Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
1 OKTOBER 2004. - Besluit van de Vlaamse Regering tot toekenning van steun aan ondernemingen voor ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest. (NOTA : dit besluit houdt op van kracht te zijn op 16-05-2007) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 07-02-2005 en tekstbijwerking tot 31-12-2015)
Titre
1 OCTOBRE 2004. - Arrêté du Gouvernement flamand portant octroi d'aides aux entreprises pour des investissements écologiques réalisés en Région flamande (TRADUCTION). (NOTE : cet arrêté cesse de produire ses effets le 16-05-2007> (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 07-02-2005 et mise à jour au 31-12-2015)
Documentinformatie
Info du document
Tekst (51)
Texte (51)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Afdeling I. - Definities.
Section Ire. - Définitions.
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° decreet : het decreet van 31 januari 2003 betreffende het economisch ondersteuningsbeleid;
  2° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het economisch beleid;
  3° [2 het Agentschap Innoveren en Ondernemen]2 : intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid dat behoort tot het beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie);
  4° onderneming : de onderneming, bedoeld in artikel 3, 1°, van het decreet;
  5° kleine, middelgrote en grote onderneming : de onderneming, bedoeld in artikel 3, 2°, 3° en 4°, van het decreet;
  6° indieningsdatum van de steunaanvraag : de datum waarop [2 het Agentschap Innoveren en Ondernemen]2 de steunaanvraag ontvangt;
  7° steun : de steun, bedoeld in artikel 3, 5°, van het decreet;
  8° steunintensiteit : de intensiteit, bedoeld in artikel 3, 6°, van het decreet;
  9° Europese norm : de communautaire norm, bedoeld in artikel 12, 1°, van het decreet;
  10° ecologie-investeringen : milieu-investeringen en investeringen op energiegebied;
  11° milieu-investeringen : investeringen, gericht op milieubescherming, zoals gedefinieerd in artikel 12, 2°, van het decreet;
  12° investeringen op energiegebied : investeringen, bedoeld in artikel 15, § 1, 3°, van het decreet;
  13° hernieuwbare energie : de energiebronnen, zoals gedefinieerd in artikel 12, 4°, van het decreet;
  14° kwalitatieve warmtekrachtkoppeling : de gelijktijdige opwekking van warmte en kracht via een warmtekrachtinstallatie, bepaald in hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2001 tot bepaling van de voorwaarden waaraan een kwalitatieve warmtekrachtinstallatie moet voldoen;
  15° limitatieve technologieënlijst : een lijst met een limitatieve opsomming van technologieën die beschouwd worden als ecologie-investeringen en die voor ecologiesteun in aanmerking kunnen komen. Als er geen Vlaamse normen van toepassing zijn, hebben de technologieën op deze lijst één van de volgende doelstellingen :
  a) de Europese normen overtreffen die zijn goedgekeurd, ook al zijn deze normen nog niet van toepassing;
  b) milieuvoordelen bereiken waarbij nog geen Europese normen zijn goedgekeurd;
  16° (...);
  17° start van de ecologie-investeringen : de datum van de eerste factuur;
  18° beëindiging van de ecologie-investeringen : de datum van de laatste factuur;
  19° milieukaderregeling : de communautaire kaderregeling (2001/C 37/03) inzake staatssteun ten behoeve van het milieu;
  20° end-of-pipe technologieën : nageschakelde technologieën om de in het productieproces ontstane afval- of emissiestromen te behandelen.
  (21° verwante patrimoniumvennootschap : een onderneming die onder meer, maar niet uitsluitend, tot doel heeft roerende en onroerende goederen te beheren en die een of meer dezelfde aandeelhouders heeft als de steunaanvragende onderneming.)
