Artikel 1. Artikel 6, lid 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 2000 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw wordt aangevuld met een 5°, luidende :
" 5° een variabel % steun dat minimaal 20 % bedraagt, voor investeringen in een ammoniakemissiearme stal voorkomend op de lijst van ammoniakemissiearme stallen in uitvoering van het VLAREM. Het % steun is gelijk aan de verhouding tussen de meerprijs per dierplaats, beperkt tot 40 % van de prijs per dierplaats bij een standaardstal en de prijs per dierplaats bij de ammoniakemissiearme stal. "
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
19 MAART 2004. - Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 2000 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw.
Titre
19 MARS 2004. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 novembre 2000 concernant les aides aux investissements et à l'installation dans l'agriculture (TRADUCTION).
Documentinformatie
Numac: 2004035524
Datum: 2004-03-19
Info du document
Numac: 2004035524
Date: 2004-03-19
Tekst (6)
Texte (6)
Article 1. L'article 6, alinéa 1er, de l'arrêté ministériel (NOTE de Justel : lire "arrêté du Gouvernement flamand"; voir original néerlandais) du 24 novembre 2000 concernant les aides aux investissements et à l'installation dans l'agriculture, est complété par un 5°, rédigé comme suit :
" 5° un % variable d'aide qui est de 20 % au minimum pour les investissements dans une étable pauvre en émissions ammoniacales figurant sur la liste des étables pauvres en émissions ammoniacales, en exécution du VLAREM. Le % d'aide est égal au rapport entre le surcoût par place, limitée à 40 % du coût par place dans le cas d'une étable standard et le coût par place dans le cas d'une étable pauvre en émissions ammoniacales. "
" 5° un % variable d'aide qui est de 20 % au minimum pour les investissements dans une étable pauvre en émissions ammoniacales figurant sur la liste des étables pauvres en émissions ammoniacales, en exécution du VLAREM. Le % d'aide est égal au rapport entre le surcoût par place, limitée à 40 % du coût par place dans le cas d'une étable standard et le coût par place dans le cas d'une étable pauvre en émissions ammoniacales. "
Art.2. Artikel 7, § 2, van het hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" § 2. Komen niet in aanmerking voor steun als bedoeld in artikel 6 :
1° investeringen in de melkveesector die leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit tenzij ze samengaan met een evenredige verhoging van het aan het bedrijf toegekende melkquotum;
2° investeringen in de varkenssector met uitzondering van deze gericht op het zelf verwerken en commercialiseren van de voortgebrachte producten, hoevetoerisme, landschapsbeheer, de verbetering van het leefmilieu, de hygiëne en het welzijn van de dieren en/of biologische landbouw. Bovendien mogen deze investeringen niet leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit en moet na uitvoering van de investering een minimale graad van grondgebondenheid bereikt worden. Deze minimale graad van grondgebondenheid is bereikt wanneer het bedrijf na de investeringen beschikt over een oppervlakte van 1 ha voor 30 vleesvarkensplaatsen en 1 ha voor 25 plaatsen voor productieve zeugen. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor het bouwen van een nieuwe ammoniakemissiearme varkensstal voorkomend op de lijst van ammoniakemissiearme stallen in uitvoering van het VLAREM, voor zover dit in de zeugenhouderij gebeurt in combinatie met groepshuisvesting, voor het verbouwen en uitrusten van een bestaande zeugenstal naar een stal met groepshuisvesting en voor investeringen in hoevetoerisme en landschapsbeheer;
3° investeringen in de pluimveesector met uitzondering van deze gericht op het zelf verwerken en commercialiseren van de voortgebrachte producten, hoevetoerisme, landschapsbeheer, de verbetering van het leefmilieu, de hygiëne en het welzijn van de dieren, het bouwen van een nieuwe ammoniakemissiearme pluimveestal voorkomend op de lijst van ammoniakemissiearme stallen in uitvoering van het VLAREM, voor zover dit in de legkippenhouderij gebeurt in combinatie met volièrehuisvesting, voor het verbouwen en uitrusten van een bestaande legkippenstal naar een stal met volièrehuisvesting en/of biologische landbouw. Bovendien mogen deze investeringen niet leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit;
4° investeringen in de rundvleessector die leiden tot een bezetting van vleesrunderen die groter is dan 2 grootvee-eenheden (GVE) per hectare voor de voedering van die runderen bestemde oppervlakte voedergewassen. Elke stier, koe of ander rund van meer dan 2 jaar vertegenwoordigt 1 GVE en elk rund van zes maand tot 2 jaar 0,6 GVE. Deze voorwaarde geldt niet voor investeringen gericht op het zelf verwerken en commercialiseren van de voortgebrachte producten, hoevetoerisme, landschapsbeheer, de verbetering van het leefmilieu, de hygiëne en het welzijn van de dieren en/of biologische landbouw voor zover ze niet leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit;
5° investeringen in de vleeskalversector met uitzondering van deze gericht op het zelf verwerken en commercialiseren van de voortgebrachte producten, hoevetoerisme, landschapsbeheer, de verbetering van het leefmilieu, de hygiëne en het welzijn van de dieren. Bovendien mogen deze investeringen niet leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit;
6° de aankoop van varkens, pluimvee en mestkalveren;
7° de aankoop van ander vee dan bedoeld onder 6°, met uitzondering van de eerste aankoop;
8° de aankoop van grond.
