Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
21 NOVEMBER 2003. - Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddenschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars.
Titre
21 NOVEMBRE 2003. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 septembre 1990 relatif aux titres, aux échelles de traitement et au statut pécuniaire des maîtres de religion et des professeurs de religion (TRADUCTION).
Documentinformatie
Numac: 2004035745
Datum: 2003-11-21
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2004035745
Date: 2003-11-21
Moniteur: Voir
Inhoud
Inhoud
Tekst (11)
Texte (11)
Artikel 1. Artikel 3bis van het besluit van de Vlaamse regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddenschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 4 november 1997 en 28 juni 2002, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 3bis. § 1. Onder bewijs van pedagogische bekwaamheid wordt verstaan :
  1° het diploma van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs;
  2° het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs;
  3° het diploma van geaggregeerde voor het onderwijs;
  4°het getuigschrift van middelbare technische normaalleergangen;
  5° het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid;
  6° het getuigschrift van normaalleergangen;
  7° het getuigschrift van pedagogische leergangen;
  8° het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs - groep 2
  9° het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs - groep 1.
  Voor de houder van het diploma van licentiaat die tevens houder is van het diploma van GLSO of GVSO-groep 1 wordt dit laatste gelijkgesteld met het diploma van GHSO of GVO.
  § 2. Bij de voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen worden het diploma van onderwijzer en het diploma van kleuteronderwijzer eveneens als een bewijs van pedagogische bekwaamheid beschouwd. ".
Article 1. L'article 3bis de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 septembre 1990 relatif aux titres, aux échelles de traitement et au statut pécuniaire des maîtres de religion et des professeurs de religion, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 4 novembre 1997 et 28 juin 2002, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 3bis. § 1er. Par certificat d'aptitudes pédagogiques, il faut entendre :
  1° le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire supérieur;
  2° le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur;
  3° le diplôme d'agrégé de l'enseignement;
  4° le certificat des cours normaux techniques moyens;
  5° le certificat d'aptitudes pédagogiques;
  6° le certificat de cours normaux;
  7° le certificat de cours pédagogiques;
  8° le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire - groupe 2;
  9° le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire - groupe 1.
  Pour le porteur du diplôme de licencié qui est également titulaire du diplôme AESI ou AES B groupe 1, ce dernier est assimilé au diplôme AESS ou AE.
  § 2. Parmi les titres jugés suffisants figurent le diplôme d'instituteur et le diplôme instituteur préscolaire qui sont également censés être un certificat d'aptitudes pédagogiques. ".
Art. 2. Aan artikel 4, § 1, van hetzelfde besluit wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt : " Ze kunnen eveneens uitgereikt zijn na het volgen van een opleiding die door wet of decreet gelijkgesteld is met een opleiding aan een Belgische universiteit of een door de staat of door de gemeenschap georganiseerde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling. "
Art. 2. A l'article 4, § 1er, du même arrêté, il est ajouté une phrase, rédigée comme suit : " Ils peuvent également être délivrés après participation à une formation assimilée en vertu d'une loi ou d'un décret à une formation dispensée par une université belge ou un établissement d'enseignement organisé, subventionné ou agréé par l'Etat ou la Communauté. "
Art. 3. Artikel 5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 4 november 1997 en 28 juni 2002, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 5. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° GHSO :
  1. het diploma van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs;
  2. het diploma van geaggregeerde voor het godsdienstonderricht in het hoger secundair onderwijs;
  3. het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs - groep 2;
  4. het diploma van geaggregeerde voor het onderwijs;
  5. het diploma van geaggregeerde voor het onderwijs in de godsdienstwetenschappen;
  2° GLSO :
  1. het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs;
  2. het diploma van geaggregeerde leraar van het middelbaar onderwijs van de lagere graad van regentes voor de middelbare scholen;
  3. het diploma van geaggregeerde voor het middelbaar en technisch onderwijs van de lagere graad;
  4. het diploma van regent(es);
  5. het diploma van de middelbare technische normaalschool;
  6. het diploma van de technische normaalafdelingen met volledig leerplan gerangschikt in de categorie D.;
  7. het diploma van geaggregeerde voor het godsdienstonderricht in het lager secundair onderwijs;
  8. het diploma van gegradueerde voor het godsdienstonderricht in het lager secundair onderwijs;
  9. het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs - groep 1;
  2°bis GVSO-groep 1 :
  - vanaf 1 september 2000 : het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs - groep 1;
  - vanaf 1 september 2003 : eveneens het diploma van leraar dans;
  3° GVO :
  1. het diploma van geaggregeerde voor het onderwijs;
  2. het diploma van geaggregeerde voor het onderwijs in de godsdienstwetenschappen;
  4° ten minste HOLT :
  1. de diploma's van arts, tandarts, dierenarts, doctor, ingenieur, apotheker of licentiaat, uitgereikt overeenkomstig de wetgeving op de academische graden, en de diploma's van hoger onderwijs van het lange type of de diploma's van een basisopleiding van twee cycli;
