Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
7 MEI 2004. - Besluit van de Vlaamse Regering inzake tijdelijke projecten voor initiatieven voor de transitie van moeilijk bemiddelbare jongeren in het deeltijds beroepssecundair onderwijs.
Titre
7 MAI 2004. - Arrêté du Gouvernement flamand en matière de projets temporaires quant à des initiatives de transition de jeunes dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel dont le placement s'avère difficile (TRADUCTION).
Documentinformatie
Info du document
Tekst (8)
Texte (8)
Artikel 1. Binnen de beschikbare begrotingskredieten en na advies van de in artikel 4 bedoelde beoordelingscommissie, kent de minister eenmalig voor maximaal 20 projecten, extra lestijden en/of uren-leraar toe aan centra voor deeltijds onderwijs en/of centra voor deeltijdse vorming.
Article 1. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles et après avis de la commission d'évaluation visée à l'article 4, le Ministre accorde, en une seule fois et pour 20 projets au maximum, des périodes supplémentaires et/ou des périodes/enseignant supplémentaires à des centres d'enseignement à temps partiel et/ou des centres de formation à temps partiel.
Art. 2. De aanvraag voor een project dient te voldoen aan volgende criteria :
1° Via een samenwerkingsverband van een Centrum voor Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs en/of een Centrum voor Deeltijdse Vorming met minimum één partnerorganisaties uit de profit of non-profitsector wordt aan een groep van ten minste 10 moeilijk bemiddelbare jongeren een arbeidsmarktgerichte invulling gegeven, buiten de 15 uur opleiding die staan beschreven in artikel 69 van Onderwijsdecreet II van 31 juli 1990. Het samenwerkingsverband moet worden aangetoond door een schriftelijke en ondertekende overeenkomst waarin de afspraken, taakverdeling en doelstellingen van alle betrokken partijen geëxpliciteerd worden.
2° De invulling van de begeleiding dient arbeidsmarktgericht te zijn. De voorgestelde projecten hebben betrekking op vaardigheden, competenties en attitudes die de transitie naar de arbeidswereld bevorderen. Het voorgestelde initiatief draagt duidelijk bij tot de arbeidsmarktrijpheid van de deelnemers.
3° In de aanvraag dient uitgelegd hoe de finale doelstelling via dit project voor de jongeren beter bereikbaar wordt. Voorkeur wordt gegeven aan vernieuwende initiatieven die netoverschrijdend georganiseerd worden en die leiden naar tewerkstelling in knelpuntberoepen.
4° Aan dit initiatief kunnen enkel jongeren deelnemen die niet in het ESF-project Alternerend Leren of Brugprojecten zitten.
5° Elk project sluit aan bij de doelstellingen geformuleerd in het samenwerkingsakkoord op 12 maart 2001 afgesloten tussen de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming en de Vlaamse minister voor Werkgelegenheid en Toerisme.
6° Een projectaanvraag wordt ingediend door een centrum. De aanvraag dient ten laatste op 1 juni 2004 in het bezit te zijn van de Dienst Beroepsopleidingen, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs in de Koning Albert II-laan 15, te 1210 Brussel. Laattijdig ingediende projectvoorstellen zijn niet ontvankelijk.
Om in aanmerking te komen voor participatie moet het projectvoorstel minstens 30 punten behalen, zoals beschreven in artikel 5.
1° Via een samenwerkingsverband van een Centrum voor Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs en/of een Centrum voor Deeltijdse Vorming met minimum één partnerorganisaties uit de profit of non-profitsector wordt aan een groep van ten minste 10 moeilijk bemiddelbare jongeren een arbeidsmarktgerichte invulling gegeven, buiten de 15 uur opleiding die staan beschreven in artikel 69 van Onderwijsdecreet II van 31 juli 1990. Het samenwerkingsverband moet worden aangetoond door een schriftelijke en ondertekende overeenkomst waarin de afspraken, taakverdeling en doelstellingen van alle betrokken partijen geëxpliciteerd worden.
2° De invulling van de begeleiding dient arbeidsmarktgericht te zijn. De voorgestelde projecten hebben betrekking op vaardigheden, competenties en attitudes die de transitie naar de arbeidswereld bevorderen. Het voorgestelde initiatief draagt duidelijk bij tot de arbeidsmarktrijpheid van de deelnemers.
3° In de aanvraag dient uitgelegd hoe de finale doelstelling via dit project voor de jongeren beter bereikbaar wordt. Voorkeur wordt gegeven aan vernieuwende initiatieven die netoverschrijdend georganiseerd worden en die leiden naar tewerkstelling in knelpuntberoepen.
4° Aan dit initiatief kunnen enkel jongeren deelnemen die niet in het ESF-project Alternerend Leren of Brugprojecten zitten.
5° Elk project sluit aan bij de doelstellingen geformuleerd in het samenwerkingsakkoord op 12 maart 2001 afgesloten tussen de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming en de Vlaamse minister voor Werkgelegenheid en Toerisme.
