôle du respect par la société visée au § 1er, des dispositions du contrat de gestion conclu le 10 novembre 1993 entre la Région flamande et la société visée au § 1er.
§ 4. La société visée au § 1er peut, sous le contrôle du contrôleur économique, conclure des contrats en vue de l'assainissement des eaux usées non domestiques et qui sont en outre déversées dans des égouts publics raccordés à une installation publique d'épuration des eaux d'égout opérationnelle.
Le contrat mentionne au moins le mode de calcul de l'indemnité due pour l'assainissement supracommunal des eaux usées.
Le contrôleur économique peut déterminer la forme et les modalités de tels contrats.
Le Gouvernement flamand fixera à cet effet des modalités, notamment en ce qui concerne la traitabilité de l'eau déversée dans des égouts publics raccordés à une installation publique d'épuration des eaux d'égout. "
" § 3. A partir du 1er janvier 2005, le contrôleur économique et écologique, visé à l'article 32quater, § 1er, 8°, est subrogé au mandataire spécial. Ce contrôleur est chargé, conformément au dispositions du § 2, du contrôle du respect par la société visée au § 1er, des dispositions du contrat de gestion conclu le 10 novembre 1993 entre la Région flamande et la société visée au § 1er.
§ 4. La société visée au § 1er peut, sous le contrôle du contrôleur économique, conclure des contrats en vue de l'assainissement des eaux usées non domestiques et qui sont en outre déversées dans des égouts publics raccordés à une installation publique d'épuration des eaux d'égout opérationnelle.
Le contrat mentionne au moins le mode de calcul de l'indemnité due pour l'assainissement supracommunal des eaux usées.
Le contrôleur économique peut déterminer la forme et les modalités de tels contrats.
Le Gouvernement flamand fixera à cet effet des modalités, notamment en ce qui concerne la traitabilité de l'eau déversée dans des égouts publics raccordés à une installation publique d'épuration des eaux d'égout. "
Art. 68. In artikel 32octies, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij decreet van 12 december 1990, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in 1° worden de woorden " bij wijze van overgangsmaatregel moet voor het kalenderjaar 1992 een investeringsprogramma voor één jaar voorgelegd; " geschrapt;
2° in 2° worden de woorden " voor het kalenderjaar 1991 en ook voor het kalenderjaar 1992 zal een investeringsprogramma voor telkens één jaar worden opgedragen; " geschrapt.
1° in 1° worden de woorden " bij wijze van overgangsmaatregel moet voor het kalenderjaar 1992 een investeringsprogramma voor één jaar voorgelegd; " geschrapt;
2° in 2° worden de woorden " voor het kalenderjaar 1991 en ook voor het kalenderjaar 1992 zal een investeringsprogramma voor telkens één jaar worden opgedragen; " geschrapt.
Art. 68. A l'article 32octies, § 1er du même arrêté, inséré par le décret du 12 décembre 1990, sont apportées les modifications suivantes :
1° au 1° les mots " à titre transitoire, un programme d'investissement couvrant une année doit être soumis pour l'année civile 1992; " sont supprimés;
2° au 2° les mots " pour l'année civile 1991 et l'année civile 1992, la société sera chargée d'exécuter un programme d'investissement portant sur un an; " sont supprimés;.
1° au 1° les mots " à titre transitoire, un programme d'investissement couvrant une année doit être soumis pour l'année civile 1992; " sont supprimés;
2° au 2° les mots " pour l'année civile 1991 et l'année civile 1992, la société sera chargée d'exécuter un programme d'investissement portant sur un an; " sont supprimés;.
Art. 69. In artikel 32duodecies, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij decreet van 22 december 1995 en gewijzigd bij de decreten van 8 juli 1996 en 21 december 2001, wordt het woord " gemeenten " vervangen door de woorden " gemeenten, gemeentebedrijven, intercommunales of intergemeentelijke samenwerkingsverbanden ".
Art. 69. Dans l'article 32duodecies, § 1er de la même loi, inséré par le décret du 22 décembre 1995 et modifié par les décrets des 8 juillet 1996 et 21 décembre 2011, le mots " communes " est remplacé par les mots " communes, régies communales, intercommunales ou structures de coopération intercommunales ".
Art. 70. Artikel 35ter, § 3, van dezelfde wet, ingevoegd bij decreet van 21 december 1990, vervangen bij decreet van 25 juni 1992, en gewijzigd bij de decreten van 22 december 1993, 20 december 1996, 21 december 2001, 27 juni 2003 en 19 december 2003, wordt vervangen door :
" § 3. 1° Voor de heffingsplichtigen bedoeld in artikel 35quater, § 1, 1° en 3°, wordt geen heffing gevestigd op het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar door de openbare drinkwatervoorzieningsmaatschappij gefactureerd waterverbruik voor zover op dit waterverbruik een bijdrage, zoals bedoeld in artikel 16bis, § 1, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, aangerekend werd voor de bovengemeentelijke sanering. Deze bepaling gaat in vanaf heffingsjaar 2006.
2° Voor de heffingsplichtigen bedoeld in artikel 35quinquies en 35septies wordt het bedrag van de heffing verminderd met X.
X = B + V.
waarbij
B = de bijdrage, zoals bedoeld in artikel 16bis, § 1, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, aangerekend gedurende het heffingsjaar voor de bovengemeentelijke sanering. Indien bedoelde bijdrage niet in het heffingsjaar in mindering gebracht wordt, kan deze in mindering gebracht worden van de heffing van het volgende jaar. Elke aangerekende bijdrage kan evenwel slechts éénmaal in mindering gebracht worden;
V = de vergoeding, zoals bedoeld in artikel 32septies, § 4, aangerekend voor de bovengemeentelijke sanering van het afvalwater geloosd in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar.
Deze bepaling gaat in vanaf heffingsjaar 2005. "
" § 3. 1° Voor de heffingsplichtigen bedoeld in artikel 35quater, § 1, 1° en 3°, wordt geen heffing gevestigd op het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar door de openbare drinkwatervoorzieningsmaatschappij gefactureerd waterverbruik voor zover op dit waterverbruik een bijdrage, zoals bedoeld in artikel 16bis, § 1, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, aangerekend werd voor de bovengemeentelijke sanering. Deze bepaling gaat in vanaf heffingsjaar 2006.
2° Voor de heffingsplichtigen bedoeld in artikel 35quinquies en 35septies wordt het bedrag van de heffing verminderd met X.
X = B + V.
waarbij
B = de bijdrage, zoals bedoeld in artikel 16bis, § 1, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, aangerekend gedurende het heffingsjaar voor de bovengemeentelijke sanering. Indien bedoelde bijdrage niet in het heffingsjaar in mindering gebracht wordt, kan deze in mindering gebracht worden van de heffing van het volgende jaar. Elke aangerekende bijdrage kan evenwel slechts éénmaal in mindering gebracht worden;
V = de vergoeding, zoals bedoeld in artikel 32septies, § 4, aangerekend voor de bovengemeentelijke sanering van het afvalwater geloosd in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar.
Deze bepaling gaat in vanaf heffingsjaar 2005. "
Art. 70. L'article 35ter, § 3, de la même loi, inséré par le décret du 21 décembre 1990, remplace par le décret du 25 juin 1992 et modifié par les décrets des 22 décembre 1993, 20 décembre 1996, 21 décembre 2001, 27 juin 2003 et 19 décembre 2003, est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. 1° Pour les redevables, visés à l'article 35quater, § 1er, 1° et 3°, aucune redevance n'est établie sur la consommation d'eau facturée par la société de distribution d'eau dans l'année précédant à l'année d'imposition, pour autant qu'une contribution, telle que visée à l'article 16bis, § 1er du décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine a été portée en compte pour l'assainissement supracommunal. Cette disposition entre en vigueur à partir de l'année d'imposition 2006.
2° Pour les redevables visés aux articles 35quinquies et 35septies, le montant de la redevance est diminué de X.
X = B + V
où
B = la contribution, telle que visée à l'article 16bis, § 1er, du décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine, portée en compte au cours de l'année d'imposition pour l'assainissement supracommunal. Si cette contribution n'est pas déduite au cours de l'année d'imposition, elle peut être déduite de la redevance de l'année suivante. Chaque contribution portée en compte ne peut être déduite qu'une seule fois.
V = l'indemnité telle que visée à l'article 32septies, § 4, portée en compte pour l'assainissement supracommunal des eaux usées déversées au cours de l'année précédant l'année d'imposition. Cette disposition entre en vigueur à partir de l'année d'imposition 2005. "
" § 3. 1° Pour les redevables, visés à l'article 35quater, § 1er, 1° et 3°, aucune redevance n'est établie sur la consommation d'eau facturée par la société de distribution d'eau dans l'année précédant à l'année d'imposition, pour autant qu'une contribution, telle que visée à l'article 16bis, § 1er du décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine a été portée en compte pour l'assainissement supracommunal. Cette disposition entre en vigueur à partir de l'année d'imposition 2006.
2° Pour les redevables visés aux articles 35quinquies et 35septies, le montant de la redevance est diminué de X.
X = B + V
où
B = la contribution, telle que visée à l'article 16bis, § 1er, du décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine, portée en compte au cours de l'année d'imposition pour l'assainissement supracommunal. Si cette contribution n'est pas déduite au cours de l'année d'imposition, elle peut être déduite de la redevance de l'année suivante. Chaque contribution portée en compte ne peut être déduite qu'une seule fois.
V = l'indemnité telle que visée à l'article 32septies, § 4, portée en compte pour l'assainissement supracommunal des eaux usées déversées au cours de l'année précédant l'année d'imposition. Cette disposition entre en vigueur à partir de l'année d'imposition 2005. "
Art. 71. In artikel 35ter, § 4, van dezelfde wet, ingevoegd bij decreet van 22 december 1993 en vervangen bij decreet van 19 december 2003, worden de woorden " wordt het bedrag van de heffing gelijkgesteld aan het minimumbedrag zoals vermeld in § 3 van dit artikel " vervangen door de woorden " is vrijgesteld van heffing voorzover geen sanitair afvalwater geloosd wordt. Indien sanitair afvalwater geloosd wordt, wordt enkel op het sanitair waterverbruik een heffing gevestigd. "
Art. 71. Dans l'article 35ter, § 4, de la même loi, inséré par le décret du 22 décembre 1993 et remplacé par le décret du 19 décembre 2003, les mots " le montant de la redevance est égal au montant minimum mentionné au § 3 du présent article. " sont remplacés par les mots " est exempté de la redevance pour autant qu'aucune eau usée n'est déversée. Si des eaux usées sanitaires sont déversées, seule la consommation d'eau sanitaire est soumise à redevance. "
Art. 72. In artikel 35ter, § 6, 1, van dezelfde wet, worden de woorden " een voor eensluidend verklaard afschrift van de door de Rijksdienst voor pensioenen gedane kennisgeving van de beslissing tot toekenning van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden of van de inkomensgarantie voor ouderen of " geschrapt.
