Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
12 DECEMBER 2003. - Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de bekwaamheidsbewijzen en de salarisschalen van de personeelsleden van de centra voor leerlingenbegeleiding. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-06-2004 en tekstbijwerking tot 24-10-2025)
Titre
12 DECEMBRE 2003. - Arrêté du Gouvernement flamand fixant les titres et les échelles de traitement des membres du personnel des centres d'encadrement des élèves (TRADUCTION). (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 01-06-2004 et mise à jour au 24-10-2025)
Documentinformatie
Info du document
Tekst (17)
Texte (17)
Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op de personeelsleden van de centra voor leerlingenbegeleiding bedoeld in de artikelen 73 en 182 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding en op de personeelsleden van de permanente ondersteuningscellen bedoeld in de artikelen 89, 90 en 91 van hetzelfde decreet.
Article 1. Le présent arrêté s'applique aux membres du personnel des centres d'encadrement des élèves visés aux articles 73 et 182 du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves et aux membres du personnel des cellules permanentes d'appui visées aux articles 89, 90 et 91 du même décret.
Art. 1bis. <INGEVOEGD bij BVR 2007-11-09/44, art. 6; Inwerkingtreding : 01-09-2007 en 01-09-2006, zie BVR 2007-11-09/44, art. 10> Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° het besluit van 14 juni 1989 : het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs;
[1 1°bis basisdiploma : een diploma, vermeld in artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs;]1
2° een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger onderwijs van het lange type (afgekort : ten minste HOLT) : een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6, punt 1 tot en met 11, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs, met uitzondering van punt 2bis ;
3° een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan (afgekort : ten minste HOKTVL) : een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6, punt 1 tot en met 39, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs, met uitzondering van punt 2bis, punt 29bis, punt 30bis, punt 34bis en punt 36bis.
4° een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger onderwijs van het korte type (afgekort : ten minste HOKT) : de bekwaamheidsbewijzen, vermeld in artikel 6, punt 1 tot en met 42, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs, met uitzondering van het diploma of het getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie of van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie of het pedagogisch getuigschrift, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs, of het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, en met uitzondering van punt 2bis, punt 29bis, punt 30bis, punt 34bis en punt 36bis ;
5° een bekwaamheidsbewijs van het niveau PBA : een van de basisdiploma's vermeld in artikel 6, punt 12 tot en met 42, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs, met uitzondering van het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, en, vanaf 1 september 2000, het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie en, vanaf 1 september 2002, het pedagogisch getuigschrift, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs;
6° een bekwaamheidsbewijs van het niveau secundair onderwijs :
a) een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6, punt 47 tot en met 56, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs;
b) de studiebewijzen die in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs vermeld zijn als ASBO, HSBO, HSTO en HSKO.
1° het besluit van 14 juni 1989 : het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs;
[1 1°bis basisdiploma : een diploma, vermeld in artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs;]1
2° een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger onderwijs van het lange type (afgekort : ten minste HOLT) : een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6, punt 1 tot en met 11, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs, met uitzondering van punt 2bis ;
3° een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan (afgekort : ten minste HOKTVL) : een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6, punt 1 tot en met 39, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs, met uitzondering van punt 2bis, punt 29bis, punt 30bis, punt 34bis en punt 36bis.
4° een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger onderwijs van het korte type (afgekort : ten minste HOKT) : de bekwaamheidsbewijzen, vermeld in artikel 6, punt 1 tot en met 42, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs, met uitzondering van het diploma of het getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie of van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie of het pedagogisch getuigschrift, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs, of het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, en met uitzondering van punt 2bis, punt 29bis, punt 30bis, punt 34bis en punt 36bis ;
5° een bekwaamheidsbewijs van het niveau PBA : een van de basisdiploma's vermeld in artikel 6, punt 12 tot en met 42, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs, met uitzondering van het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, en, vanaf 1 september 2000, het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie en, vanaf 1 september 2002, het pedagogisch getuigschrift, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs;
6° een bekwaamheidsbewijs van het niveau secundair onderwijs :
a) een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6, punt 47 tot en met 56, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs;
b) de studiebewijzen die in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs vermeld zijn als ASBO, HSBO, HSTO en HSKO.
Art. 1bis. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
1° l'arrêté du 14 juin 1989 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire dans l'enseignement secondaire;
[1 1°bis diplôme de base : un diplôme mentionné à l'article 6 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire dans l'enseignement secondaire;]1
2° un titre de l'enseignement supérieur de type long au moins (abrégé : au moins ESTL) : un des diplômes de base mentionnés à l'article 6, aux points 1 à 11 inclus, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire dans l'enseignement secondaire, à l'exception du point 2bis;
3° un titre de l'enseignement supérieur de type court de plein exercice au moins (abrégé : 'au moins ESTCPE) : un des diplômes de base mentionnés à l'article 6, aux points 1 à 39 inclus, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire dans l'enseignement secondaire, à l'exception des points 2bis, 29bis, 30bis, 34bis et 36bis.
4° un titre de l'enseignement supérieur de type court au moins (abrégé : au moins ESTC) : les titres, visés à l'article 6, aux points 1 à 42 inclus, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire dans l'enseignement secondaire, à l'exception du diplôme ou du certificat de l'enseignement supérieur pédagogique de type court de promotion sociale ou de l'enseignement supérieur pédagogique de promotion sociale ou du certificat pédagogique délivré par un centre d'éducation des adultes, ou du certificat des cours normaux techniques moyens ou des cours pédagogiques et à l'exception des points 2bis, 29bis, 30bis, 34bis et 36bis ;
5° un titre du niveau PBA : un des diplômes de base, visés à l'article 6, aux points 12 à 42 inclus, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire dans l'enseignement secondaire, à l'exception du diplôme ou du certificat de l'enseignement supérieur pédagogique de type court de promotion sociale, du certificat des cours normaux techniques moyens ou des cours pédagogiques, et, à compter du 1er septembre 2000, du diplôme ou du certificat de l'enseignement supérieur pédagogique de promotion sociale et, à compter du 1er septembre 2002, du certificat pédagogique délivré par un centre d'éducation des adultes;
6° un titre du niveau de l'enseignement secondaire :
a) un des diplômes de base, visés à l'article 6, aux points 47 à 56 inclus, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire dans l'enseignement secondaire;
b) les titres dénommés ESPC, EPSS, ETSS et ESSA à l'article 7 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire dans l'enseignement secondaire.
1° l'arrêté du 14 juin 1989 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire dans l'enseignement secondaire;
[1 1°bis diplôme de base : un diplôme mentionné à l'article 6 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire dans l'enseignement secondaire;]1
2° un titre de l'enseignement supérieur de type long au moins (abrégé : au moins ESTL) : un des diplômes de base mentionnés à l'article 6, aux points 1 à 11 inclus, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire dans l'enseignement secondaire, à l'exception du point 2bis;
3° un titre de l'enseignement supérieur de type court de plein exercice au moins (abrégé : 'au moins ESTCPE) : un des diplômes de base mentionnés à l'article 6, aux points 1 à 39 inclus, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire dans l'enseignement secondaire, à l'exception des points 2bis, 29bis, 30bis, 34bis et 36bis.
4° un titre de l'enseignement supérieur de type court au moins (abrégé : au moins ESTC) : les titres, visés à l'article 6, aux points 1 à 42 inclus, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire dans l'enseignement secondaire, à l'exception du diplôme ou du certificat de l'enseignement supérieur pédagogique de type court de promotion sociale ou de l'enseignement supérieur pédagogique de promotion sociale ou du certificat pédagogique délivré par un centre d'éducation des adultes, ou du certificat des cours normaux techniques moyens ou des cours pédagogiques et à l'exception des points 2bis, 29bis, 30bis, 34bis et 36bis ;
5° un titre du niveau PBA : un des diplômes de base, visés à l'article 6, aux points 12 à 42 inclus, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire dans l'enseignement secondaire, à l'exception du diplôme ou du certificat de l'enseignement supérieur pédagogique de type court de promotion sociale, du certificat des cours normaux techniques moyens ou des cours pédagogiques, et, à compter du 1er septembre 2000, du diplôme ou du certificat de l'enseignement supérieur pédagogique de promotion sociale et, à compter du 1er septembre 2002, du certificat pédagogique délivré par un centre d'éducation des adultes;
6° un titre du niveau de l'enseignement secondaire :
a) un des diplômes de base, visés à l'article 6, aux points 47 à 56 inclus, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire dans l'enseignement secondaire;
b) les titres dénommés ESPC, EPSS, ETSS et ESSA à l'article 7 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire dans l'enseignement secondaire.
Wijzigingen
Art. 2. § 1. (De personeelsleden, vermeld in artikel 1, verwerven overeenkomstig hun bekwaamheidsbewijs, vermeld in bijlage I, de overeenstemmende salarisschaal in het ambt dat ze uitoefenen.
De basisbekwaamheidsbewijzen, vermeld in bijlage I, moeten uitgereikt zijn, hetzij door een Belgische universiteit of door een door een wet of decreet daarmee gelijkgestelde instelling, of door een door de Staat dan wel door de Gemeenschap georganiseerde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling, hetzij door een ambtshalve geregistreerde instelling voor hoger onderwijs, hetzij door een door de Staat of de Gemeenschap ingestelde examencommissie.