  
Article 1. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
  1° décret : le décret du 31 janvier 2003 relatif à la politique d'aide économique;
  2° Ministre : le Ministre flamand chargé de la politique économique;
  3° [2 l'"Agentschap Innoveren en Ondernemen"]2 : agence autonomisée interne sans personnalité juridique qui fait partie du domaine politique de l'Economie, des Sciences et de l'Innovation);
  4° entreprise : l'entreprise visée à l'article 3, 1°, du décret;
  5° petite, moyenne et grande entreprise : l'entreprises visée à l'article 3, 2°, 3° et 4°, du décret;
  6° date d'introduction de la demande d'aide : la date à laquelle [2 l'"Agentschap Innoveren en Ondernemen"]2 reçoit la demande d'aide;
  7° aide : l'aide visée à l'article 3, 5°, du décret;
  8° intensité des aides : l'intensité visée à l'article 3, 6°, du décret;
  9° norme européenne : la norme communautaire visée à l'article 12, 1°, du décret;
  10° investissements écologiques : investissements environnementaux et investissements sur le plan énergétique;
  11° investissements environnementaux : investissements axés sur la protection de l'environnement, telle que définie à l'article 12, 2°, du décret;
  12° investissements sur le plan énergétique : investissements visés à l'article 15, § 1er, 3°, du décret;
  13° énergie renouvelable : les sources d'énergie telles que définies à l'article 12, 4°, du décret;
  14° cogénération qualitative : la génération simultanée de chaleur et d'énergie par une unité de cogénération, définie au chapitre II de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 septembre 2001 établissant les conditions auxquelles doit répondre une unité de cogénération qualitative;
  15° liste limitative de technologies : une liste contenant une énumération limitative de technologies qui sont considérées comme des investissements écologiques et sont éligibles à l'aide écologique. Si aucune norme flamande ne s'applique, les technologies figurant sur cette liste visent un des objectifs suivants :
  a) dépasser les normes européennes qui ont été approuvées, même si ces normes ne s'appliquent pas encore;
  b) obtenir des avantages environnementaux si aucune norme européenne n'a encore été approuvée;
  16° (...);
  17° début des investissements écologiques : la date de la première facture;
  18° fin des investissements écologiques : la date de la dernière facture;
  19° encadrement communautaire environnemental : l'encadrement communautaire (2001/C 37/03) des aides d'Etat pour la protection de l'environnement;
  20° technologies 'end-of-pipe' (en bout de chaîne) : technologies connectées en aval pour traiter les flux de déchets ou d'émissions résultant du processus de production;
  (21° société de patrimoine apparentée : une entreprise qui a pour objet notamment, mais non exclusivement, la gestion de biens meubles et immeubles, et qui partage un ou plusieurs actionnaires avec l'entreprise demandeuse.)
  
Afdeling II. - Definitie van kleine, middelgrote en grote onderneming.
Section II. - Définition des petites, moyennes et grandes entreprises.
Onderafdeling I. - Zelfstandigheidscriterium.
Sous-section Ire. - Critère d'indépendance.
Art.2. § 1. Om aan het zelfstandigheidscriterium, bepaald in artikel 3, 2°, 3° en 4°, van het decreet, te voldoen, mag de onderneming niet voor 25 % of meer van het kapitaal of van de stemrechten in handen zijn van een grote onderneming of van verscheidene grote ondernemingen samen.
  Onder een grote onderneming wordt voor de toepassing van het zelfstandigheidscriterium een onderneming verstaan die 250 of meer werknemers telt of die een jaaromzet heeft van meer dan 40 miljoen euro en een balanstotaal van meer dan 27 miljoen euro.
  § 2. Op het zelfstandigheidscriterium bestaan volgende uitzonderingen :
  1° de onderneming is in handen van openbare participatiemaatschappijen, ondernemingen van risicokapitaal of van institutionele beleggers, mits die noch individueel, noch gezamenlijk in enig opzicht zeggenschap over de onderneming hebben;
  2° de onderneming kent wegens de spreiding van het kapitaal de samenstelling van haar aandeelhouders niet precies. In dat geval mag worden voortgegaan op een verklaring op eer van de onderneming dat ze redelijkerwijs veronderstelt niet voor 25 % of meer in handen te zijn van een grote onderneming of van verscheidene grote ondernemingen samen.
  § 3. Aan de definitie wordt niet voldaan door ondernemingen die formeel aan het zelfstandigheidscriterium beantwoorden, maar waarin in werkelijkheid de zeggenschap door een grote onderneming of door verscheidene grote ondernemingen samen wordt uitgeoefend.
Art.2. § 1er. Afin de répondre au critère d'indépendance fixé à l'article 3, 2°, 3° et 4° du décret, il est interdit que 25 % ou plus du capital ou des droits de vote soient détenus par une grande entreprise ou conjointement par plusieurs grandes entreprises.
  Pour l'application du critère d'indépendance, on entend par grande entreprise, toute entreprise occupant 250 travailleurs ou plus ou ayant un chiffre d'affaires annuel supérieur à 40 millions d'euros et un total du bilan supérieur à 27 millions d'euros.
  § 2. Le critère d'indépendance fait l'objet des exceptions suivantes :
  1° l'entreprise est entre les mains de sociétés publiques de participation, d'entreprises pour capital à risques ou d'investisseurs institutionnels, à la condition que ceux-ci, à titre individuel ou collectif, n'exercent aucun contrôle sur la société;
  2° en raison de la répartition du capital, l'entreprise ne connaît pas la composition de son actionnariat. Dans ce cas, on peut se baser sur une déclaration sur l'honneur de l'entreprise qu'elle présume raisonnablement ne pas être pour plus de 25 % entre les mains d'une grande entreprise ou de plusieurs grandes entreprises.