In artikel 35ter, § 6, 3, van dezelfde wet, worden de woorden " een voor eensluidend verklaard afschrift van de door de Federale Overheidsdienst Sociale Zaken gedane kennisgeving van de beslissing tot toekenning van de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap en/of de tegemoetkoming hulp aan bejaarden en/of de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap of " geschrapt.
In artikel 35ter, § 6, 3, van dezelfde wet, worden de woorden " een voor eensluidend verklaard afschrift van de door de Federale Overheidsdienst Sociale Zaken gedane kennisgeving van de beslissing tot toekenning van de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap en/of de tegemoetkoming hulp aan bejaarden en/of de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap of " geschrapt.
Art. 72. A l'article 35ter, § 6, 1, de la même loi, les mots " d'une copie certifiée conforme de la notification de la décision d'octroi du revenu garanti pour personnes âgées ou de la garantie de revenus aux personnes âgées faite par l'Office national des Pensions ou" sont supprimés
A l'article 35ter, § 6, 3, de la même loi, les mots " d'une copie certifiée conforme de la notification de la décision d'octroi de l'allocation de remplacement de revenus pour personnes handicapées et/ou de l'allocation de l'aide aux personnes âgées, et/ou de l'allocation d'intégration pour personnes handicapées, faite par le Service public fédéral Sécurité sociale, ou " sont supprimés.
A l'article 35ter, § 6, 3, de la même loi, les mots " d'une copie certifiée conforme de la notification de la décision d'octroi de l'allocation de remplacement de revenus pour personnes handicapées et/ou de l'allocation de l'aide aux personnes âgées, et/ou de l'allocation d'intégration pour personnes handicapées, faite par le Service public fédéral Sécurité sociale, ou " sont supprimés.
Art. 73. In artikel 35ter van dezelfde wet wordt vóór de §§ 7 en 8, die §§ 8 en 9 worden, een § 7 ingevoegd, die luidt als volgt :
" § 7. 1° Er wordt een volledige vrijstelling verleend aan elke heffingsplichtige als bedoeld in artikel 35quater die in eigen beheer of in gemeenschappelijk beheer gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid heeft gezuiverd of laten zuiveren in een private waterzuiveringsinstallatie die aan de voorwaarden vermeld onder 3° voldoet.
In afwijking van het eerste lid wordt tevens een vrijstelling verleend aan elke heffingsplichtige als bedoeld in artikel 35quater die in eigen beheer of in gemeenschappelijk beheer in de loop van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar een private waterzuiveringsinstallatie, die aan de voorwaarden vermeld onder 3° voldoet, in gebruik heeft genomen voor de zuivering van het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid.
Deze vrijstelling wordt verleend voor het deel van de heffing dat betrekking heeft op het privaat gezuiverde waterverbruik;
2° Er wordt een vrijstelling verleend aan elke heffingsplichtige als bedoeld in artikel 35quinquies en artikel 35septies die in eigen beheer of in gemeenschappelijk beheer gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid heeft gezuiverd of laten zuiveren in een private waterzuiveringsinstallatie die aan de voorwaarden vermeld onder 3° voldoet, voor het deel ressorterend onder sector 56 uit de bijlage bij deze wet.
Deze vrijstelling kan maximaal 30 m3 per persoon, gedomicilieerd op 1 januari van het heffingsjaar, bedragen.
In afwijking van het eerste lid wordt tevens een vrijstelling verleend aan elke heffingsplichtige als bedoeld in artikel 35quinquies en artikel 35septies bedoeld in artikel 35quinquies en artikel 35septies die in eigen beheer of in gemeenschappelijk beheer in de loop van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar een private waterzuiveringsinstallatie, die aan de voorwaarden vermeld onder 3° voldoet, in gebruik heeft genomen voor de zuivering van het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid, voor het deel ressorterend onder sector 56 uit de bijlage bij deze wet. Deze vrijstelling kan maximaal 30 m3 per persoon, gedomicilieerd op 1 januari van het heffingsjaar, per jaar bedragen.
Deze vrijstelling wordt pro rato temporis berekend en wordt enkel verleend voor het deel van de heffing dat betrekking heeft op het privaat gezuiverde waterverbruik;
3° De zuiveringsinstallatie moet voldoen aan de volgende voorwaarden :
a) in zoverre het gaat om een overeenkomstig titel I van het Vlarem als hinderlijk ingedeelde inrichting, moet de exploitatie gemeld en/of vergund zijn overeenkomstig de voorschriften van titel I van het Vlarem;
b) gebouwd zijn en geëxploiteerd worden volgens een code van goede praktijk;
4° De vrijstelling geldt niet voor waterzuiveringsinstallaties die werden aangelegd nadat de woongelegenheid reeds aansluitbaar was op een RWZI;
5° De heffingsplichtige die van bovenstaande vrijstelling wenst te genieten, dient, op straffe van verval van het recht van vrijstelling, uiterlijk binnen de drie maanden vanaf de verzending van het heffingsbiljet, of ingeval de heffingsplichtige een aangifte indient, samen met de aangifte een schriftelijke aanvraag in te dienen bij de Maatschappij met de volgende bijlagen :
a) in zoverre het gaat om een overeenkomstig titel I van het Vlarem als hinderlijk ingedeelde inrichting, een voor eensluidend verklaard afschrift van de melding of lopende vergunning voor de exploitatie van de afvalwaterzuiveringsinstallatie;
b) een attest afgeleverd door de burgemeester, na verplicht advies van de afdeling Milieu-inspectie van Aminal, waaruit blijkt dat de zuiveringsinstallatie is gebouwd en wordt geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het Vlarem.
Het bedoelde attest heeft een geldigheidsduur van 5 jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de burgemeester het attest afleverde, tenzij de VMM beschikt over gegevens waaruit blijkt dat de zuiveringsinfrastructuur tijdens deze periode niet wordt uitgebaat volgens de code van goede praktijk of gewijzigd werd. Indien aan de VMM een attest werd bezorgd als bedoeld in het eerste lid, b, kan de VMM de heffingsplichtige ambtshalve vrijstellen van heffing zonder dat de heffingsplichtige een schriftelijke aanvraag indient. In voorkomend geval ontvangt de heffingsplichtige geen heffingsbiljet.
Voor heffingsplichtigen die gedurende de geldigheidstermijn van het attest een heffingsbiljet hebben gekregen, wordt de vrijstelling enkel op schriftelijke aanvraag verleend. Daarin mag worden verwezen naar het eerder ingediende attest;
6° In afwijking van 5° kan een vrijstelling van de heffing worden toegekend aan de heffingsplichtigen waarvan de woongelegenheid met een gecertificeerde zuiveringsinstallatie is uitgerust en onderhouden volgens de door de regering vastgestelde regels. "
" § 7. 1° Er wordt een volledige vrijstelling verleend aan elke heffingsplichtige als bedoeld in artikel 35quater die in eigen beheer of in gemeenschappelijk beheer gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid heeft gezuiverd of laten zuiveren in een private waterzuiveringsinstallatie die aan de voorwaarden vermeld onder 3° voldoet.
In afwijking van het eerste lid wordt tevens een vrijstelling verleend aan elke heffingsplichtige als bedoeld in artikel 35quater die in eigen beheer of in gemeenschappelijk beheer in de loop van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar een private waterzuiveringsinstallatie, die aan de voorwaarden vermeld onder 3° voldoet, in gebruik heeft genomen voor de zuivering van het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid.
Deze vrijstelling wordt verleend voor het deel van de heffing dat betrekking heeft op het privaat gezuiverde waterverbruik;
2° Er wordt een vrijstelling verleend aan elke heffingsplichtige als bedoeld in artikel 35quinquies en artikel 35septies die in eigen beheer of in gemeenschappelijk beheer gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid heeft gezuiverd of laten zuiveren in een private waterzuiveringsinstallatie die aan de voorwaarden vermeld onder 3° voldoet, voor het deel ressorterend onder sector 56 uit de bijlage bij deze wet.
Deze vrijstelling kan maximaal 30 m3 per persoon, gedomicilieerd op 1 januari van het heffingsjaar, bedragen.
In afwijking van het eerste lid wordt tevens een vrijstelling verleend aan elke heffingsplichtige als bedoeld in artikel 35quinquies en artikel 35septies bedoeld in artikel 35quinquies en artikel 35septies die in eigen beheer of in gemeenschappelijk beheer in de loop van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar een private waterzuiveringsinstallatie, die aan de voorwaarden vermeld onder 3° voldoet, in gebruik heeft genomen voor de zuivering van het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid, voor het deel ressorterend onder sector 56 uit de bijlage bij deze wet. Deze vrijstelling kan maximaal 30 m3 per persoon, gedomicilieerd op 1 januari van het heffingsjaar, per jaar bedragen.
Deze vrijstelling wordt pro rato temporis berekend en wordt enkel verleend voor het deel van de heffing dat betrekking heeft op het privaat gezuiverde waterverbruik;
3° De zuiveringsinstallatie moet voldoen aan de volgende voorwaarden :
a) in zoverre het gaat om een overeenkomstig titel I van het Vlarem als hinderlijk ingedeelde inrichting, moet de exploitatie gemeld en/of vergund zijn overeenkomstig de voorschriften van titel I van het Vlarem;
b) gebouwd zijn en geëxploiteerd worden volgens een code van goede praktijk;
4° De vrijstelling geldt niet voor waterzuiveringsinstallaties die werden aangelegd nadat de woongelegenheid reeds aansluitbaar was op een RWZI;
5° De heffingsplichtige die van bovenstaande vrijstelling wenst te genieten, dient, op straffe van verval van het recht van vrijstelling, uiterlijk binnen de drie maanden vanaf de verzending van het heffingsbiljet, of ingeval de heffingsplichtige een aangifte indient, samen met de aangifte een schriftelijke aanvraag in te dienen bij de Maatschappij met de volgende bijlagen :
a) in zoverre het gaat om een overeenkomstig titel I van het Vlarem als hinderlijk ingedeelde inrichting, een voor eensluidend verklaard afschrift van de melding of lopende vergunning voor de exploitatie van de afvalwaterzuiveringsinstallatie;
b) een attest afgeleverd door de burgemeester, na verplicht advies van de afdeling Milieu-inspectie van Aminal, waaruit blijkt dat de zuiveringsinstallatie is gebouwd en wordt geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het Vlarem.
