Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
21 NOVEMBER 2003. - Decreet betreffende het preventieve gezondheidsbeleid. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-02-2004 en tekstbijwerking tot 30-12-2025)
Titre
21 NOVEMBRE 2003. - Décret relatif à la politique de santé préventive (TRADUCTION). (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 03-02-2004 et mise à jour au 30-12-2025)
Documentinformatie
Numac: 2004035090
Datum: 2003-11-21
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2004035090
Date: 2003-11-21
Moniteur: Voir
Inhoud
TITEL I. - Algemene bepaling en definities. TITEL II. - Opdrachten en verantwoordelijkheden. HOOFDSTUK I. - Opdrachten. HOOFDSTUK II. - Verantwoordelijkheden. Afdeling I. - Individuele verantwoordelijkheid. Afdeling II. - Verantwoordelijkheden van de Vla... TITEL III. - Organisatie. HOOFDSTUK I. - Gezondheidsconferentie. HOOFDSTUK II. - Vlaamse gezondheidsdoelstellingen. HOOFDSTUK III. - Ondersteunende werkgroepen. HOOFDSTUK IV. - Partnerorganisaties. HOOFDSTUK V. - Organisaties met terreinwerking. HOOFDSTUK VI. - Individuele zorgaanbieders. HOOFDSTUK VII. - Andere besturen. HOOFDSTUK VIII. - Logo's. HOOFDSTUK IX. - Bevolkingsonderzoek. HOOFDSTUK X. - Gegevensuitwisseling. HOOFDSTUK XI. - Collectieve gezondheidsovereenk... TITEL IV. - Verantwoordingsplicht en toezicht. TITEL V. - Initiatieven met betrekking tot exog... HOOFDSTUK I. - Initiatieven met betrekking tot ... Afdeling I. - Initiatieven met betrekking tot b... Onderafdeling I. - Initiatieven om schadelijke ... Onderafdeling II. - Initiatieven om uitbreiding... Afdeling II. - Initiatieven met betrekking tot ... Afdeling III. - Initiatieven met betrekking tot... Afdeling IV. [1 Initiatieven met betrekking tot... HOOFDSTUK II. - Initiatieven met betrekking tot... HOOFDSTUK III. - Initiatieven met betrekking to... TITEL VI. - Initiatieven met betrekking tot end... HOOFDSTUK I. - Initiatieven met betrekking tot ... HOOFDSTUK II. - Initiatieven met betrekking tot... TITEL VII. - Initiatieven, gericht op specifiek... TITEL VIII. [1 - Onderbouwing van het preventie... TITEL IX. - Initiatieven met betrekking tot spe... TITEL IXbis. [1 - Erkenning van afdelingen medi... TITEL X. - Sancties. HOOFDSTUK I. - Administratieve sancties. Afdeling I. - Administratieve geldboete. Afdeling II. - Inhouding of terugvordering van ... Afdeling III. - Schorsing of intrekking van de ... HOOFDSTUK II. - Strafsancties. TITEL XI. - Beroepsprocedures. HOOFDSTUK I. - Beroepsprocedure bij de Vlaamse ... HOOFDSTUK II. - Beroepsprocedure bij een beroep... TITEL XII. - Opheffings- en overgangsbepalingen.
Inhoud
TITRE Ier. - Disposition générale et définitions. TITRE II. - Missions et responsabilités. CHAPITRE Ier. - Missions. CHAPITRE II. - Responsabilités. Section Ire. - Responsabilité individuelle. Section II. - Responsabilités du Gouvernement f... TITRE III. - Organisation. CHAPITRE Ier. - Conférence de santé. CHAPITRE II. - Objectifs de santé flamands. CHAPITRE III. - Groupes de travail d'appui. CHAPITRE IV. - Organisations partenaires. CHAPITRE V. - Organisations oeuvrant sur le ter... CHAPITRE VI. - Prestataires de soins individuels. CHAPITRE VII. - Autres autorités. CHAPITRE VIII. - Logos. CHAPITRE IX. - Dépistage de population. CHAPITRE X. - Echange d'informations. CHAPITRE XI. - Convention collective de santé. TITRE IV. - Obligation de rendre compte et cont... TITRE V. - Initiatives relatives aux facteurs e... CHAPITRE Ier. - Initiatives relatives aux facte... Section Ire. - Initiatives relatives aux facteu... Sous-section Ire. - Initiatives visant à préven... Sous-section II. - Initiatives visant à éviter ... Section II. - Initiatives relatives aux facteur... Section III. - Initiatives relatives aux facteu... Section IV. [1 Initiatives relatives à l'impact... CHAPITRE II. - Initiatives relatives aux facteu... CHAPITRE III. - Initiatives relatives aux facte... TITRE VI. - Initiatives relatives aux facteurs ... CHAPITRE Ier. - Initiatives relatives aux facte... CHAPITRE II. - Initiatives relatives aux facteu... TITRE VII. - Initiatives qui visent des maladie... TITRE VIII. [1 - Fondement de la politique de s... TITRE IX. - Initiatives relatives à des catégor... TITRE IXbis. [1 - Agrément de divisions de cont... TITRE X. - Sanctions. CHAPITRE Ier. - Sanctions administratives. Section Ire. - Amende administrative. Section II. - Retenue ou recouvrement de subven... Section III. - Suspension ou retrait de l'agrém... CHAPITRE II. - Sanctions. TITRE XI. - Procédures de recours. CHAPITRE Ier. - Procédure de recours devant le ... CHAPITRE II. - Procédure de recours devant un c... TITRE XII. - Dispositions abrogatoires et trans...
Tekst (152)
Texte (152)
TITEL I. - Algemene bepaling en definities.
TITRE Ier. - Disposition générale et définitions.
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.
Article 1. Le présent décret règle une matière communautaire et régionale.
Art. 2. Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder :
[6 administratie: het Departement Zorg, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023 over het Departement Zorg;]6
[5 1° /1 algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (al-gemene verordening gegevensbescherming);]5
[4 bevolkingsonderzoek: een geheel van acties met betrekking tot een onderzoek naar een ziekte of aandoening of naar risicofactoren, voorstadia of verwikkelingen ervan, aangeboden aan een groep personen. Dat onderzoek gebeurt niet naar aanleiding van gezondheidsklachten van individuele personen die uit eigen beweging worden geformuleerd, en die verband houden met de opgespoorde ziekte of aandoening of de risicofactoren, voorstadia of verwikkelingen ervan;]4
3° biotische factoren :
a) micro-organismen, met inbegrip van de genetisch gemodificeerde, zijnde al dan niet cellulaire microbiologische entiteiten, met het vermogen tot replicatie of overdracht van genetisch materiaal;
b) celculturen, zijnde resultaten van het in vitro kweken van cellen, afkomstig van meercellige organismen;
c) menselijke endoparasieten;
d) allergenen van biologische oorsprong;
e) andere biologische organismen die potentieel schade kunnen toebrengen aan de menselijke gezondheid;
4° biomonitoring : het systematisch bepalen in levende organismen, waaronder de mens, van concentraties van organismevreemde stoffen, hun metabolieten, of van andere indicatoren van blootstelling en/of effect, om het schadelijke effect op de mens van fysische of chemische factoren te kunnen evalueren;
5° chemische factoren : scheikundige stoffen die potentieel schadelijk zijn voor de gezondheid van de mens door hun toxische, mutagene, carcinogene, traumatogene, teratogene, caustische, allergene eigenschappen, en/of door een combinatie van deze eigenschappen;
6° collectieve gezondheidsovereenkomst : een overeenkomst tussen de Vlaamse regering en een organisatie die een bijdrage kan leveren aan het preventieve gezondheidsbeleid, waarin de organisatie een inspanningsverbintenis onderschrijft om een of meer Vlaamse gezondheidsdoelstellingen of andere aspecten van het preventieve gezondheidsbeleid mee te helpen nastreven door haar leden of de doelgroep tot wie ze zich richt hierover te informeren, te sensibiliseren en aan te zetten tot gezond gedrag;
[6 6° /1 collectiviteit: een voorziening, een instelling of een organisatie waar personen met elkaar in contact komen;]6
7° determinant van gezondheid : een factor die de mate van gezondheid van individuen of populaties mee bepaalt, hierna determinant te noemen;
8° duurzame ontwikkeling : maatschappelijke ontwikkeling die niet enkel rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie, maar ook met die van toekomstige generaties;
[5 8° /1 exposoom: de totaliteit van de blootstellingen van een persoon aan chemische, fysische, sociale en biotische factoren en de samenhang met biologische interne reacties tijdens de levensloop. Het exposoom geeft een algemeen en geïntegreerd beeld van de accumulatie en combinatie van blootstellingen op het individu;]5
9° facettenbeleid : beleid dat buiten het domein van de gezondheidszorg valt en bijdraagt tot het bevorderen, beschermen of behouden van gezondheid;
10° fysische factoren : natuurkundige verschijnselen die potentieel schadelijk zijn voor de gezondheid van de mens door hun akoestische, mechanische, thermische of elektromagnetische eigenschappen, met uitzondering van ioniserende straling;
[6 10° /1 geïnfecteerde persoon: een persoon die geïnfecteerd is of over wie een ernstig vermoeden bestaat dat hij geïnfecteerd is met een infectie die door biotische factoren wordt veroorzaakt als vermeld in artikel 44, § 3, 1° ;]6
11° gezondheid : toestand van lichamelijk, geestelijk en sociaal welbevinden bij de mens;
12° gezondheidsbevordering : preventiemethode, gebruikt binnen het preventieve gezondheidsbeleid, die tot doel heeft de gezondheid te bevorderen, te beschermen of te behouden door die processen te ondersteunen die individuen en groepen in staat stellen om de determinanten van hun gezondheid positief te beïnvloeden;
13° gezondheidsconferentie : bijeenkomst van personen op initiatief van de Vlaamse regering met als doel het uitwisselen van inzichten, gegevens en ervaringen om te komen tot een voorstel van een nieuwe of te herziene Vlaamse gezondheidsdoelstelling of om andere opdrachten te vervullen met betrekking tot het preventieve gezondheidsbeleid;
14° gezondheidsindicator : een kwantitatieve aanduiding van de gezondheid van de bevolking of van een aanwijsbaar deel ervan;
[5 14° /1 gezondheidskundige advieswaarde voor fysische en chemische factoren: een blootstellingswaarde die verondersteld wordt geen of verwaarloosbare negatieve effecten te hebben op de gezondheid van mensen bij een langdurige blootstelling en die vanuit gezondheidskundig oogpunt richtinggevend is voor een milieukwaliteitsniveau dat afgestemd is op een duurzame ontwikkeling van mens en milieu;
14° /2 gezondheidsimpact door klimaatverandering: huidige of toekomstige, directe en indirecte gezondheidseffecten, die veroorzaakt zijn door biotische, fysische, chemische, ruimtelijke of materiële factoren die het gevolg zijn van klimaatverandering;]5

15° gezondheidswinst : het positieve resultaat van een systematisch en algemeen aanvaard meetproces aan de hand van parameters die gerelateerd zijn aan de levensduur en de levenskwaliteit van een bepaalde bevolking;
16° grenswaarde in de mens voor fysische of chemische factoren : de drempelwaarde in de mens van een lichaamsvreemde factor of de drempelwaarde in de mens van metabolieten van deze factor of van andere indicatoren van blootstelling en/of effect, die, bij overschrijding, een maatschappelijk onaanvaardbare graad van gezondheidsbedreiging met zich meebrengt voor de bevolking als geheel of voor bepaalde risicogroepen, hierna grenswaarde in de mens te noemen;
[5 16° /1 humane zeer zorgwekkende stof: een stof waarbij humane toxiciteit vermoed wordt of vastgesteld is, die relevant is voor een Vlaamse setting en die voldoet of mogelijk voldoet aan een of meer van de criteria, vermeld in artikel 57 van verordening nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie;]5
[6 16° /2 immunisatie: de toediening van een preventief geneesmiddel aan een persoon tegen een specifieke biotische factor;]6
17° [4 individuele zorgaanbieder: een persoon die meewerkt aan een of meer initiatieven van het Vlaamse preventieve gezondheidsbeleid, al dan niet in een mono- of multidisciplinair samenwerkingsverband, en die daarvoor erkend of gesubsidieerd kan worden door de Vlaamse Regering;]4
18° initiatief : een beslissing die genomen wordt ter uitvoering van het preventieve gezondheidsbeleid, met een al dan niet regelgevend karakter;
19° Logo : een door de Vlaamse regering erkend samenwerkingsverband voor loco-regionaal gezondheidsoverleg en -organisatie binnen een geografisch aaneengesloten gebied;
[5 19° /1 medisch milieukundige: een medewerker van een Logo met medisch milieukundige expertise, die wordt belast met taken rond milieugerelateerde gezondheid en die zo de eerstelijnsfunctie medische milieukunde invult in het kader van het preventief gezondheidsbeleid inzake milieugezondheidszorg;]5
20° middelengebruik : het al dan niet legale gebruik van psychotrope stoffen die gezondheidsschade kunnen veroorzaken;
[5 20° /1 milieugezondheidskundig aandachtsgebied: een afgebakende zone in tijd en ruimte waarbinnen de aanwezige biotische, chemische, fysische, ruimtelijke of materiële factoren een hoger risico vormen voor de gezondheid van de mens dan in andere gebieden binnen de Europese Unie met gelijkaardige kenmerken;
20° /2 milieugezondheidszorg: het onderdeel van het preventieve gezondheidsbeleid dat door een multidisciplinaire benadering, met minstens de wetenschappelijke disciplines geneeskunde, toxicologie, epidemiologie, gezondheidszorg, milieutechnologie en milieukunde, inzet op het voorkomen, vroegdetectie en interventie van milieugezondheidsschade;]5

21° ontwikkelingsstoornis : een verstoring in het verwerven van motorische, sociale of cognitieve vaardigheden;
[6 21° /1 Opgroeien regie: het agentschap, opgericht bij het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie;]6
22° organisatie met terreinwerking : [4 een van rechtswege erkende organisatie, een door de Vlaamse Regering erkende of erkende en gesubsidieerde organisatie, of een organisatie die gesubsidieerd wordt via een beheersovereenkomst]4 , die op het terrein de opdrachten uitvoert, de methodieken toepast [1 of de diensten levert]1 met betrekking tot de preventieve gezondheidszorg;
23° partnerorganisatie : een organisatie met rechtspersoonlijkheid die als een kern binnen een expertisenetwerk fungeert en [4 die van rechtswege erkend en gesubsidieerd is, door de Vlaamse Regering erkend of erkend en gesubsidieerd wordt, of gesubsidieerd wordt via een beheersovereenkomst,]4 vanwege minstens een van de hiernavolgende competenties :
a) de inhoudelijke deskundigheid in verband met ziektepreventie;
b) de inhoudelijke deskundigheid in verband met gezondheidsbevordering;
c) het verstrekken van gegevens inzake gezondheidszorg;
[6 23° /1 preventief geneesmiddel: een geneesmiddel dat een ziekte of aandoening die veroorzaakt wordt door een specifieke biotische factor, probeert te voorkomen en dat opgenomen is in de lijst, vermeld in artikel 43, § 5;]6
24° preventieve gezondheidszorg : het deel van de gezondheidszorg dat maatregelen en acties omvat die tot doel hebben de gezondheid te bevorderen, te beschermen of te behouden;
25° seksuele gezondheid : aan intieme lichamelijke relaties verbonden lichamelijk, geestelijk en sociaal welbevinden;
26° sociale omgeving : de interrelationele en psychosociale realiteit waarbinnen de mens zich situeert;
27° [5 ...]5
28° stresshantering : methode die gericht is op het wegnemen of beperken van stress en/of op het leren omgaan met stress;
29° [5 [6 toediener: een gezondheidszorgbeoefenaar als vermeld in artikel 2, 2°, van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg, die door de overheid die daarvoor bevoegd is, gemachtigd is om een preventief geneesmiddel toe te dienen;]6]5;
30° verworven factoren : biologische eigenschappen die in de loop van het leven opgebouwd zijn en als indicator voor de gezondheidstoestand kunnen fungeren;
31° Vlaamse Adviesraad voor erkenning van verzorgingsvoorzieningen : het adviesorgaan, opgericht bij het decreet van 20 december 1996 houdende de oprichting van een Vlaamse Gezondheidsraad en van een Vlaamse Adviesraad inzake erkenning van verzorgingsvoorzieningen, gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999;
32° Vlaamse gezondheidsdoelstelling : een op het vlak van gezondheid na te streven, tijdsgebonden, meetbare, haalbare en maatschappelijk aanvaardbare doelstelling, die op initiatief van de Vlaamse regering wordt goedgekeurd door het Vlaams Parlement;
33° [3 Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid : de strategische adviesraad, vermeld in artikel 3 van het decreet van 7 december 2007 houdende de oprichting van een Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;]3
34° ziektepreventie : preventiemethode die gebruikt wordt binnen het preventieve gezondheidsbeleid en die tot doel heeft de gezondheid te bevorderen, te beschermen of te behouden door :
a) het optreden van welbepaalde ziekten of aandoeningen te voorkomen en dit door bronnen van gevaar of bedreigende factoren voor de gezondheid weg te nemen of te beperken of door beschermende factoren te versterken;
b) [4 de gezondheidsschade door ziekten of aandoeningen te beperken of de genezingskans te vergroten door tijdige detectie van of vroege interventie bij ziekten, aandoeningen of de aanleg of het verhoogde risico ervoor;]4
35° Centrum voor Leerlingenbegeleiding : een centrum zoals bedoeld in het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding;
36° kansarmoede : een duurzame toestand waarbij mensen zowel materieel als immaterieel worden beknot in hun kansen om voldoende deel te hebben aan maatschappelijk hooggewaarde goederen zoals onderwijs, arbeid en huisvesting.
Art. 2. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
[6 1° administration : le Département Soins, créé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2023 relatif au Département Soins ;]6
[5 1° /1 règlement général sur la protection des données : le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données) ; ]5
[4 dépistage de population : un ensemble d'actions relatif à un dépistage d'une maladie ou d'une affection ou des facteurs à risque, de ses stades préliminaires ou ses complications, offert à un groupe de personnes. Ce dépistage n'a pas lieu à l'occasion de plaintes de santé de personnes individuelles formulées de leur propre initiative et qui sont liées à la maladie ou l'affection ou à ses facteurs à risque, stades préliminaires ou complications;]4
3° facteurs biotiques :
a) micro-organismes, y compris les entités microbiologiques génétiquement modifiées, cellulaires ou non cellulaires, ayant la capacité de se répliquer ou de transmettre du matériel génétique;
b) cultures cellulaires, à savoir les résultats de la culture in vitro de cellules provenant d'organismes pluricellulaires;
c) endoparasites humains;
d) allergènes d'origine biologique;
e) autres organismes biologiques pouvant potentiellement nuire à la santé humaine;
4° surveillance biologique : la détermination systématique dans des organismes vivants, dont l'homme, de concentrations de substances étrangères à l'organisme, de leurs métabolites, ou d'autres indicateurs d'exposition et/ou d'effet, afin de pouvoir évaluer l'effet nocif pour l'homme de facteurs physiques ou chimiques;
5° facteurs chimiques : substances chimiques qui pourraient nuire à la santé de l'homme à cause de leur caractéristiques toxiques, mutagènes, carcinogènes, traumatogènes, tératogènes, caustiques, allergènes, et/ou d'une combinaison de ces caractéristiques;
6° convention de santé collective : une convention entre le Gouvernement flamand et une organisation qui peut contribuer à la politique de santé préventive, dans laquelle l'organisation souscrit un engagement d'effort afin d'aider à poursuivre un ou plusieurs objectifs de santé flamands ou d'autres aspects de la politique de santé préventive, en informant et sensibilisant ses membres ou le groupe cible auquel elle s'adresse, et en les incitant à un comportement sain;
[6 6° /1 collectivité : une structure, une établissement ou une organisation où des personnes entrent en contact les unes avec les autres ;6
7° déterminant de santé : un facteur co-déterminant le degré de santé d'individus ou de populations, ci-après dénommé déterminant;
8° développement durable : développement social qui ne tient non seulement compte des besoins de la génération actuelle, mais également de ceux des générations futures;
[5 8° /1 exposome : la totalité des expositions d'une personne à des facteurs chimiques, physiques, sociaux et biotiques et le lien avec des réactions biologiques internes tout au long de la vie. L'exposome fournit un aperçu général et intégré de l'accumulation et de la combinaison d'expositions sur l'individu ; ]5
9° politique à facettes : politique qui ne relève pas du domaine des soins de santé et qui contribue à promouvoir, protéger ou maintenir la santé;
10° facteurs physiques : phénomènes physiques qui pourraient nuire à la santé de l'homme à cause de leurs caractéristiques acoustiques, mécaniques, thermiques ou électromagnétiques, à l'exception des rayonnements ionisants;
[6 10° /1 personne infectée : une personne qui est infectée ou fortement présumée être infectée par une infection causée par des facteurs biotiques visés à l'article 44, § 3, 1° ;]6

11° santé : l'état de bien-être physique, psychique et social de l'homme;
12° promotion de la santé : méthode de prévention, utilisée dans le cadre de la politique de santé préventive, qui vise à promouvoir, protéger ou maintenir la santé en supportant ces processus qui permettent aux individus et aux groupes d'influencer positivement les déterminants de leur santé;
13° conférence de santé : réunion de personnes sur l'initiative du Gouvernement flamand, qui vise à échanger des idées, données et expériences afin de parvenir à une proposition d'un objectif de santé flamand nouveau ou à revoir, ou d'accomplir d'autres missions relatives à la politique de santé préventive;
14° indicateur de santé : une indication quantitative de la santé de la population ou d'une partie démontrable de la population;
[5 14° /1 valeur recommandée pour la santé pour des facteurs physiques et chimiques : une valeur d'exposition censée ne pas avoir d'effets négatifs, ou n'avoir que des effets négatifs négligeables sur la santé des individus en cas d'exposition prolongée et qui, du point de vue de la santé, est une valeur indicative pour un niveau de qualité de l'environnement en adéquation avec un développement durable de l'homme et de l'environnement ;
14° /2 impact sur la santé du changement climatique : effets sur la santé directs et indirects, actuels ou futurs, qui sont causés par des facteurs biotiques, physiques, chimiques, spatiaux ou matériels qui sont la conséquence du changement climatique ; ]5

15° gain de santé : le résultat positif d'un processus de mesure systématique et généralement accepté, à l'aide de paramètres reliés à la durée et la qualité de vie d'une certaine population;
16° valeur limite dans l'homme pour des facteurs physiques ou chimiques : le seuil dans l'homme d'un facteur étranger au corps ou le seuil dans l'homme de métabolites de ce facteur ou d'autres indicateurs d'exposition et/ou d'effet qui, en cas de dépassement, entraîne un degré de menace pour la santé, qui est inacceptable au niveau social, pour l'ensemble de la population ou pour certains groupes à risques, ci-après dénommée valeur limite dans l'homme;
[5 16° /1 substance humaine extrêmement préoccupante : une substance dans laquelle une toxicité humaine est supposée ou constatée, qui est pertinente pour un cadre flamand et qui répond à un ou plusieurs critères, visés à l'article 57 du règlement n° 1907/2006 du Parlement européen et du Conseil du 18 décembre 2006 concernant l'enregistrement, l'évaluation et l'autorisation des substances chimiques, ainsi que les restrictions applicables à ces substances (REACH), instituant une agence européenne des produits chimiques, modifiant la directive 1999/45/CE et abrogeant le règlement (CEE) n° 793/93 du Conseil et le règlement (CE) n° 1488/94 de la Commission ainsi que la directive 76/769/CEE du Conseil et les directives 91/155/CEE, 93/67/CEE, 93/105/CE et 2000/21/CE de la Commission ; ]5
[6 16° /2 immunisation : l'administration d'un médicament préventif à une personne contre un facteur biotique spécifique ;]6
17° [4 prestataire de soins individuel : une personne coopérant à une ou plusieurs initiatives de la politique flamande de santé préventive, dans le cadre ou non d'un groupement monodisciplinaire ou multidisciplinaire, et qui peut être reconnue ou subventionnée à cette fin par le Gouvernement flamand;]4
18° initiative : une décision prise en exécution de la politique de santé préventive, qui a un caractère réglementaire ou non;
19° Logo : un groupement, reconnu par le Gouvernement flamand, de concertation et organisation de santé loco-régionales dans une aire géographique d'un seul tenant;
[5 19° /1 expert écologique médical : un collaborateur d'un Logo possédant une expertise en écologie médicale, qui est chargé de tâches relatives à la santé environnementale et qui remplit ainsi la fonction de première ligne d'expert écologique médical dans le cadre de la politique de santé préventive en matière de santé environnementale ;]5
20° usage de substances : l'usage légal ou non de substances psychotropes pouvant compromettre la santé;
[5 20° /1 zone d'attention de santé environnementale : une zone délimitée dans le temps et l'espace dans laquelle les facteurs biotiques, chimiques, physiques, spatiaux ou matériels présents forment un risque plus élevé pour la santé de l'homme que dans d'autres zones au sein de l'Union européenne présentant des caractéristiques similaires ;
20° /2 santé environnementale : la partie de la politique de santé préventive qui, par une approche multidisciplinaire, avec au moins les disciplines scientifiques de médecine, toxicologie, épidémiologie, soins de santé, technologie environnementale et science de l'environnement, mise sur la prévention, la détection précoce et l'intervention de dommages pour la santé environnementale ; ]5