Bij omschakeling naar de biologische productiemethode zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 17 april 1992 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 3 september 2000, geldt de voorwaarde inzake productiecapaciteit, bedoeld in het eerste lid, 1° tot 5°, niet. "
" § 2. Komen niet in aanmerking voor steun als bedoeld in artikel 6 :
1° investeringen in de melkveesector die leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit tenzij ze samengaan met een evenredige verhoging van het aan het bedrijf toegekende melkquotum;
2° investeringen in de varkenssector met uitzondering van deze gericht op het zelf verwerken en commercialiseren van de voortgebrachte producten, hoevetoerisme, landschapsbeheer, de verbetering van het leefmilieu, de hygiëne en het welzijn van de dieren en/of biologische landbouw. Bovendien mogen deze investeringen niet leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit en moet na uitvoering van de investering een minimale graad van grondgebondenheid bereikt worden. Deze minimale graad van grondgebondenheid is bereikt wanneer het bedrijf na de investeringen beschikt over een oppervlakte van 1 ha voor 30 vleesvarkensplaatsen en 1 ha voor 25 plaatsen voor productieve zeugen. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor het bouwen van een nieuwe ammoniakemissiearme varkensstal voorkomend op de lijst van ammoniakemissiearme stallen in uitvoering van het VLAREM, voor zover dit in de zeugenhouderij gebeurt in combinatie met groepshuisvesting, voor het verbouwen en uitrusten van een bestaande zeugenstal naar een stal met groepshuisvesting en voor investeringen in hoevetoerisme en landschapsbeheer;
3° investeringen in de pluimveesector met uitzondering van deze gericht op het zelf verwerken en commercialiseren van de voortgebrachte producten, hoevetoerisme, landschapsbeheer, de verbetering van het leefmilieu, de hygiëne en het welzijn van de dieren, het bouwen van een nieuwe ammoniakemissiearme pluimveestal voorkomend op de lijst van ammoniakemissiearme stallen in uitvoering van het VLAREM, voor zover dit in de legkippenhouderij gebeurt in combinatie met volièrehuisvesting, voor het verbouwen en uitrusten van een bestaande legkippenstal naar een stal met volièrehuisvesting en/of biologische landbouw. Bovendien mogen deze investeringen niet leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit;
4° investeringen in de rundvleessector die leiden tot een bezetting van vleesrunderen die groter is dan 2 grootvee-eenheden (GVE) per hectare voor de voedering van die runderen bestemde oppervlakte voedergewassen. Elke stier, koe of ander rund van meer dan 2 jaar vertegenwoordigt 1 GVE en elk rund van zes maand tot 2 jaar 0,6 GVE. Deze voorwaarde geldt niet voor investeringen gericht op het zelf verwerken en commercialiseren van de voortgebrachte producten, hoevetoerisme, landschapsbeheer, de verbetering van het leefmilieu, de hygiëne en het welzijn van de dieren en/of biologische landbouw voor zover ze niet leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit;
5° investeringen in de vleeskalversector met uitzondering van deze gericht op het zelf verwerken en commercialiseren van de voortgebrachte producten, hoevetoerisme, landschapsbeheer, de verbetering van het leefmilieu, de hygiëne en het welzijn van de dieren. Bovendien mogen deze investeringen niet leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit;
6° de aankoop van varkens, pluimvee en mestkalveren;
7° de aankoop van ander vee dan bedoeld onder 6°, met uitzondering van de eerste aankoop;
8° de aankoop van grond.
