Artikel 1. Artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, vervangen bij het koninklijk besluit van 10 juni 2001 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 maart 2003 en 3 april 2003, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 16. Voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld worden met dagen normale werkelijke arbeid gelijkgesteld, de dagen arbeidsonderbreking ingevolge :
  1° een arbeidsongeval of beroepsziekte, aanleiding gevend tot schadeloosstelling;
  2° een ongeval of ziekte niet bedoeld sub 1°;
  3° de moederschapsrust;
  4° het vaderschapsverlof bedoeld in de arbeidswet van 16 maart 1971;
  5° het vervullen van militieverplichtingen.
  Het voordeel van de gelijkstelling wordt beperkt tot de werknemer van vreemde nationaliteit, onderdaan van één der Lid-Staten van de Europese Unie, die in zijn land opgeroepen wordt in vredestijd;
  6° het vervullen van burgerplichten zonder behoud van loon;
  7° het vervullen van een openbaar mandaat;
  8° de uitoefening van de functie van rechter in sociale zaken;
  9° het vervullen van een syndicale opdracht;
  10° de deelneming aan cursussen of studiedagen gewijd aan sociale promotie;
  11° de deelname aan een staking die zich voordoet in de schoot van de onderneming voor de werknemers die er aan hebben deelgenomen, op voorwaarde dat deze staking de instemming of de steun van een der interprofessionele syndicale organisaties, vertegenwoordigd bij de Nationale arbeidsraad, bekomen heeft;
  12° een lock-out;
  13° de tijdelijke werkloosheid ingevolge staking voor de werknemers aan wie de hoedanigheid van werkloze werd toegekend ingevolge artikel 73 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en mits toestemming van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie;
  14° een schorsing van de arbeidsovereenkomst of van het leercontract voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst wegens tijdelijke werkloosheid ingevolge gebrek aan werk wegens economische oorzaken;
  15° een profylactisch verlof;
  16° de volledige werkverwijdering als maatregel van moederschapsbescherming;
  17° de feestdagen en vervangingsdagen tijdens een periode van tijdelijke werkloosheid, bedoeld in artikel 13, § 2, van het koninklijk besluit van 18 april 1974 tot bepaling van de algemene wijze van uitvoering van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen;
  18° een vaderschapsverlof bedoeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en in de wet van 1 april 1936 op de arbeidsovereenkomsten wegens dienst op binnenschepen of een adoptieverlof. "
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
22 JUNI 2004. - Koninklijk besluit tot wijziging van sommige koninklijke besluiten in het kader van de eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid.
Titre
22 JUIN 2004. - ArrĂȘtĂ© royal modifiant certains arrĂȘtĂ©s royaux dans le cadre de la dĂ©finition uniforme de notions relatives au temps de travail Ă l'usage de la sĂ©curitĂ© sociale.
Documentinformatie
Info du document
Tekst (26)
Texte (26)
Article 1. L'article 16 de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 mars 1967 dĂ©terminant les modalitĂ©s gĂ©nĂ©rales d'exĂ©cution des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariĂ©s, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 10 juin 2001 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 12 mars 2003 et 3 avril 2003, est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " Art. 16. Pour le calcul du montant du pécule de vacances, sont assimilées à des jours de travail effectif normal, les journées d'interruption de travail résultant :
  1° d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle donnant lieu à réparation;
  2° d'un accident ou d'une maladie non visés au 1°;
  3° du repos de maternité;
  4° du congé de paternité visé par la loi du 16 mars 1971 sur le travail;
  5° de l'accomplissement d'obligations de milice.
  Le bénéfice de l'assimilation est limité au travailleur de nationalité étrangÚre ressortissant de l'un des Etats membres de l'Union Européenne, appelé dans son pays d'origine en temps de paix;
  6° de l'accomplissement de devoirs civiques, sans maintien de la rémunération;
  7° de l'accomplissement d'un mandat public;
  8° de l'exercice de la fonction de juge social;
  9° de l'accomplissement d'une mission syndicale;
  10° de la participation à des cours ou à des journées d'études consacrés à la promotion sociale;
  11° de la participation à une grÚve survenue au sein de l'entreprise pour les travailleurs qui y ont pris part, à condition que cette grÚve ait eu l'accord ou l'appui de l'une des organisations syndicales interprofessionnelles, représentées au Conseil national du travail;
  12° d'un lock-out;
  13° du chĂŽmage temporaire par suite de grĂšve pour les travailleurs auxquels la qualitĂ© de chĂŽmeur a Ă©tĂ© reconnue en vertu de l'article 73 de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 portant rĂ©glementation du chĂŽmage et moyennant approbation du ComitĂ© de gestion de l'Office national des Vacances annuelles;
  14° d'une suspension du contrat de travail ou du contrat d'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés pour chÎmage temporaire par suite de manque de travail résultant de causes économiques;
  15° d'un congé prophylactique;
  16° de l'éloignement complet du travail en tant que mesure de protection de la maternité;
  17° des jours fĂ©riĂ©s et des jours de remplacement durant une pĂ©riode de chĂŽmage temporaire, visĂ©s Ă l'article 13, § 2, de l'arrĂȘtĂ© royal du 18 avril 1974 dĂ©terminant les modalitĂ©s gĂ©nĂ©rales d'exĂ©cution de la loi du 4 janvier 1974 relative aux jours fĂ©riĂ©s;
  18° d'un congé de paternité visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et par la loi du 1er avril 1936 sur les contrats d'engagement pour le service des bùtiments de navigation intérieure ou d'un congé d'adoption. "
  " Art. 16. Pour le calcul du montant du pécule de vacances, sont assimilées à des jours de travail effectif normal, les journées d'interruption de travail résultant :
  1° d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle donnant lieu à réparation;
  2° d'un accident ou d'une maladie non visés au 1°;
  3° du repos de maternité;
  4° du congé de paternité visé par la loi du 16 mars 1971 sur le travail;
  5° de l'accomplissement d'obligations de milice.
  Le bénéfice de l'assimilation est limité au travailleur de nationalité étrangÚre ressortissant de l'un des Etats membres de l'Union Européenne, appelé dans son pays d'origine en temps de paix;
  6° de l'accomplissement de devoirs civiques, sans maintien de la rémunération;
  7° de l'accomplissement d'un mandat public;
  8° de l'exercice de la fonction de juge social;
  9° de l'accomplissement d'une mission syndicale;
  10° de la participation à des cours ou à des journées d'études consacrés à la promotion sociale;
  11° de la participation à une grÚve survenue au sein de l'entreprise pour les travailleurs qui y ont pris part, à condition que cette grÚve ait eu l'accord ou l'appui de l'une des organisations syndicales interprofessionnelles, représentées au Conseil national du travail;
  12° d'un lock-out;
  13° du chĂŽmage temporaire par suite de grĂšve pour les travailleurs auxquels la qualitĂ© de chĂŽmeur a Ă©tĂ© reconnue en vertu de l'article 73 de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 portant rĂ©glementation du chĂŽmage et moyennant approbation du ComitĂ© de gestion de l'Office national des Vacances annuelles;
  14° d'une suspension du contrat de travail ou du contrat d'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés pour chÎmage temporaire par suite de manque de travail résultant de causes économiques;
  15° d'un congé prophylactique;
  16° de l'éloignement complet du travail en tant que mesure de protection de la maternité;
  17° des jours fĂ©riĂ©s et des jours de remplacement durant une pĂ©riode de chĂŽmage temporaire, visĂ©s Ă l'article 13, § 2, de l'arrĂȘtĂ© royal du 18 avril 1974 dĂ©terminant les modalitĂ©s gĂ©nĂ©rales d'exĂ©cution de la loi du 4 janvier 1974 relative aux jours fĂ©riĂ©s;
  18° d'un congé de paternité visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et par la loi du 1er avril 1936 sur les contrats d'engagement pour le service des bùtiments de navigation intérieure ou d'un congé d'adoption. "
Art. 2. Artikel 18 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 juli 1970 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 9 maart 1977, 25 februari 1986, 10 januari 1992, 4 juni 1998, 15 juni 1998, 10 juin 2001, 12 maart 2003 en 3 april 2003, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 18. De duur van de gelijkstelling wordt beperkt :
  1° bij arbeidsongeval of beroepsziekte die aanleiding geven tot schadeloosstelling :
  a) tot de periode van tijdelijke algehele ongeschiktheid;
  b) tot de eerste twaalf maanden der periode van tijdelijke gedeeltelijke ongeschiktheid volgend op een tijdelijke algehele ongeschiktheid op voorwaarde dat het erkende percentage van tijdelijke gedeeltelijke ongeschiktheid minstens 66 pct. weze;
  2° bij ongeval niet bedoeld sub 1° : tot de eerste twaalf maanden van de arbeidsonderbreking.
  Elke nieuwe arbeidsonderbreking welke zich wegens ongeval voordoet, na een werkhervatting waarvan de duur geen veertien dagen bereikt wordt aangezien als de voortzetting van de vorige arbeidsonderbreking;
  3° bij ziekte niet bedoeld sub 1° : tot de eerste twaalf maanden van de arbeidsonderbreking.
  Elke nieuwe arbeidsonderbreking welke zich wegens ziekte voordoet na een werkhervatting waarvan de duur geen veertien dagen bereikt wordt aangezien als de voortzetting van de vorige arbeidsonderbreking;
  4° bij moederschapsrust of vaderschapsverlof bedoeld in de arbeidswet van 16 maart 1971 : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971;
  5° in het geval voorzien bij artikel 16, 5° : tot de laatste twaalf maanden van de arbeidsonderbreking. Wat echter de werknemers betreft wier normale diensttijd minder dan twaalf maanden beloopt en die, wegens tuchtredenen, voor een langere termijn onder de wapens worden gehouden, wordt de gelijkstelling beperkt tot de periode die de terugzending naar hun haardstede voorafgaat en die overeenstemt met de normale duur van hun diensttijd;
  6° voor de huisarbeiders, in geval van economische werkloosheid, zoals voorzien in artikel 16, 14° : tot de periode waarbij aan de voorwaarden gesteld door artikel 75 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering is voldaan;
  7° in geval van borstvoeding zoals voorzien bij artikel 16, 16° : tot de periode waarover de gerechtigde die borstvoeding geeft kan aanspraak maken op de moederschapsuitkering, bedoeld in artikel 219bis, tweede lid van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
  8° in geval van vaderschapsverlof bedoeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en in de wet van 1 april 1936 op de arbeidsovereenkomsten wegens dienst op binnenschepen of adoptieverlof : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 30, § 2 of § 3, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten of van artikel 25quinquies, § 2 of § 3 van de wet van 1 april 1936 op de arbeidsovereenkomsten wegens dienst op binnenschepen.