Worden eveneens aangenomen de in overeenstemming met een buitenlandse regeling behaalde diploma's en studiegetuigschriften die gelijkwaardig worden verklaard met een van de diploma's of studiegetuigschriften, vermeld in dit besluit :
1° krachtens verdragen of internationale overeenkomsten of;
2° [2 tot 31 augustus 2011]2 met toepassing van de procedure voor het verlenen van de gelijkwaardigheid, voorgeschreven bij de wet van 19 maart 1971 betreffende de gelijkwaardigheid van de buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften of;
3° met ingang van 1 september 1995, met toepassing van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap of;
4° met ingang van 1 oktober 1992, met toepassing van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap of;
5° met ingang van 1 januari 2003, met toepassing van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen;
[2 6° met ingang van 1 september 2011, met toepassing van de codex secundair onderwijs, het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap en het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.]2
[1 Diploma's of getuigschriften die buiten België uitgereikt zijn, worden eveneens aangenomen indien ze vergezeld gaan van een conformiteitsattest zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 betreffende de omzetting van de Europese Richtlijn 2005/36 voor wervingsambten in het onderwijs en voor sommige functies in de basiseducatie [4 en het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties voor gereglementeerde beroepen in het onderwijs in het kader van de Europese Richtlijn 2005/36]4.]1 )
§ 2. [6 Het besluit van de Vlaamse Regering van 21 november 2003]6 betreffende de salarisschalen van bepaalde personeelsleden van het onderwijs is van toepassing voor de salarisschalen vermeld in bijlage I van dit besluit.
§ 3. [3 De tijdelijke afwijking, vermeld in bijlage I, punt 2.2, Arts, bekwaamheidsbewijzen, vereiste, opmerking 2) : Tijdelijke afwijkingen inzake bijkomend diploma, eindigt wanneer het betrokken personeelslid niet in het bezit is van het bijkomende diploma binnen een periode van 60 maanden.Na het aflopen van die periode van 60 maanden kan dat personeelslid alleen als arts aangesteld worden als houder van een 'ander' bekwaamheidsbewijs, onder de daarvoor geldende voorwaarden en met de bijbehorende salarisschaal.
Vanaf 1 januari 2013 wordt, om de termijn van 60 maanden voor de tijdelijke afwijking vast te stellen, de totale duur van de aanstellingen als arts aan salarisschaal 511 berekend. De telling gebeurt per personeelslid en niet per instelling, centrum of dienst. Voor deze berekening vormen dertig kalenderdagen één maand.
Artsen voor wie op 1 januari 2013 reeds een deel van of de volledige 60 aaneensluitende maanden verstreken zijn, gerekend vanaf 1 september van het schooljaar van hun eerste aanstelling na 1 september 2000 en die nog niet in het bezit zijn van het bijkomend diploma, kunnen onder de tijdelijke afwijking aangesteld worden als arts in een centrum voor leerlingenbegeleiding, totdat zij 60 maanden aan salarisschaal 511 bezoldigd zijn.]3
§ 4. (...)
§ 5. [2 ...]2
§ 6.[5 ...]5
De basisbekwaamheidsbewijzen, vermeld in bijlage I, moeten uitgereikt zijn, hetzij door een Belgische universiteit of door een door een wet of decreet daarmee gelijkgestelde instelling, of door een door de Staat dan wel door de Gemeenschap georganiseerde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling, hetzij door een ambtshalve geregistreerde instelling voor hoger onderwijs, hetzij door een door de Staat of de Gemeenschap ingestelde examencommissie.
Worden eveneens aangenomen de in overeenstemming met een buitenlandse regeling behaalde diploma's en studiegetuigschriften die gelijkwaardig worden verklaard met een van de diploma's of studiegetuigschriften, vermeld in dit besluit :
1° krachtens verdragen of internationale overeenkomsten of;
2° [2 tot 31 augustus 2011]2 met toepassing van de procedure voor het verlenen van de gelijkwaardigheid, voorgeschreven bij de wet van 19 maart 1971 betreffende de gelijkwaardigheid van de buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften of;
3° met ingang van 1 september 1995, met toepassing van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap of;
4° met ingang van 1 oktober 1992, met toepassing van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap of;
5° met ingang van 1 januari 2003, met toepassing van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen;
[2 6° met ingang van 1 september 2011, met toepassing van de codex secundair onderwijs, het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap en het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.]2
[1 Diploma's of getuigschriften die buiten België uitgereikt zijn, worden eveneens aangenomen indien ze vergezeld gaan van een conformiteitsattest zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 betreffende de omzetting van de Europese Richtlijn 2005/36 voor wervingsambten in het onderwijs en voor sommige functies in de basiseducatie [4 en het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties voor gereglementeerde beroepen in het onderwijs in het kader van de Europese Richtlijn 2005/36]4.]1 )
§ 2. [6 Het besluit van de Vlaamse Regering van 21 november 2003]6 betreffende de salarisschalen van bepaalde personeelsleden van het onderwijs is van toepassing voor de salarisschalen vermeld in bijlage I van dit besluit.
§ 3. [3 De tijdelijke afwijking, vermeld in bijlage I, punt 2.2, Arts, bekwaamheidsbewijzen, vereiste, opmerking 2) : Tijdelijke afwijkingen inzake bijkomend diploma, eindigt wanneer het betrokken personeelslid niet in het bezit is van het bijkomende diploma binnen een periode van 60 maanden.Na het aflopen van die periode van 60 maanden kan dat personeelslid alleen als arts aangesteld worden als houder van een 'ander' bekwaamheidsbewijs, onder de daarvoor geldende voorwaarden en met de bijbehorende salarisschaal.
Vanaf 1 januari 2013 wordt, om de termijn van 60 maanden voor de tijdelijke afwijking vast te stellen, de totale duur van de aanstellingen als arts aan salarisschaal 511 berekend. De telling gebeurt per personeelslid en niet per instelling, centrum of dienst. Voor deze berekening vormen dertig kalenderdagen één maand.
Artsen voor wie op 1 januari 2013 reeds een deel van of de volledige 60 aaneensluitende maanden verstreken zijn, gerekend vanaf 1 september van het schooljaar van hun eerste aanstelling na 1 september 2000 en die nog niet in het bezit zijn van het bijkomend diploma, kunnen onder de tijdelijke afwijking aangesteld worden als arts in een centrum voor leerlingenbegeleiding, totdat zij 60 maanden aan salarisschaal 511 bezoldigd zijn.]3
§ 4. (...)
§ 5. [2 ...]2
§ 6.[5 ...]5
Wijzigingen
Art. 2. § 1er. (Les membres du personnel visés à l'article 1er acquièrent, conformément à leur titre, visé à l'annexe Ire, le traitement correspondant dans la fonction qu'ils exercent.
Les titres de base, visés à l'annexe 1re, doivent être délivrés soit par une université belge ou par un établissement y assimilé par une loi ou par un décret, ou par un établissement d'enseignement organisé, subventionné ou agréé par l'Etat ou par la Communauté, soit par une institution enregistrée d'office, soit par un jury institué par l'Etat ou la Communauté.
Sont également admis, les diplômes et certificats d'études obtenus selon un régime étranger, déclarés équivalents à un des diplômes ou certificats d'études visés au présent arrêté :
1° en vertu de traités ou de conventions internationales ou;
2° [2 jusqu'au 31 août 2011]2 en application de la procédure en matière d'équivalence, prescrite par la loi du 19 mars 1971 relative à l'équivalence des diplômes et certificats d'études étrangers ou;
3° à partir du 1er septembre 1995, en application du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande ou;
4° à partir du 1er octobre 1992, en application du décret du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande ou;
5° à partir du 1er janvier 2003, en application du décret du 4 avril 2003 relatif à la restructuration de l'enseignement supérieur en Flandre;
[2 6° à partir du 1er septembre 2011, en application du Code de l'Enseignement secondaire, du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande et du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes.]2
[1 Des diplômes ou certificats délivrés en dehors de la Belgique sont également acceptés s'ils sont accompagnés d'une attestation de conformité telle que fixée à l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 avril 2009 relatif à la transposition de la Directive européenne 2005/36 pour des fonctions de recrutement dans l'enseignement et pour certaines fonctions dans l'éducation de base [4 et à l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2017 relatif à la reconnaissance de qualifications professionnelles pour les professions réglementées dans l'enseignement dans le cadre de la Directive européenne 2005/36]4.]1 )
§ 2. [6 L'arrêté du Gouvernement flamand du 5 octobre 2018]6 portant les échelles de traitement de certains membres du personnel de l'enseignement s'applique aux échelles de traitement visées à l'annexe Ire du présent arrêté.
§ 3. [3 La dérogation temporaire, mentionnée à l'annexe Ire, point 2.2, 'Médecin, titres, exigence, remarque 2) : Dérogations temporaires relatives au diplôme supplémentaire', prend fin lorsque l'intéressé n'est pas titulaire du diplôme supplémentaire requis dans les 60 mois. Après l'expiration de cette période de 60 mois, le membre du personnel en question ne peut être désigné comme médecin qu'en qualité de titulaire d'un 'autre' titre, aux conditions applicables en la matière et avec l'échelle de traitement y afférente.
En vue de déterminer le délai de 60 mois pour la dérogation temporaire, la durée totale des désignations comme médecin est calculée à une échelle de traitement 511 à partir du 1er janvier 2013. Le calcul se fait par membre du personnel et non pas par institution, centre ou service. Pour ce calcul un mois est composé de trente jours calendrier.