21° trouble du développement : une perturbation de l'acquisition de capacités motrices, sociales ou cognitives;
[6 21° /1 Grandir Régie : l'agence créée par le décret du 30 avril 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique Grandir Régie (" Opgroeien Regie ") ;]6
22° organisation oeuvrant sur le terrain : [4 une organisation reconnue de plein droit, une organisation reconnue ou reconnue et subventionnée par le Gouvernement flamand ou une organisation qui est subventionnée par le biais d'un contrat de gestion]4 , qui exécute les missions, applique les méthodologies [1 ou fournit des services]1 sur le terrain, en ce qui concerne les soins de santé préventifs;
23° organisation partenaire : une organisation dotée de la personnalité juridique qui fait fonction de noyau au sein d'un réseau d'expertise, et [4 qui est reconnue de plein droit et subventionnée, reconnue par le Gouvernement flamand ou reconnue et subventionnée, ou qui est subventionnée par le biais d'un contrat de gestion;]4 en raison d'au moins une des compétences suivantes :
a) l'expertise portant sur le contenu de la prévention des maladies;
b) l'expertise portant sur le contenu de la promotion de la santé;
c) la fourniture de données en matière de soins de santé;
[6 23° /1 médicament préventif : un médicament qui vise à prévenir une maladie ou une affection causée par un facteur biotique spécifique et qui est repris dans la liste visée à l'article 43, § 5 ;]6
24° soins de santé préventifs : la partie des soins de santé qui comprend des mesures et actions visant à promouvoir, protéger ou maintenir la santé;
25° santé sexuelle : bien-être physique, mental et social lié à des relations physiques intimes;
26° milieu social : la réalité interrelationnelle et psychosociale dans laquelle se situe l'homme;
27° [5 ...]5
28° gestion du stress : méthode visant à enlever ou limiter le stress et/ou à apprendre à gérer le stress;
29° [5 [6 personne qui administre le médicament : un professionnel des soins de santé visé à l'article 2, 2°, de la loi du 22 avril 2019 relative à la qualité de la pratique des soins de santé, habilité par l'autorité compétente à administrer un médicament préventif ;]6 ]5;
30° facteurs acquis : caractéristiques biologiques développées au cours de la vie, qui peuvent faire fonction d'indicateur pour l'état de santé;
31° Conseil consultatif flamand pour l'agrément des établissements de soins : l'organe consultatif créé par le décret du 20 décembre 1996 portant création d'un Conseil flamand de la Santé et d'un Conseil consultatif flamand pour l'agrément des établissements de soins, modifié par le décret du 18 mai 1999;
32° Objectif de santé flamand : un objectif à poursuivre dans le domaine de la santé, qui est temporel, mesurable, réalisable et socialement acceptable et qui est approuvé par le Parlement flamand à l'initiative du Gouvernement flamand;
33° [3 Conseil consultatif stratégique pour la Politique de l'Aide sociale, de la Santé et de la Famille : le conseil consultatif stratégique, visé à l'article 3 du décret du 7 décembre 2007 portant création du Conseil consultatif stratégique pour la Politique flamande de l'Aide sociale, de la Santé et de la Famille et d'une Commission consultative pour les Structures de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille;]3
34° prévention des maladies : méthode de prévention utilisée dans le cadre de la politique de santé préventive, qui vise à promouvoir, protéger ou maintenir la santé par :
a) la prévention de l'apparition de certaines maladies ou affections, en éliminant ou limitant les sources de danger ou les facteurs de risque pour la santé, ou en renforçant les facteurs protecteurs;
b) [4 la limitation des dommages à la santé causés par des maladies ou affections, ou l'accroissement des chances de guérison par le dépistage en temps utile ou l'intervention précoce des maladies ou affections ou la prédisposition à celles-ci;]4
35° Centre d'Encadrement des Elèves : un centre tel que visé dans le décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves;
36° situation défavorisée : une situation durable qui réduit les chances de l'homme, aux niveaux matériel et immatériel, à participer suffisamment aux biens à haute valeur sociale tels que l'enseignement, le travail et le logement.
Art. 2 TOEKOMSTIG RECHT. Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder :
1° administratie : de administratie van de diensten van de Vlaamse regering, bevoegd voor de gezondheidszorg;
[4 bevolkingsonderzoek: een geheel van acties met betrekking tot een onderzoek naar een ziekte of aandoening of naar risicofactoren, voorstadia of verwikkelingen ervan, aangeboden aan een groep personen. Dat onderzoek gebeurt niet naar aanleiding van gezondheidsklachten van individuele personen die uit eigen beweging worden geformuleerd, en die verband houden met de opgespoorde ziekte of aandoening of de risicofactoren, voorstadia of verwikkelingen ervan;]4
3° biotische factoren :
a) micro-organismen, met inbegrip van de genetisch gemodificeerde, zijnde al dan niet cellulaire microbiologische entiteiten, met het vermogen tot replicatie of overdracht van genetisch materiaal;
b) celculturen, zijnde resultaten van het in vitro kweken van cellen, afkomstig van meercellige organismen;
c) menselijke endoparasieten;
d) allergenen van biologische oorsprong;
e) andere biologische organismen die potentieel schade kunnen toebrengen aan de menselijke gezondheid;
4° biomonitoring : het systematisch bepalen in levende organismen, waaronder de mens, van concentraties van organismevreemde stoffen, hun metabolieten, of van andere indicatoren van blootstelling en/of effect, om het schadelijke effect op de mens van fysische of chemische factoren te kunnen evalueren;
5° chemische factoren : scheikundige stoffen die potentieel schadelijk zijn voor de gezondheid van de mens door hun toxische, mutagene, carcinogene, traumatogene, teratogene, caustische, allergene eigenschappen, en/of door een combinatie van deze eigenschappen;
6° collectieve gezondheidsovereenkomst : een overeenkomst tussen de Vlaamse regering en een organisatie die een bijdrage kan leveren aan het preventieve gezondheidsbeleid, waarin de organisatie een inspanningsverbintenis onderschrijft om een of meer Vlaamse gezondheidsdoelstellingen of andere aspecten van het preventieve gezondheidsbeleid mee te helpen nastreven door haar leden of de doelgroep tot wie ze zich richt hierover te informeren, te sensibiliseren en aan te zetten tot gezond gedrag;
7° determinant van gezondheid : een factor die de mate van gezondheid van individuen of populaties mee bepaalt, hierna determinant te noemen;
8° duurzame ontwikkeling : maatschappelijke ontwikkeling die niet enkel rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie, maar ook met die van toekomstige generaties;
9° facettenbeleid : beleid dat buiten het domein van de gezondheidszorg valt en bijdraagt tot het bevorderen, beschermen of behouden van gezondheid;
10° fysische factoren : natuurkundige verschijnselen die potentieel schadelijk zijn voor de gezondheid van de mens door hun akoestische, mechanische, thermische of elektromagnetische eigenschappen, met uitzondering van ioniserende straling;
11° gezondheid : toestand van lichamelijk, geestelijk en sociaal welbevinden bij de mens;
12° gezondheidsbevordering : preventiemethode, gebruikt binnen het preventieve gezondheidsbeleid, die tot doel heeft de gezondheid te bevorderen, te beschermen of te behouden door die processen te ondersteunen die individuen en groepen in staat stellen om de determinanten van hun gezondheid positief te beïnvloeden;
13° gezondheidsconferentie : bijeenkomst van personen op initiatief van de Vlaamse regering met als doel het uitwisselen van inzichten, gegevens en ervaringen om te komen tot een voorstel van een nieuwe of te herziene Vlaamse gezondheidsdoelstelling of om andere opdrachten te vervullen met betrekking tot het preventieve gezondheidsbeleid;
14° gezondheidsindicator : een kwantitatieve aanduiding van de gezondheid van de bevolking of van een aanwijsbaar deel ervan;
15° gezondheidswinst : het positieve resultaat van een systematisch en algemeen aanvaard meetproces aan de hand van parameters die gerelateerd zijn aan de levensduur en de levenskwaliteit van een bepaalde bevolking;
16° grenswaarde in de mens voor fysische of chemische factoren : de drempelwaarde in de mens van een lichaamsvreemde factor of de drempelwaarde in de mens van metabolieten van deze factor of van andere indicatoren van blootstelling en/of effect, die, bij overschrijding, een maatschappelijk onaanvaardbare graad van gezondheidsbedreiging met zich meebrengt voor de bevolking als geheel of voor bepaalde risicogroepen, hierna grenswaarde in de mens te noemen;
17° [4 individuele zorgaanbieder: een persoon die meewerkt aan een of meer initiatieven van het Vlaamse preventieve gezondheidsbeleid, al dan niet in een mono- of multidisciplinair samenwerkingsverband, en die daarvoor erkend of gesubsidieerd kan worden door de Vlaamse Regering;]4
18° initiatief : een beslissing die genomen wordt ter uitvoering van het preventieve gezondheidsbeleid, met een al dan niet regelgevend karakter;
19° Logo : een door de Vlaamse regering erkend samenwerkingsverband voor loco-regionaal gezondheidsoverleg en -organisatie binnen een geografisch aaneengesloten gebied;
20° middelengebruik : het al dan niet legale gebruik van psychotrope stoffen die gezondheidsschade kunnen veroorzaken;
21° ontwikkelingsstoornis : een verstoring in het verwerven van motorische, sociale of cognitieve vaardigheden;
22° organisatie met terreinwerking : [4 een van rechtswege erkende organisatie, een door de Vlaamse Regering erkende of erkende en gesubsidieerde organisatie, of een organisatie die gesubsidieerd wordt via een beheersovereenkomst]4 , die op het terrein de opdrachten uitvoert, de methodieken toepast [1 of de diensten levert]1 met betrekking tot de preventieve gezondheidszorg;
23° partnerorganisatie : een organisatie met rechtspersoonlijkheid die als een kern binnen een expertisenetwerk fungeert en [4 die van rechtswege erkend en gesubsidieerd is, door de Vlaamse Regering erkend of erkend en gesubsidieerd wordt, of gesubsidieerd wordt via een beheersovereenkomst,]4 vanwege minstens een van de hiernavolgende competenties :
a) de inhoudelijke deskundigheid in verband met ziektepreventie;
b) de inhoudelijke deskundigheid in verband met gezondheidsbevordering;
c) het verstrekken van gegevens inzake gezondheidszorg;
24° preventieve gezondheidszorg : het deel van de gezondheidszorg dat maatregelen en acties omvat die tot doel hebben de gezondheid te bevorderen, te beschermen of te behouden;
25° seksuele gezondheid : aan intieme lichamelijke relaties verbonden lichamelijk, geestelijk en sociaal welbevinden;
26° sociale omgeving : de interrelationele en psychosociale realiteit waarbinnen de mens zich situeert;
27° streefwaarde voor fysische en chemische factoren : waarde die richtinggevend is voor een milieukwaliteitsniveau dat afgestemd is op een duurzame ontwikkeling, hierna streefwaarde te noemen;
28° stresshantering : methode die gericht is op het wegnemen of beperken van stress en/of op het leren omgaan met stress;
29° vaccinator : een arts of een verpleegkundige onder toezicht van een arts, die inentingen toedient die beschikbaar gesteld worden via de Vlaamse Gemeenschap;
30° verworven factoren : biologische eigenschappen die in de loop van het leven opgebouwd zijn en als indicator voor de gezondheidstoestand kunnen fungeren;
31° [2 Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin : de commissie, vermeld in artikel 12 van het decreet van 7 december 2007 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;]2
32° Vlaamse gezondheidsdoelstelling : een op het vlak van gezondheid na te streven, tijdsgebonden, meetbare, haalbare en maatschappelijk aanvaardbare doelstelling, die op initiatief van de Vlaamse regering wordt goedgekeurd door het Vlaams Parlement;
33° [3 Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid : de strategische adviesraad, vermeld in artikel 3 van het decreet van 7 december 2007 houdende de oprichting van een Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;]3
34° ziektepreventie : preventiemethode die gebruikt wordt binnen het preventieve gezondheidsbeleid en die tot doel heeft de gezondheid te bevorderen, te beschermen of te behouden door :
a) het optreden van welbepaalde ziekten of aandoeningen te voorkomen en dit door bronnen van gevaar of bedreigende factoren voor de gezondheid weg te nemen of te beperken of door beschermende factoren te versterken;
b) [4 de gezondheidsschade door ziekten of aandoeningen te beperken of de genezingskans te vergroten door tijdige detectie van of vroege interventie bij ziekten, aandoeningen of de aanleg of het verhoogde risico ervoor;]4
35° Centrum voor Leerlingenbegeleiding : een centrum zoals bedoeld in het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding;
36° kansarmoede : een duurzame toestand waarbij mensen zowel materieel als immaterieel worden beknot in hun kansen om voldoende deel te hebben aan maatschappelijk hooggewaarde goederen zoals onderwijs, arbeid en huisvesting.
Art. 2 DROIT FUTUR. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
1° administration : l'administration des services du Gouvernement flamand, compétente pour les soins de santé;
[4 dépistage de population : un ensemble d'actions relatif à un dépistage d'une maladie ou d'une affection ou des facteurs à risque, de ses stades préliminaires ou ses complications, offert à un groupe de personnes. Ce dépistage n'a pas lieu à l'occasion de plaintes de santé de personnes individuelles formulées de leur propre initiative et qui sont liées à la maladie ou l'affection ou à ses facteurs à risque, stades préliminaires ou complications;]4
3° facteurs biotiques :
a) micro-organismes, y compris les entités microbiologiques génétiquement modifiées, cellulaires ou non cellulaires, ayant la capacité de se répliquer ou de transmettre du matériel génétique;
b) cultures cellulaires, à savoir les résultats de la culture in vitro de cellules provenant d'organismes pluricellulaires;
c) endoparasites humains;
d) allergènes d'origine biologique;
e) autres organismes biologiques pouvant potentiellement nuire à la santé humaine;
4° surveillance biologique : la détermination systématique dans des organismes vivants, dont l'homme, de concentrations de substances étrangères à l'organisme, de leurs métabolites, ou d'autres indicateurs d'exposition et/ou d'effet, afin de pouvoir évaluer l'effet nocif pour l'homme de facteurs physiques ou chimiques;
5° facteurs chimiques : substances chimiques qui pourraient nuire à la santé de l'homme à cause de leur caractéristiques toxiques, mutagènes, carcinogènes, traumatogènes, tératogènes, caustiques, allergènes, et/ou d'une combinaison de ces caractéristiques;
6° convention de santé collective : une convention entre le Gouvernement flamand et une organisation qui peut contribuer à la politique de santé préventive, dans laquelle l'organisation souscrit un engagement d'effort afin d'aider à poursuivre un ou plusieurs objectifs de santé flamands ou d'autres aspects de la politique de santé préventive, en informant et sensibilisant ses membres ou le groupe cible auquel elle s'adresse, et en les incitant à un comportement sain;
7° déterminant de santé : un facteur co-déterminant le degré de santé d'individus ou de populations, ci-après dénommé déterminant;
8° développement durable : développement social qui ne tient non seulement compte des besoins de la génération actuelle, mais également de ceux des générations futures;
9° politique à facettes : politique qui ne relève pas du domaine des soins de santé et qui contribue à promouvoir, protéger ou maintenir la santé;
10° facteurs physiques : phénomènes physiques qui pourraient nuire à la santé de l'homme à cause de leurs caractéristiques acoustiques, mécaniques, thermiques ou électromagnétiques, à l'exception des rayonnements ionisants;
11° santé : l'état de bien-être physique, psychique et social de l'homme;
12° promotion de la santé : méthode de prévention, utilisée dans le cadre de la politique de santé préventive, qui vise à promouvoir, protéger ou maintenir la santé en supportant ces processus qui permettent aux individus et aux groupes d'influencer positivement les déterminants de leur santé;
13° conférence de santé : réunion de personnes sur l'initiative du Gouvernement flamand, qui vise à échanger des idées, données et expériences afin de parvenir à une proposition d'un objectif de santé flamand nouveau ou à revoir, ou d'accomplir d'autres missions relatives à la politique de santé préventive;
14° indicateur de santé : une indication quantitative de la santé de la population ou d'une partie démontrable de la population;
15° gain de santé : le résultat positif d'un processus de mesure systématique et généralement accepté, à l'aide de paramètres reliés à la durée et la qualité de vie d'une certaine population;
16° valeur limite dans l'homme pour des facteurs physiques ou chimiques : le seuil dans l'homme d'un facteur étranger au corps ou le seuil dans l'homme de métabolites de ce facteur ou d'autres indicateurs d'exposition et/ou d'effet qui, en cas de dépassement, entraîne un degré de menace pour la santé, qui est inacceptable au niveau social, pour l'ensemble de la population ou pour certains groupes à risques, ci-après dénommée valeur limite dans l'homme;
17° [4 prestataire de soins individuel : une personne coopérant à une ou plusieurs initiatives de la politique flamande de santé préventive, dans le cadre ou non d'un groupement monodisciplinaire ou multidisciplinaire, et qui peut être reconnue ou subventionnée à cette fin par le Gouvernement flamand ;]4
18° initiative : une décision prise en exécution de la politique de santé préventive, qui a un caractère réglementaire ou non;
19° Logo : un groupement, reconnu par le Gouvernement flamand, de concertation et organisation de santé loco-régionales dans une aire géographique d'un seul tenant;
20° usage de substances : l'usage légal ou non de substances psychotropes pouvant compromettre la santé;
21° trouble du développement : une perturbation de l'acquisition de capacités motrices, sociales ou cognitives;
22° organisation oeuvrant sur le terrain : [4 une organisation reconnue de plein droit, une organisation reconnue ou reconnue et subventionnée par le Gouvernement flamand ou une organisation qui est subventionnée par le biais d'un contrat de gestion]4 , qui exécute les missions, applique les méthodologies [1 ou fournit des services]1 sur le terrain, en ce qui concerne les soins de santé préventifs;
23° organisation partenaire : une organisation dotée de la personnalité juridique qui fait fonction de noyau au sein d'un réseau d'expertise, et [4 qui est reconnue de plein droit et subventionnée, reconnue par le Gouvernement flamand ou reconnue et subventionnée, ou qui est subventionnée par le biais d'un contrat de gestion;]4 en raison d'au moins une des compétences suivantes :
a) l'expertise portant sur le contenu de la prévention des maladies;
b) l'expertise portant sur le contenu de la promotion de la santé;
c) la fourniture de données en matière de soins de santé;
24° soins de santé préventifs : la partie des soins de santé qui comprend des mesures et actions visant à promouvoir, protéger ou maintenir la santé;
25° santé sexuelle : bien-être physique, mental et social lié à des relations physiques intimes;
26° milieu social : la réalité interrelationnelle et psychosociale dans laquelle se situe l'homme;
27° valeur cible pour des facteurs physiques et chimiques : valeur indiquant un niveau de qualité environnementale adapté à un développement durable, ci-après dénommée valeur cible;
28° gestion du stress : méthode visant à enlever ou limiter le stress et/ou à apprendre à gérer le stress;
29° vaccinateur : un médecin ou un infirmier sous le contrôle d'un médecin, qui administre les vaccins mis à disposition par l'intermédiaire de la Communauté flamande;
30° facteurs acquis : caractéristiques biologiques développées au cours de la vie, qui peuvent faire fonction d'indicateur pour l'état de santé;
31° [2 Commission consultative pour les Structures de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille : la commission visée à l'article 12 du décret du 7 décembre 2007 portant création du Conseil consultatif stratégique pour la Politique flamande de l'Aide sociale, de la Santé et de la Famille et d'une Commission consultative pour les Structures de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille;]2
32° Objectif de santé flamand : un objectif à poursuivre dans le domaine de la santé, qui est temporel, mesurable, réalisable et socialement acceptable et qui est approuvé par le Parlement flamand à l'initiative du Gouvernement flamand;
33° [3 Conseil consultatif stratégique pour la Politique de l'Aide sociale, de la Santé et de la Famille : le conseil consultatif stratégique, visé à l'article 3 du décret du 7 décembre 2007 portant création du Conseil consultatif stratégique pour la Politique flamande de l'Aide sociale, de la Santé et de la Famille et d'une Commission consultative pour les Structures de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille;]3
34° prévention des maladies : méthode de prévention utilisée dans le cadre de la politique de santé préventive, qui vise à promouvoir, protéger ou maintenir la santé par :
a) la prévention de l'apparition de certaines maladies ou affections, en éliminant ou limitant les sources de danger ou les facteurs de risque pour la santé, ou en renforçant les facteurs protecteurs;
b) [4 la limitation des dommages à la santé causés par des maladies ou affections, ou l'accroissement des chances de guérison par le dépistage en temps utile ou l'intervention précoce des maladies ou affections ou la prédisposition à celles-ci;]4
35° Centre d'Encadrement des Elèves : un centre tel que visé dans le décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves;
36° situation défavorisée : une situation durable qui réduit les chances de l'homme, aux niveaux matériel et immatériel, à participer suffisamment aux biens à haute valeur sociale tels que l'enseignement, le travail et le logement.
TITEL II. - Opdrachten en verantwoordelijkheden.
TITRE II. - Missions et responsabilités.
HOOFDSTUK I. - Opdrachten.
CHAPITRE Ier. - Missions.
Art. 3. Dit decreet beoogt een verbetering van de volksgezondheid, meer bepaald het behalen van gezondheidswinst op Vlaams bevolkingsniveau [1 of het verhogen van de efficiëntie van het gezondheidsbeleid]1, om zo te kunnen bijdragen tot een verhoging van de levenskwaliteit.
Hiertoe voert de Vlaamse regering een beleid inzake preventieve gezondheidszorg en legt ze de basis voor een facettenbeleid. Beide aspecten samen vormen het Vlaamse preventieve gezondheidsbeleid.
Art. 3. Le présent décret vise une amélioration de la santé publique, notamment la réalisation d'un gain de santé [1 ou l'augmentation de l'efficacité de la politique de santé]1 au niveau de la population flamande, afin de pouvoir contribuer à une augmentation de la qualité de vie.
A cette fin, le Gouvernement flamand mène une politique en matière de soins de santé préventifs et jette les bases d'une politique à facettes. Les deux aspects ensemble constituent la politique de santé préventive flamande.
Art. 4. § 1. Het beleid inzake preventieve gezondheidszorg omvat het nemen van initiatieven die zich richten op :
a) exogene determinanten van gezondheid en exogene bronnen van gevaar of bedreigende factoren voor de gezondheid;
b) endogene determinanten van gezondheid en endogene bronnen van gevaar of bedreigende factoren voor de gezondheid;
c) ziekten en aandoeningen die zich in een voor- of beginstadium bevinden.
§ 2. Het facettenbeleid omvat het nemen van initiatieven die buiten het domein van de gezondheidszorg vallen en die zich richten op exogene determinanten van gezondheid en exogene bronnen van gevaar of bedreigende factoren voor de gezondheid.
De gewestaangelegenheid, bedoeld in artikel 1, heeft enkel betrekking op bepaalde aspecten van het facettenbeleid in het Vlaamse Gewest, met name op de initiatieven met betrekking tot fysische of chemische factoren, zoals bedoeld in de artikelen 51 tot en met 55, en met betrekking tot ruimtelijke en materiële factoren, zoals bedoeld in artikel 56.
Het facettenbeleid omvat geen initiatieven die vallen onder de bevoegdheden van de federale overheid.
Art. 4. § 1er. La politique en matière de soins de santé préventifs comporte la prise d'initiatives qui visent :
a) les déterminants exogènes de santé et les sources de danger ou facteurs de risque exogènes pour la santé;
b) les déterminants endogènes de santé et les sources de danger ou facteurs de risque endogènes pour la santé;
c) les maladies et affections qui se trouvent dans un stade préliminaire ou initial.
§ 2. La politique à facettes comprend la prise d'initiatives qui ne relèvent pas du domaine des soins de santé et qui visent les déterminants exogènes de santé et des sources de danger ou facteurs de risque exogènes pour la santé.
La matière régionale visée à l'article 1er concerne uniquement certains aspects de la politique à facettes dans la Région flamande, notamment les initiatives relatives aux facteurs physiques ou chimiques, tels que visés aux articles 51 à 55 inclus, et aux facteurs spatiaux et matériels, tels que visés à l'article 56.
La politique à facettes ne comprend pas d'initiatives qui relèvent des compétences de l'autorité fédérale.
Art. 5. De initiatieven om de gezondheid te bevorderen, te beschermen of te behouden, bedoeld in artikel 4, worden gerealiseerd door gezondheidsbevordering en/of ziektepreventie.
Art. 5. Les initiatives visant à promouvoir, protéger ou maintenir la santé, visées à l'article 4, sont réalisées par la promotion de la santé et/ou la prévention des maladies.
Art. 6. De Vlaamse regering kan zich richten tot specifieke bevolkingsgroepen, waaronder personen of groepen van personen die behoren tot een bepaalde leeftijdscategorie [1 , die]1 zich bevinden in een bepaalde ontwikkelingsfase [1 of die in een milieugezondheidskundig aandachtsgebied verblijven,]1 met als doel :
a) het beter bereiken van groepen die gekenmerkt worden door een bijzondere kwetsbaarheid;
b) het beter rekening kunnen houden met de evolutieve en dynamische aspecten van het menszijn;
c) het verbeteren van de uitvoerbaarheid van de initiatieven, bedoeld in artikel 5.
Art. 6. Le Gouvernement flamand peut s'adresser à des groupes de population spécifiques, dont des personnes ou groupes de personnes qui appartiennent à une catégorie d'âge déterminée [1 , qui ]1 se trouvent dans une phase de développement déterminée, [1 ou qui résident dans une zone d'attention de santé environnementale,]1 dans le but :
a) de mieux atteindre les groupes caractérisés par une vulnérabilité particulière;
b) de mieux pouvoir tenir compte des aspects évolutifs et dynamiques de la condition humaine;
c) d'améliorer la faisabilité des initiatives visées à l'article 5.
Art. 7. § 1. De Vlaamse regering besteedt bijzondere aandacht aan :
a) bevolkingsgroepen die kampen met kansarmoede;
b) bevolkingsgroepen die in een grotere mate zijn blootgesteld aan bedreigingen van hun gezondheid;
c) de toegankelijkheid van het aanbod in de preventieve gezondheidszorg.
§ 2. Alle organisaties die gesubsidieerd worden door de Vlaamse regering voor taken van preventieve gezondheidszorg, zijn ertoe gehouden om bij de uitvoering van hun opdracht rekening te houden met de aandachtspunten, bedoeld in § 1.
Art. 7. § 1er. Le Gouvernement flamand accorde une attention particulière :
a) aux groupes de population défavorisés;
b) aux groupes de population dont l'exposition aux menaces de leur santé est plus grande;
c) à l'accessibilité de l'offre en matière de soins de santé préventifs.
§ 2. Toutes les organisations subventionnées par le Gouvernement flamand pour des tâches en matière de soins de santé préventifs, sont tenues de tenir compte des points d'attention visés au § 1er, lors de l'accomplissement de leur mission.
HOOFDSTUK II. - Verantwoordelijkheden.
CHAPITRE II. - Responsabilités.
Afdeling I. - Individuele verantwoordelijkheid.
Section Ire. - Responsabilité individuelle.
Art. 8. Iedere persoon heeft, binnen het toepassingsgebied van dit decreet, een individuele verantwoordelijkheid ten opzichte van zijn eigen gezondheid en, door de daden die hij vrijwillig en bewust stelt of nalaat te stellen, ook ten opzichte van de gezondheid van zijn medemens. Deze verantwoordelijkheid omvat het in acht nemen van veiligheidsvoorschriften, het aannemen van een gezonde leefstijl en het nemen van andere voorzorgsmaatregelen die haalbaar en doeltreffend zijn om ziekten en aandoeningen bij de mens te voorkomen.
Art. 8. Dans le cadre du champ d'application du présent décret, toute personne a une responsabilité individuelle par rapport à sa propre santé et, par les actes qu'elle pose ou manque de poser volontairement et consciemment, également par rapport à la santé de son prochain. Cette responsabilité comprend la prise en considération des prescriptions de sécurité, l'adoption d'un style de vie sain et la prise d'autres mesures de précaution réalisables et efficaces dans le but de prévenir des maladies et affections chez l'homme.
Afdeling II. - Verantwoordelijkheden van de Vlaamse regering.
Section II. - Responsabilités du Gouvernement flamand.
Art. 9. § 1. Onverminderd de individuele verantwoordelijkheid heeft iedere persoon recht op een maatschappelijk aanvaard aanbod van preventieve gezondheidszorg, als hij :
1° verblijft in het Vlaamse Gewest of in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad en in het Vlaamse Gewest een beroep doet op partnerorganisaties, organisaties met terreinwerking of individuele zorgaanbieders die preventieve gezondheidszorg aanbieden;
2° a) verblijft in het Vlaamse Gewest of in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad en in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad een beroep doet op de partnerorganisaties of organisaties met terreinwerking die preventieve gezondheidszorg aanbieden en door hun organisatie beschouwd moeten worden als uitsluitend ressorterend onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap;
b) verblijft in het Vlaamse Gewest of in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad en in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad beroep doet op individuele zorgaanbieders die voor hun aanbod op het vlak van preventieve gezondheidszorg op vrijwillige basis zijn toegetreden tot een verband dat zelf georganiseerd is op een zodanige wijze dat blijk gegeven wordt van een band met de Vlaamse Gemeenschap;
§ 2. Het recht op een maatschappelijk aanvaard aanbod van preventieve gezondheidszorg, bedoeld in § 1, wordt echter niet ontnomen aan personen die hun individuele verantwoordelijkheid, bepaald in artikel 8, niet of onvoldoende opnemen of hebben opgenomen.
Art. 9. § 1er. Sans préjudice de la responsabilité individuelle, chaque personne a droit à une offre de soins de santé préventifs socialement acceptée, lorsqu'elle :
1° réside en Région flamande ou en Région bilingue de Bruxelles-Capitale, et fait appel, en Région flamande, à des organisations partenaires, des organisations oeuvrant sur le terrain ou des prestataires de soins individuels qui offrent des soins de santé préventifs;
2° a) réside en Région flamande ou en Région bilingue de Bruxelles-Capitale et fait appel, en Région bilingue de Bruxelles-Capitale, aux organisations partenaires ou organisations oeuvrant sur le terrain qui offrent des soins de santé préventifs et qui, de par leur organisation, doivent être considérées comme relevant exclusivement de la compétence de la Communauté flamande;
b) réside en Région flamande ou en Région bilingue de Bruxelles-Capitale et fait appel, en Région bilingue de Bruxelles-Capitale, à des prestataires de soins individuels qui, pour leur offre en matière de soins de santé préventifs, se sont affiliés à un groupement qui est organisé lui-même de telle façon qu'il témoigne d'un lien avec la Communauté flamande;
§ 2. Les personnes qui n'assument pas ou insuffisamment ou n'ont pas ou insuffisamment assumé leur responsabilité individuelle déterminée à l'article 8, ne sont toutefois pas privées du droit à une offre de soins de santé préventifs socialement acceptée, visée au § 1er.
Art. 10. § 1. Bepaalde categorieën van personen die zich bevinden, maar niet officieel verblijven, op het grondgebied van het Vlaamse Gewest, kunnen in het Vlaams Gewest een recht doen gelden op een beperkt aanbod van preventieve gezondheidszorg, dat verstrekt wordt door een partnerorganisatie, een organisatie met terreinwerking of een individuele zorgverstrekker.
De Vlaamse regering bepaalt het aanbod van preventieve gezondheidszorg en de categorieën van personen die hiervoor in aanmerking komen.
§ 2. Bepaalde categorieën van personen die zich bevinden, maar niet officieel verblijven, op het grondgebied van het tweetalig gebied Brussel Hoofdstad kunnen in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad een recht doen gelden op :
a) een beperkt aanbod van preventieve gezondheidszorg, dat verstrekt wordt door een voorziening die wegens haar organisatie beschouwd moet worden als uitsluitend ressorterend onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap;
b) een beperkt aanbod van preventieve gezondheidszorg, dat verstrekt wordt door een individuele zorgaanbieder die op vrijwillige basis is toegetreden tot een verband dat zelf georganiseerd is op een zodanige wijze dat blijk gegeven wordt van een band met de Vlaamse Gemeenschap.
De Vlaamse regering bepaalt het aanbod van preventieve gezondheidszorg en de categorieën van personen die hiervoor in aanmerking komen.
Art. 10. § 1er. Certaines catégories de personnes qui se trouvent sur le territoire de la Région flamande mais n'y résident pas officiellement, peuvent faire valoir un droit à une offre limitée de soins de santé préventifs, qui sera fournie par une organisation partenaire, une organisation oeuvrant sur le terrain ou un prestataire de soins individuel.
Le Gouvernement flamand fixe l'offre de soins de santé préventifs et les catégories de personnes qui entrent en ligne de compte.
§ 2. Certaines catégories de personnes qui se trouvent, mais ne résident pas officiellement sur le territoire de la Région bilingue de Bruxelles-Capitale, peuvent faire valoir un droit en Région bilingue de Bruxelles-Capitale :
a) à une offre limitée de soins de santé préventifs, qui est fournie par une structure qui, de par son organisation, doit être considérée comme relevant exclusivement de la compétence de la Communauté flamande;
b) à une offre limitée de soins de santé préventifs, qui est fournie par un prestataire de soins individuel qui s'est affilié volontairement à un groupement qui est organisé lui-même de telle façon qu'il témoigne d'un lien avec la Communauté flamande.
Le Gouvernement flamand fixe l'offre de soins de santé préventifs et les catégories de personnes qui entrent en ligne de compte.
Art. 11. Iedere persoon heeft de verplichting om zich te onderwerpen aan een tussenkomst van preventieve gezondheidszorg die noodzakelijk is om de gezondheid van andere personen niet in gevaar te brengen, als hij :
1° zich bevindt op het grondgebied van het Vlaamse Gewest en deze tussenkomst in het Vlaamse Gewest verstrekt wordt door een partnerorganisatie, een organisatie met terreinwerking of een individuele zorgverstrekker;
2° a) zich bevindt op het grondgebied van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad en deze tussenkomst in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad verstrekt wordt door een voorziening die wegens haar organisatie beschouwd moet worden als uitsluitend ressorterend onder de bevoegdheid van Vlaamse Gemeenschap en voorzover hij op deze voorziening vrijwillig beroep heeft gedaan;
b) zich bevindt op het grondgebied van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad en deze tussenkomst in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad verstrekt wordt door een individuele zorgaanbieder die op vrijwillige basis is toegetreden tot een verband dat zelf georganiseerd is op een zodanige wijze dat blijk gegeven wordt van een band met de Vlaamse Gemeenschap en voor zover de persoon op deze individuele zorgaanbieder vrijwillig beroep heeft gedaan.
Art. 11. Toute personne a l'obligation de se soumettre à une intervention de soins de santé préventifs qui est nécessaire pour ne pas mettre en danger la santé d'autres personnes, lorsqu'elle :
1° se trouve sur le territoire de la Région flamande et cette intervention en Région flamande est fournie par une organisation partenaire, une organisation oeuvrant sur le terrain ou un prestataire de soins individuel;
2° a) se trouve sur le territoire de la Région bilingue de Bruxelles-Capitale et cette intervention en Région bilingue de Bruxelles-Capitale est fournie par une structure qui, de par son organisation, doit être considérée comme relevant exclusivement de la compétence de la Communauté flamande et pour autant qu'elle a volontairement fait appel à cette structure;
b) se trouve sur le territoire de la Région bilingue de Bruxelles-Capitale et cette intervention en Région bilingue de Bruxelles-Capitale est fournie par un prestataire de soins individuel qui s'est affilié volontairement à un groupement qui est organisé lui-même de telle façon qu'il témoigne d'un lien avec la Communauté flamande et pour autant que la personne a volontairement fait appel à ce prestataire de soins individuel.
Art. 12. § 1. Jaarlijks maakt de Vlaamse regering een stand van zaken op aangaande de gezondheidsindicatoren. De Vlaamse regering neemt de nodige initiatieven om die gegevens publiek te maken.
§ 2. Minstens om de vijf jaar maakt de Vlaamse regering, op basis van een wetenschappelijk verantwoorde onderbouwing, de belangrijkste gezondheidsindicatoren en de evolutie ervan, evenals de stand van zaken aangaande de Vlaamse gezondheidsdoelstellingen, kenbaar aan het Vlaams Parlement.
Art. 12. § 1er. Chaque année, le Gouvernement flamand fait le point des indicateurs de santé. Le Gouvernement flamand prend les initiatives nécessaires pour rendre ces données publiques.
§ 2. Au moins tous les cinq ans, le Gouvernement flamand communique, sur une base scientifique fondée, les indicateurs de santé les plus importants et leur évolution, ainsi que l'état de la situation des objectifs de santé flamands, au Parlement flamand.
TITEL III. - Organisatie.
TITRE III. - Organisation.
HOOFDSTUK I. - Gezondheidsconferentie.
CHAPITRE Ier. - Conférence de santé.
Art. 13. § 1. Voor de ontwikkeling van een voorstel van een nieuwe of te herziene Vlaamse gezondheidsdoelstelling roept de Vlaamse regering een gezondheidsconferentie samen.
§ 2. De Vlaamse regering kan ook een gezondheidsconferentie samenroepen en belasten met andere dan de in § 1 bedoelde opdrachten. Deze opdrachten hebben betrekking op het preventieve gezondheidsbeleid.
Art. 13. § 1er. En vue de l'élaboration d'une proposition d'un objectif de santé flamand nouveau ou à revoir, le Gouvernement flamand convoque une conférence de santé.
§ 2. Le Gouvernement flamand peut également convoquer une conférence de santé et la charger d'autres missions que celles visées au § 1er. Ces missions concernent la politique de santé préventive.
Art. 14. § 1. Elke gezondheidsconferentie wordt samengesteld door de Vlaamse regering.
§ 2. Een gezondheidsconferentie bestaat onder meer uit vertegenwoordigers van de Vlaamse regering, uit inhoudelijke deskundigen, uit vertegenwoordigers van de doelgroepen en uit vertegenwoordigers van de Logo's. Vertegenwoordigers van partnerorganisaties, organisaties met terreinwerking, individuele zorgaanbieders en instanties die gestalte kunnen geven aan het facettenbeleid kunnen deel uitmaken van een gezondheidsconferentie in functie van hun betrokkenheid bij het onderwerp en op basis van hun competenties.
Art. 14. § 1er. Chaque conférence de santé est composée par le Gouvernement flamand.
§ 2. Une conférence de santé se compose entre autres de représentants du Gouvernement flamand, d'experts au niveau du contenu, de représentants des groupes cibles et de représentants des Logos. Des représentants d'organisations partenaires, d'organisations oeuvrant sur le terrain, de prestataires de soins individuels, et d'instances pouvant donner corps à la politique à facettes, peuvent faire partie d'une conférence de santé en fonction de leur association au sujet et sur la base de leurs compétences.
Art. 15. Ter voorbereiding van een gezondheidsconferentie en voor de verdere uitwerking van de voorstellen of conclusies van een gezondheidsconferentie kan de Vlaamse regering werkgroepen oprichten.
Art. 15. En vue de la préparation d'une conférence de santé et de l'élaboration des propositions ou conclusions d'une conférence de santé, le Gouvernement flamand peut créer des groupes de travail.
Art. 16. De Vlaamse regering bepaalt de werkingsmodaliteiten en de eventuele financiering voor de ondersteuning van de gezondheidsconferenties en de werkgroepen, bedoeld in artikel 15.
Art. 16. Le Gouvernement flamand détermine les modalités de fonctionnement et le financement éventuel pour le support des conférences de santé et des groupes de travail, visés à l'article 15.
Art. 17. § 1. De gezondheidsconferentie, bedoeld in artikel 13, § 1, formuleert een voorstel van een nieuwe of te herziene Vlaamse gezondheidsdoelstelling. Dit voorstel bevat :
a) de formulering van de Vlaamse gezondheidsdoelstelling zelf;
b) de nodig geachte preventiestrategieën om de voorgestelde Vlaamse gezondheidsdoelstelling te kunnen realiseren binnen de gestelde termijn en op een zo doelmatig mogelijke wijze;
c) een onderbouwde simulatie van de voor b) nodig geachte middelen, rekening houdend met de al ter beschikking gestelde middelen.
§ 2. De voorstellen van nieuwe of te herziene Vlaamse gezondheidsdoelstellingen, bedoeld in artikel 13, § 1, en de conclusies van de gezondheidsconferentie, bedoeld in artikel 13, § 2, worden voor advies voorgelegd aan [1 de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid]1 .
Art. 17. § 1er. La conférence de santé, visée à l'article 13, § 1er, formule une proposition d'un objectif de santé flamand nouveau ou à revoir. Cette proposition comprend :
a) la formulation de l'objectif de santé flamand même;
b) les stratégies de prévention estimées nécessaires afin de pouvoir réaliser l'objectif de santé flamand proposé dans le délai imposé et de façon aussi efficace que possible;
c) une simulation étayée des moyens estimés nécessaires pour b), en tenant compte des moyens déjà mis à disposition.
§ 2. Les propositions d'objectifs de santé flamands nouveaux ou à revoir, visés à l'article 13, § 1er, et les conclusions de la conférence de santé, visée à l'article 13, § 2, sont soumises pour avis [1 au Conseil consultatif stratégique pour la Politique flamande de l'Aide sociale, de la Santé et de la Famille]1 .
HOOFDSTUK II. - Vlaamse gezondheidsdoelstellingen.
CHAPITRE II. - Objectifs de santé flamands.
Art. 18. § 1. De voorstellen van nieuwe of te herziene Vlaamse gezondheidsdoelstellingen worden, na advies door [1 de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid]1 , voorgelegd aan de Vlaamse regering.
§ 2. De door de Vlaamse regering aanvaarde voorstellen van nieuwe of te herziene Vlaamse gezondheidsdoelstellingen worden ter goedkeuring voorgelegd aan het Vlaams Parlement.
[2 Een goedgekeurde Vlaamse gezondheidsdoelstelling blijft van kracht tot ze wordt herzien of opgeheven door het Vlaams Parlement.]2
Art. 18. § 1er. Les propositions d'objectifs de santé flamands nouveaux ou à revoir sont soumises au Gouvernement flamand après avis [1 du Conseil consultatif stratégique pour la Politique flamande de l'Aide sociale, de la Santé et de la Famille]1 .
§ 2. Les propositions d'objectifs de santé flamands nouveaux ou à revoir qui sont acceptées par le Gouvernement flamand, sont soumises à l'approbation du Parlement flamand.
[2 Un objectif de santé flamand approuvé reste en vigueur jusqu'à ce qu'il soit revu ou abrogé par le Parlement flamand.]2
Art. 19. § 1. Alle organisaties die gesubsidieerd worden door de Vlaamse regering voor taken van preventieve gezondheidszorg, zijn ertoe gehouden hun medewerking te verlenen aan de realisatie van de Vlaamse gezondheidsdoelstellingen.
§ 2. De Vlaamse regering kan instanties die gestalte kunnen geven aan het facettenbeleid betrekken bij de realisatie van de Vlaamse gezondheidsdoelstellingen.
Art. 19. § 1er. Toutes les organisations subventionnées par le Gouvernement flamand pour des missions en matière de soins de santé préventifs, sont tenues à apporter leur collaboration à la réalisation des objectifs de santé flamands.
§ 2. Le Gouvernement flamand peut associer des instances pouvant donner corps à la politique à facettes, à la réalisation des objectifs de santé flamands.
HOOFDSTUK III. - Ondersteunende werkgroepen.
CHAPITRE III. - Groupes de travail d'appui.
Art. 20. § 1. De Vlaamse regering kan ondersteunende werkgroepen oprichten buiten het kader van een gezondheidsconferentie. De taak van een ondersteunende werkgroep heeft betrekking op een welbepaald aspect van het preventieve gezondheidsbeleid.
§ 2. [1 De Vlaamse Regering bepaalt in voorkomend geval de opdracht, de samenstelling, de werkingsmodaliteiten en de financiering van die werkgroepen.]1
Art. 20. § 1er. Le Gouvernement flamand peut créer des groupes de travail d'appui en dehors du cadre d'une conférence de santé. La tâche d'un groupe de travail d'appui concerne un aspect particulier de la politique de santé préventive.
§ 2. [1 Le cas échéant, le Gouvernement flamand détermine la mission, la composition, les modalités de fonctionnement et le financement de ces groupes de travail.]1
HOOFDSTUK IV. - Partnerorganisaties.
CHAPITRE IV. - Organisations partenaires.
Art. 21. [1 § 1. De Vlaamse Regering kan in het kader van haar beleid met betrekking tot preventieve gezondheidszorg, op basis van oproepen voor partnerorganisaties, beheersovereenkomsten sluiten met voorzieningen.
De beheersovereenkomst geldt voor minimaal drie en voor maximaal vijf jaar en omvat minstens het beleidsplan voor de [2 looptijd]2 van de beheersovereenkomst. Het beleidsplan bevat minstens de volgende gegevens : de resultaatgebieden voor de uitvoering van de beheersovereenkomst en de evaluatiecriteria met betrekking tot de resultaatgebieden om onder meer de uitvoering van de beheersovereenkomst te kunnen evalueren.
[2 ...]2
De Vlaamse Regering bepaalt in voorkomend geval de nadere regels met betrekking tot de [4 oproep,]4 het sluiten [4 en het verlengen]4 van een beheersovereenkomst.
§ 2. De Vlaamse Regering kan voorzieningen waarmee geen beheersovereenkomst als partnerorganisatie is gesloten, erkennen als partnerorganisatie.
De Vlaamse Regering bepaalt in voorkomend geval de erkenningsvoorwaarden, de duur van de erkenning en de regels voor het verlenen, schorsen en intrekken van de erkenning.
§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de subsidie en de subsidievoorwaarden van de partnerorganisaties.
§ 4. Paragrafen 1 tot 3 zijn niet van toepassing op het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid [3 Opgroeien regie]3, dat van rechtswege erkend is als partnerorganisatie.]1

§ 5. Organisaties met een erkenning als partnerorganisatie worden niet uitgesloten van een erkenning en/of subsidiëring als organisatie met terreinwerking.
Art. 21. [1 § 1er. Dans le cadre de sa politique en matière de soins de santé préventifs, le Gouvernement flamand peut conclure des contrats de gestion avec des structures, sur la base d'appels aux organisations partenaires.
Le contrat de gestion vaut pour au minimum trois et au maximum cinq ans, et comprend au moins le plan de gestion pour la durée du contrat de gestion. Le plan de gestion comprend au moins les données suivantes : les domaines de performance pour l'exécution du contrat de gestion et les critères d'évaluation relatifs aux domaines de performance afin de pouvoir évaluer entre autres l'exécution du contrat de gestion.
[2 ...]2
Le cas échéant, le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à [4 l'appel,]4 à la conclusion [4 et la prolongation]4 d'un contrat de gestion.
§ 2. Le Gouvernement flamand peut agréer comme organisation partenaire, des structures avec lesquelles aucun contrat de gestion comme organisation partenaire n'est conclu.
Le Gouvernement flamand arrête, le cas échéant, les conditions d'agrément, la durée de l'agrément et les règles pour l'octroi, la suspension et le retrait de l'agrément.
§ 3. Le Gouvernement flamand fixe la subvention et les conditions de subventionnement des organisations partenaires.
§ 4. Les paragraphes 1 à 3 ne s'appliquent pas à l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique [3 " Opgroeien regie "]3, agréée de plein droit comme organisation partenaire.]1

§ 5. Les organisations agréées comme organisation partenaire, ne sont pas exclues d'un agrément et/ou subventionnement comme organisation oeuvrant sur le terrain.
Art. 22. De partnerorganisaties bieden minstens ondersteuning aan de organisaties met terreinwerking en aan de Logo's, indien zij omwille van hun inhoudelijke deskundigheid of hun vermogen inzake het aanleveren van gegevens hiertoe een bijdrage kunnen leveren.
Art. 22. Les organisations partenaires soutiennent au moins les organisations oeuvrant sur le terrain et les Logos, si elles peuvent y contribuer en raison de leur expertise au niveau du contenu ou leur capacité de fournir des données.
HOOFDSTUK V. - Organisaties met terreinwerking.
CHAPITRE V. - Organisations oeuvrant sur le terrain.
Art. 23. [1 § 1. De Vlaamse Regering kan in het kader van haar beleid met betrekking tot preventieve gezondheidszorg, op basis van oproepen voor organisaties met terreinwerking, beheersovereenkomsten sluiten met voorzieningen.
De beheersovereenkomst geldt voor minimaal drie en voor maximaal vijf jaar en omvat minstens het beleidsplan voor de [2 looptijd]2 van de beheersovereenkomst. Het beleidsplan bevat minstens de volgende gegevens : de resultaatgebieden voor de uitvoering van de beheersovereenkomst en de evaluatiecriteria met betrekking tot de resultaatgebieden om onder meer de uitvoering van de beheersovereenkomst te kunnen evalueren.
[2 ...]2
De Vlaamse Regering bepaalt in voorkomend geval de nadere regels met betrekking tot de [3 oproep,]3 het sluiten [3 en het verlengen]3 van een beheersovereenkomst.
§ 2. De Vlaamse Regering kan voorzieningen waarmee geen beheersovereenkomst als organisatie met terreinwerking is gesloten, erkennen als organisatie met terreinwerking.
De Vlaamse Regering bepaalt in voorkomend geval de erkenningsvoorwaarden, de duur van de erkenning en de regels voor het verlenen, schorsen en intrekken van de erkenning.
§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de subsidie en de subsidievoorwaarden van de organisatie met terreinwerking.]1

§ 4. § 1 tot en met § 3, zijn niet van toepassing op de Centra voor Leerlingenbegeleiding, de Consultatiebureaus voor het Jonge Kind en de Preventieve Zorgcentra die van rechtswege erkend zijn als organisaties met terreinwerking.
§ 5. Organisaties met een erkenning en/of subsidiëring als organisatie met terreinwerking worden niet uitgesloten van een erkenning als partnerorganisatie.
Art. 23. [1 § 1er. Dans le cadre de sa politique en matière de soins de santé préventifs, le Gouvernement flamand peut conclure des contrats de gestion avec des structures, sur la base d'appels aux organisations oeuvrant sur le terrain.
Le contrat de gestion vaut pour au minimum trois et au maximum cinq ans, et comprend au moins le plan de gestion pour la durée du contrat de gestion. Le plan de gestion comprend au moins les données suivantes : les domaines de performance pour l'exécution du contrat de gestion et les critères d'évaluation relatifs aux domaines de performance afin de pouvoir évaluer entre autres l'exécution du contrat de gestion.
[2 ...]2
Le cas échéant, le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à [3 l'appel,]3 à la conclusion [3 et la prolongation]3 d'un contrat de gestion.
§ 2. Le Gouvernement flamand peut agréer comme organisation oeuvrant sur le terrain, des structures avec lesquelles aucun contrat de gestion comme organisation oeuvrant sur le terrain n'est conclu.
Le Gouvernement flamand arrête, le cas échéant, les conditions d'agrément, la durée de l'agrément et les règles pour l'octroi, la suspension et le retrait de l'agrément.
§ 3. Le Gouvernement flamand fixe la subvention et les conditions de subventionnement des organisations oeuvrant sur le terrain.]1

§ 4. Les §§ 1er à 3 inclus ne s'appliquent pas aux Centres d'encadrement des élèves, aux Bureaux de consultation pour le jeune enfant et aux Centres de soins préventifs qui sont agréés de plein droit comme organisations oeuvrant sur le terrain.
§ 5. Les organisations agréées et/ou subventionnées comme organisation oeuvrant sur le terrain, ne sont pas exclues d'un agrément comme organisation partenaire.
Art. 24. Organisaties met terreinwerking doen, wanneer zij voor bepaalde opdrachten of delen van opdrachten ondersteuning nodig hebben, een beroep op het aanbod van de partnerorganisaties die omwille van hun inhoudelijke deskundigheid of hun vermogen inzake het aanleveren van gegevens de gevraagde ondersteuning kunnen geven.
Art. 24. Lorsqu'elles ont besoin d'appui pour certaines missions ou parties de missions, les organisations oeuvrant sur le terrain font appel à l'offre des organisations partenaires qui, en raison de leur expertise au niveau du contenu ou leur capacité de fournir des données, peuvent fournir l'appui demandé.
HOOFDSTUK VI. - Individuele zorgaanbieders.
CHAPITRE VI. - Prestataires de soins individuels.
Art. 25. De Vlaamse regering kan individuele zorgaanbieders belasten met of betrekken bij opdrachten inzake preventieve gezondheidszorg.
Hiertoe kan de Vlaamse regering nadere bepalingen uitwerken.
Art. 25. Le Gouvernement flamand peut charger des prestataires de soins individuels de missions en matière de soins de santé préventifs ou les y associer.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités en la matière.
Art. 26. § 1. De Vlaamse regering kan in het kader van opdrachten inzake preventieve gezondheidszorg individuele zorgaanbieders erkennen en/of subsidiëren.
§ 2. De Vlaamse regering bepaalt desgevallend de erkenningsvoorwaarden, de regels inzake de duur van de erkenning, de regels inzake schorsing en intrekking van erkenning en de subsidiëringsvoorwaarden.
Art. 26. § 1er. Dans le cadre de missions en matière de soins de santé préventifs, le Gouvernement flamand peut agréer et/ou subventionner des prestataires de soins individuels.
§ 2. Le cas échéant, le Gouvernement flamand détermine les conditions d'agrément, les règles relatives à la durée de l'agrément, les règles relatives à la suspension et au retrait de l'agrément et les conditions de subventionnement.
HOOFDSTUK VII. - Andere besturen.
CHAPITRE VII. - Autres autorités.
Art. 27. § 1. De Vlaamse regering maakt afspraken met andere betrokken besturen, namelijk :
1° de gemeentelijke overheden of hun vertegenwoordigers;
2° de provinciale overheden of hun vertegenwoordigers;
3° de Vlaamse Gemeenschapscommissie voor het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.
§ 2. De afspraken met andere betrokken besturen hebben betrekking op :
1° de mogelijke samenwerking rond en/of de mogelijke delegatie van bepaalde opdrachten en verantwoordelijkheden met het oog op het ten uitvoer brengen van de initiatieven, bedoeld in artikel 5;
2° de mogelijke coördinatie van het facettenbeleid op het niveau van de in § 1 bedoelde besturen;
3° de mogelijke ondersteuning van de Logo's.
[1 § 3. De Vlaamse Regering kan de besturen, vermeld in paragraaf 1, subsidieren voor de afspraken, vermeld in paragraaf 2. De Vlaamse Regering bepaalt de subsidie en de subsidievoorwaarden en regelt de uitbetaling van de subsidie, de verantwoording voor de subsidie en het toezicht op de aanwending van de subsidie.]1
Art. 27. § 1er. Le Gouvernement flamand conclut des accords avec d'autres autorités associées, à savoir :
1° les autorités communales ou leurs représentants;
2° les autorités provinciales ou leurs représentants;
3° la Commission communautaire flamande pour la région bilingue de Bruxelles-Capitale.
§ 2. Les accords avec d'autres autorités associées concernent :
1° la coopération éventuelle au sujet de et/ou la délégation éventuelle de certaines missions et responsabilités en vue de la réalisation des initiatives visées à l'article 5;
2° la coordination éventuelle de la politique à facettes au niveau des autorités visées au § 1er;
3° l'appui éventuel des Logos.
[1 § 3. Le Gouvernement flamand peut subventionner les administrations, visées au paragraphe 1er, pour les accords, visés au paragraphe 2. Le Gouvernement flamand détermine la subvention et les conditions de subvention, et règle le paiement de la subvention, la justification de la subvention et la surveillance de l'affectation de la subvention]1
HOOFDSTUK VIII. - Logo's.
CHAPITRE VIII. - Logos.
Art. 28. § 1. De Vlaamse regering belast de Logo's met opdrachten inzake het preventieve gezondheidsbeleid.
Hiertoe erkent en subsidieert de Vlaamse regering de Logo's.
§ 2. De Vlaamse regering bepaalt de erkenningsvoorwaarden, de regels inzake de duur van de erkenning, de regels inzake schorsing en intrekking van erkenning.
§ 3. De Vlaamse regering bepaalt de subsidie en werkt nadere regels uit aangaande de wijze van subsidiëring.
Art. 28. § 1er. Le Gouvernement flamand charge les Logos des missions en matière de politique de santé préventive.
A cet effet, les Logos sont agréés et subventionnés par le Gouvernement flamand.
§ 2. Le Gouvernement flamand détermine les conditions d'agrément, les règles relatives à la durée de l'agrément et les règles relatives à la suspension et au retrait de l'agrément.
§ 3. Le Gouvernement flamand détermine la subvention et élabore les modalités relatives au mode de subventionnement.
Art. 29. Ieder Logo heeft een eigen werkgebied dat een geografisch aaneengesloten gebied vormt. Die werkgebieden worden bepaald door de Vlaamse regering.
Alle Logo's samen bestrijken het grondgebied van het Vlaamse Gewest en van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, en dit zonder overlappingen.
Art. 29. Chaque Logo a son propre champ d'activité qui constitue une aire géographique d'un seul tenant. Ces champs d'activité sont déterminés par le Gouvernement flamand.
L'ensemble de tous les Logos couvre le territoire de la Région flamande et de la région bilingue de Bruxelles-Capitale, sans aucun chevauchement.
Art. 30. § 1. Tot de opdrachten van de Logo's behoort minstens het nastreven van de realisatie van de Vlaamse gezondheidsdoelstellingen binnen hun werkgebied.
§ 2. Tot de opdrachten van de Logo's behoort ook het vervullen van andere, nader te bepalen, taken inzake het preventieve gezondheidsbeleid in opdracht van de Vlaamse regering.
§ 3. Een Logo kan, binnen haar werkgebied, ook andere initiatieven nemen inzake het preventieve gezondheidsbeleid.
Het Logo zorgt ervoor dat deze initiatieven de realisatie van de in § 1 en § 2 bedoelde opdrachten niet in het gedrang brengen en niet in strijd zijn met de initiatieven en richtlijnen van de Vlaamse regering.
§ 4. [1 Een Logo doet een beroep op het aanbod van de partnerorganisaties, die door hun inhoudelijke deskundigheid of hun vermogen om gegevens aan te leveren, de gevraagde ondersteuning kunnen geven, als het voor bepaalde opdrachten of delen van opdrachten ondersteuning nodig heeft.
Een Logo werkt voor de realisatie van zijn opdrachten samen met [2 ...]2 organisaties met terreinwerking, individuele zorgaanbieders en andere organisaties of hun plaatselijke of regionale afdeling of afdelingen die werkzaam zijn in het werkgebied van het Logo, voor zover dat bijdraagt tot de realisatie van zijn opdrachten.]1

Art. 30. § 1er. Relève au moins des missions des Logos, la poursuite de la réalisation des objectifs de santé flamands au sein de leur champ d'activité.
§ 2. Relève également des missions des Logos, l'accomplissement d'autres tâches à spécifier en matière de politique de santé préventive pour le compte du Gouvernement flamand.
§ 3. Au sein de son champ d'activité, un Logo peut également prendre d'autres initiatives en matière de politique de santé préventive.
Le Logo veille à ce que ces initiatives n'entravent pas la réalisation des missions visées aux §§ 1er et 2, et ne sont pas contraires aux initiatives et directives du Gouvernement flamand.
§ 4. [1 Lorsqu'il a besoin d'appui pour certaines missions ou parties de missions, un Logo fait appel à l'offre des organisations partenaires qui, en raison de leur expertise au niveau du contenu ou leur capacité de fournir des données, peuvent fournir l'appui demandé.
Pour la réalisation de ses missions, un Logo collabore avec [2 ...]2 des organisations oeuvrant sur le terrain, à des prestataires de soins individuels et à d'autres organisations ou leur division ou divisions locales ou régionales actives dans la zone d'action du Logo, dans la mesure où cela contribue à la réalisation de ses missions.]1

HOOFDSTUK IX. - Bevolkingsonderzoek.
CHAPITRE IX. - Dépistage de population.
Art. 31. § 1. De Vlaamse regering kan initiatieven nemen om te komen tot programmatische bevolkingsonderzoeken. Deze onderzoeken betreffen georganiseerde opsporingsacties in het kader van ziektepreventie.
§ 2. Bevolkingsonderzoeken, in het kader van ziektepreventie, die niet in opdracht van de Vlaamse regering wordt uitgevoerd, vereisen een toestemming van de Vlaamse regering.
Een dergelijke toestemming kan door de Vlaamse regering verleend worden nadat minstens informatie wordt verschaft door de initiatiefnemers over :
1° het doel en de doelgroep van het bevolkingsonderzoek;
2° de wetenschappelijke basis voor het opzetten van het bevolkingsonderzoek;
3° de mogelijke schadelijke gevolgen van het [1 bevolkingsonderzoek]1;
4° de periode waarin het bevolkingsonderzoek is gepland;
5° de beschrijving van het [1 bevolkingsonderzoek]1 en van de ruimten waarin het onderzoek verricht wordt;
6° de communicatie met de te onderzoeken en onderzochte personen over het [1 ...]1 bevolkingsonderzoek;
7° een inschatting van de gezondheidseconomische effecten van het bevolkingsonderzoek;
8° de maatregelen die worden genomen voor de beveiliging van de verzamelde onderzoeksgegevens en voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de onderzochte personen.
§ 3. De Vlaamse regering kan aanvullende regels bepalen inzake het bevolkingsonderzoek.
§ 4. De toestemmingsvereiste, bedoeld in § 2, en de aanvullende regels, bedoeld in § 3, mogen geen afbreuk doen aan de diagnostische en therapeutische vrijheid van de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen in hun individuele relatie met de patiënt die klachten of symptomen heeft. Deze diagnostische en therapeutische vrijheid geldt in de mate dat die door de federale wetgeving is gewaarborgd.
Art. 31. § 1er. Le Gouvernement flamand peut prendre des initiatives pour mettre sur pied des dépistages de population programmatiques. Ces dépistages concernent des actions organisées de dépistage dans le cadre de la prévention des maladies.
§ 2. Les dépistages de population dans le cadre de la prévention des maladies, qui ne sont pas effectués pour le compte du Gouvernement flamand, requièrent l'autorisation du Gouvernement flamand.
Pareille autorisation peut être accordée par le Gouvernement flamand après que les initiateurs fournissent au moins des informations concernant :
1° l'objectif et le groupe cible du dépistage de population;
2° la base scientifique pour l'organisation du dépistage de population;
3° les effets nuisibles possibles du [1 dépistage de population]1;
4° la période dans laquelle le dépistage de population est prévu;
5° la description du [1 dépistage de population]1 et des espaces où le dépistage sera effectué;
6° la communication avec les personnes à examiner et examinées concernant [1 ...]1 et le dépistage de population;
7° une estimation des effets au niveau d'économie de la santé qu'aura le dépistage de population;
8° les mesures prises en vue de la sécurite des données de dépistage collectées et en vue de la protection de la vie privée des personnes examinées.
§ 3. Le Gouvernement flamand peut déterminer des règles complémentaires relatives au dépistage de population.
§ 4. La condition d'autorisation, visée au § 2, et les règles complémentaires, visées au § 3, ne peuvent pas porter atteinte à la liberté diagnostique et thérapeutique des praticiens des professions des soins de santé dans leur relation individuelle avec le patient qui a des plaintes ou des symptômes. Cette liberté diagnostique et thérapeutique vaut dans la mesure où elle est garantie par la législation fédérale.
HOOFDSTUK X. - Gegevensuitwisseling.
CHAPITRE X. - Echange d'informations.
Art. 32. § 1. De continuïteit van de individuele preventieve zorg- en dienstverstrekking moet verzekerd worden, onder andere door de uitwisseling van gegevens die betrekking hebben op het zorgaanbod, tussen partnerorganisaties, organisaties met terreinwerking en individuele zorgaanbieders onderling. Deze gegevensuitwisseling is noodzakelijk voor de uitbouw en werking van een operationeel informatiesysteem.
§ 2. Logo's, partnerorganisaties, organisaties met terreinwerking en individuele zorgaanbieders moeten, enerzijds, onderling en, anderzijds, met de Vlaamse overheid gegevens uitwisselen die noodzakelijk zijn voor de uitbouw en werking van een epidemiologisch informatiesysteem om beleidsvoering zoveel mogelijk wetenschappelijk te onderbouwen.
§ 3. Met betrekking tot § 1 en § 2, bepaalt de Vlaamse regering, na advies van [1 een kamer van de toezichtcommissie als vermeld in artikel 10 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer, die specifiek toeziet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens die de gezondheid betreffen]1, nadere regels.
Art. 32. § 1er. La continuité de la dispensation individuelle de soins et de services préventifs doit être assurée, entre autres par l'échange d'informations relatives à l'offre de soins, entre les organisations partenaires, les organisations oeuvrant sur le terrain et les prestataires de soins individuels entre eux. Cet échange d'informations est nécessaire pour le développement et le fonctionnement d'un système d'informations opérationnel.
§ 2. Les Logos, organisations partenaires, organisations oeuvrant sur le terrain et prestataires de soins individuels doivent échanger, entre eux d'une part et avec les autorités flamandes d'autre part, les informations nécessaires au développement et au fonctionnement d'un système d'informations épidémiologiques permettant un étayage scientifique maximal de la politique.
§ 3. En ce qui concerne les §§ 1er et 2, le Gouvernement flamand arrête les modalités, après avis [1 d'une chambre de la commission de contrôle telle que visée à l'article 10 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, qui veille spécifiquement à la protection de la vie privée à l'égard du traitement de données à caractère personnel relatives à la santé]1.
Art. 33. § 1. De Vlaamse regering kan, in het kader van de gegevensuitwisseling, bedoeld in artikel 32, de Logo's, de partnerorganisaties, de organisaties met terreinwerking en de individuele zorgaanbieders verplichten om voor hun eigen identificatie gebruik te maken van een identificatiecode, die respectievelijk het Logo, de partnerorganisatie, de organisatie met terreinwerking en de individuele zorgaanbieder op een eenvormige en unieke manier vereenzelvigt.
§ 2. Aan partnerorganisaties, organisaties met terreinwerking en individuele zorgaanbieders kan bovendien in het kader van de gegevensuitwisseling, bedoeld in artikel 32, en na advies van [1 een kamer van de toezichtcommissie als vermeld in artikel 10 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer, die specifiek toeziet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens die de gezondheid betreffen]1, een gelijkaardig systeem opgelegd worden voor de identificatie van de personen, bedoeld in artikel 9 tot en met 11.
Art. 33. § 1er. Dans le cadre de l'échange d'informations visé à l'article 32, le Gouvernement flamand peut obliger les Logos, les organisations partenaires, les organisations oeuvrant sur le terrain et les prestataires de soins individuels à utiliser un code d'identification qui représente de façon uniforme et unique le Logo, l'organisation partenaire, l'organisation oeuvrant sur le terrain et le prestataire de soins individuel.
§ 2. Dans le cadre de l'échange d'informations visé à l'article 32, et après avis [1 d'une chambre de la commission de contrôle telle que visée à l'article 10 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, qui veille spécifiquement à la protection de la vie privée à l'égard du traitement de données à caractère personnel relatives à la santé]1., un système similaire peut être imposé aux organisations partenaires, aux organisations oeuvrant sur le terrain et aux prestataires de soins individuels, pour l'identification des personnes visées aux articles 9 à 11 inclus.
Art. 34. De gegevensuitwisseling, bedoeld in artikel 32 en 33, moet gebeuren in overeenstemming met [1 de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens]1.
Art. 34. L'échange d'informations visé aux articles 32 et 33 doit se faire en conformité avec [1 la réglementation relative à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel]1.
Art. 34/1.
Art. 34/1.
Art.34/2. [1 § 1. In dit artikel wordt verstaan onder:
1° algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming);
2° deelnemer: een natuurlijke persoon die deelneemt aan een initiatief als vermeld in artikel 57, 58, 59, 60 en 63 van dit decreet.
§ 2. Organisaties die een subsidie ontvangen van de Vlaamse Regering om de initiatieven, vermeld in artikel 57, 58, 59, 60 en 63, te realiseren, kunnen persoonsgegevens verwerken van de deelnemers aan die initiatieven en van de individuele zorgaanbieders om die initiatieven te realiseren.
Om de initiatieven, vermeld in artikel 57, 58, 59, 60, en 63, op het terrein uit te voeren, kunnen de individuele zorgaanbieders persoonsgegevens verwerken van de deelnemers aan de initiatieven.
§ 3. In het kader van de doeleinden, vermeld in paragraaf 2, verwerken de organisaties die van de Vlaamse Regering een subsidie ontvangen om de initiatieven, vermeld in artikel 57, 58, 59, 60 en 63, te realiseren, en de individuele zorgaanbieders de volgende gegevens van de deelnemers aan die initiatieven:
1° de persoonsgegevens om de deelnemer te identificeren, waaronder het rijksregisternummer;
2° de gegevens over de gezondheid van de deelnemer die noodzakelijk zijn om het initiatief te realiseren;
3° de gegevens over de preventieve begeleiding die is aangeboden aan de deelnemer in het kader van het initiatief in kwestie;
4° het gegeven of de deelnemer recht heeft op het statuut verhoogde tegemoetkoming.
In het kader van het doeleinde, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, verwerken de organisaties die van de Vlaamse Regering een subsidie ontvangen om de initiatieven, vermeld in artikel 57, 58, 59, 60 en 63, te realiseren, de volgende gegevens van de individuele zorgaanbieders:
1° de persoonsgegevens om de individuele zorgaanbieder te identificeren, waaronder het rijksregisternummer;
2° de gegevens over de bekwaamheid van de individuele zorgaanbieder;
3° het beroepsadres van de individuele zorgaanbieder die het initiatief, vermeld in artikel 57, 58, 59, 60 en 63, uitvoert;
4° de gegevens die noodzakelijk zijn om de vergoeding voor de uitvoering van een initiatief als vermeld in artikel 57, 58, 59, 60 en 63, uit te betalen aan de individuele zorgaanbieder.
De Vlaamse Regering kan, na advies van de Vlaamse Toezichtcommissie, vermeld in artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer, de lijst van gegevens, vermeld in het eerste en tweede lid, inclusief de gegevens over gezondheid, vermeld in artikel 4, 15), van voormelde verordening, nader preciseren.
De Vlaamse Regering bepaalt, na advies van de Vlaamse Toezichtcommissie, vermeld in artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer:
1° de regels voor en de wijze van de verwerking van de gegevens;
2° de termijn waarin de verwerkte persoonsgegevens maximaal worden bewaard;
3° de vorm en de wijze waarop gegevens worden uitgewisseld.
§ 4. De organisatie die een subsidie ontvangt van de Vlaamse Regering om een initiatief als vermeld in artikel 57, 58, 59, 60 of 63, te realiseren, is de verwerkingsverantwoordelijke voor de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste en tweede lid, die verwerkt worden om het initiatief in kwestie te realiseren.
De Vlaamse Regering kan bepalen welke technische en organisatorische maatregelen de verwerkingsverantwoordelijke moet treffen om de persoonsgegevens te beschermen conform artikel 32 van de algemene verordening gegevensbescherming.
§ 5. Op voorwaarde dat de betrokkenen niet of niet meer identificeerbaar zijn, kan de administratie de gegevens van de deelnemers, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, en de gegevens van de individuele zorgaanbieders, vermeld in para- graaf 3, tweede lid, ook verwerken voor wetenschappelijke, beleids- en statistische doeleinden.]1