Het bedoelde attest heeft een geldigheidsduur van 5 jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de burgemeester het attest afleverde, tenzij de VMM beschikt over gegevens waaruit blijkt dat de zuiveringsinfrastructuur tijdens deze periode niet wordt uitgebaat volgens de code van goede praktijk of gewijzigd werd. Indien aan de VMM een attest werd bezorgd als bedoeld in het eerste lid, b, kan de VMM de heffingsplichtige ambtshalve vrijstellen van heffing zonder dat de heffingsplichtige een schriftelijke aanvraag indient. In voorkomend geval ontvangt de heffingsplichtige geen heffingsbiljet.
Voor heffingsplichtigen die gedurende de geldigheidstermijn van het attest een heffingsbiljet hebben gekregen, wordt de vrijstelling enkel op schriftelijke aanvraag verleend. Daarin mag worden verwezen naar het eerder ingediende attest;
6° In afwijking van 5° kan een vrijstelling van de heffing worden toegekend aan de heffingsplichtigen waarvan de woongelegenheid met een gecertificeerde zuiveringsinstallatie is uitgerust en onderhouden volgens de door de regering vastgestelde regels. "
Art. 73. Dans l'article 35ter de la même loi, il est inséré avant les §§ 7 et 8 qui deviennent les §§ 8 et 9, un § 7 rédigé comme suit :
" § 7. 1° Une dispense complète est accordée à chaque redevable, tel que visé à l'article 35quater, qui a épuré ou fait épurer en gestion propre ou en gestion commune au cours de l'année précédant l'année d'imposition les eaux usées domestiques provenant de son logement par une installation privée d'épuration des eaux usées qui répond aux conditions prévues sous 3°.
Par dérogation à l'alinéa premier, une dispense est également accordée a chaque redevable, tel que visé à l'article 35quater, qui fait usage en gestion propre ou en gestion commune au cours de l'année précédant l'année d'imposition, d'une installation privée d'épuration des eaux usées domestiques qui répond aux conditions prévues sous 3°, pour l'épuration des eaux usées provenant de son logement. Cette dispense est accordée pour la partie de la redevance qui porte sur la consommation d'eau épurée à titre privé.
2° Une dispense est accordée à chaque redevable, tel que visé à l'article 35septies, qui a épuré ou fait épurer en gestion propre ou en gestion commune- au cours de l'année précédant l'année d'imposition les eaux usées domestiques provenant de son logement par une installation privée d'épuration des eaux usées qui répond aux conditions prévues sous 3°, pour la partie relevant du secteur 56 de l'annexe de la présente loi. Cette dispense peut s'élever au maximum à 30 m3 par personne, domiciliée le 1er janvier de l'année d'imposition.
Par dérogation à l'alinéa premier, une dispense est également accordée à chaque redevable, tel que visé aux articles 35quinquies et 35septies qui a mis en service en gestion propre ou en gestion commune au cours de l'année précédant l'année d'imposition, une installation privée d'épuration des eaux usées qui répond aux conditions prévues sous 3°, pour les eaux usées domestiques provenant de son logement, pour la partie relevant du secteur 56 de l'annexe de la présente loi - Cette dispense peut s'élever au maximum à 30 m3 par personne, domiciliée le 1er janvier de l'année d'imposition. Cette dispense est calculée pro rato temporis et n'est accordée que pour la partie de la redevance portant sur la consommation d'eau épurée à titre privé;
3° L'installation d'épuration des eaux usées doit répondre aux conditions suivantes :
a) dans la mesure ou il s'agit d'un établissement classé comme incommode conformément au titre Ier du Vlarem, l'exploitation doit être notifiée et/ou autorisée conformément aux dispositions du titre Ier du Vlarem;
b) être construite et exploitée suivant un code de bonne pratique;
4° La dispense ne s'applique pas aux installations d'épuration des eaux usées qui ont été aménagées après que le logement était déjà raccordable à une installation d'épuration des eaux d'égout;
5° Le redevable qui désire bénéficier de la dispense précitée doit, sous peine de déchéance du droit de dispense, au plus tard dans les trois mois de l'envoi de la feuille d'imposition, ou si le redevable présente une déclaration, joindre à la déclaration une demande écrite qu'il adresse à la Société, accompagnée des annexes suivantes :
a) dans la mesure où il s'agit d'un établissement classé comme incommode conformément au titre Ier du Vlarem, une copie certifiée conforme de la notification ou autorisation en cours pour l'exploitation de l'installation d'épuration des eaux usées;
b) une attestation délivrée par le bourgmestre, après avis obligatoire de la Division de l'Inspection de l'environnement d'Aminal, faisant apparaître que l'installation d'épuration est construite et exploitée suivant un code de bonne pratique, conformément aux dispositions du titre II du Vlarem.
L'attestation en question a une durée de validité de 5 ans à compter du 1er janvier de l'année dans laquelle le bourgmestre a délivré l'attestation, à moins que la VMM ne dispose de renseignements faisant apparaître que l'infrastructure d'épuration n'est pas exploitée au cours de ladite période suivant un code de bonne pratique ou a été modifiée. Si une attestation a été transmise à la VMM, telle que visée à l'alinéa premier, b, la VMM peut dispenser d'office le redevable de la redevance sans que ce dernier présente une demande écrite. Le cas échéant, le redevable ne reçoit pas de feuille d'imposition. Pour les redevables qui, au cours de la durée de validité de l'attestation, ont reçu une feuille d'imposition, la dispense est accordée uniquement sur demande écrite. Cette dernière peut référer à l'attestation antérieurement introduite;
6° Par dérogation au 5°, une dispense de la redevance peut être accordée aux redevables dont le logement est équipé d'une installation d'épuration certifiée qui est entretenue suivant les règles déterminées par le gouvernement. "
" § 7. 1° Une dispense complète est accordée à chaque redevable, tel que visé à l'article 35quater, qui a épuré ou fait épurer en gestion propre ou en gestion commune au cours de l'année précédant l'année d'imposition les eaux usées domestiques provenant de son logement par une installation privée d'épuration des eaux usées qui répond aux conditions prévues sous 3°.
Par dérogation à l'alinéa premier, une dispense est également accordée a chaque redevable, tel que visé à l'article 35quater, qui fait usage en gestion propre ou en gestion commune au cours de l'année précédant l'année d'imposition, d'une installation privée d'épuration des eaux usées domestiques qui répond aux conditions prévues sous 3°, pour l'épuration des eaux usées provenant de son logement. Cette dispense est accordée pour la partie de la redevance qui porte sur la consommation d'eau épurée à titre privé.
2° Une dispense est accordée à chaque redevable, tel que visé à l'article 35septies, qui a épuré ou fait épurer en gestion propre ou en gestion commune- au cours de l'année précédant l'année d'imposition les eaux usées domestiques provenant de son logement par une installation privée d'épuration des eaux usées qui répond aux conditions prévues sous 3°, pour la partie relevant du secteur 56 de l'annexe de la présente loi. Cette dispense peut s'élever au maximum à 30 m3 par personne, domiciliée le 1er janvier de l'année d'imposition.
Par dérogation à l'alinéa premier, une dispense est également accordée à chaque redevable, tel que visé aux articles 35quinquies et 35septies qui a mis en service en gestion propre ou en gestion commune au cours de l'année précédant l'année d'imposition, une installation privée d'épuration des eaux usées qui répond aux conditions prévues sous 3°, pour les eaux usées domestiques provenant de son logement, pour la partie relevant du secteur 56 de l'annexe de la présente loi - Cette dispense peut s'élever au maximum à 30 m3 par personne, domiciliée le 1er janvier de l'année d'imposition. Cette dispense est calculée pro rato temporis et n'est accordée que pour la partie de la redevance portant sur la consommation d'eau épurée à titre privé;
3° L'installation d'épuration des eaux usées doit répondre aux conditions suivantes :
a) dans la mesure ou il s'agit d'un établissement classé comme incommode conformément au titre Ier du Vlarem, l'exploitation doit être notifiée et/ou autorisée conformément aux dispositions du titre Ier du Vlarem;
b) être construite et exploitée suivant un code de bonne pratique;
4° La dispense ne s'applique pas aux installations d'épuration des eaux usées qui ont été aménagées après que le logement était déjà raccordable à une installation d'épuration des eaux d'égout;
5° Le redevable qui désire bénéficier de la dispense précitée doit, sous peine de déchéance du droit de dispense, au plus tard dans les trois mois de l'envoi de la feuille d'imposition, ou si le redevable présente une déclaration, joindre à la déclaration une demande écrite qu'il adresse à la Société, accompagnée des annexes suivantes :
a) dans la mesure où il s'agit d'un établissement classé comme incommode conformément au titre Ier du Vlarem, une copie certifiée conforme de la notification ou autorisation en cours pour l'exploitation de l'installation d'épuration des eaux usées;
b) une attestation délivrée par le bourgmestre, après avis obligatoire de la Division de l'Inspection de l'environnement d'Aminal, faisant apparaître que l'installation d'épuration est construite et exploitée suivant un code de bonne pratique, conformément aux dispositions du titre II du Vlarem.
L'attestation en question a une durée de validité de 5 ans à compter du 1er janvier de l'année dans laquelle le bourgmestre a délivré l'attestation, à moins que la VMM ne dispose de renseignements faisant apparaître que l'infrastructure d'épuration n'est pas exploitée au cours de ladite période suivant un code de bonne pratique ou a été modifiée. Si une attestation a été transmise à la VMM, telle que visée à l'alinéa premier, b, la VMM peut dispenser d'office le redevable de la redevance sans que ce dernier présente une demande écrite. Le cas échéant, le redevable ne reçoit pas de feuille d'imposition. Pour les redevables qui, au cours de la durée de validité de l'attestation, ont reçu une feuille d'imposition, la dispense est accordée uniquement sur demande écrite. Cette dernière peut référer à l'attestation antérieurement introduite;
6° Par dérogation au 5°, une dispense de la redevance peut être accordée aux redevables dont le logement est équipé d'une installation d'épuration certifiée qui est entretenue suivant les règles déterminées par le gouvernement. "
Art. 74. Artikel 35quater, § 1, 4°, van dezelfde wet, ingevoegd bij decreet van 21 december 1990, en vervangen bij decreet van 22 december 2000, wordt opgeheven met ingang van 1 januari 2005.