  § 3. La définition n'est pas remplie par les entreprises qui répondent formellement au critère d'indépendance, mais dans lesquelles le pouvoir est en fait exercé par une grande entreprise ou par diverses grandes entreprises conjointement.
Onderafdeling II. - Omzet en balanstotaal.
Sous-section II. - Chiffre d'affaires et total du bilan.
Art.3. § 1. De jaaromzet en het balanstotaal van de onderneming, bepaald in artikel 3, 2°, 3° en 4°, van het decreet, worden samengeteld, zonder te consolideren, met de jaaromzet en het balanstotaal van beide volgende 2 categorieën van ondernemingen :
  1° alle ondernemingen waarvan de aanvragende onderneming rechtstreeks of onrechtstreeks 25 % of meer van het kapitaal of de stemrechten in handen heeft;
  2° alle ondernemingen die rechtstreeks of onrechtstreeks 25 % of meer van het kapitaal of de stemrechten van de aanvragende onderneming in handen hebben.
  § 2. Voor de berekening van de jaaromzet en het balanstotaal van een onderneming is de referentieperiode het boekjaar waarop de laatst bij de Nationale Bank van België neergelegde jaarrekening voor de datum van de steunaanvraag betrekking heeft en die beschikbaar is via een centrale databank. Om de omzet te berekenen, wordt een boekjaar van meer of minder dan 12 maanden herberekend tot een periode van 12 maanden. Bij recent opgerichte ondernemingen, waarvan de jaarrekening nog niet is afgesloten, steunt men op een financieel plan van het eerste productiejaar. Voor ondernemingen die geen jaarrekening moeten opmaken, is de referentieperiode de laatste aangifte bij de directe belastingen voor de datum van de steunaanvraag.
  § 3. Als wegens de spreiding van het kapitaal de samenstelling van het aandeelhouderschap niet precies bekend is, mag worden voortgegaan op een verklaring op eer van de onderneming over het bezit van het kapitaal en de stemrechten.
Art.3. § 1er. Le chiffre d'affaires annuel et le total du bilan de l'entreprise, tels que fixés à l'article 3, 2°, 3° et 4°, du décret sont ajoutés, sans les consolider, au chiffre d'affaires annuel et au total du bilan des deux catégories d'entreprises suivantes :
  1° toutes les entreprises dans lesquelles l'entreprise demandeuse détient soit directement soit indirectement 25 % ou plus du capital ou des droits de vote;
  2° toutes les entreprises qui détiennent soit directement soit indirectement 25 % ou plus du capital ou des droits de vote de l'entreprise demandeuse.
  § 2. Pour le calcul du chiffre d'affaires annuel et du total du bilan d'une entreprise, la période de référence est l'exercice auquel se rapportent les comptes annuels déposés en dernier lieu auprès de la Banque Nationale de Belgique avant la date de la demande d'aide et disponibles par le biais d'une banque de données centralisée. Pour le calcul du chiffre d'affaires, un exercice supérieur ou inférieur à 12 mois est reconverti en une période de 12 mois. En cas d'entreprises récemment créées dont les comptes annuels ne sont pas encore clôturés, on se base sur un plan financier de la première année de production. Pour les entreprises qui ne doivent pas établir de comptes annuels, la période de référence est la dernière déclaration auprès des impôts directs avant la date de la demande d'aide.
  § 3. Si, en raison de la dispersion du capital, la composition de l'actionnariat n'est pas connue exactement, on peut se baser sur une déclaration sur l'honneur de l'entreprise relative à la détention du capital et des droits de vote.
Onderafdeling III. - Tewerkstelling.
Sous-section III. - Emploi.
Art.4. § 1. De tewerkstelling van het aantal werknemers, bepaald in artikel 3, 2°, 3° en 4°, van het decreet, wordt vastgesteld aan de hand van het aantal werknemers dat in de onderneming was tewerkgesteld in de referentieperiode.
  § 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder referentieperiode verstaan de periode van tewerkstelling gedurende de laatste 4 kwartalen die de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid kan attesteren, en die beschikbaar zijn via een centrale databank.
  § 3. Het bewijs van de tewerkstelling van havenarbeiders in ondernemingen die ressorteren onder de verschillende paritaire comités van de havens wordt geleverd door attesten van de bevoegde werkgeversorganisaties in de verschillende havens.
  Voor de berekening van het aantal havenarbeiders wordt het aantal gepresteerde taken gedurende de referentieperiode gedeeld door het gemiddelde aantal gepresteerde taken tijdens deze periode.