Art.34/2. [1 § 1. Dans le présent article, on entend par :
1° règlement général sur la protection des données : le Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la Directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données) ;
2° participant : une personne physique qui participe à une initiative telle que visée aux articles 57, 58, 59, 60 et 63 du présent décret.
§ 2. Les organisations qui reçoivent une subvention du Gouvernement flamand pour réaliser les initiatives visées aux articles 57, 58, 59, 60 et 63, peuvent traiter des données à caractère personnel des participants à ces initiatives et des prestataires de soins individuels afin de réaliser ces initiatives.
Pour réaliser les initiatives visées aux articles 57, 58, 59, 60 et 63 sur le terrain, les prestataires de soins individuels peuvent traiter des données à caractère personnel des participants à ces initiatives.
§ 3. Dans le cadre des objectifs visés au paragraphe 2, les organisations qui reçoivent une subvention du Gouvernement flamand pour réaliser les initiatives visées aux articles 57, 58, 59, 60 et 63, et les prestataires de soins individuels traitent les données suivantes des participants à ces initiatives :
1° les données à caractère personnel pour identifier le participant, y compris le numéro de registre national ;
2° les données relatives à la santé du participant, nécessaires à la réalisation de l'initiative ;
3° les données relatives à l'accompagnement préventif proposé au participant dans le cadre de l'initiative concernée ;
4° la donnée indiquant si le participant a droit ou non au statut d'intervention majorée.
Dans le cadre de l'objectif visé au paragraphe 2, alinéa premier, les organisations qui reçoivent une subvention du Gouvernement flamand pour réaliser les initiatives visées aux articles 57, 58, 59, 60 et 63, traitent les données suivantes des prestataires de soins individuels :
1° les données à caractère personnel pour identifier le prestataire de soins individuel, y compris le numéro de registre national ;
2° les données relatives à la compétence du prestataire de soins individuel ;
3° l'adresse professionnelle du prestataire de soins individuel qui effectue l'initiative visée aux articles 57, 58, 59, 60 et 63 ;
4° les données nécessaires au paiement de l'indemnité pour la réalisation d'une initiative telle que visée aux articles 57, 58, 59, 60 et 63, au prestataire de soins individuel.
Le Gouvernement flamand peut, après avis de la Commission de contrôle flamande, visée à l'article 10/1 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, préciser la liste des données visées aux alinéas premier et deux, y compris les données relatives à la santé visées à l'article 4, 15) du règlement précité.
Le Gouvernement flamand détermine, après avis de la Commission de contrôle flamande, visée à l'article 10/1 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives :
1° les règles et la manière de traitement des données ;
2° la durée maximale de conservation des données à caractère personnel traitées ;
3° la forme et les modalités d'échange des données.
§ 4. L'organisation qui reçoit une subvention du Gouvernement flamand pour réaliser une initiative telle que visée aux articles 57, 58, 59, 60 ou 63, est le responsable du traitement des données à caractère personnel, visées au paragraphe 3, alinéas premier et deux, qui sont traitées pour réaliser l'initiative concernée.
Le Gouvernement flamand peut déterminer les mesures techniques et organisationnelles que le responsable du traitement doit prendre pour protéger les données à caractère personnel conformément à l'article 32 du règlement général sur la protection des données.
§ 5. A condition que les personnes concernées ne soient pas ou plus identifiables, l'administration peut également traiter les données des participants, visées au paragraphe 3, alinéa premier, et les données des prestataires de soins individuels, visées au paragraphe 3, alinéa deux, à des fins scientifiques, politiques et statistiques.]1

Art.34/2/1. [1 § 1. In dit artikel wordt verstaan onder het initiatief bewegen op verwijzing: een aanbod ter uitvoering van artikel 57 dat gericht is op de motivationele ondersteuning en opvolging van personen om meer te bewegen en sedentair gedrag te beperken, na verwijzing door een zorgverlener.
De Vlaamse Regering bepaalt welke zorgverleners als vermeld in het eerste lid kunnen doorverwijzen.
§ 2. De organisatie die een subsidie ontvangt van de Vlaamse Regering om de subsidiëring van individuele zorgaanbieders in het kader van het initiatief bewegen op verwijzing te ondersteunen en te evalueren, kan persoonsgegevens verwerken van de deelnemers aan dat initiatief en van de individuele zorgaanbieders om dat initiatief te realiseren.
Om het initiatief bewegen op verwijzing op het terrein uit te voeren, kunnen de individuele zorgaanbieders persoonsgegevens verwerken van de deelnemers aan dat initiatief.
§ 3. In het kader van de doeleinden, vermeld in paragraaf 2, verwerken de organisatie, vermeld in paragraaf 2, en de individuele zorgaanbieders de volgende gegevens, met inbegrip van de gegevens over gezondheid, vermeld in artikel 4, 15), van de algemene verordening gegevensbescherming, van de deelnemers aan het initiatief bewegen op verwijzing:
1° de persoonsgegevens om de deelnemer te identificeren, waaronder het rijksregisternummer;
2° de contactgegevens, het adres en de werkelijke verblijfplaats van de deelnemer;
3° het geslacht van de deelnemer;
4° het geboortejaar van de deelnemer;
5° het gegeven of de deelnemer recht heeft op het statuut verhoogde tegemoetkoming;
6° een overzicht van de prestaties die de deelnemer in het kader van de `bewegen op verwijzing'-begeleiding heeft ontvangen.
In het kader van het doeleinde, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, verwerkt de organisatie de volgende gegevens van de individuele zorgaanbieders:
1° de persoonsgegevens om de individuele zorgaanbieder te identificeren, waaronder het rijksregisternummer;
2° de contactgegevens van de individuele zorgaanbieder;
3° de gegevens over het dienstverband waarbinnen de individuele zorgaanbieder werkt;
4° de gegevens over het aanbod van de individuele zorgaanbieder in het kader van de `bewegen op verwijzing'-begeleiding en de vermelding of de individuele zorgaanbieder actief is als aanbieder van bewegen op verwijzing of niet;
5° de gegevens over de bekwaamheid van de individuele zorgaanbieder;
6° het beroepsadres waar de individuele zorgaanbieder de `bewegen op verwijzing'-begeleiding aan deelnemers aan het initiatief bewegen op verwijzing aanbiedt en uitvoert;
7° de gegevens die noodzakelijk zijn om de vergoeding voor de uitvoering van een initiatief bewegen op verwijzing uit te betalen aan de individuele zorgaanbieder;
8° de persoonsgegevens die noodzakelijk zijn om de mandaathouder te identificeren, waaronder het rijksregisternummer, opdat de mandaathouder namens een individuele zorgaanbieder de uitgevoerde prestaties van die individuele zorgaanbieder kan invoeren in de uitbetalingssoftware.
In het kader van de doeleinden, vermeld in paragraaf 2, verwerken de organisatie en de individuele zorgaanbieders de volgende persoonsgegevens van de personen die de deelnemer naar een initiatief bewegen op verwijzing doorverwijzen:
1° de naam en de voornaam van de doorverwijzer;
2° het beroep van de doorverwijzer;
3° in voorkomend geval, het RIZIV-nummer van de doorverwijzer.
De Vlaamse Regering kan de lijst van de gegevens, vermeld in het eerste en tweede lid, inclusief de gegevens over gezondheid, vermeld in artikel 4, 15), van de algemene verordening gegevensbescherming, nader preciseren.
De Vlaamse Regering kan de regels voor en de wijze van de verwerking van de gegevens, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, bepalen.
§ 4. De gegevens van de deelnemer, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, worden bewaard tot maximaal tien jaar na de laatste deelname van de deelnemer aan het initiatief bewegen op verwijzing.
De gegevens van de individuele zorgaanbieder, vermeld in paragraaf 3, tweede lid, worden bewaard tot maximaal tien jaar na het moment waarop de individuele zorgaanbieder het laatst het initiatief bewegen op verwijzing op het terrein heeft uitgevoerd.
De gegevens van de doorverwijzer, vermeld in paragraaf 3, derde lid, worden bewaard tot maximaal tien jaar na de laatste deelname van de deelnemer aan het initiatief bewegen op verwijzing die hij heeft doorverwezen aan het initiatief bewegen op verwijzing.
§ 5. De organisatie, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, is de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming, voor de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste tot en met derde lid, die verwerkt worden om het initiatief bewegen op verwijzing te realiseren.
De Vlaamse Regering kan bepalen welke technische en organisatorische maatregelen de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in het eerste lid, moet treffen om de persoonsgegevens te beschermen conform artikel 32 van de algemene verordening gegevensbescherming.
De organisatie, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, verwerkt de gegevens, vermeld in paragraaf 3, onder de voorwaarden en waarborgen, vermeld in artikel 9, lid 3, van de algemene verordening gegevensbescherming.
§ 6. Na anonimisering kan de administratie de gegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste tot en met het derde lid, ook verwerken voor wetenschappelijke, beleids- en statistische doeleinden.]1

Art.34/2/1. [1 § 1er. Aux fins du présent article, on entend par l'initiative " bouger sur ordonnance " : une offre en exécution de l'article 57 qui vise à motiver, accompagner et suivre des personnes sur ordonnance d'un prestataire de soins en vue d'augmenter leur activité physique et de limiter leur comportement sédentaire.
Le Gouvernement flamand arrête les prestataires de soins visés à l'alinéa 1er qui peuvent délivrer une telle ordonnance.
§ 2. L'organisation qui perçoit une subvention du Gouvernement flamand pour soutenir et évaluer le subventionnement des prestataires de soins individuels dans le cadre de l'initiative " bouger sur ordonnance " peut traiter les données à caractère personnel des participants à cette initiative et des prestataires de soins individuels afin de réaliser cette initiative.
Afin de mettre en oeuvre l'initiative " bouger sur ordonnance " sur le terrain, les prestataires de soins individuels peuvent traiter les données à caractère personnel des participants à cette initiative.
§ 3. Dans le cadre des finalités visées au paragraphe 2, l'organisation visée au paragraphe 2 et les prestataires de soins individuels traitent les données suivantes, y compris les données relatives à la santé visées à l'article 4, 15), du règlement général sur la protection des données, des participants à l'initiative " bouger sur ordonnance " :
1° les données à caractère personnel permettant d'identifier le participant, y compris le numéro de registre national ;
2° les coordonnées, l'adresse et le lieu de résidence effectif du participant ;
3° le sexe du participant ;
4° l'année de naissance du participant ;
5° la mention indiquant si le participant a droit au statut de bénéficiaire d'une intervention majorée ;
6° un aperçu des prestations dont le participant a bénéficié dans le cadre de l'accompagnement " bouger sur ordonnance ".
Dans le cadre de la finalité visée au paragraphe 2, alinéa 1er, l'organisation traite les données suivantes des prestataires de soins individuels :
1° les données à caractère personnel permettant d'identifier le prestataire de soins individuel, y compris le numéro de registre national ;
2° les coordonnées du prestataire de soins individuel ;
3° les données relatives à la relation de travail dans le cadre de laquelle le prestataire de soins individuel travaille ;
4° les données relatives à l'offre du prestataire de soins individuel dans le cadre de l'accompagnement " bouger sur ordonnance " et la mention indiquant si le prestataire de soins individuel est actif en tant que presta-taire de " bouger sur ordonnance " ;
5° les données relatives à la compétence du prestataire de soins individuel ;
6° l'adresse professionnelle à laquelle le prestataire de soins individuel propose et dispense l'accompagnement aux participants à l'initiative " bouger sur ordonnance " ;
7° les données nécessaires au paiement de la rémunération pour la mise en oeuvre d'une initiative " bouger sur ordonnance " au prestataire de soins individuel ;
8° les données à caractère personnel nécessaires pour identifier le manda-taire, y compris le numéro de registre national, afin que le mandataire puisse, au nom d'un prestataire de soins individuel, saisir les prestations fournies par ce prestataire dans le logiciel de paiement.
Dans le cadre des finalités visées au paragraphe 2, l'organisation et les prestataires de soins individuels traitent les données à caractère personnel suivantes des personnes qui renvoient le participant vers une initiative " bouger sur ordonnance " :
1° les nom et prénom de la personne ayant renvoyé le participant ;
2° la profession de la personne ayant renvoyé le participant ;
3° le cas échéant, le numéro INAMI de la personne ayant renvoyé le participant.
Le Gouvernement flamand peut préciser la liste des données visées aux alinéas 1er et 2, y compris les données relatives à la santé visées à l'article 4, 15), du règlement général sur la protection des données.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les règles et les modalités du traitement des données visées aux alinéas 1er à 3.
§ 4. Les données du participant visées au paragraphe 3, alinéa 1er, sont conservées pendant dix ans au maximum après la dernière participation du participant à l'initiative " bouger sur ordonnance ".
Les données du prestataire de soins individuel visées au paragraphe 3, alinéa 2, sont conservées pendant dix ans au maximum après la dernière mise en oeuvre sur le terrain de l'initiative " bouger sur ordonnance " par le prestataire de soins individuel.
Les données de la personne ayant renvoyé le participant, visées au paragraphe 3, alinéa 3, sont conservées pendant dix ans au maximum après la dernière participation du participant à l'initiative " bouger sur ordonnance " à laquelle elle l'a renvoyé.
§ 5. L'organisation visée au paragraphe 2, alinéa 1er, est le responsable du traitement visé à l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données, pour les données à caractère personnel visées au paragraphe 3, alinéas 1er à 3, qui sont traitées afin de réaliser l'initiative " bouger sur ordonnance ".
Le Gouvernement flamand peut déterminer les mesures techniques et organisationnelles que le responsable du traitement visé à l'alinéa 1er doit prendre pour protéger les données à caractère personnel conformément à l'article 32 du règlement général sur la protection des données.
L'organisation visée au paragraphe 2, alinéa 1er, traite les données visées au paragraphe 3, dans les conditions et avec les garanties visées à l'article 9, paragraphe 3, du règlement général sur la protection des données.
§ 6. Après anonymisation, l'administration peut également traiter les données visées au paragraphe 3, alinéas 1er à 3, pour des finalités scientifiques, statistiques et de politique.]1

Art.34/2/2. [1 § 1. In dit artikel wordt verstaan onder het initiatief rookstopbegeleiding: een aanbod ter uitvoering van artikel 63 dat gericht is op de begeleiding van personen bij het stoppen met roken en vapen.
§ 2. De partnerorganisatie die een subsidie ontvangt van de Vlaamse Regering om de subsidiëring van individuele zorgaanbieders in het kader van het initiatief rookstopbegeleiding te ondersteunen en te evalueren, kan persoonsgegevens verwerken van de deelnemers aan dat initiatief en van de individuele zorgaanbieders om dat initiatief te realiseren.
Om het initiatief rookstopbegeleiding op het terrein uit te voeren, kunnen de individuele zorgaanbieders persoonsgegevens verwerken van de deelnemers aan dat initiatief.
§ 3. In het kader van de doeleinden, vermeld in paragraaf 2, verwerken de partnerorganisatie, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, en de individuele zorgaanbieders de volgende gegevens, met inbegrip van de gegevens over gezondheid, vermeld in artikel 4, 15), van de algemene verordening gegevensbescherming, van de deelnemers aan het initiatief rookstopbegeleiding:
1° de persoonsgegevens om de deelnemer te identificeren, waaronder het rijksregisternummer;
2° de contactgegevens, het adres en de werkelijke verblijfplaats van de deelnemer;
3° het geslacht van de deelnemer;
4° het geboortejaar van de deelnemer;
5° de vermelding of de deelnemer zwanger is;
6° het gegeven of de deelnemer recht heeft op het statuut verhoogde tegemoetkoming;
7° een overzicht van de prestaties die de deelnemer in het kader van de rookstopbegeleiding heeft ontvangen.
In het kader van het doeleinde, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, verwerkt de partnerorganisatie, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, de volgende gegevens van de individuele zorgaanbieders:
1° de persoonsgegevens om de individuele zorgaanbieder te identificeren, waaronder het rijksregisternummer;
2° de contactgegevens van de individuele zorgaanbieder;
3° de gegevens over het dienstverband waarbinnen de individuele zorgaanbieder werkt;
4° de gegevens over het aanbod van de individuele zorgaanbieder in het kader van rookstopbegeleiding en de vermelding of de individuele zorgaanbieder actief is als aanbieder van rookstopbegeleiding of niet;
5° de gegevens over de bekwaamheid van de individuele zorgaanbieder;
6° het beroepsadres waar de individuele zorgaanbieder de rookstopbegeleiding aan deelnemers aan het initiatief rookstopbegeleiding aanbiedt;
7° de gegevens die noodzakelijk zijn om de vergoeding voor de uitvoering van een initiatief rookstopbegeleiding uit te betalen aan de individuele zorgaanbieder;
8° de persoonsgegevens die noodzakelijk zijn om de mandaathouder te identificeren, waaronder het rijksregisternummer, opdat de mandaathouder namens een individuele zorgaanbieder de uitgevoerde prestaties van die individuele zorgaanbieder kan invoeren in de uitbetalingssoftware.
De Vlaamse Regering kan de lijst van de gegevens, vermeld in het eerste en tweede lid, inclusief de gegevens over gezondheid, vermeld in artikel 4, 15), van de algemene verordening gegevensbescherming, nader preciseren.
De Vlaamse Regering kan de regels voor en de wijze van de verwerking van de gegevens, vermeld in het eerste en het tweede lid, bepalen.
§ 4. De gegevens van de deelnemer, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, worden bewaard tot maximaal tien jaar na de laatste deelname van de deelnemer aan het initiatief rookstopbegeleiding.
De gegevens van de individuele zorgaanbieder, vermeld in paragraaf 3, tweede lid, worden bewaard tot maximaal tien jaar na het moment waarop de individuele zorgaanbieder het laatst het initiatief rookstopbegeleiding op het terrein heeft uitgevoerd.
§ 5. De partnerorganisatie, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, is de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming, voor de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste en tweede lid, die verwerkt worden om het initiatief rookstopbegeleiding te realiseren.
De Vlaamse Regering kan bepalen welke technische en organisatorische maatregelen de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in het eerste lid, moet treffen om de persoonsgegevens te beschermen conform artikel 32 van de algemene verordening gegevensbescherming.
De partnerorganisatie, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, verwerkt de gegevens, vermeld in paragraaf 3, onder de voorwaarden en waarborgen, vermeld in artikel 9, lid 3, van de algemene verordening gegevensbescherming.
§ 6. Na anonimisering kan de administratie de gegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste en tweede lid, ook verwerken voor wetenschappelijke, beleids- en statistische doeleinden.]1

Art.34/2/2. [1 er. Aux fins du présent article, on entend par l'initiative " accompagnement au sevrage tabagique " : une offre en exécution de l'article 63 visant à accompagner les personnes qui souhaitent arrêter de fumer et de vapoter.
§ 2. L'organisation partenaire qui perçoit une subvention du Gouvernement flamand pour soutenir et évaluer le subventionnement des prestataires de soins individuels dans le cadre de l'initiative " accompagnement au sevrage tabagique " peut traiter les données à caractère personnel des participants à cette initiative et des prestataires de soins individuels afin de réaliser cette initiative.
Afin de mettre en oeuvre l'initiative " accompagnement au sevrage tabagique " sur le terrain, les prestataires de soins individuels peuvent traiter les données à caractère personnel des participants à cette initiative.
§ 3. Dans le cadre des finalités visées au paragraphe 2, l'organisation partenaire visée au paragraphe 2, alinéa 1er, et les prestataires de soins individuels traitent les données suivantes, y compris les données relatives à la santé visées à l'article 4, 15), du règlement général sur la protection des données, des participants à l'initiative " accompagnement au sevrage tabagique " :
1° les données à caractère personnel permettant d'identifier le participant, y compris le numéro de registre national ;
2° les coordonnées, l'adresse et le lieu de résidence effectif du participant ;
3° le sexe du participant ;
4° l'année de naissance du participant ;
5° la mention indiquant si la participante est enceinte ;
6° la mention indiquant si le participant a droit au statut de bénéficiaire d'une intervention majorée ;
7° un aperçu des prestations reçues par le participant dans le cadre de l'accompagnement au sevrage tabagique.
Dans le cadre de la finalité visée au paragraphe 2, alinéa 1er, l'organisation partenaire visée au paragraphe 2, alinéa 1er, traite les données suivantes des prestataires de soins individuels :
1° les données à caractère personnel permettant d'identifier le prestataire de soins individuel, y compris le numéro de registre national ;
2° les coordonnées du prestataire de soins individuel ;
3° les données relatives à la relation de travail dans le cadre de laquelle le prestataire de soins individuel travaille ;
4° les données relatives à l'offre du prestataire de soins individuel dans le cadre de l'accompagnement au sevrage tabagique et la mention indiquant si le prestataire de soins individuel est actif en tant que prestataire d'accompagnement au sevrage tabagique ou non ;
5° les données relatives à la compétence du prestataire de soins individuel ;
6° l'adresse professionnelle à laquelle le prestataire de soins individuel propose l'accompagnement au sevrage tabagique aux participants à cette initiative ;
7° les données nécessaires au paiement de la rémunération au prestataire de soins individuel pour la mise en oeuvre d'une initiative " accompagnement au sevrage tabagique " ;
8° les données à caractère personnel nécessaires pour identifier le mandataire, y compris le numéro de registre national, afin que le mandataire puisse, au nom d'un prestataire de soins individuel, saisir les prestations fournies par ce prestataire dans le logiciel de paiement.
Le Gouvernement flamand peut préciser la liste des données visées aux alinéas 1er et 2, y compris les données relatives à la santé visées à l'article 4, 15), du règlement général sur la protection des données.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les règles et les modalités du traitement des données visées aux alinéas 1er et 2.
§ 4. Les données du participant visées au paragraphe 3, alinéa 1er, sont conservées pendant dix ans au maximum après la dernière participation du participant à l'initiative " accompagnement au sevrage tabagique ".
Les données du prestataire de soins individuel visées au paragraphe 3, alinéa 2, sont conservées pendant dix ans au maximum après la dernière mise en oeuvre sur le terrain de l'initiative " accompagnement au sevrage tabagique " par le prestataire de soins individuel.
§ 5. L'organisation partenaire visée au paragraphe 2, alinéa 1er, est le responsable du traitement visé à l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données, pour les données à caractère personnel visées au paragraphe 3, alinéas 1er et 2, qui sont traitées afin de réaliser l'initiative " accompagnement au sevrage tabagique ".
Le Gouvernement flamand peut déterminer les mesures techniques et organisationnelles que le responsable du traitement visé à l'alinéa 1er doit prendre pour protéger les données à caractère personnel conformément à l'article 32 du règlement général sur la protection des données.
L'organisation partenaire visée au paragraphe 2, alinéa 1er, traite les données visées au paragraphe 3, dans les conditions et avec les garanties visées à l'article 9, paragraphe 3, du règlement général sur la protection des données.
§ 6. Après anonymisation, l'administration peut également traiter les données visées au paragraphe 3, alinéas 1er et 2, pour des finalités scientifiques, statistiques et de politique. ]1

Art. 34/3. [1 § 1. In dit artikel wordt verstaan onder:
1° aanvrager: de persoon die op grond van een persoonlijk belang advies vraagt of meldingen doet in het kader van initiatieven of maatregelen als vermeld in artikel 39, 44, 51, 53, 53/1 of 55. De aanvrager kan een andere persoon zijn dan de betrokkene, vermeld in punt 2° ;
2° betrokkene: de natuurlijke persoon die ofwel:
a) naar aanleiding van gezondheidsklachten, milieumetingen of een mogelijke blootstelling aan schadelijke chemische, fysische of biotische factoren het voorwerp is van een adviesaanvraag over blootstellingsbeperkingen of bronmaatregelen, in het kader van initiatieven of maatregelen als vermeld in artikel 39, 44, 51, 53, 53/1 of 55;
b) woont op een plaats of in de nabijheid van een plaats waar milieugegevens zijn gemeten, waarover om advies gevraagd wordt in het kader van initiatieven of maatregelen als vermeld in artikel 39, 44, 51, 53, 53/1 of 55;
3° milieumeetgegevens: concentraties of randomstandigheden die gemeten worden in de omgeving, in het binnenmilieu en in de milieucompartimenten lucht, bodem en water en die belangrijk zijn om de impact van humane blootstelling en belasting te bepalen.
§ 2. De administratie, de organisatie die in het kader van een overheidsopdracht een initiatief als vermeld in artikel 39, 44, 51, 53, 53/1 of 55, uitvoert, de medisch milieukundigen die werkzaam zijn bij de Logo's en de partnerorganisaties die werken rond het thema milieugezondheidszorg kunnen persoonsgegevens verwerken met het oog op de volgende doeleinden:
1° het onderzoeken en behandelen van meldingen van gezondheidsklachten of vragen over gezondheid of over de interpretatie van milieumeetgegevens;
2° het verlenen van advies over blootstellingsbeperkingen;
3° het adviseren van bronmaatregelen.
Indien een partnerorganisatie die werkt rond het thema milieugezondheidszorg bestaat uit een samenwerkingsverband, kunnen de organisaties die deel uitmaken van dit samenwerkingsverband zelf ook de gegevens, vermeld in paragraaf 3, verwerken.
§ 3. In het kader van de doelstellingen, vermeld in paragraaf 2, kunnen de volgende persoonsgegevens van de betrokkene verwerkt worden:
1° de persoonsgegevens om de betrokkene te identificeren, waaronder het rijksregisternummer of het identificatienummer van de sociale zekerheid, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
2° het adres van de betrokkene;
3° de volgende contactgegevens van de betrokkene:
a) het gsm- en telefoonnummer;
b) het e-mailadres;
4° in geval van een melding of vraag over een gezondheidsklacht, informatie over de gezondheidsklacht in kwestie;
5° de informatie over de leefstijl van de betrokkene die noodzakelijk is om advies inzake blootstellingsbeperkingen te kunnen geven;
6° de socio-economische gegevens van de betrokkene die noodzakelijk zijn om gedifferentieerd advies inzake blootstellingsbeperkingen te kunnen geven;
7° de woonomstandigheden;
8° in geval van een melding of vraag over een gezondheidsklacht, de gegevens over de preventieve begeleiding die is aangeboden aan de betrokkene in het kader van het initiatief of de maatregel in kwestie;
9° relevante milieumeetgegevens, op voorwaarde dat de betrokkene een persoonlijk belang heeft;
10° de relevante gegevens uit stalen die afgenomen worden van het lichaam van de betrokkene in het kader van het initiatief, vermeld in artikel 39, 44, 51, 53, 53/1 of 55;
11° de gegevens uit stalen die genomen worden in het milieu in het kader van het initiatief, vermeld in artikel 39, 44, 51, 53, 53/1 of 55.
De administratie, de organisatie die in het kader van een overheidsopdracht een initiatief als vermeld in artikel 39, 44, 51, 53, 53/1 of 55 uitvoert, de medisch milieukundigen die werkzaam zijn bij de Logo's en de partnerorganisaties die werken rond het thema milieugezondheidszorg, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, kunnen de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, onderling uitwisselen.
De gegevens, vermeld in het eerste lid, worden bewaard tot maximaal tien jaar na afhandeling van de vraag of melding, vermeld in paragraaf 2.
De Vlaamse Regering kan, na advies van de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens, vermeld in artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer, de lijst van gegevens, vermeld in het eerste lid, inclusief de gegevens over gezondheid, vermeld in artikel 4, 15), van de algemene verordening gegevensbescherming, nader preciseren.
De Vlaamse Regering kan, na advies van de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens, vermeld in artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer, de volgende modaliteiten bepalen:
1° de regels voor en de wijze van de verwerking van de gegevens;
2° de vorm en de wijze waarop gegevens worden uitgewisseld.
§ 4. De gegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, kunnen onder de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met zesde lid, uitgewisseld worden tussen de actoren, vermeld in paragraaf 3, tweede lid, of met de volgende actoren:
1° de betrokkene;
2° de arts of specialist die de betrokkene behandelt;
3° de aanvrager, voor zover het niet om de betrokkene gaat;
4° laboratoria die milieugegevens onderzoeken;
5° een organisatie waarmee de Vlaamse Regering een overeenkomst heeft gesloten voor het nemen of onderzoeken van stalen of het interpreteren van resultaten;
6° overheidsinstanties die opgericht zijn binnen het beleidsdomein Omgeving.
De betrokkene, vermeld in het eerste lid, 1°, en de arts of specialist, vermeld in het eerste lid, 2°, kan alle gegevens ontvangen, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, evenals resultaten van onderzoeken en adviezen, vermeld in paragraaf 2.
De aanvrager kan alleen de gegevens uit de lijst, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, ontvangen waarvoor hij een persoonlijk belang heeft, evenals de adviezen, vermeld in paragraaf 2.
De laboratoria, vermeld in het eerste lid, 4°, kunnen alleen de gegevens, vermeld in paragraaf 3, 2°, 9° en 11°, ontvangen.
De organisatie, vermeld in het eerste lid, 5°, kan alle gegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, ontvangen.
Alleen de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 1°, 2°, 3°, 7°, 9° en 11°, kunnen uitgewisseld worden met de overheidsinstanties, vermeld in het eerste lid, 6°.
§ 5. Wanneer een advies, in het kader van initiatieven of maatregelen als vermeld in artikel 39, 44, 51, 53, 53/1 of 55, wordt aangevraagd door een andere natuurlijke persoon dan de betrokkene, worden de volgende persoonsgegevens van de adviesvrager verwerkt:
1° de persoonsgegevens om de adviesvrager te identificeren;
2° de volgende contactgegevens van de adviesvrager:
a) het gsm- en telefoonnummer;
b) het e-mailadres.
De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, worden verwerkt met het oog op de doeleinden vermeld in de tweede paragraaf.
De administratie, de organisatie die in het kader van een overheidsopdracht een initiatief als vermeld in artikel 39, 44, 51, 53, 53/1 of 55 uitvoert, de medisch milieukundigen die werkzaam zijn bij de Logo's en de partnerorganisaties die werken rond het thema milieugezondheidszorg, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, kunnen de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, onderling uitwisselen.
De gegevens, vermeld in het eerste lid, hebben eenzelfde bewaartermijn als vermeld in paragraaf 3, derde lid.
De Vlaamse Regering kan, na advies van de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens, vermeld in artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer, de lijst van gegevens, vermeld in het eerste lid, nader preciseren.
De Vlaamse Regering kan, na advies van de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens, vermeld in artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer, de volgende modaliteiten bepalen:
1° de regels voor en de wijze van de verwerking van de gegevens;
2° de vorm en de wijze waarop gegevens worden uitgewisseld.
De gegevens, vermeld in het eerste lid, kunnen uitgewisseld worden tussen de actoren, vermeld in paragraaf drie, tweede lid, of met de volgende actoren:
1° de betrokkene;
2° de arts of specialist die de betrokkene behandelt;
3° de adviesvrager, voor zover de adviesvraag niet door de betrokkene gebeurt;
4° een organisatie waarmee de Vlaamse Regering een overeenkomst heeft gesloten voor het nemen of onderzoeken van stalen of het interpreteren van resultaten;
5° overheidsinstanties die opgericht zijn binnen het beleidsdomein Omgeving.
§ 6. De administratie, de medisch milieukundigen die werkzaam zijn bij de Logo's en de partnerorganisaties die werken rond het thema milieugezondheidszorg zijn gezamenlijk de verwerkingsverantwoordelijke voor de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid.
De Vlaamse Regering kan bepalen welke technische en organisatorische maatregelen de verwerkingsverantwoordelijke moet treffen om de persoonsgegevens te beschermen conform artikel 32 van de algemene verordening gegevensbescherming. ]1

Art. 34/3. [1 § 1er. Dans le présent article, on entend par :
1° demandeur : la personne qui, en vertu d'un intérêt personnel, demande un avis ou fait des notifications dans le cadre d'initiatives ou de mesures telles que visées aux articles 39, 44, 51, 53, 53/1 ou 55. Le demandeur peut être une autre personne que l'intéressé, visé au point 2° ;
2° intéressé : la personne physique qui :
a) à la suite de problèmes de santé, de mesures environnementales ou d'une exposition possible à des facteurs chimiques, physiques ou biotiques nocifs, fait l'objet d'une demande d'avis sur des limitations d'exposition ou des mesures à la source, dans le cadre d'initiatives ou de mesures telles que visées aux articles 39, 44, 51, 53, 53/1 ou 55 ;
b) ou réside à un endroit ou à proximité d'un endroit où des données environnementales ont été mesurées, à propos desquelles un avis est demandé dans le cadre d'initiatives ou de mesures telles que visées aux articles 39, 44, 51, 53, 53/1 ou 55 ;
3° données de mesures environnementales : des concentrations ou des conditions aléatoires qui sont mesurées dans les environs, dans le milieu intérieur et dans les compartiments environnementaux air, sol et eau qui sont importants pour déterminer l'impact de l'exposition humaine et de la charge.
§ 2. L'administration, l'organisation qui exécute dans le cadre d'un marché public une initiative telle que visée aux articles 39, 44, 51, 53, 53/1 ou 55, les experts écologiques médicaux qui sont employés chez les Logos et les organisations partenaires qui travaillent autour du thème de la santé environnementale peuvent traiter des données à caractère personnel aux fins suivantes :
1° l'examen et le traitement de notifications de problèmes de santé ou de questions sur la santé ou sur l'interprétation de données de mesures environnementales ;
2° la fourniture d'un avis sur des limitations d'exposition ;
3° la recommandation de mesures à la source.
Lorsqu'une organisation partenaire qui travaille autour du thème de la santé environnementale se compose d'un partenariat, les organisations qui font partie de ce partenariat peuvent aussi traiter elles-mêmes les données, visées au paragraphe 3.
§ 3. Dans le cadre des objectifs, visés au paragraphe 2, les données à caractère personnel suivantes de l'intéressé peuvent être traitées :
1° les données à caractère personnel permettant d'identifier l'intéressé, dont le numéro de registre national ou le numéro d'identification de la sécurité sociale, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ;
2° l'adresse de l'intéressé ;
3° les coordonnées suivantes de l'intéressé :
a) les numéros de GSM et de téléphone ;
b) l'adresse e-mail ;
4° dans le cas d'une notification ou d'une question sur un problème de santé, des informations sur le problème de santé en question ;
5° les informations sur le mode de vie de l'intéressé qui sont nécessaires pour pouvoir donner un avis en matière de limitations d'exposition ;
6° les données socio-économiques de l'intéressé qui sont nécessaires pour pouvoir fournir un avis différencié en matière de limitations d'exposition ;
7° les données relatives aux conditions de logement ;
8° dans le cas d'une notification ou d'une question sur un problème de santé, les données sur l'accompagnement préventif proposé à l'intéressé dans le cadre de l'initiative ou de la mesure en question ;
9° des données de mesures environnementales pertinentes, à condition que l'intéressé ait un intérêt personnel à cet égard ;
10° les données pertinentes d'échantillons qui sont prélevés du corps de l'intéressé dans le cadre de l'initiative, visée aux articles 39, 44, 51, 53, 53/1 ou 55 ;
11° les données d'échantillons qui sont prélevés dans l'environnement dans le cadre de l'initiative, visée aux articles 39, 44, 51, 53, 53/1 ou 55.
L'administration, l'organisation qui exécute dans le cadre d'un marché public une initiative telle que visée aux articles 39, 44, 51, 53, 53/1 ou 55, les experts écologiques médicaux qui sont employés chez les Logos et les organisations partenaires qui travaillent autour du thème de la santé environnementale, visés au paragraphe 2, alinéa 1er, peuvent échanger entre eux les données à caractère personnel, visées à l'alinéa 1er.
Les données, visées à l'alinéa 1er, sont conservées pendant une période de dix ans maximum après le règlement de la question ou de la notification, visée au paragraphe 2.
Le Gouvernement flamand peut, après avis de la Commission de contrôle flamande du traitement des données à caractère personnel, visée à l'article 10/1 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, préciser la liste des données visées à l'alinéa 1er, y compris les données relatives à la santé visées à l'article 4, 15) du règlement général sur la protection des données.
Sur avis de la Commission de contrôle flamande du traitement des données à caractère personnel visée à l'article 10/1 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, le Gouvernement flamand peut fixer les modalités suivantes :
1° les règles et la manière de traitement des données ;
2° la forme et les modalités d'échange des données.
§ 4. Les données, visées au paragraphe 3, alinéa 1er, peuvent, aux conditions visées aux alinéas 2 à 6, être échangées entre les acteurs, visés au paragraphe 3, alinéa 2, ou avec les acteurs suivants :
1° l'intéressé ;
2° le médecin ou le spécialiste qui traite l'intéressé ;
3° le demandeur, dans la mesure où il ne s'agit pas de l'intéressé ;
4° des laboratoires qui examinent des données environnementales ;
5° une organisation avec laquelle le Gouvernement flamand a conclu une convention pour la prise ou l'examen d'échantillons ou l'interprétation de résultats ;
6° des instances publiques qui sont créées au sein du domaine politique de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire.
L'intéressé, visé à l'alinéa 1er, 1°, et le médecin ou spécialiste, visé à l'alinéa 1er, 2°, peut recevoir toutes les données, visées au paragraphe 3, alinéa 1er, ainsi que des résultats d'examens et des avis, visés au paragraphe 2.
Le demandeur peut uniquement recevoir les données de la liste, visée au paragraphe 3, alinéa 1er, pour lesquelles il a un intérêt personnel, ainsi que les avis, visés au paragraphe 2.
Les laboratoires, visés à l'alinéa 1er, 4°, peuvent uniquement recevoir les données, visées au paragraphe 3, 2°, 9° et 11°.
L'organisation, visée à l'alinéa 1er, 5°, peut recevoir toutes les données, visées au paragraphe 3, alinéa 1er.
Seules les données à caractère personnel, visées au paragraphe 3, alinéa 1er, 1°, 2°, 3°, 7°, 9° et 11°, peuvent être échangées avec les instances publiques, visées à l'alinéa 1er, 6°.
§ 5. Lorsque, dans le cadre d'initiatives ou de mesures telles que visées aux articles 39, 44, 51, 53, 53/1 ou 55, un avis est demandé par une autre personne physique que l'intéressé, les données à caractère personnel suivantes du demandeur d'avis sont traitées :
1° les données à caractère personnel permettant d'identifier le demandeur d'avis ;
2° les coordonnées suivantes du demandeur d'avis :
a) les numéros de GSM et de téléphone ;
b) l'adresse e-mail.
Les données à caractère personnel, visées à l'alinéa 1er, sont traitées aux fins visées au paragraphe 2.
L'administration, l'organisation qui exécute dans le cadre d'un marché public une initiative telle que visée aux articles 39, 44, 51, 53, 53/1 ou 55, les experts écologiques médicaux qui sont employés chez les Logos et les organisations partenaires qui travaillent autour du thème de la santé environnementale, visés au paragraphe 2, alinéa 1er, peuvent échanger entre eux les données à caractère personnel, visées à l'alinéa 1er.
Les données, visées à l'alinéa 1er, ont la même durée de conservation que celle visée au paragraphe 3, alinéa 3.
Sur avis de la Commission de contrôle flamande du traitement des données à caractère personnel visée à l'article 10/1 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, le Gouvernement flamand peut préciser la liste de données, visée à l'alinéa 1er.
Sur avis de la Commission de contrôle flamande du traitement des données à caractère personnel visée à l'article 10/1 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, le Gouvernement flamand peut fixer les modalités suivantes :
1° les règles et la manière de traitement des données ;
2° la forme et les modalités d'échange des données.
Les données, visées à l'alinéa 1er, peuvent être échangées entre les ac-teurs, visés au paragraphe 3, alinéa 2, ou avec les acteurs suivants :
1° l'intéressé ;
2° le médecin ou le spécialiste qui traite l'intéressé ;
3° le demandeur d'avis, dans la mesure où la demande d'avis n'émane pas de l'intéressé ;
4° une organisation avec laquelle le Gouvernement flamand a conclu une convention pour la prise ou l'examen d'échantillons ou l'interprétation de résultats ;
5° des instances publiques qui sont créées au sein du domaine politique de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire.
§ 6. L'administration, les experts écologiques médicaux qui sont employés chez les Logos et les organisations partenaires qui travaillent autour du thème de la santé environnementale sont ensemble le responsable du traitement des données à caractère personnel, visées au paragraphe 3, alinéa 1er.
Le Gouvernement flamand peut déterminer les mesures techniques et organisationnelles que le responsable du traitement doit prendre pour protéger les données à caractère personnel conformément à l'article 32 du règlement général sur la protection des données. ]1