Bij omschakeling naar de biologische productiemethode zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 17 april 1992 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 3 september 2000, geldt de voorwaarde inzake productiecapaciteit, bedoeld in het eerste lid, 1° tot 5°, niet. "
Art.2. L'article 7, § 2, du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Ne sont pas éligibles à l'aide, telle que visée à l'article 6 :
1° les investissements dans le secteur du bétail laitier qui conduisent à une hausse de la capacité de production, à moins qu'ils ne vont de pair avec une majoration proportionnelle du quota laitier attribué à l'exploitation;
2° les investissements dans le secteur porcin, à l'exclusion de ceux visant la transformation dans l'exploitation et la commercialisation des produits, le tourisme à la ferme, la gestion paysagère, l'amélioration de l'environnement, l'hygiène et le bien-être des animaux et/ou l'agriculture biologique. Ces investissements ne peuvent, en outre, pas mener à une augmentation de la capacité de production et un degré minimal de liaison au sol doit être atteint après la réalisation des investissements. Ce degré minimal de liaison au sol est atteint lorsque l'exploitation dispose, après investissements, d'une superficie de 1 ha pour 30 places de porcs de boucherie et 1 ha pour 25 places de truies productives. Cette dernière condition ne s'applique pas à la construction d'une nouvelle étable pauvre en émissions ammoniacales figurant sur la liste des étables pauvres en émissions ammoniacales, en exécution du VLAREM dans la mesure où cela se réalise dans le secteur de l'élevage de truies en combinaison avec un hébergement en groupe, à la transformation et l'équipement d'une étable à truies existante en une étable à hébergement en groupe et aux investissements visant le tourisme à la ferme et la gestion paysagère;
3° les investissements dans le secteur des volailles, à l'exclusion de ceux visant la transformation dans l'exploitation et la commercialisation des produits, le tourisme à la ferme, la gestion paysagère, l'amélioration de l'environnement, l'hygiène et le bien-être des animaux, la construction d'une nouvelle étable pauvre en émissions ammoniacales pour volaille figurant sur la liste des étables pauvres en émissions ammoniacales, en exécution du VLAREM dans la mesure où cela se réalise dans le secteur des poules pondeuses en combinaison avec un hébergement en volière, la transformation et l'équipement d'une étable à poules pondeuses existante en une étable à hébergement en volière et/ou l'agriculture biologique. Ces investissements ne peuvent, en outre, pas mener à une augmentation de la capacité de production;
4° les investissements dans le secteur de la viande bovine qui conduisent à une densité de bovins de boucherie supérieure à 2 unités de gros bétail (U.G.B.) par hectare de la superficie de fourrages destinée à l'alimentation de ces bovins. Chaque taureau, vache ou autre bovin de plus de 2 ans représente 1 U.G.B. et chaque bovin de six mois à 2 ans 0,6 U.G.B. Cette condition ne s'applique pas aux investissements visant la transformation dans l'exploitation et la commercialisation des produits, le tourisme à la ferme, la gestion paysagère, l'amélioration de l'environnement, l'hygiène et le bien-être des animaux et/ou l'agriculture biologique dans la mesure où ils ne conduisent pas à une hausse de la capacité de production;
5° les investissements dans le secteur des veaux de boucherie, à l'exclusion de ceux visant la transformation dans l'exploitation et la commercialisation des produits, le tourisme à la ferme, la gestion paysagère, l'amélioration de l'environnement, l'hygiène et le bien-être des animaux. Ces investissements ne peuvent, en outre, pas mener à une augmentation de la capacité de production;
6° l'achat de porcs, volaille et veaux à l'engrais;
7° l'achat d'autre bétail que celui visé sous 6°, à l'exception du premier achat;
8° l'achat de terres.
