Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
7 MEI 2004. - Decreet houdende aanvullende subsidies voor tewerkstelling in de culturele sector. (NOTA : opgeheven voor die organisaties die in uitvoering van artikel 95 van het DVR 2008-05-23/45 tot de cultureel-erfgoedsector behoren; zie DVR2008-05-23/45, art. 105; Inwerkingtreding : 04-08-2008) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 25-08-2004 en tekstbijwerking tot 10-01-2024)
Titre
7 MAI 2004. - Décret relatif aux subventions additionnelles à l'emploi dans le secteur culturel (TRADUCTION). (NOTE : abrogé pour les organisations qui relèvent du secteur du patrimoine culturel en exécution de l'article 95 du DCFL 2008-05-23/45; voir DCFL2008-05-23/45, art. 105; En vigueur : 04-08-2008)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 25-08-2004 et mise à jour au 10-01-2024)
Documentinformatie
Info du document
Tekst (29)
Texte (29)
HOOFDSTUK I. - Voorafgaande bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions préliminaires.
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
Article 1. Le présent décret règle une matière communautaire.
Art.2. Voor de toepassing van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan wordt verstaan onder :
  1° derde arbeidscircuit : hierna 'DAC' te noemen, tewerkstelling op basis van het koninklijk besluit nr. 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van een programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet-commerciële sector, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 473 van 28 oktober 1986;
  2° DAC-project : een tewerkstellingsproject dat op basis van het koninklijk besluit nr. 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van een programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet-commerciële sector, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 473 van 28 oktober 1986, aan een organisatie werd toegewezen en vanaf de regularisatie valt onder de bevoegdheid van de Vlaamse minister, bevoegd voor cultuur;
  3° DAC-promotor : organisatie die tot de DAC-regularisatie een DAC-project kreeg toegewezen;
  4° geregulariseerde DAC'er : een werknemer in een DAC-project die op het moment van de regularisatie met de DAC-promotor een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur had;
  5° loonkosten : het sectoraal bepaalde loon en de verplichte werkgeversbijdrage;
  6° gemeentelijk cultuurbeleidsplan : het plan dat werd goedgekeurd op basis van het decreet van 13 juli 2001 houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid, gewijzigd bij de decreten van 5 juli 2002, 20 december 2002 en 21 maart 2003;
  7° gemeentelijk jeugdwerkbeleidsplan : het plan dat werd goedgekeurd op basis van het decreet van 14 februari 2003 houdende de ondersteuning en de stimulering van het gemeentelijk, het intergemeentelijk en het provinciaal jeugd- en jeugdwerkbeleid;
  8° erkende of gesubsidieerde organisatie : een vereniging zonder winstoogmerk die erkend of gesubsidieerd wordt op basis van :
  a) hoofdstuk IX van het decreet van 29 maart 2002 op het Vlaamse jeugdbeleid;
  b) het decreet van 4 april 2003 betreffende het sociaal-cultureel volwassenenwerk, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2003;
  c) het decreet van 20 december 1996 tot erkenning en subsidiëring van musea, gewijzigd bij het decreet van 19 december 1997;
  9° beleidsplanperiode : de periode waarop een beleidsplan van een organisatie of gemeentebestuur betrekking heeft;
  10° de administratie : de administratieve entiteiten, bevoegd voor het cultuur- en jeugdwerkbeleid.
Art.2. Pour l'application du présent décret et de ses arrêtés d'exécution, on entend par :
  1° troisième circuit du travail : dénommé ci-après TCT, la mise au travail sur la base de l'arrêté royal n° 25 du 24 mars 1982 créant un programme de promotion de l'emploi dans le secteur non-marchand, modifié par l'arrêté royal n° 473 du 28 octobre 1986,
  2° projet TCT : un projet de mise au travail qui, sur la base de l'arrêté royal n° 25 du 24 mars 1982 créant un programme de promotion de l'emploi dans le secteur non-marchand, modifié par l'arrêté royal n° 473 du 28 octobre 1986, a été attribué à une organisation et relève de la compétence du Ministre flamand chargé de la culture depuis la régularisation;
  3° promoteur TCT : organisation à laquelle a été attribué un projet TCT jusqu'à la régularisation TCT;
  4° TCT régularisé : un travailleur occupé dans le cadre d'un projet TCT qui était lié par les liens d'un contrat de travail de durée indéterminée avec le promoteur TCT au moment de la régularisation;
  5° coût salarial : le salaire fixé par secteur et la cotisation patronale obligatoire;
  6° plan directeur culturel communal : le plan approuvé sur la base du décret du 13 juillet 2001 portant stimulation d'une politique culturelle locale qualitative et intégrale, modifié par les décrets des 5 juillet 2002, 20 décembre 2002 et 21 mars 2003;
  7° plan directeur communal en matière d'animation des jeunes : le plan approuvé sur la base du décret du 14 février 2003 portant soutien et stimulation des politiques communales, intercommunales et provinciales en matière de jeunesse et d'animation des jeunes;
  8° organisation agréée ou subventionnée : une association sans but lucratif qui est agréée ou subventionnée sur la base du :
  a) chapitre IX du décret du 29 mars 2002 sur la politique de la jeunesse;
  b) du décret du 4 avril 2003 relatif à l'animation socioculturelle des adultes, modifié par le décret du 19 décembre 2003;
  c) le décret du 20 décembre 1996 réglant les conditions d'agrément et d'octroi de subventions aux musées, modifié par le décret du 19 décembre 1997;
  9° période du plan directeur : la période couverte par un plan directeur d'une organisation ou administration communale;
  10° l'administration : les entités administratives compétentes pour la politique de la culture et de l'animation des jeunes;
HOOFDSTUK II. - Regularisatie van de lopende DAC-projecten.
CHAPITRE II. - Régularisation des projets TCT en cours.
Art.3. De subsidies voor DAC-projecten worden omgezet in reguliere personeelssubsidies aan organisaties. Die omzetting wordt verder "regularisatie" genoemd.
