Artikel 1. Artikel 2, punt 2 van het ministerieel besluit van 31 augustus 1993, tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer van dieren, sperma, eicellen en embryo's, van soorten waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke reglementering is opgesteld, als bedoeld in bijlage III, A, van het koninklijk besluit van 31 december 1992 betreffende de veterinaire en zootechnische controles, die van toepassing zijn op het intracommunautaire handelsverkeer van sommige levende dieren en producten, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 2. Erkende Instelling, Instituut of Centrum :
- elke dierentuin, erkend overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 betreffende de erkenning van dierentuinen,
- elk laboratorium, elke toeleverende instelling en fokinstelling waar dieren worden gehouden en erkend overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 14 november 1993 betreffende de bescherming van proefdieren,
- elke permanente installatie geografisch begrensd en erkend door de Dienst overeenkomstig de bepalingen van artikel 15, § 2 van dit besluit en die deelneemt aan een, door de Dienst erkend kweekprogramma, instandhoudingsprogramma of enig ander verantwoord gebruik. ".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
4 FEBRUARI 2004. - Ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 31 augustus 1993 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer van dieren, sperma, eicellen en embryo's, van soorten waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke reglementering is opgesteld, als bedoeld in bijlage III, A, van het koninklijk besluit van 31 december 1992 betreffende de veterinaire en zoötechnische controles, die van toepassing zijn op het intracommunautaire handelsverkeer van sommige levende dieren en producten.
Titre
4 FEVRIER 2004. - Arrêté ministériel modifiant l'arrêté ministériel du 31 août 1993 définissant les conditions de police sanitaire régissant les échanges et les importations d'animaux, de sperme, d'ovules et d'embryons non soumis en ce qui concerne les conditions de police sanitaire aux réglementations communautaires spécifiques visées à l'annexe III, A, de l'arrêté royal du 31 décembre 1992 relatif aux contrôles vétérinaires et zootechniques applicables aux échanges intracommunautaires de certains animaux vivants et produits.
Documentinformatie
Info du document
Tekst (9)
Texte (9)
Article 1. L'article 2, point 2 de l'arrêté ministériel du 31 août 1993 définissant les conditions de police sanitaire régissant les échanges et les importations d'animaux, de sperme, d'ovules et d'embryons non soumis en ce qui concerne les conditions de police sanitaire aux réglementations communautaires spécifiques visées à l'annexe III, A, de l'arrêté royal du 31 décembre 1992 relatif aux contrôles vétérinaires et zootechniques applicables aux échanges intracommunautaires de certains animaux vivants et produits, est remplacé par la disposition suivante :
" 2. Organisme, Institut ou Centre agréés :
- tout parc zoologique agréé selon les dispositions de l'arrêté royal du 10 août 1998 relatif à l'agrément des parcs zoologiques,
- tout laboratoire, établissement fournisseur et établissement d'élevage détenant des animaux d'expérience et agréé selon l'arrêté royal du 14 novembre 1993 relatif à la protection des animaux d'expérience,
- toute installation permanente, géographiquement limitée, agréée par le Service conformément à l'article 15 § 2 du présent arrêté, et qui participe à un programme d'élevage, de conservation ou à toute autre utilisation judicieuse, reconnue par le Service. ".
" 2. Organisme, Institut ou Centre agréés :
- tout parc zoologique agréé selon les dispositions de l'arrêté royal du 10 août 1998 relatif à l'agrément des parcs zoologiques,
- tout laboratoire, établissement fournisseur et établissement d'élevage détenant des animaux d'expérience et agréé selon l'arrêté royal du 14 novembre 1993 relatif à la protection des animaux d'expérience,
- toute installation permanente, géographiquement limitée, agréée par le Service conformément à l'article 15 § 2 du présent arrêté, et qui participe à un programme d'élevage, de conservation ou à toute autre utilisation judicieuse, reconnue par le Service. ".
Art. 2. Bijlage II van hetzelfde besluit wordt vervangen door bijlage I van dit besluit.
Art. 2. L'annexe II du même arrêté est remplacée par l'annexe I du présent arrêté.
Art. 3. Bijlage IV van hetzelfde besluit wordt vervangen door bijlage II van dit besluit.
Art. 3. L'annexe IV du même arrêté est remplacée par l'annexe II du présent arrêté.
Art. 4. Bijlage VIII van hetzelfde besluit wordt vervangen door bijlage III van dit besluit.
Art. 4. L'annexe VIII du même arrêté est remplacée par l'annexe III du présent arrêté.
Art. 5. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Brussel, 4 februari 2004.
R. DEMOTTE
Brussel, 4 februari 2004.
R. DEMOTTE
Art. 5. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Bruxelles, le 4 février 2004.
R. DEMOTTE
Bruxelles, le 4 février 2004.
R. DEMOTTE
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage I.
" Bijlage II bij het ministerieel besluit van 31 augustus 1993 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer van dieren, sperma, eicellen en embryo's, van soorten waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke reglementering is opgesteld, als bedoeld in bijlage III, A, van het koninklijk besluit van 31 december 1992 betreffende de veterinaire en zootechnische controles, die van toepassing zijn op het intracommunautaire handelsverkeer van sommige levende dieren en producten.
Op basis van dit huidige besluit, verplicht aan te geven ziekten, zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 25 april 1988 en van het koninklijk besluit van 15 maart 1995 tot aanwijzing van de dierenziekten die vallen onder de toepassing van hoofdstuk III van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987.
" Bijlage II bij het ministerieel besluit van 31 augustus 1993 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer van dieren, sperma, eicellen en embryo's, van soorten waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke reglementering is opgesteld, als bedoeld in bijlage III, A, van het koninklijk besluit van 31 december 1992 betreffende de veterinaire en zootechnische controles, die van toepassing zijn op het intracommunautaire handelsverkeer van sommige levende dieren en producten.
Op basis van dit huidige besluit, verplicht aan te geven ziekten, zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 25 april 1988 en van het koninklijk besluit van 15 maart 1995 tot aanwijzing van de dierenziekten die vallen onder de toepassing van hoofdstuk III van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987.
Art. N1. Annexe I.
" Annexe II à l'arrêté ministériel du 31 août 1993 définissant les conditions de police sanitaire régissant les échanges et les importations d'animaux, de sperme, d'ovules et d'embryons non soumis en ce qui concerne les conditions de police sanitaire aux réglementations communautaires spécifiques visées à l'annexe III, A, de l'arrêté royal du 31 décembre 1992 relatif aux contrôles vétérinaires et zootechniques applicables aux échanges intracommunautaires de certains animaux vivants et produits.
Maladies à déclaration obligatoire dans le cadre du présent arrêté sans préjudice des dispositions de l'arrêté royal du 25 avril 1988 désignant les maladies des animaux à l'application du chapitre III de la loi du 24 mars 1987 relative à la santé animale.
" Annexe II à l'arrêté ministériel du 31 août 1993 définissant les conditions de police sanitaire régissant les échanges et les importations d'animaux, de sperme, d'ovules et d'embryons non soumis en ce qui concerne les conditions de police sanitaire aux réglementations communautaires spécifiques visées à l'annexe III, A, de l'arrêté royal du 31 décembre 1992 relatif aux contrôles vétérinaires et zootechniques applicables aux échanges intracommunautaires de certains animaux vivants et produits.
Maladies à déclaration obligatoire dans le cadre du présent arrêté sans préjudice des dispositions de l'arrêté royal du 25 avril 1988 désignant les maladies des animaux à l'application du chapitre III de la loi du 24 mars 1987 relative à la santé animale.