Art.4. § 1er. L'emploi du nombre de travailleurs fixé à l'article 3, 2°, 3° et 4°, du décret, est déterminé sur la base du nombre de travailleurs occupés dans l'entreprise pendant la période de référence.
  § 2. Pour l'application du présent article, on entend par période de référence la période d'emploi pendant les quatre derniers trimestres que l'Office national de Sécurité sociale peut attester et qui sont disponibles dans une banque de données centralisée.
  § 3. La preuve de l'emploi d'ouvriers portuaires dans des entreprises qui relèvent des différentes commissions paritaires des ports est fournie par des attestations des organisations patronales dans les différents ports.
  Pour le calcul du nombre d'ouvriers portuaires, le nombre de tâches prestées pendant la période de référence est divisé par le nombre moyen de tâches prestées pendant cette période.
Afdeling III. - Algemene voorwaarden.
Section III. - Conditions générales.
Art.5. (Opgeheven)
Art.5. (Abrogé)
Art.6. Er wordt geen steun verleend aan ondernemingen die niet voldoen aan de regelgeving van toepassing in het Vlaamse Gewest.
  (De onderneming mag op de indieningsdatum van de steunaanvraag geen achterstallige schulden hebben bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.)
Art.6. Aucune aide n'est octroyée à des entreprises qui ne répondent pas à la réglementation applicable en Région flamande.
  (A la date d'introduction de la demande d'aide, l'entreprise n'a pas de dettes arriérées à l'Office national de Sécurité sociale.)
Art.7. De termijn van 5 jaar, bedoeld in artikel 7 van het decreet, gaat in vanaf de beëindiging van de ecologie-investeringen.
Art.7. Le délai de 5 ans, visé à l'article 7 du décret, prend cours à partir de la fin des investissements écologiques.
Art.8. De ecologie-investeringen moeten overeenkomstig artikel 5 van het decreet starten na de indieningsdatum van de steunaanvraag en moeten binnen 3 jaar na de beslissing tot toekenning van de steun worden beëindigd.
Art.8. Conformément à l'article 5 du décret, les investissements écologiques doivent commencer après la date de remise de la demande d'aide et doivent être terminés dans les 3 ans suivant la décision d'octroi de l'aide.
Art.9. Er kan geen steun verleend worden aan ondernemingen indien een administratieve overheid, zoals bepaald in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, over een dominerende invloed beschikt. Er is een vermoeden van dominerende invloed indien de onderneming voor 50 % of meer van het kapitaal of de stemrechten rechtstreeks of onrechtstreeks in handen is van de administratieve overheid.
  Dit vermoeden kan weerlegd worden indien de onderneming kan aantonen dat de administratieve overheid, vermeld in lid 1, in werkelijkheid geen dominerende invloed uitoefent op het beleid van de onderneming. De minister beslist hierover.
Art.9. Aucune aide ne peut être octroyée aux entreprises si une autorité administrative, telle que définie à l'article 14 des lois coordonnées sur le Conseil d'Etat, dispose d'une influence dominante. Il y a une présomption d'influence dominante si 50 % ou plus du capital ou des droits de vote de l'entreprise sont directement ou indirectement détenus par l'autorité administrative.
  Cette présomption peut être réfutée si l'entreprise peut démontrer que l'autorité administrative, visée à l'alinéa premier, n'exerce en réalité aucune influence dominante sur la politique de l'entreprise. Le Ministre en décide.
HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied.
CHAPITRE II. - Champ d'application.
Art.10. Er wordt steun verleend aan ondernemingen voor ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest onder de voorwaarden, vermeld in het decreet en in dit besluit.
Art.10. Des aides sont accordées aux entreprises pour des investissements écologiques réalisés en Région flamande aux conditions énoncées dans le décret et dans le présent arrêté.
Art.11. Enkel ondernemingen die behoren tot de sectoren, vermeld in bijlage I bij dit besluit, komen voor steunverlening in aanmerking.
  De minister kan deze bijlage aanpassen op basis van de beleidsprioriteiten en de Europese regelgeving.
Art.11. Seules les entreprises relevant des secteurs mentionnés en annexe Ire du présent arrêté sont admissibles à l'octroi des aides.
  Le Ministre peut adapter cette annexe sur la base des priorités politiques et la réglementation européenne.
HOOFDSTUK III. - Aanvaarde ecologie-investeringen.
CHAPITRE III. - Investissements écologiques acceptés.
Art.12. Enkel ecologie-investeringen die voorkomen op de limitatieve technologieënlijst, komen in aanmerking voor steun.