Art. 34/4. [1 § 1. In dit artikel wordt verstaan onder:
1° betrokkene: de natuurlijke persoon die deelneemt aan het programma voor humane biomonitoring, vermeld in artikel 54, § 2;
2° preventiewerker milieu-gezondheid: een persoon die aangeworven wordt of ingezet wordt in ondersteuning van de medisch milieukundigen bij de Logo's, voor de uitvoering van het preventief gezondheidsbeleid inzake milieugezondheidszorg door de Logo's.
§ 2. De administratie, of de organisatie die een subsidie ontvangt van de Vlaamse Regering om het programma voor humane biomonitoring, vermeld in artikel 54, § 2, te realiseren, kan persoonsgegevens verwerken van betrokkenen voor de uitvoering van het programma voor humane biomonitoring, vermeld in artikel 54, § 2.
§ 3. In het kader van de doeleinden, vermeld in paragraaf 4, kunnen de volgende persoonsgegevens van de betrokkene verwerkt worden:
1° de persoonsgegevens om de betrokkene te identificeren, waaronder het rijksregisternummer of het identificatienummer van de sociale zekerheid, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
2° de volgende contactgegevens van de betrokkene:
a) het gsm- en telefoonnummer;
b) het e-mailadres;
c) het adres;
3° de volgende gegevens over de gezondheid van de betrokkene:
a) de gegevens over de milieugerelateerde gezondheidseffecten van de betrokkene die noodzakelijk zijn om het initiatief of de maatregel te realiseren, waaronder ook gegevens uit bevraging, lichamelijk onderzoek of beeldvormend onderzoek;
b) de relevante gegevens uit stalen die worden afgenomen van het lichaam van de betrokkene in het kader van de humane biomonitoring;
4° de gegevens over de leefstijl van de betrokkene die noodzakelijk zijn om het initiatief of de maatregel te realiseren;
5° de socio-economische gegevens van de betrokkene die noodzakelijk zijn om het initiatief of de maatregel te realiseren;
6° de gegevens over de preventieve begeleiding die is aangeboden aan de betrokkene in het kader van het initiatief of de maatregel in kwestie;
7° de gegevens over de persoonlijke blootstelling van de betrokkene aan omgevingsfactoren, zoals bodem, lucht, water, lokale voeding en binnenmilieu.
De Vlaamse Regering kan, na advies van de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens, vermeld in artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer, de lijst van gegevens, vermeld in het eerste lid, inclusief de gegevens over gezondheid, vermeld in artikel 4, 15), van de algemene verordening gegevensbescherming, nader preciseren.
De gegevens, vermeld in het eerste lid, worden maximaal dertig jaar bewaard na de afronding van het eerste onderzoek waaraan de betrokkene deelnam in het kader van de humane biomonitoring. De Vlaamse Regering kan, na advies van de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens, vermeld in artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer, een kortere termijn bepalen waarin de verwerkte persoonsgegevens worden bewaard.
De Vlaamse Regering kan, na advies van de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens, vermeld in artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer, de volgende modaliteiten bepalen:
1° de regels voor en de wijze van de verwerking van de gegevens;
2° de vorm en de wijze waarop gegevens worden uitgewisseld.
§ 4. De gegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, worden verwerkt voor de volgende doeleinden:
1° de uitvoering van het programma voor humane biomonitoring, vermeld in artikel 54, § 2;
2° het opnieuw contacteren van de betrokkene in het kader van gezondheids-opvolging of in het kader van een nieuw, gerelateerd onderzoek;
3° wetenschappelijke of beleidsdoeleinden, na anonimisering of minstens na pseudonimisering, als anonimisering niet toelaat om het doeleinde te bereiken.
Met het oog op het doeleinde, vermeld in het eerste lid, 3°, kunnen de gegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid:
1° gekoppeld worden met gegevens die onttrokken worden uit gegevensbanken met milieugegevens, die opgericht zijn door overheidsinstanties binnen het beleidsdomein Omgeving;
2° gekoppeld worden met gegevens die onttrokken worden uit de volgende gegevensbanken:
a) gegevensbanken met gezondheidsgegevens van het Intermutualistisch Agentschap;
b) gegevensbanken met gezondheidsgegevens van netwerken waarin de Vlaamse huisartsen verenigd zijn;
c) gegevensbanken met geboorte- of mortaliteitsgegevens;
d) gegevensbanken waarin gegevens in verband met kanker geregistreerd worden;
e) gegevensbanken met gegevens over opnames in ziekenhuizen;
f) gegevensbanken van de centra voor leerlingenbegeleiding, vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;
3° geheranalyseerd worden op basis van nieuwe statistische technieken en wetenschappelijke kennis.
De gegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, en de interpreteerbare individuele resultaten van de humane biomonitoring worden meegedeeld aan de betrokkene.
De gegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 1°, 3°, 4° en 5°, en de interpreteerbare individuele resultaten van de humane biomonitoring worden meegedeeld aan de behandelend arts van de betrokkene.
De gegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, en de interpreteerbare individuele resultaten van de humane biomonitoring kunnen desgevallend meegedeeld worden aan een preventiewerker milieu-gezondheid.
De gegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 1°, 3° en 4°, worden ontsloten naar het elektronisch medisch dossier van de betrokkene, behalve in de gevallen waarin de betrokkene zich verzet tegen de ontsluiting.
§ 5. De organisatie die een subsidie ontvangt van de Vlaamse Regering om het programma voor humane biomonitoring, vermeld in artikel 54, § 2, te realiseren, is de verwerkingsverantwoordelijke voor de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, die verwerkt worden in het kader van het programma voor humane biomonitoring.
De Vlaamse Regering kan bepalen welke technische en organisatorische maatregelen de verwerkingsverantwoordelijke moet treffen om de persoonsgegevens te beschermen conform artikel 32 van de algemene verordening gegevensbescherming.
§ 6. Als de administratie zelf het programma voor humane biomonitoring realiseert of als dat gebeurt in het kader van een overheidsopdracht, is de administratie zelf de verwerkingsverantwoordelijke.
De Vlaamse Regering kan bepalen welke technische en organisatorische maatregelen de verwerkingsverantwoordelijke moet treffen om de persoonsgegevens te beschermen conform artikel 32 van de algemene verordening gegevensbescherming. ]1

Art. 34/4. [1 § 1er. Dans le présent article, on entend par :
1° intéressé : la personne physique qui participe au programme de biosurveillance humaine, visé à l'article 54, § 2 ;
2° travailleur de prévention en santé environnementale : une personne qui est engagée ou détachée pour soutenir les experts écologiques médicaux chez les Logos, aux fins d'exécution de la politique de santé préventive en matière de santé environnementale par les Logos.
§ 2. L'administration, ou l'organisation qui reçoit une subvention du Gouvernement flamand pour réaliser le programme de biosurveillance humaine, visé à l'article 54, § 2, peut traiter des données à caractère personnel d'intéressés aux fins d'exécution du programme de biosurveillance humaine, visé à l'article 54, § 2.
§ 3. Dans le cadre des fins, visées au paragraphe 4, les données à caractère personnel suivantes de l'intéressé peuvent être traitées :
1° les données à caractère personnel permettant d'identifier l'intéressé, dont le numéro de registre national ou le numéro d'identification de la sécurité sociale, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ;
2° les coordonnées suivantes de l'intéressé :
a) les numéros de GSM et de téléphone ;
b) l'adresse e-mail ;
c) l'adresse ;
3° les données suivantes concernant la santé de l'intéressé :
a) les données sur les effets sur la santé relatifs à la santé environnementale de l'intéressé qui sont nécessaires pour réaliser l'initiative ou la mesure, dont les données du questionnaire, de l'examen physique ou de l'imagerie médicale ;
b) les données pertinentes d'échantillons prélevés du corps de l'intéressé dans le cadre de la biosurveillance humaine ;
4° les données sur le mode de vie de l'intéressé qui sont nécessaires pour réaliser l'initiative ou la mesure ;
5° les données socio-économiques de l'intéressé qui sont nécessaires pour réaliser l'initiative ou la mesure ;
6° les données relatives à l'accompagnement préventif proposé à l'intéressé dans le cadre de l'initiative ou de la mesure concernée ;
7° les données relatives à l'exposition personnelle de l'intéressé à des facteurs environnementaux comme le sol, l'air, l'eau, l'alimentation locale et le milieu intérieur.
Le Gouvernement flamand peut, après avis de la Commission de contrôle flamande du traitement des données à caractère personnel, visée à l'article 10/1 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, préciser la liste des données visées à l'alinéa 1er, y compris les données relatives à la santé visées à l'article 4, 15) du règlement général sur la protection des données.
Les données, visées à l'alinéa 1er, sont conservées pendant une période de trente ans maximum après l'achèvement du premier examen auquel l'intéressé a participé dans le cadre de la biosurveillance humaine. Sur avis de la Commission de contrôle flamande du traitement des données à caractère personnel visée à l'article 10/1 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, le Gouvernement flamand peut déterminer une période plus courte pendant laquelle les données à caractère personnel traitées sont conservées.
Sur avis de la Commission de contrôle flamande du traitement des données à caractère personnel visée à l'article 10/1 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, le Gouvernement flamand peut fixer les modalités suivantes :
1° les règles et la manière de traitement des données ;
2° la forme et les modalités d'échange des données.
§ 4. Les données, visées au paragraphe 3, alinéa 1er, sont traitées aux fins suivantes :
1° l'exécution du programme de biosurveillance humaine, visé à l'article 54, § 2 ;
2° la nouvelle prise de contact avec l'intéressé dans le cadre du suivi de la santé ou dans le cadre d'un nouvel examen y afférent ;
3° des fins scientifiques ou politiques, après anonymisation ou au moins après pseudonymisation, si l'anonymisation ne permet pas d'atteindre l'objectif.
Aux fins visées à l'alinéa 1er, 3°, les données, visées au paragraphe 3, alinéa 1er, peuvent :
1° être associées avec des données qui sont extraites de banques de données contenant des données environnementales, qui sont créées par des instances publiques au sein du domaine politique de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire ;
2° être associées avec des données qui sont extraites des banques de données suivantes :
a) des banques de données contenant des données relatives à la santé de l'Agence Intermutualiste ;
b) des banques de données contenant des données relatives à la santé de réseaux regroupant les médecins généralistes flamands ;
c) des banques de données contenant des données relatives aux naissances et à la mortalité ;
d) des banques de données dans lesquelles sont enregistrées des données en lien avec le cancer ;
e) des banques de données contenant des données relatives aux admissions dans des hôpitaux ;
f) des banques de données des centres d'encadrement des élèves, visés à l'article 2, 3°, du décret du 27 avril 2018 relatif à l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire et dans les centres d'encadrement des élèves ;
3° être à nouveau analysées sur la base de nouvelles techniques statistiques et connaissances scientifiques.
Les données, visées au paragraphe 3, alinéa 1er, et les résultats individuels interprétables de la biosurveillance humaine sont communiqués à l'intéressé.
Les données, visées au paragraphe 3, alinéa 1er, 1°, 3°, 4° et 5°, et les résultats individuels interprétables de la biosurveillance humaine sont communiqués au médecin traitant de l'intéressé.
Le cas échéant, les données, visées au paragraphe 3, alinéa 1er, et les résultats individuels interprétables de la biosurveillance humaine peuvent être communiqués à un travailleur de prévention en santé environnementale.
Les données, visées au paragraphe 3, alinéa 1er, 1°, 3° en 4°, sont rendues accessibles dans le dossier médical électronique de l'intéressé, sauf dans les cas où l'intéressé s'oppose à leur divulgation.
§ 5. L'organisation qui reçoit une subvention du Gouvernement flamand pour réaliser le programme de biosurveillance humaine, visé à l'article 54, § 2, est le responsable du traitement des données à caractère personnel, visées au paragraphe 3, alinéa 1er, qui sont traitées dans le cadre du programme de biosurveillance humaine.
Le Gouvernement flamand peut déterminer les mesures techniques et organisationnelles que le responsable du traitement doit prendre pour protéger les données à caractère personnel conformément à l'article 32 du règlement général sur la protection des données.
§ 6. Lorsque l'administration réalise elle-même le programme de biosurveillance humaine ou si celui-ci a lieu dans le cadre d'un marché public, l'administration elle-même est le responsable du traitement.
Le Gouvernement flamand peut déterminer les mesures techniques et organisationnelles que le responsable du traitement doit prendre pour protéger les données à caractère personnel conformément à l'article 32 du règlement général sur la protection des données. ]1

HOOFDSTUK XI. - Collectieve gezondheidsovereenkomst.
CHAPITRE XI. - Convention collective de santé.
Art. 35. De Vlaamse regering kan een collectieve gezondheidsovereenkomst sluiten met partnerorganisaties, organisaties met terreinwerking of andere organisaties of instanties die een bijdrage kunnen leveren aan het preventieve gezondheidsbeleid.
Art. 35. Le Gouvernement flamand peut conclure une convention collective de santé avec des organisations partenaires, des organisations oeuvrant sur le terrain ou avec d'autres organisations ou instances pouvant contribuer à la politique de santé préventive.
TITEL IV. - Verantwoordingsplicht en toezicht.
TITRE IV. - Obligation de rendre compte et controle.
Art. 36. Alle Logo's, partnerorganisaties, organisaties met terreinwerking en individuele zorgaanbieders, die door de Vlaamse regering erkend en/of gesubsidieerd worden voor opdrachten inzake preventieve gezondheidszorg, moeten verantwoording afleggen en zijn onderworpen aan een toezicht.
De Vlaamse regering kan hiertoe nadere regels bepalen.
Art. 36. Tous les Logos, organisations partenaires, organisations oeuvrant sur le terrain et prestataires de soins individuels qui sont agréés et/ou subventionnés par le Gouvernement flamand pour des missions en matière de soins de santé préventifs, doivent rendre des comptes et sont soumis à un contrôle.
Le Gouvernement flamand peut déterminer les modalités à cet effet.
Art. 37. De subsidies die de Vlaamse regering toekent aan Logo's, partnerorganisaties, organisaties met terreinwerking of individuele zorgaanbieders, voor opdrachten binnen het kader van dit decreet, kunnen enkel aangewend worden voor de uitvoering van deze opdrachten.
Art. 37. Les subventions octroyées par le Gouvernement flamand aux Logos, organisations partenaires, organisations oeuvrant sur le terrain ou prestataires de soins individuels, pour des missions dans le cadre du présent décret, ne peuvent être utilisées que pour l'exécution de ces missions.
Art. 38. § 1. Om dubbele financiering van een zelfde activiteit te vermijden en onder voorbehoud van de toepassing van artikel 36, zijn alle Logo's, partnerorganisaties, organisaties met terreinwerking, die door de Vlaamse regering gesubsidieerd worden voor opdrachten inzake preventieve gezondheidszorg, op eenvoudig verzoek van de Vlaamse regering gehouden tot het kenbaar maken van alle andere financiële middelen dan die welke verkregen zijn in het kader van dit decreet. Alle stavingsstukken moeten op eenvoudig verzoek ter beschikking gesteld kunnen worden.
§ 2. Tenzij dubbele financiering van een zelfde activiteit wordt aangetoond, worden de buiten dit decreet verworven financiële middelen niet in mindering gebracht van de subsidies, verkregen via dit decreet.
§ 3. Het aanleggen van reserves kan worden toegestaan. De Vlaamse regering bepaalt hiertoe nadere regels.
Art. 38. § 1er. Afin d'éviter un double financement d'une même activité, et sous réserve de l'application de l'article 36, tous les Logos, organisations partenaires, organisations oeuvrant sur le terrain, qui sont subventionnés par le Gouvernement flamand pour des missions en matière de soins de santé préventifs, sont tenus, sur simple demande du Gouvernement flamand, de faire connaître tous les moyens financiers autres que ceux obtenus dans le cadre du présent décret. Toutes les pièces justificatives sont consultables sur simple demande.
§ 2. Sauf si un double financement d'une même activité est démontré, les moyens financiers acquis en dehors du cadre du présent décret ne sont pas déduits des subventions obtenues en vertu du présent décret.
§ 3. La constitution de réserves peut être autorisée. Le Gouvernement flamand détermine les modalités à cet effet.
TITEL V. - Initiatieven met betrekking tot exogene factoren.
TITRE V. - Initiatives relatives aux facteurs exogènes.
HOOFDSTUK I. - Initiatieven met betrekking tot fysieke, ruimtelijke en materiële omgevingsfactoren.
CHAPITRE Ier. - Initiatives relatives aux facteurs ambiants physiques, spatiaux et matériels.
Afdeling I. - Initiatieven met betrekking tot biotische factoren.
Section Ire. - Initiatives relatives aux facteurs biotiques.
Onderafdeling I. - Initiatieven om schadelijke effecten, veroorzaakt door biotische factoren, te voorkomen.
Sous-section Ire. - Initiatives visant à prévenir les effets nocifs causés par des facteurs biotiques.
Art. 39. § 1. De Vlaamse regering beoogt schadelijke effecten, veroorzaakt door biotische factoren, te voorkomen bij de mens.
§ 2. Ze kan met betrekking tot biotische factoren die een potentieel gevaar vormen voor de volksgezondheid, initiatieven nemen ter voorkoming van infecties, allergieën of intoxicaties. Die maatregelen moeten gemotiveerd worden.
Art. 39. § 1er. Le Gouvernement flamand vise à prévenir les effets nocifs pour l'homme, causes par des facteurs biotiques.
§ 2. En ce qui concerne les facteurs biotiques qui constituent un danger potentiel pour la santé des personnes, il peut prendre des initiatives visant à prévenir des infections, allergies ou intoxications. Ces mesures doivent être motivées.
Art. 40. Onverminderd de bevoegdheden van officieren van de gerechtelijke politie en van de burgemeester, houden de ambtenaren die de Vlaamse regering aanduidt, ieder voor zijn opdracht, toezicht op de naleving van artikel 39.
Art. 40. Sans préjudice des attributions des officiers de police judiciaire et du bourgmestre, les fonctionnaires désignés par le Gouvernement flamand contrôlent, chacun dans le cadre de sa mission, l'observation de l'article 39.
Art. 41. § 1. Binnen de bevoegdheden die aan hen toegewezen zijn overeenkomstig artikel 40, kunnen de in artikel 40 bedoelde ambtenaren, mondelinge of schriftelijke raadgevingen, aanmaningen en bevelen geven.
§ 2. De in artikel 40 bedoelde ambtenaren stellen de overtredingen vast door middel van processen-verbaal die bewijskracht hebben tot het tegendeel bewezen is. Een afschrift van het proces-verbaal wordt per aangetekende brief ter kennis gebracht van de overtreder binnen vijf werkdagen na de vaststelling van de overtreding. De postdatum geldt hiervoor als bewijs. Ook wordt een afschrift van het proces-verbaal schriftelijk ter kennis gebracht van de administratie.
§ 3. Binnen de perken van hun opdracht en voorzover dat noodzakelijk wordt geacht, hebben de in artikel 40 bedoelde ambtenaren, op elk ogenblik van de dag of van de nacht, zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang tot alle plaatsen waaruit het risico op de effecten, bedoeld in artikel 39, § 2, kan voortkomen.
§ 4. Binnen de perken van hun opdracht en voorzover dat noodzakelijk wordt geacht, mogen de in artikel 40 bedoelde ambtenaren :
- elk onderzoek, elke controle en elke enquête instellen, alsook alle inlichtingen inwinnen die zij nodig achten;
- bij de uitoefening van hun ambt de bijstand van de lokale of federale politie vorderen.
§ 5. De burgemeesters, met uitzondering van de burgemeesters van gemeenten van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, en de krachtens artikel 40 aangeduide ambtenaren kunnen de gehele of gedeeltelijke stillegging of sluiting bevelen van de plaats, ruimte, inrichting of installatie die de oorzaak kan zijn van de besmetting, wanneer zij vaststellen dat de opgelegde maatregelen niet nageleefd worden, wanneer de bevelen of aanmaningen, bedoeld in § 1, niet opgevolgd worden of wanneer er een dreigend of ernstig gevaar bestaat voor de volksgezondheid.
[1 § 5/1. Als er een dreigend of ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat, kunnen de ambtenaren die krachtens artikel 40 aangewezen zijn, ook maatregelen bevelen die strekken tot:
a) de desinfectie van de plaats, ruimte, inrichting of installatie die de oorzaak kan zijn van de besmetting;
b) het aanbrengen van wijzigingen in de procesvoering die de oorzaak kan zijn van de besmetting;
c) de uitvoering van werkzaamheden aan de plaats, ruimte, inrichting of installatie die de oorzaak kan zijn van de besmetting.]1

§ 6. Als niet onmiddellijk gevolg wordt gegeven aan de maatregelen, bedoeld in artikel 39, § 2, en [1 de aanmaningen en bevelen, vermeld in § 5 en § 5/1]1, kunnen de krachtens artikel 40 aangeduide ambtenaren of de burgemeesters, bedoeld in § 5, de nodige maatregelen ambtshalve uitvoeren of doen uitvoeren.
§ 7. Alle maatregelen, bevelen, stilleggingen of sluitingen, bedoeld in § 1, § 5 [1 , § 5/1]1 en § 6, moeten gemotiveerd worden.
Art. 41. § 1er. Dans les limites des compétences qui leur sont attribuées conformément à l'article 40, les fonctionnaires visés à l'article 40 peuvent donner des conseils, sommations et ordres oraux ou écrits.
§ 2. Les fonctionnaires visés à l'article 40 constatent les infractions par des procès-verbaux faisant foi jusqu'à preuve du contraire. Une copie du procès-verbal est adressée par lettre recommandée, au contrevenant dans les cinq jours ouvrables de la constatation de l'infraction. Le cachet de la poste fait foi. Une copie du procès-verbal est également notifiée par écrit à l'administration.
§ 3. Dans les limites de leur mission, et dans la mesure où il est jugé nécessaire, les fonctionnaires visés a l'article 40 ont libre accès à tous les endroits pouvant provoquer le risque aux effets visés à l'article 39, § 2, à tout moment le jour ou la nuit, sans avis préalable.
§ 4. Dans les limites de leur mission, et dans la mesure où il est jugé nécessaire, les fonctionnaires visés à l'article 40 sont autorisés à :
a) mener toute investigation, tout contrôle ou toute enquête et recueillir toutes les informations qu'ils jugent utiles;
b) requérir l'assistance de la police locale ou fédérale dans l'exercice de leur fonction.
§ 5. Les bourgmestres, à l'exception des bourgmestres des communes de la région bilingue de Bruxelles-Capitale, et les fonctionnaires désignés en vertu de l'article 40, peuvent ordonner l'arrêt total ou partiel ou la fermeture totale ou partielle du lieu, de l'espace, de l'établissement ou de l'installation qui peut être la cause de la contamination, lorsqu'ils constatent que les mesures imposées ne sont pas respectées, lorsque les ordres ou sommations visés au § 1er ne sont pas suivis ou lorsqu'un danger imminent ou grave menace la santé publique.
[1 § 5/1. Lorsqu'un danger imminent ou grave menace la santé publique, les fonctionnaires désignés en vertu de l'article 40 peuvent également ordonner des mesures visant à :
a) désinfecter le lieu, l'espace, l'établissement ou l'installation qui peut être la cause de la contamination ;
b) apporter des modifications dans le processus qui peut être la cause de la contamination ;
c) exécuter des travaux dans le lieu, l'espace, l'établissement ou l'installation qui peut être la cause de la contamination].-1
§ 6. S'il n'est pas obtempéré immédiatement aux mesures visées à l'article 39, § 2, et [1 aux sommations et ordres visés au § 5 et au § 5/1, ]1
, les fonctionnaires désignés conformément à l'article 40 ou les bourgmestres, visés au § 5, peuvent exécuter ou faire exécuter d'office les mesures nécessaires.
§ 7. Les mesures, ordres, arrêts ou fermetures visés aux § 1er § 5 [1 § 5/1]1 et § 6, doivent être motivés.
Art. 42. De gemeentelijke en provinciale overheden, met uitzondering van de gemeenten van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, moeten hun medewerking verlenen aan de uitvoering van artikelen 39 en 40.
Art. 42. Les autorités communales et provinciales, à l'exception des communes de la région bilingue de Bruxelles-Capitale, doivent apporter leur collaboration à l'exécution des articles 39 et 40.
Art. 43. § 1. Om bepaalde infecties te voorkomen, stelt de Vlaamse regering een [2 immunisatieschema]2 op dat de aanbevolen [2 immunisaties]2 weergeeft voor de bevolking, en informeert ze de [2 toedieners]2 en de bevolking hierover.
§ 2. De Vlaamse regering neemt initiatieven om de [2 immunisatiegraad]2 van de bevolking zo hoog mogelijk te maken.
§ 3. [1 ...]1
§ 4. De Vlaamse regering kan bepalen in welke omstandigheden andere [2 preventieve geneesmiddelen]2 of andere [2 immunisatietijdstippen]2 worden aanbevolen dan die aangegeven worden in het [2 immunisatieschema]2, bedoeld in § 1.
[2 § 5. De Vlaamse Regering bepaalt de lijst van preventieve geneesmiddelen waar de bepalingen van dit decreet op van toepassing zijn.]2
Art. 43. § 1er. En vue de prévenir certaines infections, le Gouvernement flamand établit un [2 schéma d'immunisation]2 qui reprend les [2 immunisations]2 recommandées pour la population, et il informe les [2 personnes qui administrent les médicaments]2 et la population à ce sujet.
§ 2. Le Gouvernement flamand prend des initiatives visant à atteindre un [2 taux d'immunisation]2 aussi élevé que possible de la population.
§ 3.[1 ...]1
§ 4. Le Gouvernement flamand peut fixer les circonstances dans lesquelles des [2 médicaments préventifs]2 ou des moments [2 d'immunisation]2 sont recommandés autres que ceux repris dans le schéma de vaccination visé au § 1er.
[2 § 5. Le Gouvernement flamand établit la liste des médicaments préven-tifs auxquels s'appliquent les dispositions du présent décret.]2
Art. 43/1. [1 § 1. In dit artikel wordt verstaan onder bestelsysteem van de Vlaamse Gemeenschap: het systeem via hetwelk de Vlaamse Gemeenschap in het kader van haar programmatorisch immunisatiebeleid gratis preventieve geneesmiddelen ter beschikking stelt aan toedieners of aan entiteiten via dewelke de gratis preventieve geneesmiddelen worden toegediend en die erop toezien dat de gratis preventieve geneesmiddelen gebruikt worden voor de doelgroepen waarvoor ze bedoeld zijn.
§ 2. De toedieners die een preventief geneesmiddel toedienen in het Nederlandse taalgebied of in een instelling in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die door haar organisatie beschouwd moet worden als uitsluitend ressorterend onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap, registreren de immunisaties die deel uitmaken van het immunisatieschema, vermeld in artikel 43, § 1, in het registratiesysteem dat de Vlaamse Gemeenschap ter beschikking stelt.
Met behoud van de toepassing van het eerste lid registreren toedieners die een preventief geneesmiddel toedienen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, de immunisaties met preventieve geneesmiddelen die ze hebben besteld via het bestelsysteem van de Vlaamse Gemeenschap en die gratis aan burgers worden aangeboden, in het registratiesysteem, vermeld in het eerste lid.
De Vlaamse Regering kan bepalen dat immunisaties die geen deel uitmaken van het immunisatieschema, vermeld in artikel 43, § 1, die toegediend zijn in het Nederlandse taalgebied of in een instelling in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die door haar organisatie beschouwd moet worden als uitsluitend ressorterend onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap en die kaderen in de preventieve gezondheidszorg, door de toedieners geregistreerd worden in het registratiesysteem, vermeld in het eerste lid, behalve als de persoon aan wie het preventieve geneesmiddel is toegediend, zich verzet tegen de registratie van die immunisatie. De Vlaamse Regering bepaalt in dat geval om welke immunisaties het gaat.
In afwijking van het eerste, tweede en derde lid kunnen in het registratiesysteem, vermeld in het eerste lid, ook immunisaties worden geregistreerd die in het buitenland zijn toegediend of die zijn toegediend in het Nederlandse taalgebied of in een instelling in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die door haar organisatie beschouwd moet worden als uitsluitend ressorterend onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap, maar die niet geregistreerd konden worden conform het eerste of derde lid, als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
1° de immunisatie kadert in de preventieve gezondheidszorg;
2° de registratie gebeurt op verzoek van de persoon aan wie het preventieve geneesmiddel is toegediend;
3° de persoon aan wie het preventieve geneesmiddel is toegediend, legt een bewijs van toediening van het preventieve geneesmiddel voor.
De toediener kan voor de registratie een gevolmachtigde aanwijzen, die onder zijn verantwoordelijkheid de registratie verricht. De gevolmachtigde is daarbij gehouden tot een discretieplicht.
§ 3. De volgende gegevens worden opgenomen in het registratiesysteem, vermeld in paragraaf 2, eerste lid:
1° de volgende identiteits- en contactgegevens van de persoon aan wie het preventieve geneesmiddel wordt toegediend:
a) het identificatienummer van het Rijksregister of het identificatienummer van de Kruispuntbank, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
b) de naam en voornaam;
c) de geboortedatum;
d) de hoofdverblijfplaats;
e) het geslacht;
f) in voorkomend geval, de datum van overlijden;
2° de volgende identiteits- en eventuele contactgegevens van de persoon die conform paragraaf 2 verantwoordelijk is voor de registratie van de immunisatie:
a) het identificatienummer van het Rijksregister of het identificatienummer van de Kruispuntbank, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
b) in voorkomend geval, het RIZIV-nummer;
c) het adres;
d) de naam en voornaam;
e) in voorkomend geval, via welke entiteit het preventieve geneesmiddel is toegediend;
3° de volgende gegevens over het toegediende preventieve geneesmiddel:
a) de specialiteit;
b) als dat bekend is, het merk;
c) de dosis die tijdens de immunisatie is toegediend;
d) als dat bekend is, het lotnummer;
4° de datum van de toediening van het preventieve geneesmiddel;
5° de datum van de registratie van de immunisatie;
6° het land waar het preventieve geneesmiddel is toegediend;
7° in geval van een registratie van een immunisatie met een preventief geneesmiddel dat besteld is via het bestelsysteem van de Vlaamse Gemeenschap en dat gratis wordt aangeboden, de voorraadlocatie;
8° het logische identificatienummer.
De gegevens, vermeld in het eerste lid, 1°, a), 2°, a), b) en e), 3°, 4°, 6° en 7°, worden door de toediener, vermeld in paragraaf 2, geregistreerd.
In afwijking van het tweede lid registreert de toediener de gegevens, vermeld in het eerste lid, 1°, b), c) en d), als die de gegevens, vermeld in het eerste lid, 1°, a), niet kent.
De volgende gegevens kunnen geregistreerd worden in het registratiesysteem, vermeld in paragraaf 2, eerste lid:
1° de toedieningsweg van het preventieve geneesmiddel;
2° het lichaamsdeel waar het preventieve geneesmiddel is toegediend;
3° de vermelding of het preventieve geneesmiddel toegediend is na blootstelling aan de ziekteverwekkende biotische factor;
4° andere informatie die relevant is voor de immunisatie van de persoon aan wie het preventieve geneesmiddel toegediend is;
5° de volgende gegevens van de persoon die conform paragraaf 2 verantwoordelijk is voor de registratie van de immunisatie:
a) het telefoonnummer;
b) het e-mailadres.
Als aan een zwangere persoon een preventief geneesmiddel wordt toegediend om het ongeboren kind te beschermen, kunnen de gegevens, vermeld in het eerste en vierde lid, die over die immunisatie geregistreerd zijn, later ook worden geregistreerd bij het kind dat door de immunisatie beschermd is. Naast de gegevens, vermeld in het eerste en vierde lid, kunnen de volgende persoonsgegevens verwerkt worden:
1° gegevens over de duur van de zwangerschap op het moment van de immunisatie;
2° gegevens over de afstamming;
3° gegevens over de uitkomst van de zwangerschap;
4° de volgende gegevens over het kind:
a) het identificatienummer van het Rijksregister of het identificatienummer van de Kruispuntbank, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
b) de naam en voornaam;
c) de geboortedatum;
d) de datum van overlijden als dat van toepassing is.
§ 4. De gegevens, vermeld in paragraaf 3, die geregistreerd zijn conform paragraaf 2, kunnen verwerkt worden voor de volgende doeleinden:
1° het beheer van immunisatieschema's per persoon die moet worden geïmmuniseerd of per persoon aan wie een preventief geneesmiddel is toegediend, en de inplanning van immunisatiemomenten;
2° de logistieke beleidsrapportering van de immunisatie na anonimisering of ten minste na pseudonimisering van de gegevens als de anonimisering de logistieke beleidsrapportering niet mogelijk maakt;
3° de controle en het beheer van de bestellingen van preventieve geneesmiddelen om volledig of gedeeltelijk te kunnen ingrijpen op de automatische doorstroom van bestellingen. Voor dit doeleinde kunnen alleen persoonsgegevens verwerkt worden van personen aan wie een preventief geneesmiddel is toegediend dat is besteld via het bestelsysteem van de Vlaamse Gemeenschap;
4° het contacteren van de toediener om:
a) het belang te signaleren van specifieke immunisaties in het kader van de opvolging van infectieziekten die door immunisaties voorkomen kunnen worden;
b) gegevens te controleren die opgenomen zijn in het bestelsysteem van de Vlaamse Gemeenschap en het registratiesysteem, vermeld in paragraaf 2, eerste lid;
5° de uitvoering van wetenschappelijke of statistische studies na anonimisering of ten minste na pseudonimisering van de gegevens als anonimisering niet toelaat om het wetenschappelijke of statistische doeleinde te bereiken;
6° het bepalen van de anonieme immunisatiegraad, vermeld in artikel 43/2;
7° het gebruik van het registratiesysteem, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, door de toedieners om kennis te nemen van de eerder toegediende preventieve geneesmiddelen om:
a) een overzicht te krijgen van alle immunisaties die ze zelf hebben toegediend;
b) te vermijden dat preventieve geneesmiddelen die al zijn toegediend aan een persoon, onnodig nogmaals worden toegediend;
c) te kunnen detecteren welke preventieve geneesmiddelen nog niet toegediend zijn aan een persoon;
d) gegevens die opgenomen zijn in het registratiesysteem, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, te corrigeren of verwijderen;
8° het ontsluiten van de gegevens naar andere gezondheidszorgbeoefenaars in het kader van een therapeutische relatie als vermeld in artikel 37 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg, met het oog op het verlenen van zorg, waaronder ook preventieve zorg;
9° het nemen van maatregelen door de ambtenaren-artsen en ambtenaren, vermeld in artikel 44, § 3, 2° en 3°, en het onderzoeken van een melding en het bron- of contactonderzoek in het kader van de toepassing van artikel 45, 45/1 en 45/2;
10° de organisatie en de evaluatie van de bevolkingsonderzoeken, vermeld in artikel 31, § 1;
11° de organisatie en de evaluatie van het immunisatiebeleid;
12° de uitvoering van de opdrachten van de centra voor leerlingenbegeleiding, vermeld in artikel 4, § 2, vierde en vijfde lid, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;
13° de uitvoering van de opdrachten van Opgroeien regie, vermeld in artikel 7 van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie.
Met het oog op de doeleinden, vermeld in het eerste lid, kunnen alleen de gegevens, vermeld in paragraaf 3, verwerkt worden die noodzakelijk zijn om het doeleinde in kwestie te bereiken.
De gegevens, vermeld in paragraaf 3, kunnen doorgegeven worden aan of geraadpleegd worden door de volgende derden:
1° de toedieners voor de doeleinden, vermeld in het eerste lid, 1° en 7° ;
2° gezondheidszorgbeoefenaars voor het doeleinde, vermeld in het eerste lid, 8° ;
3° onderzoeksinstellingen voor het doeleinde, vermeld in het eerste lid, 5° ;
4° de artsen bij de centra voor leerlingenbegeleiding, vermeld in het eerste lid, 12° ;
5° Opgroeien regie voor het doeleinde, vermeld in het eerste lid, 13°.
§ 5. De gegevens, vermeld in paragraaf 3, worden in het registratiesysteem, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, maximaal bewaard tot het overlijden van de persoon aan wie het preventieve geneesmiddel is toegediend.
Als de persoon aan wie het preventieve geneesmiddel is toegediend overlijdt binnen dertig jaar na de toediening van het laatste preventieve geneesmiddel, worden in afwijking van het eerste lid de gegevens, vermeld in paragraaf 3, in het registratiesysteem, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, bewaard tot dertig jaar na het moment dat het laatste preventieve geneesmiddel is toegediend.
§ 6. De administratie is de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming, voor de verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3.]1

Art. 43/1. [1 § 1er. Aux fins du présent article, on entend par système de commande de la Communauté flamande : le système par lequel la Communauté flamande, dans le cadre de sa politique d'immunisation programmée, met des médicaments préventifs gratuits à la disposition des personnes qui administrent les médicaments ou des entités par l'intermédiaire desquels les médicaments préventifs gratuits sont administrés et qui veillent à ce que les médicaments préventifs gratuits soient utilisés pour les groupes cibles auxquels ils sont destinés.
§ 2. Les personnes qui administrent un médicament préventif dans la région de langue néerlandaise ou dans un établissement de la région bilingue de Bruxelles-Capitale qui doit être considéré, en raison de son organisation, comme relevant exclusivement de la compétence de la Communauté flamande, enregistrent dans le système d'enregistrement mis à disposition par la Communauté flamande les immunisations qui font partie du schéma d'immunisation visé à l'article 43, § 1er.
Sans préjudice de l'application de l'alinéa 1er, les personnes qui administrent un médicament préventif dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale enregistrent dans le système d'enregistrement visé à l'alinéa 1er les immunisations par des médicaments préventifs qu'ils ont commandés via le système de commande de la Communauté flamande et qui sont offerts gratuitement aux citoyens.
Le Gouvernement flamand peut disposer que les immunisations qui ne font pas partie du schéma d'immunisation visé à l'article 43, § 1er, et qui sont administrées dans la région de langue néerlandaise ou dans un établissement de la région bilingue de Bruxelles-Capitale qui doit être considéré, en raison de son organisation, comme relevant exclusivement de la compétence de la Communauté flamande et qui s'inscrivent dans le cadre des soins de santé préventifs, sont enregistrées dans le système d'enregistrement visé à l'alinéa 1er par les personnes qui administrent les médicaments, sauf si la personne à qui le médicament préventif a été administré s'oppose à l'enregistrement de cette immunisation. Dans ce cas, le Gouvernement flamand détermine de quelles immunisations il s'agit.
Par dérogation aux alinéas 1er, 2 et 3, peuvent également être enregistrées dans le système d'enregistrement visé à l'alinéa 1er les immunisations qui ont été administrées à l'étranger, dans la région de langue néerlandaise ou dans un établissement de la région bilingue de Bruxelles-Capitale qui doit être considéré, en raison de son organisation, comme relevant exclusivement de la compétence de la Communauté flamande, mais qui n'ont pas pu être enregistrées conformément à l'alinéa 1er ou 3, lorsque les conditions suivantes sont réunies :
1° l'immunisation s'inscrit dans le cadre des soins de santé préventifs ;
2° l'enregistrement est effectué à la demande de la personne à qui le médicament préventif a été administré ;
3° la personne à qui le médicament préventif a été administré présente une preuve de l'administration du médicament préventif.
La personne qui administre le médicament peut désigner un mandataire qui effectue l'enregistrement sous sa responsabilité. Dans ce cas, le mandataire est soumis à une obligation de discrétion.
§ 3. Les données suivantes sont consignées dans le système d'enregistrement visé au paragraphe 2, alinéa 1er :
1° les données d'identité et de contact suivantes de la personne à qui le médicament préventif est administré :
a) le numéro d'identification du Registre national ou le numéro d'identification de la Banque-Carrefour, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ;
b) nom et prénom ;
c) date de naissance ;
d) résidence principale ;
e) sexe ;
f) le cas échéant, la date du décès ;
2° les données d'identité et, le cas échéant, les coordonnées de la personne responsable de l'enregistrement de l'immunisation conformément au paragraphe 2 :
a) le numéro d'identification du Registre national ou le numéro d'identification de la Banque-Carrefour, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ;
b) le cas échéant, le numéro INAMI ;
c) adresse ;
d) nom et prénom ;
e) le cas échéant, l'entité par l'intermédiaire de laquelle le médicament préventif a été administré ;
3° les données suivantes du médicament préventif administré :
a) la spécialité ;
b) la marque, si elle est connue ;
c) la dose administrée lors de l'immunisation ;
d) le numéro de lot, si il est connu ;
4° la date d'administration du médicament préventif ;
5° la date d'enregistrement de l'immunisation ;
6° le pays où le médicament préventif a été administré ;
7° en cas d'enregistrement d'une immunisation avec un médicament préventif commandé via le système de commande de la Communauté flamande et offert gratuitement, le lieu de stockage ;
8° le numéro d'identification logique.
Les données visées à l'alinéa 1er, 1°, a), 2°, a), b) et e), 3°, 4°, 6° et 7°, sont enregistrées par la personne qui administre le médicament, visée au paragraphe 2.
Par dérogation à l'alinéa 2, la personne qui administre le médicament enregistre les données visées à l'alinéa 1er, 1°, b), c) et d), lorsque celles visées à l'alinéa 1er, 1°, a), ne lui sont pas connues.
Les données suivantes peuvent être enregistrées dans le système d'enregistrement visé au paragraphe 2, alinéa 1er :
1° la voie d'administration du médicament préventif ;
2° la partie du corps où le médicament préventif a été administré ;
3° la mention indiquant si le médicament préventif a été administré après exposition au facteur biotique pathogène ;
4° toute autre information pertinente pour l'immunisation de la personne à qui le médicament préventif a été administré ;
5° les données suivantes de la personne responsable de l'enregistrement de l'immunisation conformément au paragraphe 2 :
a) numéro de téléphone ;
b) adresse e-mail.
Lorsqu'un médicament préventif est administré à une personne enceinte afin de protéger l'enfant à naître, les données visées aux alinéas 1er et 4 concernant cette immunisation qui ont été enregistrées, peuvent également être enregistrées ultérieurement au nom de l'enfant protégé par l'immunisation. Outre les données visées aux alinéas 1er et 4, les données à caractère personnel suivantes peuvent être traitées :
1° les données relatives à la durée de la grossesse au moment de l'immunisation ;
2° les données relatives à la filiation ;
3° les données relatives à l'issue de la grossesse ;
4° les données suivantes relatives à l'enfant :
a) le numéro d'identification du Registre national ou le numéro d'identification de la Banque-Carrefour, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ;
b) nom et prénom ;
c) date de naissance ;
d) la date de décès, le cas échéant.
§ 4. Les données visées au paragraphe 3, enregistrées conformément au paragraphe 2, peuvent être traitées pour les finalités suivantes :
1° la gestion des schémas d'immunisation pour chaque personne à immuniser ou à qui un médicament préventif a été administré, et la planification des moments d'immunisation ;
2° les rapports logistiques stratégiques relatifs à l'immunisation, après anonymisation ou au moins après pseudonymisation des données lorsque l'anonymisation ne permet pas l'établissement de rapports logistiques stratégiques ;
3° le contrôle et la gestion des commandes de médicaments préventifs afin de pouvoir intervenir, de manière intégrale ou partielle, dans le flux automatique des commandes. Pour cette finalité, seules peuvent être traitées les données à caractère personnel des personnes auxquelles a été administré un médicament préventif commandé via le système de commande de la Communauté flamande ;
4° la prise de contact avec la personne qui administre le médicament pour :
a) signaler l'importance des immunisations spécifiques dans le cadre du suivi des maladies infectieuses pouvant être prévenues par des immunisations ;
b) vérifier les données reprises dans le système de commande de la Communauté flamande et dans le système d'enregistrement visé au paragraphe 2, alinéa 1er ;
5° la réalisation d'études scientifiques ou statistiques, après anonymisation ou au moins après pseudonymisation des données lorsque l'anonymisation ne permet pas d'atteindre la finalité scientifique ou statistique ;
6° la détermination du degré d'immunisation anonyme, visé à l'article 43/2 ;
7° l'utilisation du système d'enregistrement, visé au paragraphe 2, alinéa 1er, par les personnes qui administrent les médicaments afin de prendre connaissance des médicaments préventifs précédemment administrés pour :
a) obtenir un aperçu de toutes les immunisations qu'ils ont eux-mêmes administrées ;
b) éviter que des médicaments préventifs déjà administrés à une personne ne soient administrés inutilement une nouvelle fois ;
c) détecter les médicaments préventifs qui n'ont pas encore été administrés à une personne ;
d) corriger ou supprimer des données enregistrées dans le système d'enregistrement visé au paragraphe 2, alinéa 1er ;
8° la mise à disposition des données à d'autres prestataires de soins de santé dans le cadre d'une relation thérapeutique telle que visée à l'article 37 de la loi du 22 avril 2019 relative à la qualité de la pratique des soins de santé, en vue de la prestation de soins, y compris les soins préventifs ;
9° la prise de mesures par les médecins-fonctionnaires et les fonctionnaires, visés à l'article 44, § 3, 2° et 3°, l'examen d'une déclaration, la recherche des sources d'infection et le suivi des contacts dans le cadre de l'application des articles 45, 45/1 et 45/2 ;
10° l'organisation et l'évaluation des dépistages de population, visés à l'article 31, § 1er ;
11° l'organisation et l'évaluation de la politique d'immunisation ;
12° la réalisation des missions des centres d'encadrement des élèves, figurant à l'article 4, § 2, alinéas 4 et 5, du décret du 27 avril 2018 relatif à l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire et dans les centres d'encadrement des élèves ;
13° la réalisation des missions de Grandir Régie, figurant à l'article 7 du décret du 30 avril portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique Grandir régie.
En vue des finalités visées à l'alinéa 1er, seules les données visées au paragraphe 3 qui sont nécessaires à la réalisation de la tâche en question peuvent être traitées.
Les données visées au paragraphe 3 peuvent être transmises aux tiers suivants ou consultées par ceux-ci :
1° les personnes qui administrent les médicaments, pour les finalités visées à l'alinéa 1er, 1° et 7° ;
2° les prestataires de soins de santé, pour la finalité visée à l'alinéa 1er, 8° ;
3° les organismes de recherche, pour la finalité visée à l'alinéa 1er, 5° ;
4° les médecins des centres d'encadrement des élèves visés à l'alinéa 1er, 12° ;
5° Grandir Régie, pour la finalité visée à l'alinéa 1er, 13°.
§ 5. Les données visées au paragraphe 3 sont conservées dans le système d'enregistrement visé au paragraphe 2, alinéa 1er, au plus tard jusqu'au décès de la personne à qui le médicament préventif a été administré.
Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsque la personne à qui le médicament préventif a été administré décède dans les trente ans suivant l'administration du dernier médicament préventif, les données visées au paragraphe 3 sont conservées dans le système d'enregistrement visé au paragraphe 2, alinéa 1er, jusqu'à trente ans après le moment où le dernier médicament préventif a été administré.
§ 6. L'administration est le responsable du traitement visé à l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données, pour le traitement des données à caractère personnel visées au paragraphe 3.]1