Les médecins dont, au 1er janvier 2013, les 60 mois consécutifs ont déjà expiré en tout ou en partie, calculés à partir du 1er septembre de l'année scolaire de leur première désignation après le 1er septembre 2000, et qui ne sont pas encore en possession du diplôme supplémentaire, peuvent être désignés dans le régime de la dérogation temporaire en qualité de médecin dans un centre d'encadrement des élèves, jusqu'à ce qu'ils soient rémunérés pendant 60 mois à l'échelle de traitement 511.]3
§ 4. (...)
§ 5. [2 ...]2
§ 6. [5 ...]5
Les titres de base, visés à l'annexe 1re, doivent être délivrés soit par une université belge ou par un établissement y assimilé par une loi ou par un décret, ou par un établissement d'enseignement organisé, subventionné ou agréé par l'Etat ou par la Communauté, soit par une institution enregistrée d'office, soit par un jury institué par l'Etat ou la Communauté.
Sont également admis, les diplômes et certificats d'études obtenus selon un régime étranger, déclarés équivalents à un des diplômes ou certificats d'études visés au présent arrêté :
1° en vertu de traités ou de conventions internationales ou;
2° [2 jusqu'au 31 août 2011]2 en application de la procédure en matière d'équivalence, prescrite par la loi du 19 mars 1971 relative à l'équivalence des diplômes et certificats d'études étrangers ou;
3° à partir du 1er septembre 1995, en application du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande ou;
4° à partir du 1er octobre 1992, en application du décret du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande ou;
5° à partir du 1er janvier 2003, en application du décret du 4 avril 2003 relatif à la restructuration de l'enseignement supérieur en Flandre;
[2 6° à partir du 1er septembre 2011, en application du Code de l'Enseignement secondaire, du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande et du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes.]2
[1 Des diplômes ou certificats délivrés en dehors de la Belgique sont également acceptés s'ils sont accompagnés d'une attestation de conformité telle que fixée à l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 avril 2009 relatif à la transposition de la Directive européenne 2005/36 pour des fonctions de recrutement dans l'enseignement et pour certaines fonctions dans l'éducation de base [4 et à l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2017 relatif à la reconnaissance de qualifications professionnelles pour les professions réglementées dans l'enseignement dans le cadre de la Directive européenne 2005/36]4.]1 )
§ 2. [6 L'arrêté du Gouvernement flamand du 5 octobre 2018]6 portant les échelles de traitement de certains membres du personnel de l'enseignement s'applique aux échelles de traitement visées à l'annexe Ire du présent arrêté.
§ 3. [3 La dérogation temporaire, mentionnée à l'annexe Ire, point 2.2, 'Médecin, titres, exigence, remarque 2) : Dérogations temporaires relatives au diplôme supplémentaire', prend fin lorsque l'intéressé n'est pas titulaire du diplôme supplémentaire requis dans les 60 mois. Après l'expiration de cette période de 60 mois, le membre du personnel en question ne peut être désigné comme médecin qu'en qualité de titulaire d'un 'autre' titre, aux conditions applicables en la matière et avec l'échelle de traitement y afférente.
En vue de déterminer le délai de 60 mois pour la dérogation temporaire, la durée totale des désignations comme médecin est calculée à une échelle de traitement 511 à partir du 1er janvier 2013. Le calcul se fait par membre du personnel et non pas par institution, centre ou service. Pour ce calcul un mois est composé de trente jours calendrier.
Les médecins dont, au 1er janvier 2013, les 60 mois consécutifs ont déjà expiré en tout ou en partie, calculés à partir du 1er septembre de l'année scolaire de leur première désignation après le 1er septembre 2000, et qui ne sont pas encore en possession du diplôme supplémentaire, peuvent être désignés dans le régime de la dérogation temporaire en qualité de médecin dans un centre d'encadrement des élèves, jusqu'à ce qu'ils soient rémunérés pendant 60 mois à l'échelle de traitement 511.]3
§ 4. (...)
§ 5. [2 ...]2
§ 6. [5 ...]5
Wijzigingen
Art. 3. Worden gelijkgesteld met de in bijlage I vermelde diploma's, getuigschriften en brevetten van een school of leergang, de diploma's uitgereikt door de technische en beroepsscholen of -leergangen die ermede gelijkgesteld zijn zoals bepaald in artikel 8, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddenschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs.
Art. 3. Sont assimilés aux diplômes, certificats d'étude et brevets d'une école ou d'un cours, les diplômes délivrés par les écoles ou cours techniques ou professionnels y assimilés, tel que visé à l'article 8, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire dans l'enseignement secondaire.
Art. 5. Personeelsleden die op 31 augustus 2000 werkzaam waren in een PMS- of MST- centrum en die niet in het bezit zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs zoals bedoeld in artikel 2, behouden in hun nieuwe ambt de vroegere salarisschaal, tenzij anders vermeld in bijlage I van dit besluit.
Art. 5. Les membres du personnel actifs, au 31 août 2000, dans un centre PMS ou IMS, qui ne sont pas titulaires du titre requis tel que visé à l'article 2, continuent à bénéficier de l'ancienne échelle de traitement, sauf disposition contraire à l'annexe Ire du présent arrêté.
Art. 5bis. [1 Een personeelslid dat in het schooljaar 2007-2008 als ervaringsdeskundige aangesteld was en niet beschikte over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, wordt met ingang van 1 september 2008 bij overgangsmaatregel geacht over een bekwaamheidsbewijs van de categorie " andere bekwaamheidsbewijzen " te beschikken, met salarisschaal 084, voor het ambt van ervaringsdeskundige.
Het personeelslid behoudt de overgangsmaatregel vermeld in dit artikel, zolang hij ononderbroken in dienst blijft in een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd centrum voor leerlingenbegeleiding. Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :
1° de vakantieperioden;
2° de [2 loopbaanonderbreking en zorgkrediet]2;
3° de militaire dienst;
4° de perioden van wederoproeping;
5° de ziekte- en bevallingsverloven;
6° [3 onbezoldigd ouderschapsverlof;]3;
7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren.]1
Het personeelslid behoudt de overgangsmaatregel vermeld in dit artikel, zolang hij ononderbroken in dienst blijft in een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd centrum voor leerlingenbegeleiding. Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :
1° de vakantieperioden;
2° de [2 loopbaanonderbreking en zorgkrediet]2;
3° de militaire dienst;
4° de perioden van wederoproeping;
5° de ziekte- en bevallingsverloven;
6° [3 onbezoldigd ouderschapsverlof;]3;
7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren.]1
Art. 5bis. [1 Le membre du personnel qui était occupé comme expert du vécu dans l'année scolaire 2007-2008 sans être en possession d'un titre requis ou jugé suffisant, est censé être en possession, à partir du 1er septembre 2008, par mesure transitoire, d'un titre de la catégorie " autres titres ", à échelle de traitement 084, pour la fonction d'expert du vécu.
Le membre du personnel conserve la mesure transitoire visée au présent article, aussi longtemps qu'il reste en service dans un centre d'encadrement des élèves financé ou subventionné par la Communauté flamande. Pour l'application de la présente disposition, les périodes suivantes ne sont pas considérées comme interruption :
1° les périodes de vacances scolaires;
2° l'[2 interruption de carrière et crédit-soins]2;
3° le service militaire;
4° les périodes de rappel sous les armes;
5° les congés de maladie et de maternité;
6° [3 le congé parental non rémunéré ]3;
7° les périodes d'écartement du risque de maladie professionnelle ou de protection de la maternité;
8° les congés de courte durée avec maintien du traitement ou de la subvention-traitement à l'occasion de certains événements d'ordre familial ou social;
9° les congés sans maintien du traitement ou de la subvention-traitement ne dépassant pas six jours ouvrables au maximum par année scolaire;
10° une interruption d'une période ininterrompue de deux années calendrier au maximum.]1
Le membre du personnel conserve la mesure transitoire visée au présent article, aussi longtemps qu'il reste en service dans un centre d'encadrement des élèves financé ou subventionné par la Communauté flamande. Pour l'application de la présente disposition, les périodes suivantes ne sont pas considérées comme interruption :
1° les périodes de vacances scolaires;
2° l'[2 interruption de carrière et crédit-soins]2;
3° le service militaire;
4° les périodes de rappel sous les armes;
5° les congés de maladie et de maternité;
6° [3 le congé parental non rémunéré ]3;
7° les périodes d'écartement du risque de maladie professionnelle ou de protection de la maternité;
8° les congés de courte durée avec maintien du traitement ou de la subvention-traitement à l'occasion de certains événements d'ordre familial ou social;
9° les congés sans maintien du traitement ou de la subvention-traitement ne dépassant pas six jours ouvrables au maximum par année scolaire;
10° une interruption d'une période ininterrompue de deux années calendrier au maximum.]1
Art.5ter. [1 § 1 Er worden overgangsmaatregelen toegekend aan de personeelsleden die :
1° uiterlijk op 31 augustus 2018 als titularis belast zijn met het mandaat of vast benoemd zijn in het ambt van directeur in een centrum voor leerlingenbegeleiding;
2° in de loop van het schooljaar 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018 en voor 1 januari 2018 tijdelijk belast zijn met een opdracht in het mandaat van directeur in een centrum voor leerlingenbegeleiding;
De personeelsleden, vermeld in het eerste lid, 1° behouden ten persoonlijke titel salarisschaal 599;
De personeelsleden, vermeld in het eerste lid, 2° hebben recht op salarisschaal 599 wanneer zij aangesteld worden in het ambt van directeur in een centrum voor leerlingenbegeleiding;
§ 2. De personeelsleden behouden de overgangsmaatregelen, vermeld in paragraaf 1 :
1° voor wat de vastbenoemde personeelsleden betreft : zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd;
2° voor wat de tijdelijke personeelsleden betreft : zolang ze ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap.
Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :
1° de vakantieperioden;
2° de loopbaanonderbreking en het zorgkrediet;
3° de militaire dienst;
4° de perioden van wederoproeping;
5° de ziekte- en bevallingsverloven;
6° onbezoldigd ouderschapsverlof;
7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximaal twee kalenderjaren.]1
1° uiterlijk op 31 augustus 2018 als titularis belast zijn met het mandaat of vast benoemd zijn in het ambt van directeur in een centrum voor leerlingenbegeleiding;
2° in de loop van het schooljaar 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018 en voor 1 januari 2018 tijdelijk belast zijn met een opdracht in het mandaat van directeur in een centrum voor leerlingenbegeleiding;
De personeelsleden, vermeld in het eerste lid, 1° behouden ten persoonlijke titel salarisschaal 599;
De personeelsleden, vermeld in het eerste lid, 2° hebben recht op salarisschaal 599 wanneer zij aangesteld worden in het ambt van directeur in een centrum voor leerlingenbegeleiding;
§ 2. De personeelsleden behouden de overgangsmaatregelen, vermeld in paragraaf 1 :
1° voor wat de vastbenoemde personeelsleden betreft : zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd;
2° voor wat de tijdelijke personeelsleden betreft : zolang ze ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap.
Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :
1° de vakantieperioden;
2° de loopbaanonderbreking en het zorgkrediet;
3° de militaire dienst;
4° de perioden van wederoproeping;
5° de ziekte- en bevallingsverloven;
6° onbezoldigd ouderschapsverlof;
7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximaal twee kalenderjaren.]1
Art.5ter.[1 § 1er. Des mesures transitoires sont accordées aux membres du personnel qui :
1° au plus tard le 31 août 2018, en tant que titulaire, sont chargés du mandat ou sont nommés à titre définitif dans la fonction de directeur dans un centre d'encadrement des élèves ;
2° au cours de l'année scolaire 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018 et avant le 1er janvier 2018, sont temporairement investis d'une charge dans le mandat de directeur d'un centre d'encadrement des élèves ;
Les membres du personnel, visés à l'alinéa 1er, 1°, conservent à titre personnel l'échelle de traitement 599 ;
Les membres du personnel, visés à l'alinéa 1er, 2°, ont droit à l'échelle de traitement 599 lorsqu'ils sont désignés à la fonction de directeur dans un centre d'encadrement des élèves ;
§ 2. Les membres du personnel conservent les mesures transitoires, visées au paragraphe 1er :
1° en ce qui concerne les membres du personnel nommés à titre définitif : aussi longtemps qu'ils restent occupés dans l'enseignement, à l'exception de l'enseignement académique ;
2° en ce qui concerne les membres du personnel nommés à titre temporaire : aussi longtemps qu'ils sont occupés sans interruption dans l'enseignement, à l'exception de l'enseignement académique, et qu'ils sont financés ou subventionnés par la Communauté flamande.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 2°, les périodes suivantes ne sont pas considérées comme interruption :
1° les périodes de vacances ;
2° l'interruption de carrière et le crédit-soins ;
3° le service militaire ;
4° les périodes de rappel sous les armes ;
5° les congés de maladie et de maternité ;
6° le congé parental non rémunéré ;
7° les périodes d'écartement du risque de maladie professionnelle ou de protection de la maternité ;
8° les congés de courte durée avec maintien du traitement ou de la subvention-traitement à l'occasion de certains événements d'ordre familial ou social ;
9° les congés sans maintien du traitement ou de la subvention-traitement ne dépassant pas six jours ouvrables par année scolaire ;
10° une interruption d'une période continue de deux années calendaires au maximum. ]1
1° au plus tard le 31 août 2018, en tant que titulaire, sont chargés du mandat ou sont nommés à titre définitif dans la fonction de directeur dans un centre d'encadrement des élèves ;
2° au cours de l'année scolaire 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018 et avant le 1er janvier 2018, sont temporairement investis d'une charge dans le mandat de directeur d'un centre d'encadrement des élèves ;
Les membres du personnel, visés à l'alinéa 1er, 1°, conservent à titre personnel l'échelle de traitement 599 ;
Les membres du personnel, visés à l'alinéa 1er, 2°, ont droit à l'échelle de traitement 599 lorsqu'ils sont désignés à la fonction de directeur dans un centre d'encadrement des élèves ;
§ 2. Les membres du personnel conservent les mesures transitoires, visées au paragraphe 1er :
1° en ce qui concerne les membres du personnel nommés à titre définitif : aussi longtemps qu'ils restent occupés dans l'enseignement, à l'exception de l'enseignement académique ;
2° en ce qui concerne les membres du personnel nommés à titre temporaire : aussi longtemps qu'ils sont occupés sans interruption dans l'enseignement, à l'exception de l'enseignement académique, et qu'ils sont financés ou subventionnés par la Communauté flamande.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 2°, les périodes suivantes ne sont pas considérées comme interruption :
1° les périodes de vacances ;
2° l'interruption de carrière et le crédit-soins ;
3° le service militaire ;
4° les périodes de rappel sous les armes ;
5° les congés de maladie et de maternité ;
6° le congé parental non rémunéré ;
7° les périodes d'écartement du risque de maladie professionnelle ou de protection de la maternité ;
8° les congés de courte durée avec maintien du traitement ou de la subvention-traitement à l'occasion de certains événements d'ordre familial ou social ;
9° les congés sans maintien du traitement ou de la subvention-traitement ne dépassant pas six jours ouvrables par année scolaire ;
10° une interruption d'une période continue de deux années calendaires au maximum. ]1
Art.5quater. [1 § 1. In het kader van de ambtshalve concordantie conform artikel 56ter van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 74quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 worden er overgangsmaatregelen toegekend aan de personeelsleden die :
1° uiterlijk op 31 augustus 2018 vast benoemd zijn in het ambt van medewerker in een CLB;
2° tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met een opdracht in het ambt van medewerker in een CLB in de loop van de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018.
De personeelsleden, vermeld in het eerste lid, worden geacht over een vereist bekwaamheidsbewijs te beschikken voor het ambt van administratief medewerker met het omkaderingsgewicht dat is toegekend aan de houder van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs als vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989, en de diploma's die daarmee in het voormelde besluit gelijkgesteld zijn.
De personeelsleden behouden de salarisschaal die hun verleend is in het ambt van medewerker conform artikel 5, 5bis en de bijlage, die bij dit besluit is gevoegd, zoals van kracht vóór 1 september 2018.
§ 2. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, behouden de overgangsmaatregelen, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd.
De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, behouden de overgangsmaatregelen, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, zolang ze ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap.
Voor de toepassing van het tweede lid worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :
1° de vakantieperioden;
2° de loopbaanonderbreking en het zorgkrediet;
3° de militaire dienst;
4° de perioden van wederoproeping;
5° de ziekte- en bevallingsverloven;
6° onbezoldigd ouderschapsverlof;
7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximaal twee kalenderjaren. ]1
1° uiterlijk op 31 augustus 2018 vast benoemd zijn in het ambt van medewerker in een CLB;
2° tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met een opdracht in het ambt van medewerker in een CLB in de loop van de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018.
De personeelsleden, vermeld in het eerste lid, worden geacht over een vereist bekwaamheidsbewijs te beschikken voor het ambt van administratief medewerker met het omkaderingsgewicht dat is toegekend aan de houder van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs als vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989, en de diploma's die daarmee in het voormelde besluit gelijkgesteld zijn.
De personeelsleden behouden de salarisschaal die hun verleend is in het ambt van medewerker conform artikel 5, 5bis en de bijlage, die bij dit besluit is gevoegd, zoals van kracht vóór 1 september 2018.
§ 2. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, behouden de overgangsmaatregelen, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd.
De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, behouden de overgangsmaatregelen, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, zolang ze ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap.
Voor de toepassing van het tweede lid worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :
1° de vakantieperioden;
2° de loopbaanonderbreking en het zorgkrediet;
3° de militaire dienst;
4° de perioden van wederoproeping;
5° de ziekte- en bevallingsverloven;
6° onbezoldigd ouderschapsverlof;
7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximaal twee kalenderjaren. ]1
Art.5quater. [1 § 1er. Dans le cadre de la concordance d'office conformément à l'article 56ter du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire du 27 mars 1991 oul'article 74quater du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné du 27 mars 1991, des mesures transitoires sont accordées aux membres du personnel qui :
1° au plus tard le 31 août 2018, sont nommés à titre définitif dans la fonction de collaborateur d'un centre d'encadrement des élèves ;
2° sont temporairement désignés à ou temporairement investis d'une charge dans la fonction de collaborateur dans un centre d'encadrement des élèves pendant les années scolaires 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018.