  De in artikel 16 opgesomde dagen van arbeidsonderbreking die, overeenkomstig artikel 17, als dagen normale werkelijke arbeid aangezien worden, komen niet in aanmerking voor de toepassing van de beperking van de duur der gelijkstellingen waarvan sprake in onderhavig artikel. "
  " Art. 18. De duur van de gelijkstelling wordt beperkt :
  1° bij arbeidsongeval of beroepsziekte die aanleiding geven tot schadeloosstelling :
  a) tot de periode van tijdelijke algehele ongeschiktheid;
  b) tot de eerste twaalf maanden der periode van tijdelijke gedeeltelijke ongeschiktheid volgend op een tijdelijke algehele ongeschiktheid op voorwaarde dat het erkende percentage van tijdelijke gedeeltelijke ongeschiktheid minstens 66 pct. weze;
  2° bij ongeval niet bedoeld sub 1° : tot de eerste twaalf maanden van de arbeidsonderbreking.
  Elke nieuwe arbeidsonderbreking welke zich wegens ongeval voordoet, na een werkhervatting waarvan de duur geen veertien dagen bereikt wordt aangezien als de voortzetting van de vorige arbeidsonderbreking;
  3° bij ziekte niet bedoeld sub 1° : tot de eerste twaalf maanden van de arbeidsonderbreking.
  Elke nieuwe arbeidsonderbreking welke zich wegens ziekte voordoet na een werkhervatting waarvan de duur geen veertien dagen bereikt wordt aangezien als de voortzetting van de vorige arbeidsonderbreking;
  4° bij moederschapsrust of vaderschapsverlof bedoeld in de arbeidswet van 16 maart 1971 : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971;
  5° in het geval voorzien bij artikel 16, 5° : tot de laatste twaalf maanden van de arbeidsonderbreking. Wat echter de werknemers betreft wier normale diensttijd minder dan twaalf maanden beloopt en die, wegens tuchtredenen, voor een langere termijn onder de wapens worden gehouden, wordt de gelijkstelling beperkt tot de periode die de terugzending naar hun haardstede voorafgaat en die overeenstemt met de normale duur van hun diensttijd;
  6° voor de huisarbeiders, in geval van economische werkloosheid, zoals voorzien in artikel 16, 14° : tot de periode waarbij aan de voorwaarden gesteld door artikel 75 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering is voldaan;
  7° in geval van borstvoeding zoals voorzien bij artikel 16, 16° : tot de periode waarover de gerechtigde die borstvoeding geeft kan aanspraak maken op de moederschapsuitkering, bedoeld in artikel 219bis, tweede lid van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
  8° in geval van vaderschapsverlof bedoeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en in de wet van 1 april 1936 op de arbeidsovereenkomsten wegens dienst op binnenschepen of adoptieverlof : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 30, § 2 of § 3, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten of van artikel 25quinquies, § 2 of § 3 van de wet van 1 april 1936 op de arbeidsovereenkomsten wegens dienst op binnenschepen.
  De in artikel 16 opgesomde dagen van arbeidsonderbreking die, overeenkomstig artikel 17, als dagen normale werkelijke arbeid aangezien worden, komen niet in aanmerking voor de toepassing van de beperking van de duur der gelijkstellingen waarvan sprake in onderhavig artikel. "
Art. 2. L'article 18 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 20 juillet 1970 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 9 mars 1977, 25 fĂ©vrier 1986, 10 janvier 1992, 4 juin 1998, 15 juin 1998, 10 juin 2001, 12 mars 2003 et 3 avril 2003, est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " Art. 18. La durée de l'assimilation est limitée :
  1° en cas d'accident de travail ou de maladie professionnelle donnant lieu à réparation :
  a) à la période d'incapacité temporaire totale;
  b) aux douze premiers mois de la période d'incapacité temporaire partielle consécutive à une incapacité temporaire totale, à condition que le pourcentage de l'incapacité temporaire partielle reconnu soit au moins égal à 66 p.c.;
  2° en cas d'accident non visé au 1° : aux douze premiers mois de l'interruption de travail.
  Toute nouvelle interruption de travail qui survient, pour cause d'accident, aprÚs une reprise de travail dont la durée n'atteint pas quatorze jours est considérée comme la continuation de l'interruption de travail précédente;
  3° en cas de maladie non visée au 1° : aux douze premiers mois de l'interruption de travail.
  Toute nouvelle interruption de travail qui survient pour cause de maladie, aprÚs une reprise de travail dont la durée n'atteint pas quatorze jours, est considérée comme la continuation de l'interruption de travail précédente;
  4° en cas de repos de maternité ou de congé de paternité visé par la loi du 16 mars 1971 sur le travail : les périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 39 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail;
  5° dans le cas prévu à l'article 16, 5° : aux douze derniers mois de l'interruption de travail. Toutefois, en ce qui concerne les travailleurs dont le terme normal de service est inférieur à douze mois et qui sont maintenus sous les drapeaux au delà de ce terme, pour les raisons d'ordre disciplinaire, l'assimilation est limitée à la période précédant le moment de leur renvoi dans leur foyer, qui correspond à la durée de leur terme normal de service;
  6° en cas de chĂŽmage Ă©conomique, tel que prĂ©vu Ă l'article 16, 14°, pour les travailleurs Ă domicile : aux pĂ©riodes rĂ©pondant aux conditions prĂ©vues Ă l'article 75 de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 portant rĂ©glementation du chĂŽmage;
  7° en cas d'allaitement tel que prĂ©vu Ă l'article 16, 16° : Ă la pĂ©riode pendant laquelle la titulaire allaitante peut prĂ©tendre Ă l'indemnitĂ© de maternitĂ© visĂ©e Ă l'article 219bis, alinĂ©a 2, de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 juillet 1996 portant exĂ©cution de la loi relative Ă l'assurance obligatoire soins de santĂ© et indemnitĂ©s, coordonnĂ©e le 14 juillet 1994;
  8° en cas de congé de paternité visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et par la loi du 1er avril 1936 sur les contrats d'engagement pour le service des bùtiments de navigation intérieure ou de congé d'adoption : aux périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 30, § 2 ou § 3, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ou de l'article 25quinquies, § 2 ou § 3, de la loi du 1er avril 1936 sur les contrats d'engagement de navigation intérieure.
  Les journées d'interruption de travail énumérées à l'article 16, qui conformément à l'article 17 ont été considérées comme des journées de travail effectif normal, n'entrent pas en ligne de compte pour l'application de la limitation de la durée des assimilations dont il est question au présent article. "
  " Art. 18. La durée de l'assimilation est limitée :
  1° en cas d'accident de travail ou de maladie professionnelle donnant lieu à réparation :
  a) à la période d'incapacité temporaire totale;
  b) aux douze premiers mois de la période d'incapacité temporaire partielle consécutive à une incapacité temporaire totale, à condition que le pourcentage de l'incapacité temporaire partielle reconnu soit au moins égal à 66 p.c.;
  2° en cas d'accident non visé au 1° : aux douze premiers mois de l'interruption de travail.
  Toute nouvelle interruption de travail qui survient, pour cause d'accident, aprÚs une reprise de travail dont la durée n'atteint pas quatorze jours est considérée comme la continuation de l'interruption de travail précédente;
  3° en cas de maladie non visée au 1° : aux douze premiers mois de l'interruption de travail.
  Toute nouvelle interruption de travail qui survient pour cause de maladie, aprÚs une reprise de travail dont la durée n'atteint pas quatorze jours, est considérée comme la continuation de l'interruption de travail précédente;
  4° en cas de repos de maternité ou de congé de paternité visé par la loi du 16 mars 1971 sur le travail : les périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 39 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail;
  5° dans le cas prévu à l'article 16, 5° : aux douze derniers mois de l'interruption de travail. Toutefois, en ce qui concerne les travailleurs dont le terme normal de service est inférieur à douze mois et qui sont maintenus sous les drapeaux au delà de ce terme, pour les raisons d'ordre disciplinaire, l'assimilation est limitée à la période précédant le moment de leur renvoi dans leur foyer, qui correspond à la durée de leur terme normal de service;
  6° en cas de chĂŽmage Ă©conomique, tel que prĂ©vu Ă l'article 16, 14°, pour les travailleurs Ă domicile : aux pĂ©riodes rĂ©pondant aux conditions prĂ©vues Ă l'article 75 de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 portant rĂ©glementation du chĂŽmage;
  7° en cas d'allaitement tel que prĂ©vu Ă l'article 16, 16° : Ă la pĂ©riode pendant laquelle la titulaire allaitante peut prĂ©tendre Ă l'indemnitĂ© de maternitĂ© visĂ©e Ă l'article 219bis, alinĂ©a 2, de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 juillet 1996 portant exĂ©cution de la loi relative Ă l'assurance obligatoire soins de santĂ© et indemnitĂ©s, coordonnĂ©e le 14 juillet 1994;
  8° en cas de congé de paternité visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et par la loi du 1er avril 1936 sur les contrats d'engagement pour le service des bùtiments de navigation intérieure ou de congé d'adoption : aux périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 30, § 2 ou § 3, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ou de l'article 25quinquies, § 2 ou § 3, de la loi du 1er avril 1936 sur les contrats d'engagement de navigation intérieure.