Art.3. Les subventions aux projets TCT sont converties en subventions du personnel régulières octroyées aux organisations. Cette conversion est dénommée ci-après "régularisation".
Art.4. De DAC-projecten van landelijk erkende of gesubsidieerde organisaties worden geregulariseerd vanaf 1 januari 2002.
  De DAC-projecten van de gemeentelijke en regionale jeugdwerkingen die voor 1 januari 1994 door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerd werden, worden geregulariseerd vanaf 1 juli 2002.
  De DAC-projecten van de niet-erkende of niet-gesubsidieerde organisaties worden geregulariseerd vanaf 1 januari 2003.
Art.4. Les projets TCT des organisations communautaires agréées ou subventionnées sont régularisées à partir du 1er janvier 2002.
  Les projets TCT des activités communales et régionales pour les jeunes qui bénéficiaient de subventions de la part de la Communauté flamande avant le 1er janvier 1994, sont régularisés à partir du 1er juillet 2002.
  Les projets TCT des organisations non agréées ou non subventionnées sont régularisés à partir du 1er janvier 2003.
Art.5. Een organisatie die een geregulariseerde DAC'er in dienst heeft, ontvangt een subsidie voor de loonkosten van dat personeelslid. Die subsidie bedraagt maximaal de volledig verplichte loonkosten overeenkomstig het - op het moment van de regularisatie bepaalde - barema. Dit recht op subsidies blijft behouden zolang een geregulariseerde DAC'er in dienst is en aan alle voorwaarden voldaan is.
  Er kan pas een herverdeling plaatsvinden zoals bepaald in de artikelen 9 en 16, na vervanging van de geregulariseerde DAC'er zoals bepaald in artikel 6.
  (Als bij de afrekening van het vorige werkingsjaar blijkt dat de uitgekeerde voorschotten hoger zijn dan de verantwoorde uitgaven, dan wordt het teveel ingehouden van het nog uit te keren saldo van de subsidie, toegekend aan de privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon, bedoeld in § 1 en wordt het eventueel daarna nog resterende bedrag in mindering gebracht op de voorschotten toegekend voor het daaropvolgende werkingsjaar, tot een maximum van de subsidie toegekend voor dat werkingsjaar.)
Art.5. Une organisation qui occupe un TCT régularisé, bénéficie d'une subvention pour le coût salarial du membre du personnel. Cette subvention est plafonnée au coût salarial complet obligatoire, conformément au barème fixé au moment de la régularisation. Ce droit aux subventions est maintenu tant qu'un TCT régularisé reste en service et qu'il est satisfait aux conditions.
  Il peut être procédé à une redistribution, telle que prévue aux articles 9 et 16, dès que le TCT régularisé a été remplacé comme prévu à l'article 6.
  (S'il résulte, lors du décompte de l'année d'activité antérieure, que les avances octroyées excèdent les dépenses justifiés, l'excédent est retenu sur le solde de la subvention à liquider, accordée à la personne morale de droit privé ou public visée au § 1er, et le montant restant éventuel est déduit des avances attribuées pour l'année d'activité suivante, jusqu'à un maximum de la subvention accordée pour cet année d'activité.)
Art.6. Wanneer de arbeidsovereenkomst met de geregulariseerde DAC-werknemer wordt beëindigd, dan wordt tot het einde van de lopende beleidsplanperiode, en minstens tot het begin van de periodes aangegeven in artikel 16, de vervanger van de geregulariseerde DAC'er gesubsidieerd. Het bedrag van de subsidies is bij de start van de vervanging hoogstens het bedrag van de verplichte loonkosten voor een werknemer in hetzelfde barema als de vervangen werknemer met dezelfde bewezen anciënniteit, met een maximum van 5 jaar.
  Het recht op subsidies voor een vervanger vervalt als de arbeidsplaats gedurende meer dan 6 maanden niet wordt ingevuld.
Art.6. Lorsqu'il est mis fin au contrat de travail du TCT régularisé, le remplaçant de ce dernier est subventionné jusqu'à la fin de la période du plan directeur en cours et au moins jusqu'au début des périodes mentionnées à l'article 16. Le montant des subventions au début du remplacement, est au maximum égal au coût salarial obligatoire pour un travailleur jouissant du même barème que le travailleur remplacé ayant la même ancienneté prouvée, plafonnée à 5 ans.
  Le droit aux subventions s'éteint lorsque l'emploi reste vacant pendant plus de six mois.
Art.7. Wanneer een DAC-promotor zou ophouden te bestaan, kan die een voorstel formuleren om het project te laten overnemen door een andere organisatie. In het overnamevoorstel moet in elk geval het behoud van de tewerkstelling van de geregulariseerde DAC'ers worden opgenomen. Het voorstel wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de administratie.
Art.7. Lorsqu'un promoteur TCT cesserait d'exister, ce dernier peut formuler une proposition de reprise du projet par une autre organisation. La proposition de reprise doit en tout cas garantir le maintien de l'emploi des TCT régularisés. La proposition est soumise à l'approbation de l'administration.
Art.8. Bij een fusie of splitsing van organisaties die een of meer geregulariseerde DAC'ers in dienst hebben of recht hebben op hun vervanging, gaat dat recht over naar een van de nieuw ontstane organisaties.
Art.8. En cas de fusion ou de scission d'organisations occupant un ou plusieurs TCT régularisés ou ayant droit à leur remplacement, ce droit passe à l'une des organisations nouvellement constituées.
HOOFDSTUK III. - Toewijzing aanvullende subsidie voor tewerkstelling.
CHAPITRE III. - Octroi d'une subvention additionnelle à l'emploi.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Section 1re. - Dispositions générales.
Art.9. De middelen die voor de aanvullende subsidie voor tewerkstelling binnen de culturele sector beschikbaar zijn, worden met ingang van de in artikel 16 opgenomen termijnen verdeeld over de verschillende sectoren naar rato van de verdeling van de middelen die werden overgeheveld door de VDAB naar de sectoren op het moment van de regularisatie. De middelen worden concreet verdeeld over de volgende sectoren :
  1° lokaal cultuurbeleid;
  2° [2 niet-landelijk jeugdwerk;]2
  3° sociaal-cultureel volwassenenwerk;
  4° landelijk jeugdwerk;
  5° musea.
  [2 ...]2
  