Les membres du personnel visés à l'alinéa 1er, sont censés disposer d'un titre requis pour la fonction de collaborateur administratif ayant la pondération d'encadrement qui est accordée au porteur d'un titre d'enseignement secondaire supérieur au moins, tel que visé à l'article 7 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989, et des diplômes qui y sont assimilés dans l'arrêté précité.
Les membres du personnel conservent l'échelle de traitement qui leur est accordée dans la fonction de collaborateur conformément à l'article 5, 5bis et l'annexe jointe au présent arrêté, tels qu'en vigueur avant le 1er septembre 2018.
§ 2. Les membres du personnel, visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, conservent les mesures transitoires, visées au paragraphe 1er, alinéa 2, tant qu'ils sont en service dans l'enseignement, à l'exception de l'enseignement académique.
Les membres du personnel, visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, conservent les mesures transitoires, visées au paragraphe 1er, alinéa 2, tant qu'ils sont en service sans interruption dans l'enseignement, à l'exception de l'enseignement académique, et qu'ils sont financés ou subventionnés par la Communauté flamande.
Pour l'application de l'alinéa 2, les périodes suivantes ne sont pas considérées comme interruption :
1° les périodes de vacances ;
2° l'interruption de carrière et le crédit-soins ;
3° le service militaire ;
4° les périodes de rappel sous les armes ;
5° les congés de maladie et de maternité ;
6° le congé parental non rémunéré ;
7° les périodes d'écartement du risque de maladie professionnelle ou de protection de la maternité ;
8° les congés de courte durée avec maintien du traitement ou de la subvention-traitement à l'occasion de certains événements d'ordre familial ou social ;
9° les congés sans maintien du traitement ou de la subvention-traitement ne dépassant pas six jours ouvrables par année scolaire ;
10° une interruption d'une période continue de deux années calendaires au maximum.]1
1° au plus tard le 31 août 2018, sont nommés à titre définitif dans la fonction de collaborateur d'un centre d'encadrement des élèves ;
2° sont temporairement désignés à ou temporairement investis d'une charge dans la fonction de collaborateur dans un centre d'encadrement des élèves pendant les années scolaires 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018.
Les membres du personnel visés à l'alinéa 1er, sont censés disposer d'un titre requis pour la fonction de collaborateur administratif ayant la pondération d'encadrement qui est accordée au porteur d'un titre d'enseignement secondaire supérieur au moins, tel que visé à l'article 7 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989, et des diplômes qui y sont assimilés dans l'arrêté précité.
Les membres du personnel conservent l'échelle de traitement qui leur est accordée dans la fonction de collaborateur conformément à l'article 5, 5bis et l'annexe jointe au présent arrêté, tels qu'en vigueur avant le 1er septembre 2018.
§ 2. Les membres du personnel, visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, conservent les mesures transitoires, visées au paragraphe 1er, alinéa 2, tant qu'ils sont en service dans l'enseignement, à l'exception de l'enseignement académique.
Les membres du personnel, visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, conservent les mesures transitoires, visées au paragraphe 1er, alinéa 2, tant qu'ils sont en service sans interruption dans l'enseignement, à l'exception de l'enseignement académique, et qu'ils sont financés ou subventionnés par la Communauté flamande.
Pour l'application de l'alinéa 2, les périodes suivantes ne sont pas considérées comme interruption :
1° les périodes de vacances ;
2° l'interruption de carrière et le crédit-soins ;
3° le service militaire ;
4° les périodes de rappel sous les armes ;
5° les congés de maladie et de maternité ;
6° le congé parental non rémunéré ;
7° les périodes d'écartement du risque de maladie professionnelle ou de protection de la maternité ;
8° les congés de courte durée avec maintien du traitement ou de la subvention-traitement à l'occasion de certains événements d'ordre familial ou social ;
9° les congés sans maintien du traitement ou de la subvention-traitement ne dépassant pas six jours ouvrables par année scolaire ;
10° une interruption d'une période continue de deux années calendaires au maximum.]1
Art.5quinquies. [1 § 1. In het kader van de ambtshalve concordantie conform artikel 56ter van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 74quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, worden er overgangsmaatregelen toegekend aan de personeelsleden die :
1° uiterlijk op 31 augustus 2018 vast benoemd zijn in het ambt van administratief werker;
2° tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met een opdracht in het ambt van administratief werker in de loop van de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018.
De personeelsleden, vermeld in het eerste lid, worden geacht over een vereist bekwaamheidsbewijs te beschikken voor het ambt van administratief medewerker met het omkaderingsgewicht dat is toegekend aan de houder van een bekwaamheidsbewijs van ten minste bachelor als vermeld in artikel 7 van het besluit van 14 juni 1989, en de diploma's die daarmee in het voormelde besluit gelijkgesteld zijn.
De personeelsleden behouden de salarisschaal die hun verleend is in het ambt van administratief werker conform artikel 5, 5bis en de bijlage, die bij dit besluit is gevoegd, zoals van kracht vóór 1 september 2018.
§ 2. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, behouden de overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd.
De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, behouden de overgangsmaatregelen zolang ze ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap.
Voor de toepassing van het tweede lid worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :
1° de vakantieperioden;
2° de loopbaanonderbreking en het zorgkrediet;
3° de militaire dienst;
4° de perioden van wederoproeping;
5° de ziekte- en bevallingsverloven;
6° onbezoldigd ouderschapsverlof;
7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximaal twee kalenderjaren. ]1
1° uiterlijk op 31 augustus 2018 vast benoemd zijn in het ambt van administratief werker;
2° tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met een opdracht in het ambt van administratief werker in de loop van de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018.
De personeelsleden, vermeld in het eerste lid, worden geacht over een vereist bekwaamheidsbewijs te beschikken voor het ambt van administratief medewerker met het omkaderingsgewicht dat is toegekend aan de houder van een bekwaamheidsbewijs van ten minste bachelor als vermeld in artikel 7 van het besluit van 14 juni 1989, en de diploma's die daarmee in het voormelde besluit gelijkgesteld zijn.
De personeelsleden behouden de salarisschaal die hun verleend is in het ambt van administratief werker conform artikel 5, 5bis en de bijlage, die bij dit besluit is gevoegd, zoals van kracht vóór 1 september 2018.
§ 2. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, behouden de overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd.
De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, behouden de overgangsmaatregelen zolang ze ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap.
Voor de toepassing van het tweede lid worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :
1° de vakantieperioden;
2° de loopbaanonderbreking en het zorgkrediet;
3° de militaire dienst;
4° de perioden van wederoproeping;
5° de ziekte- en bevallingsverloven;
6° onbezoldigd ouderschapsverlof;
7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximaal twee kalenderjaren. ]1
Art.5quinquies. [1 . § 1er. Dans le cadre de la concordance d'office conformément à l'article 56ter du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire du 27 mars 1991 oul'article 74quater du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné du 27 mars 1991, des mesures transitoires sont accordées aux membres du personnel qui :
1° au plus tard le 31 août 2018, sont nommés à titre définitif dans la fonction de collaborateur administratif ;
2° sont temporairement désignés à ou temporairement investis d'une charge dans la fonction de collaborateur administratif pendant les années scolaires 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018.
Les membres du personnel visés à l'alinéa 1er, sont censés disposer d'un titre requis pour la fonction de collaborateur administratif ayant la pondération d'encadrement qui est accordée au porteur d'un titre de bachelor au moins, tel que visé à l'article 7 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989, et des diplômes qui y sont assimilés dans l'arrêté précité.
Les membres du personnel conservent l'échelle de traitement qui leur est accordée dans la fonction de collaborateur administratif conformément à l'article 5, 5bis et l'annexe jointe au présent arrêté, tels qu'en vigueur avant le 1er septembre 2018.
§ 2. Les membres du personnel, visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, conservent les mesures transitoires tant qu'ils sont en service dans l'enseignement, à l'exception de l'enseignement académique.
Les membres du personnel, visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, conservent les mesures transitoires tant qu'ils sont en service sans interruption dans l'enseignement, à l'exception de l'enseignement académique, et qu'ils sont financés ou subventionnés par la Communauté flamande.
Pour l'application de l'alinéa 2, les périodes suivantes ne sont pas considérées comme interruption :
1° les périodes de vacances ;
2° l'interruption de carrière et le crédit-soins ;
3° le service militaire ;
4° les périodes de rappel sous les armes ;
5° les congés de maladie et de maternité ;
6° le congé parental non rémunéré ;
7° les périodes d'écartement du risque de maladie professionnelle ou de protection de la maternité ;
8° les congés de courte durée avec maintien du traitement ou de la subvention-traitement à l'occasion de certains événements d'ordre familial ou social ;
9° les congés sans maintien du traitement ou de la subvention-traitement ne dépassant pas six jours ouvrables par année scolaire ;
10° une interruption d'une période continue de deux années calendaires au maximum. ]1
1° au plus tard le 31 août 2018, sont nommés à titre définitif dans la fonction de collaborateur administratif ;
2° sont temporairement désignés à ou temporairement investis d'une charge dans la fonction de collaborateur administratif pendant les années scolaires 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018.
Les membres du personnel visés à l'alinéa 1er, sont censés disposer d'un titre requis pour la fonction de collaborateur administratif ayant la pondération d'encadrement qui est accordée au porteur d'un titre de bachelor au moins, tel que visé à l'article 7 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989, et des diplômes qui y sont assimilés dans l'arrêté précité.