Art.43/2. [1 § 1. De administratie of een organisatie die daarvoor de opdracht heeft gekregen van de Vlaamse Gemeenschap, kan een anonieme immunisatiegraad van de bevolking of van bepaalde segmenten van de bevolking bepalen per infectieziekte, met als doel strategisch of operationeel bij te dragen aan de primaire of secundaire preventie van de infectieziekte in kwestie of met als doel de evaluatie van het immunisatiebeleid.
De segmentering, vermeld in het eerste lid, kan uitgevoerd worden op basis van de volgende kenmerken of combinaties van kenmerken:
1° per geografische eenheid;
2° per onderwijsvorm, onderwijstype, school of leerjaar;
3° per collectiviteit;
4° per leeftijdscategorie;
5° per geslacht;
6° werkzaamheid, beroepscategorie, beroepssector en organisatie. Voor kinderen jonger dan zestien jaar kan de segmentering uitgevoerd worden op basis van de werkzaamheid, beroepscategorie of beroepssector van de moeder en de organisatie waar zij werkt;
7° zwangere vrouwen of vrouwen die zwanger waren op het tijdstip van de immunisatie;
8° gezinssamenstelling;
9° per risicofactor die de Hoge Gezondheidsraad als vermeld in het Koninklijk besluit van 5 maart 2007 houdende oprichting van de Hoge Gezondheidsraad in een advies geïdentificeerd heeft voor de infectieziekte waarvoor de immunisatiegraad wordt berekend;
10° thuistaal en migratie.
§ 2. Om de anonieme immunisatiegraad, vermeld in paragraaf 1, te bepalen, kunnen persoonsgegevens verwerkt worden van al de volgende personen:
1° personen die in het Nederlandse taalgebied verblijven;
2° personen die naar school gaan in het Nederlandse taalgebied of in een instelling in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die door haar activiteiten beschouwd moet worden als uitsluitend ressorterend onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap;
3° personen die werken in het Nederlandse taalgebied of in een instelling in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die door haar organisatie of activiteiten beschouwd moet worden als uitsluitend ressorterend onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap;
4° personen aan wie in het Nederlandse taalgebied of in een instelling in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die door haar organisatie beschouwd moet worden als uitsluitend ressorterend onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap, een preventief geneesmiddel als vermeld in artikel 43/1, § 2, eerste of derde lid, is toegediend.
§ 3. Van de personen, vermeld in paragraaf 2, kunnen de volgende persoonsgegevens verwerkt worden om de anonieme immunisatiegraad te bepalen:
1° het identificatienummer van het Rijksregister of het identificatienummer van de Kruispuntbank, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
2° de geboortedatum;
3° de hoofdverblijfplaats;
4° het geslacht;
5° de datum van overlijden;
6° de biotische factor waarvoor de immunisatiegraad wordt berekend;
7° in voorkomend geval, de volgende gegevens over de toediening van het preventieve geneesmiddel:
a) de datum van toediening;
b) als dat bekend is, het merk;
c) het type preventief geneesmiddel;
d) de volgende gegevens over de toediener:
1) het identificatienummer van het Rijksregister of het identificatienummer van de Kruispuntbank, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
2) in voorkomend geval, het RIZIV-nummer;
3) in voorkomend geval, via welke entiteit het preventieve geneesmiddel is toegediend;
8° in voorkomend geval, of de persoon zwanger is of was. In dat geval kunnen ook de volgende gegevens verwerkt worden:
a) de vermoedelijke datum van conceptie en de verwachte datum van bevalling;
b) gegevens over de uitkomst van de zwangerschap;
c) gegevens over afstamming;
d) de volgende gegevens over het kind:
1) het identificatienummer van het Rijksregister of het identificatienummer van de Kruispuntbank, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
2) de geboortedatum;
3) de datum van overlijden als dat van toepassing is;
9° gegevens over de gezondheid die betrekking hebben op onderliggend lijden dat volgens de Hoge Gezondheidsraad als vermeld in het Koninklijk besluit van 5 maart 2007 houdende oprichting van de Hoge Gezondheidsraad een risicofactor vormt voor de infectieziekte waarvoor de anonieme immunisatiegraad bepaald wordt;
10° gegevens over de werkzaamheid, het beroep van de betrokkene en de organisatie waar de betrokkene werkt. Voor kinderen onder zestien jaar kunnen de werkzaamheid en het beroep van de moeder en de organisatie waar de moeder werkt, verwerkt worden;
11° gegevens over de school, het leerjaar, de onderwijsvorm en het onderwijstype en het gegeven of de persoon al dan niet huisonderwijs volgt;
12° gegevens over de collectiviteit waar de persoon verblijft of deel van uitmaakt;
13° gegevens over de gezinssamenstelling;
14° gegevens over de thuistaal van de persoon;
15° de volgende gegevens over de migratieachtergrond van de persoon:
a) het gegeven of de persoon in België geboren is;
b) het geboorteland van de persoon;
c) het jaartal van aankomst in België.
§ 4. Om de anonieme immunisatiegraad in het kader van dit artikel te bepalen, worden de gegevens, vermeld in paragraaf 3, maximaal twee jaar bewaard nadat de anonieme immunisatiegraad bepaald is.
§ 5. De administratie is de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming, voor de verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in dit artikel.]1

Art.43/2. [1 § 1er. L'administration ou une organisation mandatée à cet effet par la Communauté flamande peut déterminer, par maladie infectieuse, le taux d'immunisation anonyme de la population ou de certains segments de la population, dans le but de contribuer stratégiquement ou opérationnellement à la prévention primaire ou secondaire de la maladie infectieuse en question ou dans le but d'évaluer la politique d'immunisation.
La segmentation visée à l'alinéa 1er peut être effectuée sur la base des caractéristiques ou combinaisons de caractéristiques suivantes :
1° unité géographique ;
2° forme d'enseignement, type d'enseignement, école ou année d'études ;
3° collectivité ;
4° catégorie d'âge ;
5° sexe ;
6° activité professionnelle, catégorie professionnelle, secteur professionnel et organisation. Pour les enfants de moins de seize ans, la segmentation peut être effectuée sur la base de l'activité professionnelle, de la catégorie professionnelle ou du secteur professionnel de la mère et de l'organisation pour laquelle elle travaille ;
7° les femmes enceintes ou qui étaient enceintes au moment de l'immunisation ;
8° composition du ménage ;
9° par facteur de risque que le Conseil supérieur de la santé, visé à l'arrêté royal du 5 mars 2007 portant création du Conseil supérieur de la Santé, a identifié dans un avis pour la maladie infectieuse pour laquelle le taux d'immunisation est calculé ;
10° langue parlée à la maison et migration.
§ 2. Afin de déterminer le taux d'immunisation anonyme visé au paragraphe 1er, les données à caractère personnel de toutes les personnes suivantes peuvent être traitées :
1° les personnes résidant dans la région de langue néerlandaise ;
2° les personnes qui fréquentent une école dans la région de langue néerlandaise ou dans un établissement situé dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale qui doit être considéré, en raison de ses activités, comme relevant exclusivement de la compétence de la Communauté flamande ;
3° les personnes qui travaillent dans la région de langue néerlandaise ou dans un établissement situé dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale qui doit être considéré, en raison de son organisation ou de ses activités, comme relevant exclusivement de la compétence de la Communauté flamande ;
4° les personnes auxquelles un médicament préventif visé à l'article 43/1, § 2, alinéa 1er ou 3, a été administré dans la région de langue néerlandaise ou dans un établissement de la région bilingue de Bruxelles-Capitale qui, en raison de son organisation ou de ses activités, doit être considéré comme relevant exclusivement de la compétence de la Communauté flamande.
§ 3. Les données à caractère personnel suivantes des personnes visées au paragraphe 2 peuvent être traitées afin de déterminer le taux d'immunisation anonyme :
1° le numéro d'identification du Registre national ou le numéro d'identification de la Banque-Carrefour, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ;
2° date de naissance ;
3° résidence principale ;
4° sexe ;
5° date de décès ;
6° le facteur biotique pour lequel le taux d'immunisation est calculé ;
7° le cas échéant, les données suivantes concernant l'administration du médicament préventif :
a) date d'administration ;
b) la marque, si elle est connue ;
c) type de médicament préventif ;
d) les données suivantes de la personne qui administre le médicament :
1) le numéro d'identification du Registre national ou le numéro d'identification de la Banque-Carrefour, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ;
2) le cas échéant, le numéro INAMI ;
3) le cas échéant, l'entité par l'intermédiaire de laquelle le médicament préventif a été administré ;
8° le cas échéant, la mention indiquant si la personne est ou était enceinte. Dans ce cas, les données suivantes peuvent également être traitées :
a) la date présumée de conception et la date prévue de l'accouchement ;
b) les données relatives à l'issue de la grossesse ;
c) les données relatives à la filiation ;
d) les données suivantes relatives à l'enfant :
1) le numéro d'identification du Registre national ou le numéro d'identification de la Banque-Carrefour, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ;
2) date de naissance ;
3) la date de décès, le cas échéant.
9° les données relatives à la santé qui concernent des affections sous-jacentes qui, selon le Conseil supérieur de la santé visé à l'arrêté royal du 5 mars 2007 portant création du Conseil supérieur de la Santé, constituent un facteur de risque pour la maladie infectieuse pour laquelle le taux d'immunisation anonyme est déterminé ;
10° les données relatives à l'activité professionnelle, à la profession de la personne concernée et à l'organisation pour laquelle elle travaille. Pour les enfants de moins de seize ans, l'activité professionnelle et la profession de la mère ainsi que l'organisation pour laquelle elle travaille peuvent être traitées ;
11° les données relatives à l'école, à l'année d'études, à la forme et au type d'enseignement et la mention indiquant si la personne suit ou non un enseignement à domicile ;
12° les données relatives à la collectivité dans laquelle la personne réside ou dont elle fait partie ;
13° les données relatives à la composition du ménage ;
14° les données relatives à la langue parlée au domicile de la personne ;
15° les données suivantes relatives au contexte migratoire de la personne :
a) la mention indiquant si la personne est née en Belgique ;
b) le pays de naissance de la personne ;
c) l'année d'arrivée en Belgique.
§ 4. Afin de déterminer le taux d'immunisation anonyme dans le cadre du présent article, les données visées au paragraphe 3 sont conservées pendant deux ans au maximum après la détermination du taux d'immunisation anonyme.
§ 5. L'administration est le responsable du traitement visé à l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données, pour le traitement des données à caractère personnel visées au présent article.]1

Onderafdeling II. - Initiatieven om uitbreiding van schadelijke effecten, veroorzaakt door biotische factoren, tegen te gaan.
Sous-section II. - Initiatives visant à éviter l'extension des effets nocifs causés par des facteurs biotiques.
Art. 44. § 1. De Vlaamse regering beoogt uitbreiding van schadelijke effecten, veroorzaakt door biotische factoren, tegen te gaan bij de mens.
§ 2. Ze kan, met betrekking tot biotische factoren die een potentieel gevaar vormen voor de volksgezondheid, initiatieven nemen om een verspreiding van infecties tegen te gaan.
§ 3. In elk geval neemt de Vlaamse regering het initiatief :
1° tot het bepalen van de door biotische factoren veroorzaakte infecties die gemeld moeten worden om maatregelen te kunnen nemen om uitbreiding van infecties tegen te gaan;
2° tot aanduiding van de ambtenaren-artsen die bevoegd zijn tot het nemen van maatregelen om uitbreiding van infecties tegen te gaan, onder voorbehoud van de verantwoordelijkheden van partnerorganisaties, organisaties met terreinwerking en individuele zorgaanbieders;
3° tot aanduiding van de ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving van artikel 44, § 2 en § 3, 2°, artikel 45, § 3, artikel 47 [2 ...]2 en artikel 48, onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie.
[3 4° tot het bepalen van de infecties die door biotische factoren veroorzaakt zijn en die op geanonimiseerde wijze gerapporteerd moeten worden om de epidemiologie ervan binnen de Vlaamse populatie te kunnen opvolgen en het algemene beleid te informeren. De Vlaamse Regering kan bepalen welke geanonimiseerde gegevens gerapporteerd moeten worden en op welke wijze de geanonimiseerde gegevens gerapporteerd moeten worden;
5° tot aanwijzing van ambtenaren die bevoegd zijn om de maatregelen te nemen, vermeld in artikel 47/1.]3

Art. 44. § 1er. Le Gouvernement flamand vise à prévenir l'extension des effets nocifs pour l'homme, causés par des facteurs biotiques.
§ 2. En ce qui concerne les facteurs biotiques qui constituent un danger potentiel pour la santé des personnes, il peut prendre des initiatives visant à prévenir le développement d'infections.
§ 3. En tout cas, le Gouvernement flamand prend l'initiative :
1° de déterminer les infections causées par des facteurs biotiques, qui doivent être signalées afin de pouvoir prendre des mesures visant à prévenir le développement d'infections;
2° de désigner les fonctionnaires-médecins qui sont habilités à prendre des mesures visant à prévenir le développement d'infections, sous réserve des responsabilités des organisations partenaires, des organisations oeuvrant sur le terrain et des prestataires de soins individuels;
3° de désigner les fonctionnaires chargés du contrôle de l'observation de l'article 44, § 2 et § 3, 2°, de l'article 45, § 3, [1 des articles 47 [2 ...]2 et 48]1 sans préjudice des attributions des officiers de police judiciaire.
[3 4° de déterminer les infections causées par des facteurs biotiques et qui doivent être signalées de manière anonymisée afin de pouvoir en suivre l'épidémiologie au sein de la population flamande et d'informer la politique générale. Le Gouvernement flamand peut déterminer quelles données anonymisées doivent être signalées et de quelle manière les données anonymisées doivent être signalées ;
5° de désigner des fonctionnaires qui sont habilités à prendre les mesures, visées à l'article 47/1.]3

Art. 45. [1 [3 Al de volgende personen melden de infecties die door biotische factoren worden veroorzaakt als vermeld in artikel 44, § 3, 1° :
1° de behandelende arts;
2° het hoofd van een laboratorium van klinische biologie;
3° de arts-hygiënist in een ziekenhuis;
4° de arts die belast is met het medische toezicht in een collectiviteit.
De verplichting tot melding door de personen, vermeld in het eerste lid, kan worden uitgevoerd door een gevolmachtigde die onder de verantwoordelijkheid van de meldingsplichtige persoon handelt.]3

§ 2. De melding, vermeld in paragraaf 1, kan al de volgende gegevens bevatten:
[3 het identificatienummer van het Rijksregister of het identificatienummer van de Kruispuntbank, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;]3
2° de voornamen en de achternaam van de geïnfecteerde persoon;
3° de geboortedatum van de geïnfecteerde persoon;
4° het geslacht van de geïnfecteerde persoon;
5° de vermoede of bevestigde diagnose van de meldingsplichtige infectie;
6° de identiteit en de contactgegevens van de melder;
7° de datum van de melding;
8° het land van geboorte van de geïnfecteerde persoon;
9° de nationaliteit van de geïnfecteerde persoon;
10° het domicilieadres van de geïnfecteerde persoon;
11° de gezinssamenstelling van de geïnfecteerde persoon;
12° het adres waar de geïnfecteerde persoon daadwerkelijk verblijft. [3 Als de geïnfecteerde persoon in een collectiviteit verblijft, wordt naast het adres ook de soort collectiviteit waarin de persoon verblijft, vermeld;]3
13° de gegevens die nodig zijn om contact te kunnen opnemen met de geïnfecteerde persoon, met inbegrip van het telefoonnummer en het e-mailadres van de betrokkene en van de persoon of wettelijke vertegenwoordiger die in geval van nood gecontacteerd moet worden, en de vermelding van de relatie van die persoon tot de betrokkene;
14° het beroep van de geïnfecteerde persoon;
15° de werkplaats van de geïnfecteerde persoon;
16° de activiteiten, contacten en aanwezigheden op plaatsen tijdens de maximale incubatieperiode en tijdens de ziekteperiode;
17° de volgende informatie over de ziekte:
a) de startdatum van de symptomen;
b) de datum en de resultaten van klinisch, technisch en labotechnisch onderzoek en medische beeldvorming;
c) de ingestelde therapie;
[3 d) de volgende informatie over de gevolgen of de vermoede gevolgen van de infectieziekte na het acute ziektestadium:
1) de sequelen;
2) de datum en de plaats van overlijden;
3) de vermelding of de geïnfecteerde persoon genezen is;]3

18° informatie over onderliggend lijden, therapie en antecedenten;
19° de [3 immunisatiestatus]3 van de geïnfecteerde persoon;
20° in voorkomend geval de zwangerschap van de geïnfecteerde persoon;
21° de coördinaten van de behandelende arts en, in voorkomend geval, van de arts-specialist en van het ziekenhuis;
22° de vermoede bron van besmetting;
23° de dossierreferentie van de melder.
[3 24° ingeval van klinisch laboratoriumonderzoek, al de volgende gegevens:
a) de naam en de contactgegevens van de persoon of instantie die gevraagd heeft de stalen te onderzoeken;
b) het laboratorium dat de stalen onderzocht heeft;
c) het staalnummer;
d) het dossiernummer.]3

[3 Als de melder op de hoogte is van de gegevens, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 7°, 10° en 12°, neemt de melder die gegevens op in de melding. De gegevens, vermeld in het eerste lid, 8°, 9°, 11°, en 13° tot en met 24°, kunnen door de melder worden opgenomen in de melding. Op verzoek van de ambtenaren-artsen en de ambtenaren, vermeld in artikel 44, § 3, 2° en 3°, deelt de melder de opgevraagde gegevens, vermeld in het eerste lid, 8°, 9°, 11°, en 13° tot en met 24°, mee als de melder op de hoogte is van die gegevens.]3
De melding, vermeld in het eerste lid, wordt gedaan aan een ambtenaar-arts als vermeld in artikel 44, § 3, 2°.
In afwijking van het derde lid kan de Vlaamse Regering vaststellen in welke specifieke gevallen de melding, vermeld in paragraaf 1, aan andere personen dan [3 een ambtenaar-arts]3, vermeld in artikel 44, § 3, 2°, [3 of dan een ambtenaar, vermeld in artikel 44, § 3, 3°, ]3 kan worden gedaan [3 , of aan een ambtenaar als vermeld in artikel 44, § 3, 3°]3.
De Vlaamse Regering bepaalt[3 ...]3 de termijn waarin de melding wordt gedaan, en de vorm en de wijze van de melding.
[3 § 2/1. De volgende personen die een infectie die door biotische factoren wordt veroorzaakt als vermeld in artikel 44, § 3, 1°, of een cluster van een van die infecties vaststellen, kunnen die infectieziekte of die cluster melden als ze van oordeel zijn dat het noodzakelijk is dat de ambtenaren-artsen en de ambtenaren, vermeld in artikel 44, § 3, 2° en 3°, op de hoogte worden gesteld:
1° de personen binnen andere binnenlandse en buitenlandse gezondheidsautoriteiten die daarvoor verantwoordelijk zijn;
2° de personen binnen Sciensano die daarvoor verantwoordelijk zijn;
3° het hoofd van een laboratorium voor klinische biologie dat gevestigd is in het Waalse Gewest of dat gevestigd is in het tweetalige gebied Brussel-Hoofstad en dat geen instelling is die wegens haar organisatie beschouwd moet worden als uitsluitend ressorterend onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap.
In het eerste lid wordt verstaan onder Sciensano: de instelling die is opgericht bij de wet van 25 februari 2018 tot oprichting van Sciensano.
De melding, vermeld in het eerste lid, kan alle gegevens als vermeld in paragraaf 2, eerste lid, bevatten.]3

§ 3. De gegevens, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, worden verwerkt met het oog op het nemen van initiatieven als vermeld in artikel 44, § 2, en in het bijzonder met het oog op het nemen van de maatregelen, vermeld in artikel 44, § 3, 2°.
De gegevens, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, kunnen ook worden verwerkt voor statistische, wetenschappelijke en beleidsondersteunende doeleinden, [3 na anonimisering van de gegevens of ten minste na pseudonimisering als anonimisering niet volstaat voor het statistische, wetenschappelijke of beleidsondersteunende doeleinde]3.
§ 4. De ambtenaar-arts, vermeld in artikel 44, § 3, 2° [3 of de ambtenaar, vermeld in artikel 44, § 3, 3°,]3, legt over elke infectieziekte die gemeld wordt, een dossier aan. Dat dossier wordt aangevuld met alle informatie die ingewonnen wordt [3 met toepassing van artikel 45/1, 45/2, 46, 3°, a),]3 en artikel 48, en kan worden aangevuld met alle verdere informatie die daarvoor noodzakelijk is.
Het dossier, vermeld in het eerste lid, wordt in zijn geheel maximaal dertig jaar bewaard in geval van tuberculose en maximaal tien jaar als het een andere infectieziekte betreft.
In afwijking van het tweede lid kan het dossier langer dan respectievelijk dertig of tien jaar bewaard worden als het dossier deel uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek of als het vermoeden bestaat dat het dossier aanleiding kan geven tot een gerechtelijk onderzoek. In voorkomend geval wordt het dossier bewaard tot het gerechtelijk onderzoek gesloten wordt of tot er geen redelijk vermoeden meer is dat het dossier aanleiding kan geven tot een gerechtelijk onderzoek.
[3 Als uit de collectiviteit, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 12°, gegevens als vermeld in artikel 10 van de algemene verordening gegevensbescherming kunnen worden afgeleid, wordt de collectiviteit twee jaar na registratie geanonimiseerd en verwijderd uit het dossier, vermeld in het eerste lid.
In afwijking van het vierde lid, worden de gegevens over de collectiviteit, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 12°, in geval van tuberculose zes jaar na de registratie geanonimiseerd en verwijderd uit het dossier, vermeld in het eerste lid, als uit de collectiviteit gegevens als vermeld in artikel 10 van de algemene verordening gegevensbescherming kunnen worden afgeleid.]3

De Vlaamse Regering kan de volgende aspecten nader regelen:
1° de wijze waarop het dossier bewaard wordt, vermeld in het eerste lid;
2° de wijze waarop de gegevens van het dossier, vermeld in het eerste lid, worden geanonimiseerd na afloop van de bewaartermijn, vermeld in het tweede of derde lid;
3° de wijze waarop de geanonimiseerde gegevens van het dossier worden bewaard.
§ 5. [3 De administratie]3 is de verwerkingsverantwoordelijke, in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming, voor het dossier, vermeld in paragraaf 4, eerste lid.
§ 6. De Vlaamse Regering kan technische en organisatorische maatregelen opleggen voor de verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in dit artikel.]1

Art. 45. [1 § 1er. [3 Toutes les personnes suivantes déclarent les infections causées par des facteurs biotiques, figurant à l'article 44, § 3, 1° :
1° le médecin traitant ;
2° le chef d'un laboratoire de biologie clinique ;
3° le médecin hygiéniste hospitalier ;
4° le médecin chargé de la surveillance médicale dans une collectivité.
L'obligation de déclaration par les personnes visées à l'alinéa 1er peut être exécutée par un mandataire agissant sous la responsabilité de la personne soumise à l'obligation de déclaration.]3

§ 2. La déclaration visée au paragraphe 1er peut contenir toutes les données suivantes :
[3 le numéro d'identification du Registre national ou le numéro d'identification de la Banque-Carrefour, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ;]3
2° les nom et prénoms de la personne infectée ;
3° la date de naissance de la personne infectée ;
4° le sexe de la personne infectée ;
5° le diagnostic présumé ou confirmé de l'infection soumise à déclaration ;
6° l'identité et les coordonnées du déclarant ;
7° la date de la déclaration ;
8° le pays de naissance de la personne infectée ;
9° la nationalité de la personne infectée ;
10° l'adresse du domicile de la personne infectée ;
11° la composition du ménage de la personne infectée ;
12° [3 Si la personne infectée réside dans une structure : l'indication du type de structure ; " est remplacée par la phrase " Si la personne infectée réside dans une collectivité, outre l'adresse, le type de collectivité dans laquelle elle réside est également indiqué ;]3
13° les données nécessaires pour pouvoir contacter la personne infectée, y compris le numéro de téléphone et l'adresse e-mail de l'intéressé et de la personne ou du représentant légal à contacter en cas d'urgence, et l'indication de la relation de cette personne avec l'intéressé ;
14° la profession de la personne infectée ;
15° le lieu de travail de la personne infectée ;
16° les activités, les contacts et les présences dans des endroits durant la période maximale d'incubation et durant la période de maladie ;
17° les informations suivantes au sujet de la maladie :
a) la date de début des symptômes ;
b) la date et les résultats des examens clinique, technique et technique de laboratoire et de l'imagerie médicale ;
c) la thérapie mise en place ;
d) [3 les données suivantes concernant les conséquences présumées ou réelles de la maladie infectieuse après la phase aiguë :
1) les séquelles ;
2) la date et le lieu du décès ;
3) la mention indiquant si la personne infectée est guérie ;]3

18° des informations au sujet d'une affection sous-jacente, de la thérapie et des antécédents ;
19° le statut [3 immunitaire]3 de la personne infectée ;
20° le cas échéant, la grossesse de la personne infectée ;
21° les coordonnées du médecin traitant et, le cas échéant, du médecin-spécialiste et de l'hôpital ;
22° la source présumée de la contamination ;
23° la référence de dossier du déclarant.
[3 24° en cas d'examen clinique de laboratoire, l'ensemble des données suivantes :
a) le nom et les coordonnées de la personne ou de l'instance qui a demandé l'examen des échantillons ;
b) le laboratoire qui a examiné les échantillons ;
c) le numéro de l'échantillon ;
d) le numéro du dossier.]3

[3 Si le déclarant a connaissance des données visées à l'alinéa 1er, 1° à 7°, 10° et 12°, il les reprend dans sa déclaration. Le déclarant peut reprendre les données visées à l'alinéa 1er, 8°, 9°, 11° et 13° à 24° dans sa déclaration. A la demande des fonctionnaires-médecins et des fonctionnaires visés à l'article 44, § 3, 2° et 3°, le déclarant communique les données demandées visées à l'alinéa 1er, 8°, 9°, 11° et 13° à 24°, s'il en a connaissance.]3
La déclaration visée à l'alinéa 1er est faite à un fonctionnaire-médecin tel que visé à l'article 44, § 3, 2° [3 ou à un fonctionnaire tel que visé à l'article 44, § 3, 3°]3.
Par dérogation à l'alinéa 3, le Gouvernement flamand peut déterminer dans quels cas spécifiques la déclaration visée au paragraphe 1er peut être faite à d'autres personnes [3 qu'un fonctionnaire-médecin]3 visé à l'article 44, § 3, 2° [3 ou un fonctionnaire tel que visé à l'article 44, § 3, 3° ]3.
[3 Le]3 Gouvernement flamand fixe le délai dans lequel la déclaration est faite ainsi que la forme et le mode de la déclaration.
[3 § 2/1. Les personnes suivantes qui constatent une infection causée par des facteurs biotiques, figurant à l'article 44, § 3, 1°, ou un cluster de l'une de ces infections, peuvent déclarer cette maladie infectieuse ou ce cluster si elles estiment qu'il est nécessaire que les fonctionnaires-médecins et les fonctionnaires visés à l'article 44, § 3, 2° et 3°, en aient connaissance :
1° les personnes au sein d'autres autorités sanitaires nationales et étrangères qui en sont responsables ;
2° les personnes au sein de Sciensano qui en sont responsables ;
3° le chef d'un laboratoire de biologie clinique établi en Région wallonne ou dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale et qui n'est pas un établissement qui, en raison de son organisation, doit être considéré comme relevant exclusivement de la compétence de la Communauté flamande.
A l'alinéa 1er, on entend par Sciensano : l'établissement créé par la loi du 25 février 2018 portant création de Sciensano.
La déclaration visée à l'alinéa 1er peut contenir toutes les données visées au paragraphe 2, alinéa 1er.]3

§ 3. Les données visées au paragraphe 2, alinéa 1er, sont traitées en vue de prendre des initiatives telles que visées à l'article 44, § 2, et, en particulier, en vue de prendre les mesures visées à l'article 44, § 3, 2°.
Les données visées au paragraphe 2, alinéa 1er, peuvent également être traitées à des fins statistiques ou d'appui à la politique [3 après anonymisation ou au moins après pseudonymisation des données lorsque l'anonymisation ne permet pas d'atteindre la finalité scientifique, statistique ou d'aide à la décision]3.
§ 4. Le fonctionnaire-médecin visé à l'article 44, § 3, 2° [3 ou le fonctionnaire visé à l'article 44, § 3, 3°]3, constitue un dossier concernant chaque maladie infectieuse déclarée. Ce dossier est complété de toutes les informations recueillies [3 en application des articles 45/1, 45/2, 46, 3°, a),]3 et de l'article 48 et peut être complété de toutes autres informations nécessaires à cette fin.
Le dossier visé à l'alinéa 1er est conservé dans son intégralité pendant trente ans maximum en cas de tuberculose et pendant dix ans maximum s'il s'agit d'une autre maladie infectieuse.
Par dérogation à l'alinéa 2, le dossier peut être conservé plus de trente ou dix ans respectivement s'il fait partie d'une instruction ou s'il existe une présomption qu'il puisse donner lieu à une instruction. Le cas échéant, le dossier est conservé jusqu'à la clôture de l'instruction ou jusqu'à ce qu'il n'y ait plus de motifs raisonnables de penser qu'il puisse donner lieu à une instruction.
[3 Lorsque des données visées à l'article 10 du règlement général sur la protection des données peuvent être déduites de la collectivité visée au paragraphe 2, alinéa 1er, 12°, la collectivité est anonymisée et supprimée du dossier visé à l'alinéa 1er deux ans après l'enregistrement.
Par dérogation à l'alinéa 4, en cas de tuberculose, les données relatives à la collectivité visée au paragraphe 2, alinéa 1er, 12°, sont anonymisées et supprimées du dossier visé à l'alinéa 1er six ans après leur enregistrement, lorsque des données visées à l'article 10 du règlement général sur la protection des données peuvent être déduites de la collectivité.]3

Le Gouvernement flamand peut préciser les aspects suivants :
1° la façon dont le dossier visé à l'alinéa 1er est conservé ;
2° la façon dont les données du dossier visé à l'alinéa 1er sont anonymisées au terme de la durée de conservation visée à l'alinéa 2 ou 3 ;
3° la façon dont les données anonymisées du dossier sont conservées.
§ 5. [2 [3 L'administration]3]2est le responsable du traitement, au sens de l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données, pour le dossier visé au paragraphe 4, alinéa 1er.
§ 6. Le Gouvernement flamand peut imposer des mesures techniques et organisationnelles pour le traitement des données à caractère personnel visées dans le présent article. ]1

Art.45/1. [1 De ambtenaren-artsen en de ambtenaren, vermeld in artikel 44, § 3, 2° en 3°, kunnen van geïnfecteerde personen alle persoonsgegevens verwerken die opgenomen zijn in de lijst, vermeld in artikel 45, § 2.
Artikel 45, § 3 tot en met § 6, zijn van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid.
De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, kunnen ook verwerkt worden door andere personen die werken onder de verantwoordelijkheid van de ambtenaren-artsen, vermeld in artikel 44, § 3, 2°, conform artikel 9, lid 3, van de algemene verordening gegevensbescherming.]1

Art.45/1. [1 Les fonctionnaires-médecins et les fonctionnaires visés à l'article 44, § 3, 2° et 3°, peuvent traiter toutes les données à caractère personnel reprises dans la liste visée à l'article 45, § 2, relatives aux personnes infectées.
L'article 45, §§ 3 à 6, s'applique au traitement des données à caractère personnel visé à l'alinéa 1er.
Les données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er peuvent également être traitées par d'autres personnes travaillant sous la responsabilité des fonctionnaires-médecins visés à l'article 44, § 3, 2°, conformément à l'article 9, paragraphe 3, du règlement général sur la protection des données.]1

Art.45/2. [1 § 1. De ambtenaren-artsen en de ambtenaren, vermeld in artikel 44, § 3, 2° en 3°, kunnen iedere melding of iedere vastgestelde infectie die door biotische factoren wordt veroorzaakt als vermeld in artikel 44, § 3, 1°, verder onderzoeken. Om de melding of de vastgestelde infectieziekte verder te onderzoeken, kunnen de ambtenaren-artsen en ambtenaren zelf elk dienstig onderzoek instellen of een bijkomend onderzoek laten uitvoeren door een organisatie waarmee de Vlaamse Gemeenschap voor dit doeleinde een overeenkomst heeft gesloten.
Onder het onderzoek, vermeld in het eerste lid, wordt verstaan:
1° afname en analyse van stalen en testen;
2° medische beeldvorming;
3° anamnese;
4° brononderzoek;
5° omgevingsonderzoek;
6° ander medisch onderzoek.
In het kader van het onderzoek, vermeld in het eerste lid, kunnen de volgende categorieën van persoonsgegevens verwerkt worden van de geïnfecteerde persoon of van personen die mogelijk in contact zijn gekomen met de geïnfecteerde persoon of met een andere bron van de besmetting, die verband houden met de infectieziekte en die het resultaat zijn van de anamnese, het brononderzoek, de stalen, de testen, de beeldvorming, het omgevingsonderzoek of het ander medisch onderzoek, vermeld in het derde lid:
1° gegevens over de leefstijl;
2° de gegevens over gezondheid, vermeld in artikel 4, 15), van de algemene verordening gegevensbescherming;
3° gegevens over risicocontacten, inclusief gegevens over seksueel gedrag;
4° gegevens als vermeld in artikel 45, § 2, eerste lid, die de ambtenaar of de ambtenaar-arts nog niet kent;
5° gegevens over de bron van de infectieziekte of de omstandigheden waarin de infectieziekte zich verspreid heeft.
De geïnfecteerde persoon of de persoon die mogelijk in contact is gekomen met de geïnfecteerde persoon of met een andere bron van de besmetting, is verplicht mee te werken aan het onderzoek, vermeld in het eerste lid. Als het onderzoek, vermeld in het eerste lid, een medisch onderzoek is als vermeld in artikel 47, § 1, 2°, is artikel 47, § 2 en § 3, van toepassing.
De gegevens uit het onderzoek, vermeld in het eerste lid, worden uitsluitend verwerkt door personen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 9, lid 3, van de algemene verordening gegevensbescherming.
De resultaten van het onderzoek, vermeld in het eerste lid, worden opgenomen in het dossier, vermeld in paragraaf 2, derde lid, of in het dossier, vermeld in artikel 45, § 4, eerste lid.
Als de behandelende arts, het hoofd van een laboratorium van klinische biologie, de arts-hygiënist in een ziekenhuis of de arts die belast is met het medische toezicht in een collectiviteit, zelf een bijkomend onderzoek over de infectie die door biotische factoren wordt veroorzaakt, vermeld in het eerste lid, heeft gevoerd, bezorgt die de resultaten van dat bijkomende onderzoek aan de betrokken ambtenaar of ambtenaar-arts. De resultaten worden opgenomen in het dossier, vermeld in paragraaf 2, derde lid, of in het dossier, vermeld in artikel 45, § 4, eerste lid.
Als gegevens over seksueel gedrag als vermeld in het derde lid, 3°, verwerkt worden in het kader van het onderzoek, vermeld in het eerste lid, worden die gegevens twee jaar na registratie geanonimiseerd en verwijderd uit het dossier, vermeld in artikel 45, § 4, eerste lid.
In afwijking van het achtste lid, worden gegevens over seksueel gedrag als vermeld in het derde lid, 3°, in geval van tuberculose zes jaar na registratie geanonimiseerd en verwijderd uit het dossier, vermeld in artikel 45, § 4, eerste lid.
§ 2. De ambtenaren-artsen en de ambtenaren, vermeld in artikel 44, § 3, 2° en 3°, kunnen met het oog op het nemen van initiatieven als vermeld in artikel 44, § 2, en in het bijzonder met het oog op het nemen van de maatregelen, vermeld in artikel 44, § 3, 2°, de contacten van geïnfecteerde personen of de personen die in contact zijn geweest met een andere besmettingsbron van de infectie opsporen, onderzoeken of die personen ook geïnfecteerd zijn, of de nodige preventieve maatregelen nemen.
Met het oog op de doeleinden, vermeld in het eerste lid, kunnen de ambtenaren-artsen en de ambtenaren, vermeld in artikel 44, § 3, 2° en 3°, of de personen die werken onder de verantwoordelijkheid van die ambtenaren-artsen, conform artikel 9, lid 3, van de algemene verordening gegevensbescherming, de volgende gegevens verwerken van de personen die mogelijk in contact zijn gekomen met een geïnfecteerde persoon of met een andere bron van de besmetting:
1° het identificatienummer van het Rijksregister of het identificatienummer van de Kruispuntbank, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
2° de naam en voornaam;
3° de geboortedatum;
4° het geslacht;
5° de infectie die door biotische factoren wordt veroorzaakt als vermeld in artikel 44, § 3, 1°, waarmee de persoon mogelijk in contact gekomen is;
6° het geboorteland;
7° de nationaliteit;
8° het domicilieadres;
9° de gezinssamenstelling;
10° het adres waar de persoon daadwerkelijk verblijft. Als het contact in een collectiviteit verblijft, wordt naast het adres ook de soort collectiviteit waarin de persoon verblijft, vermeld;
11° de gegevens die nodig zijn om contact te kunnen opnemen met de persoon die in contact is gekomen met de geïnfecteerde persoon of met de bron van de infectie, met inbegrip van het telefoonnummer en het e-mailadres van de betrokkene en van de persoon of de wettelijke vertegenwoordiger die in geval van nood gecontacteerd moet worden, en de vermelding van de relatie van die persoon tot de betrokkene;
12° het beroep;
13° de werkplaats;
14° informatie over onderliggend lijden of risicofactoren voor besmetting door de infectieziekte, therapie en antecedenten;
15° de immunisatiestatus;
16° in voorkomend geval de zwangerschap;
17° de coördinaten van de behandelende arts en, in voorkomend geval, van de arts-specialist en van het ziekenhuis;
18° de resultaten, inclusief de gegevens over gezondheid, vermeld in artikel 4, 15), van de algemene verordening gegevensbescherming, van het verdere onderzoek, vermeld in paragraaf 1, om na te gaan of die persoon ook geïnfecteerd is.
De gegevens, vermeld in het tweede lid, van de persoon die mogelijk in contact is gekomen met de geïnfecteerde persoon of met de bron van de infectie, worden bewaard in een dossier over een infectieziekte conform artikel 45, § 4, eerste lid.
Als uit de collectiviteit, vermeld in het tweede lid, 10°, gegevens als vermeld in artikel 10 van de algemene verordening gegevensbescherming kunnen worden afgeleid, wordt de collectiviteit twee jaar na registratie geanonimiseerd en verwijderd uit het dossier, vermeld in artikel 45, § 4, eerste lid, van dit decreet.
In afwijking van het vierde lid, worden de gegevens over de collectiviteit, vermeld in het tweede lid, 10°, ingeval van tuberculose zes jaar na de registratie geanonimiseerd en verwijderd uit het dossier, vermeld in artikel 45, § 4, eerste lid, van dit decreet als uit de collectiviteit gegevens als vermeld in artikel 10 van de algemene verordening gegevensbescherming kunnen worden afgeleid.
§ 3. Als wordt vastgesteld dat de persoon die mogelijk in contact is gekomen met de geïnfecteerde persoon of met een andere bron van de infectie, ook besmet is met een infectie die door biotische factoren wordt veroorzaakt als vermeld in artikel 44, § 3, 1°, wordt die persoon zelf geïnfecteerde persoon.
Als binnen twee jaar na de registratie niet wordt vastgesteld dat de persoon die mogelijk in contact is gekomen met de geïnfecteerde persoon of met de bron van de infectie, geïnfecteerd is door de infectie die door biotische factoren wordt veroorzaakt als vermeld in artikel 44, § 3, 1°, worden de gegevens, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, geanonimiseerd en verwijderd uit het dossier, vermeld in artikel 45, § 4, eerste lid.
In afwijking van het tweede lid, worden in geval van tuberculose de gegevens van een persoon die mogelijk in contact is gekomen met de geïnfecteerde persoon of met de bron van de infectie, na zes jaar geanonimiseerd en verwijderd uit het dossier, vermeld in artikel 45, § 4, eerste lid, als dan niet vastgesteld is dat deze persoon geïnfecteerd is met tuberculose.
§ 4. Met het oog op het nemen van initiatieven als vermeld in artikel 44, § 2, het nemen van de maatregelen, vermeld in artikel 44, § 3, 2°, en in het bijzonder met het oog op contactopsporing en met het oog op het nemen van maatregelen om de verdere verspreiding van de infectieziekte tegen te gaan, kunnen de ambtenaren-artsen en ambtenaren, vermeld in artikel 44, § 3, 2° en 3°, de personen bevragen die verantwoordelijk zijn voor de plaatsen waar of activiteiten waarbij de geïnfecteerde persoon in contact is gekomen met andere personen die daardoor mogelijk ook besmet zijn met de infectieziekte, of waarbij personen in contact zijn gekomen met een andere besmettingsbron en daardoor mogelijk ook besmet zijn met de infectieziekte.
De verantwoordelijke personen, vermeld in het eerste lid, die bevraagd worden, verlenen hun medewerking aan de bevraging, vermeld in het eerste lid. De ambtenaren-artsen of ambtenaren, vermeld in artikel 44, § 3, 2° en 3°, kunnen de volgende persoonsgegevens opvragen van personen die mogelijk in contact zijn gekomen met de geïnfecteerde persoon of met de andere besmettingsbron van de infectie tijdens de maximale incubatieperiode of tijdens de periode van ziekte:
1° het identificatienummer van het Rijksregister of het identificatienummer van de Kruispuntbank, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
2° de naam en voornaam;
3° de geboortedatum;
4° het adres;
5° het geslacht;
6° de contactgegevens;
7° informatie over de plaats, het tijdstip en de aard van het contact met de geïnfecteerde persoon of met de bron van de infectie.
De gegevens, vermeld in het tweede lid, van de personen die mogelijk in contact zijn gekomen met de geïnfecteerde persoon of met de bron van de infectie, worden bewaard in een dossier conform artikel 45, § 4.
§ 5. De administratie is de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming, voor de verwerking van persoonsgegevens, vermeld in dit artikel.
§ 6. De Vlaamse Regering kan technische en organisatorische maatregelen opleggen voor de verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in dit artikel.
§ 7. De gegevens, vermeld in dit artikel, kunnen ook worden verwerkt voor statistische, wetenschappelijke en beleidsondersteunende doeleinden, na anonimisering van de gegevens of ten minste na pseudonimisering als anonimisering niet volstaat voor het statistische, wetenschappelijke of beleidsondersteunende doeleinde.]1