Art.9. Les ressources disponibles pour la subvention additionnelle à l'emploi dans le secteur culturel, sont réparties, à partir des délais prévus à l'article 16, sur les divers secteurs au prorata de la ventilation des ressources qui ont été transférées par le VDAB aux secteurs au moment de la régularisation. Les ressources sont réparties sur les secteurs suivants :
  1° la politique culturelle locale;
  2° [2 les organisations non nationales de jeunesse ;]2
  3° l'animation socioculturelle des adultes;
  4° les organisations nationales de jeunesse;
  5° les musées.
  [2 ...]2
  
Art.10. De erkende of gesubsidieerde organisaties, binnen de onder artikel 9 genoemde sectoren, kunnen de aanvullende personeelssubsidies ontvangen voor tewerkstelling van personeelsleden binnen de eigen organisatie.
  De gemeentebesturen kunnen aanvullende personeelssubsidies ontvangen voor de ondersteuning van tewerkstelling in verenigingen zonder winstoogmerk.
  [1 [3 De bepaling in het eerste lid is niet van toepassing voor de sector, vermeld in artikel 9, 3°. De middelen die voor de aanvullende subsidie voor tewerkstelling beschikbaar zijn binnen de sector van het sociaal-cultureel volwassenenwerk en de middelen die vrijkomen na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met geregulariseerde DAC-werknemers binnen de sector van het lokaal cultuurbeleid worden met ingang van 2021 toegevoegd aan de middelen voor de uitvoering van het decreet van 7 juli 2017 houdende de subsidiëring en erkenning van het sociaal-cultureel volwassenenwerk]3.]1
  [2 Bij ontslag van een geregulariseerde DAC-werknemer van een niet-erkende organisatie in het sociaal-cultureel volwassenenwerk of het lokaal cultuurbeleid worden de volgende vergoedingen gesubsidieerd indien de organisatie de DAC-werknemer uiterlijk voor 1 juni 2019 in opzeg plaatst:
   1° de volledige opzegperiode;
   2° de vergoedingen die de werkgever ingevolge een wettelijk recht van de werknemer betaalt voor outplacement;
   3° de vergoedingen die de werkgever ingevolge een wettelijk recht van de werknemer betaalt in het kader van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag.
   Indien de organisatie de geregulariseerde DAC-werknemer vanaf 1 juni 2019 in opzeg plaatst, stopt de DAC-subsidiëring ten laatste op 31 december 2020.]2

  [4 De bepaling in het eerste lid is niet van toepassing voor de sectoren, vermeld in artikel 9, 2А en 4А, van dit decreet. De middelen die voor de aanvullende subsidie voor tewerkstelling beschikbaar zijn binnen de sectoren van het niet-landelijk jeugdwerk en het landelijk jeugdwerk, worden bij de beыindiging van de arbeids- overeenkomst van een of meer geregulariseerde DAC-werknemers overgeheveld naar de begrotingsartikelen die bestemd zijn voor het Jeugddecreet van 23 november 2023.
   Bij ontslag van een geregulariseerde DAC-werknemer van een niet-landelijke jeugdwerkorganisatie of van een landelijke jeugdwerkorganisatie, worden de volgende vergoedingen gesubsidieerd als de organisatie de DAC-werknemer uiterlijk op 30 juni 2024 in opzeg plaatst:
   1° de volledige opzegperiode en de daarmee overeenkomende opzegvergoeding;
   2° de vergoedingen die de werkgever met toepassing van een wettelijk recht van de werknemer betaalt voor outplacement;
   3° de vergoedingen die de werkgever ingevolge een wettelijk recht van de werknemer betaalt in het kader van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag.
   Als de organisatie, vermeld in het zevende lid, de geregulariseerde DAC-werknemer niet in opzeg plaatst uiterlijk op 30 juni 2024, stopt de DAC-subsidiëring uiterlijk op 31 december 2025.]4

  
Art.10. Les organisations agréées ou subventionnées dans les secteurs cités à l'article 9, peuvent bénéficier de subventions de personnel additionnelles pour l'emploi de personnel dans leur propre organisation.
  Les administrations communales peuvent bénéficier de subventions de personnel additionnelles pour le soutien de l'emploi dans les associations sans but lucratif.
  [1 [3 La disposition de l'alinéa 1er ne s'applique pas au secteur visé à l'article 9, 3°. Les moyens disponibles pour la subvention additionnelle à l'emploi dans le secteur de l'animation socioculturelle des adultes et les moyens libérés après la cessation du contrat de travail avec les travailleurs TCT régularisés dans le secteur de la politique culturelle locale sont ajoutés, à partir de 2021, aux moyens pour l'exécution du décret du 7 juillet 2017 portant subvention et agrément de l'animation socioculturelle des adultes]3.]1
  [2 En cas de licenciement d'un travailleur TCT régularisé d'une organisation non agréée dans l'animation socioculturelle des adultes ou la politique culturelle locale, les indemnités suivantes sont subventionnées si l'organisation met le travailleur TCT en préavis pour le 1er juin 2019 au plus tard :
   1° la période de préavis complète ;
   2° les indemnités que paie l'employeur pour l'outplacement en vertu d'un droit légal du travailleur ;
   3° les indemnités que paie l'employeur dans le cadre du régime de chômage avec complément d'entreprise en vertu d'un droit légal du travailleur.
   Si l'organisation met le travailleur TCT régularisé en préavis à partir du 1er juin 2019, la subvention TCT prend fin le 31 décembre 2020 au plus tard.]2