Art.12. Seuls les investissements écologiques qui figurent sur la liste limitative de technologies, sont éligibles à l'aide.
Art.13. De minister kan de steun voor ecologie-investeringen afhankelijk maken van een vooraf met het Vlaamse Gewest af te sluiten energiebeleidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2, 23°, van het decreet van 2 april 2004 tot vermindering van de uitstoot van broeikasgassen in het Vlaamse Gewest door het bevorderen van het rationeel energieverbruik, het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en de toepassing van flexibiliteitsmechanismen uit het Protocol van Kyoto.
Art.13. Le Ministre peut subordonner l'aide aux investissements écologiques à une convention énergétique à conclure préalablement avec la Région flamande, telle que visée à l'article 2, 23°, du décret du 2 avril 2004 portant réduction des émissions de gaz à effet de serre en Région flamande par la promotion de l'utilisation rationnelle de l'énergie, l'utilisation de sources d'énergie renouvelables et l'application des mécanismes de flexibilité prévus par le Protocole de Kyoto.
Art.14. § 1. Van de aanvaarde ecologie-investeringen, bedoeld in artikel 12 en 13, kunnen enkel de volgende materiële en immateriële investeringen in aanmerking komen voor steun :
  1° gebouwen die onlosmakelijk verbonden zijn met ecologie-investeringen en die nutteloos worden als die investeringen buiten dienst gesteld worden;
  2° installaties en uitrustingen die erop gericht zijn vervuiling of hinder te beperken of te beëindigen of de productiemethoden aan te passen met het oog op de milieubescherming, met uitzondering van end-of-pipe technologieën waarvoor een alternatieve procesgeïntegreerde technologie bestaat;
  3° immateriële investeringen, bepaald in artikel 14, § 2, van het decreet.
  § 2. (...).
  (§ 3. De volgende investeringen komen niet in aanmerking :
  1° de investeringen die door de steunaanvragende onderneming gratis of onder bezwarende titel ter beschikking worden gesteld aan derden;
  2° de investeringen, voorheen geactiveerd en opgenomen in de afschrijvingstabel, die verworven worden van :
  a) een onderneming waarin de steunaanvragende onderneming rechtstreeks of onrechtstreeks participeert;
  b) een onderneming die rechtstreeks of onrechtstreeks participeert in de steunaanvragende onderneming;
  c) een verwante patrimoniumvennootschap;
  3° de investeringen die verworven worden van een zaakvoerder, een bestuurder of een aandeelhouder van de steunaanvragende onderneming;
  4° de investeringen die in geval van aankoop niet verworven worden in volle eigendom;
  5° de investeringen waarvan de eigendom behouden blijft via een recht van opstal of een verzaking aan het recht van natrekking. (NOTA : 5° vernietigd bij arrest van de Raad van State, nr. 216.678, van 05-12-2011; BS 25-01-2012, p. 6156))
Art.14. § 1er. Parmi les investissements écologiques acceptés, visés aux articles 12 et 13, seuls les investissements matériels et immatériels suivants sont éligibles à l'aide :
  1° les bâtiments qui sont indissolublement liés aux investissements écologiques et qui deviennent inutiles si ces investissements sont mis hors service;
  2° les installations et équipements qui visent à limiter ou terminer la pollution ou les nuisances ou à adapter les méthodes de production en vue de la protection de l'environnement, à l'exception des technologies end-of-pipe' pour lesquelles existe une technologie alternative intégrée dans le processus;
  3° les investissements immatériels, fixés à l'article 14, § 2 du décret.
  § 2. (...)
  § 3. Les investissements suivants n'entrent pas en considération :
  1° les investissements que l'entreprise demandeuse met à la disposition de tiers à titre gratuit ou à titre onéreux;
  2° les investissements, auparavant activés et repris dans le tableau d'amortissement, acquis :
  a) d'une entreprise à laquelle l'entreprise demandeuse participe directement ou indirectement;
  b) une entreprise qui participe directement ou indirectement dans l'entreprise demandeuse;
  c) une société de patrimoine apparentée;
  3° les investissements acquis d'un gérant, d'un administrateur ou d'un actionnaire de l'entreprise demandeuse;
  4° les investissements qui, en cas d'achat, ne sont pas acquis en pleine propriété;
  5° les investissements dont la propriété reste acquise par le biais d'un droit de superficie ou d'une renonciation au droit d'accession. (NOTE : le 5° a été annulé par l'arrêt du Conseil d'Etat portant le n° 216.678, prononcé le 5 décembre 2011; MB 25-01-2012, p. 6156))
Art.15. § 1. Alleen de extra investeringen, bedoeld in artikel 14, § 3, van het decreet kunnen voor steun in aanmerking komen.