Ziekte Belangrijkste betrokken
orde/familie/soort
- -
Ziekte van Newcastle, Aviaire Vogels
influenza
Psittacose Papegaaiachtigen
Amerikaans vuilbroed Bijen
Brucellose (Brucella abortus ) Antilocapridae, Bovidae, Camelidae,
Cervidae, Giraffidae, Hippopotamidae
en Tragulidae
Brucellose (Brucella melitensis) Antilocapridae, Bovidae, Camelidae,
Cervidae, Giraffidae, Hippopotamidae
en Tragulidae
Brucellose (Brucella ovis) Camelidae, Tragulidae, Cervidae,
Giraffidae, Bovidae et
Antilocapridae
Brucellose (Brucella suis) Cervidae, Leporidae, Ovibos
moschatus, Suidae en Tayassuidae
Rundertuberculose (Mycobacterium Mammalia,met name Antilocapridae,
bovis) Bovidae,Camelidae,Cervidae,
Giraffidae en Tragulidae
Mond- en klauwzeer Artiodactyla en Elephas maximus
Klassieke varkenpest, Afrikaanse Suidae en Tayassuidae
varkenpest
Vesiculaire varkensziekte Suidae en Tayassuidae
Runderpest Artiodactyla
Bluetongue Antilocapridae, Bovidae, Cervidae,
Giraffidae en Rhinocerotidae
Besmettelijke bovine pleuropneumonie Runderen (met inbegrip van zeboes,
buffels, bizons en yaks)
Vesiculeuze stomatitis Artiodactyla en Equidae
" Peste des petits ruminants " Bovidae en Suidae
Nodulaire dermatose Bovidae en Giraffidae
Schapen- en geitenpokken Bovidae
Paardenpest Equidae
Riftdalkoorts Bovidae, Camelus species en
Rhinocerotidae
Besmettelijke varkensverlamming Suidae
Infectieuze hematopoietische necrose Salmonidae
TSE Bovidae, Cervidae, Felidae en
Mustelidae
Miltvuur Bovidae, Camelidae, Cervidae,
Elephantidae, Equidae en
Hippopotamidae
Rabies Carnivora en Chiroptera
Apenpokken Rodentia en niet-humane primaten
Ebola Niet-humane primaten
Kleine bijenkastkever (Aethina Apis en Bombus
tumida)
Apenpokken Rodentia en niet-humane primaten
Tropilaelapsmijt (Tropilaelaps spp.) Apis "
orde/familie/soort
- -
Ziekte van Newcastle, Aviaire Vogels
influenza
Psittacose Papegaaiachtigen
Amerikaans vuilbroed Bijen
Brucellose (Brucella abortus ) Antilocapridae, Bovidae, Camelidae,
Cervidae, Giraffidae, Hippopotamidae
en Tragulidae
Brucellose (Brucella melitensis) Antilocapridae, Bovidae, Camelidae,
Cervidae, Giraffidae, Hippopotamidae
en Tragulidae
Brucellose (Brucella ovis) Camelidae, Tragulidae, Cervidae,
Giraffidae, Bovidae et
Antilocapridae
Brucellose (Brucella suis) Cervidae, Leporidae, Ovibos
moschatus, Suidae en Tayassuidae
Rundertuberculose (Mycobacterium Mammalia,met name Antilocapridae,
bovis) Bovidae,Camelidae,Cervidae,
Giraffidae en Tragulidae
Mond- en klauwzeer Artiodactyla en Elephas maximus
Klassieke varkenpest, Afrikaanse Suidae en Tayassuidae
varkenpest
Vesiculaire varkensziekte Suidae en Tayassuidae
Runderpest Artiodactyla
Bluetongue Antilocapridae, Bovidae, Cervidae,
Giraffidae en Rhinocerotidae
Besmettelijke bovine pleuropneumonie Runderen (met inbegrip van zeboes,
buffels, bizons en yaks)
Vesiculeuze stomatitis Artiodactyla en Equidae
" Peste des petits ruminants " Bovidae en Suidae
Nodulaire dermatose Bovidae en Giraffidae
Schapen- en geitenpokken Bovidae
Paardenpest Equidae
Riftdalkoorts Bovidae, Camelus species en
Rhinocerotidae
Besmettelijke varkensverlamming Suidae
Infectieuze hematopoietische necrose Salmonidae
TSE Bovidae, Cervidae, Felidae en
Mustelidae
Miltvuur Bovidae, Camelidae, Cervidae,
Elephantidae, Equidae en
Hippopotamidae
Rabies Carnivora en Chiroptera
Apenpokken Rodentia en niet-humane primaten
Ebola Niet-humane primaten
Kleine bijenkastkever (Aethina Apis en Bombus
tumida)
Apenpokken Rodentia en niet-humane primaten
Tropilaelapsmijt (Tropilaelaps spp.) Apis "
Maladies Ordre/famille/espece principalement
concernee
- -
Maladie de Newcastle, influenza Oiseaux
aviaire
Psittacose Psittacides
Loque americaine Abeilles
Brucella abortus Antilocapridae, Bovidae, Camelidae,
Cervidae, Giraffidae, Hippopotamidae
et Tragulidae
Brucella melitensis Antilocapridae, Bovidae, Camelidae,
Cervidae, Giraffidae, Hoppopotamidae
et Tragulidae
Brucella ovis Camelidae, Tragulidae, Cervidae,
Giraffidae, Bovidae et
Antilocapridae
Brucella suis Cervidae, Leporidae, Ovibos
moschatus, Suidae et Tayassuidae
Tuberculose bovine (Mycobacterium Mammalia, en particulier
bovis) Antilocapridae, Bovidae, Camelidae,
Cervidae, Giraffidae et Tragulidae
Fievre aphteuse Artiodactyla et Elephas maximus
Peste porcine classique, peste Suidae et Tayassuidae
porcine africaine
Maladie vesiculeuse du porc Suidae et Tayassuidae
Peste bovine Artiodactyla
Fievre catarrhale du mouton Antilocapridae, Bovidae, Cervidae,
Giraffidae et Rhinocerotidae
Peripneumonie contagieuse bovine Bovins (y compris zebu, buffle, bison
et yak)
Stomatite vesiculeuse Artiodactyla et Equidae
Peste des petits ruminants Bovidae et Suidae
Dermatose nodulaire contagieuse Bovidae et Giraffidae
Clavelee et variole caprine Bovidae
Peste equine Equidae
Fievre de la Vallee du Rift Bovidae, espece Camelus et
Rhinocerotidae
Encephalomyelite infectieuse du porc Suidae
Necrose hematopoietique infectieuse Salmonidae
EST Bovidae, Cervidae, Felidae et
Mustelidae
Charbon bacteridien Bovidae, Camelidae, Cervidae,
Elephantidae, Equidae et
Hippopotamidae
Rage Carnivora et Chiroptera
Ebola Primates non humains
Variole du singe Rodentia et primates non humains
Petit coleoptere des ruches (Aethina Abeilles et bourdons
tumida)
Coleoptere Tropilaelaps Abeilles "
(Tropilaelaps spp.)