  [4 La disposition de l'alinéa 1er ne s'applique pas aux secteurs visés à l'article 9, 2° et 4°, du présent décret. Les moyens disponibles pour la subvention additionnelle à l'emploi dans les secteurs des organisations non nationales de jeunesse et des organisations nationales de jeunesse sont transférés, en cas de cessation du contrat de travail d'un ou de plusieurs travailleurs TCT régularisés, aux articles budgétaires destinés au Décret Jeunesse du 23 novembre 2023.
   En cas de licenciement d'un travailleur TCT régularisé d'une organisation non nationale de jeunesse ou d'une organisation nationale de jeunesse, les indemnités suivantes sont subventionnées si l'organisation met le travailleur TCT en préavis pour le 30 juin 2024 au plus tard :
   1° la période de préavis complète et l'indemnité de préavis correspondante ;
   2° les indemnités que paie l'employeur pour l'outplacement en vertu d'un droit légal du travailleur ;
   3° les indemnités que paie l'employeur dans le cadre du régime de chômage avec complément d'entreprise en vertu d'un droit légal du travailleur.
   Si l'organisation visée à l'alinéa 7 ne met pas le travailleur TCT régularisé en préavis au plus tard le 30 juin 2024, la subvention TCT prend fin le 31 décembre 2025 au plus tard.]4

  
Art.11. De subsidies voor de loonkosten kunnen nooit meer bedragen dan 35.510 euro per voltijds equivalent. Dat bedrag wordt aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.
Art.11. Les subventions pour coûts salariaux sont toujours plafonnées à 35.510 euros par équivalent temps plein. Ce montant est adapté à l'évolution de l'indice santé.
Art.12. [2 ...]2
  Op basis van objectieve parameters wordt, telkens voor het begin van een nieuwe beleidsplanperiode, de omvang bepaald van het contingent waarop de organisaties een beroep mogen doen in het kader van hun beleidsplan.
  [3 De Vlaamse Regering legt voor de sectoren, vermeld in artikel 9, 1°, 3°, 4° en 5°, de objectieve parameters vast en bepaalt de nadere regels met betrekking tot de verdeling van de middelen binnen elke sector na voorafgaand advies van de betrokken adviesraden en na consultatie van de sociale partners.]3
  [1 [3 ...]3]1
  
Art.12. [2 ...]2
  Sur la base de paramètres objectifs, l'importance du contingent auquel les organisations ont droit dans le cadre de leur plan directeur est à chaque fois déterminée au début d'une nouvelle période du plan directeur.
  [3 Pour les secteurs visés à l'article 9, 1°, 3°, 4° et 5°, le Gouvernement flamand arrête les paramètres objectifs et les modalités relatives à la répartition des ressources au sein de chaque secteur, après avis préalable des conseils consultatifs concernés et après consultation des partenaires sociaux.]3
  [1 [3 ...]3]1
  
Art.13. [1 De middelen, aangevuld met indexering, die voor de aanvullende subsidie voor tewerkstelling beschikbaar zijn voor de organisaties, vermeld in bijlage 1, die bij dit decreet is gevoegd, worden vanaf het werkingsjaar [2 2023]2 overgeheveld naar de begrotingsartikelen bestemd voor het [2 Kunstendecreet van 23 april 2021]2 en overeenkomstig de bepalingen van dat decreet toegekend en verantwoord.
   In de werkingsjaren [2 2019, 2020, 2021 en 2022]2 gelden voor de organisaties, vermeld in bijlage 1, de volgende overgangsmaatregelen:
   1° de middelen die voor de aanvullende subsidie voor tewerkstelling beschikbaar zijn, worden toegevoegd aan de subsidies die zij voor het geheel van hun werking ontvangen op basis van het Kunstendecreet van 13 december 2013. In afwijking van de artikelen 5 en 6, is de maximale hoogte van die middelen per organisatie vastgelegd zoals vermeld in bijlage 1, die bij dit decreet is gevoegd. Deze middelen worden geïndexeerd met als basis het werkingsjaar 2017;
   2° de middelen die voor de aanvullende subsidie voor tewerkstelling beschikbaar zijn, kunnen enkel aangewend worden voor de betaling van de loonkosten van een personeelslid tewerkgesteld op een geregulariseerde DAC-arbeidsplaats binnen de organisatie;
   3° om de aanvullende subsidie voor tewerkstelling voor het betrokken werkingsjaar te kunnen behouden, moet de organisatie gedurende het volledige werkingsjaar de toegekende voltijdse equivalenten (VTE) tewerkgesteld hebben. De voltijdse equivalenten per organisatie zijn vermeld in bijlage 1, die bij dit decreet is gevoegd;
   4° het toezicht op de verantwoording van deze aanvullende subsidie voor tewerkstelling binnen de organisatie gebeurt samen met het toezicht dat geregeld wordt in het Kunstendecreet van 13 december 2013 voor het geheel van haar werking voor dat jaar. De organisatie verleent haar volle medewerking aan de uitoefening van dit toezicht en bezorgt op eenvoudig verzoek van de toezichthouder, alle stukken die betrekking hebben op de verantwoording van de aanvullende subsidie voor tewerkstelling.
   De middelen, die voor de aanvullende subsidie voor tewerkstelling beschikbaar zijn voor Poëziecentrum vzw, zijnde 164.792,57 euro, aangevuld met indexering, worden vanaf het werkingsjaar 2021 overgeheveld naar de dotatie van het Vlaams Fonds voor de Letteren, opgericht bij het decreet van 30 maart 1999.
   In de werkingsjaren 2019 en 2020 gelden voor Poëziecentrum vzw de volgende overgangsmaatregelen:
   1° de middelen die voor de aanvullende subsidie voor tewerkstelling beschikbaar zijn, worden toegevoegd aan de subsidies die het voor het geheel van zijn werking ontvangt op basis van het decreet van 30 maart 1999 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de Letteren. In afwijking van de artikelen 5 en 6, is de maximale hoogte van die middelen vastgelegd op 164.792,54 euro (basis werkingsjaar 2017). Deze middelen worden geïndexeerd met als basis het werkingsjaar 2017;
   2° de middelen die voor de aanvullende subsidie voor tewerkstelling beschikbaar zijn, kunnen enkel aangewend worden voor de betaling van de loonkosten van een personeelslid tewerkgesteld op een geregulariseerde DAC-arbeidsplaats binnen de organisatie;
   3° om de aanvullende subsidie voor tewerkstelling voor het betrokken werkingsjaar te kunnen behouden, moet de organisatie gedurende het volledige werkingsjaar de toegekende voltijdse equivalenten (VTE) tewerkgesteld hebben, zijnde 2,98 VTE;
   4° de Vlaamse Regering bepaalt in het besluit tot toekenning van de subsidie de nadere voorwaarden voor het toezicht op de verantwoording van deze aanvullende subsidie voor tewerkstelling binnen de organisatie. De organisatie verleent haar volle medewerking aan de uitoefening van dit toezicht en bezorgt op eenvoudig verzoek van de toezichthouder, alle stukken die betrekking hebben op de verantwoording van de aanvullende subsidie voor tewerkstelling.]1