  Les journées d'interruption de travail énumérées à l'article 16, qui conformément à l'article 17 ont été considérées comme des journées de travail effectif normal, n'entrent pas en ligne de compte pour l'application de la limitation de la durée des assimilations dont il est question au présent article. "
Art. 3. Artikel 20 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 juni 1969, 11 juli 1972, 20 juni 1975, 17 juli 1979, 18 maart 1982, 10 juni 2001 en 3 april 2003, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 20. De juistheid van het aantal dagen van arbeidsonderbreking wordt bevestigd :
  1° door de verzekeringsinstelling of door de werkgever al naar gelang een verzekeringscontract aangegaan werd of niet voor de in artikel 16, 1°, bedoelde arbeidsonderbrekingen;
  2° door de verzekeringsinstelling of door de werkgever naargelang de arbeider een schadeloosstelling geniet of niet krachtens een bepaling van de wetgeving op de sociale zekerheid, voor de in artikel 16, 2°, 3°, 4°, 15°, 16° en 18° bedoelde arbeidsonderbrekingen;
  3° voor de arbeidsonderbrekingen bedoeld bij artikel 16, 5°, door de bevoegde overheid, en desnoods door het gemeentebestuur;
  4° door het secretariaat of de griffie van het organisme, de instelling, het rechtscollege of de betrokken vakvereniging voor de in artikel 16, 6° tot 11°, bedoelde arbeidsonderbrekingen;
  5° door de werkgever, voor de in artikel 16, 12° en 14° bedoelde arbeidsonderbrekingen; de bevestiging wat 14° betreft geschiedt overeenkomstig het bepaalde bij artikel 21, § 3;
  6° door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening voor de arbeidsonderbrekingen bedoeld bij artikel 16, 13°. "
  " Art. 20. De juistheid van het aantal dagen van arbeidsonderbreking wordt bevestigd :
  1° door de verzekeringsinstelling of door de werkgever al naar gelang een verzekeringscontract aangegaan werd of niet voor de in artikel 16, 1°, bedoelde arbeidsonderbrekingen;
  2° door de verzekeringsinstelling of door de werkgever naargelang de arbeider een schadeloosstelling geniet of niet krachtens een bepaling van de wetgeving op de sociale zekerheid, voor de in artikel 16, 2°, 3°, 4°, 15°, 16° en 18° bedoelde arbeidsonderbrekingen;
  3° voor de arbeidsonderbrekingen bedoeld bij artikel 16, 5°, door de bevoegde overheid, en desnoods door het gemeentebestuur;
  4° door het secretariaat of de griffie van het organisme, de instelling, het rechtscollege of de betrokken vakvereniging voor de in artikel 16, 6° tot 11°, bedoelde arbeidsonderbrekingen;
  5° door de werkgever, voor de in artikel 16, 12° en 14° bedoelde arbeidsonderbrekingen; de bevestiging wat 14° betreft geschiedt overeenkomstig het bepaalde bij artikel 21, § 3;
  6° door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening voor de arbeidsonderbrekingen bedoeld bij artikel 16, 13°. "
Art. 3. L'article 20 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 12 juin 1969, 11 juillet 1972, 20 juin 1975, 17 juillet 1979, 18 mars 1982, 10 juin 2001 et 3 avril 2003, est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " Art. 20. L'exactitude du nombre des journées d'interruption de travail est certifiée :
  1° pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 1°, par l'organisme assureur ou par l'employeur selon qu'il y a assurance ou non;
  2° pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 2°, 3°, 4°, 15°, 16° et 18°, par l'organisme assureur ou par l'employeur selon que le travailleur est indemnisé ou non en vertu d'une disposition de la législation sur la sécurité sociale;
  3° pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 5°, par l'autorité compétente et au besoin par l'administration communale;
  4° pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 6° à 11°, par le secrétariat ou le greffe de l'organisme, de l'institution, de la juridiction ou du syndicat intéressé;
  5° pour les interruptions de travail visĂ©es Ă l'article 16, 12° et 14°, par l'employeur; la justification relative au 14° doit ĂȘtre effectuĂ©e conformĂ©ment aux dispositions de l'article 21, § 3;
  6° pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 13°, par l'Office national de l'Emploi. "
  " Art. 20. L'exactitude du nombre des journées d'interruption de travail est certifiée :
  1° pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 1°, par l'organisme assureur ou par l'employeur selon qu'il y a assurance ou non;
  2° pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 2°, 3°, 4°, 15°, 16° et 18°, par l'organisme assureur ou par l'employeur selon que le travailleur est indemnisé ou non en vertu d'une disposition de la législation sur la sécurité sociale;
  3° pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 5°, par l'autorité compétente et au besoin par l'administration communale;
  4° pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 6° à 11°, par le secrétariat ou le greffe de l'organisme, de l'institution, de la juridiction ou du syndicat intéressé;
  5° pour les interruptions de travail visĂ©es Ă l'article 16, 12° et 14°, par l'employeur; la justification relative au 14° doit ĂȘtre effectuĂ©e conformĂ©ment aux dispositions de l'article 21, § 3;
  6° pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 13°, par l'Office national de l'Emploi. "
Art. 4. Artikel 21 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 12 maart 2003, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 21. § 1. De stukken tot staving worden ambtshalve aan het bevoegde vakantiefonds toegezonden in geval van :
  1° arbeidsongeval, door de verzekeringsinstelling of door de werkgever, al naargelang er een verzekering is of niet;
  2° beroepsziekte, door het Fonds voor Beroepsziekten;
  3° moederschapsrust of vaderschapsverlof bedoeld in de arbeidswet van 16 maart 1971, door de verzekeringsinstelling of door de werkgever, al naargelang er al dan niet onderwerping is;
  4° ongevallen of ziekten niet bedoeld bij § 1, 1° en 2°, door de verzekeringsinstelling of door de werkgever, al naargelang er al dan niet onderwerping is;
  5° arbeidsonderbrekingen bedoeld bij artikel 16, 5°, door de bevoegde overheid en, bij ontstentenis, door het gemeentebestuur;
  6° arbeidsonderbreking bedoeld bij artikel 16, 13°, door de uitbetalingsinstelling;
  7° arbeidsonderbrekingen bedoeld bij artikel 16, 15° en 16°, door de verzekeringsinstelling of door de werkgever, al naargelang er al dan niet onderwerping is;
  8° staking, door het secretariaat van de interprofessionele syndicale organisatie die haar instemming met de staking heeft betuigd of deze heeft gesteund;
  9° arbeidsonderbrekingen bedoeld bij artikel 16, 18°, door de verzekeringsinstelling of door de werkgever, al naargelang er al dan niet onderwerping is.
  § 2. De stukken tot staving van de andere bij artikel 16 bedoelde dagen arbeidsonderbreking ten gevolge van :
  1° het vervullen van burgerplichten zonder behoud van loon;
  2° het vervullen van een openbaar mandaat;
  3° de uitoefening van de functie van rechter in sociale zaken;
  4° het vervullen van een syndicale opdracht;
  5° de deelneming aan cursussen, stages of studiedagen gewijd aan sociale promotie;
  6° een lock-out;
  worden door de werkgever bewaard tot 31 december van het vierde jaar dat volgt op het jaar waarin de vakantie moet verleend worden; de werkgever bezorgt de stukken aan de vakantiefondsen zo zij het vragen.
  § 3. Behoudens de door de Minister van Sociale Zaken, na advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie toegestane afwijking, vermelden de werkgevers op de kwartaalstaat, naast het aangegeven cijfer van de gelijkgestelde dagen ook de reden van de afwezigheid op het werk. "
  " Art. 21. § 1. De stukken tot staving worden ambtshalve aan het bevoegde vakantiefonds toegezonden in geval van :
  1° arbeidsongeval, door de verzekeringsinstelling of door de werkgever, al naargelang er een verzekering is of niet;
  2° beroepsziekte, door het Fonds voor Beroepsziekten;
  3° moederschapsrust of vaderschapsverlof bedoeld in de arbeidswet van 16 maart 1971, door de verzekeringsinstelling of door de werkgever, al naargelang er al dan niet onderwerping is;
  4° ongevallen of ziekten niet bedoeld bij § 1, 1° en 2°, door de verzekeringsinstelling of door de werkgever, al naargelang er al dan niet onderwerping is;
  5° arbeidsonderbrekingen bedoeld bij artikel 16, 5°, door de bevoegde overheid en, bij ontstentenis, door het gemeentebestuur;
  6° arbeidsonderbreking bedoeld bij artikel 16, 13°, door de uitbetalingsinstelling;
  7° arbeidsonderbrekingen bedoeld bij artikel 16, 15° en 16°, door de verzekeringsinstelling of door de werkgever, al naargelang er al dan niet onderwerping is;
  8° staking, door het secretariaat van de interprofessionele syndicale organisatie die haar instemming met de staking heeft betuigd of deze heeft gesteund;
  9° arbeidsonderbrekingen bedoeld bij artikel 16, 18°, door de verzekeringsinstelling of door de werkgever, al naargelang er al dan niet onderwerping is.
  § 2. De stukken tot staving van de andere bij artikel 16 bedoelde dagen arbeidsonderbreking ten gevolge van :
  1° het vervullen van burgerplichten zonder behoud van loon;
  2° het vervullen van een openbaar mandaat;
  3° de uitoefening van de functie van rechter in sociale zaken;
  4° het vervullen van een syndicale opdracht;
  5° de deelneming aan cursussen, stages of studiedagen gewijd aan sociale promotie;
  6° een lock-out;
  worden door de werkgever bewaard tot 31 december van het vierde jaar dat volgt op het jaar waarin de vakantie moet verleend worden; de werkgever bezorgt de stukken aan de vakantiefondsen zo zij het vragen.
  § 3. Behoudens de door de Minister van Sociale Zaken, na advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie toegestane afwijking, vermelden de werkgevers op de kwartaalstaat, naast het aangegeven cijfer van de gelijkgestelde dagen ook de reden van de afwezigheid op het werk. "
Art. 4. L'article 21 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 12 mars 2003, est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " Art. 21. § 1er. Les documents justificatifs sont envoyés d'office à la caisse de vacances compétente lorsqu'il s'agit :
  1° d'accident du travail, par l'organisme assureur ou par l'employeur, selon qu'il y a assurance ou non;
  2° de maladie professionnelle, par le Fonds des Maladies professionnelles;
  3° de repos de maternité ou de congé de paternité visé par la loi du 16 mars 1971 sur le travail, par l'organisme assureur ou par l'employeur selon qu'il y a assujettissement ou non;
  4° d'accidents ou de maladies non visés au § 1er, 1° et 2°, par l'organisme assureur ou par l'employeur selon qu'il y a assujettissement ou non;
  5° d'interruptions de travail visées à l'article 16, 5°, par l'autorité compétente et à défaut, par l'administration communale;
  6° d'interruption de travail, visée à l'article 16, 13°, par l'organisme de paiement;
  7° d'interruptions de travail visées à l'article 16, 15° et 16°, par l'organisme assureur ou par l'employeur selon qu'il y a assujettissement ou non;
  8° de grÚve, par le secrétariat de l'organisation syndicale interprofessionnelle qui a donné son accord ou son appui à la grÚve;
  9° d'interruptions de travail visées à l'article 16, 18°, par l'organisme assureur ou par l'employeur selon qu'il y a assujettissement ou non.