Art.45/2. [1 § 1er. Les fonctionnaires-médecins et les fonctionnaires visés à l'article 44, § 3, 2° et 3°, peuvent examiner plus avant toute déclaration ou tout cas constaté d'infection causée par des facteurs biotiques figurant à l'article 44, § 3, 1er. Afin d'examiner plus avant la déclaration ou l'infection constatée, les fonctionnaires-médecins et les fonctionnaires peuvent eux-mêmes procéder à tout examen utile ou faire effectuer un examen complémentaire par une organisation avec laquelle la Communauté flamande a conclu une convention à cette fin.
Par l'examen visé à l'alinéa 1er, on entend :
1° le prélèvement et l'analyse d'échantillons et de tests ;
2° l'imagerie médicale ;
3° l'anamnèse ;
4° la recherche de la source ;
5° l'enquête environnementale ;
6° tout autre examen médical.
Dans le cadre de l'examen visé à l'alinéa 1er peuvent être traitées les catégories suivantes de données à caractère personnel de la personne infectée ou des personnes susceptibles d'avoir été en contact avec la personne infectée ou avec une autre source de contamination, qui sont liées à la maladie infectieuse et qui résultent de l'anamnèse, de la recherche de la source, des échantillons, des tests, de l'imagerie, de l'enquête environnementale ou de tout autre examen médical, figurant à l'alinéa 3 :
1° les données relatives aux habitudes de vie ;
2° les données relatives à la santé, visées à l'article 4, 15) du règlement général sur la protection des données ;
3° les données relatives aux contacts à risque, y compris les données relatives au comportement sexuel ;
4° les données visées à l'article 45, § 2, alinéa 1er, qui ne sont pas encore connues du fonctionnaire ou du fonctionnaire-médecin ;
5° les données relatives à la source de la maladie infectieuse ou aux circonstances dans lesquelles la maladie infectieuse s'est propagée.
La personne infectée ou la personne susceptible d'avoir été en contact avec la personne infectée ou avec une autre source de contamination est tenue de coopérer à l'examen visé à l'alinéa 1er. L'article 47, §§ 2 et 3, s'applique si l'examen visé à l'alinéa 1er est un examen médical tel que visé à l'article 47, § 1er, 2°.
Les données de l'examen visé à l'alinéa 1er ne sont traitées que par des personnes qui remplissent les conditions visées à l'article 9, paragraphe 3, du règlement général sur la protection des données.
Les résultats de l'examen visé à l'alinéa 1er sont repris dans le dossier visé au paragraphe 2, alinéa 3, ou dans le dossier visé à l'article 45, § 4, alinéa 1er.
Lorsque le médecin traitant, le chef d'un laboratoire de biologie clinique, le médecin-hygiéniste hospitalier ou le médecin chargé de la surveillance médicale dans une collectivité, a lui-même effectué un examen complémentaire sur l'infection causée par des facteurs biotiques, figurant à l'alinéa 1er, il transmet les résultats de cet examen complémentaire au fonctionnaire ou au fonctionnaire-médecin concernés. Les résultats sont repris dans le dossier visé au paragraphe 2, alinéa 3, ou dans le dossier visé à l'article 45, § 4, alinéa 1er.
Lorsque des données relatives au comportement sexuel, figurant à l'alinéa 3, 3°, sont traitées dans le cadre de l'examen visé à l'alinéa 1er, ces données sont anonymisées et supprimées du dossier visé à l'article 45, § 4, alinéa 1er, deux ans après leur enregistrement.
Par dérogation à l'alinéa 8, en cas de tuberculose, les données relatives au comportement sexuel visées à l'alinéa 3, 3°, sont anonymisées et supprimées du dossier visé à l'article 45, § 4, alinéa 1er, six ans après leur enregistrement.
§ 2. Les fonctionnaires-médecins et les fonctionnaires visés à l'article 44, § 3, 2° et 3°, peuvent, en vue de prendre les initiatives visées à l'article 44, § 2, et en particulier en vue de prendre les mesures visées à l'article 44, § 3, 2°, rechercher les contacts des personnes infectées ou des personnes qui ont été en contact avec une autre source de contamination de l'infection, et examiner si ces personnes sont également infectées ou prendre les mesures préventives nécessaires.
En vue des finalités visées à l'alinéa 1er, les fonctionnaires-médecins et les fonctionnaires visés à l'article 44, § 3, 2° et 3°, ou les personnes travaillant sous la responsabilité de ces fonctionnaires-médecins, peuvent, conformément à l'article 9, paragraphe 3, du règlement général sur la protection des données, traiter les données suivantes des personnes susceptibles d'avoir été en contact avec une personne infectée ou avec une autre source de contamination :
1° le numéro d'identification du Registre national ou le numéro d'identification de la Banque-Carrefour, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ;
2° nom et prénom ;
3° date de naissance ;
4° sexe ;
5° l'infection causée par des facteurs biotiques, figurant à l'article 44, § 3, 1°, avec laquelle la personne est susceptible d'avoir été en contact ;
6° pays de naissance ;
7° nationalité ;
8° adresse du domicile ;
9° composition du ménage ;
10° l'adresse où la personne réside effectivement. Si le contact réside dans une collectivité, outre l'adresse, le type de collectivité dans laquelle la personne réside est également indiqué ;
11° les données nécessaires pour contacter la personne qui a été en contact avec la personne infectée ou avec la source de l'infection, y compris le numéro de téléphone et l'adresse e-mail de la personne concernée et de la personne ou du représentant légal à contacter en cas d'urgence, ainsi que la relation de cette personne avec la personne concernée ;
12° profession ;
13° lieu de travail ;
14° les informations sur les affections sous-jacentes ou les facteurs de risque de contamination par la maladie infectieuse, la thérapie et les antécédents ;
15° statut immunitaire ;
16° le cas échéant, la grossesse ;
17° les coordonnées du médecin traitant et, le cas échéant, du médecin spécialiste et de l'hôpital ;
18° les résultats, y compris les données relatives à la santé, figurant à l'article 4, 15), du règlement général sur la protection des données, de l'examen complémentaire visé au paragraphe 1er, afin de vérifier si cette personne est également infectée.
Les données visées à l'alinéa 2 relatives à la personne susceptible d'avoir été en contact avec la personne infectée ou avec la source de l'infection sont conservées dans un dossier relatif à une maladie infectieuse conformément à l'article 45, § 4, alinéa 1er.
Lorsque des données visées à l'article 10 du règlement général sur la protection des données peuvent être déduites de la collectivité visée à l'alinéa 2, 10°, la collectivité est anonymisée et supprimée du dossier visé à l'article 45, § 4, alinéa 1er, deux ans après l'enregistrement.
Par dérogation à l'alinéa 4, en cas de tuberculose, les données relatives à la collectivité visée à l'alinéa 2, 10°, sont anonymisées et supprimées du dossier visé à l'article 45, § 4, alinéa 1er du présent décret, six ans après leur enregistrement, lorsque des données visées à l'article 10 du règlement général sur la protection des données peuvent être déduites de la collectivité.
§ 3. Lorsqu'il est constaté que la personne susceptible d'avoir été en contact avec la personne infectée ou avec une autre source de l'infection est également contaminée par une infection causée par des facteurs biotiques, figurant à l'article 44, § 3, 1°, cette personne devient elle-même une personne infectée.
Lorsque, dans les deux ans suivant l'enregistrement, il n'est pas constaté que la personne susceptible d'avoir été en contact avec la personne infectée ou avec la source de l'infection est contaminée par l'infection causée par des facteurs biotiques, figurant à l'article 44, § 3, 1°, les données visées au paragraphe 2, alinéa 2, sont anonymisées et supprimées du dossier visé à l'article 45, § 4, alinéa 1er.
Par dérogation à l'alinéa 2, en cas de tuberculose, les données d'une personne susceptible d'avoir été en contact avec la personne infectée ou avec la source de l'infection sont anonymisées et supprimées du dossier visé à l'article 45, § 4, alinéa 1er, après six ans, si aucune infection tuberculeuse n'a entre-temps été constatée chez cette personne.
§ 4. En vue de prendre les initiatives visées à l'article 44, § 2, ou les mesures visées à l'article 44, § 3, 2°, et en particulier en vue de la recherche des contacts et en vue de prendre des mesures visant à prévenir la propagation de la maladie infectieuse, les fonctionnaires-médecins et les fonctionnaires visés à l'article 44, § 3, 2° et 3°, peuvent interroger les personnes responsables des lieux ou des activités où la personne infectée est entrée en contact avec d'autres personnes dès lors susceptibles d'avoir été contaminées par la maladie infectieuse, ou où des personnes sont entrées en contact avec une autre source de contamination, ces personnes étant dès lors susceptibles d'avoir été contaminées par la maladie infectieuse.
Les personnes responsables visées à l'alinéa 1er qui sont interrogées prêtent leur concours à l'interrogatoire visé à l'alinéa 1er. Les fonctionnaires-médecins ou fonctionnaires visés à l'article 44, § 3, 2° et 3°, peuvent demander les données à caractère personnel suivantes des personnes susceptibles d'avoir été en contact avec la personne infectée ou avec l'autre source de contamination de l'infection pendant la période d'incubation maximale ou pendant la période de maladie :
1° le numéro d'identification du Registre national ou le numéro d'identification de la Banque-Carrefour, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ;
2° nom et prénom ;
3° date de naissance ;
4° adresse ;
5° sexe ;
6° coordonnées ;
7° les informations relatives au lieu, à la date et à la nature du contact avec la personne infectée ou avec la source de l'infection.
Les données visées à l'alinéa 2 concernant les personnes susceptibles d'avoir été en contact avec la personne infectée ou avec la source de l'infection sont conservées dans un dossier conformément à l'article 45, § 4.
§ 5. L'administration est le responsable du traitement visé à l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données, pour le traitement des données à caractère personnel figurant au présent article.
§ 6. Le Gouvernement flamand peut imposer des mesures techniques et organisationnelles relatives au traitement des données à caractère personnel figurant au présent article.
§ 7. Les données visées au présent article peuvent également être traitées pour des finalités statistiques, scientifiques et d'aide à la décision, après anonymisation ou au moins après pseudonymisation des données lorsque l'anonymisation ne permet pas d'atteindre la finalité scientifique, statistique ou d'aide à la décision. ]1

Art.45/3. [1 § 1. De gegevens, vermeld in artikel 45, 45/1 en 45/2, kunnen met de volgende personen of instanties worden uitgewisseld:
1° organisaties die in het kader van de toepassing van artikel 45, 45/1 of 45/2 een overheidsopdracht uitvoeren voor de Vlaamse Gemeenschap;
2° organisaties die de Vlaamse Gemeenschap subsidieert om mee te werken aan het onderzoek of de opvolging van meldingen of om naar aanleiding van meldingen maatregelen te nemen;
3° de behandelende arts van de geïnfecteerde persoon, het hoofd van een laboratorium van klinische biologie, de arts-ziekenhuishygiënist, en de arts die belast is met het medische toezicht in een collectiviteit, of de personen onder de verantwoordelijkheid van die artsen;
4° gezondheidszorgbeoefenaars die een therapeutische relatie als vermeld in artikel 37 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg, hebben met de geïnfecteerde persoon of met het contact of de personen onder de verantwoordelijkheid van die gezondheidszorgbeoefenaars, voor zover deze gezondheidszorgberoepsbeoefenaars betrokken zijn bij de uitvoering van maatregelen in het kader van de bestrijding van de gemelde infectieziekte;
5° andere binnenlandse of buitenlandse gezondheidsautoriteiten.
De gegevens, vermeld in het eerste lid, kunnen alleen uitgewisseld worden met personen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 9, lid 3, van de algemene verordening gegevensbescherming.
§ 2. De volgende personen kunnen aan het dossier, vermeld in artikel 45, § 4, eerste lid, artikel 45/1, tweede lid, of artikel 45/2, § 2, derde lid, bijkomende gegevens als vermeld in artikel 45, § 2, of artikel 45/1, of artikel 45/2, § 1 of § 2, toevoegen:
1° personen van organisaties die in het kader van de meldingsplicht een overheidsopdracht uitvoeren voor de administratie;
2° personen van organisaties die de Vlaamse Gemeenschap subsidieert om mee te werken aan het onderzoek of de opvolging van meldingen of om naar aanleiding van meldingen maatregelen te nemen;
3° gezondheidszorgbeoefenaars die een therapeutische relatie als vermeld in artikel 37 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg, hebben met de geïnfecteerde persoon of met het contact of de personen onder de verantwoordelijkheid van die gezondheidszorgbeoefenaars, voor zover deze gezondheidszorgberoepsbeoefenaars betrokken zijn bij de uitvoering van maatregelen in het kader van de bestrijding van de gemelde infectieziekte;
4° de behandelende arts van de geïnfecteerde persoon, het hoofd van een laboratorium van klinische biologie, de arts-hygiënist in een ziekenhuis en de arts die belast is met het medische toezicht in scholen, bedrijven, voorzieningen waar kinderen en jongeren verblijven, en residentiële zorginstellingen, of de personen die werken onder de verantwoordelijkheid van die artsen;
5° andere binnenlandse of buitenlandse gezondheidsautoriteiten.
De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop de bijkomende gegevens conform het eerste lid toegevoegd worden.
Alleen personen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 9, lid 3, van de algemene verordening gegevensbescherming, kunnen het dossier, vermeld in het eerste lid, aanvullen.]1

Art.45/3. [1 § 1er. Les données visées aux articles 45, 45/1 et 45/2 peuvent être échangées avec les personnes ou instances suivantes :
1° les organisations qui, dans le cadre de l'application des articles 45, 45/1 ou 45/2, exécutent un marché public pour le compte de la Communauté flamande ;
2° les organisations subventionnées par la Communauté flamande pour participer à l'examen ou au suivi des déclarations ou pour prendre des mesures à la suite des déclarations ;
3° le médecin traitant la personne infectée, le chef d'un laboratoire de biologie clinique, le médecin hygiéniste hospitalier et le médecin chargé de la surveillance médicale dans une collectivité, ou les personnes placées sous la responsabilité de ces médecins ;
4° les prestataires de soins de santé qui ont une relation thérapeutique telle que visée à l'article 37 de la loi du 22 avril 2019 relative à la qualité de la pratique des soins de santé, avec la personne infectée ou avec le contact, ou les personnes placées sous la responsabilité de ces prestataires de soins de santé, dans la mesure où ces prestataires sont impliqués dans la mise en oeuvre de mesures dans le cadre de la lutte contre la maladie infectieuse déclarée ;
5° d'autres autorités sanitaires nationales ou étrangères.
Les données visées à l'alinéa 1er ne peuvent être échangées qu'avec des personnes qui remplissent les conditions visées à l'article 9, paragraphe 3, du règlement général sur la protection des données.
§ 2. Les personnes suivantes peuvent ajouter au dossier visé aux articles 45, § 4, alinéa 1er, 45/1, alinéa 2, ou 45/2, § 2, alinéa 3, des données supplémentaires telles que visées aux articles 45, § 2, 45/1, ou 45/2, §§ 1er ou 2 :
1° les personnes d'organisations qui, dans le cadre de l'obligation de déclaration, exécutent un marché public pour le compte de l'administration ;
2° les personnes d'organisations subventionnées par la Communauté flamande pour participer à l'examen ou au suivi des déclarations ou pour prendre des mesures à la suite des déclarations ;
3° les prestataires de soins de santé qui ont une relation thérapeutique telle que visée à l'article 37 de la loi du 22 avril 2019 relative à la qualité de la pratique des soins de santé, avec la personne infectée ou avec le contact, ou les personnes placées sous la responsabilité de ces prestataires de soins de santé, dans la mesure où ces prestataires sont impliqués dans la mise en oeuvre de mesures dans le cadre de la lutte contre la maladie infectieuse déclarée ;
4° le médecin traitant la personne infectée, le chef d'un laboratoire de biologie clinique, le médecin hygiéniste hospitalier et le médecin chargé de la surveillance médicale dans les écoles, les entreprises, les structures accueillant des enfants et des jeunes et les établissements de soins résidentiels, ou les personnes travaillant sous la responsabilité de ces médecins ;
5° d'autres autorités sanitaires nationales ou étrangères.
Le Gouvernement flamand peut arrêter la manière dont les données supplémentaires sont ajoutées conformément à l'alinéa 1er.
Seules les personnes qui remplissent les conditions visées à l'article 9, paragraphe 3, du règlement général sur la protection des données peuvent compléter le dossier visé à l'alinéa 1er.]1

Art.45/4. [1 Als dat noodzakelijk is om de verdere verspreiding van de infectieziekte tegen te gaan, kunnen de ambtenaren-artsen en ambtenaren, vermeld in artikel 44, § 3, 2° en 3°, publieke oproepen lanceren om personen te informeren en op te sporen die op een bepaalde plaats of in het kader van een bepaalde activiteit mogelijk in contact gekomen zijn met een geïnfecteerde persoon of met een andere besmettingsbron. In die publieke oproepen kunnen ze de plaats waar of de activiteit waarbij de infectieziekte zich mogelijk verder verspreid heeft, vermelden, net als het tijdsinterval waarin de infectieziekte zich mogelijk verspreid heeft.
In de oproepen, vermeld in het eerste lid, kunnen de ambtenaren-artsen en ambtenaren, vermeld in artikel 44, § 3, 2° en 3°, aanbevelingen doen aan de personen die op de plaats of in het kader van de activiteit, vermeld in die oproep, mogelijk in contact gekomen zijn met een geïnfecteerde persoon of met een andere besmettingsbron. De ambtenaren-artsen en ambtenaren, vermeld in artikel 44, § 3, 2° en 3°, kunnen die personen verzoeken zich te melden.
De ambtenaren-artsen en ambtenaren, vermeld in artikel 44, § 3, 2° en 3°, bepalen in de oproep, vermeld in het eerste lid, op welke wijze personen zich kunnen melden.
Op personen die zich naar aanleiding van een oproep als vermeld in het eerste lid, melden, is artikel 45/2, § 1 en § 2, van toepassing.]1

Art.45/4. [1 Lorsque cela est nécessaire pour prévenir la propagation de la maladie infectieuse, les fonctionnaires-médecins et les fonctionnaires visés à l'article 44, § 3, 2° et 3°, peuvent lancer des appels publics afin d'informer et de rechercher les personnes susceptibles d'avoir été en contact, dans un lieu déterminé ou dans le cadre d'une activité déterminée, avec une personne infectée ou avec une autre source de contamination. Dans ces appels publics, ils peuvent mentionner l'activité et la période de temps pendant lesquelles la maladie infectieuse est susceptible de s'être propagée, ainsi que le lieu en question.
Dans les appels visés à l'alinéa 1er, les fonctionnaires-médecins et les fonctionnaires visés à l'article 44, § 3, 2° et 3°, peuvent adresser des recommandations aux personnes susceptibles d'avoir été en contact, dans le lieu ou lors de l'activité mentionnés dans cet appel, avec une personne infectée ou avec une autre source de contamination. Les fonctionnaires-médecins et les fonctionnaires visés à l'article 44, § 3, 2° et 3°, peuvent demander à ces personnes de se présenter.
Les fonctionnaires-médecins et fonctionnaires visés à l'article 44, § 3, 2° et 3°, spécifient dans l'appel visé à l'alinéa 1er la manière dont ces personnes peuvent se présenter.
L'article 45/2, §§ 1er et 2, s'applique aux personnes qui se présentent à la suite d'un appel visé à l'alinéa 1er.]1

Art. 46. De ambtenaren-artsen en de ambtenaren, bedoeld in artikel 44, [1 § 3, 2°, 3° en 5° ]1 :
1° nemen, zo nodig, contact op met andere binnenlandse, buitenlandse of internationale terzake bevoegde gezondheidsautoriteiten om de verspreiding van infecties tegen te gaan;
2° hebben, binnen de perken van hun opdracht en voorzover dat noodzakelijk wordt geacht, van vijf uur 's morgens tot negen uur 's avonds vrije toegang tot alle plaatsen en ruimten waar een mogelijke besmettingsbron werd vastgesteld of wordt vermoed van een besmettelijke ziekte die een bijzonder gevaar vormt voor de volksgezondheid. Tussen negen uur 's avonds en vijf uur 's morgens is deze toegang beperkt tot collectieve inrichtingen waar personen overnachten.
3° mogen binnen de perken van hun opdracht en voorzover dat noodzakelijk wordt geacht :
a) elk onderzoek, elke controle en elke enquête instellen, alsook alle inlichtingen inwinnen die zij nodig achten om zich ervan te vergewissen dat de decreets- en reglementsbepalingen worden nageleefd;
b) bij de uitoefening van hun ambt de bijstand van de lokale of federale politie vorderen.
Art. 46. Les fonctionnaires-médecins et les fonctionnaires visés à l'article 44, [1 § 3, 2°, 3° et 5°]1 :
1° prennent, au besoin, contact avec d'autres autorités de santé intérieures, étrangères ou internationales qui sont compétentes en la matière, afin de prévenir la diffusion d'infections;
2° ont accès libre, dans les limites de leur mission et dans la mesure où il est jugé nécessaire, de cinq heures du matin a neuf heures du soir à tous les endroits et espaces où l'on présume ou a constaté l'existence d'une source de contamination possible d'une maladie contagieuse qui représente un danger particulier pour la population. Entre neuf heures du matin et cinq heures du soir, cet accès est limité aux établissements collectifs où des personnes passent la nuit;
3° peuvent, dans les limites de leur mission et dans la mesure où il est jugé nécessaire :
a) mener toute investigation, tout contrôle ou toute enquête, et recueillir toutes les informations qu'ils jugent nécessaires pour s'assurer que les dispositions décrétales et réglementaires sont respectées;
b) requérir l'assistance de la police locale ou fédérale dans l'exercice de leur fonction.
Art. 47. § 1. De ambtenaren-artsen, bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, kunnen :
[4 personen die aangetast zijn door een infectie die gevaarlijk is vanwege de ernst of besmettelijkheid ervan en die een bijzonder gevaar van besmetting vormen voor andere personen, verplichten een gepaste medische behandeling te volgen om die besmettelijkheid te bestrijden]4]1;
[4 1° /1 het bevel geven tot tijdelijke afzondering in een door de ambtenarenartsen bepaalde ziekenhuisafdeling of andere gepaste plaats aan personen die:
a) aangetast zijn door een infectie als vermeld in punt 1° en die een bijzonder gevaar van besmetting voor andere personen vormen;
b) een verhoogd risico hebben om een infectie als vermeld in punt 1° te hebben opgelopen;
c) tegen het advies van de behandelende arts in vroegtijdig de behandeling tegen een infectie als vermeld in punt 1° stopzetten en daardoor opnieuw besmettelijk kunnen worden.
De verplichte afzondering eindigt zodra de persoon aan wie het bevel is gegeven, niet meer besmettelijk is en zodra het gevaar op besmettelijkheid is geweken;]4

2° personen die, na contact met een geïnfecteerde persoon of na contact met een andere besmettingsbron [2 of na in een hoogrisicogebied verbleven te hebben" ingevoegd.]2, mogelijk besmet zijn, en die door contacten met anderen, al dan niet bij de uitoefening van hun beroepsactiviteit, deze infectie kunnen overdragen, onderwerpen aan medisch onderzoek dat nodig is voor de opsporing van besmettingsbronnen;
3° personen die besmet blijken en de infectie kunnen overdragen [3 evenals personen die een verhoogd risico hebben om deze besmetting te hebben opgelopen]3, de contacten met anderen, al dan niet bij de uitoefening van hun beroepsactiviteit, verbieden zolang zij hierdoor een bijzonder gevaar betekenen voor de volksgezondheid;
[4 de nodige ruimten in ziekenhuizen en andere zorginstellingen of in toeristische logies opeisen voor de opname, verzorging en de afzondering van personen die besmet zijn of bij wie een ernstig vermoeden van besmetting bestaat. De Vlaamse Regering kan bepalen door wie, op welke wijze en onder welke voorwaarden het gebruik van de ruimten in ziekenhuizen en andere zorginstellingen en in toeristische logies vergoed wordt, en kan de omvang van die vergoeding bepalen]4;
5° de ontsmetting bevelen van voorwerpen en lokalen die besmet zijn;
6° de behandeling, de afzondering of het doden bevelen van dieren die een besmettingsgevaar betekenen voor de mens, met uitzondering van het besmettingsgevaar door consumptie van deze dieren.
[4 7° gemotiveerde aanmaningen en bevelen geven aan eigenaars en uitbaters van installaties die minstens waarschijnlijk de oorzaak of medeoorzaak zijn van meerdere gevallen van een infectie die krachtens artikel 44, § 3, 1°, meldingsplichtig is, en, om dat in te schatten, elk onderzoek, elke controle en elke enquête instellen, alsook alle inlichtingen inwinnen die ze nodig achten;
8° als niet onmiddellijk gevolg wordt gegeven aan de maatregelen, vermeld in 7°, de nodige maatregelen ambtshalve uitvoeren of doen uitvoeren.]4

§ 2. De maatregelen, bedoeld in [4 § 1, 1°, 1° /1 en 3°,]4 kunnen enkel uitgevoerd worden nadat de betrokken ambtenaar-arts overleg heeft gepleegd met de behandelende artsen.
§ 3. De ambtenaar-arts, die de maatregelen, bedoeld in [4 § 1, 1°, 1° /1, 3°, 7°, 8° ]4, genomen heeft, deelt aan de betrokkene schriftelijk minstens de volgende gegevens mee :
1° de inhoud van de maatregel;
2° de motivering van de maatregel;
3° de naam, functie en standplaats van de betrokken ambtenaar-arts;
4° de vermelding van de mogelijkheid om beroep aan te tekenen;
5° de beroepsprocedure;
6° de wijze van evaluatie van de genomen maatregel, de duur ervan, alsook de wijze van een eventuele aanpassing van de maatregel.
De elementen, bedoeld in 1°, 2° en 5°, worden aan de betrokkene ook mondeling toegelicht.
Art. 47. § 1er. Les fonctionnaires-médecins visés à l'article 44, § 3, 2°, peuvent :
[4 obliger les personnes atteintes par une infection dangereuse en raison de sa gravité ou de sa contagiosité et qui constituent de ce fait un risque de contagion pour d'autres personnes, à suivre un traitement médical approprié afin de lutter contre cette contagion ]4;
[4 1° /1 ordonner l'isolement temporaire dans un service hospitalier déterminé par les fonctionnaires-médecins ou un autre lieu approprié à des personnes qui :
a) sont atteintes par une infection telle que visée au point 1° et qui constituent de ce fait un risque de contagion pour d'autres personnes ;
b) présentent un risque accru de contracter une infection telle que visée au point 1° ;
c) arrêtent précocement, contre l'avis du médecin traitant, le traitement contre une infection telle que visée au point 1° et qui peuvent ainsi à nouveau devenir contagieuses.
L'isolement obligatoire prend fin dès que la personne à qui l'ordre a été donné n'est plus contagieuse et dès que le risque de contagiosité a disparu ; ]4

2° faire subir aux personnes qui, après un contact avec une personne infectée ou après un contact avec une autre source de contamination [2 ou après avoir résidé dans une zone à haut risque]2, peuvent être contaminées et qui, par des contacts avec d'autres personnes, peuvent transmettre cette infection à cause de leurs activités professionnelles ou non, un examen médical visant à dépister les sources de contamination;
3° interdire aux personnes contaminées qui peuvent transmettre l'infection [3 ainsi qu'aux personnes à risque accru d'avoir contracté cette infection]3, d'avoir contact avec d'autres personnes à cause de leurs activités professionnelles ou non, tant qu'ils constituent un danger particulier pour la santé publique;
[4 réquisitionner les espaces hospitaliers et dans d'autres établissements de soins ou dans des hébergements touristiques nécessaires à l'admission, aux soins et à l'isolement des personnes contaminées ou fortement suspectées d'être atteintes d'une contamination. Le Gouvernement flamand peut déterminer par qui, de quelle manière et à quelles conditions l'utilisation des espaces hospitaliers et dans d'autres établissements de soins ou dans des hébergements touristiques est indemnisée, et peut fixer l'ampleur de cette indemnité ]4;
5° ordonner la désinfection des objets et locaux contaminés;
6° ordonner le traitement, l'isolement ou la mise à mort d'animaux qui représentent un danger de contamination pour l'homme, à l'exception du danger de contamination par consommation de ces animaux.
[4 7° donner des sommations et des ordres motivés à des propriétaires et exploitants d'installations qui sont au moins probablement la cause ou l'une des causes de plusieurs cas d'une infection qui, en vertu de l'article 44, § 3, 1°, est soumise à l'obligation de déclaration et, pour l'évaluer, mener toute investigation, tout contrôle ou toute enquête et recueillir toutes les informations qu'ils jugent utiles
8° s'il n'est pas donné immédiatement suite aux mesures, visées au point 7°, exécuter ou faire exécuter d'office les mesures nécessaires. ]4

§ 2. Les mesures visées au [4 § 1er, 1°, 1° /1 et 3°, ]4 ne peuvent être exécutées qu'après que le fonctionnaire-médecin concerné s'est concerté avec les médecins traitants.
§ 3. Le fonctionnaire-médecin qui a pris les mesures visées au [4 § 1er, 1°, 1° /1, 3°, 7° et 8°, ]4, communique au moins les données suivantes a la personne concernée :
1° le contenu de la mesure;
2° la motivation de la mesure;
3° le nom, la fonction et la résidence administrative du fonctionnaire-médecin concerné;
4° la mention de la faculté de recours;
5° la procédure de recours;
6° le mode d'évaluation de la mesure prise, sa durée, ainsi que le mode d'une adaptation éventuelle de la mesure.
Les éléments visés aux 1°, 2° et 5°, sont expliqués oralement à la personne concernée.
Art. 47/1.
Art. 47/1.
Art. 47/1 TOEKOMSTIG RECHT.
Art. 47/1 DROIT FUTUR.
Art. 48. Iedere betrokkene heeft de plicht de aangeduide ambtenaren-artsen, bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, en de aangeduide ambtenaren, bedoeld in artikel 44, [1 § 3, 3° en 5°, ]1 de aanvullende informatie mee te delen die ze noodzakelijk achten voor het nemen van de aan de situatie aangepaste maatregelen.
Art. 48. Toute personne concernée est tenue à communiquer aux fonctionnaires-médecins désignés, visés à l'article 44, § 3, 2°, et aux fonctionnaires désignés, visés à l'article 44, [1 § 3, 3° et 5°]1, les informations supplémentaires qu'ils estiment nécessaires pour prendre les mesures adaptées à la situation.
Art. 49. § 1. Als de verplichtingen, vermeld in artikel [3 45, § 1]3 [4 artikel 45/2, § 1 en § 4,]4, artikel 47, § 1, [2 ...]2 en artikel 48 niet worden nageleefd, zijn de aangeduide ambtenaren die met het toezicht belast zijn, [1 onverminderd de bevoegdheden van de gemeenten conform artikel 135, § 2, van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988,]1 bevoegd om een proces-verbaal op te stellen. Hun processen-verbaal hebben bewijskracht tot het tegendeel bewezen is. Een afschrift van hun proces-verbaal wordt de betrokkene binnen vijf werkdagen aangetekend toegestuurd.
§ 2. Ten aanzien van natuurlijke personen zie zich bevinden op het grondgebied van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, zijn de artikelen 46 tot en met 49, § 1, enkel van toepassing op deze personen die vrijwillig beroep hebben gedaan op een voorziening die wegens haar organisatie beschouwd moet worden als uitsluitend ressorterend onder de bevoegdheid van Vlaamse Gemeenschap.
Art. 49. § 1er. Au cas où les obligations prescrites à l'article [3 45, § 1er ]3 [4 45/2, §§ 1er et 4, ]4, l'article 47, § 1er, [2 ...]2 et l'article 48 ne seraient pas respectées, [1 les fonctionnaires désignés, chargés du contrôle, sont habilités à rédiger des procès-verbaux sans préjudice des compétences des communes conformément à l'article 135, § 2, de la nouvelle loi communale du 24 juin 1988]1. Les procès-verbaux font foi jusqu'a preuve du contraire. Une copie de ce procès-verbal est adressée à l'intéresse dans les cinq jours ouvrables.
§ 2. Par rapport aux personnes physiques qui se trouvent sur le territoire de la région bilingue de Bruxelles-Capitale, les articles 46 à 49, § 1er, inclus s'appliquent uniquement à ces personnes qui ont fait volontairement appel à une structure qui, de par son organisation, doit être considérée comme relevant exclusivement de la compétence de la Communauté flamande.
Art. 50. De individuele zorgaanbieder heeft de plicht tegenover de besmette persoon die hij behandelt, om hem in te lichten over de ziekte of infectie, de potentiële gevaren en de besmettingsgraad voor de omgeving. Dat stelt de besmette persoon in staat zijn verantwoordelijkheid, bedoeld in artikel 8, op te nemen.
Ten aanzien van de individuele zorgaanbieder in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, geldt deze verplichting enkel voor die zorgaanbieder die op vrijwillige basis is toegetreden tot een verband dat zelf georganiseerd is op een zodanige wijze dat blijk gegeven wordt van een band met de Vlaamse Gemeenschap.
Art. 50. Le prestataire de soins individuel est obligé d'informer la personne contaminée qu'il traite au sujet de la maladie ou de l'infection, des dangers potentiel et du degré de contagion pour l'environnement. Ceci permet à la personne contaminée d'assumer sa responsabilité visée à l'article 8.
Par rapport au prestataire de soins individuel dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, cette obligation vaut uniquement pour le prestataire de soins qui s'est affilié volontairement à un groupement qui est organisé lui-même de telle façon qu'il témoigne d'un lien avec la Communauté flamande.
Afdeling II. - Initiatieven met betrekking tot fysische of chemische factoren.
Section II. - Initiatives relatives aux facteurs physiques ou chimiques.
Art. 51. De Vlaamse regering kan initiatieven nemen voor de preventie van aandoeningen, veroorzaakt door fysische of chemische factoren. Die factoren situeren zich zowel binnen gebouwen als er buiten.
[1 De Vlaamse Regering sensibiliseert voor de problematiek van de blootstelling aan [2 humane zeer zorgwekkende stoffen]2 en neemt initiatieven voor de preventie van aandoeningen die door [2 deze]2 stoffen worden veroorzaakt.]1
Art. 51. Le Gouvernement flamand peut prendre des initiatives visant à prévenir des affections causées par des facteurs physiques ou chimiques. Ces facteurs se situent tant à l'intérieur qu'en dehors des bâtiments.
[1 Le Gouvernement flamand sensibilise à la problématique de l'exposition aux [2 substances humaines extrêmement préoccupantes ]2 et prend des initiatives en matière de la prévention d'affections que peuvent causer ces substances [2 ...]2.]1
Art. 52. § 1. De Vlaamse regering richt zich in haar beleid op een duurzame ontwikkeling, en kan daartoe, na bespreking in het Vlaams Parlement, [1 gezondheidskundige advieswaarden]1 vastleggen in water, lucht, bodem, of mens.
§ 2. De Vlaamse regering legt, na bespreking in het Vlaams Parlement over de maatschappelijke aanvaardbaarheid van gezondheidsschade door fysische en chemische factoren, de grenswaarden in de mens vast.
Art. 52. § 1er. Dans sa politique, le Gouvernement flamand vise un développement durable et peut fixer à cet effet, après discussion au Parlement flamand, des [1 valeurs recommandées pour la santé ]1 dans l'eau, l'air, le sol ou l'homme.
§ 2. Le Gouvernement flamand détermine les valeurs limites dans l'homme, après discussion au Parlement flamand de l'acceptabilité sociale de dommages à la sante causés par des facteurs physiques et chimiques.
Art. 53. § 1. Afgezien van de maatregelen die bepaald zijn in de bestaande milieuwetgeving, kan de Vlaamse regering [1 op basis van het voorzorgsbeginsel,]1 de bevolking, en in het bijzonder risicogroepen, informeren, en maatregelen nemen om de blootstelling te beperken en de volksgezondheid te beschermen bij overschrijding van de door de Vlaamse regering bepaalde grenswaarden in de mens van factoren waarvan de schadelijke invloed op de gezondheid bewezen is of waarschijnlijk is op basis van wetenschappelijk onderbouwde gegevens.
§ 2. Voor de waarschijnlijke maar niet bewezen effecten, bedoeld in § 1, worden de maatregelen afgewogen tegen onder meer de waarschijnlijkheid van optreden van de vermoede effecten, de ernst van de verwachte effecten, de grootte van de blootgestelde populatie en de verwachte maatschappelijke impact van de effecten en/of maatregelen.
Art. 53. § 1er. Indépendamment des mesures fixées dans la législation environnementale existante, le Gouvernement flamand peut [1 , sur la base du principe de précaution, ]1 informer la population et particulièrement les groupes à risques, et prendre des mesures visant à limiter l'exposition et protéger la santé publique en cas de dépassement des valeurs limites dans l'homme, fixées par le Gouvernement flamand, de facteurs dont l'action nocive sur la santé est prouvée ou est probable sur la base d'informations scientifiques fondées.
§ 2. Pour les effets probables qui ne sont toutefois pas démontrés, visés au § 1er, les mesures sont évaluées entre autres en fonction de la probabilité de l'apparition des effets présumés, de la gravité des effets prévus, de l'ampleur de la population exposée et de l'impact social prévu des effets et/ou mesures.
Art. 53/1. [1 Ter ondersteuning van de initiatieven, vermeld in artikel 52, § 1, en de maatregelen, vermeld in artikel 53, § 1, neemt de Vlaamse Regering minstens het initiatief om een programma voor milieugerelateerde gezondheidskundige impactinschattingen te ontwikkelen en uit te voeren. ]1
Art. 53/1. [1 Pour soutenir les initiatives, visées à l'article 52, § 1er, et les mesures, visées à l'article 53, § 1er, le Gouvernement flamand prend au moins l'initiative de développer et d'exécuter un programme d'évaluation de l'impact sur la santé environnementale. ]1
Art. 53/2. [1 § 1. De Vlaamse Regering wijst ambtenaren aan die bevoegd zijn om maatregelen te nemen om blootstelling aan chemische factoren in het leefmilieu, die een potentieel gevaar voor schadelijke gezondheidseffecten bij de mens inhouden, tegen te gaan.
§ 2. De ambtenaren, vermeld in paragraaf 1:
1° nemen, zo nodig, contact op met andere binnenlandse, buitenlandse of internationale gezondheidsautoriteiten die ter zake bevoegd zijn om de gezondheidsrisico's van blootstelling aan chemische factoren tegen te gaan;
2° hebben, binnen de perken van hun opdracht en als dat noodzakelijk wordt geacht, van vijf uur 's morgens tot negen uur 's avonds vrije toegang tot alle plaatsen en ruimten waar een mogelijke bron is vastgesteld of wordt vermoed van een chemische factor die een bijzonder gevaar vormt voor de volksgezondheid. Tussen negen uur 's avonds en vijf uur 's morgens is de toegang beperkt tot collectieve inrichtingen waar personen overnachten;
3° mogen binnen de perken van hun opdracht en als dat noodzakelijk wordt geacht:
a) elk onderzoek, elke controle en elke enquête instellen, alsook alle inlichtingen inwinnen die ze nodig achten om zich ervan te vergewissen dat de decreets- en reglementsbepalingen worden nageleefd;
b) bij de uitoefening van hun ambt de bijstand van de lokale of federale politie vorderen.
§ 3. De ambtenaren, vermeld in paragraaf 1, kunnen, met behoud van de toepassing van de verantwoordelijkheden van de toezichthoudende ambtenaren die aangewezen zijn in het kader van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en na voorafgaand overleg met die toezichthoudende ambtenaren:
1° monitoring bevelen om de oorzaak van de verspreiding van de chemische factoren in het leefmilieu, vermeld in paragraaf 1, op te sporen en te karakteriseren;
2° maatregelen als vermeld in paragraaf 1 bevelen die onder meer kunnen strekken tot:
a) de sluiting van de plaats, ruimte of inrichting die de oorzaak kan zijn van het gevaar, vermeld in paragraaf 1;
b) de stopzetting, al dan niet gedeeltelijk in tijd en ruimte, van de activiteit of installatie die de oorzaak kan zijn van het gevaar, vermeld in paragraaf 1;
c) de detoxificatie van de plaats, ruimte, inrichting of installatie die de oorzaak kan zijn van het gevaar, vermeld in paragraaf 1;
d) het aanbrengen van wijzigingen in de procesvoering die de oorzaak kan zijn van het gevaar, vermeld in paragraaf 1;
e) het uitvoeren van werkzaamheden aan de plaats, ruimte, inrichting of installatie die de oorzaak kan zijn van het gevaar, vermeld in paragraaf 1.
De ambtenaren, vermeld in artikel 44, § 3, 5°, passen de maatregel, vermeld in het eerste lid, aan of beëindigen de maatregel in functie van de vermindering van het risico op verdere verspreiding van de contaminatie vanuit de plaats, ruimte, inrichting of installatie.
§ 4. De ambtenaar die de maatregelen, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 1° en 2°, genomen heeft deelt aan de betrokkene schriftelijk minstens de volgende gegevens mee:
1° de inhoud van de maatregel;
2° de motivering van de maatregel;
3° de periode waarbinnen gevolg gegeven moet worden aan de maatregel;
4° de naam, de functie en de standplaats van de betrokken ambtenaar;
5° de vermelding van de mogelijkheid om beroep aan te tekenen;
6° de beroepsprocedure;
7° de wijze van evaluatie van de genomen maatregel, de duur ervan, alsook de wijze van een eventuele aanpassing van de maatregel.
De elementen, vermeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3° en 6°, worden voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is ook mondeling toegelicht aan de betrokkene.
In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen de elementen, vermeld in het eerste lid, in geval van hoogdringendheid ook mondeling aan de betrokkene worden meegedeeld, op voorwaarde dat de maatregelen binnen een periode van vijf werkdagen schriftelijk bekrachtigd worden.
§ 5. Iedere betrokkene heeft de plicht de ambtenaren, vermeld in paragraaf 1, de aanvullende informatie mee te delen die de ambtenaren noodzakelijk achten om de maatregelen te bevelen die aan de situatie aangepast zijn.
§ 6. Als niet binnen de periode, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3°, gevolg wordt gegeven aan de bevelen, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, kunnen de ambtenaren, vermeld in paragraaf 1, de nodige maatregelen ambtshalve uitvoeren of doen uitvoeren.
§ 7. Als de bevolen maatregelen, vermeld in paragraaf 3, niet worden nageleefd, zijn de ambtenaren, vermeld in paragraaf 1, onverminderd de bevoegdheden van de toezichthoudende ambtenaren die aangewezen zijn in het kader van titel XVI het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, bevoegd om een proces-verbaal op te stellen. Hun processen-verbaal hebben bewijskracht tot het tegendeel bewezen is. Een afschrift van hun proces-verbaal wordt de betrokkene binnen vijf werkdagen aangetekend toegestuurd. ]1

Art. 53/2. [1 . § 1er. Le Gouvernement flamand désigne des fonctionnaires qui sont habilités à prendre des mesures pour lutter contre l'exposition à des facteurs chimiques dans l'environnement, impliquant un danger potentiel d'effets nocifs sur la santé de l'homme.
§ 2. Les fonctionnaires, visés au paragraphe 1er :
1° prennent au besoin contact avec d'autres autorités de santé intérieures, étrangères ou internationales qui sont compétentes en la matière, afin de lutter contre les risques pour la santé d'une exposition à des facteurs chimiques ;
2° ont librement accès, dans les limites de leur mission et dans la mesure où il est jugé nécessaire, de cinq heures du matin à neuf heures du soir, à tous les endroits et espaces où l'on présume ou l'on a constaté l'existence d'une source possible d'un facteur chimique qui représente un danger particulier pour la population. Entre neuf heures du soir et cinq heures du matin, l'accès est limité aux établissements collectifs où des personnes passent la nuit ;
3° peuvent, dans les limites de leur mission et dans la mesure où il est jugé nécessaire :
a) mener toute investigation, tout contrôle ou toute enquête, et recueillir toutes les informations qu'ils jugent nécessaires pour s'assurer que les dispositions décrétales et réglementaires sont respectées ;
b) requérir l'assistance de la police locale ou fédérale dans l'exercice de leur fonction.
§ 3. Les fonctionnaires, visés au paragraphe 1er, peuvent, sans préjudice de l'application des responsabilités des fonctionnaires de surveillance qui sont désignés dans le cadre du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, et après concertation préalable avec ces fonctionnaires de surveillance :
1° ordonner le monitoring afin de détecter et caractériser la cause de la propagation de facteurs chimiques dans l'environnement, visés au paragraphe 1er ;
2° ordonner des mesures telles que visées au paragraphe 1er, pouvant viser entre autres :
a) la fermeture du lieu, de l'espace ou de l'établissement pouvant être la cause du danger, visé au paragraphe 1er ;
b) l'arrêt, partiel ou non dans le temps et l'espace, de l'activité ou de l'installation pouvant être la cause du danger, visé au paragraphe 1er ;
c) la détoxication du lieu, de l'espace, de l'établissement ou de l'installation pouvant être la cause du danger, visé au paragraphe 1er ;
d) des modifications dans le processus pouvant être la cause du danger, visé au paragraphe 1er ;
e) l'exécution de travaux dans le lieu, l'espace, l'établissement ou l'installation pouvant être la cause du danger, visé au paragraphe 1er.
Les fonctionnaires, visés à l'article 44, § 3, 5°, adaptent la mesure, visée à l'alinéa 1er, ou mettent fin à la mesure en fonction de la diminution du risque de propagation de la contamination depuis le lieu, l'espace, l'établissement ou l'installation.
§ 4. Le fonctionnaire qui a pris les mesures, visées au paragraphe 3, alinéa 1er, 1° et 2°, communique par écrit au moins les données suivantes à l'intéressé :
1° le contenu de la mesure ;
2° la motivation de la mesure ;
3° la période dans laquelle il doit être donné suite à la mesure ;
4° le nom, la fonction et la résidence administrative du fonctionnaire concerné ;
5° la mention de la faculté de recours ;
6° la procédure de recours ;
7° le mode d'évaluation de la mesure prise, sa durée, ainsi que le mode d'une adaptation éventuelle de la mesure.
Les éléments, visés à l'alinéa 1er, 1°, 2°, 3° et 6°, sont également expliqués oralement à l'intéressé, pour autant que cela soit raisonnablement possible.
Par dérogation aux alinéas 1er et 2, en cas d'extrême urgence, les éléments, visés à l'alinéa 1er, peuvent également être expliqués oralement à l'intéressé, à condition que les mesures soient sanctionnées par écrit dans un délai de cinq jours ouvrables.
§ 5. Chaque intéressé a l'obligation de communiquer aux fonctionnaires, visés au paragraphe 1er, les informations complémentaires que les fonctionnaires jugent nécessaires pour ordonner les mesures adaptées à la situation.
§ 6. S'il n'est pas donné suite dans le délai, visé au paragraphe 4, alinéa 1er, 3°, aux ordres, visés au paragraphe 3, alinéa 1er, les fonctionnaires, visés au paragraphe 1er, peuvent exécuter ou faire exécuter d'office les mesures nécessaires.
§ 7. Si les mesures ordonnées, visées au paragraphe 3, ne sont pas respectées, les fonctionnaires, visés au paragraphe 1er, sans préjudice des compétences des fonctionnaires de surveillance qui sont désignés dans le cadre du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, sont habilités à dresser un procès-verbal. Les procès-verbaux font foi jusqu'à preuve du contraire. Une copie de ce procès-verbal est adressée à l'intéressé dans les cinq jours ouvrables. ]1