  
Art.13. [1 A partir de l'année d'activités [2 2023]2, les ressources, assorties d'une indexation, disponibles pour la subvention additionnelle à l'emploi pour les organisations mentionnées à l'annexe 1ère jointe au présent décret sont transférées aux articles budgétaires destinés au [2 décret sur les Arts du 23 avril 2021]2 et sont octroyées et justifiées conformément aux dispositions de ce décret.
   Au cours des années d'activités [2 2019, 2020, 2021 et 2022]2, les mesures transitoires suivantes s'appliquent aux organisations mentionnées à l'annexe 1ère :
   1° les ressources disponibles pour la subvention additionnelle à l'emploi sont ajoutées aux subventions qu'elles reçoivent pour l'ensemble de leurs activités sur la base du décret sur les arts du 13 décembre 2013. Par dérogation aux articles 5 et 6, le plafond de ces ressources est fixé par organisation comme mentionné à l'annexe 1ère jointe au présent décret. Ces ressources sont indexées par référence à l'année d'activités 2017 ;
   2° les ressources disponibles pour la subvention additionnelle à l'emploi ne peuvent être affectées qu'au paiement des coûts salariaux d'un membre du personnel occupé dans un emploi TCT régularisé au sein de l'organisation ;
   3° pour pouvoir conserver la subvention additionnelle à l'emploi pour l'année d'activités concernée, l'organisation doit avoir occupé, pendant l'année d'activités complète, les équivalents temps plein (ETP) octroyés. Les équivalents temps plein par organisation sont mentionnés à l'annexe 1ère jointe au présent décret ;
   4° le contrôle de la justification de cette subvention additionnelle à l'emploi au sein de l'organisation a lieu en même temps que le contrôle réglé dans le décret sur les arts du 13 décembre 2013 pour l'ensemble de ses activités pour cette année-là. L'organisation prête son plein concours à l'exercice de ce contrôle et transmet, sur simple demande du superviseur, toutes les pièces relatives à la justification de la subvention additionnelle à l'emploi.
   A partir de l'année d'activités 2021, les ressources disponibles pour la subvention additionnelle à l'emploi pour le Poëziecentrum vzw, soit 164.792,57 euros, assorties d'une indexation, sont transférées à la dotation du Fonds flamand des Lettres créé par le décret du 30 mars 1999.
   Au cours des années d'activités 2019 et 2020, les mesures transitoires suivantes s'appliquent au Poëziecentrum vzw :
   1° les ressources disponibles pour la subvention additionnelle à l'emploi sont ajoutées aux subventions qu'il reçoit pour l'ensemble de ses activités sur la base du décret du 30 mars 1999 portant création d'un " Vlaams Fonds voor de letteren " (Fonds flamand des Lettres). Par dérogation aux articles 5 et 6, le plafond de ces ressources est fixé à 164.792,54 euros (base année d'activités 2017). Ces ressources sont indexées par référence à l'année d'activités 2017 ;
   2° les ressources disponibles pour la subvention additionnelle à l'emploi ne peuvent être affectées qu'au paiement des coûts salariaux d'un membre du personnel occupé dans un emploi TCT régularisé au sein de l'organisation ;
   3° pour pouvoir conserver la subvention additionnelle à l'emploi pour l'année d'activités concernée, l'organisation doit avoir occupé, pendant l'année d'activités complète, les équivalents temps plein (ETP) octroyés, soit 2,98 ETP ;
   4° dans la décision d'octroi de la subvention, le Gouvernement flamand précise les conditions du contrôle de la justification de cette subvention additionnelle à l'emploi au sein de l'organisation. L'organisation prête son plein concours à l'exercice de ce contrôle et transmet, sur simple demande du superviseur, toutes les pièces relatives à la justification de la subvention additionnelle à l'emploi.]1