Art. 74. L'article 35quater, § 1er, 4 °, de la même loi, inséré par le décret du 21 décembre 1990 et remplacé par le décret du 22 décembre 2000, est abrogé à partir du 1er janvier 2005.
Art. 75. In artikel 35octies, § 5, wordt het tweede lid geschrapt met ingang van 1 januari 2006.
Art. 75. L'article 35octies, § 5, alinéa deux, est supprimé à partir du 1er janvier 2006.
Art. 76. In artikel 35terdecies van dezelfde wet, ingevoegd bij decreet van 21 december 1990 en gewijzigd bij de decreten van 25 juni 1992, 22 december 2000 en 19 december 2003, wordt in § 2 een derde lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Eveneens in afwijking van het eerste lid kan een heffing of een aanvullende heffing worden gevestigd binnen de twaalf maanden na definitieve regeling van het geschil over de bijdrage van de abonnee, zoals bepaald in artikel 16bis van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending. Deze heffing kan ook gevestigd worden binnen de twaalf maanden na de bevestiging door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk aan de abonnee dat hem of haar ten onrechte een bijdrage werd aangerekend, zoals bepaald in artikel 16bis van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending. "
" Eveneens in afwijking van het eerste lid kan een heffing of een aanvullende heffing worden gevestigd binnen de twaalf maanden na definitieve regeling van het geschil over de bijdrage van de abonnee, zoals bepaald in artikel 16bis van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending. Deze heffing kan ook gevestigd worden binnen de twaalf maanden na de bevestiging door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk aan de abonnee dat hem of haar ten onrechte een bijdrage werd aangerekend, zoals bepaald in artikel 16bis van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending. "
Art. 76. Dans l'article 35ter decies, § 2, de la même loi, inséré par le décret du 21 décembre 1990 et remplacé par les décrets des 25 juin 1992, 22 décembre 2000 et 19 décembre 2003, il est inséré un alinéa trois, rédigé comme suit :
" Egalement par dérogation à l'alinéa premier, une redevance ou une redevance supplémentaire peuvent être établies dans les douze mois suivant le règlement définitif du litige sur la contribution de l'abonné, tel que prévu a l'article 16bis du décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine. Cette redevance peut également être établie dans les douze mois après confirmation par l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau à l'abonné qu'un montant lui a été indûment porté en compte, tel que prévu à l'article 16bis du décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine. "
" Egalement par dérogation à l'alinéa premier, une redevance ou une redevance supplémentaire peuvent être établies dans les douze mois suivant le règlement définitif du litige sur la contribution de l'abonné, tel que prévu a l'article 16bis du décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine. Cette redevance peut également être établie dans les douze mois après confirmation par l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau à l'abonné qu'un montant lui a été indûment porté en compte, tel que prévu à l'article 16bis du décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine. "
Art. 77. In artikel 35quaterdecies, § 4, van dezelfde wet, ingevoegd bij decreet van 21 december 1990 en gewijzigd bij decreet van 22 december 2000, worden de woorden " 2.000 tot 50.000 frank " vervangen door de woorden " 50 tot 1.250 euro ".
Art. 77. Dans l'article 35 quaterdecies, § 4, de la même loi, inséré par le décret du 21 décembre 1990 et modifié par le décret du 22 décembre 2000, les mots " 2 000 à 50 000 F " sont remplacés par les mots " 50 à 1.250 euros ".
Art. 78. In hoofdstuk IIIbis van dezelfde wet wordt een artikel 35vicies semel ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Artikel 35viciessemel. De bepalingen van artikel 32quater, § 1, 8°en 9°, artikel 35ter, §§ 6 en 7, artikel 35terdecies, § 2, derde lid treden in werking op 1 januari 2005. "
" Artikel 35viciessemel. De bepalingen van artikel 32quater, § 1, 8°en 9°, artikel 35ter, §§ 6 en 7, artikel 35terdecies, § 2, derde lid treden in werking op 1 januari 2005. "
Art. 78. Dans le chapitre IIIbis de la même loi, il est inséré un article 35vicies semel, rédigé comme suit :
" Article 35viciessemel. Les dispositions des articles 32quater, § 1, 8 °en 9 °, 35ter, §§ 6 en 7, 35terdecies, § 2, alinéa trois entrent en vigueur le 1er janvier 2005. "
" Article 35viciessemel. Les dispositions des articles 32quater, § 1, 8 °en 9 °, 35ter, §§ 6 en 7, 35terdecies, § 2, alinéa trois entrent en vigueur le 1er janvier 2005. "
Art. 79. (Met ingang van het heffingsjaar 2006 worden de heffingsplichtigen, bedoeld in 35quater, § 1, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, bij wijze van overgangsmaatregel vrijgesteld van heffing voor het door de exploitant van een openbaar waterdis netwerk gefactureerd waterverbruik dat vóór 1 januari 2005 verbruikt werd.)
(Eveneens bij wijze van overgangsmaatregel worden op eenvoudig verzoek van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk, de gemeenten, de gemeentebedrijven, de intercommunales, de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden of de door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteiten die door de gemeenten belast zijn met en instaan voor de aanleg, het aanpassen, het onderhoud of de exploitatie van gemeentelijke saneringsinfrastructuur, de gegevens waarover de Maatschappij beschikt van heffingsplichtigen, bedoeld in artikel 35quater, § 1, 2° en 3°, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, voor zover die noodzakelijk zijn in het kader de aanrekening van de bijdrage, zoals bedoeld in artikel 16bis, § 1, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, en de vergoeding, zoals bedoeld in artikel 16quinquies, § 1, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending,eenmalig meegedeeld in 2006.)
(Eveneens bij wijze van overgangsmaatregel wordt éénmalig het bedrag van de heffing voor de heffingsplichtigen bedoeld in artikelen 35quinquies en 35septies met uitzondering van de heffingsplichtigen in artikel 35ter, § 2, a), voor het heffingsjaar 2005 verminderd met :
- Qdw x vrijgestelde vervuiling x T
waarin :
Qdw het door de openbare watervoorzieningmaatschappij in 2004 gefactureerd drinkwaterverbruik, uitgedrukt in m3;
vrijgestelde vervuiling = de vuilvracht N - Nk, zoals bedoeld in respectievelijk artikel 35quinquies, § 1, en artikel 35septies, § 1, van de wet van 26 maart 1971 voor de heffing 2005 gedeeld door Qdw. Deze vrijgestelde vervuiling kan maximaal 0,025 VE / m3 bedragen;
T = 26,42 euro/VE;
- het voorschot op de vergoeding, zoals bedoeld in artikel 32septies, § 4, van de wet van 26 maart 1971, aangerekend voor de bovengemeentelijke sanering van het afvalwater geloosd in 2005, exclusief btw.
De heffing kan in geen geval negatief worden.)
(Eveneens bij wijze van overgangsmaatregel worden op eenvoudig verzoek van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk, de gemeenten, de gemeentebedrijven, de intercommunales, de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden of de door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteiten die door de gemeenten belast zijn met en instaan voor de aanleg, het aanpassen, het onderhoud of de exploitatie van gemeentelijke saneringsinfrastructuur, de gegevens waarover de Maatschappij beschikt van heffingsplichtigen, bedoeld in artikel 35quater, § 1, 2° en 3°, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, voor zover die noodzakelijk zijn in het kader de aanrekening van de bijdrage, zoals bedoeld in artikel 16bis, § 1, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, en de vergoeding, zoals bedoeld in artikel 16quinquies, § 1, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending,eenmalig meegedeeld in 2006.)
(Eveneens bij wijze van overgangsmaatregel wordt éénmalig het bedrag van de heffing voor de heffingsplichtigen bedoeld in artikelen 35quinquies en 35septies met uitzondering van de heffingsplichtigen in artikel 35ter, § 2, a), voor het heffingsjaar 2005 verminderd met :
- Qdw x vrijgestelde vervuiling x T
waarin :
Qdw het door de openbare watervoorzieningmaatschappij in 2004 gefactureerd drinkwaterverbruik, uitgedrukt in m3;
vrijgestelde vervuiling = de vuilvracht N - Nk, zoals bedoeld in respectievelijk artikel 35quinquies, § 1, en artikel 35septies, § 1, van de wet van 26 maart 1971 voor de heffing 2005 gedeeld door Qdw. Deze vrijgestelde vervuiling kan maximaal 0,025 VE / m3 bedragen;
T = 26,42 euro/VE;
- het voorschot op de vergoeding, zoals bedoeld in artikel 32septies, § 4, van de wet van 26 maart 1971, aangerekend voor de bovengemeentelijke sanering van het afvalwater geloosd in 2005, exclusief btw.
De heffing kan in geen geval negatief worden.)
Art. 79. (A partir de l'an d'imposition 2006, les redevables, visés à l'article 35quater, § 1er, de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution, sont exemptés par mesures transitoire de l'imposition sur l'utilisation d'eau facturée par l'exploitation d'un réseau d'eau public utilisée avant le 1er janvier 2005.)
(communiquer sur simple demande des exploitants d'un réseau public de distribution d'eau, les communes, les régies communales, les intercommunales, les structures de coopération communales ou les entités désignées par la commune après enquête du marché qui sont chargées par les communes et assurent l'aménagement, l'adaptation, l'entretien ou l'exploitation d'infrastructures sanitaires communales, les données dont dispose la Société sur des redevables, visés à l'article 35quater, § 1er, 2° et 3°, de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution, dans la mesure où ils sont nécessaires dans le cadre de l'imputation de la cotisation, visée à l'article 16bis, § 1er du décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine et l'indemnité, visée à l'article 16quinquies, § 1er du décret du 24 mai 2002, ne sont communiquées qu'une seule fois en 2006.)