En cas de reconversion à la méthode de production biologique, telle que définie à l'arrêté royal du 17 avril 1992 concernant le mode de production biologique de produits agricoles et sa présentation sur les produits agricoles et les denrées alimentaires, modifié en dernier lieu par l'arrêté du 3 septembre 2000, la condition en matière de capacité de production, visée à l'alinéa 1er, 1° à 5°, n'est pas applicable. "
" § 2. Ne sont pas éligibles à l'aide, telle que visée à l'article 6 :
1° les investissements dans le secteur du bétail laitier qui conduisent à une hausse de la capacité de production, à moins qu'ils ne vont de pair avec une majoration proportionnelle du quota laitier attribué à l'exploitation;
2° les investissements dans le secteur porcin, à l'exclusion de ceux visant la transformation dans l'exploitation et la commercialisation des produits, le tourisme à la ferme, la gestion paysagère, l'amélioration de l'environnement, l'hygiène et le bien-être des animaux et/ou l'agriculture biologique. Ces investissements ne peuvent, en outre, pas mener à une augmentation de la capacité de production et un degré minimal de liaison au sol doit être atteint après la réalisation des investissements. Ce degré minimal de liaison au sol est atteint lorsque l'exploitation dispose, après investissements, d'une superficie de 1 ha pour 30 places de porcs de boucherie et 1 ha pour 25 places de truies productives. Cette dernière condition ne s'applique pas à la construction d'une nouvelle étable pauvre en émissions ammoniacales figurant sur la liste des étables pauvres en émissions ammoniacales, en exécution du VLAREM dans la mesure où cela se réalise dans le secteur de l'élevage de truies en combinaison avec un hébergement en groupe, à la transformation et l'équipement d'une étable à truies existante en une étable à hébergement en groupe et aux investissements visant le tourisme à la ferme et la gestion paysagère;
3° les investissements dans le secteur des volailles, à l'exclusion de ceux visant la transformation dans l'exploitation et la commercialisation des produits, le tourisme à la ferme, la gestion paysagère, l'amélioration de l'environnement, l'hygiène et le bien-être des animaux, la construction d'une nouvelle étable pauvre en émissions ammoniacales pour volaille figurant sur la liste des étables pauvres en émissions ammoniacales, en exécution du VLAREM dans la mesure où cela se réalise dans le secteur des poules pondeuses en combinaison avec un hébergement en volière, la transformation et l'équipement d'une étable à poules pondeuses existante en une étable à hébergement en volière et/ou l'agriculture biologique. Ces investissements ne peuvent, en outre, pas mener à une augmentation de la capacité de production;
4° les investissements dans le secteur de la viande bovine qui conduisent à une densité de bovins de boucherie supérieure à 2 unités de gros bétail (U.G.B.) par hectare de la superficie de fourrages destinée à l'alimentation de ces bovins. Chaque taureau, vache ou autre bovin de plus de 2 ans représente 1 U.G.B. et chaque bovin de six mois à 2 ans 0,6 U.G.B. Cette condition ne s'applique pas aux investissements visant la transformation dans l'exploitation et la commercialisation des produits, le tourisme à la ferme, la gestion paysagère, l'amélioration de l'environnement, l'hygiène et le bien-être des animaux et/ou l'agriculture biologique dans la mesure où ils ne conduisent pas à une hausse de la capacité de production;
5° les investissements dans le secteur des veaux de boucherie, à l'exclusion de ceux visant la transformation dans l'exploitation et la commercialisation des produits, le tourisme à la ferme, la gestion paysagère, l'amélioration de l'environnement, l'hygiène et le bien-être des animaux. Ces investissements ne peuvent, en outre, pas mener à une augmentation de la capacité de production;
6° l'achat de porcs, volaille et veaux à l'engrais;
7° l'achat d'autre bétail que celui visé sous 6°, à l'exception du premier achat;
8° l'achat de terres.
En cas de reconversion à la méthode de production biologique, telle que définie à l'arrêté royal du 17 avril 1992 concernant le mode de production biologique de produits agricoles et sa présentation sur les produits agricoles et les denrées alimentaires, modifié en dernier lieu par l'arrêté du 3 septembre 2000, la condition en matière de capacité de production, visée à l'alinéa 1er, 1° à 5°, n'est pas applicable. "
Art.3. Artikel 8, tweede lid van het hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" De rentetoelage bedraagt maximaal 4 % voor de investeringen, bedoeld in artikel 6, 1° en 2° en 3 % voor de investeringen, bedoeld in artikel 6, 3°, 4°en 5°. "
" De rentetoelage bedraagt maximaal 4 % voor de investeringen, bedoeld in artikel 6, 1° en 2° en 3 % voor de investeringen, bedoeld in artikel 6, 3°, 4°en 5°. "
Art.3. L'article 8 (NOTE de Justel : lire "article 8, second alinéa"; voir original néerlandais) du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" La subvention-intérêt est plafonnée à 4 % pour les investissements visés à l'article 6, 1° et 2°, et à 3 % pour les investissements visés à l'article 6, 3°, 4° et 5°. "
" La subvention-intérêt est plafonnée à 4 % pour les investissements visés à l'article 6, 1° et 2°, et à 3 % pour les investissements visés à l'article 6, 3°, 4° et 5°. "
Art. 4. In hetzelfde besluit wordt aan de bijlage navolgende groep 3b toegevoegd
Art. 4. Dans le même arrêté, le groupe 3b ci-après est ajouté à l'annexe :
Aard van de Beschrijving van de Steun
investeringen investering met
vermelding van de
bijzondere voorwaarden
- - -
Groep 3 b : Het bouwen van een Variabel
Investeringen in nieuwe De toe te passen
ammoniakemissiearme ammoniakemissiearme steunintensiteit is
stal, voorkomend op stal, voorkomend op minimaal 20 % op de
de lijst van de lijst van volledige
ammoniakemissiearme ammoniakemissiearme ammoniakemissiearme
stallen in uitvoering stallen in uitvoering stal. Voor stalsystemen
van het VLAREM van het VLAREM, op waar een steun van 20 %
voorwaarde dat in onvoldoende is om de
zeugenstallen meerprijs t.o.v. een
groepshuisvesting en standaardstal te
in legkippenstallen compenseren, wordt een
volierehuisvesting aanvullende steun
wordt toegepast verleend hierbij
bepalend dat de totale
steun maximaal een
meerprijs van 40 % mag
compenseren.