concernee
- -
Maladie de Newcastle, influenza Oiseaux
aviaire
Psittacose Psittacides
Loque americaine Abeilles
Brucella abortus Antilocapridae, Bovidae, Camelidae,
Cervidae, Giraffidae, Hippopotamidae
et Tragulidae
Brucella melitensis Antilocapridae, Bovidae, Camelidae,
Cervidae, Giraffidae, Hoppopotamidae
et Tragulidae
Brucella ovis Camelidae, Tragulidae, Cervidae,
Giraffidae, Bovidae et
Antilocapridae
Brucella suis Cervidae, Leporidae, Ovibos
moschatus, Suidae et Tayassuidae
Tuberculose bovine (Mycobacterium Mammalia, en particulier
bovis) Antilocapridae, Bovidae, Camelidae,
Cervidae, Giraffidae et Tragulidae
Fievre aphteuse Artiodactyla et Elephas maximus
Peste porcine classique, peste Suidae et Tayassuidae
porcine africaine
Maladie vesiculeuse du porc Suidae et Tayassuidae
Peste bovine Artiodactyla
Fievre catarrhale du mouton Antilocapridae, Bovidae, Cervidae,
Giraffidae et Rhinocerotidae
Peripneumonie contagieuse bovine Bovins (y compris zebu, buffle, bison
et yak)
Stomatite vesiculeuse Artiodactyla et Equidae
Peste des petits ruminants Bovidae et Suidae
Dermatose nodulaire contagieuse Bovidae et Giraffidae
Clavelee et variole caprine Bovidae
Peste equine Equidae
Fievre de la Vallee du Rift Bovidae, espece Camelus et
Rhinocerotidae
Encephalomyelite infectieuse du porc Suidae
Necrose hematopoietique infectieuse Salmonidae
EST Bovidae, Cervidae, Felidae et
Mustelidae
Charbon bacteridien Bovidae, Camelidae, Cervidae,
Elephantidae, Equidae et
Hippopotamidae
Rage Carnivora et Chiroptera
Ebola Primates non humains
Variole du singe Rodentia et primates non humains
Petit coleoptere des ruches (Aethina Abeilles et bourdons
tumida)
Coleoptere Tropilaelaps Abeilles "
(Tropilaelaps spp.)
Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 4 februari 2004.
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
R. DEMOTTE
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
R. DEMOTTE
Vu pour être annexé à l'arrêté ministériel du 4 février 2004.
Le Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique,
R. DEMOTTE
Le Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique,
R. DEMOTTE
Art. N2. Bijlage II.
" Bijlage IV bij het ministerieel besluit van 31 augustus 1993 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer van dieren, sperma, eicellen en embryo's, van soorten waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke reglementering is opgesteld, als bedoeld in bijlage III, A, van het koninklijk besluit van 31 december 1992 betreffende de veterinaire en zootechnische controles, die van toepassing zijn op het intracommunautaire handelsverkeer van sommige levende dieren en producten.
(Certificaten niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 12-03-2004, p. 13984-13987).
Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 4 februari 2004.
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
R. DEMOTTE
" Bijlage IV bij het ministerieel besluit van 31 augustus 1993 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer van dieren, sperma, eicellen en embryo's, van soorten waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke reglementering is opgesteld, als bedoeld in bijlage III, A, van het koninklijk besluit van 31 december 1992 betreffende de veterinaire en zootechnische controles, die van toepassing zijn op het intracommunautaire handelsverkeer van sommige levende dieren en producten.
(Certificaten niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 12-03-2004, p. 13984-13987).
Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 4 februari 2004.
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
R. DEMOTTE
Art. N2. Annexe II.
" Annexe IV à l'arrêté ministériel du 31 août 1993 définissant les conditions de police sanitaire régissant les échanges et les importations d'animaux, de sperme, d'ovules et d'embryons non soumis en ce qui concerne les conditions de police sanitaire aux réglementations communautaires spécifiques visées à l'annexe III, A, de l'arrêté royal du 31 décembre 1992 relatif aux contrôles vétérinaires et zootechniques applicables aux échanges intracommunautaires de certains animaux vivants et produits.
(Certificats non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 12-03-2004, p. 13991-13994).
Vu pour être annexé à l'arrêté ministériel du 4 février 2004.
Le Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique,
R. DEMOTTE
" Annexe IV à l'arrêté ministériel du 31 août 1993 définissant les conditions de police sanitaire régissant les échanges et les importations d'animaux, de sperme, d'ovules et d'embryons non soumis en ce qui concerne les conditions de police sanitaire aux réglementations communautaires spécifiques visées à l'annexe III, A, de l'arrêté royal du 31 décembre 1992 relatif aux contrôles vétérinaires et zootechniques applicables aux échanges intracommunautaires de certains animaux vivants et produits.
(Certificats non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 12-03-2004, p. 13991-13994).
Vu pour être annexé à l'arrêté ministériel du 4 février 2004.
Le Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique,
R. DEMOTTE
Art. N3. Bijlage III.
" Bijlage VIII bij het ministerieel besluit van 31 augustus 1993 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer van dieren, sperma, eicellen en embryo's, van soorten waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke reglementering is opgesteld, als bedoeld in bijlage III, A, van het koninklijk besluit van 31 december 1992 betreffende de veterinaire en zootechnische controles, die van toepassing zijn op het intracommunautaire handelsverkeer van sommige levende dieren en producten.
VOORWAARDEN VOOR DE ERKENNING VAN INSTELLINGEN, INSTITUTEN EN CENTRA
1. Om op grond van artikel 15, lid 2, 1° van dit besluit officieel te worden erkend, moet een instelling, instituut of centrum als omschreven in artikel 2, punt 2 :
a) Duidelijk afgebakend en van de omgeving gescheiden zijn of moeten de dieren opgesloten zitten of zo gehuisvest zijn dat er geen enkel risico is voor landbouwbedrijven waarvan de gezondheidsstatus in het gedrang zou kunnen komen;
b) beschikken over de nodige voorzieningen om dieren te vangen, op te sluiten en te isoleren, alsmede over quarantainevoorzieningen en erkende procedures voor dieren uit niet-erkende plaatsen van herkomst;
c) vrij zijn van de in bijlage II genoemde ziekten en van de in bijlage III genoemde ziekten van dit besluit. Teneinde een instelling, instituut of centrum ziektevrij te kunnen verklaren,dient de bevoegde autoriteit de met betrekking tot de dierengezondheidsstatus geregistreerde gegevens over ten minste de voorbije drie jaar en de resultaten van de klinische onderzoeken en de laboratoriumtests die zijn verricht bij de dieren in de instelling,het instituut of het centrum, te evalueren. In afwijking hiervan kunnen evenwel nieuwe inrichtingen worden erkend wanneer de dieren die er verblijven, komen uit erkende inrichtingen;
d) bijgewerkte gegevens registreren met betrekking tot :
(i) het aantal en de identiteit (leeftijd, geslacht, soort en individuele identificatie voorzover dat mogelijk is) van alle dieren in de inrichting, per soort;
(ii) het aantal en de identiteit van de dieren die in de inrichting worden binnengebracht of die de inrichting verlaten, samen met informatie over herkomst en bestemming, het vervoer van en naar de inrichting en de gezondheidsstatus van de dieren;
(iii) de resultaten van bloedtests of van andere diagnostische procedures;
(iv) ziektegevallen en, in voorkomend geval,de toegepaste behandeling;
(v) de resultaten van de postmortem keuringen die zijn verricht bij dieren die in de inrichting zijn gestorven, met inbegrip van doodgeboren dieren;
(vi) tijdens de isolatie- of quarantaineperiode gedane observaties;