(Par mesure transitoire, le montant de la redevance pour l'exercice d'imposition 2005 pour les redevables visés aux articles 35quinquies et 35septies, à l'exception des redevables visés à l'article 35ter, § 2, a), est une seule fois diminué de :
- Qdw x pollution exemptée x T
où :
Qdw est la consommation d'eau potable, exprimée en m3, facturée en 2004 par la société publique de distribution d'eau; pollution exemptée = la charge polluée N - Nk, telle que visée, respectivement à l'article 35quinquies, § 1er, et à l'article 35septies, § 1er, de la loi du 26 mars 1971 pour la redevance 2005 divisée par Qdw. Cette pollution exemptée peut s'élever au maximum à 0,025 VE / m3;
T = 26,42 euros / VE;
- l'acompte sur l'indemnité, telle que visée à l'article 32septies, § 4, de la loi du 26 mars 1971, porté en compte pour l'assainissement supracommunal des eaux usées déversées en 2005, hors T.V.A.
La redevance ne peut en aucun cas devenir négatif.)
(communiquer sur simple demande des exploitants d'un réseau public de distribution d'eau, les communes, les régies communales, les intercommunales, les structures de coopération communales ou les entités désignées par la commune après enquête du marché qui sont chargées par les communes et assurent l'aménagement, l'adaptation, l'entretien ou l'exploitation d'infrastructures sanitaires communales, les données dont dispose la Société sur des redevables, visés à l'article 35quater, § 1er, 2° et 3°, de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution, dans la mesure où ils sont nécessaires dans le cadre de l'imputation de la cotisation, visée à l'article 16bis, § 1er du décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine et l'indemnité, visée à l'article 16quinquies, § 1er du décret du 24 mai 2002, ne sont communiquées qu'une seule fois en 2006.)
(Par mesure transitoire, le montant de la redevance pour l'exercice d'imposition 2005 pour les redevables visés aux articles 35quinquies et 35septies, à l'exception des redevables visés à l'article 35ter, § 2, a), est une seule fois diminué de :
- Qdw x pollution exemptée x T
où :
Qdw est la consommation d'eau potable, exprimée en m3, facturée en 2004 par la société publique de distribution d'eau; pollution exemptée = la charge polluée N - Nk, telle que visée, respectivement à l'article 35quinquies, § 1er, et à l'article 35septies, § 1er, de la loi du 26 mars 1971 pour la redevance 2005 divisée par Qdw. Cette pollution exemptée peut s'élever au maximum à 0,025 VE / m3;
T = 26,42 euros / VE;
- l'acompte sur l'indemnité, telle que visée à l'article 32septies, § 4, de la loi du 26 mars 1971, porté en compte pour l'assainissement supracommunal des eaux usées déversées en 2005, hors T.V.A.
La redevance ne peut en aucun cas devenir négatif.)
Afdeling II. - Wijzigingen aan het decreet van 24 januari 1984. houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer.
Art. 80. L'article 28quater, § 1er, du décret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines, est remplacé par la disposition suivante :
Art. 80. Artikel 28quater, § 1, van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer wordt vervangen door wat volgt :
Section III. - Abrogation de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 février 1993.
Afdeling III. - Opheffing van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 1993.
Art. 81. L'arrêté du Gouvernement flamand du 10 février 1993 portant exécution de l'article 35octies, § 5, de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution, est abrogé à partir du 1er janvier 2006.
Art. 81. Het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 1993 tot uitvoering van artikel 35octies, § 5, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, wordt opgeheven met ingang van 1 januari 2006.
Section IV. - Modifications au décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
Afdeling IV. - Wijzigingen aan het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
Art. 82. A l'article X.2.3 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, inséré par décret du 7 mai 2004, sont apportées les modifications suivantes :
Art. 82. In artikel X.2.3 van het decreet van 5 april 1995. houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, ingevoegd bij decreet van 7 mei 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, tweede lid, 8°, worden de woorden " de ecologische regulering van " vervangen door de woorden " het ecologisch en economisch toezicht op ";
2° in § 1, tweede lid, wordt een 18° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 18° toezicht op de waterdistributiemaatschappijen met betrekking tot de doorrekening van de kosten verbonden aan de saneringsverplichting ";
3° in § 1 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Met betrekking tot de in § 1, tweede lid, 8°, bepaalde taak kan tegen de beslissingen van de ecologische en economische toezichthouder beroep worden ingesteld bij de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu. De Vlaamse Regering bepaalt hiertoe de voorwaarden. "
1° in § 1, tweede lid, 8°, worden de woorden " de ecologische regulering van " vervangen door de woorden " het ecologisch en economisch toezicht op ";
2° in § 1, tweede lid, wordt een 18° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 18° toezicht op de waterdistributiemaatschappijen met betrekking tot de doorrekening van de kosten verbonden aan de saneringsverplichting ";
3° in § 1 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Met betrekking tot de in § 1, tweede lid, 8°, bepaalde taak kan tegen de beslissingen van de ecologische en economische toezichthouder beroep worden ingesteld bij de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu. De Vlaamse Regering bepaalt hiertoe de voorwaarden. "
Art. 83. A l'article X.2.4 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, inseré par décret du 7 mai 2004, il est ajouté un § 5, rédigé comme suit :
" § 5. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités concernant les missions citées aux §§ 1er à 3 inclus de l'article X.2.3. "
" § 5. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités concernant les missions citées aux §§ 1er à 3 inclus de l'article X.2.3. "
Art. 83. Aan artikel X.2.4 van het decreet van 5 april 1995. houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, ingevoegd bij decreet van 7 mei 2004, wordt een § 5 toegevoegd, die luidt als volgt :
Section V. - Modifications au décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées a l'utilisation humaine.
Afdeling V. - Wijzigingen aan het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending.
Art. 84. Dans l'article 2 du décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine, il est inséré un 19°, 20°, 21°, 22° et 23°, rédigés comme suit :
Art. 84. In artikel 2 van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending worden een 19°, 20°, 21°, 22° en een 23° ingevoegd, die luiden als volgt :
" 19° sanering : het ondernemen van alle acties nodig voor de organisatie en de uitvoering van het opvangen, transporteren, collecteren en zuiveren van het afvalwater;
20° gemeentelijke saneringsverplichting : elke verplichting inzake sanering die op de gemeenten rust;
21° bovengemeentelijke saneringsverplichting :
elke verplichting inzake sanering die op het Vlaams Gewest rust;
22° wet van 26 maart 1971 : de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging;
23° economische toezichthouder : de instantie belast met het economische toezicht zoals bedoeld in artikel 32quater van de wet van 26. maart 1971 en in artikel X.2.3 van het decreet van 5 april 1995, houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, ingevoegd bij decreet van 7 mei 2004; ".
" 19° sanering : het ondernemen van alle acties nodig voor de organisatie en de uitvoering van het opvangen, transporteren, collecteren en zuiveren van het afvalwater;
20° gemeentelijke saneringsverplichting : elke verplichting inzake sanering die op de gemeenten rust;
21° bovengemeentelijke saneringsverplichting :
elke verplichting inzake sanering die op het Vlaams Gewest rust;
22° wet van 26 maart 1971 : de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging;
23° economische toezichthouder : de instantie belast met het economische toezicht zoals bedoeld in artikel 32quater van de wet van 26. maart 1971 en in artikel X.2.3 van het decreet van 5 april 1995, houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, ingevoegd bij decreet van 7 mei 2004; ".
Art. 85. Dans l'article 3, § 3, du même décret, les mots " Sont exclues du champ d'application du présent décret " sont remplacés par les mots " Sont exclues du champ d'application du présent arrêté, à l'exception des dispositions des articles 6bis, 16bis, 16ter, 16quater, 24 et 25. "
Art. 85. In artikel 3, § 3, van hetzelfde decreet worden de woorden " Van het toepassingsgebied van dit decreet wordt uitgesloten : " vervangen door de woorden " Van het toepassingsgebied van dit decreet wordt uitgesloten, met uitzondering van de bepalingen in artikel 6bis, artikel 16bis, artikel 16ter, artikel 16quater, artikel 24 en artikel 25. "
Art. 86. Dans le chapitre III du même décret, il est inséré un article 6bis, rédigé comme suit :
" Article 6bis. § 1er. Chaque exploitant d'un réseau public de distribution d'eau est chargé de l'assainissement de l'eau fournie par l'exploitant à ses abonnés en vue de la conservation de la qualité de l'eau distribuée.
§ 2. Afin de remplir son obligation d'assainissement, l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau peut organiser cet assainissement, soit lui-même, soit par un tiers.
L'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau ne peut réclamer aucune contribution, telle que prévue à l'article 16bis, aux redevables, visés à l'article 35quinquies et l'article 35septies de la loi du 26 mars 1971, qui sont obligés d'épurer eux-mêmes leurs eaux usées et de les déverser dans les eaux de surface, sur la base des dispositions du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique, des arrêtés d'exécution de ce décret ainsi que des dispositions de l'autorisation écologique.
§ 3. Il est satisfait à l'exécution de l'obligation d'assainissement communale dans le chef de l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau par la conclusion d'une convention avec la commune, la régie communale, l'intercommunale ou une structure de coopération intercommunale ou avec une entité désignée par la commune après un appel au marché.
§ 4. Il est satisfait à l'exécution de l'obligation d'assainissement supracommunal dans le chef de l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau par la conclusion d'une convention avec la société visée au § 1er de l'article 32septies de la loi du 26 mars 1971.
§ 5. Chaque exploitant d'un réseau public de distribution d'eau accorde lors de l'exécution de son obligation d'assainissement une attention maximale à l'utilisation rationnelle de l'eau potable et au débranchement, la réutilisation et l'infiltration des eaux pluviales.
Le Gouvernement flamand peut imposer en la matière aux exploitants d'un réseau public de distribution d'eau des obligations de service public.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités relatives à l'obligation d'assainissement et aux obligations de service public.
§ 6. Le Gouvernement flamand arrêtera les modalités concernant la séparation entre l'obligation d'assainissement communale et supracommunal "
" Article 6bis. § 1er. Chaque exploitant d'un réseau public de distribution d'eau est chargé de l'assainissement de l'eau fournie par l'exploitant à ses abonnés en vue de la conservation de la qualité de l'eau distribuée.
§ 2. Afin de remplir son obligation d'assainissement, l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau peut organiser cet assainissement, soit lui-même, soit par un tiers.
L'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau ne peut réclamer aucune contribution, telle que prévue à l'article 16bis, aux redevables, visés à l'article 35quinquies et l'article 35septies de la loi du 26 mars 1971, qui sont obligés d'épurer eux-mêmes leurs eaux usées et de les déverser dans les eaux de surface, sur la base des dispositions du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique, des arrêtés d'exécution de ce décret ainsi que des dispositions de l'autorisation écologique.