  2. de andere diploma's van arts, tandarts, dierenarts, doctor, ingenieur, apotheker of licentiaat, uitgereikt door een Belgische universiteit of een daarmee gelijkgestelde instelling, door een door de wet of door het decreet daartoe gemachtigde instelling of door een door de staat of de gemeenschap opgerichte examencommissie, indien de duur van de studie ten minste vier jaar bedraagt, zelfs als een gedeelte van de studies niet in één van de voormelde onderwijsinstellingen werd volbracht;
  3. het diploma van hoger technisch onderwijs van de derde graad;
  4. a) het diploma van hoger kunstonderwijs van de derde graad met volledig leerplan;
  b) het diploma van voortgezet hoger kunstonderwijs met volledig leerplan;
  c) het diploma van hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste vijf studiejaren;
  d) het laureaatsattest van het Nationaal Hoger Instituut van Antwerpen, verleend na een cyclus van ten minste vijf studiejaren;
  e) de prijs Lemmens-Tinel, uitgereikt door het Lemmensinstituut in Leuven;
  f) het diploma van meester, uitgereikt overeenkomstig de regelgeving op het hoger onderwijs;
  5. het diploma van de officieren die vóór 1 januari 1965 met vrucht hun studie hebben volbracht aan de Oefenschool bij de Koninklijke Militaire School of aan de polytechnische afdeling van die school;
  6. het diploma van architect, interieurarchitect of van industrieel ingenieur;
  5° ten minste HSO :
  1. de diploma's van arts, tandarts, dierenarts, doctor, ingenieur, apotheker of licentiaat, uitgereikt overeenkomstig de wetgeving op de academische graden;
  2. de andere diploma's van arts, tandarts, dierenarts, doctor, ingenieur, apotheker of licentiaat, uitgereikt door een Belgische universiteit of een daarmee gelijkgestelde instelling, door een door de wet of door het decreet daartoe gemachtigde instelling of door een door de staat of de gemeenschap opgerichte examencommissie, indien de duur van de studie ten minste vier jaar bedraagt, zelfs als een gedeelte van de studie niet in een van de voormelde onderwijsinstellingen werd volbracht;
  3. het diploma van hoger technisch onderwijs van de derde graad;
  4. het diploma van hoger kunstonderwijs van de derde graad met volledig leerplan;
  5. het diploma van voortgezet hoger kunstonderwijs met volledig leerplan;
  6. het diploma van hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste vijf studiejaren;
  7. het laureaatsattest van het Nationaal Hoger Instituut van Antwerpen, verleend na een cyclus van ten minste vijf studiejaren;
  8. de prijs Lemmens-Tinel, uitgereikt door het Lemmensinstituut in Leuven;
  9. het diploma van meester, uitgereikt overeenkomstig de regelgeving op het hoger onderwijs;
  10. het diploma van de officieren die vóór 1 januari 1965 met vrucht hun studie hebben volbracht aan de Oefenschool bij de Koninklijke Militaire School of aan de polytechnische afdeling van die school;
  11. het diploma van architect, interieurarchitect of van industrieel ingenieur;
  12. het diploma van technisch ingenieur;
  13. het universitair diploma van burgerlijk conducteur;
  14. het diploma van een hogere technische school van de tweede graad;
  15. het diploma van het hoger kunstonderwijs van de tweede graad met volledig leerplan;
  16. het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste vier studiejaren;
  17. het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, voor 1 september 1969 uitgereikt na een cyclus van ten minste drie studiejaren door een instelling voor de beeldende kunsten;
  18. het laureaatsdiploma, uitgereikt door het Lemmensinstituut in Leuven;
  19. het diploma van de tweede cyclus, uiterlijk in het academiejaar 1994-1995 uitgereikt door een Koninklijk Muziekconservatorium;
  20. het diploma van binnenhuisontwerper, uitgereikt na een cyclus van ten minste drie studiejaren door het Provinciaal Hoger Instituut voor Architectuur en Toegepaste Kunsten in Hasselt, het Provinciaal Hoger Architectuurinstituut in Hasselt-Diepenbeek en het Stedelijk Hoger Architectuurintituut "De Bijloke" in Gent;
  21. het diploma van binnenhuisontwerper, behaald vóór het academiejaar 1964-1965 en uitgereikt na een cyclus van ten minste drie studiejaren door het Nationaal Hoger Instituut voor Bouwkunst en Stedenbouw in Antwerpen;
  22. het diploma van aspirant-officier ter lange omvaart;
  23. het diploma van officier-werktuigkundige eerste klasse;
  24. het diploma van hoger kunstonderwijs van de eerste graad met volledig leerplan;
  25. het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste twee studiejaren;
  26. het diploma van de eerste cyclus, uiterlijk in het academiejaar 1994-1995 uitgereikt door een Koninklijk Muziekconservatorium met uitzondering van het diploma van kandidaat;
  27. het diploma van hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan;
  28. het diploma van een hogere technische school van de eerste graad;
  29. het diploma van onderwijzer(es);
  30. het diploma van kleuteronderwijzer(es);
  31. het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs of het diploma van regent(es);
  32. het diploma van geaggregeerd leraar van het middelbaar onderwijs van de lagere graad of van regent(es) voor de middelbare scholen;
  33. het diploma van geaggregeerde voor het middelbaar en technisch onderwijs van de lagere graad;
  34. het diploma van een basisopleiding van één cyclus;
  35. het diploma van gegradueerde in de godsdienstwetenschappen;
  36. het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs - groep 1;
  37. het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijsgroep 1 samen met het diploma van de voortgezette opleiding voor de bijkomende uitdieping van een opleidingseenheid;
  38. het diploma van leraar dans;
  39.