Les membres du personnel conservent l'échelle de traitement qui leur est accordée dans la fonction de collaborateur administratif conformément à l'article 5, 5bis et l'annexe jointe au présent arrêté, tels qu'en vigueur avant le 1er septembre 2018.
§ 2. Les membres du personnel, visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, conservent les mesures transitoires tant qu'ils sont en service dans l'enseignement, à l'exception de l'enseignement académique.
Les membres du personnel, visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, conservent les mesures transitoires tant qu'ils sont en service sans interruption dans l'enseignement, à l'exception de l'enseignement académique, et qu'ils sont financés ou subventionnés par la Communauté flamande.
Pour l'application de l'alinéa 2, les périodes suivantes ne sont pas considérées comme interruption :
1° les périodes de vacances ;
2° l'interruption de carrière et le crédit-soins ;
3° le service militaire ;
4° les périodes de rappel sous les armes ;
5° les congés de maladie et de maternité ;
6° le congé parental non rémunéré ;
7° les périodes d'écartement du risque de maladie professionnelle ou de protection de la maternité ;
8° les congés de courte durée avec maintien du traitement ou de la subvention-traitement à l'occasion de certains événements d'ordre familial ou social ;
9° les congés sans maintien du traitement ou de la subvention-traitement ne dépassant pas six jours ouvrables par année scolaire ;
10° une interruption d'une période continue de deux années calendaires au maximum. ]1
Art.5sexies. [1 1. Op 1 september 2018 kan een individuele concordantie als vermeld in artikel 56quater, paragraaf 1 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs en in artikel 74quinquies, paragraaf 1 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, naar het ambt van coördinator toegekend worden.
De individuele concordantie kan toegekend worden aan de personeelsleden die :
1° uiterlijk op 31 augustus 2018 vast benoemd zijn in een ambt in een centrum voor leerlingenbegeleiding en voor 1 januari 2018 belast met een coördinatiefunctie, conform artikel 76 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, zoals van kracht voor 1 september 2018;
2° of in de loop van het schooljaar 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018 tijdelijk aangesteld zijn in een ambt in een centrum voor leerlingenbegeleiding en voor 1 januari 2018 belast geweest zijn met een coördinatiefunctie, conform artikel 76 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, zoals van kracht voor 1 september 2018.
§ 2. Bij een individuele concordantie, als vermeld in paragraaf 1, geldt het volgende :
1° de diensten, gepresteerd in het oude ambt, tellen automatisch mee als gepresteerde diensten in het ambt van coördinator;
2° wie vast benoemd is voor het oude ambt, is vast benoemd voor het ambt van coördinator;
3° wie ter beschikking gesteld was wegens ontstentenis van betrekking voor het oude onderliggende ambt, is dat ook voor het ambt van coördinator;
4° wie gereaffecteerd of wedertewerkgesteld was in het oude ambt, is dat ook in het ambt van coördinator;
5° een conformiteitsattest voor het oude onderliggende ambt, uitgereikt ter uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 betreffende de omzetting van de Europese Richtlijn 2005/36 voor wervingsambten in het onderwijs en voor sommige functies in de basiseducatie en het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties voor gereglementeerde beroepen in het onderwijs in het kader van de Europese Richtlijn 2005/36], geldt automatisch voor het ambt van coördinator;
§ 3. Het individueel concordantieformulier als vermeld in artikel 56quater, § 2, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs en in artikel 74quinquies, § 2, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, moet ingediend worden bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten tot uiterlijk 15 september 2018.
§ 4. Als het personeelslid en het bestuur van het centrum voor leerlingenbegeleiding niet tot een akkoord komen, kan het personeelslid het bezwaarschrift, vermeld in artikel 56quater, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs en in artikel 74quinquies, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, uiterlijk tien kalenderdagen nadat de beslissing hem werd meegedeeld, indienen bij de Commissie Bezwaarschriften.
Als het bestuur van het centrum voor leerlingenbegeleiding nagelaten heeft een beslissing te nemen, kan het personeelslid een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Commissie Bezwaarschriften tot uiterlijk 5 oktober 2018.
§ 5. De Commissie Bezwaarschriften bestaat uit de administrateur-generaal van het Agentschap voor Onderwijsdiensten, of zijn afgevaardigde, en uit een bevoegde inspecteur. De Commissie Bezwaarschriften beslist collegiaal binnen de dertig kalenderdagen nadat het bezwaarschrift bij de Commissie ingediend werd.
§ 6. Aan het personeelslid dat een coördinatiefunctie uitgeoefend heeft en dat in toepassing van paragraaf 1 een individuele concordantie krijgt maar niet over een vereist bekwaamheidsbewijs beschikt voor het ambt van coördinator, wordt een overgangsmaatregel toegekend.
De personeelsleden vermeld in het eerste lid worden geacht over een vereist bekwaamheidsbewijs te beschikken. Zij worden ten persoonlijke titel aangesteld in het ambt van coördinator met salarisschaal 202 vermeerderd met de niet verworven salarisschaal 268 en omkaderingsgewicht 0,9.
§ 7. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, behouden de overgangsmaatregelen, vermeld in paragraaf 6 zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd.
De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, behouden de overgangsmaatregelen, vermeld in paragraaf 6 zolang ze ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap.
Voor de toepassing van het tweede lid worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :
1° de vakantieperioden;
2° de loopbaanonderbreking en het zorgkrediet;
3° de militaire dienst;
4° de perioden van wederoproeping;
5° de ziekte- en bevallingsverloven;
6° onbezoldigd ouderschapsverlof;
7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximaal twee kalenderjaren.]1
De individuele concordantie kan toegekend worden aan de personeelsleden die :
1° uiterlijk op 31 augustus 2018 vast benoemd zijn in een ambt in een centrum voor leerlingenbegeleiding en voor 1 januari 2018 belast met een coördinatiefunctie, conform artikel 76 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, zoals van kracht voor 1 september 2018;
2° of in de loop van het schooljaar 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018 tijdelijk aangesteld zijn in een ambt in een centrum voor leerlingenbegeleiding en voor 1 januari 2018 belast geweest zijn met een coördinatiefunctie, conform artikel 76 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, zoals van kracht voor 1 september 2018.
§ 2. Bij een individuele concordantie, als vermeld in paragraaf 1, geldt het volgende :
1° de diensten, gepresteerd in het oude ambt, tellen automatisch mee als gepresteerde diensten in het ambt van coördinator;
2° wie vast benoemd is voor het oude ambt, is vast benoemd voor het ambt van coördinator;
3° wie ter beschikking gesteld was wegens ontstentenis van betrekking voor het oude onderliggende ambt, is dat ook voor het ambt van coördinator;
4° wie gereaffecteerd of wedertewerkgesteld was in het oude ambt, is dat ook in het ambt van coördinator;
5° een conformiteitsattest voor het oude onderliggende ambt, uitgereikt ter uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 betreffende de omzetting van de Europese Richtlijn 2005/36 voor wervingsambten in het onderwijs en voor sommige functies in de basiseducatie en het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties voor gereglementeerde beroepen in het onderwijs in het kader van de Europese Richtlijn 2005/36], geldt automatisch voor het ambt van coördinator;
§ 3. Het individueel concordantieformulier als vermeld in artikel 56quater, § 2, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs en in artikel 74quinquies, § 2, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, moet ingediend worden bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten tot uiterlijk 15 september 2018.
§ 4. Als het personeelslid en het bestuur van het centrum voor leerlingenbegeleiding niet tot een akkoord komen, kan het personeelslid het bezwaarschrift, vermeld in artikel 56quater, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs en in artikel 74quinquies, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, uiterlijk tien kalenderdagen nadat de beslissing hem werd meegedeeld, indienen bij de Commissie Bezwaarschriften.
Als het bestuur van het centrum voor leerlingenbegeleiding nagelaten heeft een beslissing te nemen, kan het personeelslid een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Commissie Bezwaarschriften tot uiterlijk 5 oktober 2018.
§ 5. De Commissie Bezwaarschriften bestaat uit de administrateur-generaal van het Agentschap voor Onderwijsdiensten, of zijn afgevaardigde, en uit een bevoegde inspecteur. De Commissie Bezwaarschriften beslist collegiaal binnen de dertig kalenderdagen nadat het bezwaarschrift bij de Commissie ingediend werd.
§ 6. Aan het personeelslid dat een coördinatiefunctie uitgeoefend heeft en dat in toepassing van paragraaf 1 een individuele concordantie krijgt maar niet over een vereist bekwaamheidsbewijs beschikt voor het ambt van coördinator, wordt een overgangsmaatregel toegekend.
De personeelsleden vermeld in het eerste lid worden geacht over een vereist bekwaamheidsbewijs te beschikken. Zij worden ten persoonlijke titel aangesteld in het ambt van coördinator met salarisschaal 202 vermeerderd met de niet verworven salarisschaal 268 en omkaderingsgewicht 0,9.
§ 7. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, behouden de overgangsmaatregelen, vermeld in paragraaf 6 zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd.
De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, behouden de overgangsmaatregelen, vermeld in paragraaf 6 zolang ze ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap.