§ 3. Il est satisfait à l'exécution de l'obligation d'assainissement communale dans le chef de l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau par la conclusion d'une convention avec la commune, la régie communale, l'intercommunale ou une structure de coopération intercommunale ou avec une entité désignée par la commune après un appel au marché.
§ 4. Il est satisfait à l'exécution de l'obligation d'assainissement supracommunal dans le chef de l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau par la conclusion d'une convention avec la société visée au § 1er de l'article 32septies de la loi du 26 mars 1971.
§ 5. Chaque exploitant d'un réseau public de distribution d'eau accorde lors de l'exécution de son obligation d'assainissement une attention maximale à l'utilisation rationnelle de l'eau potable et au débranchement, la réutilisation et l'infiltration des eaux pluviales.
Le Gouvernement flamand peut imposer en la matière aux exploitants d'un réseau public de distribution d'eau des obligations de service public.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités relatives à l'obligation d'assainissement et aux obligations de service public.
§ 6. Le Gouvernement flamand arrêtera les modalités concernant la séparation entre l'obligation d'assainissement communale et supracommunal "
Art. 86. In hoofdstuk III van hetzelfde decreet wordt een artikel 6bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Artikel 6bis, § 1. Elke exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk wordt belast met de sanering van het door de exploitant aan haar abonnees geleverde water met het oog op het behoud van de kwaliteit van het geleverde water.
§ 2. Om aan zijn saneringsverplichting te voldoen, kan de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk deze sanering hetzij zelf organiseren, hetzij hiervoor beroep doen op een derde.
De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk mag geen bijdrage, zoals bedoeld in artikel 16bis, vragen aan de heffingsplichtigen, bedoeld in artikel 35quinquies en artikel 35septies van de wet van 26 maart 1971, die op basis van de bepalingen van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, alle uitvoeringsbepalingen van dit decreet, evenals de bepalingen uit de betreffende milieuvergunning verplicht zijn hun afvalwater zelf te zuiveren en in oppervlaktewater lozen.
§ 3. Aan de uitvoering van de gemeentelijke saneringsverplichting wordt in hoofde van de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk voldaan door een overeenkomst af te sluiten met de gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband of een door de gemeente na een publieke marktbevraging aangestelde entiteit.
§ 4. Aan de uitvoering van de bovengemeentelijke saneringsverplichting wordt in hoofde van de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk voldaan door een overeenkomst af te sluiten met de in § 1 van artikel 32septies van de wet van 26 maart 1971 bedoelde vennootschap.
§ 5. Elke exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk besteedt bij het voldoen aan zijn saneringsverplichting maximaal aandacht aan het rationeel gebruik van drinkwater en aan de afkoppeling, het hergebruik en de infiltratie van regenwater.
De Vlaamse Regering kan terzake aan de exploitanten van een openbaar waterdistributie netwerk openbaredienstverplichtingen opleggen.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de saneringsverplichting en de openbaredienstverplichtingen.
§ 6. De Vlaamse Regering zal nadere regels vastleggen met betrekking tot de scheiding tussen de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichting. "
" Artikel 6bis, § 1. Elke exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk wordt belast met de sanering van het door de exploitant aan haar abonnees geleverde water met het oog op het behoud van de kwaliteit van het geleverde water.
§ 2. Om aan zijn saneringsverplichting te voldoen, kan de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk deze sanering hetzij zelf organiseren, hetzij hiervoor beroep doen op een derde.
De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk mag geen bijdrage, zoals bedoeld in artikel 16bis, vragen aan de heffingsplichtigen, bedoeld in artikel 35quinquies en artikel 35septies van de wet van 26 maart 1971, die op basis van de bepalingen van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, alle uitvoeringsbepalingen van dit decreet, evenals de bepalingen uit de betreffende milieuvergunning verplicht zijn hun afvalwater zelf te zuiveren en in oppervlaktewater lozen.
§ 3. Aan de uitvoering van de gemeentelijke saneringsverplichting wordt in hoofde van de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk voldaan door een overeenkomst af te sluiten met de gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband of een door de gemeente na een publieke marktbevraging aangestelde entiteit.
§ 4. Aan de uitvoering van de bovengemeentelijke saneringsverplichting wordt in hoofde van de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk voldaan door een overeenkomst af te sluiten met de in § 1 van artikel 32septies van de wet van 26 maart 1971 bedoelde vennootschap.
§ 5. Elke exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk besteedt bij het voldoen aan zijn saneringsverplichting maximaal aandacht aan het rationeel gebruik van drinkwater en aan de afkoppeling, het hergebruik en de infiltratie van regenwater.
De Vlaamse Regering kan terzake aan de exploitanten van een openbaar waterdistributie netwerk openbaredienstverplichtingen opleggen.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de saneringsverplichting en de openbaredienstverplichtingen.
§ 6. De Vlaamse Regering zal nadere regels vastleggen met betrekking tot de scheiding tussen de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichting. "
Art. 87. Dans le chapitre V du même décret, il est inséré une section 4, comprenant les articles 16bis, 16ter, 16quater, rédigés comme suit :
" Section IV. - Calcul de la contribution.
Art. 16bis. § 1er. Les exploitants d'un réseau public de distribution d'eau peuvent porter en compte à charge de leurs abonnés une contribution dans le coût de l'obligation d'assainissement imposée.
§ 2. Les contributions dans le coût de l'obligation d'assainissement imposée au niveau communal et supracommunal, sont reprises dans la facture d'eau comme partie intégrante du prix intégral pour la distribution d'eau par le réseau public de distribution d'eau.
§ 3. L'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau détermine la contribution, sous le contrôle du contrôleur économique, en fonction des coûts à sa charge pour respecter son obligation d'assainissement au niveau communal et supracommunal.
La contribution pour l'assainissement au niveau communal peut s'élever au maximum a 1,5 fois la contribution pour l'assainissement au niveau supracommunal. La contribution pour l'assainissement au niveau communal est affectée au financement de l'obligation d'assainissement communale.
A cet effet, les éléments suivants sont pris en compte :
1° la pollution que l'abonné engendre conformément au principe " le pollueur paie ";
2° l'indemnité pour le coût d'assainissement par m3 d'eau;
3° une part des contribution non percevables;
4° une part des dispenses ou corrections sociales imposées par la commune respectivement la Région flamande;
5° l'intervention dans le financement par la commune respectivement la Région flamande.
Le contrôleur économique peut, pour des raisons économiques, écologiques et sociales imposer des restrictions en matière de contribution à charge des abonnés.
Le Gouvernement flamand peut arrêter des conditions en la matière.
§ 4. Les exploitants d'un réseau public de distribution d'eau mettent à disposition gratuitement, sur simple demande du contrôleur économique, toutes les données et informations disponibles dont celui-ci a besoin pour accomplir ses missions.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les conditions de mise à disposition de ces informations.
Art. 16ter. § 1er. La contribution relative à l'obligation d'assainissement supracommunal qui est portée en compte à l'abonné, est calculée comme suit :
B = P x N
N = 0,025 x Q
où
B = la contribution portée en compte à l'abonné;
P = le prix par unité polluante;
N = la pollution;
Q = la consommation d'eau à facturer y compris l'eau fournie gratuitement exprimée en m3.
Si la consommation d'eau à facturer n'est pas exprimée en m3 mais en unités tarifaires, la consommation d'eau à facturer est assimilée au nombre d'unités tarifaires y compris les unités tarifaires fournies gratuitement, divisée par 2,37.
§ 2. Par dérogation au § 1er, une contribution minimum peut être portée en compte. Le montant de la contribution minimum et le modalités de son imputation sont sous le contrôle du contrôleur économique.
§ 3. En ce qui concerne la contribution pour l'obligation d'assainissement supracommunal, le Gouvernement flamand peut imposer des corrections dont l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau doit tenir compte.
Cette correction peut consister en une diminution voire une dispense de la contribution de l'abonné et ce pour des raisons sociales, économiques ou écologiques.
Le Gouvernement flamand arrête les conditions à respecter pour pouvoir bénéficier de ces corrections.
Art. 16quater. La fixation de la contribution pour l'obligation d'assainissement supracommunal fait partie des conventions visées à l'article 6bis, § 3. "
" Section IV. - Calcul de la contribution.
Art. 16bis. § 1er. Les exploitants d'un réseau public de distribution d'eau peuvent porter en compte à charge de leurs abonnés une contribution dans le coût de l'obligation d'assainissement imposée.
§ 2. Les contributions dans le coût de l'obligation d'assainissement imposée au niveau communal et supracommunal, sont reprises dans la facture d'eau comme partie intégrante du prix intégral pour la distribution d'eau par le réseau public de distribution d'eau.
§ 3. L'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau détermine la contribution, sous le contrôle du contrôleur économique, en fonction des coûts à sa charge pour respecter son obligation d'assainissement au niveau communal et supracommunal.
La contribution pour l'assainissement au niveau communal peut s'élever au maximum a 1,5 fois la contribution pour l'assainissement au niveau supracommunal. La contribution pour l'assainissement au niveau communal est affectée au financement de l'obligation d'assainissement communale.
A cet effet, les éléments suivants sont pris en compte :
1° la pollution que l'abonné engendre conformément au principe " le pollueur paie ";
2° l'indemnité pour le coût d'assainissement par m3 d'eau;
3° une part des contribution non percevables;
4° une part des dispenses ou corrections sociales imposées par la commune respectivement la Région flamande;
5° l'intervention dans le financement par la commune respectivement la Région flamande.
Le contrôleur économique peut, pour des raisons économiques, écologiques et sociales imposer des restrictions en matière de contribution à charge des abonnés.
Le Gouvernement flamand peut arrêter des conditions en la matière.
§ 4. Les exploitants d'un réseau public de distribution d'eau mettent à disposition gratuitement, sur simple demande du contrôleur économique, toutes les données et informations disponibles dont celui-ci a besoin pour accomplir ses missions.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les conditions de mise à disposition de ces informations.
Art. 16ter. § 1er. La contribution relative à l'obligation d'assainissement supracommunal qui est portée en compte à l'abonné, est calculée comme suit :
B = P x N
N = 0,025 x Q
où
B = la contribution portée en compte à l'abonné;
P = le prix par unité polluante;
N = la pollution;
Q = la consommation d'eau à facturer y compris l'eau fournie gratuitement exprimée en m3.
Si la consommation d'eau à facturer n'est pas exprimée en m3 mais en unités tarifaires, la consommation d'eau à facturer est assimilée au nombre d'unités tarifaires y compris les unités tarifaires fournies gratuitement, divisée par 2,37.