CHAPITRE IV. - Intensité des aides.
Art.16. De steun wordt toegekend in de vorm van een subsidie.
Art.15. § 1er. Seuls les investissements supplémentaires, visés à l'article 14, § 3, du décret sont éligibles à l'aide.
  § 2. Les investissements supplémentaires sont calculés en comparant l'investissement écologique avec un investissement classique comparable au niveau technique, mais qui ne permet pas d'atteindre le même niveau de protection de l'environnement. La comparaison doit se faire sur la base d'une capacité de production égale de l'investissement classique et l'investissement réel respectueux de l'environnement.
  § 3. (...)
Art.17. De hoogte van de subsidie wordt vastgesteld overeenkomstig de tabel die als bijlage II bij dit besluit gevoegd is.
  Voor milieu-investeringen wordt de hoogte van de subsidie gekoppeld aan de milieuperformantie van deze investeringen. Dit gebeurt via het gebruik van een milieuperformantiefactor. Voor elke milieu-investering opgenomen op de limitatieve technologieënlijst geeft deze factor aan in welke mate de investering milieuperformant is. Milieu-investeringen gericht op milieuthema's die volgens het Milieubeleidsplan en de MIRA-rapporten als prioritair omschreven worden, worden als meer milieuperformant beschouwd. De milieuperformantiefactor varieert tussen 0,6 en 1 en wordt berekend op de extra investeringen.
  (Derde en vierde lid opgeheven).
  Ondernemingen die in het bezit zijn van een geldig milieuchartercertificaat, ISO 14001-certificaat of van een EMAS-certificaat of die zich engageren om dat voor het beëindigen van de ecologie-investeringen te behalen, ontvangen een extra subsidie van respectievelijk 1,5 %, 3 % en 5 % op hun ecologie-investeringen. De extra subsidie van 1,5 %, 3 % en 5 % kunnen niet met elkaar gecumuleerd worden.
Art.16. L'aide est attribuée dans la forme d'une subvention.
Art.18. Het subsidiebedrag bedraagt maximaal 1 500 000 euro per subsidieaanvraag.
Art.17. Le niveau de la subvention est fixé conformément au tableau joint en annexe II au présent arrêté.
  Pour les investissements environnementaux, le niveau de la subvention est lié à la performance environnementale de ces investissements, en utilisant un facteur de performance environnementale. Ce facteur indique pour chaque investissement environnemental figurant sur la liste limitative de technologies, le degré de performance environnementale de l'investissement. Les investissements environnementaux qui visent des thèmes environnementaux décrits comme prioritaires par le Plan d'orientation environnementale et les rapports MIRA, sont considérés comme plus performants au niveau de l'environnement. Le facteur de performance environnementale varie entre 0,6 et 1 et est calculé sur les investissements supplémentaires.
  (Alinéas 3 et 4 abrogés).
  Les entreprises qui disposent d'un certificat valable de charte environnementale, d'un certificat ISO 14001 ou d'un certificat EMAS, ou qui s'engagent à l'obtenir avant la fin des investissements écologiques, bénéficient d'une subvention supplémentaire respective de 1,5 %, 3 % et 5 % pour leurs investissements écologiques. Les subventions supplémentaires de 1,5 %, 3 % et 5 % ne sont pas cumulables.
HOOFDSTUK V. - Beslissingsprocedure.
Art.18. Le montant de la subvention est plafonné à 1 500 000 euros par demande de subvention.
Art.19. § 1. De minister beslist over de subsidieverlening als de extra investeringen, minder dan 25.000.000 euro bedragen.
CHAPITRE V. - Procédure de décision.
HOOFDSTUK VI. - Uitbetaling en verjaring.
Art.19. § 1er. Le Ministre décide de l'octroi des subventions si les investissements supplémentaires s'élèvent à moins de 25.000.000 euros.
Art.20. (De subsidie wordt aan de onderneming uitbetaald in drie schijven) :
CHAPITRE VI. - Paiement et prescription.
Art.21. (De aanvragen tot uitbetaling moeten ingediend worden binnen zes maanden na het beëindigen van de investeringen.) Als de investeringen reeds voor de beslissing tot toekenning van de subsidie beëindigd werden, moeten de aanvragen tot uitbetaling ingediend worden binnen 6 maanden na de beslissing tot toekenning van de subsidie.