  § 2. Les documents justificatifs des autres journées d'interruption de travail visées à l'article 16 suite à :
  1° l'accomplissement de devoirs civiques, sans maintien de la rémunération;
  2° l'accomplissement d'un mandat public;
  3° l'exercice de la fonction de juge social;
  4° l'accomplissement d'une mission syndicale;
  5° la participation à des cours, stages ou à des journées d'études consacrés à la promotion sociale;
  6° un lock-out;
  sont conservĂ©s par l'employeur jusqu'au 31 dĂ©cembre de la quatriĂšme annĂ©e qui suit celle au cours de laquelle les vacances doivent ĂȘtre accordĂ©es; l'employeur communique les piĂšces aux caisses de vacances lorsqu'elles en font la demande.
  § 3. Sauf dérogation accordée par le Ministre des Affaires sociales aprÚs avis du Comité de gestion de l'Office national des vacances annuelles, les employeurs mentionnent, à cÎté du nombre de jours assimilés, au relevé trimestriel la raison de l'absence au travail. "
  " Art. 21. § 1er. Les documents justificatifs sont envoyés d'office à la caisse de vacances compétente lorsqu'il s'agit :
  1° d'accident du travail, par l'organisme assureur ou par l'employeur, selon qu'il y a assurance ou non;
  2° de maladie professionnelle, par le Fonds des Maladies professionnelles;
  3° de repos de maternité ou de congé de paternité visé par la loi du 16 mars 1971 sur le travail, par l'organisme assureur ou par l'employeur selon qu'il y a assujettissement ou non;
  4° d'accidents ou de maladies non visés au § 1er, 1° et 2°, par l'organisme assureur ou par l'employeur selon qu'il y a assujettissement ou non;
  5° d'interruptions de travail visées à l'article 16, 5°, par l'autorité compétente et à défaut, par l'administration communale;
  6° d'interruption de travail, visée à l'article 16, 13°, par l'organisme de paiement;
  7° d'interruptions de travail visées à l'article 16, 15° et 16°, par l'organisme assureur ou par l'employeur selon qu'il y a assujettissement ou non;
  8° de grÚve, par le secrétariat de l'organisation syndicale interprofessionnelle qui a donné son accord ou son appui à la grÚve;
  9° d'interruptions de travail visées à l'article 16, 18°, par l'organisme assureur ou par l'employeur selon qu'il y a assujettissement ou non.
  § 2. Les documents justificatifs des autres journées d'interruption de travail visées à l'article 16 suite à :
  1° l'accomplissement de devoirs civiques, sans maintien de la rémunération;
  2° l'accomplissement d'un mandat public;
  3° l'exercice de la fonction de juge social;
  4° l'accomplissement d'une mission syndicale;
  5° la participation à des cours, stages ou à des journées d'études consacrés à la promotion sociale;
  6° un lock-out;
  sont conservĂ©s par l'employeur jusqu'au 31 dĂ©cembre de la quatriĂšme annĂ©e qui suit celle au cours de laquelle les vacances doivent ĂȘtre accordĂ©es; l'employeur communique les piĂšces aux caisses de vacances lorsqu'elles en font la demande.
  § 3. Sauf dérogation accordée par le Ministre des Affaires sociales aprÚs avis du Comité de gestion de l'Office national des vacances annuelles, les employeurs mentionnent, à cÎté du nombre de jours assimilés, au relevé trimestriel la raison de l'absence au travail. "
Art. 5. In artikel 36 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 12 maart 2003, worden de woorden " en de dagen inhaalrust in de sector bouwbedrijf. " vervangen door de woorden ", de dagen inhaalrust in de sector bouwbedrijf en de dagen inhaalrust in het kader van arbeidsduurvermindering. "
Art. 5. Dans l'article 36 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 12 mars 2003, les mots " et les jours de repos compensatoire dans le secteur de la construction " sont remplacĂ©s par les mots ", les jours de repos compensatoire dans le secteur de la construction et les jours de repos compensatoire dans le cadre d'une rĂ©duction du temps de travail. "
Art. 6. Artikel 41 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 10 juni 2001 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 maart 2003 en 3 april 2003, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 41. Voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld worden met dagen normale werkelijke arbeid gelijkgesteld, de dagen arbeidsonderbreking ingevolge :
  1° een arbeidsongeval of beroepsziekte, aanleiding gevend tot schadeloosstelling;
  2° een ongeval of ziekte niet bedoeld sub 1°;
  3° de moederschapsrust;
  4° het vaderschapsverlof bedoeld in de arbeidswet van 16 maart 1971;
  5° het vervullen van militieverplichtingen.
  Het voordeel van de gelijkstelling wordt ook toegekend aan de werknemer van vreemde nationaliteit, onderdaan van één der Lid-Staten van de Europese Unie, die in zijn land opgeroepen wordt in vredestijd;
  6° het vervullen van burgerplichten zonder behoud van loon;
  7° het vervullen van een openbaar mandaat;
  8° de uitoefening van de functie van rechter in sociale zaken;
  9° het vervullen van een syndicale opdracht;
  10° de deelneming aan cursussen of studiedagen gewijd aan sociale promotie;
  11° de deelname aan een staking die zich voordoet in de schoot van de onderneming;
  12° een lock-out;
  13° een profylactisch verlof;
  14° de volledige werkverwijdering als maatregel van moederschapsbescherming;
  15° een vaderschapsverlof bedoeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en in de wet van 1 april 1936 op de arbeidsovereenkomsten wegens dienst op binnenschepen of een adoptieverlof. "
  " Art. 41. Voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld worden met dagen normale werkelijke arbeid gelijkgesteld, de dagen arbeidsonderbreking ingevolge :
  1° een arbeidsongeval of beroepsziekte, aanleiding gevend tot schadeloosstelling;
  2° een ongeval of ziekte niet bedoeld sub 1°;
  3° de moederschapsrust;
  4° het vaderschapsverlof bedoeld in de arbeidswet van 16 maart 1971;
  5° het vervullen van militieverplichtingen.
  Het voordeel van de gelijkstelling wordt ook toegekend aan de werknemer van vreemde nationaliteit, onderdaan van één der Lid-Staten van de Europese Unie, die in zijn land opgeroepen wordt in vredestijd;
  6° het vervullen van burgerplichten zonder behoud van loon;
  7° het vervullen van een openbaar mandaat;
  8° de uitoefening van de functie van rechter in sociale zaken;
  9° het vervullen van een syndicale opdracht;
  10° de deelneming aan cursussen of studiedagen gewijd aan sociale promotie;
  11° de deelname aan een staking die zich voordoet in de schoot van de onderneming;
  12° een lock-out;
  13° een profylactisch verlof;
  14° de volledige werkverwijdering als maatregel van moederschapsbescherming;
  15° een vaderschapsverlof bedoeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en in de wet van 1 april 1936 op de arbeidsovereenkomsten wegens dienst op binnenschepen of een adoptieverlof. "
Art. 6. L'article 41 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 10 juin 2001 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 12 mars 2003 et 3 avril 2003, est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " Art. 41. Pour le calcul du montant du pécule de vacances, sont assimilées aux jours de travail effectif normal, les journées d'interruption de travail résultant :
  1° d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle donnant lieu à réparation;
  2° d'un accident ou d'une maladie non visés au 1°;
  3° du repos de maternité;
  4° du congé de paternité visé par la loi du 16 mars 1971 sur le travail;
  5° de l'accomplissement d'obligations de milice.
  Le bénéfice de l'assimilation est reconnu également au travailleur de nationalité étrangÚre ressortissant de l'un des Etats membres de l'Union européenne, appelé dans son pays d'origine en temps de paix;
  6° de l'accomplissement de devoirs civiques, sans maintien de la rémunération;
  7° de l'accomplissement d'un mandat public;
  8° de l'exercice de la fonction de juge social;
  9° de l'accomplissement d'une mission syndicale;
  10° de la participation à des cours ou à des journées d'études consacrés à la promotion sociale;
  11° de la participation à une grÚve survenue au sein de l'entreprise;
  12° d'un lock-out;
  13° d'un congé prophylactique;
  14° de l'éloignement complet du travail en tant que mesure de protection de la maternité;
  15° d'un congé de paternité visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et par la loi du 1er avril 1936 sur les contrats d'engagement pour le service des bùtiments de navigation intérieure ou d'un congé d'adoption. "
  " Art. 41. Pour le calcul du montant du pécule de vacances, sont assimilées aux jours de travail effectif normal, les journées d'interruption de travail résultant :
  1° d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle donnant lieu à réparation;
  2° d'un accident ou d'une maladie non visés au 1°;
  3° du repos de maternité;
  4° du congé de paternité visé par la loi du 16 mars 1971 sur le travail;
  5° de l'accomplissement d'obligations de milice.
  Le bénéfice de l'assimilation est reconnu également au travailleur de nationalité étrangÚre ressortissant de l'un des Etats membres de l'Union européenne, appelé dans son pays d'origine en temps de paix;
  6° de l'accomplissement de devoirs civiques, sans maintien de la rémunération;
  7° de l'accomplissement d'un mandat public;
  8° de l'exercice de la fonction de juge social;
  9° de l'accomplissement d'une mission syndicale;
  10° de la participation à des cours ou à des journées d'études consacrés à la promotion sociale;
  11° de la participation à une grÚve survenue au sein de l'entreprise;
  12° d'un lock-out;
  13° d'un congé prophylactique;
  14° de l'éloignement complet du travail en tant que mesure de protection de la maternité;
  15° d'un congé de paternité visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et par la loi du 1er avril 1936 sur les contrats d'engagement pour le service des bùtiments de navigation intérieure ou d'un congé d'adoption. "
Art. 7. Artikel 43 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 juli 1970 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 9 maart 1977, 25 februari 1986, 10 januari 1992, 15 juni 1998, 10 juni 2001, 12 maart 2003 en 3 april 2003, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 43. De duur van de gelijkstelling wordt beperkt :
  1° bij arbeidsongeval of beroepsziekte aanleiding gevend tot schadeloosstelling;
  a) tot de periode van tijdelijke algehele ongeschiktheid;
  b) tot de eerste twaalf maanden der periode van tijdelijke gedeeltelijke ongeschiktheid volgend op een tijdelijke algehele ongeschiktheid op voorwaarde dat het erkende percentage van tijdelijke gedeeltelijke ongeschiktheid minstens 66 pct. weze;
  2° bij ongeval niet bedoeld sub 1° : tot de eerste twaalf maanden van de arbeidsonderbreking.