  a) de vergunning van lijnbestuurder, lijnvliegtuigbestuurder of lijnpiloot, uitgereikt of erkend door het Bestuur der Luchtvaart of door het Directoraat-generaal Luchtvaart, ongeacht de periode(s) waarvoor de vergunning geldt;
  b) de vergunning van beroepsbestuurder of beroepsvliegtuigbestuurder met de bevoegdheidsverklaring instrumentvliegen voorzover de kandidaten geslaagd zijn voor de examens over de algemene kennis voor het verkrijgen van de vergunning van lijnbestuurder, lijnvliegtuigbestuurder of lijnpiloot, ongeacht de periode(s) waarvoor de vergunning geldt;
  40. het diploma van virtuositeit en het hoger diploma, uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs;
  41. het diploma van een hogere technische leergang van de tweede graad;
  42. het diploma van het hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie of van een hogere technische leergang van de eerste graad of, met uitwerking van 1 september 2000, van hoger onderwijs voor sociale promotie of, met uitwerking van 1 september 2002, van hoger onderwijs, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs;
  43. het diploma van eerste prijs, uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs;
  44. het diploma van kandidaat, uitgereikt krachtens de wet op het toekennen van de academische graden;
  45. de andere diploma's van kandidaat, uitgereikt door een Belgische universiteit of een daarmee gelijkgestelde instelling, door een door de wet of door het decreet daartoe gemachtigde instelling of een door de Staat of de gemeenschap opgerichte examencommissie;
  46. het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid dans;
  47. het brevet van het aanvullend secundair beroepsonderwijs met volledig leerplan of voor sociale promotie;
  48. met uitwerking van 1 september 2001 met de beperking evenwel dat hieruit tijdens de periode van 1 september 2001 tot en met 31 augustus 2003 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot de bezoldiging en de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling : een studiebewijs van het volwassenenonderwijs, gerangschikt BSO4;
  49. het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de vierde graad van het secundair onderwijs;
  50. het diploma in de psychiatrische verpleegkunde;
  51. het diploma in de ziekenhuisverpleegkunde;
  52. het finaliteitsdiploma van het kunstonderwijs ingericht volgens beperkt leerplan;
  53. het gehomologeerd getuigschrift van hoger secundair onderwijs;
  54. het gehomologeerd getuigschrift van het middelbaar onderwijs van de hogere graad;
  55. het gehomologeerd diploma van secundair onderwijs;
  56. het diploma van secundair onderwijs;
  57. het brevet van een hogere secundaire beroepsschool of -leergang;
  58. het studieattest of getuigschrift van het 6° leerjaar van het beroepssecundair onderwijs;
  59. het studieattest of -getuigschrift van het 7° vervolmakings- of specialisatiejaar van het beroepssecundair onderwijs;
  60. het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);
  61. het studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar;
  62. het diploma van een hogere secundaire technische school of leergang;
  63. het gehomologeerd of door een examencommissie van de Staat uitgereikt getuigschrift van hoger secundair technisch onderwijs;
  64. het studieattest of -getuigschrift van het 7° vervolmakings- of specialisatiejaar van het technisch secundair onderwijs;
  65. het diploma of getuigschrift van het hoger secundair kunstonderwijs met volledig leerplan of met beperkt leerplan;
  66. het gehomologeerd of door een examencommissie van de staat uitgereikt getuigschrift van hoger secundair kunstonderwijs;
  67. het studieattest of -getuigschrift van het 7° vervolmakings- of specialisatiejaar van het kunstsecundair onderwijs;
  68. met uitwerking van 1 september 2001, met de beperking evenwel dat hieruit tijdens de periode van 1 september 2001 tot en met 31 augustus 2003 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot de bezoldiging en de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling : een studiebewijs van het volwassenenonderwijs, gerangschikt TSO3;
  69. met uitwerking van 1 september 2001, met de beperking evenwel dat hieruit tijdens de periode van 1 september 2001 tot en met 31 augustus 2003 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot de bezoldiging en de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling : een studiebewijs van het volwassenenonderwijs, gerangschikt BSO3;
  Met "ten minste HSO" wordt niet bedoeld : de studiegetuigschriften, uitgereikt door het deeltijds kunstonderwijs zoals bedoeld in Titel V van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II;
  6° ten minste HOKTVL : een van de studiebewijzen vermeld onder 5°, 1. tot en met 39;
  7° BPB : bewijs van pedagogische bekwaamheid;
  8° OE : opleidingseenheid;
  9° UOE : uitgediepte opleidingseenheid;
  10° ten minste HOKT : een van de studiebewijzen vermeld onder 5°, 1. tot en met 42.