Art. 53/3. [1 § 1. De Vlaamse Regering wijst ambtenaren aan die bevoegd zijn om maatregelen te nemen om blootstelling aan fysische factoren in het leefmilieu, die een potentieel gevaar voor schadelijke gezondheidseffecten bij de mens inhouden, tegen te gaan.
§ 2. De ambtenaren, vermeld in paragraaf 1:
1° nemen, zo nodig, contact op met andere binnenlandse, buitenlandse of internationale gezondheidsautoriteiten die ter zake bevoegd zijn, om de gezondheidsrisico's van blootstelling aan fysische factoren tegen te gaan;
2° hebben, binnen de perken van hun opdracht en als dat noodzakelijk wordt geacht, van vijf uur 's morgens tot negen uur 's avonds vrije toegang tot alle plaatsen en ruimten waar een mogelijke bron is vastgesteld of wordt vermoed van een fysische factor die een bijzonder gevaar vormt voor de volksgezondheid. Tussen negen uur 's avonds en vijf uur 's morgens is de toegang beperkt tot collectieve inrichtingen waar personen overnachten;
3° mogen binnen de perken van hun opdracht en als dat noodzakelijk wordt geacht:
a) elk onderzoek, elke controle en elke enquête instellen, alsook alle inlichtingen inwinnen die ze nodig achten om zich ervan te vergewissen dat de decreets- en reglementsbepalingen worden nageleefd;
b) bij de uitoefening van hun ambt de bijstand van de lokale of federale politie vorderen.
§ 3. De ambtenaren, vermeld in paragraaf 1, kunnen, met behoud van de toepassing van de verantwoordelijkheden van de toezichthoudende ambtenaren die aangewezen zijn in het kader van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en in geval die verantwoordelijkheden van toepassing zijn na voorafgaand overleg met die toezichthoudende ambtenaren:
1° monitoring bevelen om de oorzaak van de verspreiding van de fysische factoren in het leefmilieu, vermeld in paragraaf 1, op te sporen en te karakteriseren;
2° maatregelen als vermeld in paragraaf 1 bevelen die onder meer kunnen strekken tot:
a) de sluiting van de plaats, ruimte of inrichting die de oorzaak kan zijn van het gevaar, vermeld in paragraaf 1;
b) de stopzetting, al dan niet gedeeltelijk in tijd en ruimte, van de activiteit of installatie die de oorzaak kan zijn van het gevaar, vermeld in paragraaf 1;
c) de detoxificatie van de plaats, ruimte, inrichting of installatie die de oorzaak kan zijn van het gevaar, vermeld in paragraaf 1;
d) het aanbrengen van wijzigingen in de procesvoering die de oorzaak kan zijn van het gevaar, vermeld in paragraaf 1;
e) het uitvoeren van werkzaamheden aan de plaats, ruimte, inrichting of installatie die de oorzaak kan zijn van het gevaar, vermeld in paragraaf 1.
De ambtenaren, vermeld in artikel 44, § 3, 5°, passen de maatregel, vermeld in het eerste lid, aan of beëindigen de maatregel in functie van de vermindering van het risico op verdere verspreiding van de contaminatie vanuit de plaats, ruimte, inrichting of installatie.
§ 4. De ambtenaar die de maatregelen, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 1° en 2°, genomen heeft, deelt aan de betrokkene schriftelijk minstens de volgende gegevens mee:
1° de inhoud van de maatregel;
2° de motivering van de maatregel;
3° de periode waarbinnen gevolg gegeven moet worden aan de maatregel;
4° de naam, de functie en de standplaats van de betrokken ambtenaar;
5° de vermelding van de mogelijkheid om beroep aan te tekenen;
6° de beroepsprocedure;
7° de wijze van evaluatie van de genomen maatregel, de duur ervan, alsook de wijze van een eventuele aanpassing van de maatregel.
De elementen, vermeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3° en 6°, worden voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is ook mondeling toegelicht aan de betrokkene.
In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen de elementen, vermeld in het eerste lid, in geval van hoogdringendheid ook mondeling aan de betrokkene worden meegedeeld, op voorwaarde dat de maatregelen binnen een periode van vijf werkdagen schriftelijk bekrachtigd worden.
§ 5. Iedere betrokkene heeft de plicht de ambtenaren, vermeld in paragraaf 1, de aanvullende informatie mee te delen die de ambtenaren noodzakelijk achten om de maatregelen te bevelen die aan de situatie aangepast zijn.
§ 6. Als niet binnen de periode, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3°, gevolg wordt gegeven aan de bevelen, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, kunnen de ambtenaren, vermeld in paragraaf 1, de nodige maatregelen ambtshalve uitvoeren of doen uitvoeren.
§ 7. Als de bevolen maatregelen, vermeld in paragraaf 3, niet worden nageleefd, zijn de ambtenaren, vermeld in paragraaf 1, onverminderd de bevoegdheden van de toezichthoudende ambtenaren die aangewezen zijn in het kader van titel XVI het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, bevoegd om een proces-verbaal op te stellen. Hun processen-verbaal hebben bewijskracht tot het tegendeel bewezen is. Een afschrift van hun proces-verbaal wordt de betrokkene binnen vijf werkdagen aangetekend toegestuurd. ]1

Art. 53/3. [1 . § 1er. Le Gouvernement flamand désigne des fonctionnaires qui sont habilités à prendre des mesures pour lutter contre l'exposition à des facteurs physiques dans l'environnement, impliquant un danger potentiel d'effets nocifs sur la santé de l'homme.
§ 2. Les fonctionnaires, visés au paragraphe 1er :
1° prennent au besoin contact avec d'autres autorités de santé intérieures, étrangères ou internationales qui sont compétentes en la matière, afin de lutter contre les risques pour la santé d'une exposition à des facteurs physiques ;
2° ont librement accès, dans les limites de leur mission et dans la mesure où il est jugé nécessaire, de cinq heures du matin à neuf heures du soir, à tous les endroits et espaces où l'on présume ou l'on a constaté l'existence d'une source possible d'un facteur physique qui représente un danger particulier pour la population. Entre neuf heures du soir et cinq heures du matin, l'accès est limité aux établissements collectifs où des personnes passent la nuit ;
3° peuvent, dans les limites de leur mission et dans la mesure où il est jugé nécessaire :
a) mener toute investigation, tout contrôle ou toute enquête, et recueillir toutes les informations qu'ils jugent nécessaires pour s'assurer que les dispositions décrétales et réglementaires sont respectées ;
b) requérir l'assistance de la police locale ou fédérale dans l'exercice de leur fonction.
§ 3. Les fonctionnaires, visés au paragraphe 1er, peuvent, sans préjudice de l'application des responsabilités des fonctionnaires de surveillance qui sont désignés dans le cadre du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, et au cas où ces responsabilités s'appliquent après concertation préalable avec ces fonctionnaires de surveillance :
1° ordonner le monitoring afin de détecter et caractériser la cause de la propagation de facteurs physiques dans l'environnement, visés au paragraphe 1er ;
2° ordonner des mesures telles que visées au paragraphe 1er, pouvant viser entre autres :
a) la fermeture du lieu, de l'espace ou de l'établissement pouvant être la cause du danger, visé au paragraphe 1er ;
b) l'arrêt, partiel ou non dans le temps et l'espace, de l'activité ou de l'installation pouvant être la cause du danger, visé au paragraphe 1er ;
c) la détoxication du lieu, de l'espace, de l'établissement ou de l'installation pouvant être la cause du danger, visé au paragraphe 1er ;
d) des modifications dans le processus pouvant être la cause du danger, visé au paragraphe 1er ;
e) l'exécution de travaux dans le lieu, l'espace, l'établissement ou l'installation pouvant être la cause du danger, visé au paragraphe 1er.
Les fonctionnaires, visés à l'article 44, § 3, 5°, adaptent la mesure, visée à l'alinéa 1er, ou mettent fin à la mesure en fonction de la diminution du risque de propagation de la contamination depuis le lieu, l'espace, l'établissement ou l'installation.
§ 4. Le fonctionnaire qui a pris les mesures, visées au paragraphe 3, alinéa 1er, 1° et 2°, communique par écrit au moins les données suivantes à l'intéressé :
1° le contenu de la mesure ;
2° la motivation de la mesure ;
3° la période dans laquelle il doit être donné suite à la mesure ;
4° le nom, la fonction et la résidence administrative du fonctionnaire concerné ;
5° la mention de la faculté de recours ;
6° la procédure de recours ;
7° le mode d'évaluation de la mesure prise, sa durée, ainsi que le mode d'une adaptation éventuelle de la mesure.
Les éléments, visés à l'alinéa 1er, 1°, 2°, 3° et 6°, sont également expliqués oralement à l'intéressé, pour autant que cela soit raisonnablement possible.
Par dérogation aux alinéas 1er et 2, en cas d'extrême urgence, les éléments, visés à l'alinéa 1er, peuvent également être expliqués oralement à l'intéressé, à condition que les mesures soient sanctionnées par écrit dans un délai de cinq jours ouvrables.
§ 5. Chaque intéressé a l'obligation de communiquer aux fonctionnaires, visés au paragraphe 1er, les informations complémentaires que les fonctionnaires jugent nécessaires pour ordonner les mesures adaptées à la situation.
§ 6. S'il n'est pas donné suite dans le délai, visé au paragraphe 4, alinéa 1er, 3°, aux ordres, visés au paragraphe 3, alinéa 1er, les fonctionnaires, visés au paragraphe 1er, peuvent exécuter ou faire exécuter d'office les mesures nécessaires.
§ 7. Si les mesures ordonnées, visées au paragraphe 3, ne sont pas respectées, les fonctionnaires, visés au paragraphe 1er, sans préjudice des compétences des fonctionnaires de surveillance qui sont désignés dans le cadre du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, sont habilités à dresser un procès-verbal. Les procès-verbaux font foi jusqu'à preuve du contraire. Une copie de ce procès-verbal est adressée à l'intéressé dans les cinq jours ouvrables. ]1

Art. 54. § 1. De Vlaamse regering kan een netwerk oprichten voor de bewaking van de in de mens gemeten blootstelling en/of voor de bewaking van de effecten van fysische en chemische factoren op de bevolking, met de bedoeling maatregelen te kunnen nemen om de volksgezondheid te beschermen.
§ 2. De Vlaamse regering neemt minstens maatregelen voor de ontwikkeling en uitvoering van een programma voor biomonitoring.
[1 § 2/1. De Vlaamse Regering kan een initiatief nemen om een programma om het exposoom vast te stellen, te ontwikkelen en uit te voeren.
§ 2/2. De Vlaamse Regering neemt het initiatief om een netwerk voor milieugerelateerde gezondheidsgegevens op te richten.]1

§ 3. Ter uitvoering van § 1, kan de Vlaamse regering een fonds oprichten en bepaalt ze de werking en de omvang en de wijze van financiering ervan. Hiertoe kan een verplichte financiële bijdrage opgelegd worden ten laste van bedrijven en/of burgers die medeverantwoordelijk zijn voor de aanwezigheid van fysische of chemische factoren die schadelijk zijn voor de gezondheid.
Art. 54. § 1er. Le Gouvernement flamand peut créer un réseau de surveillance de l'exposition mesurée dans l'homme et/ou de surveillance des effets des facteurs physiques et chimiques sur la population, dans le but de pouvoir prendre des mesures visant à protéger la santé publique.
§ 2. Le Gouvernement flamand prend au moins les mesures visant à développer et exécuter un programme de surveillance biologique.
[1 § 2/1. Le Gouvernement flamand peut prendre une initiative afin de développer et d'exécuter un programme visant à déterminer l'exposome.
§ 2/2. Le Gouvernement flamand prend l'initiative de créer un réseau de données de santé environnementale. ]1

§ 3. En exécution du § 1er, le Gouvernement flamand peut créer un fonds et déterminer le fonctionnement, l'ampleur et le mode de financement de ce fonds. Une contribution financière obligatoire peut être imposée à cet effet à charge d'entreprises et/ou citoyens qui sont coresponsables de la présence de facteurs physiques ou chimiques qui sont nuisibles à la santé.
Art. 55. De Vlaamse regering neemt initiatieven die, met betrekking tot de fysische of chemische factoren, een facettenbeleid vergemakkelijken of mogelijk maken, en dit minstens met betrekking tot verzorgingsvoorzieningen, waterrecreatie, mobiliteit en huisvesting.
Art. 55. Le Gouvernement flamand prend des initiatives qui, en ce qui concerne les facteurs physiques ou chimiques, facilitent ou permettent une politique à facettes, au moins en ce qui concerne les établissements de soins, les loisirs aquatiques, la mobilité et le logement.
Afdeling III. - Initiatieven met betrekking tot ruimtelijke en materiële factoren.
Section III. - Initiatives relatives aux facteurs spatiaux et matériels.
Art. 56. De Vlaamse regering kan, in het kader van haar facettenbeleid, initiatieven nemen met betrekking tot materiële en ruimtelijke factoren. Die initiatieven hebben onder meer betrekking op :
1° het plannen of inrichten van de materiële en ruimtelijke omgeving om de levenskwaliteit te bevorderen en/of schade aan de gezondheid te voorkomen;
2° het opsporen van materiële en ruimtelijke factoren die een bedreiging vormen voor de gezondheid.
Art. 56. Dans le cadre de sa politique à facettes, le Gouvernement flamand peut prendre des initiatives relatives aux facteurs spatiaux et matériels. Ces initiatives concernent entre autres :
1° la planification ou l'aménagement de l'environnement matériel et spatial afin de promouvoir la qualité de la vie et/ou prévenir des atteintes à la santé;
2° le dépistage de facteurs matériels et spatiaux qui constituent une menace pour la santé.
Afdeling IV. [1 Initiatieven met betrekking tot gezondheidsimpact door klimaatverandering ]1
Section IV. [1 Initiatives relatives à l'impact sur la santé du changement climatique ]1
Art. 56/1. [1 De Vlaamse Regering kan initiatieven nemen om gezondheidsimpact door klimaatverandering te detecteren, te voorkomen en te bestrijden.
De initiatieven, vermeld in het eerste lid, hebben onder meer betrekking op:
1° gezondheidsimpactanalyse;
2° surveillance van gezondheidsimpact door klimaatverandering;
3° de gezondheidsaspecten van klimaatmitigatie en -adaptatie;
4° sensibilisering.
De Vlaamse Regering neemt minstens initiatieven om een klimaatgezondheidsplan te ontwikkelen en uit te voeren. ]1

Art. 56/1. [1 Le Gouvernement flamand peut prendre des initiatives afin de détecter, prévenir et lutter contre l'impact sur la santé du changement climatique.
Les initiatives, visées à l'alinéa 1er, ont trait, entre autres :
1° à l'analyse de l'impact sur la santé ;
2° à la surveillance de l'impact sur la santé du changement climatique ;
3° aux aspects liés à la santé de l'atténuation du changement climatique et l'adaptation à celui-ci ;
4° à la sensibilisation.
Le Gouvernement flamand prend au moins des initiatives afin de développer et exécuter un plan santé climat. ]1

HOOFDSTUK II. - Initiatieven met betrekking tot leefstijlfactoren.
CHAPITRE II. - Initiatives relatives aux facteurs du style de vie.
Art. 57. De Vlaamse regering neemt initiatieven tot het bevorderen van lichaamsbeweging die bijdraagt tot de gezondheid. Die initiatieven hebben onder meer betrekking op :
1° het aanzetten tot gezonde vormen van lichaamsbeweging om bewegingsarmoede te bestrijden en/of om letsels of andere vormen van gezondheidsschade te voorkomen;
2° het opsporen van bedreigingen voor de gezondheid door gebrek aan lichaamsbeweging of door ongezonde vormen van lichaamsbeweging.
Art. 57. Le Gouvernement flamand prend des initiatives visant à promouvoir l'exercice physique qui contribue à la santé. Ces initiatives concernent entre autres :
1° l'incitation à des formes saines d'exercice physique afin de lutter contre le manque d'exercice physique et/ou de prévenir des blessures ou d'autres formes d'atteintes à la santé;
2° le dépistage de menaces pour la santé à cause d'un manque d'exercice physique ou à cause de formes malsaines d'exercice physique.
Art. 58. De Vlaamse regering neemt initiatieven tot het bevorderen van gezonde eetgewoonten. Die initiatieven hebben onder meer betrekking op :
1° het aanzetten tot gezonde eetgewoonten om een normale ontwikkeling en een normaal functioneren van de persoon toe te laten en/of gezondheidsschade te voorkomen;
2° het opsporen van bedreigingen voor de gezondheid, te wijten aan ongezonde eetgewoonten.
Art. 58. Le Gouvernement flamand prend des initiatives visant à promouvoir des habitudes alimentaires saines. Ces initiatives concernent entre autres :
1° l'incitation à des habitudes alimentaires saines visant à permettre le fonctionnement normal de la personne et/ou à prévenir des atteintes à la santé;
2° le dépistage de menaces pour la santé, à cause d'habitudes alimentaires malsaines.
Art. 59. De Vlaamse regering neemt initiatieven tot het voorkomen van ongevallen. Die initiatieven hebben onder meer betrekking op het aanzetten tot veilig gedrag, zowel in de publieke als in de private sfeer.
Art. 59. Le Gouvernement flamand prend des initiatives visant à prévenir des accidents. Ces initiatives concernent entre autres l'incitation au comportement sûr, aussi bien dans la sphère publique que dans la sphère privée.
Art. 60. De Vlaamse regering neemt initiatieven tot het bevorderen van een gezond gebit. Die initiatieven hebben onder meer betrekking op :
1° het aanzetten tot een goede gebitsverzorging;
2° het opsporen van bedreigingen voor een gezond gebit.
Art. 60. Le Gouvernement flamand prend des initiatives visant à promouvoir une denture saine. Ces initiatives concernent entre autres :
1° l'incitation à de bons soins dentaires;
2° le dépistage de menaces pour une denture saine.
Art. 61. De Vlaamse regering neemt initiatieven tot het bevorderen van de seksuele gezondheid. Die initiatieven hebben onder meer betrekking op :
1° het aanzetten tot een huidig of toekomstig gezond seksueel gedrag;
2° het opsporen van bedreigingen voor de gezondheid door seksueel gedrag.
Art. 61. Le Gouvernement flamand prend des initiatives visant à promouvoir la santé sexuelle. Ces initiatives concernent entre autres :
1° l'incitation au bon comportement sexuel actuel ou futur;
2° le dépistage de menaces pour la santé à cause du comportement sexuel.
Art. 62. De Vlaamse regering neemt initiatieven tot het bevorderen van een adequate stresshantering. Die initiatieven hebben onder meer betrekking op het voorkomen of beperken van stress en/of het beter leren omgaan ermee.
Art. 62. Le Gouvernement flamand prend des initiatives visant à promouvoir une gestion adéquate du stress. Ces initiatives concernent entre autres la prévention ou la limitation du stress et/ou le fait d'apprendre à mieux gérer le stress.
Art. 63. De Vlaamse regering neemt initiatieven tot het voorkomen of beperken van gezondheidsschade door middelengebruik en gokken. Die initiatieven hebben onder meer betrekking hebben op :
1° het voorkomen van problematisch middelengebruik of problematisch gokken;
2° het opsporen van problematisch middelengebruik of problematisch gokken.
Art. 63. Le Gouvernement flamand prend des initiatives visant à prévenir ou limiter les atteintes à la santé à cause de l'usage de substances et le jeu de hasard. Ces initiatives concernent entre autres :
1° la prévention de l'usage de substances problématique ou de la dépendance du jeu de hasard;
2° le dépistage de l'usage de substances problématique ou de la dépendance du jeu de hasard.
HOOFDSTUK III. - Initiatieven met betrekking tot de sociale omgevingsfactoren.
CHAPITRE III. - Initiatives relatives aux facteurs ambiants sociaux.
Art. 64. De Vlaamse regering kan initiatieven nemen om een gezondheidsbevorderende sociale omgeving te ondersteunen en om bedreigende factoren in de sociale omgeving tegen te gaan. Die initiatieven kunnen [1 onder meer]1 betrekking hebben op :
1° de schoolomgeving;
2° de werkomgeving;
3° de leefomgeving.
Art. 64. Le Gouvernement flamand peut prendre des initiatives visant à supporter un environnement social qui promeut la santé et à prévenir des facteurs menaçant dans l'environnement social. Ces initiatives peuvent [1 entre autres]1 concerner :
1° l'environnement scolaire;
2° l'environnement du travail;
3° l'entourage.
TITEL VI. - Initiatieven met betrekking tot endogene factoren.
TITRE VI. - Initiatives relatives aux facteurs endogènes.
HOOFDSTUK I. - Initiatieven met betrekking tot genetische factoren.
CHAPITRE Ier. - Initiatives relatives aux facteurs génétiques.
Art. 65. De Vlaamse regering neemt initiatieven om gezondheidsschade door genetische factoren te voorkomen of te beperken. Die initiatieven hebben onder meer betrekking op :
1° het aanbieden van de mogelijkheid tot opsporing van dragerschap van genetische aandoeningen met het oog op het voorkomen van aandoeningen bij nakomelingen :
a) bij de personen, bedoeld in artikel 8, als zij erom vragen en als er een verhoogd risico bestaat;
b) bij vooraf omschreven bevolkingsgroepen;
2° het aanbieden van de mogelijkheid tot opsporing van de aanleg voor genetisch bepaalde ziekten en aandoeningen met het oog op het voorkomen of beperken van gezondheidsschade bij de onderzochte personen.
Art. 65. Le Gouvernement flamand prend des initiatives visant à prévenir ou limiter les atteintes à la santé causées par des facteurs génétiques. Ces initiatives visent entre autres à :
1° offrir la possibilité de dépister la présence d'affections génétiques en vue de la prévention d'affections chez les descendants :
a) auprès des personnes visées à l'article 8, si elles en font la demande et en cas de risque augmenté;
b) auprès de groupes de population définis au préalable;
2° offrir la possibilité de dépister la prédisposition aux maladies et affections génétiques en vue de la prévention ou la limitation d'atteintes a la santé auprès des personnes examinées.
HOOFDSTUK II. - Initiatieven met betrekking tot verworven factoren.
CHAPITRE II. - Initiatives relatives aux facteurs acquis.
Art. 66. De Vlaamse regering neemt initiatieven om gezondheidsschade door verworven factoren te voorkomen of te beperken. Die initiatieven hebben onder meer betrekking op het opsporen van risico's met betrekking tot verworven factoren ter voorkoming van sommige ziekten en aandoeningen, bedoeld in artikel 67 tot en met artikel 72.
Art. 66. Le Gouvernement flamand prend des initiatives visant à prévenir ou limiter les atteintes à la santé causées par des facteurs acquis. Ces initiatives concernent entre autres le dépistage de risques relatifs aux facteurs acquis en vue de la prévention de certaines maladies et affections, visées aux articles 67 à 72 inclus.
TITEL VII. - Initiatieven, gericht op specifieke ziekten en aandoeningen.
TITRE VII. - Initiatives qui visent des maladies et affections spécifiques.
Art. 67. De Vlaamse regering neemt initiatieven ter preventie van hart- en vaatziekten. Die initiatieven kunnen [1 onder meer]1 betrekking hebben op :
1° het voorkomen van hart- en vaatziekten door in te grijpen op determinanten en bronnen van gevaar of bedreigende factoren;
2° het opsporen van hart- en vaatziekten in een zo vroeg mogelijk stadium.
Art. 67. Le Gouvernement flamand prend des initiatives visant à prévenir des maladies cardio-vasculaires. Ces initiatives peuvent [1 entre autres]1 concerner :
1° la prévention des maladies cardio-vasculaires en intervenant sur les déterminants et sources de danger ou facteurs menaçants;
2° le dépistage de maladies cardio-vasculaires dans un stade aussi précoce que possible.
Art. 68. De Vlaamse regering neemt initiatieven ter preventie van kanker. Die initiatieven kunnen [1 onder meer]1 betrekking hebben op :
1° het voorkomen van kanker door in te grijpen op determinanten en bronnen van gevaar of bedreigende factoren;
2° het opsporen van kanker in een zo vroeg mogelijk stadium.
Art. 68. Le Gouvernement flamand prend des initiatives visant à prévenir le cancer. Ces initiatives peuvent [1 entre autres]1 concerner :
1° la prévention du cancer en intervenant sur les déterminants et sources de danger ou facteurs menaçants;
2° le dépistage du cancer dans un stade aussi précoce que possible.
Art.68/1. [1 § 1. In dit artikel wordt verder verstaan onder:
1° aangewezen arts: de arts die door de deelnemer aangewezen is als arts die gecontacteerd mag worden in het kader van het bevolkingsonderzoek naar kanker en met wie de resultaten van het bevolkingsonderzoek naar kanker van de deelnemer gedeeld kunnen worden;
2° bloedverwant: een ouder, broer, zus of kind van een deelnemer;
3° bevolkingsonderzoek naar kanker: een bevolkingsonderzoek naar kanker dat georganiseerd wordt op initiatief van de Vlaamse Regering als vermeld in artikel 31, § 1;
4° deelnemer: een persoon die deelneemt aan een bevolkingsonderzoek naar kanker;
5° doorverwijzende arts: de arts die de deelnemer heeft doorverwezen naar het bevolkingsonderzoek naar kanker;
6° GMD-houdende arts: de arts die het globaal medisch dossier van de deelnemer bijhoudt;
7° in situ kanker: een tumor die niet is uitgezaaid of doorgebroken naar het omliggende weefsel;
8° intervalkanker: een kanker die gevonden wordt tussen twee opeenvolgende screeningsonderzoeken, het kan gaan om een in situ kanker of een invasieve kanker;
9° invasieve kanker: een tumor die in de omliggende weefsels is doorgedrongen;
10° organisatie die op basis van een overeenkomst een bevolkingsonderzoek naar kanker organiseert: een organisatie die op basis van een overeenkomst in opdracht van de Vlaamse overheid organisatorische taken vervult in het kader van een Vlaams bevolkingsonderzoek naar kanker;
11° persoon die de screening uitvoert: iedere persoon, met uitzondering van de deelnemer, die in het kader van het bevolkingsonderzoek naar kanker stalen of beelden afneemt of analyseert;
12° screening: elk onderzoek naar een ziekte of aandoening of naar risicofactoren, voorstadia of verwikkelingen ervan, bij een of meer personen, dat niet wordt uitgevoerd naar aanleiding van gezondheidsklachten die uit eigen beweging geformuleerd zijn en die verband houden met de opgespoorde ziekte of aandoening of de risicofactoren, voorstadia of verwikkelingen ervan;
13° volledige doelgroep: de personen die op basis van criteria in aanmerking kunnen komen om deel te nemen aan het bevolkingsonderzoek naar kanker.
De Vlaamse Regering kan de criteria, vermeld in het eerste lid, 13°, bepalen.
De Vlaamse Regering kan uitsluitingscriteria bepalen op basis waarvan personen die deel uitmaken van de volledige doelgroep, toch niet kunnen deelnemen aan het bevolkingsonderzoek naar kanker.
Personen die deel uitmaken van de volledige doelgroep, die niet actief uitgenodigd zijn om deel te nemen aan het bevolkingsonderzoek naar kanker, maar die niet uitgesloten worden op basis van de uitsluitingscriteria, vermeld in het derde lid, kunnen deelnemen aan het bevolkingsonderzoek naar kanker.
§ 2. Met het oog op de uitvoering en de evaluatie van de bevolkingsonderzoeken naar kanker kunnen de administratie, een organisatie die op basis van een overeenkomst een bevolkingsonderzoek naar kanker organiseert, of personen die de screening uitvoeren, persoonsgegevens verwerken van de volgende personen:
1° personen die deel uitmaken van de volledige doelgroep en personen die binnen een jaar deel uit zullen maken van de volledige doelgroep;
2° deelnemers.
De Vlaamse Gemeenschap of de organisatie die op basis van een overeenkomst de bevolkingsonderzoeken naar kanker organiseert, stelt een registratiesysteem ter beschikking om het bevolkingsonderzoek, vermeld in het eerste lid, uit te voeren en te evalueren.
§ 3. Met het oog op de selectie en uitnodiging van personen voor deelname aan een bevolkingsonderzoek naar kanker kunnen de volgende gegevens verwerkt worden van personen uit de volledige doelgroep en van personen die binnen een jaar deel uit zullen maken van de volledige doelgroep:
1° de persoonsgegevens om de persoon te identificeren, waaronder het rijksregisternummer of het identificatienummer van de Kruispuntbank, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
2° de naam en voornaam;
3° de geboortedatum;
4° het geslacht;
5° in voorkomend geval, de overlijdensdatum;
6° de volgende gegevens over eerdere uitnodigingen voor het bevolkingsonderzoek naar kanker en de eerdere deelnames aan het bevolkingsonderzoek naar kanker:
a) de eerdere datums van uitnodiging voor het bevolkingsonderzoek naar kanker;
b) de eerdere datums van deelname aan het bevolkingsonderzoek naar kanker;
c) in voorkomend geval, de eerdere weigeringen om deel te nemen aan het bevolkingsonderzoek naar kanker;
d) de datum en het type screeningsonderzoeken en de resultaten van screeningsonderzoeken die uitgevoerd zijn bij de persoon die deel uitmaakt van de volledige doelgroep, die een impact hebben op het screeningsinterval;
e) in voorkomend geval, de opvolging die geboden is na een voorafgaand afwijkend screeningsresultaat;
7° de datum en het type van immunisaties die toegediend zijn aan de persoon die deel uitmaakt van de volledige doelgroep, die een impact hebben op het screeningsinterval;
8° de datum en het type van relevante onderzoeken en behandelingen die de persoon die deel uitmaakt van de volledige doelgroep, heeft ondergaan buiten het bevolkingsonderzoek naar kanker, die impact hebben op het screeningsinterval, en relevante medische diagnoses die betrekking hebben op de aandoening waarop binnen het bevolkingsonderzoek naar kanker in kwestie gescreend wordt;
9° de volgende contactgegevens:
a) de hoofdverblijfplaats;
b) het e-mailadres;
c) het gsm- of telefoonnummer;
d) de gegevens die noodzakelijk zijn om de persoon te contacteren via de eBox, vermeld in artikel 2, 3°, van de wet van 27 februari 2019 inzake de elektronische uitwisseling van berichten via de eBox;
10° de volgende gegevens van de GMD-houdende arts, de doorverwijzende arts of de aangewezen arts:
a) naam en voornaam;
b) het adres;
c) het RIZIV-nummer;
11° als dat van toepassing is, de datum en locatie van uitnodiging.
De administratie of de organisatie die het bevolkingsonderzoek naar kanker organiseert, neemt organisatorische en technische maatregelen om de toegang tot de gegevens, vermeld in het eerste lid, 8°, van de administratie en van de organisatie die het bevolkingsonderzoek naar kanker uitvoert, te beperken zodat ze alleen het resultaat kunnen zien van de selectie die uitgevoerd is op basis van die gegevens.
De gegevens, vermeld in het eerste lid, 8°, worden voor het doeleinde, vermeld in het eerste lid, niet geregistreerd in het registratiesysteem, vermeld in paragraaf 2, tweede lid.
Personen kunnen verzoeken om niet uitgenodigd te worden in het kader van een of verschillende bevolkingsonderzoeken naar kanker. In dat geval wordt naast de gegevens, vermeld in het eerste lid, het verzoek om niet uitgenodigd te worden en de vermelding voor welk bevolkingsonderzoek verwerkt.
§ 4. Met het oog op de uitvoering van de screening van de deelnemer en de interpretatie van het resultaat van de screening kunnen de volgende persoonsgegevens verwerkt worden van de deelnemers:
1° de persoonsgegevens om de persoon te identificeren, waaronder het rijksregisternummer of het identificatienummer van de Kruispuntbank, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
2° de naam en voornaam;
3° de geboortedatum;
4° het geslacht;
5° de hoofdverblijfplaats;
6° in voorkomend geval, de datum van overlijden;
7° gegevens over het geplande screeningsmoment;
8° resultaten van de bevragingen van de deelnemer over:
a) relevante antecedenten bij de deelnemer;
b) of er bij een bloedverwant van de deelnemer kennis is of was van een kankerdiagnose voor de kanker waarop gescreend wordt. Van deze bloedverwant worden geen identiteits- of contactgegevens of andere persoonsgegevens geregistreerd, behalve het gegeven dat bij een bloedverwant kennis is of was van de betreffende kanker;
9° medicatiegebruik dat relevant is voor de interpretatie van het screeningsresultaat in het kader van het bevolkingsonderzoek naar kanker;
10° de volgende immunisatiegegevens:
a) de datums van immunisatie;
b) de immunisatiestatus tegen de kanker waarop gescreend wordt;
c) het soort preventief geneesmiddel dat is toegediend;
11° de volgende relevante gegevens over alle screeningsonderzoeken die uitgevoerd zijn en worden bij de deelnemer:
a) de datum van de screening;
b) de locatie van de screening;
c) het resultaat van de screening;
d) in voorkomend geval door wie de screening is uitgevoerd. De volgende persoonsgegevens kunnen verwerkt worden van de persoon die de screening heeft uitgevoerd:
1) naam en voornaam;
2) het RIZIV-nummer;
3) de volgende contactgegevens:
i) het adres;
ii) het telefoonnummer;
iii) het e-mailadres;
12° de toestemmingen van de deelnemer over de verwerking van de persoonsgegevens voor andere doeleinden dan de doeleinden die opgenomen zijn in dit artikel.
Als een derdebetalersregeling van toepassing is op de prestaties in het kader van het bevolkingsonderzoek naar kanker, kunnen ook gegevens over de derdebetalersregeling en over het ziekenfonds waarbij de deelnemer aangesloten is, verwerkt worden.
§ 5. De resultaten van de screening kunnen meegedeeld worden aan de deelnemer en aan de GMD-houdende arts, de aangewezen arts of de doorverwijzende arts.
Met het oog op de mededeling van de screeningsresultaten kunnen de volgende persoonsgegevens verwerkt worden:
1° de persoonsgegevens om de deelnemer te identificeren, waaronder het rijksregisternummer of het identificatienummer van de Kruispuntbank, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
2° de naam en voornaam van de deelnemer;
3° in voorkomend geval, de datum van overlijden;
4° de volgende contactgegevens van de deelnemer:
a) de hoofdverblijfplaats;
b) het e-mailadres en de toestemming van de persoon om het e-mailadres te gebruiken in het kader van het bevolkingsonderzoek naar kanker;
c) het gsm- of telefoonnummer;
d) de gegevens die noodzakelijk zijn om de persoon te contacteren via de eBox, vermeld in artikel 2, 3°, van de wet van 27 februari 2019 inzake de elektronische uitwisseling van berichten via de eBox;
5° de volgende contactgegevens van de doorverwijzende arts, de aangewezen arts of de GMD-houdende arts:
a) naam en voornaam;
b) het adres;
c) het RIZIV-nummer.
Met het oog op de mededeling van de resultaten van de screening kunnen de volgende persoonsgegevens doorgegeven worden:
1° de persoonsgegevens om de deelnemer te identificeren, waaronder het rijksregisternummer of het identificatienummer van de Kruispuntbank, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
2° de naam en voornaam van de deelnemer;
3° de resultaten van de screening, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 11° ;
4° de datum van de deelname aan het bevolkingsonderzoek naar kanker;
5° het advies over het voeren van een vervolgonderzoek als dat van toepassing is;
6° in het kader van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker kunnen ook de volgende persoonsgegevens doorgegeven worden aan de doorverwijzende arts, de aangewezen arts of de GMD-houdende arts:
a) de densiteit van het borstweefsel;
b) de locatie van de afwijking als dat van toepassing is.
§ 6. Om de correcte opvolging na een afwijkend screeningsresultaat te bewaken, kan contact opgenomen worden met de GMD-houdende arts, met de persoon die de screening uitgevoerd heeft, of met de deelnemer.
Met het oog op het contact, vermeld in het eerste lid, kunnen de volgende gegevens verwerkt en doorgegeven worden:
1° de persoonsgegevens om de deelnemer te identificeren, waaronder het rijksregisternummer of het identificatienummer van de Kruispuntbank, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
2° de naam en voornaam van de deelnemer;
3° de volgende contactgegevens van de deelnemer waarbij een afwijkend screeningsresultaat is vastgesteld:
a) de hoofdverblijfplaats en het adres;
b) het e-mailadres en de toestemming van de persoon om het e-mailadres te gebruiken in het kader van het bevolkingsonderzoek naar kanker;
c) het gsm- of telefoonnummer;
d) de gegevens die noodzakelijk zijn om de persoon te contacteren via de eBox, vermeld in artikel 2, 3°, van de wet van 27 februari 2019 inzake de elektronische uitwisseling van berichten via de eBox;
4° de resultaten van de screening, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 11° ;
5° het advies over het voeren van een vervolgonderzoek;
6° de volgende gegevens over de uitvoering van het vervolgonderzoek, vermeld in punt 5° :
a) het type vervolgonderzoek;
b) de termijn waarin het vervolgonderzoek is uitgevoerd;
7° de volgende gegevens van de persoon die de screening uitvoert:
a) naam en voornaam;
b) het adres;
c) het RIZIV-nummer;
8° de volgende gegevens van de GMD-houdende arts:
a) naam en voornaam;
b) het adres;
c) het RIZIV-nummer.
§ 7. Om de bevolkingsonderzoeken naar kanker te evalueren en te monitoren, kunnen de volgende persoonsgegevens van personen uit de volledige doelgroep verwerkt worden:
1° het rijksregisternummer of het identificatienummer van de Kruispuntbank, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
2° de leeftijd;
3° het geslacht;
4° de hoofdverblijfplaats;
5° de datums van de uitnodiging voor het bevolkingsonderzoek naar kanker;
6° de volgende gegevens over de deelname aan het bevolkingsonderzoek naar kanker:
a) de datum van de screening;
b) de locatie van de screening;
c) het resultaat van de screening, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 11° ;
7° de diagnoses die relevant zijn voor het type kanker waarop binnen het bevolkingsonderzoek naar kanker gescreend wordt;
8° bij een afwijkend screeningsresultaat, de volgende gegevens over de uitvoering van het vervolgonderzoek, vermeld in paragraaf 6, tweede lid, 5° en 6° :
a) het type vervolgonderzoek;
b) de termijn waarin het vervolgonderzoek is uitgevoerd;
9° de volgende immunisatiegegevens:
a) de datums van de immunisatie;
b) de immunisatiestatus die relevant is voor de kanker waarop gescreend wordt;
c) het soort preventief geneesmiddel dat is toegediend;
10° de vermelding of de deelnemer in aanmerking komt voor een verhoogde tegemoetkoming.
De gegevens, vermeld in het eerste lid, 7°, worden voor het doeleinde, vermeld in het eerste lid, niet geregistreerd in het registratiesysteem, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, met uitzondering van:
1° gegevens over in situ kankers die werden gediagnosticeerd bij deelnemers, met daarbij de vermelding of het een intervalkanker betreft of niet;
2° gegevens over invasieve kankers die werden gediagnosticeerd bij deelnemers, met daarbij de vermelding of het een intervalkanker betreft of niet.
De administratie en de organisatie die het bevolkingsonderzoek naar kanker organiseert, nemen organisatorische en technische maatregelen om de toegang tot de gegevens, vermeld in het eerste lid, 7°, van de administratie en van de organisatie die het bevolkingsonderzoek naar kanker uitvoert, te beperken zodat ze alleen geanonimiseerde indicatoren op basis van de verwerking, vermeld in het eerste lid, kunnen zien of berekenen, met uitzondering van de gegevens, vermeld in het tweede lid.
§ 8. De gegevens, vermeld in dit artikel, kunnen verwerkt worden voor wetenschappelijke doeleinden na anonimisering of ten minste na pseudonimisering van de gegevens als anonimisering niet toelaat om het wetenschappelijke doeleinde te bereiken.
In afwijking van het eerste lid, wordt onderzoek dat door of met voorafgaande toestemming van de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 11, en gevoerd wordt met het oog op de evaluatie of monitoring van de bevolkingsonderzoeken naar kanker, behandeld volgens hetgeen bepaald is in paragraaf 7.
§ 9. De gegevens, vermeld in dit artikel, kunnen doorgegeven worden aan:
1° de Stichting Kankerregister als opgericht bij artikel 138 van de Gecoördineerd wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen;
2° de deelnemer;
3° de GMD-houdende arts, de aangewezen arts en de doorverwijzende arts.
§ 10. De gegevens van personen die deel uitmaken van de volledige doelgroep en van personen die binnen een jaar deel uit zullen maken van de volledige doelgroep, maar die niet hebben deelgenomen aan de bevolkingsonderzoeken naar kanker, worden maximaal bewaard tot tien jaar nadat ze niet langer deel uitmaken van de volledige doelgroep.
De gegevens van de deelnemers en de GMD-houdende arts, de doorverwijzende arts en de aangewezen arts van de deelnemer worden maximaal bewaard tot dertig jaar na de laatste deelname aan het bevolkingsonderzoek naar kanker en minstens tot tien jaar nadat ze niet langer deel uitmaken van de volledige doelgroep.
In afwijking van het eerste en tweede lid, worden de gegevens, vermeld in paragraaf 7, tweede lid, maximaal bewaard tot tien jaar na registratie.
§ 11. De administratie is de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming, voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van dit artikel. Als een organisatie op basis van een beheersovereenkomst het bevolkingsonderzoek naar kanker organiseert, zijn die organisatie en de administratie gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken als vermeld in artikel 26 van de voormelde verordening, voor de verwerking van persoonsgegevens, vermeld in dit artikel.
De Vlaamse Regering kan bepalen welke technische en organisatorische maatregelen de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in het eerste lid, moet treffen om de persoonsgegevens te beschermen conform artikel 32 van de algemene verordening gegevensbescherming.]1