e) een overeenkomst hebben met een bevoegd laboratorium voor het verrichten van de postmortem keuringen, dan wel beschikken over één of meer daarvoor geschikte gebouwen waar de postmortem keuringen kunnen worden uitgevoerd door een bevoegd persoon onder de verantwoordelijkheid van de erkende dierenarts;
f) de nodige afspraken hebben gemaakt of ter plaatse over de nodige voorzieningen beschikken voor het wegwerken van de karkassen van dieren die zijn gestorven als gevolg van een ziekte of die zijn geëuthanasieerd;
g) ervoor zorgen dat, op grond van een contract of een ander rechtsgeldig instrument, een beroep kan worden gedaan op de diensten van een dierenarts die is erkend door en wordt gecontroleerd door de bevoegde autoriteit en die :
(i) mutatis mutandis voldoet aan de eisen die zijn vastgesteld in artikel 14,lid 3,onder b), van Richtlijn 64/432/EEG;
(ii) er op toeziet dat adequate maatregelen inzake toezicht en controle op ziekten worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteit en worden toegepast in de instelling, het instituut of het centrum. Deze maatregelen omvatten :
- een jaarprogramma inzake ziektebewaking,in het kader waarvan de dieren onder meer op adequate wijze worden gecontroleerd op zoönosen,
- klinisch onderzoek,laboratoriumtests en postmortem keuringen bij dieren waarvan vermoed wordt dat ze met een overdraagbare ziekte zijn besmet
- indien nodig, vaccinatie van gevoelige dieren tegen besmettelijke ziekten, overeenkomstig de communautaire regelgeving;
(iii) er op toeziet dat elk verdacht overlijden of de aanwezigheid van enig ander symptoom waaruit zou kunnen blijken dat dieren met één of meer van de in de bijlagen II en III genoemde ziekten (*) zijn besmet,onverwijld bij de bevoegde autoriteit wordt gemeld;
( (*) Voor de ziekten in bijlage III bedoeld in het koninklijk besluit van 25 april 1988 tot aanwijzing van de dierenziekten die vallen onder de toepassing van hoofdstuk III van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987. )
(iv) er op toeziet dat alle binnengebrachte dieren indien nodig worden geïsoleerd overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn en de eventueel door de bevoegde autoriteit gegeven instructies;
(v) verantwoordelijk is voor de dagelijkse naleving van de veterinairrechtelijke voorschriften van dit besluit en van alle communautaire regelgeving inzake het welzijn van dieren tijdens vervoer en het wegwerken van dierlijke afvallen;
h) wanneer er proefdieren worden gehouden,voldoen aan het bepaalde in artikel 5 van het koninklijk besluit van 14 november 1993 betreffende de bescherming van de proefdieren.
2. De erkenning blijft behouden als aan de volgende eisen wordt voldaan :
a) de inrichting staat onder de controle van een officiële dierenarts van de bevoegde autoriteit, die :
(i) de instelling, het instituut of het centrum ten minste eens per jaar bezoekt;
(ii) een audit instelt naar de werkzaamheden van de erkende dierenarts en naar de toepassing van het jaarprogramma inzake ziektebewaking;
(iii) erop toeziet dat aan de bepalingen van dit besluit wordt voldaan;
b) de binnengebrachte dieren zijn afkomstig uit andere erkende instellingen, instituten of centra, overeenkomstig het bepaalde in dit besluit;
c) de officiële dierenarts ziet erop toe dat :
- aan het bepaalde in dit besluit is voldaan,
- uit de resultaten van het klinisch onderzoek, de postmortem keuring en de laboratoriumtests die bij de dieren zijn verricht, geen besmetting met één van de in de bijlagen II en III genoemde ziekten is gebleken (*);
( (*) Voor de ziekten in bijlage III bedoeld in het koninklijk besluit van 25 april 1988 tot aanwijzing van de dierenziekten die vallen onder de toepassing van hoofdstuk III van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987. )
d) de instelling, het instituut of het centrum bewaart de in punt 1, onder d), genoemde gegevens, na goedkeuring, gedurende ten minste tien jaar.
3. In afwijking van het bepaalde in artikel 7, lid 1,van dit besluit en punt 2, onder b), van deze bijlage, mogen dieren, met inbegrip van apen (simiae en prosimiae), die niet afkomstig zijn uit een erkende instelling,een erkend instituut of een erkend centrum,toch worden binnengebracht in een erkende instelling, een erkend instituut of een erkend centrum, op voorwaarde dat de dieren onder officiële controle en volgens de instructies van de bevoegde autoriteit in quarantaine worden geplaatst voordat zij aan het bestaande dierenbestand worden toegevoegd.
Met betrekking tot apen (simiae en prosimiae) moeten de in de Internationale Diergezondheidscode van het OIE (hoofdstuk 2.10.1 en aanhangsel 3.5.1) vastgestelde quarantainevoorschriften in acht worden genomen.
Voor andere dieren die in quarantaine worden geplaatst overeenkomstig het bepaalde in dit punt, bedraagt de quarantaineperiode ten minste 30 dagen voor de in bijlage II (*) genoemde ziekten.
( (*) Voor de ziekten in bijlage III bedoeld in het koninklijk besluit van 25 april 1988 tot aanwijzing van de dierenziekten die vallen onder de toepassing van hoofdstuk III van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987. )
4. Dieren die in een erkende instelling, een erkend instituut of een erkend centrum worden gehouden, mogen die inrichting slechts verlaten indien zij bestemd zijn voor een erkende instelling,een erkend instituut of een erkend centrum in die lidstaat of in een andere lidstaat; indien zij niet bestemd zijn voor een erkende instelling, een erkend instituut of een erkend centrum, mogen zij die inrichting slechts verlaten met inachtneming van de voorschriften van de bevoegde autoriteit, teneinde elk risico voor mogelijke verspreiding van een ziekte te vermijden.
5. Voor het geheel of gedeeltelijk schorsen, het intrekken of het opnieuw verlenen van de erkenning gelden de volgende procedures :
a) wanneer de bevoegde autoriteit van oordeel is dat niet aan het bepaalde in punt 2 is voldaan of dat het gebruiksdoel is gewijzigd waardoor het niet langer onder toepassing valt van artikel 2 van dit besluit,wordt de erkenning geschorst of ingetrokken;
b) wanneer aangifte wordt gedaan van een vermoedelijke besmetting met een van de in de bijlagen II en III genoemde ziekten (*), schorst de bevoegde autoriteit de erkenning van de instelling, het instituut of het centrum totdat het vermoeden officieel is weerlegd. Naar gelang van de betrokken ziekte en het risico voor verspreiding ervan, kan de schorsing betrekking hebben op de inrichting als geheel, dan wel op bepaalde categorieën dieren die gevoelig zijn voor de betrokken ziekte. De bevoegde autoriteit ziet erop toe dat de nodige maatregelen worden getroffen om het vermoeden te bevestigen of te weerleggen en om verspreiding van de ziekte tegen te gaan, overeenkomstig de communautaire regelgeving inzake maatregelen die moeten worden genomen tegen de betrokken ziekte en inzake het handelsverkeer van dieren;
( (*) Voor de ziekten in bijlage III bedoeld in het koninklijk besluit van 25 april 1988 tot aanwijzing van de dierenziekten die vallen onder de toepassing van hoofdstuk III van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987. )
c) wanneer het vermoeden wordt bevestigd, kan de instelling, het instituut of het centrum pas opnieuw worden erkend zodra, nadat de ziekte en de besmettingsbron zijn uitgeroeid en de nodige reinigings- en ontsmettingswerkzaamheden zijn verricht, weer wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in punt 1 van deze bijlage, met uitzondering van het bepaalde onder c) ;
d) de bevoegde autoriteit stelt de Commissie in kennis van de schorsing,de intrekking of het opnieuw verlenen van de erkenning van een instelling,een instituut of een centrum. "
Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 4 maart 2004.