Art.20. (La subvention est payée à l'entreprise en trois tranches) :
  1° 30 % au plus tôt 30 jours après la décision d'octroi de la subvention et à condition que l'entreprise remplisse les 2 conditions suivantes :
  a) elle demande le paiement de la tranche;
  b) elle (a) commencé les investissements écologiques;
  2° 30 % au plus tôt 30 jours après la décision d'octroi de la subvention et à condition que l'entreprise remplisse les 2 conditions suivantes :
  a) elle demande le paiement de la tranche;
  b) (60 % des investissements écologiques sont réalisés;)
  3° (40 % au plus tôt 30 jours après la décision d'octroi de la subvention et après la fin des investissements écologiques, à condition que l'entreprise remplisse les quatre conditions suivantes :
  a) demande le paiement de la tranche;
  b) les investissements écologiques sont complètement réalisés et sont exploités dans l'entreprise;
  c) il n'y a pas de dettes arriérées à l'Office national de Sécurité sociale ou dans le cadre de mesures de subvention en application du décret. En cas de dettes arriérées, le paiement est suspendu jusqu'à ce que l'entreprise fournisse la preuve que ces dettes ont été apurées;
  d) toutes les conditions fixées dans le décret et dans le présent arrêté, sont remplies.)
Art.22. (Opgeheven)
Art.22. (Abrogé)
Art.23. (Opgeheven)
Art.23. (Abrogé)
HOOFDSTUK VII. - Terugvordering.
CHAPITRE VII. - Récupération.
Art.24. De volledige subsidie wordt teruggevorderd binnen 10 jaar na het beëindigen van de investeringen, onder voorbehoud van de toepassing van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991 en de wet van 7 juni 1994 tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen te doen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen van elke aard, die geheel of gedeeltelijk ten laste zijn van de Staat, in geval van :
  1° faillissement, vereffening, gerechtelijk akkoord, boedelafstand, ontbinding, vrijwillige of gerechtelijke verkoop, sluiting in het kader van een sociaal-economische herstructureringsoperatie met tewerkstellingsafbouw tot gevolg, als deze feiten zich voordoen binnen 5 jaar na het beëindigen van de ecologie-investeringen;
  2° vervreemding of wijziging van de oorspronkelijke bestemming of van het gebruik van de ecologie-investeringen binnen 5 jaar na het beëindigen van de ecologie-investeringen;
  3° niet-naleving van de milieuwetgeving en de wetgeving op de ruimtelijke ordening binnen 5 jaar na het beëindigen van de ecologie-investeringen;
  4° niet-naleving van de wettelijke informatie- en raadplegingsprocedures bij collectief ontslag binnen 5 jaar na het beëindigen van de ecologie-investeringen;
  5° niet-naleving van de bij het decreet of dit besluit opgelegde voorwaarden.
Art.24. La subvention totale est récupérée dans les 10 ans après la fin des investissements, sous réserve de l'application des lois sur la comptabilité de l'Etat, coordonnées le 17 juillet 1991 et la loi du 7 juin 1994 modifiant l'arrêté royal du 31 mai 2033 concernant les déclarations à faire en matière de subventions, indemnités et allocations de toute nature, qui sont, en tout ou en partie, à charge de l'Etat, en cas de :
  1° faillite, liquidation, concordat judiciaire, l'abandon d'actif, la dissolution, la vente volontaire ou judiciaire, la fermeture dans le cadre d'une opération de restructuration socio-économique avec perte d'emplois, si ces faits se présentent dans les 5 ans après la fin de ces investissements écologiques;
  2° l'aliénation ou le changement de l'affectation originale ou de l'utilisation des investissements écologiques dans les 5 ans après la fin des investissements écologiques;
  3° le non-respect de la législation en matière d'environnement et de la législation en matière d'aménagement du territoire dans les 5 ans après la fin des investissements écologiques;
  4° le non-respect des procédures légales d'information et de consultation en cas de licenciement collectif dans les 5 ans après la fin des investissements écologiques;
  5° le non-respect des conditions imposées par le décret ou le présent arrêté.
Art.25. In geval van terugvordering wordt de Europese referentierentevoet voor terugvordering van onrechtmatig verleende staatssteun toegepast vanaf de datum van ingebrekestelling.
Art.25. En cas de récupération, le taux d'intérêt de référence européen pour la récupération des aides publiques accordées indûment, sera appliqué à partir de la date de la mise en demeure.
HOOFDSTUK VIII. - (...).
CHAPITRE VIII. - (...).
Art.26. (Opgeheven)
Art.26. (Abrogé)
HOOFDSTUK IX. - Delegatie.
CHAPITRE IX. - Délégation.
Art.27. De minister stelt het volgende vast :
  1° de aanvraag- en de beslissingsprocedure;
  2° (...);
  3° de limitatieve technologieënlijst en de procedure om de lijst te wijzigen.
Art.27. Le Ministre arrête ce qui suit :
  1° la procédure de demande et de décision;
  2° (...);
  3° la liste limitative de technologies et la procédure pour modifier la liste.