  
Art. 13/1. [1 De middelen, die voor de aanvullende subsidie voor tewerkstelling beschikbaar zijn voor de organisaties, vermeld in bijlage 2, die bij dit decreet is gevoegd, worden vanaf het werkingsjaar 2022 overgeheveld naar de begrotingsartikelen bestemd voor het Kunstendecreet van 13 december 2013 en overeenkomstig de bepalingen van dat decreet toegekend en verantwoord.
   Voor de werkingsjaren 2019, 2020 en 2021 gelden de volgende overgangsmaatregelen:
   1° bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst vanaf 1 juni 2019 van een of meer geregulariseerde DAC-werknemers, zoals door ontslag door de werkgever of door de werknemer, door pensionering of door overlijden, verliezen de organisaties, bedoeld in het eerste lid, definitief het recht op de middelen, die voor de aanvullende subsidie voor tewerkstelling beschikbaar zijn;
   2° de berekening van de aanvullende subsidie voor tewerkstelling voor het betrokken werkingsjaar gebeurt op basis van de werkelijke tewerkstelling van de werknemers in de geregulariseerde DAC-projecten, de verplichte loonkosten inclusief indexeringen. Het maximaal toegestane aantal tewerkgestelde DAC'ers is vermeld in bijlage 2, die bij dit decreet is gevoegd;
   3° de middelen, die voor de aanvullende subsidie voor tewerkstelling beschikbaar zijn, kunnen enkel aangewend worden voor de betaling van de loonkosten van een personeelslid tewerkgesteld op een geregulariseerde DAC-arbeidsplaats binnen de organisatie.
   Bij ontslag van een geregulariseerde DAC-werknemer door een organisatie als bedoeld in het eerste lid, wordt de volledige opzegperiode, te berekenen vanaf 1 juni 2019, gesubsidieerd indien de organisatie de DAC-werknemer uiterlijk voor 1 juni 2019 in opzeg plaatst. Indien de organisatie de geregulariseerde DAC-werknemer vanaf 1 juni 2019 in opzeg plaatst, stopt de DAC-subsidiëring ten laatste op 31 december 2021.
   De middelen, die in de werkingsjaren 2019, 2020 en 2021, voor de aanvullende subsidie voor tewerkstelling beschikbaar zijn, en vrijkomen ingevolge de maatregelen, vermeld in het tweede en derde lid, worden aangewend voor het Kunstendecreet van 13 december 2013.]1

  
Art. 13/1. [1 A partir de l'année d'activités 2022, les ressources disponibles pour la subvention additionnelle à l'emploi pour les organisations mentionnées à l'annexe 2 jointe au présent décret sont transférées aux articles budgétaires destinés au décret sur les arts du 13 décembre 2013 et sont octroyées et justifiées conformément aux dispositions de ce décret.
   Pour les années d'activités 2019, 2020 et 2021, les mesures transitoires suivantes s'appliquent :
   1° en cas de rupture du contrat de travail à partir du 1er juin 2019 d'un ou de plusieurs travailleurs TCT régularisés, comme par licenciement ou démission, par départ à la retraite ou par décès, les organisations visées à l'alinéa 1er perdent définitivement le droit aux ressources disponibles pour la subvention additionnelle à l'emploi ;
   2° la subvention additionnelle à l'emploi pour l'année d'activités concernée est calculée sur la base de l'occupation réelle des travailleurs dans les projets TCT régularisés et des coûts salariaux obligatoires, indexations comprises. Le nombre maximum autorisé de TCT occupés est mentionné à l'annexe 2 jointe au présent décret ;
   3° les ressources disponibles pour la subvention additionnelle à l'emploi ne peuvent être affectées qu'au paiement des coûts salariaux d'un membre du personnel occupé dans un emploi TCT régularisé au sein de l'organisation.
   En cas de licenciement d'un travailleur TCT régularisé par une organisation telle que visée à l'alinéa 1er, la période de préavis complète, à calculer à partir du 1er juin 2019, est subventionnée si l'organisation met le travailleur TCT en préavis pour le 1er juin 2019 au plus tard. Si l'organisation met le travailleur TCT régularisé en préavis à partir du 1er juin 2019, la subvention TCT prend fin le 31 décembre 2021 au plus tard.
   Les ressources disponibles pour la subvention additionnelle à l'emploi au cours des années d'activités 2019, 2020 et 2021 et dégagées suite aux mesures visées aux alinéas 2 et 3 seront affectées à l'exécution du décret sur les arts du 13 décembre 2013.]1

  
Afdeling 2. - Specifieke bepalingen voor de aanvullende tewerkstelling voor [1 ...]1 cultuurbeleid.
Section 2. - Dispositions spécifiques pour l'emploi additionnel dans le cadre de la [1 ...]1 politique culturelle communale.
Art.14. De tewerkstelling moet gerealiseerd worden bij een vereniging zonder winstoogmerk.
  [1 ...]1
  De minister kan in het kader van het lokale cultuurbeleid een uitzondering toestaan op de in het eerste lid geformuleerde vereiste dat de tewerkstelling gerealiseerd moet worden bij een vereniging zonder winstoogmerk. Het verzoek om toekenning van een uitzondering moet uitdrukkelijk gemotiveerd zijn in het gemeentelijk cultuurbeleidsplan of in de specifieke verantwoordingsnota. Bovendien is de instemming van de betrokken gemeentebesturen en een positief advies van de gemeentelijke cultuurraden vereist. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels.
  
Art.14. L'emploi doit être réalisé dans une association sans but lucratif.
  [1 ...]1
  Dans le cadre de la politique culturelle locale, le Ministre peut accorder une dérogation à l'exigence formulée à l'alinéa premier, à savoir que l'emploi doit être réalisé dans une association sans but lucratif. La demande d'octroi d'une dérogation doit être motivée explicitement dans le plan directeur culturel communal ou dans la note de justification spécifique. Le consentement des administrations communales intéressées et un avis positif des conseils culturels communaux est également requis. Le Gouvernement flamand détermine les modalités en la matière.
  