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
R. DEMOTTE.
" Bijlage VIII bij het ministerieel besluit van 31 augustus 1993 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer van dieren, sperma, eicellen en embryo's, van soorten waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke reglementering is opgesteld, als bedoeld in bijlage III, A, van het koninklijk besluit van 31 december 1992 betreffende de veterinaire en zootechnische controles, die van toepassing zijn op het intracommunautaire handelsverkeer van sommige levende dieren en producten.
VOORWAARDEN VOOR DE ERKENNING VAN INSTELLINGEN, INSTITUTEN EN CENTRA
1. Om op grond van artikel 15, lid 2, 1° van dit besluit officieel te worden erkend, moet een instelling, instituut of centrum als omschreven in artikel 2, punt 2 :
a) Duidelijk afgebakend en van de omgeving gescheiden zijn of moeten de dieren opgesloten zitten of zo gehuisvest zijn dat er geen enkel risico is voor landbouwbedrijven waarvan de gezondheidsstatus in het gedrang zou kunnen komen;
b) beschikken over de nodige voorzieningen om dieren te vangen, op te sluiten en te isoleren, alsmede over quarantainevoorzieningen en erkende procedures voor dieren uit niet-erkende plaatsen van herkomst;
c) vrij zijn van de in bijlage II genoemde ziekten en van de in bijlage III genoemde ziekten van dit besluit. Teneinde een instelling, instituut of centrum ziektevrij te kunnen verklaren,dient de bevoegde autoriteit de met betrekking tot de dierengezondheidsstatus geregistreerde gegevens over ten minste de voorbije drie jaar en de resultaten van de klinische onderzoeken en de laboratoriumtests die zijn verricht bij de dieren in de instelling,het instituut of het centrum, te evalueren. In afwijking hiervan kunnen evenwel nieuwe inrichtingen worden erkend wanneer de dieren die er verblijven, komen uit erkende inrichtingen;
d) bijgewerkte gegevens registreren met betrekking tot :
(i) het aantal en de identiteit (leeftijd, geslacht, soort en individuele identificatie voorzover dat mogelijk is) van alle dieren in de inrichting, per soort;
(ii) het aantal en de identiteit van de dieren die in de inrichting worden binnengebracht of die de inrichting verlaten, samen met informatie over herkomst en bestemming, het vervoer van en naar de inrichting en de gezondheidsstatus van de dieren;
(iii) de resultaten van bloedtests of van andere diagnostische procedures;
(iv) ziektegevallen en, in voorkomend geval,de toegepaste behandeling;
(v) de resultaten van de postmortem keuringen die zijn verricht bij dieren die in de inrichting zijn gestorven, met inbegrip van doodgeboren dieren;
(vi) tijdens de isolatie- of quarantaineperiode gedane observaties;
e) een overeenkomst hebben met een bevoegd laboratorium voor het verrichten van de postmortem keuringen, dan wel beschikken over één of meer daarvoor geschikte gebouwen waar de postmortem keuringen kunnen worden uitgevoerd door een bevoegd persoon onder de verantwoordelijkheid van de erkende dierenarts;
f) de nodige afspraken hebben gemaakt of ter plaatse over de nodige voorzieningen beschikken voor het wegwerken van de karkassen van dieren die zijn gestorven als gevolg van een ziekte of die zijn geëuthanasieerd;
g) ervoor zorgen dat, op grond van een contract of een ander rechtsgeldig instrument, een beroep kan worden gedaan op de diensten van een dierenarts die is erkend door en wordt gecontroleerd door de bevoegde autoriteit en die :
(i) mutatis mutandis voldoet aan de eisen die zijn vastgesteld in artikel 14,lid 3,onder b), van Richtlijn 64/432/EEG;
(ii) er op toeziet dat adequate maatregelen inzake toezicht en controle op ziekten worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteit en worden toegepast in de instelling, het instituut of het centrum. Deze maatregelen omvatten :
- een jaarprogramma inzake ziektebewaking,in het kader waarvan de dieren onder meer op adequate wijze worden gecontroleerd op zoönosen,
- klinisch onderzoek,laboratoriumtests en postmortem keuringen bij dieren waarvan vermoed wordt dat ze met een overdraagbare ziekte zijn besmet
- indien nodig, vaccinatie van gevoelige dieren tegen besmettelijke ziekten, overeenkomstig de communautaire regelgeving;
(iii) er op toeziet dat elk verdacht overlijden of de aanwezigheid van enig ander symptoom waaruit zou kunnen blijken dat dieren met één of meer van de in de bijlagen II en III genoemde ziekten (*) zijn besmet,onverwijld bij de bevoegde autoriteit wordt gemeld;
( (*) Voor de ziekten in bijlage III bedoeld in het koninklijk besluit van 25 april 1988 tot aanwijzing van de dierenziekten die vallen onder de toepassing van hoofdstuk III van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987. )
(iv) er op toeziet dat alle binnengebrachte dieren indien nodig worden geïsoleerd overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn en de eventueel door de bevoegde autoriteit gegeven instructies;
(v) verantwoordelijk is voor de dagelijkse naleving van de veterinairrechtelijke voorschriften van dit besluit en van alle communautaire regelgeving inzake het welzijn van dieren tijdens vervoer en het wegwerken van dierlijke afvallen;
h) wanneer er proefdieren worden gehouden,voldoen aan het bepaalde in artikel 5 van het koninklijk besluit van 14 november 1993 betreffende de bescherming van de proefdieren.
2. De erkenning blijft behouden als aan de volgende eisen wordt voldaan :
a) de inrichting staat onder de controle van een officiële dierenarts van de bevoegde autoriteit, die :
(i) de instelling, het instituut of het centrum ten minste eens per jaar bezoekt;
(ii) een audit instelt naar de werkzaamheden van de erkende dierenarts en naar de toepassing van het jaarprogramma inzake ziektebewaking;
(iii) erop toeziet dat aan de bepalingen van dit besluit wordt voldaan;
b) de binnengebrachte dieren zijn afkomstig uit andere erkende instellingen, instituten of centra, overeenkomstig het bepaalde in dit besluit;
c) de officiële dierenarts ziet erop toe dat :
- aan het bepaalde in dit besluit is voldaan,
- uit de resultaten van het klinisch onderzoek, de postmortem keuring en de laboratoriumtests die bij de dieren zijn verricht, geen besmetting met één van de in de bijlagen II en III genoemde ziekten is gebleken (*);
( (*) Voor de ziekten in bijlage III bedoeld in het koninklijk besluit van 25 april 1988 tot aanwijzing van de dierenziekten die vallen onder de toepassing van hoofdstuk III van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987. )
d) de instelling, het instituut of het centrum bewaart de in punt 1, onder d), genoemde gegevens, na goedkeuring, gedurende ten minste tien jaar.
3. In afwijking van het bepaalde in artikel 7, lid 1,van dit besluit en punt 2, onder b), van deze bijlage, mogen dieren, met inbegrip van apen (simiae en prosimiae), die niet afkomstig zijn uit een erkende instelling,een erkend instituut of een erkend centrum,toch worden binnengebracht in een erkende instelling, een erkend instituut of een erkend centrum, op voorwaarde dat de dieren onder officiële controle en volgens de instructies van de bevoegde autoriteit in quarantaine worden geplaatst voordat zij aan het bestaande dierenbestand worden toegevoegd.