Voor de toepassing van het tweede lid worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :
1° de vakantieperioden;
2° de loopbaanonderbreking en het zorgkrediet;
3° de militaire dienst;
4° de perioden van wederoproeping;
5° de ziekte- en bevallingsverloven;
6° onbezoldigd ouderschapsverlof;
7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximaal twee kalenderjaren.]1
Art.5sexies. [1 § 1er. Le 1er septembre 2018, une concordance individuelle telle que visée à l'article 56quater, paragraphe 1er du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire et l'article 74quinquies, paragraphe 1er du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves, peut être accordée à la fonction de coordinateur.
La concordance individuelle peut être accordée aux membres du personnel qui :
1° au plus tard le 31 août 2018, sont nommés à titre définitif dans une fonction dans un centre d'encadrement des élèves et, avant le 1er janvier 2018 sont chargés d'une fonction de coordination, conformément à l'article 76 du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves, tel qu'en vigueur avant le 1er septembre 2018 ;
2° ou, au cours de l'année scolaire 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018 sont temporairement désignés à une fonction dans un centre d'encadrement des élèves et, avant la 1er janvier 2018, sont temporairement chargés d'une fonction de coordination, conformément à l'article 76 du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves, tel qu'en vigueur avant le 1er septembre 2018.
§ 2. Les dispositions suivantes s'appliquent à la concordance individuelle, telle que visée au paragraphe 1er :
1° les services accomplis dans l'ancienne fonction sont automatiquement pris en compte comme des services prestés dans la fonction de coordinateur ;
2° celui qui est nommé à titre définitif pour l'ancienne fonction est nommé à titre définitif pour la fonction de coordinateur ;
3° celui qui était mis en disponibilité par défaut d'emploi pour l'ancienne fonction sous-jacente, l'est également pour la fonction de coordinateur ;
4° celui qui était réaffecté ou remis au travail dans l'ancienne fonction, l'est également dans la fonction de coordinateur ;
5° une attestation de conformité pour l'ancienne fonction sous-jacente, délivrée en exécution de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 avril 2009 relatif à la transposition de la Directive européenne 2005/36 pour des fonctions de recrutement dans l'enseignement et pour certaines fonctions dans l'éducation de base, et de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2017 relatif à la reconnaissance de qualifications professionnelles pour les professions réglementées dans l'enseignement dans le cadre de la Directive européenne 2005/36], vaut automatiquement pour la fonction de coordinateur ;
§ 3. Le formulaire de concordance individuelle, tel que visé à l'article 56quater, § 2, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire et à l'article 74quinquies, § 2, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves, doit être déposé à l'Agence de Services d'Enseignement, au plus tard le 15 septembre 2018.
§ 4. Si le membre du personnel et la direction du centre d'encadrement des élèves ne parviennent pas à un accord, le membre du personnel peut introduire auprès de la Commission des Réclamations la réclamation, visée à l'article 56quater, § 3, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire et à l'article 74quinquies, § 3, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves, au plus tard dix jours calendaires après que la décision lui a été communiquée.
Si la direction du centre d'encadrement des élèves a omis de prendre une décision, le membre du personnel peut introduire une réclamation motivée auprès de la Commission des Réclamations, au plus tard le 5 octobre 2018.
§ 5. La Commission des Réclamations se compose de l'administrateur général de l' Agence de Services d'Enseignement, ou son délégué, et d'un inspecteur compétent. La Commission des Réclamations statue de manière collégiale dans les trente jours calendaires suivant l'introduction de la réclamation auprès de la Commission.
§ 6. Une mesure transitoire est accordée au membre du personnel qui a exercé une fonction de coordination et qui bénéficie d'une concordance individuelle en application du paragraphe 1er, mais qui ne dispose pas d'un titre requis pour la fonction de coordinateur.
Les membres du personnel, visés à l'alinéa 1er, sont censés disposer d'un titre requis. Ils sont désignés à titre personnel à la fonction de coordonnateur avec l'échelle de traitement 202 majorée de l'échelle de traitement non acquise 268 et la pondération d'encadrement 0,9.
§ 7. Les membres du personnel, visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, conservent les mesures transitoires, visées au paragraphe 6, tant qu'ils sont en service dans l'enseignement, à l'exception de l'enseignement académique.
Les membres du personnel, visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, conservent les mesures transitoires, visées au paragraphe 6, tant qu'ils sont en service sans interruption dans l'enseignement, à l'exception de l'enseignement académique, et qu'ils sont financés ou subventionnés par la Communauté flamande.
Pour l'application de l'alinéa 2, les périodes suivantes ne sont pas considérées comme interruption :
1° les périodes de vacances ;
2° l'interruption de carrière et le crédit-soins ;
3° le service militaire ;
4° les périodes de rappel sous les armes ;
5° les congés de maladie et de maternité ;
6° le congé parental non rémunéré ;
7° les périodes d'écartement du risque de maladie professionnelle ou de protection de la maternité ;
8° les congés de courte durée avec maintien du traitement ou de la subvention-traitement à l'occasion de certains événements d'ordre familial ou social ;
9° les congés sans maintien du traitement ou de la subvention-traitement ne dépassant pas six jours ouvrables par année scolaire ;
10° une interruption d'une période continue de deux années calendaires au maximum. ]1
La concordance individuelle peut être accordée aux membres du personnel qui :
1° au plus tard le 31 août 2018, sont nommés à titre définitif dans une fonction dans un centre d'encadrement des élèves et, avant le 1er janvier 2018 sont chargés d'une fonction de coordination, conformément à l'article 76 du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves, tel qu'en vigueur avant le 1er septembre 2018 ;
2° ou, au cours de l'année scolaire 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018 sont temporairement désignés à une fonction dans un centre d'encadrement des élèves et, avant la 1er janvier 2018, sont temporairement chargés d'une fonction de coordination, conformément à l'article 76 du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves, tel qu'en vigueur avant le 1er septembre 2018.
§ 2. Les dispositions suivantes s'appliquent à la concordance individuelle, telle que visée au paragraphe 1er :
1° les services accomplis dans l'ancienne fonction sont automatiquement pris en compte comme des services prestés dans la fonction de coordinateur ;
2° celui qui est nommé à titre définitif pour l'ancienne fonction est nommé à titre définitif pour la fonction de coordinateur ;
3° celui qui était mis en disponibilité par défaut d'emploi pour l'ancienne fonction sous-jacente, l'est également pour la fonction de coordinateur ;
4° celui qui était réaffecté ou remis au travail dans l'ancienne fonction, l'est également dans la fonction de coordinateur ;
5° une attestation de conformité pour l'ancienne fonction sous-jacente, délivrée en exécution de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 avril 2009 relatif à la transposition de la Directive européenne 2005/36 pour des fonctions de recrutement dans l'enseignement et pour certaines fonctions dans l'éducation de base, et de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2017 relatif à la reconnaissance de qualifications professionnelles pour les professions réglementées dans l'enseignement dans le cadre de la Directive européenne 2005/36], vaut automatiquement pour la fonction de coordinateur ;
§ 3. Le formulaire de concordance individuelle, tel que visé à l'article 56quater, § 2, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire et à l'article 74quinquies, § 2, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves, doit être déposé à l'Agence de Services d'Enseignement, au plus tard le 15 septembre 2018.
§ 4. Si le membre du personnel et la direction du centre d'encadrement des élèves ne parviennent pas à un accord, le membre du personnel peut introduire auprès de la Commission des Réclamations la réclamation, visée à l'article 56quater, § 3, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire et à l'article 74quinquies, § 3, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves, au plus tard dix jours calendaires après que la décision lui a été communiquée.
Si la direction du centre d'encadrement des élèves a omis de prendre une décision, le membre du personnel peut introduire une réclamation motivée auprès de la Commission des Réclamations, au plus tard le 5 octobre 2018.
§ 5. La Commission des Réclamations se compose de l'administrateur général de l' Agence de Services d'Enseignement, ou son délégué, et d'un inspecteur compétent. La Commission des Réclamations statue de manière collégiale dans les trente jours calendaires suivant l'introduction de la réclamation auprès de la Commission.
§ 6. Une mesure transitoire est accordée au membre du personnel qui a exercé une fonction de coordination et qui bénéficie d'une concordance individuelle en application du paragraphe 1er, mais qui ne dispose pas d'un titre requis pour la fonction de coordinateur.
Les membres du personnel, visés à l'alinéa 1er, sont censés disposer d'un titre requis. Ils sont désignés à titre personnel à la fonction de coordonnateur avec l'échelle de traitement 202 majorée de l'échelle de traitement non acquise 268 et la pondération d'encadrement 0,9.
§ 7. Les membres du personnel, visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, conservent les mesures transitoires, visées au paragraphe 6, tant qu'ils sont en service dans l'enseignement, à l'exception de l'enseignement académique.
Les membres du personnel, visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, conservent les mesures transitoires, visées au paragraphe 6, tant qu'ils sont en service sans interruption dans l'enseignement, à l'exception de l'enseignement académique, et qu'ils sont financés ou subventionnés par la Communauté flamande.