Art.68/1. [1 § 1er. Dans le présent article, on entend par :
1° médecin désigné : le médecin désigné par le participant comme médecin pouvant être contacté dans le cadre du dépistage du cancer et avec lequel les résultats du participant issus du dépistage du cancer peuvent être partagés ;
2° parent : le père, la mère, le frère, la soeur ou l'enfant d'un participant ;
3° dépistage du cancer : un dépistage du cancer dans la population organisé à l'initiative du Gouvernement flamand, au sens de l'article 31, § 1er ;
4° participant : une personne qui participe à un dépistage du cancer ;
5° médecin référent : le médecin qui a renvoyé le participant vers le dépistage du cancer ;
6° médecin gestionnaire du DMG : le médecin qui gère le dossier médical global du participant ;
7° cancer in situ : une tumeur qui ne s'est pas propagée ou n'a pas envahi les tissus environnants ;
8° cancer d'intervalle : un cancer détecté entre deux examens de dépistage consécutifs. Il peut s'agir d'un cancer in situ ou d'un cancer invasif ;
9° cancer invasif : une tumeur qui a envahi les tissus environnants ;
10° organisation qui assure un dépistage du cancer sur la base d'une convention : une organisation qui, sur la base d'une convention, accomplit des tâches organisationnelles pour le compte de l'Autorité flamande dans le cadre d'un dépistage flamand du cancer ;
11° personne qui effectue l'examen de dépistage : toute personne, à l'exception du participant, qui prélève ou analyse des échantillons ou des images dans le cadre du dépistage du cancer ;
12° examen de dépistage : tout examen visant à détecter une maladie ou une affection, ou des facteurs de risque, des stades précurseurs ou des complications de celles-ci, chez une ou plusieurs personnes, qui n'est pas effectué à la suite de plaintes formulées de manière spontanée et liées à la maladie ou à l'affection détectée ou aux facteurs de risque, aux stades précurseurs ou aux complications de celles-ci ;
13° groupe cible intégral : les personnes qui, sur la base de critères, peuvent être éligibles pour participer au dépistage du cancer.
Le Gouvernement flamand peut fixer les critères visés à l'alinéa 1er, 13°.
Le Gouvernement flamand peut fixer des critères d'exclusion sur la base desquels des personnes faisant partie du groupe cible intégral peuvent être exclues du dépistage du cancer.
Les personnes qui font partie du groupe cible intégral, qui ne sont pas activement invitées à participer au dépistage du cancer, mais qui ne sont pas exclues sur la base des critères d'exclusion visés à l'alinéa 3, peuvent participer au dépistage du cancer.
§ 2. En vue de la réalisation et de l'évaluation des dépistages de cancer, l'administration, l'organisation qui assure un dépistage de cancer sur la base d'une convention ou les personnes qui effectuent l'examen de dépistage peuvent traiter les données à caractère personnel des personnes suivantes :
1° les personnes qui font partie du groupe cible intégral et les personnes qui feront partie du groupe cible intégral dans un délai d'un an ;
2° les participants.
La Communauté flamande ou l'organisation qui assure les dépistages de cancer sur la base d'une convention met à disposition un système d'enregistrement afin de réaliser et d'évaluer le dépistage de la population visé à l'alinéa 1er.
§ 3. En vue de la sélection et de l'invitation de personnes à participer à un dépistage du cancer, les données suivantes peuvent être traitées concernant les personnes qui font partie du groupe cible intégral et les personnes qui feront partie du groupe cible intégral dans un délai d'un an :
1° les données à caractère personnel permettant d'identifier la personne, y compris le numéro de registre national ou le numéro d'identification de la Banque-Carrefour, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ;
2° nom et prénom ;
3° date de naissance ;
4° sexe ;
5° le cas échéant, la date de décès ;
6° les données suivantes relatives aux invitations précédentes au dépistage du cancer et aux participations précédentes au dépistage du cancer :
a) les dates précédentes des invitations au dépistage du cancer ;
b) les dates précédentes des participations au dépistage du cancer ;
c) le cas échéant, les refus antérieurs de participer au dépistage de cancer ;
d) la date et le type des examens de dépistage et les résultats des examens de dépistage effectués chez la personne faisant partie du groupe cible intégral, et qui ont une incidence sur l'intervalle de dépistage ;
e) le cas échéant, le suivi proposé après un résultat de dépistage anormal antérieur ;
7° la date et le type des immunisations administrées à la personne faisant partie du groupe cible intégral, qui ont une incidence sur l'intervalle de dépistage ;
8° la date et le type d'examens et de traitements pertinents que la personne faisant partie du groupe cible intégral a subis en dehors du dépistage du cancer, et qui ont une incidence sur l'intervalle de dépistage, ainsi que les diagnostics médicaux pertinents relatifs à la maladie dépistée dans le cadre du dépistage du cancer en question ;
9° les coordonnées suivantes :
a) résidence principale ;
b) adresse e-mail ;
c) numéro de GSM ou de téléphone ;
d) les données nécessaires pour contacter la personne via l'eBox, figurant à l'article 2, 3°, de la loi du 27 février 2019 relative à l'échange électronique de messages par le biais de l'eBox ;
10° les données suivantes du médecin gestionnaire du DMG, du médecin référent ou du médecin désigné :
a) nom et prénom ;
b) adresse ;
c) numéro INAMI ;
11° le cas échéant, la date et le lieu de l'invitation.
L'administration ou l'organisation qui assure le dépistage de cancer prend les mesures organisationnelles et techniques nécessaires pour limiter l'accès aux données visées à l'alinéa 1er, 8°, par l'administration et l'organisation qui assure le dépistage de cancer, de manière à ce qu'elles ne puissent voir que le résultat de la sélection effectuée sur la base de ces données.
Les données visées à l'alinéa 1er, 8°, ne sont pas enregistrées dans le système d'enregistrement visé au paragraphe 2, alinéa 2, pour la finalité visée à l'alinéa 1er.
Toute personne peut demander à ne pas être invitée à participer à un ou plusieurs dépistages de cancer. Dans ce cas, outre les données visées à l'alinéa 1er, la demande de ne pas être invité et le dépistage en question sont enregistrés.
§ 4. En vue de l'examen de dépistage des participants et de l'interprétation du résultat de cet examen, les données à caractère personnel suivantes des participants peuvent être traitées :
1° les données à caractère personnel permettant d'identifier la personne, y compris le numéro de registre national ou le numéro d'identification de la Banque-Carrefour, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ;
2° nom et prénom ;
3° date de naissance ;
4° sexe ;
5° résidence principale ;
6° le cas échéant, la date du décès ;
7° les données relatives à la date prévue du dépistage ;
8° les résultats des questions posées au participant concernant :
a) les antécédents pertinents du participant ;
b) si un parent du participant a ou avait connaissance d'un diagnostic de cancer pour le cancer faisant l'objet du dépistage. Aucune donnée d'identité, coordonnée ou autre donnée à caractère personnel de ce parent n'est enregistrée, à l'exception du fait que le parent a ou avait connaissance du cancer en question ;
9° la prise de médicaments pertinents pour l'interprétation du résultat de l'examen dans le cadre du dépistage du cancer ;
10° les données suivantes relatives à l'immunisation :
a) les dates d'immunisation ;
b) le statut immunitaire contre le cancer faisant l'objet du dépistage ;
c) le type de médicament préventif administré ;
11° les données pertinentes suivantes concernant tous les examens de dépistage qui ont été et sont effectués sur le participant :
a) la date de l'examen de dépistage ;
b) le lieu de l'examen de dépistage ;
c) le résultat de l'examen de dépistage ;
d) le cas échéant, le nom de la personne qui a effectué l'examen de dépistage. Les données à caractère personnel suivantes peuvent être traitées concernant la personne qui a effectué l'examen de dépistage :
1) nom et prénom ;
2) numéro INAMI ;
3) les coordonnées suivantes :
i) adresse ;
ii) numéro de téléphone ;
iii) adresse e-mail ;
12° les autorisations du participant concernant le traitement des données à caractère personnel pour des finalités autres que celles figurant au présent article.
Lorsque les prestations dans le cadre du dépistage du cancer relèvent d'un régime de tiers payant, les données relatives au régime de tiers payant et à la mutualité à laquelle le participant est affilié peuvent également être traitées.
§ 5. Les résultats de l'examen de dépistage peuvent être communiqués au participant et au médecin gestionnaire du DMG, au médecin désigné ou au médecin référent.
Aux fins de la communication des résultats de l'examen de dépistage, les données à caractère personnel suivantes peuvent être traitées :
1° les données à caractère personnel permettant d'identifier le participant, y compris le numéro de registre national ou le numéro d'identification de la Banque-Carrefour, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ;
2° les nom et prénom du participant ;
3° le cas échéant, la date de décès ;
4° les coordonnées suivantes du participant :
a) résidence principale ;
b) l'adresse e-mail et l'autorisation de la personne à utiliser son adresse e-mail dans le cadre du dépistage du cancer ;
c) numéro de GSM ou de téléphone ;
d) les données nécessaires pour contacter la personne via l'eBox, figurant à l'article 2, 3°, de la loi du 27 février 2019 relative à l'échange électronique de messages par le biais de l'eBox ;
5° les coordonnées suivantes du médecin référent, du médecin désigné ou du médecin gestionnaire du DMG :
a) nom et prénom ;
b) adresse ;
c) numéro INAMI.
Aux fins de la communication des résultats de l'examen de dépistage, les données à caractère personnel suivantes peuvent être transmises :
1° les données à caractère personnel permettant d'identifier le participant, y compris le numéro de registre national ou le numéro d'identification de la Banque-Carrefour, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ;
2° les nom et prénom du participant ;
3° les résultats de l'examen de dépistage, figurant au paragraphe 4, alinéa 1er, 11° ;
4° la date de participation au dépistage du cancer ;
5° l'avis concernant la réalisation d'un examen complémentaire, le cas échéant ;
6° dans le cadre du dépistage du cancer du sein, les données à caractère personnel suivantes peuvent également être transmises au médecin référent, au médecin désigné ou au médecin gestionnaire du DMG :
a) la densité du tissu mammaire ;
b) la localisation de l'anomalie, le cas échéant.
§ 6. Afin de garantir le suivi correct d'un résultat de dépistage anormal, le médecin gestionnaire du DMG, la personne qui a effectué l'examen de dépistage ou le participant peuvent être contactés.
En vue du contact visé à l'alinéa 1er, les données suivantes peuvent être traitées et transmises :
1° les données à caractère personnel permettant d'identifier le participant, y compris le numéro de registre national ou le numéro d'identification de la Banque-Carrefour, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ;
2° les nom et prénom du participant ;
3° les coordonnées suivantes du participant chez lequel un résultat de dépistage anormal a été constaté :
a) résidence principale et adresse ;
b) l'adresse e-mail et l'autorisation de la personne à utiliser son adresse e-mail dans le cadre du dépistage du cancer ;
c) numéro de GSM ou de téléphone ;
d) les données nécessaires pour contacter la personne via l'eBox, figurant à l'article 2, 3°, de la loi du 27 février 2019 relative à l'échange électronique de messages par le biais de l'eBox ;
4° les résultats de l'examen de dépistage, figurant au paragraphe 4, alinéa 1er, 11° ;
5° l'avis concernant la réalisation d'un examen complémentaire ;
6° les données suivantes relatives à la réalisation de l'examen complémentaire, figurant au point 5° :
a) le type d'examen complémentaire ;
b) le délai dans lequel l'examen complémentaire a été réalisé ;
7° les données suivantes de la personne qui réalise le dépistage :
a) nom et prénom ;
b) adresse ;
c) numéro INAMI ;
8° les données suivantes relatives au médecin gestionnaire du DMG :
a) nom et prénom ;
b) adresse ;
c) numéro INAMI.
§ 7. Afin d'évaluer et de surveiller les dépistages de cancer, les données à caractère personnel suivantes des personnes appartenant au groupe cible intégral peuvent être traitées :
1° le numéro de registre national ou le numéro d'identification de la Banque-Carrefour, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ;
2° âge ;
3° sexe ;
4° résidence principale ;
5° les dates d'invitation au dépistage de cancer ;
6° les données suivantes relatives à la participation au dépistage de cancer :
a) la date de l'examen de dépistage ;
b) le lieu de l'examen de dépistage ;
c) les résultats de l'examen de dépistage, figurant au paragraphe 4, alinéa 1er, 11° ;
7° les diagnostics pertinents pour le type de cancer faisant l'objet du dépistage de cancer ;
8° en cas de résultat de dépistage anormal, les données suivantes relatives à la réalisation de l'examen complémentaire, figurant au paragraphe 6, alinéa 2, 5° et 6° :
a) le type d'examen complémentaire ;
b) le délai dans lequel l'examen complémentaire a été réalisé ;
9° les données suivantes relatives à l'immunisation :
a) les dates d'immunisation ;
b) le statut immunitaire pertinent pour le cancer faisant l'objet du dépistage ;
c) le type de médicament préventif administré ;
10° la mention indiquant si le participant est éligible à une intervention majorée.
Les données visées à l'alinéa 1er, 7°, ne sont pas enregistrées dans le système d'enregistrement visé au paragraphe 2, alinéa 2, pour la finalité visée à l'alinéa 1er, à l'exception des données suivantes :
1° les données relatives aux cancers in situ diagnostiqués chez les participants, avec la mention indiquant s'il s'agit ou non d'un cancer d'intervalle ;
2° les données relatives aux cancers invasifs diagnostiqués chez les participants, avec la mention indiquant s'il s'agit ou non d'un cancer d'intervalle.
L'administration et l'organisation qui assure le dépistage de cancer prennent les mesures organisationnelles et techniques nécessaires pour limiter l'accès aux données visées à l'alinéa 1er, 7°, par l'administration et l'organisation qui assure le dépistage de cancer, de manière à ce qu'elles ne puissent voir ou calculer que des indicateurs anonymisés sur la base du traitement visé à l'alinéa 1er, à l'exception des données visées à l'alinéa 2.
§ 8. Les données visées au présent article peuvent être traitées pour des finalités scientifiques, après anonymisation ou au moins après pseudonymisation des données lorsque l'anonymisation ne permet pas d'atteindre la finalité scientifique.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la recherche menée par le responsable du traitement visé au paragraphe 11, ou avec son autorisation préalable, en vue de l'évaluation ou de la surveillance des dépistages de cancer est traitée conformément aux dispositions du paragraphe 7.
§ 9. Les données visées au présent article peuvent être transmises aux destinataires suivants :
1° la fondation Belgian Cancer Registry, créée par l'article 138 de la loi coordonnée du 10 mai 2015 relative à l'exercice des professions des soins de santé ;
2° le participant ;
3° le médecin gestionnaire du DMG, le médecin désigné et le médecin référent.
§ 10. Les données des personnes qui font partie du groupe cible intégral et des personnes qui feront partie du groupe cible intégral dans un délai d'un an, mais qui n'ont pas participé aux dépistages de cancer, sont conservées pendant dix ans au maximum après qu'elles ne font plus partie du groupe cible intégral.
Les données des participants et du médecin gestionnaire du DMG, du médecin référent et du médecin désigné du participant sont conservées au maximum jusqu'à trente ans après la dernière participation au dépistage du cancer et au moins jusqu'à dix ans après qu'ils ne font plus partie du groupe cible intégral.
Par dérogation aux alinéas 1er et 2, les données visées au paragraphe 7, alinéa 2, sont conservées au maximum dix ans après leur enregistrement.
§ 11. L'administration est le responsable du traitement visé à l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données, pour le traitement des données à caractère personnel en vertu présent article. Lorsqu'une organisation assure le dépistage du cancer sur la base d'une convention de gestion, cette organisation et l'administration sont les responsables conjoints du traitement, au sens de l'article 26 du règlement précité, pour le traitement des données à caractère personnel visées au présent article.
Le Gouvernement flamand peut déterminer les mesures techniques et organisationnelles que le responsable du traitement visé à l'alinéa 1er doit prendre pour protéger les données à caractère personnel conformément à l'article 32 du règlement général sur la protection des données.]1

Art. 69. De Vlaamse regering neemt initiatieven ter preventie van psychische aandoeningen. Die initiatieven kunnen [1 onder meer]1 betrekking hebben op :
1° het voorkomen van psychische aandoeningen door in te grijpen op determinanten en bronnen van gevaar of bedreigende factoren;
2° het opsporen van psychische aandoeningen in een zo vroeg mogelijk stadium.
Art. 69. Le Gouvernement flamand prend des initiatives visant à prévenir les affections psychiques. Ces initiatives peuvent [1 entre autres]1 concerner :
1° la prévention des affections psychiques en intervenant sur les déterminants et sources de danger ou facteurs menaçants;
2° le dépistage des affections psychiques dans un stade aussi précoce que possible.
Art. 70. De Vlaamse regering neemt initiatieven ter preventie van aangeboren aandoeningen. Die initiatieven kunnen [1 onder meer]1 betrekking hebben op :
1° het voorkomen van aangeboren aandoeningen door in te grijpen op determinanten en bronnen van gevaar of bedreigende factoren;
2° het aanbieden van de mogelijkheid tot het opsporen van aangeboren aandoeningen, die al dan niet genetisch bepaald zijn, in een zo vroeg mogelijk stadium.
Art. 70. Le Gouvernement flamand prend des initiatives visant à prévenir les affections congénitales. Ces initiatives peuvent [1 entre autres]1 concerner :
1° la prévention des affections congénitales en intervenant sur les déterminants et sources de danger ou facteurs menaçants;
2° le fait d'offrir la possibilité de dépister des affections congénitales, génétiques ou non, dans un stade aussi précoce que possible.
Art. 71. De Vlaamse regering neemt initiatieven ter preventie van zintuiglijke en ontwikkelingsstoornissen. Die initiatieven kunnen [1 onder meer]1 betrekking hebben op :
1° het voorkomen van zintuiglijke en ontwikkelingsstoornissen door in te grijpen op determinanten en bronnen van gevaar of bedreigende factoren;
2° het opsporen van zintuiglijke en ontwikkelingsstoornissen in een zo vroeg mogelijk stadium.
Art. 71. Le Gouvernement flamand prend des initiatives visant à prévenir des troubles sensoriels et des troubles du développement. Ces initiatives peuvent [1 entre autres]1 concerner :
1° la prévention des troubles sensoriels et des troubles du développement en intervenant sur les déterminants et sources de danger ou facteurs menaçants;
2° le dépistage des troubles sensoriels et des troubles du développement dans un stade aussi précoce que possible.
Art. 72. De Vlaamse regering kan initiatieven nemen ter preventie van andere ziekten of aandoeningen dan die welke bedoeld zijn in artikelen 67 tot 71.
Art. 72. Le Gouvernement flamand peut prendre des initiatives visant à prévenir d'autres maladies ou affections que celles visées aux articles 67 a 71 inclus.
TITEL VIII. [1 - Onderbouwing van het preventieve gezondheidsbeleid]1
TITRE VIII. [1 - Fondement de la politique de santé préventive]1
Art. 73. [1 De initiatieven en maatregelen, vermeld in artikel 39 tot en met 72 en artikel 74, worden genomen op basis van wetenschappelijk onderbouwde gegevens en zijn gericht op het behalen van gezondheidswinst op Vlaams bevolkingsniveau tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten of op het verhogen van de efficiëntie van het gezondheidsbeleid.]1
Art. 73. [1 Les initiatives et mesures visées aux articles 39 à 72 inclus et à l'article 74, sont prises sur la base d'informations scientifiques fondées et visent à réaliser un gain de santé au niveau de la population flamande à des coûts socialement acceptables ou à augmenter l'efficacité de la politique de santé.]1
Art. 73/1. [1 De initiatieven en maatregelen, vermeld in artikel 51, 52, 53, 53/1, 53/2, 53/3 en 55, worden uitgevaardigd na een voorafgaande causaliteitsanalyse van de relatie tussen de betreffende fysische of chemische factor en de mogelijke gezondheidseffecten van de betreffende factor.
Bij de causaliteitsanalyse, vermeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de volgende criteria:
1° de sterkte van de afhankelijkheid tussen de factor en het gezondheidseffect;
2° de consistentie waarmee de afhankelijkheid al is vastgesteld;
3° de specificiteit van het verband tussen de factor en het gezondheidseffect;
4° de temporaliteit, waarbij de factor voorafgaat aan het gezondheidseffect;
5° het biologische verloop van de afhankelijkheid;
6° de plausibiliteit van de afhankelijkheid;
7° de coherentie van de afhankelijkheid;
8° het experimentele bewijs dat aanwezig is voor de afhankelijkheid.
De initiatieven en maatregelen, vermeld in artikel 53, 53/2 en 53/3, worden onderbouwd door middel van een milieugerelateerde gezondheidskundige impactinschatting. ]1

Art. 73/1. [1 Les initiatives et mesures, visées aux articles 51, 52, 53, 53/1, 53/2, 53/3 et 55, sont promulguées après une analyse de causalité préalable de la relation entre le facteur physique ou chimique concerné et les effets possibles sur la santé du facteur concerné.
Dans l'analyse de causalité, visée à l'alinéa 1er, il est tenu compte des critères suivants :
1° le niveau de dépendance entre le facteur et l'effet sur la santé ;
2° la régularité avec laquelle la dépendance a déjà été constatée ;
3° la spécificité du lien entre le facteur et l'effet sur la santé ;
4° la temporalité, dans le cadre de laquelle le facteur précède l'effet sur la santé ;
5° le déroulement biologique de la dépendance ;
6° la plausibilité de la dépendance ;
7° la cohérence de la dépendance ;
8° la preuve expérimentale présente pour la dépendance.
Les initiatives et mesures, visées aux articles 53, 53/2 et 53/3, sont étayées au moyen d'une évaluation de l'impact sur la santé environnementale. ]1

TITEL IX. - Initiatieven met betrekking tot specifieke leeftijdscategorieën of ontwikkelingsfasen.
TITRE IX. - Initiatives relatives à des catégories d'âge ou des phases de développement specifiques.
Art. 74. De Vlaamse regering kan, ter uitvoering van artikel 6, initiatieven nemen die zich onder meer richten tot zwangere vrouwen, jonge kinderen, schoolgaanden, beroepsactieven en/of ouderen.
Art. 74. En application de l'article 6, le Gouvernement flamand peut prendre des initiatives qui s'adressent entre autres aux femmes enceintes, aux jeunes enfants, aux enfants scolarisés, à la population active et/ou aux personnes âgées.
Art. 75. De maatregelen, genomen ter uitvoering van [1 het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid [2 Opgroeien regie]2]1 en het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, die betrekking hebben op de preventieve gezondheidszorg moeten in overeenstemming zijn met de bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten.
Art. 75. Les mesures prises en exécution [1 du décret du 30 avril 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique [2 " Opgroeien regie "]2]1 et du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des éleves, qui concernent les soins de santé préventifs, doivent correspondre aux dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution.
TITEL IXbis. [1 - Erkenning van afdelingen medisch toezicht van externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, van departementen medisch toezicht van interne diensten voor preventie en bescherming op het werk en van gemeenschappelijke interne diensten voor preventie en bescherming op het werk]1
TITRE IXbis. [1 - Agrément de divisions de contrôle médical de services externes pour la prévention et la protection au travail, de départements de contrôle médical de services internes pour la prévention et la protection au travail et de services internes communs pour la prévention et la protection au travail]1
Art. 75bis. [1 § 1. De Vlaamse Regering erkent afdelingen medisch toezicht van externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, departementen medisch toezicht van interne diensten voor preventie en bescherming op het werk en gemeenschappelijke interne diensten voor preventie en bescherming op het werk. Dat gebeurt conform de bepalingen van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
De Vlaamse Regering bepaalt de duur van de erkenning en de regels voor het verlenen, schorsen en intrekken van de erkenning.
§ 2. De erkende afdelingen en departementen, vermeld in § 1, moeten verantwoording afleggen en zijn onderworpen aan een toezicht. De Vlaamse Regering kan daarvoor nadere regels bepalen.
§ 3. De Vlaamse Regering richt een Vlaamse werkgroep bedrijfsgezondheidszorg op, waarin ten minste de werkgeversorganisaties, de werknemersorganisaties en andere deskundigen inzake bedrijfsgezondheidszorg zijn vertegenwoordigd.
De opdracht van de werkgroep, vermeld in het eerste lid, bestaat er in ieder geval in :
1° de Vlaamse Regering op haar verzoek of op eigen initiatief van de werkgroep te adviseren over de bedrijfsgezondheidszorg in het algemeen;
2° de Vlaamse Regering op haar verzoek of op eigen initiatief van de werkgroep te adviseren over de ontwerpen van regelgeving ter uitvoering van dit artikel en ter uitvoering van artikel 80, § 1, tweede lid;
3° de Vlaamse Regering te adviseren over alle concrete dossiers in verband met § 1, met het oog op een beslissing tot erkenning of met het oog op een voornemen tot weigering, schorsing of intrekking van erkenning.
De Vlaamse Regering kan bijkomende opdrachten toekennen aan de werkgroep.
De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling, de werkingsmodaliteiten en de financiering van de werkgroep.]1

Art. 75bis. [1 § 1er. Le Gouvernement flamand agrée des divisions de contrôle médical de services externes pour la prévention et la protection au travail, des départements de contrôle médical de services internes pour la prévention et la protection au travail et de services internes communs pour la prévention et la protection au travail. Cela se fait conformément aux dispositions de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail.
Le Gouvernement flamand arrête la durée de l'agrément et les règles pour l'octroi, la suspension et le retrait de l'agrément.
§ 2. Les divisions et département agréés, visés au § 1er, doivent rendre des comptes et sont soumis à un contrôle. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités à cet effet.
§ 3. Le Gouvernement flamand établit un groupe de travail flamand en matière de soins de santé au travail, dans lequel sont représentés au moins les organisations patronales, les organisations syndicales et d'autres experts en matière de soins de santé au travail.
La mission du groupe de travail, visé à l'alinéa premier, consiste en tout cas à :
1° conseiller le Gouvernement flamand, sur sa demande ou à l'initiative propre du groupe de travail, sur les soins de santé au travail en général;
2° conseiller le Gouvernement flamand, sur sa demande ou à l'initiative propre du groupe de travail, sur les projets de réglementation en exécution du présent article et en exécution de l'article 80, § 1er, alinéa deux;
3° conseiller le Gouvernement flamand sur tous les dossiers concrets relatifs au § 1er, en vue d'une décision d'agrément ou en vue d'une intention de refus, de suspension ou de retrait de l'agrément.
Le Gouvernement flamand peut confier des missions supplémentaires au groupe de travail.
Le Gouvernement flamand détermine la composition, les modalités de fonctionnement et le financement du groupe de travail.]1

TITEL X. - Sancties.
TITRE X. - Sanctions.
HOOFDSTUK I. - Administratieve sancties.
CHAPITRE Ier. - Sanctions administratives.
Afdeling I. - Administratieve geldboete.
Section Ire. - Amende administrative.
Art. 76. § 1. Er kan een administratieve geldboete van 100 tot 100.000 euro opgelegd worden aan iedereen die een van de volgende verplichtingen niet naleeft :
[2 bevolkingsonderzoek als vermeld in artikel 31, § 2, organiseren, uitvoeren of promoten, of meewerken aan het organiseren, uitvoeren of promoten van bevolkingsonderzoek, zonder dat voor het bevolkingsonderzoek in kwestie toestemming is verleend;]2
2° gegevens uitwisselen in het kader van het epidemiologisch informatiesysteem, zoals bedoeld in artikel 32, § 2;
3° een identificatiecode gebruiken voor de gegevensuitwisseling, zoals bedoeld in artikel 33;
4° zich verantwoorden of zich onderwerpen aan een toezicht, zoals bedoeld in artikel 36 [1 en in artikel 75bis, § 2]1 ;
5° meewerken aan het registratiesysteem, [4 vermeld in artikel 43/1]4;
[4 5° /1 geanonimiseerd rapporteren van de infectieziekten, vermeld in artikel 44, § 3, 4° ;]4
6° infectieziekten melden,[3 als vermeld in artikel 45, § 1]3;
7° aanvullende informatie meedelen aan de ambtenaar-arts en de ambtenaar, zoals bedoeld in artikel 48.
[5 § 1/1. Er kan een administratieve geldboete van minimaal 100 euro en maximaal 1000 euro opgelegd worden aan de volgende personen die de verplichting tot medewerking aan het onderzoek, vermeld in artikel 45/2, § 1, niet naleven en daardoor het bron- en contactonderzoek belemmeren:
1° geïnfecteerde personen;
2° personen die in contact zijn gekomen met de geïnfecteerde persoon of een andere bron van de besmetting;
3° personen die verantwoordelijk zijn voor de plaatsen waar of activiteiten waarbij de geïnfecteerde persoon in contact is gekomen met andere personen die daardoor mogelijk ook besmet zijn met de infectieziekte, of waarbij personen in contact zijn gekomen met een andere besmettingsbron en daardoor mogelijk ook besmet zijn met de infectieziekte.
De administratieve geldboete, vermeld in het eerste lid, wordt pas opgelegd nadat de ambtenaar-arts het belang van het meewerken aan het onderzoek heeft toegelicht.]5

§ 2. Het bedrag van de opgelegde administratieve geldboete wordt door de administratie soeverein bepaald, rekening houdend met de ernst van de inbreuken op de bepalingen.
§ 3. Deze geldboete kan pas opgelegd worden nadat :
1° de betrokkene van de administratie een schriftelijke aanmaning heeft ontvangen om zich in regel te stellen;
2° de betrokkene in kwestie zich niet in regel heeft gesteld binnen de door de administratie bepaalde termijn;
3° de betrokkene werd uitgenodigd om gehoord te worden door de administratie.
§ 4. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels voor het opleggen en het betalen van de administratieve geldboete. Ze wijst de ambtenaren aan die de geldboete kunnen opleggen.
§ 5. Indien een geldboete niet betaald wordt, wordt de geldboete bij dwangbevel ingevorderd. De Vlaamse regering wijst de ambtenaren aan die een dwangbevel kunnen geven en uitvoerbaar verklaren. Een dwangbevel wordt betekend bij deurwaardersexploot met bevel tot betaling.
§ 6. De vordering tot voldoening van een administratieve geldboete verjaart na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop ze is ontstaan. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, bepaald in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
Art. 76. § 1er. Une amende administrative de 100 à 100.000 euros peut être imposée à toute personne qui n'observe pas une des obligations suivantes :
[2 organiser, exécuter ou encourager un dépistage de population tel que visé à l'article 31, § 2, ou coopérer à l'organisation, exécuter ou encourager un dépistage de population, sans qu'une autorisation ait été autorisée pour le dépistage de population concerné;]2
2° échanger des informations dans le cadre du système d'informations épidémiologiques, tel que visé à l'article 32, § 2;
3° utiliser un code d'identification pour l'échange d'informations, tel que visé à l'article 33;
4° se justifier ou se soumettre à un contrôle, tel que visé à l'article 36 [1 et à l'article 75bis, § 2]1 ;
5° collaborer au système d'enregistrement, [4 visé à l'article 43/1]4;
[4 5° /1 établir des rapports anonymisés sur les maladies infectieuses, visées à l'article 44, § 3, 4° ;]4
[3 déclarer des maladies infectieuses, tel que visé à l'article 45, § 1er ; § 1.]3;
7° communiquer des informations supplémentaires au fonctionnaire-médecin et au fonctionnaire, tel que visé à l'article 48.
[5 § 1er/1. Une amende administrative de 100 euros minimum et de 1 000 euros maximum peut être infligée aux personnes suivantes qui ne respectent pas l'obligation de coopérer à la recherche, figurant à l'article 45/2, § 1er, et entravent ainsi la recherche des sources et le suivi des contacts :
1° les personnes infectées ;
2° les personnes qui ont été en contact avec la personne infectée ou une autre source de contamination ;
3° les personnes responsables des lieux ou des activités où la personne infectée est entrée en contact avec d'autres personnes dès lors susceptibles d'avoir été contaminées par la maladie infectieuse, ou où des personnes sont entrées en contact avec une autre source de contamination, ces personnes étant dès lors susceptibles d'avoir été contaminées par la maladie infectieuse.
L'amende administrative visée à l'alinéa 1er n'est infligée aux personnes concernées qu'après que le fonctionnaire-médecin leur a expliqué l'intérêt de coopérer à la recherche.]5

§ 2. Le montant de l'amende administrative est fixé souverainement par l'administration en tenant compte de la gravité des infractions aux dispositions.
§ 3. Cette amende ne peut être imposée qu'après que :
1° la personne concernée a reçu une sommation écrite de l'administration à se mettre en ordre;
2° la personne en question ne s'est pas mis en ordre dans le délai fixé par l'administration;
3° la personne concernée a été invitée à être entendue par l'administration.
§ 4. Le Gouvernement flamand arrête les modalités de l'imposition et du paiement de l'amende administrative. Il désigne les fonctionnaires habilités à imposer l'amende.
§ 5. Si une amende n'est pas payée, elle sera réclamée sous contrainte. Le Gouvernement flamand désigne les fonctionnaires habilités à délivrer une contrainte et la déclarer exécutoire. Une contrainte est signifiée par exploit d'huissier avec injonction de payer.
§ 6. La requête en paiement de l'amende administrative se prescrit après cinq ans, à compter du jour où elle s'est formée. La prescription est interrompue selon le mode et aux conditions fixés à l'article 2244 et suivants du Code civil.
Afdeling II. - Inhouding of terugvordering van subsidies.
Section II. - Retenue ou recouvrement de subventions.
Art. 77. § 1. De subsidie kan geheel of gedeeltelijk ingehouden of teruggevorderd worden als :
1° geen bijzondere aandacht wordt besteed aan de bevolkingsgroepen en de toegankelijkheid, zoals bedoeld in artikel 7;
2° geen medewerking wordt verleend aan de realisatie van de gezondheidsdoelstellingen, zoals bedoeld in artikel 19, § 1;
3° het Logo niet handelt conform artikel 30, § 3, tweede lid;
4° de subsidies worden aangewend voor andere opdrachten dan die welke bedoeld worden in artikel 37;
5° de verplichting tot het kenbaar maken van andere financiële middelen, zoals bedoeld in artikel 38, § 1, niet wordt nageleefd.
§ 2. Het bedrag van de inhouding of terugvordering van de subsidie wordt door de administratie soeverein bepaald, rekening houdend met de ernst van de inbreuken op die bepalingen.
§ 3. De inhouding of terugvordering van de subsidie kan pas uitgevoerd worden nadat :
1° de betrokkene van de administratie een schriftelijke aanmaning heeft ontvangen om zich in regel te stellen;
2° de betrokkene in kwestie zich niet in regel heeft gesteld binnen de door de administratie bepaalde termijn;
3° de betrokkene werd uitgenodigd om gehoord te worden door de administratie.
Art. 77. § 1er. Le subvention peut être retenue ou recouvrée entièrement ou partiellement si :
1° aucune attention particulière n'est accordée aux groupes de population et à l'accessibilité, tel que visé à l'article 7;
2° aucune collaboration n'est apportée à la réalisation des objectifs de santé, tel que visé a l'article 19, § 1er;
3° le Logo n'agit pas conformément à l'article 30, § 3, deuxième alinéa;
4° les subventions sont utilisées pour d'autres missions que celles visées à l'article 37;
5° l'obligation de faire connaître les autres moyens financiers, tel que visé à l'article 38, § 1er, n'est pas respectée.
§ 2. Le montant de la retenue ou du recouvrement de la subvention est fixé souverainement par l'administration en tenant compte de la gravité des infractions à ces dispositions.
§ 3. La retenue ou le recouvrement de la subvention ne peut être effectuée qu'après que :
1° la personne concernée a reçu une sommation écrite de l'administration à se mettre en ordre;
2° la personne en question ne s'est pas mise en ordre dans le délai fixé par l'administration;
3° la personne concernée a été invitée à être entendue par l'administration.
Afdeling III. - Schorsing of intrekking van de erkenning.
Section III. - Suspension ou retrait de l'agrément.
Art. 78. § 1. Een erkenning van een Logo, een partnerorganisatie, een organisatie met terreinwerking of een individuele zorgaanbieder kan geschorst of ingetrokken worden als ze niet of niet meer voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit dit decreet.
§ 2. Een erkenning kan pas geschorst of ingetrokken worden nadat :
1° de betrokkene van de administratie een schriftelijke aanmaning heeft ontvangen om zich in regel te stellen;
2° de betrokkene in kwestie zich niet in regel heeft gesteld binnen de door de administratie bepaalde termijn;
3° de betrokkene werd uitgenodigd om gehoord te worden door de administratie.
Art. 78. § 1er. L'agrément d'un Logo, d'une organisation partenaire, d'une organisation oeuvrant sur le terrain ou d'un prestataire de soins individuel peut être suspendu ou retiré s'ils ne remplissent pas ou ne remplissent plus les obligations résultant du présent décret.
§ 2. Un agrément ne peut être suspendu ou retiré qu'après que :
1° la personne concernée a reçu une sommation écrite de l'administration à se mettre en ordre;
2° la personne en question ne s'est pas mise en ordre dans le délai fixé par l'administration;
3° la personne concernée a été invitée à être entendue par l'administration.
HOOFDSTUK II. - Strafsancties.
CHAPITRE II. - Sanctions.
Art. 79. Onverminderd de toepassing van de in het Strafwetboek gestelde straffen, worden gestraft met een geldboete [1 van 26 tot 500 euro]1 en met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden of met een van deze straffen alleen :
1° degenen die geen gevolg geven aan de dwangmaatregelen, [2 vermeld in artikel 41, § 1, § 5 en § 6 [3 en artikel 47]3]2, of die de uitvoering of naleving ervan verhinderen of belemmeren;
2° degenen die de toegang, bedoeld in artikel 41, § 3, en in artikel 46, 2°, verhinderen of belemmeren;
3° degenen die de uitoefening van de bevoegdheden van de ambtenaar verhinderen of belemmeren of die de ambtenaar verhinderen of belemmeren bij de uitvoering van artikel 41, § 4 en 46, 3°;
4° degenen die de beslissing na beroep, vermeld in artikel 81, § 3, niet uitvoeren of niet naleven, of die de uitvoering of de naleving ervan verhinderen of belemmeren.
[4 5° degenen die de verplichting tot melding van infectieziekten, vermeld in artikel 45, § 1, niet naleven;
6° degenen die geen gevolg geven aan de bevelen of dwangmaatregelen, vermeld in artikel 41, § 5/1, of artikel 47/1]4

Art. 79. Sans préjudice de l'application des sanctions fixées dans le Code pénal, sont punis d'une amende [1 de 26 à 500 euros]1 et d'un emprisonnement de huit jours à six mois, ou de l'une de ces peines seulement :
1° ceux qui ne donnent pas suite aux mesures de contrainte [2 visées à l'article 41, §§ 1er, 5 et 6 [3 et à l'article 47]3]2 ou qui empêchent ou entravent leur exécution ou respect;
2° ceux qui empêchent ou entravent l'accès visé à l'article 41, § 3, et à l'article 46, 2°;
3° ceux qui empêchent ou entravent l'exercice des compétences du fonctionnaire ou qui empêchent ou entravent le fonctionnaire dans l'exécution de l'article 41, § 4, et 46, 3°;
4° ceux qui n'exécutent ou ne respectent pas la décision après le recours, visée à l'article 81, § 3, ou qui empêchent ou entravent son exécution ou respect.
[4 5° ceux qui ne respectent pas l'obligation de déclaration de maladies infectieuses, visée à l'article 45, § 1er ;
6° ceux qui ne donnent pas suite aux ordres ou mesures de contrainte, visés à l'article 41, § 5/1, ou à l'article 47/1.]4

Art. 79/1. [1 Onverminderd de toepassing van de in het Strafwetboek gestelde straffen, worden degenen die geen gevolg geven aan de bevelen of dwangmaatregelen, vermeld in artikel 53/2 of artikel 53/3, gestraft met een geldboete van 26 tot 500 euro en met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden of met een van deze straffen alleen. ]1
Art. 79/1. [1 Sans préjudice de l'application des sanctions fixées dans le Code pénal, sont punis d'une amende de 26 à 500 euros et d'un emprisonnement de huit jours à six mois, ou de l'une de ces peines seulement, ceux qui ne donnent pas suite aux ordres ou aux mesures de contraintes, visés à l'article 53/2 ou à l'article 53/3. ]1
TITEL XI. - Beroepsprocedures.
TITRE XI. - Procédures de recours.
HOOFDSTUK I. - Beroepsprocedure bij de Vlaamse Adviesraad voor de erkenning van verzorgingsvoorzieningen.
CHAPITRE Ier. - Procédure de recours devant le Conseil consultatif flamand pour l'agrément des établissements de soins.
Art. 80. § 1. Met betrekking tot de Logo's, de partnerorganisaties, en desgevallend de organisaties met terreinwerking en de individuele zorgaanbieders, regelt de Vlaamse regering de procedure inzake erkenning en inzake schorsing en intrekking van de erkenning.
[1 Met betrekking tot de afdelingen medisch toezicht van externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, de departementen medisch toezicht van interne diensten voor preventie en bescherming op het werk en de gemeenschappelijke interne diensten voor preventie en bescherming op het werk, regelt de Vlaamse Regering de procedure voor erkenning, schorsing en intrekking van de erkenning.]1
§ 2. De Vlaamse Adviesraad inzake erkenning van verzorgingsvoorzieningen, opgericht bij het decreet van 20 december 1996 houdende oprichting van een Vlaamse Gezondheidsraad en van een Vlaamse Adviesraad inzake erkenning van verzorgingsvoorzieningen, geeft advies met betrekking tot bezwaar- of verweermiddelen die in het kader van deze procedures ingediend worden bij een voornemen tot weigering, schorsing of intrekking van erkenning.
Art. 80. § 1er. En ce qui concerne les Logos, les organisations partenaires, et le cas échéant, les organisations oeuvrant sur le terrain et les prestataires de soins individuels, le Gouvernement flamand règle la procédure en matière d'agrément et en matière de suspension et de retrait de l'agrément.
[1 En ce qui concerne les divisions de contrôle médical de services externes pour la prévention et la protection au travail, les départements de contrôle médical de services internes pour la prévention et la protection au travail et les services internes communs pour la prévention et la protection au travail, le Gouvernement flamand règle la procédure d'agrément, de suspension et de retrait de l'agrément.]1
§ 2. Le Conseil consultatif flamand pour l'agrément des établissements de soins, créé par le décret du 20 décembre 1996 portant création d'un Conseil flamand de la Santé et d'un Conseil consultatif flamand pour l'agrément des établissements de soins, rend des avis quant aux réclamations ou moyens de défense, présentés dans le cadre de ces procédures, contre l'intention de refuser, suspendre ou retirer un agrément.
Art. 80 TOEKOMSTIG RECHT § 1. Met betrekking tot de Logo's, de partnerorganisaties, en desgevallend de organisaties met terreinwerking en de individuele zorgaanbieders, regelt de Vlaamse regering de procedure inzake erkenning en inzake schorsing en intrekking van de erkenning.
[1 Met betrekking tot de afdelingen medisch toezicht van externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, de departementen medisch toezicht van interne diensten voor preventie en bescherming op het werk en de gemeenschappelijke interne diensten voor preventie en bescherming op het werk, regelt de Vlaamse Regering de procedure voor erkenning, schorsing en intrekking van de erkenning.]1
§ 2. [2 De Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin]2 geeft advies met betrekking tot bezwaar- of verweermiddelen die in het kader van deze procedures ingediend worden bij een voornemen tot weigering, schorsing of intrekking van erkenning.
Art. 80. DROIT FUTUR § 1er. En ce qui concerne les Logos, les organisations partenaires, et le cas échéant, les organisations oeuvrant sur le terrain et les prestataires de soins individuels, le Gouvernement flamand règle la procédure en matière d'agrément et en matière de suspension et de retrait de l'agrément.
[1 En ce qui concerne les divisions de contrôle médical de services externes pour la prévention et la protection au travail, les départements de contrôle médical de services internes pour la prévention et la protection au travail et les services internes communs pour la prévention et la protection au travail, le Gouvernement flamand règle la procédure d'agrément, de suspension et de retrait de l'agrément.]1
§ 2. [2 La Commission consultative pour les Structures de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille]2 , rend des avis quant aux réclamations ou moyens de défense, présentés dans le cadre de ces procédures, contre l'intention de refuser, suspendre ou retirer un agrément.
HOOFDSTUK II. - Beroepsprocedure bij een beroepscollege.
CHAPITRE II. - Procédure de recours devant un collège de recours.
Art. 81. § 1. Tegen de maatregelen, bedoeld in artikel 47,[2 § 1, 1°, 1° /1 en 3°,]2, kan de betrokkene beroep aantekenen met een gemotiveerde en aangetekende brief bij een door de Vlaamse regering aangesteld beroepscollege, op het adres van de administratie. Dit beroep is niet opschortend.
§ 2. Het beroepscollege bestaat uit drie onafhankelijke leden die deskundig zijn op het vlak van besmettelijke ziekten. De leden van dit beroepscollege mogen niet tewerkgesteld zijn bij de administratie en mogen niet betrokken zijn bij de behandeling van [1 de persoon aan wie het bevel is gegeven]1.
§ 3. Het beroepscollege doet een bindende uitspraak binnen tien werkdagen na ontvangst van het beroep. Wanneer er binnen die termijn geen beslissing genomen wordt, vervalt de maatregel.
Het beroepscollege betekent zijn uitspraak over het beroep aan de betrokkene met een aangetekende brief en bezorgt een afschrift van de uitspraak aan de betrokken ambtenaar-arts.
§ 4. De Vlaamse regering werkt de beroepsprocedure nader uit, onder meer inzake de samenstelling van het beroepscollege en inzake de wijze van vergoeding van het beroepscollege.
Art. 81. § 1er. Contre les mesures visées à l'article 47, [2 § 1er, 1°, 1° /1 et 3°]2, l'intéressé peut introduire un recours devant un collège de recours installé par le Gouvernement flamand, par lettre motivée et recommandée qu'il adresse à l'administration. Ce recours n'est pas suspensif.
§ 2. Le collège de recours se compose de trois membres indépendants qui sont experts dans le domaine des maladies contagieuses. Les membres de ce collège de recours ne peuvent pas être employés à l'administration, et ne peuvent pas être associés au traitement [1 de celui ou de celle ayant reçu l'ordre]1.
§ 3. Le collège de recours rend une décision imperative dans les dix jours ouvrables de la réception du recours. A défaut d'une décision dans ce délai, la mesure cesse.
Le collège de recours notifie sa décision sur le recours à l'intéressé par lettre recommandée, et transmet une copie de la décision au fonctionnaire-médecin concerné.
§ 4. Le Gouvernement flamand élabore les modalités de la procédure de recours, entre autres en ce qui concerne la composition du collège de recours et le mode de rémunération du collège de recours.
TITEL XII. - Opheffings- en overgangsbepalingen.
TITRE XII. - Dispositions abrogatoires et transitoires.
Art. 82. § 1. De volgende regelingen worden opgeheven :
1° het decreet van 5 april 1995 betreffende de profylaxe van besmettelijke ziekten;
2° het decreet van 6 juli 2001 houdende de primaire preventie van schadelijke effecten bij de mens, veroorzaakt door biologische agentia.
§ 2. In afwachting van het in werking treden van de besluiten ter uitvoering van dit decreet, blijft de terzake geldende regelgeving, die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit decreet van kracht is, van toepassing.
Het betreft de regelgeving met betrekking tot :
1° gezondheidspromotie;
2° metabole aandoeningen;
3° borstkankeropsporing;
4° primaire preventie van schadelijke effecten bij de mens, veroorzaakt door biologische agentia;
5° profylaxe van besmettelijke ziekten;
6° centra voor menselijke erfelijkheid.
Art. 82. § 1er. Les règlements suivants sont abrogés :
1° le décret du 5 avril 1995 relatif à la prophylaxie des maladies contagieuses;
2° le décret du 6 juillet 2001 relatif à la prévention primaire contre les effets nocifs pour l'homme des agents biologiques;
§ 2. En attendant l'entrée en vigueur des arrêtés d'exécution du présent décret, la réglementation en vigueur en cette matière, qui est en vigueur au moment de l'entrée en vigueur du présent décret, reste d'application.
Il s'agit de la réglementation relative :
1° à la promotion de la santé;
2° aux affections du métabolisme;
3° au dépistage du cancer du sein;
4° à la prévention primaire contre les effets nocifs pour l'homme des agents biologiques;
5° à la prophylaxie des maladies contagieuses;
6° aux centres de génétique humaine.
Art. 83.
Art. 83.