  Met "ten minste HOKT" wordt niet bedoeld : het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type van sociale promotie, het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, en, vanaf 1 september 2000, het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie, en, vanaf 1 september 2002, het pedagogisch getuigschrift, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs;
  11° ten minste HOKT + BPB :
  1. een van de studiebewijzen, vermeld onder ten minste HOKT samen met een bewijs van pedagogische bekwaamheid, vermeld in artikel 3bis;
  2. GLSO;
  3. GVSO-groep 1.
  4. het diploma van onderwijzer;
  5. het diploma van kleuteronderwijzer.
  Met "ten minste HOKT + BPB" : wordt niet bedoeld : het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type van sociale promotie, het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, en, vanaf 1 september 2000 het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie, en, vanaf 1 september 2002 het pedagogisch getuigschrift, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs;
  12° CICB : de pedagogische commissie van het Centraal Israëlitisch Consistorie van België;
  13° EMB : Executieve van de Moslims van België;
  14° (het diploma van) onderwijzer :
  -het diploma of de akte van onderwijzer;
  - het diploma of de akte van lager onderwijzer;
  - met ingang van 1 september 1997, met de beperking evenwel dat hieruit tijdens de periode van 1 september 1997 tot en met 31 augustus 2003 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot de bezoldiging, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling : het diploma van een voortgezette opleiding voor het lager onderwijs;
  15° (het diploma van) kleuteronderwijzer :
  - het diploma van kleuteronderwijzer;
  - het diploma van bewaarschoolonderwijzer;
  - het diploma van kleuterleider;
  - met ingang van 1 september 1997, met de beperking evenwel dat hieruit tijdens de periode van 1 september 1997 tot en met 31 augustus 2003 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot de bezoldiging, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling : het diploma van een voortgezette opleiding voor het kleuteronderwijs. ".
Art. 3. L'article 5 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 4 novembre 1997 et 28 juin 2002, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 5. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
  1° AESS :
  1. le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire supérieur;
  2. le diplôme d'agrégé de religion de l'enseignement secondaire supérieur;
  3. le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire - groupe 2;
  4. le diplôme d'agrégé de l'enseignement;
  5. le diplôme d'agrégé de l'enseignement en sciences religieuses;
  2° AESI :
  1. le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur;
  2. le diplôme de professeur agrégé de l'enseignement moyen du degré inférieur de régent(e) pour les écoles moyennes;
  3. le diplôme d'agrégé de l'enseignement moyen et technique du degré inférieur;
  4. le diplôme de régent(e);
  5. le diplôme de l'école normale technique moyenne;
  6. le diplôme des sections normales techniques de plein exercice classées dans la catégorie D.;
  7. le diplôme d'agrégé de religion de l'enseignement secondaire inférieur;
  8. le diplôme de gradué de religion de l'enseignement secondaire inférieur;
  9. le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire - groupe 1;
  2°bis AES - groupe 1 :
  - à compter du 1er septembre 2000 : le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire - groupe 1;
  - à compter du 1er septembre 2003 : également le diplôme de professeur de danse;
  3° AE :
  1. le diplôme d'agrégé de l'enseignement;
  2. le diplôme d'agrégé de l'enseignement en sciences religieuses;
  4° au moins ESTL :
  1. les diplômes de médecin, de dentiste, de médecin vétérinaire, de docteur, d'ingénieur, de pharmacien ou de licencié, délivrés conformément à la législation sur les grades académiques, et les diplômes de l'enseignement supérieur de type long ou les diplômes d'une formation initiale de deux cycles;
  2. les autres diplômes de médecin, de dentiste, de médecin vétérinaire, de docteur, d'ingénieur, de pharmacien ou de licencié, délivrés par une université belge ou un établissement y assimilé, par un établissement habilité par la loi ou par le décret ou par un jury institué à cet effet par l'Etat ou la Communauté, si la durée des études comprend quatre années au moins, même si une partie des études n'a pas été parcourue dans un des établissements d'enseignement susmentionnés;
  3. le diplôme de l'enseignement supérieur technique du troisième degré;
  4.