  Elke nieuwe arbeidsonderbreking welke zich wegens ongeval voordoet, na een werkhervatting waarvan de duur geen veertien dagen bereikt, wordt aangezien als de voortzetting van de vorige arbeidsonderbreking;
  3° bij ziekte niet bedoeld sub 1° : tot de eerste twaalf maanden van de arbeidsonderbreking.
  Elke nieuwe arbeidsonderbreking welke zich wegens ziekte voordoet, na een werkhervatting waarvan de duur geen veertien dagen bereikt, wordt aangezien als de voortzetting van de vorige arbeidsonderbreking;
  4° bij moederschapsrust of vaderschapsverlof bedoeld in de arbeidswet van 16 maart 1971 : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971;
  5° in het geval voorzien bij artikel 41, 5° : tot de laatste twaalf maanden van de arbeidsonderbreking. Wat echter de werknemers betreft wier normale diensttijd minder dan twaalf maanden beloopt en die, wegens tuchtredenen, voor een langere termijn onder de wapens worden gehouden, wordt de gelijkstelling beperkt tot de periode die de terugzending naar hun haardstede voorafgaat en die overeenstemt met de normale duur van hun diensttijd;
  6° in geval van borstvoeding zoals voorzien bij artikel 41, 14° : tot de periode waarover de gerechtigde die borstvoeding geeft kan aanspraak maken op de moederschapsuitkering, bedoeld in artikel 219bis, tweede lid van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
  7° in geval van vaderschapsverlof bedoeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en in de wet van 1 april 1936 op de arbeidsovereenkomsten wegens dienst op binnenschepen of adoptieverlof : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 30, § 2 of § 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten of van artikel 25quinquies, § 2 of § 3, van de wet van 1 april 1936 op de arbeidsovereenkomsten wegens dienst op binnenschepen. "
  " Art. 43. De duur van de gelijkstelling wordt beperkt :
  1° bij arbeidsongeval of beroepsziekte aanleiding gevend tot schadeloosstelling;
  a) tot de periode van tijdelijke algehele ongeschiktheid;
  b) tot de eerste twaalf maanden der periode van tijdelijke gedeeltelijke ongeschiktheid volgend op een tijdelijke algehele ongeschiktheid op voorwaarde dat het erkende percentage van tijdelijke gedeeltelijke ongeschiktheid minstens 66 pct. weze;
  2° bij ongeval niet bedoeld sub 1° : tot de eerste twaalf maanden van de arbeidsonderbreking.
  Elke nieuwe arbeidsonderbreking welke zich wegens ongeval voordoet, na een werkhervatting waarvan de duur geen veertien dagen bereikt, wordt aangezien als de voortzetting van de vorige arbeidsonderbreking;
  3° bij ziekte niet bedoeld sub 1° : tot de eerste twaalf maanden van de arbeidsonderbreking.
  Elke nieuwe arbeidsonderbreking welke zich wegens ziekte voordoet, na een werkhervatting waarvan de duur geen veertien dagen bereikt, wordt aangezien als de voortzetting van de vorige arbeidsonderbreking;
  4° bij moederschapsrust of vaderschapsverlof bedoeld in de arbeidswet van 16 maart 1971 : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971;
  5° in het geval voorzien bij artikel 41, 5° : tot de laatste twaalf maanden van de arbeidsonderbreking. Wat echter de werknemers betreft wier normale diensttijd minder dan twaalf maanden beloopt en die, wegens tuchtredenen, voor een langere termijn onder de wapens worden gehouden, wordt de gelijkstelling beperkt tot de periode die de terugzending naar hun haardstede voorafgaat en die overeenstemt met de normale duur van hun diensttijd;
  6° in geval van borstvoeding zoals voorzien bij artikel 41, 14° : tot de periode waarover de gerechtigde die borstvoeding geeft kan aanspraak maken op de moederschapsuitkering, bedoeld in artikel 219bis, tweede lid van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
  7° in geval van vaderschapsverlof bedoeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en in de wet van 1 april 1936 op de arbeidsovereenkomsten wegens dienst op binnenschepen of adoptieverlof : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 30, § 2 of § 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten of van artikel 25quinquies, § 2 of § 3, van de wet van 1 april 1936 op de arbeidsovereenkomsten wegens dienst op binnenschepen. "
Art. 7. L'article 43 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 20 juillet 1970 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 9 mars 1977, 25 fĂ©vrier 1986, 10 janvier 1992, 15 juin 1998, 10 juin 2001, 12 mars 2003 et 3 avril 2003, est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " Art. 43. La durée de l'assimilation est limitée :
  1° en cas d'accident de travail ou de maladie professionnelle donnant lieu à réparation :
  a) à la période d'incapacité temporaire totale;
  b) aux douze premiers mois de la période d'incapacité temporaire partielle consécutive à une incapacité temporaire totale, à condition que le pourcentage de l'incapacité temporaire partielle reconnu, soit au moins égal à 66 p.c.;
  2° en cas d'accident non visé au 1° : aux douze premiers mois de l'interruption de travail.
  Toute nouvelle interruption de travail qui survient, pour cause d'accident, aprÚs une reprise de travail dont la durée n'atteint pas quatorze jours est considérée comme la continuation de l'interruption de travail précédente;
  3° en cas de maladie non visée au 1° : aux douze premiers mois de l'interruption de travail.
  Toute nouvelle interruption de travail qui survient, pour cause de maladie, aprÚs une reprise de travail dont la durée n'atteint pas quatorze jours, est considérée comme la continuation de l'interruption de travail précédente;
  4° en cas de repos de maternité ou de congé de paternité visé par la loi du 16 mars 1971 sur le travail : les périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 39 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail;
  5° dans le cas prévu à l'article 41, 5° : aux douze derniers mois de l'interruption de travail. Toutefois, en ce qui concerne les travailleurs dont le terme normal de service est inférieur à douze mois et qui sont maintenus sous les drapeaux au delà de ce terme, pour des raisons d'ordre disciplinaire, l'assimilation est limitée à la période précédant le montant de leur renvoi dans leur foyer, qui correspond à la durée de leur terme normal de service;
  6° en cas d'allaitement tel que prĂ©vu Ă l'article 41, 14° : Ă la pĂ©riode pendant laquelle la titulaire allaitante peut prĂ©tendre Ă l'indemnitĂ© de maternitĂ© visĂ©e Ă l'article 219bis, alinĂ©a 2, de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 juillet 1996 portant exĂ©cution de la loi relative Ă l'assurance obligatoire soins de santĂ© et indemnitĂ©s, coordonnĂ©e le 14 juillet 1994;
  7° en cas de congé de paternité visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et par la loi du 1er avril 1936 sur les contrats d'engagement pour le service des bùtiments de navigation intérieure ou de congé d'adoption : aux périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 30, § 2 ou § 3, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ou de l'article 25quinquies, § 2 ou § 3, de la loi du 1er avril 1936 sur les contrats d'engagement de navigation intérieure. "
  " Art. 43. La durée de l'assimilation est limitée :
  1° en cas d'accident de travail ou de maladie professionnelle donnant lieu à réparation :
  a) à la période d'incapacité temporaire totale;
  b) aux douze premiers mois de la période d'incapacité temporaire partielle consécutive à une incapacité temporaire totale, à condition que le pourcentage de l'incapacité temporaire partielle reconnu, soit au moins égal à 66 p.c.;
  2° en cas d'accident non visé au 1° : aux douze premiers mois de l'interruption de travail.
  Toute nouvelle interruption de travail qui survient, pour cause d'accident, aprÚs une reprise de travail dont la durée n'atteint pas quatorze jours est considérée comme la continuation de l'interruption de travail précédente;
  3° en cas de maladie non visée au 1° : aux douze premiers mois de l'interruption de travail.
  Toute nouvelle interruption de travail qui survient, pour cause de maladie, aprÚs une reprise de travail dont la durée n'atteint pas quatorze jours, est considérée comme la continuation de l'interruption de travail précédente;
  4° en cas de repos de maternité ou de congé de paternité visé par la loi du 16 mars 1971 sur le travail : les périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 39 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail;
  5° dans le cas prévu à l'article 41, 5° : aux douze derniers mois de l'interruption de travail. Toutefois, en ce qui concerne les travailleurs dont le terme normal de service est inférieur à douze mois et qui sont maintenus sous les drapeaux au delà de ce terme, pour des raisons d'ordre disciplinaire, l'assimilation est limitée à la période précédant le montant de leur renvoi dans leur foyer, qui correspond à la durée de leur terme normal de service;
  6° en cas d'allaitement tel que prĂ©vu Ă l'article 41, 14° : Ă la pĂ©riode pendant laquelle la titulaire allaitante peut prĂ©tendre Ă l'indemnitĂ© de maternitĂ© visĂ©e Ă l'article 219bis, alinĂ©a 2, de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 juillet 1996 portant exĂ©cution de la loi relative Ă l'assurance obligatoire soins de santĂ© et indemnitĂ©s, coordonnĂ©e le 14 juillet 1994;
  7° en cas de congé de paternité visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et par la loi du 1er avril 1936 sur les contrats d'engagement pour le service des bùtiments de navigation intérieure ou de congé d'adoption : aux périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 30, § 2 ou § 3, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ou de l'article 25quinquies, § 2 ou § 3, de la loi du 1er avril 1936 sur les contrats d'engagement de navigation intérieure. "
Art. 8. _ Artikel 19bis, § 3, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 juni 2001 en 18 februari 2003, wordt opgeheven.
Art. 8. L'article 19bis, § 3, de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 novembre 1969 pris en exĂ©cution de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 10 juin 2001 et 18 fĂ©vrier 2003, est abrogĂ©.
Art. 9. Artikel 133, § 1, 9°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 juni 2001, wordt vervangen als volgt :
  " 9° de jonge werknemer die de jeugdvakantie-uitkering bedoeld in artikel 78bis aanvraagt, uiterlijk op het einde van de tweede maand volgend op het vakantiejaar; ".