HOOFDSTUK X. - Opheffingsbepaling.
CHAPITRE X. - Disposition abrogatoire.
Art.28. In artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juli 2004 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering, wordt 3° opgeheven voor de toepassing van dit besluit.
Art.28. A l'article 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 juillet 2004 fixant les attributions des membres du Gouvernement flamand, le point 3° est abrogé pour l'application du présent arrêté.
HOOFDSTUK XI. - Overgangsmaatregelen.
CHAPITRE XI. - Mesures transitoires.
Art.29. Dit besluit is van toepassing op de subsidieaanvragen, ingediend vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
  De bepalingen van de wet van 30 december 1970 betreffende de economische expansie, van de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriëntering, en van het decreet van 15 december 1993 tot bevordering van de economische expansie in het Vlaamse Gewest, blijven van toepassing op de steunaanvragen, ingediend voor deze datum.
Art.29. Le présent arrêté s'applique aux demandes de subvention introduites à partir de la date d'entrée en vigueur du présent arrêté.
  Les dispositions de la loi du 30 décembre 1970 sur l'expansion économique, de la loi du 4 août 1978 de réorientation économique, du décret du 15 décembre 1993 favorisant l'expansion économique en Région flamande restent applicables aux demandes de subvention introduites avant cette date.
HOOFDSTUK XII. - Inwerkingtreding.
CHAPITRE XII. - Entrée en vigueur.
Art.30. Dit besluit en hoofdstuk I, met uitzondering van artikel 3, 2° en 3°, hoofdstuk III, XII tot en met XIV, XVI en XVII van het decreet treden voor de toepassing van dit besluit in werking op de datum, bepaald door de Vlaamse minister, bevoegd voor het economisch beleid.
Art.30. Pour l'application du présent arrêté, le présent arrêté et le chapitre Ier, à l'exception de l'article 3, 2° et 3°, les chapitres III, XII à XIV inclus, XVI et XVII du décret, entrent en vigueur à la date fixée par le Ministre flamand compétent pour la politique économique.
Art.31. De Vlaamse minister, bevoegd voor het economisch beleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art.31. La Ministre flamande ayant la politique économique dans ses attributions est chargée de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage I. In aanmerking voor ecologiesteun komende ondernemingen.
  (Lijst niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 07-02-2005, p. 3883-3899).
  Gewijzigd bij :
  
Art. N1. Annexe I. Entreprises à l'aide écologique.
  (Liste non reprise pour motifs techniques. Voir M.B. 07-02-2005, p. 3906-3924).
  Modifié par :
  
Art. N2. Bijlage II. - Subsidiepercentages en maximale subsidiebedragen.
Art. N2. Annexe II. Pourcentages de subvention et montants de subvention maximaux.
                               Kleine en middelgrote ondernemingen
  Subsidievoorwaarde           Subsidie-      Maximum         Maximum
                                percentage     subsidie-       in
                                               percentage      miljoen
                                                               EUR
  Limitatieve                        35 %            -             1,5
   technologieenlijst
  Milieucharter-certificaat       + 1,5 %         36,5 %           1,5
  ISO 14001-certificaat             + 3 %           38 %           1,5
  EMAS-certificaat                  + 5 %           40 %           1,5
                               Grote ondernemingen
  Subsidievoorwaarde           Subsidie-      Maximum         Maximum
                                percentage     subsidie-       in
                                               percentage      miljoen
                                                               EUR
  Limitatieve                        25 %            -             1,5
   technologieenlijst
  Milieucharter-certificaat       + 1,5 %         26,5 %           1,5
  ISO 14001-certificaat             + 3 %           28 %           1,5
  EMAS-certificaat                  + 5 %           30 %           1,5
                               Petites et moyennes entreprises
  Condition de                 Pourcentage    Pourcentage     Maximum en
   subvention                   de             maximal de      millions
                                subvention     subvention      d'euros
  Liste limitative de                35 %            -             1,5
   technologies
  Certificat Charte               + 1,5 %         36,5 %           1,5
   environnementale
  Certificat ISO 14001              + 3 %           38 %           1,5
  Certificat EMAS                   + 5 %           40 %           1,5
                               Grandes entreprises
  Condition de                 Pourcentage    Pourcentage     Maximum en
   subvention                   de             maximal de      millions
                                subvention     subvention      d'euros
  Liste limitative de                25 %            -             1,5
   technologies
  Certificat Charte               + 1,5 %         26,5 %           1,5
   environnementale
  Certificat ISO 14001              + 3 %           28 %           1,5
  Certificat EMAS                   + 5 %           30 %           1,5