  a) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique du troisième degré de plein exercice;
  b) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique continu de plein exercice;
  c) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique de plein exercice, délivré à l'issue d'un cycle d'au moins cinq années d'études;
  d) l'attestation de lauréat du " Nationaal Hoger Instituut " à Anvers, délivrée à l'issue d'un cycle d'au moins cinq années d'études;
  e) le prix Lemmens-Tinel, délivré par le " Lemmensinstituut " à Louvain;
  f) le diplôme de maître, délivré conformément à la législation sur l'enseignement supérieur;
  5. le diplôme des officiers qui, avant le 1er janvier 1965, ont terminé avec succès leurs études à l'Ecole d'application de l'Ecole royale militaire ou à la section polytechnique de cette école;
  6. le diplôme d'architecte, d'architecte d'intérieur ou d'ingénieur industriel;
  5° au moins ESS :
  1. 1° les diplômes de médecin, de dentiste, de médecin vétérinaire, de docteur, d'ingénieur, de pharmacien ou de licencié, délivrés conformément à la législation sur les grades académiques;
  2. les autres diplômes de médecin, de dentiste, de médecin vétérinaire, de docteur, d'ingénieur, de pharmacien ou de licencié, délivrés par une université belge ou un établissement y assimilé, par un établissement habilité par la loi ou par le décret ou par un jury institué à cet effet par l'Etat ou la Communauté, si la durée des études comprend quatre années au moins, même si une partie des études n'a pas été parcourue dans un des établissements d'enseignement susmentionnés;
  3. le diplôme de l'enseignement supérieur technique du troisième degré;
  4. le diplôme de l'enseignement supérieur artistique du troisième degré de plein exercice;
  5. le diplôme de l'enseignement supérieur artistique continu de plein exercice;
  6. le diplôme de l'enseignement supérieur artistique de plein exercice, délivré à l'issue d'un cycle d'au moins cinq années d'études;
  7. l'attestation de lauréat du " Nationaal Hoger Instituut " à Anvers, délivrée après un cycle d'au moins cinq années d'études;
  8. le prix Lemmens-Tinel, délivré par le " Lemmensinstituut " à Louvain;
  9. le diplôme de maître, délivré conformément à la législation sur l'enseignement supérieur;
  10. le diplôme des officiers qui, avant le 1er janvier 1965, ont terminé avec succès leurs études à l'Ecole d'application de l'Ecole royale militaire ou à la section polytechnique de cette Ecole;
  11. le diplôme d'architecte, d'architecte d'intérieur ou d'ingénieur industriel;
  12. le diplôme d'ingénieur technique;
  13. le diplôme universitaire de conducteur civil;
  14. le diplôme d'une école supérieure technique du deuxième degré;
  15. le diplôme de l'enseignement supérieur artistique du deuxième degré de plein exercice;
  16. le diplôme de l'enseignement supérieur artistique de plein exercice, délivré à l'issue d'un cycle d'au moins quatre années d'études;
  17. le diplôme de l'enseignement supérieur artistique de plein exercice, délivré avant le 1er septembre 1969 à l'issue d'un cycle d'au moins trois années d'études par un institut des arts plastiques;
  18. le diplôme de lauréat, délivré par le " Lemmensinstituut " à Louvain;
  19. le diplôme du deuxième cycle, délivré au plus tard dans l'année académique 1994-1995 par un Conservatoire royal de Musique;
  20. le diplôme de décorateur d'intérieur, délivré au terme d'un cycle d'au moins trois années d'études par le 'Provinciaal Hoger Instituut voor Architectuur en Toegepaste Kunsten' à Hasselt, le 'Provinciaal Hoger Architectuurinstituut' à Hasselt-Diepenbeek et le 'Stedelijk Hoger Architectuurintituut "De Bijloke" à Gand;
  21. le diplôme de décorateur d'intérieur, obtenu avant l'année académique 1964-1965 et délivré au terme d'un cycle d'au moins trois années d'études par le 'Nationaal Hoger Instituut voor Bouwkunst en Stedenbouw' à Anvers;
  22. le diplôme d'aspirant-officier au long cours;
  23. le diplôme d'officier-mécanicien de 1re classe;
  24. le diplôme de l'enseignement supérieur artistique du premier degré de plein exercice;
  25. le diplôme de l'enseignement supérieur artistique de plein exercice, délivré au terme d'un cycle d'au moins deux années d'études;
  26. le diplôme du premier cycle, délivré au plus tard dans l'année académique 1994-1995 par un Conservatoire royal de Musique à l'exception du diplôme de candidat;
  27. le diplôme de l'enseignement supérieur de type court de plein exercice;
  28. le diplôme d'une école supérieure technique du premier degré;
  29. le diplôme d'instituteur(trice) primaire;
  30. le diplôme d'instituteur(trice) préscolaire;
  31. le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur ou le diplôme de régent(e);
  32. le diplôme de professeur agrégé de l'enseignement moyen du degré inférieur ou de régent(e) pour les écoles moyennes;
  33. le diplôme d'agrégé de l'enseignement moyen et technique du degré inférieur;
  34. le diplôme d'une formation initiale d'un cycle;
  35. le diplôme de gradué en sciences religieuses;