HOOFDSTUK IV. - Overgangsbepalingen.
CHAPITRE IV. - Dispositions transitoires.
Art.16. De eerste verdeling, bedoeld in artikelen 9 en 10, kan pas plaatsvinden naar aanleiding van de eerstvolgende beleidsplannen, en op zijn vroegst :
  1° voor het lokale cultuurbeleid : 2008-2013;
  2° voor het lokale jeugdwerkbeleid : 2008-2011;
  3° voor het sociaal-cultureel volwassenenwerk : 2010-2013;
  4° voor het landelijk jeugdwerk : 2007-2009;
  5° voor musea : 2009-2014.
  Onverminderd de toepassing van het eerste lid vinden de eerste verdeling en toewijzing, bedoeld in artikelen 9 en 10, op zijn vroegst plaats twee jaar nadat met toepassing van artikel 12, derde lid, de objectieve parameters en regels voor de betrokken sector zijn vastgelegd.
  (In afwijking van het tweede lid, vindt, wat het landelijk jeugdwerk betreft, de eerste verdeling en toewijzing, bedoeld in artikelen 9 en 10, plaats in het kader van de bespreking van de beleidsnota 2007-2009.)
  (In afwijking van het tweede lid wijst de Vlaamse Regering de personeelsfuncties waarin geregulariseerde DAC'ers tewerkgesteld zijn, die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit decreet onder de toepassing vallen van artikelen 5 en 6, voor zover zij niet te situeren zijn in de erkende of gesubsidieerde organisaties, vermeld in artikelen 2, 8°, en 9, 2°, en voor zover de personeelsfuncties behoren tot de subsector, vermeld in artikel 9, 1°, toe aan organisaties die gesubsidieerd worden in het kader van [4 de projectsubsidies binnen het decreet van 7 juli 2017 houdende de subsidiëring en erkenning van het sociaal-cultureel volwassenenwerk]4.
  Bij wijze van overgang wordt bij de vaststelling van de toe te wijzen personeelsfuncties rekening gehouden met de volgende principes :
  1° voor de projecten, die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit decreet maximaal twee voltijdse equivalenten personeelsfuncties gesubsidieerd krijgen, gebeurt de toewijzing vanaf 1 januari 2009;
  2° per project kan de toewijzing die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit decreet plaatsvindt, niet hoger zijn dan het equivalent van twee voltijdse personeelsfuncties;
  3° onverminderd de toepassing van 2° behouden de projecten in 2008 altijd minstens een subsidiabel personeelsbestand van minstens twee voltijdse equivalenten personeelsfuncties.
  De personeelsfuncties die in de loop van de toepassing van dit decreet onder de toepassing van de artikelen 5 en 6 komen, worden, met toepassing van de principes 1°, 2° en 3°, van het vijfde lid van dit artikel, in afwijking van artikel 6, eerste lid, onmiddellijk toegewezen aan organisaties die gesubsidieerd worden in het kader van [4 de projectsubsidies binnen het decreet van 7 juli 2017 houdende de subsidiëring en erkenning van het sociaal-cultureel volwassenenwerk]4.)
  [1 In afwijking van het tweede lid vindt voor het sociaal-cultureel volwassenenwerk de eerste verdeling en toewijzing plaats vanaf het jaar, volgend op de vaststelling van de objectieve parameters en regels door de Vlaamse Regering.]1
  [2 In afwijking van het tweede lid vindt voor het gemeentelijk jeugdwerkbeleid de eerste verdeling en toewijzing plaats op 1 januari 2014.]2
  [3 In afwijking van artikel 6 geldt dat als de arbeidsovereenkomst met een geregulariseerde DAC-werknemer in de sector niet-landelijk jeugdwerk beëindigd wordt of beëindigd is, de vervanger van de geregulariseerde DAC'er gesubsi|Updieerd wordt tot en met 31 december van het jaar dat volgt op de beëindiging van de arbeids|Upovereenkomst. De eerste herverdeling vindt plaats na 31 december 2016.]3
  [4 In afwijking van artikel 6 geldt dat als de arbeidsovereenkomst van de geregulariseerde DAC-werknemer binnen een erkende of gesubsidieerde sociaal-culturele volwassenenorganisatie op basis van het decreet van 4 april 2003 in de periode 2018-2020 wordt beëindigd, de vrijgekomen middelen gaan naar de sociaal-culturele volwassenenorganisaties, erkend of gesubsidieerd op basis van het decreet van 4 april 2003.]4
  [5 Voor de sector, vermeld in artikel 9, 4А, vindt de laatste verdeling plaats voor de start van de beleidsperiode die volgt op de beleidsperiode van 2021-2025. De organisaties, vermeld in bijlage 3 die bij dit decreet is gevoegd, komen in aanmerking voor de voormelde herverdeling als ze in het eerstvolgende beleidsplan de noodzaak aantonen en verantwoorden om die extra arbeidsplaats op te nemen. Een beoordelingscommissie als vermeld in artikel 26 van het Jeugddecreet van 23 november 2023, en de administratie houden bij de beoordeling van de beleidsnota's, vermeld in artikel 37, § 1, van het Jeugddecreet van 23 november 2023, rekening met de aanvragen tot tewerkstelling bij de organisaties die daarvoor in aanmerking komen.]5
  