6° Een projectaanvraag wordt ingediend door een centrum. De aanvraag dient ten laatste op 1 juni 2004 in het bezit te zijn van de Dienst Beroepsopleidingen, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs in de Koning Albert II-laan 15, te 1210 Brussel. Laattijdig ingediende projectvoorstellen zijn niet ontvankelijk.
Om in aanmerking te komen voor participatie moet het projectvoorstel minstens 30 punten behalen, zoals beschreven in artikel 5.
Art. 2. La demande pour un projet doit satisfaire aux critères suivants :
1° Un accord de coopération d'un Centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et/ou d'un Centre de formation à temps partiel avec au moins une (1) organisation partenaire du secteur marchand ou non marchand doit faciliter l'insertion au marché de l'emploi d'un groupe d'au moins 10 jeunes dont le placement s'avère difficile, outre les 15 heures de formation décrites à l'article 69 du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement II. L'accord de coopération doit être démontré par un contrat écrit et signé explicitant les conventions, répartition des tâches et objectifs de toutes les parties intéressées.
2° L'accompagnement doit cibler l'insertion au marché de l'emploi. Les projets proposés portent sur des aptitudes, compétences et attitudes qui favorisent la transition vers le monde du travail. L'initiative proposée contribue clairement à la maturité des participants pour le marché de l'emploi.
3° Dans la demande doit être expliqué comment ce projet aidera les jeunes à mieux atteindre l'objectif final. La priorité est donnée aux initiatives rénovatrices organisées à un niveau inter-caractère et conduisant à un embauchement dans une profession critique.
4° Seul des jeunes n'étant pas associés au projet FSE Formation en alternance ou Projets-tremplins peuvent participer à cette initiative.
5° Chaque projet s'allie aux objectifs formulés dans l'accord de coopération conclu le 12 mars 2001 entre la Ministre flamande de l'Enseignement et de la Formation et le Ministre de l'Emploi et du Tourisme.
6° Une demande de projet est introduite par un centre. La demande doit parvenir, le 1er juin 2004 au plus tard, à l'adresse suivante : " Dienst Beroepsopleidingen, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs, Koning Albert II-laan 15, 1210 Brussel ". Toute proposition de projet introduite tardivement est irrecevable.
Pour entrer en ligne de compte pour une participation, la proposition de projet doit obtenir au moins 30 points, tel que décrit à l'article 5.
1° Un accord de coopération d'un Centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et/ou d'un Centre de formation à temps partiel avec au moins une (1) organisation partenaire du secteur marchand ou non marchand doit faciliter l'insertion au marché de l'emploi d'un groupe d'au moins 10 jeunes dont le placement s'avère difficile, outre les 15 heures de formation décrites à l'article 69 du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement II. L'accord de coopération doit être démontré par un contrat écrit et signé explicitant les conventions, répartition des tâches et objectifs de toutes les parties intéressées.
2° L'accompagnement doit cibler l'insertion au marché de l'emploi. Les projets proposés portent sur des aptitudes, compétences et attitudes qui favorisent la transition vers le monde du travail. L'initiative proposée contribue clairement à la maturité des participants pour le marché de l'emploi.
3° Dans la demande doit être expliqué comment ce projet aidera les jeunes à mieux atteindre l'objectif final. La priorité est donnée aux initiatives rénovatrices organisées à un niveau inter-caractère et conduisant à un embauchement dans une profession critique.
4° Seul des jeunes n'étant pas associés au projet FSE Formation en alternance ou Projets-tremplins peuvent participer à cette initiative.
5° Chaque projet s'allie aux objectifs formulés dans l'accord de coopération conclu le 12 mars 2001 entre la Ministre flamande de l'Enseignement et de la Formation et le Ministre de l'Emploi et du Tourisme.
6° Une demande de projet est introduite par un centre. La demande doit parvenir, le 1er juin 2004 au plus tard, à l'adresse suivante : " Dienst Beroepsopleidingen, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs, Koning Albert II-laan 15, 1210 Brussel ". Toute proposition de projet introduite tardivement est irrecevable.
Pour entrer en ligne de compte pour une participation, la proposition de projet doit obtenir au moins 30 points, tel que décrit à l'article 5.
Art. 3. De aanvragen worden beoordeeld door een beoordelingscommissie.
Art. 3. Les demandes sont évaluées par une commission d'évaluation.
Art. 4. § 1. De beoordelingscommissie wordt samengesteld als volgt :
1° één ambtenaar van de afdeling Secundair Onderwijs van het departement Onderwijs;
2° twee medewerkers van de Dienst Beroepsopleiding Departement Onderwijs;
3° twee deskundigen inzake alternerend leren;
§ 2. De minister duidt de leden en, onder deze leden ook de voorzitter, aan.
§ 3. De secretaris-generaal van het departement duidt binnen zijn administratie een ambtenaar aan die belast wordt met het secretariaat van de beoordelingscommissie.