  36. le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire - groupe 1;
  37. le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire - groupe 1, ainsi que le diplôme de la formation continue pour l'approfondissement d'une unité de formation;
  38. le diplôme de professeur de danse;
  39.
  a)la licence de pilote de ligne ou de pilote de ligne d'avions, délivrée ou agréée par l'Administration de l'Aéronautique ou par le Directeur général de l'Aéronautique, quelle que soit la période de validité de la licence;
  b) la licence de pilote professionnel ou de pilote professionnel d'avions avec la qualification de vol aux instruments pour autant que les candidats ont passé avec succès les examens de connaissances générales pour l'obtention d'une licence de pilote de ligne ou de pilote de ligne d'avions quelle que soit la période de validité de la licence;
  40. le diplôme de virtuosité et le diplôme supérieur, délivrés par un établissement d'enseignement supérieur de musique;
  41. le diplôme d'un cours supérieur technique du deuxième degré;
  42. le diplôme de l'enseignement supérieur de type court de promotion sociale ou d'un cours supérieur technique du premier degré ou, avec effet à la date du 1er septembre 2000, d'enseignement supérieur de promotion sociale ou, avec effet à la date du 1er septembre 2002, d'enseignement supérieur, délivré par un centre d'éducation des adultes;
  43. le diplôme de premier prix, délivré par un établissement d'enseignement supérieur musical;
  44. le diplôme de candidat, délivré en vertu de la loi sur la collation des grades académiques;
  45. les autres diplômes de candidat délivrés par une université belge ou un établissement y assimilé, par un établissement y autorisé par la loi ou par le décret ou par un jury créé par l'Etat ou la Communauté;
  46. le certificat d'aptitudes pédagogiques de danse;
  47. le brevet de l'enseignement secondaire professionnel complémentaire de plein exercice ou de promotion sociale;
  48. avec effet à la date du 1er septembre 2001, avec la restriction toutefois que, pour la période du 1er septembre 2001 au 31 août 2003 inclus, il n'y aura aucune suite pour les personnels et les pouvoirs organisateurs en ce qui concerne la rémunération, la mise en disponibilité par défaut d'emploi, la réaffectation et la remise au travail; un titre de l'éducation des adultes, classée BSO4;
  49. le certificat d'études de la deuxième année d'études du quatrième degré de l'enseignement secondaire;
  50. le diplôme en nursing psychiatrique;
  51. le diplôme en nursing hospitalier;
  52. le diplôme de finalité de l'enseignement artistique à horaire réduit;
  53. le certificat homologué d'enseignement secondaire supérieur;
  54. le certificat homologué de l'enseignement moyen du degré supérieur;
  55. le diplôme homologué de l'enseignement secondaire;
  56. le diplôme d'enseignement secondaire;
  57. le brevet d'une école ou d'un cours secondaire professionnel(le) supérieur(e);
  58. l'attestation ou le certificat d'études de la sixième année d'études de l'enseignement secondaire professionnel;
  59. l'attestation ou le certificat d'études de la septième année de perfectionnement ou de spécialisation de l'enseignement secondaire professionnel;
  60. le certificat d'études de la deuxième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire professionnel);
  61. le certificat d'études de la troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire, organisée sous la forme d'une année de spécialisation;
  62. le diplôme d'une école ou d'un cours secondaire technique supérieur(e);
  63. le certificat du degré supérieur de l'enseignement secondaire technique, homologué ou délivré par un jury de l'Etat;
  64. l'attestation ou le certificat d'études de la septième année de perfectionnement ou de spécialisation de l'enseignement secondaire technique;
  65. le diplôme ou le certificat de l'enseignement secondaire artistique supérieur de plein exercice ou à horaire réduit;
  66. le certificat du degré supérieur de l'enseignement secondaire artistique, homologué ou délivré par un jury de l'Etat;
  67. l'attestation ou le certificat d'études de la septième année de perfectionnement ou de spécialisation de l'enseignement secondaire artistique;
  68. avec effet à la date du 1er septembre 2001, avec la restriction toutefois que, pour la période du 1er septembre 2001 au 31 août 2003 inclus, il n'y aura aucune suite pour les personnels et les pouvoirs organisateurs en ce qui concerne la rémunération, la mise en disponibilité par défaut d'emploi, la réaffectation et la remise au travail; un titre de l'éducation des adultes, classée TSO3;
  69. avec effet à la date du 1er septembre 2001, avec la restriction toutefois que, pour la période du 1er septembre 2001 au 31 août 2003 inclus, il n'y aura aucune suite pour les personnels et les pouvoirs organisateurs en ce qui concerne la rémunération, la mise en disponibilité par défaut d'emploi, la réaffectation et la remise au travail : un titre de l'éducation des adultes, classée BSO3.