Art.16. La première répartition, visée aux articles 9 et 10, ne peut avoir lieu qu'à l'occasion des plans directeurs prochains et au plus tôt :
  1° pour la politique culturelle locale : 2008-2013;
  2° pour la politique locale en matière d'animation des jeunes : 2008-2011;
  3° pour l'animation socioculturelle des adultes : 2010-2013;
  4° pour les organisations nationales des jeunes : 2007-2009;
  5° pour les musées : 2009-2014.
  Sans préjudice de l'application de l'alinéa premier, la première répartition et attribution, visées aux articles 9 et 10, interviennent au plus tôt deux ans après la fixation des paramètres et règles pour le secteur concerné, en application de l'article 12, alinéa trois.
  (Par dérogation à l'alinéa deux, la première répartition, visée aux articles 9 et 10, aura lieu, en ce qui concerne les organisations nationales de jeunesse, dans le cadre de la discussion de la note de politique 2007-2009.)
  (Par dérogation à l'alinéa deux, le Gouvernement flamand attribue les fonctions dans lesquelles sont employés des TCT régularisés qui, au moment de l'entrée en vigueur du présent décret, sont régis par les articles 5 et 6, dans la mesure où ils ne relèvent pas des organisations agréées ou subventionnées, visées aux articles 2, 8° et 9, 2°, et pour autant que les fonctions appartiennent au sous-secteur, visé à l'article 9, 1°, aux organisations subventionnées dans le cadre [4 des subventions de projet prévues par le décret du 7 juillet 2017 portant subvention et agrément de l'animation socioculturelle des adultes]4.
  A titre transitoire, il est tenu compte des principes suivants lors de la fixation des fonctions à attribuer :
  1° pour les projets qui bénéficieront du subventionnement de deux fonctions à temps plein au maximum au moment de l'entrée en vigueur du présent décret, l'attribution se fait à partir du 1er janvier 2009;
  2° l'attribution qui se fait par projet au moment de l'entrée en vigueur du présent décret, ne peut être supérieure à l'équivalent de deux fonctions à temps plein;
  3° sans préjudice de l'application du point 2°, les projets maintiennent en 2008 toujours au moins un effectif subventionnable de deux fonctions à temps plein.
  Les fonctions qui seront régies par les articles 5 et 6 au cours de l'application du présent décret, sont attribuées sans délai aux organisations subventionnées dans le cadre [4 des subventions de projet prévues par le décret du 7 juillet 2017 portant subvention et agrément de l'animation socioculturelle des adultes]4, en application des principes 1°, 2°, 3°, de l'alinéa cinq du présent article, par dérogation à l'article 6, alinéa 1er.)
  [1 Par dérogation à l'alinéa deux, la première répartition et attribution pour l'animation socioculturelle a lieu à partir de l'année, suivant la fixation des paramètres et règles objectifs par le Gouvernement flamand.]1
  [2 Par dérogation au deuxième alinéa, la première répartition et la distribution en faveur de la politique communale d'animation des jeunes a lieu le 1er janvier 2014.]2
  [3 Par dérogation à l'article 6, lorsqu'il est mis fin ou lorsqu'il a été mis fin au contrat de travail conclu avec un travailleurs TCT régularisé dans le secteur des organisations non nationales de jeunesse, le remplaçant du travailleur TCT régularisé est subventionné jusqu'au 31 décembre inclus de l'année suivant la cessation du contrat de travail. La première réallocation a lieu après le 31 décembre 2016.]3
  [4 Par dérogation à l'article 6, si le contrat de travail du travailleur TCT régularisé dans une organisation socioculturelle pour adultes agréée ou subventionnée en vertu du décret du 4 avril 2003 est résilié dans la période 2018-2020, les moyens libérés seront affectés aux organisations socioculturelles pour adultes agréées ou subventionnées en vertu du décret du 4 avril 2003.]4
  [5 Pour le secteur visé à l'article 9, 4°, la dernière répartition a lieu avant le début de la période de gestion qui suit la période de gestion de 2021-2025. Les organisations visées à l'annexe 3 jointe au présent décret, sont éligibles à la répartition précitée si elles démontrent et justifient dans le prochain plan stratégique la nécessité d'inclure cet emploi supplémentaire. Lors de l'évaluation des notes d'orientation visées à l'article 37, § 1er, du Décret Jeunesse du 23 novembre 2023, une commission d'évaluation telle que visée à l'article 26 du Décret Jeunesse du 23 novembre 2023, et l'administration tiennent compte des demandes d'emploi dans les organisations éligibles.]5
  
Art.17. De concrete regelen die in aanmerking moeten worden genomen, worden bepaald per ministeriële omzendbrief.
Art.17. Les règles concrètes à prendre en considération, sont déterminées par circulaire ministérielle.
Art.18. De Vlaamse regering bepaalt de datum waarop dit decreet in werking treedt.
  (NOTA : Inwerkingtreding vastgesteld op 01-09-2005 door BVR 2005-10-14/44, art. 5)
Art.18. Le Gouvernement flamand fixe la date d'entrée en vigueur du présent décret.
  (NOTE : Entrée en vigueur fixée le 01-09-2005 par AGF 2005-10-14/44, art. 5)
BIJLAGE.
ANNEXE.
N1. [1 Bijlage 1 bij het decreet van 7 mei 2004 houdende aanvullende subsidies voor tewerkstelling in de culturele sector.
N1. [1 Annexe 1ère au décret du 7 mai 2004 relatif aux subventions additionnelles à l'emploi dans le secteur culturel :
N2. [1 Bijlage 2 bij het decreet van 7 mei 2004 houdende aanvullende subsidies voor tewerkstelling in de culturele sector.
N2. [1 Annexe 2 au décret du 7 mai 2004 relatif aux subventions additionnelles à l'emploi dans le secteur culturel :
N3. [1 Organisaties als vermeld in artikel 16, elfde lid
N3. [1 Organisations telles que visées à l'article 16, alinéa 11