Met betrekking tot apen (simiae en prosimiae) moeten de in de Internationale Diergezondheidscode van het OIE (hoofdstuk 2.10.1 en aanhangsel 3.5.1) vastgestelde quarantainevoorschriften in acht worden genomen.
Voor andere dieren die in quarantaine worden geplaatst overeenkomstig het bepaalde in dit punt, bedraagt de quarantaineperiode ten minste 30 dagen voor de in bijlage II (*) genoemde ziekten.
( (*) Voor de ziekten in bijlage III bedoeld in het koninklijk besluit van 25 april 1988 tot aanwijzing van de dierenziekten die vallen onder de toepassing van hoofdstuk III van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987. )
4. Dieren die in een erkende instelling, een erkend instituut of een erkend centrum worden gehouden, mogen die inrichting slechts verlaten indien zij bestemd zijn voor een erkende instelling,een erkend instituut of een erkend centrum in die lidstaat of in een andere lidstaat; indien zij niet bestemd zijn voor een erkende instelling, een erkend instituut of een erkend centrum, mogen zij die inrichting slechts verlaten met inachtneming van de voorschriften van de bevoegde autoriteit, teneinde elk risico voor mogelijke verspreiding van een ziekte te vermijden.
5. Voor het geheel of gedeeltelijk schorsen, het intrekken of het opnieuw verlenen van de erkenning gelden de volgende procedures :
a) wanneer de bevoegde autoriteit van oordeel is dat niet aan het bepaalde in punt 2 is voldaan of dat het gebruiksdoel is gewijzigd waardoor het niet langer onder toepassing valt van artikel 2 van dit besluit,wordt de erkenning geschorst of ingetrokken;
b) wanneer aangifte wordt gedaan van een vermoedelijke besmetting met een van de in de bijlagen II en III genoemde ziekten (*), schorst de bevoegde autoriteit de erkenning van de instelling, het instituut of het centrum totdat het vermoeden officieel is weerlegd. Naar gelang van de betrokken ziekte en het risico voor verspreiding ervan, kan de schorsing betrekking hebben op de inrichting als geheel, dan wel op bepaalde categorieën dieren die gevoelig zijn voor de betrokken ziekte. De bevoegde autoriteit ziet erop toe dat de nodige maatregelen worden getroffen om het vermoeden te bevestigen of te weerleggen en om verspreiding van de ziekte tegen te gaan, overeenkomstig de communautaire regelgeving inzake maatregelen die moeten worden genomen tegen de betrokken ziekte en inzake het handelsverkeer van dieren;
( (*) Voor de ziekten in bijlage III bedoeld in het koninklijk besluit van 25 april 1988 tot aanwijzing van de dierenziekten die vallen onder de toepassing van hoofdstuk III van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987. )
c) wanneer het vermoeden wordt bevestigd, kan de instelling, het instituut of het centrum pas opnieuw worden erkend zodra, nadat de ziekte en de besmettingsbron zijn uitgeroeid en de nodige reinigings- en ontsmettingswerkzaamheden zijn verricht, weer wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in punt 1 van deze bijlage, met uitzondering van het bepaalde onder c) ;
d) de bevoegde autoriteit stelt de Commissie in kennis van de schorsing,de intrekking of het opnieuw verlenen van de erkenning van een instelling,een instituut of een centrum. "
Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 4 maart 2004.
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
R. DEMOTTE.
Art. N3. Annexe III.
" Annexe VIII à l'arrêté ministériel du 31 août 1993 définissant les conditions de police sanitaire régissant les échanges et les importations d'animaux, de sperme, d'ovules et d'embryons non soumis en ce qui concerne les conditions de police sanitaire aux réglementations communautaires spécifiques visées à l'annexe III, A, de l'arrêté royal du 31 décembre 1992 relatif aux contrôles vétérinaires et zootechniques applicables aux échanges intracommunautaires de certains animaux vivants et produits.
CONDITIONS D'AGREMENT DES ORGANISMES,INSTITUTS OU CENTRES
1. Afin d'être officiellement agréé au titre de l'article 15, paragraphe 2, 1° du présent arrêté, un organisme, un institut ou un centre, au sens de l'article 2, paragraphe 2, point 2, doit :
a) être nettement délimité et séparé de son environnement, ou les animaux qu'il détient doivent être enfermés ou installés de manière à ne présenter aucun risque sanitaire pour les exploitations agricoles dont le statut sanitaire pourrait être menacé;
b) disposer de moyens adéquats pour capturer, enfermer et isoler les animaux; posséder des installations de quarantaine appropriées et suivre des procédures agréées pour les animaux provenant de sources non agréées;
c) être indemne des maladies énumérées à l'annexe II et des maladies énumérées à l'annexe III du présent arrêté. Afin qu'un organisme, un institut ou un centre puisse être déclaré indemne de ces maladies, l'autorité compétente évalue les registres concernant l'état de santé des animaux, conservés pendant les trois dernières années au moins, et les résultats des examens cliniques et de laboratoire effectués sur les animaux dans l'organisme, l'institut ou le centre. Toutefois, par dérogation à cette exigence, de nouveaux établissements sont agréés si les animaux qui y sont détenus proviennent d'établissements agréés;
d) tenir à jour des registres indiquant :
(i) le nombre et l'identité (âge, sexe, espèce et identification individuelle, si possible) des animaux de chaque espèce présente dans l'établissement;
(ii) le nombre d'animaux arrivés dans l'établissement ou ayant quitté celui-ci et leur identité (âge, sexe, espèce et identification individuelle, si possible), avec indication de leur origine ou de leur destination, ainsi que des données relatives au transport en provenance de l'établissement ou vers celui-ci et à l'état de santé des animaux;
(iii) les résultats des examens sanguins ou de toute autre procédure diagnostique;
(iv) les cas de maladie et, le cas échéant, les traitements administrés;
(v) les résultats des examens post mortem de tous les animaux morts dans l'établissement, y compris des animaux mort-nés;
(vi) les constatations faites pendant toute période d'isolement ou de quarantaine;
e) soit avoir chargé un laboratoire compétent d'effectuer des examens post mortem, soit disposer d'un ou plusieurs locaux où ces examens peuvent être effectués par une personne compétente sous l'autorité du vétérinaire agréé;
f) soit disposer d'un système adapté ou d'installations sur place permettant une élimination appropriée des animaux morts à la suite d'une maladie ou euthanasiés;
g) s'assurer, par contrat ou instrument juridique, les services d'un vétérinaire agréé par l'autorité compétente et soumis à son contrôle, qui :
(i) respecte mutatis mutandis les conditions visées à l'article 14, paragraphe 3, point b), de la directive 64/432/CEE;
(ii) veille à ce que des mesures appropriées de surveillance et de lutte contre la maladie, adaptées à la situation épidémiologique du pays concerné, soient agréées par l'autorité compétente et appliquées par l'organisme, l'institut ou le centre. Ces mesures incluent :
- un plan de surveillance annuel des maladies, y compris la lutte contre les zoonoses,
- des tests cliniques, de laboratoire et post mortem des animaux suspectés d'être affectés par des maladies transmissibles,
- la vaccination des animaux sensibles contre les maladies infectieuses, le cas échéant, uniquement en conformité avec la législation communautaire;
(iii) veille à ce que toute mort suspecte ou la présence de tout symptôme laissant supposer que les animaux ont contracté une ou plusieurs des maladies visées aux annexes II et III du présent arrêté soit déclarée immédiatement à l'autorité compétente (*);
( (*) Pour les maladies de l'annexe III visées par l'arrêté royal du 25 avril 1988 désignant les maladies des animaux soumises à l'application du chapitre III de la loi du 24 mars 1987 relative à la santé des animaux. )
(iv) veille à ce que les animaux entrants aient été isolés s'il y a lieu, conformément aux exigences du présent arrêté et, le cas échéant, conformément aux instructions de l'autorité compétente;
(v) est responsable du respect quotidien des exigences de police sanitaire du présent arrêté, et de la législation communautaire relative au bien-être des animaux au cours du transport et à l'élimination des déchets animaux;
h) s'il détient des animaux destinés à des expériences de laboratoire, conformément aux dispositions de l'article 5 de l'arrêté royal du 14 novembre 1993 relatif à la protection des animaux d'expérience.