§ 2. Par dérogation au § 1er, une contribution minimum peut être portée en compte. Le montant de la contribution minimum et le modalités de son imputation sont sous le contrôle du contrôleur économique.
§ 3. En ce qui concerne la contribution pour l'obligation d'assainissement supracommunal, le Gouvernement flamand peut imposer des corrections dont l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau doit tenir compte.
Cette correction peut consister en une diminution voire une dispense de la contribution de l'abonné et ce pour des raisons sociales, économiques ou écologiques.
Le Gouvernement flamand arrête les conditions à respecter pour pouvoir bénéficier de ces corrections.
Art. 16quater. La fixation de la contribution pour l'obligation d'assainissement supracommunal fait partie des conventions visées à l'article 6bis, § 3. "
Art. 87. In hoofdstuk V van hetzelfde decreet wordt een afdeling 4, bestaande uit de artikelen 16bis, 16ter, 16quater, ingevoegd, die luidt als volgt :
" Afdeling IV. - Berekening van de bijdrage.
Art. 16bis. § 1. De exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk kunnen een bijdrage in de kostprijs van de opgelegde saneringsverplichting aanrekenen lastens hun abonnees.
§ 2. De bijdragen in de kostprijs van de opgelegde saneringsverplichting op gemeentelijk en bovengemeentelijk vlak worden als onderdeel van de integrale prijs voor het leveren van water via het openbaar waterdistributienetwerk opgenomen in de waterfactuur.
§ 3. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk bepaalt onder toezicht van de economische toezichthouder de bijdrage in functie van de kosten die hij moet dragen om zijn saneringsverplichting op gemeentelijk en bovengemeentelijk vlak na te komen. De bijdrage voor de sanering op gemeentelijke vlak mag maximaal 1,5 keer de bijdrage voor de sanering op bovengemeentelijke vlak bedragen. De bijdrage voor de sanering op gemeentelijk vlak is bestemd voor de financiering van de gemeentelijke saneringsverplichting.
Hierbij wordt minstens rekening gehouden met de volgende elementen :
1° de vervuiling die de abonnee veroorzaakt, conform het " de vervuiler betaalt "-beginsel;
2° de vergoeding voor de saneringskost per m3 water;
3° een aandeel van de niet-inbare bijdragen;
4° een aandeel voor de door de gemeente respectievelijk het Vlaams Gewest opgelegde vrijstellingen of sociale correcties;
5° de door de gemeente respectievelijk het Vlaams Gewest toegekende tussenkomst in de financiering.
De economische toezichthouder kan om economische, ecologische en sociale redenen beperkingen opleggen inzake de bijdrage die aan de abonnees worden aangerekend.
De Vlaamse Regering kan daartoe de voorwaarden bepalen.
§ 4. De exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk stellen op eenvoudig verzoek van de economische toezichthouder kosteloos alle beschikbare gegevens en inlichtingen die de economische toezichthouder nodig heeft ter uitvoering van zijn taken te zijner beschikking.
De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaronder deze informatie ter beschikking wordt gesteld.
Art. 16ter. § 1. De bijdrage met betrekking tot de bovengemeentelijke saneringsverplichting die lastens de abonnees wordt aangerekend, wordt als volgt berekend :
B = P x N
N = 0,025 x Q
waarbij
B = de bijdrage aangerekend lastens de abonnee;
P = de prijs per vervuilingseenheid;
N = de vervuiling;
Q = het te factureren waterverbruik inclusief het gratis geleverde water uitgedrukt in m3.
Indien het te factureren waterverbruik niet uitgedrukt wordt in m3, maar in tariefeenheden, wordt het te factureren waterverbruik gelijkgesteld aan het aantal tariefeenheden inclusief de gratis geleverde tariefeenheden, gedeeld door 2,37.
§ 2. In afwijking van § 1 kan een minimumbijdrage aangerekend worden. Het bedrag van de minimumbijdrage en de modaliteiten van de aanrekening staan onder toezicht van de economische toezichthouder.
§ 3. Met betrekking tot de bijdrage voor de bovengemeentelijke saneringsverplichting kan de Vlaamse Regering een correctie bepalen, waarmee de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk rekening moet houden.
Deze correctie kan gaan van een vermindering tot het vrijstellen van de bijdrage van de abonnee en dit om sociale, economische of ecologische redenen.
De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaraan voldaan moet worden om in aanmerking te komen voor deze correcties.
Art. 16quater. De bepaling van de bijdrage voor de gemeentelijke saneringsverplichting maakt deel uit van de overeenkomsten bedoeld in artikel 6bis, § 3. "
" Afdeling IV. - Berekening van de bijdrage.
Art. 16bis. § 1. De exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk kunnen een bijdrage in de kostprijs van de opgelegde saneringsverplichting aanrekenen lastens hun abonnees.
§ 2. De bijdragen in de kostprijs van de opgelegde saneringsverplichting op gemeentelijk en bovengemeentelijk vlak worden als onderdeel van de integrale prijs voor het leveren van water via het openbaar waterdistributienetwerk opgenomen in de waterfactuur.
§ 3. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk bepaalt onder toezicht van de economische toezichthouder de bijdrage in functie van de kosten die hij moet dragen om zijn saneringsverplichting op gemeentelijk en bovengemeentelijk vlak na te komen. De bijdrage voor de sanering op gemeentelijke vlak mag maximaal 1,5 keer de bijdrage voor de sanering op bovengemeentelijke vlak bedragen. De bijdrage voor de sanering op gemeentelijk vlak is bestemd voor de financiering van de gemeentelijke saneringsverplichting.
Hierbij wordt minstens rekening gehouden met de volgende elementen :
1° de vervuiling die de abonnee veroorzaakt, conform het " de vervuiler betaalt "-beginsel;
2° de vergoeding voor de saneringskost per m3 water;
3° een aandeel van de niet-inbare bijdragen;
4° een aandeel voor de door de gemeente respectievelijk het Vlaams Gewest opgelegde vrijstellingen of sociale correcties;
5° de door de gemeente respectievelijk het Vlaams Gewest toegekende tussenkomst in de financiering.
De economische toezichthouder kan om economische, ecologische en sociale redenen beperkingen opleggen inzake de bijdrage die aan de abonnees worden aangerekend.
De Vlaamse Regering kan daartoe de voorwaarden bepalen.
§ 4. De exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk stellen op eenvoudig verzoek van de economische toezichthouder kosteloos alle beschikbare gegevens en inlichtingen die de economische toezichthouder nodig heeft ter uitvoering van zijn taken te zijner beschikking.
De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaronder deze informatie ter beschikking wordt gesteld.
Art. 16ter. § 1. De bijdrage met betrekking tot de bovengemeentelijke saneringsverplichting die lastens de abonnees wordt aangerekend, wordt als volgt berekend :
B = P x N
N = 0,025 x Q
waarbij
B = de bijdrage aangerekend lastens de abonnee;
P = de prijs per vervuilingseenheid;
N = de vervuiling;
Q = het te factureren waterverbruik inclusief het gratis geleverde water uitgedrukt in m3.
Indien het te factureren waterverbruik niet uitgedrukt wordt in m3, maar in tariefeenheden, wordt het te factureren waterverbruik gelijkgesteld aan het aantal tariefeenheden inclusief de gratis geleverde tariefeenheden, gedeeld door 2,37.
§ 2. In afwijking van § 1 kan een minimumbijdrage aangerekend worden. Het bedrag van de minimumbijdrage en de modaliteiten van de aanrekening staan onder toezicht van de economische toezichthouder.
§ 3. Met betrekking tot de bijdrage voor de bovengemeentelijke saneringsverplichting kan de Vlaamse Regering een correctie bepalen, waarmee de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk rekening moet houden.
Deze correctie kan gaan van een vermindering tot het vrijstellen van de bijdrage van de abonnee en dit om sociale, economische of ecologische redenen.
De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaraan voldaan moet worden om in aanmerking te komen voor deze correcties.
Art. 16quater. De bepaling van de bijdrage voor de gemeentelijke saneringsverplichting maakt deel uit van de overeenkomsten bedoeld in artikel 6bis, § 3. "
Art. 88. Dans le chapitre IX du même décret, l'article 24 est remplacé par les articles suivants :
" Art. 24. A titre transitoire, les exploitants d'un réseau public de distribution d'eau portent en compte pour l'obligation d'assainissement supracommunal, une contribution sur les consommations d'eau facturées à partir de 2005, à l'exception de la consommation d'eau calculée pro rato temporis en 2004.
Art. 25. A titre transitoire et jusqu'à ce que le Gouvernement flamand applique la compétence prévue à l'article 16ter, § 3, les corrections telles que prescrites à l'article 35bis, § 4, § 5 et § 6, à l'article 35ter, § 4, § 5, § 6, § 7, § 8 et § 9, à l'article 35quinquies, § 6, § 7, § 8 et § 9 et à l'article 35sexies de la loi du 26 mars 1971, sont reprises pour la détermination de la correction prévue au présent article, étant entendu que les mots " la redevance ", " la feuille d'imposition ", " l'année d'imposition " et " le redevable " sont remplacés respectivement par les mots " la contribution ", " la facture d'eau ", l'année de facturation ", " l'abonné " et que les abonnés qui remplissent les conditions de dispense doivent adresser leur demande dans les délais impartis à l'exploitant du réseau public de distribution d'eau.
Art. 26. Le présent décret entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge. Par dérogation, les dispositions de l'article 6bis, l'article 16bis, l'article 16ter, l'article 16quater, l'article 24 et l'article 25 entrent en vigueur le 1er janvier 2005. "
" Art. 24. A titre transitoire, les exploitants d'un réseau public de distribution d'eau portent en compte pour l'obligation d'assainissement supracommunal, une contribution sur les consommations d'eau facturées à partir de 2005, à l'exception de la consommation d'eau calculée pro rato temporis en 2004.
Art. 25. A titre transitoire et jusqu'à ce que le Gouvernement flamand applique la compétence prévue à l'article 16ter, § 3, les corrections telles que prescrites à l'article 35bis, § 4, § 5 et § 6, à l'article 35ter, § 4, § 5, § 6, § 7, § 8 et § 9, à l'article 35quinquies, § 6, § 7, § 8 et § 9 et à l'article 35sexies de la loi du 26 mars 1971, sont reprises pour la détermination de la correction prévue au présent article, étant entendu que les mots " la redevance ", " la feuille d'imposition ", " l'année d'imposition " et " le redevable " sont remplacés respectivement par les mots " la contribution ", " la facture d'eau ", l'année de facturation ", " l'abonné " et que les abonnés qui remplissent les conditions de dispense doivent adresser leur demande dans les délais impartis à l'exploitant du réseau public de distribution d'eau.