  Par " au moins ESS ", il ne faut pas entendre : les certificats d'études, délivrés par l'enseignement artistique à temps partiel, tel que visé au Titre V du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement II;
  6° au moins ESTC de plein exercice : un des titres visés au 5°, 1 à 39 inclus;
  7° CAP : certificat d'aptitudes pédagogiques;
  8° UF : unité de formation;
  9° UFA : unité de formation approfondie;
  10° au moins ESTC : un des titres visés au 5°, 1 à 42 inclus.
  Par " au moins ESTC ", il ne faut pas entendre : le diplôme ou le certificat de l'enseignement supérieur pédagogique de type court de promotion sociale, le certificat des cours normaux techniques moyens ou des cours pédagogiques, et, à compter du 1er septembre 2000, le diplôme ou le certificat de l'enseignement supérieur pédagogique de promotion sociale, et, à compter du 1er septembre 2002, le certificat pédagogique, délivré par un centre d'éducation des adultes;
  11° au moins ESTC + CAP :
  1. un des titres, visés sous la rubrique " au moins ESTC " ainsi que le certificat d'aptitudes pédagogiques, visé à l'article 3bis;
  2. AESI;
  3. AES B groupe 1
  4. le diplôme d'instituteur primaire;
  5. le diplôme d'instituteur préscolaire.
  Par " au moins ESTC + CAP " : il ne faut pas entendre : le diplôme ou le certificat de l'enseignement supérieur pédagogique de type court de promotion sociale, le certificat des cours normaux techniques moyens ou des cours pédagogiques, et, à compter du 1er septembre 2000, le diplôme ou le certificat de l'enseignement supérieur pédagogique de promotion sociale, et, à compter du 1er septembre 2002, le certificat pédagogique, délivré par un centre d'éducation des adultes;
  12° CCIB : la commission pédagogique du Consistoire central israélite de Belgique;
  13° EMB : l'Exécutif des Musulmans de Belgique;
  14° le diplôme d'instituteur primaire;
  - le diplôme ou le brevet d'instituteur;
  - le diplôme ou le brevet d'instituteur primaire;
  - avec effet à la date du 1er septembre 1997, avec la restriction toutefois que, pour la période du 1er septembre 1997 au 31 août 2003 inclus, il n'y aura aucune suite pour les personnels et les pouvoirs organisateurs en ce qui concerne la rémunération, la mise en disponibilité par défaut d'emploi, la réaffectation et la remise au travail : le diplôme de la formation continue pour l'enseignement primaire;
  15° le diplôme d'instituteur préscolaire :
  - le diplôme d'instituteur préscolaire;
  - le diplôme d'instituteur maternel;
  - le diplôme d'instituteur gardien;
  - avec effet à la date du 1er septembre 1997, avec la restriction toutefois que, pour la période du 1er septembre 1997 au 31 août 2003 inclus, il n'y aura aucune suite pour les personnels et les pouvoirs organisateurs en ce qui concerne la rémunération, la mise en disponibilité par défaut d'emploi, la réaffectation et la remise au travail; le diplôme de la formation continue pour l'enseignement préscolaire. "
Art. 4. Aan artikel 6 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse regering van 28 juni 2002, worden een § 4 en een § 5, toegevoegd, die luiden als volgt :
  " § 4. Voor de toepassing van dit besluit worden de volgende studiebewijzen gelijkgesteld met het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid dans :
  1° het getuigschrift van pedagogische leergang afdeling klassieke dans en bewegingsleer of dans en bewegingsleer, uitgereikt door de Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek of het Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie;
  2° het getuigschrift van bekwaamheid tot het geven van onderwijs in ballet of bewegingsleer, uitgereikt door de Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek of het Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie;
  3° het getuigschrift van bekwaamheid tot het geven van dansonderwijs, uitgereikt door de Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek of het Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie;
  4° het pedagogisch getuigschrift van hedendaagse dans of klassiek ballet, uitgereikt door de Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek of het Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie;
  5° het specialisatiegetuigschrift klassieke dans uitgereikt door de Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek of het Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie.;
  § 5. Het diploma van leraar muzikale opvoeding of zangleraar van de eerste graad en het diploma van leraar muzikale opvoeding of zangleraar van de tweede graad, uitgereikt door de daartoe samengestelde examencommissie worden gelijkgesteld met een diploma van GLSO muzikale opvoeding. "