investeringen investering met
vermelding van de
bijzondere voorwaarden
- - -
Groep 3 b : Het bouwen van een Variabel
Investeringen in nieuwe De toe te passen
ammoniakemissiearme ammoniakemissiearme steunintensiteit is
stal, voorkomend op stal, voorkomend op minimaal 20 % op de
de lijst van de lijst van volledige
ammoniakemissiearme ammoniakemissiearme ammoniakemissiearme
stallen in uitvoering stallen in uitvoering stal. Voor stalsystemen
van het VLAREM van het VLAREM, op waar een steun van 20 %
voorwaarde dat in onvoldoende is om de
zeugenstallen meerprijs t.o.v. een
groepshuisvesting en standaardstal te
in legkippenstallen compenseren, wordt een
volierehuisvesting aanvullende steun
wordt toegepast verleend hierbij
bepalend dat de totale
steun maximaal een
meerprijs van 40 % mag
compenseren.
Nature des Description de Aide
investissements l'investissement avec
mention des conditions
speciales
- - -
Groupe 3 b : La construction d'une % variable
Investissements dans nouvelle etable pauvre L'intensite des aides a
une etable pauvre en en emissions appliquer est de 20 %
emissions ammoniacales ammoniacales, figurant au minimum pour toute
figurant sur la liste sur la liste des l'etable pauvre en
des etables pauvres en etables pauvres en emissions ammoniacales.
emissions ammoniacales emissions ammoniacales Pour les systemes
en execution du VLAREM en execution du VLAREM, d'etables ou l'aide de
a la condition que soit 20 % est insuffisante
applique un hebergement pour compenser le
en groupe dans les surcout par rapport a
etables pour truies et une etable standard,
un hebergement en une aide supplementaire
voliere dans les est octroyee a la
etables pour poules condition que l'aide
pondeuses globale ne puisse
compenser au maximum un
surcout de 40 %.
investissements l'investissement avec
mention des conditions
speciales
- - -
Groupe 3 b : La construction d'une % variable
Investissements dans nouvelle etable pauvre L'intensite des aides a
une etable pauvre en en emissions appliquer est de 20 %
emissions ammoniacales ammoniacales, figurant au minimum pour toute
figurant sur la liste sur la liste des l'etable pauvre en
des etables pauvres en etables pauvres en emissions ammoniacales.
emissions ammoniacales emissions ammoniacales Pour les systemes
en execution du VLAREM en execution du VLAREM, d'etables ou l'aide de
a la condition que soit 20 % est insuffisante
applique un hebergement pour compenser le
en groupe dans les surcout par rapport a
etables pour truies et une etable standard,
un hebergement en une aide supplementaire
voliere dans les est octroyee a la
etables pour poules condition que l'aide
pondeuses globale ne puisse
compenser au maximum un
surcout de 40 %.
Art.5. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2003.
Art.5. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2003.
Art. 6. De Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 19 maart 2004.
De minister-president van de Vlaamse regering,
B. SOMERS
De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking,
J. TAVERNIER.
Brussel, 19 maart 2004.
De minister-president van de Vlaamse regering,
B. SOMERS
De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking,
J. TAVERNIER.
Art. 6. Le Ministre flamand qui a la politique agricole dans ses attributions, est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Bruxelles, le 19 mars 2004.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
B. SOMERS
Le Ministre flamand de l'Environnement, de l'Agriculture et de la Coopération au Développement,
J. TAVERNIER.
Bruxelles, le 19 mars 2004.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
B. SOMERS
Le Ministre flamand de l'Environnement, de l'Agriculture et de la Coopération au Développement,
J. TAVERNIER.