  " 9° de jonge werknemer die de jeugdvakantie-uitkering bedoeld in artikel 78bis aanvraagt, uiterlijk op het einde van de tweede maand volgend op het vakantiejaar; ".
Art. 9. L'article 133, § 1er, 9°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 portant rĂ©glementation du chĂŽmage, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 13 juin 2001, est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " 9° le jeune travailleur qui demande l'allocation-vacances jeunes visée à l'article 78bis, au plus tard à la fin du deuxiÚme mois qui suit l'année de vacances; ".
  " 9° le jeune travailleur qui demande l'allocation-vacances jeunes visée à l'article 78bis, au plus tard à la fin du deuxiÚme mois qui suit l'année de vacances; ".
Art. 10. In artikel 137 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1, 2°, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 maart 2003, wordt vervangen als volgt :
  " 2° aan de werknemer wiens arbeidsprestaties tijdelijk verminderd of geschorst zijn in toepassing van de artikelen 26, 28, 1°, 49, 50 of 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten of van artikel 5 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden :
  a) een controleformulier inzake tijdelijke werkloosheid, uiterlijk de eerste effectieve werkloosheidsdag van elke maand vóór het normale aanvangsuur van het werk;
  b) een " bewijs van tijdelijke werkloosheid " vermeldend de uren van werkloosheid, na het verstrijken van de maand;
  c) in de gevallen bedoeld in artikel 133, § 1, 4° en 5°, een tweede exemplaar van het " bewijs van tijdelijke werkloosheid ", vermeldend de gegevens vereist voor de uitkeringsaanvraag; ";
  2° § 1, 7°, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 8 augustus 1997, wordt opgeheven;
  3° § 2, 3°, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 maart 2003, wordt vervangen als volgt :
  " 3° aan de werknemer die getroffen wordt door een lock-out of wiens werkloosheid het rechtstreekse of onrechtstreekse gevolg is van een staking of een lock-out :
  a) een controleformulier inzake tijdelijke werkloosheid;
  b) een " bewijs van tijdelijke werkloosheid " vermeldend de uren van werkloosheid, na het verstrijken van de maand;
  c) voor de maand waarin de werkloosheid ingevolge staking of lock-out een aanvang kent, een tweede exemplaar van het " bewijs van tijdelijke werkloosheid ", vermeldend de gegevens vereist voor de uitkeringsaanvraag; ";
  4° § 4, eerste lid, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 mei 1999, wordt vervangen als volgt :
  " § 4. In afwijking van § 1, 2°, en § 2, 3°, overhandigt de werkgever die ressorteert onder het paritair comité van het bouwbedrijf uit eigen beweging aan zijn werklieden :
  1° vóór de aanvang van elke maand, een nominatieve controlekaart inzake tijdelijke werkloosheid, ter beschikking gesteld door het Fonds voor bestaanszekerheid van de werklieden uit het bouwbedrijf;
  2° een " bewijs van tijdelijke werkloosheid " bij het einde van elke maand tijdens dewelke de uitvoering van de arbeidsovereenkomst effectief geschorst werd zoals bedoeld in § 1, 2°, of in § 2, 3°;
  3° in de gevallen bedoeld in artikel 133, § 1, 4° en 5°, een tweede exemplaar van het " bewijs van tijdelijke werkloosheid ", vermeldend de gegevens vereist voor de uitkeringsaanvraag; ";
  5° § 4, zevende lid, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 mei 1999, wordt opgeheven.
  1° § 1, 2°, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 maart 2003, wordt vervangen als volgt :
  " 2° aan de werknemer wiens arbeidsprestaties tijdelijk verminderd of geschorst zijn in toepassing van de artikelen 26, 28, 1°, 49, 50 of 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten of van artikel 5 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden :
  a) een controleformulier inzake tijdelijke werkloosheid, uiterlijk de eerste effectieve werkloosheidsdag van elke maand vóór het normale aanvangsuur van het werk;
  b) een " bewijs van tijdelijke werkloosheid " vermeldend de uren van werkloosheid, na het verstrijken van de maand;
  c) in de gevallen bedoeld in artikel 133, § 1, 4° en 5°, een tweede exemplaar van het " bewijs van tijdelijke werkloosheid ", vermeldend de gegevens vereist voor de uitkeringsaanvraag; ";
  2° § 1, 7°, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 8 augustus 1997, wordt opgeheven;
  3° § 2, 3°, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 maart 2003, wordt vervangen als volgt :
  " 3° aan de werknemer die getroffen wordt door een lock-out of wiens werkloosheid het rechtstreekse of onrechtstreekse gevolg is van een staking of een lock-out :
  a) een controleformulier inzake tijdelijke werkloosheid;
  b) een " bewijs van tijdelijke werkloosheid " vermeldend de uren van werkloosheid, na het verstrijken van de maand;
  c) voor de maand waarin de werkloosheid ingevolge staking of lock-out een aanvang kent, een tweede exemplaar van het " bewijs van tijdelijke werkloosheid ", vermeldend de gegevens vereist voor de uitkeringsaanvraag; ";
  4° § 4, eerste lid, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 mei 1999, wordt vervangen als volgt :
  " § 4. In afwijking van § 1, 2°, en § 2, 3°, overhandigt de werkgever die ressorteert onder het paritair comité van het bouwbedrijf uit eigen beweging aan zijn werklieden :
  1° vóór de aanvang van elke maand, een nominatieve controlekaart inzake tijdelijke werkloosheid, ter beschikking gesteld door het Fonds voor bestaanszekerheid van de werklieden uit het bouwbedrijf;
  2° een " bewijs van tijdelijke werkloosheid " bij het einde van elke maand tijdens dewelke de uitvoering van de arbeidsovereenkomst effectief geschorst werd zoals bedoeld in § 1, 2°, of in § 2, 3°;
  3° in de gevallen bedoeld in artikel 133, § 1, 4° en 5°, een tweede exemplaar van het " bewijs van tijdelijke werkloosheid ", vermeldend de gegevens vereist voor de uitkeringsaanvraag; ";
  5° § 4, zevende lid, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 mei 1999, wordt opgeheven.
Art. 10. A l'article 137 du mĂȘme arrĂȘtĂ© sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° le § 1er, 2°, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 12 mars 2003, est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " 2° au travailleur dont les prestations de travail sont temporairement réduites ou suspendues en application des articles 26, 28, 1°, 49, 50 ou 51 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ou en application de l'article 5 de la loi du 19 mars 1991 portant un régime de licenciement particulier pour les délégués du personnel aux conseils d'entreprise et aux comités de sécurité, d'hygiÚne et d'embellissement des lieux de travail, ainsi que pour les candidats délégués du personnel :
  a) un formulaire de contrÎle pour le chÎmage temporaire, au plus tard le premier jour de chÎmage effectif de chaque mois avant l'heure normale du début du travail;
  b) un " certificat de chÎmage temporaire " mentionnant les heures de chÎmage, aprÚs la fin du mois;
  c) dans les cas visés à l'article 133, § 1er, 4° et 5°, un deuxiÚme exemplaire du " certificat de chÎmage temporaire ", mentionnant les données requises pour la demande d'allocations; ";
  2° le § 1er, 7°, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 8 aoĂ»t 1997, est abrogĂ©;
  3° le § 2, 3°, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 12 mars 2003, est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " 3° au travailleur qui est victime d'un lock-out ou dont le chÎmage est la conséquence directe ou indirecte d'une grÚve ou d'un lock-out :
  a) un formulaire de contrÎle relatif au chÎmage temporaire;
  b) un " certificat de chÎmage temporaire " mentionnant les heures de chÎmage, aprÚs la fin du mois;
  c) pour le mois au cours duquel débute le chÎmage pour cause de grÚve ou de lock-out, un deuxiÚme exemplaire du " certificat de chÎmage temporaire ", mentionnant les données requises pour la demande d'allocations; ";
  4° le § 4, alinĂ©a 1er, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999, est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " § 4. Par dérogation au § 1er, 2°, et au § 2, 3°, l'employeur qui ressortit à la commission paritaire de la construction, doit remettre de sa propre initiative à ses ouvriers :
  1° avant le début de chaque mois, une carte de contrÎle nominative pour le chÎmage temporaire, mise à disposition par le Fonds de sécurité d'existence pour les travailleurs de la construction;
  2° un " certificat de chÎmage temporaire " à la fin de chaque mois pendant lequel l'exécution du contrat de travail a été effectivement suspendue comme visé au § 1er, 2° ou au § 2, 3°;
  3° dans les cas visés à l'article 133, § 1er, 4° et 5°, un deuxiÚme exemplaire du " certificat de chÎmage temporaire ", mentionnant les données requises pour la demande d'allocations; ";
  5° le § 4, alinĂ©a 7, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999, est abrogĂ©.
  1° le § 1er, 2°, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 12 mars 2003, est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " 2° au travailleur dont les prestations de travail sont temporairement réduites ou suspendues en application des articles 26, 28, 1°, 49, 50 ou 51 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ou en application de l'article 5 de la loi du 19 mars 1991 portant un régime de licenciement particulier pour les délégués du personnel aux conseils d'entreprise et aux comités de sécurité, d'hygiÚne et d'embellissement des lieux de travail, ainsi que pour les candidats délégués du personnel :
  a) un formulaire de contrÎle pour le chÎmage temporaire, au plus tard le premier jour de chÎmage effectif de chaque mois avant l'heure normale du début du travail;
  b) un " certificat de chÎmage temporaire " mentionnant les heures de chÎmage, aprÚs la fin du mois;
  c) dans les cas visés à l'article 133, § 1er, 4° et 5°, un deuxiÚme exemplaire du " certificat de chÎmage temporaire ", mentionnant les données requises pour la demande d'allocations; ";
  2° le § 1er, 7°, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 8 aoĂ»t 1997, est abrogĂ©;
  3° le § 2, 3°, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 12 mars 2003, est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " 3° au travailleur qui est victime d'un lock-out ou dont le chÎmage est la conséquence directe ou indirecte d'une grÚve ou d'un lock-out :
  a) un formulaire de contrÎle relatif au chÎmage temporaire;
  b) un " certificat de chÎmage temporaire " mentionnant les heures de chÎmage, aprÚs la fin du mois;
  c) pour le mois au cours duquel débute le chÎmage pour cause de grÚve ou de lock-out, un deuxiÚme exemplaire du " certificat de chÎmage temporaire ", mentionnant les données requises pour la demande d'allocations; ";
  4° le § 4, alinĂ©a 1er, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999, est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " § 4. Par dérogation au § 1er, 2°, et au § 2, 3°, l'employeur qui ressortit à la commission paritaire de la construction, doit remettre de sa propre initiative à ses ouvriers :
  1° avant le début de chaque mois, une carte de contrÎle nominative pour le chÎmage temporaire, mise à disposition par le Fonds de sécurité d'existence pour les travailleurs de la construction;
  2° un " certificat de chÎmage temporaire " à la fin de chaque mois pendant lequel l'exécution du contrat de travail a été effectivement suspendue comme visé au § 1er, 2° ou au § 2, 3°;
  3° dans les cas visés à l'article 133, § 1er, 4° et 5°, un deuxiÚme exemplaire du " certificat de chÎmage temporaire ", mentionnant les données requises pour la demande d'allocations; ";
  5° le § 4, alinĂ©a 7, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999, est abrogĂ©.