Art. 4. A l'article 6 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juin 2002, il est ajouté un § 4 et un § 5, rédigés comme suit :
  " § 4. Pour l'application du présent arrêté, les titres suivants sont assimilés au certificat d'aptitudes pédagogiques " danse " :
  1° le certificat de cours pédagogiques, division danse classique et étude du mouvement ou danse et étude du mouvement, délivré par les " Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek " ou le " Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie ";
  2° le certificat d'aptitude à l'enseignement de ballet ou de l'étude du mouvement, délivré par les " Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek " ou le " Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie ";
  3° le certificat d'aptitude à l'enseignement de la danse, délivré par les " Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek " ou le " Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie ";
  4° le certificat pédagogique de la danse moderne ou du ballet classique, délivré par les " Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek " ou le " Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie ";
  5° le certificat de spécialisation en danse classique, délivré par les " Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek " ou le " Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie ".
  § 5. Le diplôme de professeur d'éducation musicale ou professeur de chant du premier degré et le diplôme de professeur d'éducation musicale ou de professeur de chant du deuxième degré, délivrés par le jury institué à cet effet sont assimilés au diplôme AESI éducation musicale. "
Art. 5. Aan artikel 7, § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 28 juni 2002, wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " De bedoelde periode loopt ononderbroken vanaf de eerste september die volgt op de eerste aanstelling van het personeelslid in het basis- of in het secundair onderwijs. "
Art. 5. A l'article 7, § 2, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juin 2002, il est ajouté un alinéa, rédigé comme suit :
  " La période en question court sans interruption à compter du 1er septembre qui suit la première désignation du membre du personnel dans l'enseignement fondamental ou secondaire. "
Art. 6. Aan artikel 16bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van 28 juni 2002, wordt een 6° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " 6° 6 : met uitwerking van 1 september 2002. "
Art. 6. A l'article 16bis, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juin 2002, il est ajouté un 6°, rédigé comme suit :
  " 6° 6 : avec effet à dater du 1er septembre 2002. "
Art. 7. In hetzelfde besluit wordt in de bijlage I "Bekwaamheidsbewijzen en weddenschalen voor de leermeesters godsdienst en voor de godsdienstleraars" de bijlage voor AV katholieke godsdienst vervangen door de bijlage, gevoegd bij dit besluit.
Art. 7. Au même arrêté, l'annexe " AV katholieke godsdienst " dans l'annexe Ire " " Bekwaamheidsbewijzen en weddenschalen voor de leermeesters godsdienst en voor de godsdienstleraars " est remplacée par l'annexe au présent arrêté.
Art. 8. De bepalingen van dit besluit hebben uitwerking met ingang van 1 september 2003, met uitzondering van artikel 7, dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 2002.
Art. 8. Les dispositions du présent arrêté produisent leurs effets le 1er septembre 2003, à l'exception de l'article 7, qui produit ses effets le 1er septembre 2002.
Art. 9. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Brussel, 21 november 2003.
  De minister-president van de Vlaamse regering,
  B. SOMERS
  De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
  M. VANDERPOORTEN
Art. 9. La Ministre flamande qui a l'Enseignement dans ses attributions est chargée de l'exécution du présent arrêté.
  Bruxelles, le 21 novembre 2003.
  Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
  B. SOMERS
  La Ministre flamande de l'Enseignement et de la Formation,
  M. VANDERPOORTEN
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Weddenschaal.
  (Weddenschaal niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 25-05-2004, p. 40500-40506).
  Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 21 november 2003 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 26 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddenschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars.
  Brussel, 21 november 2003.
  De minister-president van de Vlaamse regering,
  B. SOMERS
  De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
  M. VANDERPOORTEN.
Art. N. (Annexe non traduite. Voir original néerlandais).