1° één ambtenaar van de afdeling Secundair Onderwijs van het departement Onderwijs;
2° twee medewerkers van de Dienst Beroepsopleiding Departement Onderwijs;
3° twee deskundigen inzake alternerend leren;
§ 2. De minister duidt de leden en, onder deze leden ook de voorzitter, aan.
§ 3. De secretaris-generaal van het departement duidt binnen zijn administratie een ambtenaar aan die belast wordt met het secretariaat van de beoordelingscommissie.
Art. 4. § 1er. La commission d'évaluation est composée comme suit :
1° un (1) fonctionnaire de la Division de l'Enseignement secondaire du Département de l'Enseignement;
2° deux collaborateurs du Service Formation professionnelle du Département de l'Enseignement;
3° deux experts en matière d'apprentissage en alternance;
§ 2. Le Ministre désigne les membres et, parmi ceux-ci, également le président.
§ 3. Le secrétaire général du département désigne, au sein de son administration, un fonctionnaire qui sera chargé du secrétariat de la commission d'évaluation.
1° un (1) fonctionnaire de la Division de l'Enseignement secondaire du Département de l'Enseignement;
2° deux collaborateurs du Service Formation professionnelle du Département de l'Enseignement;
3° deux experts en matière d'apprentissage en alternance;
§ 2. Le Ministre désigne les membres et, parmi ceux-ci, également le président.
§ 3. Le secrétaire général du département désigne, au sein de son administration, un fonctionnaire qui sera chargé du secrétariat de la commission d'évaluation.
Art. 5. Bij de beoordeling van de aanvragen hanteert de beoordelingscommissie volgend puntensysteem :
1° Betrokkenheid en meerwaarde van extra partners buiten onderwijs : 20 punten
2° Netoverschrijdende samenwerking : 10 punten
3° Inhoudelijk vernieuwende projecten : 20 punten
4° Mogelijkheid tot verderzetting project zonder projectsteun na 1 schooljaar : 20 punten
5° Projecten gericht op knelpuntberoepen : 10 punten
6° Bevordering arbeidsmarktrijpheid : 20 punten
Op basis van het puntensysteem adviseert de beoordelingscommissie de minister schriftelijk met betrekking tot de selectie van de projecten;
1° Betrokkenheid en meerwaarde van extra partners buiten onderwijs : 20 punten
2° Netoverschrijdende samenwerking : 10 punten
3° Inhoudelijk vernieuwende projecten : 20 punten
4° Mogelijkheid tot verderzetting project zonder projectsteun na 1 schooljaar : 20 punten
5° Projecten gericht op knelpuntberoepen : 10 punten
6° Bevordering arbeidsmarktrijpheid : 20 punten
Op basis van het puntensysteem adviseert de beoordelingscommissie de minister schriftelijk met betrekking tot de selectie van de projecten;
Art. 5. Pour l'évaluation des demandes, la commission d'évaluation utilise le système de cotation suivant :
1° Association et plus-value de partenaires supplémentaires en dehors de l'enseignement : 20 points
2° Coopération inter-caractère : 10 points
3° Projets innovateurs au niveau du contenu : 20 points
4° Possibilité de poursuivre le projet sans appui après 1 année scolaire : 20 points
5° Projets axés sur les professions critiques : 10 points
6° Promotion de la maturité pour le marché de l'emploi : 20 points
Sur la base du système de cotisation, la commission d'évaluation conseille le Ministre par écrit au sujet de la sélection des projets;
1° Association et plus-value de partenaires supplémentaires en dehors de l'enseignement : 20 points
2° Coopération inter-caractère : 10 points
3° Projets innovateurs au niveau du contenu : 20 points
4° Possibilité de poursuivre le projet sans appui après 1 année scolaire : 20 points
5° Projets axés sur les professions critiques : 10 points
6° Promotion de la maturité pour le marché de l'emploi : 20 points
Sur la base du système de cotisation, la commission d'évaluation conseille le Ministre par écrit au sujet de la sélection des projets;
Art. 6. De minister treft de nodige maatregelen om een effectmeting van de toegekende projectmiddelen te realiseren.
Art. 6. Le Ministre prend les mesures nécessaires afin d'effectuer un mesurage d'effets des moyens de projet accordés.
Art. 7. Dit besluit heeft uitwerking m.i.v. 1 april 2004.
Art. 7. Le présent arrêté produit ses effets le 1er avril 2004.
Art. 8. De Vlaamse minister bevoegd voor het Onderwijs is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 7 mei 2004.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
B. SOMERS
De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
Mevr. M. VANDERPOORTEN.
Brussel, 7 mei 2004.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
B. SOMERS
De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
Mevr. M. VANDERPOORTEN.
Art. 8. Le Ministre flamand ayant l'Enseignement dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Bruxelles, le 7 mai 2004.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
B. SOMERS
La Ministre flamande de l'Enseignement et de la Formation,
M. VANDERPOORTEN.
Bruxelles, le 7 mai 2004.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
B. SOMERS
La Ministre flamande de l'Enseignement et de la Formation,
M. VANDERPOORTEN.