Art. 11. Artikel 138bis, eerste lid, 2°,van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 12 maart 2003, wordt vervangen als volgt :
  " 2° het " bewijs van tijdelijke werkloosheid " bedoeld in het artikel 137, § 1, 2°, b, § 2, 3°, b en § 4, eerste lid, 2°; ".
  " 2° het " bewijs van tijdelijke werkloosheid " bedoeld in het artikel 137, § 1, 2°, b, § 2, 3°, b en § 4, eerste lid, 2°; ".
Art. 11. L'article 138bis, alinĂ©a 1er, 2°, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 12 mars 2003, est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " 2° le " certificat de chÎmage temporaire " visé à l'article 137, § 1, 2°, b, § 2, 3°, b et § 4, alinéa 1er, 2°; ".
  " 2° le " certificat de chÎmage temporaire " visé à l'article 137, § 1, 2°, b, § 2, 3°, b et § 4, alinéa 1er, 2°; ".
Art. 12. Het opschrift van het koninklijk besluit van 9 januari 1995 tot vaststelling voor de handarbeiders en ermee gelijkgestelden die verzekeringsplichtig zijn ten opzichte van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid der mijnwerkers en ermee gelijkgestelden, van het fictief loon voor de inactiviteitsdagen die met werkelijke arbeidsdagen worden gelijkgesteld door de wetgeving betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers wordt door het volgende opschrift vervangen :
  " Koninklijk besluit tot vaststelling voor de handarbeiders en ermee gelijkgestelden die verzekeringsplichtig zijn ten opzichte van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid der mijnwerkers en ermee gelijkgestelden, van het fictief loon voor de inactiviteitsdagen die met normale werkelijke arbeidsdagen worden gelijkgesteld door de wetgeving betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers. "
  " Koninklijk besluit tot vaststelling voor de handarbeiders en ermee gelijkgestelden die verzekeringsplichtig zijn ten opzichte van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid der mijnwerkers en ermee gelijkgestelden, van het fictief loon voor de inactiviteitsdagen die met normale werkelijke arbeidsdagen worden gelijkgesteld door de wetgeving betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers. "
Art. 12. L'intitulĂ© de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 janvier 1995 fixant pour les travailleurs manuels et assimilĂ©s assujettis Ă la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs et pour les travailleurs assujettis Ă l'arrĂȘtĂ©-loi du 10 janvier 1945 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des ouvriers mineurs et assimilĂ©s, la rĂ©munĂ©ration fictive affĂ©rente aux journĂ©es d'inactivitĂ© assimilĂ©es Ă des journĂ©es de travail effectif par la lĂ©gislation relative aux vacances annuelles des travailleurs salariĂ©s est remplacĂ© par l'intitulĂ© suivant :
  " ArrĂȘtĂ© royal du 9 janvier 1995 fixant pour les travailleurs manuels et assimilĂ©s assujettis Ă la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs et pour les travailleurs assujettis Ă l'arrĂȘtĂ©-loi du 10 janvier 1945 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des ouvriers mineurs et assimilĂ©s, la rĂ©munĂ©ration fictive affĂ©rente aux journĂ©es d'inactivitĂ© assimilĂ©es Ă des journĂ©es de travail effectif normal par la lĂ©gislation relative aux vacances annuelles des travailleurs salariĂ©s. "
  " ArrĂȘtĂ© royal du 9 janvier 1995 fixant pour les travailleurs manuels et assimilĂ©s assujettis Ă la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs et pour les travailleurs assujettis Ă l'arrĂȘtĂ©-loi du 10 janvier 1945 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des ouvriers mineurs et assimilĂ©s, la rĂ©munĂ©ration fictive affĂ©rente aux journĂ©es d'inactivitĂ© assimilĂ©es Ă des journĂ©es de travail effectif normal par la lĂ©gislation relative aux vacances annuelles des travailleurs salariĂ©s. "
Art. 13. In artikel 1 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 september 1998, worden de woorden " werkelijke arbeidsdagen " vervangen door de woorden " normale werkelijke arbeidsdagen " en de woorden " gemiddeld dagloon " door de woorden " gemiddeld dagbedrag ";
  2° in het tweede lid, worden de woorden " werkelijke arbeidsdagen " vervangen door de woorden " normale werkelijke arbeidsdagen ".
  1° in het eerste lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 september 1998, worden de woorden " werkelijke arbeidsdagen " vervangen door de woorden " normale werkelijke arbeidsdagen " en de woorden " gemiddeld dagloon " door de woorden " gemiddeld dagbedrag ";
  2° in het tweede lid, worden de woorden " werkelijke arbeidsdagen " vervangen door de woorden " normale werkelijke arbeidsdagen ".
Art. 13. A l'article 1er du mĂȘme arrĂȘtĂ© sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° dans l'alinĂ©a 1er, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 23 septembre 1998, les mots " journĂ©es de travail effectif " sont remplacĂ©s par les mots " journĂ©es de travail effectif normal " et les mots " son salaire journalier moyen " par les mots " sa rĂ©munĂ©ration quotidienne moyenne ";
  2° dans l'alinéa 2, les mots " journées de travail effectif " sont remplacés par les mots " journées de travail effectif normal ".
  1° dans l'alinĂ©a 1er, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 23 septembre 1998, les mots " journĂ©es de travail effectif " sont remplacĂ©s par les mots " journĂ©es de travail effectif normal " et les mots " son salaire journalier moyen " par les mots " sa rĂ©munĂ©ration quotidienne moyenne ";
  2° dans l'alinéa 2, les mots " journées de travail effectif " sont remplacés par les mots " journées de travail effectif normal ".
Art. 14. Artikel 2 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  " Art. 2. Het gemiddeld dagbedrag is, in iedere tewerkstellingssituatie van een werknemer, gelijk aan het quotiënt van de deling met als deeltal 100/108 van het totaal der bezoldigingen die als basis gediend hebben voor de berekening van de bijdrage die voor de samenstelling van het vakantiegeld verschuldigd was en, met als deler het aantal bezoldigde dagen in toepassing van de wetgeving op de sociale zekerheid der werknemers. "
  " Art. 2. Het gemiddeld dagbedrag is, in iedere tewerkstellingssituatie van een werknemer, gelijk aan het quotiënt van de deling met als deeltal 100/108 van het totaal der bezoldigingen die als basis gediend hebben voor de berekening van de bijdrage die voor de samenstelling van het vakantiegeld verschuldigd was en, met als deler het aantal bezoldigde dagen in toepassing van de wetgeving op de sociale zekerheid der werknemers. "
Art. 14. L'article 2 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " Art. 2. La rémunération quotidienne moyenne, dans chaque situation d'occupation d'un travailleur, est égale au quotient de la division ayant, pour dividende, 100/108 du total des rémunérations qui ont servi de base au calcul de la cotisation due pour la constitution du pécule de vacances et pour diviseur, le nombre de journées rémunérées en application de la législation sur la sécurité sociale des travailleurs. "
  " Art. 2. La rémunération quotidienne moyenne, dans chaque situation d'occupation d'un travailleur, est égale au quotient de la division ayant, pour dividende, 100/108 du total des rémunérations qui ont servi de base au calcul de la cotisation due pour la constitution du pécule de vacances et pour diviseur, le nombre de journées rémunérées en application de la législation sur la sécurité sociale des travailleurs. "
Art. 15. In artikel 3 van hetzelfde besluit worden de woorden " gemiddeld dagloon " telkens vervangen door de woorden " gemiddeld dagbedrag ".
Art. 15. Dans l'article 3 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " le salaire journalier moyen " sont chaque fois remplacĂ©s par les mots " la rĂ©munĂ©ration quotidienne moyenne ".
Art. 16. In artikel 4 van hetzelfde besluit worden de woorden " effectief gewerkte dagen " vervangen door de woorden " normale werkelijke arbeidsdagen ".
Art. 16. Dans l'article 4 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " journĂ©es de travail effectif " sont remplacĂ©s par les mots " journĂ©es de travail effectif normal ".
Art. 17. In de Franse versie van artikel 4bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 16 december 2003, worden de woorden " Le salaire fictif journalier " vervangen door de woorden " La rémunération journaliÚre fictive ".
Art. 17. Dans la version française de l'article 4bis du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 16 dĂ©cembre 2003, les mots " Le salaire fictif journalier " sont remplacĂ©s par les mots " La rĂ©munĂ©ration journaliĂšre fictive ".
Art. 18. Artikel 14, 5° van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot het in overeenstemming brengen van sommige koninklijke besluiten inzake sociale zekerheid met het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, wordt opgeheven.
Art. 18. L'article 14, 5° de l'arrĂȘtĂ© royal du 10 juin 2001 relatif Ă l'harmonisation de certains arrĂȘtĂ©s royaux concernant la sĂ©curitĂ© sociale Ă l'arrĂȘtĂ© royal du 10 juin 2001 portant dĂ©finition uniforme de notions relatives au temps de travail Ă l'usage de la sĂ©curitĂ© sociale, en application de l'article 39 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sĂ©curitĂ© sociale et assurant la viabilitĂ© des rĂ©gimes lĂ©gaux des pensions, est abrogĂ©.
Art. 19. _ In de Nederlandse versie van artikel 2, 5°, van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van diverse koninklijke besluiten, worden de woorden " voor de eerste maal " ingevoegd tussen het woord " vakantierechten " en het woord " vanaf ".