2. L'agrément est maintenu si les exigences suivantes sont satisfaites :
a) les locaux sont placés sous le contrôle d'un vétérinaire officiel agréé, qui
(i) visite les locaux de l'organisme, de l'institut ou du centre au moins une fois par an;
(ii) contrôle l'activité du vétérinaire agréé et la mise en oeuvre du plan de surveillance annuel des maladies;
(iii) veille au respect des dispositions du présent arrêté;
b) seuls des animaux provenant d'autres organismes, instituts ou centres agréés, sont introduits dans l'établissement, conformément aux dispositions du présent arrêté;
c) le vétérinaire officiel vérifie que :
- les dispositions du présent arrêté sont respectées,
- les résultats des tests cliniques, post mortem et de laboratoire sur les animaux n'ont révélé aucun indice des maladies visées aux annexes II et III (*),
( (*) Pour les maladies de l'annexe III visées par l'arrêté royal du 25 avril 1988 désignant les maladies des animaux soumises à l'application du chapitre III de la loi du 24 mars 1987 relative à la santé des animaux. )
d) l'organisme, l'institut ou le centre conserve les registres visés au point 1 d) après l'agrément, pendant une période d'au moins dix ans.
3. Toutefois, par dérogation à l'article 7, paragraphe 1, du présent arrêté, et au point 2 b) de la présente annexe, les animaux, y compris les singes (Simiae et Prosimiae ), ne provenant pas d'un organisme, d'un institut ou d'un centre agréé peuvent être introduits dans un organisme, un institut ou un centre agréé, à condition d'être préalablement soumis à une quarantaine sous contrôle officiel, et conformément aux instructions données par l'autorité compétente.
En ce qui concerne les singes (Simiae et Prosimiae), les exigences de quarantaine fixées dans le code zoosanitaire international de l'OIE (chapitre 2.10.1 et annexe 3.5.1.) sont respectées.
Pour les autres animaux soumis à une quarantaine en application du point 2 b) de la présente annexe, la période de quarantaine doit être de trente jours au moins pour les maladies énumérées à l'annexe II (*).
( (*) Pour les maladies de l'annexe III visées par l'arrêté royal du 25 avril 1988 désignant les maladies des animaux soumises à l'application du chapitre III de la loi du 24 mars 1987 relative à la santé des animaux. )
4. Les animaux détenus dans un organisme, un institut ou un centre agréé ne peuvent quitter ces établissements que pour se rendre dans un organisme, un institut ou un centre agréé situé dans le même ou dans un autre Etat membre; cependant, si les animaux n'ont pas pour destination un organisme, un institut ou un centre agréé, ils ne peuvent quitter ces établissements que s'ils respectent les exigences établies par l'autorité compétente afin d'éviter tout risque de propagation éventuelle de la maladie.
5. L'agrément est suspendu, retiré ou rétabli, en partie ou en totalité, dans les cas suivants :
a) lorsque l'autorité compétente estime que les exigences visées au point 2 ne sont pas respectées ou lorsqu'il s'agit d'un usage différent, non couvert par l'article 2 du présent arrêté, l'agrément est suspendu ou retiré;
b) en cas de notification de soupçons quant à la présence d'une des maladies visées à l'annexe II ou à l'annexe III (*), l'autorité compétente suspend l'agrément de l'organisme, de l'institut ou du centre, jusqu'à ce que la suspicion ait été officiellement écartée. En fonction de la maladie suspectée et de son risque de transmission, la suspension peut s'appliquer à l'ensemble de l'établissement ou uniquement à certaines catégories d'animaux sensibles à la maladie en question. L'autorité compétente veille à ce que les mesures nécessaires pour confirmer ou écarter la suspicion, et pour éviter toute propagation de la maladie soient prises conformément à la législation communautaire relative aux mesures de lutte contre la maladie en question et aux échanges d'animaux;
( (*) Pour les maladies de l'annexe III visées par l'arrêté royal du 25 avril 1988 désignant les maladies des animaux soumises à l'application du chapitre III de la loi du 24 mars 1987 relative à la santé des animaux. )
c) lorsque la maladie suspectée est confirmée, l'organisme, l'institut ou le centre ne récupère son agrément que si, après l'éradication de la maladie et des foyers d'infection dans les installations, y compris une désinfection et un nettoyage adéquats, les conditions prévues au point 1 de la présente annexe, à l'exception de celles énoncées au point 1, c), sont à nouveau remplies;
d) l'autorité compétente informe la Commission de la suspension, du retrait ou du rétablissement de l'agrément d'un organisme, d'un institut ou d'un centre. "
Vu pour être annexé à l'arrêté ministériel du 4 février 2004.
Le Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique,
R. DEMOTTE.
" Annexe VIII à l'arrêté ministériel du 31 août 1993 définissant les conditions de police sanitaire régissant les échanges et les importations d'animaux, de sperme, d'ovules et d'embryons non soumis en ce qui concerne les conditions de police sanitaire aux réglementations communautaires spécifiques visées à l'annexe III, A, de l'arrêté royal du 31 décembre 1992 relatif aux contrôles vétérinaires et zootechniques applicables aux échanges intracommunautaires de certains animaux vivants et produits.