Art. 26. Le présent décret entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge. Par dérogation, les dispositions de l'article 6bis, l'article 16bis, l'article 16ter, l'article 16quater, l'article 24 et l'article 25 entrent en vigueur le 1er janvier 2005. "
Art. 88. In hoofdstuk IX van hetzelfde decreet wordt artikel 24 vervangen door de volgende artikelen :
CHAPITRE XIV. - Culture.
HOOFDSTUK XIV. - Cultuur.
Art. 89. L'article 73 du décret du 13 juillet 2001 portant stimulation d'une politique culturelle locale qualitative et intégrale, modifié par les décrets des 5 juillet 2002, 20 décembre 2002 et 21 mars 2003, est remplacé par la disposition suivante :
Art. 89. Artikel 73 van het decreet van 13 juli 2001 houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid, gewijzigd bij de decreten van 5 juli 2002, 20 december 2002 en 21 maart 2003, wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 73. In afwijking van artikel 38, § 1, 2°, van dit decreet, geldt voor de bedoelde gemeenten de volgende overgangsbepaling :
De toekenning van het nieuwe subsidiebedrag wordt gespreid over een overgangsperiode van 5 jaar, met ingang van 2002, waarbij elk jaar, behalve in 2005, het verschil tussen de nieuwe berekeningsbasis en het toegekende subsidiebedrag van 2001 met 25 % wordt verminderd. "
" Artikel 73. In afwijking van artikel 38, § 1, 2°, van dit decreet, geldt voor de bedoelde gemeenten de volgende overgangsbepaling :
De toekenning van het nieuwe subsidiebedrag wordt gespreid over een overgangsperiode van 5 jaar, met ingang van 2002, waarbij elk jaar, behalve in 2005, het verschil tussen de nieuwe berekeningsbasis en het toegekende subsidiebedrag van 2001 met 25 % wordt verminderd. "
Art. 90. L'article 74 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 74. Par dérogation à l'article 39 du présent décret, le régime suivant s'applique à l'année d'activité 2005 :
La subvention forfaitaire de 0, 60 euro par habitant est remplacée, pour l'année d'activité 2005, par une subvention forfaitaire de 0, 3 euro par habitant. Pour le calcul de cette subvention, en ce qui concerne les communes situées dans la région de Bruxelles-Capitale, 30 % seulement de leur population sont pris en compte. La subvention appuyant la participation des communes à la politique des bibliothèques orientée sur la région sera ajoutée, pour l'année d'activité 2005, à la subvention prévue à l'article 40 du présent décret pour le VCOB en vue du développement d'un catalogue centralisé.
Les conditions d'octroi de cette subvention sont fixées dans le contrat de gestion. "
" Art. 74. Par dérogation à l'article 39 du présent décret, le régime suivant s'applique à l'année d'activité 2005 :
La subvention forfaitaire de 0, 60 euro par habitant est remplacée, pour l'année d'activité 2005, par une subvention forfaitaire de 0, 3 euro par habitant. Pour le calcul de cette subvention, en ce qui concerne les communes situées dans la région de Bruxelles-Capitale, 30 % seulement de leur population sont pris en compte. La subvention appuyant la participation des communes à la politique des bibliothèques orientée sur la région sera ajoutée, pour l'année d'activité 2005, à la subvention prévue à l'article 40 du présent décret pour le VCOB en vue du développement d'un catalogue centralisé.
Les conditions d'octroi de cette subvention sont fixées dans le contrat de gestion. "
Art. 90. Artikel 74 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 74. In afwijking van artikel 39 van dit decreet, is voor het werkjaar 2005 de volgende regeling van toepassing :
De forfaitaire subsidie van 0,6 euro per inwoner wordt voor het werkjaar 2005 vervangen door een forfaitaire subsidie van 0,3 euro per inwoner.
Voor de berekening van deze subsidie wordt voor wat betreft de gemeenten gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk gebied, slechts 30 % van hun bevolking in aanmerking genomen. Deze subsidie ter ondersteuning van de participatie van de gemeenten aan het streekgerichte bibliotheekbeleid zal voor het werkjaar 2005 worden toegevoegd aan de in artikel 40 van dit decreet vermelde subsidie voor het VCOB voor de verdere uitbouw van een centrale catalogus.
De voorwaarden voor de toekenning van deze subsidie worden bepaald in de beheersovereenkomst. "
" Artikel 74. In afwijking van artikel 39 van dit decreet, is voor het werkjaar 2005 de volgende regeling van toepassing :
De forfaitaire subsidie van 0,6 euro per inwoner wordt voor het werkjaar 2005 vervangen door een forfaitaire subsidie van 0,3 euro per inwoner.
Voor de berekening van deze subsidie wordt voor wat betreft de gemeenten gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk gebied, slechts 30 % van hun bevolking in aanmerking genomen. Deze subsidie ter ondersteuning van de participatie van de gemeenten aan het streekgerichte bibliotheekbeleid zal voor het werkjaar 2005 worden toegevoegd aan de in artikel 40 van dit decreet vermelde subsidie voor het VCOB voor de verdere uitbouw van een centrale catalogus.
De voorwaarden voor de toekenning van deze subsidie worden bepaald in de beheersovereenkomst. "
Art. 91. Par dérogation à l'article 54 du même décret, les subventions mentionnées a l'article 21, § 1er, l'article 21, § 2, l'article 21, § 5, l'article 30, l'article 33, § 1er, l'article 34, l'article 38, § 1er, l'article 41 et l'article 51 pour l'année d'activité 2005 ne sont pas indexées.
Art. 91. In afwijking van artikel 54 van hetzelfde decreet worden de subsidies vermeld in artikel 21, § 1, artikel 21, § 2, artikel 21, § 5, artikel 30, artikel 33, § 1, artikel 34, artikel 38, § 1, artikel 41 en artikel 51 voor het werkjaar 2005 niet geïndexeerd.
CHAPITRE XV. - Animation socioculturelle.
HOOFDSTUK XV. - Sociaal-cultureel vormingswerk.
Art. 92. Par dérogation à l'article 3, § 2, alinéa deux du décret du 6 juillet 2001 relatif au soutien apporté à la fédération des organisations d'éducation populaire et relatif au soutien apporté à la " Vereniging van Vlaamse Cultuurcentra " (Association des Centres culturels flamands), l'intervention de la Communauté flamande est octroyée directement à la FOV en 2005.
Art. 92. In afwijking van artikel 3, § 2, tweede lid, van het decreet van 6 juli 2001 houdende ondersteuning van de federatie van erkende organisaties voor volksontwikkeling en houdende ondersteuning van de vereniging van Vlaamse Cultuurcentra, wordt in 2005 de tussenkomst van de Vlaamse Gemeenschap rechtstreeks uitgekeerd aan de FOV.
CHAPITRE XVI. - Fédérations sportives flamandes.
HOOFDSTUK XVI. - Vlaamse sportfederaties.
Art. 93. Dans l'article 4 du décret du 13 juillet 2001 portant réglementation de l'agrément et du subventionnement des fédérations sportives flamandes, de l'organisation coordinatrice et des organisations des sports récréatifs, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas premier et deux, :
Art. 93. In artikel 4 van het decreet van 13 juli 2001 houdende de regeling van de erkenning en subsidiëring van de Vlaamse sportfederaties, de koepelorganisaties en de organisaties voor de sportieve vrijetijdsbesteding, wordt tussen het eerste en de tweede lid het volgende lid toegevoegd :
CHAPITRE XVII. - Economie et emploi.
HOOFDSTUK XVII. - Economie en Tewerkstelling.
Art. 94. A l'article 38 du décret du 7 mai 2004 relatif au statut, au fonctionnement, aux tâches et aux compétences des partenariats régionaux agréés, des conseils socio-économiques de la région et des comités de concertation socio-économiques régionaux, les mots " 31 décembre 2004 " sont remplacés à chaque fois par les mots " 30 juin 2005 ".
Art. 94. In artikel 38 van het decreet van 7 mei 2004 betreffende het statuut, de werking, de taken en de bevoegdheden van de erkende regionale samenwerkingsverbanden, de sociaal-economische raden van de regio en de regionale sociaal-economische overlegcomités worden de woorden " 31 december 2004 " telkens vervangen door de woorden " 30 juni 2005 ".
CHAPITRE XVIII. - Dispositions finales.
HOOFDSTUK XVIII. - Slotbepalingen.
Art. 95. Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 2005, à l'exception de :
Art. 95. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2005, met uitzondering van :
- artikel 15 dat uitwerking heeft met ingang vanaf januari 2004;
- artikel 29 dat uitwerking heeft met ingang vanaf 1 januari 2003.
- artikelen 31 tot en met 53, tweede lid, die uitwerking hebben met ingang van 5 augustus 2004.
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 24 december 2004.
De minister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Institutionele Hervormingen, Landbouw, Zeevisserij en Plattelandsbeleid,
Y. LETERME
De Vlaamse minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel,
F. MOERMAN
De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
F. VANDENBROUCKE
De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin,
I. VERVOTTE
De Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening,
D. VAN MECHELEN
De Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel,
B. ANCIAUX
De Vlaamse minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme,
G. BOURGEOIS
De Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering,
M. KEULEN
De Vlaamse minister van Mobiliteit, Sociale Economie en Gelijke Kansen,
K. VAN BREMPT.
- artikel 15 dat uitwerking heeft met ingang vanaf januari 2004;
- artikel 29 dat uitwerking heeft met ingang vanaf 1 januari 2003.
- artikelen 31 tot en met 53, tweede lid, die uitwerking hebben met ingang van 5 augustus 2004.
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 24 december 2004.
De minister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Institutionele Hervormingen, Landbouw, Zeevisserij en Plattelandsbeleid,
Y. LETERME
De Vlaamse minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel,
F. MOERMAN
De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
F. VANDENBROUCKE
De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin,
I. VERVOTTE
De Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening,
D. VAN MECHELEN
De Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel,
B. ANCIAUX
De Vlaamse minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme,
G. BOURGEOIS
De Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering,
M. KEULEN
De Vlaamse minister van Mobiliteit, Sociale Economie en Gelijke Kansen,
K. VAN BREMPT.
-