Art. 19. Dans la version nĂ©erlandaise de l'article 2, 5°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 fixant la date d'entrĂ©e en vigueur de divers arrĂȘtĂ©s royaux, les mots " voor de eerste maal " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " vakantierechten " et " vanaf ".
Art. 20. Artikel 16 van het koninklijk besluit van 12 maart 2003 tot wijziging van sommige koninklijke besluiten in het kader van de eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, wordt opgeheven.
Art. 20. L'article 16 de l'arrĂȘtĂ© royal du 12 mars 2003 modifiant certains arrĂȘtĂ©s royaux dans le cadre de la dĂ©finition uniforme de notions relatives au temps de travail Ă l'usage de la sĂ©curitĂ© sociale, est abrogĂ©.
Art. 21. Artikel 32 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  " Art. 32. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2003, met uitzondering van artikel 16, dat in werking treedt op 1 oktober 2003. ".
  " Art. 32. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2003, met uitzondering van artikel 16, dat in werking treedt op 1 oktober 2003. ".
Art. 21. L'article 32 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " Art. 32. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© produit ses effets le 1er janvier 2003, Ă l'exception de l'article 16, qui entre en vigueur le 1er octobre 2003. ".
  " Art. 32. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© produit ses effets le 1er janvier 2003, Ă l'exception de l'article 16, qui entre en vigueur le 1er octobre 2003. ".
Art. 22. Artikel 6, eerste lid, van het koninklijk besluit van 12 maart 2003 tot vaststelling van de wijze en van de termijn van aangifte van een arbeidsongeval wordt vervangen als volgt :
  " Art. 6. In de gevallen waar het basisloon niet kan berekend worden op basis van de aangifte bedoeld in artikel 21 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, maakt de werkgever een omstandige opgave van de bruto bezoldigingen verdiend tijdens het jaar dat het ongeval voorafgaat, over aan de verzekeringsonderneming en dit binnen 10 werkdagen :a) na de ontvangst van het verzoek van de verzekeringsonderneming of van de getroffenen gericht aan de werkgever;
  b) na de ontvangst van het verzoek van de in artikel 87 van de wet bedoelde ambtenaren. "
  " Art. 6. In de gevallen waar het basisloon niet kan berekend worden op basis van de aangifte bedoeld in artikel 21 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, maakt de werkgever een omstandige opgave van de bruto bezoldigingen verdiend tijdens het jaar dat het ongeval voorafgaat, over aan de verzekeringsonderneming en dit binnen 10 werkdagen :a) na de ontvangst van het verzoek van de verzekeringsonderneming of van de getroffenen gericht aan de werkgever;
  b) na de ontvangst van het verzoek van de in artikel 87 van de wet bedoelde ambtenaren. "
Art. 22. L'article 6, alinĂ©a 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 12 mars 2003 Ă©tablissant le mode et le dĂ©lai de dĂ©claration d'accident du travail est remplacĂ© par l'alinĂ©a suivant :
  " Art. 6. Dans les cas oĂč le salaire de base ne peut ĂȘtre calculĂ© sur la base de la dĂ©claration visĂ©e Ă l'article 21 de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, l'employeur transmet Ă l'entreprise d'assurances un relevĂ© dĂ©taillĂ© des rĂ©munĂ©rations brutes gagnĂ©es durant l'annĂ©e qui prĂ©cĂšde l'accident, et ce dans les 10 jours ouvrables :
  a) aprÚs réception de la demande de l'entreprise d'assurances ou des victimes adressée à l'employeur;
  b) aprÚs réception de la demande des agents visés à l'article 87 de la loi. "
  " Art. 6. Dans les cas oĂč le salaire de base ne peut ĂȘtre calculĂ© sur la base de la dĂ©claration visĂ©e Ă l'article 21 de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, l'employeur transmet Ă l'entreprise d'assurances un relevĂ© dĂ©taillĂ© des rĂ©munĂ©rations brutes gagnĂ©es durant l'annĂ©e qui prĂ©cĂšde l'accident, et ce dans les 10 jours ouvrables :
  a) aprÚs réception de la demande de l'entreprise d'assurances ou des victimes adressée à l'employeur;
  b) aprÚs réception de la demande des agents visés à l'article 87 de la loi. "
Art. 23. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 januari 2003 tot aanvulling van artikel 19, § 1, b, van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie der loonarbeiders, wordt aangevuld met het volgende lid :
  " Dit besluit treedt buiten werking op 31 december 2002. "
  " Dit besluit treedt buiten werking op 31 december 2002. "
Art. 23. _ L'article 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 22 janvier 2003 complĂ©tant l'article 19, § 1er, b, de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 mars 1967 dĂ©terminant les modalitĂ©s gĂ©nĂ©rales d'exĂ©cution des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariĂ©s, est complĂ©tĂ© par l'alinĂ©a suivant :
  " Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© cessera d'ĂȘtre en vigueur le 31 dĂ©cembre 2002. ".
  " Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© cessera d'ĂȘtre en vigueur le 31 dĂ©cembre 2002. ".
Art. 24. Artikel 7 van het koninklijk besluit van 3 april 2003 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers wordt vervangen als volgt :
  " Art. 7. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2002 en treedt buiten werking op 31 december 2002. "
  " Art. 7. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2002 en treedt buiten werking op 31 december 2002. "
Art. 24. L'article 7 de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 avril 2003 modifiant l'arrĂȘtĂ© royal du 30 mars 1967 dĂ©terminant les modalitĂ©s gĂ©nĂ©rales d'exĂ©cution des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariĂ©s est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " Art. 7. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© produit ses effets Ă partir du 1er juillet 2002 et cessera d'ĂȘtre en vigueur le 31 dĂ©cembre 2002. "
  " Art. 7. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© produit ses effets Ă partir du 1er juillet 2002 et cessera d'ĂȘtre en vigueur le 31 dĂ©cembre 2002. "
Art. 25. De bepalingen van dit besluit hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2003, met uitzondering van :
  - de artikelen 1 tot en met 7 en 12 tot en met 16 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2003, en voor de eerste keer voor de berekening van de vakantierechten voor het jaar 2004 - vakantiejaar 2003;
  - de artikelen 9 tot en met 11 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2004;
  - artikel 17 dat uitwerking heeft met ingang van 1 juli 2003;
  - artikel 20 dat uitwerking heeft met ingang van 1 oktober 2003;
  - artikel 22 dat in werking treedt op 1 oktober 2004;
  - artikel 23 dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2002 :
  - artikel 24 dat uitwerking heeft met ingang van 1 juli 2002.
  - de artikelen 1 tot en met 7 en 12 tot en met 16 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2003, en voor de eerste keer voor de berekening van de vakantierechten voor het jaar 2004 - vakantiejaar 2003;
  - de artikelen 9 tot en met 11 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2004;
  - artikel 17 dat uitwerking heeft met ingang van 1 juli 2003;
  - artikel 20 dat uitwerking heeft met ingang van 1 oktober 2003;
  - artikel 22 dat in werking treedt op 1 oktober 2004;
  - artikel 23 dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2002 :
  - artikel 24 dat uitwerking heeft met ingang van 1 juli 2002.
Art. 25. Les dispositions du prĂ©sent arrĂȘte produisent leurs effets le 1er janvier 2003, Ă l'exception :
  - des articles 1er à 7 inclus et 12 à 16 inclus qui produisent leurs effets le 1er janvier 2003, et pour la premiÚre fois au calcul des droits de vacances de l'année 2004 - exercice de vacances 2003;
  - des articles 9 à 11 inclus qui produisent leurs effets le 1er janvier 2004;
  - de l'article 17 qui produit ses effets le 1er juillet 2003;
  - de l'article 20 qui produit ses effets le 1er octobre 2003;
  - de l'article 22 qui entre en vigueur le 1er octobre 2004;
  - de l'article 23 qui produit ses effets le 1er janvier 2002;
  - de l'article 24 qui produit ses effets le 1er juillet 2002.
  - des articles 1er à 7 inclus et 12 à 16 inclus qui produisent leurs effets le 1er janvier 2003, et pour la premiÚre fois au calcul des droits de vacances de l'année 2004 - exercice de vacances 2003;
  - des articles 9 à 11 inclus qui produisent leurs effets le 1er janvier 2004;
  - de l'article 17 qui produit ses effets le 1er juillet 2003;
  - de l'article 20 qui produit ses effets le 1er octobre 2003;
  - de l'article 22 qui entre en vigueur le 1er octobre 2004;
  - de l'article 23 qui produit ses effets le 1er janvier 2002;
  - de l'article 24 qui produit ses effets le 1er juillet 2002.
Art. 26. Onze Minister van Werk, Onze Minister van Sociale Zaken en Onze Staatssecretaris voor Arbeidsorganisatie en Welzijn op het Werk zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 22 juni 2004.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Werk,
  F. VANDENBROUCKE
  De Minister van Sociale Zaken,
  R. DEMOTTE
  De Staatssecretaris voor Arbeidsorganisatie en Welzijn op het Werk,
  K. VAN BREMPT.
  Gegeven te Brussel, 22 juni 2004.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Werk,
  F. VANDENBROUCKE
  De Minister van Sociale Zaken,
  R. DEMOTTE
  De Staatssecretaris voor Arbeidsorganisatie en Welzijn op het Werk,
  K. VAN BREMPT.
Art. 26. Notre Ministre de l'Emploi, Notre Ministre des Affaires sociales et Notre SecrĂ©taire d'Etat Ă l'Organisation du travail et au Bien-ĂȘtre au travail sont chargĂ©s, chacun en ce qui le concerne, de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Donné à Bruxelles, le 22 juin 2004.
  ALBERT
  Par le Roi :
  Le Ministre de l'Emploi,
  F. VANDENBROUCKE
  Le Ministre des Affaires sociales,
  R. DEMOTTE
  La SecrĂ©taire d'Etat Ă l'Organisation du travail et au Bien-ĂȘtre au travail,
  K. VAN BREMPT.
  Donné à Bruxelles, le 22 juin 2004.
  ALBERT
  Par le Roi :
  Le Ministre de l'Emploi,
  F. VANDENBROUCKE
  Le Ministre des Affaires sociales,
  R. DEMOTTE
  La SecrĂ©taire d'Etat Ă l'Organisation du travail et au Bien-ĂȘtre au travail,
  K. VAN BREMPT.