CONDITIONS D'AGREMENT DES ORGANISMES,INSTITUTS OU CENTRES
1. Afin d'être officiellement agréé au titre de l'article 15, paragraphe 2, 1° du présent arrêté, un organisme, un institut ou un centre, au sens de l'article 2, paragraphe 2, point 2, doit :
a) être nettement délimité et séparé de son environnement, ou les animaux qu'il détient doivent être enfermés ou installés de manière à ne présenter aucun risque sanitaire pour les exploitations agricoles dont le statut sanitaire pourrait être menacé;
b) disposer de moyens adéquats pour capturer, enfermer et isoler les animaux; posséder des installations de quarantaine appropriées et suivre des procédures agréées pour les animaux provenant de sources non agréées;
c) être indemne des maladies énumérées à l'annexe II et des maladies énumérées à l'annexe III du présent arrêté. Afin qu'un organisme, un institut ou un centre puisse être déclaré indemne de ces maladies, l'autorité compétente évalue les registres concernant l'état de santé des animaux, conservés pendant les trois dernières années au moins, et les résultats des examens cliniques et de laboratoire effectués sur les animaux dans l'organisme, l'institut ou le centre. Toutefois, par dérogation à cette exigence, de nouveaux établissements sont agréés si les animaux qui y sont détenus proviennent d'établissements agréés;
d) tenir à jour des registres indiquant :
(i) le nombre et l'identité (âge, sexe, espèce et identification individuelle, si possible) des animaux de chaque espèce présente dans l'établissement;
(ii) le nombre d'animaux arrivés dans l'établissement ou ayant quitté celui-ci et leur identité (âge, sexe, espèce et identification individuelle, si possible), avec indication de leur origine ou de leur destination, ainsi que des données relatives au transport en provenance de l'établissement ou vers celui-ci et à l'état de santé des animaux;
(iii) les résultats des examens sanguins ou de toute autre procédure diagnostique;
(iv) les cas de maladie et, le cas échéant, les traitements administrés;
(v) les résultats des examens post mortem de tous les animaux morts dans l'établissement, y compris des animaux mort-nés;
(vi) les constatations faites pendant toute période d'isolement ou de quarantaine;
e) soit avoir chargé un laboratoire compétent d'effectuer des examens post mortem, soit disposer d'un ou plusieurs locaux où ces examens peuvent être effectués par une personne compétente sous l'autorité du vétérinaire agréé;
f) soit disposer d'un système adapté ou d'installations sur place permettant une élimination appropriée des animaux morts à la suite d'une maladie ou euthanasiés;
g) s'assurer, par contrat ou instrument juridique, les services d'un vétérinaire agréé par l'autorité compétente et soumis à son contrôle, qui :
(i) respecte mutatis mutandis les conditions visées à l'article 14, paragraphe 3, point b), de la directive 64/432/CEE;
(ii) veille à ce que des mesures appropriées de surveillance et de lutte contre la maladie, adaptées à la situation épidémiologique du pays concerné, soient agréées par l'autorité compétente et appliquées par l'organisme, l'institut ou le centre. Ces mesures incluent :
- un plan de surveillance annuel des maladies, y compris la lutte contre les zoonoses,
- des tests cliniques, de laboratoire et post mortem des animaux suspectés d'être affectés par des maladies transmissibles,
- la vaccination des animaux sensibles contre les maladies infectieuses, le cas échéant, uniquement en conformité avec la législation communautaire;
(iii) veille à ce que toute mort suspecte ou la présence de tout symptôme laissant supposer que les animaux ont contracté une ou plusieurs des maladies visées aux annexes II et III du présent arrêté soit déclarée immédiatement à l'autorité compétente (*);
( (*) Pour les maladies de l'annexe III visées par l'arrêté royal du 25 avril 1988 désignant les maladies des animaux soumises à l'application du chapitre III de la loi du 24 mars 1987 relative à la santé des animaux. )
(iv) veille à ce que les animaux entrants aient été isolés s'il y a lieu, conformément aux exigences du présent arrêté et, le cas échéant, conformément aux instructions de l'autorité compétente;
(v) est responsable du respect quotidien des exigences de police sanitaire du présent arrêté, et de la législation communautaire relative au bien-être des animaux au cours du transport et à l'élimination des déchets animaux;
h) s'il détient des animaux destinés à des expériences de laboratoire, conformément aux dispositions de l'article 5 de l'arrêté royal du 14 novembre 1993 relatif à la protection des animaux d'expérience.
2. L'agrément est maintenu si les exigences suivantes sont satisfaites :
a) les locaux sont placés sous le contrôle d'un vétérinaire officiel agréé, qui
(i) visite les locaux de l'organisme, de l'institut ou du centre au moins une fois par an;
(ii) contrôle l'activité du vétérinaire agréé et la mise en oeuvre du plan de surveillance annuel des maladies;
(iii) veille au respect des dispositions du présent arrêté;
b) seuls des animaux provenant d'autres organismes, instituts ou centres agréés, sont introduits dans l'établissement, conformément aux dispositions du présent arrêté;
c) le vétérinaire officiel vérifie que :
- les dispositions du présent arrêté sont respectées,
- les résultats des tests cliniques, post mortem et de laboratoire sur les animaux n'ont révélé aucun indice des maladies visées aux annexes II et III (*),
( (*) Pour les maladies de l'annexe III visées par l'arrêté royal du 25 avril 1988 désignant les maladies des animaux soumises à l'application du chapitre III de la loi du 24 mars 1987 relative à la santé des animaux. )
d) l'organisme, l'institut ou le centre conserve les registres visés au point 1 d) après l'agrément, pendant une période d'au moins dix ans.
3. Toutefois, par dérogation à l'article 7, paragraphe 1, du présent arrêté, et au point 2 b) de la présente annexe, les animaux, y compris les singes (Simiae et Prosimiae ), ne provenant pas d'un organisme, d'un institut ou d'un centre agréé peuvent être introduits dans un organisme, un institut ou un centre agréé, à condition d'être préalablement soumis à une quarantaine sous contrôle officiel, et conformément aux instructions données par l'autorité compétente.
En ce qui concerne les singes (Simiae et Prosimiae), les exigences de quarantaine fixées dans le code zoosanitaire international de l'OIE (chapitre 2.10.1 et annexe 3.5.1.) sont respectées.
Pour les autres animaux soumis à une quarantaine en application du point 2 b) de la présente annexe, la période de quarantaine doit être de trente jours au moins pour les maladies énumérées à l'annexe II (*).
( (*) Pour les maladies de l'annexe III visées par l'arrêté royal du 25 avril 1988 désignant les maladies des animaux soumises à l'application du chapitre III de la loi du 24 mars 1987 relative à la santé des animaux. )
4. Les animaux détenus dans un organisme, un institut ou un centre agréé ne peuvent quitter ces établissements que pour se rendre dans un organisme, un institut ou un centre agréé situé dans le même ou dans un autre Etat membre; cependant, si les animaux n'ont pas pour destination un organisme, un institut ou un centre agréé, ils ne peuvent quitter ces établissements que s'ils respectent les exigences établies par l'autorité compétente afin d'éviter tout risque de propagation éventuelle de la maladie.
5. L'agrément est suspendu, retiré ou rétabli, en partie ou en totalité, dans les cas suivants :
a) lorsque l'autorité compétente estime que les exigences visées au point 2 ne sont pas respectées ou lorsqu'il s'agit d'un usage différent, non couvert par l'article 2 du présent arrêté, l'agrément est suspendu ou retiré;
b) en cas de notification de soupçons quant à la présence d'une des maladies visées à l'annexe II ou à l'annexe III (*), l'autorité compétente suspend l'agrément de l'organisme, de l'institut ou du centre, jusqu'à ce que la suspicion ait été officiellement écartée. En fonction de la maladie suspectée et de son risque de transmission, la suspension peut s'appliquer à l'ensemble de l'établissement ou uniquement à certaines catégories d'animaux sensibles à la maladie en question. L'autorité compétente veille à ce que les mesures nécessaires pour confirmer ou écarter la suspicion, et pour éviter toute propagation de la maladie soient prises conformément à la législation communautaire relative aux mesures de lutte contre la maladie en question et aux échanges d'animaux;
( (*) Pour les maladies de l'annexe III visées par l'arrêté royal du 25 avril 1988 désignant les maladies des animaux soumises à l'application du chapitre III de la loi du 24 mars 1987 relative à la santé des animaux. )
c) lorsque la maladie suspectée est confirmée, l'organisme, l'institut ou le centre ne récupère son agrément que si, après l'éradication de la maladie et des foyers d'infection dans les installations, y compris une désinfection et un nettoyage adéquats, les conditions prévues au point 1 de la présente annexe, à l'exception de celles énoncées au point 1, c), sont à nouveau remplies;
d) l'autorité compétente informe la Commission de la suspension, du retrait ou du rétablissement de l'agrément d'un organisme, d'un institut ou d'un centre. "
Vu pour être annexé à l'arrêté ministériel du 4 février 2004.
Le Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique,
R. DEMOTTE.