Pour l'application de l'alinéa 2, les périodes suivantes ne sont pas considérées comme interruption :
1° les périodes de vacances ;
2° l'interruption de carrière et le crédit-soins ;
3° le service militaire ;
4° les périodes de rappel sous les armes ;
5° les congés de maladie et de maternité ;
6° le congé parental non rémunéré ;
7° les périodes d'écartement du risque de maladie professionnelle ou de protection de la maternité ;
8° les congés de courte durée avec maintien du traitement ou de la subvention-traitement à l'occasion de certains événements d'ordre familial ou social ;
9° les congés sans maintien du traitement ou de la subvention-traitement ne dépassant pas six jours ouvrables par année scolaire ;
10° une interruption d'une période continue de deux années calendaires au maximum. ]1
Art. 6. § 1. De volgende artikelen van het besluit van de Vlaamse regering van 13 oktober 2000 tot vaststelling van de bekwaamheidsbewijzen en de weddenschalen van de personeelsleden van de centra voor leerlingenbegeleiding worden opgeheven :
- de artikelen 1 tot en met 6 en artikel 9 : met ingang van 1 september 2002;
- het artikel 7 : met ingang van 1 september 2003.
§ 2. Het opschrift van het besluit van de Vlaamse regering van 13 oktober 2000 tot vaststelling van de bekwaamheidsbewijzen en de weddenschalen van de personeelsleden van de centra voor leerlingenbegeleiding wordt vervangen door wat volgt :
" Besluit van de Vlaamse regering betreffende de loonkost van sommige personeelsleden van het voormalig medisch schooltoezicht".
- de artikelen 1 tot en met 6 en artikel 9 : met ingang van 1 september 2002;
- het artikel 7 : met ingang van 1 september 2003.
§ 2. Het opschrift van het besluit van de Vlaamse regering van 13 oktober 2000 tot vaststelling van de bekwaamheidsbewijzen en de weddenschalen van de personeelsleden van de centra voor leerlingenbegeleiding wordt vervangen door wat volgt :
" Besluit van de Vlaamse regering betreffende de loonkost van sommige personeelsleden van het voormalig medisch schooltoezicht".
Art. 6. § 1er. Les articles suivants de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 octobre 2000 fixant les titres et les traitements du personnel des centres d'encadrement des élèves, sont abrogés :
- les articles 1 jusqu'à 6 inclus et l'article 9 : à partir du 1er septembre 2002;
- l'article 7 : à partir du 1er septembre 2003.
§ 2. L'intitulé de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 octobre 2000 fixant les titres et les traitements du personnel des centres d'encadrement des élèves, est remplacé par ce qui suit :
" Arrêté du Gouvernement flamand relatif aux coûts salariaux de certains membres du personnel de l'ancienne inspection médicale scolaire ".
- les articles 1 jusqu'à 6 inclus et l'article 9 : à partir du 1er septembre 2002;
- l'article 7 : à partir du 1er septembre 2003.
§ 2. L'intitulé de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 octobre 2000 fixant les titres et les traitements du personnel des centres d'encadrement des élèves, est remplacé par ce qui suit :
" Arrêté du Gouvernement flamand relatif aux coûts salariaux de certains membres du personnel de l'ancienne inspection médicale scolaire ".
Art. 6bis. In bijlage I wordt met code d.d. bedoeld :
1 : met ingang van 1 september 2000;
2 : met ingang van 1 september 2002;
3 : met ingang van 1 september 2006;
4 : met ingang van 1 september 2007;
5 : met ingang van 1 september 2000 tot en met 31 augustus 2007;
6 : met ingang van 1 september 2002 tot en met 31 augustus 2007;
7 : met ingang van 1 september 2006 tot en met 31 augustus 2007;
8 : met ingang van 1 september 2002, met de beperking evenwel dat hieruit voor de periode van 1 september 2002 tot en met 31 augustus 2007 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot bezoldiging en terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling.
[1 9 : met ingang van 1 september 2008;
10 : met ingang van 1 september 2006 tot en met 31 augustus 2008;]1
[2 11 : met ingang van 1 september 2010;]2
[3 12 : met ingang van 1 september 2000 tot en met 31 augustus 2011;
13 : met ingang van 1 september 2007 tot en met 31 augustus 2011;
14 : met ingang van 1 september 2011;]3
[4 15: met ingang van 1 september 2000 tot en met 31 december 2012;
16: met ingang van 1 januari 2013;
17: met ingang van 1 september 2007 tot en met 31 augustus 2013;
18: met ingang van 1 september 2013;
19: met ingang van 1 september 2015.]4
[5 20 : met ingang van 1 september 2018]5
1 : met ingang van 1 september 2000;
2 : met ingang van 1 september 2002;
3 : met ingang van 1 september 2006;
4 : met ingang van 1 september 2007;
5 : met ingang van 1 september 2000 tot en met 31 augustus 2007;
6 : met ingang van 1 september 2002 tot en met 31 augustus 2007;
7 : met ingang van 1 september 2006 tot en met 31 augustus 2007;
8 : met ingang van 1 september 2002, met de beperking evenwel dat hieruit voor de periode van 1 september 2002 tot en met 31 augustus 2007 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot bezoldiging en terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling.
[1 9 : met ingang van 1 september 2008;
10 : met ingang van 1 september 2006 tot en met 31 augustus 2008;]1
[2 11 : met ingang van 1 september 2010;]2
[3 12 : met ingang van 1 september 2000 tot en met 31 augustus 2011;
13 : met ingang van 1 september 2007 tot en met 31 augustus 2011;
14 : met ingang van 1 september 2011;]3
[4 15: met ingang van 1 september 2000 tot en met 31 december 2012;
16: met ingang van 1 januari 2013;
17: met ingang van 1 september 2007 tot en met 31 augustus 2013;
18: met ingang van 1 september 2013;
19: met ingang van 1 september 2015.]4
[5 20 : met ingang van 1 september 2018]5
Wijzigingen
Art. 6bis. Dans l'annexe Ire, il faut entendre par " code d.d. " :
1 : à partir du 1er septembre 2000;
2 : à partir du 1er septembre 2002;
3 : à partir du 1er septembre 2006;
4 : à partir du 1er septembre 2007;
5 : à partir du 1er septembre 2000 jusqu'au 31 août 2007 inclus;
6 : à partir du 1er septembre 2002 jusqu'au 31 août 2007 inclus;
7 : à partir du 1er septembre 2006 jusqu'au 31 août 2007 inclus;
8 : à partir du 1er septembre 2002, avec la restriction toutefois que pour la période du 1er septembre 2002 au 31 août 2007 inclus cela n'a aucune répercussion pour les personnels et les pouvoirs organisateurs pour ce qui est de la rémunération et de la mise en disponibilité par défaut d'emploi, la réaffectation et la remise au travail.
[1 9 : à partir du 1er septembre 2008;
10 : à partir du 1er septembre 2006 jusqu'au 31 août 2008 inclus;]1
[2 11 : à partir du 1er septembre 2010.]2
[3 12 : à partir du 1er septembre 2000 jusqu'au 31 août 2011 inclus;
13 : à partir du 1er septembre 2007 jusqu'au 31 août 2011 inclus;
14 : à partir du 1er septembre 2011.]3
[4 15 : à partir du 1er septembre 2000 jusqu'au 31 décembre 2012 inclus ;
16 : à partir du 1er janvier 2013 ;
17 : à partir du 1er septembre 2007 jusqu'au 31 août 2013 inclus ;
18 : à partir du 1er septembre 2013 ;
19 : à partir du 1er septembre 2015.]4
[5 20 : à partir du 1er septembre 2018.]5
1 : à partir du 1er septembre 2000;
2 : à partir du 1er septembre 2002;
3 : à partir du 1er septembre 2006;
4 : à partir du 1er septembre 2007;
5 : à partir du 1er septembre 2000 jusqu'au 31 août 2007 inclus;
6 : à partir du 1er septembre 2002 jusqu'au 31 août 2007 inclus;
7 : à partir du 1er septembre 2006 jusqu'au 31 août 2007 inclus;
8 : à partir du 1er septembre 2002, avec la restriction toutefois que pour la période du 1er septembre 2002 au 31 août 2007 inclus cela n'a aucune répercussion pour les personnels et les pouvoirs organisateurs pour ce qui est de la rémunération et de la mise en disponibilité par défaut d'emploi, la réaffectation et la remise au travail.
[1 9 : à partir du 1er septembre 2008;
10 : à partir du 1er septembre 2006 jusqu'au 31 août 2008 inclus;]1
[2 11 : à partir du 1er septembre 2010.]2
[3 12 : à partir du 1er septembre 2000 jusqu'au 31 août 2011 inclus;
13 : à partir du 1er septembre 2007 jusqu'au 31 août 2011 inclus;
14 : à partir du 1er septembre 2011.]3
[4 15 : à partir du 1er septembre 2000 jusqu'au 31 décembre 2012 inclus ;
16 : à partir du 1er janvier 2013 ;
17 : à partir du 1er septembre 2007 jusqu'au 31 août 2013 inclus ;
18 : à partir du 1er septembre 2013 ;
19 : à partir du 1er septembre 2015.]4
[5 20 : à partir du 1er septembre 2018.]5
Wijzigingen
Art. 7. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002, met uitzondering van artikel 2, § 5 dat in werking treedt op 1 september 2003.
Art. 7. Le présent arrêté produit ses effets le 1er septembre 2002, à l'exception de l'article 2, § 5, qui entre en vigueur le 1er septembre 2003.
Art. 8. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Gezondheidsbeleid, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, zijn ieder voor wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 8. La Ministre flamande qui a la politique de la santé dans ses attributions et la Ministre flamande qui a l'enseignement dans ses attributions sont chargées, chacune en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. [1 Bijlage]1
Art. N. [1 Annexe 1.]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 30-11-2020, p. 83958)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 30-11-2020, p. 83976)